Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0230(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0262/2017

Ingediende teksten :

A8-0262/2017

Debatten :

PV 11/09/2017 - 21
CRE 11/09/2017 - 21
PV 16/04/2018 - 20
CRE 16/04/2018 - 20

Stemmingen :

PV 13/09/2017 - 9.8
CRE 13/09/2017 - 9.8
Stemverklaringen
PV 17/04/2018 - 6.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0339
P8_TA(2018)0096

Aangenomen teksten
PDF 381kWORD 74k
Woensdag 13 september 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 ***I
P8_TA(2017)0339A8-0262/2017

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 september 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en overige informatie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0479 – C8-0330/2016 – 2016/0230(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging -1 (nieuw)
(-1)  Er dient rekening te worden gehouden met Protocol Nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging –1 bis (nieuw)
(-1 bis) Er dient rekening te worden gehouden met Protocol Nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Op 10 juni 2016 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs door de EU. Dit wetgevingsvoorstel maakt deel uit van de uitvoering van de verbintenis van de Unie tot emissiereductie in de gehele economie, zoals bevestigd in de voorgenomen nationaal vastgestelde reductieverbintenis van de Unie en haar lidstaten, die op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) is ingediend10.
(3)  Op 5 oktober 2016 heeft de Raad namens de Unie de Overeenkomst van Parijs geratificeerd, nadat het Europees Parlement hiermee op 4 oktober 2016 had ingestemd. De overeenkomst van Parijs is op 4 november 2016 in werking getreden. Deze verordening maakt, in dat verband, deel uit van de uitvoering van de verbintenis van de Unie tot emissiereductie in de gehele economie, zoals vastgelegd in de voorgenomen nationaal vastgestelde reductieverbintenis van de Unie en haar lidstaten, die op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) is ingediend. De Unie moet een voorbeeldfunctie blijven uitoefenen en moet haar inspanningen voor het klimaat intensiveren, in overeenstemming met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs.
__________________
__________________
10 http://www4.unfccc.int/submissions/indc/Submission%20Pages/submissions.aspx
10 http://www4.unfccc.int/ndcregistry/pages/Party.aspx?party=EUU
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De Overeenkomst van Parijs bevat onder meer een streefcijfer op lange termijn dat strookt met de doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging ruim beneden 2 °C boven de pre-industriële niveaus te houden, en om in te zetten op een maximale stijging van 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus. Om dit doel te bereiken, moeten de partijen opeenvolgende nationaal vastgestelde bijdragen voorbereiden, bekendmaken en aanhouden. De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden voortgezet. In de Overeenkomst van Parijs wordt ook opgeroepen om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken, en worden de partijen verzocht maatregelen te treffen om, indien van toepassing, putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden.
(4)  De Overeenkomst van Parijs bevat onder meer een streefcijfer op lange termijn dat strookt met de doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging ruim beneden 2 °C boven de pre-industriële niveaus te houden, en om in te zetten op een maximale stijging van 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus; daartoe zal de wereld een periode van negatieve emissieniveaus moeten aanvatten, waarin bossen, landbouwgrond en wetlands, met inbegrip van veengrond, een centrale rol zullen spelen. In de overeenkomst van Parijs wordt ook ernaar gestreefd de wereldwijde reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, in het kader van de duurzame ontwikkeling en de inspanningen om armoede uit te bannen, mede door het vermogen om zich aan te passen aan de negatieve gevolgen van de klimaatverandering te vergroten, en de klimaatbestendigheid en de ontwikkeling naar een lage uitstoot van broeikasgassen te bevorderen, op een manier die geen bedreiging vormt voor de productie van levensmiddelen. In de Overeenkomst van Parijs wordt door de partijen eveneens erkend dat het waarborgen van voedselzekerheid en het beëindigen van honger fundamentele prioriteiten zijn en dat voedselproductiesystemen bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering. Om het doel van de Overeenkomst van Parijs te bereiken, moeten de partijen meer collectieve inspanningen leveren om de klimaatverandering te bestrijden en de opwarming van de aarde te beperken. De partijen moeten opeenvolgende nationaal vastgestelde bijdragen voorbereiden, bekendmaken en aanhouden. De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden voortgezet. In de Overeenkomst van Parijs wordt ook opgeroepen om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken, en worden de partijen verzocht maatregelen te treffen om, indien van toepassing, putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden. In de Overeenkomst van Parijs erkennen de partijen ook dat voor adaptatiemaatregelen een volledig transparante aanpak moet worden gevolgd, dat er rekening moet worden gehouden met ecosystemen, en dat deze maatregelen moeten worden gebaseerd op en aangestuurd door de best beschikbare wetenschappelijke kennis.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Het is van essentieel belang dat bossen op duurzame wijze worden beheerd, overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn uitgewerkt in het kader van het Forest Europe-proces. In dat proces wordt duurzaam bosbeheer gedefinieerd als het beheer en het gebruik van bossen en bosgronden op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit, vitaliteit en vermogen behouden om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen en op een wijze die geen schade aan andere ecosystemen toebrengt. Voor een dergelijk beheer moet in dit verband ook de rol van herbebossing worden erkend.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  Om de negatieve emissieniveaus te bereiken die nodig zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs moet het boekhoudsysteem voor landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) robuust zijn. Aangezien verwijderingen door LULUCF omkeerbaar zijn, moeten ze als een afzonderlijke pijler van het klimaatbeleid van de Unie worden behandeld.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 werden ook de verschillende doelstellingen van de sectoren landbouw en landgebruik, waarvan het mitigatiepotentieel lager is, onderkend, evenals de noodzaak om voor coherentie tussen de doelstellingen van de Unie inzake voedselzekerheid en die inzake klimaatverandering te zorgen. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht te bekijken wat de beste manier is om een duurzame intensivering van de voedselproductie aan te moedigen en tegelijkertijd de bijdrage die de sector levert aan mitigatie en vastlegging van broeikasgassen, ook via bebossing, te optimaliseren en om zodra de technische voorwaarden dat mogelijk maken, en in ieder geval vóór 2020, een beleid te bepalen over de wijze waarop landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) in het kader voor broeikasgasmitigatie 2030 moeten worden opgenomen.
