Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2847(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0538/2017

Ingediende teksten :

B8-0538/2017

Debatten :

PV 03/10/2017 - 3
CRE 03/10/2017 - 3

Stemmingen :

PV 03/10/2017 - 4.1
CRE 03/10/2017 - 4.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0361

Aangenomen teksten
PDF 174kWORD 51k
Dinsdag 3 oktober 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk
P8_TA(2017)0361B8-0538/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (2017/2847(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken(1),

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (art. 50) van 29 april 2017 naar aanleiding van de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 VEU en de bijlage bij het besluit van de Raad van 22 mei 2017 die voorziet in richtsnoeren voor de onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

–  gezien de standpuntnota's van de Commissie van 12 juni 2017 over "Essentiële beginselen betreffende de rechten van burgers" en "Essentiële beginselen inzake burgerrechten" en van 20 september 2017 over "Leidende beginselen voor de dialoog over Ierland/Noord-Ierland",

–  gezien de standpuntnota's van de regering van het Verenigd Koninkrijk over de kwesties in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, en met name die van 26 juni 2017 over "De bescherming van de positie van EU-burgers die in het VK wonen en onderdanen van het VK die in de EU wonen" en van 16 augustus 2017 over "Noord-Ierland en Ierland",

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er momenteel ongeveer 3,2 miljoen burgers van de overblijvende 27 lidstaten (EU-27) in het Verenigd Koninkrijk wonen en 1,2 miljoen burgers van het Verenigd Koninkrijk ("Britse staatsburgers") in de EU-27 wonen;

B.  overwegende dat EU-burgers die zich in een andere lidstaat hebben gevestigd, dat hebben gedaan op grond van hun rechten uit hoofde van het EU-recht en met dien verstande dat zij deze rechten gedurende hun hele leven zouden blijven genieten;

C.  overwegende dat het Europees Parlement alle EU-burgers vertegenwoordigt, met inbegrip van Britse staatsburgers, en zal optreden om hun belangen te beschermen gedurende het hele proces dat zal leiden tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie;

D.  overwegende dat uit recente administratieve incidenten in het Verenigd Koninkrijk en ook in een aantal andere lidstaten is gebleken dat er nu al sprake is van discriminatie van burgers van de EU-27 in het Verenigd Koninkrijk en van Britse staatsburgers in de EU-27, met gevolgen voor het dagelijkse leven van de betrokken burgers, waardoor de daadwerkelijke uitoefening van hun rechten wordt beperkt;

E.  overwegende dat een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie vereist dat de unieke positie en de bijzondere omstandigheden waarmee het eiland Ierland wordt geconfronteerd, ter sprake komen, dat het Goede Vrijdagakkoord van 10 april 1998 in al zijn onderdelen wordt gehandhaafd en dat een "verharding" van de grens wordt vermeden;

F.  overwegende dat de inwoners van Noord-Ierland die hun recht op het Ierse staatsburgerschap hebben uitgeoefend of kunnen uitoefenen, het EU-burgerschap zullen genieten en dat er geen obstakels of belemmeringen mogen worden opgeworpen die hen beletten hun rechten uit hoofde van de Verdragen ten volle uit te oefenen;

G.  overwegende dat de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk beide de financiële verplichtingen die uit de volledige duur van het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk voortvloeien, volledig moeten nakomen;

H.  overwegende dat de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 in Florence een aantal verduidelijkingen heeft gegeven over de rechten van burgers, de kwestie Ierland en Noord-Ierland, de financiële regeling, de noodzaak van een overgangsperiode en de vooruitzichten voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

1.  herhaalt alle elementen van zijn resolutie van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken;

2.  benadrukt dat de richtsnoeren die de Europese Raad op 29 april 2017 heeft goedgekeurd en de onderhandelingsrichtsnoeren die de Raad vervolgens op 22 mei 2017 heeft vastgesteld, in overeenstemming zijn met de resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017; is ingenomen met het feit dat de onderhandelaar van de Europese Unie met volledige inachtneming van dat mandaat te werk gaat;

