Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2242(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0296/2017

Ingediende teksten :

A8-0296/2017

Debatten :

PV 23/10/2017 - 21
CRE 23/10/2017 - 21

Stemmingen :

PV 24/10/2017 - 5.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0390

Aangenomen teksten
PDF 333kWORD 66k
Dinsdag 24 oktober 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU-garantieregeling voor jongeren
P8_TA(2017)0390A8-0296/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over de controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU-garantieregelingen voor jongeren (2016/2242(INI))

Het Europees Parlement

–  gezien de artikelen 145, 147, 165 en 166 en artikel 310, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(2), en Verordening (EU) 2015/779 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013, inzake een aanvullend initieel voorfinancieringsbedrag dat wordt uitgekeerd aan door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma's(3),

–  gezien de speciale verslagen van de Europese Rekenkamer nr. 3/2015 getiteld "De EU‑jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet", nr. 17/2015 getiteld "Steun van de Commissie voor jongerenactieteams: heroriëntatie van ESF-middelen verwezenlijkt, maar onvoldoende aandacht voor resultaten", en nr. 5/2017 getiteld "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt?",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief", (COM(2016)0646 en SWD(2016)0324),

–  gezien het Witboek van de Europese Commissie over de toekomst van Europa,

–  gelet op artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0296/2017),

A.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid in een aantal lidstaten nog steeds een ernstig probleem is en dat in 2016 meer dan 4 miljoen jongeren tussen 15 en 24 jaar in de EU werkloos waren; overwegende dat de omstandigheden in de Unie sterk uiteenlopen;

B.  overwegende dat de bestrijding van de werkloosheid onder jongeren een politieke prioriteit is die wordt gedeeld door het Parlement, de Commissie en de lidstaten, en die bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie inzake groei en werkgelegenheid;

C.  overwegende dat een hoog jeugdwerkloosheidscijfer – 18,8 % in de EU in 2016 – schadelijk is voor de samenleving en de betrokkenen, met blijvende negatieve gevolgen voor de inzetbaarheid, de inkomensstabiliteit en de loopbaanontwikkeling; overwegende dat de economische crisis de jongeren onevenredig hard heeft getroffen en dat in sommige lidstaten meer dan een kwart van de jongeren werkloos zijn;

D.  overwegende dat er veel actieve werkgelegenheidsmaatregelen zijn getroffen om de hoge jeugdwerkloosheid aan te pakken, met wisselend resultaat;

E.  overwegende dat een andere groep jongeren, waarvan de omvang en samenstelling van lidstaat tot lidstaat sterk uiteenlopen, noch aan de arbeidsmarkt deelneemt noch onderwijs of een opleiding volgt (NEET's) en dat deze groep in twee subcategorieën kan worden verdeeld: werkloze NEET's die beschikbaar zijn voor werk en actief werk zoeken en inactieve NEET's, jongeren die niet studeren, geen opleiding volgen en niet actief op zoek zijn naar werk;

F.  overwegende dat in de hele EU gemiddeld slechts 41,9 % van de NEET’s toegang heeft tot de jongerengarantie (YG);

G.  overwegende dat de Commissie sinds de introductie van de Europese werkgelegenheidsstrategie in 1997 een reeks maatregelen heeft ondersteund om de arbeids- en onderwijsmogelijkheden van jongeren te verbeteren(4), en dat de inspanningen van de EU zich sinds de crisis met name richten op de jongerengarantie, die in april 2013 door de Raad werd vastgesteld, en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), dat eind 2013 werd gelanceerd;

H.  overwegende dat de jongerengarantieregeling en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief de meest doeltreffende en zichtbare maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid zijn op het niveau van de Unie;

I.  overwegende dat de YG en het YEI aanzienlijk hebben bijgedragen tot een daling van de werkloosheid onder jongeren in de EU door opleiding en de vraag naar jongeren op de arbeidsmarkt te stimuleren en maatregelen voor het scheppen van banen te ondersteunen; overwegende dat in de EU-28 nog steeds 17,2 % van de jongeren werkloos is, wat onaanvaardbaar hoog is(5);

J.  overwegende dat de jongerengarantie bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat alle jongeren onder de 25 jaar (of van 30 jaar en jonger in bepaalde lidstaten) binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een deugdelijk aanbod krijgen voor een baan, voortgezette scholing, een plaats in het leerlingstelsel of een stage;

K.  overwegende dat externe factoren, zoals de specifieke economische situatie of het productiemodel van de betreffende regio, van invloed zijn op de verwezenlijking van de in het kader van de jongerengarantie gestelde doelen;

L.  overwegende dat het YEI een initiatief is dat bedoeld is ter ondersteuning van NEET's, jongeren die langdurig werkloos zijn en jongeren die niet als werkzoekende staan ingeschreven en die wonen in regio's waar het jeugdwerkloosheidspercentage in 2012 hoger lag dan 25 %;

M.  overwegende dat de totale goedgekeurde begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de programmeringsperiode 2014-2020 6,4 miljard EUR bedraagt, waaronder 3,2 miljard EUR uit een nieuwe specifieke EU-begrotingslijn die aangevuld moet worden met ten minste 3,2 miljard EUR uit de nationale toewijzingen in het kader van het bestaande Europees Sociaal Fonds (ESF); overwegende dat dit bedrag zal worden aangevuld met 1 miljard EUR voor de specifieke begrotingstoewijzing van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de periode 2017-2020, een bedrag dat gepaard zal gaan met 1 miljard EUR uit het ESF om de jeugdwerkgelegenheid in de sterkst getroffen regio's te stimuleren; overwegende dat 500 miljoen EUR van dit aanvullend bedrag in de begroting 2017 moet worden opgenomen via het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017; overwegende dat het uiteindelijke bedrag voor het programma zal worden bepaald in de loop van de volgende jaarlijkse begrotingsprocedures;

N.  overwegende dat de jaarlijkse investering die nodig is voor de uitvoering van de jongerengarantie in Europa wordt geschat op 50,4 miljard EUR(6), wat aanzienlijk minder is dan het jaarlijkse economische verlies ten gevolge van het niet-actief zijn van jongeren op de Europese arbeidsmarkt, dat kan oplopen tot minstens 153 miljard EUR(7);

