Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2250(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0226/2017

Ingediende teksten :

A8-0226/2017

Debatten :

PV 05/07/2017 - 16
CRE 05/07/2017 - 16

Stemmingen :

PV 06/07/2017 - 11.11
CRE 06/07/2017 - 11.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0316

Aangenomen teksten
PDF 214kWORD 58k
Donderdag 6 juii 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU
P8_TA(2017)0316A8-0226/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU (2016/2250(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 52, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin bepaald wordt dat de verdragen van toepassing zijn op alle lidstaten, en lid 2 van dat artikel, waarin staat dat het territoriale toepassingsgebied van de Verdragen nader omschreven wordt in artikel 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 355, eerste alinea, punt 1, van het VWEU zoals gewijzigd bij de besluiten van de Europese Raad van 29 oktober 2010 tot wijziging van de status van het eiland Saint-Barthélemy ten aanzien van de Europese Unie (2010/718/EU) en van 11 juli 2012 tot wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie (2012/419/EU), waarin bepaald wordt dat de verdragsbepalingen van toepassing zijn op de ultraperifere gebieden, overeenkomstig artikel 349 VWEU,

–  gezien artikel 349 VWEU, waarbij aan de ultraperifere gebieden een bijzondere status wordt toegekend, bepaald wordt dat er "specifieke maatregelen worden [aangenomen] die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van de Verdragen, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen" en dat die maatregelen "met name, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het douane- en handelsbeleid, het fiscale beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen en tot horizontale programma's van de Unie",

–  gezien artikel 107, lid 3, onder a), VWEU waarin bepaald wordt dat steunmaatregelen die vastgesteld worden om de economische ontwikkeling van de ultraperifere gebieden te bevorderen, verenigbaar kunnen zijn met de interne markt,

–  gezien titel XVIII van het VWEU waarin de doelstelling van economische, sociale en territoriale samenhang is vastgelegd en de structurele financieringsinstrumenten voor de verwezenlijking van die doelstelling nader zijn omschreven,

–  gezien artikel 7 VWEU, waarin bepaald wordt dat de Unie toeziet "op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen en met inachtneming van het beginsel van bevoegdheidstoedeling",

–  gezien alle mededelingen van de Commissie over de ultraperifere gebieden,

–  gezien alle resoluties van het Europees Parlement over de ultraperifere gebieden, en met name zijn resolutie van 18 april 2012 over de rol van het cohesiebeleid voor de ultraperifere regio's van de Europese Unie in de context van “Europa 2020”(1) en zijn resolutie van 26 februari 2014 over de optimalisering van het potentieel van ultraperifere gebieden door middel van het scheppen van synergieën tussen de structuurfondsen en andere programma's van de Europese Unie(2),

–  gezien het arrest van het Europees Hof van Justitie van 15 december 2015(3),

–  gezien het verslag van de Commissie van 15 december 2016 over de uitvoering van de regeling houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (POSEI) (COM(2016)0797),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "De modernisering van het EU-staatssteunbeleid" (COM(2012)0209),

–   gezien het Memorandum dat door de ultraperifere gebieden is ondertekend in Cayenne van5 maart 1999, aangevuld met het gezamenlijke memorandum van Spanje, Frankrijk, Portugal en de ultraperifere gebieden, ondertekend in mei 2010, waarin werd bepaald dat de EU de duurzame ontwikkeling van de perifere gebieden moet bevorderen door op de talrijke natuurlijke en culturele rijkdommen van de perifere gebieden voort te bouwen en de beginselen van gelijke kansen, partnerschap, evenredigheid en samenhang met het EU-beleid te stimuleren,

–  gezien de slotverklaring van de 21e conferentie van voorzitters van de ultraperifere gebieden van de Europese Unie van 22 en 23 september 2016 en het ter gelegenheid van het vierde forum van de ultraperifere gebieden van de Unie van 30 en 31 maart 2017 te Brussel ondertekende gezamenlijk memorandum van de ultraperifere gebieden,

–  gezien Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard(4),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 van het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0226/2017),

A.  overwegende dat in artikel 349 VWEU erkend wordt dat de ultraperifere gebieden zich in een bijzondere economische en sociale situatie bevinden die structureel bemoeilijkt wordt door factoren (grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat, economische afhankelijkheid van een gering aantal producten enz.) die vanwege hun blijvende en cumulatieve aard de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden;

B.  overwegende dat de grote kamer van het Hof van Justitie in haar beginselarrest van 15 december 2015 een grondige uitleg heeft gegeven van artikel 349 VWEU;

C.  overwegende dat het Hof in dit arrest met name bevestigt dat de handelingen die specifieke maatregelen voor de ultraperifere gebieden beogen te treffen, conform de rechtsgrond van artikel 349 kunnen worden vastgesteld, dat dankzij deze rechtsgrond zowel van het primaire recht als van het afgeleide recht mag worden afgeweken en dat de lijst van door de formulering van artikel 349 bestreken gebieden niet uitputtend is, omdat "de auteurs van het VWEU niet hebben bedoeld een uitputtende lijst te geven van de typen maatregelen die op grondslag van dit artikel kunnen worden genomen";

