Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 6 april 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Rusland, de arrestatie van Aleksej Navalny en andere demonstranten
 Belarus
 Bangladesh, met inbegrip van kindhuwelijken
 Wholesaleroamingmarkten ***I
 Derde landen waarvan de onderdanen onderworpen zijn aan of vrijgesteld zijn van de visumplicht: Oekraïne ***I
 Europees Solidariteitskorps
 Gepastheid van de door het EU-U.S. Privacy Shield geboden bescherming

Rusland, de arrestatie van Aleksej Navalny en andere demonstranten
PDF 171kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over Rusland, de arrestatie van Aleksej Navalny en andere demonstranten (2017/2646(RSP))
P8_TA(2017)0125RC-B8-0245/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, met name zijn resoluties van 23 oktober 2012(1), van 13 juni 2013 over de rechtsstaat in Rusland(2), van 13 maart 2014 over Rusland: veroordeling van demonstranten die betrokken waren bij de protesten op het Bolotnaya-plein(3), zijn aanbeveling van 2 april 2014, zijn resoluties van 23 oktober 2014 over de opheffing in Rusland van Memorial (Sacharovprijs 2009)(4), van 15 januari 2015 over Rusland, in het bijzonder de zaak van Aleksej Navalny(5), van 12 maart 2015 over de moord op de Russische oppositieleider Boris Nemtsov en de toestand van de democratie in Rusland(6), en van 24 november 2016 over de zaak van Ildar Dadin, gewetensgevangene in Rusland(7),

–  gezien de Russische grondwet, met name artikel 29, dat de vrijheid van meningsuiting beschermt, en artikel 31, dat het recht van vreedzame vergadering vastlegt, en gezien de internationale mensenrechtenverplichtingen die Rusland dient na te komen als lid van de Raad van Europa, de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) en de VN,

–  gezien het "moderniseringspartnerschap" waartoe in 2010 het startsein werd gegeven in Rostov aan de Don, en de toezegging van de Russische leiders dat zij zich sterk willen maken voor de rechtsstaat als fundament voor de modernisering van Rusland,

–  gezien artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die er beide in voorzien dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en waarbij de Russische Federatie partij is,

–  gezien de VN-verklaring over mensenrechtenverdedigers, aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN op 9 december 1998,

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over Oekraïense politieke gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim(8),

–  gezien het zevende periodieke verslag van de Russische Federatie dat de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties tijdens haar 3136e en 3137e vergadering op 16 en 17 maart 2015 heeft behandeld,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 26 maart 2017 tussen de 33 000 en 93 000 mensen deelnamen aan anticorruptiemarsen en -demonstraties in meer dan 80 steden in heel Rusland; overwegende dat ruim 2 000 demonstranten door de politie zijn gearresteerd in steden in heel Rusland, waaronder 1 000 in Moskou; overwegende dat de oppositiepoliticus Aleksej Navalny is vastgezet en een boete van $ 350 dollar heeft gekregen wegens het organiseren van verboden protesten, en is veroordeeld tot 15 dagen gevangenisstraf; overwegende dat de demonstraties worden beschouwd als de grootste sinds de anti-Kremlindemonstraties in 2011 en 2012;

B.  overwegende dat de veroordeling door het Leninski-hof in Kirov (8 februari 2017) van de Russische oppositiepoliticus Aleksej Navalny op beschuldiging van verduistering neerkomt op een poging om opnieuw een onafhankelijk politiek geluid in de Russische Federatie het zwijgen op te leggen; overwegende dat het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft geoordeeld dat Navalny zijn recht op een eerlijk proces is ontzegd bij zijn vervolging in 2013 voor dezelfde strafbare feiten;

C.  overwegende dat de Russische regering een strafrechtelijk onderzoek is gestart tegen ongeïdentificeerde personen die via internet hebben opgeroepen mee te doen aan demonstraties in Moskou op 2 april 2017, en daarbij het ontslag eisten van premier Dmitri Medvedev, alsmede het beëindigen van de Russische militaire operaties in Oekraïne en Syrië, de vrijlating van Navalny en de betaling van compensatie aan demonstranten die tijdens een demonstratie op 26 maart 2017 in Moskou zijn opgesloten; overwegende dat op 2 april 2017 minstens 31 mensen zijn gearresteerd tijdens protesten in Moskou en daarna zijn opgesloten wegens "verstoring van de openbare orde";

D.  overwegende dat de Russische Federatie, als volwaardig lid van de Raad van Europa, ondertekenaar van de Universele Verklaring van de rechten van de Mens en van het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing zich heeft verplicht om de beginselen van de democratie en de rechtsstaat na te leven en de fundamentele vrijheden en mensenrechten te eerbiedigen; overwegende dat de Europese Unie herhaaldelijk aanvullende bijstand en expertise heeft aangeboden om Rusland te helpen met de modernisering en de naleving van zijn constitutionele en juridische stelsel, overeenkomstig de normen van de Raad van Europa;

E.  overwegende dat er bezorgdheid heerst over de ontwikkelingen in de Russische Federatie ten aanzien van de eerbiediging en de bescherming van de rechten van de mens en de naleving van algemeen aanvaarde democratische beginselen en de rechtsstaat; overwegende dat de Russische Federatie 11 van de 18 internationale mensenrechtenverdragen heeft geratificeerd;

F.  overwegende dat het strafrecht in de Russische Federatie is gewijzigd en dat een nieuw artikel 212.1 is ingevoerd, inhoudende dat een persoon kan worden aangeklaagd voor overtreding van de wet betreffende publieke bijeenkomsten, wat echter een beperking betekent van de vrijheid van meningsuiting en vergadering;

G.  overwegende dat volgens het Memorial-mensenrechtencentrum het aantal politieke gevangenen in het land de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen, tot 102 personen in 2016;

1.  veroordeelt de acties van de politie in de Russische Federatie die bedoeld zijn om vreedzame anticorruptiedemonstraties te voorkomen en uiteen te drijven, en waarbij honderden burgers zijn gearresteerd, waaronder Aleksej Navalny, wiens organisatie de demonstraties heeft georganiseerd;

2.  roept de Russische autoriteiten op over te gaan tot de onmiddellijke vrijlating van en intrekking van de aanklacht tegen Aleksej Navalny en alle vreedzame demonstranten, journalisten en activisten die zijn opgesloten in verband met de anticorruptiedemonstraties in Moskou en een aantal steden in Rusland op 26 maart en 2 april 2017; benadrukt dat de Russische autoriteiten volledig verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en de gezondheid van degenen die opgesloten zijn;

3.  benadrukt dat de opgelegde straffen politiek gemotiveerd zijn en dringt er bij de Russische gerechtelijke instanties op aan zich niet politiek te laten beïnvloeden; roept de Russische autoriteiten op een einde te maken aan de intimidatie van journalisten, politieke tegenstanders en politieke en maatschappelijke activisten, de internationale mensenrechtenverplichtingen volledig te respecteren en de vrijheid van de media en de vrijheid van vergadering te waarborgen;

4.  wijst op het grote aantal deelnemers aan de anticorruptiedemonstraties in de hele Russische Federatie op zondag 26 maart 2017, en wijst met name op de aanwezigheid van veel jongeren, die protesteerden tegen corruptie en het steeds autoritairder wordende optreden van de overheid in Rusland; verwelkomt deze betrokkenheid als hoopvol teken van toenemende interesse in openbare en politieke aangelegenheden;

5.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit dat de opsluiting van Aleksej Navalny een voorbeeld is van een zaak waarin de Russische autoriteiten de wet betreffende publieke bijeenkomsten misbruiken om vreedzame demonstranten snel op te kunnen sluiten en zich vervolgens schuldig te maken aan systematische mishandeling;

6.  veroordeelt de aanhoudende pogingen om Aleksej Navalny monddood te maken, en spreekt zijn steun uit voor de inspanningen van zijn organisatie om de corruptie in overheidsinstellingen en onder politieke vertegenwoordigers en ambtsdragers aan de kaak te stellen en te bestrijden; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de rechterlijke uitspraak van februari 2017, waarmee Aleksej Navalny feitelijk wordt uitgesloten van de politieke arena, het politieke pluralisme in Rusland verder wordt inperkt en ernstige vragen worden opgeroepen over de eerlijkheid van de democratische processen in Rusland;

7.  herinnert eraan dat de vrijheid van vreedzame vergadering een recht is en geen privilege, en dat dit recht, samen met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, een doorslaggevende rol speelt in de vestiging en de werking van een doeltreffend democratisch stelsel; roept de Russische regering op de door haar aangegane internationale verplichting na te komen, onder meer in het kader van de Raad van Europa en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE), de fundamentele vrijheden van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, als fundamentele rechten vastgelegd in de Russische grondwet, te eerbiedigen, en de vreedzame demonstranten die nog opgesloten zitten zonder uitstel vrij te laten;

8.  verzoekt de Russische autoriteiten een einde te maken aan alle vormen van intimidatie, ook die door justitie, van alle politieke tegenstanders, journalisten en mensenrechtenactivisten in de Russische Federatie, en ervoor te zorgen dat zij hun legitieme activiteiten onder alle omstandigheden onbelemmerd kunnen uitvoeren;

9.  is van mening dat in verband met verschillende rechtszaken en juridische procedures tegen oppositieleden en ngo's in de afgelopen paar jaar twijfels zijn gerezen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de gerechtelijke instanties van de Russische Federatie; dringt er bij de Russische rechterlijke en wetshandhavingsautoriteiten op aan hun taken op onpartijdige en onafhankelijke wijze uit te voeren, zonder politieke inmenging;

10.  benadrukt dat de vrijheid van vergadering in de Russische Federatie wordt gewaarborgd overeenkomstig artikel 31 van de Russische grondwet en overeenkomstig het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarvan Rusland een van de verdragsluitende partijen is, en dat de Russische autoriteiten dit moeten naleven; roept de Russische Federatie op de beginselen van de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering te eerbiedigen;

11.  herinnert eraan dat het van belang is dat Rusland zijn internationale wettelijke verplichtingen als lid van de Raad van Europa en de OVSE volledig naleeft, alsook de fundamentele mensenrechten en de rechtsstaat, verankerd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR);

12.  roept de Russische Federatie op wetgeving te wijzigen die de vrijheid van vergadering onnodig beperken en criminaliseren; veroordeelt het feit dat de Russische Federatie haar Grondwettelijk Hof door middel van nieuwe wetgeving, vastgesteld in december 2015, de bevoegdheid heeft verleend de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens nietig te verklaren;

13.  neemt kennis van de beschuldigingen van corruptie aan het adres van hoge Russische politici; roept de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op systematisch actie te ondernemen tegen pogingen om geld wit te wassen of illegale activa te stallen in de EU; verzoekt daarnaast de enquêtecommissie van het Europees Parlement voor onderzoek naar de Panama Papers extra aandacht te besteden aan sporen van verdachte Russische geldstromen via banken in de EU;

14.  dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan een gezamenlijk beleid te formuleren ten aanzien van Rusland, zodat de 28 lidstaten en de instellingen van de EU een krachtig gemeenschappelijk standpunt over de rol van de mensenrechten in de betrekkingen met Rusland kunnen uitdragen en kunnen aandringen op het beëindigen van de beperking van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging in Rusland;

15.  roept de VV/HV en de EDEO op te waarborgen dat de zaken van alle om politieke redenen vervolgde personen ter sprake worden gebracht bij het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland, en dat de Russische vertegenwoordigers bij dit overleg formeel om reacties op elke zaak worden verzocht; roept de voorzitters van de Raad en de Commissie en de VV/HV ertoe op deze zaken nauwlettend te blijven volgen en de gevallen in verschillende vormen en op verschillende vergaderingen met Rusland aan te kaarten, en het Parlement verslag uit brengen van de gedachtewisselingen met de Russische autoriteiten;

16.  veroordeelt de terroristische aanslag in Sint-Petersburg en verzoekt zijn Voorzitter zijn diepe medeleven en solidariteit met de slachtoffers, hun families en het Russische volk over te brengen.

