Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2062(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0251/2017

Ingediende teksten :

A8-0251/2017

Debatten :

PV 05/10/2017 - 2
CRE 05/10/2017 - 2

Stemmingen :

PV 05/10/2017 - 4.5
CRE 05/10/2017 - 4.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0385

Aangenomen teksten
PDF 279kWORD 66k
Donderdag 5 oktober 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Penitentiaire systemen en de omstandigheden in de gevangenis
P8_TA(2017)0385A8-0251/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 5 oktober 2017 over penitentiaire systemen en de omstandigheden in de gevangenis (2015/2062(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 19, 47, 48 en 49,

–  gezien artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (artikel 3, artikel 8), de protocollen bij het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, het Europees Verdrag van 1987 ter voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, en de rapporten van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen (CPT),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens (artikelen 3 en 5), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 7) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind dat op 20 november 1989 te New York werd aangenomen,

–  gezien de volgende algemene opmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van het kind: nr. 10 (2007) over de rechten van het kind in het jeugdstrafrecht, nr. 13 (2011) over het recht van het kind op vrijwaring van alle vormen van geweld en nr. 17 (2013) over het recht van het kind op rust, vrije tijd, spel, ontspanningsactiviteiten, cultureel leven en de kunsten (artikel 31),

–  gezien de minimumregels van de VN voor de behandeling van gevangenen en de verklaringen en beginselen die zijn aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN; gezien de standaardminimumregels van de VN voor de toepassing van het recht op jongeren (Beijingregels) die door de Algemene Vergadering zijn aangenomen; gezien de richtsnoeren van het Comité van Ministers van de Raad van Europa voor kindvriendelijke justitie; gezien de aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, met name Aanbeveling CM/Rec (2006)2 inzake Europese penitentiaire voorschriften, Aanbeveling CM/Rec (2006)13 inzake het gebruik van voorlopige hechtenis, de omstandigheden waarin deze plaatsvindt en het verstrekken van waarborgen tegen misbruik, Aanbeveling CM/Rec (2008)11 inzake de Europese regels voor jeugdige delinquenten aan wie sancties of maatregelen worden opgelegd, Aanbeveling CM/Rec (2010)1 inzake de reclasseringsregels van de Raad van Europa en Aanbeveling CM/Rec (2017)3 inzake de Europese regels voor de in de gemeenschap toegepaste sancties en maatregelen; tevens gezien de aanbevelingen van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa,

–  gezien zijn resoluties van 18 januari 1996 over de slechte omstandigheden in gevangenissen in de Europese Unie(1), van 17 december 1998 over de detentieomstandigheden in de Europese Unie: verbeteringen en vervangende straffen(2), van van 25 november 2009 over het meerjarig programma 2010-2014 voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (programma van Stockholm)(3) en van 15 december 2011 over de detentieomstandigheden in de Europese Unie(4),

–  gezien Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(5),

–  gezien Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie(6) ("overbrenging van gevangenen"),

–  gezien Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen(7) ("proeftijd en alternatieve straffen"),

–  gezien Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis(8) ("toezichtsmaatregelen"),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure(9),

–  gezien het rapport van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) over gevangenisstraf en de alternatieven daarvoor: De grondrechten bij overdrachten tussen lidstaten,

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 14 juni 2011 getiteld "Versterking van het wederzijds vertrouwen in de Europese rechtsruimte - Een groenboek over de toepassing van EU-strafwetgeving op het gebied van detentie"(COM(2011)0327),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in gevoegde zaken C–404/15 en C–659/15 PPU, Pál Aranyosi en Robert Căldăraru,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties(10), en gezien het handboek van UNODC over de behandeling van gewelddadige extremistische gevangenen en de preventie van gewelddadige radicalisering in gevangenissen(11),

–  gezien de schriftelijke verklaring 0006/2011 van 14 februari 2011 over inbreuk op de grondrechten van gedetineerden in de Europese Unie,

–  gezien de overeenkomsten, aanbevelingen en resoluties van de Raad van Europa betreffende penitentiaire kwesties,

–  gezien het witboek van de Raad van Europa van 28 september 2016 betreffende overbevolking in gevangenissen,

–  gezien Aanbeveling CM/Rec (2012)12 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over buitenlandse gevangenen, aangenomen door het Comité van Ministers op 10 oktober 2012,

–  gezien Aanbeveling CM/Rec (2012)5 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over de Europese ethische code voor gevangenispersoneel, aangenomen door het Comité van Ministers op 12 april 2012,

–  gezien het handboek van de Raad van Europa betreffende gevangenis- en reclasseringsdiensten met betrekking tot radicalisering en gewelddadig extremisme,

–  gezien de studies van het European Prison Observatory (EPO) "From national practices to European guidelines: interesting initiatives in prisons management" (2013) en "National monitoring bodies of prison conditions and the European standards" (2015),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0251/2017),

A.  overwegende dat in 2014 meer dan een half miljoen mensen in de EU in de gevangenis zaten, waaronder zowel definitief veroordeelden die hun straf uitzaten als verdachten van een misdrijf in voorlopige hechtenis;

B.  overwegende dat detentieomstandigheden en het beheer van gevangenissen onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen maar dat de EU desondanks een noodzakelijke rol toekomt bij het waarborgen van de grondrechten van gedetineerden en bij het tot stand brengen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht; overwegende dat de EU de taak heeft de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen tussen lidstaten die met gemeenschappelijke problemen geconfronteerd worden waardoor de veiligheid in heel Europa onder druk komt te staan;

C.  overwegende dat de toestand in de gevangenissen en de soms onwaardige en onmenselijke detentieomstandigheden in sommige lidstaten reden geven tot grote bezorgdheid, zoals blijkt uit onder meer het rapport van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen van de Raad van Europa;