O.  overwegende dat in 2015 is besloten om het bedrag van de voorfinanciering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met een miljard euro te verhogen, waarmee de voorfinanciering voor lidstaten die daarvoor in aanmerking komen werd verhoogd van 1-1,5 % tot 30 %, een en ander om de uitvoering van maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te bevorderen;

P.  overwegende dat het bedrag dat oorspronkelijk aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief was toegekend, volledig werd benut in de periode 2014-2015, en dat hiervoor in de begroting 2016 geen nieuwe kredieten werden opgenomen; overwegende dat onderbrekingen in de financiering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het welslagen van het programma hebben ondermijnd;

Q.  overwegende dat de huidige financiering, zowel uit de EU-begroting als door de lidstaten, ontoereikend is om de behoeften te dekken;

R.  overwegende dat de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief verschillende maatregelen omvatten, waarbij de jongerengarantie bedoeld is om structurele onderwijshervormingen te stimuleren en een kortetermijnmaatregel is om de jeugdwerkloosheid te bestrijden, terwijl het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een financieringsinstrument is; overwegende dat de jongerengarantie wordt gefinancierd uit het ESF, de nationale begrotingen en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het directe aanbod van banen, leerling- en stageplaatsen of vervolgonderwijs voor de doelgroep van het initiatief in de in aanmerking komende regio's kan financieren; overwegende dat de jongerengarantie van toepassing is in alle 28 lidstaten, maar dat slechts 20 lidstaten in aanmerking komen voor steun uit het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; overwegende ten slotte dat maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief geen vooraf bepaalde duur hebben, terwijl in het kader van de jongerengarantie binnen vier maanden een aanbieding moet worden gedaan;

S.  overwegende dat het gebruik van de jongerengarantie vanuit kwantitatief oogpunt ongelijk is en aanzienlijk verschilt van lidstaat tot lidstaat;

T.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie tot nu toe nog niet tot uniforme resultaten heeft geleid, en dat het soms moeilijk is om te bepalen en te beoordelen wat het effect ervan precies is geweest;

U.  overwegende dat er aanzienlijke verschillen zijn tussen de regio's van Europa; overwegende dat in sommige gevallen gebieden met een hoge werkloosheid niet in aanmerking zullen komen voor financiering op NUTS-niveau;

V.  overwegende dat de op integratie gerichte diensten die in het kader van de jongerengarantie worden aangeboden vaak slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd, te beperkend zijn wat betreft de in aanmerking komende deelnemers, afhankelijk zijn van de bestaande capaciteit en efficiëntie van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en van de snelheid van de Europese procedures; overwegende dat de lidstaten hun inspanningen om hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening te versterken en te hervormen, moeten voortzetten;

W.  overwegende dat de mogelijke rol van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, met name voor de lidstaten die sinds 2007 het zwaarst zijn getroffen door de economische, financiële en sociale crisis, moet worden benadrukt; overwegende dat de behoefte aan versterking van dit programma en aan de ontwikkeling van verdere aanvullende maatregelen, zowel op nationaal als op EU-niveau, omdat dit de integratie en de cohesie zal stimuleren en tegelijkertijd de gendergelijkheid zal bevorderen en toegang zal bieden tot opleidingsprogramma's met als doel een antwoord te bieden op de nieuwe technologische uitdagingen van de arbeidsmarkt, moet worden benadrukt;

X.  overwegende dat de jongerengarantie, die een investering in jongeren vormt, een voorbeeld is van resultaatgericht begroten;

Y.  overwegende dat in het Witboek over de toekomst van Europa erkend wordt dat de verwachtingen niet in verhouding staan tot de capaciteit van de EU om daaraan te voldoen(8);

Z.  overwegende dat de Unie haar op de doelgroep gerichte sociale beleidsmaatregelen beter aan de man moet brengen en moet promoten om haar maatregelen zichtbaarder te maken voor de bevolking van de EU;

AA.  overwegende dat de audit die door de Europese Rekenkamer werd uitgevoerd voortijdig was, aangezien de periode waarop het onderzoek betrekking had te dicht bij de opstart van de nationale garantiemaatregelen was, en dat de audit beperkt was tot bepaalde lidstaten; overwegende dat het in dit verband nuttiger was geweest een initiële beoordeling van hun uitvoering te verrichten vooraleer de audit uit te voeren;

Algemene opmerkingen

1.  wijst erop dat de jeugdwerkloosheid in de EU in de vier jaar dat de jongerengarantie wordt uitgevoerd (2013-2017) met meer dan 7 % is gedaald, van 23,8 % in april 2013 tot 16,6 % in april 2017, hetgeen betekent dat er 2 miljoen minder jongeren werkloos zijn; merkt op dat er sinds de start van de jongerengarantieregelingen meer dan 14 miljoen jongeren gebruik hebben gemaakt van enige vorm van jongerengarantie; betreurt het dat in veel gevallen een te groot deel van deze daling te danken is aan het feit dat veel jongeren zich genoodzaakt zagen om werk te zoeken buiten de EU en wijst erop dat dit verlies in de komende decennia zeker gevoeld zal worden; betreurt het voorts dat medio 2016 nog steeds 4,2 miljoen jongeren onder de 25 jaar in de EU werkloos waren (18,8 % van deze leeftijdsgroep); dringt er bij de lidstaten op aan de beschikbare EU-steun te gebruiken om dit langdurige probleem aan te pakken; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan strategieën ten uitvoer te leggen waarmee tegemoet wordt gekomen aan de wensen en behoeften van de arbeidsmarkten van de verschillende lidstaten, om kwalitatief hoogwaardig onderwijs en duurzame werkgelegenheid te realiseren;

2.  onderstreept dat de jongerengarantie een belangrijke rol vervult bij de ondersteuning van maatregelen om werkeloze jongeren de vaardigheden, ervaring en kennis te verschaffen die nodig zijn om werk voor de lange termijn te vinden en ondernemers te worden, en dat deze regeling tevens de gelegenheid biedt om discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aan te pakken;