(5)  Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 werden ook de verschillende doelstellingen van de sectoren landbouw en landgebruik, waarvan het mitigatiepotentieel lager is, onderkend, evenals de noodzaak om voor coherentie tussen de doelstellingen van de Unie inzake voedselzekerheid en die inzake klimaatverandering te zorgen. Bovendien draagt de invoering van technologische oplossingen in de landbouw en bosbouw bij tot productieverhoging en vermindering van de ecologische voetafdruk. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht te bekijken wat de beste manier is om een duurzame intensivering van de voedselproductie aan te moedigen en tegelijkertijd de bijdrage die de sector levert aan mitigatie en vastlegging van broeikasgassen, ook via bebossing, te optimaliseren en om zodra de technische voorwaarden dat mogelijk maken, en in ieder geval vóór 2020, een beleid te bepalen over de wijze waarop landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) in het kader voor broeikasgasmitigatie 2030 moeten worden opgenomen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  De LULUCF-sector kan op verschillende manieren tot mitigatie van klimaatverandering bijdragen, met name door emissiereducties te verwezenlijken en putten en koolstofvoorraden in stand te houden en uit te breiden. Voor de doeltreffendheid van maatregelen die in het bijzonder gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging, is het van essentieel belang dat koolstofreservoirs voor lange termijn stabiel en aanpasbaar zijn.
(6)  De LULUCF-sector is sterk blootgesteld aan en zeer kwetsbaar voor de klimaatverandering. Tegelijkertijd beschikt de sector over een enorm potentieel om voor klimaatvoordelen op de lange termijn te zorgen en een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de internationale en Uniale klimaatdoelstellingen op de lange termijn. De LULUCF-sector draagt op verschillende manieren bij tot mitigatie van klimaatverandering, met name door emissiereducties te verwezenlijken en door putten en koolstofvoorraden in stand te houden en uit te breiden. De sector kan tot op zekere hoogte ook biomaterialen leveren waarmee fossiele en koolstofintensieve materialen kunnen worden vervangen door hernieuwbare, koolstofarme biomassa uit bossen. Ten aanzien van een dergelijke vervanging moet rekening worden gehouden met de volledige levenscyclus van die materialen, van de grondstoffenproductie tot de verschillende verwerkings- en productiefasen. De bio-economie, met inbegrip van materiaalvervanging, zoals in de bouw, en bio-energie, vervullen een belangrijke rol bij de overgang naar een economie zonder fossiele brandstoffen. Voor de doeltreffendheid van maatregelen die in het bijzonder gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging en in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, zijn het duurzame beheer van bossen en hulpbronnen en de stabiliteit en aanpasbaarheid van koolstofreservoirs op de lange termijn van essentieel belang. Aangezien de LULUCF-sector wordt gekenmerkt door lange termijnen, zijn er strategieën op de lange termijn nodig om duurzame investeringen op de lange termijn mogelijk te maken.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   De Unie moet een wereldleider worden in het bevorderen en exporteren van onderzoek en investeringen in duurzame, geavanceerde en innoverende praktijken, technieken en ideeën in de LULUCF-sector, alsook in het verspreiden van groene technologieën, teneinde de broeikasgasemissies te reduceren en tegelijk de voedselproductie te handhaven, waardoor zij een voorbeeld zal zijn voor haar internationale partners, waaronder ook ontwikkelingslanden. In dit verband moet worden gezorgd voor effectievere samenwerking en partnerschap met actoren in de particuliere sector, met name kleine en middelgrote ondernemingen.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  Het prioriteren van de financiering voor onderzoek naar klimaatverandering zou de rol van de LULUCF-sector in de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering vergroten. Met name het stimuleren van het onderzoeks- en innovatieprogramma van de Unie, voor de periode 2021-2028, in de LULUCF-sector zou onder meer bijdragen tot de uitbreiding en verdeling van de kennis over de prestaties van de sector onder de wetenschappelijke en plaatselijke gemeenschappen, de versnelling van duurzame innovatie, de bevordering van de overgang naar het digitale tijdperk, de modernisering van opleidingen en onderwijs, de vergroting van de weerbaarheid van de sector en de monitoring van biodiversiteit en menselijke activiteiten.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)  Er moet meer onderzoek worden verricht naar de rol van dood hout, vooral bovengrondse grove houtresten en dood ondergronds hout in zowel beheerde als onbeheerde bossen, om de boekhouding van koolstof in bossen en de berekening van de nettokoolstofbalans van het ecosysteem nauwkeuriger te maken. Het weinige bewijs dat beschikbaar is wijst erop dat dood hout een groot koolstofreservoir kan vormen en dat het achterlaten van dood hout onder meer een aanzienlijke rol kan spelen voor de biodiversiteit en dat dit moet worden erkend als een belangrijk onderdeel in een strategie voor broeikasgasmitigatie. Dit is van belang als we bedenken dat bosbeheer kan aansturen op het verwijderen van dood hout, bijvoorbeeld voor energiedoeleinden, en dat elke beslissing over een juiste mitigatie en adaptatie moet berusten op degelijke wetenschappelijke kennis. Voor de periode 2017-2020 moeten de benodigde middelen voor dit onderzoek worden uitgetrokken.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quinquies (nieuw)
(6 quinquies)   Met het oog op de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties is de Unie verbintenissen aangegaan die alleen kunnen worden verwezenlijkt met een adequaat bosbeheer en de wil de ontbossing te stoppen en terug te draaien en werk te maken van herbebossing.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 sexies (nieuw)
(6 sexies)   Er moet worden gezorgd voor een holistische aanpak van ontbossing in de tropen, rekening houdend met alle factoren die ontbossing in de hand werken alsook met de doelstelling die de Commissie in het kader van de UNFCCC-onderhandelingen heeft geformuleerd, namelijk dat uiterlijk tegen 2030 op wereldschaal geen bosareaal meer verloren mag gaan en dat tussen nu en 2020 de bruto-ontbossing in de tropen met ten minste 50 % moet worden verminderd ten opzichte van de huidige niveaus.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 septies (nieuw)
(6 septies)   Bosbouw en bossen moeten op een verantwoorde wijze worden beheerd, moeten daadwerkelijk bijdragen tot de economische ontwikkeling van een land en haalbare economische kansen bieden aan boeren, mits hiervoor geen ontbossing van gevoelige ecosystemen plaatsvindt, geen aanplantingen op veengronden geschieden, aanplantingen worden beheerd door middel van moderne agro-ecologische technologieën om negatieve sociale en milieugevolgen tot een minimum te beperken, en mits de landrechten, de rechten van autochtone bevolkingsgroepen, de mensenrechten en de arbeidersrechten worden geëerbiedigd.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 octies (nieuw)
(6 octies)  Geavanceerde en duurzame beheerspraktijken kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren tot het terugdringen van de broeikasgasemissies in de LULUCF-sector. De ontwikkeling van innovatieve praktijken en het gebruik door landeigenaren van geavanceerde beheerspraktijken, zoals precisielandbouw, precisiebosbouw en agro-digitalisering moeten worden bevorderd. Monitoring via geo-informatie en aardobservatie, alsmede het delen van optimale praktijken zijn potentiële middelen om de lidstaten te helpen hun streefcijfers te halen en moeten dus worden aangemoedigd.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 nonies (nieuw)
(6 nonies)  De agro-ecologie bevordert een verschuiving van lineaire naar circulaire voedselsystemen waarmee natuurlijke cycli worden nagebootst, en zou de koolstof- en ecologische voetafdruk van voedsel en landbouw kunnen verminderen. Het is belangrijk de agro-ecologie en de agro-bosbouw te bevorderen gezien hun bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  In Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad11 zijn als eerste stap boekhoudregels voor broeikasgasemissies en -verwijderingen door de LULUCF-sector vastgesteld en is aldus bijgedragen tot de ontwikkeling van een beleid om de LULUCF-sector in de emissiereductieverbintenis van de Unie op te nemen. Deze verordening moet voortbouwen op de bestaande boekhoudregels en deze bijwerken en verbeteren met het oog op gebruik voor de periode 2021-2030. In deze verordening moeten de verplichtingen van de lidstaten inzake de toepassing van deze boekhoudregels en de verplichting om ervoor te zorgen dat de LULUCF-sector in zijn geheel geen netto-emissies veroorzaakt, worden vastgesteld. Er mogen geen boekhoud- of rapportageverplichtingen worden vastgesteld ten aanzien van private partijen.