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa alsook de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie;

(1) PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 13.
(2) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 150.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0253.
(4) PB C 274 van 27.7.2016, blz. 21.
(5) PB C 300 van 18.8.2016, blz. 2.
(6) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 126.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0446.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0087.


Belarus
PDF 178kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over de situatie in Belarus (2017/2647(RSP))
P8_TA(2017)0126RC-B8-0253/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties en aanbevelingen over Belarus, ook over het Europees Nabuurschapsbeleid,

–  gezien de verklaringen van de voorzitter van de Delegatie voor de betrekkingen met Belarus van 27 maart 2017, van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden van 17 maart 2017, van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Belarus van 14 en 28 maart 2017, van de Parlementaire Vergadering van de OVSE van 24 maart 2017, van de directeur van de OVSE/ODIHR van 17 en 26 maart 2017, van de mensenrechtencommissie van de Parlementaire Vergadering van de OVSE van 27 maart 2017 en van het Waarnemingscentrum voor de bescherming van de verdedigers van de mensenrechten (FIDH-OMCT) van 29 maart 2017 over de recente arrestaties van vreedzame demonstranten en onrechtmatige detenties in Belarus,

–  gezien de conclusies van de Raad over Belarus, met name die van 15 februari 2016 waarmee de sancties tegen 170 individuen en 3 Belarussische bedrijven worden opgeheven,

–  gezien Besluit (GBVB) 2017/350 van de Raad van 27 februari 2017(1) waardoor de beperkende maatregelen tegen Belarus worden verlengd tot 28 februari 2018, waaronder een wapenembargo en de bevriezing van tegoeden en een reisverbod tegen vier personen die op de lijst waren opgenomen in verband met de onopgeloste verdwijning van twee leden van de oppositie, een zakenman en een journalist in 1999 en 2000,

–  gezien de op 11 september 2016 gehouden parlementsverkiezingen en de op 11 oktober 2015 gehouden presidentsverkiezingen, gezien de vele verklaringen van de Belarussische autoriteiten dat sommige van de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR na de presidentsverkiezingen van 2015 zouden worden uitgevoerd vóór de parlementsverkiezingen van 2016 en gezien het eindrapport van 28 januari 2016 van de OVSE/ODIHR over de presidentsverkiezingen van 11 oktober 2015 in Belarus,

–  gezien het verslag van de Internationale Federatie voor de rechten van de mens (FIDH) en het mensenrechtencentrum Vjasna over dwangarbeid en verregaande schendingen van de rechten van werknemers in Belarus,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de verklaring van de VN over mensenrechtenverdedigers, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de regering van Belarus presidentieel decreet nr. 3 over "de preventie van sociale afhankelijkheid" heeft ingevoerd, de zogenaamde "belasting op sociale parasieten", die in 2015 door president Aljaksandr Loekasjenka werd ondertekend en sinds februari 2017 wordt uitgevoerd, waardoor werkloosheid wordt bestraft met een speciale vergoeding om de overheidsuitgaven te financieren, gaande van een vergoeding van ongeveer 240 EUR, ongeveer twee derde van het gemiddeld maandsalaris in Belarus, tot dwangarbeid voor burgers die minder dan 183 dagen per jaar hebben gewerkt; overwegende dat het decreet op wijdverspreide kritiek van burgers, activisten en journalisten werd onthaald;

B.  overwegende dat sinds 17 februari en in de loop van maart 2017, ondanks de druk van de staatsmedia en veiligheidstroepen en de aanwezigheid van gewapende officieren om demonstranten uit elkaar te drijven, in tientallen steden in heel Belarus vreedzame massaprotesten van duizenden burgers hebben plaatsgevonden als reactie op de aanname van presidentieel decreet nr. 3 en tegen de bouw van een zakencentrum in de omgeving van Koerapaty, een gedenkplaats voor de slachtoffers van Stalin;

C.  overwegende dat de autoriteiten gewelddadig hebben opgetreden tegen de demonstraties, in het bijzonder op 25 en 26 maart 2017; overwegende dat vreedzame demonstranten op 25 maart, dag van de vrijheid, hebben getracht op de hoofdstraat van Minsk te betogen, maar door een kordon van de oproerpolitie werden tegengehouden; overwegende dat de veiligheidstroepen de demonstranten hebben aangevallen en vrouwen, minderjarigen en ouderen hebben geslagen; overwegende dat honderden demonstranten werden gearresteerd, onder wie binnenlandse en buitenlandse journalisten die over de gebeurtenissen verslag uitbrachten; overwegende dat minstens 700 personen in Minsk werden vastgehouden, van wie sommigen toevallige toeschouwers waren;

D.  overwegende dat een grote groep mensenrechtenactivisten werden gearresteerd terwijl ze de vreedzame demonstraties observeerden; overwegende dat volgens het mensenrechtencentrum Vjasna op 27 maart 2017, aan het eind van de dag in totaal 177 personen een gerechtelijke uitspraak op basis van administratieve beschuldigingen van hun deelname aan de protesten van 25 maart hadden ontvangen, hetgeen in 74 gevallen tot een administratieve aanhouding heeft geleid en in 93 gevallen tot een boete; overwegende dat meer dan 100 oppositieleden vóór de protesten preventief werden gearresteerd;

E.  overwegende dat 27 personen, onder wie Zmitser Dasjkevitsj, een voormalige politieke gevangene en een leider van de beweging Jong Front, werden gearresteerd op beschuldiging van het beramen van een opstand door in Oekraïne, Polen en Litouwen getrainde groepen; overwegende dat zij worden beschuldigd van een misdaad die kan worden bestraft met een gevangenisstraf van maximaal drie jaar; overwegende dat de KGB (dienst voor staatsveiligheid) weigert vrij te geven hoeveel personen werden gearresteerd in verband met de zogenaamde "massaopstand";

F.  overwegende dat Mikola Statkevitsj, een belangrijke oppositiefiguur en voormalige presidentskandidaat, die de demonstratie in Minsk moest leiden, werd gearresteerd en gedurende drie dagen in een detentiecentrum van de KGB werd vastgehouden, zonder informatie over zijn verblijfplaats; overwegende dat Sergej Koelinitsj en Sergej Koentsevitsj eveneens werden gearresteerd; overwegende dat Oeladzimir Njakljaev, een bekende Belarussische dichter en presidentskandidaat in 2010, ook illegaal werd vastgehouden voor het protest van 25 maart 2017 en daardoor in het ziekenhuis moest worden opgenomen met een verzwakte gezondheid; overwegende dat Pavel Sevjarinets, Vitalij Rimasjevski, Anatol Ljabedzka en Joerij Hoebarevitsj samen met een aantal burgeractivisten werden gearresteerd in de loop van maart 2017; overwegende dat Ales Lahvinets, vicevoorzitter van de beweging Voor Vrijheid, op 23 maart werd gearresteerd in Minsk; overwegende dat ongeveer 60 mensenrechtenwaarnemers preventief werden vastgehouden;

G.  overwegende dat de politie op 25 maart 2017 een inval heeft gedaan in het mensenrechtencentrum Vjasna in de Belarussiche hoofdstad en daarbij minstens 57 personen die betrokken waren bij de monitoring van de vreedzame demonstraties, preventief heeft gearresteerd; overwegende dat andere mensenrechtenverdedigers, zoals Oleg Voltsjek, een hoofd van het mensenrechtencentrum Juridische Bijstand aan de bevolking, en Anatolij Paplavni, een lid van de afdeling in Gomel van het mensenrechtencentrum Vjasna, hiervoor reeds werden gearresteerd en tot korte gevangenisstraffen werden veroordeeld; overwegende dat Leonid Sudalenka, een lid van Vjasna, ook werd vastgehouden en veroordeeld voor het indienen van meer dan 200 klachten van burgers tegen de bepalingen van bovenvermeld presidentieel decreet nr. 3;

H.  overwegende dat volgens de Vereniging van journalisten van Wit-Rusland 120 gevallen van schendingen van journalistenrechten werden geregistreerd; overwegende dat het internet in het hele land werd afgesloten en journalisten werden bestraft voor het uitbrengen van verslag over de gebeurtenissen of veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens hooliganisme of het niet volgen van politiebevelen; overwegende dat sommigen van hen nog steeds op hun proces wachten; overwegende dat sinds 12 maart 2017 meer dan twintig gevallen van intimidatie van journalisten van Belsat TV werden geregistreerd en overwegende dat de politie op 31 maart 2017 een inval heeft gedaan in de kantoren van Belsat TV, deze heeft doorzocht en sommige apparatuur in beslag heeft genomen en heeft verwijderd;

I.  overwegende dat deze gebeurtenissen de ernstigste zijn sinds de wrede onderdrukking van demonstraties in 2010 en als een betreurenswaardige terugval kunnen worden beschouwd; overwegende dat deze nieuwe golf van repressie plaatsvindt exact één jaar na het besluit van de EU om geleidelijk opnieuw betrekking aan te knopen met Belarus;

J.  overwegende dat Belarus een OVSE-deelnemende staat is en ermee heeft ingestemd het recht op vreedzame vergadering en vereniging te eerbiedigen; overwegende dat bovenvermelde massa-arrestaties, het buitensporig gebruik van geweld tegen demonstranten en de invallen bij organisaties van het maatschappelijk middenveld duidelijke schendingen van deze toezeggingen zijn;

K.  overwegende dat Belarus als enige land in Europa de doodstraf nog uitvoert; overwegende dat de eerste doodstraf in 2017 op 17 maart 2017 werd uitgevoerd;