D.  overwegende dat, wanneer er sprake is van de toepassing van de Europese verdragen op de ultraperifere gebieden, artikel 52 VEU en de artikelen 349 en 355 VWEU met elkaar verbonden zijn, dat de verdragsbepalingen krachtens artikel 355, eerste alinea, punt 1, VEU van toepassing zijn op de ultraperifere gebieden overeenkomstig artikel 349 VWEU, en dat die verwijzing naar de verdragen ook het afgeleid recht betreft;

E.  overwegende dat artikel 349 VWEU gelezen moet worden in samenhang met andere verdragsartikelen en met name artikel 7, waarin bepaald wordt dat de Unie toeziet op de samenhang tussen haar verschillende beleidsmaatregelen en optredens, rekening houdend met het geheel van haar doelstellingen;

F.  overwegende dat de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie een andere behandeling rechtvaardigen in geval van verschillende situaties, teneinde uiteindelijk te zorgen voor gelijkheid in de toepassing van het Europees recht;

G.  overwegende dat artikel 349 VWEU tot doel heeft de ontwikkeling van de ultraperifere gebieden te waarborgen en deze gebieden te integreren zowel in de Europese ruimte als in hun eigen geografische ruimte, waarbij zij kunnen profiteren van Europese beleidsmaatregelen en waar gepast van specifieke aan hun situaties en behoeften aangepaste maatregelen;

H.  overwegende dat de ultraperifere gebieden bevoorrechte posities innemen op het gebied van de geostrategie en van het onderzoek in verband met klimaatverandering en biodiversiteit;

I.  overwegende dat de blauwe economie van de EU volgens schattingen van de Commissie 5,4 miljoen banen en een bruto toegevoegde waarde van circa 500 miljard EUR per jaar oplevert;

1.  brengt in herinnering dat artikel 7 VEU de Commissie de rol van hoedster van de Verdragen toekent; benadrukt dat de ultraperifere gebieden volledig bij de Europese Unie horen en hetzelfde rechtsbestel hebben, en dat hun specifieke situatie wordt erkend in de Verdragen, en met name in artikel 349 VWEU, waarin een beginsel van en een recht op aanpassing is vastgelegd met betrekking tot verschillende beleidsdomeinen van de Unie;

2.  benadrukt dat hun geografische afstand tot de Unie weliswaar een groot nadeel is voor de ultraperifere gebieden, maar dat ze ook over verschillende belangrijke troeven beschikken, zoals het ontwikkelingspotentieel van activiteiten in verband met toerisme, blauwe groei, exploitatie van aanzienlijke hernieuwbare energiebronnen, ontwikkeling van de circulaire economie en het valoriseren van hun rijke natuurlijke erfgoed en enorme biodiversiteit;

3.  is van mening dat slechts in beperkte mate gebruik is gemaakt van artikel 349 VWEU en dat dit artikel ook op een meer innoverende en positievere manier kan worden geïnterpreteerd, met name voor het opzetten van ad-hocprogramma's en nieuw specifiek beleid waarin de troeven waarover de ultraperifere gebieden beschikken het uitgangspunt vormen, teneinde hun de middelen te bieden om die te benutten, met name op gebieden als hernieuwbare energie, blauwe groei, onderzoek en ontwikkeling, duurzaam toerisme, bescherming van de biodiversiteit en aanpassing aan de klimaatverandering; herinnert in dit verband aan de rol die de Unie vervult om de ultraperifere gebieden in staat te stellen hun problemen te boven te komen en hun troeven te benutten, maar benadrukt tegelijkertijd dat de betrokken lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor het gebruik van beschikbare EU-instrumenten die hen kunnen helpen ij het waarborgen van de duurzame ontwikkeling van hun ultraperifere gebieden;

Stand van zaken met betrekking tot de toepassing van artikel 349 VWEU

4.  maakt zich zorgen over het feit dat de verdragsartikelen die betrekking hebben op de ultraperifere gebieden tot dusver niet in de mate van het mogelijke zijn toegepast, wat hun vermogen om het lidmaatschap van de Unie ten volle te benutten en hun concurrentiepositie in hun geografische omgeving te versterken, heeft beperkt;

5.  is van mening dat een bredere toepassing van artikel 349 VWEU een betere integratie van de ultraperifere gebieden in de Unie in de hand zou werken en hun ontwikkeling en hun eigen potentieel zou bevorderen, met volledige inachtneming van hun specifieke kenmerken en hun structurele beperkingen, maar ook van hun troeven;

6.  herinnert aan de politieke wil van de wetgevers toen zij artikel 299, tweede alinea, en vervolgens artikel 349 VWEU redigeerden, namelijk de invoering van een globale strategie met specifieke maatregelen die onder verschillende beleidsterreinen en -instrumenten vallen;

7.  herinnert eraan dat POSEI (Programma van speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen) een programma is dat de specifieke kenmerken van de ultraperifere gebieden volledig in acht neemt dankzij een eigen verordening op grond van zowel artikel 349 VWEU als artikel 42, eerste alinea, en artikel 43, lid 2, waarin het dubbele beginsel wordt erkend dat de ultraperifere gebieden deel uitmaken van de Unie en dat er een gemeenschappelijk Europees beleid is dat volledig is afgestemd op de situatie van die gebieden, en dat het bijgevolg cruciaal is dat dat programma wordt voortgezet en dat er wordt gedacht over nieuwe POSEI-programma's die ook ander Uniebeleid bestrijken;