(7)  In Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad11 zijn als eerste stap boekhoudregels voor broeikasgasemissies en -verwijderingen door de LULUCF-sector vastgesteld en is aldus bijgedragen tot de ontwikkeling van een beleid om de LULUCF-sector in de emissiereductieverbintenis van de Unie op te nemen. Deze verordening moet voortbouwen op de bestaande boekhoudregels en deze bijwerken en verbeteren met het oog op gebruik voor de periode 2021-2030. In deze verordening moeten de verplichtingen van de lidstaten inzake de toepassing van deze boekhoudregels en de verplichting om ervoor te zorgen dat de LULUCF-sector in zijn geheel geen netto-emissies veroorzaakt, in alle omstandigheden worden vastgesteld. Er mogen geen boekhoud- of rapportageverplichtingen worden vastgesteld ten aanzien van private partijen, waaronder landbouwers en bosbouwers en bij de tenuitvoerlegging van deze verordening moeten dergelijke verplichtingen door de lidstaten vermeden worden.
__________________
__________________
11 Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 80).
11 Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 80).
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Landbouw en landgebruik zijn sectoren die rechtstreekse en aanzienlijke effecten hebben op de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Unie. Derhalve bestaat een belangrijke doelstelling van beleidsmaatregelen die op de sector van invloed zijn, erin te zorgen voor samenhang met de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie van de Unie. Bovendien bestaan er andere beleidsterreinen van de Unie waarmee praktijken kunnen worden gestimuleerd die verder gaan dan de wettelijke minimumvereisten en goede standaardpraktijken, en die bijdragen tot een daadwerkelijke adaptatie aan en mitigatie van klimaatverandering en tot het behoud van de koolstofput, als voorziening in collectieve goederen. Er moeten maatregelen worden getroffen om activiteiten uit te voeren en te ondersteunen met betrekking tot mitigatie- en adaptatiemaatregelen voor het integrale en duurzame beheer van bossen en landbouwgrond. Ondanks zijn beperkte potentieel ten aanzien van de reductie van koolstofvrije emissies moet de landbouw een eerlijke bijdrage leveren aan de mitigatie van klimaatverandering. Dit kan worden verwezenlijkt door onder andere een verbeterde teelt gericht op een verhoging van de hoeveelheid organische koolstof in de bodem. De lidstaten en de Commissie dienen te zorgen voor samenhang tussen het GLB en deze verordening.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  Wetlands zijn de doeltreffendste ecosystemen voor de opslag van CO2. De degradatie van wetlands in de Unie vormt dus niet alleen een probleem voor de biodiversiteit, maar ook een groot klimaatprobleem. Bescherming en herstel van wetlands zouden daarentegen de inspanningen voor het behoud kunnen bevorderen en bovendien de broeikasgasemissies in de LULUCF-sector kunnen terugdringen. In dit verband moet ook de voor 2019 geplande verfijning van het IPCC van de richtsnoeren uit 2006 in aanmerking worden genomen.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Om overeenkomstig de door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006 ("IPCC-richtsnoeren") een nauwkeurige boekhouding van emissies en verwijderingen bij te houden, moeten de krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013 jaarlijks gerapporteerde waarden voor de categorieën landgebruik en omzetting tussen categorieën landgebruik worden gebruikt, waarbij de aanpak in het kader van de UNFCCC en die in het kader van het Protocol van Kyoto moeten worden gestroomlijnd. Land dat wordt omgezet tot land in een andere categorie landgebruik moet worden beschouwd als zijnde in overgang naar die categorie gedurende de in de IPCC-richtsnoeren aangegeven standaardperiode van twintig jaar.
(8)  Om overeenkomstig de door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006 ("IPCC-richtsnoeren") een nauwkeurige boekhouding van emissies en verwijderingen bij te houden, moeten de krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013 jaarlijks gerapporteerde waarden voor de categorieën landgebruik en omzetting tussen categorieën landgebruik worden gebruikt, waarbij de aanpak in het kader van de UNFCCC en die in het kader van het Protocol van Kyoto moeten worden gestroomlijnd. Land dat wordt omgezet tot land in een andere categorie landgebruik moet worden beschouwd als zijnde in overgang naar die categorie gedurende de in de IPCC-richtsnoeren aangegeven standaardperiode van twintig jaar. Gezien de positie van de Unie als voortrekker op klimaatgebied zouden de lidstaten slechts voor bebost land en alleen in zeer beperkte, door de IPCC-richtsnoeren gerechtvaardigde omstandigheden van deze standaardperiode moeten afwijken. Bij een mogelijke afwijking wordt rekening gehouden met de uiteenlopende natuurlijke en ecologische omstandigheden in de lidstaten en dus met de uiteenlopende kenmerken van hun bosgrond.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Emissies en verwijderingen door bosgrond hangen af van een aantal natuurlijke omstandigheden, van de structuur van de leeftijdsklassen en van de vroegere en huidige beheerspraktijken. Die factoren, en de cyclische effecten ervan op emissies en verwijderingen, alsmede de jaarlijkse schommelingen ervan, zouden niet tot uiting kunnen worden gebracht door een referentiejaar te hanteren. De desbetreffende boekhoudregels moeten in plaats daarvan voorzien in het gebruik van referentieniveaus, teneinde de gevolgen van natuurlijke en landspecifieke eigenschappen uit te sluiten. Bij gebrek aan internationale evaluatie in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, moet een evaluatieprocedure worden vastgesteld om transparantie te verzekeren en de kwaliteit van de boekhouding betreffende deze categorie te verbeteren.