D.  overwegende dat er in de EU nog altijd sprake is van overbevolking in gevangenissen en dat meer dan een derde van de lidstaten erkent dit probleem te hebben, en dat dit blijkt uit diverse rapporten, waaronder de laatste editie van de jaarlijkse statistieken voor strafinrichtingen van de Raad van Europa (SPACE), gepubliceerd op 14 maart 2017; overwegende dat overbevolking in gevangenissen door het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) wordt aangemerkt als schending van artikel 3 EVRM;

E.  overwegende dat overbevolking de uitlevering en overbrenging van veroordeelden belemmert als er zorgen bestaan over de slechte omstandigheden in de gevangenissen in het ontvangende land; overwegende dat de situatie in bepaalde lidstaten blijft verslechteren en dat in sommige gevangenissen de situatie zelfs onhoudbaar wordt;

F.  overwegende dat overbevolking in gevangenissen de detentieomstandigheden enorm verslechtert, radicalisering in de hand werkt, nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van gedetineerden, in de weg staat aan sociale rehabilitatie, en de werkomgeving van het gevangenispersoneel onveiliger, gecompliceerder en ongezonder maakt;

G.  overwegende dat het EHRM in zijn arrest van 6 oktober 2005 in de zaak Hirst tegen het Verenigd Koninkrijk heeft bevestigd dat een algemeen en automatisch stemverbod voor gedetineerden niet strookt met de democratie; overwegende dat 58,7 % van de gedetineerden die in 2011 in Polen mochten stemmen ook daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de parlementsverkiezingen;

H.  overwegende dat er geen correlatie bestaat tussen de zwaarte van straffen en dalende misdaadcijfers;

I.  overwegende dat detentie een bijzonder ongeschikte situatie is voor bepaalde kwetsbare personen zoals minderjarigen, bejaarden, zwangere vrouwen en mensen met ernstige geestelijke of psychiatrische ziekten of belemmeringen; overwegende dat er voor zulke personen een aangepaste oplossing op maat moet worden gevonden;

J.  overwegende dat volgens artikel  37 van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind de vrijheidsbeneming van kinderen slechts een uiterste maatregel mag zijn en voor de kortst mogelijke duur, en dat kinderen gescheiden worden van volwassenen, tenzij het in het belang van het kind wordt geacht dit niet te doen;

K.  overwegende dat, volgens gegevens van Eurostat, meer dan 20 % van de totale gevangenisbevolking in 2014 bestond uit mensen in voorlopige hechtenis;

L.  overwegende dat voorlopige hechtenis alleen mag worden gebruikt als uiterste maatregel; overwegende dat kinderen nooit in een omgeving vastgehouden mogen worden waar zij blootstaan aan negatieve invloeden; overwegende dat altijd gekeken moet worden naar de behoeften van het kind in diens fase van ontwikkeling;

M.  overwegende dat gevangenisstraf, waaronder voorlopige hechtenis, alleen mag worden toegepast in rechtens gerechtvaardigde gevallen en dat bij gedetineerden die geen ernstig gevaar vormen voor de samenleving de voorkeur moet worden gegeven aan alternatieve straffen, in die zin dat zij deel blijven uitmaken van de maatschappij en in hun eigen familiaire kring kunnen verblijven, waar de toegang tot sociale dienstverlening, zorg en mogelijkheden tot herintegratie beter is;

N.  overwegende dat jeugdige delinquenten in principe altijd het recht moeten hebben op toegang tot alternatieven voor detentie, ongeacht het misdrijf dat zij hebben gepleegd;

O.  overwegende dat uit gegevens van de Raad van Europa over 2015 blijkt dat gemiddeld 10,8 % van de gedetineerden in Europese gevangenissen buitenlanders zijn (dit percentage lag in 2014 op 13,7 %), en overwegende dat buitenlanders vaker in voorlopige hechtenis worden gehouden, omdat het vluchtgevaar bij deze groep groter zou zijn;

P.  overwegende dat penitentiair inrichtingswerkers namens de gemeenschap een zeer belangrijke taak vervullen en moeten kunnen werken in arbeidsomstandigheden die passen bij hun kwalificaties, waarbij rekening wordt gehouden met het veeleisende karakter van hun werk; overwegende dat het bieden van een betere basisopleiding en bijscholing van gevangenispersoneel, het verhogen van de beschikbare financiële middelen, het uitwisselen van goede praktijken, het waarborgen van goede en veilige arbeidsomstandigheden en het aanstellen van meer personeel essentiële maatregelen zijn om goede detentieomstandigheden te waarborgen; overwegende dat permanente training van gevangenispersoneel ertoe kan bijdragen dat gevangenispersoneel beter in staat is om te gaan met nieuwe uitdagingen in gevangenissen, zoals radicalisering;

Q.  overwegende dat gemotiveerd, toegewijd en gerespecteerd gevangenispersoneel een voorwaarde is voor menselijke detentieomstandigheden en dus voor het succes van vormen van detentie die ontwikkeld zijn om het beheer van gevangenissen te verbeteren, de succesvolle herintegratie van gevangenen in de maatschappij te realiseren en het gevaar van radicalisering en recidive te verminderen;

R.  overwegende dat zelfverminking en gewelddadig gedrag bij gedetineerden vaak veroorzaakt wordt door overbevolking in gevangenissen en slechte detentieomstandigheden; overwegende dat onvoldoende geschoold of gekwalificeerd personeel in dit kader eveneens een negatieve invloed heeft; overwegende dat de opgelopen spanningen in veel gevangenissen leiden tot zeer moeilijke arbeidsomstandigheden voor het personeel en in sommige lidstaten hebben geleid tot vakbondsacties;

S.  overwegende dat het gevangeniswezen alleen in staat is om zijn taken op het gebied van veiligheid en rehabilitatie op doeltreffende wijze uit te voeren als daarvoor voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn;