3.  benadrukt de belangrijke rol van onderwijs en loopbaanadvies bij het voorbereiden van jongeren op de arbeidsethiek en vaardigheden die op de arbeidsmarkt nodig zijn; wijst er echter op dat onderwijs niet alleen vaardigheden en competenties moet bieden die relevant zijn voor de behoeften van de arbeidsmarkt, maar ook moet bijdragen tot de persoonlijke ontwikkeling en groei van jongeren, zodat zij zich tot actieve en verantwoordelijke burgers kunnen ontwikkelen; benadrukt derhalve de noodzaak van burgerschapsvorming in het hele onderwijssysteem, met inbegrip van zowel de formele als niet-formele onderwijsmethoden;

4.  constateert dat hoe lager de leeftijd is en hoe lager het opleidingsniveau, des te hoger het werkloosheidspercentage ligt en merkt op dat deze trend door de crisis is versterkt en dat ook jonge niet-gekwalificeerde volwassenen boven de 25 jaar door de crisis zijn getroffen en dat deze groep in een economisch zeer slechte situatie terecht kan komen als er niet in hun opleiding wordt geïnvesteerd;

5.  merkt op dat de toegang van de kwetsbaarste werkloze jongeren tot openbare diensten voor arbeidsvoorziening, ondanks de vooruitgang die er op dit gebied is geboekt, nog altijd ontoereikend is en dat deze groep, samen met pas afgestudeerden, zich het minst inschrijft als werkzoekende;

6.  is ernstig bezorgd over de afstand van NEET's (in de meeste gevallen buiten hun schuld) tot het onderwijssysteem en de arbeidsmarkt; beseft dat deze groep het moeilijkst te bereiken is door middel van de bestaande operationele programma's die de financiële regelingen voor jeugdwerkloosheid uitvoeren en die te vaak niet voorzien in een behoorlijke vergoeding of goede werkomstandigheden; vindt dat in de periode 2017-2020 bijzondere aandacht aan deze groep moet worden besteed, om ervoor te zorgen dat de hoofddoelen van de jongerengarantie worden gehaald;

7.  stelt vast dat door de jongerengarantie ondersteunde maatregelen tevens de structurele uitdagingen moeten aanpakken waarmeeNEET's worden geconfronteerd, om ervoor te zorgen dat deze maatregelen een langetermijneffect hebben; is bezorgd dat de jongerengarantieregelingen nog niet alle jongeren hebben bereikt die de school hebben verlaten of werkloos zijn geworden; moedigt de lidstaten aan gerichte financiële verplichtingen in de nationale begrotingen aan te gaan om deze structurele veranderingen door te voeren; spoort dan ook de regio's die niet in aanmerking komen voor medefinanciering van de EU aan om deel te nemen aan de jongerengarantie;

8.  benadrukt dat voor integratie van NEET's verbetering van de doeltreffendheid van de beschikbare middelen, beschikbaarstelling van meer middelen en een grotere betrokkenheid en inzet van de lidstaten vereist zijn;

9.  dringt aan op diversifiëring van de financieringskanalen op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau, zodat alle jongeren beter kunnen worden bereikt; merkt voorts op dat de plaatselijke en regionale autoriteiten reeds zeer actief zijn en in hun maatregelen ten behoeve van jongeren moeten worden ondersteund door de verschillende beleidslijnen samen te voegen;

10.  beklemtoont dat de jongerengarantie sinds 2012 een positieve bijdrage levert aan het bestrijden van de jeugdwerkloosheid, maar dat de jeugdwerkloosheid nog steeds onaanvaardbaar hoog is; is derhalve ingenomen met de overeenstemming die de medewetgevers hebben bereikt over de verlenging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief tot 2020; merkt evenwel op dat het probleem van de jeugdwerkloosheid zich mogelijk nog niet laat oplossen en daarom ook in aanmerking moet worden genomen in het volgende meerjarig financieel kader, om continuïteit en kosteneffectiviteit te waarborgen;

11.  benadrukt dat het YEI niet alleen bedoeld is om werkgelegenheid voor jongeren te scheppen, maar ook om de lidstaten te steunen bij het ontwikkelen van goede methoden om de behoeften van jongeren in kaart te brengen en het opzetten van ondersteunende structuren om aan die behoeften tegemoet te komen; benadrukt daarom dat bij de evaluatie van de YG en het YEI in de toekomst de doeltreffendheid gemeten moet worden op basis van hetgeen er bereikt is of verbeterd is als het gaat om de structuren van de lidstaten voor de ondersteuning van jongeren;

12.  herinnert eraan dat de jongerengarantie financiële steun van de EU krijgt via het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, bovenop de nationale bijdragen; steunt verder de programmawerkzaamheden die worden uitgevoerd als onderdeel van het gemeenschappelijk strategisch kader van de Unie via intercollegiaal leren, netwerkactiviteiten en technische bijstand;

13.  is ingenomen met het feit dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2014 en 2015 werd voorgefinancierd en dat de initiële voorfinanciering werd verhoogd om te zorgen voor een snelle mobilisatie van middelen;

14.  is verheugd dat op grond van de YEI-maatregelen steun is verleend aan meer dan 1,4 miljoen jongeren en dat de lidstaten in dit kader activiteiten hebben gesteund ter waarde van meer dan 4 miljard EUR;

15.  herinnert eraan dat het succes van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief afhankelijk is van goede economische governance in de lidstaten, omdat het zonder een gunstig klimaat voor bedrijven, stimulansen voor kleine en middelgrote ondernemingen en een wetenschappelijk en onderwijssysteem dat aangepast is aan de vereisten van de economie onmogelijk is om banen te scheppen of een duurzame oplossing te vinden voor het probleem van de hoge werkloosheid onder jongeren;

