Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 27 april 2017 - BrusselDefinitieve uitgave
Verzoek om opheffing van de immuniteit van António Marinho e Pinto
 Het Uniemerk ***I
 Verdrag van Minamata inzake kwik ***
 Hybride mismatches met derde landen *
 Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Denemarken en Europol *
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer
 Jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2015
 Steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017–2020 ***I
 Europees Jaar van het cultureel erfgoed ***I
 Unieprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen ***I
 Programma van de Unie ter vergroting van de betrokkenheid van consumenten bij de beleidsvorming op het gebied van financiële diensten ***I
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europese Commissie en uitvoerende agentschappen
 Kwijting 2015: speciale verslagen van de Europese Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - het achtste, negende, tiende en elfde EOF
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europees Parlement
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU – Europese Raad en Raad
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Hof van Justitie
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Rekenkamer
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU – Europees Economisch en Sociaal Comité
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Comité van de Regio's
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europese Dienst voor extern optreden
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europese ombudsman
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
 Kwijting 2015: prestaties, financieel beheer en controle van de EU-agentschappen
 Kwijting 2015: Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)
 Kwijting 2015: Bureau van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC)
 Kwijting 2015: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT)
 Kwijting 2015: Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop)
 Kwijting 2015: Europese Politieacademie (CEPOL)
 Kwijting 2015: Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)
 Kwijting 2015: Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)
 Kwijting 2015: Europese Bankautoriteit (EBA)
 Kwijting 2015: Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC)
 Kwijting 2015: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)
 Kwijting 2015: Europees Milieuagentschap (EEA)
 Kwijting 2015: Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA)
 Kwijting 2015: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)
 Kwijting 2015: Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE)
 Kwijting 2015: Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa)
 Kwijting 2015: Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT)
 Kwijting 2015: Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)
 Kwijting 2015: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD)
 Kwijting 2015: Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA)
 Kwijting 2015: Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa)
 Kwijting 2015: Europees Spoorwegbureau (ERA)
 Kwijting 2015: Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)
 Kwijting 2015: Europese Stichting voor opleiding (ETF)
 Kwijting 2015: Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA)
 Kwijting 2015: Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA)
 Kwijting 2015: Voorzieningsagentschap van Euratom (ESA)
 Kwijting 2015: Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound)
 Kwijting 2015: Dienst van de Europese Unie voor justitiële samenwerking (Eurojust)
 Kwijting 2015: Europese Politiedienst (Europol)
 Kwijting 2015: Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)
 Kwijting 2015: Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)
 Kwijting 2015: Europees GNSS-Agentschap (GSA)
 Kwijting 2015: Biogebaseerde industrieën (BBI)
 Kwijting 2015: Gemeenschappelijke onderneming Clean Sky 2
 Kwijting 2015: Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel
 Kwijting 2015: Gemeenschappelijke onderneming brandstofcellen en waterstof 2 (FCH)
 Kwijting 2015: Gemeenschappelijke onderneming voor het initiatief innovatieve geneesmiddelen 2 (IMI)
 Kwijting 2015: Gemeenschappelijke Onderneming ITER
 Kwijting 2015: Gemeenschappelijke onderneming - Sesar
 Het beheer van de visserijvloten in de ultraperifere gebieden
 EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector
 Stand van zaken in verband met de concentratie van landbouwgrond in de EU: manieren om landbouwers betere toegang tot land te geven
 Jaarverslag over de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank
 Tenuitvoerlegging van de richtlijn mijnbouwafval
 Situatie in Venezuela

Verzoek om opheffing van de immuniteit van António Marinho e Pinto
PDF 164kWORD 44k
Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van António Marinho e Pinto (2016/2294(IMM))
P8_TA(2017)0132A8-0163/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van António Marinho e Pinto, dat op 23 september 2016 werd ingediend door Miguel Pereira da Rosa, rechter bij de arrondissementsrechtbank van Lissabon-West (Oeiras) in verband met een gerechtelijk onderzoek (ref. 4759/15.2TDLSB) in het kader van een tegen hem ingestelde strafvordering, en dat op 24 oktober 2016 tijdens de plenaire vergadering bekend werd gemaakt,

–  gezien de brief van de bevoegde substituut van de procureur-generaal d.d. 12 december 2016, waarin de uitspraken van António Marinho e Pinto zijn opgenomen,

–  na António Marinho e Pinto op 22 maart 2017 te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 11, leden 1, 2, 3 en 5, van wet 7/93 van 1 maart 1993 betreffende het statuut van de Portugese afgevaardigden en de omzendbrief van het parket-generaal nr. 3/2011 van 10 oktober 2011,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0163/2017),

A.  overwegende dat de rechter bij de arrondissementsrechtbank van Lissabon-West (Oeiras) een verzoek heeft ingediend om opheffing van de parlementaire immuniteit van António Marinho e Pinto, lid van het Europees Parlement, in het kader van een tegen hem ingestelde vordering betreffende een vermeend delict;

B.  overwegende dat de opheffing van de parlementaire immuniteit van António Marinho e Pinto betrekking heeft op een vermeend delict van strafrechtelijke smaad, zoals bedoeld in artikel 180, lid 1, en artikel 183, lid 2, van het Portugese strafwetboek, dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van maximaal twee jaar, alsook op een delict van schade aan een organisatie, een dienst of een rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 187, lid 1, en lid 2, onder a), van het Portugees strafwetboek, dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van maximaal twee jaar;

C.  overwegende dat de liefdadigheidsinstelling Santa Casa de Misericórdia de Lisboa een klacht heeft ingediend tegen António Marinho e Pinto;

D.  overwegende dat de klacht betrekking had op verklaringen die op 30 mei 2015 werden afgelegd door António Marinho e Pinto tijdens een interview in de uitzending "A Propósito" van de Portugese zender SIC Notícias, die gepresenteerd werd door António José Teixeira en die om 21.00 uur werd uitgezonden; overwegende dat António Marinho e Pinto in dit interview het volgende zou hebben gezegd: "Wat de sociale zekerheid betreft, vind ik dat het aspect solidariteit apart moet worden gezien. Solidariteit valt onder de bevoegdheid van de overheid en mag niet betaald worden ten koste van de werknemerspensioenen, begrijpt u? Daarvoor moet de algemene staatsbegroting worden gebruikt. De sociale solidariteit moet gefinancierd worden door middel van belastingen, door die reusachtige instelling, de Misericórdia van Lissabon, die het beheer heeft over ettelijke miljoenen, geld dat vaak verspild wordt voor persoonlijk gewin en ten behoeve van persoonlijke belangen [...] Ik denk dat mijnheer Manuel Rebelo de Sousa beter zou zijn dan mijnheer Pedro Santana Lopes, gezien de ervaringen met mijnheer Santana Lopes in de regering. Het was overigens interessant om te zien hoe de directeur, de directeur van de Santa Casa da Misericórdia de Lisboa, aan zijn kandidatuur werkt en met welk geld en welke middelen.";

E.  overwegende dat artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

F.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een Europees afgevaardigde is uitgebracht "in de uitoefening van [zijn] ambt", zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en duidelijk(2);

G.  overwegende dat overeenkomstig artikel 9 van ditzelfde protocol, de leden op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

H.  overwegende dat overeenkomstig artikel 11, leden 1, 2, 3 en 5, van wet 7/93 van 1 maart 1993 betreffende het statuut van de Portugese afgevaardigden en de omzendbrief van het parket-generaal nr. 3/2011 van 10 oktober 2011, António de Sousa Marinho e Pinto niet kan worden ondervraagd noch in staat van beschuldiging kan worden gesteld zonder voorafgaande toestemming van het Europees Parlement;

I.  overwegende dat de vermeende daden geen rechtstreeks of vanzelfsprekend verband houden met de uitoefening door António Marinho e Pinto van zijn functies als lid van het Europees Parlement; dat zij eerder betrekking hebben op activiteiten met een louter nationaal karakter, aangezien de uitspraken gedaan zijn in een uitzending in Portugal en gaan over een specifiek Portugees onderwerp dat verband houdt met de bestuur van een vereniging naar nationaal recht;

J.  overwegende dat de vermeende daden dus geen betrekking hebben op meningen die de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

K.  overwegende dat de beschuldiging duidelijk geen verband houdt met het statuut van António Marinho e Pinto als lid van het Europees Parlement;

L.  overwegende dat er geen reden is om aan te nemen dat er sprake is van een fumus persecutionis, dat wil zeggen een voldoende ernstig en nauwkeurig vermoeden dat de procedure is ingeleid om de politieke activiteiten van het lid van het Parlement te schaden;

1.  besluit de immuniteit van António Marinho e Pinto op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de rechter van de arrondissementsrechtbank van Lissabon-West (Oeiras) en aan António Marinho e Pinto.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T‑345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C‑200/07 en C‑201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T‑42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C‑163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Gevoegde zaken T-346/11 en T-347/11, Gollnisch/Parlement, hoger genoemd arrest.


Het Uniemerk ***I
PDF 241kWORD 49k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Uniemerk (gecodificeerde tekst) (COM(2016)0702 – C8-0439/2016 – 2016/0345(COD))
P8_TA(2017)0133A8-0054/2017

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0702),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 118 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0439/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(1),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0054/2017),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie louter een codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderhavig standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad inzake het Uniemerk (codificatie)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1001.)

(1) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.


Verdrag van Minamata inzake kwik ***
PDF 236kWORD 41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Verdrag van Minamata inzake kwik (05925/2017 – C8-0102/2017 – 2016/0021(NLE))
P8_TA(2017)0134A8-0067/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (05925/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0102/2017),

–  gezien artikel 99, lid 1, en lid 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0067/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het Verdrag van Minamata inzake kwik;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, en aan de Verenigde Naties.


Hybride mismatches met derde landen *
PDF 440kWORD 55k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybride mismatches met derde landen (COM(2016)0687 – C8-0464/2016 – 2016/0339(CNS))
P8_TA(2017)0135A8-0134/2017

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0687),

–  gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0464/2016),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Nederlandse Eerste kamer, de Nederlandse Tweede kamer en het Zweedse parlement, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien de andere bijdragen die door de Tsjechische senaat, de Duitse bondsraad, het Spaanse parlement en het Portugese parlement zijn ingediend met betrekking tot het ontwerp van wetgevingshandeling,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(1),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie(2),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(3),

–  gezien het besluit van de Commissie van 30 augustus 2016 over steunmaatregel SA.38373 (2014/C) (ex 2014/NN) (ex 2014/CP), door Ierland toegepast op Apple, en de open onderzoeken van de Commissie naar de vermeende steun van Luxemburg voor McDonald's en Amazon,

–  gezien de lopende werkzaamheden van zijn enquêtecommissie, die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0134/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
4)  Richtlijn (EU) 2016/1164 biedt een kader om hybride mismatchstructuren aan te pakken.
4)  Richtlijn (EU) 2016/1164 biedt een eerste kader om hybride mismatchstructuren aan te pakken, dat evenwel hybride mismatches niet alomvattend en stelselmatig uitbant en waarvan het toepassingsgebied beperkt is tot de Unie.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
4 bis)   Aan het BEPS-initiatief ligt ook de verklaring van de leiders van de G20 tijdens hun bijeenkomst in Sint Petersburg op 5 en 6 september 2013 ten grondslag, waarin zij uitdrukking geven aan hun wens dat winsten worden belast waar de tot die winsten leidende economische activiteiten plaatsvinden en waar waarde wordt gecreëerd. In de praktijk zou daarvoor de invoering van unitaire belastingheffing nodig zijn geweest, met toewijzing van de belastinginkomsten aan staten op grond van een formule. Deze doelstelling is niet verwezenlijkt.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
5)  Er dient een alomvattende regeling voor het neutraliseren van hybride mismatches te worden vastgesteld. Aangezien Richtlijn (EU) 2016/1164 uitsluitend ziet op hybride mismatchstructuren bij de wisselwerking tussen de vennootschapsbelastingstelsels van de lidstaten, heeft de Raad (Ecofin) op 20 juni 2016 een verklaring afgelegd waarin hij de Commissie verzocht om – met het oog op een akkoord voor eind 2016 – in oktober 2016 een voorstel in te dienen over hybride mismatches waarbij derde landen betrokken zijn, teneinde te voorzien in regels die in overeenstemming zijn met en niet minder doeltreffend zijn dan de regels die in het OESO-verslag over BEPS-actie 2 worden aanbevolen.
5)  Het is van zeer groot belang dat een alomvattende regeling voor het neutraliseren van hybride mismatches en mismatches van hybride entiteiten en bijkantoren wordt vastgesteld. Aangezien Richtlijn (EU) 2016/1164 uitsluitend betrekking heeft op hybride mismatchstructuren bij de wisselwerking tussen de vennootschapsbelastingstelsels van de lidstaten, heeft de Raad (Ecofin) op 20 juni 2016 een verklaring afgelegd waarin hij de Commissie verzocht om – met het oog op een akkoord voor eind 2016 – in oktober 2016 een voorstel in te dienen over hybride mismatches waarbij derde landen betrokken zijn, teneinde te voorzien in regels die in overeenstemming zijn met en niet minder doeltreffend zijn dan de regels die in het OESO-verslag over BEPS-actie 2 worden aanbevolen.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
5 bis)   Er moet ook rekening worden gehouden met de effecten van hybride mismatchstructuren voor ontwikkelingslanden, en de Unie en haar lidstaten moeten ernaar streven ontwikkelingslanden te helpen bij het aanpakken van die effecten.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
6)  Overwegende dat [onder meer in overweging 13 van Richtlijn (EU) 2016/1164 is bepaald dat] het van cruciaal belang is dat meer wordt gedaan aan andere hybride mismatches zoals die waarbij vaste inrichtingen zijn betrokken, is het zaak in deze richtlijn ook bepalingen op te nemen betreffende mismatches bij hybride vaste inrichtingen.
6)  Overwegende dat [onder meer in overweging 13 van Richtlijn (EU) 2016/1164 is bepaald dat] het van cruciaal belang is dat meer wordt gedaan aan andere hybride mismatches zoals die waarbij vaste inrichtingen zijn betrokken, waaronder buiten beschouwing blijvende vaste inrichtingen, is het zaak in Richtlijn (EU) 2016/1164 ook bepalingen op te nemen betreffende mismatches bij hybride vaste inrichtingen. Bij de aanpak van dergelijke mismatches moet rekening worden gehouden met de aanbevelingen in het ontwerpraadplegingsdocument van de OESO van 22 augustus 2016, getiteld "BEPS Actie 2 - Mismatches van hybride entiteiten en bijkantoren".
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
7)  Teneinde te voorzien in een alomvattend kader dat spoort met het BEPS-rapport van de OESO over hybride mismatchstructuren, is het zaak dat Richtlijn (EU) 2016/1164 ook regels bevat betreffende hybride overdrachten, geïmporteerde mismatches en mismatches bij dubbel inwonerschap, om te voorkomen dat belastingplichtigen gebruikmaken van resterende lacunes.
7)  Teneinde te voorzien in een kader dat spoort met en niet minder doeltreffend is dan het BEPS-rapport van de OESO over regelingen met een hybridemismatch, is het zaak dat Richtlijn (EU) 2016/1164 ook regels bevat betreffende hybride overdrachten en geïmporteerde mismatches, en iets doet aan het volledige scala van resultaten van dubbele aftrek, om te voorkomen dat belastingplichtigen gebruikmaken van resterende lacunes. Die regels moeten zoveel mogelijke worden gestandaardiseerd en gecoördineerd tussen de lidstaten. De lidstaten moeten overwegen boetes in te voeren voor belastingbetalers die gebruik maken van hybride mismatches.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
7 bis)   Er moeten regels worden vastgesteld om een einde te maken aan het hanteren van verschillende belastingtijdvakken in de afzonderlijke rechtsgebieden die leiden tot mismatches in de het belastingresultaat. De lidstaten moeten zich ervan vergewissen dat belastingplichtigen betalingen in alle betrokken rechtsgebieden binnen een redelijke termijn melden. De nationale autoriteiten moeten bovendien alle oorzaken van hybride mismatches nagaan, eventuele lacunes opvullen en agressieve fiscale planning voorkomen, in plaats van enkel uit te zijn op belastingopbrengsten.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
8)  Aangezien Richtlijn (EU) 2016/1164 regels bevat betreffende hybride mismatches tussen lidstaten, is het dienstig in die richtlijn ook regels betreffende hybride mismatches met derde landen op te nemen. Deze regels moeten bijgevolg toepassing vinden op alle belastingplichtigen die in een lidstaat aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, daaronder begrepen vaste inrichtingen van entiteiten die inwoner van een derde land zijn. Deze regels dienen alle hybride mismatchstructuren af te dekken waarbij ten minste één van de betrokken partijen een belastingplichtige vennootschap in een lidstaat is.
8)  Aangezien Richtlijn (EU) 2016/1164 regels bevat betreffende hybride mismatches tussen lidstaten, is het dienstig in die richtlijn ook regels betreffende hybride mismatches met derde landen op te nemen. Deze regels moeten bijgevolg toepassing vinden op alle belastingplichtigen die in een lidstaat aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, daaronder begrepen vaste inrichtingen van entiteiten die inwoner van een derde land zijn. Deze regels dienen alle hybride mismatch- of gerelateerde structuren af te dekken waarbij ten minste één van de betrokken partijen een belastingplichtige vennootschap in een lidstaat is.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
9)  Hybride mismatchregels moeten mismatchsituaties aanpakken die het gevolg zijn van tegenstrijdige belastingregels van twee (of meer) rechtsgebieden. Deze regels mogen de algemene kenmerken van het belastingstelsel van een rechtsgebied echter niet beïnvloeden.
9)  Het is van essentieel belang dat hybride mismatchregels automatisch van toepassing zijn op grensoverschrijdende betalingen met aftrek door de verrichter van de betaling, zonder dat het motief van belastingontwijking hoeft te worden aangetoond, en mismatchsituaties aanpakken die het gevolg zijn van een dubbele aftrek, tegenstrijdigheden in de wettelijke kwalificatie van financiële instrumenten, betalingen en entiteiten, of tegenstrijdigheden in de toerekening van betalingen. Aangezien mismatches in verband met hybride structuren tot een dubbele aftrek of tot een aftrek zonder betrekking in de heffing zouden kunnen leiden, moeten regels worden vastgesteld volgens welke de betrokken lidstaat de aftrek van een betaling, kosten of verliezen weigert dan wel eist dat de belastingplichtige de betaling in zijn belastbare inkomsten opneemt.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
9 bis)   Mismatches bij hybride vaste inrichtingen doen zich voor wanneer verschillen in de regels in het rechtsgebied van de vaste inrichting en het rechtsgebied van inwonerschap voor de toerekening van inkomsten en uitgaven tussen verschillende onderdelen van dezelfde entiteit aanleiding geven tot een mismatch met betrekking tot de belastingresultaten, waaronder de gevallen waarin een mismatch ontstaat doordat een vaste inrichting krachtens de wetgeving van het rechtsgebied van het bijkantoor buiten beschouwing blijft. Die mismatches kunnen ertoe leiden dat belasting achterwege blijft zonder dat er sprake is van betrekking in de heffing, tot een dubbele aftrek of tot een aftrek zonder betrekking in de heffing, en moeten dus worden weggenomen. In geval van buiten beschouwing blijvende vaste inrichtingen moet de lidstaat waarvan de belastingplichtige inwoner is van de belastingplichtige eisen dat hij de inkomsten die anders aan de vaste inrichting zouden worden toegerekend, in zijn belastbaar inkomen betrekt.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
10)   Met het oog op de evenredigheid is het noodzakelijk om alleen de gevallen aan te pakken waarin het risico van belastingontwijking door gebruik van hybride mismatches aanzienlijk is. Het is derhalve passend te voorzien in bepalingen betreffende hybride mismatchstructuren tussen een belastingplichtige en zijn gelieerde ondernemingen en hybride mismatches als gevolg van een gestructureerde regeling waarbij een belastingplichtige is betrokken.
Schrappen
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
11)   Om ervoor te zorgen dat de definitie van "gelieerde onderneming" breed genoeg is voor de toepassing van de hybride mismatchregels, dient die definitie ook te zien op een entiteit die deel uitmaakt van dezelfde voor de boekhouding geconsolideerde groep, een onderneming waarin de belastingplichtige invloed van betekenis op de leiding uitoefent en, omgekeerd, een onderneming die invloed van betekenis op de leiding van de belastingplichtige uitoefent.
Schrappen
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
12)   Mismatches die specifiek samenhangen houden met het hybride karakter van een entiteit, moeten alleen worden aangepakt wanneer een van de gelieerde ondernemingen — minimaal — effectieve zeggenschap over de andere gelieerde ondernemingen heeft. Bijgevolg moet in die gevallen worden vereist dat een gelieerde onderneming door de belastingplichtige of een andere gelieerde onderneming wordt gehouden, dan wel dat zij zelf de belastingplichtige of een andere gelieerde onderneming houdt, door middel van een deelneming in de stemrechten, het kapitaalbezit of de winstgerechtigdheid van 50 procent of meer.
Schrappen
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
15)  Aangezien mismatches bij hybride entiteiten waarbij derde landen zijn betrokken, tot een dubbele aftrek of tot een aftrek zonder betrekking in de heffing kunnen leiden, moeten regels worden vastgesteld volgens welke de betrokken lidstaat de aftrek van een betaling, kosten of verliezen weigert dan wel eist dat de belastingplichtige de betaling in zijn belastbare inkomsten opneemt, naar gelang van het geval.
15)  Aangezien mismatches bij hybride entiteiten waarbij derde landen zijn betrokken in meerdere gevallen tot een dubbele aftrek of tot een aftrek zonder betrekking in de heffing leiden, moeten regels worden vastgesteld volgens welke de betrokken lidstaat de aftrek van een betaling, kosten of verliezen weigert dan wel eist dat de belastingplichtige de betaling in zijn belastbare inkomsten opneemt, naar gelang van het geval.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
17)  Hybride overdrachten kunnen aanleiding geven tot een verschil in fiscale behandeling indien, als gevolg van een overdracht van een financieel instrument in het kader van een gestructureerde regeling, de onderliggende opbrengst van dat instrument wordt behandeld alsof deze tegelijkertijd is verkregen door meer dan een van de partijen bij de regeling. De onderliggende opbrengst zijn de inkomsten die samenhangen met en verkregen worden uit het overgedragen instrument. Dit verschil in fiscale behandeling kan leiden tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of tot een verrekening van dezelfde bronbelasting in twee verschillende rechtsgebieden. Deze mismatches moeten dus worden weggenomen. In het geval van een aftrek zonder betrekking in de heffing moeten dezelfde regels gelden als voor het neutraliseren van een mismatch bij een hybride financieel instrument of een hybride entiteit die tot een aftrek zonder betrekking in de heffing leidt. In het geval van een dubbele verrekening moet de betrokken lidstaat het voordeel van de verrekening beperken naar evenredigheid van de netto belastbare inkomsten ter zake van de onderliggende opbrengst.
17)  Hybride overdrachten kunnen aanleiding geven tot een verschil in fiscale behandeling indien, als gevolg van een overdracht van een financieel instrument, de onderliggende opbrengst van dat instrument wordt behandeld alsof deze tegelijkertijd is verkregen door meer dan een van de partijen bij de regeling. De onderliggende opbrengst zijn de inkomsten die samenhangen met en verkregen worden uit het overgedragen instrument. Dit verschil in fiscale behandeling kan leiden tot een aftrek zonder betrekking in de heffing of tot een verrekening van dezelfde bronbelasting in twee verschillende rechtsgebieden. Deze mismatches moeten dus worden weggenomen. In het geval van een aftrek zonder betrekking in de heffing moeten dezelfde regels gelden als voor het neutraliseren van een mismatch bij een hybride financieel instrument of een hybride entiteit die tot een aftrek zonder betrekking in de heffing leidt. In het geval van een dubbele verrekening moet de betrokken lidstaat het voordeel van de verrekening beperken naar evenredigheid van de netto belastbare inkomsten ter zake van de onderliggende opbrengst.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
19)  Geïmporteerde mismatches verschuiven het effect van een hybride mismatch tussen partijen in derde landen met behulp van een niet-hybride instrument naar het rechtsgebied van een lidstaat en ondermijnen zo de doeltreffendheid van de regels die hybride mismatches neutraliseren. Een aftrekbare betaling in een lidstaat kan worden gebruikt voor de financiering van uitgaven in het kader van een gestructureerde regeling waarbij sprake is van een hybride mismatch tussen derde landen. Om dergelijke mismatches tegen te gaan, moet worden voorzien in bepalingen die de aftrek van een betaling verbieden wanneer de overeenkomstige inkomsten uit die betaling, direct of indirect, worden afgezet tegen een aftrek in het kader van een hybride mismatchstructuur die aanleiding geeft tot een dubbele aftrek of tot een aftrek zonder betrekking in de heffing tussen derde landen.
19)  Geïmporteerde mismatches verschuiven het effect van een hybride mismatch tussen partijen in derde landen met behulp van een niet-hybride instrument naar het rechtsgebied van een lidstaat en ondermijnen zo de doeltreffendheid van de regels die hybride mismatches neutraliseren. Een aftrekbare betaling in een lidstaat kan worden gebruikt voor de financiering van uitgaven in het kader van een gestructureerde regeling waarbij sprake is van een hybride mismatch tussen derde landen. Om dergelijke mismatches tegen te gaan, moet worden voorzien in bepalingen die de aftrek van een betaling verbieden wanneer de overeenkomstige inkomsten uit die betaling, direct of indirect, worden afgezet tegen een aftrek in het kader van een hybride mismatch- of gerelateerde structuur die aanleiding geeft tot een dubbele aftrek of tot een aftrek zonder betrekking in de heffing tussen derde landen.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
21)  De doelstelling van deze richtlijn bestaat erin de interne markt als geheel beter te wapenen tegen hybride mismatchstructuren. Dit kan niet voldoende worden verwezenlijkt als de lidstaten elk afzonderlijk optreden, aangezien de nationale vennootschapsbelastingstelsels van elkaar verschillen en onafhankelijk optreden van de lidstaten slechts de bestaande versnippering van de interne markt op het gebied van de directe belastingen zou reproduceren. Dergelijk optreden zou dus geen einde maken aan inefficiënties en verstoringen bij de interactie van aparte nationale maatregelen. Een gebrek aan coördinatie zou hiervan het resultaat zijn. Gelet op het grensoverschrijdende karakter van hybride mismatchstructuren en de behoefte aan oplossingen die voor de interne markt als geheel werken, kan deze doelstelling beter op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt. Daarom kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. Door te voorzien in het vereiste niveau van bescherming voor de interne markt, strekt deze richtlijn er alleen toe het noodzakelijke niveau van coördinatie binnen de Unie te bereiken om haar doelstellingen te verwezenlijken.
21)  De doelstelling van deze richtlijn bestaat erin de interne markt als geheel beter te wapenen tegen hybride mismatches. Dit kan niet voldoende worden verwezenlijkt als de lidstaten elk afzonderlijk optreden, aangezien de nationale vennootschapsbelastingstelsels van elkaar verschillen en onafhankelijk optreden van de lidstaten slechts de bestaande versnippering van de interne markt op het gebied van de directe belastingen zou reproduceren. Dergelijk optreden zou dus geen einde maken aan inefficiënties en verstoringen bij de interactie van aparte nationale maatregelen. Een gebrek aan coördinatie zou hiervan het resultaat zijn. Gelet op het grensoverschrijdende karakter van hybride mismatches en de behoefte aan oplossingen die voor de interne markt als geheel werken, kan deze doelstelling beter op het niveau van de Unie worden verwezenlijkt. Daarom kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen, waaronder - wat de belastingen voor multinationale ondernemingen betreft - de overstap van een "afzonderlijke-entiteitenbenadering" op een unitaire benadering. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. Door te voorzien in het vereiste niveau van bescherming voor de interne markt, strekt deze richtlijn er alleen toe het noodzakelijke niveau van coördinatie binnen de Unie te bereiken om haar doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21 bis (nieuw)
21 bis)   Om een duidelijke en doeltreffende toepassing en consistentie met de aanbevelingen in het rapport van de OESO getiteld "Het neutraliseren van de effecten van hybride mismatchstructuren" te waarborgen, moet actie 2 – definitief verslag van 2015 worden benadrukt.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
23)  De Commissie dient vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn de tenuitvoerlegging ervan te evalueren en verslag uit te brengen bij de Raad. De lidstaten dienen de Commissie alle voor deze evaluatie noodzakelijke informatie te verstrekken,
23)  De Commissie dient de tenuitvoerlegging van deze richtlijn iedere drie jaar na de inwerkingtreding ervan te evalueren en verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten dienen de Commissie alle voor deze evaluatie noodzakelijke informatie te verstrekken.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23 bis (nieuw)
23 bis)   De lidstaten moeten alle relevante vertrouwelijke informatie delen en beste praktijken uitwisselen om hybride mismatches tegen te gaan en de uniforme uitvoering van Richtlijn (EU) 2016/1164 te verzekeren.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea -1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 1 – alinea 1 bis (nieuw)
-1)   Aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:
"Artikel 9 bis geldt tevens voor alle entiteiten die door een lidstaat als fiscaal transparant worden aangemerkt.”
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 4 – alinea 3
a)   in punt 4 wordt de derde alinea vervangen door:
Schrappen
"Voor de toepassing van artikel 9 wordt onder gelieerde onderneming ook verstaan een entiteit die deel uitmaakt van dezelfde voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep als de belastingplichtige, een onderneming waarin de belastingplichtige invloed van betekenis op de leiding uitoefent of een onderneming die invloed van betekenis op de leiding van de belastingplichtige uitoefent. Wanneer een hybride entiteit bij de mismatch is betrokken, wordt de definitie van gelieerde onderneming gewijzigd zodat het vereiste van 25 percent wordt vervangen door een vereiste van 50 percent";
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter -a bis (nieuw)
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 4 – alinea 3
a bis)   in punt 4 wordt de derde alinea geschrapt;
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 – alinea 1 – inleidende formule
'(9) hybride mismatch: een situatie tussen een belastingplichtige en een gelieerde onderneming of een gestructureerde regeling tussen partijen in verschillende fiscale rechtsgebieden waarin een van de volgende resultaten te wijten is aan verschillen in de juridische kwalificatie van een financieel instrument of een entiteit, of aan de aanmerking van een commerciële aanwezigheid als vaste inrichting:
'(9) hybride mismatch: een situatie tussen een belastingplichtige en een andere entiteit waarin een van de volgende resultaten te wijten is aan verschillen in de juridische kwalificatie van een financieel instrument of een betaling uit hoofde ervan, of te wijten is aan verschillen in de erkenning van betalingen aan of betalingen, kosten of verliezen van een hybride entiteit of permanente inrichting of aan verschillen in de erkenning van een veronderstelde betaling tussen twee delen van dezelfde belastingplichtige of in de erkenning van een commerciële aanwezigheid als vaste inrichting:
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 – alinea 1 – letter b
(b)  een betaling wordt in aftrek gebracht van de belastbare grondslag in het rechtsgebied waar de betaling haar oorsprong vindt, zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in het andere rechtsgebied in de heffing wordt betrokken ("aftrek zonder betrekking in de heffing");
(b)  een betaling wordt in aftrek gebracht van de belastbare grondslag in ieder rechtsgebied waar de betaling als verricht wordt aangemerkt ("rechtsgebied van de betaler"), zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in enig ander rechtsgebied waar de betaling als ontvangen wordt aangemerkt ("rechtsgebied van de ontvanger") in de heffing wordt betrokken ("aftrek zonder betrekking in de heffing");
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 – alinea 1 – letter c
(c)  in geval van verschillen bij de aanmerking van een commerciële aanwezigheid als vaste inrichting, het onbelast blijven van inkomsten die hun oorsprong vinden in een rechtsgebied, zonder dat deze inkomsten op overeenkomstige wijze in het andere rechtsgebied in de heffing worden betrokken ("onbelast zonder betrekking in de heffing").
(c)  in geval van verschillen bij de erkenning van een commerciële aanwezigheid als vaste inrichting, het onbelast blijven van inkomsten die hun oorsprong vinden in een rechtsgebied, zonder dat deze inkomsten op overeenkomstige wijze in het andere rechtsgebied in de heffing worden betrokken ("onbelast zonder betrekking in de heffing");
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)   een betaling aan een hybride entiteit of permanente inrichting geeft aanleiding tot aftrek zonder betrekking in de heffing wanneer de mismatch te wijten is aan verschillen in de erkenning van betalingen aan de permanente inrichting of hybride mismatch;
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 – alinea 1 – letter c ter (nieuw)
c ter)   een betaling geeft aanleiding tot een aftrek zonder betrekking in de heffing als gevolg van een betaling aan een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 – alinea 2
Een hybride mismatch treedt slechts op in zoverre dezelfde in twee rechtsgebieden afgetrokken betaling, gemaakte kosten of geleden verliezen het bedrag aan inkomsten te boven gaan dat in beide rechtsgebieden in de heffing is betrokken en aan dezelfde bron kan worden toegerekend.
Een hybride mismatch die het gevolg is van verschillen in de erkenning van betalingen, kosten of verliezen van een hybride entiteit of permanente inrichting of het gevolg is van verschillen in de erkenning van een veronderstelde betaling tussen twee delen van dezelfde belastingplichtige treedt slechts op in zoverre de aftrek in het rechtsgebied van oorsprong wordt verrekend met een post die niet in de heffing wordt betrokken in beide rechtsgebieden waar de mismatch is opgetreden. Ingeval echter de betaling die aanleiding geeft tot deze hybride mismatch eveneens aanleiding geeft tot een hybride mismatch die te wijten is aan verschillen in de juridische kwalificatie van een financieel instrument of van een betaling uit hoofde ervan, of het gevolg is van verschillen in de erkenning van betalingen aan een hybride entiteit of aan een permanente inrichting, treedt de hybride mismatch uitsluitend op in zoverre de betaling aanleiding geeft tot een aftrek zonder betrekking in de heffing.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 – alinea 3 – inleidende formule
Een hybride mismatch omvat ook de overdracht van een financieel instrument in het kader van een gestructureerde regeling met een belastingplichtige, waarbij de onderliggende opbrengst van het overgedragen financiële instrument voor belastingdoeleinden wordt behandeld alsof deze tegelijkertijd is verkregen door meer dan een van de partijen bij de regeling, die fiscaal inwoner zijn van verschillende rechtsgebieden, met een van de volgende resultaten:
Een hybride mismatch omvat ook de overdracht van een financieel instrument met een belastingplichtige, waarbij de onderliggende opbrengst van het overgedragen financiële instrument voor belastingdoeleinden wordt behandeld alsof deze tegelijkertijd is verkregen door meer dan een van de partijen bij de regeling, die fiscaal inwoner zijn van verschillende rechtsgebieden, met een van de volgende resultaten:
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter -b bis (nieuw)
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 bis (nieuw)
b bis)   het volgende punt wordt toegevoegd:
"9 bis) "hybride entiteit": alle entiteiten of structuren die krachtens de wetgeving van één rechtsgebied voor belastingdoeleinden als een persoon worden beschouwd en waarvan de inkomsten of de uitgaven krachtens de wetgeving van een ander rechtsgebied als de inkomsten of de uitgaven van een of meer personen worden beschouwd;"
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter -b ter (nieuw)
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 9 ter (nieuw)
b ter)   het volgende punt wordt toegevoegd:
"9 ter) "buiten beschouwing blijvende vaste inrichting": een regeling die krachtens de wetgeving van het rechtsgebied van het hoofdkantoor wordt beschouwd als aanleiding gevend tot een vaste inrichting en die krachtens de wetgeving van het rechtsgebied waar de vaste inrichting is gevestigd niet wordt beschouwd als aanleiding gevend tot een vaste inrichting;"
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter c
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 11
11)   "gestructureerde regeling": een regeling waarbij sprake is van een hybride mismatch die al in de voorwaarden van de regeling is verwerkt, dan wel een regeling die zodanig is opgezet dat er een hybride mismatch uit resulteert, tenzij van de belastingplichtige of een gelieerde onderneming niet redelijkerwijs kon worden verwacht dat deze zich bewust waren van de hybride mismatch en zij geen profijt trokken uit het belastingvoordeel dat uit de hybride mismatch voortvloeit.
Schrappen
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter -c bis (nieuw)
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 2 – punt 11 bis (nieuw)
c bis)   het volgende punt wordt toegevoegd:
"11 bis) "rechtsgebied van de betaler": het rechtsgebied waar een hybride entiteit of een permanente inrichting gevestigd is, of waar een betaling behandeld wordt als zijnde daar verricht;"
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 9 – punt 1
1.  Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten leidt tot een dubbele aftrek van dezelfde betaling, kosten of verliezen, wordt de aftrek uitsluitend toegekend in de lidstaat waar een dergelijke betaling haar oorsprong vindt, de kosten zijn gemaakt of de verliezen zijn geleden.
1.  Voor zover een hybride mismatch leidt tot een dubbele aftrek van dezelfde betaling, kosten of verliezen, wordt de aftrek geweigerd in de lidstaat die het rechtsgebied van de investeerder is.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een derde land betrokken is, leidt tot een dubbele aftrek van dezelfde betaling, kosten of verliezen, weigert de betrokken lidstaat de aftrek van dergelijke betalingen, kosten of verliezen, tenzij het derde land dat reeds heeft gedaan.
Ingeval de aftrek niet wordt geweigerd in het rechtsgebied van de investeerder wordt de aftrek geweigerd in het rechtsgebied van de betaler. Voor zover er sprake is van betrokkenheid van een derde land, is het aan de belastingbetaler om aan te tonen dat een aftrek door het derde land is geweigerd.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 9 – lid 2
2.  Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten resulteert in een aftrek zonder betrekking in de heffing, weigert de lidstaat van de betaler de aftrek van die betaling.
2.  Voor zover een hybride mismatch resulteert in een aftrek zonder betrekking in de heffing wordt de aftrek geweigerd in de lidstaat die het rechtsgebied van de betaler is. Indien de aftrek in het rechtsgebied van de betaler niet wordt geweigerd, verlangt de lidstaat in kwestie dat de belastingbetaler het bedrag van de betaling dat anders aanleiding zou geven tot een mismatch, opneemt in de inkomsten in het rechtsgebied van de ontvanger.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een derde land betrokken is, leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing:
i)   indien de betaling haar oorsprong vindt in een lidstaat, weigert die lidstaat de aftrek, of
ii)   indien de betaling haar oorsprong vindt in een derde land, vereist de betrokken lidstaat dat de belastingplichtige die betaling in de heffingsgrondslag begrijpt, tenzij het derde land de aftrek reeds heeft geweigerd of heeft bepaald dat de betaling in de grondslag moet worden begrepen.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 9 – lid 3
3.  Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten waarbij een vaste inrichting betrokken is, ertoe leidt dat belasting achterwege blijft zonder dat er sprake is van betrekking in de heffing, vereist de lidstaat waarvan de belastingplichtige fiscaal inwoner is, dat de belastingplichtige de aan de vaste inrichting toegerekende inkomsten in de heffingsgrondslag begrijpt.
3.  Voor zover een hybride mismatch betrekking heeft op inkomsten van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting die niet aan belasting onderworpen is in de lidstaat waarvan de belastingplichtige fiscaal inwoner is, verplicht deze lidstaat de belastingplichtige ertoe de inkomsten die anders zouden worden toegerekend aan de buiten beschouwing blijvende vaste inrichting, te betrekken in zijn belastbare inkomsten.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een vaste inrichting gelegen in een derde land betrokken is, ertoe leidt dat belasting achterwege blijft zonder dat er sprake is van betrekking in de heffing, vereist de betrokken lidstaat dat de belastingplichtige de aan de vaste inrichting in het derde land toegerekende inkomsten in de heffingsgrondslag begrijpt.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 9 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Lidstaten weigeren een aftrek voor een betaling door een belastingplichtige voor zover deze betaling direct of indirect dient ter financiering van aftrekbare uitgaven die aanleiding geven tot een hybride mismatch middels een transactie of een reeks transacties.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 9 – lid 4
4.  Voor zover een betaling van een belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land direct of indirect wordt afgezet tegen een betaling, kosten of verliezen die ingevolge een hybride mismatch aftrekbaar zijn in twee verschillende rechtsgebieden buiten de Unie, staat de lidstaat van de belastingplichtige niet toe dat de betaling door de belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land van de heffingsgrondslag wordt afgetrokken, tenzij een van de betrokken derde landen de aftrek van de betaling, kosten of verliezen die in twee verschillende rechtsgebieden aftrekbaar zouden zijn, reeds heeft geweigerd.
4.  Voor zover een betaling van een belastingplichtige aan een entiteit in een derde land direct of indirect wordt afgezet tegen een betaling, kosten of verliezen die ingevolge een hybride mismatch aftrekbaar zijn in twee verschillende rechtsgebieden buiten de Unie, staat de lidstaat van de belastingplichtige niet toe dat de betaling door de belastingplichtige in een derde land van de heffingsgrondslag wordt afgetrokken, tenzij een van de betrokken derde landen de aftrek van de betaling, kosten of verliezen die in twee verschillende rechtsgebieden aftrekbaar zouden zijn, reeds heeft geweigerd.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 9 – lid 5
5.  Voor zover de overeenkomstige opname in de heffingsgrondslag van een aftrekbare betaling door een belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land direct of indirect wordt afgezet tegen een betaling die, ingevolge een hybride mismatch, door de ontvanger niet in zijn heffingsgrondslag wordt begrepen, staat de lidstaat van de belastingplichtige niet toe dat de betaling door de belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land van de heffingsgrondslag wordt afgetrokken, tenzij een van de betrokken derde landen de aftrek van de niet in de grondslag begrepen betaling reeds heeft geweigerd.
5.  Voor zover de overeenkomstige opname in de heffingsgrondslag van een aftrekbare betaling door een belastingplichtige in een derde land direct of indirect wordt afgezet tegen een betaling die, ingevolge een hybride mismatch, door de ontvanger niet in zijn heffingsgrondslag wordt begrepen, staat de lidstaat van de belastingplichtige niet toe dat de betaling door de belastingplichtige in een derde land van de heffingsgrondslag wordt afgetrokken, tenzij een van de betrokken derde landen de aftrek van de niet in de grondslag begrepen betaling reeds heeft geweigerd.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea -1 – punt 3 bis (nieuw)
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 9 bis (nieuw)
3 bis)   Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel -9 bis
Omgekeerde hybride mismatches
Indien een of meer gelieerde entiteiten die geen inwoner zijn een winstaandeel hebben in een hybride entiteit die is opgericht of gevestigd in een lidstaat, zich bevinden in een rechtsgebied dat of in rechtsgebieden die de hybride entiteit als een belastingplichtige aanmerken, wordt de hybride entiteit beschouwd als inwoner van die lidstaat en belast op haar inkomsten voor zover die inkomsten niet anderszins worden belast krachtens de wetgeving van die lidstaat of een ander rechtsgebied."
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn (EU) 2016/1164
Artikel 9 bis – lid 1
Voor zover een betaling, kosten of verliezen van een belastingplichtige die fiscaal inwoner is van zowel een lidstaat als een derde land, overeenkomstig de wetten van die lidstaat en dat derde land in beide rechtsgebieden van de heffingsgrondslag aftrekbaar zijn en die betaling, kosten of verliezen in de lidstaat van de belastingplichtige kunnen worden afgezet tegen belastbare inkomsten die in het derde land niet in de heffingsgrondslag zijn begrepen, weigert de lidstaat van de belastingplichtige de aftrek van de betaling, kosten of verliezen, tenzij het derde land dit reeds heeft gedaan.
Voor zover een betaling, kosten of verliezen van een belastingplichtige die fiscaal inwoner is van zowel een lidstaat als een derde land, overeenkomstig de wetten van die lidstaat en dat derde land in beide rechtsgebieden van de heffingsgrondslag aftrekbaar zijn en die betaling, kosten of verliezen in de lidstaat van de belastingplichtige kunnen worden afgezet tegen belastbare inkomsten die in het derde land niet in de heffingsgrondslag zijn begrepen, weigert de lidstaat van de belastingplichtige de aftrek van de betaling, kosten of verliezen, tenzij het derde land dit reeds heeft gedaan. Een dergelijke weigering van aftrek is eveneens van toepassing op situaties waarin een belastingplichtige voor belastingdoeleinden 'stateloos' is. Het is aan de belastingbetaler om aan te tonen dat het derde land de aftrek van de betaling, kosten of verliezen heeft geweigerd.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0457.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.


Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen Denemarken en Europol *
PDF 247kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad van houdende goedkeuring van de sluiting door de Europese Politiedienst (Europol) van de Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen het Koninkrijk Denemarken en Europol (07281/2017 – C8-0120/2017 – 2017/0803(CNS))
P8_TA(2017)0136A8-0164/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (07281/2017),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0120/2017),

–  gezien Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese Politiedienst (Europol)(1), en met name artikel 23, lid 2,

–  gezien Besluit 2009/935/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten(2) moet sluiten, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit (EU) 2017/290 van de Raad(3),

–  gezien Besluit 2009/934/JBZ van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsregels voor de betrekkingen van Europol met partners, inclusief de uitwisseling van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie(4) en met name de artikelen 5 en 6,

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie en de eerste minister van Denemarken van 15 december 2016, waarin niet alleen de operationele behoeften worden benadrukt, maar ook het feit dat de geplande overeenkomst tussen Europol en Denemarken uitzonderlijk van aard is en een overgangskaraker heeft,

–  gezien voornoemde verklaring, waarin wordt benadrukt dat de geplande regeling alleen in werking kan treden onder de volgende voorwaarden: voortgezet lidmaatschap van Denemarken van de Unie en van de Schengenzone, de verplichting van Denemarken om Richtlijn (EU) 2016/680(5) betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens vóór 1 mei 2017 volledig om te zetten in de Deense wetgeving, instemming van Denemarken wat betreft de erkenning van de rechtsmacht van het Europees Hof van Justitie, en de bevoegdheid van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,

–  gezien Protocol nr. 22 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de uitkomst van het Deense referendum van 3 december 2015 in relatie tot Protocol nr. 22 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 14 februari 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad tot wijziging van Besluit 2009/935/JBZ wat betreft de lijst van derde staten en organisaties waarmee Europol overeenkomsten moet sluiten(6) en met name paragraaf 4 van die wetgevingsresolutie waarin het Parlement de Raad verzoekt om in de toekomstige regeling tussen Europol en Denemarken een vervaldatum op te nemen van vijf jaar na de datum van inwerkingtreding ervan, zodat het overgangskarakter gewaarborgd blijft met uitzicht op een meer permanente regeling,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0164/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om in het kader van de beoordeling die op grond van artikel 25 van de Overeenkomst voor operationele en strategische samenwerking tussen het Koninkrijk Denemarken en Europol moet worden uitgevoerd van de bepalingen van die overeenkomst, het Europees Parlement regelmatig te informeren en te raadplegen, met name via de krachtens artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/794(7) op te richten Gezamenlijke Parlementaire Controlegroep van Europol;

5.  verzoekt alle betrokken partijen alle mogelijkheden van het primair en secundair recht te benutten om Denemarken nogmaals de gelegenheid te bieden volwaardig lid van Europol te worden;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan Europol.

(1) PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.
(2) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 12.
(3) PB L 42 van 18.2.2017, blz. 17.
(4) PB L 325 van 11.12.2009, blz. 6.
(5) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en intrekking van het Kaderbesluit van de Raad 2008/977/JBZ (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0023.
(7) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).


Benoeming van een lid van de Rekenkamer
PDF 232kWORD 41k
Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over de voordracht van Ildikó Gáll-Pelcz voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0110/2017 – 2017/0802(NLE))
P8_TA(2017)0137A8-0166/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0110/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0166/2017),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole het kandidaat-lid van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 12 april 2017 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Ildikó Gáll-Pelcz tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2015
PDF 224kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het jaarverslag inzake de controle van de financiële activiteiten van de EIB voor 2015 (2016/2098(INI))
P8_TA(2017)0138A8-0161/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het overzicht van activiteiten 2015 van de Europese Investeringsbank,

–  gezien het financieel verslag 2015 en het statistisch verslag 2015 van de Europese Investeringsbank,

–  gezien het duurzaamheidsverslag 2015, het verslag 2015 over de driepijlerbeoordeling voor EIB-verrichtingen binnen de EU en het verslag 2015 over de resultaten buiten de EU van de Europese Investeringsbank,

–  gezien de jaarverslagen van het Comité ter controle van de boekhouding van de EIB over 2015,

–  gezien het jaarverslag 2015 van de EIB-groep over fraudebestrijdingsactiviteiten,

–  gezien het verslag over de uitvoering van het transparantiebeleid van de EIB in 2015 en het verslag inzake corporate governance van 2015,

–  gezien het activiteitenverslag 2015 van het bureau van het hoofd Naleving van de EIB,

–  gezien het werkprogramma van de EIB-groep voor 2014-2016, 2015-2017 en 2016-2018 en het werkprogramma van het EIF voor 2014-2016,

–  gezien de artikelen 3 en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 15, 126, 174, 175, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Protocol nr. 5 betreffende de statuten van de EIB en Protocol nr. 28 betreffende economische, sociale en territoriale cohesie,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien het reglement van orde van de Europese Investeringsbank,

–  gezien zijn resoluties van 11 maart 2014 over de Europese Investeringsbank (EIB) – jaarverslag 2012(1), van 30 april 2015 over de Europese Investeringsbank – jaarverslag 2013(2), en van 28 april 2016 over de Europese Investeringsbank (EIB) – jaarverslag 2014(3),

–  gezien Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 over het externe mandaat van de EIB voor de periode 2007-2013(4) en gezien Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 670/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2012 tot wijziging van Besluit nr. 1639/2006/EG tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) en van Verordening (EG) nr. 680/2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie(6) (inzake de testfase voor de Europa 2020-projectobligaties),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 juli 2015 getiteld "Samen werken aan werkgelegenheid en groei: de rol van nationale stimuleringsbanken (NPB's) bij de facilitering van het Investeringsplan voor Europa" (COM(2015)0361),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016 getiteld "Europa investeert weer – Balans van het investeringsplan voor Europa en volgende stappen" (COM(2016)0359),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 september 2016 over de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), en de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (COM(2016)0597, SWD(2016)0297 en SWD(2016)0298),

–  gezien het verslag van de EIB over de evaluatie van de werking van het EFSI van september 2016,

–  gezien advies nr. 2/2016 van de Europese Rekenkamer over het voorstel voor verlenging en uitbreiding van het EFSI,

–  gezien speciaal verslag nr. 19/2016 van de Europese Rekenkamer: "Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten – lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken",

–  gezien de ad-hocaudit door Ernst & Young van de toepassing van Verordening (EU) nr. 2015/1017 ("EFSI-verordening") van 8 november 2016,

–  gezien de driepartijenovereenkomst van september 2016 tussen de Europese Commissie, de Europese Rekenkamer en de Europese Investeringsbank,

–  gezien de brief van de Europese Ombudsman aan de voorzitter van de Europese Investeringsbank d.d. 22 juli 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0161/2017),

A.  overwegende dat de EIB door het Verdrag verplicht is bij te dragen aan de integratie, de economische en sociale cohesie en de regionale ontwikkeling in de EU door middel van specifieke investeringsinstrumenten zoals leningen, aandelen, garanties, risicodelingsfaciliteiten en adviesdiensten;

B.  overwegende dat de EIB, als 's werelds grootste publieke kredietverstrekker, actief is in de internationale kapitaalmarkten en concurrerende voorwaarden aan klanten en gunstige voorwaarden ter ondersteuning van EU-beleid en -projecten biedt;

C.  overwegende dat het Europees Investeringsfonds (EIF) en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), in aanvulling op de verrichtingen van de EIB, een belangrijke rol moeten spelen als gespecialiseerde EU-instrumenten voor durfkapitaal en garanties, waarmee vooral kmo's en de Europese integratie en economische, sociale en territoriale cohesie worden ondersteund;

D.  overwegende dat het Europees Parlement drie verslagen heeft opgesteld over de activiteiten van de EIB: een verslag over de financiële activiteiten van de EIB (opgesteld door de Commissie economische en monetaire zaken en de Begrotingscommissie), een verslag over de controle op de financiële activiteiten van de EIB (opgesteld door de Commissie begrotingscontrole), en een verslag over de tenuitvoerlegging van het EFSI (opgesteld door de Commissie economische en monetaire zaken en de Begrotingscommissie);

E.  overwegende dat waarborgen tegen fraude, waaronder belastingfraude en het witwassen van geld, alsook tegen het risico van terrorismefinanciering, zijn vervat in contractuele bepalingen die door de EIB worden opgenomen in door de EIB-groep en zijn tegenpartijen gesloten overeenkomsten; overwegende dat de EIB van haar tegenpartijen moet eisen dat zij alle toepasselijke wetgeving naleven; overwegende dat de EIB op basis van de resultaten van zorgvuldig onderzoek aanvullende, specifiek op transparantie en integriteit gerichte contractbepalingen moet opleggen;

F.  overwegende dat de EIB optreedt als de uitvoerende arm van de Europa 2020-strategie en de bijbehorende vlaggenschipinitiatieven door te zorgen voor het gebruik van publieke investeringen ter vervanging of correctie van leemten in de financiële markt en door nieuwe aanjagers van groei en banen in de EU te stimuleren;

G.  overwegende dat het katalysatoreffect van het aantrekken van middelen door de EIB van cruciaal belang is om toegevoegde waarde voor de EU vast te stellen en ervoor te zorgen dat de EU op mondiaal niveau een leidende speler blijft, met alle kenmerken van een economie van wereldklasse ten aanzien van concurrentievermogen, innovatie, infrastructuur en aantrekkelijkheid;

H.  overwegende dat de investeringen van de EIB een eco-stimuleringspakket vormen waarmee de EU beter wordt toegerust om een kansenregio te blijven en de uitdagingen van geglobaliseerde economische concurrentie het hoofd te bieden;

I.  overwegende dat het Investeringsplan voor Europa onderdeel is van een bredere strategie die erop gericht is om de negatieve trend die wordt waargenomen in de publieke en private investeringen te keren door nieuwe private financiële middelen aan te trekken die in de reële economie kunnen worden geïnjecteerd teneinde strategische en duurzame langetermijninvesteringen in de hele EU te bevorderen;

J.  overwegende dat de EIB momenteel een toenemend aantal financiële instrumenten ontwerpt en bevordert, van PPP's tot securisatie; overwegende dat dergelijke instrumenten een risico op socialisering van verliezen en privatisering van winsten met zich mee kunnen brengen;

K.  overwegende dat de EIB-financiering van activiteiten buiten de EU primair de verwezenlijking van de doelstellingen van het extern beleid van de EU dichterbij brengt, terwijl tegelijkertijd de zichtbaarheid van de EU wordt vergroot, de waarden van de EU worden uitgedragen en aan de instandhouding van de stabiliteit van derde landen wordt bijgedragen;

L.  overwegende dat er voortdurend aandacht moet zijn voor de ontwikkeling van beste praktijken in het kader van het prestatiebeleid en -beheer van de EIB, alsmede voor goed bestuur en transparantie;

M.  overwegende dat de EIB de AAA-rating, als fundamentele eigenschap van haar bedrijfsmodel, moet behouden, alsook een kwalitatief hoogwaardige, solide activaportefeuille met gezonde investeringsprojecten bij de tenuitvoerlegging van het EFSI;

N.  overwegende dat de EIB nog niet alle nodige maatregelen heeft genomen als reactie op de aanbevelingen en oproepen van het Parlement in zijn resoluties over de jaarverslagen van de EIB van voorgaande jaren;

Verbeteren van de duurzaamheid van het investeringsbeleid van de EIB

1.  merkt op dat in 2015 77,5 miljard EUR aan verrichtingen is ondertekend (ten opzichte van 77 miljard EUR in 2014), waarvan 69,7 miljard EUR naar EU-lidstaten is gegaan en 7,8 miljard EUR buiten de EU is besteed;

2.  is ingenomen met de jaarverslagen van de EIB van 2015 en de daarin gepresenteerde resultaten, alsmede met de inspanningen voor een betere presentatie en verslaglegging van de bijdragen (of additionaliteit) en de resultaten van de EIB;

3.  herinnert aan het verzoek van het Parlement om een uitvoerig en geharmoniseerd jaarverslag te presenteren, teneinde een beter kwaliteitsvol overzicht te krijgen van de totale activiteiten en leningprioriteiten van de EIB en deze beter te kunnen evalueren; dringt erop aan dat de EIB informatie verstrekt over de concrete en bereikte economische, sociale en milieueffecten van haar verrichtingen in de lidstaten en daarbuiten, alsook over de meerwaarde ervan, en dat zij deze informatie verder verfijnt;

4.  benadrukt dat alle door de EIB gefinancierde activiteiten moeten passen in en doorlopend consistent moeten zijn met de algemene strategie van de EU en de prioritaire beleidsgebieden van de Europa 2020-strategie, de faciliteit voor groei en werkgelegenheid en het pact voor groei en banen, terwijl ze bij de selectie van projecten tegelijkertijd de criteria voor economische, sociale en financiële efficiëntie en milieueffecten moeten toepassen, teneinde de consequente uitvoering van het EU-beleid te waarborgen;

5.  wijst op de noodzaak om concrete en beknopte resultaten te overleggen over de wijze waarop de externe investeringen van de EIB hebben bijgedragen aan het behalen van de prioriteiten van de EU en de ontwikkeling van capaciteitsopbouw in de regio;

6.  spoort de EIB met klem aan om lacunes in investeringen, markten en sectoren te blijven opvullen en te investeren in projecten en verrichtingen met een werkelijke toegevoegde waarde, teneinde te komen tot een grotere economische, sociale en territoriale cohesie, een beter investeringsklimaat, meer werkgelegenheid en de terugkeer van duurzame groei in de EU;

7.  herinnert eraan dat het ondersteunen van economisch herstel, duurzame groei en sterkere cohesie een overkoepelend doel is en dat de EIB beter moet anticiperen op structurele veranderingen, met name wanneer deze verband houden met de herindustrialisatie van Europa en de digitale kenniseconomie, zodat kan worden gezorgd voor nieuwe economische kansen, innovatie, een snellere totstandkoming van een circulaire economie en een intensievere toepassing van hernieuwbare energiebronnen, in overeenstemming met de doelen van het milieu-, klimaat- en energiebeleid; benadrukt dat bij de uitvoering van het herindustrialisatieproces enerzijds rekening moet worden gehouden met de noodzaak om hoogwaardige banen te creëren en anderzijds met de verschillende situaties die tekenend zijn voor de Europese economie, maar dat daarnaast te allen tijde met inachtneming van het milieu en de gezondheid van werknemers en burgers moet worden gehandeld;

8.  is van mening dat de EIB bij het vaststellen van investeringsacties en financieringsbesluiten stelselmatig oog moet hebben voor de economische, sociale en milieueffecten op de middellange en lange termijn, met name ten aanzien van grensoverschrijdende aspecten; acht het noodzakelijk dat de EIB investeert in zowel grootschalige als kleinschalige duurzame projecten met een systemisch belang op de lange termijn die toegevoegde waarde op regionaal en EU-niveau creëren;

9.  benadrukt dat de deugdelijkheid van gefinancierde projecten per definitie niet alleen moet worden beoordeeld in termen van economische relevantie, maar ook met evenveel aandacht voor hun sociale en milieuduurzaamheid en voor hun politiek, grensoverschrijdend en regionaal belang; herinnert eraan dat prioritering van projecten met duidelijke en duurzame doelen en meetbare effecten op de groei en de werkgelegenheid binnen de kredietactiviteiten van de EIB het leidende kernbeginsel moet blijven;

10.  stelt vast dat de EIB een essentiële actor is die nodig is om de economie van de EU nieuw leven in te blazen, de werkgelegenheid te stimuleren, de groei in de EU-lidstaten aan te zwengelen en de doeltreffendheid en het rendement van de beschikbare financiële middelen te maximaliseren door gebruik te maken van herinzetbare instrumenten, namelijk via het multiplicatoreffect van garantiefondsen en het hefboomeffect;

11.  is van mening dat een veerkrachtige, duurzame en stabiele EU-financieringsstrategie moet worden verzekerd om het economisch herstel te versnellen, de werkgelegenheid te stimuleren en bepaalde economische sectoren en minder ontwikkelde regio's te helpen hun achterstand in te lopen; herinnert eraan dat productieve investeringen, in het bijzonder op de lange termijn, een verschil moeten maken en de primaire sector, onderzoek, infrastructuur en werkgelegenheid moeten versterken; is van mening dat projecten moeten worden gekozen op basis van hun eigen merites, hun potentieel om toegevoegde waarde te creëren voor de EU als geheel, en hun effectieve additionaliteit, mogelijkerwijs met een hoger risicoprofiel;

12.  herhaalt in dit verband dat meer informatie openbaar moet worden gemaakt over de precieze aard van individuele projecten die direct of indirect worden gefinancierd via de kredietactiviteiten van de EIB, en in het bijzonder over de toegevoegde waarde en de verwachte effecten van die projecten voor de economie van elke lidstaat;

13.  wijst nogmaals op de zorgen van het Parlement over de vaststelling van een evenwichtige strategie met een dynamische, eerlijke en transparante geografische spreiding van projecten en investeringen over de lidstaten, rekening houdend met de specifieke nadruk op minder ontwikkelde landen en regio's; merkt op dat 73 % van de totale kredietverlening door de EIB voor 2015 (51 miljard EUR) is geconcentreerd in zes lidstaten, hetgeen aantoont dat niet alle lidstaten of regio's in gelijke mate van investeringsmogelijkheden kunnen profiteren;

14.  ondersteunt initiatieven van de EIB om ter plaatse gezamenlijke technische ondersteuning te bieden aan de beheersautoriteiten en financiële intermediairs, met inbegrip van doelgerichte fi-compass-opleidingen;

15.  verzoekt de EIB haar communicatie met potentiële belanghebbenden en particuliere investeerders over beschikbare financieringsbronnen en -instrumenten, en die met burgers over de bereikte resultaten, te intensiveren;

16.  roept de EIB en de Commissie op hun mogelijkheden voor financiering meer te verspreiden, en meer steun en advies te verstrekken aan plaatselijke en regionale autoriteiten en kmo's, met als doel de toegang tot EIB-financiering te vergemakkelijken en de combinatie van subsidies met leningen en financiële instrumenten te bevorderen; verzoekt de Commissie steun te verlenen bij de ontwikkeling van opleidingsprogramma's voor mogelijke begunstigden, door beheersautoriteiten een belangrijkere rol toe te kennen in het verschaffen van informatie, begeleiding en advies aan de uiteindelijke begunstigden;

17.  acht het van fundamenteel belang dat de EIB haar AAA-rating behoudt om onder de best mogelijke kredietvoorwaarden toegang te houden tot de internationale kapitaalmarkten en de baten vervolgens door te rekenen in haar investeringsstrategie en haar eigen kredietvoorwaarden; verzoekt de EIB om haar risicocultuur verder te ontwikkelen teneinde haar doeltreffendheid te verbeteren en de complementariteit en de synergieën tussen haar verrichtingen en diverse EU-beleidslijnen te vergroten;

18.  maakt zich ernstig zorgen over de meestal hogere kosten en vergoedingen voor door de EIB/EIF beheerde fondsen die financieringsinstrumenten onder gedeeld beheer ten uitvoer leggen, zoals de Europese Rekenkamer aan het licht heeft gebracht in haar speciaal verslag nr. 19/2016: "Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten – lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken" en moedigt de Rekenkamer aan voor de lopende periode een soortgelijke audit uit te voeren;

Monitoren van de impact van de EIB op de uitvoering van belangrijk publiek beleid

19.  neemt kennis van het verslag over de resultaten en de impact van de EIB-verrichtingen binnen de EU in 2015 op basis van de driepijlermethodologie voor het beoordelen van verwachte resultaten, het monitoren van huidige resultaten en het meten van de impact van haar vier belangrijkste publieke beleidsdoelstellingen, te weten innovatie en vaardigheden (22,7 % van de EIB-toekenningen in 2015, oftewel 15,8 miljard EUR), financiering voor kmo's en midcaps (28,5 % van de toekenningen, oftewel 19,8 miljard EUR), infrastructuur (24,5 %, oftewel 17,1 miljard EUR) en milieu (24,3 %, oftewel 16,9 miljard EUR); merkt op dat een selectie van output en resultaten voor de nieuw overeengekomen verrichtingen is opgenomen om verwachte resultaten te illustreren, maar dat dit verslag geen informatie bevat over huidige gemonitorde resultaten of over de bereikte effecten;

20.  betreurt dat het jaarverslag 2015 over de verrichtingen van de EIB binnen de EU geen informatie bevat over verwachte en behaalde resultaten van verrichtingen van de Bank met betrekking tot haar twee transversale beleidsdoelstellingen, namelijk klimaatactie en cohesie; is bezorgd over het feit dat de EIB in 2015 het beoogde doel van 30 % investeringen voor cohesie niet heeft behaald (25,2 % behaald binnen de EU) en dat de voorspelde tenuitvoerlegging voor 2016 (27 %) ook lager is dan de doelstelling van 30 %; dringt er bij de EIB op aan de economische, sociale en territoriale cohesie te herstellen als belangrijkste doelstelling van openbaar beleid en een begin te maken met expliciete verslaglegging over de tenuitvoerlegging ervan;

21.  betreurt voorts dat de actualisering van de driepijlermethodologie, die bedoeld is om de methodologie in overeenstemming te brengen met de vereisten van de EFSI-verordening, niet heeft geleid tot harmonisatie van de verslaglegging van de EIB over verrichtingen binnen de EU met de verslaglegging over verrichtingen buiten de EU en tot de inclusie van analytische en uitgebreide informatie over behaalde concrete resultaten binnen de EU; vraagt dat op projectniveau meer informatie wordt bekendgemaakt door openbare toegang te verlenen tot de projectevaluatie- en beoordelingsdocumenten van de driepijlerbeoordeling (3PA) en het raamwerk voor resultaatmeting (REM);

22.  wijst erop dat een ambitieuze investeringsstrategie moet worden gekoppeld aan instrumenten voor duidelijke monitoring en verslaglegging waarmee het prestatiebeheer kan worden gegarandeerd;

23.  verzoekt de EIB om voortdurend nadruk te leggen op het monitoren van haar prestaties door middel van prestatiebeoordelingen en het vaststellen van bewezen effecten; spoort de EIB aan om haar monitoringindicatoren, en specifiek haar additionaliteitsindicatoren, verder te blijven ontwikkelen teneinde de effecten in een zo vroeg mogelijk stadium van de projectgeneratiefase te kunnen beoordelen, en om de raad van bestuur te voorzien van voldoende informatie over de verwachte effecten, in het bijzonder die welke bijdragen aan het EU-beleid;

24.  onderkent de complexiteit van de monitoring van een groeiende portefeuille en gevarieerde projectplanning, en in het verlengde daarvan van het algemene beheer van indicatoren; moedigt de EIB aan meer inspanningen te leveren om te zorgen voor gepaste monitoring;

25.  spoort de EIB aan om zich proactiever op te stellen tegenover lidstaten teneinde capaciteitsopbouw- en adviesdiensten rechtstreeks aan de begunstigden te verstrekken ten behoeve van de voorbereiding van grootschalige investeringsprojecten door middel van een betere samenwerking met de betrokken nationale of decentrale autoriteiten of nationale stimuleringsbanken;

Financieringsregelingen voor kmo's

26.  herinnert eraan dat de EIB een wereldwijde verantwoordelijkheid heeft om de aantrekkelijkheid van de EU op het wereldtoneel te waarborgen door een gunstig investeringsklimaat voor ondernemingen te bevorderen;

27.  erkent de centrale rol die kmo's en midcaps spelen in de EU-economie en in de economieën van de afzonderlijke lidstaten door voor werkgelegenheid en groei te zorgen; ondersteunt de EIB in haar inspanningen om haar steun aan alle soorten kmo's (startkapitaal, start-ups, micro-, kleine en middelgrote bedrijven, clusters van bedrijven) te intensiveren met een focus op nieuwe bedrijfsmodellen met een hoog potentieel voor het scheppen van nieuwe banen voor jongeren; roept de EIB in dit verband op de nodige inspanningen te leveren om te zorgen voor een volledige uitvoering van het kmo-initiatief;

28.  neemt kennis van het feit dat de EIB-steun aan kmo's circa 36,6 % van haar financiering over 2015 vertegenwoordigde, met een hefboomeffect van 39,7 miljard EUR aan kmo-financiering, waardoor 5 miljoen banen werden ondersteund;

