Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2002(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0276/2017

Ingediende teksten :

A8-0276/2017

Debatten :

PV 14/09/2017 - 3
CRE 14/09/2017 - 3

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0360

Aangenomen teksten
PDF 283kWORD 75k
Donderdag 14 september 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa
P8_TA(2017)0360A8-0276/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa (2017/2002(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 165 en 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 14 en 15,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat door de EU is geratificeerd in 2010,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2009 betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over het bevorderen van de toegang van jongeren tot de arbeidsmarkt en het versterken van de positie van stagiair en leerling(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 met als titel "Bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen"(3),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 15 februari 2016 betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over een doeltreffende lerarenopleiding,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 mei 2014 over kwaliteitsborging in onderwijs en opleiding,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie(5),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(6),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten(7),

–  gezien de resolutie van de Raad van 28 november 2011 over een nieuwe agenda voor volwasseneneducatie(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 juni 2011 over opvang en onderwijs voor jonge kinderen: de beste voorbereiding van al onze kinderen op de wereld van morgen,

–  gezien de resolutie van de Raad van 15 november 2007 over nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen(9),

–  gezien de conclusies van de Raad inzake het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en het bevorderen van goede schoolresultaten(10),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 februari 2013 over investeren in onderwijs en opleiding, een antwoord op "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" en de jaarlijkse groeianalyse voor 2013(11),

–  gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren(12) (EQF-LLL),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(13),

–  gezien de verwijzing naar digitale vaardigheden in de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven - De voordelen van een eengemaakte digitale markt ten volle benutten" (COM(2016)0180),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 november 2012 getiteld "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten" (COM(2012)0669),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over Erasmus+ en andere instrumenten om de mobiliteit bij beroepsopleiding en scholing te stimuleren – een concept van levenslang leren(14),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid(15),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten(16),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over jong ondernemerschap bevorderen door middel van onderwijs en opleiding(17),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende arbeidsmarkt in de EU voor de 21ste eeuw: het afstemmen van vaardigheden en kwalificaties op vraag en werkgelegenheid, als een manier om de crisis te boven te komen(18),

–  gezien de conclusies van de Raad over het Europees Pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011-2020(19),

–  gezien de conclusies van de Raad over de rol van voor- en vroegschoolse educatie en primair onderwijs bij het bevorderen van creativiteit, innovatie en digitale competentie,

–  gezien de ontwerpconclusies van de Raad van 20 februari 2017 over "De vaardigheden van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt van de EU verbeteren"(20),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(21),

–  gezien de "Social Europe Guide" van de Commissie van maart 2013 getiteld "Social Economy and Social Enterprises"(22),

–  gezien de agenda voor waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie IAO),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020(23),

–  gezien advies SOC/546 van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 februari 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0276/2017),

A.  overwegende dat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de toegang tot beroepsopleidingen en een leven lang leren is vastgelegd;

B.  overwegende dat vaardigheden van strategisch belang zijn voor inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, groei, innovatie en sociale cohesie, en overwegende dat de complexiteit van banen in alle sectoren en beroepen toeneemt en dat er inflatie is wat de relatieve vraag naar vaardigheden betreft, zelfs voor laaggekwalificeerde banen;

C.  overwegende dat welvaart en het behoud van onze sociale verworvenheden uitsluitend berusten op de bekwaamheden en de knowhow waarover onze samenleving beschikt;

D.  overwegende dat laagopgeleiden een hoger risico lopen op werkloosheid en sociale exclusie;

E.  overwegende dat landen met het grootste aandeel volwassenen met geringe basisvaardigheden en digitale vaardigheden een lagere arbeidsproductiviteit en uiteindelijk minder gunstige vooruitzichten hebben voor groei en concurrentievermogen;

F.  overwegende dat het Europees Parlement de inspanningen van de Commissie inzake investeringen in menselijk kapitaal onderschrijft en ondersteunt als essentiële voorwaarde voor het concurrentievermogen van de EU, en overwegende dat de kwaliteit van leerkrachten onlosmakelijk verbonden is met de kwaliteit van het onderwijs;

G.  overwegende dat vele laaggekwalificeerde banen nu een grotere geletterdheid, een grotere numerieke onderlegdheid en grotere andere basisvaardigheden vereisen en dat zelfs laaggekwalificeerde banen in de dienstensector in toenemende mate veeleisender niet-routinetaken omvatten(24);

H.  overwegende dat volgens de recentste PIAAC-studie van de OESO (PIAAC = Programme for the International Assessment of Adult Competencies) ongeveer 70 miljoen Europese volwassenen basisvaardigheden ontberen als lezen, schrijven en rekenen, hetgeen het voor hen moeilijk maakt om een behoorlijke baan te vinden en een behoorlijke levensstandaard te realiseren;

I.  overwegende dat tegen 2025, 49 % van alle vacatures in de EU (zowel nieuwe banen als banen die in de plaats komen van andere) een hoog kwalificatieniveau zal vereisen, 40 % een gemiddeld kwalificatieniveau en slechts 11 % een laag kwalificatieniveau of geen kwalificaties(25);

J.  overwegende dat uitbreiding van de toegang tot een leven lang leren de weg vrij kan maken voor nieuwe mogelijkheden ten aanzien van actieve integratie en verhoogde maatschappelijke participatie, met name voor mensen die laaggekwalificeerd of werkloos zijn, speciale behoeften hebben, op leeftijd zijn, en migranten;

K.  overwegende dat lidstaten manieren moeten vinden om investeringen voor de langere termijn in onderwijs, onderzoek, innovatie, energie en klimaatactie te beschermen of bevorderen, en moeten investeren in het moderniseren van onderwijs- en opleidingsstelsels, met inbegrip van een leven lang leren;

L.  overwegende dat de EU het platform bij uitstek is om beste praktijken te delen en wederzijdse leerprocessen tussen de lidstaten te bevorderen;

M.  overwegende dat de verantwoordelijkheid voor het algemeen onderwijs, met inbegrip van universitair onderwijs en beroepsonderwijs, overeenkomstig de artikelen 165 en 166 VWEU bij de lidstaten berust;

N.  overwegende dat Europese samenwerking op onderwijsgebied een vrijwillig proces is en dat het onderwijsbeleid in dit opzicht fundamenteel verschilt van het werkgelegenheidsbeleid, dat in veel grotere mate gecommunautariseerd is;

O.  overwegende dat vaardigheden en competenties hand in hand gaan en de relatie hiertussen derhalve in de agenda voor nieuwe vaardigheden nader dient te worden aangescherpt;

P.  overwegende dat de ontwikkeling van toekomstgerichte sectoren een doorslaggevende rol speelt wat betreft het soort benodigde vaardigheden;

Q.  overwegende dat uit een Europese vaardigheden- en banenenquête is gebleken dat ongeveer 45 % van de volwassen werknemers in de EU van mening is dat zijn vaardigheden op het werk beter ontwikkeld of gebruikt kunnen worden;

R.  overwegende dat volgens de IAO tussen 25 en 45 procent van de Europese arbeidskrachten te laag of te hoog geschoold is voor het werk dat ze doen; overwegende dat deze situatie grotendeels te wijten is aan de snel veranderende structuur van de economieën van de lidstaten;

S.  overwegende dat het bestaan van discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden een zorgwekkend verschijnsel is dat personen en bedrijven treft, met vaardighedenkloven en vaardighedentekorten als gevolg, en een van de oorzaken is van werkloosheid(26); overwegende dat 26 procent van alle volwassen werknemers niet over de voor hun werk benodigde vaardigheden beschikt;

T.  overwegende dat meer dan 30 procent van de hooggekwalificeerde jongeren een baan heeft die niet met hun talenten en ambities overeenstemt, terwijl 40 procent van de Europese werkgevers aangeeft geen mensen met de juiste vaardigheden te kunnen vinden om te kunnen groeien en innoveren;

U.  overwegende dat momenteel bijna 23 procent van de bevolking in de leeftijdscategorie van 20 tot 64 jaar een laag opleidingsniveau heeft (voorschools, lager of lager middelbaar onderwijs); overwegende dat laaggekwalificeerde personen minder mogelijkheden voor een baan hebben en dat zij ook meer het gevaar lopen van een onzekere baan en twee keer zo veel als hooggekwalificeerde personen het risico lopen van langdurige werkloosheid(27);

V.  overwegende dat laagopgeleiden niet alleen minder arbeidskansen hebben, maar ook kwetsbaarder zijn voor langdurige werkloosheid, moeilijker toegang krijgen tot diensten en minder gemakkelijk volledig deelnemen in de samenleving;

W.  overwegende dat mensen vaak over vaardigheden beschikken die niet worden herkend, benut of naar behoren worden beloond; overwegende dat buiten de formele context opgedane vaardigheden, bijvoorbeeld door middel van werkervaring, vrijwilligerswerk, maatschappelijke betrokkenheid of andere relevante ervaringen, niet per definitie tot uiting komen in een diploma of niet worden geregistreerd, en derhalve worden ondergewaardeerd;

X.  overwegende dat de culturele en creatieve sector bijdraagt aan het sociaal welzijn, innovatie, werkgelegenheid, de bevordering van de economische ontwikkeling van de EU, en tegelijkertijd werkgelegenheid verschaft aan meer dan 12 miljoen mensen in de EU, ofwel 7,5 % van alle in de totale economie werkzame mensen, en 5,3 % vertegenwoordigen van de totale bruto toegevoegde waarde van de EU en nog eens 4 % van het door de luxegoederenindustrie gegenereerde nominale bbp van de EU(28);

Y.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een fundamenteel principe is van de EU dat is vastgesteld in de Verdragen en een van de doelstellingen en verantwoordelijkheden is van de Unie; overwegende dat mainstreaming van het principe van gelijkheid tussen vrouwen en mannen in al haar activiteiten, met inbegrip van toegang tot onderwijs en opleidingen, een specifieke missie is van de Unie;

Z.  overwegende dat op EU-niveau NEET's (personen die geen baan hebben en ook geen onderwijs of opleiding volgen) worden beschouwd als een van de meest kwetsbare groepen in de context van jeugdwerkloosheid; overwegende dat vrouwen gemiddeld 1,4(29) keer zo veel risico lopen NEET te worden als mannen, een gegeven dat de problemen met betrekking tot discriminatie op grond van geslacht en gelijkheid vanaf jonge leeftijd benadrukt;