8.  is van mening dat het succes van POSEI een goed argument is om de specifiek voor de ultraperifere gebieden bestemde maatregelen te behouden in plaats van ze op te lossen in horizontale Europese programma's;

9.  merkt op dat de Commissie meerdere mededelingen over de ultraperifere gebieden heeft aangenomen; betreurt het dat deze verschillende Europese strategieën ten behoeve van de ultraperifere gebieden tot dusver slechts ten dele zijn uitgevoerd en concreet gestalte hebben gekregen;

10.  roept de Commissie nu op om te komen met een actieplan, eventueel vergezeld van wetgevingsinitiatieven, ten behoeve van de uitvoering van een samenhangende en doeltreffende strategie ten aanzien van de ultraperifere gebieden, dat de door artikel 349 VWEU geboden mogelijkheden volledig benut, met name voor het opzetten van aan hun behoefte aan duurzame ontwikkeling aangepaste specifieke programma's en beleid, met name op het gebied van innovatie en langetermijninvesteringen; wijst op de noodzaak van nauwe samenwerking met de regionale autoriteiten van de ultraperifere gebieden en met de belanghebbenden; verzoekt de instellingen van de Unie derhalve om, in overleg met de ultraperifere gebieden, een nieuw hoofdstuk te openen in de betrekkingen tussen de EU en die gebieden;

11.  is verheugd dat de Commissie werkt aan een nieuwe strategie voor de ultraperifere gebieden die uiterlijk eind 2017 zal worden vastgesteld; verzoekt de Commissie om in haar strategie een gedetailleerde aanpak voor de ultraperifere gebieden op te nemen, alsook op hun investeringsbehoeften gerichte strategische kaders met precieze, haalbare en meetbare doelstellingen, moedigt Frankrijk, Spanje en Portugal aan meer steun te verlenen aan hun ultraperifere gebieden;

12.  herinnert eraan dat de ultraperifere gebieden krachtens artikel 349 VWEU op basis van versoepelde procedures kunnen beschikken over niet in de tijd beperkte en niet-degressieve exploitatiesteun om de extra kosten te compenseren waarmee zij geconfronteerd worden; brengt tevens in herinnering dat deze uitzonderingen zowel voor de financieringsinstrumenten van de Unie als voor staatssteun gelden;

13.  wijst er met klem op dat het noodzakelijk is te garanderen dat de instrumenten, bepalingen en uitzonderingen die zijn ingevoerd om de structurele ontwikkeling van de ultraperifere gebieden te bevorderen, van langdurige aard zijn en rekening houden met de verrichte evaluaties;

14.  verzoekt de Commissie een precieze balans op te maken van de benadering ten aanzien van de ultraperifere gebieden en de economische en sociale situatie van elk van die gebieden onder de loep te nemen teneinde een betere verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees beleid voor regionale ontwikkeling te waarborgen, met name wat betreft het inlopen van achterstanden en het bereiken van duurzame ontwikkeling, opdat de betrokken gebieden in staat worden gesteld de gemiddelde Europese ontwikkelingsniveaus te benaderen;

15.  verzoekt de Commissie de coördinatie tussen haar verschillende directoraten-generaal te verbeteren met betrekking tot de dossiers die betrekking hebben op de ultraperifere gebieden, teneinde te komen tot een passende behandeling van de problematiek van die gebieden in de Europese beleidslijnen en strategieën; benadrukt in dit opzicht de bepalende rol van het secretariaat-generaal om te zorgen voor een juiste toepassing van artikel 349 VWEU, aangezien voor het afstemmen van het beleid van de Europese Unie op de specifieke kenmerken van de ultraperifere gebieden besluiten op het hoogste politieke niveau zijn vereist;

Landbouwbeleid

16.  is ingenomen met het recente verslag van de Commissie (COM(2016)0797 waarin geconcludeerd wordt dat de globale resultaten van het POSEI-programma (2006-2014) positief zijn; is van mening dat dit programma essentieel blijkt voor het behoud van de productie van de ultraperifere gebieden en beantwoordt aan de nieuwe doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), en beveelt aan de huidige basisverordening te handhaven, terwijl voor ogen wordt gehouden dat er begrotingsaanpassingen nodig zouden kunnen zijn wanneer er vrijhandelsovereenkomsten in werking treden die de productie van de ultraperifere gebieden aanzienlijk beïnvloeden of dreigen te beïnvloeden;

17.  is van mening dat POSEI sinds zijn instelling werkelijk een succes is geweest;

18.  schaart zich achter de conclusie van het verslag van de Commissie, waarin wordt gepleit voor de versterking van de basisconfiguratie van POSEI, om het risico te voorkomen dat de landbouwproductie wegvalt, met alle negatieve gevolgen van dien voor de werkgelegenheid, het milieu en de territoriale dimensie van de ultraperifere gebieden;