(9)  Emissies en verwijderingen door bosgrond hangen af van een aantal natuurlijke omstandigheden, van de structuur van de leeftijdsklassen en van de vroegere en huidige beheerspraktijken, die per lidstaat aanzienlijk verschillen. Die factoren, en de cyclische effecten ervan op emissies en verwijderingen, alsmede de jaarlijkse schommelingen ervan, zouden niet tot uiting kunnen worden gebracht door een referentiejaar te hanteren. De desbetreffende boekhoudregels moeten in plaats daarvan voorzien in het gebruik van referentieniveaus, teneinde de gevolgen van natuurlijke en landspecifieke eigenschappen aan te pakken, zoals het feit dat de bossen in Kroatië niet konden worden beheerd ten gevolge van de bezetting van zijn grondgebied, de Kroatische onafhankelijkheidsoorlog en de omstandigheden voor en na de oorlog. De desbetreffende boekhoudregels moeten ook zorgen voor samenhang en vereisten voor duurzaam bosbeheer van Forest Europe (ministersconferentie over de bescherming van de bossen in Europa). Bij gebrek aan internationale evaluatie in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, moet een transparante procedure worden vastgesteld voor de lidstaten om de controleerbaarheid en de kwaliteit van de boekhouding betreffende deze categorie te verbeteren.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Emissies van geoogst hout in de LULUCF-sector kunnen emissies op de gebieden van ETS en het delen van de inspanningen vervangen, en deze verordening kan dit benadrukken en verantwoorden.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Wanneer de Commissie ervoor kiest om bij de beoordeling van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw te worden bijgestaan door een beoordelingsteam van deskundigen overeenkomstig Besluit C(2016)3301 van de Commissie, moet hierbij worden voortgebouwd op de goede praktijken en ervaring van de beoordelingen door deskundigen in het kader van het UNFCCC, onder andere wat betreft deelname van nationale deskundigen en aanbevelingen, en moet een voldoende groot aantal deskundigen uit de lidstaten worden gekozen.
(10)  Voor de beoordeling van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw moet overeenkomstig Besluit C(2016)3301 van de Commissie een beoordelingsteam van deskundigen worden aangesteld. Het beoordelingsteam van deskundigen moet voortbouwen op de goede praktijken en ervaring van de beoordelingen door deskundigen in het kader van het UNFCCC, onder andere wat betreft deelname van nationale deskundigen en aanbevelingen, en er moet een voldoende groot aantal deskundigen uit de lidstaten worden gekozen. Het beoordelingsteam van deskundigen moet het Permanent Comité voor de bosbouw dat is opgericht bij Beschikking 89/367/EEG, alsmede de belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld raadplegen over de beoordeling van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Door méér in te zetten op duurzaam gebruik van geoogste houtproducten kunnen emissies van broeikasgassen in de atmosfeer fors worden beperkt en meer broeikasgassen uit de atmosfeer worden verwijderd. De boekhoudregels moeten ervoor zorgen dat lidstaten nauwkeurig in de boekhouding de wijzigingen in de voorraden geoogste houtproducten weergeven wanneer zij zich voordoen, om stimulansen te bieden voor het gebruik van geoogste houtproducten met lange levenscycli. De Commissie moet richtsnoeren bieden voor methodologische kwesties met betrekking tot boekhouding voor geoogste houtproducten.
(12)  Door méér in te zetten op duurzaam gebruik van geoogste houtproducten kunnen emissies van broeikasgassen fors worden beperkt dankzij het vervangingseffect (rekening houdend met de energie- en CO2-intensiteit van andere sectoren, de cementproductie is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor ongeveer 8 % van de wereldwijde CO2-emissies), en kunnen meer broeikasgassen uit de atmosfeer worden verwijderd. De boekhoudregels moeten ervoor zorgen dat lidstaten nauwkeurig in de boekhouding de wijzigingen in de voorraden geoogste houtproducten weergeven wanneer zij zich voordoen, om veeleer het toegenomen gebruik van geoogste houtproducten met lange levenscycli dan het gebruik van geoogste houtproducten voor energiedoeleinden te erkennen en te stimuleren. Om het positieve vervangingseffect verder te bevorderen en te integreren, moet de Commissie via een gedelegeerde handeling meer producten opnemen in de berekeningen met betrekking tot geoogste houtproducten. De Commissie moet richtsnoeren bieden voor methodologische kwesties met betrekking tot boekhouding voor geoogste houtproducten.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Natuurlijke verstoringen, zoals ongecontroleerde bosbranden, insecten- en ziekteplagen, extreme weersomstandigheden en geologische verstoringen die buiten de controle van een lidstaat vallen of niet door deze wezenlijk beïnvloed worden, kunnen in de LULUCF-sector leiden tot broeikasgasemissies van tijdelijke aard of kunnen eerdere verwijderingen ongedaan maken. Aangezien een ongedaanmaking ook het resultaat kan zijn van beheersbesluiten, zoals besluiten om bomen te kappen of te planten, moet deze verordening ervoor zorgen dat een door de mens veroorzaakte ongedaanmaking van verwijderingen altijd nauwkeurig wordt weerspiegeld in de LULUCF-boekhouding. Bovendien moet deze verordening de lidstaten een beperkte mogelijkheid bieden om emissies die het gevolg zijn van verstoringen waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen, uit de LULUCF-boekhouding uit te sluiten. Echter, de manier waarop de lidstaten die bepalingen toepassen, mag niet leiden tot onnodige onderschattingen in de boekhouding.