16.  neemt kennis van het speciaal verslag van de Rekenkamer over de impact van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief op de jeugdwerkloosheid en stelt vast dat de jongerengarantie, drie jaar nadat de Raad de aanbeveling heeft aangenomen, de verwachtingen nog niet heeft ingelost; neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer dat het niet mogelijk is alle NEET's te bereiken met alleen maar middelen uit de EU-begroting; stelt vast dat de huidige situatie niet overeenkomt met de verwachtingen die werden gecreëerd door de invoering van de jongerengarantie, namelijk dat alle NEET's binnen vier maanden een deugdelijk aanbod voor een opleiding of baan krijgen;

17.  herinnert aan de uitdagingen en mogelijkheden die er zijn als het gaat om de integratie van NEET's op de arbeidsmarkt; pleit ervoor dat de Commissie, de lidstaten en de nationale openbare diensten voor arbeidsvoorziening zich meer inspannen om meer inactieve jongeren gebruik te laten maken van de jongerengarantieregelingen en ervoor te zorgen dat ze na beëindiging van de desbetreffende ondersteunende maatregelen actief blijven op de arbeidsmarkt;

18.  merkt op dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is bedoeld ter ondersteuning van NEET's jonger dan 25 jaar die normaal geen steun op het gebied van werkgelegenheid of onderwijs ontvangen; betreurt het dat de vaststelling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gevolgen heeft voor de toewijzing van ESF-vastleggingen voor andere programma's en benadrukt dat de middelen van de specifieke toewijzing voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten minste met hetzelfde bedrag aan ESF-middelen aangevuld moeten worden;

19.  vraagt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de beschikbare YEI-/ESF-middelen niet in de plaats komen van de openbare uitgaven van de lidstaten overeenkomstig artikel 95 en overweging 87 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. 1303/2013) en in overeenstemming met het additionaliteitsbeginsel; benadrukt dat programma's zoals de jongerengarantie niet in de plaats mogen komen van de eigen inspanningen van de lidstaten om de jeugdwerkloosheid te bestrijden en te zorgen voor duurzame integratie in de arbeidsmarkt;

20.  wijst op het belang van versterkte samenwerking tussen alle belanghebbenden, ook op regionaal en lokaal niveau, zoals openbare en, indien relevant, particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, onderwijs- en opleidingsinstellingen, werkgevers, jongerenorganisaties en ngo's die met jongeren werken, om de volledige groep NEET's te bereiken; spoort aan tot een sterkere integratie van belanghebbenden bij de opstelling, de uitvoering en de beoordeling van de jongerengarantie, door middel van een aanpak met partnerschappen; dringt aan op versterkte samenwerking tussen onderwijsinstellingen en ondernemers om de mismatch in vaardigheden aan te pakken; herhaalt het idee dat de partnerschapsbenadering bedoeld is om de doelgroep beter te bereiken en kwaliteitsaanbiedingen te verzekeren;

21.  herinnert eraan dat voor een efficiënte jongerengarantie volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) jaarlijks ongeveer 45 miljard EUR nodig is voor de EU-28; is van oordeel dat deze financiering als een investering moet worden beschouwd, gezien de aanzienlijke besparing waar een efficiënt werkende garantie toe zal leiden op het gebied van jongerenwerkgelegenheid;

22.  roept de Commissie op tot het specificeren van de nationale bijdragen aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief die elke lidstaat moet leveren om de jongerengarantie doeltreffend te kunnen uitvoeren, waarbij rekening gehouden wordt met de raming van de IAO;

23.  merkt op dat de uitvoering van het YEI vertraging heeft opgelopen door de late benoeming van de betreffende beheersautoriteiten en acht dit een tekortkoming in de rechtsgrondslag van het YEI, die het streven naar een vlotte tenuitvoerlegging door middel van voorfinanciering heeft ondermijnd;

24.  is van mening dat de diversiteit en de toegankelijkheid van financiering moeten worden bevorderd en dat de nadruk moet worden gelegd op de effectieve besteding van de middelen, terwijl verdere hervormingen van het beleid en de diensten worden doorgevoerd;

25.  benadrukt dat de maatregelen, om de doeltreffendheid ervan te vergroten, afgestemd moeten worden op de lokale behoeften, bijvoorbeeld door de betrokkenheid van plaatselijke werkgeversorganisaties, plaatselijke aanbieders van opleidingen en lokale overheden te vergroten; dringt aan op diversificatie van de financieringskanalen met betrokkenheid van het plaatselijk, regionaal en nationaal niveau, zodat alle NEET's beter kunnen worden bereikt;

26.  wijst erop dat in het kader van het huidige MFK het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierd moet worden met nieuwe kredieten, en niet door middel van herschikkingen van bestaande begrotingskredieten; verwacht een ambitieuze politieke verbintenis voor het volgende MFK;

27.  is van oordeel dat voor een goede werking van de jongerengarantie lokale openbare diensten voor arbeidsvoorziening ook doeltreffend moeten functioneren;

28.  roept nadrukkelijk op tot de ontwikkeling van specifieke expertise en capaciteit in de openbare diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten om mensen te ondersteunen die binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten, geen baan kunnen vinden; pleit voor meer betrokkenheid van ondernemingen en bedrijfsorganisaties bij de tenuitvoerlegging van het programma;

29.  betreurt het dat de meerderheid van de NEET's in de EU nog geen toegang heeft tot een jongerengarantieregeling, onder meer omdat deze personen zich niet hebben ingeschreven bij openbare diensten voor arbeidsvoorziening; vraagt de Raad te overwegen om een leeruitwisseling binnen het huidige netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening voort te zetten teneinde strategieën te ontwikkelen op basis van de beste praktijken om NEET's te bereiken en te ondersteunen;

30.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer, om de dekking en doeltreffendheid van de jongerengarantiemaatregelen te vergroten;

31.  onderstreept dat de ontwikkeling van éénloketsystemen moeten worden gesteund om de positieve weerslag van de jongerengarantie te bevorderen door ervoor te zorgen dat jongeren alle diensten en begeleiding op één plek kunnen vinden;

32.  wijst erop dat een gebrek aan zichtbaarheid van de regeling het moeilijk kan maken om alle jongeren te bereiken; beveelt aan de mogelijkheden te vergroten om plaatselijke campagnes te financieren die worden georganiseerd met alle plaatselijke partners, waaronder jongerenorganisaties, en de ontwikkeling van platforms te steunen waarop jongeren zich in het kader van de regeling kunnen aanmelden; beveelt aan dat met de jongerengarantie verband houdende informatie voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk is;