19.  meent dat er betere ondersteuning nodig is van de diversificatie van de productie in de ultraperifere gebieden en dat er maatregelen moeten worden ingevoerd die zijn gericht op het oplossen van marktcrises waar sommige sectoren mee te maken hebben, met name de tomaten- en veeteeltsector, en op het vergemakkelijken van de ontwikkeling van kleine producties zoals die in verband met melkproducten;

20.  herinnert eraan dat bij de achtereenvolgende hervormingen van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten (gmo) onvoldoende rekening is gehouden met de specifieke kenmerken van de ultraperifere gebieden en dringt erop dat daar in de toekomst meer rekening mee wordt gehouden;

21.  constateert dat de verdwijning van de quota en van de gegarandeerde prijzen die met de gmo voor suiker van 2005 in gang is gezet, de positie van de rietsuikerproducenten in de ultraperifere gebieden verzwakt; wijst op de noodzaak alle in het kader van artikel 349 VWEU ingestelde specifieke mechanismen een blijvend karakter te geven met het oog op het duurzame concurrentievermogen van deze sector; verzoekt om invoering van een steunmechanisme voor rietsuikerproducenten in geval van dalende suikerprijzen op de wereldmarkt;

22.  verzoekt de Commissie rekening te houden met het cruciale belang van de zuivelsector op de Azoren, de steun voor producenten in stand te houden en in aanvullende maatregelen in geval van een marktcrisis te voorzien;

23.  herinnert eraan dat de productie van bananen een cruciale rol speelt in de sociaaleconomische structuur van sommige ultraperifere gebieden; roept dus op tot handhaving en, in voorkomend geval, uitbreiding van de steun aan producenten;

24.  verzoekt de Commissie om in haar instrumenten voor beheersing en vaststelling van marktcrises in verschillende landbouwsectoren, zoals bananen, suiker, rum, visserij of melk (met het Waarnemingscentrum voor melk), een duidelijke definitie van marktcrisis in de ultraperifere gebieden op te nemen en haar indicatoren op de realiteit van die gebieden af te stemmen;

25.  betreurt dat het verschil qua regeling voor de certificering "biologisch" tussen derde landen en EU-lidstaten tot een concurrentieverstoring op deze markt leidt, ten nadele van zowel in de ultraperifere gebieden actieve Europese producenten als Europese consumenten, die worden misleid over de echte productieomstandigheden van deze producten; roept daarom op om, in het kader van de lopende onderhandelingen over de toekomstige Europese normen op het gebied van productie en etikettering van biologische producten, de overeenstemming met de thans geldende gelijkwaardigheidsregeling te vervangen om te zorgen voor een eerlijke concurrentie tussen ultraperifere gebieden en derde landen;

26.  acht het noodzakelijk om op grond van artikel 349 VWEU een rechtskader voor biologische producten en een rechtskader op sanitair en fytosanitair gebied vast te stellen, die rekening houden met de kenmerken van de landbouw van de ultraperifere gebieden in een tropische context;

27.  roept de Commissie op landbouwers in de ultraperifere gebieden aan te sporen om hun hoogwaardige producten te promoten door het gebruik van het logo van ultraperifere gebieden en andere kwaliteitskeurmerken te steunen;

28.  benadrukt dat productdifferentiatie en -specialisatie de lokale productie, verwerking en verkoop van levensmiddelen verder kunnen stimuleren en zo bestaande ongelijkheden tussen de ultraperifere gebieden en andere EU-regio's kunnen terugdringen;

29.  benadrukt omwille van de beleidssamenhang dat de inspanningen die de ultraperifere gebieden zich getroost hebben om te moderniseren en hun traditionele branches concurrerender te maken, niet in het gedrang mogen komen als gevolg van vrijhandelsakkoorden die de Unie met derde landen sluit;

Handelsbeleid van de Europese Unie

30.  herinnert eraan dat in artikel 207, lid 3, VWEU wordt bepaald dat er bij de onderhandelingen over akkoorden met derde landen op moet worden toegezien dat die akkoorden verenigbaar zijn met het interne beleid en de interne voorschriften van de Unie;

31.  stelt vast dat door de toename van de handelsovereenkomsten met derde landen, waaronder 's werelds grootste bananen- en suikerproducenten, de verdeling van de markt wordt gewijzigd, de prijzen onder druk worden gezet en het concurrentievermogen van communautaire producenten van deze levensmiddelen in het gedrang wordt gebracht;

32.  is daarom van mening dat het handelsbeleid van de Unie de branches van de ultraperifere gebieden niet in gevaar zou mogen brengen, omdat zij een belangrijke rol spelen op economisch, sociaal en milieugebied;

33.  moedigt ertoe aan om bij de door de Unie gevoerde onderhandelingen over handel voortaan rekening te houden met de specifieke kenmerken en de gevoelige producten van de ultraperifere gebieden, met name bananen, suiker, rum, tomaten en visserijproducten;

34.  roept de Commissie en de lidstaten op om in de onderhandelingen over de brexit alert en waakzaam te zijn ten aanzien van de bescherming van de belangen van de ultraperifere gebieden;