29.  is ingenomen met de inspanningen van het EIF om het initiatief voor kmo's momenteel te ontplooien in zes landen (Spanje, Italië, Bulgarije, Finland, Roemenië, Malta), die naar verwachting in aanmerking zullen komen voor nieuwe, tegen gunstige voorwaarden verleende kmo-leningen ter waarde van ongeveer 8,5 miljard EUR; vraagt de lidstaten om het initiatief voor kmo's op grotere schaal ten uitvoer te leggen, rekening houdend met de capaciteit om het risico voor financiële tussenpersonen te verlagen; stelt het voorstel van de Commissie om het initiatief voor kmo's tot 2020 te verlengen dan ook op prijs; onderstreept evenwel dat het initiatief voor kmo's een grotere rol moet spelen, aangezien de financiering van kleine en middelgrote ondernemingen essentieel is om de groei en werkgelegenheid in de EU te bevorderen, vooral in de tijd na de economische en financiële crisis; roept de EIB op om het gebruik van het instrument voor securisatie in het oog te houden en te verruimen; dringt ook aan op verbetering van het communicatiebeleid van de EIB en van de administratieve voorwaarden van het kmo-initiatief; verzoekt het EIF om een verslag uit te brengen met nadere bijzonderheden over de successen en mislukkingen van het programma;

30.  is ingenomen met de lancering, zoals overeengekomen tussen de EIB en de Commissie, van nieuwe instrumenten zoals het instrument voor particuliere financiering van energie-efficiëntie (PF4EE), het kmo-initiatief en de financieringsinstrumenten voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), waarvan wordt verwacht dat ze zullen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; neemt kennis van de activiteiten van het EIF, en met name de Cosme-financieringsinstrumenten (voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's) en Innovfin, dat in 2015 heeft geprofiteerd van het EFSI door het bedrag aan leningen dat het garandeert te verdubbelen;

31.  verzoekt de EIB haar interventierisicoprofiel te verhogen, met name bij het ondersteunen van kleine of middelgrote ondernemingen die risico nemen of zich ontwikkelen in regio's met een economische achterstand of een gebrek aan stabiliteit; is tevens van mening dat het verbeteren van de toegang van kmo's tot financiering een terugkerende langetermijndoelstelling is die moet worden verwezenlijkt en verder uitgebreid;

Innovatie

32.  steunt alle stimulansen die gericht zijn op marktgedreven innovatie, maatschappelijke ontwikkeling en milieubescherming, en waarbij duurzame groei en de zorgvuldige omgang met de hulpbronnen worden gehandhaafd; steunt stimulansen die bijdragen tot de verwezenlijking van de ambitie van de EU om een circulaire en digitale kenniseconomie te worden en het concurrentievermogen van de EU in stand te houden;

33.  merkt op dat de EIB reeds investeert in O&O, en wel in de vorm van EU-beveiligingsbedrijven op het gebied van civiele technologie en technologieën voor tweeërlei gebruik; is van mening dat, wat technologieën voor tweeërlei gebruik betreft, de EIB in de eerste plaats investeringen moet ondersteunen voor de commerciële exploitatie ervan in civiele toepassingen – voorbeelden van EIB-projecten van dit type omvatten al O&O-investeringen in onderdelen van lucht- en ruimtevaartuigen, radarsystemen, cyberveiligheid en cloudbeveiliging, micro-elektronica en vaccins;

34.  merkt op dat het bedrag voor leningen voor innovatieve projecten in 2015 opliep tot een recordniveau van 18,7 miljard EUR en is verheugd dat de EIB meer gewicht toekent aan investeringen in innovatie;

35.  merkt op dat de EIB, door haar steun aan civiele technologieën en technologieën voor tweeërlei gebruik voort te zetten, binnen het vastgestelde wettelijk kader haar steun aan de EU-beveiligingssector kan vergroten, en dat dit ook verrichtingen omvat die profiteren van het EFSI;

Infrastructuur

36.  verzoekt de EIB steun te blijven verlenen aan de infrastructuuragenda op basis van efficiënte projecten van gemeenschappelijk belang in de vervoer- en energiesector met eigen middelen en door de tenuitvoerlegging van schuldfinancieringsinstrumenten in het kader van de "Connected Europe"-faciliteit, rekening houdend met de verenigbaarheid daarvan met de doelen van het milieubeleid, het klimaatbeleid en regionale ontwikkeling; dringt er bij de EIB op aan om binnen macroregionale strategieën nieuwe financieringsinstrumenten te ontwikkelen voor de aanleg van infrastructuur en werken;

37.  verheugt zich over het financieringsniveau van de doelstellingen voor economische en sociale cohesie (17 634 miljard EUR) en rehabilitatie van het platteland en steden (5 467 miljard EUR), en beveelt aan dat dit niveau wordt gehandhaafd; beschouwt financiering als een essentiële aanvulling op het cohesiebeleid en de Europese structuur- en investeringsfondsen; beklemtoont dat het, teneinde synergie en complementariteit tussen beide instrumenten tot stand te brengen, belangrijk is om regelmatig een dialoog te voeren met de beheersautoriteiten;

38.  roept de EIB, de Commissie en nationale, regionale en lokale overheden, alsmede de nationale stimuleringsbanken en -instellingen (NPBI's) op tot meer samenwerking, met als doel om meer synergieën te creëren tussen de ESI-fondsen enerzijds en de financieringsinstrumenten en leningen van de EIB anderzijds, en om de administratieve lasten te verlagen, de vereenvoudigde procedures te verbeteren en de administratieve capaciteit te verhogen, territoriale ontwikkeling en cohesie te stimuleren en het inzicht in ESI-fondsen en EIB-financiering te verbeteren; meent dat er weinig informatie beschikbaar is over de activiteiten met gecombineerde financiering van de EIB in projecten en programma's van het cohesiebeleid; verzoekt de EIB om haar rol als openbare instelling te respecteren en op het gebied van verantwoording, transparantie en zichtbaarheid de lat zo hoog mogelijk te leggen om ambiguïteit te vermijden; verzoekt de EIB om een communicatiebeleid uit te stippelen voor al haar activiteiten, met inbegrip van voorlichting, opdat alle bestuursvormen en alle begunstigden toegang hebben tot hun programma's;

39.  beklemtoont dat het toegenomen gebruik van financiële instrumenten in het cohesiebeleid betekent dat het Europees Parlement nauwer betrokken moet zijn bij het toezicht op de activiteiten van de EIB, onder meer om de gevolgen van de rol van de EIB beter te kunnen beoordelen;

40.  vraagt de lidstaten ten volle gebruik te maken van de hun toegewezen middelen uit de ESI-fondsen en van de mogelijkheid van additionaliteit, dit ter aanvulling van de leningen en financiële instrumenten van de EIB; wenst bovendien dat subsidies beter worden gecombineerd met EIB-financiering, zodat de hefboomwerking van ESI-fondsen beter wordt benut; vraagt de EIB om dit proces te leiden omdat zij haar investeringen dankzij expertise en verantwoording jegens aandeelhouders rendabel kan maken;

41.  vraagt de EIB haar financiering van de doelstellingen omtrent economische en sociale cohesie en de stedelijke doelstellingen te vergroten, onder voortzetting van de steun aan traditionele en innoverende sectoren in de EU; pleit daarnaast voor de ontwikkeling van bijzondere financiële instrumenten ter ondersteuning van de uitvoering van de actieplannen voor macroregionale strategieën, in samenwerking met de lidstaten;

Milieu- en klimaatinvesteringen

42.  spoort de EIB aan om haar klimaatactie te richten op de duurzaamheid van sectoroverstijgende projecten in het kader van de COP21-doelstellingen en om de uitbreiding van het gebruik van hernieuwbare energie en hulpbronnenefficiëntie te ondersteunen; merkt op dat de financiering voor hernieuwbare energie het niveau van 3,4 miljard EUR heeft bereikt;

43.  roept de EIB op opnieuw te beoordelen in hoeverre haar specifieke aandacht voor gasinfrastructuurprojecten terecht is, zeker nu er nieuwe grootschalige plannen opduiken voor de bouw van nieuwe pijpleidingen en LNG-terminals terwijl de vraag naar gas in Europa afneemt; merkt bezorgd op dat de investeringen van de EIB in gasinfrastructuur zouden kunnen leiden tot investeringen in verouderde middelen;

44.  acht het noodzakelijk om de ontwikkeling van een markt voor duurzame groene projecten voor te zetten door in de eerste plaats de totstandkoming van een kringloopeconomie te bevorderen, met name door middel van een markt voor groene obligaties;

Bijdrage van de EIB aan het beheer van mondiale vraagstukken

45.  wijst op de toename van het externe mandaat van 10 naar 27 miljard EUR, met een optioneel extra bedrag van 3 miljard EUR; wijst andermaal op de noodzaak om de samenhang van dit mandaat met de doelstellingen van het extern beleid van de EU constant te waarborgen, vooral met betrekking tot de eerbiediging van de burgerrechten in de landen die financiering ontvangen; herhaalt het verzoek van het Parlement aan de Rekenkamer om een speciaal verslag op te stellen over de afstemming op het EU-beleid van de externe kredietverleningsinterventies van de EIB en de prestaties daarvan;

46.  is ingenomen met het vermogen van de EIB om zich snel aan te passen aan internationale uitdagingen; verzoekt de EIB om ondersteuning te blijven geven aan het extern beleid van de EU en haar noodresponscapaciteit in verband met de mondiale uitdaging van migratie door het ontwikkelingsaspect in aanmerking te nemen en de economische veerkracht te vergroten;

Monitoren van de toegevoegde waarde en additionaliteit van het EFSI

47.  merkt op dat het EFSI als doel heeft om via de EIB tegen 2018 te zorgen voor in totaal 315 miljard EUR aan extra investeringen en nieuwe projecten in de reële economie; stelt vast dat er 97 infrastructuur- en innovatieprojecten en 192 kmo-financieringsovereenkomsten zijn goedgekeurd, die samen een totale verwachte investering van 115,7 miljard EUR vertegenwoordigen;

48.  erkent dat de tenuitvoerlegging van het EFSI het profiel en het bedrijfsmodel van de EIB snel heeft veranderd als gevolg van de nieuwe processen en de monitoring van toekenningen en contracten;

49.  merkt op dat de EIB-groep, om volledig gebruik te maken van de additionele risicocapaciteit, verschillende nieuwe producten ontwikkelt die het nemen van hogere risico's mogelijk maakt (bijvoorbeeld in de vorm van achtergestelde schulden, aandelen, risicodeling met banken), en zijn kredietrisicobeleid en de criteria voor het aanmerking komen van leningen heeft herzien om een grotere flexibiliteit mogelijk te maken; wijst erop dat de EIB niet alleen haar steun aan het EFSI, maar ook haar steun aan innovatieve bedrijven en infrastructuurprojecten heeft opgevoerd; merkt op dat de EIB een groter aantal van deze risicovollere projecten kan ondersteunen, zonder afbreuk te doen aan de beginselen van goed beheer;

50.  herinnert eraan dat het doel van het EFSI is om, vergeleken met andere reeds bestaande financieringsinstrumenten van de EIB, onderscheidende, werkelijk innovatieve en risicovollere projectprofielen met nieuwe tegenpartijen in de private sector in kaart te brengen en significante grensoverschrijdende Europese meerwaarde te creëren bij de uitvoering van de geselecteerde projecten, om zo een effectieve bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de bestaande beleidsdoelstellingen;

51.  erkent dat het EFSI een marktgebaseerd instrument is; herinnert er evenwel aan dat alle lidstaten de gepaste capaciteit moeten ontwikkelen om het te gebruiken;

52.  merkt op dat bij de uitvoering van de EFSI-pijplijn van projecten de breedst mogelijke geografische spreiding in acht wordt genomen met het oog op de verwezenlijking van de doelen van cohesie en duurzaamheid; verzoekt de EIB de huidige geografische onevenwichtigheden binnen de Unie en de concentratie op bepaalde sectoren binnen het infrastructuur- en innovatievenster en het kmo-venster van de EFSI-portefeuille te corrigeren, door haar advieswerkzaamheden voor projectontwikkeling in de lidstaten en haar technische bijstand via de Europese investeringsadvieshub (EIAH) te intensiveren, door te overwegen om het aantal voor EFSI-financiering in aanmerking komende sectoren te vergroten of door het type project en de omvang van projecten beter af te stemmen op de marktbehoeften in de lidstaten;

53.  herinnert de EIB eraan dat zij in het selectieproces zorgvuldig moet zoeken naar werkelijke additionaliteit en nieuwe dynamiek op basis van de grootte van het multiplicator-effect, dat kan variëren tussen projecten, met name op gebieden waar de EIB of het EIF niet reeds actief is, in geval van marktfalen of in suboptimale investeringssituaties;

54.  merkt op dat het hefboomeffect per project verschilt en dat dit voornamelijk afhankelijk is van de schaal, de complexiteit en de correlatie tussen belangrijke sectorale uitdagingen en de verwachtingen van de eindbegunstigden in een context van schaarse overheidsmiddelen; is van mening dat het veronderstelde hefboomeffect met een vermenigvuldigingsfactor van 15 alleen aan het eind van een investeringscyclus kan worden gemeten, rekening houdend met de bijzonderheden van sectoren; is tevens van mening dat de doeltreffendheid van interventies niet alleen moet worden beoordeeld op basis van het potentieel van financieringsinstrumenten, maar ook op basis van meetbare resultaten;

55.  roept de EIB op om bijzondere aandacht te schenken aan het beginsel van additionaliteit en om relevante kwalitatieve beheersinformatie over de tenuitvoerlegging van de verklaarde doelstellingen van het EFSI te verstrekken, waarin de effectieve additionaliteit en impact wordt afgezet tegen benchmarks, maar ook met het oog op de verlenging van het EFSI na 2017;

56.  acht het belangrijk voor het aantrekken van kapitaal uit de private sector dat de EIB een deel van de risico's van potentiële projecten overneemt van investeerders; verzoekt de EIB om de aantrekkelijkheid en de zichtbaarheid van het EFSI in de investeringsrichtsnoeren te verbeteren, en om financiering voor projecten te vinden via een doeltreffender, op potentiële private investeerders gericht bewustmakingsbeleid;

57.  merkt op dat het EFSI (middels het kmo-venster), samen met de leencapaciteit van de EIB en het EIF, een belangrijk instrument is voor het verstrekken van aanvullende financiering aan kmo's, dat wil zeggen tot 75 miljard EUR van de totale in drie jaar door het EFSI als katalysator gerealiseerde investeringen;

58.  verzoekt de Commissie om binnen het EFSI een permanent Europees garantieplatform op te richten om de toegang van kmo's tot financiering te vergemakkelijken en de ontwikkeling van garanties en leningproducten op basis van Europese garanties te verbeteren;

59.  roept de EIB op gebruik te maken van de kans die het EFSI biedt voor de financiering van kleinschaligere projecten van decentrale hernieuwbare energie die niet op het net zijn aangesloten, waarbij burgers en gemeenschappen betrokken zijn die niet gemakkelijk via andere bronnen een financiering kunnen krijgen;

60.  neemt voorts kennis van de toename van het volume van de bijzondere activiteiten van de EIB welke voortkomt uit het eerste jaar van de tenuitvoerlegging van het EFSI, waaruit blijkt dat de voorzichtige risicocultuur en het dito kredietverleningsbeleid van de EIB zich hebben ontwikkeld;

61.  dringt er met het oog op een betere verantwoording op aan dat het Investeringscomité de ontwikkeling van resultaatgerichte investeringen regelmatig beoordeelt met behulp van het scorebord van indicatoren, teneinde goed gerichte projecten, dat wil zeggen projecten die bijdragen aan groei en werkgelegenheid, in kaart te brengen en een objectief overzicht te verkrijgen van hun additionaliteit, toegevoegde waarde en overeenstemming met Uniebeleid en andere klassieke EIB-verrichtingen; roept de EIB op informatie vrij te geven over de wijze waarop projecten die de EFSI-waarborg kregen, scoorden op metingen aan de hand van het EFSI-scorebord van indicatoren;

62.  merkt op dat de EIB in de toekomst open blijft staan voor discussie met de diensten van het Parlement over eventuele nadere regelingen voor een meer gestructureerde, minder gefragmenteerde aanpak van de dialoog tussen het Parlement en de EIB; merkt op dat de EIB en het Parlement toewerken naar een snelle sluiting van de formele overeenkomst over het EFSI, met bepalingen voor alle informatieverstrekking uit hoofde van die overeenkomst, met inbegrip van het jaarverslag over het EFSI, aan de Raad en het Parlement;

Verbetering van de transparantie, verantwoording, integriteit en interne controle van het EIB als noodzakelijke voorwaarde voor een betere corporate governance

63.  is van mening dat de versterkte economische rol van de EIB, haar vergrote investeringscapaciteit en het gebruik van de EU-begroting om garant te staan voor de EIB-verrichtingen, vergezeld moeten gaan van een grotere transparantie en een betere verantwoording met het oog op een daadwerkelijk democratische controle van haar activiteiten, projectselectie en financieringsprioriteiten;

64.  verzoekt de EIB haar risicobeoordeling van activiteiten regelmatig te actualiseren en haar risicocultuur aan te passen aan haar nieuwe bedrijfsmodel en aan het grotere volume van haar portefeuille in verband met de tenuitvoerlegging van nieuwe instrumenten, zoals het EFSI, diverse faciliteiten, investeringsplatforms en risicodelingsinstrumenten; verzoekt de EIB in dit verband in haar risicobeoordeling ook niet-financiële dimensies op te nemen, zoals toegevoegde waarde op sociaal en/of milieugebied; verwelkomt in dit verband de tenuitvoerlegging van het prudentiële risicobereidheidskader van de EIB om de monitoring van risico's en het overzicht over de oorsprong, het eigendom en het beheer van risico's te versterken; herinnert aan de noodzaak om één homogeen controlekader te ontwikkelen;

65.  is ingenomen met de hoge kwaliteit van de leningenportefeuille van de EIB, waarin slechts 0,3 % van de totale portefeuille bestaat uit leningen die een waardevermindering hebben ondergaan, wat een bevestiging vormt van het consistent prudente risicobeheerbeleid van de EIB en bijdraagt aan het behoud van haar hoge kredietwaardigheid in de internationale financiële markten;

66.  is ingenomen met het feit dat het transparantiebeleid van de EIB is gebaseerd op een openbaarmakingspresumptie, waardoor iedereen toegang heeft tot EIB-documenten en informatie; herhaalt zijn aanbeveling voor bekendmaking op de website van de EIB van niet-vertrouwelijke documenten zoals corporatieve werkprogramma's van vorige jaren, interinstitutionele overeenkomsten en memoranda en roept de EIB op het daar niet bij te laten, maar voortdurend te blijven zoeken naar manieren om de lat nog hoger te leggen;

67.  is ingenomen het verslag over de tenuitvoerlegging van het transparantiebeleid van de EIB-groep voor 2015, alsook met de komende evaluatie van het klokkenluidersbeleid van de EIB;

68.  herinnert eraan dat een transparante uitvoering van EU-beleid niet alleen leidt tot versterking van de algehele verantwoording door en geloofwaardigheid van de EIB, met een duidelijk overzicht van het type financiële intermediairs en eindbegunstigden, maar ook bijdraagt aan een verbeterde doeltreffendheid en duurzaamheid van de gefinancierde projecten, in combinatie met een nultolerantiebeleid ten aanzien van fraude en corruptie in haar leningenportefeuille; verzoekt de EIB zich te conformeren aan het nieuwe systeem voor vroegtijdige waarschuwing en uitsluiting van de Europese Commissie;

69.  stelt met bezorgdheid vast dat de EIB, hoewel zij drie keer zoveel aanvullende financiering verschaft als de Wereldbank, slechts 3 rechtspersonen heeft uitgesloten, dit in tegenstelling tot de Wereldbank, die er 820 heeft uitgesloten; verzoekt de EIB, teneinde deze situatie te verhelpen, om zich aan te sluiten bij het netwerk van andere overheidsbanken op het gebied van uitsluiting, het netwerk waar de Wereldbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) deel van uitmaken;

70.  herhaalt zijn oproep tot een grotere transparantie van de interventies waarbij de EIB samenwerkt met financiële intermediairs en begunstigden, om te voorkomen dat wordt gewerkt met tegenpartijen met een negatieve staat van dienst, tegenpartijen die op zwarte lijsten staan of tegenpartijen met potentiële banden met niet-transparante en niet-coöperatieve jurisdicties, offshoreactiviteiten of georganiseerde criminaliteit; is van mening dat het gebruik van criteria voor de selectie van financiële intermediairs en het beschikken over actuele informatie over de uiteindelijke eigendom van ondernemingen, waarbij ook trusts, stichtingen en belastingparadijzen in beeld moeten zijn, beste praktijken zijn die permanent moeten worden nagevolgd; verzoekt de EIB om, teneinde integriteits- en reputatierisico's te beperken, haar contractvoorwaarden te versterken door daarin een clausule over of een verwijzing naar goed bestuur op te nemen;

71.  stelt voor dat de EIB het voorbeeld volgt van de Internationale Financieringsmaatschappij van de Wereldbankgroep en informatie bekend begint te maken over door haar via handelsbanken (de belangrijkste intermediairs/financiële instrumenten die de EIB gebruikt om kmo's te financieren) gefinancierde risicovolle subprojecten;

72.  is ingenomen met de regelmatige bijeenkomsten met het maatschappelijk middenveld en de openbare raadplegingen over de ontwikkeling van EIB-beleid;

73.  roept op tot steeds grotere transparantie ten aanzien van het openbaarmakingsbeleid van de EIB met betrekking tot bestuursorganen, in het bijzonder door het publiceren van de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur van de EIB en het EIF of het Investeringscomité van het EFSI, en met betrekking tot projecten van algemeen belang die profiteren van een garantie op basis van de EU-begroting en die gevolgen hebben voor gebieden en burgers in de EU; is van mening dat de openbaarmaking van het scorebord van indicatoren een goede praktijk is voor elke verrichting en voor de sociale- en milieueffectbeoordelingen op het niveau van projecten of subprojecten;

74.  herhaalt zijn verzoek om de informatie met betrekking tot het systeem van hoofd- en onderaannemers openbaar en eenvoudig toegankelijk te maken en om in ieder geval de toegang van het Parlement tot de desbetreffende informatie en financiële documentatie te garanderen;

75.  is verheugd over de proactieve aanpak van de Europese Ombudsman ten aanzien van de uitoefening van democratische controle van de EIB; maakt zich ernstig zorgen over de tekortkomingen die aan het licht zijn gebracht in bestaande EIB-mechanismen om mogelijke belangenconflicten binnen haar bestuursorganen te voorkomen; wenst in dit verband dat de EIB, teneinde eventuele draaideurconstructies en belangenconflicten in haar bestuursorganen beter te voorkomen, rekening houdt met de aanbevelingen van de Ombudsman en haar gedragscode zo snel mogelijk herziet;

76.  is van mening dat de vicevoorzitters van de EIB niet langer verantwoordelijk mogen zijn voor projecten in hun thuisland, aangezien duidelijk kans is op belangenconflicten en slechts een gering aantal lidstaten een eigen vicevoorzitter heeft;

77.  is ingenomen met de herziening van de regels van het klachtenmechanismebureau en met de verlenging van het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Ombudsman en de EIB; vraagt de EIB om opheldering over de vertraging bij de lancering van een openbare raadpleging over de herziening van de beleidsmaatregelen en procedures van haar klachtenmechanisme; stelt vast dat een dergelijke herzieningsprocedure de mogelijkheid biedt om de onafhankelijkheid en doeltreffendheid van het klachtenmechanisme verder te verbeteren, dit met het oog op de invoering van een extra mechanisme voor een systematische rechtstreekse informatiestroom tussen het klachtenmechanismebureau en de directeurs; beklemtoont dat het bestuur van de EIB jaarlijks aan de Ombudsman en het Parlement verslag moet uitbrengen van de wijze waarop de aanbevelingen van zijn controlemechanismen zijn opgenomen in haar beleidsmaatregelen en praktijken; benadrukt voorts dat het hoofd van het klachtenmechanismebureau eens per jaar een activiteitenverslag aan het Europees Parlement moet voorleggen, evenals een beoordeling van de wijze waarop de bank aan de aanbevelingen van het klachtenmechanismebureau voldoet;

78.  wenst dat de EIB, door middel van haar beleid inzake niet-transparante en niet-coöperatieve jurisdicties (NCJ's) en inzake het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering, alles in het werk stelt om belastingontduiking, -ontwijking en -fraude, onregelmatige activiteiten en het witwassen van geld tegen te gaan;

79.  verzoekt de EIB ook regelmatig te blijven samenwerken met andere internationale financiële instellingen, en wel door informatie uit te wisselen over de resultaten van bedrijfsonderzoeken, fiscale onderzoeken of ken-uw-klant-onderzoeken en door jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement en het publiek over de wijze waarop zij haar NCJ-beleid uitvoert;

80.  is van mening dat nauwgezet extern toezicht op de EIB zorgvuldige overweging verdient, zoals het Parlement ook in eerdere resoluties heeft verklaard;

81.  neemt kennis van de sluiting van de geactualiseerde driepartijenovereenkomst tussen de EIB, de Commissie en de Rekenkamer in september 2016, en roept de Rekenkamer op prestatieaudits uit te voeren van EIB-verrichtingen in diverse sectoren wanneer deze verband houden met het gebruik van middelen uit de EU-begroting met betrekking tot hun effectiviteit en doeltreffendheid;

82.  roept de Commissie op om, met ingang van 2018, elk jaar uiterlijk in juni met een verslag te komen over de tenuitvoerlegging van het huidige MFK vanaf het begin ervan en over de stand van zaken, met inbegrip van de behaalde resultaten, van alle financieringsinstrumenten die de EIB-groep beheert en ten uitvoer legt, die werken met middelen van de EU-begroting, om het te gebruiken in de kwijtingsprocedure;

83.  roept het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) op in zijn jaarverslag informatie op te nemen over gevallen die verband houden met de EIB;

Opvolging van de aanbevelingen van het Parlement

84.  verzoekt de EIB verslag uit te brengen over de stand van zaken ten aanzien van en de status van eerdere aanbevelingen die het Parlement in zijn jaarlijkse resoluties heeft gedaan, met name inzake de effecten van haar kredietactiviteiten;

85.  roept de EIB op haar beleid inzake preventie en ontmoediging van verboden gedrag in EIB-activiteiten te herzien, waarbij duidelijk moet worden gesteld dat de EIB geen financiering mag verstrekken aan en/of aanvullende uitbetalingen op verstrekt krediet mag goedkeuren voor projecten die het onderwerp zijn van een lopend nationaal of OLAF-onderzoek naar corruptie en fraude;

o
o   o

86.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Investeringsbank en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0201.
(2) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 77.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0200.
(4) PB L 280 van 27.10.2011, blz. 1.
(5) PB L 135 van 8.5.2014, blz. 1.
(6) PB L 204 van 31.7.2012, blz. 1.
(7) PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.


Steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017–2020 ***I
PDF 241kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017-2020 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 1305/2013 (COM(2015)0701 – C8-0373/2015 – 2015/0263(COD))
P8_TA(2017)0139A8-0374/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0701),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 175 en artikel 197, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0373/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 maart 2016(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 7 april 2016(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie visserij en de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0374/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017–2020 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 1305/2013

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/825.)

(1) PB C 177 van 18.5.2016, blz. 47.
(2) PB C 240 van 1.7.2016, blz. 49.


Europees Jaar van het cultureel erfgoed ***I
PDF 249kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad over het Europees Jaar van het cultureel erfgoed (COM(2016)0543 – C8-0352/2016 – 2016/0259(COD))
P8_TA(2017)0140A8-0340/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0543),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0352/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 12 oktober 2016(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0340/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 april 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad over het Europees Jaar van het cultureel erfgoed (2018)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2017/864.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Overeenkomstig artikel 9 van dit besluit bedragen de financiële middelen voor de tenuitvoerlegging van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed (2018) 8 miljoen EUR. Om de voorbereiding van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed te financieren, wordt 1 miljoen EUR gehaald uit de bestaande middelen van de begroting voor 2017. In de begroting voor 2018 wordt 7 miljoen EUR gereserveerd voor het Europees Jaar van het cultureel erfgoed en zichtbaar gemaakt in een begrotingslijn. Van dat bedrag is 3 miljoen EUR afkomstig uit de middelen die thans zijn voorzien voor het programma Creatief Europa, en 4 miljoen EUR wordt gehaald uit andere bestaande middelen en geherprioriteerd, zonder dat de beschikbare marges worden benut en zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit.

VERKLARING VAN DE COMMISSIE

De Commissie neemt ter kennis dat de medewetgevers overeengekomen zijn om in artikel 9 van het besluit van het Europees Parlement en de Raad over een Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed (2018) financiële middelen vast te leggen ter waarde van 8 miljoen EUR. De Commissie brengt in herinnering dat het overeenkomstig artikel 314 VWEU uitsluitend voorbehouden is aan de begrotingsautoriteit om het bedrag aan kredieten in de jaarlijkse begroting goed te keuren.

(1) PB C 88 van 21.3.2017, blz. 7.


Unieprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen ***I
PDF 244kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 258/2014 tot vaststelling van een Unieprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen voor de periode 2014-2020 (COM(2016)0202 – C8-0145/2016 – 2016/0110(COD))
P8_TA(2017)0141A8-0291/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0202),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0145/2016),

–  gezien art. 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0291/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 258/2014 tot vaststelling van een Unieprogramma ter ondersteuning van specifieke activiteiten op het gebied van financiële verslaggeving en controle van jaarrekeningen voor de periode 2014-2020

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/827.)

(1) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 147.