AA.  overwegende dat sociale en emotionele vaardigheden in combinatie met cognitieve vaardigheden van belang zijn voor persoonlijk welzijn en succes;

AB.  overwegende dat toegang tot formele, informele en niet-formele onderwijs-, en leer- en opleidingsmogelijkheden een recht moet zijn voor iedereen in elke levensfase, zodat personen transversale vaardigheden kunnen verwerven als numerieke onderlegdheid, digitale en mediavaardigheden, kritisch denken, sociale vaardigheden, beheersing van vreemde talen en algemene redzaamheid; overwegende dat het in dit verband nodig is werkenden tijd te geven voor persoonlijke ontwikkeling en opleiding in het kader van een leven lang leren;

AC.  overwegende dat het van essentieel belang is dat vaardigheden niet alleen zijn gericht op het verhogen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, maar ook op het vergroten van de mogelijkheid tot burgerparticipatie en het respect voor democratische waarden en tolerantie, niet in de laatste plaats als instrument voor het voorkomen van radicalisering en iedere vorm van onverdraagzaamheid;

AD.  overwegende dat in de huidige snel veranderende en steeds verder geglobaliseerde en gedigitaliseerde wereld transversale en overdraagbare vaardigheden, zoals sociale, interculturele en digitale vaardigheden, probleemoplossend vermogen, ondernemerschap en creatief denken van cruciaal belang zijn;

AE.  overwegende dat de digitale transformatie nog niet is voltooid en dat de maatschappelijke omgeving en arbeidsmarkt voortdurend aan verandering onderhevig zijn;

AF.  overwegende dat een goede beheersing van digitale vaardigheden en zelfvertrouwen belangrijke voorwaarden zijn voor het opbouwen van sterke samenlevingen en het bevorderen van de eenheid en de integratie binnen de EU;

AG.  overwegende dat onze onderwijs- en opleidingsstelsels momenteel te maken hebben met een grote digitale transformatie, die een effect heeft op de onderwijs- en leerprocessen; overwegende dat het bieden van digitale vaardigheden absoluut noodzakelijk is om te waarborgen dat de beroepsbevolking is voorbereid op de huidige en toekomstige technologische veranderingen;

AH.  overwegende dat, ondanks een recente toename van het aantal mensen dat in de EU digitaal onderwijs volgt of een digitale opleiding geniet, er nog veel moet gebeuren om de Europese economie aan te laten sluiten op het nieuwe digitale tijdperk en de kloof te dichten tussen het aantal werkzoekenden en het aantal openstaande vacatures;

AI.  overwegende dat nieuwe digitale transformaties in de onderwijsstelsels moeten worden opgenomen om mensen zo te leren kritisch, zelfverzekerd en onafhankelijk te denken; overwegende dat dit evenwel op symbiotische wijze moet worden uitgevoerd in samenhang met vakken die al worden onderwezen;

AJ.  overwegende dat een toekomstbestendige agenda voor vaardigheden in een bredere context van beroepsgerelateerde geletterdheid moet worden geplaatst in het kader van de toenemende digitalisering en robotisering van de Europese samenlevingen;

AK.  overwegende dat transversale competenties, zoals civiele en sociale competenties, alsook burgerschapsvorming, benadrukt moeten worden naast taalvaardigheden, digitale vaardigheden en ondernemerschapsvaardigheden;

AL.  overwegende dat ondernemerschapsvaardigheden moeten worden begrepen in ruimere context, als zin voor initiatief met betrekking tot participatie in sociale acties en ondernemersmentaliteit, en overwegende dat er daarom meer nadruk op moet worden gelegd in de agenda voor nieuwe vaardigheden, als algemene vaardigheden die personen in hun privé- en beroepsleven, evenals gemeenschappen, ten goede komen;

AM.  overwegende dat wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) in de EU moeten worden bevorderd, teneinde slimme, duurzame en inclusieve economische groei en banen voor jonge mensen te waarborgen;

AN.  overwegende dat de vraag naar STEM-professionals en daarbij betrokken professionals naar verwachting tussen nu en 2025 met ongeveer 8 procent zal toenemen, ofwel veel meer dan de gemiddelde groeiprognose van 3 procent voor alle beroepen; overwegende dat de werkgelegenheid in de STEM-gerelateerde bedrijfstakken tussen nu en 2025 naar verwachting ook met circa 6,5 % zal toenemen(30);

AO.  overwegende dat het slechte imago en de afnemende aantrekkelijkheid van beroepsonderwijs en -opleiding, in combinatie met de lage kwaliteit van dit onderwijs en deze opleiding, in sommige lidstaten studenten ervan weerhoudt een loopbaan te kiezen in veelbelovende beroepen en bedrijfstakken met een tekort aan arbeidskrachten;

AP.  overwegende dat bij het aanpakken van problemen ten aanzien van vaardigheden, met name discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden, en kansen op de arbeidsmarkt, rekening moet worden gehouden met de specifieke uitdagingen die in plattelandsgebieden spelen;

AQ.  overwegende dat de groene sector tijdens de recessie een van de belangrijkste banenscheppers in Europa was en deze sector verder moet worden gestimuleerd in de agenda voor nieuwe vaardigheden;

AR.  overwegende dat de vergrijzende bevolking in Europa tot een verhoogde vraag naar gezondheidswerkers, sociale zorg en medische diensten leidt;

AS.  overwegende dat gezinnen een essentiële schakel zijn om de beheersing van de basisvaardigheden door kinderen te bevorderen;

Ontwikkeling van vaardigheden voor het leven en vaardigheden voor banen

1.  is tevreden met de mededeling van de Commissie getiteld "Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa – Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen", die is goedgekeurd in juni 2016;

2.  erkent dat onderwijs en opleiding onder de bevoegdheden van de lidstaten vallen en dat de EU maatregelen van de lidstaten enkel kan ondersteunen, coördineren of aanvullen;

3.  is van mening dat de EU behoefte heeft aan een paradigmaverschuiving waar het de doelstellingen en de werking van de onderwijssector betreft; is het eens met de focus op het feit dat de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden geüpdatet om ze aan te passen aan de snel veranderende economische, technologische en maatschappelijke omgeving, met waarborging van toegang tot hoogwaardig onderwijs in alle stadia;

4.  merkt op dat de behoeften op het gebied van vaardigheden dynamisch zijn, maar dat de belangrijkste focus van het vaardighedenpakket de onmiddellijke behoeften zijn van de arbeidsmarkt; wijst in verband hiermee op het feit dat een nauwe samenwerking met het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) belangrijk is voor het anticiperen op de behoeften op het gebied van vaardigheden en het ontwikkelen van een Europees instrument voor het voorspellen van de behoefte aan vaardigheden en een leven lang leren, teneinde aan te passen aan nieuwe situaties op de arbeidsmarkt en het aanpassingsvermogen van het individu, actief burgerschap en sociale integratie te vergroten;

5.  verzoekt de lidstaten zich in hun onderwijs- en opleidingsprogramma's niet alleen te richten op de ontwikkeling van vaardigheden ten behoeve van inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, leesvaardigheid, numerieke vaardigheden, en digitale en mediavaardigheden, maar ook op vaardigheden die in bredere zin relevant zijn voor de samenleving, zoals overdraagbare, transversale en zachte vaardigheden (bijvoorbeeld leiderschap, sociale en interculturele vaardigheden, leiderschap, ondernemerschap, financiële onderlegdheid, vrijwilligerswerk, beheersing van vreemde talen, onderhandelingstechnieken), en prioriteit te verlenen aan de verdere ontwikkeling van programma's op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, naast het bevorderen van Europees vakmanschap;

6.  vraagt om daadwerkelijke toegang voor eenieder tot vaardigheden in elke levensfase, om fundamentele vaardigheden voor de 21e eeuw te verwerven;

7.  erkent de waarde van de internationalisering van het onderwijs en het toenemende aantal studenten en medewerkers dat aan mobiliteitsprogramma's deelneemt; beklemtoont in dit verband de waarde van Erasmus+;

8.  wijst erop dat uit meerdere studies blijkt dat mobiliteit mensen specifieke beroepsvaardigheden bijbrengt, alsook transversale en overdraagbare vaardigheden, zoals kritisch denkvermogen en ondernemerschap, en hen betere loopbaanmogelijkheden oplevert; erkent dat het huidige deel van de voor de leermobiliteit bestemde EU-begroting mogelijk niet voldoende is om het streefcijfer van 6 procent leermobiliteit tegen 2020 te behalen;

9.  moedigt de lidstaten aan de mogelijkheden van intersectorale mobiliteit verder uit te bouwen tussen scholen als geheel; beklemtoont dat er meer steun moet komen voor mobiliteit op het gebied van onderwijs en opleiding en dat bijzondere aandacht nodig is voor grensoverschrijdende mobiliteit;

10.  wijst op het feit dat onderwijs en opleiding de persoonlijke ontwikkeling en groei van jonge mensen moeten bevorderen, zodat zij kunnen uitgroeien tot proactieve en verantwoordelijke burgers die zijn voorbereid op een leven en loopbaan in een technologisch geavanceerde en geglobaliseerde economie en zijn uitgerust met de belangrijkste competenties voor een leven lang leren, bestaande uit een combinatie van kennis, vaardigheden en gedragingen die nodig zijn voor zelfontplooiing en persoonlijke ontwikkeling, actief burgerschap en werk;

11.  benadrukt dat opvang en onderwijs voor jonge kinderen (OOJK) essentiële voorwaarden zijn voor het ontwikkelen van vaardigheden;

12.  wijst erop dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het aanbieden van onderwijs en zorg, en verzoekt hen de kwaliteit en de toegang tot OOJK te verbeteren en iets te doen aan het gebrek aan infrastructuur op het gebied van hoogwaardige en toegankelijke kinderzorg voor alle inkomensniveaus, en te overwegen de toegang gratis te maken voor arme gezinnen en sociaal uitgesloten gezinnen;

13.  onderstreept het feit dat creativiteit en innovatie tot drijvende factoren in de economie van de EU aan het uitgroeien zijn en in nationaal en EU-beleid moeten worden geïntegreerd;

14.  is ingenomen met de doelstellingen van de agenda voor nieuwe vaardigheden, die erop zijn gericht beroepsonderwijs en -opleiding tot een eerste, vraaggestuurde keus te maken voor lerenden op basis van de toekomstige werkvereisten door werkgevers te betrekken bij het ontwerpen en aanbieden van cursussen;