T.  overwegende dat het verbod op foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing een universele norm is, die van toepassing is op zowel volwassenen als kinderen, en dat elke schending van de grondrechten van gedetineerden die niet voortvloeit uit een beperking die onlosmakelijk met de vrijheidsbeneming samenhangt, de menselijke waardigheid aantast;

U.  overwegende dat de zelfmoordcijfers in de gevangenissen in de EU alarmerend zijn;

V.  overwegende dat de radicalisering in veel gevangenissen in de EU een zorgwekkend probleem is dat bijzondere aandacht verdient en op de juiste wijze moet worden aangepakt, waarbij de mensenrechten moeten worden geëerbiedigd en de internationale verplichtingen moeten worden nageleefd; overwegende dat de onmenselijke detentieomstandigheden en overbevolking in gevangenissen wellicht bijdragen aan radicalisering, omdat ronselaars die gevangenen aanzetten tot gewelddadig extremisme gemakkelijker voet aan de grond krijgen;

W.  overwegende dat de Unie in het kader van de Europese Veiligheidsagenda financiering ter beschikking heeft gesteld om radicalisering in gevangenissen aan te pakken; overwegende dat elke lidstaat gezien de Europese veiligheidscontext dringend maatregelen moet treffen om radicalisering in gevangenissen te voorkomen; overwegende dat een uitwisseling van goede praktijken op Europees niveau daarbij van cruciaal belang is;

X.  overwegende dat enkele van de huidige gevangenisstelsels en -faciliteiten en veel van de gebouwen die in een aantal Europese landen in bedrijf zijn als gevangenis, dateren uit de 19e eeuw; overwegende dat diverse van deze gebouwen niet meer geschikt zijn om in de 21e eeuw te worden gebruikt, omdat de omstandigheden daar uiterst slecht zijn en de mensenrechten er niet worden nageleefd;

Y.  overwegende dat uit onderzoek is gebleken dat het opzetten van democratische structuren en een constructieve dialoog binnen gevangenissen gunstig is voor gevangen, personeel en de samenleving als geheel, en de relatie tussen personeel en gevangenen verbetert;

1.  maakt zich sterk ongerust over de detentieomstandigheden in sommige lidstaten en de toestand in verschillende Europese gevangenissen; spoort de lidstaten aan de regels inzake detentie die hun bron vinden in het internationale recht en de normen van de Raad van Europa te eerbiedigen; herinnert eraan dat vrijheidsbeneming niet gelijkstaat aan het afnemen van de waardigheid; verzoekt de lidstaten onafhankelijke mechanismen voor penitentiair toezicht goed te keuren, zoals voorzien in het Facultatief Protocol bij het Verdrag tegen foltering;

2.  verzoekt de lidstaten hun rechtsstelsels te versterken en te investeren in opleiding voor rechters;

3.  stelt nogmaals dat de detentieomstandigheden een bepalend element zijn voor toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht van de Europese Unie, zoals het Hof van Justitie in het arrest in gevoegde zaken Aranyosi en Căldăraru heeft beslist; herinnert eraan dat het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, dat is neergelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie, van fundamenteel belang is;

4.  betreurt dat het probleem van overbevolkte gevangenissen in Europa erg wijdverbreid is; maakt zich sterk ongerust over het feit dat de overbevolking in bepaalde lidstaten is opgelopen tot recordhoogte; wijst erop dat volgens de laatste editie van de jaarlijkse gevangenisstatistieken van de Raad van Europa van 14 maart 2017 in een derde van de Europese penitentiaire instellingen het aantal gedetineerden nog steeds het aantal beschikbare plaatsen overschrijdt; verzoekt de lidstaten de aanbevelingen van het Witboek van de Raad van Europa van 28 september 2016 over de overbevolking van gevangenissen op te volgen, alsook Aanbeveling R(99) 22 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 30 september 1999 over de overbevolking in gevangenissen en de inflatie van de gevangenispopulatie;

5.  herinnert eraan dat de lidstaten de gevangeniscapaciteit, en bijgevolg de overbevolkingsgraad ervan, berekenen volgens heel uiteenlopende ruimtelijke parameters, zodat het moeilijk, zo niet onmogelijk is, om de situatie in de verschillende lidstaten van de Europese Unie met elkaar te vergelijken;

6.  betreurt voorts dat de overbevolking in gevangenissen vaak dramatische consequenties heeft voor de veiligheid van gevangenispersoneel en gedetineerden, een negatieve invloed heeft op de levensomstandigheden en gezondheid in gevangenissen, de geboden activiteiten, de medische en psychologische zorg en de rehabilitatie van en het toezicht op gedetineerden; spoort de lidstaten aan om systemen en databanken op te zetten om de detentieomstandigheden in real time te monitoren en ervoor te zorgen dat de verdeling van gevangenen over gevangenissen zo goed mogelijk is;

7.  is van oordeel dat capaciteitsuitbreiding van gevangenissen als enige oplossing voor overbevolking niet volstaat; vraagt de lidstaten niettemin om voldoende middelen uit te trekken voor herinrichting en modernisering van gevangenissen en daarbij de voorkeur te geven aan kleine instellingen met een beperkt aantal gedetineerden, om waardige detentieomstandigheden te garanderen, gemeenschappelijke ruimten in te richten die geschikt zijn voor activiteiten en socialisatie, om rehabilitatie en herintegratie van gevangenen te bevorderen, onderwijsvoorzieningen te bieden en te zorgen voor een veiliger omgeving voor zowel gevangenen als personeel;

