Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0062(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0266/2017

Ingediende teksten :

A8-0266/2017

Debatten :

PV 11/09/2017 - 19
CRE 11/09/2017 - 19

Stemmingen :

PV 12/09/2017 - 7.14
CRE 12/09/2017 - 7.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0329

Aangenomen teksten
PDF 433kWORD 62k
Dinsdag 12 september 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Toetreding van de EU tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
P8_TA(2017)0329A8-0266/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)01092016/0062(NLE))

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2016)0109),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat op 11 mei 2011 in Istanbul voor ondertekening werd opengesteld (hierna het "Verdrag van Istanbul" genoemd),

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 8, 19, 157 en 216 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a),

–  gezien de artikelen 21, 23, 24, 25 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking, die op 15 september 1995 werden goedgekeurd tijdens de vierde Wereldvrouwenconferentie, en de latere slotdocumenten die werden aangenomen tijdens de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Peking+5 (2000), Peking+10 (2005), Peking+15 (2010) en Peking+20 (2015),

–  gezien de bepalingen van de juridische instrumenten van de VN op het gebied van mensenrechten en met name vrouwenrechten, zoals het VN-Handvest, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van de prostitutie van anderen, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV) en het facultatieve protocol hierbij, het Verdrag inzake de bescherming tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het beginsel van non-refoulement en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de EU partij is, met inbegrip van de afsluitende opmerkingen van het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap uit 2015 richting de EU, waarin de EU wordt opgeroepen toe te treden tot het Verdrag van Istanbul teneinde vrouwen en meisjes met een handicap te beschermen tegen geweld,

–  gezien zijn verslag inzake de tenuitvoerlegging van het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap waarin de EU wordt opgeroepen toe te treden tot het Verdrag van Istanbul als volgende stap in het bestrijden van geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap,

–  gezien de algemene opmerking over artikel 6 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ("Vrouwen en meisjes met een handicap) die het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap op 26 augustus 2016 heeft aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(1),

–  gezien zijn resoluties van 26 november 2009 over de uitbanning van geweld tegen vrouwen(2), van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(3) en van 6 februari 2013 over uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met het oog op de 57e Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW)(4),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie over de bestrijding van geweld tegen vrouwen(5) en de beoordeling van de Europese meerwaarde,

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen(6),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Raad van de Europese Unie is aangenomen,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van deze groepen,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over meisjes mondig maken door middel van onderwijs in de EU(7),

–  gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio bestaande uit Nederland, Slowakije en Malta van 7 december 2015 over gendergelijkheid,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ(8),

–  gezien Richtlijn 2011/99/EU van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel(9) en Verordening (EU) nr. 606/2013 van 12 juni 2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken(10),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(11) en Richtlijn 2011/93/EU van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(12),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep en Richtlijn 2004/113/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, welke richtlijnen voorzien in een definitie van intimidatie en seksuele intimidatie en deze veroordelen,

–  gezien het stappenplan van de Commissie inzake een mogelijke toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul, gepubliceerd in oktober 2015,

–  gezien het derde kwartaalverslag over de activiteiten van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa van 16 november 2016, in verband met de definitie van gendergerelateerd geweld in het Verdrag van Istanbul,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het voorzitterschap, de Europese Commissie en het Europees Parlement, waarin wordt opgeroepen tot een vlotte toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen, goedgekeurd in Malta op 3 februari 2017,

–  gezien zijn resoluties van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015(13), en van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(14),

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken van het Europees Parlement van 2016, getiteld "Kennis en knowhow: de rol van zelfverdediging bij het voorkomen van geweld jegens vrouwen", met name met betrekking tot de mate waarin zelfverdedigingscursussen kunnen bijdragen tot de tenuitvoerlegging van artikel 12 van het Verdrag van Istanbul,

–  gezien artikel 99, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het interimverslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0266/2017),

A.  overwegende dat gendergelijkheid een fundamentele waarde van de EU is; overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat is verankerd in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten, en dat dit recht volledig moet worden geëerbiedigd, gestimuleerd en toegepast in de wetgeving, de praktijk, de jurisprudentie en het dagelijks leven; overwegende dat volgens de gendergelijkheidsindex in geen van de EU-landen sprake is van volledige gelijkheid van vrouwen en mannen; overwegende dat gendergerelateerd geweld zowel een oorzaak als een gevolg is van ongelijkheid tussen vrouwen en mannen;