15.  moedigt de lidstaten ertoe aan verder te gaan dan het bevorderen van de "juiste beroepsvaardigheden" en ook te focussen op onderwijsaspecten die meer gebaseerd zijn op werk en praktischer zijn, en die ondernemersgeest, innovatiekracht en creativiteit bevorderen, mensen in staat stellen kritisch te denken, inspelen op het concept duurzaamheid, waarden als menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, tolerantie en respect te eerbiedigen, en ten volle te participeren in het democratische proces en het sociale leven als breeddenkende burgers;

16.  is overigens van oordeel dat een holistische aanpak vereist is ten aanzien van onderwijs en de ontwikkeling van vaardigheden die de lerende centraal stelt in het proces, en dat voldoende moet worden geïnvesteerd in een leven lang leren; is daarnaast van mening dat de toegang tot onderwijs en opleiding en het verwerven van vaardigheden voor iedereen soepel en betaalbaar moet zijn, en dat er meer inspanningen moeten worden verricht om ook de kwetsbaarste groepen in het proces te laten deelnemen;

17.  de lidstaten aanmoedigen om het maatschappelijk middenveld, deskundigen en gezinnen met praktische ervaring sterker te betrekken bij de reflectie over levensnoodzakelijke vaardigheden;

18.  moedigt de lidstaten aan zich ook te richten op het aanpakken van genderstereotypen nu 60 procent van de nieuwe afgestudeerden vrouw is; onderstreept dat de arbeidsparticipatie van vrouwen overigens nog altijd lager is dan die van mannen, en dat vrouwen in veel bedrijfstakken ondervertegenwoordigd zijn;

19.  moedigt de lidstaten ertoe aan de vaardigheden beter af te stemmen op de banen op de arbeidsmarkt en met name hoogwaardige bedrijfsstages in te voeren die mensen helpen flexibel te zijn in hun onderwijstraject en nadien op de arbeidsmarkt;

20.  erkent de waarde van duale onderwijssystemen(31), maar wijst erop dat een systeem dat in een bepaalde lidstaat wordt gebruikt, niet blindelings in een andere lidstaat kan worden overgenomen; spoort aan tot de uitwisseling van modellen inzake beste praktijken, waarbij de sociale partners dienen te worden betrokken;

21.  herinnert in verband hiermee aan het feit dat nauwere samenwerking nodig is tussen de lidstaten om te leren van beste praktijken die leiden tot lagere werkloosheidscijfers, zoals stages en een leven lang leren;

22.  wijst op de rol van Cedefop, dat als één van zijn hoofdopdrachten heeft het bijeenbrengen van politiek verantwoordelijken, sociale partners, onderzoekers en beroepsbeoefenaren met het oog op het uitwisselen van ideeën en ervaringen, waaronder middels de ontwikkeling van sectorspecifieke platforms;

23.  onderstreept het feit dat cultuur, creativiteit en de kunsten een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan persoonlijke ontwikkeling, werkgelegenheid en groei in de hele EU door het realiseren van innovaties, het stimuleren van cohesie, het verstevigen van interculturele relaties en onderling begrip en het behouden van de Europese identiteit, cultuur en waarden; roept de Commissie en de lidstaten op hun steun aan de culturele en creatieve sector te intensiveren teneinde hun potentieel te ontsluiten en volop te benutten;

24.  onderstreept dat de huidige instroom van migranten, vluchtelingen en asielzoekers in de EU een langetermijnbenadering vereist voor het omgaan met onderdanen van derde landen, onder meer bestaand uit een beoordeling van hun vaardigheden, bekwaamheden en kennis, die zichtbaar moeten worden gemaakt, en de ontwikkeling van een mechanisme voor de erkenning en validering van vaardigheden;

25.  herinnert eraan dat nieuwkomers nieuwe vaardigheden en kennis meebrengen, en dringt erop aan instrumenten te ontwikkelen om meertalige informatie over de bestaande mogelijkheden op het gebied van formeel en informeel leren, beroepsopleidingen, stages en vrijwilligerswerk; vindt het belangrijk de interculturele dialoog te bevorderen om het voor migranten, vluchtelingen en asielzoekers eenvoudiger te maken toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen en in de samenleving te integreren;

26.  verwelkomt het voorstel van de Commissie met betrekking tot het instrument voor het opstellen van een vaardigheidsprofiel van onderdanen van derde landen en hoopt dat er snel vooruitgang wordt geboekt ten aanzien van dit streven; pleit ervoor dat de nieuwe vaardighedenagenda voor Europa, wat de benadering ten aanzien van de vaardigheden van migranten betreft, consistent is met het actieplan voor de integratie van onderdanen van derde landen; bepleit een bredere benadering ten aanzien van de bijscholing van migranten, onder meer door middel van sociaal ondernemerschap, burgerschapsvorming en informeel onderwijs, en benadrukt dat hierbij verder moet worden gekeken dan transparantie, vergelijkbaarheid en het vroegtijdig in kaart brengen van de vaardigheden en kwalificaties van migranten;

27.  benadrukt dat een gecoördineerd optreden noodzakelijk is om de braindrain tegen te gaan en dat daarbij geschikte maatregelen moeten worden vastgesteld om de beschikbare vaardigheden te benutten om een verarming van het menselijk kapitaal in de diverse landen van Europa te voorkomen;

28.  herinnert eraan dat investeringen in de mogelijkheden van het onderwijsstelsel anno 2017 de kwaliteit van zowel bestaande als toekomstige banen bepaalt, evenals de kwalificaties van de werknemers, hun sociaal welzijn en hun democratische participatie in de maatschappij;

29.  verzoekt de lidstaten het hoofd te bieden aan de vergrijzing van de bevolking door specifieke vaardigheden te ontwikkelen voor gezondheid, welzijn en ziektebestrijding;

De rol van onderwijs voor het aanpakken van werkloosheid, sociale exclusie en armoede

30.  is van mening dat het concurrentievermogen, de economische groei en de sociale cohesie van de EU sterk afhankelijk zijn van onderwijs- en opleidingsstelsels die voorkomen dat mensen in een achterstandspositie belanden;

31.  benadrukt het feit dat onderwijs en opleiding niet alleen sleutelfactoren zijn voor het bevorderen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, maar ook voor het stimuleren van persoonlijke ontwikkeling, sociale inclusie en cohesie en actief burgerschap, en is daarom van mening dat gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs en passende investeringen in vaardigheden en competenties cruciaal zijn voor het aanpakken van het hoge werkloosheidscijfer en sociale exclusie, met name onder de kwetsbaarste en meest achtergestelde groepen mensen (NEET's, langdurig werklozen, laagopgeleiden, vluchtelingen en mensen met een handicap); herinnert eraan dat een echte inschatting van de toekomstige behoeften op het gebied van vaardigheden in verband hiermee buitengewoon belangrijk is;

32.  betreurt het feit dat investeringen in onderwijs nog steeds achterblijven en dat de opeenvolgende bezuinigingen op onderwijs studenten en volwassenen met een kansarme sociaaleconomische achtergrond het zwaarst treffen;

33.  vindt het zeer zorgwekkend dat de investeringen in onderwijs en opleiding in de EU in haar geheel tussen 2010 en 2014 met 2,5 % zijn gedaald(32); benadrukt het feit dat naar behoren ingerichte openbare onderwijsstelsels zijn vereist om het onderwijs in staat te stellen werkloosheid, sociale exclusie en armoede te bestrijden;

34.  benadrukt het feit dat, zoals vermeld door de OESO(33), beter opgeleide mensen bijdragen tot de totstandbrenging van meer democratische samenlevingen en duurzamere economieën, minder afhankelijk zijn van overheidssteun en minder kwetsbaar zijn voor economische recessies; wijst er derhalve op dat investeringen in hoogwaardig onderwijs en innovaties niet alleen van essentieel belang zijn voor het bestrijden van werkloosheid, armoede en sociale exclusie, maar ook van cruciaal belang zijn voor de EU om succesvol te kunnen concurreren op de mondiale markten; roept de Commissie en de lidstaten op het niveau van de openbare investeringen in voor- en vroegschoolse educatie, primair onderwijs en secundaire educatie voor iedereen terug te brengen naar minstens het niveau van voor de crisis, met name waar het kinderen uit kansarme milieus betreft;

35.  wijst op het feit dat toegang tot onderwijs- en opleidingsmogelijkheden een recht moet zijn voor iedereen, in elke levensfase, om transversale vaardigheden te verwerven als numerieke onderlegdheid, digitale en mediavaardigheden, kritisch denken, sociale vaardigheden en vaardigheden voor het leven; is van mening dat de agenda voor nieuwe vaardigheden hierbij een stap in de juiste richting is, doordat een gedeeld engagement wordt aangemoedigd voor het realiseren van een gemeenschappelijke visie inzake het cruciale belang van een leven lang leren;

36.  benadrukt de rol die externe verenigingen en ngo's spelen bij het kinderen aanleren van andere vaardigheden en sociale competenties, bijvoorbeeld in de kunsten of manuele activiteiten, door bij te dragen aan hun integratie, een beter begrip van hun omgeving, solidariteit bij het leren en in het leven en het verbeteren van de leervaardigheden van hele klassen;

37.  wijst erop dat personen met een handicap speciale behoeften hebben en daarom de juiste ondersteuning moeten krijgen bij de ontwikkeling van hun vaardigheden; vraagt de Commissie en de lidstaten bij de implementatie van de agenda voor nieuwe vaardigheden een inclusieve benadering te volgen voor het ontwerpen van hun onderwijs- en opleidingsbeleid, waaronder middels onderwijsondersteunend personeel, alsook middels het aanbieden van informatie over de beschikbare vaardigheden-, opleidings- en financieringsmogelijkheden, en het toegankelijk maken van deze mogelijkheden voor zoveel mogelijk mensen, rekening houdend met de hele waaier van handicaps; is van mening dat, teneinde deelname aan de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, voor veel mensen met een handicap het ondernemerschap een haalbare optie is; wijst in dit opzicht op het belang van het verbeteren van de digitale vaardigheden van mensen met een handicap, en op het enorme belang van de rol van toegankelijke technologie;

38.  wijst op het feit dat, hoewel steeds meer het potentieel wordt erkend van kwalitatief hoogstaand onderwijs en kwalitatief hoogstaande opvang voor jonge kinderen voor het verminderen van het vroegtijdig schoolverlaten en het leggen van stevige fundamenten voor verdere leeractiviteiten, de agenda voor nieuwe vaardigheden een toekomstgerichte visie voor de vroegste onderwijsfasen ontbeert; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan te investeren in zowel hoogwaardig OOJK, teneinde de kwaliteit te verhogen en de toegankelijkheid te vergroten, en maatregelen vast te stellen ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten;