Programma van de Unie ter vergroting van de betrokkenheid van consumenten bij de beleidsvorming op het gebied van financiële diensten ***I
PDF 244kWORD 41k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma van de Unie ter ondersteuning van specifieke activiteiten om consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten meer te betrekken bij de beleidsvorming van de Unie op het gebied van financiële diensten voor de periode 2017-2020 (COM(2016)0388 – C8-0220/2016 – 2016/0182(COD))
P8_TA(2017)0142A8-0008/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0388),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 169, lid 2, onder b) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0220/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0008/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 april 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma van de Unie ter ondersteuning van specifieke activiteiten om consumenten en andere eindgebruikers van financiële diensten meer te betrekken bij de beleidsvorming van de Unie op het gebied van financiële diensten voor de periode 2017-2020

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/826.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 117.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europese Commissie en uitvoerende agentschappen
PDF 734kWORD 116k
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie (2016/2151(DEC))
P8_TA(2017)0143A8-0150/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0269/2016)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2015 (COM(2016)0446),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2015 uitgevoerde interne controles (COM(2016)0628) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0322),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05876/2017 – C8-0037/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015(6);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2151(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(7),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0269/2016)(8),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2015(9),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2015 uitgevoerde interne controles (COM(2016)0628) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0322),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur betreffende het begrotingsjaar 2015, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(10),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(11) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05874/2017 – C8-0038/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(12), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(13), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(14), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG(15),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015(16);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2151(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(17),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0269/2016)(18),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2015(19),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2015 uitgevoerde interne controles (COM(2016)0628) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0322),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen betreffende het begrotingsjaar 2015, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(20),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(21) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05874/2017 – C8-0038/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(22), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(23), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(24), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen en tot intrekking van de Besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG(25),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015(26);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

4. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2151(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(27),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0269/2016)(28),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2015(29),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2015 uitgevoerde interne controles (COM(2016)0628) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0322),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding betreffende het begrotingsjaar 2015, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(30),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(31) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05874/2017 – C8-0038/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(32), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(33), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(34), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van een Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding en tot intrekking van Besluit 2004/858/EG(35),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2014/927/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU teneinde het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding" om te vormen tot het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding"(36),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015(37);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

5. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2151(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(38),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0269/2016)(39),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2015(40),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2015 uitgevoerde interne controles (COM(2016)0628) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0322),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekeningen van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad betreffende het begrotingsjaar 2015, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(41),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(42) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05874/2017 – C8-0038/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(43), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(44), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(45), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/779/EU van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van Besluit 2008/37/EG(46),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015(47);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

6. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2151(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(48),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0269/2016)(49),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2015(50),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2015 uitgevoerde interne controles (COM(2016)0628) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0322),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek betreffende het begrotingsjaar 2015, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(51),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(52) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05874/2017 – C8-0038/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(53), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(54), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(55), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/778/EU van de Commissie van 13 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek en tot intrekking van Besluit 2008/46/EG(56),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015(57);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

7. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2151(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(58),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0269/2016)(59),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2015(60),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2015 uitgevoerde interne controles (COM(2016)0628) en het bijbehorend werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0322),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken betreffende het begrotingsjaar 2015, vergezeld van het antwoord van het agentschap(61),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(62) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05874/2017 – C8-0038/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(63), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(64), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(65), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken en tot intrekking van Besluit 2007/60/EG, als gewijzigd bij Besluit 2008/593/EG(66),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken kwijting voor de uitvoering van de begroting van het uitvoerend agentschap voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015(67);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

8. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie (2016/2151(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(68),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0269/2016)(69),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2015 (COM(2016)0446),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2015 uitgevoerde interne controles (COM(2016)0628) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0322),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(70), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(71) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05876/2017 – C8-0037/2017),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05874/2017 – C8-0038/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(72), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(73), en met name artikel 14, leden 2 en 3,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015(74);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

9. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2016/2151(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2015,

–  gezien de artikelen 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(75) ("het Financieel Reglement") en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie(76) (de "uitvoeringsvoorschriften"),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0150/2017),

A.  overwegende dat in Europa een vertrouwenscrisis ten aanzien van de Europese instellingen heerst, dat elke individuele instelling van de Unie haar aandeel in de verantwoordelijkheid voor deze situatie op zich moet nemen, en dat het Parlement in het licht hiervan dus bijzonder zorgvuldig te werk moet gaan bij de controle van de rekeningen van de Commissie;

B.  overwegende dat de instellingen en de lidstaten van de EU hun communicatiebeleid moeten verbeteren, teneinde burgers naar behoren te informeren over de door de EU-begroting verwezenlijkte resultaten en hun meerwaarde;

C.  overwegende dat het Parlement zich sterk moet inzetten om tegemoet te komen aan de zorgen van de burgers van de Unie over hoe de Uniebegroting wordt uitgegeven en hoe de Unie hun belangen beschermt;

D.  overwegende dat de instellingen van de Unie werk moeten maken van een robuust en veerkrachtig begrotingssysteem van de Unie dat zowel in stabiele als in woelige tijden niet alleen flexibiliteit maar ook wendbaarheid laat zien;

E.  overwegende dat het cohesiebeleid een duidelijke meerwaarde oplevert door de levenskwaliteit van burgers in heel Europa te verbeteren omdat het een belangrijk beleid van solidariteit en een krachtige bron van openbare investeringen is;

F.  overwegende dat de instellingen van de Unie duidelijke afspraken moeten maken en moeten overeenkomen welke Europese beleidsprioriteiten en publieke goederen eerst moeten worden gefinancierd om de bezorgdheden van onze burgers weg te nemen en de leemten in ons beleid te dichten;

G.  overwegende dat de uitgaven van de Unie slechts 1 % van het bni van de Unie uitmaken, en door middel van de Europese meerwaarde in aanzienlijke mate bijdragen aan de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen in heel Europa en gemiddeld 1,9 % van de overheidsuitgaven van de lidstaten vertegenwoordigen;

H.  overwegende dat de percentages die in de Uniebegroting zijn aangemerkt als a) een deel van de totale uitgaven van de lidstaten en b) het niet in de boeken terug te vinden/verkeerd bestede/verspilde element van de begroting, weliswaar gering zijn, maar dat de werkelijke bedragen in kwestie aanzienlijk zijn en dus intensieve controles rechtvaardigen;

I.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de eindverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de begroting van de Unie en dat de lidstaten loyaal moeten samenwerken met de Commissie om ervoor te zorgen dat de middelen overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden besteed;

J.  overwegende dat het Parlement bij het verlenen van kwijting aan de Commissie controleert of de middelen correct zijn besteed en of de beleidsdoelstellingen zijn verwezenlijkt;

Begroting, programmeringsperioden en beleidsprioriteiten

1.  merkt op dat de looptijd van zeven jaar van het huidige meerjarig financieel kader niet aansluit bij het vijfjarige mandaat van het Europees Parlement en de Commissie, wat ook leidt tot discrepanties tussen de begroting van elk begrotingsjaar en de verlening van kwijting; wijst er bovendien op dat de tienjarige strategische planningscyclus en de Europa 2020-strategie niet zijn afgestemd op de zevenjarige cyclus voor het beheer van de Uniebegroting; is van mening dat hierin een ernstige bestuurlijke tekortkoming van de Unie besloten ligt, aangezien het Parlement en de Commissie gebonden zijn door eerder vastgestelde overeenkomsten over beleidsdoelstellingen en financiën, waardoor de indruk zou kunnen ontstaan dat de Europese verkiezingen in deze context irrelevant zijn;

2.  constateert dat de begroting van de Unie in 2015 moest bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van twee verschillende beleidsprogramma's voor de lange termijn, te weten:

   a) de Europa 2020-strategie en
   b) de tien beleidsprioriteiten van voorzitter Juncker,

maar dat daarnaast ook een beroep op de begroting werd gedaan om het hoofd te kunnen bieden aan meerdere crisissituaties: de vluchtelingenstroom, onveiligheid in Europa en de buurlanden, financiële instabiliteit in Griekenland en de economische impact van het door Rusland ingestelde invoerverbod, bovenop de voortdurende invloed van de financiële crisis en de structurele nasleep daarvan in de vorm van werkloosheid, armoede en ongelijkheid;

3.  merkt op dat het beleid van de Unie verschillende doelstellingen voor de korte, de middellange en de lange termijn kan hebben die niet noodzakelijkerwijs allemaal binnen één meerjarig financieel kader kunnen worden verwezenlijkt; meent dat nagedacht moet worden over een nieuw evenwicht tussen de vaststelling van de beleidsagenda, de beleidsuitvoering en het financieel kader;

4.  betreurt dat de tijdelijke begrotingsvoorschriften niet ideaal zijn voor de omzetting van sociale en politieke ambities in bruikbare operationele doelstellingen voor uitgavenprogramma's en -regelingen;

5.  wijst erop dat het in 2020 mogelijk zal zijn de ontwikkeling van strategieën en de beleidsvorming voor de lange termijn af te stemmen op de begrotingscyclus en beveelt aan dat deze kans wordt benut;

6.  is bezorgd dat het aandeel van de klimaatgerelateerde uitgaven van de Uniebegroting in 2015 slechts 17,3 % bedroeg en voor de periode 2014-2016 gemiddeld slechts 17,6 % bedroeg volgens de Rekenkamer(77), hoewel het doel erin bestond minstens 20 % voor de financiële periode te bereiken; benadrukt daarom dat er volgens de Rekenkamer een ernstig risico bestaat dat het streefdoel van 20 % niet zal worden bereikt zonder grotere inspanningen om klimaatverandering aan te pakken;

7.  wijst er bovendien op dat er reeds vóór de Overeenkomst van Parijs was besloten over de klimaatgerelateerde uitgaven van 20 %; is ervan overtuigd dat grotere inspanningen nodig zijn om de Uniebegroting nog klimaatvriendelijker te maken; onderstreept bovendien dat de herziening van het meerjarig financieel kader een uitgelezen kans biedt om ervoor te zorgen dat het streefdoel om 20 % te besteden aan klimaatgerelateerde acties wordt bereikt en te voorzien in een mogelijke verhoging van deze drempel in overeenstemming met de internationale verbintenissen die de EU tijdens de COP 21 is aangegaan;

8.  is ingenomen met de prestatiegerichte begrotingsbenadering die de Commissie heeft gelanceerd; is van mening dat de Uniebegroting doeltreffender en doelmatiger dan ooit moet worden wegens de schaarse financiële middelen; betreurt echter dat de Commissie zich voornamelijk richt op de outputs en niet op de resultaten;

Te nemen maatregelen

9.  onderschrijft het standpunt van de Rekenkamer, zoals uiteengezet in haar briefingdocument van 28 oktober 2016 over de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader (punten 39 en 40), dat het tijd is dat de Commissie andere opties onderzoekt, bijvoorbeeld:

   een doorlopend begrotingsprogramma met een planningstermijn van vijf jaar, herzieningsclausules voor de afzonderlijke doelstellingen en beleidsonderdelen en een doorlopend evaluatieprogramma;
   vaststelling van de looptijd van programma's en regelingen op basis van beleidsbehoeften in plaats van de duur van de financiële planningsperiode en vereisen dat de lidstaten en de Commissie a) de behoefte aan EU-financiering naar behoren onderbouwen en b) de te verwezenlijken resultaten formuleren, voordat de uitgaven worden vastgesteld;

10.  verzoekt de Commissie de in bovengenoemd briefingsdocument van de Rekenkamer van 28 oktober 2016 (punten 39 en 40) gedane suggesties en de aanbevelingen van de groep op hoog niveau voor eigen middelen op de agenda te plaatsen van de volgende vergadering van de deskundigengroep inzake een resultaatgerichte EU-begroting, met het oog op de voorbereiding van de volgende conferentie in het kader van het initiatief voor een resultaatgerichte EU-begroting, in het kader waarvan een debat zou kunnen worden gevoerd over beleidsgebieden voor welke de besteding van de Uniebegroting dient te worden vastgelegd alvorens een besluit wordt genomen over het financiële kader;

11.  steunt alle aanbevelingen van de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 31/2016 en met name dat de Europese Commissie alle potentiële mogelijkheden moet verkennen, waaronder de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader en de herziening van enkele rechtsgrondslagen, om te zorgen voor een echte verschuiving in de richting van klimaatactie; verzoekt de Rekenkamer om tegen eind 2018 een vervolgverslag op te stellen over de klimaatgerelateerde uitgaven van de Uniebegroting;

12.  verzoekt de Commissie meer gebruik te maken van de mogelijkheden betreffende de prestatiereserve in het bestaande rechtskader, teneinde een echte financiële stimulans te creëren ter verbetering van het financieel beheer; verzoekt bovendien dat de prestatiereserve als instrument wordt verstrekt door de prestatieafhankelijke component in het volgende rechtskader te verhogen;

13.  verzoekt de Commissie om haar prioriteiten te richten op de succesvolle verwezenlijking van de Europa 2020-strategie door de instrumenten van het Europees semester aan te wenden;

14.  verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor de politieke prioriteiten voor de financiële periode die begint in 2021, en de tekst daarvan in een vroeg stadium aan het Parlement voor te leggen;

15.  betreurt dat de Commissie geen volledige evaluatie van de Europa 2020-strategie heeft verricht om de uitvoering ervan te waarborgen in het kader van de Strategische agenda voor de Unie in tijden van verandering, aangenomen door de Europese Raad in juni 2014, zoals in deze agenda is beoogd;

16.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de Overeenkomst van Parijs en onmiddellijk het streefdoel voor klimaatgerelateerde uitgaven in de Uniebegroting op te trekken van 20 % naar 30 %;

17.  verzoekt de Commissie de volgende Uniebegrotingen zodanig op te stellen dat ze doeltreffender en doelmatiger zijn en beter aansluiten op de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, de klimaatdoelstellingen van de Unie en de internationale verbintenissen van de Unie;

Schaduwbegrotingen

18.  wijst erop dat talrijke financiële mechanismen ter ondersteuning van het Uniebeleid noch rechtstreeks uit de Uniebegroting worden gefinancierd noch zijn opgenomen in de balans van de Unie: hiertoe behoren de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit, het Europees Stabiliteitsmechanisme, het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en het aan de Europese Investeringsbank verbonden Europees Investeringsfonds;

19.  merkt op dat andere mechanismen deels zijn geboekt op de EU-balans, zoals de blendingfaciliteiten en het Europees Fonds voor strategische investeringen;

20.  wijst erop dat in de periode 2014-2020 in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van financieringsinstrumenten die voornamelijk uit leningen, eigenvermogensinstrumenten, garanties en risicodelingsinstrumenten onder indirect beheer bestaan, en wijst er voorts op dat de door de Europese Investeringsbank beheerde financiële instrumenten vrijwel allemaal onder indirect beheer staan; is van oordeel dat de informatie over de behaalde resultaten onvoldoende is om dergelijke instrumenten te beoordelen, met name met betrekking tot hun sociale en milieu-effecten; benadrukt dat financieringsinstrumenten subsidies kunnen aanvullen, maar niet mogen vervangen;

21.  betreurt dat steeds meer van dergelijke financieringsinstrumenten gebruik wordt gemaakt, aangezien ook van de financiële instrumenten onder gedeeld beheer een groter risico uitgaat, niet alleen voor het handhaven van een toereikende en geloofwaardige Uniebegroting, maar ook voor de huidige en toekomstige doelstellingen en voor de verantwoordingsplicht en de coördinatie van het beleid en de operaties van de Unie; onderstreept dat de uitbreiding van het gebruik van financieringsinstrumenten moet worden voorafgegaan door een alomvattende beoordeling van hun resultaten, verwezenlijkingen en doeltreffendheid; wijst erop dat de speciale verslagen van de Rekenkamer(78) vermelden dat de financiële instrumenten niet als verwacht werken en/of te groot zijn en/of geen succes hebben bij het aantrekken van particulier kapitaal;

22.  waarschuwt de Commissie dat de financiële instrumenten of eventuele financiële regelingen niet noodzakelijk gebonden zijn aan de politieke doelstellingen en streefdoelen van de Unie en projecten kunnen financieren die niet aansluiten op de verbintenissen van de Unie;

23.  wijst erop dat de start van het Europees Fonds voor strategische investeringen van invloed was op de vertragingen bij de start van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility) en dat het Europees Fonds voor strategische investeringen ook impact zal hebben op de gebruikmaking van sommige andere financieringsinstrumenten;

Te nemen maatregelen

24.  dringt er bij de Commissie op aan maatregelen voor te stellen om de financieringsregelingen van de Unie voor de uitvoering van de Uniebegroting - die momenteel verschillende instrumenten en combinaties daarvan omvatten zoals programma's, structuur- en investeringsfondsen, trustfondsen, strategische investeringsfondsen, garantiefondsen, faciliteiten, financieringsinstrumenten, instrumenten voor macrofinanciële bijstand enz. – duidelijker, eenvoudiger en coherenter te maken en beter in staat te stellen te zorgen voor voldoende transparantie, verantwoording, prestaties en begrip bij de bevolking van de wijze waarop EU-beleid wordt gefinancierd en wat het oplevert; betreurt dat in het voorstel voor een nieuw financieel reglement van september 2016 deze problemen niet adequaat worden aanpakt;

25.  verzoekt de Commissie om de ex-antebeoordeling van het schuldinstrument van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen opnieuw te evalueren in het licht van de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen, en het Parlement een beoordeling voor te leggen van de impact van het Europees Fonds voor strategische investeringen op de andere programma's en financiële instrumenten van de Unie;

26.  vraagt de Rekenkamer om de bijdrage van de financieringsinstrumenten en financieringsregelingen (als bedoeld in paragraaf 24) aan de Europa 2020-strategie te evalueren; verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de financiële instrumenten en eventuele financieringsregelingen verenigbaar zijn met de strategie, streefdoelen en verbintenissen van de Unie;

27.  is verheugd dat commissaris Oettinger voornemens is de verschillende schaduwbegrotingen op termijn weer in de Uniebegroting te integreren; is van oordeel dat dit de democratische controleerbaarheid sterk zou verhogen; is er vast van overtuigd dat dit probleem zo snel mogelijk opgelost moet worden, maar uiterlijk aan het einde van de volgende financiële programmeringsperiode; verzoekt de Commissie voor november 2017 een mededeling over dit onderwerp op te stellen;

Budgettair en financieel beheer

28.  betreurt dat er sprake is van aanzienlijke achterstanden in het gebruik van de structuurfondsen in de periode 2007-2013; wijst erop dat tegen het einde van 2015 nog 10 % aan betalingen uitstond van het bedrag van in totaal 446,2 miljard EUR dat aan alle goedgekeurde operationele programma's was toegewezen;

29.  benadrukt dat deze situatie tot grote problemen kan leiden en de doeltreffendheid van de Europese structuur- en investeringsfondsen kan ondermijnen aangezien in sommige lidstaten de niet-gedeclareerde EU-bijdrage, samen met de verplichte cofinanciering, meer dan 15% van het totaal aan overheidsuitgaven bedraagt voor de laatste twee periodes van het financiële kader 2007-2013 en 2014-2020;

30.  stelt met bezorgdheid vast dat eind 2015 vijf lidstaten (Tsjechië, Italië, Spanje, Polen en Roemenië) en belangrijke begunstigden samen goed waren voor meer dan de helft van de ongebruikte vastleggingen van structuurfondsen die niet tot betalingen hebben geleid in de programmeringsperiode 2007-2013, waarvoor verschillende oorzaken aan te wijzen waren: gebrek aan capaciteit en administratieve ondersteuning, gebrek aan nationale middelen om activiteiten van de Unie te cofinancieren, vertraging bij de voorstelling van de regionale programma's voor het meerjarig financieel kader 2014-2020 enz.;

31.  wijst erop dat een nieuw kenmerk van dit meerjarig financieel kader is dat niet-bestede bedragen onder het betalingsmaximum en onder het vastleggingsmaximum de flexibiliteit in latere jaren automatisch verhogen;

32.  beklemtoont dat het niveau aan vastleggingen in 2015 hoger was dan ooit tevoren en net onder het algemene maximum bleef (97,7 % van het beschikbare bedrag);

33.  vestigt de aandacht op het feit dat meer dan driekwart van de operationele uitgaven in 2015 naar regelingen ging waarop de voorschriften van het voorgaand meerjarig financieel kader van toepassing waren: te weten naar subsidies voor landbouwers over 2014, cohesieprojecten en onderzoeksprojecten in het kader van het zevende kaderprogramma, dat in 2007 van start ging;

34.  acht het onaanvaardbaar dat de lidstaten eind 2015 minder dan 20 % van de voor de Europese structuur- en investeringsfondsen verantwoordelijke nationale autoriteiten hadden aangewezen, met uitzondering van de voor het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling verantwoordelijke autoriteiten; is van mening dat deze aanwijzingen een voorwaarde zijn voor de indiening door de nationale autoriteiten van de uitgavenstaten bij de Commissie; is van mening dat de aanzienlijke nieuwigheden die voor de periode 2014-2020 zijn ingevoerd, leiden tot administratieve moeilijkheden ondanks de inspanningen voor vereenvoudigingen;

35.  wijst erop dat moeilijkheden bij de uitvoering van de procedures voor de beoordeling van de naleving betreffende het nieuwe beheer- en controlesysteem, die doorgaans aan het begin van de programmeringsperiode plaatsvinden, ernstige vertragingen in de absorptie veroorzaken;

36.  merkt op dat de mondiale economische recessie, die directe gevolgen heeft in de vorm van de budgettaire beperkingsmaatregelen die zijn toegepast op overheidsbegrotingen en de moeilijkheden bij het verkrijgen van interne financiering, ook een belangrijke factor is bij de vertraging in de absorptie;

37.  betreurt ten zeerste dat dientengevolge het risico bestaat dat de vertragingen bij de begrotingsuitvoering in de programmeringsperiode 2014-2020 groter zullen zijn dan de vertragingen in de periode 2007-2013; vreest dat het volgende meerjarig financieel kader mogelijk van start gaat met een ongekend hoog niveau van uitstaande verplichtingen (reste à liquider - "RAL"), wat het beheer van de Uniebegroting in de eerste jaren mogelijk in het gedrang zal brengen; verwacht dat de Commissie hieruit lessen heeft getrokken en dergelijke vertragingen in de toekomst kan voorkomen;

38.  merkt op dat de Commissie in maart 2015 een betalingsplan heeft goedgekeurd waarin zij kortetermijnmaatregelen voorstelt ter vermindering van het aantal onbetaalde rekeningen; wijst er evenwel op dat die maatregelen er weliswaar op zijn gericht het kasstroombeheer op kortere termijn te verbeteren, maar dat er een visie op langere termijn nodig is voor de aanpak van het hoge niveau aan niet-afgewikkelde vastleggingen, evenals een grondige beoordeling van de oorzaken die aan de basis daarvan liggen (administratieve en operationele moeilijkheden, macro-economische beperkingen, enz.), met het oog op het bepalen van een doeltreffende strategie om dat in de toekomst te vermijden;

39.  benadrukt dat het inroepen van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie voor problemen kan zorgen in de wijze waarop de Uniebegroting wordt beheerd, vooral met betrekking tot de betalingen; wijst op de noodzaak om dit cruciale element vast te leggen in een overgangs- of definitieve overeenkomst met een uittredende lidstaat;

Te nemen maatregelen

40.  verzoekt de Commissie maatregelen te treffen om de regels en tijdschema's betreffende het aantal niet-afgewikkelde vastleggingen strikt na te leven, onder meer door:

   i) afsluiting van de programma's van 2007-2013 en vrijmaking van de daarvoor vastgelegde middelen;
   ii) een correct gebruik van nettocorrecties op het gebied van cohesie;
   iii) beperking van de door fiduciairs aangehouden kasmiddelen, en
   iv) het opstellen van betalingsplannen en prognoses op terreinen waar sprake is van aanzienlijke uitstaande verplichtingen;

41.  verzoekt de Commissie nogmaals een jaarlijks bijgewerkte kasstroomraming voor een zeven- tot tienjarige periode te maken waarin begrotingsplafonds, betalingsbehoeften, capaciteitsbeperkingen en de mogelijke annuleringen van vastleggingen worden opgenomen, met het oog op een betere afstemming tussen betalingsverplichtingen en beschikbare middelen;

42.  verzoekt de Commissie dringend, gezien de slechte situatie waarin meerdere lidstaten zich momenteel bevinden, bij haar begrotings- en financieel beheer rekening te houden met de capaciteitsproblemen en de specifieke socio-economische omstandigheden in sommige lidstaten; verzoekt de Commissie gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten via technische bijstand en het nieuwe steunprogramma voor structurele hervormingen om deze lidstaten te ondersteunen, om onderbesteding van middelen te voorkomen en om de absorptiepercentages te verhogen, met name op het gebied van de Europese structuur- en investeringsfondsen;

43.  herhaalt de behoefte aan vereenvoudiging en duidelijkheid van regels en procedures, zowel op nationaal als op Unieniveau, om toegang tot Uniefinanciering voor begunstigden te vergemakkelijken en om goed beheer van deze financieringen door de administratieve diensten te verzekeren; meent dat vereenvoudiging zal bijdragen tot een snelle toewijzing van middelen, een hogere absorptiegraad, een betere efficiëntie, minder fouten bij de uitvoering en kortere betalingstermijnen; is van oordeel dat een evenwicht tussen vereenvoudiging en stabiliteit van de voorschriften, procedures en controles moet worden bereikt; stelt vast dat de verstrekking van voldoende informatie en richtsnoeren aan potentiële aanvragers en begunstigden in elk geval een noodzakelijke voorwaarde voor succesvolle uitvoering is;

44.  roept de Commissie op niet verder op de technische bijstand die zij ter beschikking heeft te bezuinigen en met een actieplan te komen voor doeltreffende en tijdige absorptie met bijzondere nadruk op de lidstaten en regio's die achterop hinken en lage absorptiegraden hebben;

Financieringsinstrumenten

45.  betreurt dat eind 2015 slechts 75 %(79) van de bijdragen aan de financieringsinstrumenten voor de programmeringsperiode 2007-2013 aan de eindbegunstigden was uitbetaald (eind 2014: 57 %, eind 2012: 37 %) en dat in het kader van financieringsinstrumenten onder indirect beheer nog steeds grote bedragen aan geldmiddelen werden aangehouden (1,3 miljard EUR in 2015, 1,3 miljard EUR in 2014, 1,4 miljard EUR in 2013); 1,4 miljard EUR in 2013);

46.  stelt met bezorgdheid vast dat de ongebruikte bedragen van de financieringsinstrumenten relatief hoog blijven, waarbij 80 % van de niet-bestede bedragen eind 2014 was geconcentreerd in vijf lidstaten (waarvan Italië goed was voor 45 % van het totaal); is van mening dat de Commissie voor het einde van 2018 een volledige evaluatie van dergelijke instrumenten moet opstellen om te beoordelen of ze in de volgende financiële planningsperiode nog een plaats krijgen;

47.  verzoekt de Commissie om ongebruikte kasmiddelen in financiële instrumenten onder gedeeld beheer en de resterende ongebruikte middelen van financieringsinstrumenten onder indirect beheer van de vorige meerjarige financiële kaders, waarvoor de subsidiabiliteitsperiode is verstreken, terug te vorderen;

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

48.  is verheugd dat de Rekenkamer een goedkeurend oordeel uitspreekt over de betrouwbaarheid van de rekeningen voor 2015, wat sinds 2007 steeds het geval is geweest, en dat de Rekenkamer vaststelt dat de ontvangsten in 2015 geen materiële fouten vertoonden, en constateert tevens met voldoening dat de onderliggende vastleggingen bij de rekeningen betreffende het per 31 december 2015 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

49.  betreurt ten zeerste dat de betalingen voor het 22e jaar op rij materiële fouten vertoonden vanwege de gebrekkige doeltreffendheid van de toezicht- en controlesystemen;

50.  betreurt dat, ondanks de verbeteringen, de betalingen een meest waarschijnlijk foutenpercentage vertonen van 3,8 %; herinnert eraan dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen in het begrotingsjaar 2014 werd geraamd op 4,4%, in 2013 op 4,7 %, in 2012 op 4,8 % en in 2011 op 3,9 %;

51.  onderstreept dat de situatie in de afgelopen jaren weliswaar enigszins is verbeterd, maar dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage nog steeds duidelijk boven de materialiteitsdrempel van 2 % ligt; benadrukt dat indien de Commissie, de autoriteiten van de lidstaten of de onafhankelijke controleurs alle beschikbare informatie hadden benut, zij een aanzienlijk deel van de fouten hadden kunnen voorkomen of ontdekken en corrigeren voordat de desbetreffende betalingen werden gedaan; vindt het onaanvaardbaar dat beschikbare informatie niet wordt gebruikt om het foutenpercentage te verlagen; is ervan overtuigd dat de lidstaten hierin een cruciale rol moeten spelen; dringt er bij de lidstaten op aan gebruik te maken van alle beschikbare informatie om eventuele fouten te voorkomen, op te sporen en recht te zetten, en dienovereenkomstig te handelen;

52.  betreurt dat de Rekenkamer op grond van een wijziging in het wettelijk kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2015 bij zijn toetsing van verrichtingen niet langer rekening houdt met de randvoorwaarden, wat de vergelijking met het vorige boekjaar moeilijker maakt; in 2014 droegen dergelijke fouten voor 0,6 procentpunt bij aan het geschatte totale foutenpercentage voor rubriek 2 van het meerjarig financieel kader "Natuurlijke hulpbronnen", terwijl de jaarlijkse bijdrage ervan aan het totale geschatte foutenpercentage in de periode 2011-2014 tussen 0,1 en 0,2 procentpunt bedroeg;

53.  wijst er met bezorgdheid op dat indien de door de lidstaten en de Commissie genomen corrigerende maatregelen niet waren toegepast op de door de Rekenkamer gecontroleerde uitgaven, het totale geschatte foutenpercentage 4,3 % zou hebben bedragen, in plaats van 3,8 %;

54.  stelt vast dat het soort beheer een beperkte impact op de foutenpercentages heeft, aangezien de Rekenkamer heeft geconstateerd dat het geschatte foutenpercentage voor uitgaven onder gedeeld beheer met de lidstaten (4,0 %) en voor uitgaven die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd (3,9 %) nagenoeg gelijk is;

55.  vestigt de aandacht op het feit dat de Rekenkamer de hoogste foutenpercentages heeft vastgesteld bij uitgaven in het kader van "Economische, sociale en territoriale cohesie" (5,2 %) en "Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid" (4,4 %), terwijl de administratieve uitgaven het laagste geschatte foutenpercentage (0,6 %) kenden; benadrukt dat fouten over het algemeen geen fraude inhouden; beveelt aan dat de Rekenkamer een speciaal verslag over beste werkwijzen opstelt dat deze gebieden onderzoekt en vergelijkt met als doel een beknopt document van "beste werkwijzen" op te stellen;

56.  merkt op dat de verschillende risicopatronen van vergoedingsregelingen en rechtenregelingen in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het foutenpercentage van de verschillende uitgaventerreinen; constateert dat het foutenpercentage 5,2 % bedraagt wanneer de EU subsidiabele kosten voor subsidiabele activiteiten vergoedt op basis van kostendeclaraties van begunstigden, terwijl dat percentage 1,9 % bedraagt wanneer, in plaats van vergoeding van gedeclareerde kosten, betalingen worden gedaan indien aan de voorwaarden is voldaan; beveelt aan dat de Rekenkamer deze gebieden onderzoekt en vergelijkt met als doel een speciaal verslag over beste werkwijzen op te stellen;

Jaarlijks beheers- en prestatieverslag: beheersresultaten en interne governance-instrumenten van de Commissie

57.  merkt op dat de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag over de EU-begroting 2015 (COM(2016)0446) heeft vastgesteld dat het risicobedrag bij betalingen vergeleken met 2014 met ongeveer 10 % is gedaald, wat voornamelijk te danken is aan de vermindering van het risicobedrag op het gebied van landbouw;

58.  benadrukt dat de Commissie erkent dat de uitgaven een materieel foutenpercentage vertonen, aangezien het risicobedrag dat is voorgesteld in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag voor 2015 tussen de 3,3 en 4,5 miljard EUR bedraagt, wat neerkomt op tussen de 2,3 en 3,1 % van de betalingen; wijst erop dat de Commissie verwacht dat ze de komende jaren fouten zal vaststellen en corrigeren ten belope van in totaal tussen de 2,1 en 2,7 miljard EUR;

59.  deelt het standpunt van de Rekenkamer dat de door de Commissie toegepaste methode voor de schatting van het foutenpercentage bij de vaststelling van het risicobedrag in de afgelopen jaren is verbeterd, maar dat de schattingen van het percentage onregelmatige betalingen door de afzonderlijke directoraten-generaal niet zijn gebaseerd op een consistente methode (zie met name punt 1.38 van het jaarverslag 2015 van de Rekenkamer); beveelt aan deze praktijk zo snel mogelijk te regulariseren en te standaardiseren;

60.  merkt op dat de Commissie het risico dat de impact van corrigerende maatregelen wordt overschat, dankzij een aantal verbeteringen weliswaar heeft verminderd, maar niet heeft kunnen wegnemen;

61.  wijst in het bijzonder op het feit dat de directoraten-generaal van de Commissie hun ramingen van de risicobedragen gedurende meer dan drie kwart van 2015 hebben gebaseerd op door de nationale autoriteiten verstrekte gegevens, hoewel uit de jaarlijkse activiteitenverslagen van de betrokken directoraten-generaal Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling (DG AGRI) en directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO) naar voren komt dat de betrouwbaarheid van de controleverslagen van de lidstaten nog steeds te wensen overlaat, al is er verbetering gekomen in de rapportage van gegevens door de lidstaten; vindt het onaanvaardbaar dat de lidstaten niet eerlijk samenwerken met de Commissie met betrekking tot de controleverslagen en hun betrouwbaarheid;

62.  benadrukt dat de controlelast voor eindgebruikers zou dalen als de "single audit"-benadering zou worden toegepast, waarbij een Europese audit niet afzonderlijk wordt uitgevoerd, maar voortbouwt op nationale audits; is van mening dat een dergelijke continue lijn van verantwoording evenwel alleen mogelijk is als de nationale controles naar behoren worden uitgevoerd en als de Commissie en de lidstaten het eens zijn over de beginselen en interpretaties; roept de Commissie op hierin initiatief te nemen door richtsnoeren te publiceren;

63.  is van mening dat de verlening van kwijting afhankelijk moet zijn van de nodige verbetering in financieel beheer op het niveau van de lidstaten; wijst in deze context op het instrument van nationale verklaringen dat zou kunnen helpen om te komen tot grotere verantwoording en zeggenschap op nationaal niveau;

64.  wijst erop dat, door het specifieke karakter van de meerjarige programmering en door de complexiteit van de talloze regionale en nationale regels en regels van de Unie die van toepassing zijn op de begrotingsprocedure, en aangezien fouten achteraf nog gedurende meer dan tien jaar kunnen worden gecorrigeerd, het willekeurig lijkt om de raming van de impact van toekomstige correcties te baseren op de gedurende de voorgaande zes jaar verrichte correcties;

65.  beklemtoont in dit verband dat de directeuren-generaal in hun jaarlijkse activiteitenverslagen geen financiële punten van voorbehoud zouden hoeven te maken indien de Commissie zou kunnen vertrouwen op de doeltreffendheid van haar corrigerend vermogen;

66.  wijst erop dat volgens het verslag van de Commissie(80) de totale ten uitvoer gelegde financiële correcties en terugvorderingen 3,9 miljard EUR bedroegen; stelt vast dat de Rekenkamer ze in drie categorieën heeft onderbracht: 1,2 miljard EUR correcties en terugvorderingen "aan de bron" toegepast vóór aanvaarding van de uitgaven door de Commissie (landbouw, cohesie, direct/indirect beheer); 1,1 miljard EUR intrekkingen door lidstaten van eerder aanvaarde declaraties ter vergoeding van cohesieprojecten of -uitgaven en vervanging door nieuwe projecten of uitgaven; 1,6 miljard EUR nettocorrecties (landbouw, direct/indirect beheer);

67.  benadrukt dat het in het geval van een hoog risico op onregelmatigheden een goede praktijk is om het risico te bespreken en tevens het niveau en de waarschijnlijke impact ervan te kwantificeren; betreurt dat de Commissie in haar verslaglegging ter zake meer aandacht besteedt aan het "corrigerend vermogen" dan aan de kwantificering en de analyse van de aard van de geconstateerde fouten, en aan het nemen van relevante preventieve maatregelen om dergelijke fouten te vermijden; wijst er met name op dat de Commissie in haar mededeling over de bescherming van de Uniebegroting geen raming maakt van het niveau van het onregelmatigheidspercentage in de oorspronkelijke of in de goedgekeurde vergoedingsaanvragen;

68.  deelt het in speciaal verslag nr. 27/2016 van de Rekenkamer naar voren gebrachte standpunt dat het door de Kinnock/Prodi-hervorming ingevoerde onderscheid tussen de "politieke verantwoordelijkheid van commissarissen" en de operationele verantwoordelijkheid van directeuren-generaal betekent dat niet altijd is verduidelijkt of "politieke verantwoordelijkheid" de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting van de directoraten-generaal omvat of daar los van staat (zie punt 5 van de samenvatting van speciaal verslag nr. 27/2016 van de Rekenkamer);

69.  wijst erop dat het college van commissarissen geen verantwoordelijkheid neemt voor de jaarrekening door een voorwoord of verslag van de Commissievoorzitter of de commissaris voor Begroting op te stellen, en dat de Commissie geen jaarlijkse verklaring afgeeft inzake governance of interne controle, in tegenstelling tot goede praktijken en de normale gang van zaken in de lidstaten;

Te nemen maatregelen

70.  dringt er nogmaals bij de Commissie en de lidstaten op aan deugdelijke procedures in te voeren om de timing, de herkomst en de bedragen van corrigerende maatregelen te bevestigen en om informatie te verstrekken waarmee zoveel mogelijk een aansluiting kan worden gemaakt tussen het jaar waarin de betaling is verricht, het jaar waarin de betrokken fout is opgespoord en het jaar waarin terugvorderingen of financiële correcties zijn bekendgemaakt in de toelichtingen bij de rekeningen;

71.  verzoekt de Commissie nogmaals om jaarlijks één enkele, werkelijke betrouwbaarheidsverklaring af te geven op basis van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directeuren-generaal en een eigen statistisch verantwoorde raming van het foutenpercentage te maken; vraagt de Commissie een aparte raming te maken van het bedrag aan Uniemiddelen dat zij voor het begrotingsjaar 2015 beoogt te recupereren in de vorm van terugvorderingen en financiële correcties;

72.  vraagt de Commissie om een nauwkeurige analyse uit te voeren van de "projecten met terugwerkende kracht" of van de wijziging van enkele projecten binnen het regionaal operationeel programma die door de autoriteiten al zijn gelanceerd met andere middelen en kunnen worden geïntegreerd in de maatregelen of projecten die operationele moeilijkheden met zich meebrengen of de regelgeving blijken te overtreden of deze kunnen vervangen, met inbegrip van beoordelingen vooraf om te controleren of de vervangende projecten aan de vooropgestelde doelstellingen voldoen;