B.  overwegende dat moderne vormen van slavernij en mensenhandel met name vrouwen treffen en in de EU nog steeds een hardnekkig verschijnsel vormen;

C.  overwegende dat de lidstaten moeten erkennen dat zodra er geweld is gepleegd, de samenleving al heeft verzaakt aan haar eerste en belangrijkste plicht, de beschermingsplicht, en er enkel nog reactieve maatregelen resten, zoals schadeloosstelling van slachtoffers en vervolging van misdadigers;

D.  overwegende dat de EU, in samenwerking met de lidstaten, alle nodige maatregelen moet nemen ter bevordering en bescherming van het recht van vrouwen en meisjes om in zowel het openbare als het privéleven gevrijwaard te worden van fysiek en psychologisch geweld;

E.  overwegende dat gendergerelateerd geweld niet licht mag worden opgevat en niet mag worden gezien als een probleem dat op de lange baan kan worden geschoven en later kan worden aangepakt, aangezien het meer dan 250 miljoen vrouwen en meisjes treft in de EU alleen, en enorme gevolgen heeft voor de maatschappij, angst en polarisering in de hand werkt en bijdraagt aan stress en psychische aandoeningen, aangezien het de veiligheid van de halve bevolking bedreigt; overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) schat dat seksueel geweld de samenleving in de EU jaarlijks 226 miljard EUR kost;

F.  overwegende dat geweld tegen vrouwen(15) en gendergerelateerd geweld, zowel fysiek als psychologisch, in de EU frequent voorkomen en gezien moeten worden als een extreme vorm van discriminatie en een schending van de mensenrechten, waarmee vrouwen in alle lagen van de bevolking te maken krijgen, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, maatschappelijke positie en land van herkomst of verblijf, en een van de belangrijkste obstakels voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, ook economisch en politiek, zijn; overwegende dat er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld aan te moedigen hun ervaringen te melden en om hulp te vragen, en om te garanderen dat zij passende steun krijgen die aansluit op hun behoeften, dat zij op de hoogte worden gebracht van hun rechten, en dat zij toegang tot de rechter hebben zodat de daders vervolgd kunnen worden;

G.  overwegende dat uit het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten getiteld "Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête", gepubliceerd in maart 2014, blijkt dat één op de drie vrouwen in Europa als volwassene minstens één keer met fysiek of seksueel geweld werd geconfronteerd, dat één op de vijf al online werd geïntimideerd, dat één op de twintig een verkrachting had meegemaakt, en dat meer dan één op de tien al het slachtoffer werd van een daad van seksuele agressie waarbij geweld werd gebruikt;

H.  overwegende dat één op de tien vrouwen al werd blootgesteld aan seksuele intimidatie of stalking via nieuwe technologieën, en dat 75 % van de vrouwen in een hoge leidinggevende functie te maken heeft gehad met seksuele intimidatie; overwegende dat dit aangeeft dat geen enkele vrouw en geen enkel meisje, ongeacht haar leeftijd of positie in het leven, veilig is voor seksueel geweld;

I.  overwegende dat er maatregelen moeten worden genomen om het opkomende fenomeen van gendergerelateerd geweld online, in de vorm van pesterijen en intimidatie, in het bijzonder van jonge vrouwen en meisjes en lesbiennes, homoseksuelen, bi-, trans- en interseksuelen, aan te pakken;

J.  overwegende dat de burgers en inwoners van de Unie niet op gelijke wijze tegen gendergerelateerd geweld beschermd zijn, door het ontbreken van een Europese strategie, met inbegrip van een wetgevingshandeling, en door een verschillend beleid en verschillende wetgeving in de lidstaten, onder andere met betrekking tot de definitie van misdrijven en de werkingssfeer van de wetgeving, zodat de lidstaten minder tegen geweld beschermd zijn; overwegende dat er ook binnen de EU verschillen zijn met betrekking tot informatie over, toegang tot en aanbieding van opvangplaatsen, hulpdiensten en rechten;