3.  neemt er nota van dat de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 een in de tijd beperkte overgangsperiode heeft voorgesteld, in overeenstemming met zijn resolutie van 5 april 2017; wijst erop dat een zo'n overgang alleen mogelijk is op basis van de bestaande regelgevings-, begrotings-, toezichts-, gerechtelijke en handhavingsinstrumenten en -structuren van de Europese Unie; onderstreept dat zo'n overgangsperiode, wanneer het Verenigd Koninkrijk geen lidstaat meer is, alleen de voortzetting van het volledige acquis communautaire kan zijn, hetgeen de volledige toepassing van de vier vrijheden (vrij verkeer van burgers, kapitaal, diensten en goederen) inhoudt, en dat dit moet gebeuren zonder enige beperking van het vrije verkeer van personen door het opleggen van nieuwe voorwaarden; benadrukt dat zo'n overgangsperiode alleen kan worden overwogen onder de volledige bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie; benadrukt dat zo'n overgangsperiode alleen kan worden overeengekomen als er een volwaardig terugtrekkingsakkoord wordt gesloten dat alle kwesties in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk omvat;

Rechten van burgers

4.  benadrukt dat het terugtrekkingsakkoord de volledige reeks rechten moet omvatten die burgers thans genieten, zodat hun positie niet wezenlijk wordt gewijzigd, en dat het moet zorgen voor wederkerigheid, billijkheid, symmetrie en non-discriminatie voor EU-burgers in het Verenigd Koninkrijk en Britse staatsburgers in de Europese Unie; onderstreept met name dat in aanmerking komende EU-onderdanen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en kinderen die na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk worden geboren, als gezinsleden en niet als afzonderlijke rechthebbenden onder het terugtrekkingsakkoord moeten vallen, dat toekomstige gezinsleden verblijfsrecht moeten blijven genieten op grond van dezelfde bepalingen als de huidige gezinsleden, dat documenten declaratoir moeten zijn in overeenstemming met het EU-recht, dat omslachtige administratieve procedures moeten worden vermeden en dat alle in de EU-wetgeving gedefinieerde uitkeringen exporteerbaar moeten zijn;

5.  benadrukt in dat verband dat het terugtrekkingsakkoord het geheel van de EU-regels inzake burgerrechten zoals vastgesteld in de desbetreffende EU-wetgeving moet handhaven, maar is van mening dat de voorstellen van het Verenigd Koninkrijk in zijn standpuntnota van 26 juni 2017 in dat opzicht tekortschieten, niet het minst wat betreft het voorstel om een nieuwe categorie "vaste status" in de Britse immigratiewetgeving op te nemen; vreest dat deze voorstellen, het trage onderhandelingsproces en de openbaar gemaakte beleidsopties voor de toekomstige status van EU-burgers tot onnodige moeilijkheden en bezorgdheid leiden voor de burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen;

6.  uit zijn bezorgdheid over betreurenswaardige administratieve praktijken ten aanzien van EU-burgers die in het Verenigd Koninkrijk wonen; herinnert het Verenigd Koninkrijk er bovendien aan dat het zolang het nog een lidstaat van de Europese Unie is, het EU-recht in acht moet nemen en moet handhaven en zich moet onthouden van administratieve of andere praktijken die resulteren in belemmeringen voor en discriminatie van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen, ook op de werkplek; verwacht dat alle andere lidstaten er van hun kant voor zullen zorgen dat Britse staatsburgers die in de Europese Unie wonen, volledig in overeenstemming met het EU-recht worden behandeld, aangezien zij EU-burgers blijven totdat het Verenigd Koninkrijk zich uit de Europese Unie terugtrekt;

7.  merkt op dat de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 heeft toegezegd ervoor te zullen zorgen dat de rechten van burgers van de EU-27 die in het Verenigd Koninkrijk wonen, rechtstreeks van toepassing zijn door het terugtrekkingsakkoord te laten opnemen in het recht van het Verenigd Koninkrijk; benadrukt dat dit op dergelijke wijze moet gebeuren dat het niet eenzijdig kan worden gewijzigd, dat EU-burgers de in het terugtrekkingsakkoord vervatte rechten rechtstreeks kunnen laten gelden voor de rechtbanken en overheidsdiensten van het Verenigd Koninkrijk, en dat het voorrang heeft boven het recht van het Verenigd Koninkrijk; benadrukt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie, teneinde de samenhang en integriteit van de rechtsorde van de EU te waarborgen, de enige bevoegde autoriteit voor de interpretatie en handhaving van het EU-recht en het terugtrekkingsakkoord moet blijven; wacht in dat verband op concrete voorstellen van het Verenigd Koninkrijk;