35.  spoort de Commissie aan om zich te houden aan de toezegging die zij in haar mededeling van 20 juni 2012 heeft gedaan, nl. om bij voorstellen voor handelsakkoorden, zoals overeenkomsten inzake economisch partnerschap, effectanalyses te voegen die in voorkomend geval rekening houden met de ultraperifere dimensie, en ervoor te zorgen dat die analyses de sociale, economische, territoriale en milieugevolgen voor de ultraperifere gebieden bestrijken; wenst dat in deze effectanalyses ook de cumulatieve gevolgen van de handelsakkoorden voor de ultraperifere gebieden worden gemeten;

36.  betreurt dat tot op heden geen enkele studie is verricht naar de gevolgen van de vrijhandelsakkoorden voor de landbouwsectoren van de ultraperifere gebieden; betreurt eveneens dat de ultraperifere gebieden niet in aanmerking zijn genomen in het verslag van de Commissie van 15 december 2016 over de cumulatieve effecten van de handelsakkoorden, hetgeen in strijd is met de POSEI-regels;

37.  verzoekt om in het handelsbeleid van de Unie rekening te houden met de concurrentienadelen van de ultraperifere gebieden; verzoekt om, wanneer dat nodig is voor de bescherming van producten uit de ultraperifere gebieden, de tarifaire en non-tarifaire belemmeringen te handhaven en daadwerkelijk gebruik te maken van vrijwaringsclausules en stabilisatiemechanismen indien producten uit de ultraperifere gebieden ernstig getroffen worden of dreigen te worden;

38.  wijst op de beperkingen van het gelijkwaardigheidsbeginsel, met name voor producten uit de biologische landbouw, dat het mogelijk maakt dat er in de Europese Unie uit derde landen producten binnenkomen die niet aan alle Europese vereisten voldoen; roept op tot de onmiddellijke toepassing van het conformiteitsbeginsel en tot aanscherping van de controlemaatregelen;

39.  moedigt ertoe aan om de ultraperifere gebieden een grotere rol te laten spelen in het buitenlands beleid van de Europese Unie ten aanzien van haar buurlanden teneinde dat beleid te versterken op gebieden als de armoedebestrijding, milieuduurzaamheid, versterking van de democratie, culturele uitwisseling en gendergelijkheid;

Duurzaam maritiem beleid en duurzame visserij en blauwe groei

40.  herinnert eraan dat in artikel 349 VWEU wordt bepaald dat de Commissie specifieke maatregelen kan voorstellen voor de ultraperifere gebieden, ook met betrekking tot beleid visserijgebied;

41.  verzoekt de Commissie te overwegen een steunstelsel op te zetten voor duurzame visserij in de ultraperifere gebieden op basis van artikel 349 VWEU, naar het voorbeeld van wat in de landbouwsector gedaan wordt in het kader van het POSEI-programma;

42.  verzoekt de Commissie en de Raad met klem alle aanbevelingen op te volgen die vervat zijn in de resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het beheer van de vissersvloten in de ultraperifere gebieden(5);

43.  verzoekt de Unie om met de ultraperifere gebieden een positie als mondiale zeemacht op te bouwen;

44.  benadrukt dat zowel de rijkdom van de oceanen als de huidige en toekomstige technologische ontwikkelingen ongekende groeimogelijkheden voor de ultraperifere gebieden kunnen openen; is van mening dat duurzame blauwe groei een kans biedt om de structurele verschillen tussen de ultraperifere gebieden en het Europese vasteland te verminderen en ertoe kan bijdragen om van de ultraperifere gebieden het middelpunt van een toekomstig Europees beleid te maken;

45.  herinnert eraan dat de ultraperifere gebieden vanwege hun ligging een belangrijke positie innemen op het gebied van het maritiem beheer, het beheer van de kustwateren, de strijd tegen illegale visvangst en de verbetering van de veiligheid van het vervoer;

46.  moedigt de Unie en de betrokken lidstaten aan tot meer investeringen op het gebied van zeeën en oceanen, en met name voor de ultraperifere gebieden, om te zorgen voor een duurzame en doeltreffende economische ontwikkeling van hun exclusieve economische zones;

47.  is ingenomen met de door de Commissie gelanceerde studie van het potentieel van duurzame blauwe groei in de ultraperifere gebieden en hoopt dat er een echt, op die gebieden gericht Europees programma van de grond zal komen waarin ook de uitdagingen op het gebied van voedselveiligheid, marien en maritiem onderzoek en bio-economie worden aangepakt; benadrukt echter dat sommige activiteiten, zoals olie- en gaswinning onder de zeebodem en de exploratie van mineralen uit diepzeeafzettingen, ernstige gevolgen kunnen hebben voor gevoelige mariene gebieden, en mariene soorten en kwetsbare ecosystemen kunnen verstoren;

48.  herinnert aan het belang van de beschermde mariene zones in de ultraperifere gebieden;

Cohesiebeleid

49.  herinnert eraan dat artikel 349 van het VWEU voorziet in een specifieke toegang tot de structuurfondsen voor de ultraperifere gebieden en dat alle ultraperifere gebieden daarom moeten worden beschouwd als "minst ontwikkelde gebieden"; is ingenomen met en staat achter de maatregelen die de Commissie ten behoeve van de ultraperifere gebieden heeft vastgesteld in een reeks van vier aan die gebieden gewijde mededelingen (2004, 2007, 2008 en 2012); onderstreept het belang van de financiële steun van de EU voor alle ultraperifere gebieden, die voor de periode 2014-2020 13 miljard EUR bedraagt;

