Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 4 april 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Kenmerken van vissersvaartuigen (herschikking) ***I
 Goedkeuring van en markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd ***I
 Palmolie en de ontbossing van regenwouden
 Vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden
 Onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector

Kenmerken van vissersvaartuigen (herschikking) ***I
PDF 245kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (herschikking) (COM(2016)0273 – C8-0187/2016 – 2016/0145(COD))
P8_TA(2017)0096A8-0376/2016

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0273),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0187/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(2),

–  gezien de brief d.d.17 oktober 2016 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie visserij overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 22 november 2012 inzake kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid(3),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0376/2016),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (herschikking)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1130.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 140.
(2) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.
(3) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 167.


Goedkeuring van en markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd ***I
PDF 1074kWORD 135k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 4 april 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (COM(2016)0031 – C8-0015/2016 – 2016/0014(COD))(1)
P8_TA(2017)0097A8-0048/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  De interne markt omvat een gebied zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal moet worden gewaarborgd. De regelgeving voor de interne markt moet transparant, eenvoudig en consistent zijn en zo rechtszekerheid en duidelijkheid bieden ten bate van zowel het bedrijfsleven als de consument.
(1)  De interne markt omvat een gebied zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal moet worden gewaarborgd. De regelgeving voor de interne markt moet transparant, eenvoudig, consistent en doeltreffend zijn en zo rechtszekerheid en duidelijkheid bieden ten bate van zowel het bedrijfsleven als de consument.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  In die beoordeling werd evenwel geconcludeerd dat er behoefte is aan nieuwe bepalingen voor markttoezicht om de typegoedkeuringsvoorschriften aan te vullen, aan verduidelijking van de terugroepings- en vrijwaringsprocedures en van de voorwaarden voor de uitbreiding van goedkeuringen van bestaande voertuigtypen, aan verbetering van de handhaving van het typegoedkeuringskader door harmonisering en verbetering van de door de technische diensten en autoriteiten van de lidstaten gehanteerde procedures voor typegoedkeuring en conformiteit van productie, aan verduidelijking van de taken en verantwoordelijkheden van de marktdeelnemers in de toeleveringsketen en van de autoriteiten en bij de handhaving van het kader betrokken partijen, en aan verbetering van de geschiktheid van alternatieve typegoedkeuringsregelingen (nationale goedkeuringen van kleine series en individuele goedkeuringen van voertuigen) en van de meerfasentypegoedkeuringsprocedure om nichemarkten en kmo's passende flexibiliteit te bieden zonder daarbij echter het gelijke speelveld te verstoren.
(4)  In die beoordeling werd evenwel geconcludeerd dat er behoefte is aan nieuwe bepalingen voor markttoezicht om de typegoedkeuringsvoorschriften aan te vullen, aan verduidelijking van de terugroepings- en vrijwaringsprocedures en van de voorwaarden voor de uitbreiding van goedkeuringen van bestaande voertuigtypen, aan verbetering van de handhaving van het typegoedkeuringskader door harmonisering en verbetering van de door de technische diensten en autoriteiten van de lidstaten gehanteerde procedures voor typegoedkeuring en conformiteit van productie, aan een duidelijke afbakening van de taken en verantwoordelijkheden van de marktdeelnemers in de toeleveringsketen en van de autoriteiten en bij de handhaving van het kader betrokken partijen, zodanig dat die taken en verantwoordelijkheden elkaar niet overlappen, de onafhankelijkheid van deze marktdeelnemers, autoriteiten en partijen wordt gewaarborgd en belangenconflicten worden vermeden, en aan verbetering van de geschiktheid van alternatieve typegoedkeuringsregelingen (nationale goedkeuringen van kleine series en individuele goedkeuringen van voertuigen) en van de meerfasentypegoedkeuringsprocedure om nichemarkten en kmo's passende flexibiliteit te bieden zonder daarbij echter het gelijke speelveld te verstoren.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Bovendien hebben recente problemen met de uitvoering van het typegoedkeuringskader specifieke zwakheden blootgelegd en aangetoond dat een fundamentele herziening nodig is om een solide, transparant, voorspelbaar en duurzaam regelgevingskader te waarborgen dat zorgt voor een hoge mate van veiligheid en bescherming van de gezondheid en het milieu.
(5)  Bovendien hebben recente problemen met de uitvoering van het typegoedkeuringskader specifieke zwakheden blootgelegd en aangetoond dat er een verdere versterking van dit regelgevingskader nodig is om te waarborgen dat het solide, transparant, voorspelbaar en duurzaam is en zorgt voor een hoge mate van veiligheid en bescherming van de gezondheid en het milieu.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Aangezien consumentenbescherming tot de prioriteiten van de Unie behoort, moeten fabrikanten van voertuigen die deelnemen aan het verkeer binnen de Unie worden verplicht deze voertuigen aan tests te onderwerpen voordat ze op de markt worden gebracht, alsook in de loop van hun levensduur. De lidstaten en de Commissie moeten borg staan voor deze dubbele controle, waarbij de ene kan optreden wanneer de andere tekortschiet.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)   De Unie moet alles in het werk stellen ter voorkoming van bedrog door autofabrikanten waarbij tests voor het meten van vervuilende emissies en brandstofverbruik worden gemanipuleerd, met als doel de resultaten ervan te vervalsen of andere regels te omzeilen. Dergelijke manipulaties moeten definitief tot het verleden behoren.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 quater (nieuw)
(5 quater)   Deze verordening heeft tot doel iets te doen aan het trage tempo waarin de terugroeping van voertuigen in Europa verloopt. De bestaande procedure garandeert geen doeltreffende bescherming van de Europese burgers, in tegenstelling tot de Amerikaanse procedure die een snel optreden mogelijk heeft gemaakt. In dit opzicht is het van wezenlijk belang dat de Commissie marktdeelnemers ertoe kan verplichten alle nodige beperkende maatregelen te nemen, met inbegrip van de terugroeping van voertuigen, zodat voertuigen, systemen, onderdelen of andere technische eenheden die niet aan de vereiste voorwaarden voldoen in overeenstemming worden gebracht met deze verordening.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 quinquies (nieuw)
(5 quinquies)   Indien er in voertuigen die aan het verkeer deelnemen onregelmatigheden worden vastgesteld die in strijd zijn met de oorspronkelijke vergunningsregels en/of die een gevaar vormen voor de veiligheid van de consument of de grenswaarden inzake verontreiniging overschrijden, is het in het belang van de Europese consument om te kunnen rekenen op snelle, passende en gecoördineerde correctiemaatregelen, waaronder in voorkomend geval de terugroeping van voertuigen in de hele Unie. De lidstaten moeten alle inlichtingen waarover zij beschikken aan de Commissie verstrekken, zodat deze passende, snelle maatregelen kan nemen om de integriteit van de interne markt te beschermen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  In deze verordening worden geharmoniseerde regels en beginselen vastgesteld voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, en voor individuele goedkeuring van voertuigen, teneinde een goede werking van de interne markt te waarborgen ten bate van bedrijven en consumenten, en een hoge mate van veiligheid en bescherming van de gezondheid en het milieu te verschaffen.
(6)  In deze verordening worden geharmoniseerde regels en beginselen vastgesteld voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, en voor individuele goedkeuring van voertuigen, teneinde de consistente toepassing van hoogwaardige normen voor controle op conformiteit van de productie te waarborgen, met het oog op een goede werking van de interne markt ten bate van bedrijven en met volledige inachtneming van de rechten van consumenten, terwijl tevens wordt gezorgd voor een hoge mate van veiligheid en bescherming van de gezondheid en het milieu.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  In deze verordening worden de inhoudelijke technische en administratieve voorschriften vastgesteld voor typegoedkeuring van motorvoertuigen van de categorieën M en N en aanhangwagens daarvan (categorie O) en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, teneinde een afdoende veiligheidsniveau en de milieuprestaties te waarborgen. In die categorieën vallen respectievelijk motorvoertuigen voor het vervoer van passagiers, motorvoertuigen voor het vervoer van goederen en aanhangwagens daarvan.
(7)  In deze verordening worden de inhoudelijke technische en administratieve voorschriften vastgesteld voor typegoedkeuring van motorvoertuigen van de categorieën M en N en aanhangwagens daarvan (categorie O) en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, teneinde een hoog niveau inzake veiligheid en milieuprestaties te waarborgen. In die categorieën vallen respectievelijk motorvoertuigen voor het vervoer van passagiers, motorvoertuigen voor het vervoer van goederen en aanhangwagens daarvan.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)   Deze verordening moet zorgen voor betrouwbare, geharmoniseerde en transparante procedures voor typegoedkeuring en markttoezicht in de lidstaten.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)   Deze verordening moet ervoor zorgen dat de nationale typegoedkeuringsinstanties de voorschriften ervan interpreteren, toepassen en handhaven in de hele Unie. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden van de nationale autoriteiten door middel van regelmatige controles, hertoetsing van aselecte steekproeven van de verleende typegoedkeuringen en algemeen toezicht op de geharmoniseerde toepassing van deze verordening.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Met het oog op naleving van deze verordening moeten de bepalingen van Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad1 bis in acht worden genomen.
__________________
1 bis Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 51).
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Een doeltreffende uitvoering van de typegoedkeuringsvoorschriften moet worden gegarandeerd door het versterken van de bepalingen inzake conformiteit van de productie, onder andere door te voorzien in verplichte periodieke controles van de methoden voor controle van de conformiteit van de productie en de voortdurende conformiteit van de desbetreffende producten, en van de voorschriften met betrekking tot bekwaamheden, verplichtingen en prestaties van de technische diensten die onder de verantwoordelijkheid van de typegoedkeuringsinstanties tests voor typegoedkeuring van gehele voertuigen uitvoeren. Een juist functioneren van de technische diensten is cruciaal om een hoge mate van veiligheid en milieubescherming en het vertrouwen van de burger in het systeem te waarborgen. De in Richtlijn 2007/46/EG opgenomen criteria voor de aanwijzing van technische diensten moeten gedetailleerder worden vastgesteld om een consistente toepassing ervan te garanderen. De beoordelingsmethoden van technische diensten in de lidstaten lopen steeds verder uiteen door de toenemende complexiteit van hun werkzaamheden. Het is derhalve noodzakelijk om procedurele verplichtingen vast te stellen die zorgen voor uitwisseling van informatie en controle van de praktijken van de lidstaten voor de beoordeling, aanwijzing en aanmelding van en het toezicht op hun technische diensten. Hierdoor moet de discrepanties tussen de gebruikte methoden en de interpretatie van de criteria voor de aanwijzing van de technische diensten worden verholpen.
(9)  Een doeltreffende uitvoering van de typegoedkeuringsvoorschriften moet worden gegarandeerd door het versterken van de bepalingen inzake conformiteit van de productie door te zorgen voor een betere toegang tot informatie, door in een stevig kader te voorzien voor optimaliseringstechnieken bij laboratoriumproeven, door bijzondere aandacht te besteden aan het risico van illegale manipulatie-instrumenten waarvan het gebruik verboden is bij Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad1 bis, door te voorzien in verplichte periodieke controles van de methoden voor controle van de conformiteit van de productie en de voortdurende conformiteit van de desbetreffende producten, en door een versterking en harmonisering van de voorschriften met betrekking tot bekwaamheden, verplichtingen en prestaties van de technische diensten die onder de verantwoordelijkheid van de typegoedkeuringsinstanties tests voor typegoedkeuring van gehele voertuigen uitvoeren. Een juist functioneren van de technische diensten is cruciaal om een hoge mate van veiligheid en milieubescherming en het vertrouwen van de burger in het systeem te waarborgen. De in Richtlijn 2007/46/EG opgenomen criteria voor de aanwijzing van technische diensten moeten gedetailleerder worden vastgesteld om te garanderen dat ze op consistente wijze worden toegepast in alle lidstaten. De methoden voor het beoordelen van technische diensten in de lidstaten lopen steeds verder uiteen door de toenemende complexiteit van hun werkzaamheden. Het is derhalve noodzakelijk om procedurele verplichtingen vast te stellen die zorgen voor uitwisseling van informatie en controle van de praktijken van de lidstaten voor de beoordeling, aanwijzing en aanmelding van en het toezicht op hun technische diensten. Hierdoor moeten de discrepanties tussen de gebruikte methoden en de interpretatie van de criteria voor de aanwijzing van de technische diensten worden verholpen. Om in de hele Unie voldoende toezicht en gelijke voorwaarden te waarborgen, moet de beoordeling van een aanvragende technische dienst onder meer bestaan uit een beoordeling ter plekke en een observatie uit eerste hand van de daadwerkelijk uitgevoerde typegoedkeuringstests.
___________________
1 bis Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1).
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Er is steeds meer behoefte aan controle van en toezicht op de technische diensten door de aanwijzende autoriteiten nu er als gevolg van de technische vooruitgang een groter risico bestaat dat de technische diensten niet over de nodige bekwaamheid beschikken voor het testen van nieuwe technologieën of hulpmiddelen die binnen het taakgebied vallen waarvoor zij zijn aangewezen. Aangezien de productcycli door de technische vooruitgang steeds korter worden en de frequentie van controlebeoordelingen ter plekke en van monitoring per aanwijzende autoriteit verschilt, moeten minimumvoorschriften met betrekking tot de frequentie van controlebeoordelingen en monitoring van de technische diensten worden vastgesteld.
(10)  Er is steeds meer behoefte aan certificering en controle van en toezicht op de technische diensten nu er als gevolg van de technische vooruitgang een groter risico bestaat dat de technische diensten niet over de nodige bekwaamheid beschikken voor het testen van nieuwe technologieën of hulpmiddelen die binnen het taakgebied vallen waarvoor zij zijn aangewezen. Als gevolg van de uiteenlopende interpretaties van de huidige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2007/46/EG en de toepassing van de bijbehorende bepalingen tijdens de typegoedkeuringsprocedure bestaan er aanzienlijke verschillen tussen technische diensten. Certificering, controle en toezicht moeten derhalve worden geharmoniseerd en opgevoerd om binnen de Europese interne markt gelijke voorwaarden te waarborgen. Aangezien de productcycli door de technische vooruitgang steeds korter worden en de frequentie van controlebeoordelingen ter plekke en van monitoring per aanwijzende autoriteit verschilt, moeten minimumvoorschriften met betrekking tot de frequentie van controlebeoordelingen en monitoring van de technische diensten worden vastgesteld.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Teneinde de transparantie en het wederzijds vertrouwen te vergroten en de criteria voor beoordeling, aanwijzing en aanmelding van de technische diensten en uitbreidings- en hernieuwingsprocedures verder te ontwikkelen en met elkaar te doen overeenstemmen, moeten de lidstaten met elkaar en met de Commissie samenwerken. Zij moeten onderling en met de Commissie overleg plegen over vraagstukken die van algemeen belang zijn voor de uitvoering van deze verordening, en moeten elkaar en de Commissie van hun standaardbeoordelingschecklist in kennis stellen.
(12)  Teneinde de transparantie en het wederzijds vertrouwen te vergroten en de criteria voor beoordeling, aanwijzing en aanmelding van de technische diensten en uitbreidings- en hernieuwingsprocedures verder te ontwikkelen en met elkaar te doen overeenstemmen, moeten de lidstaten mechanismen tot stand brengen om met elkaar en met de Commissie samen te werken. Zij moeten onderling en met de Commissie overleg plegen over vraagstukken die van algemeen belang zijn voor de uitvoering van deze verordening, en moeten elkaar en de Commissie van hun standaardbeoordelingschecklist in kennis stellen. Bij deze verordening wordt een online gegevensbank ingesteld, die in combinatie met het bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad1bis ingestelde Informatiesysteem interne markt (IMI) een nuttig elektronisch middel kan zijn om de administratieve samenwerking te vereenvoudigen en te verbeteren, doordat de uitwisseling van informatie volgens eenvoudige en geharmoniseerde procedures zou verlopen. Om die reden moet de Commissie overwegen om gebruik te maken van bestaande online gegevensbanken zoals ETAES of Eucaris.
__________________
1 bis Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie ("de IMI-verordening") (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1).
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)   Huidige problemen op het gebied van typegoedkeuring hebben grote tekortkomingen aan het licht gebracht in bestaande nationale systemen voor markttoezicht en voor controle van typegoedkeuring. Daarom moet de Commissie als onmiddellijk antwoord op de tekortkomingen die aan het licht zijn gebracht, worden gemachtigd passende toezichthoudende taken uit te voeren.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Wanneer de aanwijzing van een technische dienst gebaseerd is op accreditatie in de zin van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad12, moeten accreditatie-instanties en aanwijzende autoriteiten informatie uitwisselen die relevant is voor de beoordeling van de bekwaamheid van technische diensten.
(13)  Wanneer de aanwijzing van een technische dienst gebaseerd is op accreditatie in de zin van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad12, moeten accreditatie-instanties en aanwijzende autoriteiten waarborgen dat technische diensten bekwaam en onafhankelijk zijn.
__________________
__________________
12 Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
12 Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)   De lidstaten moeten vergoedingen heffen voor de aanwijzing en monitoring van technische diensten, ter waarborging van de duurzaamheid van de monitoring van die technische diensten door de lidstaten en om een gelijk speelveld voor technische diensten te creëren. Teneinde transparantie te waarborgen, moeten de lidstaten de Commissie en de andere lidstaten hiervan in kennis stellen voordat zij de hoogte en de structuur van de vergoedingen vaststellen.
Schrappen
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat vergoedingen voor de kosten van typegoedkeuringen en markttoezichtactiviteiten niet rechtstreeks door de marktdeelnemer aan de technische dienst worden uitbetaald. Deze bepaling mag geen beperking vormen van de mogelijkheid voor marktdeelnemers om voor die activiteiten een beroep te kunnen doen op de technische dienst van hun voorkeur.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)   De onafhankelijkheid van technische diensten ten opzichte van fabrikanten moet worden gewaarborgd, onder meer door te vermijden dat zij direct of indirect door de fabrikanten worden betaald voor de keuringen en tests die zij in het kader van typegoedkeuring hebben uitgevoerd. De lidstaten moeten derhalve een typegoedkeuringsheffingsstructuur vaststellen voor de kosten die voortvloeien uit het verrichten van typegoedkeuringstests en -keuringen door de door de typegoedkeuringsinstantie aangewezen technische diensten, de administratieve kosten voor het verlenen van typegoedkeuring en de kosten voor het verrichten van nalevingscontroletests en -keuringen achteraf.
Schrappen
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)   Om marktwerking mogelijk te maken, moeten technische diensten de regelgeving inzake typegoedkeuringsprocedures zo transparant en uniform mogelijk toepassen, zonder marktdeelnemers nodeloos te belasten. Om een hoog niveau van technische deskundigheid en een eerlijke behandeling van alle marktdeelnemers te waarborgen, dient er te worden gezorgd voor een uniforme technische toepassing van de regels voor de typegoedkeuringsprocedures. Binnen het kader van het bij deze verordening ingestelde forum moeten de typegoedkeuringsinstanties informatie uitwisselen met betrekking tot het functioneren van de verschillende technische diensten die zij hebben gecertificeerd.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Een solide mechanisme voor de handhaving van naleving is noodzakelijk om te waarborgen dat aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan. Het waarborgen van de naleving van de voorschriften inzake typegoedkeuring en conformiteit van de productie in de wetgeving betreffende de automobielsector moet de hoofdverantwoordelijkheid van de goedkeuringsinstanties blijven, aangezien deze verplichting nauw verbonden is aan het verlenen van typegoedkeuringen en een gedetailleerde kennis van de inhoud ervan vereist. Het is daarom van belang dat de prestaties van de goedkeuringsinstanties regelmatig door middel van intercollegiale toetsing worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat bij het handhaven van de typegoedkeuringsvoorschriften door alle goedkeuringsinstanties een uniform kwaliteits- en striktheidsniveau wordt toegepast. Daarnaast is het belangrijk dat de juistheid van de typegoedkeuring zelf wordt gecontroleerd.
(18)  Een solide mechanisme voor de handhaving van naleving is noodzakelijk om te waarborgen dat aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan. Het waarborgen van de naleving van de voorschriften inzake typegoedkeuring en conformiteit van de productie in de wetgeving betreffende de automobielsector moet de hoofdverantwoordelijkheid van de goedkeuringsinstanties blijven, aangezien deze verplichting nauw verbonden is aan het verlenen van typegoedkeuringen en een gedetailleerde kennis van de inhoud ervan vereist. Het is daarom van belang dat de prestaties van de goedkeuringsinstanties regelmatig worden onderworpen aan toezichthoudende controles op Unieniveau, met inbegrip van onafhankelijke audits, om ervoor te zorgen dat bij het handhaven van de typegoedkeuringsvoorschriften door alle goedkeuringsinstanties een uniform kwaliteits- en striktheidsniveau wordt toegepast. Daarnaast is het belangrijk dat de juistheid van de typegoedkeuring zelf op Unieniveau wordt gecontroleerd door een onafhankelijke derde partij.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)   Om potentiële belangenconflicten te voorkomen, mag er geen band zijn tussen typegoedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten bij het uitvoeren van hun taken. In dit opzicht moeten deze instanties in overeenstemming met de structuur van de nationale administratie worden georganiseerd als afzonderlijke entiteiten en mogen beide instanties geen personeelsleden of voorzieningen delen, in overeenstemming met de structuren en bevoegdheden van nationale autoriteiten.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)   Het handhavingsforum moet zorgen voor een platform voor de uitwisseling van informatie en onafhankelijke analyses ter ondersteuning van verbeteringen aan de werking en tenuitvoerlegging van deze verordening. In de loop van deze uitwisseling kan de Commissie mogelijk redenen hebben om te oordelen dat een of meer typegoedkeuringsinstanties de voorschriften van deze verordening niet naleven. In dat geval moet de Commissie alle nodige maatregelen kunnen treffen om naleving te verzekeren, onder meer via het verstrekken van richtsnoeren, aanbevelingen of andere instrumenten en het gebruik van andere procedures, met inachtneming van evenredigheid. In het geval van een ernstige inbreuk moet de Commissie kunnen eisen dat de bevoegdheid van de instantie om aanvragen voor nieuwe typegoedkeuringen te aanvaarden wordt ingetrokken of geschorst, teneinde een hoog niveau van consumenten- en milieubescherming te kunnen waarborgen.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  In deze verordening moeten bepalingen inzake markttoezicht worden opgenomen om de rechten en plichten van de nationale bevoegde autoriteiten te versterken, een doeltreffende coördinatie van hun activiteiten in verband met markttoezicht te waarborgen de geldende procedures te verduidelijken.
(21)  Het is van cruciaal belang dat in deze verordening bepalingen inzake markttoezicht worden opgenomen om de rechten en plichten van de nationale bevoegde autoriteiten te versterken, een doeltreffende coördinatie van hun activiteiten in verband met markttoezicht te waarborgen en de geldende procedures te verduidelijken.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)   De markttoezichtautoriteiten en typegoedkeuringsinstanties moeten de taken waarin deze verordening voorziet naar behoren kunnen uitvoeren. De lidstaten moeten deze instanties daarom met name voorzien van alle nodige middelen hiertoe.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Teneinde de transparantie in het goedkeuringsproces te vergroten en de uitwisseling van informatie en de onafhankelijke controle door markttoezichtautoriteiten, goedkeuringsinstanties en de Commissie te vergemakkelijken, moeten de typegoedkeuringsdocumenten in elektronische vorm worden verstrekt en openbaar beschikbaar worden gemaakt, behoudens de ontheffingen ten behoeve van de bescherming van commerciële belangen en van persoonsgegevens.
(22)  Teneinde de transparantie in het goedkeuringsproces te vergroten en de uitwisseling van informatie en de onafhankelijke controle door markttoezichtautoriteiten, goedkeuringsinstanties, de Commissie en derde partijen te vergemakkelijken, is de openbaarmaking van informatie met betrekking tot voertuigen en tests noodzakelijk om dergelijke controles te kunnen uitvoeren. Relevante informatie voor reparatie- en onderhoudsdoeleinden moet in elektronische vorm worden verstrekt en openbaar beschikbaar worden gemaakt, behoudens de ontheffingen ten behoeve van de bescherming van commerciële belangen en van persoonsgegevens. De voor deze doeleinden bekend te maken informatie mag niet van dien aard zijn dat de vertrouwelijkheid van gepatenteerde informatie en intellectuele eigendom in het gedrang komt.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)   Derde partijen die eigen tests uitvoeren en controleren of voertuigen voldoen aan de voorschriften van deze verordening moeten beantwoorden aan de beginselen van transparantie en openheid, onder meer met betrekking tot eigendom en financieringsstructuren en -modellen. Deze derde partijen moeten ook voldoen aan dezelfde voorschriften als diegene waartoe aangewezen technische diensten verplicht zijn met betrekking tot de wetenschappelijke en methodologische normen die worden gehanteerd in het verloop van de door hen uitgevoerde tests.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  De meer specifieke verplichtingen voor nationale autoriteiten waarin deze verordening voorziet, moeten nalevingscontroles en inspecties achteraf omvatten van een toereikend aantal voertuigen die in de handel zijn gebracht. Voor deze nalevingscontrole achteraf moeten voertuigen worden geselecteerd op basis van een passende risicobeoordeling die rekening houdt met de ernst van het mogelijke geval van niet-naleving en de waarschijnlijkheid ervan.
(24)  De meer specifieke verplichtingen voor nationale autoriteiten waarin deze verordening voorziet, moeten nalevingscontroles en inspecties achteraf omvatten van een toereikend aantal voertuigen die in de handel zijn gebracht. Voor deze nalevingscontrole achteraf moeten voertuigen worden geselecteerd op basis van een passende risicobeoordeling die rekening houdt met de ernst van het mogelijke geval van niet-naleving en de waarschijnlijkheid ervan. Voorts moeten er duidelijke en gedetailleerde criteria worden gehanteerd en moet de controle onder meer steekproefsgewijze percentagecontroles omvatten voor alle huidige voertuigmodellen, voor voertuigen waarin een nieuwe motor is ingebouwd of nieuwe technologie is geïnstalleerd, voor voertuigen met een hoog of zeer laag brandstofverbruik en voor voertuigen met een zeer hoog verkoopvolume. Ook moet rekening worden gehouden met de voorgeschiedenis wat conformiteit betreft, met tips van consumenten, resultaten van tests met behulp van teledetectie en punten van zorg die door onafhankelijke onderzoeksinstituten worden aangekaart.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)   Het is van essentieel belang dat de Commissie kan nagaan of er sprake is van conformiteit met typegoedkeuringen en met de wetgeving die van toepassing is op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, en dat ze kan zorgen voor de regulariteit van typegoedkeuringen door tests en keuringen van reeds op de markt aangeboden voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden te organiseren, te verrichten of verplicht te stellen.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)   Derde partijen die eigen tests uitvoeren en controleren of voertuigen voldoen aan de voorschriften van deze verordening moeten beantwoorden aan de beginselen van transparantie en openheid, onder meer met betrekking tot eigendom en financieringsstructuren en -modellen. Deze derde partijen moeten tevens een benadering hanteren die vergelijkbaar is met die van de aangewezen technische diensten door dezelfde normen na te leven bij het uitvoeren en interpreteren van tests.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 ter (nieuw)
(25 ter)   Bij markttoezicht moet ook een op risico gebaseerde benadering in aanmerking worden genomen die onder meer is gericht op gegevens die zijn verkregen via langs de weg geïnstalleerde systemen voor toezicht op afstand, klachten, verslagen van periodieke technische controles, de verwachte levensduur en voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die eerder al als problematisch zijn aangeduid.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 quater (nieuw)
(25 quater)   Voor het controleren van voertuigemissies moeten markttoezichtautoriteiten onder meer gebruikmaken van teledetectie als hulpmiddel om te kunnen nagaan welke aspecten, zoals een hoge mate van luchtverontreiniging of geluidshinder, van welke voertuigmodellen moeten worden onderworpen aan bijkomend onderzoek. Hierbij dienen de autoriteiten samen te werken met de instanties die verantwoordelijk zijn voor de periodieke technische controles uit hoofde van Richtlijn 2014/45/EU betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen, en moeten zij hun activiteiten met deze instanties coördineren.
Amendement 347
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 quinquies (nieuw)
(25 quinquies)   Om de lidstaten te helpen bij het detecteren van manipulatie-instrumenten heeft de Commissie op 26 januari 2017 een richtsnoer voor de beoordeling van aanvullende emissiestrategieën en de aanwezigheid van manipulatie-instrumenten gepubliceerd. Volgens dat richtsnoer moeten de testactiviteiten van de Commissie, de typegoedkeuringsinstanties en de technische diensten met het oog op het detecteren van manipulatie-instrumenten niet-voorspelbaar van aard blijven en ook variaties omvatten die verder gaan dan de voorgeschreven testomstandigheden en -parameters, teneinde manipulatie-instrumenten effectief te detecteren.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Om een hoog niveau van functionele voertuigveiligheid, de bescherming van de inzittenden van het voertuig en andere weggebruikers en milieubescherming te waarborgen, moeten de technische voorschriften en milieunormen die van toepassing zijn op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, geharmoniseerd blijven worden en aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang worden aangepast.
(26)  Om een hoog niveau van functionele voertuigveiligheid, de bescherming van de inzittenden van het voertuig en andere weggebruikers, milieubescherming en bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, moeten de technische voorschriften en milieunormen die van toepassing zijn op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, geharmoniseerd blijven worden en aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang worden aangepast.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)   Om een hoog niveau van functionele veiligheid van een voertuig, bescherming van de inzittenden van het voertuig en andere weggebruikers en milieubescherming te waarborgen en te verbeteren, moet de invoering van nieuwe technologieën op basis van technische en wetenschappelijke vooruitgang worden vergemakkelijkt. Dit moet worden bewerkstelligd door de hoeveelheid tests en documentatie voor het verlenen van EU-typegoedkeuringen voor dergelijke technologieën binnen de perken te houden.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  De doelstellingen van deze verordening mogen niet in het gedrang komen door het feit dat bepaalde systemen, onderdelen, technische eenheden of voertuigdelen en uitrustingsstukken in een voertuig kunnen worden gemonteerd nadat het voertuig in de handel is gebracht, is geregistreerd of in het verkeer is gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat systemen, onderdelen, technische eenheden of voertuigdelen en uitrustingsstukken die op of in voertuigen kunnen worden gemonteerd en die de werking van voor de milieubescherming of de functionele veiligheid essentiële systemen in aanzienlijke mate nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie worden gecontroleerd voordat zij in de handel worden gebracht, worden geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.
(27)  De doelstellingen van deze verordening mogen niet in het gedrang komen door het feit dat bepaalde systemen, onderdelen, technische eenheden of voertuigdelen en uitrustingsstukken in een voertuig kunnen worden gemonteerd nadat het voertuig in de handel is gebracht, is geregistreerd of in het verkeer is gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat systemen, onderdelen, technische eenheden of voertuigdelen en uitrustingsstukken die op of in voertuigen kunnen worden gemonteerd en die de werking van voor de milieubescherming of de functionele veiligheid essentiële systemen nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie worden gecontroleerd voordat zij in de handel worden gebracht, worden geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Conformiteit van de productie vormt een van de hoekstenen van het EU-typegoedkeuringsstelsel en de maatregelen die de fabrikant treft om die conformiteit te waarborgen, moeten derhalve worden goedgekeurd door de bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, en worden onderworpen aan regelmatige controle door middel van onafhankelijke periodieke controles. Daarnaast moet de controle van de voortdurende conformiteit van de desbetreffende producten door de goedkeuringsinstanties worden gewaarborgd.
(29)  Conformiteit van de productie vormt een van de hoekstenen van het EU-typegoedkeuringsstelsel en de maatregelen die de fabrikant treft om die conformiteit te waarborgen, moeten derhalve worden goedgekeurd door de bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, en worden onderworpen aan regelmatige controle. Daarnaast moet de controle van de voortdurende conformiteit van de desbetreffende producten door de goedkeuringsinstanties worden gewaarborgd.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  De blijvende geldigheid van de typegoedkeuringen vereist dat de fabrikant de instantie die de typegoedkeuring van een type voertuig heeft verleend, in kennis stelt van eventuele veranderingen in de kenmerken van het type of de veiligheids- en milieuprestatievereisten die op dat type van toepassing zijn. Het is derhalve van belang dat de geldigheidsduur van de afgegeven typegoedkeuringscertificaten beperkt is en dat die certificaten alleen kunnen worden hernieuwd wanneer de goedkeuringsinstantie naar tevredenheid heeft geverifieerd dat het voertuigtype alle toepasselijke voorschriften nog steeds naleeft. Voorts moeten de voorwaarden voor de uitbreiding van typegoedkeuringen worden verduidelijkt om een uniforme toepassing van de procedures voor en handhaving van de typegoedkeuringsvoorschriften in de hele Unie te waarborgen.
(30)  De blijvende geldigheid van de typegoedkeuringen vereist dat de fabrikant de instantie die de typegoedkeuring van een type voertuig heeft verleend, in kennis stelt van eventuele veranderingen in de kenmerken van het type of de veiligheids- en milieuprestatievereisten die op dat type van toepassing zijn. Het is derhalve van belang dat de geldigheidsduur van de afgegeven typegoedkeuringscertificaten beperkt is en dat die certificaten alleen kunnen worden hernieuwd wanneer de goedkeuringsinstantie naar tevredenheid heeft geverifieerd dat het voertuigtype alle toepasselijke voorschriften nog steeds naleeft. Voorts moeten de voorwaarden voor de uitbreiding van typegoedkeuringen worden verduidelijkt om een uniforme toepassing van de procedures voor en handhaving van de typegoedkeuringsvoorschriften in de hele Unie te waarborgen. Gezien de aard van sommige systemen, onderdelen en technische eenheden, bijvoorbeeld achteruitkijkspiegels, ruitenwissers en banden, zijn die voorschriften evenwel statischer. Voor andere gevallen, bijvoorbeeld die systemen die betrekking hebben op emissiebeheer, kan het nodig zijn de geldigheidsduur te beperken, zoals het geval is voor voertuigen. De Commissie moet derhalve de bevoegdheid krijgen om een lijst van de systemen, onderdelen en technische eenheden op te stellen met een beperkte geldigheidsduur.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  De beoordeling van gemelde ernstige risico's voor de veiligheid en van schade aan de volksgezondheid en het milieu moet op nationaal niveau worden verricht, maar er moet worden gezorgd voor coördinatie op Unieniveau wanneer het gemelde risico of de schade ook buiten het grondgebied van een lidstaat kan voorkomen, zodat hulpmiddelen kunnen worden gedeeld en de consistentie kan worden gewaarborgd met betrekking tot corrigerende maatregelen die moeten worden genomen om het geconstateerde risico en de geconstateerde schade tegen te gaan.
(31)  De beoordeling van gemelde ernstige risico's voor de veiligheid en van schade aan de volksgezondheid en het milieu moet op nationaal niveau worden verricht, maar er moet worden gezorgd voor coördinatie op Unieniveau wanneer het gemelde risico of de schade ook buiten het grondgebied van een lidstaat kan voorkomen, zodat hulpmiddelen kunnen worden gedeeld en de consistentie kan worden gewaarborgd met betrekking tot corrigerende maatregelen die moeten worden genomen om het geconstateerde risico en de geconstateerde schade tegen te gaan. Hierbij moet bijzondere aandacht worden besteed aan vervangende uitrustingsstukken, systemen en technische eenheden die van invloed zijn op de milieueffecten van het uitlaatsysteem en deze moeten in voorkomend geval onderworpen worden aan goedkeuringsvoorwaarden.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Er moet worden voorzien in gepaste flexibiliteit door middel van alternatieve typegoedkeuringsregelingen voor fabrikanten die voertuigen in kleine series produceren. Zij moeten kunnen profiteren van de voordelen van de interne markt van de Unie, op voorwaarde dat hun voertuigen voldoen aan de specifieke EU-typegoedkeuringsvoorschriften voor in kleine series geproduceerde voertuigen. In een beperkt aantal gevallen moet nationale typegoedkeuring van kleine series worden toegestaan. Om verkeerd gebruik te voorkomen, moet de vereenvoudigde procedure voor in kleine series geproduceerde voertuigen tot zeer geringe producties worden beperkt. Het begrip kleine series dient dan ook nauwkeurig te worden gedefinieerd door het aantal geproduceerde voertuigen, de voorschriften waaraan moet worden voldaan en de voorwaarden voor het in de handel brengen van de voertuigen vast te stellen. Het is evenzeer van belang een alternatief goedkeuringsstelsel te definiëren voor individuele voertuigen, met name om te voorzien in voldoende flexibiliteit voor de goedkeuring van in meerdere fasen gebouwde voertuigen.
(33)  Er moet worden voorzien in gepaste flexibiliteit door middel van alternatieve typegoedkeuringsregelingen voor fabrikanten die voertuigen in kleine series produceren. Zij moeten kunnen profiteren van de voordelen van de interne markt van de Unie, op voorwaarde dat hun voertuigen voldoen aan de specifieke EU-typegoedkeuringsvoorschriften voor in kleine series geproduceerde voertuigen. In een beperkt aantal gevallen moet nationale typegoedkeuring van kleine series worden toegestaan. Om verkeerd gebruik te voorkomen, moet de vereenvoudigde procedure voor in kleine series geproduceerde voertuigen tot zeer geringe producties worden beperkt overeenkomstig deze verordening. Het begrip kleine series dient dan ook nauwkeurig te worden gedefinieerd door het aantal geproduceerde voertuigen, de voorschriften waaraan moet worden voldaan en de voorwaarden voor het in de handel brengen van de voertuigen vast te stellen. Het is evenzeer van belang een alternatief goedkeuringsstelsel te definiëren voor individuele voertuigen, met name om te voorzien in voldoende flexibiliteit voor de goedkeuring van in meerdere fasen gebouwde voertuigen.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 35 bis (nieuw)
(35 bis)   Om op de markt daadwerkelijke concurrentie te waarborgen voor diensten met betrekking tot reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen en om duidelijk te maken dat de betreffende informatie ook betrekking heeft op informatie die aan andere onafhankelijke marktdeelnemers dan reparateurs moet worden verstrekt, teneinde ervoor te zorgen dat de onafhankelijke markt voor de reparatie en het onderhoud van voertuigen in haar totaliteit met erkende dealers kan concurreren, ongeacht of de voertuigfabrikant die informatie rechtstreeks aan erkende dealers en reparateurs verstrekt, is het noodzakelijk nader toe te lichten welke gedetailleerde informatie moet worden verstrekt met het oog op toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)   Aangezien er momenteel geen gemeenschappelijke gestructureerde procedure bestaat voor de uitwisseling van gegevens over voertuigonderdelen tussen voertuigfabrikanten en onafhankelijke marktdeelnemers, is het wenselijk voor die gegevensuitwisseling beginselen op te stellen. Een toekomstige gemeenschappelijke gestructureerde procedure voor de gestandaardiseerde vorm van de uitgewisselde gegevens moet formeel worden uitgewerkt door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), waarbij in het aan CEN verleende mandaat niet van tevoren wordt vermeld hoe gedetailleerd die norm zal zijn. Het CEN moet er in haar werk met name voor zorgen dat de belangen en behoeften van zowel voertuigfabrikanten als onafhankelijke marktdeelnemers tot uitdrukking komen en moet tevens op zoek gaan naar oplossingen zoals open gegevensformaten die vergezeld gaan van goed gedefinieerde metagegevens met het oog op de aanpassing van bestaande IT-infrastructuur.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)   Om op de markt daadwerkelijke concurrentie te waarborgen voor diensten met betrekking tot reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen moet worden benadrukt dat de betreffende informatie ook betrekking heeft op informatie die aan andere onafhankelijke marktdeelnemers dan reparateurs moet worden verstrekt, in een vorm die verdere elektronische verwerking mogelijk maakt, teneinde ervoor te zorgen dat de onafhankelijke markt voor de reparatie en het onderhoud van voertuigen in haar totaliteit met erkende dealers kan concurreren, ongeacht of de voertuigfabrikant die informatie rechtstreeks aan erkende dealers en reparateurs verstrekt.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 ter (nieuw)
(37 ter)   Onverminderd de verplichting van voertuigfabrikanten om reparatie- en onderhoudsinformatie te verstrekken via hun website moeten de gegevens in het voertuig rechtstreeks en vrij toegankelijk blijven voor onafhankelijke marktdeelnemers.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties voor inbreuken op deze verordening en erop toezien dat deze regels worden uitgevoerd. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten moeten jaarlijks aan de Commissie verslag uitbrengen over de opgelegde sancties, zodat toezicht kan worden gehouden op de coherentie van de uitvoering van deze bepalingen.
(40)  De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties voor inbreuken op deze verordening en erop toezien dat deze regels worden uitgevoerd. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten moeten met behulp van de online gegevensbank regelmatig aan de Commissie verslag uitbrengen over de opgelegde sancties, zodat toezicht kan worden gehouden op de coherentie van de uitvoering van deze bepalingen.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 40 bis (nieuw)
(40 bis)   De vervalsing van testresultaten moet worden geacht te hebben plaatsgevonden indien deze resultaten niet empirisch kunnen worden geverifieerd door de desbetreffende instantie wanneer alle testparameters worden overgenomen of in aanmerking worden genomen.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 40 ter (nieuw)
(40 ter)   Door de Commissie opgelegde administratieve boetes kunnen worden gebruikt voor maatregelen inzake markttoezicht en voor maatregelen ter ondersteuning van personen die benadeeld zijn door inbreuken op deze verordening of andere soortgelijke activiteiten ten gunste van getroffen consumenten, en in voorkomend geval voor de bescherming van het milieu.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 40 quater (nieuw)
(40 quater)   In geval van non-conformiteit kan de consument te maken krijgen met persoonlijke schade of met schade aan zijn eigendom. Wanneer dit het geval is, moet de consument over het recht beschikken schadevergoeding te verkrijgen uit hoofde van desbetreffende wetgeving inzake producten met gebreken of niet-conforme goederen, waaronder Richtlijn 85/374/EEG van de Raad1 bis, Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad1 ter en Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad1 quater, naargelang het geval. Bovendien kan de consument een beroep doen op rechtsmiddelen uit het overeenkomstenrecht, als van toepassing volgens het recht van hun lidstaat.
_____________
1 bis Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29).
1 ter Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171 van 7.7.1999, blz. 12).
1 quater Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame PB L 376 van 27.12.2006, blz. 21.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Overweging 45 bis (nieuw)
(45 bis)   Om op de markt daadwerkelijke concurrentie te waarborgen voor diensten met betrekking tot reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen moet duidelijk worden gemaakt dat de betreffende informatie ook betrekking heeft op informatie die aan andere onafhankelijke marktdeelnemers dan reparateurs moet worden verstrekt, in een vorm die verdere elektronische verwerking mogelijk maakt, teneinde ervoor te zorgen dat de onafhankelijke markt voor de reparatie en het onderhoud van voertuigen in haar totaliteit met erkende dealers kan concurreren, ongeacht of de voertuigfabrikant die informatie rechtstreeks aan erkende dealers en reparateurs verstrekt.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 3 – inleidende formule
3.  Voor de volgende voertuigen en machines mag de fabrikant typegoedkeuring of individuele goedkeuring van een voertuig krachtens deze verordening aanvragen, op voorwaarde dat die voertuigen voldoen aan de inhoudelijke voorschriften van deze verordening:
3.  Voor de volgende voertuigen en machines mag de fabrikant typegoedkeuring of individuele goedkeuring van een voertuig krachtens deze verordening aanvragen, op voorwaarde dat die voertuigen voldoen aan de voorschriften van deze verordening:
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 3 – letter b
b)  voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer en de ordehandhavingsdiensten;
b)  voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer, rampenbestrijdingsorganen en de ordehandhavingsdiensten;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – inleidende formule
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
Voor de toepassing van deze verordening en de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen van de Unie, tenzij daarin anders is bepaald, wordt verstaan onder:
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
(2)  "markttoezicht": activiteiten en maatregelen van de markttoezichtautoriteiten om ervoor te zorgen dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden en voertuigdelen en uitrustingsstukken die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie en geen gevaar opleveren voor de gezondheid, de veiligheid of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;
(2)  "markttoezicht": activiteiten en maatregelen van de markttoezichtautoriteiten om ervoor te zorgen dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden en voertuigdelen en uitrustingsstukken die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie en geen gevaar opleveren voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang, met inbegrip van de consumentenrechten;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 7 bis (nieuw)
(7 bis)   "originele onderdelen of uitrustingsstukken": onderdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van onderdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de assemblage van het betreffende voertuig; hieronder vallen ook onderdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als deze onderdelen of uitrustingsstukken zijn geproduceerd; tot het bewijs van het tegendeel wordt ervan uitgegaan dat onderdelen originele onderdelen zijn indien de fabrikant certificeert dat de onderdelen van gelijke kwaliteit zijn als de onderdelen die voor de assemblage van het betreffende voertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 9
(9)  "fabrikant": een natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuring van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid of van de individuele goedkeuring van een voertuig, of voor de vergunningsprocedure voor voertuigdelen en uitrustingsstukken, voor het waarborgen van de conformiteit van de productie en voor markttoezichtgerelateerde zaken met betrekking tot geproduceerde voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen en uitrustingsstukken, ongeacht of die persoon wel of niet direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van het desbetreffende voertuig, systeem, onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
(9)  "fabrikant": een natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het naleven van de geldende administratieve bepalingen en technische vereisten om typegoedkeuring te verkrijgen van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid of van de individuele goedkeuring van een voertuig, of voor de vergunningsprocedure voor voertuigdelen en uitrustingsstukken, en voor het waarborgen van de conformiteit van de productie, alsook voor het faciliteren van naleving van bepalingen inzake markttoezicht met betrekking tot geproduceerde voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen en uitrustingsstukken, ongeacht of die persoon wel of niet direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van het desbetreffende voertuig, systeem, onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 16
(16)  "registratie": de permanente of tijdelijke administratieve vergunning voor het in het verkeer brengen van een voertuig, met inbegrip van de identificatie van het voertuig en de afgifte van een registratienummer;
(16)  "registratie": de administratieve vergunning voor het in het verkeer brengen van een voertuig, bestaande uit de identificatie van het voertuig en de afgifte van een registratienummer voor het voertuig, het zogenoemde kenteken, dat op permanente dan wel tijdelijke basis wordt toegewezen, ook voor een kort tijdsbestek;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 35
(35)  "voertuigtype": een bepaalde categorie van voertuigen die ten minste de in bijlage II, deel B, vermelde essentiële kenmerken delen, die varianten en versies mag bevatten zoals daarnaar verwezen;
(35)  "voertuigtype": een bepaalde groep van voertuigen die ten minste de in bijlage II, deel B, vermelde essentiële kenmerken delen, die varianten en versies mag bevatten zoals daarnaar verwezen;
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 37
(37)  "basisvoertuig": een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuring wordt gebruikt;
(37)  "basisvoertuig": een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuring wordt gebruikt, ongeacht of het om een motorvoertuig gaat;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 42
(42)  "individuele goedkeuring van een voertuig": de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een bepaald voertuig, al dan niet uniek, aan de desbetreffende administratieve bepalingen en technische voorschriften voor individuele EU-goedkeuring van een voertuig en nationale individuele goedkeuring van een voertuig voldoet;
(42)  "individuele goedkeuring van een voertuig": de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een bepaald voertuig, al dan niet uniek, aan de desbetreffende administratieve bepalingen en technische voorschriften voor individuele EU-goedkeuring van een voertuig of nationale individuele goedkeuring van een voertuig voldoet;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 46
(46)  "reparatie- en onderhoudsinformatie van een voertuig": alle informatie die nodig is voor diagnose, onderhoud, keuring, periodieke controle, reparatie, herprogrammering of re-initialisatie van een voertuig alsook voor het monteren van voertuigdelen of uitrustingsstukken op een voertuig, en die de fabrikant aan zijn erkende dealers en reparateurs verstrekt, met inbegrip van alle latere wijzigingen van en aanvullingen op deze informatie;
(46)  "reparatie- en onderhoudsinformatie van een voertuig": alle informatie die nodig is voor diagnose, onderhoud, keuring, technische controle, reparatie, herprogrammering of re-initialisatie van een voertuig alsook voor het monteren van voertuigdelen of uitrustingsstukken op een voertuig, en die de fabrikant gebruikt of verstrekt, onder meer aan zijn erkende partners, dealers, reparateurs en netwerk, om producten of diensten voor doeleinden van voertuigreparatie en -onderhoud aan te bieden, met inbegrip van alle latere wijzigingen van en aanvullingen op deze informatie;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 55
(55)  "beoordeling ter plekke": een door de typegoedkeuringsinstantie uitgevoerde controle in de bedrijfsruimte van de technische dienst of van een van haar onderaannemers of dochterondernemingen;
(55)  "beoordeling ter plekke": een controle in de bedrijfsruimte van de technische dienst of van een van haar onderaannemers of dochterondernemingen;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 56 bis (nieuw)
(56 bis)   "manipulatie-instrument": ieder functioneel element van een ontwerp dat door zijn werking een belemmering vormt voor een effectieve en efficiënte werking van de goedgekeurde controle- en monitoringsystemen van het voertuig, en dat naleving van de goedkeuringsvoorschriften binnen het gehele spectrum van reële rijomstandigheden in de weg staat.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – alinea 2
De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 88 gedelegeerde handelingen tot wijziging van bijlage II wat de categorisering van voertuigsubcategorieën, voertuigtypen en carrosserietypen betreft, vast te stellen teneinde deze aan de technische vooruitgang aan te passen.
De Commissie heeft de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 88 gedelegeerde handelingen tot wijziging van bijlage II wat de voertuigtypen en carrosserietypen betreft vast te stellen, teneinde deze aan de technische vooruitgang aan te passen.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De lidstaten zorgen ervoor dat typegoedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten zich houden aan een strikte scheiding van functies en verantwoordelijkheden, en onafhankelijk van elkaar functioneren.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Wanneer in een lidstaat meer dan een goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor het goedkeuren van voertuigen, met inbegrip van individuele goedkeuring van een voertuig, wijst de lidstaat één enkele typegoedkeuringsinstantie aan als verantwoordelijke voor het uitwisselen van informatie met de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en voor het naleven van de in hoofdstuk XV van deze verordening vastgestelde verplichtingen.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4
4.  De lidstaten organiseren en verrichten overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008 markttoezicht op en controles van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden ingevoerd.
4.  De lidstaten organiseren en verrichten overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008, met uitzondering van artikel 18, lid 5, markttoezicht op en controles van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden ingevoerd.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 5
5.  Zij nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat markttoezichtautoriteiten, wanneer zij dat noodzakelijk en gerechtvaardigd achten, recht hebben op het betreden van de bedrijfsruimten van marktdeelnemers en het nemen van de voor de nalevingscontrole noodzakelijke monsters van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden.
5.  Zij nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat markttoezichtautoriteiten, wanneer zij dat noodzakelijk en gerechtvaardigd achten, recht hebben op het betreden van de bedrijfsruimten van marktdeelnemers op hun grondgebied en het nemen van de voor de nalevingscontrole noodzakelijke monsters van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 6
6.  De lidstaten evalueren en beoordelen periodiek de werking van hun typegoedkeuringsactiviteiten. Deze evaluaties en beoordelingen worden ten minste elke vier jaar uitgevoerd en de resultaten ervan worden aan de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld. De betrokken lidstaat maakt een samenvatting van de resultaten, met name van het aantal verleende typegoedkeuringen en aan welke fabrikanten die zijn verleend, toegankelijk voor het publiek.
6.  De lidstaten evalueren en beoordelen periodiek de werking van hun typegoedkeuringsactiviteiten en gaan onder meer na of de verleende typegoedkeuringen conform zijn met deze verordening. Deze evaluaties en beoordelingen worden ten minste elke drie jaar uitgevoerd en de resultaten ervan worden aan de andere lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie meegedeeld. De resultaten worden besproken door het krachtens artikel 10 opgerichte forum. De betrokken lidstaat maakt een volledig verslag van de resultaten, waarin met name informatie wordt gegeven over het aantal verleende of geweigerde typegoedkeuringen, het product waarop het goedkeuringscertificaat betrekking heeft en de identiteitsgegevens van de betrokken fabrikanten, alsook de gegevens van de technische diensten die verantwoordelijk zijn voor toezicht op de typegoedkeuringstests, toegankelijk voor het publiek.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 7