73.  verzoekt de Commissie aan de financiële staten een jaarlijkse verklaring inzake governance en interne controle te hechten die onder meer het volgende omvat:

   een beschrijving van de interne governance-instrumenten van de Commissie,
   een beoordeling van de operationele en strategische risicoactiviteiten in het betrokken jaar, en
   een verklaring over de houdbaarheid van de begroting op middellange en lange termijn,

en een schatting van het onregelmatigheidspercentage in de oorspronkelijke of in de goedgekeurde vergoedingsaanvragen, op te nemen in haar mededeling over de bescherming van de Uniebegroting;

74.  roept de lidstaten op betrouwbare gegevens aan de Commissie te overleggen, vooral met betrekking tot de controleverslagen;

Politieke voorbehouden

75.  onderschrijft de voorbehouden dat door de directeurs-generaal van DG REGIO, directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij (DG MARE), directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken (DG HOME), directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DG DEVCO) en DG AGRI werd gemaakt in hun jaarlijkse activiteitenverslagen; is van mening dat deze voorbehouden aantonen dat de controleprocedures van de Commissie en de lidstaten niet de nodige waarborgen kunnen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van alle onderliggende verrichtingen in de overeenkomstige beleidsgebieden;

76.  vraagt zich af waarom de directeur-generaal van het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG RTD) net als in de voorgaande jaren een horizontaal voorbehoud blijft maken dat betrekking heeft op alle betalingen en kostendeclaraties in het kader van het zevende kaderprogramma; verzoekt de Commissie eindelijk een zinvollere, risicogebaseerde aanpak te ontwikkelen en, indien nodig, specifieke punten van voorbehoud te gebruiken;

Resultaten behalen met de begroting van de Unie

Jaarlijks beheers- en prestatieverslag: prestatie-evaluatie

77.  merkt op dat in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag voor 2015, twee eerdere verslagen worden samengevoegd: het evaluatieverslag dat overeenkomstig artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie werd opgesteld en het syntheseverslag als bedoeld in artikel 66, lid 9, van het Financieel Reglement;

78.  is verheugd over het feit dat in het verslag voor elk van de begrotingsrubrieken informatie wordt verstrekt over de voortgang van de programma's die uit hoofde van het meerjarig financieel kader 2014-2020 worden uitgevoerd, alsook informatie over de resultaten van de programma's die uit hoofde van het meerjarig financieel kader 2007-2013 werden uitgevoerd, en wordt ingegaan op de relatie met de Europa 2020-strategie;

79.  betreurt het feit dat in het zogenaamde evaluatieverslag enerzijds beschrijvingen van activiteiten worden verward met resultaten en anderzijds pogingen om de effecten van het beleid te evalueren en beloften voor de toekomst worden gedaan;

80.  herinnert eraan dat de lidstaten niet verplicht zijn gemeenschappelijke indicatoren op te nemen in hun programma's, met uitzondering van het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, en de eerste fase van controle op het niveau van de lidstaten niet in evaluaties van de resultaten voorziet;

81.  betreurt het dat de Commissie, in plaats van haar interne governance-instrumenten te vereenvoudigen, een nieuw strategisch meerjarenplan voor elke dienst van de Commissie heeft toegevoegd op basis van gemeenschappelijke algemene doelstellingen die de tien politieke prioriteiten van de Commissie-Juncker beslaan en die dienen ter ondersteuning van de Europa 2020-doelstellingen en de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag;

82.  herhaalt zijn oproep tot thematische concentratie, zoals uitgedrukt in zijn kwijtingsverslag over het begrotingsjaar 2014; roept de Commissie op te onderzoeken in welke mate thematische concentratie zou kunnen bijdragen tot vereenvoudiging en een daling van de regelgevings- en controlelast;

83.  verzoekt de Commissie haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag tijdig goed te keuren, zodat de Rekenkamer hier rekening mee kan houden in haar jaarverslag; benadrukt dat de in dit verslag verstrekte informatie zo objectief mogelijk moet zijn en een uitgebreide beoordeling moet omvatten van de resultaten die de Commissie in het voorgaande jaar heeft behaald bij het uitvoeren van haar beleid; vraagt de Commissie na te denken over de noodzaak van een politieke programmeringsperioden voor de lange termijn, zoals de tienjarenstrategie van Europa 2020;

84.  vestigt de aandacht op de noodzaak dat het proces van opstelling van prestatie-indicatoren transparant en democratisch is, met deelname van alle instellingen van de Unie, partners en betrokken belanghebbenden om ervoor te zorgen dat de indicatoren geschikt zijn voor de meting van de uitvoering van de Uniebegroting, en om aan de verwachtingen van de Unieburgers te voldoen;

Te nemen maatregelen

85.  roept de Commissie op in haar volgende prestatieverslagen een betere evaluatie te geven van de outputs en de resultaten van elke beleidsmaatregel; roept de Commissie op om duidelijk en bondig de bijdrage van de Europese beleidsmaatregelen aan de doelstellingen van de Unie aan te tonen en hun respectieve bijdrage aan de EU 2020-doelstellingen te beoordelen;

Horizon 2020

86.  herinnert eraan dat Horizon 2020 een ambitieus en breed opgezet programma is, waarvan de algemene doelstelling is gebaseerd op drie prioriteiten: wetenschap op topniveau, industrieel leiderschap en maatschappelijke uitdagingen;

87.  merkt op dat de Commissie-Juncker tien politieke prioriteiten heeft vastgesteld voor de periode 2014-2019 die niet volledig overeenkomen met de Europa 2020-prioriteiten; merkt op dat dit tot een situatie leidt waarin het rechtskader en de begrotingstoewijzing voor Horizon 2020 de Europa 2020-strategie weerspiegelen, terwijl de Commissie bij het uitvoeren van Horizon 2020 sinds 2014 haar strategische planning en beheersregelingen opnieuw heeft gericht op de tien politieke prioriteiten;

88.  betreurt het dat de Commissie tot dusverre de relatie tussen de twee reeksen prioriteiten nog niet in kaart heeft gebracht en verzoekt de Commissie deze verbanden te verduidelijken;

89.  benadrukt dat doeltreffende synergiën en complementariteit tussen nationale en Europese onderzoeks- en innovatieprogramma's van essentieel belang zijn voor het succes van Horizon 2020; neemt er nota van dat de Commissie van plan is om de effecten en synergiën tussen Horizon 2020 en de Europese structuur- en investeringsfondsen te analyseren in het kader van de tussentijdse evaluatie van Horizon 2020;

90.  neemt kennis van de twee voorbeelden van complementariteiten tussen nationale onderzoeksprogramma’s en onderzoeksprogramma’s van de Unie die de Rekenkamer in haar jaarverslag 2015 geeft en dat de hoogste controle-instanties van Bulgarije en Portugal hebben geconstateerd dat, hoewel er in hun land een aantal gebieden is waarop nationale en EU-onderzoeksprogramma's complementair zijn, er ook sprake was van enkele tekortkomingen op nationaal niveau ten aanzien van de indicatoren die verband houden met Horizon 2020 binnen nationale actieplannen en strategieën en een aantal problemen met betrekking tot coördinatie en interactie tussen alle deelnemers van Horizon 2020 op nationaal niveau(81); neemt ook kennis van het feit dat Bulgarije de eerste lidstaat was die vrijwillig van het instrument ter ondersteuning van het Horizon 2020-beleid gebruikmaakte en moedigt de Commissie aan lidstaten die hun onderzoeks- en innovatiesectoren moeten moderniseren te blijven ondersteunen;

91.  herinnert eraan dat met het rechtskader van Horizon 2020 verscheidene belangrijke elementen voor prestatiebeheer worden geïntroduceerd, zoals doelstellingen en kernprestatie-indicatoren; benadrukt dat de doelstellingen en indicatoren die zijn overeengekomen in het algemeen een aanzienlijke verbetering betekenen ten opzichte van de voorgaande kaderprogramma's;

92.  merkt op dat er een aantal tekortkomingen blijft bestaan ten aanzien van de in Horizon 2020 gebruikte prestatie-indicatoren, zoals:

   i) in verband met het evenwicht tussen indicatoren die alleen input of output meten in plaats van resultaten en impact(82),
   ii) het gebrek aan uitgangswaarden, en
   iii) een gebrek aan ambitie in de streefdoelen;

93.  betreurt het dat de Rekenkamer concludeerde dat de Commissie haar werkprogramma's en uitnodigingen tot het indienen van voorstellen in het kader van Horizon 2020 niet gebruikt om de vereiste prestatiegerichtheid te versterken(83);

94.  stelt met voldoening vast dat voor de door de Rekenkamer onderzochte voorstellen en subsidieovereenkomsten gold dat, wanneer dit door de Commissie werd vereist, in de doelstellingen voldoende nadruk was gelegd op prestatie en dat hetzelfde gold voor het evaluatieproces voor deze voorstellen;

95.  betreurt het dat in de afzonderlijke werkprogramma's die Horizon 2020 aansturen en bijbehorende uitnodigingen tot het indienen van voorstellen de bredere term "verwachte impact" wordt gebruikt, in plaats van de term "verwachte resultaten", wat leidt tot een vergroot risico dat de voor dit deel verstrekte informatie te breed is en de prestatiebeoordelingen van Horizon 2020 moeilijk kunnen worden samengevoegd(84);

96.  is bezorgd over het feit dat de Commissie niet altijd consequent gebruikmaakt van de belangrijkste prestatiebegrippen (zoals "output", "resultaten", "uitkomsten" en "impact");

97.  betreurt het dat de Rekenkamer concludeerde dat de Commissie in de huidige opzet de uitgaven en de prestaties van onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie binnen Horizon 2020 niet afzonderlijk kan monitoren of daarover verslag uitbrengen; betreurt dat, hoewel de financiële bijdrage van Horizon 2020 binnen Europa 2020 stevig is verankerd in het begrotingsproces door middel van de gepubliceerde programmaverklaringen, de Commissie nog niet op zinvolle wijze verslag heeft uitgebracht over de uitvoering van Horizon 2020 en de bijdrage daarvan aan Europa 2020; verzoekt de Commissie om op zinvolle wijze verslag uit te brengen over de uitvoering van Horizon 2020 en de bijdrage daarvan aan Europa 2020 naarmate resultaten van het programma beschikbaar worden;

98.  stelt voor de rol voor de nationale contactpunten uit te breiden zodat zij kwalitatieve technische ondersteuning ter plaatse kunnen bieden; is van mening dat een jaarlijkse beoordeling van de resultaten, opleidingen en stimulering van de nationale contactpunten die goed presteren het succespercentage van het Horizon 2020-programma zullen doen toenemen;

Te nemen maatregelen

99.  roept de Commissie op om in haar toekomstige prestatieverslagen de bijdrage van Horizon 2020 aan Europa 2020 duidelijk en uitgebreid te presenteren;

Beheersplannen en jaarlijkse activiteitenverslagen van vier directoraten-generaal die verantwoordelijk zijn voor uitgaven in het kader van "Natuurlijke hulpbronnen"

100.  betreurt de opmerkingen van de Rekenkamer dat veel van de in de beheersplannen en jaarlijkse activiteitenverslagen van de DG AGRI, DG CLIMA, DG ENVI en DG MARE gebruikte doelstellingen rechtstreeks waren overgenomen uit beleidsteksten of wetgevingsdocumenten en niet gedetailleerd genoeg waren voor beheers- en monitoringdoeleinden;

Te nemen maatregelen

101.  verzoekt de Commissie:

   de prestaties van de werkprogramma's te beoordelen door doelstellingen op hoog niveau, zoals vastgelegd in de Horizon 2020-wetgeving, te vertalen in operationele doelstellingen op het niveau van het werkprogramma;
   de verbanden tussen de Europa 2020-strategie (2010-2020), het meerjarig financieel kader (2014-2020) en de prioriteiten van de Commissie (2015-2019) verder te verduidelijken;
   te zorgen voor een consequent gebruik van de termen "input", "output", "resultaat" en "impact" in al haar activiteiten, in overeenstemming met haar richtsnoeren voor betere regelgeving;
   maatregelen te nemen die gelijk loon verzekeren voor onderzoekers die binnen hetzelfde project hetzelfde werk uitvoeren;
   een lijst te verstrekken waarop volgens nationaliteit alle ondernemingen staan vermeld die op de beurs zijn genoteerd en/of die in hun jaarbalans winst hebben geboekt en die middelen ontvangen uit hoofde van Horizon 2020;

Ontvangsten

102.  is verheugd over het feit dat uit de algemene controle-informatie van de Rekenkamer blijkt dat de ontvangsten geen materieel foutenpercentage vertonen en, in het bijzonder, dat de onderzochte systemen voor eigen middelen uit het bni en de btw doeltreffend zijn, dat de onderzochte systemen voor de traditionele eigen middelen over het geheel genomen doeltreffend zijn, hoewel de essentiële interne controles in de door de Rekenkamer bezochte lidstaten gedeeltelijk doeltreffend waren, en dat de Rekenkamer geen fouten ontdekte in de getoetste verrichtingen;

103.  herinnert eraan dat een voorbehoud een middel is waarmee onzekere elementen in de door de lidstaten ingediende bni-gegevens kunnen worden opengehouden voor correctie en is verheugd over het feit dat de Rekenkamer geen ernstige problemen constateerde in opgeheven punten van voorbehoud die zij in 2015 analyseerde;

104.  is bezorgd dat hoewel vooruitgang is geboekt bij het verbeteren van de betrouwbaarheid van de Griekse bni-gegevens, de punten van voorbehoud nog niet zijn opgeheven; merkt op dat dit het enige nog lopende voorbehoud was aan het einde van 2015, betrekking hebbend op de jaren 2008 en 2009;

105.  merkt op dat wat de douanerechten betreft, de Rekenkamer concludeerde dat de methodologie die voor de uitgevoerde controles werd gebruikt om te controleren of tarief- en invoerregels werden nageleefd door importeurs (waaronder "controles na douaneafhandeling") en de kwaliteit en de resultaten hiervan in de lidstaten uiteenliepen; de Rekenkamer vestigde met name de aandacht op de onderbreking van de verjaringstermijn van drie jaar voor mededelingen van schuld in Frankrijk, een praktijk die afwijkt van wat gangbaar is in de andere lidstaten en leidt tot een ongelijke behandeling van de marktdeelnemers binnen de Unie(85);

106.  merkt met betrekking tot traditionele eigen middelen op dat de Commissie eind 2015 ook een lijst van 325 openstaande punten had die betrekking hadden op de niet-naleving van de douaneregels van de Unie, die zij door middel van inspecties in de lidstaten vaststelde;

107.  merkt op dat de Rekenkamer concludeerde dat met betrekking tot de overzichten van douanerechten en suikerheffingen tekortkomingen bestonden in het beheer van de vorderingen (ook wel de B-boekhouding) in de lidstaten en dat de Commissie vergelijkbare tekortkomingen ontdekte in 17 van de 22 bezochte lidstaten;

108.  wijst erop dat de Rekenkamer risico's ontdekte in verband met de invordering van douaneschulden van ondernemingen die buiten de Unie zijn geregistreerd of van burgers van landen buiten de Unie en een aantal gevallen constateerde in verschillende lidstaten waarin lidstaten niet in staat waren schulden te innen van burgers of ondernemingen die waren gevestigd in bijvoorbeeld Belarus, de Britse Maagdeneilanden, Rusland, Zwitserland, Turkije en Oekraïne;

109.  benadrukt dat de impact van de ingrijpende herzieningen van de bni-saldi kleiner zou kunnen zijn indien er een gemeenschappelijk EU-herzieningsbeleid zou hebben bestaan om het tijdpad voor grote herzieningen te harmoniseren;

110.  betreurt het dat de structurele en juridische elementen die hebben geleid tot het politieke incident dat zich eind oktober 2014 voordeed met betrekking tot de bijdragen van enkele lidstaten nog steeds van kracht zijn;

Te nemen maatregelen

111.  verzoekt de Commissie om:

   de nodige stappen te nemen om in alle lidstaten de termijnen voor de kennisgeving van schulden aan marktdeelnemers naar aanleiding van een controle na douaneafhandeling te harmoniseren;
   ervoor te zorgen dat de lidstaten de juiste geïnde bedragen aan douanerechten opgeven in de verstrekte kwartaaloverzichten en richtsnoeren te verstrekken voor hetgeen geregistreerd dient te worden;
   voor zover mogelijk de invordering van douaneschulden door de lidstaten te vergemakkelijken wanneer de debiteuren niet in een lidstaat van de Unie zijn gevestigd;
   de controles te verbeteren van de berekeningen van de bijdragen van de landen van de Europese Economische Ruimte en de Europese Vrijhandelsassociatie en van de correctiemechanismen, en
   de noodzakelijke maatregelen te nemen ter vermindering van de impact van de door de lidstaten gepresenteerde herzieningen van methoden en bronnen voor de compilatie van hun bni;

Follow-up van de kwijting van de Commissie voor 2014(86)

112.  merkt op dat de Commissie ermee instemde nieuwe maatregelen te nemen naar aanleiding van 88 verzoeken die het Parlement deed in zijn resolutie die werd gevoegd bij het besluit over de kwijting voor het begrotingsjaar 2014;

113.  merkt op dat ten aanzien van 227 verzoeken van het Parlement de nodige maatregelen volgens de Commissie reeds waren genomen of in uitvoering zijn en dat de Commissie, om redenen die verband houden met het bestaande regelgevings- en begrotingskader of met haar eigen institutionele rol of prerogatieven, 35 verzoeken van het Europees Parlement niet kan inwilligen;

114.  betreurt het dat de antwoorden van de Commissie soms vaag en ambigu blijven;

115.  is verheugd over het feit dat de Commissie vijf van de zes voornaamste toezeggingen heeft waargemaakt;

116.  dringt er desalniettemin op aan dat de Commissie haar directoraten-generaal de opdracht geeft alle landenspecifieke aanbevelingen in hun respectievelijke jaarlijkse activiteitenverslagen te publiceren die zij in het kader van het Europees semester hebben gedaan (zesde toezegging);

117.  verzoekt de Commissie haar positie te heroverwegen, met name ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door de lidstaten verstrekte gegevens, de transparantie wat betreft de uiteindelijke begunstigden van Uniemiddelen, de transparantie van de activiteiten van de ethische commissie, de strijd tegen corruptie en de hervorming van de bestuursstructuren van de Europese scholen;

118.  veroordeelt met kracht het feit dat de Commissie niet de behoefte voelt om het anticorruptieverslag van de EU nog te publiceren; is van mening dat, ongeacht hoe de Commissie van plan is corruptie te bestrijden, deze annulering op het laatste ogenblik het verkeerde signaal afgeeft, niet alleen aan de lidstaten maar ook aan de burgers; herhaalt zijn mening dat corruptie nog steeds een uitdaging vormt voor de Unie en de lidstaten, en dat het zonder effectieve anticorruptiemaatregelen de economische prestaties, de rechtsstaat en de geloofwaardigheid van democratische instellingen binnen de Unie ondermijnt; roept de Commissie op het anticorruptieverslag van 2016 af te ronden en te publiceren, snel en stevig op te treden om corruptie in de lidstaten en de instellingen van de Unie weg te werken en opdracht te geven voor een onafhankelijke beoordeling van de anticorruptienormen in de instellingen van de Unie zelf;

119.  verzoekt de Commissie met klem een systeem van strikte indicatoren en gemakkelijk toepasbare, uniforme criteria uit te werken, gebaseerd op de vereisten van het programma van Stockholm, om het corruptieniveau in de lidstaten te meten en de anticorruptiemaatregelen van de lidstaten te beoordelen; verzoekt de Commissie een corruptie-index op te stellen om de lidstaten in categorieën onder te brengen; is van mening dat de corruptie-index een stevige basis kan vormen waarop de Commissie haar landenspecifieke controlemechanisme kan opstellen bij de controle van de uitgave van Uniemiddelen;

Concurrentievermogen voor groei en banen

Europa 2020

120.  merkt op dat de deskundigengroep op hoog niveau(87) die het zevende kaderprogramma ex post heeft geëvalueerd, ondanks het hoge foutenpercentage en ondanks de vertragingen bij de uitvoering en afsluiting ervan, het zevende kaderprogramma als een succes heeft omschreven; de deskundigengroep onderstreepte met name dat het zevende kaderprogramma:

   op individueel en institutioneel niveau uitmuntend wetenschappelijk werk heeft gestimuleerd,
   via het nieuwe programma “Ideas” (Europese Onderzoeksraad) grensverleggend onderzoek heeft bevorderd,
   het bedrijfsleven en kmo's een plaats in de strategie heeft gegeven,
   een nieuwe wijze van samenwerking en een open innovatiekader tot stand heeft gebracht,
   de Europese onderzoeksruimte heeft versterkt door het bevorderen van een samenwerkingscultuur en het opbouwen van uitgebreide netwerken waarin thematische vraagstukken kunnen worden behandeld,
   een aantal maatschappelijke kwesties door middel van onderzoek, technologie en innovatie onder de loep heeft genomen via het “Cooperation” programma,
   de harmonisatie van de nationale systemen en beleidsmaatregelen op het gebied van onderzoek en innovatie heeft bevorderd,
   de mobiliteit van onderzoekers in heel Europa heeft gestimuleerd; met het “People” programma zijn de nodige voorwaarden geschapen voor een open arbeidsmarkt voor onderzoekers,
   de investeringen in de Europese onderzoeksinfrastructuur heeft versterkt,
   een kritische massa aan onderzoek in Europa en wereldwijd heeft bereikt;

121.  betreurt het dat tijdens de openbare raadpleging van belanghebbenden in het kader van de evaluatie van het zevende kaderprogramma van februari tot mei 2015 op de volgende tekortkomingen is gewezen:

   hoge administratieve lasten en een logge juridische en financiële regelgeving,
   veel te veel inschrijvingen,
   onvoldoende aandacht voor maatschappelijke effecten,
   te beperkte keuze aan onderwerpen en oproepen,
   onvoldoende aandacht voor deelname van het bedrijfsleven,
   hoge drempel voor nieuwkomers, een laag gemiddeld slaagpercentage voor voorstellen en aanvragers van respectievelijk 19 % en 22 %;
   zwakke communicatie;

122.  betreurt het dat de doelstelling om voor 2020 3 % van het bruto binnenlands product (bbp) van de lidstaten te investeren in onderzoek waarschijnlijk niet zal worden gehaald; is dan ook van mening dat de steeds terugkerende verminderingen van de Uniebegroting met betrekking tot onderzoeksprogramma's een halt moeten worden toegeroepen; roept alle lidstaten op om deze uitdaging aan te gaan; verzoekt de Commissie tevens de nodige conclusies te trekken voor de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kaderprogramma en voor het volgend meerjarig financieel kaderprogramma;

123.  is verheugd over de geboekte vooruitgang ten aanzien van het waarmaken van de toezeggingen inzake de Innovatie-Unie: tegen medio 2014 waren alle toezeggingen waargemaakt of lagen deze op schema;

124.  is ook ingenomen met het feit dat het aandeel van de middelen van Horizon 2020 dat werd toegewezen aan kleine en middelgrote ondernemingen toenam van 19,4 % in 2014 tot 23,4 % in 2015 en beveelt aan dat deze tendens proactief wordt aangemoedigd;

125.  acht het onaanvaardbaar dat DG RTD niet voldeed aan zijn verzoek aan de directoraten-generaal van de Commissie om al hun landenspecifieke aanbevelingen te publiceren in hun jaarlijkse activiteitenverslagen; wijst met bezorgdheid op de beperkte territoriale representativiteit van de 20 belangrijkste projecten van Horizon 2020;

Algemene aspecten

126.  merkt op dat hoofdstuk vijf van het jaarverslag van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 2015 betalingen omvat op de volgende gebieden: onderzoek (10,4 miljard EUR), onderwijs, opleiding, jongeren en sport (1,8 miljard EUR), ruimtevaart (1,4 miljard EUR), vervoer (1,3 miljard EUR), overige acties en programma's (1,1 miljard EUR), energie (0,5 miljard EUR), en het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme) (0,3 miljard EUR); onderzoek is derhalve goed voor 62 % van de uitgaven;

127.  merkt op dat de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de kaderprogramma's voor onderzoek wordt gedeeld door de verschillende directoraten-generaal van de Commissie, uitvoerende agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen en zogenaamde artikel-185-organen (partnerschappen met de lidstaten), en dat dit alles een nauwe samenwerking vereist;

128.  verduidelijkt dat de controle van de Rekenkamer bijna exclusief betrekking had op betalingen in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek;

129.  is bezorgd over het feit dat uit het jaarlijkse activiteitenverslag van DG RTD blijkt dat 1 915 projecten in het kader van het zevende kaderprogramma ter waarde van 1,63 miljard EUR aan het einde van 2015 nog steeds niet waren voltooid; merkt op dat dit de uitvoering van Horizon 2020 zou kunnen vertragen;

Beheer- en controlesystemen

130.  benadrukt dat de Rekenkamer de systemen voor toezicht en controle op onderzoek en andere intern beleid als "ten dele doeltreffend" aanmerkt;

131.  is bezorgd dat 72 van de 150 verrichtingen die de Rekenkamer in 2015 heeft gecontroleerd (48 %), fouten vertoonden; op basis van de 38 door de Rekenkamer gekwantificeerde fouten schatte zij het foutenpercentage op 4,4 %; verder beschikten de Commissie, de nationale autoriteiten of onafhankelijke controleurs in 16 gevallen van kwantificeerbare fouten over voldoende informatie om de fouten te kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren, voordat zij de uitgaven accepteerden; indien al deze informatie gebruikt was om fouten te corrigeren, zou het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 0,6 % lager zijn geweest;

132.  betreurt het dat de Rekenkamer voor 10 van de 38 verrichtingen die kwantificeerbare fouten vertonen, fouten meldde van meer dan 20 % van de onderzochte elementen; deze 10 gevallen (9 uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek en één uit het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie voor 2007-2013) zijn goed voor 77 % van het totale geschatte foutenpercentage voor "Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid" in 2015;

133.  betreurt het dat het merendeel van de door de Rekenkamer geconstateerde gekwantificeerd fouten (33 van de 38) betrekking had op de vergoeding van niet-subsidiabele personeels- en indirecte kosten die door de begunstigden waren gedeclareerd en dat bijna alle fouten die de Rekenkamer aantrof in kostenstaten het gevolg waren van het door de begunstigden onjuist interpreteren van de complexe subsidiabiliteitsregels, of het onjuist berekenen van de subsidiabele kosten, wat tot de voor hand liggende conclusie leidt dat deze regels vereenvoudigd moeten worden;

134.  is ingenomen met het feit dat de naleving van de aanbestedingsregels volgens de Rekenkamer aanzienlijk is verbeterd;

135.  vraagt zich af waarom de directeur-generaal van het directoraat-generaal RTD net als in de voorgaande jaren een horizontaal voorbehoud maakte dat betrekking heeft op alle kostendeclaraties in het kader van het zevende kaderprogramma (1,47 miljard EUR); is van mening dat horizontale voorbehouden in het algemeen niet als instrument van goed financieel beheer kunnen worden beschouwd; wijst er evenwel op dat bepaalde uitgaven van het zevende kaderprogramma niet gedekt waren door een reserve waar sprake was van aanwijzingen dat de risico's (en derhalve de restfoutpercentages) aanzienlijk lager lagen dan die voor de uitgaven tezamen; merkt op dat dit binnen onderzoek en technologische ontwikkeling geldt voor uitgaven aan gemeenschappelijke ondernemingen; merkt op dat dit buiten DG RTD voorts geldt voor uitgaven van het Uitvoerend Agentschap onderzoek uit hoofde van het Marie Curie-programma en voor alle uitgaven van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad;

136.  is verbaasd dat het Europees Instituut voor innovatie en technologie in 2015 niet deelnam aan het Gemeenschappelijk ondersteuningscentrum voor uitgaven voor onderzoek en innovatie;

137.  is bezorgd dat het zevende kaderprogramma volgens de commissaris niet volledig zal worden uitgevoerd en geëvalueerd voor 2020, wat voor vertragingen kan zorgen bij toekomstige aansluitende programma's; dringt er bij de Commissie op aan het evaluatieverslag zo snel mogelijk te publiceren en ten laatste voordat zij het onderzoeksprogramma na Horizon 2020 presenteert;

Horizon 2020

138.  merkt op dat in het kader van Horizon 2020 tot eind 2015 alleen voorschotbetalingen werden gedaan; waarschuwt de Commissie dat een laat begin van het Horizon 2020-project de uitvoering van het programma kan vertragen; waarschuwt voor financiële achterstanden aan het einde van het programma;

139.  is bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer dat meerjarenprogramma's waarin politieke doelstellingen zijn vastgesteld, zoals Europa 2020 of Horizon 2020, wel parallel verlopen, maar dat er geen sprake is van een echt verband(88);

140.  betreurt het bovendien dat het eerste monitoringsverslag van Horizon 2020 slechts beperkte informatie bevat over de impact van synergiën tussen het programma en de structuurfondsen(89); verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de impact van deze synergieën naarmate resultaten van het programma beschikbaar worden;

141.  maakt zich ernstige zorgen over het feit dat Horizon 2020 volgens de Rekenkamer niet voldoende prestatiegericht is(90);

Te nemen maatregelen

142.  herhaalt zijn verzoek dat het reeds in de kwijtingsresolutie voor de Commissie voor 2014(91) deed, dat de Commissie al haar directoraten-generaal de opdracht moet geven om alle landenspecifieke aanbevelingen in hun respectievelijke jaarlijkse activiteitenverslagen te publiceren die zij in het kader van het Europees semester hebben gedaan;

143.  verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om de doelstelling van het investeren van 3 % van het bbp in onderzoek te halen; meent dat dit excellentie en innovatie zou bevorderen; verzoekt de Commissie in dat verband de mogelijkheid te bekijken om een “convenant voor de wetenschap” voor te stellen op lokaal, regionaal en nationaal niveau, overeenkomstig het reeds bestaande Burgemeestersconvenant; verzoekt de lidstaten en het Parlement ook een inspanning te leveren via de Uniebegroting;

144.  verzoekt de Commissie de kernprestatie-indicator "EU-innovatie-output" te herzien omdat, volgens de Commissie zelf, de samengestelde aard van de indicator niet geschikt is om streefwaarden vast te stellen(92);

145.  dringt er bij de Commissie op aan een follow-up uit te voeren van met name de 16 gevallen van kwantificeerbare fouten ten aanzien waarvan de Commissie, de nationale autoriteiten of onafhankelijke controleurs over voldoende informatie beschikten om de fouten te kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren, voordat zij de uitgaven accepteerden; en voorts zijn bevoegde commissie in detail te informeren over de corrigerende maatregelen die voor eind oktober 2017 worden genomen;

146.  verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie in detail te informeren over de tien verrichtingen die goed waren voor 77 % van de fouten en over de genomen corrigerende maatregelen;

147.  verzoekt de Commissie haar beheer- en controlesystemen te moderniseren, zodat horizontale voorbehouden overbodig worden; vraagt de Commissie zijn bevoegde commissie te informeren over de maatregelen die voor november 2017 worden genomen;

148.  verzoekt de Commissie om samen met de Rekenkamer te verduidelijken wat de koppelingen zijn tussen de Europa 2020-strategie (2010-2020), het meerjarig financieel kader (2014-2020) en de prioriteiten van de Commissie (2015-2019), bijvoorbeeld door middel van het proces van strategische planning en verslaglegging (2016-2020); meent dat hierdoor de monitoring- en verslagleggingsregelingen zouden worden verbeterd en de Commissie in staat zou worden gesteld om doeltreffend te rapporteren over de door de Uniebegroting geleverde bijdrage aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

Diversen

149.  neemt kennis van de exclusieve toewijzing van exploitatiesubsidies onder begrotingsonderdeel 04 03 01 05 "Voorlichtings- en opleidingsmaatregelen ten behoeve van werknemersorganisaties" aan slechts twee specifieke vakbondsinstituten, te weten het Europees Vakbondsinstituut en het Europees Centrum voor werknemersvraagstukken; herinnert de Commissie eraan dat exploitatiesubsidies en kaderpartnerschapsovereenkomsten in feite moeten worden behandeld als subsidies en dus onderworpen zijn aan openbare aanbestedingsprocedures en bekendmaking; drukt zijn algemene bezorgdheid uit over de rechtvaardiging van dergelijke toewijzingspraktijken op basis van de facto-monopolies of technische vaardigheid van instanties en een hoge mate van specialisatie of administratieve macht (artikel 190, lid 1, onder c) en onder f) van de uitvoeringsvoorschriften); meent dat in het bijzonder blijvende exclusieve toewijzingen van exploitatiesubsidies aan instanties op basis hiervan in feite kunnen leiden tot dergelijke de facto-monopolies, hoge competenties, specialisaties en machten, waarmee exclusieve toewijzingen van exploitatiesubsidies op basis van artikel 190 van de uitvoeringsvoorschriften nog meer gerechtvaardigd worden;

150.  herinnert de Commissie er in dit verband aan dat uitzonderingen op de regels voor transparantie en publicatie zoals vastgelegd in artikelen 125 e.v. van het Financieel Reglement beperkend moeten worden geïnterpreteerd en toegepast; verzoekt het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te streven naar het duidelijk bepalen van zowel het tijdschema als het toepassingsgebied voor uitzonderingen op de beginselen van transparantie en publicatie, met als duidelijke doel het gebruik ervan verder te beperken;

Te nemen maatregelen

151.  verzoekt de Commissie de uitzonderingen op de regels voor transparantie en publicatie zoals vastgelegd in artikelen 125 e.v. van het Financieel Reglement beperkend te interpreteren en toe te passen; verzoekt de Commissie duidelijk zowel het tijdschema als het toepassingsgebied voor uitzonderingen op de beginselen van transparantie en publicatie te bepalen, met als duidelijke doel het gebruik ervan verder te beperken;

Economische, sociale en territoriale samenhang

Europa 2020

152.  stelt vast dat voor de periode 2007-2013 1 EUR aan investeringen voor het cohesiebeleid ongeveer 2,74 EUR extra bbp zal genereren tegen 2023 volgens de ex-postevaluatie voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en Cohesiefonds (CF)(93); is ingenomen met het feit dat de structuur- en cohesiefondsen voornamelijk werden geïnvesteerd in innovatie door kleine en middelgrote ondernemingen (32,3 miljard EUR), algemene ondersteuning voor ondernemingen (21,4 miljard EUR), infrastructuur voor onderzoek en technologische ontwikkeling (17,5 miljard EUR), vervoer (82,2 miljard EUR), energie (11,8 miljard EUR), milieu (41,9 miljard EUR), cultuur en toerisme (12,2 miljard EUR) en stedelijke en sociale infrastructuur (28,8 miljard EUR);