L.  overwegende dat de EU de meeste van haar beperkende maatregelen tegen Belarussische ambtenaren en rechtspersonen in februari 2016 heeft opgeheven, als een gebaar van goede wil om Belarus aan te moedigen om de stand van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in het land te verbeteren; overwegende dat de Raad in zijn conclusies over Belarus van 15 februari 2016 heeft benadrukt dat de samenwerking tussen de EU en Belarus moet worden versterkt op een aantal gebieden op het vlak van economie, handel en hulpverlening, waardoor het mogelijk is geworden voor Belarus om EIB- en EBWO-financiering aan te vragen;

M.  overwegende dat verwacht wordt dat de economische situatie in Belarus nog zal verslechteren, met belangrijke sectoren die staatsbezit blijven en onder administratief beheer en controle staan; overwegende dat de afhankelijkheid van Belarus van Russische economische steun alsmaar toeneemt;

N.  overwegende dat de deelname van Belarus aan het Oostelijk Partnerschap en zijn parlementaire tak Euronest mede tot doel heeft de samenwerking tussen het land en de EU te versterken; overwegende dat het parlement van Belarus geen officiële status heeft in de Parlementaire Vergadering Euronest;

O.  overwegende dat Belarus deel uitmaakt van de Organisatie van het verdrag voor collectieve veiligheid (Collective Security Treaty Organisation, CSTO) en deelneemt aan "Zapad 2017", de gezamenlijke legeroefeningen met Rusland die scenario's met aanvallen op westerse buurlanden omvatten, waarbij onder meer het gebruik van nucleaire wapens wordt gesimuleerd, en die een potentieel negatieve impact op de veiligheid en de nationale soevereiniteit van de Republiek Belarus hebben;

P.  overwegende dat de EU zich inzet voor een stabiele, democratische en voorspoedige toekomst voor Belarus en voor de Belarussische bevolking; overwegende dat een aanzienlijke verbetering van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, de eerbiediging van de politieke rechten van gewone burgers en oppositie-activisten en de volledige eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten de randvoorwaarden zijn voor betere betrekkingen tussen de EU en Belarus;

1.  veroordeelt de hardhandige aanpak van vreedzame demonstranten en de repressie in de aanloop naar en tijdens de demonstraties van 25 maart 2017; benadrukt dat de reactie van de veiligheidsdiensten willekeurig en ongepast was ondanks de oproep van de internationale gemeenschap tot terughoudendheid; geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de meest recente ontwikkelingen in Belarus en benadrukt dat er in het land duidelijk behoefte is aan een breder democratiseringsproces;

2.  veroordeelt de onrechtmatige beperkingen van de vrijheid van vreedzame vergadering, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, waaronder van zij die meningen uiten over sociale en andere maatschappelijke kwesties, en in het bijzonder de intimidatie en opsluiting van onafhankelijke journalisten, oppositieleden, mensenrechtenverdedigers en andere demonstranten;

3.  vraagt de Belarussische autoriteiten alle vreedzame demonstranten, journalisten, mensenrechtenverdedigers, activisten van het maatschappelijk middenveld en oppositieleden die in verband met de recente golf van demonstraties worden vastgehouden, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten en alle strafrechtelijke aanklachten tegen hen in te trekken; acht de praktijk van preventieve arrestaties totaal onaanvaardbaar; dringt er bij de autoriteiten op aan onmiddellijk informatie over alle gearresteerden vrij te geven aan hun familieleden en het grote publiek;

4.  herhaalt dat het gebruik van geweld tegen een persoon die zijn/haar recht op vreedzaam protest uitoefent, in geen enkele omstandigheid kan worden gerechtvaardigd en dat repressie die het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering schendt, indruist tegen de internationale verplichtingen en de grondwet van de Republiek Belarus; dringt er bij de regering van Belarus op aan een open dialoog met de burgers, onafhankelijke organisaties van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media aan te gaan;

5.  dringt er bij de Belarussische autoriteiten op aan onmiddellijk grondige en onpartijdige onderzoeken uit te voeren naar alle beschuldigingen van willekeurige detentie en andere schendingen van de rechten van demonstranten in verband met de recente demonstraties; waarschuwt dat de EU, als dergelijke onderzoeken niet worden uitgevoerd, nieuwe beperkende maatregelen kan toepassen ten aanzien van de hoogste Belarussische beambten die verantwoordelijk zijn voor de repressie;

6.  vraagt de overheid met klem te stoppen met politiek gemotiveerde pesterijen ten aanzien van onafhankelijke media en met de administratieve vervolging van en met het willekeurig gebruik van artikel 22, lid 9, tweede deel, van het wetboek bestuursrecht tegen freelancejournalisten omdat zij voor buitenlandse media zonder accreditatie werken, waardoor het recht van vrije meningsuiting en de verspreiding van informatie worden beperkt;

7.  dringt er bij de Belarussische autoriteiten op aan te stoppen met de intimidatie van het maatschappelijk middenveld, de volledige en vrije legale werking van publieke organisaties toe te laten, artikel 193, lid 1, van het strafwetboek in te trekken, waardoor de organisatie van en deelname aan de activiteiten van niet-geregistreerde publieke verenigingen en organisaties worden bestraft, en de volledige, vrije en onbelemmerde legale werking van publieke verenigingen en organisaties toe te laten, ook die van nationale minderheden en hun onafhankelijke organisaties;

8.  dringt er bij de Parlementaire Vergadering van de OVSE, die van plan is haar 26e jaarlijkse sessie in juli 2017 in Minsk te houden, op aan rekening te houden met de recente gebeurtenissen in Belarus en op z'n minst te zorgen voor de betrokkenheid van democratische politieke partijen van de oppositie, onafhankelijke media en organisaties van het maatschappelijk middenveld;

9.  vraagt de Belarussische regering een constructieve dialoog aan te gaan met de oppositie en organisaties van het maatschappelijk middenveld alsook volledig samen te werken met de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Belarus en de achterstand bij de hervormingen ter bescherming van de mensenrechten en ter versteviging van de democratie weg te werken; verzoekt de EDEO en de Commissie hun steun aan maatschappelijke organisaties in Belarus en daarbuiten voort te zetten en te versterken; benadrukt in dit verband de noodzaak om alle onafhankelijke informatiebronnen voor de Belarussische maatschappij te steunen, met inbegrip van media die in de Belarussische taal uitzenden en media die vanuit het buitenland uitzenden; vraagt de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten voorts te onderzoeken hoe en waarmee de volledige en doeltreffende bescherming van de mensenrechten in Belarus kan worden bevorderd;

10.  beveelt aan presidentieel decreet nr. 3 in te trekken, aangezien het een willekeurige, wrange en moreel betwistbare maatregel is, die internationale mensenrechten schendt en naar schatting meer dan 470 000 Belarussen zal treffen;

11.  verzoekt om de verlenging van het mandaat van de speciale rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Belarus; vraagt de Belarussische regering het mandaat te erkennen en volledig samen te werken met de speciaal rapporteur; vraagt de EDEO het beleid van de EU ten aanzien van Belarus beter te coördineren met de speciale rapporteur van de VN; vraagt de EU en de lidstaten de verlenging van het mandaat van de speciale rapporteur van de VN te bevorderen en te steunen om de situatie in het land te blijven monitoren;

12.  verzoekt de Belarussische autoriteiten onverwijld verder te gaan met een algemene hervorming van het kiesstelsel in het kader van het bredere democratiseringsproces en in samenwerking met internationale partners; benadrukt dat de relevante aanbevelingen van de OVSE/ODIHR ruim voor de in maart 2018 geplande lokale verkiezingen moeten worden uitgevoerd;

13.  dringt erop aan dat de regering zich achter een wereldwijd moratorium op het gebruik van de doodstraf schaart als eerste stap naar de definitieve afschaffing ervan;

14.  vraagt de Commissie studieprogramma's waardoor jonge Belarussen in de EU kunnen studeren, te blijven steunen door de procedures voor het aanvragen van visa en studiebeurzen te versnellen;

15.  is ingenomen met het besluit van de Raad van 27 februari 2017 om de beperkende maatregelen tegen vier personen en het wapenembargo tegen Belarus te verlengen tot 28 februari 2018; vraagt de EDEO de situatie in het land nauw te blijven volgen en monitoren om de doeltreffendheid te beoordelen van het EU-beleid om constructief en geleidelijk opnieuw betrekking aan te knopen met Belarus; is van mening dat de EU duidelijke benchmarks moet vaststellen en consistente mensenrechtenvoorwaarden moet toepassen om ervoor te zorgen dat hervormingen worden doorgevoerd ter bescherming van fundamentele vrijheden en mensenrechten;

16.  vraagt de Commissie na te gaan of de hoogste normen inzake nucleaire veiligheid worden gewaarborgd bij de bouw van de in aanbouw zijnde kerncentrale in Ostrovets en of een EU-garantie aan de EIB uiteindelijk niet zou worden gebruikt voor de financiering van deze nucleaire site in Belarus, en of dergelijke garantie strookt met de EU-sancties tegen de Russische Federatie;

17.  herhaalt zijn toezegging om zich in te zetten voor de Belarussische bevolking, ondersteuning te bieden aan haar prodemocratische ambities en initiatieven, en een bijdrage te leveren aan een stabiele, democratische en voorspoedige toekomst voor het land; herhaalt dat de eerbiediging van de fundamentele burgerlijke vrijheden, de rechtsstaat en de mensenrechten cruciaal zal zijn voor het vorm geven aan de betrekkingen tussen de EU en Belarus;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de lidstaten, de OVSE/ODIHR, de Raad van Europa, de Belarussische autoriteiten en de Parlementaire Vergadering van de OVSE.

(1) PB L 50 van 28.2.2017, blz. 81.