7.  De lidstaten evalueren en beoordelen periodiek de werking van hun markttoezichtactiviteiten. Deze evaluaties en beoordelingen worden ten minste elke vier jaar uitgevoerd en de resultaten ervan worden aan de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld. De betrokken lidstaat maakt een samenvatting van de resultaten toegankelijk voor het publiek.
7.  De lidstaten evalueren en beoordelen periodiek de werking van hun markttoezichtactiviteiten. Deze evaluaties en beoordelingen worden ten minste elke drie jaar uitgevoerd en de resultaten ervan worden aan de andere lidstaten, aan het Europees Parlement en aan de Commissie meegedeeld. De resultaten worden besproken door het krachtens artikel 10 opgerichte forum. De betrokken lidstaat stelt een samenvatting van de resultaten, waarin met name informatie wordt gegeven over het aantal voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die zijn onderworpen aan tests of andere beoordelingen, beschikbaar voor het publiek. In de samenvatting wordt een lijst opgenomen van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden waarvan is gebleken dat ze niet conform de voorschriften van deze verordening zijn, in voorkomend geval, met de identiteitsgegevens van de betrokken fabrikanten en een korte beschrijving van de aard van de niet-naleving.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.   De Commissie heeft de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 88 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening waarbij de gemeenschappelijke criteria voor het benoemen, evalueren en beoordelen van de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten op nationaal niveau worden vastgelegd.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Goedkeuringsinstanties zorgen voor een eenvormige en samenhangende uitvoering en handhaving van de voorschriften van deze verordening om gelijke voorwaarden te waarborgen en te voorkomen dat in de Unie uiteenlopende normen worden gehanteerd. Wat de toepassing van deze verordening betreft werken de goedkeuringsinstanties bij hun controle- en toezichtactiviteiten ten volle samen met het forum en de Commissie en verstrekken ze op verzoek alle nodige informatie.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Goedkeuringsinstanties voeren hun taken onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij nemen waar nodig vertrouwelijkheid in acht ter bescherming van commerciële geheimen, behoudens de informatieverplichting van artikel 9, lid 3, om de belangen van de gebruikers in de Unie te beschermen.
2.  Goedkeuringsinstanties voeren hun taken onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij nemen vertrouwelijkheid in acht ter bescherming van commerciële geheimen van marktdeelnemers, behoudens de informatieverplichting van artikel 9, lid 3, om de belangen van de gebruikers in de Unie te beschermen overeenkomstig het toepasselijk recht.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 – alinea 1
Wanneer in een lidstaat meer dan één goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor het goedkeuren van voertuigen, met inbegrip van individuele goedkeuring van een voertuig, wijst de lidstaat een enkele typegoedkeuringsinstantie aan als verantwoordelijke voor het uitwisselen van informatie met de goedkeuringsinstantie van de andere lidstaten, en voor de in hoofdstuk XV van deze verordening vastgestelde verplichtingen.
Schrappen
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 – alinea 2
Goedkeuringsinstanties in een lidstaat werken met elkaar samen door relevante informatie over hun rol en functies uit te wisselen.
Goedkeuringsinstanties in een lidstaat voeren procedures in voor het waarborgen van een efficiënte en doeltreffende coördinatie en informatie-uitwisseling in verband met hun rol en functies.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Indien een goedkeuringsinstantie van oordeel is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform de voorschriften van deze verordening is, brengt hij de Commissie en de lidstaten hiervan onverwijld op de hoogte. De Commissie brengt de leden van het handhavingsforum onmiddellijk na ontvangst van deze kennisgeving op de hoogte.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 5
5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de gemeenschappelijke criteria voor het benoemen, evalueren en beoordelen van de goedkeuringsinstanties op nationaal niveau vast te leggen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
Schrappen
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  Markttoezichtautoriteiten controleren regelmatig of voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden nog aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften voldoen en of de typegoedkeuringen correct zijn. Die controles worden op toereikende schaal verricht, door middel van een verificatie van de documenten en rij- en laboratoriumtests op basis van statistisch relevante monsters. Hierbij houden markttoezichtautoriteiten rekening met gevestigde beginselen van risicobeoordeling, klachten en andere informatie.
1.  Markttoezichtautoriteiten voeren regelmatig tests en keuringen uit overeenkomstig de nationale jaarprogramma's die zijn goedgekeurd overeenkomstig de leden 2 en 3, om na te gaan of voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden conform de typegoedkeuringen en de toepasselijke wetgeving zijn. Deze tests en keuringen worden uitgevoerd door middel van onder meer laboratoriumtests en emissietests onder reële rijomstandigheden, op basis van statistisch relevante steekproeven, en worden aangevuld met een verificatie van documenten. De lidstaten voeren jaarlijks tests en keuringen uit voor een aantal typen dat in totaal 20 % vertegenwoordigt van het aantal typen dat in het voorgaande jaar in die lidstaat in de handel is gebracht. Hierbij houden markttoezichtautoriteiten rekening met gevestigde beginselen van risicobeoordeling, gemotiveerde klachten en andere relevante informatie, met inbegrip van testresultaten die worden gepubliceerd door erkende derde partijen, nieuwe technologieën op de markt en verslagen afkomstig van periodieke technische controles en metingen op de weg met behulp van teledetectie.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Markttoezichtautoriteiten kunnen een beroep doen op onafhankelijke testorganisaties voor het uitvoeren van technische taken, zoals tests of keuringen. De verantwoordelijkheid voor de resultaten berust altijd bij de markttoezichtautoriteit. Indien voor de toepassing van dit artikel een beroep wordt gedaan op technische diensten, zien de markttoezichtautoriteiten erop toe dat er een andere technische dienst wordt gebruikt dan de dienst die de tests voor de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft uitgevoerd.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – punt 1 ter (nieuw)
1 ter.   Markttoezichtautoriteiten stellen op jaar- of meerjarenbasis een nationaal programma voor markttoezicht op en leggen het ter goedkeuring voor aan de Commissie. De lidstaten kunnen gezamenlijke programma's of acties indienen.
De nationale programma's voor markttoezicht moeten ten minste de volgende gegevens bevatten:
a)   de schaal en het bereik van de geplande markttoezichtactiviteiten;
b)   nadere informatie over de manier waarop markttoezichtactiviteiten zullen worden uitgevoerd, met inbegrip van informatie over het gebruik van documentverificaties, fysieke controles en laboratoriumcontroles, hoe de beginselen van risicobeoordeling hierin tot uiting komen en op welke manier wordt omgegaan met gemotiveerde klachten, met grote volumes van specifieke voertuigmodellen die op het grondgebied van de lidstaat in gebruik zijn – evenals onderdelen hiervan – met de eerste toepassingen voor nieuwe motoren of technologie, met verslagen van periodieke technische controles en andere relevante gegevens, onder meer informatie van marktdeelnemers of door derde partijen gepubliceerde testresultaten;
c)   een samenvatting van de acties die zijn ondernomen in het voorgaande programma, met relevante statistische gegevens over de schaal van de uitgevoerde activiteiten, de genomen follow-upmaatregelen en de resultaten daarvan. In het geval van een meerjarenprogramma wordt er een samenvatting van acties gemaakt die jaarlijks wordt voorgelegd aan de Commissie en aan het handhavingsforum, en
d)   nadere informatie met betrekking tot financieringsregelingen die worden gemeld uit hoofde van artikel 30, lid 4, en de personele middelen die worden toegewezen aan markttoezicht, alsook de toereikendheid ervan in de context van de geplande markttoezichtactiviteiten.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  De markttoezichtautoriteiten verlangen van marktdeelnemers dat deze de documenten en informatie beschikbaar stellen die de autoriteiten noodzakelijk achten om hun activiteiten uit te voeren.
2.  De markttoezichtautoriteiten verlangen van marktdeelnemers dat deze de documenten en informatie beschikbaar stellen die de autoriteiten noodzakelijk achten om hun activiteiten uit te voeren. Dit omvat toegang tot software, algoritmen, motorbesturingssystemen en alle andere technische specificaties die de markttoezichtautoriteiten noodzakelijk achten.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3
3.  Voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor typegoedkeuring is verleend, houden de markttoezichtautoriteiten terdege rekening met door marktdeelnemers gepresenteerde conformiteitscertificaten.
3.  Voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor typegoedkeuring is verleend, houden de markttoezichtautoriteiten terdege rekening met door marktdeelnemers gepresenteerde conformiteitscertificaten, typegoedkeuringsmerken of typegoedkeuringscertificaten.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 4 – alinea 1
Markttoezichtautoriteiten nemen passende maatregelen om gebruikers op hun grondgebied binnen een passende termijn te waarschuwen voor de gevaren die zij hebben vastgesteld met betrekking tot een voertuig, systeem, onderdeel en technische eenheid, teneinde het risico op verwonding of andere schade te voorkomen of verminderen.
Markttoezichtautoriteiten nemen passende maatregelen om gebruikers op hun grondgebied binnen een passende termijn te waarschuwen voor niet-naleving die zij hebben vastgesteld met betrekking tot een voertuig, systeem, onderdeel en technische eenheid, teneinde het risico op verwonding of andere schade te voorkomen of verminderen. Deze informatie wordt op de website van de markttoezichtautoriteiten beschikbaar gesteld in gewone en begrijpelijke taal.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5
5.  Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat besluiten een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid overeenkomstig artikel 49, lid 5, uit de handel te nemen, stellen zij de betrokken marktdeelnemer en in voorkomend geval de betrokken goedkeuringsinstantie daarvan in kennis.
5.  Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat besluiten een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid overeenkomstig artikel 49, lid 5, uit de handel te nemen, stellen zij de betrokken marktdeelnemer en de betrokken goedkeuringsinstantie daarvan in kennis.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   Indien een markttoezichtautoriteit van oordeel is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform de voorschriften van deze verordening is, brengt hij de Commissie en de lidstaten hiervan onverwijld op de hoogte. De Commissie brengt de leden van het handhavingsforum onmiddellijk na ontvangst van deze kennisgeving op de hoogte.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 6
6.  Markttoezichtautoriteiten voeren hun taken onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij nemen waar nodig vertrouwelijkheid in acht ter bescherming van commerciële geheimen, behoudens de in artikel 9, lid 3, opgenomen informatieverplichting die zo breed mogelijk moet worden nageleefd als nodig is om de belangen van de gebruikers in de Europese Unie te beschermen.
6.  Markttoezichtautoriteiten voeren hun taken onafhankelijk en onpartijdig uit. Zij nemen vertrouwelijkheid in acht ter bescherming van commerciële geheimen van de marktdeelnemers, behoudens de in artikel 9, lid 3, opgenomen informatieverplichting die zo breed mogelijk moet worden nageleefd als nodig is om de belangen van de gebruikers in de Europese Unie te beschermen.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 7
7.   De lidstaten evalueren en beoordelen periodiek de werking van hun markttoezichtactiviteiten. Deze evaluaties en beoordelingen worden ten minste elke vier jaar uitgevoerd en de resultaten ervan worden aan de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld. De betrokken lidstaat maakt een samenvatting van de resultaten toegankelijk voor het publiek.
Schrappen
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 8
8.   De markttoezichtautoriteiten van de lidstaten coördineren hun markttoezichtactiviteiten, werken met elkaar samen en wisselen met elkaar en met de Commissie de resultaten daarvan uit. Indien nodig bereiken de markttoezichtautoriteiten overeenstemming over werkverdeling en specialisatie.
Schrappen
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 9
9.  Wanneer in een lidstaat meer dan één autoriteit verantwoordelijk is voor het markttoezicht of de controle aan de buitengrenzen, werken die autoriteiten met elkaar samen door relevante informatie over hun rol en functies uit te wisselen.
9.  Wanneer in een lidstaat meer dan één autoriteit verantwoordelijk is voor het markttoezicht of de controle aan de buitengrenzen, stellen die autoriteiten procedures in voor het waarborgen van efficiënte en doeltreffende coördinatie en informatie-uitwisseling over hun rol en functies.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 10
10.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de criteria voor het vaststellen van de schaal, het toepassingsgebied en de frequentie waarmee de in lid 1 bedoelde nalevingscontroles van monsters moeten worden verricht, vast te leggen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 87, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Schrappen
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 10 bis (nieuw)
10 bis.   Markttoezichtactiviteiten stellen na elke nalevingscontroletest die ze verrichten een verslag met hun bevindingen beschikbaar voor het publiek en zenden deze bevindingen toe aan de lidstaten en de Commissie. De Commissie zendt dit verslag toe aan de leden van het handhavingsforum. Het verslag bevat nadere gegevens over de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die worden beoordeeld, de identiteitsgegevens van de betrokken fabrikant en een korte beschrijving van de bevindingen, met inbegrip van de aard van de eventuele niet-naleving.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1
De Commissie organiseert en verricht op toereikende schaal tests en keuringen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die reeds op de markt zijn aangeboden, of laat deze verrichten, om te controleren of die voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden conform de typegoedkeuringen zijn en aan de toepasbare wetgeving voldoen, alsook om de juistheid van de typegoedkeuringen te waarborgen.
De Commissie organiseert en verricht op toereikende schaal en met inachtneming van de afgesproken nationale programma's voor markttoezicht die zijn goedgekeurd uit hoofde van artikel 8 tests en keuringen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die reeds op de markt zijn aangeboden, of laat deze verrichten, om te controleren of die voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden conform de typegoedkeuringen zijn en aan de toepasbare wetgeving voldoen, alsook om de juistheid van de typegoedkeuringen te waarborgen.
In de tests en keuringen die worden georganiseerd en verricht door of in opdracht van de Commissie wordt aandacht besteed aan de kwestie van conformiteit tijdens gebruik van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden.
Deze tests en keuringen worden uitgevoerd door middel van onder meer laboratoriumtests en emissietests onder reële rijomstandigheden, op basis van statistisch relevante steekproeven, en worden aangevuld met een verificatie van documenten.
Hierbij houdt de Commissie rekening met de gevestigde beginselen van risicobeoordeling, gemotiveerde klachten en andere relevante informatie, met inbegrip van testresultaten die worden gepubliceerd door erkende derde partijen, nieuwe technologieën op de markt en verslagen afkomstig van periodieke technische controles en metingen op de weg met behulp van teledetectie.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Onverminderd de eerste alinea geldt dat wanneer de Commissie op basis van door de lidstaten verstrekte informatie, een verzoek van een lid van het handhavingsforum of door erkende partijen gepubliceerde testresultaten van oordeel is dat een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening op het vlak van typegoedkeuring of markttoezicht voldoet, de Commissie zelf zorgt voor de organisatie en uitvoering van onafhankelijke tests en keuringen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die al op de markt worden aangeboden, of eist dat deze worden uitgevoerd.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1 ter (nieuw)
De Commissie kan een beroep doen op onafhankelijke testorganisaties voor het uitvoeren van technische taken, zoals tests of keuringen. De verantwoordelijkheid voor de resultaten berust altijd bij de Commissie. Indien voor de toepassing van dit artikel een beroep wordt gedaan op technische diensten, ziet de Commissie erop toe dat er een andere technische dienst wordt gebruikt dan de dienst die de tests voor de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft uitgevoerd.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  Fabrikanten die over een typegoedkeuring beschikken of marktdeelnemers voorzien de Commissie op verzoek van een statistisch relevant aantal door de Commissie geselecteerde serievoertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die representatief zijn voor de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die met die typegoedkeuring in de handel worden gebracht. Die voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden voor tests ter beschikking gesteld op de plek en gedurende de periode die de Commissie verlangt.
2.  Fabrikanten die over een typegoedkeuring beschikken of marktdeelnemers voorzien de Commissie op verzoek van een statistisch relevant aantal door de Commissie geselecteerde serievoertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die representatief zijn voor de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die met die typegoedkeuring in de handel worden gebracht. Die voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden voor tests ter beschikking gesteld op de plek en gedurende de periode die de Commissie afhankelijk van de situatie verlangt.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De lidstaten verstrekken de deskundigen van de Commissie alle nodige bijstand, alsook alle documentatie en andere technische ondersteuning die ze nodig hebben om de tests, controles en keuringen te kunnen uitvoeren. De lidstaten zien erop toe dat de deskundigen van de Commissie toegang hebben tot alle gebouwen of delen van gebouwen en tot alle informatie, met inbegrip van computersystemen en software, die relevant zijn voor het uitvoeren van hun taken.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – alinea 1
Teneinde de Commissie in staat te stellen de in de leden 1 en 2 bedoelde tests uit te voeren, stellen de lidstaten alle informatie met betrekking tot de typegoedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan nalevingscontrole worden onderworpen, ter beschikking van de Commissie. Die informatie omvat ten minste de informatie die is opgenomen in het in artikel 26, lid 1, bedoelde typegoedkeuringscertificaat en de bijlagen daarbij.
Teneinde de Commissie in staat te stellen de in de leden 1 en 2 bedoelde tests uit te voeren, stellen de lidstaten onmiddellijk alle informatie met betrekking tot de typegoedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan nalevingscontrole worden onderworpen, ter beschikking van de Commissie. Die informatie omvat ten minste de informatie die is opgenomen in het in artikel 26, lid 1, bedoelde typegoedkeuringscertificaat en de bijlagen daarbij.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4
4.  Voertuigfabrikanten maken gegevens die nodig zijn voor nalevingscontroletests door derden openbaar. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om te bepalen welke gegevens openbaar moeten worden gemaakt en de voorwaarden voor de publicatie van die gegevens, waarbij de bescherming van commerciële geheimen en persoonlijke gegevens krachtens de nationale en Uniewetgeving worden gerespecteerd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
4.  Voertuigfabrikanten maken gegevens die nodig zijn voor nalevingscontroletests door erkende derden kosteloos en zonder onnodige vertraging openbaar. Deze gegevens omvatten alle parameters en instellingen die nodig zijn om de testomstandigheden die van toepassing waren op het moment dat de typegoedkeuringstest werd uitgevoerd nauwgezet over te nemen. Al deze gegevens worden behandeld met inachtneming van de rechtmatige bescherming van bedrijfsinformatie. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om te bepalen welke gegevens beschikbaar moeten worden gesteld en welke voorwaarden hiervoor gelden, waaronder de voorwaarde om toegang te geven tot deze informatie via de online gegevensbank als bedoeld in artikel 10 bis, waarbij de bescherming van commerciële geheimen en persoonlijke gegevens krachtens rechtshandelingen van de Unie en nationale wetgeving worden gerespecteerd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   De Commissie zorgt voor de organisatie en uitvoering van gezamenlijke controles van de typegoedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten om te verifiëren of zij de voorschriften van deze verordening consequent naleven en hun taken op een onafhankelijke en zorgvuldige manier uitvoeren. Na overleg met het forum stelt de Commissie een jaarplan van gezamenlijke controles vast, waarbij voor het bepalen van de frequentie van de beoordeling rekening wordt gehouden met de resultaten van eerdere evaluaties. Wanneer de Commissie redenen heeft om aan te nemen dat een typegoedkeuringsinstantie de verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet naleeft, kan de Commissie eisen dat er op jaarlijkse basis gezamenlijke controles worden verricht.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.   Om deze taak te kunnen vervullen, kan de Commissie een beroep doen op onafhankelijke controleurs die via een openbare aanbestedingsprocedure worden aangesteld als derde partijen. De controleurs voeren hun taken onafhankelijk en onpartijdig uit. De controleurs nemen vertrouwelijkheid in acht ter bescherming van commerciële geheimen overeenkomstig het toepasselijk recht. De lidstaten verstrekken alle nodige bijstand, alsook alle documentatie en ondersteuning waar de controleurs om verzoeken voor het uitvoeren van hun taken. De lidstaten zien erop toe dat de controleurs toegang hebben tot alle gebouwen of delen van gebouwen en tot alle informatie, met inbegrip van computersystemen en software, die relevant zijn voor het uitvoeren van hun taken. Wanneer een lidstaat hierom verzoekt, heeft hij het recht om een waarnemer te sturen naar een uit hoofde van dit artikel georganiseerde gezamenlijke controle. Deze waarnemers oefenen geen invloed uit op eventuele besluiten met betrekking tot de resultaten van de gezamenlijke controle.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 quater (nieuw)
4 quater.   De resultaten van de gezamenlijke controle worden meegedeeld aan alle lidstaten en aan de Commissie en een samenvatting van de resultaten wordt openbaar gemaakt. De resultaten worden besproken door het bij artikel 10 opgerichte forum.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 quinquies (nieuw)
4 quinquies.   De betrokken lidstaat voorziet de Commissie en de andere lidstaten van informatie over de manier waarop aan de aanbevelingen van de gezamenlijke controle als bedoeld in lid 4 quater gehoor is gegeven.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4 sexies (nieuw)
4 sexies.   De Commissie kan de lidstaten en hun nationale typegoedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten verzoeken om bijkomende informatie indien ze na een onderzoek in het kader van het forum redenen heeft om aan te nemen dat er sprake is van gevallen van niet-naleving van deze verordening. De lidstaten en hun respectieve autoriteiten verstrekken dergelijke informatie onverwijld.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 5 – alinea 2
Wanneer de juistheid van de typegoedkeuring zelf door de tests en keuringen in twijfel wordt getrokken, stelt de Commissie de betrokken goedkeuringsinstantie(s) en het forum voor uitwisseling van informatie over handhaving daarvan in kennis.
Wanneer de juistheid van de typegoedkeuring zelf door de tests en keuringen in twijfel wordt getrokken, stelt de Commissie de betrokken goedkeuringsinstantie(s), de lidstaten en de leden van het handhavingsforum daarvan onmiddellijk in kennis.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 5 – alinea 2 bis (nieuw)
De Commissie neemt passende maatregelen om gebruikers in de Unie, met inbegrip van de desbetreffende typegoedkeuringsinstanties, binnen een passende termijn te waarschuwen voor elke niet-naleving die zij heeft vastgesteld met betrekking tot een voertuig, systeem, onderdeel en technische eenheid, teneinde het risico op verwonding of andere schade te voorkomen of verminderen. Deze informatie wordt tevens op de website van de desbetreffende markttoezichtautoriteiten beschikbaar gesteld in gewone en begrijpelijke taal.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 5 – alinea 3
Nadat de Commissie nalevingscontroletests verricht, brengt zij verslag uit van haar bevindingen.
Nadat de Commissie nalevingscontroletests heeft verricht, maakt zij een verslag met haar bevindingen openbaar en zendt zij haar bevindingen toe aan de lidstaten en aan de leden van het handhavingsforum. Het verslag bevat nadere gegevens over de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die worden beoordeeld, de identiteitsgegevens van de betrokken fabrikant en een korte beschrijving van de bevindingen, met inbegrip van de aard van de eventuele niet-naleving en in voorkomend geval de aanbevolen follow-upmaatregelen voor de lidstaten.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1
1.  De Commissie richt een Forum voor uitwisseling van informatie over handhaving op ("het Forum") en zit dit forum voor.
1.  De Commissie richt een Forum voor handhaving op ("het Forum"), zit dit forum voor en zorgt voor het beheer ervan.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 – alinea 2
Het Forum bestaat uit door de lidstaten benoemde leden.
Het Forum bestaat uit door de lidstaten benoemde leden, met inbegrip van hun typegoedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten.
Telkens wanneer dit aan de orde is, en ten minste eenmaal per jaar, nodigt het Forum waarnemers uit op zijn vergaderingen. Onder de uitgenodigde waarnemers bevinden zich vertegenwoordigers van het Europees Parlement, technische diensten, testorganisaties van erkende derde partijen, vertegenwoordigers van de sector of andere betrokken marktdeelnemers, ngo's die zich bezighouden met veiligheid en milieu en consumentengroepen. Waarnemers die op vergaderingen van het Forum worden uitgenodigd, vormen een breed, representatief en evenwichtig overzicht van Europese en nationale instanties die relevante belanghebbende partijen vertegenwoordigen.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De Commissie publiceert het vergaderrooster, de agenda en de notulen met presentielijst op haar website.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2 – alinea 1
Het Forum coördineert een netwerk van de voor typegoedkeuring en markttoezicht verantwoordelijke nationale instanties en autoriteiten.
Het Forum coördineert een netwerk van de voor typegoedkeuring en markttoezicht verantwoordelijke nationale instanties en autoriteiten om de tenuitvoerlegging van deze verordening te bevorderen, met name wat betreft de voorschriften met betrekking tot de beoordeling, aanwijzing en monitoring van aangewezen instanties en de algemene toepassing van de voorschriften van deze verordening.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2 – alinea 2
Onder de adviserende taken van het Forum vallen onder meer de bevordering van goede praktijken, de uitwisseling van informatie over handhavingsproblemen, samenwerking, de ontwikkeling van werkmethoden en -instrumenten, de ontwikkeling van een procedure voor de elektronische uitwisseling van informatie, de evaluatie van geharmoniseerde handhavingsprojecten, sancties en gezamenlijke inspecties.
Onder de taken van het Forum vallen:
a)   de behandeling van gemotiveerde klachten, bewijzen of andere relevante informatie met betrekking tot mogelijke niet-naleving die door erkende derde partijen worden voorgelegd;
b)   de gezamenlijke bespreking en beoordeling van de nationale markttoezichtprogramma's nadat deze zijn ingediend bij de Commissie;
c)   de uitwisseling van informatie met betrekking tot nieuwe technologieën die op de markt worden aangeboden of in aantocht zijn;
d)   de beoordeling van de resultaten van evaluaties met betrekking tot de werking van typegoedkeuringsinstanties, zowel die uit hoofde van artikel 6, lid 6, als de evaluaties die volgen uit een gezamenlijke controle uit hoofde van artikel 71, lid 8;
e)   de evaluatie van de resultaten die voortvloeien uit beoordelingen van de werking van markttoezicht;
f)   de beoordeling van de resultaten van evaluaties met betrekking tot de werking van technische diensten, zowel die uit hoofde van artikel 80, lid 3 bis, als de evaluaties die volgen uit een gezamenlijke controle uit hoofde van artikel 80, lid 4, en
g)   de beoordeling, ten minste eens om de twee jaar, van de doeltreffendheid van handhavingsactiviteiten, waaronder in voorkomend geval de consistentie en doeltreffendheid van eventuele reparaties, terugroepingen of sancties die door de lidstaten worden toegepast indien de niet-naleving geldt voor voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in de handel zijn gebracht in meer dan één lidstaat.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Indien de Commissie na een onderzoek in het kader van het Forum redenen heeft om aan te nemen dat er sprake is van gevallen van niet-naleving van deze verordening kan ze de lidstaten en hun nationale typegoedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten verzoeken om bijkomende informatie. De lidstaten en hun respectieve autoriteiten verstrekken deze informatie onverwijld.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.   De Commissie maakt jaarlijks een verslag over de activiteiten van het Forum openbaar. Dit verslag bevat gedetailleerde verklaringen met betrekking tot de kwesties die in het Forum worden besproken, de acties die uit deze overwegingen voortvloeien en de argumenten die hieraan ten grondslag liggen, ook in het geval dat er geen acties worden voorgesteld. De Commissie legt het verslag van de activiteiten van het Forum jaarlijks voor aan het Europees Parlement.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2 quater (nieuw)
2c.   Indien de Commissie naar aanleiding van een gezamenlijke controle aantoont dat de betrokken typegoedkeuringsinstantie een van de voorschriften van deze verordening niet heeft nageleefd, brengt ze de lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie daar onmiddellijk van op de hoogte. De Commissie kan alle nodige maatregelen treffen om niet-naleving aan te pakken. In bepaalde gevallen en met de nodige inachtneming van de aard van de niet-naleving, kan de Commissie besluiten tot een opschorting of intrekking van de goedkeuring die is verleend aan de goedkeuringsinstantie om aanvragen voor EU-typegoedkeuringscertificaten krachtens artikel 21 te aanvaarden.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2 quater– alinea 1 bis (nieuw)
Binnen twee maanden na de opschorting of intrekking van de in lid 3 bedoelde goedkeuring dient de Commissie een verslag over haar bevindingen met betrekking tot de niet-naleving in bij de lidstaten. Waar dat nodig is voor het waarborgen van de veiligheid van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die reeds in de handel zijn gebracht, geeft de Commissie de betrokken goedkeuringsinstanties de opdracht alle certificaten die ten onrechte zijn afgegeven binnen een redelijke termijn te schorsen of in te trekken.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Online gegevensbank
1.   De Commissie brengt een online gegevensbank tot stand voor de beveiligde elektronische uitwisseling van informatie over typegoedkeuringsprocedures, verleende goedkeuringen, markttoezicht en andere relevante activiteiten tussen nationale typegoedkeuringsinstanties, markttoezichtautoriteiten en de Commissie.
2.   De Commissie is bevoegd voor de coördinatie met de desbetreffende autoriteiten van de toegang en de ontvangst van regelmatige updates en voor gegevensbescherming en vertrouwelijkheid met betrekking tot de documentatie die in de gegevensbank wordt bijgehouden.
3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de uit hoofde van artikel 25 vereiste informatie in de gegevensbank terechtkomt. Bovendien verstrekken de lidstaten nadere gegevens over het voertuigidentificatienummer van ingeschreven voertuigen en het kentekennummer dat aan een voertuig is toegewezen overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad1 bis en bezorgen ze de Commissie op regelmatige basis bijgewerkte gegevens. Deze informatie wordt beschikbaar gesteld in een doorzoekbaar formaat.
4.   De Commissie brengt een interface tot stand tussen de gegevensbank en het Uniesysteem voor snelle uitwisseling van informatie (Rapex) en het Informatie- en communicatiesysteem voor markttoezicht (ICSMS) om markttoezichtactiviteiten te vergemakkelijken en te zorgen voor coördinatie, consistentie en juistheid van de aan consumenten en derden verstrekte informatie.
5.   De Commissie brengt tevens een openbaar toegankelijke interface tot stand met de in bijlage IX vermelde informatie en nadere gegevens over de goedkeuringsinstantie die het typegoedkeuringscertificaat afgeeft uit hoofde van artikel 24 en de technische diensten die de uit hoofde van artikel 28 vereiste tests hebben uitgevoerd. De Commissie zorgt ervoor dat deze informatie beschikbaar is in een doorzoekbaar formaat.
De Commissie zorgt tevens voor toegang tot informatie die nodig is voor controletests, overeenkomstig de uit hoofde van artikel 9, lid 4 vastgestelde uitvoeringshandelingen.
6.   In het kader van de gegevensbank ontwikkelt de Commissie een instrument om testresultaten van derde partijen en klachten over de prestaties van voertuigen, systemen, onderdelen en andere technische eenheden te kunnen uploaden. Informatie die via dit instrument wordt ingediend, wordt in aanmerking genomen met betrekking tot markttoezichtactiviteiten als bedoeld in de artikelen 8 en 9.
7.   Om te testen of het gebruik van het IMI geschikt is voor de uitwisseling van gegevens op basis van dit artikel wordt er uiterlijk op ...[3 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] een proefproject opgezet.
__________________
1 bis Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB L 138 van 1.6.1999, blz. 57).
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1
1.  De fabrikant zorgt ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die hij heeft geproduceerd en die in de handel of het verkeer zijn gebracht, overeenkomstig de voorschriften van deze verordening zijn geproduceerd en goedgekeurd.
1.  De fabrikant zorgt ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in de handel of het verkeer zijn gebracht overeenkomstig de voorschriften van deze verordening zijn geproduceerd en goedgekeurd en dat zij blijven voldoen aan deze voorschriften, ongeacht de gebruikte testmethode.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
De fabrikant is jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de conformiteit van de productie, ongeacht de gebruikte testmethode.
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 4
4.  Een fabrikant die buiten de Unie is gevestigd, wijst voor EU-typegoedkeuring één binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan om hem voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen. Die fabrikant wijst eveneens één binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan voor het markttoezicht; dit kan dezelfde vertegenwoordiger zijn die voor EU-typegoedkeuring is aangewezen.
4.  Een fabrikant van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die buiten de Unie is gevestigd, wijst voor EU-typegoedkeuring één binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan om hem voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen. Die fabrikant wijst eveneens één binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan voor het markttoezicht; dit kan dezelfde vertegenwoordiger zijn die voor EU-typegoedkeuring is aangewezen.
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Bij het indienen van een aanvraag om EU-typegoedkeuring moet de fabrikant garanderen dat in het ontwerp van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden geen strategieën of andere middelen zijn ingebouwd die de prestaties gedurende de toepasselijke testprocedures onnodig wijzigen wanneer die voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden bediend in omstandigheden die bij normale bediening en normaal gebruik redelijkerwijs te verwachten zouden zijn.
De fabrikant vermeldt eventuele motorbesturingsstrategieën die kunnen worden ingezet, met behulp van ofwel hardware, ofwel software. De fabrikant vermeldt alle relevante informatie met betrekking tot dergelijke besturingsstrategieën, met inbegrip van de gebruikte software, de parameters van dergelijke strategieën en de technische motivering waarom ze noodzakelijk zijn.
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 5
5.   De fabrikant is jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de conformiteit van de productie, ongeacht of hij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid betrokken is.
Schrappen
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   Om het milieu en de gezondheid en veiligheid van de consument te beschermen, onderzoekt de fabrikant klachten en gevallen van non-conformiteit met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken die hij in de handel heeft gebracht, houdt hij hiervan een register bij en houdt hij zijn importeurs en distributeurs van dergelijk toezicht op de hoogte.
Als het aantal klachten en gevallen van non-conformiteit betreffende veiligheids- of emissie-apparatuur meer dan 30 bedraagt of 1 procent betreft van het totale aantal voertuigen (de laagste waarde geldt), systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken van een bepaald type, een bepaalde variant en/of versie die in de handel zijn gebracht, wordt er onverwijld gedetailleerde informatie toegezonden aan de desbetreffende goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor het voertuig, systeem, onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of uitrustingsstuk, alsook aan de Commissie.
De informatie bevat een beschrijving van het probleem en de nodige details om het type, de variant en versie van het voertuig, systeem, onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of uitrustingsstuk in kwestie te identificeren. Deze gegevens van vroegtijdige waarschuwing worden gebruikt om mogelijke trends te ontdekken in klachten van consumenten en om na te gaan of er terugroepingen door de fabrikant en markttoezichtactiviteiten door de lidstaten en de Commissie nodig zijn.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.   De fabrikant verzekert dat de gebruiker van het voertuig, na voorafgaande kennisgeving, akkoord gaat met het verwerken en doorzenden van alle gegevens die tijdens het gebruik van het voertuig worden gegenereerd, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad1 bis. Indien het verwerken en doorzenden van gegevens niet verplicht is voor de veilige werking van het voertuig, moet de fabrikant ervoor zorgen dat de gebruiker van het voertuig de mogelijkheid heeft de gegevensoverdracht uit te schakelen en dat dit op eenvoudige wijze kan worden gedaan.
__________________
1 bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1 – alinea 1
Een fabrikant die van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid of een voertuigdeel of uitrustingsstuk dat of die in de handel of het verkeer is gebracht, niet overeenstemt met deze verordening of dat de typegoedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, neemt onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel of die technische eenheid, of dat voertuigdeel of uitrustingsstuk conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.
Indien een fabrikant van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid of een voertuigdeel of uitrustingsstuk dat of die in de handel of het verkeer is gebracht, niet overeenstemt met deze verordening of dat de typegoedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, neemt de fabrikant onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel of die technische eenheid, of dat voertuigdeel of uitrustingsstuk conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, verstrekt de fabrikant de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk op de markt is aangeboden of in het verkeer is gebracht, onmiddellijk gedetailleerde informatie over de non-conformiteit en over eventuele genomen maatregelen.
2.  Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, verstrekt de fabrikant de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk op de markt is aangeboden of in het verkeer is gebracht, onmiddellijk gedetailleerde informatie over de non-conformiteit en over het risico en over eventuele genomen maatregelen.
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3 – alinea 1
De fabrikant bewaart het in artikel 24, lid 4, bedoelde informatiepakket gedurende tien jaar nadat een voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht.
De fabrikant bewaart het in artikel 24, lid 4, bedoelde informatiepakket en daarnaast houdt de voertuigfabrikant ook een kopie van de in artikel 34 bedoelde conformiteitscertificaten ter beschikking van de goedkeuringsinstanties, en dit gedurende tien jaar na het verstrijken van de geldigheidsduur van de EU-typegoedkeuring van een voertuig en gedurende vijf jaar na het verstrijken van de geldigheidsduur van de EU-typegoedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid.
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3 – alinea 2
De voertuigfabrikant houdt een kopie van de in artikel 34 vermelde conformiteitscertificaten ter beschikking van de goedkeuringsinstanties.
Schrappen
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – alinea 1
De fabrikant verstrekt op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan deze autoriteit via de goedkeuringsinstantie een kopie van het EU-typegoedkeuringscertificaat of de in artikel 55, lid 1, bedoelde vergunning waaruit de conformiteit van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid blijkt, in een taal die deze nationale autoriteit gemakkelijk kan begrijpen.
De fabrikant verstrekt op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit of de Commissie aan deze autoriteit of de Commissie via de goedkeuringsinstantie een kopie van het EU-typegoedkeuringscertificaat of de in artikel 55, lid 1, bedoelde vergunning waaruit de conformiteit van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk blijkt, in een taal die gemakkelijk te begrijpen is.
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – alinea 2
Op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit verleent de fabrikant medewerking aan overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 genomen maatregelen om de risico's van het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk dat hij op de markt heeft aangeboden, te elimineren.
Op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit of van de Commissie verleent de fabrikant medewerking aan deze autoriteit of de Commissie met betrekking tot overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 genomen maatregelen om de risico's van het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk dat hij op de markt heeft aangeboden, te elimineren.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – titel
Verplichtingen van vertegenwoordigers van fabrikanten met betrekking tot markttoezicht
Verplichtingen van vertegenwoordigers van fabrikanten
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1 – inleidende formule
1.  De vertegenwoordiger van de fabrikant op het gebied van markttoezicht voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. Dit mandaat voorziet erin dat de vertegenwoordiger ten minste:
1.  De vertegenwoordiger van de fabrikant voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. Dit mandaat voorziet erin dat de vertegenwoordiger ten minste:
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1 – letter 2
a)  toegang heeft tot het in artikel 22 bedoelde informatiedossier en het in artikel 34 bedoelde conformiteitscertificaat in een officiële taal van de Unie. Die documenten worden gedurende tien jaar nadat een voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, ter beschikking van de goedkeuringsinstanties gesteld;
a)  toegang heeft tot het typegoedkeuringscertificaat inclusief bijlagen en het conformiteitscertificaat in een officiële taal van de Unie. Die documenten worden gedurende tien jaar nadat een voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, ter beschikking van de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten gesteld;
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1 – letter b
b)  op een met redenen omkleed verzoek van een goedkeuringsinstantie aan deze instantie alle benodigde informatie en documentatie verstrekt om de conformiteit van de productie van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan te tonen;
b)  op een met redenen omkleed verzoek van een goedkeuringsinstantie aan deze instantie alle benodigde informatie en documentatie verstrekt om de conformiteit van de productie van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan te tonen, waaronder alle technische specificaties bij de typegoedkeuring en toegang tot software en algoritmen;
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3 – inleidende formule
3.  In de details van een verandering wordt ten minste het volgende vermeld:
3.  In de details van een verandering van het mandaat wordt ten minste het volgende vermeld:
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1
Voordat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarvoor typegoedkeuring is verleend, in de handel wordt gebracht, verifieert de importeur dat de goedkeuringsinstantie een informatiepakket zoals bedoeld in artikel 24, lid 4, heeft samengesteld en dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid van het voorgeschreven typegoedkeuringsmerk is voorzien en aan artikel 11, lid 7, voldoet.
Voordat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarvoor typegoedkeuring is verleend, in de handel wordt gebracht, verifieert de importeur dat hiervoor een geldig typegoedkeuringscertificaat voorhanden is en dat het onderdeel of de technische eenheid van het voorgeschreven typegoedkeuringsmerk is voorzien en aan artikel 11, lid 7, voldoet.
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3
3.  Wanneer de importeur van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform de voorschriften van deze verordening is, en met name niet overeenstemt met de typegoedkeuring ervan, mag hij dit voertuig, dit systeem, dit onderdeel of deze technische eenheid niet in de handel brengen, in het verkeer laten brengen of registreren totdat het conform is gemaakt. Als hij van mening is dat het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengt hij de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte. Wat betreft voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor typegoedkeuring is verleend, brengt hij ook de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, op de hoogte.
3.  Wanneer de importeur van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform de voorschriften van deze verordening is, en met name niet overeenstemt met de typegoedkeuring ervan, mag de importeur dit voertuig, dit systeem, dit onderdeel of deze technische eenheid niet in de handel brengen, in het verkeer laten brengen of registreren totdat het conform is gemaakt. Als hij van mening is dat het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengt de importeur de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte. Wat betreft voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor typegoedkeuring is verleend, brengt hij ook de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, op de hoogte.
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 6
6.  Om de gezondheid en veiligheid van de consument te beschermen, onderzoekt de importeur klachten en terugroepingen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken die hij in de handel heeft gebracht en houdt hij een register van die klachten en terugroepingen bij, en houdt hij zijn distributeurs van dergelijk toezicht op de hoogte.
6.  Om de gezondheid en veiligheid van de consument te beschermen, onderzoekt de importeur klachten, gevallen van non-conformiteit en terugroepingen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken die hij in de handel heeft gebracht en houdt hij hiervan een register bij, en houdt hij zijn distributeurs van dergelijk klachten en terugroepingen op de hoogte.
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De importeur stelt de fabrikant in kwestie onmiddellijk in kennis van klachten en meldingen met betrekking tot risico's, vermoedelijke incidenten of gevallen van non-conformiteit met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken die hij in de handel heeft gebracht.
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 1
1.  Wanneer een importeur van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die door de importeur in de handel is gebracht, niet overeenstemt met deze verordening, neemt de importeur onmiddellijk passende maatregelen om dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.
1.  Wanneer een importeur van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die door de importeur in de handel is gebracht, niet overeenstemt met deze verordening, neemt de importeur onmiddellijk passende maatregelen om dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel of die technische eenheid onder toezicht van de fabrikant conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. De importeur stelt ook de fabrikant en de typegoedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend in kennis.
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2 – alinea 1
Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, verstrekt de importeur de fabrikant, de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid in de handel is gebracht, onmiddellijk gedetailleerde informatie over dit risico.
Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk dat of die in de handel is gebracht een ernstig risico vormt, verstrekt de importeur de fabrikant, de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid in de handel is gebracht, onmiddellijk gedetailleerde informatie over dit risico.
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – alinea 1
Voordat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid op de markt wordt aangeboden, wordt geregistreerd of in het verkeer wordt gebracht, verifieert de distributeur of het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voorzien is van de vereiste voorgeschreven plaat of het vereiste typegoedkeuringsmerk, vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten en van de bij artikel 63 vereiste instructies en veiligheidsinformatie in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaat en of de importeur en de fabrikant hebben voldaan aan de in artikel 11, lid 7, en artikel 14, lid 4, vastgestelde voorschriften.
1.   Voordat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid op de markt wordt aangeboden, wordt geregistreerd of in het verkeer wordt gebracht, verifieert de distributeur of het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voorzien is van de vereiste voorgeschreven plaat of het vereiste typegoedkeuringsmerk, vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten en van de bij artikel 63 vereiste instructies en veiligheidsinformatie in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaat en of de importeur en de fabrikant hebben voldaan aan de in artikel 11, lid 7, en artikel 14, lid 4, vastgestelde voorschriften.
2.   Om het milieu en de gezondheid en veiligheid van de consument te beschermen, onderzoekt de distributeur klachten en gevallen van non-conformiteit met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken die hij in de handel heeft gebracht. Bovendien worden alle klachten en/of gevallen van non-conformiteit met betrekking tot milieu- of veiligheidsaspecten van het voertuig onverwijld aan de importeur of fabrikant meegedeeld.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1
1.  Wanneer de distributeur van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform de voorschriften van deze verordening is, mag hij dit voertuig, dit systeem, dit onderdeel of deze technische eenheid niet op de markt aanbieden, registeren of in het verkeer brengen totdat het of zij conform is gemaakt.
1.  Wanneer de distributeur van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform de voorschriften van deze verordening is, stelt de distributeur de fabrikant, de importeur en de typegoedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend hiervan in kennis en mag hij dit voertuig, dit systeem, dit onderdeel of deze technische eenheid niet in de handel brengen, registeren of in het verkeer brengen totdat het of zij conform is gemaakt.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2
2.  Een distributeur die van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die hij op de markt heeft aangeboden, niet in overeenstemming met deze verordening is, stelt de fabrikant of de importeur hiervan in kennis om te waarborgen dat overeenkomstig artikel 12, lid 1, of artikel 15, lid 1, passende maatregelen worden genomen om dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.
2.  Indien een distributeur van mening is dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die hij op de markt heeft aangeboden, niet in overeenstemming met deze verordening is, stelt de distributeur de fabrikant, de importeur en de typegoedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend hiervan in kennis om te waarborgen dat overeenkomstig artikel 12, lid 1, of artikel 15, lid 1, passende maatregelen worden genomen om dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3
3.  Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, verstrekt de distributeur de fabrikant, de importeur, de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid op de markt is aangeboden, onmiddellijk gedetailleerde informatie over dit ernstige risico. De distributeurs brengen hen eveneens op de hoogte van alle ondernomen acties, waarbij zij in het bijzonder de ernst van het risico en alle door de fabrikant genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijven.
3.  Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, verstrekt de distributeur de fabrikant, de importeur, de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid op de markt is aangeboden, onmiddellijk gedetailleerde informatie over dit ernstige risico. De distributeurs brengen hen eveneens op de hoogte van alle ondernomen acties, waarbij zij alle door de fabrikant genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijven.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4
4.  Op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit verleent de distributeur medewerking aan overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 door die autoriteit genomen maatregelen om de risico's van het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk dat of die hij op de markt heeft aangeboden, te elimineren.
4.  Op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit of van de Commissie verleent de distributeur medewerking aan deze autoriteit of de Commissie met betrekking tot overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 genomen maatregelen om de risico's van het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk dat of die hij op de markt heeft aangeboden, te elimineren.
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2
2.  Voor typegoedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid is alleen de eenstapstypegoedkeuring van toepassing.
2.  Onverminderd de voorschriften van de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen is voor typegoedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid alleen de eenstapstypegoedkeuring van toepassing.
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 4
4.  De EU-typegoedkeuring voor de laatste voltooiingsfase wordt pas verleend nadat de goedkeuringsinstantie heeft geverifieerd dat het voertuigtype waarvoor tijdens de laatste fase een typegoedkeuring was verleend op dat moment voldoet aan alle toepasselijke technische voorschriften. Verificatie houdt in dat een documentencontrole wordt uitgevoerd voor alle voorschriften van een EU-typegoedkeuring voor een incompleet voertuigtype die tijdens een meerfasenprocedure is verleend, zelfs als deze is verleend voor een andere voertuigcategorie.
4.  De EU-typegoedkeuring voor de laatste voltooiingsfase wordt pas verleend nadat de goedkeuringsinstantie heeft geverifieerd dat het voertuigtype waarvoor tijdens de laatste fase een typegoedkeuring was verleend op dat moment voldoet aan alle toepasselijke technische voorschriften, in overeenstemming met de in bijlage XVII vastgelegde procedures. Verificatie houdt in dat een documentencontrole wordt uitgevoerd voor alle voorschriften van een EU-typegoedkeuring voor een incompleet voertuigtype die tijdens een meerfasenprocedure is verleend, onder meer als deze is verleend voor een andere voertuigcategorie. Het houdt ook in dat wordt geverifieerd of de prestaties van de systemen waarvoor een afzonderlijke typegoedkeuring werd verleend nog steeds conform deze typegoedkeuringen zijn nadat zij in een geheel voertuig zijn ingebouwd.
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 5
5.  De in lid 1 genoemde keuze voor een bepaalde goedkeuringsprocedure heeft geen gevolgen voor de toepasselijke inhoudelijke voorschriften waaraan het goedgekeurde voertuigtype bij de afgifte van de typegoedkeuring van een geheel voertuig moet voldoen.
5.  De in lid 1 genoemde keuze voor een bepaalde goedkeuringsprocedure heeft geen gevolgen voor alle toepasselijke voorschriften waaraan het goedgekeurde voertuigtype bij de afgifte van de typegoedkeuring van een geheel voertuig moet voldoen.
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie het aantal voertuigen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking dat volgens de relevante regelgevingshandelingen nodig is voor het verrichten van de voorgeschreven tests.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2
2.  Voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend.
2.  Voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend. Zodra de aanvraag is ingediend, is het de fabrikant niet toegestaan de procedure te onderbreken en een aanvraag voor hetzelfde type in te dienen bij een andere goedkeuringsinstantie of een andere technische dienst. Als de typegoedkeuring wordt geweigerd of de test in een technische dienst niet wordt doorstaan, is het de fabrikant bovendien niet toegestaan een aanvraag voor hetzelfde type in te dienen bij een andere goedkeuringsinstantie of een andere technische dienst.
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – letter a
a)  een informatiedocument, zoals opgenomen in bijlage I voor eenstaps- of gemengde typegoedkeuring of zoals opgenomen in bijlage III voor stapsgewijze typegoedkeuring;