33.  beveelt de lidstaten aan om ervoor te zorgen dat hetgeen zij aanbieden van goede kwaliteit is, wijst er bijvoorbeeld op dat hun aanbod moet aansluiten op het profiel van de deelnemers en de behoeften van de arbeidsmarkt, om een duurzame en mogelijk langdurige integratie op de arbeidsmarkt mogelijk te maken;

34.  betreurt dat de meeste lidstaten nog geen definitie hebben vastgesteld van "deugdelijk aanbod"; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan, in het kader van het Comité voor de werkgelegenheid (EMCO), via de huidige netwerken overeenstemming te bereiken over de gemeenschappelijke kenmerken van dit concept en daarbij rekening te houden met het Europees kwaliteitskader voor stages en de gezamenlijke verklaring van de Europese sociale partners "Towards a Shared Vision of Apprenticeships" en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over onzekere vormen van arbeid; dringt er bij de lidstaten en de Commissie voorts op aan ervoor te zorgen dat die kenmerken zijn gebaseerd op een aanbod dat aansluit op het kwalificatieniveau en profiel van de deelnemer en de behoeften van de arbeidsmarkt, met mogelijkheden voor werk waarmee de deelnemer in zijn levensonderhoud kan voorzien, met sociale bescherming alsmede vooruitzichten op verdere ontwikkeling, leidend tot duurzame en passende integratie van de deelnemer in de arbeidsmarkt; is ingenomen met de aanbeveling die de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 5/2017 doet om meer aandacht te besteden aan het verbeteren van de kwaliteit van het aanbod;

35.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met EMCO voorstellen te doen voor kwaliteitsnormen voor toekomstige aanbiedingen in het kader van de jongerengarantie; onderstreept dat een kwaliteitskader met kwaliteitsnormen voor dergelijke aanbiedingen moet worden afgebakend;

36.  merkt op dat er om het doel van kwaliteitsaanbiedingen en ononderbroken werkgelegenheid voor alle jongeren van 24 jaar en jonger te verwezenlijken aanzienlijk meer personele, technische en financiële middelen nodig zijn; is ingenomen met het feit dat een aantal lidstaten de maximumleeftijd voor steun in het kader van de jongerengarantie heeft verhoogd naar 30 jaar;

37.  pleit ervoor dat jongeren die onder de jongerengarantie vallen, blijven bijdragen aan en toegang hebben tot de stelsels voor sociale bescherming en arbeidsbescherming in hun lidstaat, waardoor de gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokkenen wordt versterkt, in het bijzonder de jongeren en werkgevers;

38.  onderstreept dat maatregelen in het kader van de jongerengarantie waarschijnlijk meer effect sorteren en kosteneffectiever zijn, wanneer jongeren bij het toetreden tot de arbeidsmarkt worden bijgestaan op een wijze die hun kansen op duurzame arbeid en salarisverhoging biedt;

39.  onderstreept dat de NEET's een heterogene en diverse groep vormen en dat regelingen doeltreffender en kosteneffectiever zijn, wanneer zij zijn afgestemd op afgebakende uitdagingen; benadrukt in dit verband dat allesomvattende strategieën met duidelijke doelstellingen moeten worden opgezet die op alle categorieën NEET's gericht zijn; onderstreept de behoefte aan op maat gesneden oplossingen, door rekening te houden met de plaatselijke en regionale context, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat plaatselijke vertegenwoordigers van werkgevers, plaatselijke aanbieders van opleidingen en plaatselijke autoriteiten hierbij nauwer worden betrokken; verzoekt de lidstaten het individuele parcours voor elke kandidaat uit te stippelen en tegelijk de nationale openbare diensten voor arbeidsvoorziening de flexibiliteit te geven die ze nodig hebben om profielbepalingsmodellen aan te passen;

40.  roept de lidstaten op om gepaste bereikstrategieën op te stellen en om extra inspanningen te leveren voor de identificatie van de NEET-groep, met name inactieve NEET's die buiten de bestaande systemen vallen, met het doel ze te registreren en op peildata (na 6, 12 en 18 maanden) de situatie van jongeren te verifiëren die de jongerengarantieregelingen verlaten, teneinde een duurzame integratie in de arbeidsmarkt te bevorderen; benadrukt dat het noodzakelijk is om oplossingen op maat aan te bieden aan een diverse groep van jongeren, en om niet-geregistreerde jongeren een belangrijke doelgroep te maken; vraagt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de beschikbare ESF-middelen niet in de plaats komen van hun overheidsuitgaven en stelt vast dat voldoende economische groei een noodzakelijke voorwaarde is voor de doeltreffende integratie op de arbeidsmarkt van NEET's;

41.  roept de lidstaten en de Commissie op om eerst de tekortkomingen te beoordelen en marktanalyses uit te voeren alvorens de in het kader van de jongerengarantie beoogde regelingen in te voeren, om zo nutteloze opleidingen en uitbuiting van stagiairs door middel van stages die nergens toe leiden te voorkomen;

42.  verzoekt de Commissie en de Raad om proactieve overgangsinitiatieven te overwegen, zoals beroepsoriëntatie, loopbaanbegeleiding en voorlichting over de arbeidsmarkt, alsook ondersteunende dienstverlening op school en loopbaanadviesdiensten op universiteiten, om de overgang van jongeren naar werk te vereenvoudigen door hun vaardigheden bij te brengen op het gebied van die overgang en loopbaanbeheer;

43.  wijst erop dat het gebrek aan zichtbaarheid van de regeling het moeilijk kan maken om alle jongeren te bereiken; beveelt aan maatregelen te nemen om de mogelijkheid te vergroten plaatselijke campagnes te financieren die worden georganiseerd met alle betrokken plaatselijke partners, met inbegrip van jongerenorganisaties, en om de ontwikkeling van platforms te steunen waarop jongeren zich voor de regeling kunnen inschrijven; beveelt aan dat met de jongerengarantie verband houdende informatie voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk is;