8.  is van mening dat het hanteren van uiteenlopende bewaringsregels, afhankelijk van de gedetineerde en het risico dat deze vormt, een goede methode is om recidive te voorkomen en de herintegratie in de maatschappij te bevorderen; herhaalt dat de reclasseringsmaatregelen moeten worden geïnternaliseerd en reeds van start moeten gaan tijdens de detentie; roept de lidstaten op om bij het nemen van besluiten over de verdeling van gevangenen over gevangenissen rekening te houden met het type strafbaar feit dat is begaan en te voorkomen dat gedetineerden met een korte gevangenisstraf en gedetineerden die zijn veroordeeld voor lichte strafbare feiten in contact komen met gedetineerden die een lange straf uitzitten;

9.  spoort de lidstaten aan om alle gedetineerden een evenwichtig activiteitenprogramma te bieden en hen zoveel uur per dag buiten hun cellen te laten doorbrengen als nodig is voor een adequaat niveau van menselijke en sociale interactie en om frustratie en geweld te voorkomen; benadrukt dat gedetineerden gehuisvest moeten worden en met name de nacht moeten kunnen doorbrengen op een manier waarbij de menselijke waardigheid en privacy worden geëerbiedigd, gezondheids- en hygiënevoorschriften worden nageleefd, rekening wordt gehouden met klimatologische omstandigheden en er met name voor wordt gezorgd dat elke gevangene beschikt over voldoende vloeroppervlakte, kubieke meters lucht, verlichting, verwarming en ventilatie en dat een teveel aan geluid wordt voorkomen; dringt er bij de lidstaten op aan tot een gemeenschappelijke definitie te komen van de minimale ruimte waarover elke gevangene moet kunnen beschikken; herinnert eraan dat de Commissie onlangs de mogelijkheid heeft geopperd om de EU-structuurfondsen aan te spreken;

10.  verzoekt de lidstaten om te overwegen in het kader van de tenuitvoerlegging van straffen vrijwilligers in te schakelen voor de ondersteuning van beroepspersoneel, zodat gevangenen contacten kunnen leggen die gunstig zijn voor hun herintegratie in de maatschappij; is van oordeel dat de taken van vrijwilligers strikt gescheiden moeten zijn van de taken die worden uitgevoerd door het beroepspersoneel en binnen de grenzen van hun bevoegdheden moeten blijven;

11.  beveelt de lidstaten aan een controlerende instantie in het leven te roepen voor gevangenissen (zoals sommige landen al hebben), zodat bij de beoordeling van de situatie in gevangenissen gebruik kan worden gemaakt van de onderzoeksresultaten van een onafhankelijke instantie;

12.  maakt zich zorgen over de toenemende privatisering van het gevangeniswezen in de EU en wijst erop dat privatisering geen garanties biedt voor goede detentieomstandigheden of eerbiediging van de mensenrechten; betreurt dat er slechts zeer weinig vergelijkende studies zijn gedaan naar de kosten en kwaliteit van het beheer van openbare en particuliere gevangenissen; benadrukt dat begeleiding, controle en gerechtelijke administratie belangrijke taken zijn die in handen van de overheid moeten blijven;

13.  herinnert eraan dat voorlopige hechtenis een uiterste maatregel is die alleen mag worden toegepast als dat absoluut noodzakelijk is en voor de kortst mogelijke duur, in overeenstemming met het toepasselijke nationale wetboek van strafvordering; betreurt dat in diverse lidstaten voorlopige hechtenis stelselmatig wordt toegepast, hetgeen, bijvoorbeeld in combinatie met slechte detentieomstandigheden, een schending van de grondrechten van gedetineerden kan opleveren; is van oordeel dat het probleem van de te ruime toepassing van voorlopige hechtenis alleen kan worden opgelost door middel van innovatieve maatregelen, zoals modernisering van de strafrechtelijke procedures en het versterken van het gerechtelijk apparaat;

14.  herinnert eraan dat de Europese Gevangenisregels die door het Comité van Ministers van de Raad van Europa zijn goedgekeurd bepalen dat gedetineerden moeten kunnen deelnemen aan verkiezingen, referenda en andere aspecten van het openbare leven, voor zover hun recht daartoe niet beperkt wordt door nationale wetgeving; herinnert eraan dat het deelnemen aan verkiezingsactiviteiten gedetineerden in staat stelt om weer maatschappelijk actief te zijn, hetgeen bijdraagt aan hun herintegratie; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat gedetineerden hun kiesrecht daadwerkelijk kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld door op verkiezingsdagen stembussen te plaatsen in gevangenissen;

15.  dringt aan op een doeltreffend langetermijnbeheer met betrekking tot penitentiaire inrichtingen, in het kader waarvan de aantallen gevangenen zullen afnemen doordat vaker gebruik wordt gemaakt van niet-vrijheidsbenemende straffen, zoals taakstraffen of elektronisch toezicht, en minder vaak voorlopige hechtenis wordt opgelegd;

16.  verzoekt de lidstaten om niet alleen aandacht te besteden aan het bestraffingselement van detentie, maar ook aan de ontwikkeling van praktische vaardigheden en rehabilitatie van gedetineerden, om de uitvoering van de straf doeltreffender te laten zijn, sociale herintegratie te laten slagen en de kans op recidive te verminderen; wijst erop dat bij veroordelingen tot een korte straf gevangenisstraf tot meer recidive leidt dan alternatieve straf;

17.  spoort de lidstaten aan om de strafoplegging aan te passen, met name als het gaat om oplegging van straffen van korte duur, bijvoorbeeld door gedetineerden toe te staan overdag de gevangenis te verlaten, veroordeelden toe te staan hun straf uit te zitten tijdens hun vakantie, zodat zij hun baan niet verliezen, taakstraffen op te leggen en meer gebruik te maken van huisarrest en elektronisch toezicht; is voorts van mening dat straffen meer aan de persoon moeten worden aangepast, zodat de uitvoering ervan beter verloopt;