50.  bevestigt nogmaals dat het cohesiebeleid een van de belangrijkste instrumenten voor Europees optreden na 2020 moet blijven, in het bijzonder ten aanzien van de ultraperifere gebieden, waar nog steeds grote regionale verschillen bestaan;

51.  roept de lidstaten, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel en met de verantwoordelijkheden die zij dragen, ertoe op ervoor te zorgen dat alle voorwaarden worden geschapen, met name wat betreft investeringen op de terreinen die onder hun bevoegdheid vallen, voor optimale resultaten van de Europese fondsen en beleidslijnen in de ultraperifere gebieden;

52.  is van mening dat er voor de volgende programmeringsperiode binnen de thematische concentratie meer flexibiliteit voor de ultraperifere gebieden kan worden voorzien met betrekking tot het bepalen van sommige van hun prioritaire assen voor het gebruik van de structuurfondsen, voor zover het gaat om het bereiken van duurzame ontwikkeling; verzoekt om handhaving van de begrotingstoewijzingen voor de ultraperifere gebieden, van de compensatie van extra kosten en van alle naar behoren gemotiveerde uitzonderingsmaatregelen die tot doel hebben hun structurele nadelen te compenseren;

53.  wenst dat in het kader van het volgende meerjarig financieel kader (MFK) bij de vaststelling van de financiële enveloppes strikt de hand wordt gehouden aan de criteria van de algemene verordening betreffende de fondsen;

54.  herinnert aan de gedeelde doelstelling van dubbele integratie van de ultraperifere gebieden; dringt aan op het uitdiepen en operationeel maken van alle mechanismen ten behoeve van de grensoverschrijdende samenwerking tussen de ultraperifere gebieden, de landen en gebieden overzee (LGO's) en derde landen in hun geografisch gebied, met name middels de instandhouding en verbetering van de synergieën van de juridische en financiële regelingen van de verordeningen betreffende het EOF en het EFRO;

55.  benadrukt dat de strategieën voor Europese territoriale samenwerking moeten worden aangepast om de negatieve effecten van het ultraperifere karakter op de betrokken gebieden te beperken en de samenwerking te bevorderen;

56.  beveelt aan om bij de uitvoering van het Europees fonds voor strategische investeringen (EFSI) ten aanzien van de ultraperifere gebieden meer aandacht te besteden aan de minst ontwikkelde en meest geïsoleerde gebieden;

57.  wijst op de hoge jeugdwerkloosheid in de ultraperifere gebieden die het noodzakelijk maakt dat de Unie meer maatregelen neemt voor de ondersteuning en opleiding van jongeren in die gebieden, met name via het jeugdwerkgelegenheidsinitiatief;

58.  herinnert eraan dat het belangrijkste fonds voor opleiding en werkgelegenheid, het Europees Sociaal Fonds (ESF) is; verzoekt de Commissie – vanwege het structurele karakter en het kritieke werkloosheidspercentage in de ultraperifere gebieden, en op grond van artikel 349 VWEU dat de ultraperifere gebieden het recht geeft op specifieke toegang tot de structuurfondsen – om een aanvullende toewijzing in het kader van het ESF ter ondersteuning van de inzetbaarheid, mobiliteit en opleiding in de ultraperifere gebieden tot stand te brengen;

59.  benadrukt dat het van belang is onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3) in de ultraperifere gebieden te ontwikkelen, aangezien zij een cruciaal element vormen voor de uitvoering van het cohesiebeleid;

60.  wijst op het belang van lokale ontwikkelingsinstrumenten zoals de door gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) als bottom-upbenadering voor de aanpak van lokale structurele uitdagingen waarbij tegelijkertijd de verantwoordelijkheid van de gemeenschap wordt bevorderd; verzoekt de Commissie en de betrokken lidstaten daarom te onderzoeken hoe beter gebruik kan worden gemaakt van CLLD, waarmee op flexibele en innovatieve wijze kan worden ingespeeld op de noodzaak tot aanpassing waar de ultraperifere gebieden op wijzen;

61.  benadrukt dat de demografische verschillen binnen de ultraperifere gebieden moeten worden beschouwd als een doorslaggevende factor bij de vaststelling van hun beleid, met name op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid;

Mededingingsbeleid en staatssteun

62.  herinnert eraan dat in artikel 349 VWEU wordt bepaald dat de Commissie specifieke maatregelen voor de ultraperifere gebieden kan voorstellen die met name betrekking hebben op het douane- en handelsbeleid, het fiscale beleid, vrijhandelszones, voorwaarden voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, en staatssteun;

63.  herinnert er bovendien aan dat in artikel 107, lid 3, VWEU wordt bepaald dat steunmaatregelen die vastgesteld worden om de economische ontwikkeling van de ultraperifere gebieden te bevorderen, rekening houdend met hun structurele, economische en sociale situatie, kunnen worden beschouwd als verenigbaar met de interne markt;