39.  vraagt de lidstaten in het bijzonder goedkeuring te hechten aan het kwaliteitskader 2014 voor OOJK(34), en is van mening dat er relevante programma's beschikbaar moeten zijn om een nieuwe kans te bieden aan al die jongeren die de basis- of middelbare school voortijdig hebben verlaten; is van mening dat voltooiing van de middelbare school wenselijk is;

40.  wijst erop dat onderwijs niet alleen vaardigheden en competenties moet bieden die relevant zijn voor de behoeften van de arbeidsmarkt, maar ook moet bijdragen tot de persoonlijke ontwikkeling en groei van jongeren om zich als actieve en verantwoordelijke burgers te ontwikkelen;

41.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat er wordt geïnvesteerd in inclusief onderwijs dat reageert op maatschappelijke uitdagingen en waarborgt dat iedereen gelijke toegang en gelijke kansen krijgt, inclusief jongeren met verschillende sociaal-economische achtergronden, alsmede kwetsbare en benadeelde groepen;

42.  roept de lidstaten op tweedekansonderwijs en -opleidingsmogelijkheden uit te breiden met als doel risicogroepen beter te integreren op de arbeidsmarkt;

43.  is ingenomen met de voorstellen van de Commissie voor maatregelen op het gebied van ontwikkeling van vaardigheden om de ongelijkheid in het onderwijs en de nadelen die een persoon gedurende de levensloop ondervindt, te verminderen, waardoor Europese burgers zich effectief tegen werkloosheid teweer kunnen stellen en de concurrentiekracht en de innovatie in Europa gewaarborgd wordt, maar wijst op een aantal administratieve knelpunten die de vooruitgang in het bereiken van deze doelstellingen wat betreft mobiliteit van vakmensen, erkenning van kwalificaties en het onderricht van beroepskwalificaties, vertragen;

44.  pleit daarom ervoor dat de lidstaten voor de juiste werking van het Informatiesysteem interne markt (IMI) zorgen die een betere uitwisseling van gegevens mogelijk maakt en een betere administratieve samenwerking versterkt zonder onnodige administratieve lasten te creëren, eenvoudigere en snellere procedures invoeren voor de erkenning van beroepskwalificaties en permanente professionele ontwikkeling van gekwalificeerde vakmensen die in een andere lidstaat willen gaan werken, en elke vorm van discriminatie voorkomen;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, in het bijzonder, de toegang van kwetsbare burgers tot de ontwikkeling van vaardigheden te vereenvoudigen door de behoefte te beoordelen aan de invoering van speciale instrumenten, zoals lokale EU-informatiecentra en specifieke indicatoren binnen het Kader voor sleutelcompetenties, en zodoende rekening te houden met de behoeften van kansarme groepen;

Bevordering van mogelijkheden op het gebied van een leven lang leren voor iedereen

46.  onderstreept het belang van een leven lang leren voor de zelfontwikkeling van werknemers, met inbegrip van het op de hoogte blijven van de continu veranderende arbeidsomstandigheden(35), en van het creëren van kansen voor iedereen teneinde een cultuur van leren op alle leeftijden in Europa te bevorderen; spoort de Commissie en de lidstaten aan het concept van een leven lang leren te bevorderen en hierin te investeren, met name in landen met een deelnamepercentage onder de benchmark van 15 procent;

47.  neemt met grote bezorgdheid kennis van de onaanvaardbare situatie van 70 miljoen Europeanen zonder basisvaardigheden; is derhalve ingenomen met de oprichting van het initiatief 'bijscholingstrajecten' (Upskilling pathways'), en benadrukt het feit dat een snelle tenuitvoerlegging en toezicht nodig zijn; roept de Commissie en de lidstaten verder op in te zetten op een continubenadering van bijscholing, herscholing en een leven lang leren door te kiezen voor releingen voor eenvoudiger toegang en motivering, toegespitst op de individuele behoeften van de lidstaten, voor zowel mensen met een baan als voor werklozen;

48.  is van mening dat het initiatief 'bijscholingstrajecten' (Upskilling pathways') mede de individuele beoordeling moet omvatten van de leerbehoeften, evenals een kwalitatief hoogwaardig leeraanbod en systematische validatie van verworven vaardigheden en competenties, zodat ze eenvoudig kunnen worden erkend op de arbeidsmarkt; wijst erop dat algemene toegang moet worden gegarandeerd tot breedband om digitale geletterdheid mogelijk te maken; betreurt het feit dat het Europees Parlement niet betrokken is geweest bij het vormgeven van het initiatief;

49.  beklemtoont dat de ontwikkeling van sectorale en specifieke vaardigheden een gedeelde verantwoordelijkheid is van onderwijsaanbieders, werkgevers en vakbonden, en dat de lidstaten derhalve voor een enge dialoog met de sociale partners moeten zorgen; benadrukt het feit dat alle relevante partijen op de arbeidsmarkt betrokken moeten worden bij het opleidingsproces en -ontwerp en de levering van opleidingen om mensen gedurende de hele loopbaan te voorzien van de nodige vaardigheden, om ervoor te zorgen dat bedrijven concurrerend zijn en tegelijk de persoonlijke ontwikkeling, hoogwaardige werkgelegenheid, en loopbaankansen en -ontwikkeling te bevorderen;

50.  onderstreept dat het van belang is complexe onderwijs- en opleidingsstelsels te ontwikkelen om lerenden verschillende soorten vaardigheden te laten opdoen: basisvaardigheden (geletterdheid, numerieke onderlegdheid en digitale vaardigheden); geavanceerde algemene vaardigheden (zoals probleemoplossing, leren enz.); professionele, technische, beroepsspecifieke of sectorspecifieke vaardigheden; sociaal-emotionele vaardigheden;

51.  onderstreept dat het voor het ontwerpen van doeltreffende opleidingsprogramma's van essentieel belang is inzicht te verkrijgen in de specifieke behoeften van laaggekwalificeerden en hen te voorzien van op maat gemaakte opleidingen; herinnert eraan dat in het licht van opgedane ervaring en veranderende omstandigheden, slagvaardigheid en aanpassingsvermogen cruciale aspecten zijn voor een doeltreffend onderwijsproces;

52.  benadrukt het feit dat de actieve benadering en begeleiding van mensen die in een achterstandspositie verkeren, met inbegrip van mensen met een handicap, langdurig werklozen en ondervertegenwoordigde groepen mensen, die zich mogelijk niet bewust zijn van de voordelen van het vergroten van hun vaardigheden of van de mogelijkheden tot herscholing of bijscholing, van essentieel belang zijn voor het succes van dergelijke initiatieven;

53.  roept de Commissie en de lidstaten op gerichte maatregelen te nemen ten aanzien van het herscholen en valideren van de vaardigheden van ouders die weer aan het werk gaan na een periode van zorg van hulpbehoevende gezinsleden;

54.  roept op tot een actieve betrokkenheid van en dialoog tussen alle belanghebbenden, niet alleen op nationaal en Europees niveau maar ook op lokaal en regionaal niveau, om tegemoet te komen aan de daadwerkelijke omstandigheden en behoeften van de arbeidsmarkt;

55.  wijst nogmaals op de noodzaak om het concept van een leven lang leren te integreren in de bredere context van professionele geletterdheid;

De banden aanhalen tussen onderwijs en werk

56.  brengt in herinnering dat het dichten van de vaardigheidskloof, het beter afstemmen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en het stimuleren van mogelijkheden voor sociale mobiliteit, met inbegrip van beroepsopleiding en stageregelingen, essentieel zijn om duurzame groei, sociale cohesie, nieuwe banen, innovatie en ondernemerschap te bevorderen, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen en ambachten; moedigt de lidstaten daarom aan beroepsgericht leren te bevorderen in overeenstemming met de economische vraag;

57.  benadrukt het feit dat gestreefd moet worden naar een flexibelere, individuelere en persoonlijkere(36) aanpak van loopbaanontwikkeling en een leven lang leren gedurende het persoonlijke loopbaantraject en erkent de rol die publieke maar ook private partijen hierbij kunnen spelen, en erkent dat begeleiding en advisering waarbij de individuele behoeften en voorkeuren worden aangepakt en op de evaluatie en uitbreiding wordt gefocust van individuele vaardigheden, kernelementen moeten zijn van het beleid inzake onderwijs en vaardigheden;

58.  roept de lidstaten op om samen met de sociale partners beleid te ontwikkelen en in te voeren dat voorziet in onderwijs- en opleidingsverlof en in scholing op de werkvloer; verzoekt hen om leren op de werkvloer en daarbuiten, met inbegrip van betaald opleidingsverlof, toegankelijk te maken voor alle werknemers, in het bijzonder voor werknemers die in een achterstandspositie verkeren en met name vrouwelijke werknemers;

59.  benadrukt het feit dat op vaardigheden gerichte beleidsmaatregelen niet alleen rekening moeten houden met de huidige transformaties op de arbeidsmarkt, maar er ook op moeten toezien dat ze universeel genoeg zijn om de leercapaciteit van werknemers te ontwikkelen en ze in staat te stellen zich voor te bereiden op toekomstige uitdagingen;

60.  benadrukt het feit dat de ontwikkeling van vaardigheden een gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn tussen onderwijsaanbieders en werkgevers; benadrukt het feit dat de industrie/werkgevers erbij betrokken moeten worden om mensen te voorzien van en op te leiden tot de nodige vaardigheden, om ervoor te zorgen dat bedrijven concurrerend zijn en tegelijk het zelfvertrouwen van mensen te bevorderen;

61.  herinnert eraan dat voor het bevorderen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, innovaties en actief burgerschap, met inbegrip van ecoburgerschap, de basisvaardigheden hand in hand moeten gaan met andere sleutelcompetenties en gedragingen: creativiteit, milieubewustzijn, zin voor initiatief, beheersing van vreemde talen, kritisch denken, onder meer door middel van digitale geletterdheid en mediavaardigheden, en vaardigheden die specifiek op groeiende sectoren zijn gericht;

62.  benadrukt het enorme innovatie- en werkgelegenheidspotentieel van hernieuwbare energiebronnen en het streven naar meer hulpbronnen- en energie-efficiëntie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om, met het oog op onderwijs- en werkgelegenheidsmogelijkheden, bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe vaardighedenagenda rekening te houden met energie- en milieugerelateerde kwesties;