153.  is verheugd over het feit dat EFRO en CF tot op zekere hoogte in staat waren om tegenwicht te bieden aan de gevolgen van de financiële crises van 2007-2008, waaruit blijkt dat de economische en sociale verschillen tussen de Europese regio's zonder tussenkomst van de structuurfondsen nog meer zouden zijn toegenomen;

154.  is verheugd over de resultaten van het cohesiebeleid die blijken uit de ex-postevaluaties van de programmeringsperiode 2007-2013 met betrekking tot de doelstellingen van Europa 2020:

   dankzij het EFRO en het Cohesiefonds werden onder doelstellingen 1 "Werkgelegenheid" en 2 "O&O en innovaties" 41 600 onderzoeksbanen gecreëerd en 400 000 kmo's ondersteund, en werd onder doelstelling 3 "Klimaatverandering en Energie" 3 900 MW extra capaciteit voor de productie van hernieuwbare energie gecreëerd;
   dankzij het Europees Sociaal Fonds (ESF) vonden onder doelstelling 1 "Werkgelegenheid" minstens 9,4 miljoen mensen een baan (meer dan 300 000 van de mensen die werden ondersteund, werden zelfstandige), en behaalden onder doelstelling 4 "Opleiding" minstens 8,7 miljoen mensen een kwalificatie of certificaat;

155.  merkt echter op dat slechts een klein aantal programma's gericht was op resultaten of gemeten impact; er is daarom weinig tot niets bekend over de duurzaamheid van de investeringen;

156.  onderstreept echter dat in 2015 slechts een klein aantal programma's gericht was op resultaten of gemeten impact; dringt er daarom bij de Commissie op aan de indicatoren op interinstitutioneel niveau vast te stellen en overeen te komen die noodzakelijk zijn om de begroting op basis van resultaten uit te voeren; wijst er echter op dat er momenteel weinig tot niets bekend over de duurzaamheid en de Europese meerwaarde van de investeringen;

157.  betreurt het dat het niet is geïnformeerd over de maatregelen die de Commissie de lidstaten verzocht te nemen in het kader van het Europees semester; verzoekt de Commissie het Europees Parlement in te lichten over de maatregelen die de lidstaten in het kader van het Europees semester hebben genomen;

158.  is ernstig bezorgd over het feit dat de Rekenkamer reeds in haar jaarverslag van 2014 vertragingen signaleerde bij het begin van de programmeringsperiode 2014-2020; en dat eind 2015 nog steeds minder dan 20 % van de voor de Europese structuur- en investeringsfondsen verantwoordelijke nationale autoriteiten was aangewezen;

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds: algemene aspecten

159.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer de hoofdstukken in haar jaarverslag heeft afgestemd op de rubrieken van het meerjarig financieel kader; is echter van mening dat de fondsen die onder deze rubriek zijn opgenomen van een dergelijk financieel belang zijn - EFRO 28,3 miljard EUR; CF 12,1 miljard EUR; ESF 10,3 miljard EUR - dat de auditstrategie van de Rekenkamer ervoor moet zorgen dat het EFRO en het CF enerzijds en het ESF anderzijds identificeerbaar blijven;

160.  is bezorgd over het feit dat de lidstaten zich, met name tegen het einde van een programmeringsperiode, richtten op de absorptie van de in het kader van de nationale totaalbedragen beschikbare fondsen in plaats van op het behalen van de beleidsdoelstellingen; verzoekt de Commissie de lidstaten die het slechtst presteren technische bijstand te verlenen, met name aan het eind van de begrotingsperiode;

161.  hoopt dat de 16 lidstaten die de richtlijn inzake overheidsopdrachten(94) nog niet hebben omgezet, de 19 lidstaten die de richtlijn inzake de gunning van concessieopdrachten(95) nog niet hebben omgezet en de 17 lidstaten die de richtlijn inzake overheidsopdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten(96) nog niet hebben omgezet, dit zo spoedig mogelijk zullen doen, aangezien de richtlijnen een verdere vereenvoudiging tot doel hebben; verzoekt de Commissie de vooruitgang op deze gebieden te controleren;

162.  wijst op het belang van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; tegen eind november 2015 werden met de door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ondersteunde maatregelen bijna 320 000 jongeren bereikt en hadden 18 van de 22 lidstaten maatregelen in het kader van het initiatief genomen; 28 % van de beschikbare financiering voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief was toegewezen, voor 20 % ervan waren contracten gesloten met begunstigden en 5 % ervan was uitbetaald aan begunstigden; wijst erop dat drie lidstaten tegen eind november 2015 nog geen financiering toegewezen hadden (Spanje, Ierland en het Verenigd Koninkrijk);

163.  neemt nota van de voorlopige resultaten van de uitvoering van het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de periode 2014-2015 en wijst erop dat er 2,7 miljoen deelnemers aan activiteiten in het kader van het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief hebben deelgenomen, onder wie 1,6 miljoen werklozen en 700 000 inactieven;

164.  betreurt het tegelijkertijd dat een eerste onderzoek(97) erop lijkt te wijzen dat de verleende diensten niet doeltreffend genoeg zijn en dat er tekortkomingen bestaan ten aanzien van het verzamelen van gegevens in enkele lidstaten;

Beheer- en controlesystemen

165.  merkt op dat in 2015 meer dan 80% van de betalingen tussentijdse betalingen aan operationele programma’s van de programmeringsperiode 2007-2013 betrof, waarvan de subsidiabiliteitsperiode afliep op 31 december 2015; de voorschotbetalingen voor de programmeringsperiode 2014-2020 bedroegen circa 7,8 miljard EUR;

166.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat in Italië onaanvaardbare achterstand is waargenomen met de betalingen aan stagiairs in het kader van de Jongerengarantie; vraagt de Commissie de situatie te volgen en een specifiek actieplan op te stellen voor lidstaten waar dit probleem zich voordoet;

167.  wijst erop dat de Rekenkamer 223 verrichtingen heeft onderzocht (waarvan er 120 betrekking hadden op het EFRO, 52 op het CF en 44 op het ESF);

168.  is verontrust dat de Rekenkamer het totale geschatte foutenpercentage op 5,2 % heeft vastgesteld (2014: 5,7 %); vindt het alarmerend dat de Rekenkamer, net zoals de voorbije jaren, moest concluderen dat "in 18 gevallen waarin kwantificeerbare fouten werden gemaakt door begunstigden, de nationale autoriteiten over voldoende informatie beschikten om de fouten te kunnen voorkomen of op te sporen en te corrigeren voordat de uitgaven werden gedeclareerd bij de Commissie"; dringt er bij de lidstaten op aan alle informatie aan te wenden om fouten te voorkomen, op te sporen en recht te zetten; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of de lidstaten alle informatie aanwenden om de fouten te voorkomen, op te sporen en recht te zetten; indien al deze informatie gebruikt was, zou het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 2,4 procentpunt lager zijn geweest(98);

169.  neemt er nota van dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de grootste risico's voor de regelmatigheid bij EFRO/CF-uitgaven er enerzijds in bestonden dat begunstigden kosten declareerden die niet subsidiabel zijn volgens de nationale subsidiabiliteitsregels en/of de minder talrijke subsidiabiliteitsbepalingen in de Unieregelgeving voor de structuurfondsen of, anderzijds, dat de regels voor openbare aanbestedingen van de Unie en/of de lidstaten niet werden nageleefd bij de gunning van overheidsopdrachten; de Commissie raamde het risico op fouten in dit beleidsterrein op 3 % en 5,6 %;

170.  wijst erop dat op het gebied van ESF-uitgaven de Rekenkamer aangaf dat het grootste risico voor de regelmatigheid verband houdt met de immateriële aard van de investeringen in menselijk kapitaal en de betrokkenheid van meerdere, vaak kleinschalige partners bij de tenuitvoerlegging van projecten; de Commissie raamde het risico op fouten in dit beleidsterrein op 3 % en 3,6 %;

171.  betreurt dat een van de belangrijkste oorzaken van fouten in de uitgaven van de rubriek "Economische, sociale en territoriale samenhang" nog steeds de schending van de voorschriften voor overheidsopdrachten is; herhaalt dat de ernstige schendingen van de voorschriften van overheidsopdrachten onder meer rechtstreekse gunningen die niet door contracten worden gerechtvaardigd, bijkomende werken of diensten, de onwettige uitsluiting van inschrijvers, belangenconflicten en discriminerende selectiecriteria omvatten; acht een beleid van volledige transparantie betreffende de gegevens van de aannemers en de onderaannemers cruciaal om fouten en misbruik tegen te gaan;

172.  onderstreept dat vereenvoudiging, onder meer in de vorm van de vereenvoudigde kostenoptie, het risico op fouten beperkt; wijst er evenwel op dat beheersautoriteiten weigerachtig staan tegenover extra werk, rechtsonzekerheid en het risico dat onregelmatigheden als systematische fouten zouden kunnen worden gezien;

173.  is ingenomen met het feit dat de jaarlijkse controleverslagen van de lidstaten in de loop der jaren betrouwbaarder zijn geworden; in slechts 14 EFRO/CF gevallen werd het door de lidstaten gemelde foutenpercentage met meer dan 2 % naar boven bijgesteld;

174.  betreurt dat DG REGIO het nodig vond om bij 67 punten een voorbehoud te maken (een daling ten opzichte van 77 punten van voorbehoud voordien) wegens onbetrouwbare beheer- en controlesystemen in 13 lidstaten en een voorbehoud te maken bij het grensoverschrijdende programma Griekenland - voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië uit hoofde van het pre-toetredingsinstrument; van de 67 programma's waarvoor een voorbehoud gold, zijn er 22 toe te schrijven aan Spanje, 10 aan Hongarije en 7 aan Griekenland; tegelijkertijd is de geraamde financiële impact van deze punten van voorbehoud gedaald van 234 miljoen EUR in 2014 naar 231 miljoen EUR in 2015 voor EFRO/CF;

175.  betreurt eveneens dat directoraat-generaal werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie (DG EMPL) 23 punten van voorbehoud maakt (tegenover 36 vorig jaar) vanwege onbetrouwbare beheer- en controlesystemen in 11 lidstaten; wijst erop dat de geraamde financiële impact van deze punten van voorbehoud daalde van 169,4 miljoen EUR in 2014 naar 50,3 miljoen EUR in 2015 voor het ESF;

176.  steunt het plan van de Commissie om een prioriteit te maken van betere effectbeoordelingen voor programma's binnen het cohesiebeleid(99); vraagt de Commissie hoe de bevindingen in de volgende programmeringsperiode zullen worden meegenomen in de regelgeving;

Financieringsinstrumenten (FI’s)

177.  neemt er nota van dat volgens de beheersautoriteiten van de lidstaten eind 2015 in totaal 1 052 financieringsinstrumenten (FI's) (waaronder 77 holdingfondsen en 975 specifieke fondsen) actief waren: 89 % daarvan waren FI's voor ondernemingen, 7 % voor stadsontwikkelingsprojecten en 4 % voor fondsen voor energie-efficiëntie/hernieuwbare energie;

178.  beseft dat die FI's werden opgezet in 25 lidstaten (alle lidstaten behalve Ierland, Luxemburg en Kroatië) en financiële steun kregen uit 188 operationele programma's, waaronder een operationeel programma voor grensoverschrijdende samenwerking;

179.  wijst erop dat de totale waarde van de bijdragen voor operationele programma's die aan de FI's zijn uitbetaald 16,9 miljard EUR bedroeg, met inbegrip van 11,7 miljard EUR aan structuurfondsen (EFRO en ESF); wijst er verder op dat de betalingen aan de eindontvangers eind 2015 op 12,7 miljard EUR kwamen, waarvan 8,6 miljard EUR aan structuurfondsen, zodat een absorptiepercentage van bijna 75 % van de bedragen van de operationele programma's aan FI's werd bereikt;

180.  wijst erop dat Polen, Hongarije en Frankrijk de belangrijkste begunstigden van de FI's zijn;

181.  sluit zich aan bij het standpunt van de Rekenkamer dat de Commissie ervoor dient te zorgen dat alle uitgaven met betrekking tot de financieringsinstrumenten van het EFRO en het ESF voor de programmeringsperiode 2007-2013 vroeg genoeg in de verklaringen van afsluiting worden opgenomen om de controles door de controle-instanties mogelijk te maken; is voorts van mening dat de Commissie alle lidstaten die financieringsinstrumenten hebben uitgevoerd ertoe dient aan te moedigen om met het oog op de afsluiting specifieke controles te verrichten van de uitvoering van die instrumenten;

182.  is erg bezorgd dat de financiële complexiteit van meer dan 1 000 FI's een belangrijk onderdeel vormt van de "verzameling van begrotingen" dat democratische verantwoordingsplicht onmogelijk maakt;

Europese Investeringsbank

183.  maakt zich ernstige zorgen over de meestal hogere kosten en vergoedingen voor door de Europese Investeringsbank/Europees Investeringsfonds beheerde fondsen die financieringsinstrumenten onder gedeeld beheer ten uitvoer leggen, zoals de Rekenkamer aan het licht heeft gebracht in haar Speciaal verslag nr. 19/2016: "Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten – lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken" en moedigt de Rekenkamer aan voor de lopende periode een soortgelijke audit uit te voeren;

184.  roept de Commissie op om vanaf 2018 elk jaar tegen juni een verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van bij het begin van het huidige meerjarig financieel kader en de stand van zaken, met inbegrip van de behaalde resultaten, van alle financieringsinstrumenten die de Europese Investeringsbank-groep beheert en ten uitvoer legt, die werken met middelen van de Uniebegroting, om het te gebruiken in de kwijtingsprocedure;

Specifieke gevallen

185.  merkt op dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) administratieve onderzoeken heeft ingeleid, onder meer in Duitsland naar het Volkswagen-concern naar aanleiding van het emissieschandaal, in Frankrijk naar het Front National en EP-lid Le Pen, en naar een project in de Tsjechische Republiek, "Ooievaarsnest" genaamd, op basis van vermoede onregelmatigheden; verzoekt de Commissie om zijn bevoegde comité onmiddellijk op de hoogte te brengen wanneer de onderzoeken zijn afgerond;

186.  is bijzonder bezorgd over het feit dat de Rekenkamer en DG REGION in Hongarije ernstige onregelmatigheden hebben ontdekt in verband met de aanleg van metrolijn 4 in Boedapest; volgens een administratief onderzoek van OLAF, dat in 2012 van start ging en vanwege de complexe aard van de zaak pas recentelijk werd afgerond, moet de Commissie mogelijk 228 miljoen EUR terugvorderen, en de Europese Investeringsbank 55 miljoen EUR; en dat het wanbeheer werd ontdekt op projectniveau; in het verslag van OLAF over de zaak wordt eveneens een gerechtelijke follow-up in Hongarije en het Verenigd Koninkrijk aanbevolen; verzoekt de Commissie om zijn bevoegde commissie regelmatig te informeren over de geboekte voortgang en de actie die zij heeft ondernomen;

187.  betreurt de vaststelling van een ordonnantie door de Roemeense regering, die een effectieve corruptiebestrijding had kunnen belemmeren en die bovendien de mogelijkheid had kunnen bieden om politici die mogelijk betrokken waren bij onwettige handelingen gratie te verlenen; dergelijke nieuwe wetgevingsmaatregelen zouden bijzonder nadelige gevolgen kunnen hebben voor de inspanningen van de Commissie om de financiële belangen van de Unie te beschermen, aangezien Roemenië een belangrijke begunstigde van de structuurfondsen is; verzoekt de Commissie om zijn bevoegde commissie op de hoogte te brengen van de maatregelen die zij heeft genomen om de situatie recht te zetten;

Te nemen maatregelen

188.  herhaalt zijn verzoek dat het reeds in de kwijtingsresolutie voor de Commissie voor 2014(100) deed, dat de Commissie al haar directoraten-generaal de opdracht moet geven om alle landenspecifieke aanbevelingen in hun respectievelijke jaarlijkse activiteitenverslagen te publiceren die zij in het kader van het Europees semester hebben gedaan;

189.  verzoekt de Rekenkamer om het EFRO en het CF enerzijds en het ESF anderzijds, vanwege het financiële belang van deze fondsen, afzonderlijk identificeerbaar te houden in haar strategie voor de accountantscontrole;

190.  verzoekt de Commissie:

   ervoor te zorgen dat de betrokken beheers- en controlesystemen in de 15 lidstaten(101) die tekortkomingen vertoonden, worden versterkt en om voor oktober 2017 schriftelijk verslag uit te brengen over haar inspanningen aan zijn bevoegde commissie;
   het onderscheid tussen invorderbare en niet-invorderbare belasting over de toegevoegde waarde te verduidelijken;
   verslag uit te brengen over het bedrag dat is vrijgemaakt na afloop van de financieringsperiode 2007-2013 (land, fonds, bedrag);
   in lijn met de aanbeveling van de Rekenkamer de nodige aanpassingen van het ontwerp en het verstrekkingsmechanisme van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor te stellen wanneer zij haar wetgevingsvoorstel voor de volgende programmeringsperiode opstelt en daarbij rekening te houden met de suggesties van de groep op hoog niveau voor vereenvoudiging teneinde de bijdrage van het cohesiebeleid bij de aanpak van ongelijkheden en onevenwichtigheden tussen regio’s van de Unie en lidstaten te versterken; verzoekt de Commissie in een vroege fase een mededeling over dit onderwerp op te stellen;
   voor de volgende programmeringsperiode meer hanteerbare en meetbare prestatie-indicatoren te bepalen, aangezien het Parlement evenveel belang hecht aan controles van de wettigheid en regelmatigheid als aan prestaties;
   te zorgen voor volledige transparantie en toegang tot documentatie voor infrastructuurwerken die door de Unie zijn gefinancierd, in het bijzonder de gegevens van de aannemers en onderaannemers;

191.  steunt commissaris Oettinger volledig in zijn uitspraak dat financieringsinstrumenten en "schaduwbegrotingen" op de lange termijn opnieuw onder het dak van de Uniebegroting moeten worden gebracht, omdat dit betekent dat de Commissie verantwoording zou moeten afleggen aan het Europees Parlement; verzoekt de Commissie hierover vóór november 2017 een mededeling op te stellen;

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

192.  herinnert eraan dat de regelingen voor rechtstreekse steun die met de hervorming van het GLB in 2013 zijn ingevoerd, pas van kracht zijn geworden in het aanvraagjaar 2015 en dat dit verslag betrekking heeft op de uitgaven van begrotingsjaar 2015, die overeenkomen met de aanvragen voor rechtstreekse steun die werden ingediend in 2014, het laatste jaar van de oude GLB-regelingen;

Nalevingskwesties

193.  wijst erop dat het geschatte foutenpercentage van de Rekenkamer voor het meerjarig financieel kader-rubriek 2 "natuurlijke hulpbronnen" 2,9 % bedraagt in het begrotingsjaar 2015; merkt op dat dit percentage vergelijkbaar is met dat van 2014, als rekening wordt gehouden met de gewijzigde aanpak van de Rekenkamer ten aanzien van fouten tegen de naleving van de randvoorwaarden, die niet langer worden meegenomen in het foutenpercentage;

194.  verzoekt de Commissie in dat verband en met het oog op het verbeteren van de aansprakelijkheid en de verantwoordingsplicht van leidinggevenden, een doeltreffendere en soepelere toepassing te overwegen van de regel van interne mobiliteit van kaderleden, als onder andere de omstandigheden van een uitgebreide permanentie samenvallen met een voortdurende hoge foutenlast, zoals aangegeven door de Rekenkamer, en met het langdurig behoud van een reserve op de resultaten van het beheer van de desbetreffende diensten;

195.  wijst erop dat het door de Rekenkamer geschatte foutpercentage voor "marktondersteuning en rechtstreekse steun" 2,2 % bedraagt, iets meer dan de materialiteitsdrempel van 2 % (hetzelfde niveau als in 2014), terwijl het geschatte foutenpercentage voor "plattelandsontwikkeling en ander beleid" met 5,3 % hoog blijft, maar lager is dan de geschatte 6 % vorig jaar;

196.  benadrukt dat de fouten op het gebied van rechtstreekse steun nagenoeg allemaal te wijten waren aan een te hoge opgave van het aantal subsidiabele hectaren, ondanks het feit dat de betrouwbaarheid van de gegevens in het landbouwpercelenidentificatiesysteem de afgelopen jaren voortdurend is verbeterd, en wijst erop dat de helft van de fouten voor plattelandsontwikkeling te wijten waren aan niet-subsidiabiliteit van de begunstigde of het project, 28% aan aanbestedingsfouten en 8% aan inbreuken op agromilieuverbintenissen;

197.  betreurt ten zeerste dat de nationale autoriteiten het foutenpercentage voor beide domeinen, rechtstreekse steun en plattelandsontwikkeling, hadden kunnen beperken tot een niveau dicht bij of onder de materialiteitsdrempel(102), aangezien zij over voldoende informatie beschikten om de fout op te sporen of de fout zelf hadden gemaakt; dringt er bij de lidstaten op aan gebruik te maken van alle beschikbare informatie om eventuele fouten te voorkomen, op te sporen en recht te zetten, en dienovereenkomstig te handelen;

198.  is ingenomen met het feit dat de Commissie het aantal lopende conformiteitsprocedures aanzienlijk heeft teruggedrongen: van 192 in 2014 naar 34 in 2015, en dat de Commissie na wijzigingen in de wetgeving om de procedure te stroomlijnen nu nauwer toeziet op de auditcyclus, om de interne en externe termijnen na te komen;

Beheersautoriteiten

199.  betreurt dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft vastgesteld die van invloed waren op een aantal van de essentiële controlefuncties van de betaalorganen van de lidstaten, en dat die tekortkomingen verband hielden met:

   a) voor het Europees Landbouwgarantiefonds:
   het landbouwpercelenidentificatiesysteem, de administratieve controles,
   de kwaliteit van de inspecties ter plaatse,
   het gebrek aan samenhang bij de vaststelling van de parameters om de grond in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) te houden en
   de procedures voor de invordering van onterechte betalingen;
   b) voor steun voor plattelandsontwikkeling:
   tekortkomingen bij de administratieve controles van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, in het bijzonder aangaande openbare aanbestedingen;
   c) voor de naleving van de randvoorwaarden, de betrouwbaarheid van de controlestatistieken en de steekproefname;

Betrouwbaarheid van door de lidstaten verstrekte gegevens

200.  merkt op dat de certificeringsinstanties in 2015 voor het eerst verplicht waren om de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven te controleren; betreurt dat de Commissie het werk van die instanties maar in beperkte mate kon gebruiken wegens aanzienlijke tekortkomingen in de methodologie en de tenuitvoerlegging, zoals:

   ontoereikende controlestrategieën,
   te kleine steekproeven,
   onvoldoende vaardigheden en juridische deskundigheid bij de accountants van de certificeringsinstanties;

201.  betreurt ten zeerste dat de betrouwbaarheid van de door de lidstaten doorgegeven gegevens nog steeds te wensen overlaat, aangezien:

   a) voor rechtstreekse betalingen:
   DG AGRI correcties (verhogingen) moest doorvoeren voor 12 van 69 betaalorganen met een foutenpercentage van meer dan 2 % (waarvan echter geen hoger dan 5 %) terwijl slechts één betaalorgaan aanvankelijk een voorbehoud had gemaakt bij zijn verklaring;
   DG AGRI een voorbehoud heeft gemaakt bij tien betaalorganen: drie voor Spanje, één voor Frankrijk, Bulgarije, Cyprus, Italië (Calabrië) en Roemenië, en één voor Spanje en Frankrijk voor POSEI (Programma van speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen);
   b) voor plattelandsontwikkeling:
   DG AGRI correcties (verhogingen) moest doorvoeren voor 36 van 72 betaalorganen en het gecorrigeerde foutenpercentage in 14 gevallen meer dan 5 % bedroeg;
   DG AGRI een voorbehoud heeft gemaakt bij 24 betaalorganen in 18 lidstaten: Oostenrijk, België, Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië (4 betaalorganen), Letland, Nederland, Portugal, Roemenië, Zweden, Spanje (3 betaalorganen) en het Verenigd Koninkrijk (2 betaalorganen);
   DG AGRI een voorbehoud heeft gemaakt bij openbare aanbestedingen voor 2 lidstaten: Duitsland en Spanje;

202.  benadrukt dat de door DG AGRI en de Rekenkamer vastgestelde foutenpercentages voor het Europees Landbouwgarantiefonds uiteenlopen(103), terwijl het door DG AGRI aangegeven gecorrigeerde foutenpercentage van 4,99 % voor het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling grotendeels overeenkomt met het geschatte foutenpercentage van de Rekenkamer;

Problemen met de prestaties

203.  merkt op dat de Rekenkamer in 2014 problemen met de prestaties heeft onderzocht voor bepaalde verrichtingen op het gebied van plattelandsontwikkeling en zich zorgen maakt over het feit dat voor 44 % van de projecten onvoldoende was aangetoond dat de kosten redelijk waren, en dat er tekortkomingen waren bij het nemen van gerichte maatregelen en het selecteren van projecten, zoals een gebrek aan samenhang met de doelstellingen van Europa 2020; dringt er bij de Commissie op aan alle mogelijke maatregelen te treffen om deze zorgwekkende toestand te verhelpen;

Kernprestatie-indicatoren

204.  maakt zich zorgen over de betrouwbaarheid van de gegevens die de Commissie gebruikt om kernprestatie-indicator 1 (KPI 1), zoals vastgesteld door DG AGRI voor landbouwfactor inkomen, te meten; is van mening dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de huidige trend op het gebied van deeltijdlandbouw als gevolg van de lage grondstoffenprijzen, en merkt met name op dat:

   a) de Commissie geen precieze cijfers kan geven voor het aantal landbouwers dat in 2015 uit het vak stapte vanwege de zuivel- en varkensvleescrises aangezien zij "geen onmiddellijk beschikbare gegevens heeft over het aantal nieuwkomers of het aantal landbouwers dat uit het vak is gestapt" (schriftelijke vragen 1 en 3 - hoorzitting van commissaris Hogan op 29 november 2016);
   b) 2013 het laatste jaar is waarvoor er cijfers over het aantal landbouwbedrijven voorhanden zijn: 10 841 000 landbouwbedrijven die elk door één landbouwer worden beheerd;
   c) het aantal ontvangers in de eerste pijler van het GLB er in 2015 als volgt uitzag: 7 246 694 Unielandbouwers en 127 268 begunstigden die steun kregen in het kader van marktondersteuningsmaatregelen;
   d) de factor landbouwinkomen wordt berekend aan de hand van arbeidsjaareenheden, die overeenkomen met het aantal personen dat het gehele desbetreffende jaar voltijds in de betrokken onderneming of voor rekening van deze onderneming heeft gewerkt, waarbij het totale aantal arbeidskrachten in de 28 lidstaten in 2013 overeenkwam met 9,5 miljoen arbeidsjaareenheden, waarvan er 8,7 miljoen (92 %) regelmatig werkzame arbeidskrachten waren(104)(105);
   e) de Rekenkamer constateerde in speciaal verslag nr. 1/2016 dat het systeem van de Commissie voor het meten van de prestaties van het GLB met betrekking tot de inkomens van landbouwers niet goed genoeg is opgezet en dat de hoeveelheid aan en de kwaliteit van de statistische gegevens die worden gebruikt voor de analyse van de inkomens van landbouwers belangrijke beperkingen kennen;

205.  vreest dat de Commissie niet goed is toegerust om omvattende jaargegevens te verstrekken over KPI 1 en daarom ook niet in staat is om de evolutie van de inkomens van landbouwers nauwkeurig en grondig te bewaken;

206.  is van mening dat kernprestatie-indicator 4 inzake de werkgelegenheidsgraad in plattelandsontwikkeling niet relevant is, aangezien de werkgelegenheidsgraad in plattelandsontwikkeling niet uitsluitend wordt beïnvloed door de GLB-maatregelen en mede aangezien de doelstelling om de bestaande banen te behouden en nieuwe banen te creëren op het platteland wordt gedeeld met talrijke andere instrumenten, met name andere Europese structuur- en investeringsfondsen;

Billijk GLB

207.  wijst op de grote verschillen tussen de lidstaten met betrekking tot het gemiddelde inkomen van landbouwers(106) en herinnert eraan dat het Parlement het afgelopen jaar heeft vastgesteld dat "het onhoudbaar was dat 44,7 % van alle landbouwbedrijven in de Unie een inkomen van minder dan 4 000 EUR per jaar hebben, dat gemiddeld 80 % van de begunstigden van rechtstreekse GLB-steun ongeveer 20 % van de betalingen ontvangen en dat 79 % van de begunstigden van rechtstreekse GLB-steun 5 000 EUR of minder per jaar ontvangen"(107);

208.  neemt er nota van dat de directeur-generaal van DG AGRI op een bladzijde van zijn jaarlijkse activiteitenverslag voor 2015 verslag heeft uitgebracht over de "trends in de verdeling van rechtstreekse betalingen" en nogmaals benadrukte dat het aan de lidstaten is om de mogelijkheden voor de herverdeling van GLB-subsidies te benutten die de GLB-hervorming van 2013 biedt;

209.  is van mening dat rechtstreekse betalingen hun rol als vangnet om de landbouwinkomens te stabiliseren niet volledig vervullen, vooral voor kleinere landbouwbedrijven, aangezien de huidige onevenwichtige verdeling van de betalingen ertoe leidt dat 20 % van alle landbouwbedrijven in de Unie 80 % van alle rechtstreekse betalingen ontvangen, hetgeen niet overeenkomt met het productieniveau en het gevolg is van het feit dat de lidstaten voor de betalingen nog steeds uitgaan van historische criteria, maar wijst er tevens op dat de omvang van de landbouwbedrijven, klein of groot, afhangt van elke lidstaat; is van mening dat grotere landbouwbedrijven in tijden van inkomensschommelingen niet noodzakelijkerwijs evenveel steun nodig hebben om de landbouwinkomens te stabiliseren als kleinere bedrijven, aangezien zij kunnen profiteren van schaalvoordelen waardoor ze waarschijnlijk weerbaarder zijn; is van oordeel dat plafonnering van de rechtstreekse betalingen, zoals aanvankelijk voorgesteld door de Commissie en goedgekeurd door het Parlement, voldoende financiële middelen kan opleveren om het GLB billijker te maken;

Biobrandstoffen

210.  wijst erop dat het certificeringssysteem van de Unie voor duurzame biobrandstoffen volgens de bevindingen van de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 18/2016 inzake het certificeringssysteem van de Unie voor duurzame biobrandstoffen niet geheel betrouwbaar is en kwetsbaar is geweest voor fraude omdat de Commissie vrijwillige regelingen heeft erkend die niet over passende controleprocedures beschikken om te waarborgen dat biobrandstoffen uit afval daadwerkelijk uit afval zijn geproduceerd;

Vereenvoudiging

211.  onderstreept dat de Rekenkamer in het speciaal verslag nr. 25/2016 heeft gecontroleerd of het landbouwpercelenidentificatiesysteem de lidstaten in staat stelde om de afmetingen en de subsidiabiliteit van het land dat door de landbouwers werd opgegeven op betrouwbare wijze te controleren en om na te gaan of de systemen werden aangepast om aan de voorschriften van het GLB voor 2014-2020 te voldoen, in het bijzonder inzake de vergroeningsverplichtingen;

212.  maakt zicht zorgen over de conclusies van de Rekenkamer dat er in mei 2015 zes grote veranderingen zijn doorgevoerd die gevolgen zouden kunnen hebben voor het landbouwpercelenidentificatiesysteem en dat de complexiteit van de regels en de procedures om met die veranderingen om te gaan de administratieve lasten voor de lidstaten verder hebben doen toenemen;

Het Tsjechische betaalorgaan

213.  verzoekt de Commissie om de op 8 januari 2016 ingeleide conformiteitsgoedkeuringsprocedure om gedetailleerde en precieze informatie te krijgen over het risico van een belangenconflict met betrekking tot het landelijk interventiefonds voor de landbouw in de Tsjechische Republiek te bespoedigen; neemt er nota van dat als een belangenconflict niet wordt verholpen, de accreditering van het betaalorgaan uiteindelijk zou kunnen worden ingetrokken door de bevoegde instantie of financiële correcties zouden kunnen worden opgelegd door de Commissie, en vraagt de Commissie om het Parlement onverwijld op de hoogte te brengen als aan het eind van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure informatie over mogelijke gevallen van fraude, corruptie of andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden door DG AGRI aan OLAF zou worden overgelegd;

Conformiteitsgoedkeuringsonderzoek

214.   is van mening dat de vereenvoudiging van het GLB en de verlaging van de administratieve lasten voor begunstigden en betaalorganen de komende jaren een prioriteit zouden moeten vormen voor de Commissie; is tevens van mening dat hoewel de Commissie ernaar zou moeten streven om de positieve trend in de efficiëntie van haar beheer van het GLB en de foutenpercentages van het GLB voort te zetten door haar aandacht vooral te richten op het handhaven van haar corrigerend vermogen en op de corrigerende maatregelen die de lidstaten moeten treffen, zij dient te overwegen om niet langer kleinschaligere conformiteitsgoedkeuringsonderzoeken in te leiden of te voeren;