44.  wijst op de aanhoudende uitdaging van discrepanties tussen de op de arbeidsmarkt gevraagde en aangeboden vaardigheden; vraagt de Commissie om in het kader van het Comité voor de werkgelegenheid de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten en relevante belanghebbenden in de lidstaten te bevorderen om deze kwestie aan te pakken;

45.  meent dat problemen met betrekking tot de mismatch in vaardigheden kunnen worden opgelost door de vaardigheden van de werkzoekenden beter te identificeren en door de tekortkomingen van de nationale opleidingssystemen te corrigeren; benadrukt dat een verhoogde mobiliteit van jongeren kan zorgen voor het verbeteren van hun vaardigheden en, samen met de erkenning van kwalificaties, kan helpen om de bestaande geografische mismatch in vaardigheden aan te pakken; spoort de lidstaten aan in dit verband meer gebruik te maken van Eures;

46.  onderstreept dat ICT-vaardigheden een potentieel kunnen bieden voor het creëren van duurzame banen en doet derhalve een beroep op de lidstaten om doeltreffende maatregelen voor het vergroten van digitale/ICT-vaardigheden op te nemen in hun plannen voor de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie;

47.  stelt vast dat voor de verschillende groepen jongeren een meer gediversifieerde en op hen toegesneden benadering bij de verlening van diensten vereist is om te voorkomen dat de "krenten uit de pap" worden gehaald of een discriminerende keuze wordt gemaakt; dringt erop aan dat meer en gerichter werk wordt gemaakt van de voorlichting aan jongeren die meerdere obstakels moeten overwinnen en de jongeren die zich het verst van de arbeidsmarkt bevinden; wijst in dit verband op het belang de jongerengarantie effectief te coördineren met ander beleid, zoals antidiscriminatiebeleid, en de reikwijdte te vergroten van de in de jongerengarantieaanbiedingen voorgestelde interventies;

48.  meent dat in toekomstige operationele programma's van het Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) jeugdwerkloosheid vanaf het begin als een prioriteit moet worden beschouwd;

Uitvoering en controle

49.  merkt op dat de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie wordt gemonitord via het Europees semester, de evaluaties van EMCO en een speciaal kader van indicatoren dat door dit comité is ontwikkeld in samenspraak met de Commissie; verzoekt de Raad om de lidstaten te ondersteunen bij het verbeteren van de gegevensrapportage;

50.  wijst erop dat gebrek aan informatie over de potentiële kosten van de invoering van een regeling in een lidstaat kan leiden tot ontoereikende financiële middelen voor de uitvoering van de regeling en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; doet een beroep op de lidstaten om een overzicht op te stellen van de kosten voor de uitvoering van de jongerengarantie, zoals aanbevolen door de Europese Rekenkamer in speciaal verslag nr. 5/2017;

51.  benadrukt dat de toewijzing van de nodige middelen en de beoordeling van de algemene financiering een belangrijk deel uitmaken van de succesvolle uitvoering van jongerengarantiemaatregelen, rekening houdend met het feit dat die beoordeling kan worden gehinderd door de moeilijkheden om onderscheid te maken tussen de verschillende soorten maatregelen die op het nationale niveau ten behoeve van jongeren worden genomen;

52.  verzoekt de Commissie preciezere informatie te verschaffen over de kosteneffectiviteit van de jongerengarantie en over de wijze waarop de uitvoering van het programma in de lidstaten wordt gecontroleerd, alsmede te zorgen voor uitgebreide jaarlijkse verslaglegging hierover;

53.  benadrukt dat er behoefte is aan doeltreffende mechanismen om de problemen bij de uitvoering van jongerengarantiemaatregelen te bespreken en op te lossen; wijst op de behoefte aan een sterk, maar toch realistisch en haalbaar, politiek en financieel engagement van de lidstaten om de jongerengarantie volledig uit te voeren, onder meer door te zorgen voor mechanismen voor vroegtijdig ingrijpen, kwalitatieve aanbiedingen voor werk, vervolgonderwijs en opleidingen, duidelijke subsidiabiliteitscriteria en het opzetten van partnerschappen met de belanghebbenden; benadrukt dat dit moet gebeuren door te zorgen voor een doeltreffend bereik, de administratieve capaciteit waar nodig te versterken, rekening te houden met de plaatselijke omstandigheden, de versterking van vaardigheden te faciliteren en passende controle- en evaluatiestructuren op te zetten tijdens en na de uitvoering van de eerder genoemde maatregelen;

54.  pleit voor een effectief multilateraal toezicht op de naleving van de aanbeveling van de Raad tot invoering van een jongerengarantie in het kader van het Europees Semester en voor het aanpakken van specifieke landenaanbevelingen waar nodig;

55.  onderstreept nogmaals dat het voornemens is nauwlettend toe te zien op de activiteiten van alle lidstaten teneinde de jongerengarantie te verwezenlijken, en vraagt jongerenorganisaties het Parlement op de hoogte te houden van hun beoordelingen van het optreden van de lidstaten; verlangt dat de lidstaten en de Commissie jonge belanghebbenden betrekken bij het ontwikkelen van beleid; herinnert eraan dat de betrokkenheid van jongerenorganisaties bij de communicatie over en de uitvoering en beoordeling van de jongerengarantie cruciaal is voor het succes ervan;

56.  merkt op dat er bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief sprake is van enige achterstand, met name om procedurele en structurele redenen; maakt zich zorgen over de gebruikmaking in de lidstaten van de voorfinanciering die is toegewezen voor de tenuitvoerlegging van het YEI; dringt er daarom op aan dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten dringend maatregelen treffen om de middelen die beschikbaar zijn voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid volledig en tijdig te benutten; is van mening dat de lidstaten gerichte aanvullende financiële verplichtingen in de nationale begrotingen moeten aangaan om deze structurele veranderingen door te voeren;