63.  onderstreept het belang van de totstandbrenging van op maat gemaakte ondersteuning voor lerenden op de werkplek, stagiairs en werknemers, om de integratie van alle mensen op de arbeidsmarkt te waarborgen;

64.  onderkent dat het belangrijk is op werk gebaseerde stages te bevorderen, als een van de instrumenten om de integratie van personen op de arbeidsmarkt verder te faciliteren, bijvoorbeeld door het tot stand brengen van overbruggingen/de uitwisseling van competenties tussen verschillende generaties;

65.  wijst erop dat stages, leerlingplaatsen en opleidingen tot specifieke vaardigheden als de meest doeltreffende methoden worden beschouwd om te voorkomen dat jonge mensen weer in de NEET-status vervallen; constateert dat is vastgesteld dat het hanteren van een duaal systeem van beroepsonderwijs en academische opleidingen en vorming de omvang van de NEET-groep doet afnemen door meer jonge mensen in staat te stellen het onderwijs/de opleiding te blijven volgen waardoor ze beter inzetbaar zijn en eerder naar een baan/carrière kunnen doorgroeien; beklemtoont dat uit macro-economische analyses blijkt dat een combinatie van een duaal onderwijs- en opleidingsstelsel en een actief arbeidsmarktbeleid de beste resultaten oplevert;

66.  verzoekt de lidstaten op werk gebaseerde beroepsopleidingen en de ontwikkeling van vaardigheden voor kmo's te ondersteunen;

67.  vraagt dat concrete maatregelen worden genomen om de transitie van jongeren van onderwijs naar werk te faciliteren, door te zorgen voor kwalitatief hoogstaande en betaalde stages en leerlingplaatsen, waar ze praktijkervaring kunnen opdoen, of zelfs grensoverschrijdende uitwisselingsprogramma's zoals Erasmus voor jonge ondernemers, en jongeren de mogelijkheid te bieden hun kennis en talenten in praktijk te brengen en te beschikken over een passende reeks sociale en economische rechten en over toegang tot passend werk en sociale bescherming, zoals bedoeld in de nationale wetgevingen en praktijken, op voet van gelijkheid met volwassen werkenden; vraagt de lidstaten in het bijzonder steun te verlenen aan het mkb, zodat ook daar stagiaires en jongeren in een (alternerende) opleiding terecht kunnen;

68.  verzoekt de lidstaten toe te zien op het hanteren van een kwaliteitskader op basis waarvan stagiairs en leerlingen niet als goedkope of gratis arbeidskrachten mogen worden ingezet; wijst op het feit dat goed inzicht in de belangrijkste gezondheids- en veiligheidsnormen en -rechten op de werkplek ook van belang is voor het ontwikkelen van hoogwaardige werkgelegenheid en het voorkomen van uitbuiting; verzoekt de lidstaten op nationaal niveau juridische kaders van hoge kwaliteit in het leven te roepen met het oog op stages en leerlingplaatsen, welke kaders met name in passende arbeidsbescherming en sociale zekerheid voorzien;

69.  vraagt de Commissie een kwaliteitskader voor stages te presenteren, en de lidstaten dit goed te keuren(37);

70.  is van mening dat, om te anticiperen op toekomstige behoeften op het gebied van vaardigheden, het maatschappelijk middenveld, en met name jongeren- en grassrootorganisaties, de sociale partners, en de aanbieders van onderwijs en opleiding, evenals gespecialiseerde ondersteunende diensten, actief betrokken moeten worden op alle niveaus, met name bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van programma's voor beroepsopleiding, die een daadwerkelijke en effectieve transitie bieden van formeel onderwijs naar leren op basis van werk en kwalitatief hoogwaardig werk;

71.  benadrukt dat het van belang is kwalificaties van nut te laten zijn voor werkgevers door de actoren op de arbeidsmarkt te betrekken bij het opstellen van de kwalificaties;

Sleutelrol van niet-formeel en informeel leren

72.  benadrukt het feit dat het belangrijk is niet-formeel en informeel leren te valideren, om de hand te reiken en lerenden het heft in eigen handen te geven; merkt op dat dit met name evident is voor mensen in een kwetsbare of achterstandspositie, zoals laaggekwalificeerde werknemers of vluchtelingen, die prioritaire toegang nodig hebben tot validatieregelingen;

73.  betreurt het feit dat werkgevers en aanbieders van formeel onderwijs niet voldoende de waarde en relevantie erkennen van vaardigheden, competenties en kennis die zijn verworven via niet-formeel en informeel leren; benadrukt in dit opzicht het feit dat het gebrek aan bewustzijn met betrekking tot validatie onder alle relevante belanghebbenden moet worden aangepakt;

74.  erkent het feit dat het gebrek aan vergelijkbaarheid en coherentie tussen de validatieaanpakken van de EU-landen, met name voor beroepsonderwijs en -opleiding, een bijkomende belemmering is; onderkent daarnaast dat het leveren van daadwerkelijke toegang, erkenning en financiële ondersteuning blijft een ware uitdaging, met name voor achtergestelde groepen, zoals laaggekwalificeerden, die prioritaire toegang nodig hebben tot validatieregelingen;

75.  roept de Commissie en de lidstaten op het bewustzijn inzake de mogelijkheden voor validatie te vergroten; is in dit opzicht ingenomen met de in de laatste paar jaren geboekte vooruitgang in het kader van de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Raad betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren tegen 2018; is echter van mening dat aanvullende inspanningen nodig zijn bij het tot stand brengen van relevante juridische kaders en uitgebreide validatiestrategieën teneinde validatie mogelijk te maken;

76.  herinnert eraan dat tal van bestaande Europese transparantie-instrumenten, zoals het Europees kwalificatiekader (EKK) en het Europees studiepuntensysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding (Ecvet), als op zichzelf staande instrumenten zijn ontwikkeld; benadrukt dat deze instrumenten, om personen in staat te stellen hun vooruitgang en mogelijkheden beter in kaart te brengen en profijt te trekken van de in verschillende contexten opgedane leerresultaten, beter moeten worden gecoördineerd en ondersteund door kwaliteitsborgingssystemen en moeten worden opgenomen in een kader van nationale kwalificaties om vertrouwen te kweken tussen sectoren en actoren, met inbegrip van werkgevers;

77.  benadrukt het feit dat opnieuw gefocust moet worden op de rol van niet-formeel onderwijs, dat essentieel is om mensen het heft in eigen handen te geven, met name kwetsbare en kansarme mensen, met inbegrip van mensen met speciale behoeften en mensen met een handicap, diegenen die laaggekwalificeerd zijn en beperkte mogelijkheden hebben inzake toegang tot formeel onderwijs; is van mening dat aanbieders van niet-formeel onderwijs en ngo's zich op de juiste positie bevinden om achtergestelde groepen buiten het formele onderwijsstelsel de hand te reiken, en dat zij beter moeten worden ondersteund bij de uitvoering van hun taken teneinde te waarborgen dat de mensen die hier het meeste behoefte aan hebben, daadwerkelijk van de agenda voor nieuwe vaardigheden kunnen profiteren;

78.  erkent het belang van vrijwilligerswerk als een van de instrumenten voor het opdoen van kennis, ervaring en vaardigheden voor het verhogen van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het verkrijgen van beroepskwalificaties;

79.  benadrukt het feit dat niet-formeel leren, inclusief vrijwilligerswerk, een cruciale rol te spelen heeft bij het stimuleren van de ontwikkeling van overdraagbare kennis, interculturele competenties en algemene redzaamheid, met vaardigheden als teamwerk, creativiteit en zin voor initiatief, terwijl tegelijk het gevoel van eigenwaarde en de motivatie om te leren worden versterkt;

80.  Benadrukt bovendien het belang van informele onderwijsprogramma's, kunst en sportactiviteiten en interculturele dialoog, om zo burgers actief te betrekken bij maatschappelijke en democratische processen en ze minder gevoelig te maken voor propaganda die tot radicalisering leidt; beklemtoont dat informele en niet-formele leeromgevingen een sleutelrol vervullen bij de inclusie van mensen die het meest kwetsbaar zijn en het meest van de arbeidsmarkt worden uitgesloten; verzoekt de lidstaten in dit verband de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren volledig en tijdig ten uitvoer te leggen;

81.  wijst met nadruk op de waarde van transversale vaardigheden die door middel van sport worden opgedaan als onderdeel van niet-formeel en informeel leren, en op het verband tussen inzetbaarheid in de sport, onderwijs en opleiding;

82.  onderstreept het feit dat informele en niet-formele kaders ook kansen bieden voor de actieve bevordering van de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en niet-discriminatie, en voor het opdoen van kennis over burgerschap, duurzaamheid en mensenrechten, met inbegrip van de rechten van vrouwen en kinderen;

83.  verzoekt de lidstaten procedures in te richten voor de erkenning van informeel en niet-formeel onderwijs, waarbij zij gebruikmaken van de beste praktijken in de lidstaten waar deze instrumenten al zijn ingevoerd, om ervoor te zorgen dat de bijscholingstrajecten een succes zijn(38); benadrukt in dit opzicht het belang van een beleidsmaatregel gericht op de groepen die het verst van de arbeidsmarkt afstaan;

84.  benadrukt het feit dat informele en niet-formele kaders, die op grote schaal worden toegepast binnen communautaire programma's voor onderwijs en voor groepen die zijn ondervertegenwoordigd binnen het regulier academisch onderwijs en volwassenenonderwijs, een belangrijke rol spelen voor de integratie van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen; bevestigt in dit kader dat rekening moet worden gehouden met de standpunten en behoeften van vrouwen en meisjes, mensen met een handicap, leden van de LHBTI-gemeenschap, migranten en vluchtelingen en etnische minderheden;

85.  benadrukt het belang van loopbaanbegeleiding voor laaggekwalificeerden; wijst in dit opzicht op het belang van de capaciteit en kwaliteit van de openbare en private diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten;

86.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de invoering in overweging te nemen van gemeenschappelijke instrumenten gericht op de beoordeling van vaardigheden als onderdeel van de Europass-regeling;

87.  roept de lidstaten op hun validatieregelingen verder uit te bouwen en het bewustzijn inzake de validatiediensten te vergroten; moedigt de lidstaten aan toegankelijkere, aantrekkelijkere en meer open trajecten voor voortgezet onderwijs tot stand te brengen, bijvoorbeeld in de vorm van voortgezet beroepsonderwijs;