18.  is van mening dat invoering van nieuwe, niet-vrijheidsbenemende maatregelen alleen succesvol kan zijn als dergelijke maatregelen vergezeld gaan van andere maatregelen, waaronder hervorming van het strafrecht- en het onderwijsstelsel en sociale hervormingen die erop gericht zijn om herintegratie en het contact van gedetineerden met de maatschappij en economische actoren te bevorderen; is in dit kader van oordeel dat strafrechtelijke instanties nauw in contact moeten staan met de lokale gemeenschap en informatie moeten verstrekken en statistisch bewijs moeten aanleveren om de publieke opinie ervan te overtuigen dat niet-vrijheidsbenemende maatregelen nodig zijn om recidive te voorkomen en de veiligheid in onze maatschappij op de lange termijn te waarborgen; wijst in dit verband op de goede praktijken in de Scandinavische landen op dit gebied;

19.  verzoekt de Commissie een vergelijkende studie uit te voeren in het kader waarvan de alternatieve maatregelen van de lidstaten worden geanalyseerd, en de uitwisseling van nationale goede praktijken te bevorderen;

20.  verzoekt alle lidstaten krachtiger maatregelen te nemen om gedetineerden die een gevangenisstraf hebben uitgezeten omdat zij een ernstig strafbaar feit hebben begaan na hun vrijlating uit de gevangenis te monitoren; pleit voor follow-upmaatregelen na vrijlating, in de vorm van een hoorzitting met reclasseringsambtenaren, voorgezeten door een rechter, om de herintegratie van de ex-gedetineerde in de samenleving te bespreken en het risico van recidive te beoordelen;

21.  onderstreept dat het kaderbesluit "proeftijd en alternatieve straffen" de wederzijdse erkenning regelt van door de lidstaten gehanteerde maatregelen, zoals reisbeperkingen, taakstraffen en contact- en straatverboden, en dat het kaderbesluit "toezichtmaatregelen" eenzelfde regeling bevat voor voorlopige hechtenis;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan uitvoering te geven aan de specifieke aanbevelingen omtrent de detentieomstandigheden voor kwetsbare gevangenen; betreurt dat personen met psychische problemen soms gevangen worden genomen en in gevangenschap blijven, omdat er simpelweg geen andere voorzieningen zijn en herinnert eraan dat een inadequate behandeling van mensen met psychische problemen volgens het EHRM schending van artikel 3 EVRM inhoudt, en in het geval van suïcidale gedetineerden schending van artikel 2 EVRM (recht op leven);

23.  betreurt dat er in sommige lidstaten niet volledig rekening wordt gehouden met de kwetsbare situatie van oudere of gehandicapte gedetineerden; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat oudere gedetineerden die invalide raken worden vrijgelaten en dat gedetineerden met een handicap kunnen beschikken over de hulpmiddelen die zij nodig hebben;

24.  vraagt de lidstaten maatregelen te nemen tegen elke vorm van discriminatie op grond van seksuele geaardheid of genderidentiteit bij de omgang met gevangenen en ervoor te zorgen dat de seksuele rechten van gedetineerden geëerbiedigd worden;

25.  benadrukt dat vrouwelijke gedetineerden specifieke behoeften hebben en dat zij toegang moeten krijgen tot passende medische zorg en medisch onderzoek en passende sanitaire maatregelen; vraagt de lidstaten uitvoering te geven aan de aanbevelingen inzake de behandeling van vrouwelijke gedetineerden, en elke vorm van genderdiscriminatie te voorkomen;

26.  is van mening dat speciale aandacht moet worden besteed aan de behoeften van vrouwen in de gevangenis, niet alleen tijdens de zwangerschap, maar ook na de bevalling, door in geschikte ruimtes voor het geven van borstvoeding en gespecialiseerde zorg te voorzien; is van mening dat over alternatieve modellen moet worden nagedacht die rekening houden met het welzijn van kinderen in de gevangenis; is van mening dat de automatische scheiding van moeder en kind ernstige emotionele problemen veroorzaakt bij het kind en in feite een extra straf is die gevolgen heeft voor moeder en kind;

27.  maakt zich zorgen over het grote aantal zelfmoorden in gevangenissen; roept elke lidstaat ertoe op een nationaal actieprogramma op te stellen ter voorkoming van zelfmoorden in gevangenissen;

28.  spoort de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat gedetineerden regelmatig contact kunnen hebben met familie en vrienden en hen hun straf te laten uitzitten in gevangenissen dicht bij huis, en door bezoek, telefoongesprekken en het gebruik van elektronische communicatiemiddelen te stimuleren, zodat de familiebanden blijven bestaan, een en ander onder toezicht van de gevangenisdirectie en mits de rechter daarvoor toestemming heeft gegeven; herinnert eraan dat het begrip familie ruim moet worden uitgelegd en dat dus ook niet-geformaliseerde relaties onder het begrip kunnen vallen; vindt het belangrijk dat er op passende wijze voor wordt gezorgd dat dergelijke contacten in stand kunnen worden gehouden;

29.  veroordeelt het beleid van sommige lidstaten om gedetineerden te spreiden, omdat dit in feite een extra straf is met gevolgen voor de familieleden van de gedetineerden; pleit voor maatregelen om ervoor te zorgen dat gedetineerden die ver van hun woonplaats gevangen zitten, overgeplaatst worden naar gevangenissen dichterbij, tenzij een gerechtelijke instantie om gegronde redenen anders besluit; wijst erop dat volgens het EHRM het vasthouden van een persoon in een gevangenis die zo ver van zijn familie is dat familiebezoeken zeer moeilijk of zelfs onmogelijk worden, een inbreuk vormt op artikel 8 EVRM (het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven);