Ierland en Noord-Ierland

8.  benadrukt dat de unieke positie en de bijzondere omstandigheden waarmee het eiland Ierland wordt geconfronteerd, in het terugtrekkingsakkoord ter sprake moeten komen, en wel op een wijze die volledig in overeenstemming is met het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen, de overeengekomen samenwerkingsgebieden en het EU-recht, teneinde de continuïteit en stabiliteit van het vredesproces in Noord-Ierland te garanderen;

9.  is er stellig van overtuigd dat het de verantwoordelijkheid van de Britse regering is om een unieke, doeltreffende en werkbare oplossing te vinden die een "verharding" van de grens voorkomt, ervoor zorgt dat het Goede Vrijdagakkoord in al zijn onderdelen volledig wordt nageleefd, in overeenstemming is met het EU-recht, en de integriteit van de interne markt en de douane-unie volledig garandeert; is ook van mening dat het Verenigd Koninkrijk zijn billijke aandeel in de financiële steun aan Noord-Ierland/Ierland moet blijven betalen; betreurt dat de voorstellen van het Verenigd Koninkrijk in zijn standpuntnota over "Noord-Ierland en Ierland" in dit opzicht tekortschieten; neemt er anderzijds nota van dat de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 fysieke infrastructuur aan de grens heeft uitgesloten, wat veronderstelt dat het Verenigd Koninkrijk in de interne markt en de douane-unie blijft of dat Noord-Ierland in een of andere vorm in de interne markt en de douane-unie blijft;

10.  herhaalt dat een oplossing die voor het eiland Ierland wordt gevonden, niet mag dienen om bij voorbaat oplossingen vast te leggen in de context van de besprekingen over de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk;

Financiële regeling

11.  neemt kennis van de verklaring van de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 over de financiële regeling, maar wacht in dat verband op concrete voorstellen van de regering van het Verenigd Koninkrijk; onderstreept dat het ontbreken van duidelijke voorstellen de onderhandelingen tot dusver ernstig heeft belemmerd en dat er op dit gebied aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt voordat er besprekingen over andere kwesties, waaronder het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, kunnen worden aangegaan;

12.  bevestigt, overeenkomstig het standpunt van de Commissie van 12 juni 2017 over "Essentiële beginselen inzake financiële afwikkeling", opnieuw dat het Verenigd Koninkrijk zijn financiële verplichtingen als lidstaat van de Europese Unie volledig moet nakomen en benadrukt dat deze kwestie volledig in het terugtrekkingsakkoord moet worden geregeld; wijst met name op de financiële verplichtingen die voortvloeien uit het meerjarig financieel kader en het besluit betreffende de eigen middelen van 2014(2), die, los van een eventuele overgangsperiode, de nog te betalen vastleggingen van de Europese Unie, het aandeel in de verplichtingen, met inbegrip van voorwaardelijke verplichtingen, en de kosten van de terugtrekking uit de Europese Unie omvatten, aangezien er geen sprake van kan zijn dat verplichtingen die door 28 lidstaten zijn aangegaan, slechts door de overblijvende 27 worden nakomen;

Vooruitgang van de onderhandelingen

13.  herinnert eraan dat er overeenkomstig de gefaseerde aanpak van de onderhandelingen, die van cruciaal belang is voor een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt wat de rechten van burgers, Ierland en Noord-Ierland en de afwikkeling van de financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk betreft, voordat de onderhandelingen over het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk en over de overgangsfase kunnen worden aangevat;

14.  onderstreept dat het van essentieel belang is dat de toezeggingen die de premier van het Verenigd Koninkrijk in haar toespraak van 22 september 2017 heeft gedaan, ook worden omgezet in tastbare wijzigingen in het standpunt van het Verenigd Koninkrijk en in concrete voorstellen, teneinde de werkzaamheden tijdens de eerste fase van de onderhandelingen te bespoedigen en het mogelijk te maken dat in een tweede fase, op basis van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking, besprekingen kunnen beginnen over een nieuw en hecht partnerschap in het kader van een associatie tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie;

15.  is van mening dat er in de vierde onderhandelingsronde nog onvoldoende vooruitgang is geboekt wat de rechten van burgers, Ierland en Noord-Ierland en de afwikkeling van de financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk betreft; vraagt de Europese Raad om, tenzij er tijdens de vijfde onderhandelingsronde op alle drie de gebieden een grote doorbraak in overeenstemming met deze resolutie wordt bereikt, tijdens zijn bijeenkomst in oktober 2017 te besluiten om de beoordeling van de vraag of er voldoende vooruitgang is geboekt, uit te stellen;

o
o   o

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de nationale parlementen en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0102.
(2) Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105).

Juridische mededeling