57.  verwelkomt de samenwerking van de Commissie met de lidstaten bij het vaststellen en verspreiden van goede praktijken op het gebied van monitoring en verslaglegging op basis van bestaande systemen in de verschillende lidstaten; herinnert de Commissie eraan dat de vergelijkbaarheid van gegevens van wezenlijk belang blijft in dit verband;

58.  beveelt de Commissie aan goede praktijken op het gebied van toezicht en verslaglegging in kaart te blijven brengen en te blijven verspreiden, zodat de resultaten van de lidstaten op consistente en betrouwbare wijze gerapporteerd kunnen worden en op efficiënte wijze beoordeeld kunnen worden, onder meer als het gaat om de kwaliteit; pleit er met name voor dat stelselmatig gegevens van goede kwaliteit worden aangeleverd, op basis waarvan de lidstaten een beter gefundeerd en doeltreffender jeugdbeleid kunnen realiseren, onder meer door jongeren te monitoren die stoppen met de jongerengarantieregeling, om het aantal deelnemers dat uitvalt en niet van het programma profiteert tot een minimum te beperken;

59.  doet een beroep op de Commissie om de wijze te versterken waarop de lidstaten in het kader van de jongerengarantie vastgestelde regelingen uitvoeren, en een transparant, allesomvattend en open datasysteem in te voeren waarmee toezicht wordt gehouden op de kosteneffectiviteit, structurele hervormingen en maatregelen voor individuele personen;

60.  is voorstander van analyses vooraf in elke lidstaat, waarbij concrete doelstellingen, doelen en tijdschema's worden vastgesteld met betrekking tot de te verwachten resultaten van de jongerengarantieregelingen, en stelt voor dubbele financiering te vermijden;

61.  spoort aan tot het delen van beste praktijken via het Comité voor de werkgelegenheid en het programma voor wederzijds leren uit hoofde van de Europese werkgelegenheidsstrategie; wijst in dit verband op het belang van wederzijds leren om de meest kwetsbare groepen te activeren;

62.  is bezorgd dat er maar weinig gegevens beschikbaar zijn over de begunstigden, de effecten en de resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en dat die gegevens vaak onsamenhangend zijn; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om administratief minder belastende en actuelere monitoringsystemen op te zetten voor de resterende financiering in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

63.  pleit ervoor dat bij het YEI-programma de focus wordt gelegd op de resultaten, door concrete indicatoren vast te stellen voor de hervormingen die in de lidstaten zijn doorgevoerd, de kennis en vaardigheden die met behulp van het programma worden verworven en het aantal vaste contracten dat is aangeboden; stelt bovendien voor dat de ervaring van de mentoren in de gekozen beroepsgroep aansluit op de vaardigheden die de respectieve aanvragers nodig hebben;

64.  roept de lidstaten op hun controle- en verslagleggingssystemen efficiënter te maken om de doelstellingen van de jongerengarantie kwantificeerbaarder te maken en de ontwikkeling van een meer empirisch onderbouwd jongerenbeleid te vergemakkelijken, en om in het bijzonder te zorgen voor een verbeterde capaciteit voor de opvolging van de deelnemers die de jongerengarantie verlaten, zodat het aantal onbekende verlaters tot een minimum kan worden beperkt en er gegevens beschikbaar zijn over de actuele situatie van alle deelnemers; vraagt dat de Commissie haar richtsnoeren over het verzamelen van gegevens herziet en dat de lidstaten hun referentiepunten en streefdoelen herzien om het risico te verminderen dat de resultaten te rooskleurig worden voorgesteld;

65.  erkent dat voor een aantal lidstaten de jongerengarantie een stimulans is geworden voor beleidshervormingen en een betere coördinatie op het gebied van werkgelegenheid en onderwijs; wijst op het belang van het stellen van realistische en meetbare streefdoelen bij het bevorderen van beleidsmaatregelen en kaders zoals de jongerengarantie, het vaststellen wat de belangrijkste uitdagingen zijn en wat de passende maatregelen zijn die moeten worden genomen om deze uitdagingen aan te pakken en het beoordelen van deze uitdagingen waarbij terdege rekening wordt gehouden met het verbeteren van de inzetbaarheid; stelt vast dat het in bepaalde omstandigheden moeilijk is geweest vast te stellen of te beoordelen wat de jongerengarantie tot nu toe heeft bijgedragen en dat deugdelijke statistische gegevens de lidstaten moeten helpen om een meer realistisch en efficiënt jeugdbeleid uit te stippelen zonder valse verwachtingen te wekken;

66.  erkent de grote inspanningen die de lidstaten leveren om de jongerengarantie ten uitvoer te leggen; merkt evenwel op dat de meeste hervormingen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd, met name bij het opzetten van partnerschappen met sociale partners en jongeren in samenhang met het ontwerpen, de uitvoering en beoordeling van maatregelen in het kader van de jongerengarantie en bij het ondersteunen van diegenen die op meerdere belemmeringen stuiten; concludeert dat er op de lange termijn aanzienlijke inspanningen en financiële middelen nodig zijn om de doelen van de jongerengarantie te halen;

67.  is van mening dat herhaald gebruik van de jongerengarantie niet mag ingaan tegen het idee van arbeidsmarktactivering en tegen het doel van een overgang naar vast werk; verzoekt de Raad te profiteren van de herziening van het meerjarig financieel kader om de jongerengarantie van passende middelen te voorzien; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat jongeren, ook tot de leeftijd van 30 jaar, deugdelijke werkaanbiedingen krijgen die passen bij hun profiel en kwalificatieniveau, alsook bij de vraag op de arbeidsmarkt, teneinde duurzame werkgelegenheid te creëren en een herhaald gebruik van de jongerengarantie te voorkomen;

68.  is van mening dat in het kader van de beoordeling van de doeltreffendheid van de regeling alle aspecten geëvalueerd moeten worden, waaronder de kosten-batenverhouding; neemt nota van de eerdere ramingen van de IAO en Eurofound en vraagt de Commissie deze ramingen te bevestigen of te actualiseren;