Bangladesh, met inbegrip van kindhuwelijken
PDF 168kWORD 45k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over Bangladesh, met inbegrip van kinderhuwelijken (2017/2648(RSP))
P8_TA(2017)0127RC-B8-0252/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn voorgaande resoluties over Bangladesh, met name die van 18 september 2014 over mensenrechtenschendingen in Bangladesh(1),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2017(2),

–  gezien de slotopmerkingen van het Mensenrechtencomité van de VN van 22 maart 2017 over Bangladesh,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 2 juli 2015 over het vergroten van de inspanningen om kinderhuwelijken en gedwongen huwelijken te voorkomen en uit te bannen,

–  gezien de richtsnoeren van de EU ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, als vastgesteld door de Raad op 6 maart 2017,

–  gezien het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking van 1995 die uit de vierde Wereldvrouwenconferentie zijn voortgekomen en door Bangladesh zijn ondertekend, en de in 2000, 2005, 2009 en 2014 uitgevoerde periodieke herziening van de voortgang van de tenuitvoerlegging ervan in Bangladesh,

–  gezien artikel 16 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling van 2001,

–  gezien de door Bangladesh ingevoerde Wet ter beperking van kinderhuwelijken van 11 maart 2017 en Wet ter preventie van kinderhuwelijken van 15 september 2014,

–  gezien het nationale actieplan voor de uitbanning van kinderhuwelijken 2015-2021 van Bangladesh,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en Bangladesh reeds lang betrekkingen onderhouden, onder andere in de vorm van de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling; overwegende dat de eerbiediging en de bevordering van de mensenrechten en democratische beginselen ten grondslag liggen aan het binnenlandse en buitenlandse beleid van beide partijen en een essentieel onderdeel van het extern EU-optreden moeten uitmaken;

B.  overwegende dat ngo's en onafhankelijke media de afgelopen maanden melding hebben gemaakt van diverse mensenrechtenschendingen, waaronder gedwongen verdwijningen, onderdrukking van het maatschappelijk middenveld, aanvallen op politieke activisten en foltering;

C.  overwegende dat Bangladesh volgens recente gegevens van de VN nog altijd een van de hoogste percentages kinderhuwelijken ter wereld heeft, en het hoogste percentage in Azië; overwegende dat 52 % van de meisjes in Bangladesh vóór haar achttiende verjaardag in het huwelijk treedt en 18 % vóór haar vijftiende verjaardag;

D.  overwegende dat de VN kinderhuwelijken erkent als een mensenrechtenschending waarbij kinderen niet de mogelijkheid noch het recht hebben om hun volledige toestemming te geven en vaak geestelijke en lichamelijke risico's lopen;

E.  overwegende dat Bangladesh een van de twaalf doellanden is van het wereldwijde programma van UNFPA-Unicef ter versnelling van de actie tegen kinderhuwelijken, dat door de EU wordt ondersteund;

F.  overwegende dat Bangladesh partij is bij het Initiatief van Zuid-Azië om een einde te maken aan geweld tegen kinderen, dat een regionaal actieplan ter bestrijding van kinderhuwelijken heeft aangenomen;

G.  overwegende dat de regering van Bangladesh tijdens de topconferentie over meisjes van juli 2014 heeft toegezegd het aantal meisjes tussen de 15 en 18 jaar dat in het huwelijk treedt met een derde terug te brengen tegen 2021, huwelijken met kinderen onder de 15 jaar uit te bannen tegen 2021 en huwelijken met kinderen onder de 18 jaar uit te bannen tegen 2041;

H.  overwegende dat Bangladesh in 2015 op plaats 119 van de 159 onderzochte landen stond op de genderongelijkheidsindex van het Ontwikkelingsprogramma van de VN;

I.  overwegende dat de regering van Bangladesh op 27 februari 2017 de Wet ter beperking van kinderhuwelijken heeft goedgekeurd, waarin de minimumleeftijd om te trouwen – d.w.z. 18 jaar voor vrouwen en 21 jaar voor mannen – ongewijzigd is gebleven, maar waarmee uitzonderingen zijn ingevoerd waarvan in "speciale gevallen" of in het "belang" van de adolescent en met toestemming van de rechter gebruik kan worden gemaakt, terwijl deze criteria niet zijn gedefinieerd en er geen minimumleeftijd voor dergelijke huwelijken is vastgesteld; overwegende dat de toestemming van het kind niet vereist is; overwegende dat de wet na goedkeuring door de president in werking is getreden op 11 maart 2017;

J.  overwegende dat deze wet kan leiden tot een toename van misbruik in verband met bruidsschatten, seksuele intimidatie, verkrachtingen en zuuraanvallen, alsook tot de legitimatie van ontucht met minderjarigen; overwegende dat de wet er tevens toe kan leiden dat ouders hun dochter kunnen dwingen om met hun verkrachter te trouwen;

K.  overwegende dat in de richtsnoeren van de EU ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind wordt bevestigd dat de EU vasthoudt aan de algehele bescherming en bevordering van de rechten van het kind in haar externe mensenrechtenbeleid;

1.  veroordeelt opnieuw alle gevallen van gedwongen en kinderhuwelijken en seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes in de hele wereld;

2.  wijst op de vooruitgang die Bangladesh heeft geboekt bij de inspanningen om het aantal kinderhuwelijken terug te dringen;

3.  is ingenomen met het feit dat Bangladesh de afgelopen jaren diverse wetgevende en institutionele maatregelen heeft vastgesteld met het oog op de bescherming van kinderen; is echter bezorgd over de ontoereikende of niet-bestaande tenuitvoerlegging van deze maatregelen;

4.  betreurt de aanneming van de Wet ter beperking van kinderhuwelijken van 2017 en de mazen in die wetgeving die voorzien in wettelijke toestemming voor kinderhuwelijken ten zeerste; betreurt voorts de afwezigheid van wettelijke criteria in deze wet, waardoor het risico op wijdverbreid misbruik toeneemt;

5.  verzoekt de regering van Bangladesh deze wet te wijzigen teneinde de mazen te dichten en alle kinderhuwelijken te verbieden;

6.  dringt erop aan dat de regering van Bangladesh, tot het moment waarop de mazen in de wet zijn gedicht, duidelijke criteria vaststelt op grond waarvan de rechtbank, in samenwerking met gezondheidswerkers en zorgverleners en na een interview met het meisje in kwestie waarbij geen familieleden aanwezig zijn, besluit om een huwelijk met een minderjarige al dan niet toe te staan;

7.  merkt bezorgd op dat de onlangs aangenomen wet een stap terug is voor Bangladesh wat betreft de inspanningen om een einde te maken aan kinderhuwelijken; benadrukt nogmaals dat deze versoepeling van de wet afbreuk doet aan de eigen doelstellingen van de regering van Bangladesh om het aantal kinderhuwelijken terug te dringen;

8.  wijst op de mogelijke gevolgen van kinderhuwelijken, met inbegrip van beperkte toegang tot onderwijs, isolement, armoede, economische afhankelijkheid en horigheid, met name voor meisjes in plattelandsgebieden, en uit zijn bezorgdheid over de verhoogde risico's op verkrachting, lichamelijk geweld en gedwongen zwangerschappen in kinderhuwelijken;

9.  merkt bezorgd op dat kinderhuwelijken vaak verband houden met ongewilde zwangerschappen en zwangerschappen op jonge leeftijd; wijst in dit verband nogmaals op het belang van toegang tot informatie over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, bijstand en veilige medische hulpverlening, met inbegrip van veilige en legale abortus, voor vrouwen en meisjes;

10.  verzoekt de regering van Bangladesh de ontwikkeling van het nationale actieplan ter bestrijding van kinderhuwelijken 2015-2021 te hervatten en uit te leggen hoe zij van plan is haar doelen te bereiken en kinderhuwelijken volledig uit te bannen;

11.  verzoekt de autoriteiten van Bangladesh zich daadwerkelijk te verbinden aan de verwezenlijking van de onlangs internationaal overeengekomen duurzame ontwikkelingsdoelen, met name om ongelijkheden te verminderen en gendergelijkheid en vrouwenrechten te waarborgen;

12.  is van oordeel dat kinderhuwelijken op doeltreffende wijze kunnen worden bestreden door middel van de bevordering van de mensenrechten en de menselijke waardigheid en sociaal overheidsbeleid; verzoekt de autoriteiten van Bangladesh derhalve om gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van ngo's en op kinderen gerichte organisaties, stelselmatig te betrekken bij de aanpak van de onderliggende oorzaken van kinderhuwelijken in Bangladesh, en om de bewustwording op scholen te bevorderen;

13.  verzoekt de autoriteiten van Bangladesh in dit verband de Wet op de regulering van buitenlandse donaties (vrijwillige activiteiten) van 2014 te wijzigen, teneinde ervoor te zorgen dat het werk van maatschappelijke organisaties niet wordt onderworpen aan willekeurige controles door de regering en dat alle uit hoofde van die wet genomen besluiten worden onderworpen aan een onafhankelijk herzieningsproces;

14.  dringt er bij de autoriteiten van Bangladesh op aan hun veroordeling uit te spreken over het aanhoudende afschuwelijke optreden tegen de vrijheid van meningsuiting en onmiddellijk een einde te maken aan alle geweld, pesterijen, intimidatie en censuur tegen journalisten, bloggers en maatschappelijke organisaties; dringt er voorts bij de autoriteiten van Bangladesh op aan om onafhankelijke onderzoeken in te stellen naar de buitengerechtelijke executies, de gedwongen verdwijningen en het buitensporig gebruik van geweld, en om de verantwoordelijken voor de rechter te brengen volgens internationale normen;

15.  verzoekt de Commissie en de delegatie van de EU in Bangladesh om deze kwesties aan de orde te stellen bij de autoriteiten van Bangladesh, en de Europese Dienst voor extern optreden om de wetskwestie aan de orde te stellen tijdens de volgende bijeenkomst van de gemengde commissie EU-Bangladesh;

16.  verzoekt de EU alle haar ter beschikking staande instrumenten in te zetten om de regering van Bangladesh te ondersteunen bij het eerbiedigen van haar internationale mensenrechtenverplichtingen;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten en de regering en het parlement van Bangladesh.

(1) PB C 234 van 28.6.2016, blz. 10.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0089.


Wholesaleroamingmarkten ***I
PDF 244kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 531/2012 wat betreft de voorschriften voor wholesaleroamingmarkten (COM(2016)0399 – C8-0219/2016 – 2016/0185(COD))
P8_TA(2017)0128A8-0372/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0399),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0219/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 8 februari 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8‑0372/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 531/2012 wat betreft de voorschriften voor wholesaleroamingmarkten

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/920.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 162.


Derde landen waarvan de onderdanen onderworpen zijn aan of vrijgesteld zijn van de visumplicht: Oekraïne ***I
PDF 242kWORD 41k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Oekraïne) (COM(2016)0236 – C8-0150/2016 – 2016/0125(COD))
P8_TA(2017)0129A8-0274/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0236),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0150/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 2 maart 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en van de Commissie juridische zaken (A8-0274/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 6 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Oekraïne)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/850.)