30.  wijst er nogmaals op dat ervoor moet worden gezorgd dat bij kinderen in gevangenissen rekening gehouden wordt met de belangen van het kind, bijvoorbeeld door kinderen te allen tijde, ook als zij van de ene naar de andere gevangenis worden overgebracht, gescheiden te houden van volwassenen en kinderen in staat te stellen contact met hun familieleden te onderhouden, tenzij de rechter anders heeft beslist; betreurt dat in sommige lidstaten minderjarige delinquenten samen met volwassenen gevangen worden gehouden, waardoor deze kinderen gevaar lopen te worden misbruikt of het slachtoffer te worden van geweld en niet de zorg krijgen die zo’n kwetsbare groep nodig heeft; herinnert eraan dat in Richtlijn (EU) 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen is bepaald dat alternatieve maatregelen de voorkeur verdienen; roept de lidstaten op speciale voorzieningen voor adolescenten in het leven te roepen;

31.  merkt op dat gedetineerde kinderen zorg, bescherming en alle noodzakelijke individuele bijstand – op sociaal, onderwijs-, beroeps-, psychologisch, medisch en fysiek gebied – moeten krijgen die zij gezien hun leeftijd, geslacht en persoonlijkheid nodig hebben; spoort de lidstaten aan kinderen met zeer ernstige problemen niet in gevangenissen te plaatsen maar onder te brengen in gesloten onderwijsinstellingen met voorzieningen op het gebied van kinderpsychiatrie; roept de lidstaten op gedetineerde kinderen specifieke zorg en bijzondere bescherming te bieden;

32.  verzoekt de lidstaten passende onderwijsfaciliteiten te bieden voor jongeren in de gevangenis; merkt op dat gedetineerde kinderen toegang moeten hebben tot programma's die hen voorbereiden op hun terugkeer in de maatschappij, waarbij volledige aandacht moet worden besteed aan hun emotionele en fysieke behoeften, de verhoudingen binnen hun familie, huisvesting, mogelijkheden wat betreft onderwijs en werk en hun sociaaleconomische positie;

33.  spoort de Commissie aan specifieke werkgroepen in te stellen, bestaande uit vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en nationale autoriteiten van de lidstaten en van ngo's die actief zijn op dit gebied, om de uitwisseling van goede praktijken te faciliteren;

34.  benadrukt dat gedetineerde kinderen regelmatig en zinvol contact met hun ouders, familie en vrienden moeten hebben in de vorm van bezoeken en correspondentie, behalve in gevallen waarin beperkingen noodzakelijk zijn in het belang van een goede rechtsbedeling en van het kind; herinnert eraan dat beperkingen op dit recht nooit als straf mogen worden ingezet;

35.  verzoekt de Commissie beleid te bevorderen om discriminatie van kinderen van gedetineerde ouders te voorkomen, om sociale integratie te versterken en een inclusieve en eerlijke samenleving op te bouwen;

36.  erkent het recht van kinderen om rechtstreeks contact te onderhouden met hun gedetineerde ouder en wijst tevens op het recht van gedetineerden om hun kinderen op te voeden; stelt met dit doel voor ogen dat gevangenissen moeten worden uitgerust met ruimten die geschikt zijn voor kinderen en waar op kinderen wordt gepast door gekwalificeerd gevangenispersoneel, sociaal werkers en vrijwilligers van ngo's, die de kinderen en hun familieleden kunnen bijstaan tijdens de bezoeken aan de gevangenis;

37.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om een memorandum van overeenstemming op EU-niveau op te stellen om ervoor te zorgen dat de band van kinderen met hun gedetineerde ouders behouden blijft en dat ouders aanwezig kunnen zijn tijdens belangrijke momenten in de opvoeding van hun kinderen, waardoor de belangen van minderjarigen worden gewaarborgd;

38.  benadrukt dat het voor personen die gevangen zitten in een andere lidstaat dan hun woonlidstaat, moeilijker is om contact te onderhouden met hun familieleden;

39.  vraagt de lidstaten uitvoering te geven aan de aanbevelingen voor behandeling van buitenlandse gevangenen, die gebaseerd zijn op het recht niet te worden gediscrimineerd, en met name het optreden van culturele bemiddelaars te bevorderen;

40.  dringt er bij de lidstaten op aan eenzame opsluiting uitsluitend toe te passen als laatste middel en alleen als de gevangene een gevaar vormt voor andere gevangenen of voor zichzelf, en er alles aan te doen om misbruik van dit middel voorkomen; dringt er bij de lidstaten op aan het middel van eenzame opsluiting niet meer toe te passen op minderjarigen;

41.  verzoekt de lidstaten om de handel in illegale stoffen en drugs in gevangenissen doeltreffender te bestrijden;

42.  herinnert aan het universele recht op gezondheid en verzoekt de lidstaten om in gevangenissen de toegang tot goede gezondheidszorg en passende medische voorzieningen te waarborgen en ervoor te zorgen dat gevangenen indien nodig toegang hebben tot gezondheidszorg en dat elke gevangenis beschikt over voldoende medisch personeel; is bezorgd over het feit dat het in een aantal lidstaten voor gedetineerden moeilijk is om toegang te krijgen tot een arts of tot psychologische ondersteuning;

43.  dringt er bij de lidstaten op aan dat zij garanderen dat gedetineerden met ernstige of chronische aandoeningen, zoals kanker, de specifieke behandeling krijgen die zij nodig hebben;

44.  verzoekt de lidstaten die dat nog niet doen te overwegen de straffen van ernstig zieke gevangenen om humanitaire redenen te verminderen, mits de rechter daarvoor toestemming geeft en rekening houdend met het risico dat de gevangenen vormen en met het advies van een deskundigencomité;

45.  vraagt de lidstaten op te treden tegen de toenemende radicalisering in gevangenissen maar daarbij de godsdienstvrijheid te eerbiedigen en discriminatie op grond van een specifiek geloof te voorkomen; benadrukt dat in alle specifieke programma's die zich richten op een bepaalde groep, bijvoorbeeld op gedetineerden die geacht worden "geradicaliseerd" te zijn, de mensenrechten en internationale verplichtingen op dezelfde wijze in acht moeten worden genomen als bij andere gedetineerden; pleit ervoor dat directies van gevangenissen de bevoegde autoriteiten informeren over radicalisering van personen;