(13)  Natuurlijke verstoringen, zoals ongecontroleerde bosbranden, insecten- en ziekteplagen, extreme weersomstandigheden en geologische verstoringen die buiten de controle van een lidstaat vallen of niet door deze wezenlijk beïnvloed worden, kunnen in de LULUCF-sector leiden tot broeikasgasemissies van tijdelijke aard of kunnen eerdere verwijderingen ongedaan maken. Aangezien een ongedaanmaking ook het resultaat kan zijn van beheersbesluiten, zoals besluiten om bomen te kappen of te planten, moet deze verordening ervoor zorgen dat een door de mens veroorzaakte ongedaanmaking van verwijderingen altijd nauwkeurig wordt weerspiegeld in de LULUCF-boekhouding. De lidstaten moeten ertoe worden aangespoord in preventieve maatregelen te investeren, zoals praktijken inzake duurzaam beheer, om de met natuurlijke verstoringen verband houdende risico's te beperken, waardoor negatieve effecten op de boskoolstofputten worden voorkomen. Bovendien moet deze verordening de lidstaten een beperkte mogelijkheid bieden om emissies die het gevolg zijn van verstoringen waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen, uit de LULUCF-boekhouding uit te sluiten. Echter, de manier waarop de lidstaten die bepalingen toepassen, mag niet leiden tot onnodige onderschattingen in de boekhouding.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Afhankelijk van de nationale voorkeuren moeten de lidstaten adequate nationale beleidskeuzes kunnen maken voor de nakoming van hun verbintenissen voor LULUCF, met inbegrip van de mogelijkheid om emissies door een categorie land te compenseren met verwijderingen door een andere categorie land. Zij moeten ook de nettoverwijderingen gedurende de periode 2021-2030 kunnen samenvoegen. De handel tussen de lidstaten moet worden voorgezet als aanvullende mogelijkheid tot naleving. Gezien de praktijk in de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, moet een lidstaat eveneens de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van zijn extra prestaties krachtens Verordening [] betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de unie met betrekking tot klimaatverandering, teneinde de naleving van zijn verbintenis krachtens deze verordening te garanderen.
(14)  Afhankelijk van de nationale voorkeuren moeten de lidstaten adequate nationale beleidskeuzes kunnen maken voor de nakoming van hun verbintenissen voor LULUCF, met inbegrip van de mogelijkheid om emissies door een categorie land te compenseren met verwijderingen door een andere categorie land. Zij moeten ook de nettoverwijderingen gedurende de periode 2021-2030 kunnen samenvoegen. De handel tussen de lidstaten moet worden voorgezet als aanvullende mogelijkheid tot naleving. Gezien de praktijk in de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, moet een lidstaat eveneens de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van zijn extra prestaties krachtens Verordening [] betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de unie met betrekking tot klimaatverandering, teneinde de naleving van zijn verbintenis krachtens deze verordening te garanderen, zonder het algemene ambitieniveau van de doelstellingen van de Unie met betrekking tot de reductie van broeikasgassen in gevaar te brengen. De lidstaten zouden tot 280 miljoen ton aan totale nettoverwijderingen moeten kunnen gebruiken, afkomstig van de gecombineerde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland en, in voorkomend geval, beheerde wetlands, alsmede, overeenkomstig de gedelegeerde handeling, die wordt vastgesteld uit hoofde van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) [2017/...] betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030, beheerde bosgrond, teneinde te zorgen voor de naleving van hun verbintenissen uit hoofde van Verordening (EU) [2017/...].
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Met het oog op efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en -verwijderingen en van andere informatie die nodig is om de nakoming van de verbintenissen door de lidstaten te beoordelen, moeten bij deze verordening rapportagevoorschriften worden opgenomen in Verordening (EU) nr. 525/2013 en moet bij nalevingscontroles krachtens deze verordening rekening worden gehouden met deze rapporten. Verordening (EU) nr. 525/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Deze bepalingen kunnen verder worden gestroomlijnd om relevante wijzigingen met betrekking tot geïntegreerde governance van de energie-unie, waarvoor overeenkomstig het werkprogramma van de Commissie eind 2016 een voorstel is voorzien, in aanmerking te nemen.
(15)  Met het oog op efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en -verwijderingen en van andere informatie die nodig is om de nakoming van de verbintenissen door de lidstaten te beoordelen, moeten bij deze verordening rapportagevoorschriften worden opgenomen in Verordening (EU) nr. 525/2013 en moet bij nalevingscontroles krachtens deze verordening rekening worden gehouden met deze rapporten. Verordening (EU) nr. 525/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Deze bepalingen kunnen verder worden gestroomlijnd om relevante wijzigingen met betrekking tot het voorstel voor een verordening inzake de governance van de energie-unie dat de Commissie op 30 november 2016 heeft ingediend, in aanmerking te nemen.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Uit hoofde van het UNFCCC zijn de Unie en haar lidstaten verplicht om, op basis van vergelijkbare methoden die zijn overeengekomen door de Conferentie van de Partijen, nationale inventarislijsten van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen op te stellen, regelmatig te actualiseren, te publiceren en in te dienen bij de Conferentie van de Partijen. De broeikasgasinventarissen zijn essentieel om de tenuitvoerlegging van de decarbonisatie te monitoren en de naleving van de klimaatwetgeving te beoordelen. De verplichtingen van de lidstaten om nationale inventarislijsten op te stellen en bij te houden zijn opgenomen in het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de governance van de energie-unie.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Met het oog op eenvoudigere gegevensverzameling en verdere verbetering van de methoden, moet het landgebruik worden geïnventariseerd en gerapporteerd aan de hand van geografische traceerbaarheid van elk gebied, overeenkomstig de nationale en EU-systemen voor gegevensverzameling. Er moet optimaal gebruik worden gemaakt van bestaande EU- en nationale programma's en onderzoeken, waaronder LUCAS (Land Use Cover Area Frame Survey) en het Europees programma voor aardobservatie Copernicus met het oog op gegevensverzameling. Gegevensbeheer, met inbegrip van het delen van gegevens voor rapportage, alsook het hergebruik en de verspreiding ervan, moet voldoen aan Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap.