Europees Solidariteitskorps
PDF 256kWORD 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over het Europees solidariteitskorps (2017/2629(RSP))
P8_TA(2017)0130B8-0238/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 december 2016 getiteld "Een Europees solidariteitskorps" (COM(2016)0942),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over de Europese vrijwilligersdienst en de bevordering van vrijwilligerswerk in Europa(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(2),

–  gezien zijn resolutie van 22 april 2008 over de rol van vrijwilligerswerk als bijdrage tot de economische en sociale cohesie(3),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over werkgelegenheid voor jongeren(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2013 over een jongerengarantie(5),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren(6),

–  gezien de beleidsagenda voor vrijwilligerswerk in Europa (PAVE) en het ontwerp van Europees Handvest van de rechten en plichten van vrijwilligers(7),

–  gezien de vraag aan de Commissie over vrijwilligerswerk en de Europese vrijwilligersdienst (O-000107/2016 – B8-1803/2016),

–  gezien de vraag aan de Commissie over het Europees solidariteitskorps (O-000020/2017 – B8-0210/2017 en O-000022/2017 – B8-0211/2017),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(8),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG(9),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie cultuur en onderwijs,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie gegrondvest is op fundamentele ideeën, waarden en beginselen die door de lidstaten overeengekomen en onderschreven zijn;

B.  overwegende dat het beginsel van solidariteit van de Europese Unie een van die grondbeginselen vormt en gebaseerd is op het delen van zowel lusten als lasten;

C.  overwegende dat het solidariteitsbeginsel een drijvende kracht is geweest achter de totstandkoming van de Europese vrijwilligersdienst, die in zijn 20-jarig bestaan buitengewone successen heeft geboekt die niet verloren mogen gaan;

D.  overwegende dat de instellingen en lidstaten van de EU er nadrukkelijk voor moeten kiezen om maatschappelijke betrokkenheid van burgers actief te ondersteunen en moeten erkennen dat vrijwilligerswerk bijdraagt tot de versterking van het gevoel van solidariteit, maatschappelijke verantwoordelijkheid en gedeelde gemeenschappelijke burgerschapswaarden en -beleving;

E.  overwegende dat de oprichting van het Europees solidariteitskorps moet steunen op gedeelde waarden van de EU zoals die gedefinieerd zijn in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten; overwegende dat het doel van het Europees solidariteitskorps moet zijn gemeenschapszin en een gevoel van solidariteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid te scheppen in Europa en een betekenisvolle en verrijkende ervaring met vrijwilligerswerk, werk, stage of leerplaatsen te bieden;

F.  overwegende dat hoogwaardig vrijwilligerswerk een springplank kan zijn naar werk en kansen kan scheppen voor sociale inclusie;

G.  overwegende dat de meeste initiatieven op het gebied van vrijwilligerswerk buiten de EU-programma's om worden genomen en ondersteund moeten worden door een stimulerend juridisch en financieel klimaat;

H.  overwegende dat de Europese vrijwilligersdienst momenteel het referentiekader vormt voor vrijwilligerswerk in de EU en al 20 jaar lang goede resultaten oplevert in termen van efficiëntie, knowhow en leerresultaten; overwegende dat nieuwe EU-brede vrijwilligersprogramma's moeten voortbouwen op de ervaringen van de Europese vrijwilligersdienst en andere succesvolle vrijwilligersprogramma's van de EU, zoals het EU-vrijwilligersinitiatief voor humanitaire hulp;

I.  overwegende dat het Europees solidariteitskorps aan jongeren, die de belangrijkste doelgroep vormen (met name jongeren uit gemarginaliseerde gemeenschappen en met een zwakke sociaal-economische achtergrond), een mogelijkheid zou kunnen bieden om een waardevolle bijdrage te leveren aan de samenleving en het engagement van de EU zichtbaarder te maken, alsook om het bredere debat over vrijwilligerswerk in Europa en het nut daarvan voor de samenleving opnieuw aan te zwengelen;

J.  overwegende dat maatschappelijke en jongerenorganisaties een belangrijke rol spelen als aanbieders van hoogwaardige lokale, nationale en grensoverschrijdende ervaringen op het gebied van vrijwilligerswerk; overwegende dat daarvoor continue ondersteuning noodzakelijk is, in combinatie met een stimulerend juridisch en financieel klimaat;

K.  overwegende dat zich al meer dan 20 000 mensen hebben ingeschreven voor het Europees solidariteitskorps sinds de Commissie in december 2016 haar online platform opende;

L.  overwegende dat de Commissie een duidelijk en gedetailleerd rechtskader moet voorstellen voor het Europees solidariteitskorps en daarbij rekening moet houden met de volgende aanbevelingen van het Europees Parlement;

Europese solidariteit

1.  is van mening dat een duidelijke definitie van solidariteitsactie op EU-niveau van essentieel belang is; verzoekt de Commissie de doelstellingen van het Europees solidariteitskorps te definiëren en het optreden ervan meetbaar en doeltreffend te maken, rekening houdend met de belangrijke positieve impact van solidariteitsacties op zowel de individuele deelnemers als de samenleving; benadrukt dat de definities die voor het faciliteren hiervan noodzakelijk worden geacht moeten worden opgesteld in nauwe samenwerking met de lidstaten en de organisaties die actief zijn op het gebied van vrijwilligerswerk, burgerschapsdienst en jeugdwerk, en in overeenstemming moeten zijn met de kernwaarden van de EU zoals die in de Verdragen en het Handvest zijn verwoord;

2.  benadrukt dat gelijke toegang van alle EU-burgers tot het Europees solidariteitskorps gewaarborgd moet worden; dringt aan op een sterkere bevordering van de mogelijkheden voor deelname aan het initiatief voor mensen met speciale behoeften en uit kansarme milieus;

3.  is er vast van overtuigd dat het leerelement, ook via niet-formele en informele onderwijservaringen, en de impact op de individuele vrijwilliger, jonge werknemer, stagiair of leerling belangrijk zijn, maar dat het hoofddoel van het Europees solidariteitskorps moet zijn een positieve impact teweeg te brengen op de begunstigden van de projecten en acties, en de samenleving in bredere zin, en duidelijk blijk te geven van solidariteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid;

4.  is tevens van mening dat plaatsingen in het kader van het Europees solidariteitskorps ook zouden bijdragen tot de verbetering van de levensvaardigheden van de deelnemers, hun verantwoordelijkheidsgevoel en hun gevoel van bezitten en delen, tot het overbruggen van verschillen op het gebied van taal, cultuur, godsdienst, levensovertuiging en economische achtergrond en tot het wegnemen van misverstanden en vooroordelen; meent dat het initiatief ook actief burgerschap zou helpen bevorderen en de deelnemers zou helpen leren de werkelijkheid en de maatschappelijke problemen die zij tegenkomen kritisch te analyseren; verzoekt de Commissie bij de tenuitvoerlegging van het Europees solidariteitskorps over de hele lijn voor gendergelijkheid te zorgen;

5.  benadrukt dat civiele bescherming en humanitaire hulp niet via het Europees solidariteitskorps afhankelijk mogen worden van jongeren; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband om duurzame investeringen in gestructureerde civiele bescherming en humanitaire hulp te waarborgen;

Financiering van het Europees solidariteitskorps

6.  maakt zich ernstig zorgen over het feit dat de Commissie van plan is om het Europees solidariteitskorps in de aanvangsfase te implementeren door het in te passen in bestaande programma's en initiatieven, en in het bijzonder in onderwijs- en cultuurprogramma's zoals Erasmus+ en Europa voor de burgers, de jongerengarantie en het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie, zonder dat er voldoende duidelijkheid is over de precieze financiële en personele middelen die voor het Europees solidariteitskorps moeten worden uitgetrokken; herinnert eraan dat het Parlement als medewetgever voor EU-programma's en als begrotingsautoriteit tegenstander is van de herschikking van middelen van prioritaire programma's en vaak over onvoldoende middelen beschikt om kernactiviteiten en nieuwe beleidsinitiatieven te financieren;

7.  verzoekt de Commissie om in haar toekomstig wetsvoorstel inzake het Europees solidariteitskorps een duidelijke beschrijving op te nemen van de budgettaire regelingen die de doeltreffende werking van het Europees solidariteitskorps zullen garanderen; benadrukt dat de financiering van het Europees solidariteitskorps geen negatieve gevolgen mag hebben voor bestaande programma's die op jongeren gericht zijn en initiatieven, zoals Europa voor de burgers en Erasmus+, het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie, en initiatieven zoals de jongerengarantie, en de werking van succesvolle initiatieven, zoals de Europese vrijwilligersdienst, niet mag verstoren;

8.  verzoekt de Commissie te zorgen voor een doeltreffend toezicht- en beoordelingsmechanisme voor het Europees solidariteitskorps, zodat de juiste tenuitvoerlegging, de kwaliteit van het aanbod en de duurzaamheid van de resultaten worden gewaarborgd;

Inpassing van het Europees solidariteitskorps in een bredere strategie voor vrijwilligerswerk

9.  beveelt aan dat de Commissie, om het Europees solidariteitskorps tot een succes te maken, dit initiatief inpast in een bredere beleidsstrategie die tot doel heeft een stimulerend klimaat voor vrijwilligerswerk in Europa te scheppen en er daarbij voor te zorgen dat er geen overlapping plaatsvindt, maar dat daarentegen bestaande succesvolle initiatieven, zoals de Europese vrijwilligersdienst, versterkt worden;

10.  benadrukt dat vrijwilligerswerk in de overgrote meerderheid van de gevallen op plaatselijk niveau plaatsvindt en in plaatselijke behoeften voorziet, en dat het Europees solidariteitskorps dus aanvankelijk meer op plaatselijk vrijwilligerswerk moet focussen dan op grensoverschrijdende mogelijkheden, die internationale mobiliteit vereisen en een uitsluitingsfactor zouden kunnen vormen voor mensen uit kansarme milieus;

11.  benadrukt dat het Europees solidariteitskorps geen extra administratieve lasten moet opleveren voor personen of deelnemende organisaties en zo dicht mogelijk moet aansluiten bij de bestaande, gevestigde mogelijkheden voor vrijwilligerswerk die al door maatschappelijke organisaties worden aangeboden;

12.  verzoekt de Commissie te streven naar evenwicht tussen het hoge aantal inschrijvingen voor het Europees solidariteitskorps op het online platform en het aanbod van beschikbare vrijwilligersplaatsen om geen frustratie te veroorzaken bij jongeren die zich inschrijven;

13.  verzoekt de Commissie vrijwilligerswerk te mainstreamen in alle Europese programma's en fondsen, zoals de structuurfondsen, het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Life-programma en de programma's en fondsen van de Unie voor extern optreden; benadrukt in dit verband dat het van belang is één centraal contactpunt in het leven te roepen voor de coördinatie van vrijwilligersbeleid en -programma's van de EU;

14.  stelt voor dat onderwijsinstellingen in hun leerplannen opleiding op het gebied van vrijwilligerswerk opnemen, met de nadruk op solidariteitsacties, teneinde de tenuitvoerlegging van het Europees solidariteitskorps te ondersteunen;

Een duidelijk onderscheid tussen vrijwilligerswerk en werk in loondienst en kwalitatief hoogstaande beroepsmogelijkheden voor jongeren