Te nemen maatregelen

215.  verzoekt de Commissie om:

   a) haar inspanningen voort te zetten om follow-up te geven aan gevallen waarin de nationale wetgeving niet in overeenstemming is met de Uniewetgeving, met inbegrip van alle haar ter beschikking staande rechtsmiddelen, met name opschorting van betalingen;
   b) de resultaten van de door de lidstaten verrichte kwaliteitsbeoordelingen van het landbouwpercelenidentificatiesysteem jaarlijks te monitoren, en te controleren dat alle lidstaten met negatieve beoordelingen daadwerkelijk de nodige corrigerende maatregelen nemen;
   c) het huidig wettelijk kader aan een nieuw onderzoek te onderwerpen om sommige aan het landbouwpercelenidentificatiesysteem gerelateerde regels voor de volgende GLB-periode te vereenvoudigen en te stroomlijnen, bijvoorbeeld door de noodzaak voor de stabiliteitsdrempel van 2 % en de 100-bomenregel te heroverwegen;
   d) ervoor te zorgen dat alle actieplannen van de lidstaten voor de aanpak van fouten bij de uitgaven voor plattelandsontwikkeling doeltreffende maatregelen omvatten inzake overheidsopdrachten;
   e) erop toe te zien en actieve steun te verlenen om ervoor te zorgen dat certificeringinstanties hun werk en methodologie inzake de wettigheid en regelmatigheid van uitgaven verbeteren en met name adviezen over de wettigheid en regelmatigheid van de GLB-uitgaven uitbrengen die een dusdanige kwaliteit en reikwijdte hebben dat zij de Commissie in staat stellen de betrouwbaarheid van de controlegegevens van de betaalorganen te toetsen of, in voorkomend geval, op grond van die adviezen een raming op te stellen van de noodzakelijke aanpassing van de foutenpercentages van de betaalorganen, teneinde de "single audit"-benadering voor landbouwuitgaven in de praktijk te brengen;
   f) het controlehandboek van DG AGRI bij te werken door daarin gedetailleerde controleprocedures en documentatievereisten op te nemen voor de verificatie van de door de lidstaten verstrekte gegevens, welke worden gebruikt voor de berekening van financiële correcties;
   g) de nodige maatregelen te treffen om nauwkeurige en uitgebreide gegevens te krijgen van de lidstaten over het aantal EU-landbouwers en over de landbouwinkomens om kernprestatie-indicator 1 zoals vermeld in het jaarlijkse activiteitenverslag van de directeur-generaal van DG AGRI inzake de landbouwinkomens effectief te kunnen meten en monitoren;
   h) kernprestatie-indicator 4 inzake de werkgelegenheid in landelijke gebieden opnieuw te definiëren om de specifieke effecten van de GLB-maatregelen op de werkgelegenheid in die gebieden te benadrukken;
   i) regelmatig debatten tussen de lidstaten te organiseren in de Raad over de tenuitvoerlegging van de bepalingen die zijn ingevoerd bij de hervorming van het GLB in 2013 om de rechtstreekse betalingen opnieuw te verdelen over de begunstigden en om in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG AGRI uitvoerig verslag uit te brengen over de vooruitgang die op dat vlak is geboekt(108);
   j) in de context van haar denkoefening over een vereenvoudigd en gemoderniseerd GLB te beoordelen of de regeling voor rechtstreekse betalingen goed is opgezet om het landbouwinkomen van alle landbouwbedrijven te stabiliseren en of een ander beleidsontwerp of model voor de verdeling van rechtstreekse betalingen zou helpen om overheidsmiddelen beter af te stemmen op de beoogde doelstellingen;
   k) het certificeringssysteem voor duurzame biobrandstoffen aanzienlijk te wijzigen en in het bijzonder effectief te controleren of producenten van grondstoffen voor biobrandstoffen in de Unie de milieuvoorschriften voor de landbouw naleven en voldoende bewijzen leveren voor de oorsprong van afvalstoffen en residuen die voor de productie van biobrandstoffen worden gebruikt, en te beoordelen of het beheer van de vrijwillige regelingen het risico van belangenconflicten beperkt;
   l) de drempel waaronder het conformiteitsgoedkeuringsonderzoek in de zin van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 niet hoeft te worden ingeleid te verhogen van 50 000 naar 100 000 EUR(109);
   m) de invoering van een verplichte bovengrens voor rechtstreekse betalingen te heroverwegen;

Europa als wereldspeler

Foutenpercentages

216.  wijst erop dat de uitgaven voor "Europa als wereldspeler" volgens de bevindingen van de Rekenkamer een materieel foutenpercentage vertonen, namelijk 2,8 % (2,7 % in 2014);

217.  betreurt het dat als verrichtingen in het kader van door meerdere donoren gefinancierde trustfondsen en begrotingssteun worden uitgesloten, het foutenpercentage voor de specifieke verrichtingen die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd op 3,8 % is vastgesteld (3,7 % in 2014);

218.  merkt op dat als alle informatie die werd verzameld door de Commissie en de door haar aangestelde accountants was gebruikt om fouten recht te zetten, het geschatte foutenpercentage voor het hoofdstuk "Europa als wereldspeler" 1,6 % lager was geweest; verzoekt de Commissie alle beschikbare informatie te gebruiken om fouten te voorkomen, op te sporen en recht te zetten, en op basis daarvan te handelen;

219.  wijst erop dat de verrichtingen voor begrotingssteun die de Rekenkamer heeft onderzocht, geen fouten ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid bevatten;

220.  wijst erop dat de meest significante soort fouten, goed voor 33 % van het geschatte foutenpercentage, uitgaven betreft die niet werden gedaan, dat wil zeggen uitgaven die niet zijn gedaan op het moment waarop de Commissie ze heeft aanvaard en in sommige gevallen heeft goedgekeurd;

221.  wijst erop dat de meest frequente soort fouten, goed voor 32 % van het geschatte foutenpercentage, niet-subsidiabele uitgaven betreft, d.w.z.:

   a) uitgaven in verband met activiteiten die niet onder een overeenkomst vielen of uitgaven die waren gedaan buiten de subsidiabiliteitsperiode,
   b) niet-naleving van de oorsprongsregel,
   c) niet-subsidiabele belastingen en indirecte kosten die ten onrechte als directe kosten waren opgevoerd;

Betrouwbaarheidsverklaring

222.  herinnert eraan dat de directeur-generaal van het directoraat-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen (DG NEAR) in zijn betrouwbaarheidsverklaring voor verklaarde dat de financiële blootstelling als gevolg van het risicobedrag voor beide financiële instrumenten die worden beheerd door DG NEAR – het Europees Nabuurschapsinstrument en het Pretoetredingsinstrument – onder de materialiteitsdrempel van 2 % bleef en dat het vastgestelde gemiddelde foutenpercentage voor het DG als geheel 1,12 % bedraagt;

223.  betreurt dat die verklaring niet strookt met de auditwerkzaamheden van de Rekenkamer en merkt op dat DG NEAR in zijn verslag erkent dat de gehanteerde benadering verder moet worden verbeterd;

224.  merkt in het bijzonder op dat DG NEAR voor 90 % van de uitgaven het percentage resterende fouten heeft berekend, wat drie percentages heeft opgeleverd: een restfoutenpercentage voor het directe beheer van het Pretoetredingsinstrument, een restfoutenpercentage voor het indirecte beheer van het Pretoetredingsinstrument en een restfoutenpercentage voor het Europees Nabuurschapsinstrument, voor alle beheerswijzen; voor de resterende 10 % van de uitgaven gebruikte DG NEAR andere bronnen van zekerheid;

225.  benadrukt dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de berekening van het restfoutenpercentage voor de beheerswijze "indirect beheer door begunstigde landen", waarin resultaten van niet-statistische steekproefname door de controle-instanties worden gecombineerd met de door DG NEAR berekende historische restfoutenpercentages, onvoldoende representatief is en geen nauwkeurige informatie geeft over het bedrag van de risicobetalingen; wijst erop dat volgens de Rekenkamer het risico bestaat dat de berekening het foutenpercentage onderschat en gevolgen kan hebben voor de zekerheid die door de directeur-generaal wordt geboden;

226.  is ingenomen met het feit dat de directeur-generaal van DG DEVCO een einde heeft gemaakt aan de vroegere praktijk om een algemeen voorbehoud te maken bij de wettigheid en regelmatigheid van verrichtingen voor alle activiteiten van DG DEVCO en dat hij naar aanleiding van de aanbevelingen van het Parlement een gedifferentieerde betrouwbaarheidsverklaring op basis van risico's heeft opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag van 2015;

227.  merkt op dat een specifiek voorbehoud werd gemaakt betreffende de Vredesfaciliteit voor Afrika vanwege controlegebreken die de dienst Interne audit van de Commissie had vastgesteld; is van mening dat een dergelijk voorbehoud al eerder had moeten worden gemaakt, aangezien de vastgestelde gebreken al sinds de instelling van de faciliteit in 2004 aanwezig waren; verklaart dat de praktijk van een algemeen voorbehoud voor alle activiteiten van DG DEVCO vanzelfsprekend heeft bijgedragen tot een gebrek aan transparantie over het financiële beheer van DG DEVCO;

228.  merkt op dat DG DEVCO twee uitgavengebieden als risicovol heeft aangemerkt:

   i) subsidies uitgevoerd in direct beheer, en
   ii) indirect beheer met internationale organisaties;

maar het eens is met de Rekenkamer dat een voorbehoud mogelijk gerechtvaardigd was voor indirect beheer met begunstigde landen, in het bijzonder om dat subsidies die indirect door begunstigde landen worden uitgevoerd, een soortgelijke risicoanalyse zouden vereisen als direct uitgevoerde subsidies;

229.  wijst erop dat het corrigerend vermogen van DG DEVCO volgens de bevindingen van de Rekenkamer (zie punten 48-50 van het jaarverslag 2015 van de Rekenkamer over het EOF) werd overschat door terugvorderingen van niet-uitgegeven voorfinanciering en ontvangen rente en annuleringen van invorderingsopdrachten die eerder zijn gegeven niet buiten de berekening van het gemiddelde jaarlijkse bedrag van invorderingsopdrachten voor fouten en onregelmatigheden tussen 2009 en 2015 te houden;

Tekortkomingen in controle- en preventiesystemen

230.  benadrukt dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft vastgesteld in het controlesysteem van de Commissie, aangezien:

   bij de uitgavenverificatie door controleurs die door de begunstigden waren aangewezen, in een aantal gevallen fouten niet ontdekt werden, hetgeen ertoe leidde dat de Commissie niet-subsidiabele kosten aanvaardde;
   er vertragingen zijn vastgesteld bij de validering, goedkeuring en betaling van uitgaven door de Commissie;
   de specifieke regels die de Commissie heeft opgesteld voor de twinninginstrumenten (binnen het Europees Nabuurschaps- en partnerschapsinstrument) aangaande vaste bedragen en forfaitaire kosten, zo zijn geformuleerd dat het risico bestaat dat de partner in de uitvoerende lidstaat winst zou maken;

Toezichtsverslagen externe steun

231.  betreurt opnieuw dat de door de hoofden van de Uniedelegaties opgestelde toezichtverslagen voor externe steun niet als bijlage bij het jaarlijks activiteitenverslag van DG DEVCO en DG NEAR worden gevoegd zoals bepaald in artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement; betreurt het dat deze steevast als vertrouwelijk worden aangemerkt, hoewel ze op grond van voorgenoemd artikel, "ter beschikking [moeten worden] gesteld van het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan";

232.  merkt op dat aangezien DG NEAR voor het eerst een analyse van kernprestatie-indicatoren heeft verricht, er nog geen conclusies kunnen worden getrokken over eventuele "trends" en dat vijf kernprestatie-indicatoren niet werden berekend voor DG NEAR in 2015;

233.  wijst erop dat:

   a) de prestaties van de delegaties over het algemeen zijn verbeterd, gemeten aan de hand van het aantal benchmarks dat gemiddeld wordt bereikt door elke delegatie;
   b) de totale waarde van de door de delegaties beheerde projectportefeuille is gedaald van 30 miljard EUR naar 27,1 miljard EUR; en dat
   c) het aandeel van projecten met problemen bij de tenuitvoerlegging is afgenomen van 53,5 % naar 39,7 %;

234.  benadrukt dat i) het stabiliteitsinstrument, ii) het MIDEAST-instrument en iii) het Europese Ontwikkelingsfonds nog steeds de programma's zijn waarbij het aantal problemen bij de tenuitvoerlegging zorgwekkend hoog ligt en dat voor elke 4 EUR die wordt uitgegeven via het Europees Ontwikkelingsfonds, voor 3 EUR – een onacceptabel aandeel – het risico bestaat dat de doelstellingen niet worden bereikt of er vertraging optreedt;

235.  merkt op dat de delegatiehoofden informatie hebben verstrekt over 3 782 projecten, goed voor 27,41 miljard EUR aan vastleggingen, en dat:

   a) 800 projecten (21,2 %), ter waarde van 9,76 miljard EUR (35,6 % van de volledige projectportefeuille), zijn blootgesteld aan een of andere vorm van outputrisico (a priori of huidig), waarbij uit het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde projecten goed zijn voor 72 % van het totale risicodragende bedrag (7 miljard EUR);
   b) 648 projecten (17,1 %), ter waarde van 6 miljard EUR (22 % van de volledige projectportefeuille) het risico lopen vertraging op te lopen, waarbij uit het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde projecten twee derde van alle vertraagde projecten uitmaken;
   c) 1 125 projecten (29,75 %), ter waarde van 10,89 miljard EUR (39,71 %) het risico lopen om hun doelstellingen niet of pas met vertraging te halen, waarbij het Europees Ontwikkelingsfonds goed is voor 71 % van de 10,8 miljard EUR die op het spel staat;

236.  is ingenomen met het feit dat de Commissie de delegatiehoofden voor het eerst heeft ondervraagd over het a priori-risico van projecten, wat een eerste stap in de richting van een gecentraliseerd risicobeheersproces kan vormen; beveelt de Commissie aan om op basis van de beschikbare informatie over de problemen waarmee de delegatie mogelijk wordt geconfronteerd bij haar werkzaamheden intensiever met de delegaties te overleggen over hoe het risico tijdens de uitvoeringsfase van het project kan worden beheerst;

237.  merkt op dat de vier slechtst presterende delegaties waarvoor DG DEVCO verantwoordelijk is Jemen, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Gabon en Mauritanië zijn, terwijl de vier slechtst presterende delegaties waarvoor DG NEAR verantwoordelijk is Syrië, Egypte, Albanië en Kosovo zijn;

238.  verwacht dat DG DEVCO in 2016 vorderingen zal maken ten aanzien van de volgende prioriteiten en in zijn jaarlijks activiteitenverslag voor 2016 verslag zal uitbrengen over deze prioriteiten:

   a) de nauwkeurigheid van de financiële prognoses inzake besluiten en overeenkomsten vergroten;
   b) het percentage betalingen dat binnen de termijn van 30 dagen wordt uitgevoerd, verhogen;
   c) de doeltreffendheid van de controles verhogen;
   d) de prestaties van alle delegaties waarvoor in 2015 minder dan 60 % van de kernprestatie-indicatoren als "groen" waren aangemerkt verbeteren, in het bijzonder door actieplannen aan te nemen en informatiesystemen in te voeren;

239.  verwacht dat DG NEAR in 2016 de volgende prioriteiten zal verwezenlijken en in zijn jaarlijks activiteitenverslag voor 2016 verslag zal uitbrengen over deze prioriteiten:

   a) de vijf kernprestatie-indicatoren invoeren die ontbraken in de toezichtverslagen voor externe steun van 2015;
   b) de mogelijkheden om kernprestatie-indicatoren te monitoren verbeteren;

Uitgaven van de Unie aan migratie en asiel in de landen van het nabuurschap

240.  herinnert eraan dat een belangrijk aspect van de externe betrekkingen van de Unie erin bestaat dat de armoedebestrijding ook tot doel heeft de juiste omstandigheden te creëren om de ongecontroleerde aankomst van illegale migranten in Europa te voorkomen;

241.  bekrachtigt de belangrijkste bevindingen van de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 9/2016 over de "EU-uitgaven voor externe migratie in de buurlanden in het oosten en in het zuidelijke Middellandse Zeegebied tot 2014" en benadrukt in het bijzonder dat de huidige versnippering van de instrumenten het parlementaire toezicht op i) de manier waarop de fondsen worden uitgevoerd en ii) de verantwoordelijkheden worden vastgesteld, bemoeilijkt en het daardoor moeilijk maakt om te beoordelen welke bedragen werkelijk werden besteed aan de ondersteuning van het externe optreden op het gebied van migratie;

Wereldbank

242.  herinnert er in het licht van de alarmerende informatie die op 2 december 2016 door Politico werd bekendgemaakt over de "vrees voor belangenconflicten bij de activiteiten van Georgieva bij de Wereldbank" aan dat het Parlement de Commissie in zijn laatste resolutie over het verlenen van kwijting aan de Commissie voor 2014 heeft verzocht om de gedragscode voor commissarissen tegen eind 2017 te herzien, onder meer door te bepalen wat onder een belangenconflict wordt verstaan; benadrukt dat zonder nauwkeurige definitie van belangenconflicten het Parlement niet in staat zal zijn op rechtvaardige en consistente wijze te beoordelen of er sprake is van bestaande of potentiële belangenconflicten;

243.  is van mening dat de nieuwe financieringsregeling die de Commissie heeft gesloten met de Wereldbank(110), waarin een vaste beheersvergoeding is vervangen door een ingewikkeldere formule en meer in het bijzonder is bepaald dat bepaalde projecten die rechtstreeks door de Wereldbank worden uitgevoerd, kunnen worden onderworpen aan een heffing van 17 % voor personeelskosten en consultants, waarschijnlijk nadelige gevolgen zal hebben voor de begroting van de Unie en tot betalingen zou kunnen leiden die het plafond van 7 % voor beheersvergoedingen overschrijden, hetgeen verboden is op grond van artikel 124, lid 4, van het Financieel Reglement van de Unie;

244.  benadrukt dat de beheersvergoeding die aan de Wereldbank moet worden betaald, niet zal worden gebruikt voor ontwikkelings- en samenwerkingsprojecten; vraagt zich af waarom de Wereldbank door de Commissie dient te worden vergoed voor bankactiviteiten die tot haar kerntaak als bankier behoren;

Internationale managementgroep

245.  feliciteert de Commissie met de uitkomst van het proces T-381/15 op 2 februari 2017; vraagt welke contracten met de internationale managementgroep momenteel nog worden uitgevoerd;

Te nemen maatregelen

246.  richt een oproep tot:

   DG DEVCO en DG NEAR om de kwaliteit van de uitgavenverificaties in opdracht van de begunstigden te verbeteren door nieuwe maatregelen in te voeren zoals het gebruik van een kwaliteitsraster ter toetsing van de kwaliteit van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd door de controleurs die door de begunstigden zijn gecontracteerd, en de herziening van de opdrachtbeschrijving van de controleurs;
   DG NEAR om maatregelen te nemen om te zorgen dat de financiering die via een twinninginstrument loopt, in overeenstemming is met het winstverbod en met het beginsel van goed financieel beheer;
   DG NEAR om de methodologie van het restfoutenpercentage te herzien om statistisch juiste informatie te verschaffen over het risicobedrag voor betalingen verricht in het kader van indirect beheer van het pre-toetredingsinstrument;
   DG DEVCO om de schatting van zijn toekomstig corrigerend vermogen te herzien door terugvorderingen van niet-uitgegeven voorfinanciering en ontvangen rente en annuleringen van invorderingsopdrachten die eerder zijn gegeven buiten de berekening te houden;
   DG DEVCO en DG NEAR om de door de hoofden van de EU-delegaties opgestelde toezichtverslagen voor externe steun als bijlage bij hun jaarlijks activiteitenverslag te voegen zoals bepaald in artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement en om in hun jaarlijkse activiteitenverslag te rapporteren over de maatregelen die zijn genomen om de situatie in de delegaties met uitvoeringsproblemen te verhelpen, de vertragingen te beperken en de programma's te vereenvoudigen;
   de Commissie om de betrouwbaarheidsverklaringen van de delegatiehoofden openbaar te maken;
   de Commissie om:
   i) de doelstellingen te verduidelijken,
   ii) het evaluatiekader voor haar migratie- en asielbeleid in de landen van het nabuurschap te ontwikkelen, uit te breiden en te verbeteren,
   iii) de beschikbare financiële middelen toe te spitsen op duidelijk gedefinieerde en gekwantificeerde prioriteiten, en
   iv) het verband tussen ontwikkeling en migratie verder te bestendigen;
   de Commissie om in de gedragscode voor commissarissen een definitie op te nemen van belangenconflicten, de behoefte om in haar financieringsovereenkomsten met internationale organisaties en uitvoerende entiteiten bepalingen op te nemen inzake de vergoeding voor personeelskosten die verband houden met de activiteiten die tot hun kerntaak behoren en om uiterlijk in 2017 uitvoerig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement over haar bedenkingen op dat gebied, maar ook over het effect van de toepassing van het nieuwe beleid voor de terugvordering van kosten;

Migratie en veiligheid

247.  is, gezien de politieke gevoeligheid van de kwestie, ingenomen met het feit dat de Rekenkamer in het tweede deel van hoofdstuk 8 van haar jaarverslag voor het eerst is ingegaan op het migratie- en veiligheidsbeleid; merkt op dat dit gebied met 0,8 miljard EUR een klein deel van de Uniebegroting vertegenwoordigt, dat echter steeds groter wordt;

248.  betreurt het feit dat de Rekenkamer geen foutenpercentage heeft vermeld voor dit beleidsdomein, terwijl de directeur-generaal van DG HOME in zijn jaarlijks activiteitenverslag van 2015 het meerjarige percentage resterende fouten voor de rechtstreeks door DG HOME beheerde niet met onderzoek verband houdende subsidies op 2,88 % schat;

249.  deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer ten aanzien van het feit dat de door de Commissie uitgevoerde controles inzake "solidariteit en het beheer van migratiestromen" geen tests omvatten van de controles op de meest essentiële processen en dat bijgevolg het risico bestaat dat de Commissie heeft geoordeeld dat sommige jaarprogramma's met ondoeltreffende controlesystemen redelijke zekerheid boden en dat de Commissie haar controles achteraf niet op deze systemen zal richten;

250.  herinnert eraan dat DG HOME tekortkomingen heeft vastgesteld in de beheers- en controlesystemen van het Europees Vluchtelingenfonds, het Terugkeerfonds, het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen en het Buitengrenzenfonds voor de periode 2007-2013 voor de Tsjechische Republiek, Duitsland, Frankrijk en Polen;

251.  is van mening dat KPI 1 in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG HOME voor 2015 niet relevant is, aangezien het aantal illegale migranten dat naar derde landen terugkeert niet aanzienlijk wordt beïnvloed door het beheer van DG HOME;

252.  betreurt dat de Commissie van mening is dat het "moeilijk, zo niet onmogelijk is om voor elk land afzonderlijk een raming te geven van de gemaakte kosten voor migranten/asielzoekers aangezien het beheer van migratiestromen uiteenlopende activiteiten omvat"(111);

253.  verzoekt de Rekenkamer om de begrotingscontroleautoriteit in haar jaarverslag 2016 een waarschijnlijk foutenpercentage te geven voor het migratie- en veiligheidsbeleid en om het corrigerend vermogen van de Commissiediensten op dit beleidsdomein te evalueren;

254.  uit zijn bezorgdheid over de controles in verband met de vluchtelingenfondsen die vaak in noodsituaties door de lidstaten worden toegekend zonder de bestaande voorschriften na te leven; acht het van cruciaal belang dat de Commissie in een strenger controlesysteem voorziet, ook om te zorgen voor de eerbiediging van de mensenrechten van de vluchtelingen en asielzoekers;

Te nemen maatregelen

255.  beveelt aan dat DG HOME:

   a) de aard van de vastgestelde fouten zorgvuldig kwantificeert en analyseert in zijn jaarlijks activiteitenverslag en meer informatie verstrekt over de betrouwbaarheid van zijn "corrigerend vermogen";
   b) het gebruik van vereenvoudigde kostenopties en het gebruik van vaste bedragen en gestandaardiseerde kosten per eenheid bij het beheer van zijn fondsen bevordert;
   c) zorgvuldig lering trekt uit verleden, ten aanzien van de tekortkomingen die zijn vastgesteld bij het beheer van het Europees Vluchtelingenfonds, het Terugkeerfonds, het Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen en het Buitengrenzenfonds voor de periode 2007-2013;
   d) de begrotings- en begrotingscontroleautoriteit zo nauwkeurig mogelijke gegevens verschaft over de kosten die zijn gemaakt voor migranten/asielzoekers om de verzoeken om begrotingsmiddelen voor financieringsprogramma's terdege te motiveren, maar tegelijkertijd erkent dat ieder mensenleven een onmeetbare waarde heeft;
   e) de doeltreffendheid van de internecontrolesystemen die de lidstaten gebruiken voor de SOLID-programma's toetst voor de meest essentiële processen: selectie- en gunningsprocedures, projecttoezicht, betalingen en boekhouding;
   f) meer synergiën tot stand brengt en bevordert tussen alle verantwoordelijke diensten als programma's van invloed kunnen zijn op de migratiestromen;

Administratie

256.  neemt er nota van dat een ambtenaar kan worden aangesteld als senior deskundige of senior assistent en zo kan worden bevorderd tot de rang AD 14 of AST 11 en dat zodra een ambtenaar is aangesteld als senior deskundige, hij/zij niet meer opnieuw als beleidsambtenaar kan worden aangesteld; betreurt dat deze maatregelen niet stroken met de maatregelen om de administratieve kosten te verlagen en het verband tussen rang en functie te versterken; verzoekt de Commissie deze praktijk te beëindigen;

257.  merkt tot zijn bezorgdheid op dat het gemiddelde aantal jaar in een rang alvorens iemand wordt bevorderd, voor de rangen AD 11 en hoger is afgenomen: zo werd een ambtenaar in rang 12 in 2008 bijvoorbeeld gemiddeld pas na 10,3 jaar bevorderd, terwijl dat in 2015 al na 3,8 jaar gebeurde, wat aangeeft dat de bevorderingen in de hoogste salarisrangen zijn versneld; vraagt de Commissie om de bevorderingen in de rangen boven AD 11 of AST 9 te vertragen;

258.  beklemtoont dat geografisch evenwicht, dat wil zeggen de verhouding tussen het aantal personeelsleden van een bepaalde nationaliteit en de grootte van de lidstaat, nog steeds een belangrijk element moet zijn in het personeelsbeheer, met name ten aanzien van de lidstaten die sinds 2004 tot de Unie zijn toegetreden, en is verheugd over het feit dat de agentschappen van de Unie een meer evenwichtige samenstelling van ambtenaren uit de lidstaten die vóór en sinds 2004 tot de Unie zijn toegetreden, hebben bereikt; wijst er echter op dat de laatstgenoemde lidstaten nog altijd ondervertegenwoordigd zijn in de hogere bestuurslagen en in leidinggevende functies, en dat op dit gebied nog stappen moeten worden gezet;

259.  wijst met bezorgdheid op de buitensporige medische kosten in Luxemburg en de moeilijkheden die de personen die verzekerd zijn via het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Europese instellingen ondervinden om te worden behandeld onder dezelfde omstandigheden als Luxemburgse staatsburgers; verzoekt de instellingen, en vooral de Commissie, om in alle lidstaten en vooral in het Groothertogdom Luxemburg de toepassing van artikel 4 van Richtlijn 2011/24/EU(112) te eisen en te waarborgen; krachtens die richtlijn moeten de lidstaten garanderen dat verleners van gezondheidsdiensten op hun grondgebied dezelfde tarieven toepassen voor patiënten uit de lidstaten als voor binnenlandse patiënten; verzoekt eveneens dat gepaste sancties worden genomen als de richtlijn niet wordt nageleefd;

OLAF

260.  merkt op dat het college van commissarissen de onschendbaarheid van de directeur-generaal van het OLAF heeft opgeheven naar aanleiding van een verzoek van de Belgische autoriteiten in verband met het onderzoek in de "zaak-Dalli"; is van mening dat de directeur-generaal met een drieledig belangenconflict te maken heeft:

   toen het college werkte aan het besluit om zijn onschendbaarheid op te heffen, overwoog de directeur-generaal de mogelijkheid om een OLAF-onderzoek te starten naar leden van de Commissie;
   toen het college had besloten zijn onschendbaarheid op te heffen, spande de directeur-generaal een rechtszaak tegen de Commissie aan voor een vermeende onregelmatigheid bij de aanneming van haar besluit; tegelijkertijd bleef de directeur-generaal de Commissie vertegenwoordigen in beleidszaken die met zijn portefeuille verband hielden;
   nadat de opheffing van zijn onschendbaarheid was bevestigd, opende het Belgische openbaar ministerie een onderzoek naar de rol van de directeur-generaal in de zaak in kwestie, terwijl het bleef fungeren als aanspreekpunt voor de bestrijding van fraude jegens de financiële belangen van de Unie in België;

is van mening dat deze belangenconflicten de reputatie van zowel het OLAF als de Commissie kunnen schaden; vraagt de Commissie daarom de directeur-generaal van het OLAF tot het einde van het door de Belgische autoriteiten gevoerde onderzoek verlof te geven, en een tijdelijke vervanger te benoemen;

261.  is geschokt door berichten in de media dat volgens berekeningen van OLAF als gevolg van "aanhoudende nalatigheid" van de douane van het Verenigd Koninkrijk de Unie 1,987 miljard EUR misliep aan niet-geïnde heffingen op producten uit China; en dat daarnaast een uiterst geraffineerd opgezet crimineel netwerk grote Unielanden als Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië beroofde van 3,2 miljard EUR aan btw-inkomsten; verzoekt om toegang tot het volledige dossier ter zake en om geregeld op de hoogte te worden gehouden;

Gedragscode

262.  is er stellig van overtuigd dat er een toenemende behoefte is aan krachtige ethische regels om artikel 17 van het Verdrag van de Europese Unie en artikel 245 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te kunnen naleven; stelt met klem dat er voortdurend aandacht moet worden besteed aan goed functionerende gedragscodes; benadrukt dat een gedragscode alleen een effectieve preventieve maatregel is als deze adequaat wordt toegepast en als de naleving ervan systematisch wordt getoetst, en niet alleen in geval van incidenten;

263.  neemt nota van het voorstel van de Commissie om de gedragscode voor commissarissen te herzien; betreurt echter dat de herziening beperkt is tot de verlenging van de afkoelingsperiode tot drie jaar voor de voormalige voorzitter van de Commissie; roept de Commissie op de gedragscode voor commissarissen voor het einde van 2017 te herzien, onder meer door tenuitvoerlegging van de aanbeveling van het Parlement om de ad-hoc ethische commissie zodanig te hervormen dat haar bevoegdheden worden uitgebreid en onafhankelijke deskundigen erin worden betrokken, door te bepalen wat onder een belangenconflict wordt verstaan, en door criteria in te voeren om de verenigbaarheid van dienstverbanden na uitdiensttreding te beoordelen en de afkoelingsperiode van drie jaar uit te breiden tot alle commissarissen;

264.  wijst erop dat een belangrijke maatregel tegen belangenconflicten erin bestaat de voorzitter van de Commissie, de ad-hoc ethische commissie van de Commissie en de secretaris-generaal transparanter te maken bij het doen van onderzoek naar mogelijke conflictsituaties; merkt op dat het publiek de Commissie slechts rekenschap kan laten afleggen als de adviezen van de ethische commissie proactief worden gepubliceerd;

265.  roept het college van commissarissen op een besluit te nemen nu de aanbeveling van de ad-hoc ethische commissie in de zaak van de voormalige commissievoorzitter is afgerond, waardoor de zaak naar het Hof van Justitie is doorverwezen om zich over deze kwestie uit te spreken;

Deskundigengroepen

266.  is ingenomen met het besluit van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van horizontale regels voor de oprichting en het functioneren van haar deskundigengroepen(113), maar betreurt dat de Commissie geen volledige openbare raadpleging heeft georganiseerd, ofschoon vele niet-gouvernementele organisaties hier belang in stellen; herhaalt hoezeer het van belang is dat het maatschappelijk middenveld en de sociale partners opnieuw worden betrokken bij cruciale aspecten als transparantie en functioneren van de instellingen van de Unie;

267.  herinnert eraan dat ontbreken van transparantie een ongunstig effect heeft op het vertrouwen dat de burgers van de Unie in de instellingen van de Unie heeft; is van mening dat een doeltreffende hervorming van het systeem van deskundigengroepen van de Commissie, volgens duidelijke beginselen van transparantie en evenwichtige samenstelling, zal zorgen voor een verbeterde verkrijgbaarheid en betrouwbaarheid van gegevens, wat op zijn beurt het vertrouwen van de mensen in de Unie zal vergroten;

268.  is van mening dat de Commissie vooruitgang zou moeten boeken wat een evenwichtigere samenstelling van deskundigengroepen betreft; vindt het echter jammer dat er nog geen uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen economische en niet-economische belangenvertegenwoordigers, waardoor een zo groot mogelijke transparantie en evenwicht zou worden bereikt;

269.  herinnert eraan dat zowel het Parlement als de Europese Ombudsman de Commissie hebben aanbevolen de agenda's, achtergronddocumenten, notulen van vergaderingen en beraadslagingen van deskundigengroepen openbaar te maken;

Speciale adviseurs

270.  verzoekt de Commissie de naam, functie, rang en overeenkomst (aantal uren, duur van de overeenkomst, standplaats) van alle speciale adviseurs openbaar te maken; is van mening dat er een risico op belangenconflicten met de speciale adviseurs bestaat; is er stellig van overtuigd dat belangenconflicten moeten worden voorkomen, aangezien deze de geloofwaardigheid van de instellingen ondermijnen; verzoekt de Commissie de belangenverklaringen van de speciale adviseurs openbaar maken;

Europese Scholen

271.  merkt op dat de scholen zelf verantwoordelijk zijn voor hun jaarrekeningen (die het "algemeen kader" vormen); in de begroting van 2015 bedroegen de beschikbare kredieten 288,8 miljoen EUR, waaraan de Commissie 168,4 miljoen EUR had bijgedragen (58 %);

272.  is verontrust dat de Rekenkamer na alle jaren van zogenaamde hervormingen nog steeds bijzonder kritisch is over het financiële beheer van de Europese scholen:"“II. De scholen hebben hun verslag niet binnen de wettelijk vastgestelde termijn opgesteld. Er werden talrijke fouten vastgesteld, waarvan de meeste (ten gevolge van de evaluatie) in de definitieve versie van de jaarrekeningen waren rechtgezet. Het gaat om systematische tekortkomingen in de boekhoudprocedures. [...]

IV.  De betalingssystemen van de twee geselecteerde scholen vertoonden significante tekortkomingen: er bestond geen automatische koppeling tussen de boekhoud- en de betalingssystemen en geen strikte scheiding van de taken, betalingen die buiten het boekhoudsysteem werden gedaan, werden niet automatisch door het systeem verworpen en de controle was over het algemeen gebrekkig. Deze tekortkomingen vormen een aanzienlijk risico voor de wettigheid en regelmatigheid van betalingen.

V.  De Rekenkamer stelde eveneens significante tekortkomingen vast bij de aanbestedingsprocedures, waardoor de beginselen van transparantie en gelijke behandeling in het gedrang dreigden te komen.

VI.  In een aantal gevallen vond de Rekenkamer geen bewijs voor de kwalificaties van aangeworven personeel en stelde zij vast dat er informatie ontbrak in hun persoonlijke dossier.