Bevordering van digitale, STEM- en ondernemerschapsvaardigheden

88.  benadrukt het feit dat digitale basisvaardigheden vandaag de dag een essentiële vereiste zijn voor persoonlijke en professionele ontplooiing, maar is van mening dat er aanvullende inspanningen nodig zijn om mensen met specifiekere digitale competenties uit te rusten, zodat zij digitale technologieën op een innovatieve en creatieve manier kunnen inzetten;

89.  wijst erop dat moet worden beoordeeld welke vaardigheden geschikt zijn voor de nieuwe technologieën en dat de ontwikkeling moet worden bevorderd van toereikende digitale vaardigheden die kunnen worden benut in midcap-, micro- en kleine en middelgrote ondernemingen; wijst met name op het feit dat de ontwikkeling van vaardigheden in het digitale tijdperk plaatsvindt tegen een snel veranderende en mogelijk destabiliserende achtergrond voor wat de werkgelegenheid betreft; acht het om die reden gepast te kiezen voor een concept van levenslang leren dat op deze veranderingen inspeelt;

90.  is van mening dat er met het oog op betere digitale leer- en onderwijsprocessen meer belang moet worden gehecht aan STEM-onderwijs; benadrukt de nauwe band tussen creativiteit en innovatie, en dringt derhalve aan op de opname van de kunsten en creatieve leerprocessen in de leeragenda voor STEM-onderwijs, en is verder van oordeel dat meisjes en jonge vrouwen reeds vanaf jeugdige leeftijd moeten worden aangemoedigd STEM-onderwerpen te studeren;

91.  benadrukt dat nieuwe technologieën moeten worden opgenomen in het onderwijs- en leerproces, en dat onderwijs middels 'hands-on'- en 'real-life'-ervaringen moet worden bevorderd, rekening houdend met aan de leeftijd aangepaste ICT en mediaprogramma's die rekening houden met de ontwikkeling en het welzijn van het kind, en die adviseren over het verantwoorde gebruik van technologie en aanzetten tot kritisch nadenken, om mensen uit te rusten met het juiste pakket aan vaardigheden, kwalificaties en kennis, en te zorgen voor de ontwikkeling van het volledige gamma aan digitale vaardigheden die individuen en bedrijven nodig hebben in een steeds verder gedigitaliseerde economie; herhaalt dat meisjes en jonge vrouwen moeten worden aangemoedigd om ICT-studies te volgen;

92.  benadrukt bovendien de noodzaak van een meer op samenwerking gestoelde, gecoördineerde en gerichte aanpak voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën voor digitale vaardigheden;

93.  moedigt daarom de Commissie aan de financiering uit hoofde van de Europese kaderprogramma's te verhogen, alsook het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), en inclusieve, innovatieve en reflexieve Europese samenlevingen te bevorderen waardoor alle burgers, met name degenen met een kwetsbare sociaal-economische achtergrond of wonend in afgelegen gebieden, personen met een handicap, de ouderen en de werklozen volwaardig aan de samenleving en de arbeidsmarkt te laten deelnemen;

94.  is tevreden met het voorstel van de Commissie om er bij de lidstaten op aan te dringen algemene nationale strategieën voor digitale vaardigheden op te stellen, met bijzondere aandacht voor het dichten van de digitale kloof, vooral bij oudere mensen; wijst er overigens op dat, willen deze strategieën effectief zijn, er mogelijkheden voor een leven lang leren moeten komen voor onderwijzend personeel, alsook moet worden gewerkt aan sterk pedagogisch leiderschap en innovatie op alle onderwijsniveaus, toegespitst op elk niveau, op basis van een duidelijke, aan de leeftijd en ontwikkeling aangepaste visie inzake media-educatie, evenals passende initiële en voortgezette opleidingen en bijscholing voor leraren en de uitwisseling van goede praktijken;

95.  onderstreept dat mediageletterdheid burgers in staat stelt een kritisch begrip van de verschillende mediavormen te ontwikkelen, met als gevolg een vermeerdering en verbetering van de middelen en mogelijkheden die door "digitale geletterdheid" worden geboden;

96.  roept de lidstaten op hun inspanningen op te voeren om mediageletterdheid in schoolprogramma's en instellingen voor cultuuronderwijs te verbeteren en op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau initiatieven te ontplooien voor alle niveaus van formele, informele en niet-formele onderwijs- en opleidingsstelsels;

97.  herhaalt dat het pakket digitale vaardigheden digitale en mediageletterdheid moet omvatten, alsook kritisch en creatief denkvermogen, teneinde te voorkomen dat lerenden uitsluitend gebruikers van technologieën worden, maar ook actieve creatoren, innoveerders en verantwoorde burgers in een digitale wereld;

98.  roept de lidstaten op mogelijkheden te creëren voor ICT-opleidingen en de ontwikkeling van digitale vaardigheden en mediageletterdheid op alle onderwijsniveaus; onderstreept in dit opzicht het belang van open leermiddelen die waarborgen dat onderwijs toegankelijk is voor iedereen;

99.  benadrukt het feit dat elementen van het leren van ondernemerschap, met inbegrip van sociaal ondernemerschap, moeten worden opgenomen op alle onderwijsniveaus en in verschillende vakken, omdat het stimuleren onder jongeren van een ondernemersgeest in een vroeg stadium de inzetbaarheid zal vergroten, bij zal dragen tot de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, en ook creativiteit, kritisch denken en leiderschapsvaardigheden bevordert, die van nut kunnen zijn voor het ontwikkelen van sociale projecten en een bijdrage kunnen leveren aan plaatselijke gemeenschappen; benadrukt veder het belang van het leren van ervaringen en het concept van "positief falen" in deze context;

100.  is van mening dat ondernemerschapsonderwijs een sociale dimensie moet omvatten, aangezien dit onderwijs een stimulans voor de Europese economie vormt en tegelijkertijd kansarmoede, sociale exclusie en andere maatschappelijke problemen doet afnemen, en onderwerpen aankaart zoals eerlijke handelspraktijken, sociale ondernemingen en alternatieve bedrijfsmodellen, met inbegrip van coöperatieve bedrijven, teneinde een socialere, inclusievere en duurzamere economie te realiseren;

101.  wijst er andermaal op dat de creatieve bedrijfstakken tot de ondernemendste en snelst groeiende sectoren behoren, en dat creatief onderwijs overdraagbare vaardigheden ontwikkelt zoals creatief denken, probleemoplossend vermogen, teamwork en vindingrijkheid; onderkent dat de kunst- en mediasector grote aantrekkingskracht uitoefenen op jongeren;

102.  wijst erop dat ondernemerschap de ontwikkeling van horizontale vaardigheden vereist, zoals creativiteit, kritisch denkvermogen, teamwork en initiatiefrijkheid, die bijdragen tot de persoonlijke en professionele ontwikkeling van jongeren en hun overstap naar de arbeidsmarkt vergemakkelijken; is dan ook van mening dat de deelname van ondernemers aan het onderwijsproces moet worden vergemakkelijkt en aangemoedigd;

103.  dringt aan op actieve dialoog, het uitwisselen van gegevens en samenwerking tussen de academische gemeenschap, andere onderwijs- en opleidingsinstellingen of actoren, de sociale partners en de arbeidswereld, om onderwijsprogramma's te ontwikkelen die jongeren uitrusten met de vereiste vaardigheden en competenties en kennis;

Modernisering van beroepsonderwijs en -opleiding en focus op de waarde van leren op basis van werk

104.  roept de Commissie, de lidstaten en de sociale partners ertoe op beleidsmaatregelen uit te werken en in te voeren voor educatief verlof en scholingsverlof voor werknemers, alsmede beroepsopleiding en een leven lang leren op het werk, ook in andere lidstaten dan die van henzelf; roept ertoe op leren binnen en buiten het kader van het werk, met inbegrip van betaalde studiemogelijkheden, toegankelijk te maken voor alle werknemers, met name werknemers in achtergestelde situaties, met speciale aandacht voor vrouwelijke werknemers in sectoren waarin vrouwen structureel ondervertegenwoordigd zijn(39);

105.  wijst nogmaals op het belang van beroepsonderwijs en -opleiding (BOO) als een relevante vorm van onderwijs die niet alleen de kansen op de arbeidsmarkt kan verbeteren en de weg naar beroepskwalificaties kan openen, maar ook kan leiden tot gelijke kansen voor alle burgers, met inbegrip van sociaal kwetsbare en achtergestelde groepen mensen;

106.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat naar behoren wordt geïnvesteerd in beroepsonderwijs en -opleiding, teneinde de relevantie hiervan voor lerenden, werkgevers en de maatschappij op basis van een holistische en participatieve aanpak te verhogen en deze toe te spitsen op de behoeften van de arbeidsmarkt, door er een integrerend onderdeel van te maken van het onderwijssysteem via een participatieve, geïntegreerde en gecoördineerde benadering, en strenge kwalificatienormen en kwaliteitsborging op dit gebied te garanderen; onderstreept dat het van belang is dat er nauwer wordt samengewerkt tussen BOO en aanbieders van hoger onderwijs om zo de succesvolle overgang van afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleiding naar het hoger onderwijs te waarborgen;

107.  acht het noodzakelijk om universitaire en beroepsopleiding beter op elkaar te doen aansluiten;

108.  onderstreept dat het van belang is de praktijken op het gebied van beroepsonderwijs en loopbaanbegeleiding aan te scherpen, door zowel in het onderwijsstelsel als het volwassenenonderwijs voor een betere afstemming te zorgen van de vaardigheden en competenties waar in bepaalde bedrijfstakken en sectoren met een hoge toegevoegde waarde en hoog investeringspotentieel op het niveau van de lidstaten behoefte aan is;

109.  is ingenomen met de initiatieven van de Commissie om beroepsonderwijs en -opleiding te bevorderen; erkent dat het potentieel van de mobiliteit op het vlak van beroepsonderwijs nog niet is verwezenlijkt; is van oordeel dat aanvullende financiering voor instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding zou kunnen bijdragen aan de vergroting van de mobiliteit in beroepsonderwijs en aan de toename van de kwaliteit, relevantie en inclusiviteit van beroepsonderwijs en -opleiding;

110.  merkt op dat de mogelijkheid moet worden onderzocht van intersectorale mobiliteit, niet alleen voor lesgevers in het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding, maar ook tussen scholen als geheel;