46.  benadrukt dat onmenselijke detentieomstandigheden, slechte behandeling van gevangenen en overbevolking in gevangenissen factoren zijn die het risico van radicalisering doen toenemen;

47.  is van oordeel dat radicalisering op doeltreffende wijze kan worden voorkomen door onder meer snellere herkenning van de eerste signalen van radicalisering (bijvoorbeeld door het personeel daarop te trainen en de penitentiaire inlichtingendiensten te verbeteren), verbetering van de mechanismen voor de omgang met personen met extremistisch gedrag, de ontwikkeling van scholingsmaatregelen en de bevordering van een dialoog en communicatie tussen personen met verschillende geloven; is van mening dat betere begeleiding, betere psychologische zorg en uitwisselingen met gederadicaliseerde personen essentieel zijn in de strijd tegen radicalisering; herinnert eraan dat jongeren bijzonder kwetsbaar zijn voor propaganda van terreurorganisaties; spoort de lidstaten aan om deradicaliseringsprogramma's op te zetten;

48.  is van oordeel dat de lidstaten in het kader van hun monitoringactiviteiten de namen van de gevaarlijkste geradicaliseerde gedetineerden moeten doorgeven aan justitie en/of de nationale autoriteiten die belast zijn met terrorismebestrijding;

49.  spoort de lidstaten aan goede praktijken uit te wisselen, teneinde de radicalisering in gevangenissen en in penitentiaire inrichtingen voor minderjarigen te voorkomen en te bestrijden; herinnert eraan dat de EU in het kader van de Europese veiligheidsagenda financiering beschikbaar heeft gesteld voor de ondersteuning van beroepsopleiding voor gevangenispersoneel om radicalisering in gevangenissen tegen te gaan; verzoekt de lidstaten om volledig gebruik te maken van het kenniscentrum van het EU-netwerk voor voorlichting over radicalisering (RAN), en specifiek om deskundigheid te delen via de werkgroep gevangenisstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen van het RAN (RAN P&P);

50.  wijst erop dat het hanteren van gedifferentieerde detentieregels voor gedetineerden die als geradicaliseerd worden beschouwd of die door terroristische organisaties zijn gerecruteerd een mogelijke maatregel kan zijn om radicalisering in gevangenissen tegen te gaan; wijst er evenwel op dat dergelijke maatregelen uitsluitend per geval en op basis van een gerechtelijk besluit moeten worden opgelegd en getoetst moeten worden door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten;

51.  benadrukt dat penitentiair inrichtingswerkers namens de gemeenschap uiterst veeleisend werk verrichten en daarom naar behoren moeten worden beloond en in goede arbeidsomstandigheden moeten kunnen werken en een beroep moeten kunnen doen op gratis psychologische hulp en speciale hulplijnen ter ondersteuning van personeelsleden die problemen hebben die hun werkzaamheden negatief zouden kunnen beïnvloeden;

52.  wijst erop dat erkenning door de samenleving en systematische scholing van gevangenispersoneel essentieel zijn voor goede omstandigheden in gevangenissen; spoort de lidstaten aan informatie uit te wisselen, goede praktijken toe te passen en uit te wisselen en een gedrags- en ethische code voor het gevangenispersoneel vast te stellen; pleit in dit kader voor een algemene vergadering van gevangenisdirecties, waarin ook vertegenwoordigers van het gevangenispersoneel zitting moeten hebben;

53.  wijst op de belangrijke rol van een sociale dialoog met gevangenispersoneel en op het belang van het informeren en raadplegen van het personeel, met name bij het ontwikkelen van nieuwe concepten op het gebied van detentie die bedoeld zijn om detentiestelsels en de omstandigheden in detentie te verbeteren, zoals plannen ter bestrijding van radicalisering;

54.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor een regelmatige dialoog tussen gedetineerden en gevangenispersoneel, omdat een goede werkrelatie tussen personeel en gedetineerden uiterst belangrijk is voor de veiligheid en voor het de-escaleren van potentiële incidenten of het herstel van de orde door middel van dialoog;

55.  verzoekt de lidstaten gevangenisdirecteuren ertoe aan te zetten zich in te zetten voor de instelling van gevangenisraden in alle penitentiaire inrichtingen;

56.  verzoekt de Commissie een Europees forum inzake detentieomstandigheden op te zetten, om de uitwisseling van goede praktijken tussen deskundigen en beroepsbeoefenaars in alle lidstaten te bevorderen;

57.  vraagt de Commissie en de instellingen van de EU binnen hun respectieve bevoegdheidssfeer de nodige maatregelen te nemen om de grondrechten van gedetineerden te waarborgen en beschermen, met name die van kwetsbare personen, kinderen, personen met een geestelijke aandoening, personen met een handicap en vrouwen, en gemeenschappelijke Europese normen en voorschriften voor detentie in de lidstaten in te voeren;

58.  verzoekt de Commissie informatie en statistieken te verzamelen over de detentieomstandigheden in de verschillende lidstaten en mogelijke schendingen van de grondrechten van gedetineerden, en deze informatie en statistieken te analyseren en hierbij het subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten om de leden van het Europees Parlement ongehinderde toegang tot gevangenissen en detentiecentra te verlenen;

59.  verzoekt de lidstaten een Europees handvest voor het gevangeniswezen goed te keuren, conform aanbeveling 1656/2004 van 27 april 2004 van de Raad van Europa;

60.  verzoekt te lidstaten beleid te bevorderen dat gericht is op de herintegratie van gevangenen in de burgermaatschappij, met name beleid dat zich richt op het wegnemen van structurele belemmeringen die de herintegratie van ex-gedetineerden in de samenleving in de weg staan, en maatregelen in te voeren voor het monitoren en aanpassen van straffen; herinnert eraan dat er minder kans op recidive is als gedetineerden de overstap van het leven in de gevangenis naar het leven daarbuiten geleidelijk kunnen maken;