(17)  Met het oog op eenvoudigere gegevensverzameling en verdere verbetering van de methoden, moet het landgebruik expliciet worden geïnventariseerd en gerapporteerd aan de hand van geografische traceerbaarheid van elk gebied, overeenkomstig de nationale en EU-systemen voor gegevensverzameling. Er moet optimaal gebruik worden gemaakt van bestaande EU- en nationale programma's en onderzoeken, waaronder LUCAS (Land Use Cover Area Frame Survey), het Europees programma voor aardobservatie Copernicus, met name via Sentinel-2, met het oog op gegevensverzameling en de Europese satellietnavigatiesystemen Galileo en EGNOS, die gebruikt kunnen worden ter ondersteuning van onderzoek naar grondgebruik. Gegevensbeheer, met inbegrip van het delen van gegevens voor rapportage, alsook het hergebruik en de verspreiding ervan, moet voldoen aan Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Om te zorgen voor een passende boeking van de transacties in het kader van deze verordening, met inbegrip van gebruikmaking van de flexibiliteit en naleving van de traceerbaarheid, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de technische aanpassing van definities, waarden, lijsten van broeikasgassen en koolstofreservoirs, de bijwerking van referentieniveaus, de boeking van transacties en de revisie van de voorschriften inzake methodologie en informatie. Bij deze maatregelen moet rekening worden gehouden met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie tot instelling van een EU-register. De nodige bepalingen moeten worden opgenomen in één enkel rechtsinstrument waarin de boekhoudkundige bepalingen van Richtlijn 2003/87/EG, Verordening (EU) nr. 525/2013, Verordening [] betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en deze verordening worden gecombineerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(18)  Om te zorgen voor een passende boeking van de transacties in het kader van deze verordening, met inbegrip van gebruikmaking van de flexibiliteit en naleving van de traceerbaarheid, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de technische aanpassing van definities, waarden, lijsten van broeikasgassen en koolstofreservoirs, de bijwerking van referentieniveaus, de boeking van transacties en de revisie van de voorschriften inzake methodologie op grond van de meest recente, goedgekeurde IPCC-richtsnoeren, met inbegrip van de aanvullende IPCC-richtsnoeren inzake wetlands uit 2013 voor nationale broeikasgasinventarissen en de richtsnoeren van het UNFCCC en de voorschriften inzake informatie. Bij deze maatregelen moet rekening worden gehouden met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie tot instelling van een EU-register. De nodige bepalingen moeten worden opgenomen in één enkel rechtsinstrument waarin de boekhoudkundige bepalingen van Richtlijn 2003/87/EG, Verordening (EU) nr. 525/2013, Verordening (EU) nr. .../... betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en deze verordening worden gecombineerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Deze verordening moet in 2024 en daarna om de 5 jaar worden geëvalueerd om de algehele werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie kan ook rekening worden gehouden met de resultaten van de algemene inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
(19)  Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling met daarin een evaluatie van de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie aansluiten bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Deze verordening moet in 2024 en daarna om de 5 jaar worden geëvalueerd om de algehele werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie kan ook rekening worden gehouden met de resultaten van de algemene inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 bis (nieuw)
In deze verordening worden geen boekhoud- of rapportageverplichtingen vastgelegd voor private partijen, waaronder landbouwers en bosbouwers.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 ter (nieuw)
Deze verordening draagt ertoe bij dat de Unie de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs kan verwezenlijken.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
e bis)  vanaf 2026, beheerde wetlands: land dat is aangegeven als wetlands die wetlands blijven, en woongebied, overig land omgezet in wetlands en wetlands omgezet in woongebied of overig land.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2
2.  In het kader van zijn verbintenis krachtens artikel 4 mag een lidstaat ervoor kiezen om beheerde wetlands op te nemen, gedefinieerd als land dat is aangegeven als wetlands die wetlands blijven, woongebied of overig land omgezet in wetlands, of wetlands omgezet in woongebied of overig land. Wanneer een lidstaat hiervoor kiest, boekt hij de emissies en verwijderingen door beheerde wetlands overeenkomstig deze verordening.
2.  Gedurende de periode van 2021 tot 2025 mag een lidstaat ervoor kiezen om beheerde wetlands op te nemen in de werkingssfeer van zijn verbintenis krachtens artikel 4. Wanneer een lidstaat hiervoor kiest, boekt hij de emissies en verwijderingen door beheerde wetlands overeenkomstig deze verordening.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter f bis (nieuw)
f bis)  "referentieniveau voor bossen": een raming van de gemiddelde jaarlijkse netto-emissies of -verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond op het grondgebied van een lidstaat tijdens de perioden 2021-2025 en 2026-2030;
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 bis (nieuw)
Voor de periode na 2030 spannen de lidstaten zich in om hun verwijderingen op te voeren, zodat die hun emissies overstijgen. De Commissie stelt een kader voor doelstellingen na 2030 voor waarin deze toegenomen verwijderingen worden opgenomen, overeenkomstig de klimaatdoelstellingen van de Unie op lange termijn en de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  Iedere lidstaat zorgt voor het opstellen en bijhouden van een boekhouding waarin de emissies en verwijderingen afkomstig van de in artikel 2 genoemde boekhoudkundige categorieën land correct worden weerspiegeld. De lidstaten garanderen de nauwkeurigheid, volledigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en transparantie van de boekhouding en van andere gegevens die in het kader van deze verordening worden verstrekt. De lidstaten geven emissies met een plusteken (+) en verwijderingen met een minteken (-) aan.
1.  Iedere lidstaat zorgt voor het opstellen en bijhouden van een boekhouding waarin de emissies en verwijderingen afkomstig van de in artikel 2 genoemde boekhoudkundige categorieën land correct worden weerspiegeld, overeenkomstig de door de instanties van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs vastgestelde rapportagerichtsnoeren voor de periode 2021-2030. De lidstaten garanderen de nauwkeurigheid, volledigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en transparantie van de boekhouding en van andere gegevens die in het kader van deze verordening worden verstrekt. De lidstaten geven emissies met een plusteken (+) en verwijderingen met een minteken (-) aan.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 4
4.  De lidstaten nemen in hun boekhoudingen voor elke boekhoudkundige categorie land alle wijzigingen in de koolstofvoorraad van de in bijlage I, deel B, opgesomde koolstofreservoirs op. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om wijzigingen in de koolstofvoorraad van koolstofreservoirs niet in hun boekhoudingen op te nemen wanneer het koolstofreservoir geen bron is, behalve bij bovengrondse biomassa en geoogste houtproducten op beheerde bosgrond.
4.  De lidstaten nemen in hun boekhoudingen voor elke boekhoudkundige categorie land alle wijzigingen in de koolstofvoorraad van de in bijlage I, deel B, opgesomde koolstofreservoirs op. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om wijzigingen in de koolstofvoorraad van koolstofreservoirs niet in hun boekhoudingen op te nemen wanneer het koolstofreservoir geen bron is, behalve bij bovengrondse biomassa, dood hout (bovengronds en ondergronds dood hout) op beheerde bosgrond en geoogste houtproducten op beheerde bosgrond.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  In afwijking van het voorschrift om de in artikel 5, lid 3, vastgestelde standaardperiode toe te passen, mag een lidstaat dertig jaar na de datum van omzetting van bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land in bosgrond, dergelijk land overdragen van de overeenkomstige categorie land omgezet in bosgrond naar de categorie bosgrond die bosgrond blijft.