15.  verzoekt de Commissie om bij de tenuitvoerlegging van het Europees solidariteitskorps een duidelijk onderscheid te maken tussen vrijwilligerswerk en werk in loondienst om vast te houden aan de cruciale verschillen tussen vrijwilligerswerk en werk waarbij de aandacht in de eerste plaats uitgaat naar de behoeften van de begunstigden of naar de opleidings- en ontwikkelingsbehoeften van de deelnemers, en om te vermijden dat potentiële betaalde kwaliteitsbanen vervangen worden; benadrukt in dit verband dat mogelijkheden voor vrijwilligerswerk niet in aanmerking moeten komen voor financiering met middelen die specifiek bestemd zijn voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

16.  benadrukt dat de vrijwilligerswerkcomponent moet steunen op duidelijke afspraken over de beginselen van hoogwaardig vrijwilligerswerk, zoals die worden geschetst in het Europees Handvest van rechten en plichten van vrijwilligers; benadrukt voorts dat vrijwilligerswerk te allen tijde solidariteitsacties zonder winstoogmerk moet ondersteunen die tot doel hebben in geconstateerde behoeften van de samenleving te voorzien;

17.  benadrukt dat de werkgelegenheidscomponent gericht moet zijn op het aanbieden van hoogwaardige banen, stages en leerplaatsen in het solidariteitswerk zonder winstoogmerk en in sociale ondernemingen in de solidariteitssector;

18.  benadrukt dat het van belang is voldoende administratieve en financiële steun te verlenen aan organisaties en instanties voor beide componenten en te zorgen voor de nodige kennis en vaardigheden om deelnemers aan het Europees solidariteitskorps naar behoren op te vangen;

19.  vindt dat de gastorganisaties een kwaliteitshandvest zouden moeten onderschrijven met overeengekomen doelstellingen, beginselen en normen zoals die worden geschetst in het Europees kwaliteitshandvest inzake stages en leerplaatsen(10); spoort de gastorganisaties aan vooraf de vaardigheden en competenties te beschrijven die tijdens de ervaring moeten worden opgedaan; pleit voor de vergelijkbaarheid, erkenning en validering van vaardigheden en competenties die tijdens de ervaring worden opgedaan, zoals wordt voorgeschreven in de aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren zodat deze bijdragen tot de duurzame inclusie van jongeren op de arbeidsmarkt; benadrukt dat duidelijke normen bevorderlijk zullen zijn voor het toezicht op de implementatie van het Europees solidariteitskorps;

20.  benadrukt dat jonge vrijwilligers een passende financiële compensatie, en jonge werknemers een passend loon en een ziektekostenverzekering, opleiding en werkbegeleiding moeten krijgen; wijst er nadrukkelijk op dat moet worden toegezien op de werklast en werkomgeving in verband met de specifieke taken die zij in het kader van hun plaatsing als vrijwilliger of werknemer van het Europees solidariteitskorps zouden moeten verrichten;

21.  herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om het beleid inzake jongerenwerkgelegenheid te koppelen aan kwalitatief hoogwaardige en langdurige arbeidscontracten en zo precaire arbeidsomstandigheden en gedeeltelijke werkloosheid aan te pakken;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het Europees solidariteitskorps geheel open te stellen voor kansarme jongeren en jongeren met specifieke behoeften; benadrukt dan ook dat er een specifiek budget moet worden uitgetrokken om de kosten te dekken voor persoonlijke begeleiding of extra ondersteuning van de jongeren in kwestie; is van mening dat de Europese vrijwilligersdienst in dit verband beschouwd kan worden als goede praktijk;

Coördinatie van diensten en raadpleging van belanghebbenden

23.  verzoekt de Commissie het Europees solidariteitskorps naar behoren te coördineren en te mainstreamen in al haar diensten en met alle andere Europese en nationale instellingen, teneinde een samenhangende en consistente implementatie te waarborgen; stelt voor dat het directoraat-generaal Onderwijs en Cultuur van de Commissie belast wordt met het coördineren en mainstreamen van het Europees solidariteitskorps;

24.  herinnert de Commissie eraan dat zij, alvorens het wetgevingsvoorstel op te stellen, de juiste voorwaarden moet scheppen voor grondig overleg met de voornaamste belanghebbenden, zoals jeugdorganisaties, Europese sociale partners, vrijwilligersorganisaties, vakbonden en lidstaten; benadrukt dat deze belanghebbenden regelmatig betrokken moeten worden bij de tenuitvoerlegging en, in voorkomend geval, de monitoring van het initiatief zodat de juiste tenuitvoerlegging, de kwaliteit van de plaatsingen en de duurzaamheid van de resultaten worden gewaarborgd;

o
o   o

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0425.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.
(3) PB C 259 E van 29.10.2009, blz. 9.
(4) PB C 224 van 21.6.2016, blz. 19.
(5) PB C 440 van 30.12.2015, blz. 67.
(6) PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.
(7) http://ec.europa.eu/citizenship/pdf/volunteering_charter_en.pdf
(8) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(9) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50.
(10) http://www.youthforum.org/assets/2014/04/internship_charter_EN.pdf


Gepastheid van de door het EU-U.S. Privacy Shield geboden bescherming
PDF 195kWORD 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2017 over de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming (2016/3018(RSP))
P8_TA(2017)0131B8-0235/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 6, 7, 8, 11, 16, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(1) (hierna "richtlijn gegevensbescherming"),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(2),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)(3), en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(4),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems tegen Data Protection Commissioner(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2015 over de doorgifte van persoonsgegevens van de EU naar de Verenigde Staten van Amerika krachtens Richtlijn 95/46/EG naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-362/14 (Schrems) (COM(2015)0566),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 10 januari 2017 over uitwisseling en bescherming van persoonsgegevens in een geglobaliseerde wereld (COM(2017)0007),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 december 2016 in zaak C‑203/15 Tele2 Sverige AB tegen Post- och telestyrelsen en in zaak C‑698/15 Secretary of State for the Home Department tegen Tom Watson e.a.(6),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming(7),

–  gezien Advies 4/2016 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) inzake het ontwerpbesluit betreffende de gepastheid van de door het EU‑VS-privacyschild geboden bescherming(8),

–  gezien het advies van de Groep gegevensbescherming artikel 29 van 13 april 2016 inzake het ontwerpbesluit betreffende de gepastheid van de door het EU‑VS-privacyschild geboden bescherming(9) en zijn verklaring van 26 juli 2016(10),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over trans-Atlantische gegevensstromen(11),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in zijn arrest van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14 Maximillian Schrems tegen Data Protection Commissioner de veiligehavenregeling ongeldig heeft verklaard en heeft verduidelijkt dat een passend beschermingsniveau in een derde land "in grote lijnen moet overeenkomen" met het beschermingsniveau dat binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd op grond van Richtlijn 95/46/EG, gelezen in samenhang met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna "het EU-Handvest"), en dat het Hof er daarbij op heeft gewezen dat de onderhandelingen over een nieuwe regeling dringend moeten worden afgerond om rechtszekerheid te waarborgen met betrekking tot de manier waarop persoonsgegevens van de EU naar de VS moeten worden doorgegeven;

B.  overwegende dat de Commissie bij de beoordeling van het in een derde land geboden beschermingsniveau verplicht is de inhoud te beoordelen van de in dat land toepasselijke regels die zijn afgeleid van de nationale wetgeving of internationale verbintenissen alsook de praktijken die zijn ingevoerd ter garantie van de naleving van deze regels, aangezien ze volgens artikel 25, lid 2, van Richtlijn 95/46/EG rekening moet houden met alle omstandigheden die op de doorgifte van gegevens van invloed zijn; overwegende dat bij deze beoordeling niet alleen naar de wetgeving en praktijken met betrekking tot de gegevensbescherming voor persoonlijke en commerciële doeleinden moet worden gekeken, maar naar alle aspecten van het kader die van toepassing zijn op dat land of die sector, in het bijzonder maar niet uitsluitend, rechtshandhaving, nationale veiligheid en eerbiediging van de grondrechten;

C.  overwegende dat de doorgifte van persoonsgegevens tussen commerciële organisaties van de EU en de VS een belangrijk element zijn in de trans-Atlantische betrekkingen; overwegende dat deze doorgifte moet worden uitgevoerd met volledige inachtneming van het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; overwegende dat een van de hoofddoelstellingen van de Europese Unie de bescherming van de in het EU‑Handvest verankerde grondrechten is;

D.  overwegende dat de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in zijn Advies 4/2016 zijn bezorgdheid heeft geuit over het ontwerpbesluit betreffende het privacyschild; overwegende dat de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming zich in hetzelfde advies tevreden verklaart met de inspanningen van alle partijen om een oplossing te vinden voor de doorgifte van persoonsgegevens van de EU aan de VS voor commerciële doeleinden, in het kader van een systeem van zelfcertificering;

E.  overwegende dat de Groep artikel 29 in zijn Advies 01/2016 inzake het ontwerpbesluit betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming, met instemming kennis nam van de aanzienlijke verbeteringen die door het privacyschild teweeg zijn gebracht ten opzichte van het veiligehavenbesluit, hoewel hij ook zijn ernstige bezorgdheid heeft geuit over zowel de commerciële aspecten als het verlenen van toegang aan overheidsdiensten tot in het kader van het privacyschild doorgegeven gegevens;

F.  overwegende dat de Commissie, na verdere besprekingen met de Amerikaanse regering, op 12 juli 2016 haar Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 heeft aangenomen, waarin de gepastheid wordt afgekondigd van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming van persoonsgegevens die vanuit de Unie worden doorgegeven aan organisaties in de Verenigde Staten;

G.  overwegende dat het EU-VS-privacyschild vergezeld gaat van verscheidene brieven en eenzijdige verklaringen van de Amerikaanse regering waarin onder meer uitleg wordt gegeven over de beginselen van gegevensbescherming, de werking van toezichts-, handhavings- en beroepsmechanismen en over de beschermingsmechanismen en waarborgen die moeten gelden wanneer veiligheidsagentschappen persoonsgegevens kunnen raadplegen en verwerken;

H.  overwegende dat de Groep artikel 29 in zijn mededeling van 26 juli 2016 met instemming kennis neemt van de verbeteringen die het mechanisme van het EU‑VS-privacyschild teweeg heeft gebracht ten opzichte van het veiligehavenbesluit, en de Commissie en de Amerikaanse autoriteiten prijst voor het feit dat ze zijn bezwaren in overweging hebben genomen; overwegende dat de Groep artikel 29 niettemin bezorgd blijft over een aantal punten betreffende zowel de commerciële aspecten als het verlenen van toegang tot uit de EU aan Amerikaanse overheidsdiensten doorgegeven gegevens, zoals het gebrek aan specifieke regels over geautomatiseerde beslissingen en aan een algemeen recht om bezwaar te maken, de noodzaak van strengere waarborgen inzake de onafhankelijkheid en bevoegdheden van het ombudsmanmechanisme, en het gebrek aan concrete waarborgen om niet massaal en ongedifferentieerd persoonsgegevens te verzamelen (bulkverzamelen);