K.  overwegende dat geweld tegen vrouwen samenhangt met de ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, met seksisme en met genderstereotypen, die ertoe hebben geleid dat mannen vrouwen domineren en discrimineren en dat vrouwen een volledige ontplooiing onmogelijk wordt gemaakt;

L.  overwegende dat geweld tegen vrouwen bijdraagt tot genderongelijkheid door de toegang van slachtoffers tot de arbeidsmarkt te belemmeren, met negatieve gevolgen voor hun financiële onafhankelijkheid en de economie in het algemeen;

M.  overwegende dat economische afhankelijkheid van de dader een belangrijke reden is waarom vrouwen seksueel geweld niet melden;

N.  overwegende dat extreme armoede leidt tot een groter risico op geweld en andere vormen van exploitatie die de volledige participatie van vrouwen op alle terreinen van het maatschappelijk leven en de verwezenlijking van gendergelijkheid belemmeren;

O.  overwegende dat er meer moet worden gedaan om de participatie van vrouwen in het politieke, economische en sociale leven te vergemakkelijken en aan te moedigen, en om de zichtbaarheid van vrouwen in leidinggevende functies te vergroten om zo objectivering en een cultuur van gendergerelateerd geweld tegen te gaan;

P.  overwegende dat in het Verdrag van Istanbul is bepaald dat alle bepalingen van dit verdrag, met name maatregelen ter bescherming van de rechten van slachtoffers, worden gewaarborgd zonder discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, gender, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere opvatting, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, seksuele geaardheid, genderidentiteit, leeftijd, gezondheid, handicap, burgerlijke staat, migranten- of vluchtelingenstatus of andere status;

Q.  overwegende dat vrouwen met een handicap 1,5 tot 10 % meer kans maken om het slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld, en dat het voor deze vrouwen, vanwege hun afhankelijke positie, nog moeilijker is om het geweld te melden; overwegende dat vrouwen en meisjes met een handicap geen homogene groep zijn, maar eerder een groep die vrouwen en meisjes met verschillende status en in verschillende situaties omvat, evenals vrouwen met verschillende soorten beperkingen, waaronder lichamelijke, psychosociale, verstandelijke of zintuiglijke stoornissen, al dan niet gepaard gaand met functionele beperkingen; overwegende dat in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is bepaald dat de verdragsluitende staten maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat vrouwen met een handicap alle mensenrechten en fundamentele vrijheden ten volle en op gelijke voet kunnen uitoefenen;

R.  overwegende dat sommige groepen vrouwen en meisjes, zoals migrantenvrouwen, vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers, vrouwen en meisjes met een handicap, LBTI-vrouwen en Roma-vrouwen, mogelijk meervoudige discriminatie ervaren en daardoor nog kwetsbaarder zijn voor geweld vanwege door seksisme gevoede beweegredenen, gecombineerd met racisme, xenofobie, homofobie, transfobie en interseksfobie en discriminatie op basis van leeftijd, handicap, etnische afkomst of religie; overwegende dat vrouwen in Europa te maken krijgen met verschillende, elkaar overlappende vormen van discriminatie, die hun beletten toegang te krijgen tot de rechter en tot ondersteuning en bescherming, en die hen beletten diens grondrechten uit te oefenen; overwegende dat bij de tenuitvoerlegging van beschermingsmaatregelen voorzien moet worden in gespecialiseerde hulpdiensten voor vrouwen;

S.  overwegende dat geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huishoudelijk geweld, te vaak wordt beschouwd als een privékwestie en te vaak wordt getolereerd; overwegende dat het in feite gaat om een stelselmatige schending van de grondrechten en een ernstig misdrijf, dat als dusdanig moet worden bestraft; overwegende dat de straffeloosheid een halt moet worden toegeroepen door ervoor te zorgen dat daders worden vervolgd, en dat vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van geweld, toereikende ondersteuning en erkenning van het gerechtelijke apparaat krijgen om de vicieuze cirkel van stilte en eenzaamheid voor zij die het slachtoffer zijn geweest van geweld, ongeacht hun geografische herkomst of sociale klasse, te doorbreken;