61.  is van mening dat een op herstel en bescherming gerichte benadering van strafrechtelijke systemen ten goede zal komen aan de eerbiediging van de menselijke waardigheid, omdat daarbij de bescherming van de maatschappij en de rehabilitatie van personen voorop staat, en het dus gemakkelijker is om een opvoedend effect te bereiken, de sociale integratie van ex-gevangenen tot een succes te maken en recidive te voorkomen; betreurt dat in de meeste lidstaten in het kader van tuchtprocedures niets wordt gedaan aan de ontwikkeling van bemiddeling of herstelrecht; spoort de lidstaten aan om beleidsmaatregelen en wetgeving die zich richten op herstelrecht en bemiddeling, in het kader waarvan geen straffen worden opgelegd, maar gebruik wordt gemaakt van sociale, economische en culturele instrumenten, tot prioriteit te maken;

62.  benadrukt hoe belangrijk het is gedetineerden toegang te bieden tot onderwijs en beroepskwalificaties; spoort de lidstaten aan om, in overeenstemming met de internationale normen, alle gedetineerden zinvolle activiteiten te bieden zoals opleiding of werk, met als doel de gedetineerden opnieuw te socialiseren en hulpmiddelen aan te reiken voor een misdaadvrij leven na de periode van detentie; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat gedetineerden tijdens de periode van detentie werken, studeren om een diploma te halen of scholing volgen, zodat zij hun tijd nuttig gebruiken en beter voorbereid zijn op herintegratie in de maatschappij; vindt het belangrijk dat minderjarigen toegang hebben tot onderwijs en beroepsopleiding;

63.  spoort de lidstaten aan instrumenten te ontwikkelen ter ondersteuning van de terugkeer van gedetineerden naar het beroepsleven, in kaart te brengen aan welke arbeidskrachten de plaatselijke arbeidsmarkt behoefte heeft, programma's voor scholing en werk op te zetten en te monitoren en daarbij zoveel mogelijk te zoeken naar oplossingen op maat en voortdurend in dialoog te blijven met de werkgeversorganisaties; spoort lidstaten aan om scholingsprogramma's op te zetten, bedoeld om werkgevers en particuliere ondernemingen ertoe te bewegen gevangenen scholing te bieden, met als doel deze gevangenen aan het einde van hun detentie een baan aan te bieden; spoort de lidstaten aan om stimulerende maatregelen te nemen (bijvoorbeeld in de vorm van het bieden van financiële prikkels of fiscale voordelen) om werkgevers ertoe te bewegen gevangenen aan te nemen en om voormalige gevangenen te stimuleren om een eigen bedrijf op te zetten; spoort de lidstaten tevens aan om contactpunten voor ex-gedetineerden op te zetten, die informatie kunnen verstrekken en ondersteuning kunnen bieden bij het zoeken van een baan en die onderwijs op afstand verzorgen, dat verplicht en onder nauw toezicht moet worden gevolgd;

64.  herinnert eraan dat het Europees Sociaal Fonds een financieringsinstrument van de Unie is dat bedoeld is om de kansen op werk voor miljoenen Europeanen, en dan met name de kansen van personen voor wie het moeilijk is om werk te vinden, zoals gevangenen en ex-delinquenten, te verbeteren; is verheugd over de oprichting van projecten ter ondersteuning van gedetineerden bij hun herintegratie in de maatschappij en op de arbeidsmarkt na een periode van detentie;

65.  benadrukt dat het verrichten van werk door een gevangene geen vorm van straf mag zijn en dat misbruik moet worden bestreden; is van mening dat het werk dat gedetineerden aangeboden krijgen naar de huidige arbeidsnormen en -technieken relevant moet zijn en zodanig georganiseerd moet zijn dat het uitgevoerd kan worden in het kader van moderne managementsystemen en productieprocessen; vraagt de lidstaten om werk dat verricht wordt in gevangenissen beter te betalen dan momenteel het geval is; verzoekt de Commissie een vergelijkende studie uit te voeren naar de lonen van gedetineerden in de lidstaten, om te bepalen wat een rechtvaardig en duurzaam beloningsniveau is dat elke gevangene in staat stelt te werken;

66.  spoort de lidstaten aan om goede praktijken met betrekking tot opleidings-, rehabilitatie- en herintegratieprogramma's te delen, met als belangrijkste doel de herintegratie aan het einde van een periode van detentie te verbeteren en recidive en radicalisering te helpen voorkomen;

67.  verzoekt de EU-instellingen om de verbetering van gevangenisstelsels en detentieomstandigheden technisch en financieel te ondersteunen, in het bijzonder in lidstaten die kampen met grote financiële moeilijkheden;

68.  verzoekt de Commissie om elke vijf jaar na de aanneming van deze resolutie een gedetailleerd verslag over de situatie in de gevangenissen in Europa te publiceren, met een uitgebreide analyse van de kwaliteit van het onderwijs en de opleidingen die aan gedetineerden worden aangeboden en een beoordeling van de resultaten (inclusief recidivepercentages) van alternatieve maatregelen voor detentie;

69.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa en het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen.

(1) PB C 32 van 5.2.1996, blz. 102.
(2) PB C 98 van 9.4.1999, blz. 299.
(3) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 12.
(4) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 82.
(5) PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.
(6) PB L 327 van 5.12.2008, blz. 27.
(7) PB L 337 van 16.12.2008, blz. 102.
(8) PB L 294 van 11.11.2009, blz. 20.
(9) PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0410.
(11) www.unodc.org/documents/brussels/News/2016.10_Handbook_on_VEPs.pdf

Juridische mededeling