111.  stelt dat de voornaamste verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van beroepsonderwijs- en opleiding ligt bij de lidstaten en op regionaal niveau; vraagt dat de Commissie beroepsonderwijs bevordert en de uitwisseling van goede praktijken faciliteert;

112.  roept de lidstaten op BOO een nieuwe invulling te geven met passende investeringen en gekwalificeerd personeel teneinde de koppeling met de arbeidsmarkt en werkgevers te versterken en het bewustzijn inzake de BOO als een waardevolle opleidingsvorm en loopbaan te vergroten;

113.  roept de Commissie en de lidstaten op de aantrekkelijkheid en status van beroepsonderwijs en -opleiding en de beroepsonderwijs- en opleidingsmobiliteit te vergroten als een belangrijke keuze in iemands persoonlijke loopbaantraject, door ervoor te zorgen dat jongeren en hun gezinnen toegang hebben tot informatie over de opties op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, dat voldoende wordt geïnvesteerd in het vergroten van de kwaliteit en de relevantie van BOO, dat het toegankelijk en betaalbaar is voor eenieder, en dat meer bruggen worden geslagen tussen academisch onderwijs en BOO, en te werken aan de bevordering van genderevenwicht en non-discriminatie in BOO-programma's;

114.  vraagt om specifieke doelstellingen, zoals de tenuitvoerlegging van een volledig operationeel systeem voor de overdracht en erkenning van studiepunten met behulp van Ecvet;

115.  vraagt de Commissie en de lidstaten, met het oog op het terugdringen van het aantal mensen dat stopt met onderwijs en opleiding, en het reduceren van het aantal NEET's, goede ervaringen op het gebied van partnerschappen tussen onderwijs en beroepsopleiding bijeen te brengen en te vergelijken; beveelt aan dit te doen middels samenwerking tussen middelbare scholen en ondernemingen, ook via stages, teneinde tweedekansopleidingen aan te bieden, de stelsels beter op elkaar af te stemmen en de vaardigheden aan de werkelijke behoeften aan te passen;

116.  spoort de lidstaten aan in overleg met lokale en regionale economische spelers kwalitatief hoogwaardige systemen voor duaal onderwijs en beroepsopleiding op te zetten, na een uitwisseling van optimale werkmethoden en rekening houdend met de specifieke aard van elk onderwijssysteem, teneinde de bestaande en toekomstige discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod aan vaardigheden op te heffen;

117.  roept de lidstaten op de gegevensverzameling te verbeteren waarbij de loopbaantrajecten van lerenden in het beroepsonderwijs in kaart worden gebracht, om beter te kunnen inspelen op hun werkgelegenheidsvooruitzichten, de kwaliteit van het beroepsonderwijs beter te kunnen beoordelen en studenten te informeren over beroepskeuzen;

118.  herinnert eraan dat er meer steun nodig is voor de mobiliteit van lerenden en lesgevers; roept de lidstaten derhalve op steun voor mobiliteit in hun nationale programma's op te nemen, teneinde een groot deel van de jongeren te helpen ervaring in het buitenland op te doen;

Lesgevers en opleiders

119.  gelooft dat lesgevers en opleiders een belangrijke rol spelen bij de prestaties van lerenden; benadrukt derhalve dat geïnvesteerd moet worden in en steun moet worden verleend voor de initiële en permanente professionele ontwikkeling van lesgevers in alle onderwijssectoren, alsook dat voor kwaliteitsbanen moet worden gezorgd en dat diensten voor levenslang loopbaanadvies moeten worden opgericht, hetgeen een continue prioriteit in de gehele EU moet zijn;

120.  benadrukt dat het opwaarderen van de status en het vergroten van de vaardigheden van alle onderwijzers, opleiders, mentoren en opvoeders een voorwaarde is voor de realisatie van de agenda voor nieuwe vaardigheden, en dat bijkomende inspanningen moeten worden geleverd om jonge mensen voor het onderwijs te doen kiezen en om leraren te motiveren voor het beroep te behouden, waaronder middels speciaal hiervoor ontwikkelde beleidsmaatregelen; merkt op dat dit vereist dat er rekening wordt gehouden met lesgevers en dat zij naar waarde worden geschat, evenals aantrekkelijke vergoedingen en arbeidsomstandigheden, betere toegang tot vervolgopleidingen onder werktijd, met name op het gebied van digitale didactiek, en maatregelen ter bescherming tegen en ter voorkoming van geweld en intimidatie op onderwijsinstellingen; roept de lidstaten op de gendergelijkheid in het onderwijs meer te bevorderen; benadrukt dat het verbeteren van innovatieve onderwijs- en leerpraktijken alsmede het vergemakkelijken van mobiliteit en de uitwisseling van goede praktijken een eerste stap op weg naar verwezenlijking van dit doel zou kunnen zijn;

121.  brengt in herinnering dat in sommige lidstaten de opleiding van lesgevers aanzienlijk getroffen is door de economische en financiële crisis; onderstreept dat het van belang is te investeren in lesgevers, opleiders en educatoren, en hen uit te rusten met nieuwe vaardigheden en lestechnieken overeenkomstig de technologische en sociale ontwikkelingen;

122.  roept de lidstaten op prioriteit toe te kennen aan investeringen in een leven lang leren voor onderwijzers, waaronder in het opdoen van praktijkervaring in het buitenland, en te zorgen voor bij- en nascholing op professioneel vlak, en hen te helpen nieuwe vaardigheden op te doen, zoals ICT-vaardigheden, ondernemerschapsvaardigheden of kennis over inclusief onderwijs; beklemtoont in dit verband dat moet worden voorzien in voldoende betaalde opleidingsdagen voor de bij- en nascholing van alle onderwijzenden;

123.  benadrukt dat het van belang is de competenties van lesgevers in het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen te ontwikkelen, teneinde de lerenden met ondernemerschapsvaardigheden uit te rusten in nauwe samenwerking met de kmo's; benadrukt in dit opzicht dat het van belang is flexibele aanwervingspraktijken te stimuleren (bijvoorbeeld lesgevers met sectorspecifieke ervaring);

124.  beveelt de lidstaten aan te zorgen voor stimuleringsmaatregelen om kandidaten met vaardigheden op hoog niveau te werven voor het beroep van lesgever en om effectieve lesgevers te belonen;

Tenuitvoerlegging van de agenda voor nieuwe vaardigheden: uitdagingen en aanbevelingen

125.  verzoekt de Commissie nauw samen te werken met Cedefop om de toekomstige behoeften op het gebied van vaardigheden te kunnen ramen en er beter te kunnen op inspelen en de vaardigheden beter te kunnen afstemmen op de banen die beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt;

126.  benadrukt dat de agenda voor nieuwe vaardigheden nader moet worden ontwikkeld, uitgevoerd en gecontroleerd in samenwerking met alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners, maatschappelijke organisaties en aanbieders van niet-formeel onderwijs, diensten voor arbeidsvoorziening en lokale overheden; roept de Commissie op zich in te zetten voor de bevordering van bredere partnerschappen met deze belanghebbenden;

127.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de uitvoering van dit initiatief veel nadruk te leggen op de coördinatie van de verschillende organisaties die direct of indirect bij de ontwikkeling van vaardigheden zijn betrokken, zoals ministeries, lokale autoriteiten, openbare diensten voor arbeidsvoorziening en andere instellingen, onderwijs- en opleidingsinstituten, en niet-gouvernementele organisaties enz.;

128.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ermee voort te gaan beroepsonderwijs en -opleiding zichtbaarder te maken en de kwaliteit en attractiviteit ervan te vergroten; verzoekt de Commissie de lidstaten ertoe aan te moedigen bijkomende doelstellingen te bepalen om leren op basis van werk in de programma's van beroepsonderwijs en -opleiding aan te moedigen;

129.  pleit voor een betere samenwerking tussen aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding en aanbieders van hoger onderwijs om de bestaande kloof te overbruggen om te zorgen voor een succesvolle transitie van afgestudeerden van het beroepsonderwijs naar het hoger onderwijs; beveelt in dit opzicht aan om te leren van de beste praktijken die aanwezig zijn in verschillende lidstaten die reeds over efficiënte duale onderwijssystemen beschikken;

130.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het sociaal, onderwijs- en werkgelegenheidsbeleid op een gecoördineerde en geïntegreerde manier aan te pakken zodat beroepsonderwijs en -opleiding zich permanent kunnen aanpassen en leerlingen die dit traject hebben gevolgd, naar hogere onderwijs- en opleidingsniveaus kunnen doorstromen;

131.  benadrukt het belang om het inzicht in en de vergelijkbaarheid van de verschillende kwalificaties tussen lidstaten te verbeteren; verwelkomt de voorgestelde herziening en nadere ontwikkeling van het EKK en roept op tot betere samenwerking tussen de lidstaten en alle belanghebbenden; pleit voor grotere consistentie tussen de kwalificatie-instrumenten van de EU, namelijk het EKK, het Ecvet en het Eqavet;

132.  verzoekt de lidstaten zich te blijven focussen op het bieden van mogelijkheden aan hun burgers van alle leeftijden om hun digitale vaardigheden en competenties te ontwikkelen, en om tegelijk de digitale transformatie van de economie en de samenleving, en de nieuwe manier waarop mensen leren, werken en zaken doen, alsmede de bredere maatschappelijke gevolgen van deze veranderingen, te bevorderen; roept de lidstaten in dit verband op kennis te nemen van de intentie van de Commissie om te focussen op de positieve aspecten van deze transformatie via de EU-strategie voor e-vaardigheden; vraagt om nadere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners in de coalitie voor digitale vaardigheden en banen;

133.  staat achter de blauwdruk voor sectorale samenwerking op het gebied van vaardigheden dat door de Commissie is opgesteld in het kader van het proefprogramma voor zes sectoren en pleit voor de voortzetting ervan;

134.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te blijven focussen op digitale vaardigheden, met name in verband met de digitale transformatie van de economie en de nieuwe manier waarop mensen werken en zaken doen, en neemt kennis van de intentie van de Commissie om te focussen op de positieve aspecten van deze transformatie via de EU-strategie voor e-vaardigheden;

135.  vraagt de lidstaten vroegtijdig onderwijs op het gebied van ondernemerschap, inclusief sociaal ondernemerschap, op te nemen in het curriculum(40), om een individuele ondernemersmentaliteit in hun burgers te ontwikkelen als een belangrijke competentie ter ondersteuning van persoonlijke ontwikkeling, actief burgerschap, sociale inclusie en inzetbaarheid;