a)  een informatiedocument, zoals opgenomen in bijlage I voor eenstaps- of gemengde typegoedkeuring van gehele voertuigen of zoals opgenomen in bijlage III voor stapsgewijze typegoedkeuring van gehele voertuigen of in de desbetreffende regelgevingshandelingen in het geval van de goedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid;
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – letter d
d)  alle aanvullende informatie waar de goedkeuringsinstantie in het kader van de aanvraagprocedure om vraagt.
d)  alle aanvullende informatie waar de goedkeuringsinstantie in het kader van de typegoedkeuringsprocedure om vraagt.
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 2
2.  Het informatiedossier wordt verstrekt in een door de Commissie voorziene elektronische vorm, maar mag ook op papier worden geleverd.
2.  Het informatiedossier wordt verstrekt in een elektronische vorm.
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1
Een aanvraag om stapsgewijze typegoedkeuring gaat, naast het in artikel 22 vermelde informatiedossier, vergezeld van alle EU-typegoedkeuringscertificaten, met inbegrip van de testrapporten, die overeenkomstig de in bijlage IV vermelde toepasselijke regelgevingshandelingen vereist zijn.
Een aanvraag om stapsgewijze typegoedkeuring gaat, naast het in artikel 22 vermelde informatiedossier, vergezeld van alle EU-typegoedkeuringscertificaten, met inbegrip van de testrapporten en documenten die informatie bevatten, die overeenkomstig de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen vereist zijn.
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – alinea 2
Bij een aanvraag om typegoedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid krachtens de toepasselijke in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het informatiedossier totdat de typegoedkeuring van het gehele voertuig is verleend of geweigerd.
Bij een aanvraag om typegoedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid krachtens de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het informatiedossier en de informatiedocumenten totdat de typegoedkeuring van het gehele voertuig is verleend of geweigerd.
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2 – alinea 1
Een aanvraag om gemengde typegoedkeuring gaat, naast het in artikel 22 vermelde informatiedossier, vergezeld van de EU-typegoedkeuringscertificaten, met inbegrip van de testrapporten, die overeenkomstig de in bijlage IV vermelde toepasselijke regelgevingshandelingen vereist zijn.
Een aanvraag om gemengde typegoedkeuring gaat, naast het in artikel 22 vermelde informatiedossier, vergezeld van de EU-typegoedkeuringscertificaten, met inbegrip van de testrapporten en informatiedocumenten, die overeenkomstig de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen vereist zijn.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3 – alinea 1 – letter a
a)  in de eerste fase: de delen van het informatiedossier en van de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de voltooiingsfase waarin het basisvoertuig zich bevindt;
a)  in de eerste fase: de delen van het informatiedossier en van de EU-typegoedkeuringscertificaten en testrapporten die relevant zijn voor de voltooiingsfase waarin het basisvoertuig zich bevindt;
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3 – alinea 1 – letter b
b)  in de tweede en daaropvolgende fasen: de delen van het informatiedossier en de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de lopende bouwfase, samen met een kopie van het in de vorige bouwfase voor het voertuig afgegeven EU-typegoedkeuringscertificaat en alle gegevens over eventuele wijzigingen of toevoegingen die de fabrikant aan het voertuig heeft aangebracht.
b)  in de tweede en daaropvolgende fasen: de delen van het informatiedossier en de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de lopende bouwfase, samen met een kopie van het in de vorige bouwfase voor het voertuig afgegeven EU-typegoedkeuringscertificaat voor gehele voertuigen en alle gegevens over eventuele wijzigingen of toevoegingen die de fabrikant aan het voertuig heeft aangebracht.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3 – alinea 2
De onder a) en b) genoemde informatie mag overeenkomstig artikel 22, lid 2, worden verstrekt.
De onder a) en b) genoemde informatie wordt overeenkomstig artikel 22, lid 2, verstrekt.
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4 – alinea 1
De goedkeuringsinstantie en de technische diensten hebben toegang tot de software en algoritmen van het voertuig.
De goedkeuringsinstantie en de technische diensten hebben toegang tot de software, hardware en algoritmen van het voertuig, vergezeld van documentatie of andere informatie die hen in staat stellen tot op een passend en relevant niveau inzicht te krijgen in de systemen – waaronder het proces van systeemontwikkeling en het systeemconcept – en functies van dergelijke software en hardware waarmee het voertuig in conformiteit kan worden gesteld met de voorschriften van deze verordening.
Tijdens de geldigheidsduur van de EU-typegoedkeuring wordt er toegang verleend tot de software, hardware en algoritmen van het voertuig zodat bij periodieke controles kan worden geverifieerd of aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van het typegoedkeuringscertificaat en indien dit certificaat niet wordt verlengd, wordt er op verzoek nog steeds toegang verleend. De voor deze specifieke doeleinden bekend te maken informatie mag niet van dien aard zijn dat de vertrouwelijkheid van gepatenteerde informatie en intellectuele eigendom in het gedrang komt. Op het moment van de aanvraag om typegoedkeuring deelt de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie en de technische dienst in gestandaardiseerde vorm mee welke versie van de software voor veiligheidssystemen en -onderdelen is gebruikt en welke instellingen of andere ijkingen zijn toegepast op de emissiegerelateerde systemen en onderdelen. Om latere illegale wijzigingen in de software te kunnen opsporen, heeft de technische dienst het recht de software te markeren door overeenkomstige parameters in te stellen.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2 – letter d
d)  bij typegoedkeuringen van gehele voertuigen volgens de stapsgewijze, gemengde of meerfasentypegoedkeuringsprocedure verifieert de goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 20, lid 4, dat voor de systemen, onderdelen en technische eenheden afzonderlijke typegoedkeuringen zijn verleend krachtens de voorschriften die bij het verlenen van de typegoedkeuring van het gehele voertuig van toepassing waren.
d)  bij typegoedkeuringen van gehele voertuigen volgens de stapsgewijze, gemengde of meerfasentypegoedkeuringsprocedure verifieert de goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 20, lid 4, dat voor de systemen, onderdelen en technische eenheden afzonderlijke geldige typegoedkeuringen zijn verleend krachtens de voorschriften die bij het verlenen van de typegoedkeuring van het gehele voertuig van toepassing waren.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 4 – alinea 2
Het informatiepakket bevat een inhoudsopgave waarin alle paginanummers en het formaat van alle documenten duidelijk worden aangegeven en het beheer van de EU-typegoedkeuring chronologisch is vastgelegd.
Het informatiepakket mag in elektronische vorm worden bijgehouden en bevat een inhoudsopgave waarin alle paginanummers en het formaat van alle documenten duidelijk worden aangegeven en het beheer van de EU-typegoedkeuring chronologisch is vastgelegd.
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5
5.  De goedkeuringsinstantie weigert EU-typegoedkeuring te verlenen indien zij van oordeel is dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, ook al voldoet het of zij aan de toepasselijke voorschriften, een ernstig risico voor de veiligheid vormt dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kan schaden. In dat geval zendt zij de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk een gedetailleerd dossier toe met opgave van de redenen voor haar besluit en bewijsmateriaal voor haar bevindingen.
5.  De goedkeuringsinstantie weigert EU-typegoedkeuring te verlenen indien zij van oordeel is dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, ook al voldoet het of zij aan de toepasselijke voorschriften, een risico voor de veiligheid vormt dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kan schaden. In dat geval zendt zij de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk een gedetailleerd dossier toe met opgave van de redenen voor haar besluit en bewijsmateriaal voor haar bevindingen.
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 6 – alinea 1
Bij stapsgewijze, gemengde en meerfasentypegoedkeuring weigert de goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 20, leden 4 en 5, om EU-typegoedkeuring te verlenen indien zij constateert dat systemen, onderdelen of technische eenheden niet voldoen aan de voorschriften van deze verordening of van de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen.
Bij stapsgewijze, gemengde en meerfasentypegoedkeuring weigert de goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 20 om EU-typegoedkeuring te verlenen indien zij constateert dat systemen, onderdelen of technische eenheden niet voldoen aan de voorschriften van deze verordening of van de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen.
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1
1.  Binnen een maand na het afgeven of wijzigen van het EU-typegoedkeuringscertificaat zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie een kopie toe van het EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen en de in artikel 23 bedoelde testrapporten, voor ieder type voertuig, systeem, onderdeel en technische eenheid waarvoor zij goedkeuring heeft verleend. Die kopie wordt verzonden door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens of in de vorm van een beveiligd elektronisch bestand.
1.  Binnen een maand na het afgeven of wijzigen van het EU-typegoedkeuringscertificaat dient de goedkeuringsinstantie bij de online gegevensbank van informatie in bestaande uit het EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen en de in artikel 23 bedoelde testrapporten, voor ieder type voertuig, systeem, onderdeel en technische eenheid waarvoor zij goedkeuring heeft verleend.
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3
3.   Op verzoek van een goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat of van de Commissie zendt de goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, de eerstgenoemde instantie binnen een maand na ontvangst van dat verzoek via een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor elektronische gegevensuitwisseling of in de vorm van een beveiligd elektronisch bestand een kopie toe van het gevraagde EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen.
Schrappen
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 4
4.  De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de door haar geweigerde of ingetrokken goedkeuringen van voertuigen, met opgave van de redenen voor haar besluit.
4.  De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de door haar geweigerde of ingetrokken goedkeuringen van voertuigen, met opgave van de redenen voor haar besluit. De goedkeuringsinstantie werkt deze informatie ook bij in de online gegevensbank.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 1 – letter d
d)  in het geval van een typegoedkeuring van een geheel voertuig, een ingevuld exemplaar van het conformiteitscertificaat.
d)  in het geval van een typegoedkeuring van een geheel voertuig, een ingevuld exemplaar van het conformiteitscertificaat van het voertuigtype.
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1
1.  Door middel van overeenkomstig de desbetreffende regelgevingshandelingen in bijlage IV door aangewezen technische diensten uitgevoerde passende tests wordt aangetoond dat aan de technische voorschriften van deze verordening en van de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen is voldaan.
1.  Met het oog op EU-typegoedkeuringen controleert de goedkeuringsinstantie of aan de technische voorschriften van deze verordening en van de in bijlage IV vermelde relevante regelgevingshandelingen is voldaan door middel van geschikte tests die door aangewezen technische diensten worden uitgevoerd.
De indeling van de testrapporten voldoet aan de algemene voorschriften zoals vastgelegd in aanhangsel 3 bij bijlage V.
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2
2.  De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking die volgens de in bijlage IV vermelde desbetreffende regelgevingshandelingen nodig zijn voor de uitvoering van de voorgeschreven tests.
2.  De fabrikant stelt de betrokken technische diensten en de goedkeuringsinstantie de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking die volgens de in bijlage IV vermelde desbetreffende regelgevingshandelingen nodig zijn voor de uitvoering van de voorgeschreven tests.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De voorgeschreven tests worden uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage IV vermelde desbetreffende regelgevingshandelingen. Indien in de door de desbetreffende regelgevingshandelingen vastgestelde testprocedures een reeks waarden wordt vermeld, zijn de technische diensten bevoegd om de parameters en voorwaarden die worden gebruikt voor de uitvoering van de geschikte tests als bedoeld in lid 1 vast te stellen. In het geval van typegoedkeuring van het gehele voertuig zorgen de autoriteiten ervoor dat de voor de tests geselecteerde voertuigen representatief zijn voor de slechtst denkbare situatie wat naleving van de respectieve criteria betreft, en dat de selectie van voertuigen niet zal leiden tot resultaten die systematisch afwijken van de prestaties wanneer die voertuigen worden bediend in omstandigheden die bij normale bediening en normaal gebruik redelijkerwijs te verwachten zouden zijn.
Amendement 348
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.   Om te controleren of artikel 3, lid 10, en artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 715/2007 worden nageleefd, kunnen de Commissie, de typegoedkeuringsinstanties en de technische diensten afwijken van de standaardtestprocedures en -waarden, wijzigen zij de omstandigheden en parameters op niet-voorspelbare wijze en kunnen zij met name ook verder gaan dan de waarden en procedures die worden voorgeschreven in de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen.
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2
2.  Een goedkeuringsinstantie die typegoedkeuring voor een geheel voertuig heeft verleend, verifieert dat een statistisch relevante steekproef van voertuigen en conformiteitscertificaten voldoet aan de artikelen 34 en 35 en verifieert of de gegevens in de conformiteitscertificaten correct zijn.
2.  Een goedkeuringsinstantie die typegoedkeuring voor een geheel voertuig heeft verleend, verifieert dat een toereikende en statistisch relevante steekproef van voertuigen en conformiteitscertificaten voldoet aan de artikelen 34 en 35 en verifieert of de gegevens in de conformiteitscertificaten correct zijn.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4
4.  Om te verifiëren dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid conform het goedgekeurde type is, voert de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, de voor EU-typegoedkeuring vereiste controles of tests uit op monsters die in de bedrijfsruimten, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.
4.  Om te verifiëren dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid conform het goedgekeurde type is, voert de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, de voor EU-typegoedkeuring vereiste controles of tests uit op monsters die in de bedrijfsruimten, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen. De goedkeuringsinstantie verricht de eerste van deze controles binnen een jaar vanaf de datum van afgifte van de conformiteitscertificaten. De goedkeuringsinstantie verricht daarna ten minste eenmaal per jaar bijkomende controles, met willekeurige, door de goedkeuringsinstantie bepaalde tussenpozen.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Bij de uitvoering van controletests overeenkomstig de leden 2 en 4 wijst een goedkeuringsinstantie een andere technische dienst aan dan de dienst die de tests voor de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft uitgevoerd.
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 5
5.  Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend en vaststelt dat de fabrikant de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden niet langer conform het goedgekeurde type produceert, of vaststelt dat de conformiteitscertificaten niet langer voldoen aan de artikelen 34 en 35, hoewel de productie wordt voortgezet, neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de procedure voor de conformiteit van de productie correct wordt gevolgd of trekt te typegoedkeuring in.
5.  Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend en vaststelt dat de fabrikant de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden niet langer produceert conform het goedgekeurde type, de voorschriften van deze verordening of de voorschriften van de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen, of vaststelt dat de conformiteitscertificaten niet langer voldoen aan de artikelen 34 en 35, hoewel de productie wordt voortgezet, neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de regelingen voor de conformiteit van de productie correct worden gevolgd of trekt te typegoedkeuring in. De goedkeuringsinstantie kan besluiten alle nodige beperkende maatregelen te nemen overeenkomstig de artikelen 53 en 54.
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1
1.  De lidstaten zetten een nationale vergoedingsstructuur op om de kosten van hun typegoedkeurings- en markttoezichtactiviteiten te dekken, alsook die van de typegoedkeuringstests en tests en keuringen van de conformiteit van de productie, uitgevoerd door de technische diensten die zij hebben aangewezen.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de kosten van hun typegoedkeurings- en markttoezichtactiviteiten worden gedekt. De lidstaten kunnen een structuur op basis van vergoedingen invoeren of deze activiteiten financieren via hun nationale begroting, of ze kunnen een combinatie van beide methoden toepassen. Vergoedingen worden niet rechtstreeks door de technische diensten geheven.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 2
2.  Deze nationale vergoedingen worden geheven op de fabrikanten die een typegoedkeuringsaanvraag in de betrokken lidstaat hebben ingediend. De vergoedingen wordt niet direct door de technische diensten geheven.
2.  Indien er een structuur op basis van vergoedingen wordt ingevoerd, worden deze nationale vergoedingen geheven op de fabrikanten die een typegoedkeuringsaanvraag in de betrokken lidstaat hebben ingediend. Indien een structuur op basis van vergoedingen van toepassing is op conformiteit van de productie, worden deze nationale vergoedingen door de lidstaat geheven op de fabrikant in de lidstaat waar de productie plaatsvindt.
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3
3.  De nationale vergoedingsstructuur is ook bedoeld om de kosten te dekken van nalevingscontroles en -keuringen die de Commissie overeenkomstig artikel 9 verricht. Zij vormen externe bestemmingsontvangsten voor de algemene begroting van de Europese Unie overeenkomstig artikel 21, lid 4, van het Financieel Reglement26.
3.  De Commissie verzekert dat de kosten van de keuringen en tests die door de Commissie overeenkomstig artikel 9 worden opgelegd, worden gedekt. De algemene begroting van de Europese Unie wordt hiervoor gebruikt.
__________________
26 Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 4
4.  De lidstaten stellen de andere lidstaten en de Commissie in kennis van de details van de nationale vergoedingsstructuur. De eerste kennisgeving gebeurt op [de datum van inwerkingtreding van deze verordening + 1 jaar]. Daaropvolgende actualiseringen van de nationale vergoedingsstructuren worden jaarlijks aan de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld.
4.  De lidstaten stellen de andere lidstaten en de Commissie in kennis van de details van de financieringsregeling(en) die ze hanteren. De eerste kennisgeving gebeurt op [de datum van inwerkingtreding van deze verordening + 1 jaar]. Daaropvolgende actualiseringen van de nationale vergoedingsstructuren worden jaarlijks aan de andere lidstaten en de Commissie meegedeeld.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 5
5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen teneinde de in lid 3 bedoelde aanvulling die op de in lid 1 bedoelde nationale vergoedingen van toepassing zal zijn, te bepalen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
Schrappen
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 5
5.  Indien de typegoedkeuringsinstantie concludeert dat de veranderingen van de gegevens in het informatiepakket zodanig substantieel zijn dat zij niet onder een uitbreiding van de huidige typegoedkeuring kunnen vallen, weigert de typegoedkeuringsinstantie de EU-typegoedkeuring uit te breiden en verzoekt zij de fabrikant een nieuwe EU-typegoedkeuring aan te vragen.
5.  Indien de typegoedkeuringsinstantie concludeert dat de veranderingen van de gegevens in het informatiepakket niet onder een uitbreiding van de huidige typegoedkeuring kunnen vallen, weigert de typegoedkeuringsinstantie de EU-typegoedkeuring uit te breiden en verzoekt zij de fabrikant een nieuwe EU-typegoedkeuring aan te vragen.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 2 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)   uit de resultaten van de controletests door de Commissie of de markttoezichtautoriteiten blijkt dat er sprake is van non-conformiteit met de veiligheids- of milieuwetgeving van de Unie;
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 1
1.  Typegoedkeuringen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden verleend voor een beperkte periode van vijf jaar zonder mogelijkheid tot verlenging. De datum waarop de geldigheidsduur verstrijkt, wordt in het typegoedkeuringscertificaat vermeld. Na het verstrijken van de geldigheidsduur kan het typegoedkeuringscertificaat op aanvraag van de fabrikant worden vernieuwd en alleen indien de goedkeuringsinstantie heeft geverifieerd dat het type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan alle voorschriften van de desbetreffende regelgevingshandelingen voor nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden van dat type voldoet.
1.  Typegoedkeuringen van voertuigen van de categorieën M1 en N1 en van overeenkomstig lid 1 bis vermelde systemen, onderdelen en technische eenheden worden verleend voor een beperkte periode van zeven jaar, en voor voertuigen van de categorieën N2, N3, M2, M3 en O voor een beperkte periode van tien jaar. De datum waarop de geldigheidsduur verstrijkt, wordt in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.
Vóór het verstrijken van de geldigheidsduur kan het typegoedkeuringscertificaat op aanvraag van de fabrikant worden vernieuwd en alleen indien de goedkeuringsinstantie heeft geverifieerd dat het type voertuig als geheel aan alle voorschriften, met inbegrip van testprotocollen, van de desbetreffende regelgevingshandelingen voor nieuwe voertuigen van dat goedgekeurde type voldoet. Indien door de goedkeuringsinstantie wordt vastgesteld dat deze alinea van toepassing is, is het niet nodig de in artikel 28 bedoelde tests te herhalen.
Om de goedkeuringsinstantie in staat te stellen haar taken te vervullen, dient de fabrikant zijn aanvraag ten vroegste twaalf en ten laatste zes maanden voor de datum waarop de geldigheidsduur van het EU-typegoedkeuringscertificaat verstrijkt in.
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Typegoedkeuringen voor systemen, onderdelen en technische eenheden worden in beginsel verleend voor een onbeperkte periode. Aangezien bepaalde systemen, onderdelen en technische eenheden vanwege hun aard of technische kenmerken mogelijk frequenter moeten worden bijgewerkt, worden de desbetreffende typegoedkeuringen verleend voor een beperkte periode van zeven jaar. De Commissie heeft de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 88 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening waarin een lijst wordt vastgesteld van systemen, onderdelen en technische eenheden die vanwege de aard van deze systemen, onderdelen en technische eenheden slechts voor een beperkte periode typegoedkeuring mogen krijgen.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2 – letter b
b)  wanneer de productie van voertuigen conform het goedgekeurde voertuigtype vrijwillig definitief wordt stopgezet;
b)  wanneer de productie van voertuigen conform het goedgekeurde voertuigtype vrijwillig definitief wordt stopgezet, hetgeen hoe dan ook wordt geacht te hebben plaatsgevonden wanneer gedurende de voorafgaande twee jaar geen voertuig van het betreffende type is geproduceerd;
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 4
4.  De persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) om de conformiteitscertificaten te ondertekenen, zijn in dienst van de fabrikant en zijn naar behoren gemachtigd om volledig de wettelijke verantwoordelijkheid van de fabrikant te dragen ten aanzien van het ontwerp en de constructie of de conformiteit van de productie van het voertuig.
4.  De persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) om de conformiteitscertificaten te ondertekenen, zijn in dienst van de fabrikant en zijn naar behoren gemachtigd om de wettelijke verantwoordelijkheid van de fabrikant te dragen ten aanzien van het ontwerp en de constructie of de conformiteit van de productie van het voertuig.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 36 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Marktdeelnemers brengen alleen voertuigen, onderdelen of technische eenheden in de handel die conform deze verordening zijn gemerkt.
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 3
3.  Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de in lid 1 bedoelde regelgevingshandelingen niet zijn ondernomen, kan de Commissie via een besluit en op verzoek van de lidstaat die de voorlopige EU-typegoedkeuring heeft verleend, toestemming geven voor het uitbreiden van die voorlopige EU-typegoedkeuring. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
3.  Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de in lid 1 bedoelde regelgevingshandelingen niet zijn ondernomen, kan de Commissie via een besluit en op verzoek van de lidstaat die de voorlopige EU-typegoedkeuring heeft verleend, toestemming geven voor het uitbreiden van de geldigheid van die voorlopige EU-typegoedkeuring. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 2
2.  De lidstaten mogen beslissen om een in lid 1 bedoeld voertuigtype van een of meer van de in de in bijlage IV bedoelde regelgevingshandelingen vastgestelde inhoudelijke voorschriften vrij te stellen op voorwaarde dat die lidstaten relevante alternatieve voorschriften vaststellen.
2.  De lidstaten mogen beslissen om een in lid 1 bedoeld voertuigtype van een of meer van naleving van de in de in bijlage IV bedoelde regelgevingshandelingen vastgestelde voorschriften vrij te stellen op voorwaarde dat die lidstaten relevante alternatieve voorschriften vaststellen.
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Daarnaast moeten kmo's met een kleine productie die niet aan dezelfde termijnen kunnen voldoen als grote fabrikanten meer flexibiliteit krijgen.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – lid 3 – alinea 2 bis (nieuw)
Indien binnen de in de eerste alinea bedoelde termijn van drie maanden geen bezwaar is ingebracht, wordt de nationale typegoedkeuring geacht te zijn aanvaard.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 42 – lid 1
1.  De lidstaten verlenen individuele EU-goedkeuring van voertuigen voor een voertuig dat voldoet aan de voorschriften van bijlage IV, deel I, aanhangsel 2, of, in het geval van voertuigen voor speciale doeleinden, van bijlage IV, deel III.
1.  De lidstaten verlenen individuele EU-goedkeuring van voertuigen voor een voertuig dat voldoet aan de voorschriften van bijlage IV, deel I, aanhangsel 2, of, in het geval van voertuigen voor speciale doeleinden, van bijlage IV, deel III. Deze bepaling is niet van toepassing op incomplete voertuigen.
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 42 – lid 2
2.  Een aanvraag om individuele EU-goedkeuring van een voertuig wordt ingediend door de fabrikant of de eigenaar van het voertuig of door een vertegenwoordiger van de eigenaar, op voorwaarde dat die vertegenwoordiger in de Unie is gevestigd.
2.  Een aanvraag om individuele EU-goedkeuring van een voertuig wordt ingediend door de eigenaar van het voertuig, door de fabrikant of door een vertegenwoordiger van de fabrikant, op voorwaarde dat die vertegenwoordiger in de Unie is gevestigd.
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 1
1.  De lidstaten mogen beslissen om een specifiek voertuig, al dan niet uniek, vrij te stellen van de verplichting tot naleving van een of meer bepalingen van deze verordening of van de in bijlage IV bedoelde regelgevingshandelingen vastgestelde inhoudelijke voorschriften op voorwaarde dat die lidstaten relevante alternatieve voorschriften vaststellen.
1.  De lidstaten mogen beslissen om een specifiek voertuig, al dan niet uniek, vrij te stellen van de verplichting tot naleving van een of meer bepalingen van deze verordening of van de in bijlage IV bedoelde regelgevingshandelingen vastgestelde voorschriften op voorwaarde dat die lidstaten relevante alternatieve voorschriften vaststellen.
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 2
2.  Een aanvraag om nationale individuele goedkeuring van een voertuig wordt ingediend door de fabrikant of de eigenaar van het voertuig of door de vertegenwoordiger van de eigenaar, op voorwaarde dat die vertegenwoordiger in de Unie is gevestigd.
2.  Een aanvraag om nationale individuele goedkeuring van een voertuig wordt ingediend door de eigenaar van het voertuig, door de fabrikant of door de vertegenwoordiger van de fabrikant, op voorwaarde dat die vertegenwoordiger in de Unie is gevestigd.
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 6 – alinea 1
Het formaat van het certificaat van nationale individuele goedkeuring van een voertuig is gebaseerd op het model van het EU-typegoedkeuringscertificaat in bijlage VI en bevat ten minste de informatie die nodig is om de registratieaanvraag overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad28 in te dienen.
Het formaat van het certificaat van nationale individuele goedkeuring van een voertuig is gebaseerd op het model van het EU-typegoedkeuringscertificaat in bijlage VI en bevat ten minste de informatie als vermeld in het model van het EU-goedkeuringscertificaat individueel voertuig in bijlage VI.
__________________
28 Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB L 138 van 1.6.1999, blz. 57).
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 3
3.  Een lidstaat staat het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen toe van een voertuig waarvoor een andere lidstaat overeenkomstig artikel 43 een nationale individuele goedkeuring van een voertuig heeft verleend, tenzij die lidstaat redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de desbetreffende alternatieve voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan haar eigen voorschriften.
3.  Een lidstaat staat het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen toe van een voertuig waarvoor een andere lidstaat overeenkomstig artikel 43 een nationale individuele goedkeuring van een voertuig heeft verleend, tenzij die lidstaat redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de desbetreffende alternatieve voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan haar eigen voorschriften of dat het voertuig niet aan die voorschriften voldoet.
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1
1.  In het kader van een meerfasentypegoedkeuring kunnen de procedures van de artikelen 43 en 44 ook op een specifiek voertuig tijdens de opeenvolgende voltooiingsfasen worden toegepast.
1.  In het kader van een meerfasentypegoedkeuring kunnen de procedures van de artikelen 42 en 43 ook op een specifiek voertuig tijdens de opeenvolgende voltooiingsfasen worden toegepast. Op voertuigen die volgens een meerfasentypegoedkeuring zijn goedgekeurd, is bijlage XVII van toepassing.
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 2
2.  De procedures van de artikelen 43 en 44 mogen geen tussenliggende fase in het normale verloop van een meerfasentypegoedkeuring vervangen en mogen niet worden toegepast om de eerstefasegoedkeuring van een voertuig te verkrijgen.
2.  De procedures van de artikelen 42 en 43 vormen geen vervanging van een tussenliggende fase in het normale verloop van een meerfasentypegoedkeuring en zijn niet van toepassing om de eerstefasegoedkeuring van een voertuig te verkrijgen.
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel 46 – lid 1 – alinea 2
Incomplete voertuigen mogen op de markt worden aangeboden of in het verkeer worden gebracht, maar de voor voertuigregistratie bevoegde nationale autoriteiten kunnen de registratie en het gebruik ervan op de weg weigeren.
Incomplete voertuigen mogen op de markt worden aangeboden, maar de voor voertuigregistratie bevoegde nationale autoriteiten kunnen de registratie, het in het verkeer brengen en het gebruik ervan op de weg weigeren.
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 1 – alinea 2
De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich reeds op het grondgebied van de Unie bevonden en nog niet op de markt waren aangeboden, geregistreerd of in de het verkeer waren gebracht voordat de EU-typegoedkeuring ervan ongeldig werd.
De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich reeds op het grondgebied van de Unie bevonden en nog niet geregistreerd of in de het verkeer waren gebracht voordat de EU-typegoedkeuring ervan ongeldig werd.
Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 3 – alinea 1
Een fabrikant die voertuigen uit restantvoorraden overeenkomstig lid 1 op de markt wil aanbieden, wil registreren of in het verkeer wil brengen, dient daartoe een verzoek in bij de nationale autoriteit van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring had verleend. In dat verzoek worden de technische of economische redenen vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe typegoedkeuringsvoorschriften kunnen voldoen en worden de VIN's van de desbetreffende voertuigen vermeld.
Een fabrikant die voertuigen uit restantvoorraden overeenkomstig lid 1 op de markt wil aanbieden, wil registreren of in het verkeer wil brengen, dient daartoe een verzoek in bij de typegoedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring had verleend. In dat verzoek worden de technische of economische redenen vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe typegoedkeuringsvoorschriften kunnen voldoen en worden de VIN's van de desbetreffende voertuigen vermeld.
Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 3 – alinea 2
De betrokken nationale autoriteit besluit binnen drie maanden na ontvangst van dat verzoek of die voertuigen op het grondgebied van de betrokken lidstaat in de handel mogen worden gebracht, mogen worden geregistreerd en in het verkeer mogen worden gebracht, en bepaalt het aantal voertuigen waarvoor goedkeuring mag worden verleend.
De betrokken typegoedkeuringsinstantie besluit binnen drie maanden na ontvangst van dat verzoek of die voertuigen op het grondgebied van de betrokken lidstaat in de handel mogen worden gebracht, mogen worden geregistreerd en in het verkeer mogen worden gebracht, en bepaalt het aantal voertuigen waarvoor goedkeuring mag worden verleend.
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 4
4.  Alleen voertuigen uit restantvoorraden met een geldig conformiteitscertificaat dat gedurende ten minste drie maanden na de datum van afgifte geldig is gebleven, maar waarvoor de typegoedkeuring krachtens artikel 33, lid 2, onder a), ongeldig is geworden, mogen in de Unie op de markt worden aangeboden, worden geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.
4.  Alleen voertuigen uit restantvoorraden met een geldig conformiteitscertificaat dat gedurende ten minste drie maanden na de datum van afgifte geldig is gebleven, maar waarvoor de typegoedkeuring krachtens artikel 33, lid 2, onder a), ongeldig is geworden, mogen in de Unie worden geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – lid 6
6.  De lidstaten houden een register bij van de VIN's van de voertuigen waarvoor zij het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen overeenkomstig dit artikel hebben toegestaan.
6.  De lidstaten houden een register bij van de VIN's van de voertuigen die zij overeenkomstig dit artikel hebben geregistreerd of in het verkeer hebben gebracht.
Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – titel
Procedure op nationaal niveau voor de omgang met voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen
Nationale beoordeling met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden waarvan wordt vermoed dat ze een ernstig risico vormen of niet-conform zijn
Amendement 207
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 1
1.  Markttoezichtautoriteiten van een lidstaat die krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 en artikel 8 van deze verordening maatregelen hebben genomen of die voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die onder deze verordening valt, een ernstig risico vormt voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen, stellen de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, onverwijld in kennis van hun bevindingen.
1.  Indien de markttoezichtautoriteiten van één lidstaat op basis van markttoezichtactiviteiten of van via een goedkeuringsinstantie, fabrikanten of klachten verstrekte informatie redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die onder deze verordening valt, een ernstig risico vormt voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen, of niet conform de in deze verordening vastgestelde voorschriften is, verrichten die markttoezichtautoriteiten een beoordeling van het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid in kwestie waarin alle in deze verordening vastgestelde voorschriften aan bod komen. De betrokken marktdeelnemers verlenen de markttoezichtautoriteiten hun volledige samenwerking.
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – alinea 1
De in lid 1 bedoelde goedkeuringsinstantie voert een beoordeling uit van het desbetreffende voertuig, systeem, onderdeel of de desbetreffende technische eenheid met betrekking tot alle in deze verordening vastgestelde voorschriften. De betrokken marktdeelnemers verlenen volledige medewerking aan de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten.
Schrappen
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de risicobeoordeling van het product.
Amendement 210
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – alinea 3
Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in de tweede alinea genoemde beperkende maatregelen.
Schrappen
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 3
3.   De betrokken goedkeuringsinstantie stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de resultaten van de in lid 1 bedoelde beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer heeft verlangd.
Schrappen
Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 bis (nieuw)
Artikel 49 bis
Nationale procedure voor de omgang met voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen of niet-conform zijn
1.   Indien de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat na het verrichten van de beoordeling uit hoofde van artikel 49 tot de conclusie komen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid een ernstig risico vormt voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen, of niet conform deze verordening is, verplicht ze de desbetreffende marktdeelnemer onverwijld alle passende corrigerende maatregelen te nemen om te waarborgen dat het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid in kwestie op het moment van het in de handel brengen, registreren of in het verkeer brengen niet langer een risico vormt of niet-conform is.
2.   De marktdeelnemer zorgt er overeenkomstig de in de artikelen 11 tot en met 19 vermelde verplichtingen voor dat alle passende corrigerende maatregelen worden toegepast op alle desbetreffende voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die hij in de Unie in de handel heeft gebracht, heeft geregistreerd of in het verkeer heeft gebracht.
3.   Wanneer de marktdeelnemer niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt of wanneer het risico van dien aard is dat er snel moet worden gehandeld, nemen de nationale autoriteiten alle passende voorlopige beperkende maatregelen om het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen van de desbetreffende voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden op hun nationale markt te verbieden of te beperken, dan wel deze in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen.
Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in dit lid genoemde beperkende maatregelen.
Amendement 213
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – titel
Kennisgevings- en bezwaarprocedures met betrekking tot op nationaal niveau getroffen beperkende maatregelen
Corrigerende en beperkende maatregelen op Unieniveau
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 1 – alinea 1
De nationale autoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van de overeenkomstig artikel 49, leden 1 en 5, getroffen beperkende maatregelen op de hoogte.
De lidstaat die overeenkomstig artikel 50, leden 1 en 3, corrigerende maatregelen en beperkende maatregelen neemt, stelt de Commissie en de andere lidstaten hiervan onverwijld in kennis met behulp van het elektronisch systeem als bedoeld in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 765/2008. Die lidstaat stelt tevens de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend onverwijld op de hoogte van zijn bevindingen.
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 1 – alinea 2
De verstrekte informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dat of die niet conform is te identificeren en om de oorsprong, de aard van de beweerde non-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale beperkende maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die door de betrokken marktdeelnemer worden aangevoerd.
2.   De verstrekte informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid in kwestie te identificeren en om de oorsprong, de aard van de beweerde niet-naleving en/of het risico, en de aard en de duur van de nationale corrigerende en beperkende maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die door de betrokken marktdeelnemer worden aangevoerd. Ook wordt aangegeven of het risico te wijten is aan een van de volgende factoren:
a)   het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voldoet niet aan de voorschriften met betrekking tot de gezondheid of veiligheid van personen, de bescherming van het milieu of andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen;
b)   de in bijlage IV vermelde desbetreffende regelgevingshandelingen vertonen tekortkomingen.
Amendement 216
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2
2.   De in artikel 49, lid 1, bedoelde goedkeuringsinstantie vermeldt met name of de non-conformiteit een van de volgende redenen heeft:
Schrappen
a)   het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voldoet niet aan de voorschriften met betrekking tot de gezondheid of veiligheid van personen, de bescherming van het milieu of andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen;
b)   de in bijlage IV vermelde desbetreffende regelgevingshandelingen vertonen tekortkomingen.
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 3
3.   De lidstaten, met uitzondering van de lidstaat die de procedure heeft ingeleid, brengen de Commissie en de andere lidstaten binnen een maand na ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie op de hoogte van door hen genomen beperkende maatregelen en van aanvullende informatie waarover zij beschikken met betrekking tot de non-conformiteit van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid in kwestie, en van hun bezwaren indien zij met de gemelde nationale maatregel niet eens zijn.
Schrappen
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Indien binnen een maand na de in lid 1 bedoelde kennisgeving geen bezwaar tegen een corrigerende of beperkende maatregel van een lidstaat is ingebracht door een andere lidstaat of door de Commissie, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn. De andere lidstaten zorgen ervoor dat er onverwijld gelijkwaardige corrigerende of beperkende maatregelen ten aanzien van het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid in kwestie worden getroffen.
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 4
4.  Indien binnen een maand na de ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie bezwaar tegen een beperkende maatregel van een lidstaat is ingebracht door een andere lidstaat of de door Commissie, wordt die maatregel door de Commissie overeenkomstig artikel 51 beoordeeld.
4.  Indien binnen een maand na de in lid 1 bedoelde kennisgeving bezwaar tegen een corrigerende of beperkende maatregel van een lidstaat is ingebracht door een andere lidstaat of door de Commissie, of indien de Commissie van mening is dat een nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, raadpleegt de Commissie onverwijld de betrokken lidstaten en de desbetreffende marktdeelnemer(s).
Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 5
5.  Indien binnen een maand na de ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie geen bezwaar tegen een beperkende maatregel van een lidstaat is ingebracht door een andere lidstaat of door de Commissie, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn. De andere lidstaten zorgen ervoor dat vergelijkbare beperkende maatregelen worden getroffen ten aanzien van het desbetreffende voertuig, systeem of onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.
5.  Aan de hand van de resultaten van die raadpleging stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot geharmoniseerde corrigerende of beperkende maatregelen op Unieniveau. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 87, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De Commissie richt deze uitvoeringshandelingen tot alle lidstaten en brengt de desbetreffende marktdeelnemers onmiddellijk op de hoogte. De lidstaten passen deze uitvoeringshandelingen onmiddellijk toe. Zij brengen de Commissie daarvan op de hoogte.
Amendement 221
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   Indien de Commissie van oordeel is dat een nationale maatregel niet gerechtvaardigd is, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarbij de betrokken lidstaat wordt verplicht de maatregel in te trekken of aan te passen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 87, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 222
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en het risico van niet-naleving wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen, stelt de Commissie als volgt voor:
a)   wanneer het regelgevingshandelingen betreft, stelt de Commissie de nodige wijzigingen van de desbetreffende handeling voor;
b)   wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de nodige ontwerpwijzigingen van de desbetreffende VN/ECE-reglementen voor volgens de bepalingen van bijlage III bij Besluit 97/836/EG van de Raad.
Amendement 223
Voorstel voor een verordening
Artikel 51
Artikel 51
Schrappen
Vrijwaringsprocedure van de Unie
1.   Wanneer tijdens de procedure van artikel 50, leden 3 en 4, bezwaren tegen een beperkende maatregel van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie van mening is dat een nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, voert de Commissie na raadpleging van de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) onmiddellijk een beoordeling van de nationale maatregel uit. Aan de hand van de resultaten van die beoordeling stelt de Commissie een besluit vast waarin zij bepaalt of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemers daar onmiddellijk van op de hoogte. De lidstaten voeren het besluit van de Commissie onverwijld uit en stellen de Commissie daarvan in kennis.
2.   Indien de Commissie de nationale maatregel gerechtvaardigd acht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het niet-conforme voertuig, systeem of onderdeel of de niet-conforme technische eenheid uit de handel wordt genomen, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de Commissie de nationale maatregel niet gerechtvaardigd acht, trekt de betrokken lidstaat overeenkomstig het in lid 1 bedoelde besluit van de Commissie de maatregel in of past zij deze aan.
3.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en wordt toegerekend aan tekortkomingen in in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen, stelt de Commissie als volgt passende maatregelen voor:
a)   wanneer het regelgevingshandelingen betreft, stelt de Commissie de nodige wijzigingen van de desbetreffende handeling voor;
b)   wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de nodige ontwerpwijzigingen van de desbetreffende VN/ECE-reglementen voor volgens de bepalingen van bijlage III bij Besluit 97/836/EG van de Raad.
Amendement 224
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 bis (nieuw)
Artikel 51 bis
Corrigerende en beperkende maatregelen naar aanleiding van markttoezichtactiviteiten van de Commissie
1.   Indien de Commissie na controles uit hoofde van artikel 9 tot de conclusie komt dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid een ernstig risico vormt voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen, of niet conform deze verordening is, verplicht ze de desbetreffende marktdeelnemer onverwijld alle passende corrigerende maatregelen te nemen om te waarborgen dat het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid in kwestie op het moment van het in de handel brengen, registreren of in het verkeer brengen niet langer een risico vormt of niet-conform is.
Wanneer de marktdeelnemer niet binnen de in de eerste alinea bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt of wanneer het risico van dien aard is dat er snel moet worden gehandeld, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin de corrigerende of beperkende Uniemaatregelen die ze op Unieniveau noodzakelijk acht, worden uiteengezet. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
De Commissie richt deze uitvoeringshandelingen tot alle lidstaten en brengt de desbetreffende marktdeelnemers onmiddellijk op de hoogte. De lidstaten passen de uitvoeringshandelingen onmiddellijk toe. Zij brengen de Commissie daarvan op de hoogte.
2.   Indien het risico of de niet-naleving wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen, stelt de Commissie als volgt voor:
a)   wanneer het regelgevingshandelingen betreft, stelt de Commissie de nodige wijzigingen van de desbetreffende handeling voor;
b)   wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de nodige ontwerpwijzigingen van de desbetreffende VN/ECE-reglementen voor volgens de bepalingen van bijlage III bij Besluit 97/836/EG van de Raad.
Amendement 225
Voorstel voor een verordening
Artikel 52
Artikel 52
Schrappen
Conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen voor de veiligheid of die de gezondheid en het milieu ernstig schaden
1.   Indien een lidstaat, na krachtens artikel 49, lid 1, een evaluatie te hebben uitgevoerd, van oordeel is dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, ook al voldoen zij aan de toepasselijke voorschriften of zijn zij naar behoren gemerkt, een ernstig risico vormen voor de veiligheid, dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kunnen schaden, verlangt deze lidstaat van de betrokken marktdeelnemer dat hij alle passende corrigerende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid op het moment van het in de handel brengen of de registratie of na het in het verkeer brengen ervan niet langer een risico vormt, of dat hij beperkende maatregelen neemt om het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid uit de handel te nemen of binnen een redelijke termijn, afhankelijk van de aard van het risico, terug te roepen.
De lidstaat mag de registratie van dergelijke voertuigen weigeren, totdat de marktdeelnemer alle passende corrigerende maatregelen heeft genomen.
2.   De marktdeelnemer zorgt ervoor dat passende corrigerende maatregelen worden getroffen ten aanzien van alle in lid 1 bedoelde voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden.
3.   De lidstaat brengt de Commissie en de andere lidstaten binnen een maand na het in lid 1 bedoelde verzoek op de hoogte van alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid in kwestie te identificeren en de oorsprong en de toeleveringsketen van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid, de aard van het risico en de aard en de duur van de nationale beperkende maatregelen vast te stellen.
4.   De Commissie raadpleegt onverwijld de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s), en met name de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, en voert een evaluatie van de getroffen nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie of de in lid 1 bedoelde nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd wordt geacht, en stelt zij zo nodig passende maatregelen voor. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
5.   De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de betrokken marktdeelnemer(s) daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Amendement 226
Voorstel voor een verordening
Artikel 53
Artikel 53
Schrappen
Algemene bepalingen inzake niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden
1.   Indien voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een conformiteitscertificaat vergezeld gaan of van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform het goedgekeurde type zijn, niet aan deze verordening voldoen of op basis van onjuiste gegevens waren goedgekeurd, kunnen de goedkeuringsinstanties, markttoezichtautoriteiten of de Commissie overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 de nodige beperkende maatregelen nemen om het op de markt aanbieden, registreren of in het verkeer brengen van niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden te verbieden of te beperken, om deze uit te handel te nemen of om ze terug te roepen, met inbegrip van het intrekken van de typegoedkeuring door de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring had verleend, totdat de betrokken marktdeelnemer alle passende corrigerende maatregelen heeft genomen om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden weer conform te maken.
2.   Voor de toepassing van lid 1 worden afwijkingen van de gegevens op het EU-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als een gebrek aan conformiteit met het goedgekeurde type.
Amendement 227
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – titel
Kennisgevings- en bezwaarprocedures voor niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden
Niet-conforme EU-typegoedkeuring
Amendement 228
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 1
1.  Wanneer een goedkeuringsinstantie of markttoezichtautoriteit constateert dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden niet conform deze verordening zijn of dat de typegoedkeuring is verleend op basis van onjuiste gegevens of dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die vergezeld gaan van een conformiteitscertificaat of die voorzien zijn van een goedkeuringsmerk niet conform het goedgekeurde type zijn, kan zij overeenkomstig artikel 53, lid 1, alle passende beperkende maatregelen treffen.
1.  Wanneer een goedkeuringsinstantie constateert dat een verleende typegoedkeuring niet conform deze verordening is, weigert ze deze goedkeuring te erkennen. Ze stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, alsook de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis.
Amendement 229
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 2
2.  Ook verzoekt de goedkeuringsinstantie of markttoezichtautoriteit of de Commissie de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, te verifiëren dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog steeds conform het goedgekeurde type zijn of dat, indien van toepassing, voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die reeds in de handel zijn gebracht, weer conform worden gemaakt.
2.  Indien de non-conformiteit van de typegoedkeuring binnen één maand na de kennisgeving wordt bevestigd door de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, trekt deze goedkeuringsinstantie de typegoedkeuring in.
Amendement 230
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 3
3.   In het geval van een typegoedkeuring van een geheel voertuig en indien de non-conformiteit van een voertuig aan een systeem, onderdeel of technische eenheid te wijten is, wordt het in lid 2 bedoelde verzoek eveneens gericht tot de goedkeuringsinstantie die EU-typegoedkeuring voor dat systeem, dat onderdeel, of die technische eenheid heeft verleend.
Schrappen
Amendement 231
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 4
4.   In het geval van een meerfasentypegoedkeuring en indien de non-conformiteit van een voltooid voertuig te wijten is aan een systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die deel uitmaakt van een incompleet voertuig, of aan het incomplete voertuig zelf, wordt het in lid 2 bedoelde verzoek eveneens gericht tot de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor dat systeem, dat onderdeel die technische eenheid of dat incomplete voertuig heeft verleend.
Schrappen
Amendement 232
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 5
5.   Na ontvangst van het in de leden 1 tot en met 4 bedoelde verzoek voert de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, een beoordeling uit van de desbetreffende voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden met betrekking tot alle in deze verordening vastgestelde voorschriften. Ook controleert de goedkeuringsinstantie de gegevens op basis waarvan de goedkeuring was verleend. De betrokken marktdeelnemers verlenen volledige medewerking aan de goedkeuringsinstantie.
Schrappen
Amendement 233
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 6
6.   Indien de typegoedkeuringsinstantie die EU-typegoedkeuring voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid heeft verleend, non-conformiteit constateert, eist zij onverwijld dat de betrokken marktdeelnemer alle passende corrigerende maatregelen treft om het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid weer conform te maken, en zo nodig neemt de goedkeuringsinstantie die EU-typegoedkeuring heeft verleend, zo snel mogelijk en op uiterlijk een maand na de datum van het verzoek de in artikel 53, lid 1, bedoelde maatregelen.
Schrappen
Amendement 234
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 7
7.   De nationale autoriteiten die overeenkomstig artikel 53, lid 1, beperkende maatregelen treffen, brengen de Commissie en de andere lidstaten hier onmiddellijk van op de hoogte.
Schrappen
Amendement 235
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 8 – alinea 1
Indien binnen een maand na de kennisgeving van de door een goedkeuringsinstantie of markttoezichtautoriteit overeenkomstig artikel 53, lid 1, genomen maatregelen, door een andere lidstaat bezwaar tegen de gemelde beperkende maatregel is ingebracht of de Commissie niet-naleving constateert overeenkomstig artikel 9, lid 5, voert de Commissie onverwijld overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en met name met de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, en voert zij een beoordeling van de genomen nationale maatregel uit. Op basis van die beoordeling kan de Commissie beslissen om door middel van uitvoeringshandelingen over te gaan tot de in artikel 53, lid 1, voorziene nodige beperkende maatregelen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
Indien binnen een maand na de kennisgeving van de weigering van de typegoedkeuring door een goedkeuringsinstantie bezwaar is ingebracht door de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, voert de Commissie onverwijld overleg met de lidstaten en met name met de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, alsook met de betrokken marktdeelnemer.
Amendement 236