64.  verzoekt de Commissie zich bij de richtsnoeren voor regionale steunmaatregelen en de algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) meer te baseren op artikel 107, lid 3, onder a), en artikel 349 VWEU teneinde bij te dragen aan de economische en sociale ontwikkeling van de ultraperifere gebieden en ervoor te zorgen dat met deze gebieden meer rekening wordt gehouden;

65.  onderstreept dat een versterking van de afwijkingen van het mededingingsrecht die zijn verkregen op grond van de artikelen 349 en 42 VWEU geen invloed zal hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten en de interne markt niet zal verstoren, omdat de markten van deze gebieden ver weg liggen en van beperkte omvang zijn;

66.  betreurt het dat in de oorspronkelijke voorstellen met het oog op de vereenvoudiging van de regionale steunmaatregelen en de AGVV niet vanaf het begin en vooraf wordt voorzien in aanpassing van de regels voor de ultraperifere gebieden om de economische en sociale ontwikkeling van deze gebieden doeltreffend te waarborgen;

67.  roept de Commissie sterker op te treden tegen de grote monopolies in de ultraperifere gebieden die bijdragen tot de verhoging van de kosten van levensonderhoud voor de lokale bevolking, met name in de sectoren van invoerproducten die concurreren met de ontwikkeling van de lokale economie en met die op het gebied van energie, vervoer en telecommunicatie;

68.  verzoekt de Commissie de fiscale uitzonderingsregelingen voor de ultraperifere gebieden ook na 2020 te handhaven op basis van een diepgaande evaluatie van hun situatie, waarbij erop wordt toegezien dat er vorderingen geboekt worden bij het nastreven van eerlijke en doeltreffende fiscale stelsels en dat de strijd tegen belastingfraude in de Unie en in derde landen wordt opgevoerd;

69.  waarschuwt voor handelspraktijken zoals dumpingmarkten, die tot ontwrichting van de insulaire micromarkten van de lokale economieën kunnen leiden;

Onderzoek, milieu, onderwijs, cultuur, vervoer, energie en telecommunicatie

70.  herinnert eraan dat in artikel 349 VWEU wordt bepaald dat de Commissie specifieke maatregelen kan voorstellen voor de ultraperifere gebieden, ook met betrekking tot de voorwaarden voor toegang tot de horizontale programma's van de Unie;

71.  is van mening dat in de horizontale programma’s van de Unie specifieke toegangsvoorwaarden moeten worden vastgesteld voor de ultraperifere gebieden, opdat deze daadwerkelijk kunnen deelnemen en hun troeven kunnen worden benut, met name in het kader van Horizon 2020, Life, Cosme, Creatief Europa, enz.;

72.  verzoekt de Commissie de ultraperifere gebieden daadwerkelijk op te nemen in de trans-Europese vervoers-, energie- en telecommunicatienetten;

73.  herinnert eraan dat de autonomie van de ultraperifere gebieden op het gebied van duurzame energie een prioriteit moet zijn; onderstreept dat de ultraperifere gebieden talrijke troeven bieden op het vlak van de ontwikkeling van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de circulaire economie;

74.  wijst op de grote mogelijkheden die het stimuleren van onderzoek en innovatie bieden ten behoeve van een solide en duurzame ontwikkeling; roept op tot verbetering van de toegang van de ultraperifere gebieden tot de ESIF- en Horizon 2020-middelen, teneinde de netwerkvorming van hun universiteiten, onderzoekscentra en innoverende bedrijven te bevorderen en deze gebieden aantrekkelijk te maken en ervoor te zorgen dat zij een betere uitwisseling tussen burgers en instellingen kunnen bevorderen, niet alleen binnen de ultraperifere gebieden maar ook met het Europese vasteland, de LGO's en derde landen;

75.  herinnert aan de centrale rol van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in de ultraperifere gebieden op het gebied van economische en sociale ontwikkeling; verzoekt de Commissie derhalve beter rekening te houden met de situatie van de ultraperifere gebieden in het kader van de COSME-programma's en het programma van de Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI);

76.  is van mening dat uitwisselingen en samenwerking tussen de ultraperifere gebieden en naburige derde landen op het gebied van onderzoek, innovatie, cultuur en onderwijs verder moeten worden gestimuleerd om hun regionale integratie in de hand te werken;

77.   is verheugd dat het nieuwe Erasmus+-programma de mobiliteit van studenten en jonge ondernemers uit de ultraperifere gebieden aanmoedigt door het maximale steunbedrag toe te kennen; verzoekt om soortgelijke voorzieningen in het Creatief Europa-programma; wenst echter dat in het kader van het Erasmus-programma beter rekening wordt gehouden met de gemeenschappelijke kenmerken van de ultraperifere gebieden door met name de uitwisselingen tussen ultraperifere gebieden te bevorderen; betreurt dat ondanks overweging 37 van de "Erasmus+"-verordening waarin wordt bepaald dat "de problemen in verband met de grote afstand van de ultraperifere gebieden van de Unie en LGO's [...] bij de uitvoering van het programma in aanmerking [moeten] worden genomen", de bedragen van de mobiliteitsvergoedingen in het kader van Erasmus vaak ontoereikend zijn ten opzichte van de echte kosten van een reis van begunstigde studenten uit ultraperifere gebieden naar het moederland;