T.  overwegende dat er aanzienlijke culturele verschillen tussen de lidstaten bestaan aangaande de kans dat vrouwen verkrachting of seksuele agressie melden, en dat de officiële statistieken eerder die tendens weergeven dan het werkelijke aantal gevallen van verkrachting of seksuele agressie in een bepaald land;

U.  overwegende dat de meeste moorden op vrouwen worden gepleegd door de echtgenoot, ex-echtgenoot, partner of ex-partner, die niet kan aanvaarden dat het huwelijk of de relatie voorbij is;

V.  overwegende dat de dader bij gendergerelateerd geweld vaak iemand is die het slachtoffer kent en dat het slachtoffer vaak afhankelijk is van die persoon, wat de angst kan vergroten om het geweld te melden;

W.  overwegende dat genderstereotypen en seksisme, waaronder seksistische haatdragende taal, wereldwijd zowel offline als online, in het publieke en in het private leven, een van de onderliggende oorzaken van alle vormen van geweld tegen vrouwen zijn;

X.  overwegende dat blootstelling aan fysiek, seksueel of psychologisch geweld en misbruik ernstige gevolgen heeft voor de slachtoffers, en dat dit kan leiden tot fysieke, seksuele, emotionele of psychische schade of tot economisch verlies; overwegende dat dit ook een impact heeft op hun gezin en verwanten en op de maatschappij als geheel; overwegende dat kinderen niet rechtstreeks hoeven te worden getroffen door het geweld om als slachtoffers te worden beschouwd, aangezien getuige zijn van huiselijk geweld ook traumatiserend is;

Y.  overwegende dat "gendergerelateerd geweld tegen vrouwen" in artikel 3 van het Verdrag van Istanbul duidelijk wordt gedefinieerd als "geweld gericht tegen een vrouw omdat ze een vrouw is of geweld dat vrouwen buitenproportioneel treft" en "gender" als "de maatschappelijk bepaalde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die in een maatschappij passend worden geacht voor vrouwen en mannen";

Z.  overwegende dat om het geraamde aantal ongemelde gevallen te verlagen, de lidstaten over voldoende instellingen moeten beschikken opdat vrouwen zich veilig zouden voelen en gendergerelateerd geweld zouden kunnen melden;

AA.  overwegende dat geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van de gevolgen ervan, enkel aanzienlijk kunnen worden teruggedrongen door een beleidsmix die een combinatie vormt van wetgevings- en niet-wetgevingsmaatregelen, onder andere infrastructurele, juridische, culturele, educatieve en sociale acties alsmede acties op het gebied van gezondheidszorg en maatregelen om de toegang van slachtoffers tot huisvesting en tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, met inbegrip van het aanbieden van onderdak voor slachtoffers, en gelijke participatie van vrouwen in alle domeinen van de samenleving; overwegende dat het maatschappelijk middenveld, en in het bijzonder vrouwenorganisaties, een erg belangrijke bijdrage leveren aan de preventie en bestrijding van alle soorten geweld, en dat hun werk moet worden erkend, aangemoedigd en ondersteund opdat het zo goed mogelijk uitgevoerd kan worden;

AB.  overwegende dat onderwijs en scholing voor meisjes en vrouwen een belangrijke Europese waarde vormt, een fundamenteel mensenrecht is en van essentieel belang is voor de versterking van de positie van meisjes en vrouwen op sociaal, cultureel en professioneel gebied en ervoor zorgt dat zij ook alle andere sociale, economische, culturele en politieke rechten kunnen uitoefenen en daarmee tevens bijdraagt aan de voorkoming van geweld tegen vrouwen en meisjes;

AC.  overwegende dat alleen staten in staat zijn om gratis en verplicht onderwijs voor iedereen te garanderen, en dat dit een essentiële voorwaarde is om gelijke kansen voor alle genders te waarborgen;

AD.   overwegende dat in het Verdrag van Istanbul wordt benadrukt dat het belangrijk is een mentaliteits- en gedragsverandering teweeg te brengen om uit het continuüm van gendergerelateerd geweld te geraken; overwegende dat er in dit opzicht derhalve moet worden voorzien in onderwijs op alle niveaus en voor alle leeftijden over de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, niet-stereotiepe genderrollen en de eerbiediging van de persoonlijke integriteit; overwegende dat cursussen zelfverdediging zijn aangemerkt als een efficiënt hulpmiddel om victimisatie en de nadelige gevolgen ervan te beperken, doordat zij ingaan tegen genderstereotypen en vrouwen en meisjes mondiger maken;