1.  is ingenomen met de inspanningen van zowel de Commissie als de Amerikaanse regering om de bezwaren van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de lidstaten, het Europees Parlement, de gegevensbeschermingsautoriteiten en belanghebbenden aan te pakken, om de Commissie in staat te stellen de uitvoeringsverordening aan te nemen waarin de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming wordt afgekondigd;

2.  erkent dat het EU-VS-privacyschild aanzienlijke verbeteringen bevat wat de duidelijkheid van de normen betreft ten opzichte van het EU-VS-veiligehavenbesluit en dat Amerikaanse organisaties die zelf hebben verklaard het EU-VS-privacyschild in acht te zullen nemen, zullen moeten voldoen aan duidelijkere normen inzake gegevensbescherming dan deze die in het kader van het veiligehavenbesluit zijn vastgesteld;

3.  constateert dat op 23 maart 2017, 1 893 Amerikaanse organisaties zich hadden aangesloten bij het EU-VS-privacyschild; betreurt dat het privacyschild op vrijwillige zelfcertificering is gebaseerd en bijgevolg uitsluitend geldt voor Amerikaanse organisaties die vrijwillig het privacyschild in acht nemen, wat betekent dat veel ondernemingen helemaal niet onder de regeling vallen;

4.  erkent dat het EU-VS-privacyschild de gegevensdoorgifte van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en bedrijven in de Unie aan de Verenigde Staten vergemakkelijkt;

5.  merkt op dat, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie in de zaak-Schrems, de bevoegdheden van de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten door het gepastheidsbesluit niet worden gewijzigd, waardoor ze hun bevoegdheden, met inbegrip van het opschorten of het verbieden van gegevensdoorgifte naar een bij het EU‑VS-privacyschild geregistreerde organisatie, kunnen uitoefenen; is in dit verband ingenomen met het feit dat de gegevensbeschermingsautoriteiten in de lidstaten in het kader van het privacyschild een prominente rol krijgen in het onderzoek naar klachten in verband met de bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het gezinsleven in het kader van het EU‑Handvest en bij de opschorting van gegevensdoorgifte, alsook met het feit dat het Amerikaanse ministerie van Handel wordt verplicht om deze klachten op te lossen;

6.  stelt vast dat betrokkenen uit de EU in het kader van het privacyschild op verschillende manieren beroep kunnen aantekenen in de VS: ten eerste kan ofwel rechtstreeks een klacht worden ingediend bij de onderneming of via het ministerie van Handel, na verwijzing door een gegevensbeschermingsautoriteit, ofwel bij een onafhankelijk orgaan voor geschilbeslechting; ten tweede kan een civielrechtelijke procedure worden aangespannen bij een Amerikaanse rechtbank als het gaat om schending van de grondrechten omwille van de nationale veiligheid en kunnen dergelijke klachten ook worden behandeld door de nieuwe onafhankelijke dienst van de ombudsman; tot slot kunnen klachten over schending van de grondrechten omwille van wetshandhaving en algemeen belang ook het onderwerp vormen van een dagvaardingsprocedure; pleit voor verdere begeleiding door de Commissie en de gegevensbeschermingsautoriteiten om deze rechtsmiddelen toegankelijker en beter beschikbaar te maken;

7.  neemt kennis van de duidelijke toezegging van het Amerikaanse ministerie van Handel om de naleving van de beginselen van het EU‑VS-privacyschild door Amerikaanse organisaties nauwgezet te volgen, alsook van zijn voornemen om handhavingsmaatregelen te nemen tegen entiteiten die deze beginselen niet naleven;

8.  verzoekt de Commissie nogmaals duidelijkheid te verkrijgen over de juridische status van de "schriftelijke garanties" van de VS en ervoor te zorgen dat elke toezegging en regeling in het kader van het privacyschild geldig blijft na de aantreding van een nieuwe regering in de Verenigde Staten;

9.  is van mening dat er ondanks de toezeggingen en garanties van de Amerikaanse regering in de bij de privacyschildregeling gevoegde brieven, belangrijke vragen blijven bestaan over bepaalde commerciële aspecten, nationale veiligheid en rechtshandhaving;

10.  stelt met name vast dat er een aanzienlijk verschil is tussen de bescherming op grond van artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG en het "kennisgevings- en keuzebeginsel" van de privacyschildregeling, alsook aanzienlijke verschillen tussen artikel 6 van Richtlijn 95/46/EG en het "beginsel van de integriteit van gegevens en doelbinding" van de privacyschildregeling; wijst erop dat in plaats van een voor alle verwerkingshandelingen benodigde rechtsgrond (zoals toestemming of overeenkomst), de rechten van de betrokkene in het kader van de beginselen van het privacyschild slechts gelden voor twee beperkte verwerkingshandelingen (bekendmaking en verandering van doel) en alleen voorzien in een recht om zich te verzetten ("opt‑out");

11.  is van mening dat deze talrijke zorgen in de toekomst zouden kunnen leiden tot een nieuwe betwisting bij de rechter van het besluit waarbij het beschermingsniveau passend wordt verklaard; benadrukt de schadelijke gevolgen voor zowel de eerbiediging van de grondrechten als voor de noodzakelijke rechtszekerheid voor de betrokkenen;

12.  constateert onder meer het gebrek aan specifieke regels met betrekking tot geautomatiseerde besluitvorming, een algemeen recht om bezwaar te maken, en het gebrek aan duidelijke beginselen voor de toepassing van de beginselen van het privacyschild op verwerkers (vertegenwoordigers);

13.  constateert dat betrokkenen weliswaar de mogelijkheid hebben om bij de EU‑verwerkingsverantwoordelijke bezwaar te maken tegen elke doorgifte van hun persoonsgegevens aan de VS, en tegen verdere verwerking van deze gegevens in de VS waar de onderneming handelt als een verwerker namens de EU‑verwerkingsverantwoordelijke, maar dat het privacyschild geen specifieke regels bevat over het algemene recht bezwaar te maken bij de zelfgecertificeerde Amerikaanse onderneming;

14.  stelt vast dat slechts een fractie van de Amerikaanse organisaties die zich bij het privacyschild hebben aangesloten, heeft gekozen om gebruik te maken van een EU‑gegevensbeschermingsautoriteit voor het mechanisme voor geschillenbeslechting; uit zijn bezorgdheid dat dit een nadeel vormt voor EU-burgers die hun rechten proberen te handhaven;

15.  constateert het gebrek aan uitdrukkelijke beginselen over de wijze waarop de privacyschildbeginselen van toepassing zijn op verwerkers (vertegenwoordigers); erkent evenwel dat alle beginselen van toepassing zijn op de verwerking van persoonsgegevens door alle Amerikaanse zelfgecertificeerde ondernemingen "tenzij anders aangegeven" en dat voor de doorgifte voor verwerkingsdoeleinden altijd een overeenkomst met de EU‑verwerkingsverantwoordelijke nodig is waarin wordt vastgesteld wat de verwerkingsdoeleinden en ‑middelen zijn, en of de verwerker bevoegd is tot verdere doorgifte (bijvoorbeeld subverwerking);

16.  benadrukt dat, wat nationale veiligheid en toezicht betreft, ongeacht de verduidelijkingen van het kabinet van de directeur van de Nationale Inlichtingendienst (ODNI) in de bij het privacyschildkader gevoegde brieven, de mogelijkheid tot "bulktoezicht" blijft bestaan, ondanks het gebruik van andere terminologie door de Amerikaanse regering; betreurt dat voor "bulktoezicht" geen eenvormige definitie bestaat en de Amerikaanse terminologie is overgenomen, en dringt daarom aan op een eenvormige, op Europese inzichten gebaseerde definitie van "bulktoezicht", waarin de beoordeling niet afhankelijk is van selectie; benadrukt dat iedere vorm van bulktoezicht een schending van het EU-Handvest vormt;

17.  herinnert eraan dat in bijlage VI (brief van Robert S. Litt, ODNI) wordt verduidelijkt dat het op grond van presidentiële beleidsrichtlijn 28 (hierna "PPD-28") in zes gevallen toegelaten is om collectief verzamelde persoonsgegevens en communicatie van niet-Amerikanen te gebruiken; wijst erop dat dit collectief verzamelen slechts "zo specifiek als haalbaar" en "redelijk" moet zijn, en dus niet beantwoordt aan de strengere criteria van noodzakelijkheid en evenredigheid die zijn vastgelegd in het EU-handvest;

18.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de Privacy and Civil Liberties Oversight Board (PCLOB) die in bijlage VI genoemd wordt (brief van Robert S. Litt, ODNI) als een statutair opgericht onafhankelijk orgaan dat belast is met het analyseren en evalueren van programma's en beleid tegen terrorisme, waaronder het gebruik van signaalinlichtingen, om de privacy en burgerlijke vrijheden op de juiste manier te beschermen, zijn quorum op 7 januari 2017 is kwijtgeraakt en over een subquorum beschikt totdat er nieuwe bestuursleden worden benoemd door de Amerikaanse president en deze benoemingen vervolgens bevestigd worden door de Amerikaanse senaat; benadrukt dat de PCLOB met een subquorum beperktere bevoegdheden heeft en bepaalde maatregelen niet kan nemen omdat daar goedkeuring van de raad van bestuur voor nodig is, zoals het initiëren van toezichtsprojecten of het doen van aanbevelingen op het vlak van toezicht, waardoor de garanties en verzekeringen die de Amerikaanse autoriteiten in deze sector op het vlak van naleving en toezicht geven ernstig worden ondermijnd;

19.  betreurt dat het EU-VS-privacyschild de verzameling van bulkgegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden niet verbiedt;

20.  benadrukt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 21 december 2016 heeft verduidelijkt dat het Handvest van de grondrechten "in die zin moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die, ter bestrijding van criminaliteit, voorziet in algemene en ongedifferentieerde bewaring van alle verkeersgegevens en locatiegegevens van alle abonnees en geregistreerde gebruikers betreffende alle elektronischecommunicatiemiddelen"; wijst erop dat het bulktoezicht in de VS bijgevolg niet zorgt voor een in wezen gelijkwaardig beschermingsniveau van persoonsgegevens en persoonlijke communicatie;