78.  verzoekt de Commissie het nieuwe mobiliteitsmechanisme voor jongeren "Move2Learn, Learn2Move" uit te breiden tot Europese burgers die in ultraperifere gebieden wonen en de bedragen voor de hun aangeboden reisvergoeding af te stemmen op de werkelijke kosten van een reis tussen de ultraperifere gebieden en het Europese vasteland; is ingenomen met het besluit van de Commissie dit mechanisme niet alleen te beperken tot treinreizen, hetgeen jongeren overzee aan de kant zou schuiven;

79.  merkt op dat het programma Natura 2000 niet van toepassing is op de Franse ultraperifere gebieden, terwijl deze over een unieke biodiversiteit beschikken die echter met name bedreigd wordt door de gevolgen van de klimaatverandering; dringt er daarom op aan specifieke instrumenten in te zetten en de voorbereidende actie BEST een blijvend karakter te geven door een duurzaam mechanisme tot stand te brengen voor het financieren van projecten op het gebied van biodiversiteit, benutting van ecosysteemdiensten en aanpassing aan de klimaatverandering in het Europees overzees gebied;

80.  stelt voor een effectbeoordeling uit te voeren van de toepassingsmogelijkheden van Natura 2000 voor de Franse ultraperifere gebieden, teneinde de meest geschikte instrumenten ter bescherming van de biodiversiteit en het milieu in die gebieden vast te stellen;

81.  brengt in herinnering dat in de tussentijdse herziening van de EU-biodiversiteitsstrategie, in oktober 2015 door de Commissie gepubliceerd en vermeld in speciaal verslag 1/2017 van de Europese Rekenkamer, werd geconcludeerd dat er sinds 2011 weliswaar belangrijke vooruitgang was geboekt bij de uitvoering van de onder streefdoel 1 vallende maatregelen, maar dat de grootste uitdagingen nog steeds bestaan in de voltooiing van het mariene Natura 2000-netwerk, alsook het doeltreffende beheer van Natura 2000-gebieden en de noodzakelijke financiering om het Natura 2000-netwerk te ondersteunen, wat belangrijke factoren voor ultraperifere gebieden zijn;

82.  wijst erop dat de Europese Rekenkamer in speciaal verslag 1/2017 als volgt schrijft: "De lidstaten moeten aanzienlijke vooruitgang boeken en de Commissie moet meer inspanningen leveren om beter bij te dragen tot de ambitieuze doelstellingen van het biodiversiteitstrategie voor 2020 van de EU";

83.  wijst erop dat de Europese Rekenkamer in het speciaal verslag van januari 2017 schrijft dat er "meer inspanningen nodig [zijn] om het Natura 2000-netwerk zo te ontwikkelen dat het volledige potentieel ervan wordt gerealiseerd";

84.  bevestigt nogmaals dat verbetering van de toegang tot internet verplicht een rol moet spelen in de territoriale samenhang, de bevordering van gelijke kansen, het scheppen van banen en de verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking van de ultraperifere gebieden;

85.  dringt er bij de Commissie op aan om bij de aanpak van vraagstukken in verband met de dekking van het digitale netwerk rekening te houden met het specifieke karakter van de ultraperifere gebieden;

86.  roept op tot de totstandbrenging van een specifiek programma van het type POSEI voor vervoer, teneinde de territoriale, sociale en economische samenhang van deze gebieden te bevorderen en het (dubbele) insulaire karakter van sommige ultraperifere gebieden te verminderen; benadrukt dat dit programma zou moeten voorzien in steun voor personen- en goederenvervoer tussen de ultraperifere gebieden en het vasteland, binnen de ultraperifere gebieden zelf en tussen de nabije ultraperifere gebieden onderling, zoals de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden; onderstreept dat dit programma tevens de handel tussen deze gebieden zou moeten bevorderen;

87.  onderstreept dat de ultraperifere gebieden bevoorrechte toeristische gebieden zijn en dat het absoluut noodzakelijk is te investeren in een hoogwaardig, betaalbaar vervoersnetwerk, met name gezien de interne markt;

88.  gebiedt de Europese Unie zich met volle overtuiging in te zetten voor de internationalisering van de toegang tot de ultraperifere gebieden middels de totstandbrenging van vervoersinfrastructuur en -routes die tot doel hebben deze gebieden met het Europese vasteland, aangrenzende derde landen en de rest van de wereld te verbinden;

89.  vraagt om de tenuitvoerlegging in de ultraperifere gebieden van een echte industriële Europese strategie die niet-verplaatsbare banen oplevert en stoelt op het vermogen van ondernemingen om hun lokale verankering te verstevigen;

90.  is van mening dat de ultraperifere gebieden bevoorrechte ruimten kunnen vormen voor het opzetten van proefprojecten waarvan de maatregelen op transversale wijze binnen de verschillende lidstaten moeten worden toegepast;

o
o   o

91.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten en hun regio's, alsmede aan het Comité van de Regio's.

(1) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0133.
(3) Arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2015, Parlement en Commissie/Raad, C-132/14 t/m C-136/14, ECLI:EU:C:2015:813.
(4) PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0195.

Juridische mededeling