AE.  overwegende dat de toetreding van alle lidstaten tot de Overeenkomst van Istanbul een wezenlijke bijdrage zal leveren aan de totstandkoming van een geïntegreerd beleid en de bevordering van de internationale samenwerking bij de bestrijding van elke vorm van geweld tegen vrouwen;

AF.  overwegende dat de EU zich moet inzetten om de strijd tegen gendergerelateerd geweld in het nabuurschap en in de rest van de wereld te bevorderen, als onderdeel van de mondiale inspanningen om de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, en met name het gebruik van seksueel geweld als oorlogswapen te bestrijden;

AG.  overwegende dat het Verdrag van Istanbul een gemengde overeenkomst is die de toetreding van de EU op hetzelfde moment als haar lidstaten toelaat;

AH.  overwegende dat alle lidstaten het Verdrag van Istanbul hebben ondertekend, maar dat slechts veertien het hebben geratificeerd; overwegende dat de toetreding van de EU tot het Verdrag de lidstaten niet vrijstelt van de nationale ratificatie ervan;

AI.  overwegende dat voor ratificatie van het Verdrag van Istanbul een behoorlijke handhaving, effectieve toepassing, en toekenning van toereikende financiële en personele middelen nodig zijn;

1.  is verheugd over het feit dat de Commissie op 4 maart 2016 de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul heeft voorgesteld, dat het eerste uitgebreide juridisch bindende instrument op internationaal niveau is voor het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huishoudelijk geweld(16), op internationaal niveau;

2.  verneemt met instemming dat de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul op 13 juni 2017 werd ondertekend; betreurt echter dat de beperking tot twee gebieden, namelijk kwesties in verband met de justitiële samenwerking in strafzaken, en asiel en non-refoulement, zorgt voor rechtsonzekerheid met betrekking tot de reikwijdte van de toetreding van de EU, en voor bezorgdheden over de uitvoering van het Verdrag;

3.  veroordeelt alle vormen van geweld tegen vrouwen, en betreurt het feit dat vrouwen en meisjes vaak worden blootgesteld aan huiselijk geweld, psychologisch en fysiek geweld, stalking, seksueel geweld, verkrachting, gedwongen huwelijken, vrouwenbesnijdenis, gedwongen abortussen, gedwongen sterilisatie, seksuele uitbuiting, mensenhandel en andere vormen van geweld, die een ernstige schending van hun mensenrechten en waardigheid vormen; benadrukt dat het Verdrag van Istanbul verzekert dat cultuur, gewoonte, religie, traditie of zogeheten "eer" geen rechtvaardiging kunnen zijn voor geweld tegen vrouwen; veroordeelt het feit dat steeds meer vrouwen en meisjes het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld op het internet en op sociale media; verzoekt de lidstaten om concrete maatregelen te treffen om deze nieuwe vormen van misdrijven, waaronder seksuele afpersing, "grooming", voyeurisme en wraakpornografie, aan te pakken en de slachtoffers te beschermen, die ernstige trauma's kunnen oplopen die soms zelfs tot zelfmoord leiden;

4.  bevestigt nadrukkelijk dat het ontzeggen van seksuele of reproductieve gezondheidsdiensten en rechten, met inbegrip van veilige en legale abortus, een vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is; herhaalt dat vrouwen en meisjes zeggenschap moeten hebben over hun lichaam en hun seksualiteit; verzoekt alle lidstaten om omvattende seksuele voorlichting te waarborgen, evenals eenvoudige toegang voor vrouwen tot gezinsplanning en het volledige spectrum van reproductieve en seksuele gezondheidsdiensten, met inbegrip van moderne anticonceptiemethodes en veilige en legale abortus;

5.  benadrukt dat gedwongen zwangerschap in artikel 7 van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998 gedefinieerd is als misdrijf tegen de menselijkheid, en een vorm van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen is, die een ernstige schending van de mensenrechten en de waardigheid van vrouwen en meisjes vormt;