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.   Op basis van deze beoordeling stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin ze haar besluit bekendmaakt of de overeenkomstig lid 1 aangenomen weigering van de EU-typegoedkeuring al dan niet gerechtvaardigd is. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
Amendement 237
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 8 ter (nieuw)
8 ter.   Indien de Commissie naar aanleiding van overeenkomstig artikel 9 verrichte controles door de Commissie van oordeel is dat een verleende typegoedkeuring niet conform deze verordening is, raadpleegt de Commissie onverwijld de lidstaten en met name de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, alsook de betrokken marktdeelnemer. Na dergelijke raadplegingen stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin ze haar besluit bekendmaakt of de verleende typegoedkeuring al dan niet conform deze verordening is. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 87, lid 2.
Amendement 238
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 9
9.  Indien binnen een maand na de kennisgeving van de overeenkomstig artikel 53, lid 1, getroffen beperkende maatregelen geen bezwaar tegen een beperkende maatregel van een lidstaat is ingebracht door een andere lidstaat of door de Commissie, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn. De andere lidstaten zorgen ervoor dat vergelijkbare beperkende maatregelen ten aanzien van het desbetreffende voertuig, systeem of onderdeel of de desbetreffende technische eenheid worden getroffen.
9.  Op producten waarop een niet-conforme typegoedkeuring betrekking heeft en die reeds op de markt worden aangeboden, zijn de artikelen 49 tot en met 53 van toepassing.
Amendement 239
Voorstel voor een verordening
Artikel 55
[...]
Schrappen
Amendement 240
Voorstel voor een verordening
Artikel 56
[...]
Schrappen
Amendement 241
Voorstel voor een verordening
Artikel 57
Artikel 57
Schrappen
Algemene bepalingen inzake het terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden
1.   Een fabrikant aan wie een typegoedkeuring voor een geheel voertuig is verleend en die overeenkomstig artikel 12, lid 1, artikel 15, lid 1, artikel 17, lid 2, artikel 49, lid 1, artikel 49, lid 6, artikel 51, lid 4, artikel 52, lid 1, en artikel 53, lid 1, van deze verordening of artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 verplicht is om voertuigen terug te roepen, stelt de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring voor het gehele voertuig heeft verleend daarvan onmiddellijk in kennis.
2.   Een fabrikant van systemen, onderdelen of technische eenheden aan wie een EU-typegoedkeuring is verleend en die overeenkomstig artikel 12, lid 1, artikel 15, lid 1, artikel 17, lid 2, artikel 49, lid 1, artikel 49, lid 6, artikel 51, lid 4, artikel 52, lid 1, en artikel 53, lid 1, van deze verordening of artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 verplicht is om systemen, onderdelen of technische eenheden terug te roepen, stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend daarvan onmiddellijk in kennis.
3.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, een reeks passende maatregelen voor om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden conform te maken en, indien van toepassing, het in artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 bedoelde ernstige risico weg te nemen.
De goedkeuringsinstantie voert een evaluatie uit om te controleren of de voorgestelde maatregelen toereikend en voldoende tijdig zijn en stelt de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de maatregelen die zij heeft goedgekeurd.
Amendement 242
Voorstel voor een verordening
Artikel 58
[...]
Schrappen
Amendement 243
Voorstel voor een verordening
Artikel 59
Artikel 59
Schrappen
Recht van marktdeelnemers om te worden gehoord, kennisgeving van beslissingen en ter beschikking staande rechtsmiddelen
1.   Behalve in gevallen waarin onmiddellijke actie nodig is wegens een ernstig risico voor de gezondheid of veiligheid van de mens en voor het milieu, wordt aan de betrokken marktdeelnemer de mogelijkheid geboden om binnen een adequate termijn bij de nationale autoriteit opmerkingen in te dienen voordat de nationale autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 58 maatregelen vaststellen.
Als actie is ondernomen zonder de marktdeelnemer te horen, wordt hem de mogelijkheid geboden zo snel mogelijk opmerkingen in te dienen en bekijkt de nationale autoriteit de maatregelen kort daarna opnieuw.
2.   In alle door de nationale autoriteiten vastgestelde maatregelen moeten de exacte gronden worden vermeld waarop deze maatregelen zijn gebaseerd.
Wanneer een dergelijke maatregel tot een specifieke marktdeelnemer is gericht, moet hij onverwijld ter kennis worden gebracht van de betrokken marktdeelnemer, die tegelijkertijd wordt geïnformeerd over de uit hoofde van de wetgeving in de betrokken lidstaat ter beschikking staande rechtsmiddelen en over de daarvoor geldende termijnen.
Wanneer het een maatregel van algemene strekking is, wordt hij op passende wijze in het staatsblad of in een gelijkwaardig officieel stuk gepubliceerd.
3.   Elke door de nationale autoriteiten vastgestelde maatregel wordt onmiddellijk ingetrokken of gewijzigd als de marktdeelnemer aantoont dat hij doeltreffende corrigerende actie heeft ondernomen.
Amendement 244
Voorstel voor een verordening
Artikel 60 – lid 3 – alinea 2
In die gedelegeerde handeling wordt vermeld vanaf welke data de toepassing van het VN/ECE-reglement of van de wijzigingen daarvan verplicht is, en worden in voorkomend geval overgangsbepalingen opgenomen.
In die gedelegeerde handeling wordt vermeld vanaf welke data de toepassing van het VN/ECE-reglement of van de wijzigingen daarvan verplicht is en worden in voorkomend geval overgangsbepalingen opgenomen en wordt, met name in functie van typegoedkeuring, vermeld wanneer voertuigen voor het eerst zijn geregistreerd en in het verkeer zijn gebracht en wanneer systemen, onderdelen en technische eenheden voor het eerst op de markt zijn aangeboden, naargelang van toepassing.
Amendement 245
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 1
1.  De fabrikant mag geen technische informatie over de bij deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen voorgeschreven gegevens met betrekking tot het type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verstrekken, die afwijkt van de gegevens van het door de goedkeuringsinstantie goedgekeurde type.
1.  De fabrikant mag geen technische informatie over de bij deze verordening, de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen of de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen voorgeschreven gegevens met betrekking tot het type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verstrekken, die afwijkt van de gegevens van het door de goedkeuringsinstantie goedgekeurde type.
Amendement 246
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 1 – alinea 1
De fabrikanten bieden onafhankelijke marktdeelnemers onbeperkte en gestandaardiseerde toegang tot de OBD-informatie, diagnose- en andere apparatuur, gereedschappen, met inbegrip van de desbetreffende software, en reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen.
De fabrikanten bieden onafhankelijke marktdeelnemers onbeperkte, gestandaardiseerde en niet-discriminerende toegang tot de OBD-informatie, diagnose- en andere apparatuur, gereedschappen, met inbegrip van de volledige referenties en beschikbare downloads van de toepasselijke software, en reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen. Informatie wordt gepresenteerd op gemakkelijk toegankelijk wijze in de vorm van machineleesbare en elektronisch verwerkbare gegevensbestanden. Onafhankelijke marktdeelnemers krijgen toegang tot de diagnosediensten op afstand die door fabrikanten en hun erkende dealers en reparateurs worden gebruikt.
Amendement 247
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 2 – alinea 2
De informatie wordt beschikbaar gemaakt op de websites van de fabrikanten of, indien dit vanwege de aard van de informatie niet mogelijk is, in een ander passend formaat. Deze toegang wordt met name op niet-discriminerende wijze geboden ten opzichte van de voorzieningen of de toegang die aan erkende dealers en reparateurs worden geboden.
De informatie wordt beschikbaar gemaakt op de websites van de fabrikanten of, indien dit vanwege de aard van de informatie niet mogelijk is, in een ander passend formaat. Aan andere onafhankelijke marktdeelnemers dan reparateurs wordt de informatie ook verstrekt in een machineleesbaar formaat dat elektronisch kan worden verwerkt met behulp van algemeen beschikbare IT-instrumenten en software, zodat onafhankelijke marktdeelnemers de taak kunnen uitvoeren die verband houdt met hun activiteiten in de aftermarkettoeleveringsketen.
Amendement 248
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Met het oog op OBD, diagnostiek, reparatie en onderhoud van een voertuig wordt de directe gegevensstroom van het voertuig beschikbaar gesteld via de gestandaardiseerde connector zoals gespecificeerd in VN/ECE-Reglement nr. 83, bijlage 11, aanhangsel 1, punt 6.5.1.4 en VN/ECE-Reglement nr. 49, bijlage 9B.
Amendement 249
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 10
10.  De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 88 gedelegeerde handelingen tot wijziging van en aanvulling op bijlage XVIII vast te stellen teneinde met technische en regelgevingsontwikkelingen rekening te houden of misbruik te voorkomen door de vereisten voor toegang tot OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen te actualiseren en de in de leden 2 en 3 bedoelde normen vast te stellen en te integreren.
10.  De Commissie heeft de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 88 gedelegeerde handelingen tot wijziging van en aanvulling op bijlage XVIII vast te stellen teneinde met technische en regelgevingsontwikkelingen rekening te houden of misbruik te voorkomen door de vereisten voor toegang tot OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen te actualiseren en de in de leden 2 en 3 bedoelde normen vast te stellen en te integreren. De Commissie heeft voorts de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 88 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening waarbij bijlage XVIII bis wordt opgesteld om in te spelen op technologische ontwikkelingen op het vlak van digitale gegevensuitwisseling met behulp van een draadloos uitgestrekt netwerk, om ervoor te zorgen dat onafhankelijke marktdeelnemers kunnen blijven gebruikmaken van rechtstreekse toegang tot gegevens en bronnen in het voertuig en om bovendien door middel van het technisch ontwerp concurrentieneutraliteit te waarborgen.
Amendement 250
Voorstel voor een verordening
Artikel 66 – lid 2
2.  De eindfabrikant is verantwoordelijk voor het leveren van informatie over het gehele voertuig aan onafhankelijke marktdeelnemers.
2.  In het geval van meerfasentypegoedkeuring is de eindfabrikant verantwoordelijk voor het verlenen van toegang tot OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig met betrekking tot zijn eigen fabricagefase(n) en de schakel tussen die fase(n) en de eraan voorafgaande fase(n).
Amendement 251
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 1
1.  De fabrikant mag een redelijke en evenredige vergoeding vragen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, met uitzondering van de in artikel 65, lid 8, bedoelde gegevens. Die vergoeding mag de toegang tot die informatie niet ontmoedigen door geen rekening te houden met de mate waarin de onafhankelijke marktdeelnemer deze gebruikt.
1.  De fabrikant mag een redelijke en evenredige vergoeding vragen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, met uitzondering van de in artikel 65, lid 9, bedoelde gegevens. Die vergoeding mag de toegang tot die informatie niet ontmoedigen door geen rekening te houden met de mate waarin de onafhankelijke marktdeelnemer deze gebruikt.
Amendement 252
Voorstel voor een verordening
Artikel 69 – lid 3
3.  Indien een onafhankelijke marktdeelnemer of een beroepsvereniging die onafhankelijke marktdeelnemers vertegenwoordigt, bij de goedkeuringsinstantie een klacht indient omdat de fabrikant de artikelen 65 tot en met 70 niet naleeft, voert de goedkeuringsinstantie een controle uit van de naleving door de fabrikant.
3.  Indien een onafhankelijke marktdeelnemer of een beroepsvereniging die onafhankelijke marktdeelnemers vertegenwoordigt, bij de goedkeuringsinstantie een klacht indient omdat de fabrikant de artikelen 65 tot en met 70 niet naleeft, voert de goedkeuringsinstantie een controle uit van de naleving door de fabrikant. De goedkeuringsinstantie vraagt de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring van het gehele voertuig heeft verleend om de klacht te onderzoeken en de voertuigfabrikant vervolgens om bewijs te vragen dat zijn systeem conform de verordening is. De resultaten van dat onderzoek worden binnen een termijn van drie maanden vanaf het verzoek meegedeeld aan de nationale goedkeuringsinstantie en de betrokken onafhankelijke marktdeelnemer of beroepsvereniging.
Amendement 253
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 1
1.  De overeenkomstig artikel 7, lid 3, door de lidstaat aangewezen typegoedkeuringsinstantie, hierna "de typegoedkeuringsinstantie" genoemd, is verantwoordelijk voor de beoordeling, aanwijzing, aanmelding en monitoring van technische diensten, met inbegrip van eventuele onderaannemers of dochterondernemingen van die technische diensten.
1.  De overeenkomstig artikel 7, lid 3, door de lidstaat aangewezen typegoedkeuringsinstantie of de accreditatie-instantie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 (beide hierna de "aanwijzende instantie" genoemd) is verantwoordelijk voor de beoordeling, aanwijzing, aanmelding en monitoring van technische diensten in de respectieve lidstaat, met inbegrip van eventuele onderaannemers of dochterondernemingen van die technische diensten.
Amendement 254
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 2
2.  De typegoedkeuringsinstantie wordt zodanig opgericht en georganiseerd en functioneert zodanig dat de objectiviteit en de onpartijdigheid van haar activiteiten worden gewaarborgd en belangenconflicten met technische diensten worden vermeden.
2.  De aanwijzende instantie wordt zodanig opgericht en georganiseerd en functioneert zodanig dat de objectiviteit en de onpartijdigheid van haar activiteiten worden gewaarborgd en belangenconflicten met technische diensten worden vermeden.
Amendement 255
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 3
3.  De typegoedkeuringsinstantie wordt zodanig georganiseerd dat de aanmelding van een technische dienst wordt verricht door personeelsleden die niet betrokken waren bij de beoordeling van die technische dienst.
3.  De aanwijzende instantie wordt zodanig georganiseerd dat de aanmelding van een technische dienst wordt verricht door personeelsleden die niet betrokken waren bij de beoordeling van die technische dienst.
Amendement 256
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 4
4.  De typegoedkeuringsinstantie verricht geen activiteiten die ook door technische diensten worden verricht en verleent geen adviesdiensten op commerciële basis of in concurrentie.
4.  De aanwijzende instantie verricht geen activiteiten die ook door technische diensten worden verricht en verleent geen adviesdiensten op commerciële basis of in concurrentie.
Amendement 257
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 5
5.  De typegoedkeuringsinstantie waarborgt dat verkregen informatie vertrouwelijk wordt behandeld.
5.  De aanwijzende instantie waarborgt dat verkregen informatie vertrouwelijk wordt behandeld.
Amendement 258
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 6
6.  De typegoedkeuringsinstantie beschikt over een toereikend aantal bekwame personeelsleden om de in deze verordening voorziene taken naar behoren uit te voeren.
6.  De aanwijzende instantie beschikt over een toereikend aantal bekwame personeelsleden om de in deze verordening vastgelegde taken naar behoren uit te voeren.
Amendement 259
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 8
8.   De typegoedkeuringsinstantie wordt elke twee jaar aan intercollegiale toetsing door twee typegoedkeuringsinstanties van andere lidstaten onderworpen.
Schrappen
De lidstaten stellen het jaarlijkse plan voor de intercollegiale toetsing op, waarbij wordt gezorgd voor een passende roulatie wat de evaluerende en geëvalueerde typegoedkeuringsinstanties betreft, en dienen het bij de Commissie in.
De intercollegiale toetsing omvat een bezoek ter plekke bij een technische dienst die onder de verantwoordelijkheid van de geëvalueerde instantie valt. De Commissie kan deelnemen aan de intercollegiale toetsing en daarover op basis van een risicobeoordelingsanalyse beslissen.
Amendement 260
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 9
9.   De uitkomst van de intercollegiale toetsing wordt meegedeeld aan alle lidstaten en aan de Commissie en een samenvatting van de uitkomst wordt openbaar gemaakt. Het bij artikel 10 opgerichte forum bespreekt die uitkomst op basis van een door de Commissie verrichte beoordeling van de uitkomst, en doet aanbevelingen.
Schrappen
Amendement 261
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 10
10.   De lidstaten voorzien de Commissie en de andere lidstaten van informatie over de manier waarop zij de in het verslag van de intercollegiale toetsing gedane aanbevelingen hebben opgevolgd.
Schrappen
Amendement 262
Voorstel voor een verordening
Artikel 72 – lid 1 – letter b
b)  categorie B: toezicht op de in deze verordening en in de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen genoemde tests, indien die tests worden uitgevoerd in de bedrijfsruimte van de fabrikant of in die van een derde;
b)  categorie B: toezicht op de in deze verordening en in de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen genoemde tests, met inbegrip van de voorbereiding van tests, indien die tests worden uitgevoerd in de bedrijfsruimte van de fabrikant of in die van een derde; de voorbereiding van en het toezicht op tests worden verricht door een toezichthouder van de technische dienst;
Amendement 263
Voorstel voor een verordening
Artikel 72 – lid 3
3.  Een technische dienst wordt naar het recht van een lidstaat opgericht en bezit rechtspersoonlijkheid, met uitzondering van een geaccrediteerde interne technische dienst van een fabrikant zoals bedoeld in artikel 76.
3.  Een technische dienst wordt naar het recht van een lidstaat opgericht en bezit rechtspersoonlijkheid, met uitzondering van een technische dienst die deel uitmaakt van een typegoedkeuringsinstantie en een geaccrediteerde interne technische dienst van een fabrikant zoals bedoeld in artikel 76.
Amendement 264
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 5
5.  Het personeel van een technische dienst is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening kennisneemt, behalve ten opzichte van de goedkeuringsinstantie of op grond van het nationale of Unierecht.
5.  Het personeel van een technische dienst is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening kennisneemt, behalve ten opzichte van de aanwijzende instantie of op grond van het nationale of Unierecht.
Amendement 265
Voorstel voor een verordening
Artikel 74 – lid 1 – inleidende formule
1.  Een technische dienst beschikt over de capaciteiten om alle activiteiten te verrichten waarvoor hij overeenkomstig artikel 72, lid 1, wenst te worden aangewezen. De dienst toont de typegoedkeuringsinstantie aan dat:
1.  Een technische dienst beschikt over de capaciteiten om alle activiteiten te verrichten waarvoor hij overeenkomstig artikel 72, lid 1, wenst te worden aangewezen. De dienst toont de aanwijzende instantie, of in geval van accreditatie de nationale accreditatie-instantie, aan dat:
Amendement 266
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 1
1.  Technische diensten mogen uitsluitend met instemming van hun aanwijzende typegoedkeuringsinstantie sommige van de activiteitencategorieën waarvoor zij overeenkomstig artikel 72, lid 1, zijn aangewezen, uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren.
1.  Technische diensten mogen met instemming van hun aanwijzende instantie, of in geval van accreditatie van de nationale accreditatie-instantie, sommige van de activiteitencategorieën waarvoor zij overeenkomstig artikel 72, lid 1, zijn aangewezen, uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren.
Amendement 267
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 2
2.  Wanneer een technische dienst specifieke taken uit de activiteitencategorieën waarvoor hij is aangewezen, uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt hij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de artikelen 73 en 74 voldoet, en brengt hij de typegoedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte.
2.  Wanneer een technische dienst specifieke taken uit de activiteitencategorieën waarvoor hij is aangewezen, uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt hij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de artikelen 73 en 74 voldoet, en brengt hij de aanwijzende instantie, of in geval van accreditatie de nationale accreditatie-instantie, hiervan op de hoogte.
Amendement 268
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 4
4.  Technische diensten houden de relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door hen uitgevoerde taken ter beschikking van de typegoedkeuringsinstantie.
4.  Technische diensten houden de relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door hen uitgevoerde taken ter beschikking van de aanwijzende instantie, of in het geval van accreditatie de nationale accreditatie-instantie.
Amendement 269
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 4 bis (nieuw)
4a.   Onderaannemers van technische diensten worden bij de typegoedkeuringsinstantie aangemeld en hun namen worden door de Commissie gepubliceerd.
Amendement 270
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
c bis)   hij wordt gecontroleerd overeenkomstig artikel 80, behalve dat in de hele tekst de "typegoedkeuringsinstantie" wordt vervangen door het "gezamenlijk comité van controleurs" en de taken overeenkomstig door dit comité worden uitgevoerd; via de controle wordt aangetoond of de criteria onder a), b) en c) worden nageleefd;
Amendement 271
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 3
3.  Een interne technische dienst hoeft voor de toepassing van artikel 78 niet bij de Commissie te worden aangemeld, maar op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie wordt door de onderneming van de fabrikant waarvan hij deel uitmaakt, of door de nationale accreditatie-instantie informatie over zijn accreditatie aan die goedkeuringsinstantie verstrekt.
3.  Een interne technische dienst wordt bij de Commissie aangemeld overeenkomstig artikel 78.
Amendement 272
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid -1 (nieuw)
—  1. De aanvragende technische dienst dient een formele aanvraag in bij de typegoedkeuringsinstantie van de lidstaat waar ze wenst te worden aangewezen overeenkomstig deel 4 van bijlage V, aanhangsel 2. De activiteiten waarvoor de aanvragende technische dienst wenst te worden aangewezen, worden overeenkomstig artikel 72, lid 1, nader omschreven in de aanvraag.
Amendement 273
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 1 – alinea 1
Alvorens een technische dienst aan te wijzen, beoordeelt de typegoedkeuringsinstantie de technische dienst volgens een beoordelingschecklist waarop ten minste de voorschriften van bijlage V, aanhangsel 2, aan bod komen. De beoordeling omvat een beoordeling ter plekke in de bedrijfsruimte van de aanvragende technische dienst en, in voorkomend geval, van een dochteronderneming of onderaannemer, binnen of buiten de Unie.
Alvorens de typegoedkeuringsinstantie een technische dienst aanwijst, beoordeelt de typegoedkeuringsinstantie of de accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 71, lid 1, de technische dienst volgens een geharmoniseerde beoordelingschecklist waarop ten minste de voorschriften van bijlage V, aanhangsel 2, aan bod komen. De beoordeling omvat een beoordeling ter plekke in de bedrijfsruimte van de aanvragende technische dienst en, in voorkomend geval, van een dochteronderneming of onderaannemer, binnen of buiten de Unie.
Amendement 274
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 1 – alinea 2
Vertegenwoordigers van de typegoedkeuringsinstanties van ten minste twee andere lidstaten vormen, in overleg met de typegoedkeuringsinstantie van de lidstaat van vestiging van de aanvragende technische dienst en samen met een vertegenwoordiger van de Commissie, een team voor gezamenlijke beoordeling, en nemen deel aan de beoordeling van de aanvragende technische dienst, met inbegrip van de beoordeling ter plekke. De aanwijzende typegoedkeuringsinstantie van de lidstaat van vestiging van de aanvragende technische dienst verleent die vertegenwoordigers tijdig toegang tot de voor de beoordeling van de aanvragende technische dienst benodigde documenten.
1 ter.   In het geval dat de beoordeling wordt verricht door de typegoedkeuringsinstantie maakt een vertegenwoordiger van de Commissie samen met de aanwijzende instantie deel uit van een team voor gezamenlijke beoordeling dat de beoordeling van de aanvragende technische dienst uitvoert, met inbegrip van de beoordeling ter plekke. Om deze taak te kunnen vervullen, doet de Commissie een beroep op onafhankelijke controleurs die via een openbare aanbestedingsprocedure worden aangesteld als derde partijen. De controleurs voeren hun taken onafhankelijk en onpartijdig uit. Controleurs nemen vertrouwelijkheid in acht ter bescherming van commerciële geheimen overeenkomstig het toepasselijk recht. De lidstaten verstrekken alle nodige bijstand, alsook alle documentatie en ondersteuning waar controleurs om verzoeken voor het uitvoeren van hun taken. De lidstaten zien erop toe dat de controleurs toegang hebben tot alle gebouwen of delen van gebouwen en tot alle informatie, met inbegrip van computersystemen en software, die relevant zijn voor het uitvoeren van hun taken.
(Aan het begin van artikel 77 is de volgorde van de alinea's gewijzigd en hebben de leden een nieuwe nummering gekregen).
Amendement 275
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   In het geval dat de beoordeling wordt verricht door een accreditatie-instantie bezorgt de aanvragende technische dienst de typegoedkeuringsinstantie een geldig accreditatiecertificaat en het bijhorende beoordelingsrapport om aan te tonen dat aan de voorschriften van bijlage V, aanhangsel 2 is voldaan met betrekking tot de activiteiten waarvoor de aanvragende technische dienst wenst te worden aangewezen.
(Aan het begin van artikel 77 is de volgorde van de alinea's gewijzigd en hebben de leden een nieuwe nummering gekregen).
Amendement 276
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 1 quater (nieuw)
1 quater.   Indien de technische dienst een aanvraag heeft ingediend om te worden aangesteld door verschillende typegoedkeuringsinstanties overeenkomstig artikel 78, lid 3, wordt de beoordeling slechts eenmaal uitgevoerd, op voorwaarde dat het toepassingsgebied van de aanwijzing van de technische dienst in deze beoordeling aan bod komt.
(Aan het begin van artikel 77 is de volgorde van de alinea's gewijzigd en hebben de leden een nieuwe nummering gekregen).
Amendement 277
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 5
5.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de namen van de vertegenwoordigers van de typegoedkeuringsinstantie op wie zij voor elke gezamenlijke beoordeling een beroep kan doen.
5.  De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de namen van de vertegenwoordigers van de aanwijzende instantie op wie zij voor elke gezamenlijke beoordeling een beroep kan doen.
Amendement 278
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 7 – alinea 1
De typegoedkeuringsinstantie stelt de Commissie en de aanwijzende instanties van de andere lidstaten in kennis van het beoordelingsrapport, met bewijsstukken inzake de bekwaamheid van de technische dienst en de bestaande regelingen voor het regelmatig monitoren van de technische dienst en het waarborgen dat de dienst aan de voorschriften van deze verordening blijft voldoen.
De aanwijzende instantie stelt de Commissie en de aanwijzende instanties van de andere lidstaten in kennis van het beoordelingsrapport, met bewijsstukken inzake de bekwaamheid van de technische dienst en de bestaande regelingen voor het regelmatig monitoren van de technische dienst en het waarborgen dat de dienst aan de voorschriften van deze verordening blijft voldoen.
Amendement 279
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 7 – alinea 2
Voorts dient de aanmeldende typegoedkeuringsinstantie bewijsstukken in over de beschikbaarheid van bevoegd personeel voor de monitoring van de technische dienst overeenkomstig artikel 71, lid 6.
Voorts dient de aanwijzende instantie die instaat voor de kennisgeving van het beoordelingsrapport bewijsstukken in over de beschikbaarheid van bevoegd personeel voor de monitoring van de technische dienst overeenkomstig artikel 71, lid 6.
Amendement 280
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 8
8.  Binnen een maand na de kennisgeving van het beoordelingsrapport en de bewijsstukken kunnen de typegoedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie het beoordelingsrapport en de bewijsstukken opnieuw bekijken, vragen stellen of punten van zorg uiten en om verdere bewijsstukken verzoeken.
8.  Binnen een maand na de kennisgeving van het beoordelingsrapport en de bewijsstukken kunnen de aanwijzende instanties van de andere lidstaten en de Commissie het beoordelingsrapport en de bewijsstukken opnieuw bekijken, vragen stellen of punten van zorg uiten en om verdere bewijsstukken verzoeken.
Amendement 281
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 9
9.  De typegoedkeuringsinstantie van de lidstaat van vestiging van de aanvragende technische dienst reageert binnen vier weken na ontvangst op de vragen, punten van zorg en verzoeken om verdere bewijsstukken.
9.  De aanwijzende instantie van de lidstaat van vestiging van de aanvragende technische dienst reageert binnen vier weken na ontvangst op de vragen, punten van zorg en verzoeken om verdere bewijsstukken.
Amendement 282
Voorstel voor een verordening
Artikel 77 – lid 10
10.  De typegoedkeuringsinstanties van de andere lidstaten of de Commissie mogen binnen vier weken na ontvangst van het in lid 9 bedoelde antwoord individueel of gezamenlijk aanbevelingen doen aan de typegoedkeuringsinstantie van de lidstaat van vestiging van de aanvragende technische dienst. Die typegoedkeuringsinstantie neemt de aanbevelingen in aanmerking bij de beslissing over de aanwijzing van de technische dienst. Indien die typegoedkeuringsinstantie besluit de door de andere lidstaten of de Commissie gedane aanbevelingen niet op te volgen, geeft zij daarvoor binnen twee weken na de beslissing de redenen van op.
10.  De aanwijzende instanties van de andere lidstaten of de Commissie mogen binnen vier weken na ontvangst van het in lid 9 bedoelde antwoord individueel of gezamenlijk aanbevelingen doen aan de aanwijzende instantie van de lidstaat van vestiging van de aanvragende technische dienst. Die aanwijzende instantie neemt de aanbevelingen in aanmerking bij de beslissing over de aanwijzing van de technische dienst. Indien die aanwijzende instantie besluit de door de andere lidstaten of de Commissie gedane aanbevelingen niet op te volgen, geeft zij daarvoor binnen twee weken na de beslissing de redenen van op.
Amendement 283
Voorstel voor een verordening
Artikel 78 – lid 2 – alinea 1
Binnen 28 dagen na een aanmelding kan een lidstaat of de Commissie onder opgave van redenen schriftelijk bezwaar aantekenen in verband met de technische dienst of de monitoring ervan door de typegoedkeuringsinstantie. Indien een lidstaat of de Commissie bezwaar maken, wordt de inwerkingtreding van de aanmelding opgeschort. In dat geval voert de Commissie overleg met de betrokken partijen en besluit zij door middel van een uitvoeringshandeling of de opschorting van de aanmelding kan worden opgeheven of niet. Deze uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 87, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Binnen een maand na een aanmelding kan een lidstaat of de Commissie onder opgave van redenen schriftelijk bezwaar aantekenen in verband met de technische dienst of de monitoring ervan door de aanwijzende instantie. Indien een lidstaat of de Commissie bezwaar maken, wordt de inwerkingtreding van de aanmelding opgeschort. In dat geval voert de Commissie overleg met de betrokken partijen en stelt zij uitvoeringshandelingen vast om te besluiten of de opschorting van de aanmelding kan worden opgeheven of niet. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 87, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 284
Voorstel voor een verordening
Artikel 78 – lid 3
3.  Dezelfde technische dienst kan door verschillende typegoedkeuringsinstanties worden aangewezen en door de lidstaten van deze typegoedkeuringsinstanties bij de Commissie worden aangemeld, ongeacht de activiteitencategorie of -categorieën die deze technische dienst overeenkomstig artikel 72, lid 1, uitoefent.
3.  Dezelfde technische dienst kan door verschillende aanwijzende instanties worden aangewezen en door de lidstaten van deze aanwijzende instanties bij de Commissie worden aangemeld, ongeacht de activiteitencategorie of -categorieën die deze technische dienst overeenkomstig artikel 72, lid 1, uitoefent.
Amendement 285
Voorstel voor een verordening
Artikel 78 – lid 4
4.  Wanneer een in bijlage IV vermelde regelgevingshandeling vereist dat een typegoedkeuringsinstantie een specifieke organisatie of bevoegde instantie aanwijst voor een activiteit die niet in de activiteitencategorieën van artikel 72, lid 1, is opgenomen, verricht de lidstaat de in lid 1 bedoelde aanmelding.
4.  Wanneer een in bijlage IV vermelde regelgevingshandeling vereist dat een aanwijzende instantie een specifieke organisatie of bevoegde instantie aanwijst voor een activiteit die niet in de activiteitencategorieën van artikel 72, lid 1, is opgenomen, verricht de lidstaat de in lid 1 bedoelde aanmelding.
Amendement 286
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 1 – alinea 1
Wanneer de typegoedkeuringsinstantie heeft geconstateerd of vernomen dat een technische dienst de voorschriften van deze verordening niet meer naleeft, wordt de aanwijzing door die instantie beperkt, opgeschort of ingetrokken, afhankelijk van de ernst van de niet-naleving van deze voorschriften.
Wanneer de aanwijzende instantie heeft geconstateerd of vernomen dat een technische dienst de voorschriften van deze verordening niet meer naleeft, wordt de aanwijzing door die instantie beperkt, opgeschort of ingetrokken, afhankelijk van de ernst van de niet-naleving van deze voorschriften.
Amendement 287
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 1 – alinea 2
De typegoedkeuringsinstantie stelt de Commissie en de andere lidstaten onmiddellijk in kennis van elke schorsing, beperking of intrekking van een aanmelding.
De aanwijzende instantie stelt de Commissie en de andere lidstaten onmiddellijk in kennis van elke schorsing, beperking of intrekking van een aanmelding.
Amendement 288
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 3 – alinea 1
De typegoedkeuringsinstantie informeert de andere typegoedkeuringsinstanties en de Commissie wanneer niet-naleving door de technische dienst gevolgen heeft voor typegoedkeuringscertificaten die zijn afgegeven op basis van testrapporten en keuringsverslagen die door de bij de wijziging van de aanmelding betrokken technische dienst zijn opgesteld.
De aanwijzende instantie informeert de andere aanwijzende instanties en de Commissie wanneer niet-naleving door de technische dienst gevolgen heeft voor typegoedkeuringscertificaten die zijn afgegeven op basis van testrapporten en keuringsverslagen die door de bij de wijziging van de aanmelding betrokken technische dienst zijn opgesteld.
Amendement 289
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 3 – alinea 2
Binnen twee maanden na kennisgeving van de wijzigingen van de aanmelding brengt de typegoedkeuringsinstantie bij de Commissie en de andere typegoedkeuringsinstanties verslag uit over haar bevindingen in verband met de niet-naleving. Waar dat nodig is voor het waarborgen van de veiligheid van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die reeds in de handel zijn gebracht, geeft de aanwijzende typegoedkeuringsinstantie de betrokken goedkeuringsinstanties de opdracht alle certificaten die ten onrechte zijn afgegeven, binnen een redelijke termijn te schorsen of in te trekken.
Binnen twee maanden na kennisgeving van de wijzigingen van de aanmelding brengt de aanwijzende instantie bij de Commissie en de andere aanwijzende instanties verslag uit over haar bevindingen in verband met de niet-naleving. Waar dat nodig is voor het waarborgen van de veiligheid van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die reeds in de handel zijn gebracht, geeft de aanwijzende instantie de betrokken goedkeuringsinstanties de opdracht alle certificaten die ten onrechte zijn afgegeven, binnen een redelijke termijn te schorsen of in te trekken.
Amendement 290
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 4 – inleidende formule
4.  De andere certificaten die waren afgegeven op basis van testrapporten en keuringsverslagen die waren opgesteld door de technische dienst waarvan de aanmelding is geschorst, beperkt of ingetrokken, blijven onder de volgende omstandigheden geldig:
4.  Typegoedkeuringscertificaten die waren afgegeven op basis van testrapporten en keuringsverslagen die waren opgesteld door de technische dienst waarvan de aanmelding is geschorst, beperkt of ingetrokken, blijven onder de volgende omstandigheden geldig:
Amendement 291
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 4 – letter a
a)  in geval van opschorting van een aanmelding, op voorwaarde dat de typegoedkeuringsinstantie die het typegoedkeuringscertificaat heeft afgegeven binnen drie maanden na de opschorting schriftelijk bij de typegoedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie bevestigt dat zij de taken van de technische dienst overneemt tijdens de duur van de opschorting overneemt;
a)  in geval van opschorting van een aanwijzing, op voorwaarde dat de typegoedkeuringsinstantie die het typegoedkeuringscertificaat heeft afgegeven binnen drie maanden na de opschorting schriftelijk bij de typegoedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en de Commissie bevestigt dat zij de taken van de technische dienst overneemt tijdens de duur van de opschorting overneemt;
Amendement 292
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 4 – letter b
b)  in geval van beperking of intrekking van een aanmelding, gedurende een periode van drie maanden na de beperking of intrekking. De typegoedkeuringsinstantie die de certificaten heeft afgegeven, kan de geldigheid van de certificaten voor perioden van drie maanden verlengen, met een maximumduur van twaalf maanden, mits zij in die periode de taken overneemt van de technische dienst waarvan de aanmelding is beperkt of ingetrokken.
b)  in geval van beperking of intrekking van een aanwijzing, gedurende een periode van drie maanden na de beperking of intrekking. De typegoedkeuringsinstantie die de certificaten heeft afgegeven, kan de geldigheid van de certificaten voor perioden van drie maanden verlengen, met een maximumduur van twaalf maanden, mits zij in die periode de taken overneemt van de technische dienst waarvan de aanmelding is beperkt of ingetrokken.
Amendement 293
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 6
6.  Een aanwijzing als technische dienst kan uitsluitend worden vernieuwd nadat de typegoedkeuringsinstantie heeft gecontroleerd of de technische dienst de voorschriften van deze verordening nog steeds naleeft. Die beoordeling wordt verricht volgens de procedure van artikel 77.
6.  Een aanwijzing als technische dienst kan uitsluitend worden vernieuwd nadat de aanwijzende instantie heeft gecontroleerd of de technische dienst de voorschriften van deze verordening nog steeds naleeft. Die beoordeling wordt verricht volgens de procedure van artikel 77.
Amendement 294
Voorstel voor een verordening
Artikel 80 – lid 1 – alinea 1
De typegoedkeuringsinstantie houdt voortdurend toezicht op de technische diensten teneinde naleving van de voorschriften van de artikelen 72 tot en met 76, de artikelen 84 en 85 en bijlage V, aanhangsel 2, te waarborgen.
De aanwijzende instantie, of in geval van accreditatie de nationale accreditatie-instantie, houdt voortdurend toezicht op de technische diensten teneinde naleving van de voorschriften van de artikelen 72 tot en met 76, de artikelen 84 en 85 en bijlage V, aanhangsel 2, te waarborgen.
Amendement 295
Voorstel voor een verordening
Artikel 80 – lid 1 – alinea 2
Technische diensten verstrekken op verzoek alle relevante informatie en documenten om de typegoedkeuringsinstantie in staat te stellen na te gaan of die voorschriften worden nageleefd.
Technische diensten verstrekken op verzoek alle relevante informatie en documenten om de aanwijzende instantie, of in geval van accreditatie de nationale accreditatie-instantie, in staat te stellen na te gaan of die voorschriften worden nageleefd.
Amendement 296
Voorstel voor een verordening
Artikel 80 – lid 1 – alinea 3
Technische diensten informeren de typegoedkeuringsinstanties onverwijld over alle wijzigingen, met name wat hun personeel, bedrijfsruimten, dochterondernemingen of onderaannemers betreft, die gevolgen kunnen hebben voor de naleving van de voorschriften van de artikelen 72 tot en met 76, de artikelen 84 en 85 en bijlage V, aanhangsel 2 of voor hun vermogen om de conformiteitsbeoordelingen te verrichten ten aanzien van de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor zij zijn aangewezen.
Technische diensten informeren de aanwijzende instanties, of in geval van accreditatie de nationale accreditatie-instanties, onverwijld over alle wijzigingen, met name wat hun personeel, bedrijfsruimten, dochterondernemingen of onderaannemers betreft, die gevolgen kunnen hebben voor de naleving van de voorschriften van de artikelen 72 tot en met 76, de artikelen 84 en 85 en bijlage V, aanhangsel 2 of voor hun vermogen om de conformiteitsbeoordelingen te verrichten ten aanzien van de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor zij zijn aangewezen.
Amendement 297
Voorstel voor een verordening
Artikel 80 – lid 3 – alinea 1
De typegoedkeuringsinstantie van de lidstaat van vestiging van de technische dienst zorgt ervoor dat de technische dienst de in lid 2 vastgestelde verplichtingen nakomt, tenzij er een geldige reden is om dit niet te doen.
De aanwijzende instantie van de lidstaat van vestiging van de technische dienst zorgt ervoor dat de technische dienst de in lid 2 vastgestelde verplichtingen nakomt, tenzij er een geldige reden is om dit niet te doen.
(De nummering in het Commissievoorstel klopt niet: er zijn twee leden met het nummer 3).
Amendement 298
Voorstel voor een verordening
Artikel 80 – lid 3 – alinea 4
De technische dienst of de typegoedkeuringsinstantie kan verzoeken dat aan de autoriteiten van een andere lidstaat of aan de Commissie doorgegeven informatie vertrouwelijk wordt behandeld.
De technische dienst of de aanwijzende instantie kan verzoeken dat aan de autoriteiten van een andere lidstaat of aan de Commissie doorgegeven informatie vertrouwelijk wordt behandeld.
(De nummering in het Commissievoorstel klopt niet: er zijn twee leden met het nummer 3).
Amendement 299
Voorstel voor een verordening
Artikel 80 – lid 3 – alinea 1
De typegoedkeuringsinstantie beoordeelt ten minste elke 30 maanden of de technische diensten waar zij verantwoordelijk voor is, blijven voldoen aan de voorschriften van de artikelen 72 tot en met 76, de artikelen 84 en 85 en bijlage V, aanhangsel 2. Deze beoordeling omvat een bezoek ter plekke bij elke technische dienst waar zij verantwoordelijk voor is.
De aanwijzende instantie beoordeelt ten minste elke drie jaar of de technische diensten waar zij verantwoordelijk voor is, blijven voldoen aan de voorschriften van de artikelen 72 tot en met 76, de artikelen 84 en 85 en bijlage V, aanhangsel 2, en dient een beoordeling in bij de verantwoordelijke lidstaat. Deze beoordeling wordt verricht door een team voor gezamenlijke beoordeling dat volgens de procedure van artikel 77, leden 1 tot en met 4, wordt samengesteld, en omvat een bezoek ter plekke bij elke technische dienst waar zij verantwoordelijk voor is.
(De nummering in het Commissievoorstel klopt niet: er zijn twee leden met het nummer 3).
Amendement 300
Voorstel voor een verordening
Artikel 80 – lid 3 – alinea 2
Binnen twee maanden na het afronden van deze beoordeling van de technische dienst brengt de lidstaat over deze monitoringactiviteiten verslag uit bij de Commissie en de andere lidstaten. Het verslag bevat een samenvatting van de beoordeling, die openbaar wordt gemaakt.
Het resultaat van de beoordeling wordt meegedeeld aan alle lidstaten en aan de Commissie en een samenvatting van het resultaat wordt openbaar gemaakt. Het resultaat wordt besproken door het bij artikel 10 opgerichte forum.
(De nummering in het Commissievoorstel klopt niet: er zijn twee leden met het nummer 3).
Amendement 301
Voorstel voor een verordening
Artikel 81 – lid 1 – alinea 1
De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij in kennis wordt gesteld van twijfels over de bekwaamheid van een technische dienst of over de vraag of een technische dienst nog aan de voorschriften voldoet en zijn verantwoordelijkheden in het kader van deze verordening nakomt. Zij kan dergelijke onderzoeken ook op eigen initiatief starten.
De Commissie onderzoekt in samenwerking met de typegoedkeuringsinstantie van de betrokken lidstaat alle gevallen waarin zij in kennis wordt gesteld van twijfels over de bekwaamheid van een technische dienst of over de vraag of een technische dienst nog aan de voorschriften voldoet en zijn verantwoordelijkheden in het kader van deze verordening nakomt. Zij kan dergelijke onderzoeken ook op eigen initiatief starten.
Amendement 302
Voorstel voor een verordening
Artikel 81 – lid 2
2.  Als onderdeel van het in lid 1 bedoelde onderzoek raadpleegt de Commissie de goedkeuringsinstantie van de lidstaat van vestiging van de technische dienst. De typegoedkeuringsinstantie van die lidstaat verstrekt de Commissie op verzoek alle relevante informatie in verband met de prestatie en met de naleving van de voorschriften inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid van de betrokken technische dienst.
2.  Als onderdeel van het in lid 1 bedoelde onderzoek werkt de Commissie samen met de goedkeuringsinstantie van de lidstaat van vestiging van de technische dienst. De typegoedkeuringsinstantie van die lidstaat verstrekt de Commissie op verzoek alle relevante informatie in verband met de prestatie en met de naleving van de voorschriften inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid van de betrokken technische dienst.
Amendement 303
Voorstel voor een verordening
Artikel 82 – lid 4
4.  De uitwisseling van informatie wordt gecoördineerd door het in artikel 10 vermelde forum.
4.  De uitwisseling van informatie wordt gecoördineerd door het bij artikel 10 opgerichte forum.
Amendement 304
Voorstel voor een verordening
Artikel 83 – lid 1
1.  Wanneer de aanwijzing van een technische dienst gebaseerd is op een accreditatie in de zin van Verordening (EG) nr. 765/2008, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale accreditatie-instantie die een bepaalde technische dienst heeft geaccrediteerd, door de typegoedkeuringsinstantie op de hoogte wordt gesteld van berichten over incidenten en andere informatie over zaken waarmee de technische dienst is belast, wanneer dergelijke informatie van belang kan zijn voor de beoordeling van de prestaties van de technische dienst.
1.  Wanneer de aanwijzing van een technische dienst tevens gebaseerd is op een accreditatie in de zin van Verordening (EG) nr. 765/2008, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale accreditatie-instantie die een bepaalde technische dienst heeft geaccrediteerd, door de typegoedkeuringsinstantie op de hoogte wordt gesteld van berichten over incidenten en andere informatie over zaken waarmee de technische dienst is belast, wanneer dergelijke informatie van belang kan zijn voor de beoordeling van de prestaties van de technische dienst.
Amendement 305
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – letter a
a)  zij staan hun goedkeuringsinstantie toe getuige te zijn van de prestatie van de technische dienst tijdens de conformiteitsbeoordeling;
a)  zij staan hun goedkeuringsinstantie of het team voor gezamenlijke beoordeling als omschreven in artikel 77, lid 1, toe getuige te zijn van de prestatie van de technische dienst tijdens de typegoedkeuringstests;
Amendement 306
Voorstel voor een verordening
Artikel 88 – lid 2
2.  De in artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, artikel 10, lid 3, artikel 22, lid 3, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 5, artikel 26, lid 2, artikel 28, lid 5, artikel 29, lid 6, artikel 34, lid 2, artikel 55, leden 2 en 3, artikel 56, lid 2, artikel 60, lid 3, artikel 65, lid 10, artikel 76, lid 4, en artikel 90, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.  De in artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 7 bis, artikel 10, lid 3, artikel 22, lid 3, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 5, artikel 26, lid 2, artikel 28, lid 5, artikel 29, lid 6, artikel 33, lid 1 bis, artikel 34, lid 2, artikel 60, lid 3, artikel 65, lid 10, artikel 76, lid 4, en artikel 90, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Amendement 307
Voorstel voor een verordening
Artikel 88 – lid 3
3.  De in artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, artikel 10, lid 3, artikel 22, lid 3, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 5, artikel 26, lid 2, artikel 28, lid 5, artikel 29, lid 6, artikel 34, lid 2, artikel 55, leden 2 en 3, artikel 56, lid 2, artikel 60, lid 3, artikel 65, lid 10, artikel 76, lid 4, en artikel 90, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan door het Europees Parlement of de Raad te allen tijde worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  De in artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 7 bis, artikel 10, lid 3, artikel 22, lid 3, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 5, artikel 26, lid 2, artikel 28, lid 5, artikel 29, lid 6, artikel 33, lid 1 bis, artikel 34, lid 2, artikel 60, lid 3, artikel 65, lid 10, artikel 76, lid 4, en artikel 90, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan door het Europees Parlement of de Raad te allen tijde worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 308
Voorstel voor een verordening
Artikel 88 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
Amendement 309
Voorstel voor een verordening
Artikel 88 – lid 5
5.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, artikel 10, lid 3, artikel 22, lid 3, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 5, artikel 26, lid 2, artikel 28, lid 5, artikel 29, lid 6, artikel 34, lid 2, artikel 55, leden 2 en 3, artikel 56, lid 2, artikel 60, lid 3, artikel 65, lid 10, artikel 76, lid 4, en artikel 90, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien noch het Europees Parlement, noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd.
5.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 7 bis, artikel 10, lid 3, artikel 22, lid 3, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 5, artikel 26, lid 2, artikel 28, lid 5, artikel 29, lid 6, artikel 33, lid 1 bis, artikel 34, lid 2, artikel 60, lid 3, artikel 65, lid 10, artikel 76, lid 4, en artikel 90, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien noch het Europees Parlement, noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd.
Amendement 353
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – titel
Sancties
Sancties en aansprakelijkheid
Amendement 310
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 1
1.  De lidstaten stellen de regels vast inzake sancties voor marktdeelnemers en technische diensten die hun verplichtingen in het kader van deze verordening, en met name van de artikelen 11 tot en met 19, de artikelen 72 tot en met 76, en de artikelen 84 en 85, niet nakomen, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
1.  De lidstaten stellen de regels vast inzake sancties voor marktdeelnemers en technische diensten die hun verplichtingen in het kader van deze verordening niet nakomen, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De sancties moeten met name evenredig zijn aan het aantal niet-conforme voertuigen die op de markt van de betrokken lidstaat zijn geregistreerd of het aantal niet-conforme systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt van de betrokken lidstaat zijn aangeboden.
Amendement 311
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 2 – letter a
a)  het afleggen van valse verklaringen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot terugroeping leiden;
a)  het afleggen van valse verklaringen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot gevolg hebben dat er overeenkomstig hoofdstuk XI corrigerende of beperkende maatregelen worden opgelegd;
Amendement 312
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 2 – letter b
b)  het vervalsen van testresultaten voor typegoedkeuring;
b)  het vervalsen van testresultaten voor typegoedkeuring of markttoezicht, met inbegrip van het verlenen van goedkeuring op basis van onjuiste gegevens;
Amendement 313
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
c bis)   in het geval van technische diensten het onvoldoende aan de vereisten voor hun aanwijzing voldoen;
Amendement 354
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 2 – letter c ter (nieuw)
c ter)   wanneer door middel van tests of keuringen in verband met de conformiteit, of aan de hand van andere middelen, is vastgesteld dat voertuigen, onderdelen, systemen of technische eenheden niet voldoen aan de typegoedkeuringsvoorschriften die zijn vastgesteld in deze verordening of in een van de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen of dat de typegoedkeuring op grond van onjuiste gegevens is verleend.
Amendement 314
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 3 – letter b
b)  het zonder goedkeuring op de markt aanbieden van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor goedkeuring is vereist, of het met die intentie vervalsen van documenten of markeringen.
b)  het zonder goedkeuring op de markt aanbieden van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor goedkeuring is vereist, of het met die intentie vervalsen van documenten, conformiteitscertificaten, voorgeschreven platen of goedkeuringsmerken.
Amendement 315
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 5
5.  De lidstaten brengen jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de sancties die zij hebben opgelegd.
5.  De lidstaten doen aanmelding van opgelegde sancties bij de bij artikel 25 opgerichte online gegevensbank. Aanmeldingen gebeuren binnen een maand nadat de sanctie is opgelegd.
Amendement 355
Voorstel voor een verordening
Artikel 89 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   Wanneer is vastgesteld dat voertuigen, onderdelen, systemen of technische eenheden niet voldoen aan de typegoedkeuringsvoorschriften die zijn vastgesteld in deze verordening of in een van de in bijlage IV vermelde regelgevingshandelingen, moeten de marktdeelnemers aansprakelijk worden gesteld voor alle schade die de eigenaars van de betrokken voertuigen ten gevolge van die niet-conformiteit of door een terugroepactie hebben opgelopen.
Amendement 316
Voorstel voor een verordening
Artikel 90 – lid 1 – alinea 1
Indien bij de in artikel 9, leden 1 en 4, of artikel 54, lid 1, bedoelde nalevingscontrole door de Commissie niet-naleving van de voorschriften van deze verordening door een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan het licht komt, kan de Commissie de betrokken marktdeelnemer wegens inbreuk op deze verordening administratieve geldboetes opleggen. De voorziene administratieve geldboetes moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De geldboetes moeten met name evenredig zijn aan het aantal niet-conforme voertuigen die op de markt van de Unie zijn geregistreerd en het aantal niet-conforme systemen, onderdelen of technische eenheden die in de Unie op de markt zijn aangeboden.
Indien bij de in artikel 9, leden 1 en 4, of artikel 54, lid 1, bedoelde nalevingscontrole door de Commissie of de in artikel 8, lid 1, bedoelde nalevingscontrole door de markttoezichtautoriteiten niet-naleving van de voorschriften van deze verordening door een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan het licht komt, kan de Commissie de betrokken marktdeelnemer wegens inbreuk op deze verordening administratieve geldboetes opleggen. De voorziene administratieve geldboetes moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De geldboetes moeten met name evenredig zijn aan het aantal niet-conforme voertuigen die op de markt van de Unie zijn geregistreerd en het aantal niet-conforme systemen, onderdelen of technische eenheden die in de Unie op de markt zijn aangeboden.
Amendement 317
Voorstel voor een verordening
Artikel 90 – lid 1 – alinea 2
De door de Commissie opgelegde administratieve geldboetes mogen niet bovenop de sancties komen die door de lidstaten overeenkomstig artikel 89 voor dezelfde inbreuk zijn opgelegd, en mogen niet meer bedragen dan 30 000 EUR per niet-conform(e) voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid.
De door de Commissie opgelegde administratieve geldboetes mogen niet bovenop de sancties komen die door de lidstaten overeenkomstig artikel 89 voor dezelfde inbreuk zijn opgelegd.
De door de Commissie opgelegde administratieve geldboetes mogen niet meer bedragen dan 30 000 EUR per niet-conform(e) voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid.
Amendement 318
Voorstel voor een verordening
Artikel 91 – lid 1 – punt 3 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 5 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
3 bis)   in artikel 5 worden aan lid 2 de volgende alinea's toegevoegd na punt c):
"Fabrikanten die EU-typegoedkeuring wensen te verkrijgen voor een voertuig dat gebruikmaakt van een primaire emissiestrategie, aanvullende emissiestrategie of manipulatie-instrument volgens de definities in deze verordening of Verordening (EU) 2016/646, verstrekken de typegoedkeuringsinstantie alle informatie, met inbegrip van een technische motivering, die de typegoedkeuringsinstantie redelijkerwijs nodig heeft om te bepalen of de primaire emissiestrategie of aanvullende emissiestrategie een manipulatie-instrument is en of de afwijking van het verbod op het gebruik van manipulatie-instrumenten uit hoofde van dit artikel van toepassing is.
De goedkeuringsinstantie verleent geen EU-typegoedkeuring voordat zij haar beoordeling heeft afgerond en heeft vastgesteld dat het voertuigtype niet is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument in overeenstemming met dit artikel en Verordening (EG) nr. 692/2008.".
Amendement 345
Voorstel voor een verordening
Artikel 91 – lid 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 11 bis - lid 1 - letter b bis (nieuw)
b bis)   Brandstofverbruik en CO2-waarden zoals in reële rijomstandigheden vastgesteld worden openbaar gemaakt.
Amendement 346
Voorstel voor een verordening
Artikel 91 – alinea 1 – punt 6 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 715/2007
Artikel 14 bis (nieuw)
(6 bis)   Het volgende artikel 14 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 14 bis
Evaluatie
De Commissie herziet de in bijlage I bedoelde emissiegrenswaarden om de luchtkwaliteit in de Unie te verbeteren en de EU-grenswaarden voor de kwaliteit van de omgevingslucht en de door de WHO aanbevolen niveaus te bereiken, en komt zo nodig met voorstellen voor nieuwe technologieneutrale Euro7-emissiegrenswaarden die van toepassing zijn op alle M1- en N1-voertuigen die in de Unie in de handel worden gebracht."
Amendement 319
Voorstel voor een verordening
Bijlage XII – punt 1 – kolom 2
Eenheden
Eenheden
1 000
1500
0
0
1000
1500
0
1500
0
0
0
0
Amendement 320
Voorstel voor een verordening
Bijlage XII – punt 2 – kolom 2
Eenheden
Eenheden
100
250
250
250
500 tot en met 31 oktober 2016
500 tot en met 31 oktober 2016
250 vanaf 1 november 2016
250 vanaf 1 november 2016
250
250
500
500
250
250
Amendement 321
Voorstel voor een verordening
Bijlage XIII - deel I - tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Punt nr.