21.  is gealarmeerd door de recente onthullingen over de toezichtsactiviteiten van een Amerikaanse dienstverlener van elektronische communicatie ten aanzien van alle e-mails die zijn servers bereiken, op verzoek van het Amerikaanse nationaal bureau voor de veiligheid (NSA) en de FBI, in 2015, dat wil zeggen een jaar nadat de presidentiële beleidsrichtlijn 28 was vastgesteld en gedurende de onderhandelingen over het EU‑VS-privacyschild; dringt erop aan dat de Commissie volledige duidelijkheid verlangt van de Amerikaanse autoriteiten en de antwoorden beschikbaar stelt aan de Raad, het Parlement en de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten; beschouwt dit als een reden om sterke twijfels te hebben over de door de ODNI verstrekte garanties; beseft dat het EU-VS-privacyschild op de presidentiële beleidsrichtlijn 28 berust, die door de president werd vastgesteld en zonder instemming van het Congres door elke toekomstige president weer kan worden ingetrokken;

22.  stelt met bezorgdheid vast dat op 23 resp. 28 maart 2017 zowel de senaat als het huis van afgevaardigden van de VS heeft gestemd vóór de verwerping van de regel die was ingediend door de Federal Communications Commission over “De bescherming van de privacy van klanten van breedband- en andere telecommunicatiediensten”, waardoor in de praktijk een eind wordt gemaakt aan de privacyregels voor breedband die aanbieders van internetdiensten ertoe verplicht zouden hebben alleen met de expliciete toestemming van consumenten gegevens over bezochte websites en andere privé-informatie te mogen verkopen aan of delen met adverteerders en andere bedrijven; beschouwt dit als een nieuwe bedreiging voor de privacywaarborgen in de Verenigde Staten;

23.  uit zijn grote bezorgdheid over de uitvaardiging van de "Procedures for the Availability or Dissemination of Raw Signals Intelligence Information by the National Security Agency under Section 2.3 of Executive Order 12333" (procedures voor het beschikken over of verspreiden van onbewerkte signaalinlichtingen door de National Security Agency op grond van afdeling 2.3 van het uitvoeringsdecreet 12333), goedgekeurd door de procureur-generaal op 3 januari 2017, waardoor de NSA de mogelijkheid heeft enorme hoeveelheden persoonsgegevens die zonder bevelschrift, rechterlijk bevel of toestemming van het Congres zijn verzameld, met 16 andere agentschappen te delen, waaronder de FBI, de federale narcoticadienst en het ministerie van Binnenlandse Veiligheid; verzoekt de Commissie onverwijld te onderzoeken of deze nieuwe regels verenigbaar zijn met de toezeggingen van de Amerikaanse autoriteiten uit hoofde van het privacyschild, alsook de gevolgen ervan voor het beschermingsniveau van persoonsgegevens in de Verenigde Staten;

24.  wijst erop dat, hoewel natuurlijke personen, waaronder betrokkenen uit de EU, over een aantal verhaalsmogelijkheden beschikken wanneer zij in de VS aan onrechtmatig (elektronisch) toezicht zijn onderworpen ten behoeve van de nationale veiligheid, het evengoed duidelijk is dat ten minste enkele rechtsgrondslagen waarop de Amerikaanse inlichtingendiensten zich kunnen baseren (bijv. Uitvoeringsdecreet 12333), niet worden bestreken; benadrukt bovendien dat er weliswaar in beginsel gerechtelijke verhaalsmogelijkheden voor niet-Amerikanen bestaan, zoals voor toezicht uit hoofde van de FISA, maar de mogelijke gronden beperkt zijn en vorderingen van natuurlijke personen (waaronder Amerikanen) niet-ontvankelijk zullen worden verklaard wanneer zij geen “status” kunnen aantonen, waardoor de toegang tot gewone rechterlijke instanties wordt beperkt;

25.  verzoekt de Commissie het effect te beoordelen van het uitvoeringsdecreet over “De bevordering van de openbare veiligheid in het binnenland van de Verenigde Staten” van 25 januari 2017, en met name van afdeling 14 over de uitsluiting van buitenlandse staatsburgers van de beschermingsmaatregelen in de privacywet wat betreft persoonlijk identificeerbare informatie, hetgeen in tegenspraak is met de schriftelijke garanties dat er gerechtelijke verhaalmechanismen bestaan voor personen in gevallen waarin Amerikaanse autoriteiten zich toegang hebben verschaft tot gegevens; verzoekt de Commissie een gedetailleerde juridische analyse uit te brengen over het gevolg van de maatregelen uit hoofde van het Uitvoeringsdecreet over rechtsmiddelen en het recht op gerechtelijk verhaal voor Europeanen in de VS;

26.  betreurt dat noch de beginselen van het privacyschild noch de door de Amerikaanse regering verstrekte brieven met verduidelijkingen en garanties, het bestaan aantonen van doeltreffende wettelijke verhaalsrechten voor personen in de Europese Unie wier persoonsgegevens in het kader van de beginselen van het privacyschild worden doorgegeven aan een Amerikaanse organisatie en voorts door Amerikaanse overheidsinstanties voor rechtshandhavingsdoeleinden of andere doeleinden van openbaar belang kunnen worden geraadpleegd en verwerkt, wat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 6 oktober 2015 als het wezen van het fundamentele recht in artikel 47 van het EU-Handvest heeft bestempeld;

27.  herinnert aan zijn resolutie van 26 mei 2016 waarin wordt gesteld dat het door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken opgezette ombudsmanmechanisme onvoldoende onafhankelijk is en over onvoldoende feitelijke bevoegdheden beschikt om zijn taken uit te voeren en EU-burgers doeltreffende verhaalmiddelen te bieden; wijst erop dat de onlangs aangetreden Amerikaanse regering nog geen nieuwe ombudsman heeft benoemd, nadat er een einde is gekomen aan de ambtstermijn van de staatssecretaris voor economische groei, energie en milieu, die in juli 2016 voor deze functie is aangewezen; is van mening dat bij gebrek aan een benoemde onafhankelijke ombudspersoon met voldoende bevoegdheden, de garanties van de VS inzake doeltreffende verhaalsmogelijkheden voor EU-burgers van nul en generlei waarde zijn; is hoe dan ook bezorgd over het feit dat iemand die het slachtoffer is van niet-naleving van de regels, uitsluitend om informatie, wissing dan wel stopzetting van verdere verwerking van de gegevens kan verzoeken, maar geen aanspraak kan maken op schadevergoeding;

28.  stelt met bezorgdheid vast dat drie van de vijf posten bij de Federal Trade Commission (FTC), die verantwoordelijk is voor de handhaving van het privacyschild, per 30 maart 2017 niet vervuld zijn;

29.  betreurt dat de procedure tot vaststelling van een gepastheidsbesluit niet voorziet in een formeel overleg met betrokken belanghebbenden, zoals ondernemingen, en in het bijzonder met organisaties die kleine en middelgrote ondernemingen vertegenwoordigen;

30.  betreurt dat de Commissie de procedure tot vaststelling van het uitvoeringsbesluit op pragmatische wijze heeft gevolgd waardoor het Parlement de ontwerpuitvoeringshandeling de facto niet op doeltreffende wijze heeft kunnen toetsen;

31.  verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het privacyschild volledig voldoet aan Verordening (EU) 2016/679, die met ingang van 16 mei 2018 moet worden toegepast, en aan het EU-Handvest;

32.  verzoekt de Commissie met name te waarborgen dat persoonsgegevens die op grond van het privacyschild aan de VS zijn doorgegeven uitsluitend aan een ander derde land worden doorgegeven wanneer de doorgifte verenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verzameld, en wanneer dezelfde regels voor specifieke en gerichte toegang voor rechtshandhaving van toepassing zijn in het derde land;

33.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat persoonsgegevens die niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij oorspronkelijk zijn verzameld, worden gewist, ook door rechtshandhavingsinstanties;

34.  verzoekt de Commissie nauwlettend na te gaan of het privacyschild de gegevensbeschermingsautoriteiten in staat stelt al hun bevoegdheden volledig uit te oefenen en, indien dat niet het geval is, aan te geven welke bepalingen een belemmering vormen voor de bevoegdheidsuitoefening van de gegevensbeschermingsautoriteiten;

35.  verzoekt de Commissie tijdens de eerste gezamenlijke jaarlijkse evaluatie een grondige en diepgaande analyse te maken van alle tekortkomingen en zwakheden die in deze resolutie en in zijn resolutie van 26 mei 2016 over trans-Atlantische gegevensstromen aan de orde zijn gesteld, alsook van de tekortkomingen en zwakheden die door de Groep artikel 29, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de belanghebbenden zijn vastgesteld, en aan te tonen hoe deze tekortkomingen en zwakheden zijn aangepakt om ervoor te zorgen dat het EU‑Handvest en de wetgeving van de Unie worden nageleefd, en nauwkeurig de effectiviteit en uitvoerbaarheid te beoordelen van de in de toezeggingen en verduidelijkingen van de Amerikaanse regering genoemde mechanismen en garanties;

36.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle leden van het team die de gezamenlijke jaarlijkse evaluatie zullen uitvoeren, volledige en onbeperkte toegang hebben tot alle documenten en gebouwen die nodig zijn voor het uitvoeren van hun taken, met inbegrip van elementen die een degelijke evaluatie mogelijk maken van de noodzaak en evenredigheid van de verzameling van en toegang tot gegevens die door overheidsinstanties zijn doorgegeven, voor rechtshandhavings- dan wel veiligheidsdoeleinden;

37.  benadrukt dat de onafhankelijkheid van alle leden van het team van de gezamenlijke evaluatie bij het uitvoeren van de taken moet worden gewaarborgd en dat alle leden het recht moeten hebben hun eigen afwijkende mening te verwoorden in het eindverslag van de gezamenlijke evaluatie, die openbaar worden gemaakt en gehecht aan het gezamenlijk verslag;

38.  verzoekt de gegevensbeschermingsautoriteiten van de Unie de werking van het EU‑VS-privacyschild nauwkeurig te volgen en hun bevoegdheden uit te oefenen, met inbegrip van het opschorten of het volledig verbieden van persoonsgegevensstromen naar een bij het EU‑VS-privacyschild aangesloten organisatie als ze menen dat de grondrechten van privacy en bescherming van persoonsgegevens van betrokkenen in de Unie niet zijn gewaarborgd;

39.  benadrukt dat het Parlement volledige toegang moet krijgen tot elk relevant document dat verband houdt met de gezamenlijke jaarlijkse evaluatie;

40.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, en de regering en het Congres van de Verenigde Staten.

(1) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.
(2) PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.
(3) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(4) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(5) ECLI:EU:C:2015:650.
(6) ECLI:EU:C:2016:970.
(7) PB L 207 van 1.8.2016, blz. 1.
(8) PB C 257 van 15.7.2016, blz. 8.
(9) http://ec.europa.eu/justice/data-protection/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2016/wp238_en.pdf
(10) http://ec.europa.eu/justice/data-protection/article-29/press-material/press-release/art29_press_material/2016/20160726_wp29_wp_statement_eu_us_privacy_shield_en.pdf
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0233.

Juridische mededeling