2.  In afwijking van het voorschrift om de in artikel 5, lid 3, vastgestelde standaardperiode toe te passen, mag een lidstaat dertig jaar na de datum van omzetting van bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land in bosgrond, dergelijk land overdragen van de overeenkomstige categorie land omgezet in bosgrond naar de categorie bosgrond die bosgrond blijft, indien naar behoren gemotiveerd op basis van de IPCC-richtsnoeren.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Bebossingsacties die in de periode 2017-2030 plaatsvinden in wetlands met inbegrip van veengebieden, het Natura 2000-netwerk en habitats vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG, in het bijzonder natuurlijke en halfnatuurlijke grasformaties en hoog- en laagveen, en andere wetlands, met inbegrip van veengebieden, volgens toegepaste bruto-nettoboekregels, verschijnen niet in de nationale boekhouding van de lidstaat. Dergelijke gebieden tellen alleen, indien van toepassing, als verwijderingen of emissies in de categorie bosgrond na de overgang hiervan naar beheerde bosgrond overeenkomstig artikel 5, lid 3.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
3.  Wanneer een lidstaat ervoor kiest beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van zijn verbintenis, stelt hij de Commissie voor de periode 2021-2025 uiterlijk 31 december 2020 en voor de periode 2026-2030 uiterlijk 31 december 2025 hiervan in kennis.
3.  Wanneer een lidstaat ervoor kiest beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van zijn verbintenis tijdens de periode 2021-2025, stelt hij de Commissie uiterlijk 31 december 2020 hiervan in kennis.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4
4.  De lidstaten die ervoor hebben gekozen beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van hun verbintenissen, geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de periode 2021-2025 en/of de periode 2026-2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland tijdens de basisperiode 2005-2007 met vijf te vermenigvuldigen.
4.  De lidstaten geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de periode 2026-2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland tijdens de basisperiode 2005-2007 met vijf te vermenigvuldigen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten die ervoor hebben gekozen beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van hun verbintenissen tijdens de periode 2021-2025, geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetlands weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de periode 2021-2025 de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland tijdens de basisperiode 2005-2007 met vijf te vermenigvuldigen.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Lidstaten die niet ervoor hebben gekozen beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van hun verbintenissen, brengen tijdens de periode 2021-2025 niettemin aan de Commissie verslag uit van de emissies en verwijderingen van beheerde wetlands.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  De lidstaten geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de perioden 2021-2025 en 2026-2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door het toepasselijke referentieniveau voor bossen met vijf te vermenigvuldigen. Het referentieniveau voor bossen is de raming van de gemiddelde jaarlijkse netto-emissies of -verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond op het grondgebied van een lidstaat tijdens de perioden 2021-2025 en 2026-2030.
1.  De lidstaten geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de perioden 2021-2025 en 2026-2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door het toepasselijke referentieniveau voor bossen met vijf te vermenigvuldigen.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  Wanneer het resultaat van de in lid 1 bedoelde berekening negatief is ten opzichte van het referentieniveau voor bossen, neemt de lidstaat in zijn boekhouding voor beheerde bosgrond maximaal het equivalent van 3,5 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf, op als totale nettoverwijderingen.
2.  Wanneer het resultaat van de in lid 1 bedoelde berekening negatief is ten opzichte van het referentieniveau voor bossen, neemt de lidstaat in zijn boekhouding voor beheerde bosgrond maximaal het equivalent van 3,5 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf, op als totale nettoverwijderingen. Lidstaten kunnen bij dit percentage van 3,5 % de hoeveelheid nettoverwijderingen voor de boekhouding voor beheerde bosgrond van houten panelen, gezaagd hout en dood hout optellen onder de voorwaarden, zoals vastgesteld in de tweede, derde en vierde alinea van dit lid.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Nettoverwijderingen van houten panelen, zoals vermeld in artikel 9, onder b), en gezaagd hout, zoals vermeld in artikel 9, onder c), kunnen apart worden geboekt, buiten en als aanvulling op het cijfer van nettoverwijderingen in de boekhouding voor beheerde bosgrond, tot een niveau van 3 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 ter (nieuw)
Nettoverwijderingen van de koolstofreservoircategorie dood hout kunnen apart worden geboekt, buiten en als aanvulling op het cijfer van nettoverwijderingen in de boekhouding voor beheerde bosgrond, tot een niveau van 3 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 quater (nieuw)
Het cijfer van de nettoverwijderingen van 3,5 % in de eerste alinea plus de nettoverwijderingen voor de boekhouding voor beheerde bosgrond van houten panelen, gezaagd hout en dood hout bij elkaar genomen mag niet hoger zijn dan 7 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 – alinea 2
Het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw bevat alle in bijlage IV, deel B, opgesomde elementen en omvat een voorstel voor een nieuw referentieniveau voor bossen, gebaseerd op de voortzetting van de huidige praktijk en intensiteit van het bosbeheer, zoals voor de periode 1990-2009 per type bos en per leeftijdsklasse in nationale bossen gedocumenteerd, en uitgedrukt in ton CO2-equivalent per jaar.
Het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw bevat alle in bijlage IV, deel B, opgesomde elementen en omvat een nieuw referentieniveau voor bossen, gebaseerd op de voortzetting van de huidige praktijk van het bosbeheer overeenkomstig de beste beschikbare gegevens, zoals voor de periode 2000-2012 per type bos en per leeftijdsklasse in nationale bossen gedocumenteerd, en uitgedrukt in ton CO2-equivalent per jaar.
Een toename van de oogst in een lidstaat, gebaseerd op duurzame bosbeheerpraktijken en nationaal beleid dat is aangenomen tot de datum van indiening van het referentieniveau voor bossen, is gebonden aan de volgende voorwaarden:
(a)  dat de beheerde bosgrond een broeikasgasput blijft; en
(b)  dat manieren om broeikasgasputten en -reservoirs tot 2050 te behouden of te versterken, met het oog op de doelstelling uit artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van deze eeuw opnieuw een balans tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken, worden omschreven in een strategie voor lage emissies op de lange termijn.
De Commissie kan een afwijking van de basisperiode 2000-2012 toestaan op basis van een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat waarin wordt gemotiveerd dat deze afwijking absoluut noodzakelijk is om redenen van de beschikbaarheid van gegevens, zoals de timing van bosinventarissen.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 – alinea 2 bis (nieuw)
In afwijking van alinea 2 mag het referentieniveau voor bossen in het geval van Kroatië worden berekend met inachtneming van de bezetting van een deel van zijn grondgebied van 1991 tot 1998, en van de gevolgen en nasleep van de oorlog voor de praktijken inzake bosbeheer op zijn grondgebied, met uitzondering van de gevolgen van beleidsmaatregelen voor de ontwikkeling van koolstofvastlegging door bossen.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 – alinea 3
Het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw wordt openbaar gemaakt en wordt aan een openbare raadpleging onderworpen.