Beschrijving van het item

Prestatievereiste

Testprocedure

Voorschriften voor het merken

Voorschriften voor het verpakken

1

[…]

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

3

 

 

 

 

 

Amendement

Punt nr.

Beschrijving van het item

Prestatievereiste

Testprocedure

Voorschriften voor het merken

Voorschriften voor het verpakken

1

Uitlaatgaskatalysatoren en hun substraten

NOx-emissies

Euronormen

Voertuigtype en -versie

 

2

Turbocompressoren

CO2- en NOx-emissies

Euronormen

Voertuigtype en -versie

 

3

Compressorsystemen op basis van menging van brandstof en lucht, behalve turbocompressoren

CO2- en NOx-emissies

Euronormen

Voertuigtype en -versie

 

4

Dieseldeeltjesfilters

PM

Euronormen

Voertuigtype en -versie

 

Amendement 322
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 2 – titel
2.  Toegang tot OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 323
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 2 – punt 2.8
2.8.  Met betrekking tot voertuigen van categorieën die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 595/2009 vallen, moeten voor de toepassing van punt 2.6.2, wanneer fabrikanten diagnose- en testapparatuur overeenkomstig ISO 22900 — Modular Vehicle Communication Interface (MVCI) en ISO 22901 — Open Diagnostic Data Exchange (ODX) gebruiken in hun franchisenetwerken, de ODX-bestanden via de website van de fabrikant toegankelijk zijn voor onafhankelijke marktdeelnemers.
2.8.  Voor de toepassing van punt 2.6.2, wanneer fabrikanten diagnose- en testapparatuur overeenkomstig ISO 22900 — Modular Vehicle Communication Interface (MVCI) en ISO 22901 — Open Diagnostic Data Exchange (ODX) gebruiken in hun franchisenetwerken, moeten de ODX-bestanden via de website van de fabrikant toegankelijk zijn voor onafhankelijke marktdeelnemers.
Amendement 324
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 2 – punt 2.8 bis (nieuw)
2.8  bis. Met het oog op OBD, diagnostiek, reparatie en onderhoud van een voertuig wordt de directe gegevensstroom van het voertuig beschikbaar gesteld via de seriële poort op de gestandaardiseerde connector voor gegevensverbinding als gespecificeerd in VN/ECE-Reglement nr. 83, bijlage 11, aanhangsel 1, punt 6.5.1.4 en VN/ECE-Reglement nr. 49, bijlage 9B, artikel 4.7.3.
Amendement 325
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 6 – punt 6.1– alinea 3
Informatie over alle voertuigonderdelen waarmee het voertuig, aangeduid door het VIN en door aanvullende criteria zoals wielbasis, motorvermogen, uitrustingsniveau of opties, door de voertuigfabrikant is uitgerust en die kunnen worden vervangen door reserveonderdelen die door de voertuigfabrikant aan zijn erkende reparateurs of dealers of aan derden worden aangeboden met verwijzing naar de originele onderdeelnummers, wordt ter beschikking gesteld in een databank die voor onafhankelijke marktdeelnemers gemakkelijk toegankelijk is.
Informatie over alle voertuigonderdelen waarmee het voertuig, aangeduid door het VIN en door aanvullende criteria zoals wielbasis, motorvermogen, uitrustingsniveau of opties, door de voertuigfabrikant is uitgerust en die kunnen worden vervangen door reserveonderdelen die door de voertuigfabrikant aan zijn erkende reparateurs of dealers of aan derden worden aangeboden met verwijzing naar de originele onderdeelnummers, wordt in de vorm van machineleesbare en elektronisch verwerkbare gegevensbestanden ter beschikking gesteld in een databank die voor onafhankelijke marktdeelnemers toegankelijk is.
Amendement 326
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 6 – punt 6.3
6.3.  Het in artikel 70 vermelde forum Toegang tot voertuiginformatie zal de parameters vaststellen om volgens de stand van de techniek aan deze voorschriften te voldoen. De onafhankelijke marktdeelnemer wordt hiertoe goedgekeurd en geautoriseerd op basis van documenten waaruit blijkt dat hij legitieme handelsactiviteiten verricht en niet veroordeeld is voor criminele activiteiten.
6.3.  Het in artikel 70 vermelde forum Toegang tot voertuiginformatie zal de parameters vaststellen om volgens de stand van de techniek aan deze voorschriften te voldoen. De onafhankelijke marktdeelnemer wordt hiertoe goedgekeurd en geautoriseerd op basis van documenten waaruit blijkt dat hij legitieme handelsactiviteiten verricht en niet veroordeeld is voor relevante criminele activiteiten.
Amendement 327
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 6 – punt 6.4
6.4.  Met betrekking tot voertuigen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 595/2009 vallen, wordt de herprogrammering van regeleenheden uitgevoerd volgens ISO 22900-2, SAE J2534 of TMC RP1210B, met behulp van niet aan eigendomsrechten verbonden hardware. Herprogrammering via ethernet, seriële kabel of lokaal netwerk (LAN) en met behulp van verwisselbare media zoals compact discs (cd's), digital versatile discs (dvd's) of solid-stategeheugenmedia voor infotainmentsystemen (bv. navigatiesystemen of telefoons) is eveneens toegestaan, maar slechts op voorwaarde dat hiervoor geen aan eigendomsrechten gebonden communicatiesoftware (bv. stuurprogramma's of plug-ins) of -hardware vereist is. Voor de validering van de compatibiliteit van de fabrikantspecifieke toepassing en de voertuigcommunicatie-interfaces (VCI's) overeenkomstig ISO 22900-2 of SAE J2534 of TMC RP1210B, biedt de fabrikant een validering aan van onafhankelijk ontwikkelde VCI's, of verstrekt hij de vereiste informatie en geeft hij de eventueel vereiste speciale hardware in bruikleen waarmee een VCI-fabrikant deze validering zelf kan uitvoeren. Op vergoedingen voor dergelijke valideringen of dergelijke informatie en hardware zijn de voorwaarden van artikel 67, lid 1, van toepassing.
6.4.  Herprogrammering van regeleenheden wordt uitgevoerd volgens ISO 22900-2, SAE J2534 of TMC RP1210, met behulp van niet aan eigendomsrechten verbonden hardware.
Als herprogrammering of diagnostiek wordt verricht met behulp van ISO 13400 DoIP, moet zij voldoen aan de vereisten van de normen als bedoeld in de eerste alinea.
Wanneer voertuigfabrikanten aanvullende communicatieprotocollen gebruiken die aan eigendomsrechten gebonden zijn, moeten deze protocolspecificaties beschikbaar worden gesteld aan onafhankelijke marktdeelnemers.
Voor de validering van de compatibiliteit van de fabrikantspecifieke toepassing en de voertuigcommunicatie-interfaces (VCI's) overeenkomstig ISO 22900-2 of SAE J2534 of TMC RP1210, biedt de fabrikant binnen een termijn van zes maanden na de verlening van de typegoedkeuring een validering aan van onafhankelijk ontwikkelde VCI's en de testomgeving, met inbegrip van informatie over de specificaties van het communicatieprotocol en het in bruikleen geven van eventueel vereiste speciale hardware waarmee een VCI-fabrikant deze validering zelf kan uitvoeren. Op vergoedingen voor dergelijke valideringen of dergelijke informatie en hardware zijn de voorwaarden van artikel 67, lid 1, van toepassing.
De overeenkomstige naleving van conformiteit moet worden gegarandeerd door het CEN een mandaat te geven voor de ontwikkeling van passende conformiteitsnormen of door bestaande normen zoals SAE J2534-3 te gebruiken.
Op vergoedingen voor deze valideringen of informatie en hardware zijn de voorwaarden van artikel 67, lid 1, van toepassing.
Amendement 328
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 6 – punt 6.8 bis (nieuw)
6.8.  bis. Als de OBD-informatie van het voertuig of de reparatie- en onderhoudsinformatie op de website van de fabrikant geen specifieke relevante informatie bevat om retrofitsystemen voor alternatieve brandstoffen op correcte wijze te kunnen ontwerpen en bouwen, kan elke belangstellende fabrikant van retrofitsystemen voor alternatieve brandstoffen toegang krijgen tot de in de punten 1, 3 en 4 van het inlichtingenformulier van bijlage I vereiste informatie door de fabrikant daar rechtstreeks om te verzoeken. De hiervoor benodigde contactgegevens zijn duidelijk aangegeven op de website van de fabrikant en de informatie wordt binnen een termijn van dertig dagen verstrekt. Deze informatie hoeft alleen te worden verstrekt voor retrofitsystemen voor alternatieve brandstoffen die onder VN/ECE-Reglement nr. 115 vallen of voor retrofitonderdelen voor alternatieve brandstoffen die deel uitmaken van systemen die onder VN/ECE-Reglement nr. 115 vallen; ze hoeft alleen te worden verstrekt in antwoord op een verzoek waarin de exacte specificatie van het voertuigmodel waarvoor de informatie nodig is duidelijk wordt aangegeven en waarin specifiek wordt bevestigd dat de informatie nodig is voor de ontwikkeling van retrofitsystemen voor alternatieve brandstoffen of onderdelen daarvan die onder VN/ECE-Reglement nr. 115 vallen.
Amendement 329
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 7 bis (nieuw)
7 bis.   Voertuigfabrikanten stellen via een webservice of als download een elektronisch gegevensbestand ter beschikking met alle VIN's (of een gevraagde deelverzameling) en de daarmee overeenkomende individuele specificatie- en configuratiekenmerken die oorspronkelijk waren ingebouwd in het voertuig.
Amendement 330
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – punt 7 ter (nieuw)
7 ter.   Bepalingen inzake elektronische systeembeveiliging
7 ter.1. Voertuigen met een emissiebeheersingscomputer worden uitgerust met functies om niet door de fabrikant toegestane modificaties te voorkomen. De fabrikant geeft toestemming voor modificaties indien deze noodzakelijk zijn voor diagnose, onderhoud, keuring, latere aanpassing of reparatie van het voertuig. Herprogrammeerbare computercodes of bedrijfsparameters moeten bestand zijn tegen manipulatie en een beschermingsniveau bieden dat ten minste even hoog is als de bepalingen in ISO 15031-7 van 15 maart 2001 (SAE J2186 van oktober 1996). Verwijderbare geheugenchips met kalibratiegegevens moeten zijn ingekapseld, in een verzegelde behuizing zijn ondergebracht of door elektronische algoritmen zijn beschermd en mogen alleen met behulp van speciale gereedschappen en procedures kunnen worden vervangen. Alleen functies die rechtstreeks met de kalibratie van emissies of met diefstalbeveiliging te maken hebben, mogen op deze manier worden beveiligd.
7 ter.2. Computergecodeerde bedrijfsparameters voor de motor mogen alleen kunnen worden veranderd met behulp van speciale gereedschappen en procedures (bijv. gesoldeerde of ingekapselde computeronderdelen of verzegelde (of dichtgesoldeerde) computerbehuizingen).
7 ter.3. Bij mechanische brandstofinspuitpompen die op compressieontstekingsmotoren zijn gemonteerd, nemen de fabrikanten de nodige maatregelen om te voorkomen dat de maximumdosering van de brandstof kan worden gemanipuleerd terwijl het voertuig in gebruik is.
7 ter.4. Fabrikanten mogen bij de goedkeuringsinstantie een vrijstelling van een van de bepalingen van punt 8 aanvragen voor voertuigen waarbij beveiliging overbodig wordt geacht. De criteria die de goedkeuringsinstantie bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag hanteert, zijn onder meer de beschikbaarheid van prestatiechips, de hoge prestatiemogelijkheden van het voertuig en de verwachte verkoopcijfers voor het voertuig.
7 ter.5. Fabrikanten die gebruikmaken van programmeerbare computercodesystemen (bijv. EEPROM — Electrically Erasable Programmable Read-Only Memory), moeten ongeoorloofde herprogrammering tegengaan. Fabrikanten maken gebruik van verbeterde strategieën voor beveiliging tegen manipulatie en functies voor schrijfbeveiliging waarbij elektronische toegang tot een elders geplaatste computer van de fabrikant noodzakelijk is, waartoe onafhankelijke marktdeelnemers ook toegang hebben overeenkomstig punt 6.2 en punt 6.4. Methoden die een afdoende mate van manipulatiebeveiliging bieden, worden door de goedkeuringsinstantie goedgekeurd.
Amendement 331
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – aanhangsel 2 – punt 3.1.1
3.1.1  eventuele extra protocolinformatiesystemen om een volledige diagnose mogelijk te maken, naast de in bijlage 9B, punt 4.7.3, bij VN/ECE-Reglement nr. 49 voorgeschreven standaarden, inclusief eventuele extra hard- of softwareprotocolinformatie, parameteridentificatie, transferfuncties, "keep alive"-voorschriften of fouttoestanden;
3.1.1.   eventuele extra protocolinformatiesystemen om een volledige diagnose mogelijk te maken, naast de in bijlage 9B, punt 4.7.3, bij VN/ECE-Reglement nr. 49 en in bijlage 11, punt 6.5.1.4, bij VN/ECE-Reglement nr. 83 voorgeschreven standaarden, inclusief eventuele extra hard- of softwareprotocolinformatie, parameteridentificatie, transferfuncties, "keep alive"-voorschriften of fouttoestanden;
Amendement 332
Voorstel voor een verordening
Bijlage XVIII – aanhangsel 2 – punt 3.1.2
3.1.2.  bijzonderheden over het verkrijgen en interpreteren van foutcodes die niet voldoen aan de in bijlage 9B, punt 4.7.3, bij VN/ECE-Reglement nr. 49 voorgeschreven standaarden;
3.1.2.  bijzonderheden over het verkrijgen en interpreteren van foutcodes die niet voldoen aan de in bijlage 9B, punt 4.7.3, bij VN/ECE-Reglement nr. 49 en de in bijlage 11, punt 6.5.1.4, bij VN/ECE-Reglement nr. 83 voorgeschreven standaarden;

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0048/2017).