69.  verzoekt om in elke deelnemende lidstaat een beoordeling van de doeltreffendheid van de jongerengarantie uit te voeren om te voorkomen dat jongeren worden uitgebuit door bepaalde ondernemingen die gebruikmaken van valse opleidingsprogramma's om te profiteren van door de staat gefinancierde arbeid; stelt daarom voor toezicht te houden op de arbeidsvooruitzichten van jongeren die begunstigden van het programma zijn geweest, en mechanismen in te stellen waarbij deelnemende werkgevers, openbare zowel als private, een minimumpercentage van stages moeten omzetten in een arbeidscontract als voorwaarde om profijt te kunnen blijven trekken van het programma;

70.  wijst erop dat de Commissie tegen eind 2017 het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moet evalueren, en verwacht dat de noodzakelijke aanpassingen om een succesvolle tenuitvoerlegging te verzekeren snel zullen worden ingevoerd; beklemtoont dat het belangrijk is dat de betrokken partijen, met inbegrip van jongerenorganisaties, de prestaties van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief permanent blijven beoordelen;

71.  wijst op de noodzaak om een systeem van indicatoren en maatregelen op te zetten om de doeltreffendheid van zowel openbare diensten voor arbeidsvoorziening als de jongerengarantie te evalueren en monitoren, omdat er weliswaar van begin af aan in een dergelijk systeem is voorzien, maar er nog altijd veel tekortkomingen zijn;

72.  verlangt dat deelnemers aan het programma naar behoren worden voorgelicht over de procedures die gevolgd kunnen worden als het instrument misbruikt wordt en dat maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat zij, zoals voorzien, de nodige bescherming genieten;

73.  pleit voor een efficiënte en transparante controle, rapportage en monitoring van de manier waarop de toegewezen fondsen op Europees en nationaal niveau worden gebruikt om misbruik en verspilling van middelen te voorkomen;

Door te voeren verbeteringen

74.  benadrukt dat een toezegging op de lange termijn moet worden gewaarborgd via een ambitieuze programmering en stabiele financiering uit zowel de EU-begroting als de nationale begrotingen, teneinde alle jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen in de EU te bereiken;

75.  wijst op het belang van samenwerking tussen alle bestuursniveaus ( de EU, de lidstaten en lokale entiteiten) en de technische bijstand van de Commissie bij het doeltreffend uitvoeren van de jongerengarantie;

76.  onderstreept de noodzaak van het opzetten en ontwikkelen van levenslange loopbaanbegeleiding van hoge kwaliteit met actieve betrokkenheid van familieleden teneinde jongeren te helpen betere keuzes inzake hun onderwijs en loopbaan te maken;

77.  merkt op dat de Commissie in haar mededeling van oktober 2016 concludeert dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief doeltreffender moet worden gemaakt; meent dat dit moet worden gedaan door NEET's duurzaam te laten integreren op de arbeidsmarkt en door doelen vast te stellen die recht doen aan de diverse samenstelling van de NEET's, met specifieke, logische maatregelen voor elke subdoelgroep; merkt op dat aanvullend gebruik van andere programma's van het ESF om de duurzaamheid van de integratie van NEET's te waarborgen de doeltreffendheid kan vergroten;

78.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de verwachtingen in goede banen te leiden door realistische en haalbare doelstellingen en streefcijfers vast te stellen, verschillen te beoordelen, de markt te analyseren alvorens regelingen ten uitvoer te leggen, de procedures voor toezicht en kennisgeving te verbeteren en de kwaliteit van statistische gegevens te verbeteren zodat de resultaten goed kunnen worden gemeten;

79.  roept de Commissie en de lidstaten op ervoor te zorgen dat voldoende financiering beschikbaar is om de geslaagde integratie te verzekeren van alle jonge arbeidskrachten die werkloos zijn of geen toegang hebben tot een gepaste opleiding of gepast onderwijsaanbod; benadrukt dat om duurzame resultaten te verkrijgen, de jongerengarantie moet voortbouwen op de bestaande ervaringen en moet worden voortgezet op lange termijn; benadrukt dat daarvoor een verhoging nodig is van de overheidsmiddelen die beschikbaar zijn voor het actieve arbeidsmarktbeleid op EU- en lidstaatniveau;

80.  verzoekt de lidstaten om de kosten van hun jongerengarantieregelingen adequaat te beoordelen, de verwachtingen bij te stellen aan de hand van realistische en haalbare doelstellingen, aanvullende middelen beschikbaar te stellen uit hun nationale begrotingen en te zorgen voor meer financiering voor hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening om hen in staat te stellen aanvullende taken te verrichten die verband houden met de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

81.  vraagt de lidstaten dat zij zorgen voor het verzamelen van follow-upgegevens om te evalueren of de resultaten duurzaam zijn op de lange termijn vanuit kwalitatief en kwantitatief oogpunt, en dat zij de ontwikkeling van meer empirisch onderbouwd jeugdbeleid bevorderen; dringt aan op meer transparantie en consistentie in het verzamelen van gegevens, onder meer het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens, in alle lidstaten; stelt bezorgd vast dat de duurzaamheid van "positieve exits" uit de jongerengarantie is verslechterd(9);

82.  verzoekt de Commissie een gedetailleerd onderzoek te verrichten naar de effecten van de maatregelen in de lidstaten, zodat de meest efficiënte oplossingen kunnen worden aangewezen, en op basis daarvan aanbevelingen voor de lidstaten op te stellen over hoe zij betere en efficiëntere resultaten kunnen behalen;

o
o   o

83.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

(1) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(3) PB L 126 van 21.5.2015, blz. 1.
(4) Andere maatregelen zijn onder meer het in september 2010 gelanceerde initiatief "Jeugd in beweging", het in december 2011 gelanceerde initiatief "Kansen voor jongeren" en de in januari 2012 gestarte jongerenactieteams;
(5) In maart 2017: http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8002525/3-02052017-AP-EN.pdf/94b69232-83a9-4011-8c85-1d4311215619
(6) Social inclusion of young people (Eurofound 2015).
(7) NEETs – young people not in employment, education or training: Characteristics, costs and policy responses in Europe", (Eurofound 2012).
(8) Witboek over de toekomst van Europa, blz. 13.
(9) Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer, paragraaf 164.

Juridische mededeling