6.  onderstreept dat in het Verdrag van Istanbul een holistische, alomvattende en gecoördineerde benadering wordt gevolgd, waarbij de rechten van het slachtoffer centraal staan en de kwestie van geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huishoudelijk geweld, wordt aangepakt vanuit een ruime waaier aan oogpunten, aan de hand van maatregelen zoals de preventie van geweld, de strijd tegen discriminatie, strafrechtelijke maatregelen ter bestrijding van straffeloosheid, bescherming van en hulp aan slachtoffers, bescherming van kinderen, bescherming van vrouwen die asielzoeker of vluchteling zijn, een betere verzameling van gegevens en bewustmakingscampagnes of -programma's, ook in samenwerking met nationale mensenrechteninstanties en instanties voor gelijke kansen, het maatschappelijk middenveld en ngo's;

7.  benadrukt dat het Verdrag van Istanbul een degelijke basis biedt om de sociale structuren die geweld tegen vrouwen creëren, legitimeren en in stand houden, te veranderen en instrumenten aanreikt om maatregelen daartoe in te voeren; benadrukt dat in het Verdrag tegelijkertijd aandacht wordt geschonken aan preventie, bescherming en vervolging (drieledige aanpak) en dat gekozen wordt voor een omvattende en gecoördineerde aanpak, die voortvloeit uit het zorgvuldigheidsbeginsel, dat voorschrijft dat staten de positieve verplichting hebben om effectief te reageren op alle gewelddaden (artikel 5 van het Verdrag);

8.  benadrukt dat de toetreding van de EU zal zorgen voor een coherent Europees rechtskader om geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld te voorkomen en te bestrijden en slachtoffers te beschermen en te ondersteunen in het interne en externe beleid van de EU, en zal leiden tot een beter toezicht op en een betere interpretatie en tenuitvoerlegging van de wetten, programma's, en fondsen van de EU die verband houden met het Verdrag, alsook tot een betere verzameling van vergelijkbare, uitgesplitste gegevens op EU-niveau; is van mening dat de EU door toe te treden tot het Verdrag een meer doeltreffende mondiale speler zal worden op het gebied van vrouwenrechten;

9.  verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de volgende aanbevelingen:

   (a) Er moet bij de lidstaten op worden aangedrongen om de onderhandelingen over de ratificering en tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul te versnellen. Pogingen om afbreuk te doen aan de reeds getroffen maatregelen bij de tenuitvoerlegging van het Verdrag van Istanbul en de bestrijding van geweld tegen vrouwen, moeten krachtig worden veroordeeld.
   (b) De Commissie moet worden verzocht om onverwijld en zonder uitstel een constructieve dialoog aan te gaan met de Raad en de lidstaten, in samenwerking met de Raad van Europa, waarin aandacht uitgaat naar de voorbehouden, bezwaren en bezorgdheden van de lidstaten en waarin met name voor verduidelijking wordt gezorgd voor de misleidende interpretaties van het Verdrag van Istanbul wat betreft de definitie van gendergerelateerd geweld en de definitie van gender in artikel 3, onder c) en d), in overeenstemming met de algemene opmerkingen van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa.
   (c) Het Parlement dient in alle fasen volledig op de hoogte worden gehouden van de relevante aspecten van de onderhandelingen, zodat het naar behoren de rechten kan uitoefenen die door de Verdragen in overeenstemming met artikel 218 VWEU aan het Parlement zijn toegekend.
   (d) Er dient, ondanks de ondertekening van de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul, een brede toetreding van de EU tot het Verdrag te worden verzekerd, zonder enig voorbehoud.
   (e) Er moet voor worden gezorgd dat de lidstaten het Verdrag van Istanbul handhaven en toereikende financiële en personele middelen toewijzen aan de preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huishoudelijk geweld, en aan het mondig maken van vrouwen en meisjes, alsook aan de bescherming van slachtoffers en de mogelijkheid tot vergoeding, vooral in gevallen waarbij zij wonen in gebieden waar de bescherming van slachtoffers onbestaand of erg beperkt is.
   (f) De Commissie moet worden gevraagd om een EU-strategie op te stellen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, die een omvattend plan moet behelzen om alle vormen van genderongelijkheid te bestrijden en alle inspanningen van de EU moet bundelen om geweld tegen vrouwen uit te bannen.
   (g) Er moet een EU-coördinator worden aangesteld die de EU moet vertegenwoordigen in het Comité van de partijen in de Raad van Europa zodra het Verdrag van Istanbul door de EU is geratificeerd. Deze coördinator zou verantwoordelijk zijn voor de coördinatie, tenuitvoerlegging, bewaking en evaluatie van beleid en maatregelen om alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes te voorkomen en te bestrijden.
   (h) Er moet worden gegarandeerd dat het Parlement na toetreding van de EU ten volle wordt betrokken bij het toezicht op het Verdrag van Istanbul. Er moet snel overeenstemming worden bereikt over een gedragscode met betrekking tot de samenwerking tussen de EU en haar lidstaten met het oog op de tenuitvoerlegging van het Verdrag, waarbij ook het maatschappelijk middenveld, met name vrouwenorganisaties, moeten worden betrokken.
   (i) De Commissie en de lidstaten moeten worden verzocht om met praktische richtsnoeren en strategieën te komen voor de toepassing van het Verdrag van Istanbul om de vlotte tenuitvoerlegging en handhaving van het Verdrag in de lidstaten die het reeds hebben geratificeerd, te bevorderen, en om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van diegenen die het nog niet hebben geratificeerd en hen ertoe aan te moedigen dat alsnog te doen.
   (j) Beroepskrachten die te maken hebben met slachtoffers van alle daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag dienen een passende opleiding, procedures en richtsnoeren te krijgen om te voorkomen dat slachtoffers tijdens justitiële en politiële procedures worden gediscrimineerd of opnieuw in een slachtofferrol worden gedrukt.
   (k) Er moeten preventieve maatregelen worden getroffen om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van kwetsbare personen zoals vrouwen met een handicap, vrouwelijke vluchtelingen, minderjarige slachtoffers, zwangere vrouwen, LBTI-vrouwen en vrouwen met aanvullende ondersteuningsbehoeften, onder meer via gerichte en toegankelijke gespecialiseerde hulpdiensten, samen met passende medische voorzieningen en veilig onderdak voor vrouwen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld en voor hun kinderen.
   (l) Bij de vaststelling van het gezagsrecht en het bezoekrecht moet rekening worden gehouden met significante gevallen van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huiselijk geweld. Bij de verlening van bescherming en ondersteuning aan slachtoffers dient voorts rekening te worden gehouden met de rechten en behoeften van minderjarige getuigen.
   (m) Er moet actief worden opgetreden om een mentaliteits- en gedragsverandering te bevorderen en seksisme en genderstereotypen te bestrijden, onder andere door genderneutrale taal te bevorderen, door gecoördineerde inspanningen om de essentiële rol van de media en van reclame op dit gebied onder de aandacht te brengen en door iedereen, ook mannen en jongens, aan te moedigen een actieve rol te spelen in het voorkomen van alle vormen van geweld. De lidstaten moeten daarom worden verzocht een actief beleid inzake sociale insluiting, interculturele dialoog, seksuele en relationele voorlichting, voorlichting op het gebied van mensenrechten en anti-discriminatie vast te stellen en toe te passen, en wetshandhavers en beoefenaars van juridische beroepen opleidingen in gendergelijkheid te geven. De lidstaten moeten ertoe worden aangemoedigd om in hun onderwijsstelsels alle obstakels voor daadwerkelijke gelijkheid tussen vrouwen en mannen weg te werken en de gelijkheid ten volle te stimuleren.
   (n) De lidstaten moeten ertoe worden aangemoedigd om beleid in te voeren dat is bedoeld om een samenleving op te bouwen die vrij is van geweld in al zijn vormen en om het Verdrag van Istanbul daartoe aan te wenden.
   (o) Er moet voor worden gezorgd dat bij de proactieve maatregelen tegen geweld de genderrol wordt erkend in dit probleem, evenals het feit dat de overgrote meerderheid van de geweldplegers mannen zijn. De lidstaten moeten ertoe worden aangemoedigd om op feiten gebaseerde tactieken te gebruiken om geweld te verminderen teneinde dit probleem aan te pakken.
   (p) De nodige maatregelen uit hoofde van de artikelen 60 en 61 van het Verdrag van Istanbul inzake migratie en asiel moeten worden getroffen, en daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat vrouwelijke migranten – of zij nu wel of niet in het bezit zijn van de benodigde papieren – en meisjes en vrouwen in de asielzoekerspopulatie het recht hebben een leven zonder geweld te leiden, zowel in het openbare als in het privéleven, en met het feit dat zij bijzonder kwetsbaar zijn voor gendergerelateerd geweld. Daarbij moet eraan herinnerd worden dat gendergerelateerd geweld, met inbegrip van vrouwenbesnijdenis, kan worden erkend als een vorm van vervolging en dat de slachtoffers bijgevolg een beroep kunnen doen op de bescherming die wordt geboden door het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951. Er moet voor worden gezorgd dat de lidstaten een genderbewuste benadering hanteren in alle asiel- en opvangprocedures en het beginsel van non-refoulement eerbiedigen.
   (q) Genderbudgeting moet worden bevorderd als instrument om gendergerelateerd geweld in de desbetreffende beleidsdomeinen te voorkomen en te bestrijden, en er moeten voldoende middelen en financiering worden vrijgemaakt om slachtoffers en overlevenden van geweld toegang tot de rechter te bieden.
   (r) In samenwerking met het EIGE moet de verzameling van relevante, uitgesplitste vergelijkbare gegevens over gevallen van alle soorten geweld die onder het Verdrag van Istanbul vallen, met inbegrip van naar de leeftijd en het geslacht van de daders en de relatie tussen dader en slachtoffer uitgesplitste gegevens, worden verbeterd en bevorderd, om tot een gemeenschappelijke methodologie te komen voor de vergelijking van databases en analyses. Dit moet ervoor zorgen dat het probleem beter wordt begrepen. Daarnaast moet het bewustzijn worden verhoogd en moeten de acties van lidstaten ter preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld worden beoordeeld en verbeterd.