Palmolie en de ontbossing van regenwouden
PDF 319kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 april 2017 over palmolie en de ontbossing van regenwouden (2016/2222(INI))
P8_TA(2017)0098A8-0066/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) 2015-2030 van de Verenigde Naties,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs die is bereikt in het kader van de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP 21),

–  gezien technisch verslag 2013-063 van de Commissie getiteld "The impact of EU consumption on deforestation" (De effecten van EU-consumptie op ontbossing) (2013-063)(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 oktober 2008 getiteld "De uitdagingen van ontbossing en aantasting van bossen aangaan om de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit aan te pakken" (COM(2008)0645),

–  gezien de verklaring van Amsterdam van 7 december 2015 getiteld "Towards Eliminating Deforestation from Agricultural Commodity Chains with European Countries" (Naar de uitbanning van ontbossing die het gevolg is van ketens van landbouwgrondstoffen met Europese landen) waarin wordt gepleit voor een volledig duurzame toeleveringsketen voor palmolie, alsook voor de stopzetting van illegale ontbossing tegen 2020,

–  gezien de toezegging van vijf lidstaten en ondertekenende partijen bij de verklaring van Amsterdam, te weten Denemarken, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Nederland, om overheidssteun uit te trekken voor het plan om tegen 2020 een 100 % duurzame palmolie-industrie tot stand te brengen,

–  gezien de Europese strategie voor emissiearme mobiliteit van juli 2016 en het voorstel van de Commissie van 30 november 2016 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (COM(2016)0767),

–  gezien de in opdracht van de Commissie uitgevoerde en door haar gefinancierde studie van 4 oktober 2016 getiteld "The land use change impact of biofuels consumed in the EU: Quantification of area and greenhouse gas impacts" (De effecten van in de EU geconsumeerde biobrandstoffen wat betreft verandering van landgebruik: kwantificering van de effecten met betrekking tot landoppervlakte en broeikasgassen),

–  gezien het verslag getiteld "Globiom: the basis for biofuel policy post-2020" (Globiom: de basis voor het beleid inzake biobrandstoffen na 2020),

–  gezien Speciaal verslag nr. 18/2016 van de Rekenkamer getiteld "Het certificeringssysteem van de EU voor duurzame biobrandstoffen",

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake biologische diversiteit,

–  gezien de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES),

–  gezien het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik bij het Verdrag inzake biologische diversiteit, dat is vastgesteld op 29 oktober 2010 in Nagoya, Japan, en op 12 oktober 2014 in werking is getreden,

–  gezien de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020, en de daarmee verband houdende tussentijdse herziening(2),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU(3),

–  gezien het World Conservation Congress 2016 van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) gehouden in Hawaii in 2016 en de daaruit voortkomende motie 066 over de beperking van de effecten die een uitbreiding van de palmolieproductie en palmolie-exploitatie heeft op biodiversiteit,

–  gezien de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren (UNDRIP),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0066/2017),

A.  overwegende dat de Europese Unie de Overeenkomst van Parijs heeft geratificeerd en een cruciale rol moet spelen bij de verwezenlijking van de vastgestelde doelstellingen op het gebied van de strijd tegen klimaatverandering en bij het boeken van resultaten op het vlak van milieubescherming en duurzame ontwikkeling;

B.  overwegende dat de Europese Unie een belangrijke rol heeft gespeeld bij het formuleren van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling die nauw gerelateerd zijn aan de palmolieproblematiek (doelstellingen 2, 3, 6, 14, 16, 17 en met name 12, 13 en 15);

C.  overwegende dat de EU er zich in het kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling toe heeft verbonden te ijveren voor de toepassing van duurzaam beheer van alle soorten bossen, ontbossing een halt toe te roepen, beschadigde bossen te herstellen en zowel bebossing als herbebossing tegen 2020 overal ter wereld aanzienlijk te doen toenemen; overwegende dat de EU er zich in het kader van de Agenda 2030 tevens toe heeft verbonden om duurzame consumptie- en productiepatronen te waarborgen, om ondernemingen aan te sporen duurzame praktijken in te voeren en informatie over duurzaamheid op te nemen in hun rapportagecyclus, en om duurzame openbare aanbestedingen te bevorderen, in overeenstemming met nationaal beleid en mondiale prioriteiten tegen 2020;

D.  overwegende dat er tal van factoren zijn die wereldwijde ontbossing in de hand werken, waaronder de productie van landbouwgrondstoffen zoals soja, rundvlees, mais en palmolie;

E.  overwegende dat bijna de helft (49 %) van alle recente gevallen van tropische ontbossing het gevolg is van illegale ontginning voor commerciële landbouwdoeleinden en dat deze vernietiging wordt ingegeven door de overzeese vraag naar landbouwgrondstoffen, waaronder palmolie, rundvlees, soja en houtproducten; overwegende dat wordt geschat dat de illegale conversie van tropisch regenwoud voor commerciële landbouwdoeleinden jaarlijks 1,47 gigaton koolstof veroorzaakt, wat overeenkomt met 25 % van de jaarlijkse van fossiele brandstoffen afkomstige emissies in de EU(4);

F.  overwegende dat de ongecontroleerde bosbranden van 2015 in Indonesië en op Borneo de ergste branden in bijna twintig jaar tijd zijn geweest en dat ze werden veroorzaakt door verandering in landgebruik, ontbossing en de wereldwijde klimaatverandering; overwegende dat de regio's in kwestie in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid vaker zullen worden geteisterd door extreme droogte, tenzij er gezamenlijk actie wordt ondernomen om te voorkomen dat er branden uitbreken;

G.  overwegende dat in Indonesië en op Borneo 69 miljoen mensen zijn blootgesteld aan de schadelijke luchtvervuiling die werd veroorzaakt door de ongecontroleerde bosbranden, en dat deze branden aan duizenden mensen het leven hebben gekost;

H.  overwegende dat branden in Indonesië een typisch gevolg zijn van het ontginnen van land voor de productie van palmolie en andere landbouwdoeleinden; overwegende dat 52 % van de branden in Indonesië in 2015 heeft plaatsgevonden op koolstofrijke veengronden en dat het land daardoor een van de grootste veroorzakers van de opwarming van de aarde is geworden(5);

I.  overwegende dat het ontbreken van nauwkeurige palmolieconcessiekaarten en openbare kadasters in veel producerende landen het moeilijk maakt om vast te stellen wie verantwoordelijk is voor bosbranden;

J.  overwegende dat de EU in het kader van de verklaring van New York inzake bossen heeft toegezegd om de particuliere sector te helpen bij de verwezenlijking van de doelstelling om de ontbossing die wordt veroorzaakt door de productie van landbouwgrondstoffen zoals palmolie, soja, papier en rundvleesproducten uiterlijk in 2020 uit te bannen, in het volle besef dat sommige ondernemingen zelfs nog ambitieuzer zijn;

K.  overwegende dat de EU er zich in 2008 toe heeft verbonden de ontbossing uiterlijk in 2020 ten minste te halveren en ervoor te zorgen dat er uiterlijk in 2030 op wereldschaal geen bosareaal meer verloren gaat;

L.  overwegende dat waardevolle tropische ecosystemen, die amper 7 % van de oppervlakte van de aarde uitmaken, steeds meer onder druk komen te staan door ontbossing; overwegende dat de aanleg van palmolieplantages leidt tot enorme bosbranden, het droogvallen van rivieren, bodemerosie, drooglegging van veengronden, verontreiniging van waterwegen en een algemeen verlies aan biodiversiteit, wat op zijn beurt in de hand werkt dat vele ecosysteemdiensten verloren gaan en grote gevolgen heeft voor het klimaat, de instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en de bescherming van het milieu in de hele wereld voor huidige en toekomstige generaties;

M.  overwegende dat de consumptie van palmolie en daarvan afgeleide verwerkte goederen een belangrijke factor is voor de mate waarin de EU-consumptie bijdraagt aan de wereldwijde ontbossing;

N.  overwegende dat de vraag naar plantaardige olie in het algemeen wellicht zal stijgen(6), terwijl schattingen erop wijzen dat de vraag naar palmolie tegen 2050 zal verdubbelen(7); overwegende dat 90 % van de toename van de palmolieproductie sinds de jaren '70 van de twintigste eeuw zich concentreert in Indonesië en Maleisië; overwegende dat de teelt van oliepalmen bovendien ook in andere Aziatische landen en in Afrika en Latijns-Amerika van de grond aan het komen is en dat daar voortdurend nieuwe plantages worden aangelegd, terwijl bestaande plantages worden uitgebreid; overwegende dat deze stand van zaken zal leiden tot verdere milieuschade; overwegende dat er echter nog meer behoefte aan landbouwgronden zou ontstaan als palmolie zou worden vervangen door andere plantaardige oliën;

O.  overwegende dat het grootscheepse gebruik van palmolie voornamelijk toe te schrijven is aan de lage kosten van het product, die te danken zijn aan het toegenomen aantal oliepalmplantages in ontboste gebieden; overwegende dat het gebruik van palmolie in de levensmiddelenindustrie bovendien past in het model van niet-duurzame massaproductie en ‑consumptie, hetgeen volledig haaks staat op het gebruik en de bevordering van biologische, kwalitatief hoogstaande nul-kilometeringrediënten en ‑producten;

P.  overwegende dat er steeds meer palmolie wordt gebruikt als biobrandstof en in verwerkte levensmiddelen (circa 50 % van de verpakte producten bevat inmiddels palmolie);

Q.  overwegende dat sommige bedrijven die palmolie verhandelen er niet in slagen om onweerlegbaar aan te tonen dat de palmolie in hun productieketen niet in verband kan worden gebracht met ontbossing, drooglegging van veengronden of milieuvervuiling en om te bewijzen dat de palmolie is geproduceerd met volledige inachtneming van de fundamentele mensenrechten en adequate sociale normen;

R.  overwegende dat de Commissie in het kader van het Zevende Milieuactieprogramma (MAP) verplicht is het milieueffect van de consumptie van grondstoffen voor levensmiddelen en non-foodproducten in de Unie in een mondiale context te beoordelen en, indien nodig, beleidsvoorstellen uit te werken om de resultaten van deze beoordelingen aan te pakken, alsook moet overwegen een EU-actieplan inzake ontbossing en bosdegradatie op te stellen;

S.  overwegende dat de Commissie studies plant over ontbossing en palmolie;

T.  overwegende dat niet bekend is hoeveel broeikasgasemissies er in totaal worden veroorzaakt door verandering in landgebruik die verband houdt met palmolie; overwegende dat een verbetering van de wetenschappelijke beoordelingen in dit verband noodzakelijk is;

U.  overwegende dat er in de producerende landen geen betrouwbare gegevens beschikbaar zijn over de stukken land die, al dan niet met toestemming, worden gebruikt voor de teelt van oliepalmen; overwegende dat de maatregelen die worden genomen om de duurzaamheid van palmolie te certificeren door deze belemmering van meet af aan op de helling komen te staan;

V.  overwegende dat de energiesector in 2014 verantwoordelijk was voor 60 % van de in de EU geïmporteerde palmolie, en dat 46 % van de geïmporteerde palmolie is gebruikt als brandstof in de vervoersector (een verzesvoudiging ten opzichte van 2010) en 15 % voor de opwekking van elektriciteit en warmte;

W.  overwegende dat in de periode van nu tot 2020 wereldwijd naar schatting 1 miljoen hectare land zal worden geconverteerd voor de productie van palmolie voor biodiesel, waarvan 0,57 miljoen hectare in gebieden in Zuidoost-Azië met oerbossen(8);

X.  overwegende dat de totale door het biobrandstofmandaat van de EU 2020-strategie veroorzaakte verandering in landgebruik 8,8 miljoen hectare bedraagt, en dat daarvan 2,1 miljoen hectare als gevolg van uitbreidingen van oliepalmplantages is geconverteerd in Zuidoost-Azië, waarvan de helft ten koste van tropische bossen en veengronden;

Y.  overwegende dat de ontbossing van regenwoud leidt tot de vernietiging van de natuurlijke habitats van meer dan de helft van de diersoorten die onze planeet rijk is en meer dan twee derde van de plantensoorten, waardoor deze soorten in hun voortbestaan worden bedreigd; overwegende dat het regenwoud een aantal van 's werelds zeldzaamste en vaak endemische soorten herbergt, die op de rode lijst van de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) zijn ingedeeld in de categorie van ernstig bedreigde soorten, waarvan wordt aangenomen dat ze te maken hebben gehad met een waargenomen, geschatte, afgeleide of vermoede achteruitgang van de populaties in de afgelopen tien jaar of over drie generaties van meer dan 80 %; overwegende dat de EU-consument beter op de hoogte moet worden gesteld van de inspanningen die worden gedaan om deze dier- en plantensoorten te beschermen;

Z.  overwegende dat uit diverse onderzoeken blijkt dat er in tal van landen bij de aanleg en de exploitatie van palmolieplantages sprake is van grootschalige schendingen van fundamentele mensenrechten, waaronder gedwongen uitzettingen, gewapend geweld, kinderarbeid, schuldslavernij of discriminatie van inheemse gemeenschappen;

AA.  overwegende dat ons erg verontrustende berichten(9) bereiken waarin wordt gemeld dat er bij een substantieel deel van de wereldwijde productie van palmolie sprake is van schendingen van fundamentele mensenrechten en adequate sociale normen, dat er regelmatig gebruik wordt gemaakt van kinderarbeid en dat er tal van grondgeschillen zijn tussen lokale en inheemse gemeenschappen enerzijds en palmolieconcessiehouders anderzijds;

Algemene overwegingen

1.  herinnert eraan dat duurzame landbouw, voedselzekerheid en duurzaam bosbeheer centrale doelstellingen zijn van de SDG's;

2.  wijst erop dat bossen van essentieel belang zijn voor de aanpassing aan en beperking van klimaatverandering;

3.  wijst op de complexiteit van de factoren die aan de wereldwijde ontbossing ten grondslag liggen, zoals de ontginning van land voor vee of akkerbouwgewassen, met name om diervoeder op basis van soja te produceren voor de EU-veestapel, alsook voor palmolie, stedelijke expansie, houtkap en andere intensieve landbouwactiviteiten;

4.  stelt vast dat 73 % van de wereldwijde ontbossing te wijten is aan de ontginning van land voor landbouwgrondstoffen, waarbij 40 % van de wereldwijde ontbossing wordt veroorzaakt door conversie naar grootschalige monocultuurplantages van oliepalmen(10);

5.  merkt op dat de exploitatie van palmolie niet de enige oorzaak van ontbossing is, maar dat het probleem ook deels wordt veroorzaakt door de uitbreiding van de illegale houtkap en door demografische druk;

6.  stelt vast dat andere plantaardige oliën die van sojabonen, koolzaad en andere gewassen worden gemaakt een veel grotere milieuvoetafdruk hebben en een veel extensiever landgebruik vergen dan palmolie; merkt op dat bij het verbouwen van andere oliegewassen gewoonlijk intensiever gebruik wordt gemaakt van pesticiden en meststoffen;

7.  stelt met bezorgdheid vast dat de enorme mondiale vraag naar grond wordt ingegeven door de toenemende mondiale vraag naar biobrandstoffen en grondstoffen en door speculatie met grond en landbouwgrondstoffen;

8.  herinnert eraan dat de EU een belangrijke importeur is van door ontbossing verkregen producten, hetgeen een desastreus effect op de biodiversiteit heeft;

9.  wijst erop dat iets minder dan een kwart (in waarde) van alle landbouwgrondstoffen op de internationale handelsmarkt die door middel van illegale ontbossing worden verkregen voor de EU is bestemd, waaronder 27 % van alle soja, 18 % van alle palmolie, 15 % van al het rundvlees en 31 % van al het leder(11);

10.  onderstreept dat er in het optreden van de EU niet alleen rekening moet worden gehouden met de productie van palmolie maar met alle deze geïmporteerde landbouwproducten, wil men ontbossing die verband houdt met de consumptie van landbouwgrondstoffen doeltreffend bestrijden;

11.  brengt in herinnering dat Maleisië en Indonesië met naar schatting 85-90 % van de mondiale productie de belangrijkste palmolieproducenten zijn en is verheugd dat het aantal Maleisische oerbossen sinds 1990 is toegenomen, maar blijft bezorgd over het huidige tempo van ontbossing in Indonesië, met een totaal verlies van 0,5 % per vijf jaar;

12.  wijst erop dat Indonesië onlangs de derde positie heeft ingenomen onder de grootste CO2-vervuilers wereldwijd en dat het land kampt met afnemende biodiversiteit, waardoor verscheidene bedreigde wilde diersoorten zo goed als uitgestorven zijn;

13.  herinnert eraan dat palmolie goed is voor ongeveer 40 % van de globale handel in alle plantaardige oliën en dat de EU met ongeveer 7 miljoen ton per jaar de op één na grootste importeur ter wereld is;

14.  is verontrust over het feit dat ongeveer de helft van de totale oppervlakte aan illegaal ontgonnen bossen wordt gebruikt voor de productie van palmolie voor de EU-markt;

15.  merkt op dat het gebruik van palmolie als ingrediënt en/of vervangingsmiddel in de agrovoedingsindustrie te maken heeft met de productiviteit en chemische eigenschappen van palmolie, zoals gemakkelijke opslag, smeltpunt en de lagere prijs ervan als grondstof;

16.  stelt voorts vast dat palmpitkoek in de EU wordt gebruikt als diervoeder, met name voor het vetmesten van melk- en slachtvee;

17.  onderstreept in dit verband dat de sociale, gezondheids- en milieunormen in de EU strenger zijn;

18.  is zich er terdege van bewust dat de palmolieproblematiek zeer complex is en benadrukt hoe belangrijk het is een wereldwijde oplossing uit te werken die uitgaat van de collectieve verantwoordelijkheid van talrijke actoren; pleit ten zeerste voor dit beginsel voor al wie deel uitmaakt van de toeleveringsketen van palmolie, met inbegrip van de EU en andere internationale organisaties, de lidstaten, financiële instellingen, de regeringen van landen die palmolie produceren, inheemse volkeren en lokale gemeenschappen, nationale en multinationale ondernemingen die betrokken zijn bij de productie, distributie en verwerking van palmolie, consumentenorganisaties en ngo's; is er bovendien van overtuigd dat al deze actoren absoluut een duit in het zakje moeten doen door hun inspanningen op elkaar af te stemmen, zodat er een oplossing kan worden gevonden voor de talrijke ernstige problemen met betrekking tot de niet-duurzame productie en consumptie van palmolie;

19.  onderstreept de gedeelde mondiale verantwoordelijkheid met betrekking tot de totstandbrenging van een duurzame palmolieproductie en benadrukt dat de voedingssector een belangrijke rol te spelen heeft door duurzaam geproduceerde alternatieven in te kopen;

20.  merkt op dat een aantal producenten en handelaars van grondstoffen, verkopers en andere tussenpersonen in de toeleveringsketen, met inbegrip van Europese ondernemingen, toezeggingen heeft gedaan op het gebied van nul-ontbossing wat grondstofproductie en -handel betreft, nul-conversie van koolstofrijke veengronden, eerbiediging van de mensenrechten, transparantie, traceerbaarheid, controles door derden en verantwoorde beheerpraktijken;

21.  erkent dat het behoud van het regenwoud en wereldwijde biodiversiteit van vitaal belang zijn voor de toekomst van de aarde en de mensheid, maar onderstreept dat de instandhoudingsinspanningen moet worden gecombineerd met beleidsinstrumenten voor plattelandsontwikkeling om armoede te voorkomen en de werkgelegenheid in kleine landbouwgemeenschappen in de regio's in kwestie te ondersteunen;

22.  erkent dat inspanningen om de ontbossing te stoppen lokale capaciteitsopbouw, technologische bijstand en de uitwisseling van beste praktijken tussen de gemeenschappen moeten inhouden, evenals steun aan kleine boeren om hun bestaande akkerland zo doeltreffend mogelijk te gebruiken zonder over te hoeven gaan tot verdere conversie van bosgrond; wijst in dit verband nadrukkelijk op het grote potentieel van agro-ecologische praktijken voor het maximaliseren van ecosysteemfuncties door middel van gemengde technieken van aanplant, boslandbouw en permacultuur met een grote diversiteit, zonder terug te vallen op inputafhankelijkheid of monoculturen;

23.  merkt op dat palmolieproductie op positieve wijze kan bijdragen aan de economische ontwikkeling van een land en haalbare economische kansen kan bieden voor landbouwers, op voorwaarde dat er op verantwoordelijke wijze wordt gewerkt en er strikte voorwaarden worden gesteld om de teelt duurzaam te maken;

24.  stelt vast dat er verschillende soorten vrijwillige certificeringsregelingen bestaan, zoals RSPO, ISPO en MSPO, en is verheugd over de bijdrage van deze regelingen aan de bevordering van een duurzame palmolieproductie; merkt echter op dat er kritiek is op de duurzaamheidscriteria van deze normen, met name met betrekking tot ecologische en sociale integriteit; benadrukt dat het naast elkaar bestaan van verschillende regelingen verwarrend is voor de consument en wijst erop dat het uiteindelijke doel moet zijn om één enkele certificeringsregeling te ontwikkelen, waardoor duurzame palmolie zichtbaarder wordt voor de consument; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat via een dergelijke certificeringsregeling wordt gewaarborgd dat enkel duurzaam geproduceerde palmolie de EU-markt bereikt;

25.  merkt op dat ook onder onze partners van buiten de EU het bewustzijn moet worden aangewakkerd over hun rol bij het oplossen van problemen in verband met duurzaamheid en ontbossing, onder meer in verband met hun inkooppraktijken;

Aanbevelingen

26.  verzoekt de Commissie de internationale toezeggingen van de EU na te komen, onder meer de toezeggingen in het kader van de COP 21, het VN-Bossenforum (UNFF)(12), het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit (UNBCD)(13), de verklaring van New York inzake bossen en de duurzame-ontwikkelingsdoelstelling om ontbossing tegen 2020 een halt toe te roepen(14);

27.  wijst op het potentieel van initiatieven zoals de verklaring van New York inzake bossen(15), bedoeld om de particuliere sector te helpen bij het behalen van de doelstelling om uiterlijk in 2020 een einde te maken aan ontbossing voor de productie van landbouwgrondstoffen zoals palmolie, soja, papier en rundvlees; wijst erop dat sommige bedrijven ambitieuzere doelstellingen nastreven en merkt op dat 60 % van de bedrijven die actief zijn in de palmoliesector zich weliswaar achter zulke initiatieven heeft geschaard, maar dat tot nog toe slechts 2 % in staat is te achterhalen waar de palmolie die zij verhandelen vandaan komt(16);

28.  wijst op de inspanningen en de vorderingen van de voedingsmiddelenindustrie met betrekking tot de inkoop van "Certified Sustainable Palm Oil" (CSPO); verzoekt alle bedrijfstakken die gebruikmaken van palmolie meer inspanningen te leveren om CSPO in te kopen;

29.  verzoekt de Commissie en alle lidstaten die dit nog niet hebben gedaan blijk te geven van hun bereidheid zich in te zetten voor de totstandbrenging van een nationale verbintenis voor de hele EU om uiterlijk in 2020 voor 100 % gecertificeerde duurzame palmolie in te kopen, onder meer door de verklaring van Amsterdam "Towards Eliminating Deforestation from Agricultural Commodity Chains with European Countries" te ondertekenen, alsook voor de totstandbrenging van een engagement van de sector, onder meer door de verklaring van Amsterdam "In Support of a Fully Sustainable Palm Oil Supply Chain by 2020" te onderteken en toe te passen;

30.  dringt er bij ondernemingen die palmolie produceren op aan zich te houden aan de Overeenkomst van Bangkok inzake een gemeenschappelijke aanpak voor de verwezenlijking van toezeggingen om de ontbossing tot nul te reduceren, en gebruik te maken van de HCS-benadering (High Carbon Stock), als hulpmiddel om te bepalen welke gronden geschikt zijn voor het aanleggen van een palmolieplantage, zoals aangetaste gronden met een geringe koolstofopslag of lage natuurwaarde;

31.  roept de EU op te blijven vasthouden aan haar toezeggingen, een impuls te geven aan de lopende onderhandelingen over de vrijwillige partnerschapsovereenkomsten inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Flegt) en ervoor te zorgen dat er in de slotteksten van de overeenkomsten ook aandacht wordt besteed aan conversiehout dat wordt gegenereerd uit de ontwikkeling van palmolieplantages; onderstreept dat moet worden gewaarborgd dat deze overeenkomsten in overeenstemming zijn met het internationaal recht en toezeggingen inzake milieubescherming, mensenrechten en duurzame ontwikkeling, en dat ze leiden tot passende maatregelen voor het behoud en het duurzaam beheer van bossen, met inbegrip van de bescherming van de rechten van lokale gemeenschappen en inheemse volkeren; merkt op dat er een vergelijkbare aanpak zou kunnen worden gehanteerd om te zorgen voor verantwoorde toeleveringsketens van palmolie; stelt voor dat het EU-beleid voor de palmoliesector wordt geënt op de Flegt-beginselen van dialoog tussen de diverse belanghebbenden en het aanpakken van diepgewortelde bestuurskwesties in producerende landen, en tevens voortbouwt op ondersteunende EU-beleidsmaatregelen inzake invoer; merkt op dat al deze maatregelen kunnen leiden tot betere controles op de palmoliesector in landen van bestemming;

32.  stelt vast dat samenwerking met producerende landen door middel van informatie-uitwisseling over duurzame en economisch levensvatbare projecten en handelspraktijken een belangrijk aspect vormt; steunt de producerende landen bij hun inspanningen om een duurzame manier van werken te ontwikkelen die de levensomstandigheden en de economie in die landen kunnen helpen verbeteren;

33.  verzoekt de Commissie aan te sporen tot de uitwisseling van beste praktijken inzake transparantie en samenwerking tussen regeringen en ondernemingen die palmolie gebruiken en samen met de lidstaten derde landen bij te staan bij de uitwerking en tenuitvoerlegging van nationale wetgeving en de eerbiediging van de traditionele gebruiksrechten van de gemeenschap met betrekking tot land, die ervoor zorgen dat bossen, bosbewoners en hun middelen van bestaan worden beschermd;

34.  verzoekt de Commissie om te onderzoeken of in het kader van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst (VPA) uit het Flegt-actieplan mechanismen moeten worden ingesteld om de conversie van bossen voor commerciële landbouwdoeleinden aan de orde te stellen, en verzoekt tevens om organisaties uit het maatschappelijk middenveld, inheemse gemeenschappen en landbouwers-grondbezitters een krachtigere stem te geven in dit proces;

35.  dringt er bij de EU op aan om als bijkomende onderdeel van vrijwillige partnerschapsovereenkomsten ook vervolgwetgeving voor deze overeenkomsten met betrekking tot palmolie uit te werken naar het voorbeeld van de EU-houtverordening, die zowel ondernemingen als financiële instellingen omvat; merkt op dat de EU de toeleveringsketens van hout, vis en conflictmineralen heeft gereguleerd, maar nog voor geen enkele toeleveringsketen van landbouwgrondstoffen die risico's inhouden voor bossen regulering heeft uitgewerkt; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer energie te steken in de tenuitvoerlegging van de houtverordening, zodat het duidelijker wordt in hoeverre die doeltreffend is en als model kan dienen voor een nieuwe wetgevingshandeling van de EU die is bedoeld om te verhinderen dat niet-duurzame palmolie in de EU wordt verkocht;

36.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met alle belanghebbende partijen uit zowel de openbare als de particuliere sector informatiecampagnes op gang te brengen om de consumenten uitgebreid te informeren over de positieve gevolgen op ecologisch, sociaal en politiek vlak van een duurzame palmolieproductie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat consumenten door middel van een goed herkenbaar merkteken op alle producten die palmolie bevatten de bevestiging krijgen dat een product duurzaam is en pleit er sterk voor dat dit merkteken wordt aangebracht op het product of op de verpakking, of makkelijk toegankelijk is via technologische functies;

37.  verzoekt de Commissie nauw samen te werken met andere belangrijke consumenten van palmolie, zoals China, India en de producerende landen, om hen meer bewust te maken van de problemen en op zoek te gaan naar gemeenschappelijke oplossingen voor tropische ontbossing en bosdegradatie;

38.  kijkt uit naar de studies van de Commissie over ontbossing en palmolie, en gaat ervan uit dat ze zo snel mogelijk na hun voltooiing zullen worden voorgesteld;

39.  verzoekt de Commissie uitgebreide gegevens te verstrekken over het gebruik en verbruik van palmolie in Europa en over de invoer ervan naar de EU;

40.  verzoekt de Commissie meer onderzoek te verrichten om informatie te vergaren over de effecten van Europese consumptie en investeringen op het ontbossingsproces, sociale problemen, bedreigde soorten en milieuvervuiling in derde landen, en om handelspartners buiten de EU ertoe op te roepen dit voorbeeld te volgen;

41.  verzoekt de Commissie technologieën te ontwikkelen en met een concreet actieplan te komen, onder meer met informatiecampagnes, om de effecten van Europese consumptie en investeringen op ontbossing in derde landen te beperken;

42.  ziet in dat de bestaande certificeringsregelingen weliswaar een positief effect hebben, maar stelt met spijt vast dat RSPO, ISPO, MSPO en alle andere belangrijke erkende certificeringsregelingen er niet in slagen hun leden daadwerkelijk te verbieden om regenwoud of veengronden te converteren naar palmplantages; is daarom van mening dat deze belangrijkste certificeringsregelingen ontoereikend zijn om de broeikasgassen die worden uitgestoten bij de aanleg en exploitatie van de plantages daadwerkelijk te beperken, waardoor zij massale bos- en veenbranden niet hebben kunnen voorkomen; verzoekt de Commissie te zorgen voor onafhankelijke controles en onafhankelijk toezicht op deze certificeringsregelingen, teneinde te waarborgen dat de palmolie die op de EU-markt wordt gebracht, voldoet aan alle noodzakelijke normen en duurzaam is; merkt op dat met betrekking tot de kwestie van duurzaamheid in de palmoliesector vrijwillige maatregelen en beleidslijnen alleen niet volstaan, maar dat er voor palmoliebedrijven ook bindende regels en een verplichte certificeringsregeling moeten gelden;

43.  dringt er bij de EU op aan om minimale duurzaamheidscriteria in te voeren voor palmolie en voor producten met palmolie als bestanddeel die op de EU-markt worden gebracht en op die manier te waarborgen dat in de EU aanwezige palmolie:

   niet heeft geleid tot achteruitgang van het ecosysteem, zoals ontbossing van oerbossen en secundaire bossen en de vernietiging of degradatie van veengronden of andere ecologisch waardevolle habitats, of het nu rechtstreeks of onrechtstreeks is, en geen verlies van biodiversiteit in de hand werkt, in de eerste plaats wat alle bedreigde dier- en plantensoorten betreft,
   niet heeft geleid tot veranderingen in landbeheerpraktijken met negatieve gevolgen voor het milieu,
   geen aanleiding heeft gegeven tot economische, sociale en ecologische problemen en conflicten, waaronder de specifieke problemen van kinderarbeid, gedwongen arbeid, landroof of de verdrijving van inheemse of lokale gemeenschappen,
   volledig strookt met de fundamentele mensenrechten en sociale rechten en volledig in overeenstemming is met adequate sociale en arbeidsnormen die bedoeld zijn om de veiligheid en het welzijn van werknemers te waarborgen,
   kleine palmolieproducenten in staat stelt deel te nemen aan de certificeringsregeling en garandeert dat zij een eerlijk aandeel in de winst krijgen,
   wordt geproduceerd op plantages die worden beheerd met behulp van moderne agro-ecologische technieken, zodat de omslag kan worden gemaakt naar duurzame landbouwpraktijken en negatieve effecten op het milieu en nadelige sociale gevolgen tot een minimum kunnen worden herleid;

44.  merkt op dat er al solide normen voor verantwoorde palmolieproductie bestaan, waaronder de normen die door de Palm Oil Innovation Group (POIG) zijn ontwikkeld, maar dat deze normen nog op grote schaal moeten worden overgenomen door ondernemingen en in certificeringssystemen, met uitzondering van RSPO Next;

45.  merkt op dat het voor alle actoren in de toeleveringsketen van belang is onderscheid te kunnen maken tussen duurzaam en niet-duurzaam ingekochte palmolie en de reststoffen en bijproducten ervan; benadrukt het belang van traceerbaarheid van grondstoffen en van transparantie in alle fasen van de toeleveringsketen;

46.  roept de EU op een bindend regelgevingskader vast te stellen om ervoor te zorgen dat de toeleveringsketens van importeurs van landbouwgrondstoffen helemaal tot aan de oorsprong van de grondstof kunnen worden getraceerd;

47.  verzoekt de Commissie de traceerbaarheid van palmolie die in de EU wordt ingevoerd te verbeteren en in afwachting van de invoering van één certificeringsregeling te overwegen verschillende douanerechten toe te passen die een nauwkeurigere weergave vormen van de werkelijke kosten wat belasting van het milieu betreft; verzoekt de Commissie ook na te denken over de invoering en toepassing van niet-discriminerende tarifaire en non-tarifaire belemmeringen op basis van de koolstofvoetafdruk van palmolie; dringt erop aan dat het beginsel "de vervuiler betaalt" ten volle wordt toegepast in het kader van ontbossing;

48.  verzoekt de Commissie om sancties voor niet-naleving duidelijk te omschrijven en tegelijkertijd handelsbetrekkingen met derde landen te onderhouden;

49.  roept de Commissie in dit verband op om binnen de Werelddouaneorganisatie (WDO) een hervorming van de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem (GS) in gang te zetten waardoor het mogelijk wordt een onderscheid te maken tussen gecertificeerde duurzame en niet-duurzame palmolie en afgeleiden ervan;

50.  verzoekt de Commissie in de hoofdstukken inzake duurzame ontwikkeling van haar handelsovereenkomsten en overeenkomsten inzake ontwikkelingssamenwerking onverwijld bindende engagementen op te nemen om ontbossing te voorkomen, waaronder met name een anti-ontbossingsgarantie in handelsovereenkomsten met producerende landen, en om te voorzien in krachtige en afdwingbare maatregelen om iets te doen aan niet-duurzame bosbouw in producerende landen;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te concentreren op de uitwerking van instrumenten om de instandhoudingsproblematiek beter te integreren in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid; merkt op dat aan de hand van een dergelijke aanpak kan worden gewaarborgd dat ontwikkelingsactiviteiten niet leiden tot onbedoelde milieuproblemen, maar veeleer in synergie zijn met instandhoudingsactiviteiten;

52.  stelt vast dat de uitbreiding van palmolieplantages moeilijk in de hand te houden is vanwege de zwakke kadastersystemen in producerende landen en dat de mogelijkheden van eigenaren van kleine plantages om de leningen te krijgen die ze nodig hebben voor het verbeteren van de duurzaamheid van hun plantages hierdoor worden beperkt; constateert dat een versterking van bestuur en van bosbouwinstanties op lokaal en nationaal niveau een noodzakelijke voorwaarde vormt voor een doeltreffend milieubeleid; roept de Commissie op technische en financiële bijstand te verlenen aan producerende landen, teneinde de kadastersystemen van deze landen te versterken en de duurzaamheid van palmolieplantages te verbeteren; wijst erop dat het in kaart brengen van het grondgebied van de producerende landen, onder meer met behulp van satellieten en geospatiale technologie, de enige manier is om een beeld te krijgen van oliepalmconcessies en om strategieën uit te werken voor bebossing, herbebossing en de aanleg van ecologische corridors; verzoekt de Commissie producerende landen te ondersteunen bij de invoering van brandpreventieregelingen;

53.  steunt het moratorium op het gebruik van veengronden dat de Indonesische regering onlangs heeft afgekondigd en dat moet verhinderen dat plantages worden uitgebreid op beboste veengronden; steunt de oprichting van een agentschap voor het herstel van veengronden met als doel om 2 miljoen hectare door branden geteisterde veengronden te herstellen;

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om zich in het kader van de dialoog met die landen te scharen achter het standpunt dat de oppervlakte aan grond waarop oliepalmen worden gekweekt, moet worden bevroren, onder meer door een moratorium in te stellen op nieuwe concessies om wat er nog over is van de regenwouden te beschermen;

55.  maakt zich ernstige zorgen over het feit dat landtransacties een inbreuk kunnen vormen op het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van lokale gemeenschappen, overeenkomstig verdrag nr. 169 van de IAO; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat in de EU gevestigde investeerders zich volledig houden aan internationale normen inzake verantwoorde en duurzame investeringen in landbouw, met name de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO)-OESO-richtsnoeren voor verantwoord beheer van landbouwketens, de vrijwillige FAO-richtsnoeren inzake grondbezit, de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen; onderstreept dat er maatregelen nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers van misbruik door ondernemingen toegang hebben tot rechtsmiddelen;

56.  dringt er daarom bij de relevante autoriteiten in de bronlanden op aan de mensenrechten te eerbiedigen, met inbegrip van de landrechten van bosbewoners, en de toezeggingen op milieu-, sociaal en gezondheidsgebied kracht bij te zetten, met inachtneming van de vrijwillige richtsnoeren van de FAO inzake het beheer van grond(17);

57.  dringt er bij de EU op aan steun te verlenen aan plaatselijke rurale micro-ondernemingen, kleine bedrijven en familiebedrijven, en de wettelijke registratie op nationaal en lokaal niveau van het bezit en eigendom van grond te stimuleren;

58.  wijst op het lage ontbossingstempo op inheems grondgebied waar gewaarborgde, traditionele vormen van grondbezit en beheer van natuurlijke hulpbronnen gelden, hetgeen een groot potentieel biedt voor de kosteneffectieve beperking van emissies en de bescherming van mondiale ecosysteemdiensten; roept op tot de inzet van internationale klimaat- en ontwikkelingsfinanciering ter vrijwaring van het grondgebied van inheemse volkeren en plaatselijke gemeenschappen en ter ondersteuning van inheemse volkeren en gemeenschappen die investeren in de bescherming van hun grond;

59.  herinnert eraan dat met name arme plattelandsvrouwen voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het bosbestand; benadrukt dat het genderaspect geïntegreerd moet worden in het nationaal bosbeleid en de desbetreffende instanties om zo onder meer te bevorderen dat vrouwen gelijke rechten hebben met betrekking tot het bezit van grond en andere hulpbronnen;

60.  herinnert de Commissie aan haar mededeling getiteld "De uitdagingen van ontbossing en aantasting van bossen aangaan om de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit aan te pakken" (COM(2008)0645), waarin de nadruk wordt gelegd op een holistische aanpak van tropische ontbossing door rekening te houden met alle factoren die ontbossing in de hand werken, waaronder de productie van palmolie; herinnert de Commissie aan haar doelstelling in het kader van de COP 21-onderhandelingen om tegen 2030 op wereldschaal geen bosareaal meer verloren te laten gaan en om tussen nu en 2020 de bruto-ontbossing in de tropen met ten minste 50 % te doen dalen ten opzichte van de huidige niveaus;

61.  verzoekt de Commissie onverwijld door te gaan met de ontwikkeling van een EU-actieplan inzake ontbossing en bosdegradatie, met daarin concrete regelgevende maatregelen om te waarborgen dat geen van de toeleveringsketens en financiële transacties waarbij de EU betrokken is tot ontbossing en bosdegradatie leidt, in overeenstemming met het 7e MAP, en tevens te komen met een EU-actieplan inzake palmolie; verzoekt de Commissie één enkele uniforme definitie vast te stellen voor het begrip "ontbossingsvrij";

62.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan een definitie van het begrip "bos" in het leven te roepen die biologische, sociale en culturele diversiteit omvat, teneinde landroof en de vernietiging van tropische bossen als gevolg van palmoliemonocultuur te verhinderen, aangezien de verbintenissen van de EU inzake klimaatverandering hierdoor op de helling kunnen komen te staan; benadrukt dat voorrang moet worden gegeven aan inheemse soorten ter bescherming van ecosystemen, habitats en lokale gemeenschappen;

63.  roept de Commissie op een EU-actieplan te formuleren inzake verantwoord ondernemerschap;

64.  wijst er uitdrukkelijk op dat instellingen voor ontwikkelingsfinanciering moeten waarborgen dat hun beleid om bescherming te bieden tegen ecologische en sociale gevolgen bindend is en volledig strookt met het internationaal recht inzake de mensenrechten; roept op tot verhoogde transparantie wat de financiering van particuliere financiële instellingen en openbare financiële instanties betreft;

65.  verzoekt de lidstaten bindende voorschriften voor duurzame palmolie op te nemen in alle nationale procedures voor overheidsaanbestedingen;

66.  stelt met bezorgdheid vast dat de commerciële landbouw nog steeds een belangrijke aanjager van mondiale ontbossing is en dat ongeveer de helft van de totale tropische ontbossing sinds het jaar 2000 het gevolg is van de illegale conversie van bossen voor commerciële landbouwdoeleinden, hetgeen tevens het risico op conflicten kan doen toenemen; dringt aan op een betere coördinatie van beleidsmaatregelen op het gebied van bossen, commerciële landbouw, landgebruik en plattelandsontwikkeling om de SDG's en de verbintenissen inzake klimaatverandering te verwezenlijken; benadrukt dat ook op dit terrein beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) vereist is, onder meer wat betreft het EU-beleid inzake hernieuwbare energie;

67.  wijst op de problemen die zich voordoen in verband met landconcentratie en veranderingen in landgebruik als gevolg van de invoering van monoculturen zoals palmolieplantages;

68.  verzoekt de Commissie steun te verlenen aan nader onderzoek naar de gevolgen van verandering in landgebruik, waaronder ontbossing en de productie van bio-energie, voor de uitstoot van broeikasgassen;

69.  roept de Commissie op het goede voorbeeld te geven aan andere landen door in de Europese wetgeving boekhoudregels vast te stellen voor broeikasgasemissies afkomstig van beheerde wetlands en voor veranderingen in landgebruik met betrekking tot wetlands;

70.  wijst erop dat de grootschalige oliepalmmonoculturen leiden tot een grotere aanwezigheid van schadelijke organismen en meer waterverontreiniging door landbouwchemicaliën en bodemerosie, alsook gevolgen hebben voor de werking van koolstofputten en voor het ecologisch evenwicht van de hele regio, en op die manier de migratie van diersoorten verstoren;

71.  stelt vast dat uit recent onderzoek blijkt dat wanneer op palmolieplantages boslandbouw wordt bedreven in de vorm van polycultuur, dit gecombineerde voordelen kan opleveren in termen van biodiversiteit, productiviteit en positieve sociale resultaten;

72.  verzoekt de Commissie om met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en ander EU-beleid te zorgen voor samenhang, om synergieën tussen beide te stimuleren en om te waarborgen dat ze worden uitgevoerd op een wijze die strookt met programma's voor de bestrijding van ontbossing in ontwikkelingslanden, zoals REDD; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de hervorming van het GLB niet rechtstreeks of onrechtstreeks leidt tot nog meer ontbossing en dat deze hervorming de doelstelling helpt bereiken om de mondiale ontbossing een halt toe te roepen; verzoekt de Commissie en de lidstaten te waarborgen dat de milieuproblemen die verband houden met ontbossing als gevolg van palmolieproductie ook aan bod komen in het kader van de doelstellingen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020, die een vast onderdeel moeten vormen van het externe optreden van de Unie op dit gebied;

73.  verzoekt de Commissie steun te bieden aan organisaties die zich hoofdzakelijk bezighouden met de instandhouding in situ – maar ook ex situ – van alle diersoorten die hun habitat hebben zien verdwijnen door ontbossing als gevolg van palmolieproductie;

74.  dringt erop aan om op EU-niveau meer onderzoek te verrichten naar duurzaam diervoeder, zodat er voor de Europese landbouw alternatieven voor oliepalmproducten kunnen worden ontwikkeld;

75.  merkt op dat 70 % van de in de EU verbruikte biobrandstof in de EU wordt geteeld/geproduceerd, en dat van de biobrandstof die in de EU wordt ingevoerd 23 % wordt ingenomen door palmolie, voornamelijk uit Indonesië, en 6 % door soja(18);

76.  wijst op de indirecte gevolgen van de vraag naar biobrandstoffen in de EU die gepaard gaan met de vernietiging van tropische bossen;

77.  wijst erop dat, wanneer indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) in aanmerking worden genomen, biobrandstoffen op basis van gewassen in sommige gevallen zelfs kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van broeikasgassen, bijvoorbeeld wanneer er habitats met hoge koolstofvoorraden, zoals tropische bossen en veengronden, in brand worden gestoken; vindt het zorgwekkend dat de Commissie ILUC niet heeft meegenomen in haar beoordeling van vrijwillige regelingen;

78.  roept de EU-instellingen op om als onderdeel van de hervorming van de richtlijn hernieuwbare energie in de vrijwillige regeling van de richtlijn specifieke controleprocedures op te nemen inzake conflicten over grondbezit, gedwongen arbeid/kinderarbeid, slechte werkomstandigheden voor landbouwers en gevaren voor de gezondheid en veiligheid; roept de EU eveneens op rekening te houden met de gevolgen van ILUC en verzoekt om voorschriften inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid op te nemen in de hervorming van de richtlijn hernieuwbare energie;

79.  dringt erop aan dat in het EU-biobrandstoffenbeleid plaats wordt gemaakt voor doeltreffende duurzaamheidscriteria om land met grote biodiversiteitswaarde, grote koolstofvoorraden en veengrond te beschermen, en dat hierin ook sociale criteria worden opgenomen;

80.  neemt kennis van het meest recente verslag(19) van de Europese Rekenkamer waarin de huidige certificeringsregelingen voor biobrandstoffen worden geanalyseerd en waarin wordt geconcludeerd dat het deze regelingen ontbreekt aan belangrijke duurzaamheidsaspecten, bijvoorbeeld omdat er geen rekening wordt gehouden met de indirecte gevolgen van de vraag, dat er sprake is van een ontoereikende controle en dat niet kan worden gewaarborgd dat gecertificeerde biobrandstoffen geen ontbossing en gerelateerde negatieve sociaal-economische effecten veroorzaken; is ervan op de hoogte dat er bezorgdheid heerst met betrekking tot transparantie in de beoordeling van de certificeringsregelingen; verzoekt de Commissie de transparantie van de duurzaamheidsregelingen te verbeteren, onder meer door een passende lijst op te stellen van aspecten die onder de loep moeten worden genomen, zoals jaarverslagen en de mogelijkheid om te verzoeken om controles, verricht door een onafhankelijke derde partij; dringt erop aan dat de Commissie meer bevoegdheden krijgt om controle en toezicht uit te oefenen op regelingen, verslagen en activiteiten;

81.  wenst dat uitvoering wordt gegeven aan de desbetreffende aanbevelingen van de Rekenkamer, zoals toegezegd door de Commissie;

82.  wijst er met bezorgdheid op dat 46 % van alle door de EU ingevoerde palmolie wordt gebruikt voor de productie van biobrandstoffen en dat hiervoor circa één miljoen hectare tropische grond nodig is; verzoekt de Commissie maatregelen te treffen om het gebruik als bestanddeel van biobrandstoffen van plantaardige oliën die ontbossing in de hand werken, waaronder palmolie, geleidelijk af te bouwen, bij voorkeur tegen 2020;

83.  merkt op dat er, als het gebruik van palmolie simpelweg wordt verboden of geleidelijk wordt afgebouwd, mogelijk een andere soort tropische plantaardige olie zal worden gebruikt voor het produceren van biobrandstof, die naar alle waarschijnlijkheid zal worden geteeld in dezelfde, ecologisch kwetsbare gebieden als palmolie en mogelijk veel grotere gevolgen heeft voor biodiversiteit, landgebruik en uitstoot van broeigaskassen dan palmolie zelf; pleit ervoor om op zoek te gaan naar duurzamere alternatieven voor het gebruik van biobrandstof, zoals Europese oliën op basis van in Europa geteeld koolzaad of zonnebloemzaad, en deze alternatieven te bevorderen;

84.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om tegelijkertijd steun te geven aan de verdere ontwikkeling van biobrandstoffen van de tweede en de derde generatie, om zo het risico op indirecte verandering in landgebruik binnen de Unie te verkleinen en de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen in de EU te stimuleren, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1513 en in overeenstemming met de EU-ambities inzake de circulaire economie, hulpbronnenefficiëntie en emissiearme mobiliteit;

o
o   o

85.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) http://ec.europa.eu/environment/forests/pdf/1.%20Report%20analysis%20of%20impact.pdf
(2) Mededeling van de Commissie getiteld "Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020" (COM(2011)0244).
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0034.
(4) Bron: Forest Trends: Consumer Goods and Deforestation: An Analysis of the Extent and Nature of Illegality in Forest Conversion for Agriculture and Timber Plantations (http://www.forest-trends.org/documents/files/doc_4718.pdf).
(5) Bron: World Resources Institute(http://www.wri.org/blog/2015/10/indonesia%E2%80%99s-fire-outbreaks-producing-more-daily-emissions-entire-us-economy).
(6) http://www.fao.org/docrep/016/ap106e/ap106e.pdf (FAO, World Agriculture Towards 2030/2050 – The 2012 Revision).
(7) http://wwf.panda.org/what_we_do/footprint/agriculture/palm_oil/ (WNF).
(8) Bron: Globiom-verslag (https://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/Final%20Report_GLOBIOM_publication.pdf).
(9) Bijvoorbeeld: Amnesty International – The Great Palm Oil Scandal (https://www.amnesty.org/en/documents/asa21/5243/2016/en/) en Rainforest Action Network – The Human Cost of Conflict Palm Oil (https://d3n8a8pro7vhmx.cloudfront.net/rainforestactionnetwork/pages/15889/attachments/original/1467043668/The_Human_Cost_of_Conflict_Palm_Oil_RAN.pdf?1467043668).
(10) The impact of EU consumption on deforestation: Comprehensive analysis of the impact of EU consumption on deforestation, 2013, Europese Commissie, (http://ec.europa.eu/environment/forests/pdf/1.%20Report%20analysis%20of%20impact.pdf) (blz. 56).
(11) Bron: FERN: Stolen Goods: The EU's complicity in illegal tropical deforestation (http://www.fern.org/sites/fern.org/files/Stolen%20Goods_EN_0.pdf).
(12) Conclusies van het VN-Bossenforum.
(13) VN-Verdrag inzake biologische diversiteit, Aichi-doelstellingen: https://www.cbd.int/sp/targets/
(14) Duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, artikel 15.2, doelstelling om ontbossing een halt toe te roepen, https://sustainabledevelopment.un.org/sdg15
(15) VN-klimaattop 2014.
(16) http://forestdeclaration.org/wp-content/uploads/2015/09/2016-NYDF-Goal-2-Assessment-Report.pdf
(17) Vrijwillige richtsnoeren voor het verantwoord beheer van grond, visgronden en bossen in het kader van de nationale voedselzekerheid, FAO, VN, Rome 2012, http://www.fao.org/docrep/016/i2801e/i2801e.pdf
(18) EUROSTAT – Supply, transformation and consumption of renewable energies – annual data (nrg_107a), Globiom-studie "The land use change impact of biofuels consumed in the EU", 2015, en http://www.fediol.be/
(19) Bron: Europese Rekenkamer: Certificeren van biobrandstoffen: tekortkomingen in de erkenning en het toezicht op het systeem (http://www.eca.europa.eu/nl/Pages/NewsItem.aspx?nid=7171).


Vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden
PDF 213kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden (2016/2204(INI))
P8_TA(2017)0099A8-0058/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 157, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het actieprogramma van Peking,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat in 1979 werd aangenomen,

–  gezien Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(1),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(2),

–  gezien Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad(5),

–  gezien artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 over het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling,

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2008 over de situatie van de vrouw in de plattelandsgebieden van de EU(6),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de rol van vrouwen in de landbouw en op het platteland(7),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het initiatief voor groene werkgelegenheid: het banenpotentieel van de groene economie benutten(8),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over familiebedrijven in Europa(9),

–  gezien de aanbevelingen van het VN-Comité inzake Wereldvoedselzekerheid van 17 oktober 2016 inzake veeteelt en mondiale voedselzekerheid, met name die met betrekking tot gendergelijkheid en emancipatie van vrouwen,

–  gezien zijn resolutie van donderdag 27 oktober 2016 over hoe het GLB de werkgelegenheid in landelijke gebieden kan verbeteren(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0058/2017),

Multifunctionaliteit van de rollen van vrouwen in plattelandsgebieden

A.  overwegende dat de economische en levensomstandigheden de laatste decennia grondig veranderd zijn en aanzienlijk verschillen zowel tussen de lidstaten als binnen de lidstaten;

B.  overwegende dat vrouwen aanzienlijke bijdragen leveren aan de plattelandseconomie en overwegende dat de diversificatiemaatregelen en het begrip multifunctionaliteit, als een essentiële basis voor strategieën voor duurzame ontwikkeling, weliswaar nog niet in alle gebieden ten volle benut zijn maar dat zij toch nieuwe kansen voor vrouwen hebben gecreëerd, dankzij innovatie en de ontwikkeling van nieuwe concepten waarmee het platteland een nieuwe dynamiek kan worden gegeven;

C.  overwegende dat vrouwen vaak de motor zijn achter de ontwikkeling van bijkomende activiteiten op of buiten de boerderij die verder gaan dan landbouwproductie en een reële toegevoegde waarde voor activiteiten in plattelandsgebieden opleveren;

D.  overwegende dat vrouwen die in plattelandsgebieden wonen geen homogene groep zijn en dat hun situatie, hun bezigheden, hun bijdragen tot de maatschappij en uiteindelijk hun behoeften en belangen aanzienlijk verschillen tussen en binnen de lidstaten;

E.  overwegende dat vrouwen actief betrokken zijn bij landbouwactiviteiten, ondernemerschap en toerisme en een belangrijke rol vervullen in het behoud van culturele tradities in plattelandsgebieden, die de regionale identiteit kunnen helpen opbouwen en/of versterken;

F.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een kernbeginsel is van de Europese Unie en haar lidstaten en dat de bevordering van deze gelijkheid een van haar voornaamste doelstellingen is; overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een elementaire waarde is van de EU zoals in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten erkend, en dat de EU zich specifiek tot taak heeft gesteld hieraan in al haar activiteiten een plaats toe te kennen; overwegende dat gendermainstreaming een belangrijk instrument is om dit beginsel in EU-beleid, -maatregelen en -acties te integreren met het oog op de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de bestrijding van discriminatie, teneinde de actieve betrokkenheid van vrouwen in de arbeidsmarkt en economische en sociale activiteiten te vergroten; overwegende dat dit instrument ook kan worden toegepast in de Europese structuur- en investeringsfondsen, onder meer het ELFPO;

G.  overwegende dat de familiale landbouw het meest verspreide landbouwmodel in de EU-28 is, waarbij 76,5 % van het werk wordt verricht door de eigenaar of door leden van zijn of haar familie(11) en dat deze dus moet worden ondersteund en beschermd; overwegende dat het bestaan van familielandbouwbedrijven solidariteit tussen generaties en sociale en milieuverantwoordelijkheid bevordert en dus bijdraagt tot de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden;

H.  overwegende dat het tegen de achtergrond van de toenemende verstedelijking voor de samenleving essentieel is een actieve, dynamische en welvarende bevolking in plattelandsgebieden te handhaven, met bijzondere aandacht voor gebieden met natuurlijke beperkingen, aangezien het behoud van het milieu en het landschap daarvan afhangt;

I.  overwegende dat de vergrijzing van de bevolking, in combinatie met de afname van landbouwactiviteiten en de economische achteruitgang in de plattelandsgebieden van de EU, de voornaamste oorzaken vormen voor de ontvolking en de uittocht van vrouwen uit het platteland, wat een negatieve impact heeft niet alleen op de arbeidsmarkt, maar ook op de sociale infrastructuur; overwegende dat deze situatie alleen een halt kan worden toegeroepen indien de Europese instellingen en regeringen al het mogelijke doen om te zorgen voor meer erkenning van hun werk en hun rechten en om plattelandsgebieden te voorzien van de nodige diensten die de combinatie van werk en privéleven mogelijk maken;

J.  overwegende dat het agrotoerisme, dat onder meer het platteland voorziet van goederen en diensten via familiebedrijven en coöperatieve ondernemingen, met geringe bedrijfsrisico's gepaard gaat, banen creëert, de mogelijkheid biedt tot het combineren van werk, gezin en privéleven en plattelandsvlucht, met name onder vrouwen, tegengaat;

K.  overwegende dat de economische crisis de Europese Unie heeft getroffen en een ernstige impact heeft gehad op vele plattelandsgebieden en -regio’s; overwegende dat de gevolgen van de crisis nog steeds zichtbaar zijn en dat jongeren uit plattelandsgebieden te kampen hebben met hoge werkloosheidscijfers, armoede en ontvolking waarvan vooral vrouwen de gevolgen ondervinden; overwegende dat vrouwen de impact van de crisis direct ervaren bij het beheer van hun landbouwbedrijf en hun huishouden;

L.  overwegende dat deze situatie een ernstige uitdaging vormt voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), dat moet zorgen voor de ontwikkeling van plattelandsgebieden en de verhoging van hun potentieel;

M.  overwegende dat het noodzakelijk is een duurzame en levendige landbouwsector te handhaven als de fundamentele economische, milieu- en sociale basis van plattelandsgebieden, die bijdraagt aan plattelandsontwikkeling, voedselproductie, biodiversiteit en het scheppen van banen;

N.  overwegende dat de status van kleine boeren of familielandbouwbedrijven als primaire voedselproducenten moet worden verbeterd en dat hun landbouw- en veeteeltactiviteiten moeten worden gehandhaafd door innovatie en voldoende financiële middelen en maatregelen op EU-niveau te bevorderen; overwegende dat tussen 2005 en 2010 2,4 miljoen landbouwbedrijven in de EU zijn verdwenen, de meeste daarvan kleine of familiebedrijven, en dat de werkloosheid in de plattelandsgebieden daardoor is toegenomen;

O.  overwegende dat de bevordering van diversificatiemaatregelen en de ontwikkeling van korte toeleveringsketens, alsmede de bevordering van producentenorganisaties, kan bijdragen tot de weerbaarheid van de sector, die geconfronteerd wordt met de problemen van oneerlijke handelspraktijken en markten die steeds instabieler worden;

P.  overwegende dat het van belang is de deelname van vrouwen aan de waardeketen op het gebied van agrovoeding te ondersteunen en bevorderen, aangezien zij met name een rol spelen bij de productie- en verwerkingsprocessen;

Q.  overwegende dat toegang tot een leven lang leren, de mogelijkheid om in een niet-formele context verkregen vaardigheden te benutten en de mogelijkheid tot omscholing en verkrijging van vaardigheden die op een dynamische arbeidsmarkt gebruikt kunnen worden, essentiële voorwaarden zijn voor de verruiming van de werkgelegenheid voor vrouwen in plattelandsgebieden;

R.  overwegende dat coöperatieven, onderlinge maatschappijen, sociale ondernemingen en andere alternatieve bedrijfsmodellen een enorm potentieel bieden om een duurzame en inclusieve economische groei te stimuleren en de economische positie van vrouwen in plattelandsgebieden en in de landbouwsector te versterken;

S.  overwegende dat de deelname van vrouwen en meisjes aan onderwijs en "een leven lang leren", met name op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM), alsook aan ondernemerschap van essentieel belang is om gendergelijkheid in de landbouw- en voedselproductiesector te bewerkstelligen, alsook in de toeristische sector en andere bedrijfstakken in plattelandsgebieden;

De problemen van vrouwen in plattelandsgebieden

T.  overwegende dat iets minder dan 50 % van de totale beroepsbevolking van plattelandsgebieden in de EU vrouw is, maar dat zij slechts circa 45 % van de totale beroepsbevolking vormen; overwegende dat vele vrouwen niet als werkloos geregistreerd staan of worden meegeteld in de werkloosheidsstatistieken en dat er geen duidelijke gegevens bestaan over vrouwen die in de landbouw werkzaam zijn als bedrijfseigenares of als werkneemster;

U.  overwegende dat in de overwegend rurale gebieden van de EU in 2009 slechts 61 % van vrouwen in de leefdtijdscategorie van 20 tot 64 jaar in dienstverband werkzaam was(12); overwegende dat in veel lidstaten vrouwen in plattelandsgebieden beperkte toegang tot banen in de landbouw hebben en relatief weinig arbeidskansen krijgen in deze sector, maar dat zij niettemin een belangrijke rol vervullen in plattelandsontwikkeling en het sociale netwerk van plattelandsgebieden doordat zij zorgen voor een inkomen voor huishoudens of de levensomstandigheden verbeteren;

V.  overwegende dat vrouwen in 2014 instonden voor ongeveer 35% van de totale arbeidstijd in de landbouw, waarbij zij 53,8% van het deeltijdwerk en 30,8% van het voltijdwerk verrichtten, en dat zij zodoende een belangrijke bijdrage leveren aan de landbouwproductie; overwegende dat het werk dat wordt verricht door echtgenotes en andere vrouwelijke familieleden in landbouwbedrijven vaak onontbeerlijk is en als "onzichtbaar werk" wordt ondergewaardeerd als gevolg van het ontbreken van een beroepsstatus, waardoor het erkend kan worden en de vrouwen in kwestie in de socialezekerheidsdiensten kunnen worden ingeschreven, wat het mogelijke verlies van rechten zoals het recht op ziekteverlof en zwangerschapsverlof zou voorkomen en zou zorgen voor hun financiële onafhankelijkheid;

W.  overwegende dat er in sommige lidstaten, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, verschillende juridische statussen bestaan voor echtgenotes die op het bedrijf een regelmatige beroepsactiviteit uitoefenen (bedrijfsmedewerker, werknemer of bedrijfshoofd), waardoor zij werkelijke sociale bescherming genieten tegen risico's in het beroeps- en het privéleven;

X.  overwegende dat gemiddeld slechts 30% van de landbouwbedrijven in de EU door vrouwen wordt beheerd; overwegende dat een groot aantal vrouwen in de landbouw werkzaam is en dat de meeste vrouwen worden aangemerkt als echtgenote van de eigenaar, hetgeen in 2007 gold voor 80,1% van alle echtgenotes(13);

Y.  overwegende dat de eigenaar van het landbouwbedrijf de persoon is die wordt vermeld op bankdocumenten, in aanmerking komt voor subsidies en rechten opbouwt, en ook de persoon is die het landbouwbedrijf vertegenwoordigt bij verenigingen en collectieve organisaties; overwegende dat wie geen eigenaar is van het landbouwbedrijf geen enkele van de met deze eigendomsstatus verbonden rechten heeft (recht op bedrijfstoeslagen, premies voor zoogkoeien, aanplantrechten voor wijnstokken, inkomen, enz.) en dat dit vrouwen in een kwetsbare en nadelige positie plaatst;

Z.  overwegende dat vrouwen, om te kunnen profiteren van voordelige hulpregelingen voor in de landbouw werkende vrouwen, moeten worden erkend als eigenaars of mede-eigenaars; overwegende dat het eigenaarschap of mede-eigenaarschap van landbouwbedrijven voor vrouwen moet worden bevorderd door de Europese Unie, wat een gunstig effect zou hebben op hun situatie op de arbeidsmarkt, sociale rechten en economische onafhankelijkheid en er dus zou voor zorgen dat zij in de plattelandsgebieden een grotere zichtbaarheid krijgen (en erkenning van hun bijdrage aan de economie en de inkomens) en meer toegang tot land;

AA.  overwegende dat in Europese, nationale en regionale statistieken meer zichtbaarheid moet worden gegeven aan vrouwen in plattelandsgebieden, zodat een beeld wordt gegeven van hun situatie en de rol die zij vervullen;

AB.  overwegende dat een betere toegang van jongeren en vrouwen tot land ten goede zou komen aan de overname van landbouwbedrijven door de jongere generatie en een positieve invloed zou hebben op de economische groei en het sociale welzijn;

AC.  overwegende dat het voor alle bewoners van plattelandsgebieden belangrijk is dat kwaliteitsvolle en betaalbare openbare en particuliere diensten worden verstrekt, onder meer kinderopvang en zorg voor ouderen en andere zorgbehoevenden, met inbegrip van personen met een handicap; overwegende dat deze diensten met name van belang zijn voor een beter evenwicht tussen werk en gezin, vooral voor vrouwen, aangezien zij meer betrokken zijn bij de zorg voor de jongere, zorgbehoevende en oudere leden van de familie;

AD.  overwegende dat vrouwen een multifunctionele rol hebben in plattelandsgebieden en dat deze diensten hen derhalve in staat zouden stellen te werken en hun loopbaan verder te ontwikkelen, met een eerlijke verdeling van familiale en zorgtaken;

AE.  overwegende dat de basis voor het verbeteren van de levenskwaliteit in plattelandsgebieden gevormd wordt door de beschikbaarheid van infrastructuur zoals vervoersverbindingen, toegang tot snel breedbandinternet, inclusief mobiele gegevensdiensten en energievoorziening, alsmede kwaliteitsvolle sociale, gezondheids- en onderwijsdiensten;

AF.  overwegende dat de breedbanddekking in plattelandsgebieden in de gehele EU-28 nog steeds achter blijft bij de nationale dekking; overwegende dat in 2015 98,4 % van de huishoudens in plattelandsgebieden over ten minste één breedbandtechnologie beschikten, maar dat slechts 27,8 % toegang had tot diensten van de volgende generatie; overwegende dat digitale infrastructuur, die niet volledig ontwikkeld is in alle plattelandsgebieden van de EU, zeer nuttig kan zijn voor de toegang tot informatie en onderwijs, het delen van informatie en de uitwisseling van goede praktijken tussen vrouwen in plattelandsgebieden en een sleutelelement kan vormen in de steun die nodig is om de vrouwelijke bevolking van deze gebieden te handhaven;

AG.  overwegende dat onderwijs een fundamenteel instrument vormt voor de bevordering van gelijkheid, een waarde die horizontaal moet worden gestimuleerd, niet alleen op scholen maar ook in beroepsopleidingen, en met name op de primaire sector gerichte opleidingen;

AH.  overwegende dat verbetering van de algemene omstandigheden in plattelandsgebieden een verbeterde positie van vrouwen in deze gebieden tot gevolg zullen hebben;

AI.  overwegende dat de aanzienlijke bijdrage die vrouwen leveren aan lokale en plattelandsontwikkeling onvoldoende weerspiegeld wordt in hun deelname aan de desbetreffende besluitvormingsprocessen, aangezien vrouwen in plattelandsgebieden vaak ondervertegenwoordigd zijn in besluitvormingsorganen, zoals landbouwcoöperatieven, vakbonden en gemeentebesturen; overwegende dat het uiterst belangrijk is de vertegenwoordiging van vrouwen in dergelijke organen te vergroten;

AJ.  overwegende dat vrouwen in plattelandsgebieden ook te lijden hebben onder pensioen- en loonkloven, die in sommige lidstaten groter worden; overwegende dat daarom meer aandacht moet worden besteed aan het opstellen van geactualiseerde statistieken over de arbeidsparticipatie van vrouwen in plattelandsgebieden, alsook over hun werk- en leefomstandigheden;

AK.  overwegende dat er tot nu toe geen thematische subprogramma's gecreëerd zijn met betrekking tot "Vrouwen in plattelandsgebieden” en dat de participatie van vrouwen in het gebruik van de instrumenten die in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's beschikbaar waren tot 2014 betreurenswaardig laag was; overwegende dat van de 6,1 miljoen deelnemers aan opleidingsmaatregelen, slechts 28 % vrouw was; overwegende dat slechts 19 % van de begunstigden van fysieke investeringen in landbouwbedrijven ten behoeve van modernisering en 33% van de begunstigden van diversificatiemaatregelen vrouw was; overwegende dat van de banen die zijn gecreëerd als gevolg van maatregelen uit hoofde van as 3 (diversificatie van de economie in plattelandsgebieden) slechts 38 % naar vrouwen is gegaan;

1.  legt de nadruk op de actieve rol van vrouwen in plattelandsgebieden en erkent dat vrouwen aan de economie in deze gebieden bijdragen als ondernemers, hoofden van familiebedrijven en bevorderaars van duurzame ontwikkeling; is van mening dat vrouwelijk ondernemerschap voor het platteland in sociaal, economisch en milieuopzicht een belangrijke pijler voor duurzame ontwikkeling vormt en dus moet worden bevorderd, aangemoedigd en ondersteund binnen de strategieën voor plattelandsontwikkeling en met name door middel van onderwijs en beroepsopleiding, bevordering van bedrijfseigendom onder vrouwen, ondernemersnetwerken en toegang tot investeringen en krediet, bevordering van hun vertegenwoordiging in bestuurslichamen en door het creëren van de kansen die nodig zijn om jonge, zelfstandige, deeltijd werkende en vaak onderbetaalde vrouwen te ondersteunen;

2.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een geslaagd evenwicht tussen werk en gezin te ondersteunen, nieuwe arbeidskansen en een betere levenskwaliteit in plattelandsgebieden te bevorderen en vrouwen aan te moedigen om hun eigen project op te zetten;

3.  is ingenomen met de steun voor vrouwen in plattelandsgebieden in de vorm van initiatieven die gericht zijn op hun erkenning of op netwerken; benadrukt met name de fundamentele rol van vrouwen als leden van kleine of familiale landbouwbedrijven, die de belangrijkste sociaaleconomische kern van plattelandsgebieden vormen die instaat voor voedselproductie, behoud van traditionele kennis en vaardigheden, regionale identiteit en bescherming van het milieu; is van mening dat vrouwelijke landbouwers een belangrijke rol kunnen spelen bij het behoud van kleine en familiale toekomstbestendige landbouwbedrijven;

4.  meent dat er, gezien de verschillende rollen, beroepen en omstandigheden van vrouwen in plattelandsgebieden, voor het verbeteren van de arbeidsperspectieven bijstand en ondersteuning vereist is die op maat van hun behoeften en belangen is toegesneden;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de toegang tot de arbeidsmarkt voor vrouwen in plattelandsgebieden te ondersteunen, te stimuleren, te faciliteren en te bevorderen als een voorrangspunt in hun toekomstig beleid voor plattelandsontwikkeling, en in dit verband doelstellingen inzake duurzame en betaalde werkgelegenheid te formuleren; vraagt ook aan de lidstaten dat zij in hun programma’s voor plattelandsontwikkeling strategieën opnemen die specifiek gericht zijn op de bijdrage van vrouwen aan het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

6.  stelt vast dat de participatie van vrouwen in de arbeidsmarkt in plattelandsgebieden betrekking heeft op een breed scala aan banen die verder gaan dan de conventionele landbouw en benadrukt in dit verband dat vrouwen in plattelandsgebieden actoren van verandering kunnen zijn, in de zin dat zij de overgang naar duurzame en ecologisch verantwoorde landbouw kunnen bevorderen en een belangrijke rol kunnen vervullen bij het scheppen van groene banen;

7.  verzoekt de lidstaten gerichter gebruik te maken van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit en deze beter bekend te maken, ELFPO-specifieke maatregelen aan te wenden ten behoeve van de werkgelegenheid van vrouwen, verschillende soorten arbeidsregelingen voor vrouwen te bevorderen en te verbeteren, rekening houdend met de specifieke omstandigheden in plattelandsgebieden, te voorzien in verschillende soorten stimulansen om duurzaamheid en de ontwikkeling van start-ups en kmo's te ondersteunen en initiatieven te introduceren om in de landbouw nieuwe banen te creëren en bestaande te behouden, en deze ook voor jonge vrouwen aantrekkelijker te maken;

8.  spoort de lidstaten aan regelmatig toe te zien op de situatie van vrouwen in plattelandsgebieden en zoveel mogelijk gebruik te maken van specifieke instrumenten en bestaande maatregelen in het kader van het GLB om de participatie van vrouwen als begunstigden te verhogen en zodoende hun situatie te verbeteren;

9.  beveelt aan dat de Commissie bij de toekomstige hervorming van het GLB de thematische subprogramma's met betrekking tot "Vrouwen in plattelandsgebieden" handhaaft en verbetert en deze programma's onder meer richt op projecten voor het in de handel brengen en de rechtstreekse verkoop en promotie van producten op lokaal of regionaal niveau, aangezien dergelijke projecten een rol kunnen vervullen bij het scheppen van werkgelegenheid voor vrouwen in plattelandsgebieden;

10.  wijst erop dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een kerndoelstelling is van de EU en haar lidstaten, verzoekt de Commissie en de Raad erop toe te zien dat gendergelijkheid in alle EU- programma’s, -acties en -initiatieven aan bod komt, en verlangt daarom dat gendermainstreaming wordt toegepast binnen het GLB en het cohesiebeleid op het platteland; doet een voorstel voor nieuwe doelgerichte acties om de arbeidsparticipatie van vrouwen in plattelandsgebieden via het ELFPO aan te moedigen;

11.  hoopt dat meer inzicht in de situatie van vrouwen in plattelandsgebieden het mogelijk zal maken op middellange termijn een Europees Handvest voor vrouwelijke landbouwers op te stellen, waarin dit beginsel wordt gedefinieerd en directe en indirecte vormen van discriminatie van vrouwen in plattelandsgebieden worden vastgesteld, evenals positievediscriminatiemaatregelen om deze uit te bannen;

12.  verzoekt de lidstaten, in het licht van de vereisten inzake gelijkheid van vrouwen en mannen, als een verplichting en een kerndoelstelling van de EU en haar lidstaten, en inzake non-discriminatie om meer synergieën te creëren bij het gebruik van de instrumenten die beschikbaar zijn in het kader van het ELFPO, Leader+, Horizon 2020 en het ESF om betere leef- en arbeidsomstandigheden in plattelandsgebieden te creëren, specifieke op maat gesneden beleidsmaatregelen na te streven, gericht op de sociale en economische inclusie en empowerment van vrouwen en meisjes, met name uit kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en om hen bewust te maken van alle kansen die hen worden geboden in plattelandsgebieden in het kader van de bestaande wetgeving;

13.  onderstreept hoe belangrijk het is specifieke maatregelen te overwegen ter bevordering van de opleiding, werkgelegenheid en bescherming van de rechten van de groepen vrouwen die het meest kwetsbaar zijn en die specifieke behoeften hebben, zoals vrouwen met een handicap, immigranten (waaronder seizoensarbeiders), vluchtelingen en minderheden, slachtoffers van gendergerelateerd geweld, vrouwen zonder opleiding of met een laag opleidingsniveau, alleenstaande moeders enz.;

14.  benadrukt de cruciale rol die vrouwen doorgaans vervullen als het gaat om boekhoudkundige werkzaamheden binnen familiebedrijven en wijst in dit verband op het gebrek aan ondersteuning in de vorm van advies wanneer het financieel slecht gaat met een bedrijf;

15.  spoort de lidstaten aan ervoor te zorgen dat de deelname van vrouwen aan het beheer van landbouwbedrijven volledig wordt erkend en dat hun toegang tot het eigenaarschap of mede-eigenaarschap van landbouwbedrijven bevorderd en vergemakkelijkt wordt;

16.  dringt er bij de lidstaten op aan maatregelen voor voorlichting en technische bijstand te bevorderen, alsook de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten wat betreft de invoering van een beroepsstatus voor meewerkende echtgenotes in de landbouw, die hen individuele rechten toekent zoals met name het recht op moederschapsverlof, sociale bescherming in geval van arbeidsongevallen, toegang tot opleiding en recht op pensioen;

17.  verzoekt de Europese instellingen te zorgen voor een GLB waarin de steun evenwichtig wordt verdeeld, om de ondersteuning van kleine landbouwbedrijven te waarborgen;

18.  benadrukt dat de participatie van vrouwen in de besluitvorming in plattelandsgebieden moet worden ondersteund door middel van opleidingsactiviteiten die bedoeld zijn om hun aanwezigheid in gebieden en sectoren waarin zij ondervertegenwoordigd zijn, te stimuleren en door bewustmakingscampagnes over het belang van de actieve deelname van vrouwen aan coöperaties, zowel als partners als in managementposities;

19.  spoort de lidstaten aan de gelijkheid van vrouwen en mannen in de verschillende organen voor bestuur en vertegenwoordiging te bevorderen ter aanmoediging van gelijke deelname en inspraak en betere vertegenwoordiging van vrouwen in werkgroepen en toezichtcommissies voor plattelandsontwikkeling en in alle soorten landbouworganisaties, verenigingen en openbare instellingen, zodat het besluitvormingsproces de standpunten van vrouwen en mannen reflecteert, en dringt erop aan dat zij vrouwen aanmoedigen deel te nemen aan plaatselijke actiegroepen en lokale partnerschappen ontwikkelen in het kader van het Leader-programma;

20.  dringt aan op steun voor organisaties van vrouwen en landbouwers, die een belangrijke rol te vervullen hebben bij het aanmoedigen en opzetten van nieuwe programma's voor ontwikkeling en diversifiëring;

21.  verzoekt de lidstaten volledige uitvoering te geven aan de bestaande wetgevingshandelingen inzake gelijke behandeling van vrouwen en mannen, onder meer op het gebied van sociale zekerheid en zwangerschaps- en ouderschapsverlof; spoort hen aan de wetgeving inzake gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de arbeidsmarkt te verbeteren en te zorgen voor socialezekerheidsdekking voor mannen en vrouwen die in plattelandsgebieden werken;

22.  verzoekt de Commissie toe te zien op de omzetting van de bestaande wetgevingshandelingen om de problemen en discriminatie van vrouwen die in plattelandsgebieden wonen en werken aan te pakken;

23.  benadrukt dat op Europees en nationaal niveau effectieve maatregelen moeten worden genomen om de huidige loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen; spoort de Commissie aan om, samen met de lidstaten en de desbetreffende regionale autoriteiten, de multidimensionale aard van de genderpensioenkloof in overweging te nemen bij de ontwikkeling van specifieke beleidsmaatregelen in het kader van de EU-strategie voor plattelandsontwikkeling, aangezien meerdere factoren, waaronder de arbeids- en loonkloof, onderbroken carrières, deeltijdwerk, informele arbeid van meewerkende echtgenotes, de opzet van pensioenstelsels en lagere bijdragen, kunnen leiden tot grotere pensioenkloven;

24.  spoort voorts de lidstaten aan een behoorlijk pensioen te waarborgen, met inbegrip van een nationaal minimumpensioen dat met name bedoeld is om vrouwen in plattelandsgebieden te helpen hun financiële onafhankelijkheid te behouden wanneer zij de pensioenleeftijd bereiken;

25.  benadrukt dat het EU-beleid inzake leefomstandigheden voor vrouwen in plattelandsgebieden ook rekening moet houden met de leef- en arbeidsomstandigheden van vrouwen die als seizoenarbeiders in de landbouw worden ingehuurd, met name wat betreft de noodzaak om hen sociale bescherming, een ziektekostenverzekering en gezondheidszorg te bieden; wijst erop dat aan het werk dat deze vrouwen verrichten een maximale waarde moet worden toegekend;

26.  dringt er bij de lidstaten op aan de rol van de sociale partners en organisaties die samenwerken met de autoriteiten te versterken bij het toezicht op de naleving van de arbeidswetgeving, de bestrijding van zwartwerk en de naleving van sociale en veiligheidsnormen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van alle vrouwelijke werknemers, met inbegrip van migrantenwerknemers, seizoenarbeiders en vluchtelingen;

27.  dringt er bij de Commissie en de nationale autoriteiten op aan op lidstaatniveau informatie-databanken en netwerken op te zetten teneinde de economische en sociale situatie van vrouwen in plattelandsgebieden en hun bijdrage aan de samenleving in kaart te brengen en de kennis hierover te vergroten;

28.  vraagt dat de lidstaten en de Europese autoriteiten hun statistische plannen herzien en mechanismen opnemen waarmee de algehele bijdrage van vrouwen aan het plattelandsinkomen en de plattelandseconomie kan worden gemeten, en dat zij daarbij waar mogelijk de indicatoren naar geslacht uitsplitsen en de beschikbare gegevens over de economische en sociale situatie van vrouwen en hun betrokkenheid bij de activiteiten in landelijke gebieden, optimaal benutten om de beleidsmaatregelen beter af te stemmen op de realiteit;

29.  dringt aan op beter regelmatig toezicht op het GLB, het verzamelen van gegevens en evaluatie-indicatoren om de rol van vrouwen in de landbouw en het “onzichtbare” werk dat zij verrichten in kaart te brengen;

30.  beklemtoont dat er meer aandacht moet worden besteed aan de productie van bijgewerkte statistieken over het landbezit onder vrouwen;

31.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten en de plaatselijke en regionale autoriteiten om niet alleen voldoende speciaal op vrouwelijke landbouwers en vrouwen op het platteland gericht voorlichtingsmateriaal over de mogelijkheden voor steun beschikbaar te stellen, maar ook toegang te verschaffen tot onderwijs en beroepsopleiding op het gebied van de landbouw en alle verwante sectoren, onder meer post-universitaire opleidingen en gespecialiseerde cursussen voor ondernemers en agrarische producenten, zodat vrouwen ondernemerscapaciteiten, kennis en toegang tot financiering en microfinanciering kunnen verwerven met het oog op het opstarten en versterken van bedrijfsactiviteiten en zodat zij ook kunnen deelnemen aan een brede waaier van productieactiviteiten in landelijke gebieden, en hun concurrentievermogen in landbouw- en plattelandsgebieden te bevorderen, ook in het plattelandstoerisme dat verbonden is met commerciële landbouwactiviteiten;

32.  vraagt dat breed professioneel en bedrijfsadvies over diversificatie wordt verstrekt en dat actie wordt ondernomen om de economische emancipatie van vrouwen te versterken, coöperaties, mutualiteiten, sociale ondernemingen en alternatieve bedrijfsmodellen te bevorderen en de ondernemingszin en -vaardigheden van vrouwen te verbeteren;

33.  herinnert er in dit verband aan dat de door de Commissie voorgestelde Nieuwe Agenda voor vaardigheden de lidstaten de mogelijkheid biedt om vaardigheden die buiten het formele onderwijs en de formele beroepsopleiding om zijn verworven, beter te identificeren en te erkennen teneinde sociale uitsluiting en armoederisico te bestrijden;

34.  dringt erop aan dat de deelname van hoog opgeleide vrouwen op het gebied van landbouw, veehouderij en bosbouw aangemoedigd wordt en vergemakkelijkt wordt door middel van opleidingsprogramma's voor de ontwikkeling van activiteiten die verband houden met het verstrekken van adviesdiensten aan boerderijen en innovatie;

35.  pleit voor de geleidelijke opname van gelijkheidsmodules in specifieke landbouwopleidingen en in onderwijsmateriaal, de bevordering van openbare campagnes voor gelijkheid in plattelandsgebieden en bijzondere aandacht voor het belang van gelijkheid op plattelandsscholen;

36.  onderstreept hoe belangrijk het is vrouwen te adviseren en ondersteunen om hen in staat te stellen innoverende landbouw- en andere activiteiten in plattelandsgebieden te ontwikkelen;

37.  benadrukt dat organisaties van plattelandsvrouwenorganisaties moeten worden bevorderd en gesteund onder meer door de activiteit van netwerken, hubs, databanken en verenigingen aan te moedigen als een sleutel voor sociale, economische en culturele ontwikkeling aangezien deze informatie-, opleidings- en werkgelegenheidsnetwerken tot stand brengen, ernaar streven de uitwisseling van ervaring en beste praktijken op alle niveaus op te voeren en ervoor zorgen dat de sociale en economische situatie van vrouwen in landelijke gebieden zichtbaarder wordt; steunt bedrijfsinitiatieven, verenigingen, coöperaties en organisaties die vrouwen vertegenwoordigen;

38.  verzoekt de regionale spelers met financiële middelen uit de tweede pijler sensibiliseringsprogramma's uit te voeren waarmee de genderneutraliteit van alle beroepen wordt onderstreept en de nog altijd zeer traditionele taakverdeling in de landbouw wordt doorbroken;

39.  verzoekt de lidstaten gelijke toegang tot land voor vrouwen te vergemakkelijken, eigendoms- en erfenisrechten te waarborgen en toegang tot krediet voor vrouwen te faciliteren teneinde hen aan te moedigen zich in plattelandsgebieden te vestigen en een rol in de landbouwsector te vervullen; spoort de lidstaten voorts aan het probleem van landroof en concentratie van grondbezit op EU-niveau aan te pakken;

40.  is ingenomen met de nieuwe modellen voor landbouwkrediet die mogelijk zijn geworden dankzij de nauwe samenwerking tussen de Europese Commissie en de Europese Investeringsbank en beveelt de lidstaten aan deze zo breed mogelijk toe te passen;

41.  verzoekt de lidstaten en regionale en lokale overheden te zorgen voor betaalbare, kwalitatief hoogwaardige faciliteiten en openbare en particuliere diensten voor het dagelijks leven in plattelandsgebieden, vooral op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en zorg; wijst erop dat dit betekent dat er op het platteland infrastructuren voor kinderopvang moeten zijn, gezondheidsdiensten, onderwijsstructuren, zorginstellingen voor ouderen en andere afhankelijke personen, diensten voor plaatsvervanging in geval van ziekte of zwangerschap, alsook culturele diensten;

42.  onderstreept dat nieuwe kansen moeten worden geboden voor betaald werk, met name voor vrouwen, teneinde plattelandsgemeenschappen in stand te houden en de voorwaarden te creëren voor een goed evenwicht tussen beroeps- en privéleven;

43.  spoort de lidstaten en de regionale autoriteiten ertoe aan gebruik te maken van de structuurfondsen en het cohesiefonds om de vervoersinfrastructuur in plattelandsgebieden uit te breiden en te moderniseren en om te zorgen voor zekere energievoorziening en betrouwbare snelle breedbandinfrastructuur en -diensten in plattelandsgebieden; onderstreept het belang van de digitale ontwikkeling op het platteland en van de ontwikkeling van holistische concepten (het “digitale dorp");

44.  dringt er bij de Commissie op aan te erkennen dat het belangrijk is om haar digitale agenda uit te breiden tot plattelandsgebieden, aangezien digitale ontwikkeling aanzienlijk kan bijdragen tot de creatie van nieuwe banen, het faciliteren van zelfstandig ondernemerschap, de bevordering van concurrentie en toeristische ontwikkeling en kan zorgen voor een beter evenwicht tussen werk en gezinsleven;

45.  spoort lokale en nationale autoriteiten en andere instanties aan de fundamentele mensenrechten van migranten en seizoensarbeiders en hun gezinnen te waarborgen, met name die van vrouwen en bijzonder kwetsbare personen, en hun integratie in de lokale gemeenschap te bevorderen;

46.  vestigt de aandacht op de ongelijke toegang tot kinderopvang in stedelijke en plattelandsgebieden en op de regionale verschillen bij de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van Barcelona betreffende kinderopvang;

47.  veroordeelt alle vormen van geweld tegen vrouwen en wijst erop dat bijstand aan slachtoffers een cruciale rol speelt; vraagt daarom de lidstaten en de regionale en plaatselijke overheden dat zij een krachtig signaal van nultolerantie ten aanzien van geweld tegen vrouwen afgeven en dat zij maatregelen uitvoeren en diensten aanbieden die zijn toegesneden op de omstandigheden in plattelandsgebieden teneinde geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden en ervoor te zorgen dat de slachtoffers toegang hebben tot bijstand;

48.  dringt er bijgevolg bij de lidstaten en de regionale en lokale overheden op aan ervoor te zorgen dat slachtoffers van geweld tegen vrouwen in plattelandsgebieden en afgelegen gebieden gelijke toegang krijgen tot bijstand en herinnert aan zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om het verdrag van Istanbul zo spoedig mogelijk te ratificeren;

49.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om met een voorstel te komen voor een EU-richtlijn betreffende geweld tegen vrouwen;

50.  benadrukt dat plattelandsgebieden binnen de lidstaten een cruciale rol op gebied van economie en veiligheid te vervullen hebben in onze moderne maatschappij, waarin meer dan 12 miljoen landbouwers zorgen voor een voldoende hoeveelheid gezond en veilig voedsel voor een half miljard consumenten in de hele Europese Unie; wijst erop dat het uiterst belangrijk is de gemeenschappen in deze gebieden levendig te houden door vrouwen en gezinnen aan te moedigen om er te blijven;

51.  vraagt in dit verband aan de Commissie en de lidstaten dat zij waarborgen bieden voor een krachtig GLB met voldoende middelen, dat Europese boeren en consumenten van dienst is, plattelandsontwikkeling bevordert, de gevolgen van klimaatverandering beperkt en het milieu beschermt en versterkt, terwijl tegelijk wordt gezorgd voor kwaliteitsvolle en veilige voedselvoorziening en het creëren van meer banen;

52.  wijst erop dat plattelandsgebieden vaak natuurlijk en cultureel erfgoed omvatten dat beschermd en ontwikkeld moet worden, samen met duurzaam toerisme en milieu-onderwijs;

53.  benadrukt het belang van het beginsel multifunctionaliteit, waarbij wordt verwezen naar andere activiteiten in plattelandsgebieden die een aanvulling vormen op de landbouwproductie en waarin met name vrouwen werkzaam zijn; moedigt de lidstaten daarom aan aandacht te besteden aan maatregelen voor diversificatie van activiteiten zoals rechtstreekse verkoop van producten, sociale diensten, zorgdiensten en agritoerisme; meent dat, gezien de stijgende belangstelling voor dit soort toerisme, de activiteiten in deze sector in een netwerk moeten worden opgenomen en optimale werkwijzen moeten worden verspreid;

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.
(2) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(3) PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.
(6) PB C 66 E van 20.3.2009, blz. 23.
(7) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 13.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0264.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0290.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0427.
(11) volgens de landbouwstructuurenquête van Eurostat.
(12) Europese Commissie (2011), 'Agriculture and Rural Development. EU Agricultural Economic Briefs. Rural Areas and the Europe 2020 Strategy – Employment', Brief nr. 5 – november 2011.
(13) Europese Commissie (2012), 'Agricultural Economic Briefs. Women in EU agriculture and rural areas: hard work, low profile', Brief nr. 7 – juni 2012.


Onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector
PDF 220kWORD 61k
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad en de Commissie van 4 april 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector (2016/2908(RSP))
P8_TA(2017)0100B8-0177/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 19 april 1995 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement(1),

–  gezien zijn Besluit (EU) 2016/34 van 17 december 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(3),

–  gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd(4),

–  gezien Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa(5),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2015 over emissiemetingen in de automobielsector(6),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector(7) (op basis van interimverslag A8-0246/2016),

–  gezien het eindverslag van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector (A8-0049/2017),

–  gezien de ontwerpaanbeveling van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector,

–  gezien artikel 198, lid 12, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat artikel 226 van het VWEU een juridische basis verschaft voor de instelling door het Europees Parlement van een tijdelijke enquêtecommissie voor het onderzoeken van vermeende inbreuken of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het recht van de Unie, onverminderd de jurisdictie van nationale of Unierechtbanken, en overwegende dat dit een belangrijk onderdeel vormt van de toezichthoudende bevoegdheden van het Parlement;

B.  overwegende dat het Parlement op basis van een voorstel van de Conferentie van voorzitters op 17 december 2015 heeft besloten een enquêtecommissie in te stellen voor het onderzoeken van vermeende tekortkomingen bij de toepassing van het recht van de Unie met betrekking tot emissiemetingen in de automobielsector, en dat deze commissie aanbevelingen zou doen die zij in dit verband noodzakelijk acht;

C.  overwegende dat de enquêtecommissie op 2 maart 2016 met haar werkzaamheden is begonnen en haar eindverslag, met daarin een beschrijving van de gevolgde methodologie en de conclusies van haar onderzoek, op 28 februari 2017 heeft goedgekeurd;

D.  overwegende dat het marktaandeel van op diesel rijdende personenwagens de laatste decennia in de Europese Unie is toegenomen en een niveau heeft bereikt waarop deze wagens in bijna elke lidstaat meer dan de helft van de nieuwe verkochte personenwagens uitmaken; overwegende dat deze aanhoudende stijging van het marktaandeel van dieselvoertuigen ook het gevolg is van het klimaatbeleid van de EU, aangezien dieseltechnologie op het gebied van CO2-uitstoot een voorsprong heeft op benzinemotoren; overwegende dat dieselmotoren in vergelijking met benzinemotoren tijdens de verbranding veel meer andere verontreinigende stoffen dan CO2 voortbrengen die een grote en rechtstreeks schadelijke invloed hebben op de volksgezondheid, zoals NOx, SOx en fijnstof; overwegende dat er technologieën bestaan en op de markt beschikbaar zijn die deze verontreinigende stoffen beperken;

E.  overwegende dat er technologie bestaat om aan de Euro 6 NOx-normen voor dieselvoertuigen te voldoen, ook in reële rijomstandigheden, zonder nadelige gevolgen voor de CO2-emissies;

F.  overwegende dat de beste praktijken uit de VS, met striktere emissienormen voor zowel benzine- als dieselvoertuigen en een strikter handhavingsbeleid, een norm aanreiken die de EU moet nastreven;

G.  overwegende dat de bescherming van de volksgezondheid en het milieu een gedeelde maatschappelijke zorg en verantwoordelijkheid moet zijn, waarin alle belanghebbenden, ook de automobielsector, een belangrijke rol spelen;

1.  verzoekt zijn Voorzitter de nodige maatregelen te nemen om het eindverslag van de enquêtecommissie overeenkomstig artikel 198, lid 11, van zijn Reglement en artikel 4, lid 2, van Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS openbaar te maken;

2.  verzoekt de Raad en de Commissie erop toe te zien dat de conclusies in het eindverslag overeenkomstig Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS terdege ter harte worden genomen en dat de aanbevelingen daadwerkelijk worden opgevolgd;

3.  verzoekt de Commissie om uiterlijk 18 maanden na de goedkeuring van deze aanbeveling, en op regelmatige tijdstippen daarna, aan het Europees Parlement een uitvoerig verslag voor te leggen over de maatregelen die de Commissie en de lidstaten hebben genomen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de enquêtecommissie;

4.  verzoekt zijn Voorzitter de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, en de Commissie vervoer en toerisme overeenkomstig artikel 198, lid 13, van het Reglement te gelasten toe te zien op het gevolg dat aan de conclusies en de aanbevelingen in het eindverslag wordt gegeven;

5.  verzoekt zijn Voorzitter de Commissie constitutionele zaken te gelasten gevolg te geven aan de aanbevelingen van de enquêtecommissie wat betreft de beperkingen van het enquêterecht van het Parlement;

Laboratoriumproeven en reële emissies

6.  verzoekt de Commissie haar interne werkwijze zodanig aan te passen dat, overeenkomstig het beginsel van collectieve verantwoordelijkheid, de portefeuille van één enkele commissaris (en één enkel Directoraat-Generaal) tegelijkertijd ook de verantwoordelijkheid voor wetgeving op het gebied van de luchtkwaliteit en voor maatregelen voor het aanpakken van de bronnen van vervuilende emissies omvat; roept de Commissie op om meer personeel en technische middelen ter beschikking te stellen voor voertuigen, voertuigsystemen en technologieën voor emissiecontroles, en verzoekt het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) zijn interne technische expertise verder te verbeteren;

7.  verzoekt de Commissie daartoe haar interne structuur te veranderen en haar taakverdeling aan te passen zodat alle wetgevende verantwoordelijkheden op het gebied van voertuigemissies die momenteel door het directoraat-generaal Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Kmo's (DG GROW) worden bekleed, worden overgedragen aan het directoraat-generaal Milieu (DG ENV);

8.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het GCO over voldoende personeel en technische expertise, alsook de nodige autonomie beschikt, bijvoorbeeld door maatregelen te nemen die bewerkstelligen dat de bedoelde kennis op het gebied van voertuig- en emissietechnologie binnen het Centrum behouden blijft; neemt er nota van dat het GCO in het kader van het voorstel voor een nieuwe verordening betreffende toezicht op de markt en typegoedkeuring mogelijkerwijs nieuwe verantwoordelijkheden krijgt op het vlak van het verifiëren van de inachtneming van vereisten;

9.  verzoekt om alle testresultaten van het GCO volledig en zonder anonimisering openbaar te maken via een gegevensbank; verzoekt het laboratorium voor voertuigemissies (VELA) van het GCO voorts om verslag uit te brengen aan een raad van toezichthouders waarin vertegenwoordigers van de lidstaten en organisaties voor milieu- en gezondheidsbescherming zetelen;

10.  verzoekt beide takken van de wetgevingsautoriteit in het kader van de lopende herziening van Verordening (EG) nr. 715/2007 te waarborgen dat de maatregelen uit hoofde van de artikelen 5, lid 3, en 14, die tot doel hebben bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling te wijzigen, middels gedelegeerde handelingen worden vastgesteld, teneinde voor passend toezicht door het Parlement en de Raad te zorgen, én de kans op buitensporige vertragingen bij de vaststelling van de bedoelde maatregelen te reduceren; verzet zich er met klem tegen dat de maatregelen in kwestie middels uitvoeringshandelingen zouden worden vastgesteld;

11.  dringt erop aan het 3e en 4e pakket "emissietests in reële rijomstandigheden" snel goed te keuren, ter aanvulling van het regelgevingskader voor de nieuwe typegoedkeuringsprocedure, en dit regelgevingskader snel ten uitvoer te leggen; herinnert eraan dat de "emissietests in reële rijomstandigheden" de verschillen tussen de emissies die in een laboratorium worden gemeten en die op de weg worden gemeten alleen daadwerkelijk zullen kunnen verkleinen indien met zorgvuldig ontwikkelde testspecificaties en beoordelingsprocedures wordt gewerkt en indien een breed scala aan rijomstandigheden wordt bestreken, waaronder temperatuur, motorbelasting, voertuigsnelheid, hoogte, type rijweg en andere parameters die voor het rijden in de Unie te vinden zijn;

12.  neemt nota van de actie gericht op de nietigverklaring van het 2e pakket voor emissietests in reële rijomstandigheden van verschillende EU-steden, die aanvoeren dat de Commissieverordening, doordat zij nieuwe, hogere drempels voor NOx-emissies bevat, een essentieel element van een basishandeling wijzigt en daardoor inbreuk maakt op een essentiële procedurevereiste en op de bepalingen van de Richtlijn betreffende de luchtkwaliteit (2008/50/EG) met betrekking tot de beperking van de maximale stikstofemissieniveaus voor dieselvoertuigen;

13.  verzoekt de Commissie met klem de conformiteitsfactor voor "emissietests in reële rijomstandigheden" voor NOx-emissies in 2017 opnieuw tegen het licht te houden, zoals voorzien in het 2e pakket voor deze tests; verzoekt de Commissie voorts de conformiteitsfactor jaarlijks te herzien, in overeenstemming met de technologische ontwikkeling, teneinde deze factor uiterlijk in 2021 op 1 te brengen;

14.  verzoekt de Commissie de toepasselijke Uniewetgeving aan een beoordeling te onderwerpen, teneinde vast te stellen of het in de handel brengen van andere voertuigsystemen of andere producten misschien ook mogelijk is op basis van niet-geëigende testprocedures, zoals bij voertuigemissies, of op andere gebieden waar de inspanningen op het gebied van markttoezicht eveneens ontoereikend zijn, en om met passende wetgevingsvoorstellen te komen om de handhaving te waarborgen van de normen die gelden op de interne markt;

15.  verzoekt de Commissie om voorstellen in te dienen om milieu-inspecties op EU-niveau in te voeren teneinde de naleving van de milieuproductnormen, de emissiegrenswaarden voor exploitatievergunningen en de Europese milieuwetgeving in het algemeen te controleren;

16.  verzoekt de Commissie door te gaan met haar werkzaamheden gericht op het verbeteren van de prestaties van het PEMS, om de nauwkeurigheid ervan te vergroten en de foutenmarge te beperken; is van mening dat wat deeltjes betreft, de technologie van de draagbare systemen voor het meten van emissies in staat moet zijn deeltjes te meten met een omvang van kleiner dan 23 nanometer, die het grootste gevaar betekenen voor de volksgezondheid;

17.  is van oordeel dat de horizontale regels betreffende de oprichting en de werking van deskundigengroepen van de Commissie, die de Commissie op 30 mei 2016 heeft goedgekeurd, een verbetering zijn ten opzichte van de oude regels, bijvoorbeeld wat het vereiste aangaande het opstellen van betekenisvolle en volledige notulen van vergaderingen betreft; verzoekt de Commissie die regels te herzien om de bepalingen betreffende een evenwichtige samenstelling van de deskundigengroepen aan te scherpen; verzoekt de Commissie de (geactualiseerde) horizontale regels strikt en met onmiddellijke ingang te handhaven, en aan het Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de toepassing ervan;

18.  verzoekt om openbaarmaking van de lijsten van deelnemers en de notulen van de vergaderingen van comitologiecomités zoals het Technisch Comité motorvoertuigen (TCMV) en deskundigengroepen van de Commissie zoals de werkgroep motorvoertuigen of de werkgroep "Real Driving Emissions – Light-Duty Vehicles" (RDE-LDV);

19.  verzoekt de Commissie nadrukkelijk voor meer transparantie te zorgen bij de toegang tot de documenten van de vergaderingen van het TCMV voor de desbetreffende nationale parlementen;

20.  verzoekt de Commissie om het bestaande beleid voor het archiveren en bewaren van informatie aanzienlijk te wijzigen en om ervoor te zorgen dat nota's, communicatie tussen diensten, ontwerpteksten en informele uitwisselingen binnen de Commissie, de lidstaten, de Raad en hun vertegenwoordigers automatisch worden gearchiveerd; betreurt de lacunes in de openbare dossiers die zijn aangelegd met een veel te beperkte reeks documenten die worden klaargemaakt voor archivering, waarbij actieve tussenkomst nodig is om documenten te archiveren;

Manipulatie-instrumenten

21.  is van oordeel dat de procedure voor "emissietests in reële rijomstandigheden" het risico dat manipulatie-instrumenten worden gebruikt, tot een minimum zal beperken, maar dat potentiële onrechtmatige praktijken hiermee niet honderd procent zullen worden voorkomen; beveelt dan ook aan om, overeenkomstig de benadering van de Amerikaanse autoriteiten, een bepaalde mate van onvoorspelbaarheid in de tests in verband met typegoedkeuring en conformiteit tijdens het gebruik in te bouwen, teneinde te voorkomen dat gebruik zou worden gemaakt van onverhoopt nog overgebleven mazen in het net en om de conformiteit te verzekeren gedurende de volledige levenscyclus van het voertuig; verwelkomt in dit verband het testprotocol inzake manipulatie-instrumenten dat is opgenomen in het op 26 januari 2017 door de Commissie goedgekeurde richtsnoer voor de beoordeling van aanvullende emissiestrategieën en de aanwezigheid van manipulatie-instrumenten en dat van toepassing is op voertuigen die reeds in de handel zijn gebracht; verwacht van de nationale autoriteiten van de lidstaten dat zij dit protocol snel toepassen in hun activiteiten op het gebied van markttoezicht en dat zij voertuigen zoals aanbevolen testen onder niet te voorspellen variaties van de standaardtestomstandigheden, zoals de omgevingstemperatuur, het snelheidspatroon, de belading van het voertuig en de duur van de test, waarbij ook gebruik kan worden gemaakt van verrassingstests;

22.  merkt tot zijn bezorgdheid op dat de officiële tests van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen nog steeds beperkt zullen blijven tot een testprocedure in het laboratorium (WLTP), wat betekent dat het onrechtmatige gebruik van manipulatie-instrumenten nog steeds mogelijk is en onopgemerkt kan blijven; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om regelingen vast te stellen om op afstand toezicht te houden op het wagenpark – met behulp van teledetectie-uitrusting op de weg en/of ingebouwde sensoren – om de prestaties van het wagenpark tijdens het gebruik te screenen en mogelijk onrechtmatige praktijken die tot verschillen tussen de prestaties op papier en in reële rijomstandigheden zouden kunnen leiden, op te sporen;

23.  verzoekt de Commissie nader te onderzoeken waarom de strengere bepalingen betreffende manipulatie-instrumenten in de wetgeving voor voertuigen voor zwaar gebruik niet ook in de wetgeving voor voertuigen voor licht gebruik zijn opgenomen;

24.  verzoekt de Commissie om een intern onderzoek in te stellen om de bewering na te trekken dat de onderzoeksbevindingen van het GCO en de tussen de diensten van de Commissie besproken zorgen met betrekking tot mogelijk onrechtmatige praktijken van fabrikanten de hogere niveaus van de hiërarchie niet hebben bereikt; verzoekt de Commissie het Parlement van haar bevindingen op de hoogte te stellen;

25.  is van mening dat er binnen de Commissie een duidelijk verslagleggingsmechanisme moet worden opgezet om ervoor te zorgen dat wanneer het GCO gevallen van niet-naleving vaststelt, die gevallen aan alle relevante niveaus binnen de hiërarchie van de Commissie worden gemeld;

26.  verzoekt de Commissie het GCO de opdracht te geven om, samen met de nationale autoriteiten en onafhankelijke onderzoeksinstellingen, het verdachte emissiegedrag dat in augustus 2016 bij verschillende auto's werd vastgesteld nader te onderzoeken;

27.  verzoekt de Commissie van autofabrikanten te verlangen dat zij in de context van de onlangs ingevoerde verplichting om hun primaire emissiestrategie en hun aanvullende emissiestrategie uiteen te zetten, elk door hen bij tests waargenomen irrationeel emissiegedrag van voertuigen uitleggen en de noodzaak van de vrijstellingen zoals bedoeld in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 715/2007 aantonen; verzoekt de lidstaten de resultaten van hun onderzoeken en de technische testgegevens met de Commissie en het Parlement te delen;

28.  verzoekt de Commissie de handhaving door de lidstaten van de vrijstellingen betreffende het gebruik van manipulatie-instrumenten streng te controleren; toont zich in dit verband verheugd over de methodologie voor de technische beoordeling van aanvullende emissiestrategieën die is opgenomen in het richtsnoer van de Commissie van 26 januari 2017; verzoekt de Commissie indien nodig inbreukprocedures te starten;

Typegoedkeuring en conformiteit tijdens gebruik

29.  dringt er in het belang van de consumenten en de milieubescherming op aan het voorstel voor een verordening inzake de goedkeuring en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (2016/0014(COD))(8), dat de huidige kaderrichtlijn over typegoedkeuring vervangt, snel goed te keuren en uiterlijk in 2020 in werking te doen treden; is van oordeel dat om het EU-systeem te verbeteren als absoluut minimum moet worden gestreefd naar handhaving van het ambitieniveau van het oorspronkelijk voorstel van de Commissie, in het bijzonder met betrekking tot de introductie van toezicht door de EU op het systeem; is voorts van mening dat bij de interinstitutionele onderhandelingen over dit dossier moet worden gestreefd naar een meer omvattend en gecoördineerd systeem voor typegoedkeuringen en markttoezicht, met toezicht door de EU, gezamenlijke controles en samenwerking met en tussen nationale autoriteiten;

30.  is van mening dat een correcte handhaving van de EU-wetgeving inzake voertuigen en een doeltreffende en efficiënte uitvoering van de markttoezichtactiviteiten in de EU alleen mogelijk zijn met een strengere controle op Unieniveau; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het nieuwe kader voor typegoedkeuringen en markttoezicht volledig en homogeen wordt uitgevoerd, het werk van de voor typegoedkeuring en markttoezicht verantwoordelijke nationale autoriteiten te coördineren en te bemiddelen in geval van geschillen;

31.  dringt erop aan het markttoezicht aanzienlijk aan te scherpen, op basis van helder gedefinieerde regels en een duidelijker verdeling van de verantwoordelijkheden binnen het nieuwe EU-kader voor typegoedkeuring, om een beter, effectief en functioneel systeem te creëren;

32.  meent dat het EU-toezicht in het kader van het nieuwe EU-kader voor typegoedkeuring ook moet inhouden dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die reeds op de markt zijn aangeboden, op toereikende schaal opnieuw worden getest om te controleren of zij conform de typegoedkeuringen zijn en aan de geldende wetgeving voldoen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een brede waaier van tests op basis van statistisch relevante monsters en corrigerende maatregelen worden geïnitieerd, zoals verplichte terugroeping, intrekking van typegoedkeuringen of administratieve boetes; acht de expertise van het GCO essentieel voor deze taak;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te kijken naar de Amerikaanse praktijk van steekproefsgewijze tests "off-production-line" en onder reële rijomstandigheden, en hieraan de noodzakelijke conclusies te verbinden met het oog op het verbeteren van hun eigen activiteiten op het gebied van markttoezicht;

34.  stelt voor om voor passagiersvoertuigen steekproefsgewijze markttoezichttests, ook met onbepaalde testprotocollen, te verrichten op ten minste 20 % van de nieuwe modellen die elk jaar in de Unie in de handel worden gebracht en op een representatief aantal oudere modellen, om na te gaan of de voertuigen voldoen aan de Europese veiligheids- en milieuwetgeving op de weg; is van mening dat bij de keuze van de voertuigen die op Unieniveau moeten worden getest, gevolg moet worden gegeven aan gemotiveerde klachten en rekening moet worden gehouden met tests door derden, teledetectiegegevens, verslagen van periodieke technische controles en andere informatie;

35.  wijst erop dat de conformiteit van productie en de conformiteit van voertuigen tijdens het gebruik door de bevoegde nationale autoriteiten stelselmatig moet worden gehandhaafd, en dat hierbij voor coördinatie en toezicht op EU-niveau moet worden gezorgd; is van mening dat de conformiteit van productie en de conformiteit tijdens het gebruik getest moet worden door een andere technische dienst dan de dienst die verantwoordelijk was voor de typegoedkeuring van de desbetreffende auto en dat interne technische diensten moeten worden uitgesloten van emissietests voor typegoedkeuringsdoeleinden; verzoekt de lidstaten met klem om eens en voor al te bepalen welke autoriteit op hun grondgebied met het markttoezicht belast is, om zeker te stellen dat die autoriteit haar verantwoordelijkheden kent, en de Commissie hiervan op de hoogte te stellen; is van mening dat een veel nauwere samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten en de Commissie, ook over de nationale plannen voor markttoezicht, de globale kwaliteit van het markttoezicht in de EU zal verbeteren en de Commissie in staat zal stellen om zwakke plekken in de nationale markttoezichtstelsels te identificeren;

36.  is van mening dat meer samenwerking en overleg tussen typegoedkeuringsautoriteiten en de Commissie, in de vorm van een door de Commissie voorgezeten forum, zal bijdragen tot de bevordering van goede praktijken om een doeltreffende en geharmoniseerde tenuitvoerlegging van de regelgeving inzake typegoedkeuringen en markttoezicht te verzekeren;

37.  is van mening dat de mogelijkheid van een onafhankelijke, volledige herziening van de typegoedkeuringsresultaten, met inbegrip van de gegevens van uitlooptests, de doeltreffendheid van het kader zal vergroten en dat de desbetreffende gegevens toegankelijk moeten zijn voor relevante partijen;

38.  verzoekt om een adequate en onafhankelijke financiering van typegoedkeuringen, markttoezicht en activiteiten van technische diensten te waarborgen, bijvoorbeeld door de vaststelling van een tariefstructuur via de nationale begrotingen van de lidstaten of via een combinatie van beide methoden; meent dat het de verantwoordelijkheid van de met de typegoedkeuring belaste autoriteiten moet zijn om te controleren wat de commerciële en economische banden zijn tussen de autofabrikanten en de leveranciers enerzijds en de technische diensten anderzijds, teneinde belangenverstrengelingen te voorkomen;

39.  verwijst naar het Amerikaanse typegoedkeuringssysteem – in het kader waarvan de vergoedingen die de fabrikanten betalen ter dekking van de kosten van de certificerings- en complianceprogramma's in de federale schatkist worden gestort en het Congres de middelen vervolgens naar het Environmental Protection Agency (EPA) doorsluist, dat ze gebruikt om haar programma's ten uitvoer te leggen – als een model dat zou kunnen dienen als voorbeeld voor het verbeteren van de onafhankelijk van het systeem van de Unie;

40.  verzoekt om de snelle goedkeuring, tenuitvoerlegging en toepassing van het 4e RDE-pakket, waarin het gebruik van draagbare emissiemeetsystemen voor controles van de conformiteit tijdens het gebruik en voor tests door derden wordt geregeld; verzoekt de Commissie het GCO een mandaat te geven om in de context van het nieuwe kader voor typegoedkeuring emissietests met draagbare emissiemeetsystemen te verrichten als onderdeel van de controle op Europees niveau van de conformiteit tijdens het gebruik;

41.  verzoekt de medewetgevers om in de toekomstige verordening inzake de goedkeuring en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan een EU-breed teledetectienetwerk op te zetten om de emissies van het wagenpark in reële rijomstandigheden te controleren en te sterk verontreinigende voertuigen te identificeren teneinde gerichte controles van de conformiteit tijdens het gebruik te kunnen verrichten en auto's te kunnen opsporen die mogelijk op onrechtmatige wijze zijn aangepast via wijzigingen in de hardware (zoals platen om de uitlaatgasrecirculatie (EGR) uit te schakelen, verwijdering van de dieseldeeltjesfilter (DPF) of selectieve katalytische reductie (SCR)) of in de software (illegale chiptuning);

42.  verzoekt de Commissie om haar gedelegeerde bevoegdheden als bedoeld in artikel 17 van Richtlijn 2014/45/EU betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens te benutten om de testmethoden voor de periodieke technische controle van auto's bij te werken teneinde de NOx-emissies van auto's te meten;

43.  is van oordeel dat de typegoedkeuringsautoriteiten, de markttoezichtautoriteiten en de technische diensten hun taken moeten uitvoeren; vindt in dit verband dan ook dat zij hun bekwaamheid aanzienlijk en permanent moeten verbeteren, en dringt erop aan hun capaciteiten regelmatig aan onafhankelijke controles te onderwerpen;

44.  verzoekt de Commissie te analyseren of het mogelijk is de fabrikant te verplichten de Commissie op de hoogte te brengen van de gekozen technische dienst, om volledig inzicht in de situatie te kunnen hebben;

45.  verzoekt de lidstaten om autofabrikanten te verplichten hun emissiestrategieën openbaar te maken en te motiveren aan de typegoedkeuringsautoriteiten, zoals ook gebeurt voor zware bedrijfsvoertuigen;

46.  verzoekt de lidstaten te analyseren of de type-oplossingen die door de fabrikant zijn voorgesteld om de voertuigen met frauduleuze systemen te repareren, daadwerkelijk voldoen aan de emissienormen en of er steekproefsgewijze controles worden uitgevoerd op de gerepareerde voertuigen;

Handhaving en sancties

47.  dringt erop aan de regels voor de emissies van voertuigen in de EU beter en nauwgezetter te handhaven; stelt voor de opzet van de governance met betrekking tot voertuigemissies zonder verder dralen te hervormen en in overeenstemming te brengen met hetgeen bestaat voor de andere vervoerssectoren;

48.  herinnert eraan dat voorschriften inzake emissiemetingen worden vastgesteld om een betere luchtkwaliteit te verzekeren, wat voorheen niet was gelukt, deels vanwege een gebrekkige handhaving van de wetgeving en deels vanwege manipulatie door bepaalde autofabrikanten; is van mening dat de relevante autoriteiten rekening moeten houden met auto-emissies en gegevens over de ontwikkeling van de luchtkwaliteit om te bepalen of de beoogde doelstelling is bereikt;

49.  stelt voor om een permanent internationaal kader voor samenwerking met betrekking tot emissies te ontwikkelen, teneinde de autoriteiten in staat te stellen informatie uit te wisselen en gemeenschappelijke toezichtsactiviteiten te ontplooien; wijst erop dat dit soort activiteiten reeds bestaat voor andere producten in de EU;

50.  verzoekt de Commissie met klem inbreukprocedures in te leiden tegen die lidstaten die geen doeltreffend markttoezicht en geen nationaal stelsel van sancties voor inbreuken op het EU-recht hebben ingevoerd, zoals voorgeschreven in de bestaande regelgeving;

51.  stelt voor de Commissie te machtigen voertuigfabrikanten doeltreffende, evenredige en ontmoedigende administratieve boetes op te leggen en opdracht te geven tot remediërende en corrigerende maatregelen wanneer non-conformiteit van hun voertuigen wordt geconstateerd; is van mening dat mogelijke sancties onder meer de intrekking van de typegoedkeuring en de instelling van EU-brede terugroepprogramma's moeten omvatten;

52.  is van mening dat de middelen die worden geïnd met de boetes die worden opgelegd aan voertuigfabrikanten, de middelen als gevolg van inbreukprocedures die zijn ingeleid tegen lidstaten wegens niet-naleving van de EU wetgeving inzake emissies en de bijdragen voor overtollige emissies van nieuwe personenauto's (begrotingslijn 711) moeten worden gebruikt als bestemmingsontvangsten voor specifieke EU projecten of programma's op het gebied van luchtkwaliteit en milieubescherming en niet mogen leiden tot een verlaging van de bni-bijdragen van de lidstaten aan de EU begroting; vraagt dat hiervoor de nodige bepalingen worden opgenomen in de desbetreffende wetgeving van de Unie; suggereert dat de middelen als gevolg van de boetes ook deels door de lidstaten kunnen worden gebruikt voor de schadeloosstelling van personen die nadelig zijn getroffen door de inbreuk, alsook voor andere soortgelijke activiteiten ten voordele van de consumenten;

53.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de bepalingen betreffende sancties voor inbreuken door fabrikanten op het bepaalde in Verordening (EG) nr. 715/2007 doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn, en op zo kort mogelijke termijn aan de Commissie worden gemeld;

54.  verzoekt de lidstaten hun maatregelenpakket naar aanleiding van het emissieschandaal aan te scherpen; verzoekt de lidstaten en hun typegoedkeuringsautoriteiten om de informatie over primaire en aanvullende emissiestrategieën, die door de autofabrikanten openbaar moet worden gemaakt, voor Euro 5- en Euro 6-voertuigen waarvoor een typegoedkeuring is verleend en die in testprogramma's irrationeel emissiegedrag vertonen, te onderzoeken en te controleren of zij in overeenstemming zijn met de interpretatieve richtsnoeren van de Commissie over de bepalingen inzake manipulatie-instrumenten; verzoekt de lidstaten om bij niet-overeenstemming het beschikbare arsenaal aan sancties te gebruiken, inclusief, in voorkomend geval, verplichte terugroepprogramma's en het intrekken van typegoedkeuringen; verzoekt de Commissie bij terugroepprogramma's in de EU voor onderlinge coördinatie te zorgen;

55.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om de eigenaars van de getroffen voertuigen duidelijk te maken of het wel of niet verplicht is de voertuigen te laten repareren en wat de juridische consequenties zijn die voortvloeien uit deze reparaties wat betreft de conformiteit met emissienormen, verplichtingen met betrekking tot technische voertuiginspecties, belastingen, de consequenties van een mogelijke herindeling van het voertuig in een andere categorie, enz.;

56.  stelt vast dat het als gevolg van het ontbreken van statistieken op nationaal niveau niet eenvoudig is om aan informatie over sancties in de lidstaten te komen; verzoekt de Commissie en de lidstaten hierover stelselmatig statistieken bij te houden;

57.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om de Europese implementatiemechanismen, zoals het netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van het milieurecht (IMPEL), te verbeteren;

Consumentenrechten

58.  is van mening dat EU-consumenten die getroffen zijn door het dieselgateschandaal een passende financiële vergoeding moeten krijgen van de betrokken autofabrikanten en dat de terugroepprogramma's, die slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd, niet als afdoende schadeloosstelling mogen worden gezien;

59.  verzoekt de Commissie met het oog daarop een wetgevingsvoorstel in te dienen voor de invoering van een collectief verhaalmechanisme waarmee een geharmoniseerd systeem voor consumenten in de EU in het leven wordt geroepen en een eind wordt gemaakt aan de huidige situatie, waarin de consument in de meeste lidstaten onvoldoende beschermd is; verzoekt de Commissie de bestaande procedures binnen en buiten de Unie te evalueren om vast te stellen wat de beste praktijken zijn en deze op te nemen in haar wetgevingsvoorstel;

60.  is van mening dat, wanneer een typegoedkeuring voor een voertuig wordt ingetrokken wegens niet-naleving, de eigenaar van een betroffen voertuig volledig schadeloos moet worden gesteld voor de aanschaf van dat voertuig;

61.  is van mening dat de consument recht moet hebben op een passende schadeloosstelling wanneer is aangetoond dat de oorspronkelijke prestaties van het voertuig (bijv. brandstofverbruik, efficiëntie, duurzaamheid van onderdelen, emissies, enz.) negatief beïnvloed worden door noodzakelijke technische reparaties of aanpassingen die in het kader van een terugroepprogramma van een fabrikant worden verricht;

62.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de consumenten gedetailleerde en omvattende informatie ontvangen over de softwareaanpassingen die werden doorgevoerd bij terugroepprogramma's en onderhoudsbeurten, om de transparantie voor de consumenten en het vertrouwen in de automarkt te vergroten;

63.  betreurt dat Europese consumenten een minder goede behandeling krijgen dan Amerikaanse consumenten; constateert dat de getroffen consumenten in veel gevallen vage en onvolledige informatie ontvangen over de betrokken voertuigen, de verplichting om het voertuig te laten repareren en de consequenties hiervan;

64.  betreurt dat in de EU geen uniform, geharmoniseerd systeem bestaat waarbinnen consumenten gezamenlijk actie kunnen ondernemen om hun rechten te doen gelden en erkent dat consumenten vandaag de dag in veel lidstaten niet de mogelijkheid hebben om deel te nemen aan dergelijke acties;

65.  onderstreept dat auto's na terugroeping moeten voldoen aan de wettelijke vereisten die in de EU-regelgeving zijn vastgesteld; wijst erop dat naast terugroepingsprogramma's ook in andere vormen van schadeloosstelling moet worden voorzien; verzoekt de Commissie daartoe de bestaande EU-regels inzake consumentenbescherming opnieuw te bekijken en passende voorstellen te doen;

66.  onderstreept dat consumenten realistische, nauwkeurige en degelijke informatie moeten krijgen over het brandstofverbruik en de luchtverontreinigende emissies van hun auto, teneinde hen meer bewust te maken van deze zaken en hen te helpen om een geïnformeerde beslissing te nemen bij de aankoop van een auto; verzoekt om een herziening van Richtlijn 1999/94/EG betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over nieuwe personenauto's, waarbij onder meer moet worden overwogen om informatie over andere luchtverontreinigende emissies, zoals NOx en fijnstof, verplicht te stellen, naast informatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat consumenten een billijke en passende schadevergoeding krijgen, bij voorkeur via collectieve verhaalmechanismen;

Schone voertuigen

68.  verzoekt de Commissie en de bevoegde autoriteiten in de lidstaten om voluit te gaan voor een emissiearme mobiliteitsstrategie en die strategie toe te passen;

69.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de doeltreffendheid van de huidige lage-emissiezones in steden te beoordelen – rekening houdend met het feit dat de Euro-normen voor lichte voertuigen de emissies in reële rijomstandigheden niet weerspiegelen –, en om de voordelen te onderzoeken van de invoering van een keurmerk of een norm voor voertuigen met ultralage emissies die in reële rijomstandigheden aan de emissiegrenswaarden voldoen;

70.  verzoekt de Commissie en de medewetgevers om een meer geïntegreerde aanpak te hanteren in hun beleid ter verbetering van de milieuprestaties van auto's, teneinde vooruitgang te boeken met betrekking tot de doelstellingen voor een koolstofarme economie en de luchtkwaliteit, bijvoorbeeld door de elektrificatie of de overgang naar alternatieve aandrijftechnieken van het wagenpark te stimuleren;

71.  verzoekt de Commissie daartoe om de richtlijn betreffende schone energie voor het vervoer (2014/94/EU) te herzien en met een ontwerpverordening te komen inzake CO2-normen voor voertuigen die vanaf 2025 in de handel worden gebracht, met inbegrip van mandaten voor emissieloze voertuigen en voertuigen met ultralage emissies die voorzien in een stapsgewijze verhoging van het aandeel van emissieloze voertuigen en voertuigen met ultralage emissies in het totale wagenpark, teneinde nieuwe CO2-uitstotende auto's tegen 2035 geleidelijk te verwijderen;

72.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een groen beleid inzake overheidsopdrachten te stimuleren, waarbij overheidsinstanties emissieloze voertuigen en voertuigen met ultralage emissies aankopen voor hun eigen wagenpark of voor (semi)openbare autodeelprogramma's;

73.  verzoekt de Commissie om de in bijlage I van Verordening (EG) nr. 715/2007 bedoelde emissiegrenswaarden te herzien teneinde de luchtkwaliteit in de Unie te verbeteren en de EU-grenswaarden voor de kwaliteit van de omgevingslucht en de door de WHO aanbevolen niveaus te bereiken, en om zo nodig uiterlijk in 2025 met voorstellen te komen voor nieuwe technologieneutrale Euro 7-emissiegrenswaarden die van toepassing zijn op alle M1- en N1-voertuigen die in de Unie in de handel worden gebracht;

74.  verzoekt de Commissie te overwegen om de Richtlijn inzake milieuaansprakelijkheid (2004/35/EG) te herzien teneinde hierin de milieuschade op te nemen die wordt veroorzaakt door luchtverontreiniging omdat autofabrikanten inbreuk maken op de EU-regelgeving inzake auto-emissies; is van mening dat als autofabrikanten financieel aansprakelijk zouden kunnen worden gesteld voor de milieuschade die zij veroorzaken, dat tot een betere preventie en betere voorzorgsmaatregelen zou kunnen leiden;

75.  verzoekt de Commissie met de lidstaten samen te werken om ervoor te zorgen dat de gewone werknemer in de automobielsector niet te lijden krijgt onder het emissieschandaal; is van mening dat de lidstaten en de autofabrikanten beroepsopleidingsplannen moeten coördineren en bevorderen om te garanderen dat gewone werknemers wier arbeidssituatie nadelig is beïnvloed door het emissieschandaal alle nodige bescherming en opleidingsmogelijkheden krijgen om te waarborgen dat hun vaardigheden benut kunnen worden, bijvoorbeeld voor duurzame vervoerswijzen;

Bevoegdheden en beperkingen van de enquêtecommissie

76.  spoort de Raad en de Commissie aan zich ervoor in te zetten dat de onderhandelingen over het voorstel van het Parlement voor een verordening van het Europees Parlement houdende gedetailleerde bepalingen betreffende de uitoefening van het enquêterecht van het Parlement, en tot intrekking van Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS, tijdig kunnen worden afgerond;

77.  is van mening dat het voor de uitoefening van het democratisch toezicht op de uitvoerende macht van essentieel belang is dat het Parlement dezelfde onderzoeksbevoegdheden krijgt als de nationale parlementen van de EU; is van mening dat het Parlement, om zijn taak van democratisch toezicht te kunnen uitoefenen, bevoegd moet zijn om getuigen op te roepen en hen te verplichten om te verschijnen, en bevoegd moet zijn om te verplichten tot het overleggen van documenten; is van mening dat de lidstaten, opdat deze rechten zouden kunnen worden uitgeoefend, moeten overeenkomen om sancties op te leggen aan individuen die niet verschijnen of geen documenten overleggen in overeenstemming met het nationale recht inzake nationale parlementaire onderzoeken; spreekt nogmaals de steun van het Parlement uit voor het standpunt dat in het verslag van 2012 over dit thema werd geuit;

78.  is van oordeel dat de bevoegdheden van de enquêtecommissies van het Parlement beter op die van de nationale parlementen moeten worden afgestemd, met name om het daadwerkelijke ontbieden en de daadwerkelijke deelname van individuen en het opleggen van sancties aan personen die weigeren hun medewerking te verlenen te verzekeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten akkoord te gaan met de desbetreffende bepalingen in het huidige voorstel van het Parlement;

79.  verzoekt de Commissie de gedragscode voor commissarissen op zo kort mogelijke termijn te herzien, teneinde er bepalingen in op te nemen over de verantwoordingsplicht van voormalige commissarissen in het kader van een onderzoek door een enquêtecommissie naar de ontwikkeling van beleid en wetgeving gedurende hun mandaatsperiode;

80.  verzoekt de Commissie de periode tussen het besluit van de voltallige vergadering om een enquêtecommissie in het leven te roepen en het moment waarop deze commissie daadwerkelijk met haar werkzaamheden begint, te gebruiken om een eerste pakket documenten met betrekking tot het mandaat van de commissie in kwestie voor te bereiden, zodat de informatiestroom sneller op gang kan komen, hetgeen de werkzaamheden van de enquêtecommissie vanaf het begin vergemakkelijkt; is in dit verband van oordeel dat de regels betreffende het archiveren en doorgeven van documenten binnen de Commissie moeten worden herzien en verbeterd, teneinde toekomstige onderzoeken te faciliteren;

81.  stelt voor om binnen de Commissie één loket voor de betrekkingen met enquêtecommissies van het Parlement op te richten, met name wanneer onderzoeken meerdere directoraten-generaal betreffen, teneinde enerzijds de uitwisseling van informatie soepeler te laten verlopen en anderzijds voort te borduren op bestaande goede praktijken;

82.  merkt op dat de Commissie en de Raad in verschillende recente enquêtecommissies en bijzondere commissies de aangevraagde documenten in sommige gevallen helemaal niet en in andere gevallen pas na een lange vertraging hebben verstrekt; is van mening dat er een verantwoordingsmechanisme moet worden ingesteld om de onmiddellijke en gewaarborgde overlegging aan het Parlement te verzekeren van documenten die door de enquêtecommissie of bijzondere commissie zijn aangevraagd en waartoe zij toegang hebben;

83.  verzoekt de Commissie verbetering te brengen in haar vermogen om documentaanvragen van zowel enquêtecommissies als journalisten en burgers volgens de respectieve toepasselijke regels voor de toegang tot documenten tijdig en op voldoende kwaliteitsvolle wijze te verwerken; dringt er bij de Commissie op aan om deze documenten in hun oorspronkelijke formaat vrij te geven en zich te onthouden van tijdrovende formaatwijzigingen en -conversies die de inhoud zouden kunnen wijzigen; draagt de Commissie voorts op om ervoor te zorgen dat informatie die is opgeslagen in een machinaal leesbaar formaat, bv. in een gegevensbank, ook wordt vrijgegeven in een machinaal leesbaar formaat;

84.  merkt op dat het de verantwoordelijkheid van de enquêtecommissie is om te bepalen of aangevraagde informatie relevant is voor de werkzaamheden van de commissie; merkt op dat de ontvanger van een documentaanvraag niet mag vooruitlopen op deze taak; draagt de Commissie op om deze verantwoordelijkheid correct weer te geven in haar richtsnoeren inzake aanvragen om toegang te krijgen tot documenten;

85.  verzoekt de lidstaten met klem om zich overeenkomstig Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS, en met name artikel 3 daarvan, te houden aan de op hen rustende wettelijke verplichtingen tegenover enquêtecommissies; verzoekt hen voorts om, gezien de aanzienlijke achterstanden bij het beantwoorden van aanvragen, bij het verlenen van assistentie aan enquêtecommissies te handelen op een manier die in overeenstemming is met het beginsel van loyale samenwerking zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, VWEU;

86.  verzoekt de lidstaten die nationaal onderzoek hebben gedaan naar vervuilende emissies van personenauto's de desbetreffende gegevens en de resultaten van het onderzoek in kwestie op zo kort mogelijke termijn aan de Commissie en het Parlement te doen toekomen;

87.  is van oordeel dat het eerste deel van het mandaat van de commissie betrekking moet hebben op het bijeenbrengen en analyseren van schriftelijk bewijsmateriaal, voorafgaand aan de eigenlijke hoorzittingen; denkt dat het nuttig is een "afkoelperiode" in te bouwen tussen het einde van de hoorzittingen en het opstellen van het eindverslag, zodat er tijd is om het bijeenbrengen van het bewijsmateriaal af te ronden, dit materiaal grondig te analyseren en volledig in het verslag op te nemen;

88.  acht de maximale termijn van twaalf maanden voor enquêtecommissies willekeurig en dikwijls ontoereikend; is van mening dat de leden van de enquêtecommissie het best in staat zijn om te bepalen of een onderzoek moet worden verlengd en zo ja, voor hoe lang;

89.  wijst erop dat in artikel 198 van het Reglement van het Parlement duidelijker zou moeten worden aangegeven wanneer de mandaatsperiode van een enquêtecommissie begint; stelt voor voldoende flexibiliteit in te bouwen om te verzekeren dat er genoeg tijd is om het onderzoek te voltooien; verzoekt om pas met de werkzaamheden van de enquêtecommissie te starten nadat de bij de EU-instellingen aangevraagde documenten zijn ontvangen;

90.  is van oordeel dat toekomstige mandaten geen tussentijdse verslagen meer moeten omvatten, teneinde niet op de definitieve conclusies van het onderzoek vooruit te lopen;

91.  is van mening dat de samenstelling van enquêtecommissies in de toekomst anders moet worden geregeld om de organisatie en de uitvoering van de werkzaamheden zo efficiënt en doeltreffend mogelijk te houden, met name tijdens de openbare hoorzittingen;

92.  beklemtoont dat de interne administratieve regels van het Parlement gemaakt zijn voor vaste commissies en als zodanig vaak niet geschikt zijn voor het ad-hockarakter en de tijdelijke aard van een enquêtecommissie, die onder minder gebruikelijke omstandigheden, met een zeer specifiek mandaat en gedurende een in tijd beperkte periode opereert; is dan ook van mening dat de ontwikkeling van een vaste reeks voorschriften met betrekking tot de doeltreffende werking van enquêtecommissies, bijvoorbeeld aangaande het verloop van hoorzittingen en dienstreizen, op een manier die een billijke politieke vertegenwoordiging waarborgt, de efficiëntie zou verhogen; is van oordeel dat het gevaar bestaat dat enquêtecommissies door een gebrek aan financiële middelen niet alle deskundigen kunnen uitnodigen die zij graag zouden willen ondervragen; is van oordeel dat de interne termijnen voor het verlenen van goedkeuring voor hoorzittingen en dienstreizen moeten worden versoepeld;

93.  is van mening dat enquêtecommissies prioritaire toegang tot de relevante diensten van het Parlement moeten hebben, en dat die diensten op hun beurt over voldoende personeel moeten beschikken om hen in staat te stellen binnen de in de regels bedoelde termijnen in te gaan op verzoeken betreffende studies, briefings enz.;

94.  stelt vast dat de bestaande regels voor de toegang tot geclassificeerde en overige vertrouwelijke informatie die door de Raad, de Commissie of de lidstaten ter beschikking wordt gesteld van het Parlement in het kader van een onderzoek geen volledige rechtszekerheid bieden maar gewoonlijk worden geïnterpreteerd als zouden geaccrediteerde parlementaire medewerkers niet gemachtigd zijn in een afgesloten ruimte niet-geclassificeerde "overige vertrouwelijke informatie" te raadplegen en te analyseren; wijst erop dat verschillende leden van oordeel waren dat deze regel betekent dat enquêtecommissies de bedoelde documenten binnen de beperkte hoeveelheid beschikbare tijd niet goed kunnen raadplegen, en dat de TAX2-commissie (Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect), waarbij tijdelijk en uitzonderlijk toegang werd verleend aan parlementaire medewerkers, deze middelen op een uitgebreidere en doeltreffendere manier kon gebruiken; verzoekt daarom om in een opnieuw onderhandeld interinstitutioneel akkoord een duidelijk geformuleerde bepaling op te nemen om het recht op toegang tot documenten voor parlementaire medewerkers, op basis van het "need-to-know"-beginsel, ter ondersteuning van de leden, te waarborgen; dringt er bij de betrokken organen op aan de onderhandelingen over dit punt te bespoedigen om de doeltreffendheid en efficiëntie van toekomstige en lopende parlementaire onderzoeken niet te hinderen;

o
o   o

95.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling en het eindverslag van de enquêtecommissie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 113 van 19.5.1995, blz. 1.
(2) PB L 10 van 15.1.2016, blz. 13.
(3) PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.
(4) PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.
(5) PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0375.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0322.
(8) Zie ook Aangenomen teksten van 4.4.2017, P8_TA(2017)0097.

Juridische mededeling