136.  spoort de Commissie aan op een vergelijkbare manier als voor digitale en ondernemerschapsvaardigheden equivalente vaardighedenkaders te ontwikkelen voor andere kernvaardigheden zoals de vaardigheid van financiële geletterdheid;

137.  is van mening dat, om het voorgestelde initiatief 'bijscholingstrajecten' ('Upskilling Pathways') een tastbaar verschil te laten opleveren, er rekening moet worden gehouden met de lessen die zijn getrokken uit de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie; is in het bijzonder van oordeel dat de Commissie moet inzetten op een snellere tenuitvoerlegging, dat voor een geïntegreerde benadering met de hierbij betrokken sociale diensten moet worden gekozen en dat de samenwerking met de sociale partners, zoals vakbonden en werkgeversorganisaties, alsook andere betrokken partijen, moet worden verbeterd;

138.  is van mening dat het uitrusten van mensen met een reeks minimumvaardigheden belangrijk is, maar niet voldoende en dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat elk individu ertoe wordt aangemoedigd geavanceerde vaardigheden en competenties te verwerven om zich beter voor te bereiden op de toekomst, met name in het geval van kwetsbare groepen die het risico lopen op onzeker werk;

139.  betreurt het gebrek aan specifieke financiering voor de tenuitvoerlegging van de voorstellen, hetgeen een aanzienlijke belemmering kan zijn voor het ondernemen van acties die een reëel verschil maken op nationaal niveau, en is van oordeel dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd volledig profijt te trekken uit de bestaande financieringsbronnen die beschikbaar zijn voor ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de agenda, met name het Europees Sociaal Fonds; beklemtoont dat de voorgestelde financieringsbronnen, namelijk het ESF en Erasmus+, reeds op nationaal niveau worden vastgelegd; roept de Commissie derhalve op de lidstaten te verzoeken zelf meer in vaardigheden te investeren, en anderen ertoe aan te zetten hetzelfde te doen, als belangrijke investeringen in menselijk kapitaal, die niet alleen sociale maar ook economische voordelen met zich meebrengen;

140.  verzoekt de Commissie en de lidstaten financiering ter beschikking te stellen om de bestaande technologische en digitale kloof te dichten tussen onderwijs- en opleidingsinstellingen die goed en niet goed uitgerust zijn en om de bijscholing van lesgevers en opleiders op het gebied van technologie te ondersteunen, teneinde gelijke tred te houden met de steeds digitaler wordende wereld van vandaag de dag, in het kader van de nationale strategieën voor digitale vaardigheden;

141.  beveelt ten zeerste aan dat de digitale kloof wordt aangepakt en dat aan iedereen gelijke kansen worden geboden voor toegang tot digitale technologieën, evenals tot de competenties, attitudes en de motivatie die nodig zijn voor digitale participatie;

142.  vraagt de Commissie en de lidstaten om tevens samen te werken aan vraagstukken zoals ondermaatse prestaties van leerlingen in sommige vakgebieden, de lage deelnamepercentages binnen het volwassenenonderwijs, vroegtijdig schoolverlaten, sociale inclusie, burgerlijke betrokkenheid, ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en cijfers met betrekking tot de inzetbaarheid van afgestudeerden;

143.  verzoekt de lidstaten samenwerking te bevorderen en de synergieën te versterken tussen aanbieders van formeel, niet-formeel en informeel onderwijs, regio's en lokale autoriteiten, werkgevers en maatschappelijke organisaties, in overleg met de sociale partners, om een ruimere groep te bereiken van laaggekwalificeerde werkenden, teneinde beter rekening te houden met hun specifieke behoeften;

144.  vraagt om te zorgen voor grotere flexibiliteit qua leren met betrekking tot locatie, levering en lesmethoden die er ertoe dienen om een divers scala aan lerenden aan te trekken en aan hun behoeften tegemoet te komen, en aldus de leerkansen voor alle mensen te vergroten;

145.  is tevreden met het voorstel voor een herziening van het kader voor sleutelcompetenties, dat een waardevolle referentie is en algemene informatie biedt voor de ontwikkeling van transversale vaardigheden en roept op het effect ervan op nationaal niveau, ook in de curricula en lerarenopleidingen, te versterken; roept de Commissie op te waarborgen dat het kader voor sleutelcompetenties wordt gekoppeld aan de aanbeveling van de Raad van 2012 over de validatie van niet-formeel en informeel leren;

146.  is verheugd over de geplande herziening van het Europees kwalificatiekader, die de leesbaarheid van bestaande vaardigheden en kwalificaties in de diverse landen van de EU zal verbeteren; beklemtoont dat een dergelijk instrument essentieel is voor de ontwikkeling van beroepsmobiliteit, met name in grensstreken, en benadrukt dat moet worden gezorgd voor meer zichtbaarheid van vaardigheden, competenties en kennis die zijn verworven door middel van niet-formeel en informeel leren;

147.  roept de lidstaten op een brede aanpak te hanteren bij de uitvoering van de bijscholingstrajecten, zodat wordt voorzien in uiteenlopende mogelijkheden waarbij rekening wordt gehouden met de concrete behoeften op lokaal, regionaal en sectoraal niveau (bijvoorbeeld interculturele, burgerschaps- ecologische, taalkundige, gezondheids- en gezinsvaardigheden) en waarbij verder moet worden gegaan dan het bieden van basisvaardigheden;

148.  roept de Commissie op de inspanningen van de lidstaten te ondersteunen door middel van wederzijdse leeractiviteiten en de uitwisseling van goede beleidspraktijken;

149.  verwelkomt en dringt aan op de herziening van het Europees kader, in het bijzonder de overstap van het gebruik van Europass als een op een document gebaseerde faciliteit naar een op diensten stoelend platform, en de inspanningen om de verschillende typen van leren en vaardigheden zichtbaarder te maken, in het bijzonder diegene die buiten het formele onderwijs zijn verworven;

150.  is van mening dat de herziening ervoor moet zorgen dat achtergestelde groepen, zoals mensen met een handicap, laaggeschoolden, ouderen of langdurig werklozen, van deze instrumenten kunnen profiteren, en acht het van cruciaal belang dat mensen met een handicap er toegang toe hebben;

151.  gelooft dat de genderongelijkheden met betrekking tot de ontwikkeling van vaardigheden beter moeten worden weergegeven in de nieuwe vaardighedenagenda;

152.  verwelkomt het initiatief om een systeem te introduceren voor het volgen van afgestudeerden, teneinde te zorgen voor een beter onderbouwde en relevante benadering voor het opzetten van curricula en opleidingsaanbod; pleit voor een vergelijkbaar systeem voor het op grootschalige wijze volgen van afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleiding;

153.  pleit voor voortdurende en geïntensiveerde ondersteuning van het mobiliteitsprogramma Earsmus+ dat inclusieve leer- en opleidingsmogelijkheden voor jongeren, opleiders, vrijwilligers, leerlingen, stagiairs en jongere werknemers biedt en bevordert;

154.  roept de Commissie op de nationale beroepskwalificatieregelingen te analyseren en stelt voor deze aan te passen aan de veranderende behoeften van nieuwe opkomende beroepen; verzoekt de lidstaten het lerarenberoep te ondersteunen door de toegang tot informatie over geavanceerde technologieën te vergemakkelijken en herinnert in dat verband aan het eTwinning-platform dat door de Commissie ontwikkeld is;

155.  verzoekt de Commissie een Europees Jaar voor volwasseneneducatie aan te kondigen, dat zal helpen het bewustzijn te vergroten van de waarde van volwasseneneducatie en actief ouder worden in heel Europa en ervoor te zorgen dat er genoeg tijd is om dit op EU- en nationaal niveau voor te bereiden;

156.  vraagt de Commissie om jaarlijks een "Europees vaardighedenforum" te organiseren om relevante autoriteiten, onderwijsinstellingen, beroepsbeoefenaars, studenten, werkgevers en werknemers in staat te stellen beste praktijken inzake het voorspellen, ontwikkelen en valideren van vaardigheden uit te wisselen;

o
o   o

157.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.
(2) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 29.
(3) PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.
(4) PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.
(5) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(6) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(7) PB C 191 van 1.7.2011, blz. 1.
(8) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 1.
(9) PB C 290 van 4.12.2007, blz. 1.
(10) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 36.
(11) PB C 64 van 5.3.2013, blz. 5.
(12) PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0107.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0008.
(16) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 48.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0292.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(19) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52011XG0525(01)&from=SK
(20) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6268-2017-INIT/nl/pdf
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.
(22) Directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale zaken en Inclusie (ISBN: 978-92-79-26866-3); http://www.euricse.eu/wp-content/uploads/2015/03/social-economy-guide.pdf.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0411.
(24) Europese Commissie (2016b), Analytical underpinning for a New Skills Agenda for Europe (SWD(2016)0195).
(25) Cedefop, te verschijnen in Commissie, 2016.
(26) http://www.cedefop.europa.eu/en/events-and-projects/projects/assisting-eu-countries-skills-matching
(27) Zie SWD(2016)0195.
(28) Boosting the competitiveness of cultural and creative industries for growth and jobs, 2015.
(29) Society at a Glance 2016 – OECD Social Indicators.
(30) Cedefop, Rising STEMs Database, maart 2014.
(31) Een duaal onderwijssysteem combineert bedrijfsstages met beroepsonderwijs in een instelling voor beroepsonderwijs in één curriculum.
(32) Onderwijs- en opleidingenmonitor 2016.
(33) https://www.oecd.org/education/school/50293148.pdf
(34) Eurofound (2015) Opvang voor jonge kinderen: arbeidstoegankelijkheid en kwaliteit van de dienstverlening – een overzicht.
(35) Zie aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(36)De verschuiving naar leerresultaten - Beleid en praktijken in Europa – Cedefop.
(37) Hiervoor zal worden voortgebouwd op het advies van het Raadgevend Comité voor de beroepsopleiding "A Shared Vision for Quality and Effective Apprenticeships and Work-based Learning", goedgekeurd op 2 december 2016.
(38) Aanbeveling van de Raad van 19 december 2016.
(39) Zie aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.
(40) Europese Commissie/EACEA/Eurydice, 2016. Entrepreneurship Education at School in Europe. Rapport Eurydice.

Juridische mededeling