10.  benadrukt dat de maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen om doeltreffender te zijn, gepaard moeten gaan met maatregelen om economische ongelijkheden tussen mannen en vrouwen aan te pakken en de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te bevorderen;

11.  verzoekt de Commissie een rechtshandeling in te dienen die lidstaten helpt bij de preventie en uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes en van gendergerelateerd geweld;

12.  verzoekt de Raad de overbruggingsclausule toe te passen, door een unaniem besluit aan te nemen waarmee geweld tegen vrouwen en meisjes (evenals andere vormen van gendergerelateerd geweld) wordt aangemerkt als een vorm van criminaliteit uit hoofde van artikel 83, lid 1, VWEU;

13.  verzoekt de Commissie om het huidige EU-kaderbesluit betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht zodanig te herzien dat daarin ook seksisme, misdrijven ingegeven door vooroordelen en aanzetting tot haat wegens seksuele geaardheid, genderidentiteit of geslachtskenmerken worden opgenomen;

14.  verzoekt de lidstaten om Richtlijn 2011/99/EU betreffende het Europees beschermingsbevel, Verordening (EU) nr. 606/2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken, Richtlijn 2012/29/EU betreffende de bescherming van slachtoffers, Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen volledig ten uitvoer te leggen;

15.  verzoekt de Commissie nogmaals om een Europees waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld op te zetten (naar analogie met het Europees Instituut voor gendergelijkheid);

16.  verzoekt het Estse voorzitterschap om vaart te zetten achter de ratificatie van het Verdrag van Istanbul door de EU;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(2) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 53.
(3) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.
(4) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 8.
(5) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 2.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0451.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0312.
(8) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(9) PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.
(10) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.
(11) PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.
(12) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.
(14) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 2.
(15) Voor de toepassing van het Verdrag van Istanbul omvat de term "vrouwen" ook meisjes jonger dan 18 jaar (artikel 3).
(16) Zie de definities in artikel 3 van het Verdrag van Istanbul.

Juridische mededeling