Het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw wordt openbaar gemaakt, onder meer door het op internet beschikbaar te stellen, en wordt aan een openbare raadpleging onderworpen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 4
4.  De lidstaten tonen de consistentie aan tussen enerzijds de methoden en gegevens die in het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw bij de opstelling van het referentieniveau voor bossen zijn gebruikt en anderzijds de methoden en gegevens die voor de rapportage over beheerde bosgrond zijn gebruikt. Een lidstaat dient uiterlijk aan het einde van de periode 2021-2025 of van de periode 2026-2030 bij de Commissie een technische correctie van zijn referentieniveau in indien nodig om de consistentie te bewaren.
4.  De lidstaten tonen de consistentie aan tussen enerzijds de methoden en gegevens die in het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw bij de opstelling van het referentieniveau voor bossen zijn gebruikt en anderzijds de methoden en gegevens die voor de rapportage over beheerde bosgrond zijn gebruikt. De gebruikte gegevens moeten de meest recente en geverifieerde geboekte gegevens zijn over de toestand van landgebruik en bossen. Een lidstaat dient uiterlijk aan het einde van de periode 2021-2025 of van de periode 2026-2030 bij de Commissie een technische correctie van zijn referentieniveau in indien nodig om de consistentie te bewaren, alsook om verslag uit te brengen van positieve input ten gevolge van een beleid voor duurzaam bosbeheer dat in werking was op het moment dat het niveau werd bepaald.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5
5.  De Commissie evalueert het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw en de technische correcties, en beoordeelt in welke mate de voorgestelde nieuwe of gecorrigeerde referentieniveaus voor bossen volgens de in de leden 3 en 4 en in artikel 5, lid 1, vastgestelde beginselen en voorschriften zijn bepaald. Voor zover nodig om naleving van de in de leden 3 en 4 en in artikel 5, lid 1, vastgestelde beginselen en voorschriften te verzekeren, kan de Commissie de voorgestelde nieuwe of gecorrigeerde referentieniveaus voor bossen herberekenen.
5.  Een beoordelingsteam van deskundigen, dat is opgezet overeenkomstig Besluit C(2016)3301 van de Commissie en dat vertegenwoordigers van de Commissie en de lidstaten omvat, evalueert, in overleg met het Permanent Comité voor de bosbouw en de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk, het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw en de technische correcties, en beoordeelt in welke mate de door de lidstaten vastgestelde nieuwe of gecorrigeerde referentieniveaus voor bossen volgens de in de leden 3 en 4 van dit artikel en in artikel 5, lid 1, vastgestelde beginselen en voorschriften zijn bepaald. De Commissie kan de nieuwe of gecorrigeerde referentieniveaus voor bossen slechts herberekenen, indien niet is voldaan aan de in de leden 3 en 4 van dit artikel en in artikel 5, lid 1, vastgestelde beginselen en voorschriften. De Commissie stelt een syntheseverslag op en maakt dat openbaar.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten verstrekken de Commissie alle gevraagde gegevens en informatie voor het uitvoeren van de in de eerste alinea bedoelde evaluatie en beoordeling.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 6
6.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast om bijlage II te wijzigen in het licht van de krachtens lid 5 uitgevoerde evaluatie, teneinde de referentieniveaus voor bossen van de lidstaten bij te werken op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw of de ingediende technische correcties, en eventuele herberekeningen die in het kader van de evaluatie zijn gemaakt. Tot de inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling blijven de in bijlage II gespecificeerde referentieniveaus voor bossen van de lidstaat van toepassing voor de periode 2021-2025 en/of de periode 2026-2030.
6.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast om bijlage II te wijzigen in het licht van de krachtens lid 5 van dit artikel door het beoordelingsteam van deskundigen uitgevoerde evaluatie en beoordeling, teneinde de referentieniveaus voor bossen van de lidstaten bij te werken op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw of de ingediende technische correcties, en eventuele herberekeningen die in het kader van de evaluatie zijn gemaakt.
Tot de inwerkingtreding van de gedelegeerde handelingen blijven de in bijlage II gespecificeerde referentieniveaus voor bossen van de lidstaat van toepassing voor de periode 2021-2025 en/of de periode 2026-2030.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 bis (nieuw)
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van deze verordening door de categorieën van geoogste houtproducten bij te werken met bijkomende producten die een koolstofvastleggingseffect hebben, op basis van de IPCC-richtsnoeren en met het oog op de milieu-integriteit, en door de in bijlage V gespecificeerde standaardhalfwaardetijden bij te werken ter aanpassing ervan aan de technische vooruitgang.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1
1.  Aan het einde van de perioden 2021-2025 en 2026-2030 mogen de lidstaten uit hun boekhouding voor bebost land en beheerde bosgrond broeikasgasemissies die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen en die de gemiddelde door natuurlijke verstoringen in de periode 2001-2020 veroorzaakte emissies overstijgen, uitsluiten; hierbij wordt geen rekening gehouden met statistische uitschieters ("het achtergrondniveau") die overeenkomstig dit artikel en bijlage VI worden berekend.
1.  Aan het einde van de perioden 2021-2025 en 2026-2030 mogen de lidstaten uit hun boekhouding voor beheerde bosgrond broeikasgasemissies die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen en die de gemiddelde door natuurlijke verstoringen in de periode 2001-2020 veroorzaakte emissies overstijgen, uitsluiten; hierbij wordt geen rekening gehouden met statistische uitschieters ("het achtergrondniveau") die overeenkomstig dit artikel en bijlage VI worden berekend.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Een beoordeling van de invloed van het flexibiliteitsmechanisme, zoals bepaald in dit artikel, wordt opgenomen in het in artikel 15 bedoelde verslag.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis
De Commissie brengt in 2027 en 2032 verslag uit over het cumulatief saldo van de emissies en verwijderingen van beheerde bosgrond in de Unie onder verwijzing naar de gemiddelde emissies en verwijderingen in de periode 1990-2009. Indien het cumulatief saldo negatief is, komt de Commissie met een voorstel om de respectieve hoeveelheid emissieruimte van de lidstaten uit hoofde van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad1bis te compenseren en te verwijderen.
__________________
1 bis Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (PB L ... van ..., blz. ...).
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2
2.  De in de artikelen 3, 5, 8, 10 en 13 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding].
2.  De in de artikelen 3, 5, 8, 9, 10 en 13 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding].
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – alinea -1 (nieuw)
Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling met daarin een evaluatie van de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie aansluiten bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – alinea 1
De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende EU-doelstelling voor de reductie van broeikasgasemissies tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en kan passende voorstellen indienen.
De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Indien nodig worden er wetgevingsvoorstellen bij de verslagen gevoegd.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0262/2017).

Juridische mededeling