VII.  De Rekenkamer kon bijgevolg niet bevestigen dat er sprake was van goed financieel beheer."

"

273.  betreurt het feit dat "de Rekenkamer [...] bijgevolg niet [kon] bevestigen dat er sprake was van goed financieel beheer";

274.  betreurt dat de Commissie, in lijn met de bevindingen van de Rekenkamer en vanwege een geval van vermoedelijke fraude tussen 2003 en 2012 opnieuw een voorbehoud vanwege eventuele reputatieschade heeft gemaakt bij de betalingen;

275.  merkt op dat aan het systeem van Europese Scholen aanzienlijk meer middelen zijn toegewezen dan 30 van de 32 agentschappen ontvingen; is van mening dat de financiële verantwoordingsplicht van het systeem van Europese Scholen moet worden aangescherpt tot een niveau dat vergelijkbaar is met dat van Europese agentschappen, onder meer door middel van een speciale kwijtingsprocedure voor de 168,4 miljoen EUR die aan het systeem ter beschikking werd gesteld;

276.  herinnert eraan dat het Parlement in de procedure voor kwijting aan de Commissie voor 2010 al vraagtekens plaatste bij "de besluitvormings- en financieringsstructuren van de Overeenkomst over de Europese Scholen", en de Commissie met klem had gevraagd met de lidstaten verkennende gesprekken te houden over een herziening van deze overeenkomst, en vóór 31 december 2012 een voortgangsverslag(114) uit te brengen; stelt vast dat het Parlement nooit een voortgangsverslag heeft ontvangen;

277.  merkt op dat de aanhoudende financiële en organisatorische crisis in het systeem van Europese Scholen steeds hardnekkiger wordt vanwege de plannen om een vijfde school te openen in Brussel en de mogelijke gevolgen wanneer een lidstaat in de toekomst besluit zich uit de Overeenkomst over de Europese scholen terug te trekken; vraagt zich af of het systeem van Europese Scholen met zijn huidige organisatieschema en financieringsmodel de middelen heeft om de geplande uitbreiding naar vijf scholen in Brussel in goede banen te leiden; merkt op dat hiermee het risico ontstaat dat in de toekomst nog grotere problemen worden teweeggebracht door een te sterke uitbreiding van sommige taalafdelingen die in de huidige financieringsmodellen slechts capaciteit voor vier (voor wat betreft de Duitse taalafdeling) of drie (voor wat betreft de Engelse taalafdelingen) Brusselse scholen hebben;

278.  vindt het onaanvaardbaar dat vertegenwoordigers van de lidstaten kwijting blijven verlenen aan de Europese scholen, hoewel de Commissie, die 58 % van de jaarlijkse begroting betaalt, en de Rekenkamer dat afraden;

279.  staat volledig achter de 11 aanbevelingen van de Rekenkamer in haar verslag van 11 november 2015 over de jaarrekening van de Europese scholen voor 2014 met betrekking tot de boekhouding, het personeel, de aanbestedingsprocedure, de controlenormen en betalingskwesties;

280.  is ingenomen met het bijgewerkte actieplan van DG Personele middelen en veiligheid om actie te ondernemen naar aanleiding van het voorbehoud van de Commissie en de opmerkingen van de Rekenkamer;

281.  verzoekt de Commissie om uiterlijk voor november 2017 een mededeling aan het Parlement en de Raad op te stellen waarin wordt bekeken hoe de administratieve structuur van de Europese scholen het best kan worden hervormd;

282.  roept de Commissie op haar rol volledig te vervullen in alle aspecten van het hervormingsproces met betrekking tot management-, financiële, organisatorische en pedagogische vraagstukken; vraagt de Commissie het Europees Parlement jaarlijks een verslag te presenteren waarin zij de voortgang op deze gebieden beoordeelt, om ervoor te zorgen dat de betreffende commissies van het Parlement het beheer van het scholensysteem kunnen doorlichten en kunnen beoordelen hoe het systeem de vanuit de Uniebegroting toegewezen middelen gebruikt; verzoekt de bevoegde commissaris uitgebreide aandacht aan deze kwestie te besteden, en roept hem met name op persoonlijk deel te nemen aan de tweejaarlijkse vergaderingen van de raad van bestuur; herhaalt dat het Parlement van mening is dat een "algemene herziening" van het systeem van Europese Scholen dringend noodzakelijk is; verzoekt dat het eerste ontwerp van de herziening in kwestie uiterlijk 30 juni 2017 wordt gepresenteerd;

Adviezen van de commissies

Buitenlandse Zaken

283.  verheugt zich over de vooruitgang die is geboekt, maar merkt op dat 6 van de 10 civiele missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) nog niet door de Commissie zijn erkend als zijnde in overeenstemming met artikel 60 van het Financieel Reglement; dringt er bij de Commissie op aan haar werkzaamheden te intensiveren met het oog op de accreditatie van alle civiele GVDB-missies, overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer, zodat ze kunnen worden belast met begrotingsuitvoeringstaken onder indirect beheer;

284.  verwelkomt de instelling van het platform voor missieondersteuning, dat tot doel heeft de administratieve lasten te verminderen en de efficiëntie van civiele GVDB-missies te vergroten; vindt het jammer dat de omvang en de werkingssfeer van dit platform beperkt is en herhaalt zijn verzoek om verdere stappen te ondernemen voor de instelling van een gezamenlijk dienstencentrum, wat zou leiden tot verdere kostenbesparingen en meer efficiëntie, doordat alle missieondersteunende diensten die niet lokaal moeten worden verstrekt, gecentraliseerd worden;

285.  herhaalt zijn standpunt dat de financiële regels van de Unie beter moeten worden aangepast aan de specifieke kenmerken van het externe optreden, met inbegrip van crisisbeheersing, en benadrukt dat de herziening van het Financieel Reglement moet leiden tot meer flexibiliteit;

286.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het ontbreken van rechtstreekse controle-instrumenten voor het gebruik van macrofinanciële bijstand door de ontvangende derde landen; verzoekt de Commissie dit soort bijstand meer te koppelen aan meetbare parameters;

287.  verwelkomt eveneens de aanbevelingen die de Rekenkamer heeft gedaan in Speciaal verslag nr. 13/2016 over de Uniebijstand voor het versterken van het openbaar bestuur in Moldavië en in Speciaal verslag nr. 32/2016 over de Uniebijstand voor Oekraïne; meent dat de Unie ten volle gebruik moet maken van de hefboomwerking van de conditionaliteit en moet zorgen voor gepast toezicht op de uitvoering van de geplande hervormingen teneinde een positieve bijdrage te leveren aan de versterking van de democratische praktijken in Moldavië en Oekraïne;

Ontwikkeling en samenwerking

288.  is in dit verband verheugd over speciaal verslag nr. 9/2016 van de Rekenkamer over de uitgaven van de Unie voor externe migratie in de buurlanden in het oosten en in het zuidelijke Middellandse Zeegebied; wijst erop dat de Rekenkamer tot de conclusie komt dat de uitgaven van de Unie voor externe migratie niet doeltreffend zijn gebleken, dat de resultaten van deze uitgaven niet meetbaar zijn, dat de benadering van de Commissie, die ervoor moet zorgen dat migratie een positief ontwikkelingseffect heeft, onduidelijk is, dat de steun voor terugkeer en terugname weinig effect sorteert en dat de eerbiediging van de mensenrechten van migranten, die de basis voor alle maatregelen zou moeten vormen, theorie blijft en slechts zelden in praktijk wordt gebracht;

289.  is verheugd over speciaal verslag nr. 15/2016 van de Rekenkamer over de uitgaven voor humanitaire hulp in het gebied van de Grote Meren; wijst erop dat de Rekenkamer concludeert dat de humanitaire hulp aan de door conflicten getroffen bevolking in het Grote Merengebied in Afrika in het algemeen doeltreffend werd beheerd door de Commissie; benadrukt het schrille contrast met de uitgaven in verband met migratie en is van mening dat dit eens te meer bewijst dat goed gepland ontwikkelingsbeleid veel betere resultaten oplevert dan op kortetermijndenken gebaseerd migratieactivisme;

290.  is zeer verontrust over een duidelijke trend in recente voorstellen van de Commissie, namelijk het negeren van juridisch bindende voorschriften in Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad(115) wanneer het gaat om voor ODA in aanmerking komende uitgaven en om landen die voor middelen uit het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking in aanmerking komen; herinnert eraan dat de rechtmatigheid van de uitgaven van de Unie een centraal beginsel van goed financieel beheer is en dat politieke overwegingen geen voorrang mogen krijgen boven duidelijk vastgelegde wettelijke bepalingen, als de Commissie op het gebied van rechtsstatelijkheid geloofwaardig wil blijven; herinnert de Commissie in dit verband aan het recente arrest van het Hof van Justitie(116) over de samenwerking met Marokko en het vraagstuk van de westelijke Sahara, waarin het Hof bepaalt dat de Unie het internationale recht consequent heeft geschonden;

291.  steunt het gebruik van begrotingssteun in algemene zin, maar dringt er bij de Commissie op aan de beoordeling en omschrijving te verduidelijken van de ontwikkelingsresultaten die voor elk geval behaald moeten worden met behulp van begrotingssteun, en bovenal de mechanismen te versterken voor het toezicht op het gedrag van de ontvangende landen op het gebied van corruptie, eerbiediging van de mensenrechten, rechtsstaat en democratie; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het mogelijke gebruik van begrotingssteun in landen met een gebrekkige democratische controle, ofwel vanwege het ontbreken van een functionerende parlementaire democratie en van vrijheden voor maatschappelijke organisaties en de media, of vanwege een gebrek aan capaciteit van met controle belaste organen;

292.  verzoekt de Commissie een op stimulansen gebaseerde benadering voor ontwikkeling te integreren door het "meer-voor-meer"-beginsel in te voeren, en daarvoor het Europees nabuurschapsbeleid als voorbeeld te nemen; is van oordeel dat een land dat in zijn interne hervormingen ten gunste van de opbouw en consolidatie van democratische instellingen, de uitbanning van corruptie, de eerbiediging van mensenrechten en de rechtsstaat meer en sneller vooruitgang boekt, ook meer steun van de Unie moet ontvangen; benadrukt dat deze op "positieve conditionaliteit" gebaseerde aanpak, met veel aandacht voor de financiering van kleinschalige projecten voor plattelandsgemeenschappen, daadwerkelijk verandering teweeg kan brengen en ervoor kan zorgen dat het geld van de belastingbetaler in de Unie op duurzamere wijze wordt besteed;

293.  betreurt het dat voorafgaande aan de oprichting van het noodtrustfonds van de Unie voor Afrika geen overleg met het Parlement heeft plaatsgevonden; wenst dat er doeltreffender wordt gewerkt aan een vergroting van de transparantie van besluiten inzake noodtrustfondsprojecten, benadrukt dat het ontbreekt aan een passend formaat voor regelmatig overleg met het Parlement; betreurt het dat er op dit punt geen actie is ondernomen;

Werkgelegenheid en sociale zaken

294.  neemt nota van de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie de ervaring moet benutten die in de programmeringsperiode 2007-2013 is opgedaan, verslag moet uitbrengen over een gerichte analyse van de nationale subsidiabiliteitsregels voor de programmeringsperiode 2014-2020, en op grond daarvan de lidstaten richtsnoeren moet verstrekken over hoe zij kunnen vereenvoudigen en onnodig ingewikkelde of lastige regels kunnen vermijden;

295.  vraagt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is Unie-financieringsprogramma's in het jaarlijks lastenoverzicht op te nemen, zoals overeengekomen in het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016(117); wijst erop dat de invoering van jaarlijkse streefdoelen voor vermindering van de lasten waarin de financieringsprogramma’s van de Unie zijn opgenomen, zou leiden tot een betere naleving en zou bijdragen tot een vermindering van het foutenpercentage;

296.  verwelkomt het feit dat er in de programmeringsperiode 2014-2020 meer aandacht is voor de resultaten; is niettemin van oordeel dat betere indicatoren inzake resultaten en betere monitoringsystemen zouden bijdragen tot doeltreffende financiële controles en meer doeltreffende toekomstige operationele programma's;

Milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid

297.  is tevreden met het werk van de vijf gedecentraliseerde agentschappen die onder haar mandaat vallen en die technische, wetenschappelijke of beheerstaken uitvoeren die de instellingen van de Unie in staat stellen beleid te formuleren en ten uitvoer te leggen op de gebieden milieu, klimaat, volksgezondheid en voedselveiligheid, alsook met de manier waarop de begrotingen van die agentschappen zijn uitgevoerd;

298.  is tevreden over het totale uitvoeringspercentage van de operationele middelen van LIFE+, dat in 2015 voor de vastleggingskredieten lag op 99,95 % en voor de betalingskredieten op 98,93 %; onderstreept dat LIFE + heeft bijgedragen aan een grotere bewustwording en deelname van de burgers aan het wetgevingsproces en aan de tenuitvoerlegging van het milieubeleid van de Unie, alsook aan een beter bestuur in deze sector; merkt op dat in 2015 een bedrag van 225,9 miljoen EUR was vastgelegd voor actiesubsidies, 40 miljoen EUR werd gebruikt voor financiële instrumenten beheerd door de Europese Investeringsbank en 59,2 miljoen EUR werd gebruikt voor maatregelen ter ondersteuning van de rol van de Commissie bij het initiëren en monitoren van beleidsontwikkeling en wetgeving; merkt op dat 10,2 miljoen EUR werd gebruikt voor administratieve ondersteuning van LIFE en voor ondersteuning van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen;

299.  neemt kennis van het feit dat het uitvoeringspercentage van DG CLIMA is gestegen tot 99,9 % van 108 747 880 EUR aan vastleggingskredieten en 91,77 % van 47 479 530 EUR aan betalingskredieten, en dat indien de administratieve uitgaven buiten beschouwing worden gelaten het uitvoeringspercentage stijgt naar 96,88 %;

300.  moedigt de begrotingsautoriteit aan zich te concentreren op proefprojecten en voorbereidende acties met reële meerwaarde voor de Unie in de toekomst; wijst erop dat tien proefprojecten en vijf voorbereidende acties ten bedrage van in totaal 1 400 000 EUR aan vastleggingskredieten en 5 599 888 EUR aan betalingskredieten zijn uitgevoerd;

301.  wijst erop dat een evaluatie van het tweede gezondheidsprogramma (2008-2013) in 2015 werd afgerond; is ermee ingenomen dat het derde gezondheidsprogramma in 2015 werd versterkt ter ondersteuning en bevordering van de uitwisseling van informatie en goede praktijken in de lidstaten die voor uitdagingen staan in verband met de opvang van een aanzienlijk aantal migranten, asielzoekers en vluchtelingen, met name met betrekking tot de opstelling door het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid van persoonlijke medische dossiers om de gezondheid van migranten te beoordelen op hotspots en opvanglocaties, en extra begrotingsmiddelen voor projecten met betrekking tot de gezondheid van migranten;

Vervoer en toerisme

302.  wijst erop dat in 2015 een bedrag van 12,8 miljard EUR was toegewezen aan 263 projecten op het gebied van vervoer, door in 2015 ondertekende subsidieovereenkomsten in het kader van uitnodigingen tot het indienen van voorstellen in het kader van de Connecting Europe Facility in 2014; wijst er verder op dat de financiering van de Connecting Europe Facility een bedrag van 28,3 miljard EUR aan totale investeringen heeft gegenereerd, in de vorm van een Uniebijdrage gecombineerd met regionale begrotingen en de begrotingen van de lidstaten, alsmede leningen van de Europese Investeringsbank;

303.  wijst erop dat voor het terrein "Concurrentievermogen voor groei en banen", waaronder ook het vervoersbeleid valt, de Rekenkamer slechts zeven transacties heeft gecontroleerd die onder de verantwoordelijkheid van het directoraat-generaal Mobiliteit en Vervoer (DG MOVE) vielen; merkt op dat fouten werden ontdekt in slechts één van de gecontroleerde verrichtingen, en dat die fouten niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten betroffen;

304.  wijst erop dat de Europese Investeringsbank in haar evaluatieverslag wijst op de geografische onevenwichtigheden en sectorale concentraties in het portfolio van het infrastructuur- en innovatievenster en dat de financiering in het kader van het infrastructuur- en innovatievenster is geconcentreerd in drie lidstaten (63 %); roept de Commissie op met spoed een evaluatie uit te voeren van het effect van het Europees Fonds voor strategische investeringen voor de Unie als geheel; betreurt dat het Europees Fonds voor strategische investeringen niet voldoende wordt benut voor de financiering van innovatieve vervoersprojecten voor alle vervoerswijzen, bijvoorbeeld ter bevordering van duurzame vervoerswijzen of ter verdere stimulering van het proces van digitalisering, alsmede voor toegankelijkheid zonder obstakels;

305.  betreurt het feit dat de Commissie (DG MOVE) nog geen formeel geconsolideerd strategisch document voor toezicht op de ontwikkeling van de corridors van het TEN-T-kernnetwerk heeft opgesteld; moedigt de Commissie aan om een dergelijk strategisch document vast te stellen over toezichtactiviteiten en transparantie; herinnert eraan dat transparantie en overleg met alle belanghebbenden bijdragen aan het succes van vervoersprojecten;

306.  wijst erop dat de vervoerprojecten in de periode 2014-2020 uit verschillende bronnen zullen worden gefinancierd, waaronder de Connecting Europe Facility, het CF, het EFRO en het Europees Fonds voor strategische investeringen; verzoekt de Commissie derhalve te zorgen voor de nodige synergieën, zodat de middelen uit die verschillende financieringsbronnen doeltreffender kunnen worden toegewezen, en deze financieringsbronnen gemixt kunnen worden; dringt er bij de Commissie op aan lijsten op te stellen inzake vervoer, inclusief percentages van de aandelen van de verschillende modaliteiten, en van toeristische projecten die zijn medegefinancierd door deze fondsen, en deze lijsten jaarlijks te publiceren, onder meer op haar website;

Regionale ontwikkeling

307.  verzoekt de Commissie om via de groep op hoog niveau(118) specifieke aandacht te besteden aan nationale ontvankelijkheidsregels bij haar controle van nationale beheers- en controlesystemen en de lidstaten te helpen deze regels te vereenvoudigen zodat er aanpassingen mogelijk zijn; onderstreept in dit verband het belang van de toepassing van het beginsel van één enkele audit; verzoekt de Commissie via vereenvoudigde en doeltreffende richtsnoeren het concept van terugvorderbare btw te verhelderen, teneinde uiteenlopende interpretaties van de term "niet-terugvorderbare btw" en suboptimaal gebruik van EU-middelen te vermijden; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten ervoor te zorgen dat de begunstigden samenhangende informatie ontvangen over de subsidiabiliteitsvoorwaarden, met name met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven en de respectieve maxima voor vergoedingen;

308.  betreurt het dat beheersinstanties in 2015 minder declaraties voor de terugbetaling van kosten hebben ingediend dan in 2014, hetgeen heeft geleid tot een daling van het bedrag aan onbetaalde kostendeclaraties van 23,2 miljard EUR in 2014 naar 10,8 miljard EUR in 2015, waarvan 2,8 miljard EUR sinds eind 2014 openstond; wijst erop dat de achterstand bij de uitvoering van de begroting in de periode 2014-2020 niet groter mag worden dan in de voorgaande periode en niet mag leiden tot een opeenstapeling van niet-betaalde vorderingen tegen het einde van de financieringsperiode; dringt er bij de Commissie op aan de situatie samen met de lidstaten op de voet te volgen en haar betalingsplan dienovereenkomstig aan te passen;

309.  betreurt het dat op 30 juni 2016 nog niet alle lidstaten de richtlijnen inzake openbare aanbestedingen hadden omgezet en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te blijven helpen hun capaciteit om deze richtlijnen om te zetten, te vergroten en al hun actieplannen betreffende ex-antevoorwaarden ten uitvoer te leggen, daar dit een essentiële voorwaarde is voor het voorkomen van frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden; benadrukt het belang van de uitvoering van het actieplan inzake overheidsopdrachten voor Europese structuur- en investeringsfondsen 2014-2020 met het oog op het vereenvoudigen, het versnellen en het op één lijn brengen van de elektronische procedures voor openbare aanbestedingen;

310.  stelt vast dat het gemiddelde uitbetalingspercentage voor financiële EFRO- en ESF-instrumenten eind 2014 57 % bedroeg, hetgeen neerkomt op een stijging van slechts 10 % ten opzichte van 2013; betreurt de opmerking van de Rekenkamer over de verlenging van de termijn voor de ontvankelijkheid van betalingen aan eindontvangers van financiële instrumenten via een besluit van de Commissie in de plaats van een wijzigingsverordening; spreekt zijn bezorgdheid uit mocht de Rekenkamer besluiten alle betalingen die van na 31 december 2015 dateren, als irregulier te beschouwen; wijst er met verontrusting op dat een aanzienlijk deel van de oorspronkelijke toewijzingen van EFRO- en ESF-financieringsinstrumenten in de programmeringsperiode 2007-2013 werd uitgegeven aan beheerskosten en -vergoedingen;

311.  is ingenomen met de benadering van de Rekenkamer waarbij het accent op prestatie ligt en acht het een goede aanpak dat beheersinstanties relevante resultaatindicatoren definiëren waarmee kan worden gemeten welke bijdrage de projecten leveren aan het bereiken van de doelstellingen van de operationele programma's, met inachtneming van het additionaliteitsbeginsel. benadrukt de noodzaak om de communicatie op te voeren; dringt er bij de Commissie op aan om efficiëntere communicatiekanalen te identificeren om de zichtbaarheid van de investeringen waarbij gebruik wordt gemaakt van Europese structuur- en investeringsfondsen te vergroten; verzoekt de Commissie om een beperkt aantal relevante indicatoren te bepalen die prestaties kunnen helpen meten;

312.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de territoriale instrumenten zo goed mogelijk te gebruiken door ervoor te zorgen dat de geïntegreerde strategieën voor stedelijke ontwikkeling tijdig worden goedgekeurd voor financiering, waardoor steden zullen kunnen investeren in brede strategieën en synergieën tussen beleidsmaatregelen kunnen benutten en kunnen zorgen voor een effectiever langetermijneffect op de groei en de werkgelegenheid;

Landbouw en plattelandsontwikkeling

313.  verzoekt de Rekenkamer om ook na het volgende boekjaar door te gaan met het opstellen van verschillende beoordelingen voor het Europees Landbouwgarantiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en rubriek 2, aangezien op basis van afzonderlijke beoordelingen gerichte actie kan worden ondernomen ter verbetering van de flink uiteenlopende foutenpercentages;

314.  dringt er bij de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten op aan om, waar mogelijk, de complexiteit in verband met rechtstreekse betalingen te blijven aanpakken en terugdringen, in het bijzonder als er sprake is van meerdere niveaus bij het beheer van het Europees Landbouwgarantiefonds;

315.  is ingenomen met een nieuwe generatie van aanvullende financieringsinstrumenten, en gelooft dat deze instrumenten moeten worden opgezet op basis van duidelijkere doelstellingen en een toereikende mate van toezicht aan het einde van de periode van uitvoering teneinde het effect ervan aan te tonen en een toename van de foutenpercentages te voorkomen;

316.  pleit ervoor dat in de nationale betaalorganen in de respectieve lidstaten die de afgelopen drie jaar niet aan de verwachtingen hebben voldaan de reeds aangestelde ambtenaren van de Unie de verantwoordelijkheid krijgen in plaats van de onderdanen van de desbetreffende lidstaat;

317.  wijst op het meerjarige karakter van het beheerssysteem van het landbouwbeleid en benadrukt dat de eindbeoordeling van onregelmatigheden in verband met de tenuitvoerlegging van de verordening(119) slechts mogelijk is bij afsluiting van de programmeringsperiode;

318.  merkt op dat vereenvoudiging van het GLB de rendabele voedselproductie niet in gevaar mag brengen en pleit voor maatregelen om over te stappen op een koolstofarme economie in de agrovoedings- en de bosbouwsector;

Visserij

319.  ziet met tevredenheid dat dankzij de follow-up van het voorbehoud dat DG MARE in zijn jaarverslag van 2014 had gemaakt bij het beheer- en controlesysteem voor de programma's in het kader van het Europees Visserijfonds (2007-2013), het aantal betrokken operationele programma's en lidstaten significant is verminderd tot slechts vijf;

320.  constateert met voldoening dat het door DG MARE opgezette interne controlesysteem voldoende waarborgen biedt om het risico met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen op adequate wijze te beheersen;

321.  is verheugd dat geen van de twaalf door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen die specifiek betrekking hebben op de visserij, kwantificeerbare fouten aan het licht heeft gebracht;

322.  betreurt echter dat de overgrote meerderheid van de lidstaten hun operationele programma's met betrekking tot het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij pas zeer laat hebben ingediend, waardoor grote vertraging ontstaat bij de beschikbaarstelling van middelen;

323.  stelt bijgevolg vast dat geen enkele uitgave vóór 30 juni 2015 bij de Commissie kon worden gedeclareerd en dus ook niet op die datum kon worden gecontroleerd; wijst erop dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van kredieten in gedeeld beheer;

Cultuur en onderwijs

324.  wijst er nogmaals op dat de onderbrenging van alle mobiliteitsprogramma's voor jongeren in de Unie in Erasmus+ in de eerste plaats bedoeld is om die programma's doeltreffender te maken, en verzoekt de Commissie derhalve vast te houden aan de overeengekomen doelen en begrotingslijnen voor het programma om te voorkomen dat het programma zijn focus verliest;

325.  is ingenomen met de soepele wijze waarop zowel Erasmus+ als Creatief Europa hebben ingespeeld op de nieuwe uitdagingen in verband met de integratie van vluchtelingen en migranten en de bestrijding van radicalisering in 2015;

326.  wijst erop dat er in 2015 voor het eerst leningen werden verstrekt uit hoofde van de garantiefaciliteit voor studentenleningen (Erasmus+ en Master), toen twee banken in Spanje en Frankrijk de regeling lanceerden; wijst er met klem op dat die leningsfaciliteit alleen levensvatbaar kan worden als er gezorgd wordt voor een brede geografische dekking en als de Commissie de leningsvoorwaarden nauwgezet in het oog houdt;

327.  herinnert eraan dat het Creatief Europa-programma in 2015 voor het eerst werd beheerd door twee directoraten-generaal van de Commissie, het directoraat-generaal Onderwijs en Cultuur en het directoraat-generaal Communicatienetwerken, Inhoud en Technologie; hamert op de noodzaak van een gecoördineerde aanpak, opdat interne organisatieproblemen niet ten koste gaan van de werking van het programma of de perceptie daarvan bij het publiek;

Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

328.  verzoekt de Commissie een overzicht van de vastgestelde gevallen van belangenconflicten op te stellen en bij de kwijtingsautoriteit in te dienen;

329.  betreurt het feit dat de essentiële prestatie-indicatoren in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG HOME geen informatie bevatten over het aantal personen dat in 2015 hulp heeft gekregen dan wel hervestigd, herplaatst en teruggestuurd is; betreurt het ontbreken van indicatoren om het effect te beoordelen van de maatregelen die zijn genomen ter versterking van de coördinatie en samenwerking tussen de nationale wetshandhavingsinstanties;

330.  moedigt de ontwikkeling aan van duidelijkere politieke prioriteiten voor de lange termijn, met een concretere vertaling in operationele prioriteiten; benadrukt in dit verband het belang van nauwere samenwerking met andere organen, in het bijzonder de agentschappen;

331.  betreurt het feit dat de governancestructuren van de Commissie op het gebied van informatiebeveiliging niet aangepast zijn aan de erkende beste praktijken (zie het auditverslag van de dienst Interne Audit);

Genderaspecten

332.  wijst erop dat gendergelijkheid een horizontale doelstelling voor alle beleidsdomeinen moet zijn; merkt echter op dat sommige programma's geen specifieke gerichte acties met specifieke begrotingstoewijzingen ter verwezenlijking van deze doelstelling omvatten en dat met een betere gegevensverzameling het niet alleen mogelijk wordt de kredieten die aan acties ter bevordering van gendergelijkheid werden toegewezen, te kwantificeren, maar ook de impact van deze EU-middelen beter te evalueren;

333.  pleit bij de Commissie nogmaals voor genderbewust budgetteren tijdens alle stadia van de begrotingsprocedure, met inbegrip van onder meer de uitvoering van de begroting en de beoordeling van deze uitvoering, inclusief EFSI, ESF, ERDF en Horizon 2020, teneinde de discriminatie in de lidstaten van de Unie te bestrijden; benadrukt dat een gemeenschappelijke reeks kwantificeerbare indicatoren voor de resultaten en de impact, die een betere beoordeling van de begroting vanuit het genderperspectief mogelijk zouden maken, moet worden opgenomen in overeenstemming met het initiatief voor een resultaatgerichte Uniebegroting en de nadruk op prestaties;

334.  verzoekt de Commissie een genderanalyse uit te voeren van zowel nieuwe als bestaande begrotingslijnen en waar mogelijk de nodige beleidswijzigingen door te voeren om te voorkomen dat genderongelijkheid indirect in de hand wordt gewerkt.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0144.
(7) PB L 69 van 13.3.2015.
(8) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(9) PB C 417 van 11.11.2016, blz. 2.
(10) PB C 449 van 1.12.2016, blz. 51.
(11) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(12) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(13) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(14) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(15) PB L 343 van 19.12.2013, blz. 46.
(16) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0144.
(17) PB L 69 van 13.3.2015.
(18) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(19) PB C 417 van 11.11.2016, blz. 10.
(20) PB C 449 van 1.12.2016, blz. 61.
(21) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(22) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(23) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(24) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(25) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 73.
(26) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0144.
(27) PB L 69 van 13.3.2015.
(28) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(29) PB C 417 van 11.11.2016, blz. 2.
(30) PB C 449 van 1.12.2016, blz. 41.
(31) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(32) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(33) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(34) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(35) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 69.
(36) PB L 363 van 18.12.2014, blz. 183.
(37) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0144.
(38) PB L 69 van 13.3.2015.
(39) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(40) PB C 417 van 11.11.2016, blz. 9.
(41) PB C 449 van 1.12.2016, blz. 157.
(42) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(43) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(44) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(45) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(46) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 58.
(47) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0144.
(48) PB L 69 van 13.3.2015.
(49) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(50) PB C 417 van 11.11.2016, blz. 11.
(51) PB C 449 van 1.12.2016, blz. 230.
(52) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(53) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(54) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(55) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(56) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 54.
(57) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0144.
(58) PB L 69 van 13.3.2015.
(59) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(60) PB C 417 van 11.11.2016, blz. 11.
(61) PB C 449 van 1.12.2016, blz. 219.
(62) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(63) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(64) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(65) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(66) PB L 352 van 24.12.2013, blz. 65.
(67) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0144.
(68) PB L 69 van 13.3.2015.
(69) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(70) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(71) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(72) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(73) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(74) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0144.
(75) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(76) PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1.
(77) Speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 31/2016.
(78) Speciale verslagen van de Rekenkamer nrs. 5/2015 en 19/2016.
(79) Europese Commissie, DG REGIO, "Summary of data on the progress made in financing and implementing financial engineering instruments reported by the managing authorities in accordance with Article 67(2)(j) of Council Regulation (EC) No 1083/2006, programming period 2007–2013, situation as at 31 December 2015" (samenvatting van de gegevens over de geboekte vooruitgang bij de financiering en uitvoering van de financiële instrumenten als gemeld door de managementautoriteiten overeenkomstig artikel 67, lid 2, onder j), van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad, programmeringsperiode 2007–2013, situatie per 31 december 2015), gepubliceerd op 20 september 2016, blz. 61.
(80)Zie punt 1.39 van het jaarverslag 2015 van de Rekenkamer.
(81)Zie de punten 3.22 en 3.23 van het jaarverslag 2015 van de Rekenkamer.
(82) Zie punt 3.29 van het jaarverslag 2015 van de Rekenkamer.
(83) Zie de punten 3.33 tot en met 3.38 van het jaarverslag 2015 van de Rekenkamer.
(84) Zie punt 3.56 van het jaarverslag 2015 van de Rekenkamer.
(85) Zie punt 4.16 van het jaarverslag 2015 van de Rekenkamer.
(86)COM(2016)0674, SWD(2016)0338, SWD(2016)0339.
(87) "Commitment and Coherence, evaluatie ex post van het zevende kaderprogramma van de EU (2007-2013)", november 2015.
(88) Rekenkamer, jaarverslag 2015, punt 3.19.
(89) Rekenkamer, jaarverslag 2015, punt 3.22.
(90) Rekenkamer, jaarverslag 2015, afdeling 3.
(91) Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III — Commissie, punt 8 (PB L 246 van 14.9.2016, blz. 27).
(92) Jaarlijks activiteitenverslag 2015, directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, Brussel, 2016, blz. 11, voetnoot 8.
(93)SWD(2016)0318.
(94) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(95) Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
(96) Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(97) Eerste resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, eindverslag voor DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Europese Commissie, juni 2016.
(98) Rekenkamer, Jaarverslag 2015, punt 6.36.
(99) Antwoord op vraag 19 van de schriftelijke vragen aan commissaris Crețu.
(100) Zie paragraaf 8 van de resolutie van 28 april 2016.
(101) Rekenkamer, Jaarverslag 2015, punt 6.9, voetnoot 8.
(102) Als deze fouten waren voorkomen, zou het geschatte foutenpercentage 0,9 procentpunt lager zijn uitgevallen voor "markondersteuning en rechtstreekse steun", en 3,2 procentpunt lager voor "plattelandsontwikkeling en ander beleid".
(103) In het jaarlijkse activiteitenverslag van DG AGRI is vermeld dat het geaggregeerde gecorrigeerde foutenpercentage is gedaald van 2,61 % in 2014 naar 1,47 % in 2015.
(104) Voor een voltijdbaan geldt het minimumaantal uren dat krachtens de nationale bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten vereist is. Indien het aantal uren niet is aangegeven, moet 1 800 uur per jaar (225 werkdagen van acht uur) als minimumaantal worden aangehouden.
(105) Volgens de laatste landbouwstructuurenquête (Eurostat) daalde het aantal landbouwarbeidskrachten in de EU-28 gedurende de periode 2007-2013 met 2,3 arbeidsjaareenheden (AJE), een daling met 19,8 %.
(106) Zie het antwoord op schriftelijke vraag 3 – hoorzitting van commissaris Hogan van 29 november 2016.
(107) Zie paragraaf 317 van de resolutie van 28 april 2016.
(108) De lidstaten dienen de verschillen tussen de betalingen aan begunstigden per hectare op hun grondgebied te beperken (dit heet "interne convergentie"). In beginsel dienen zij bedragen van meer dan 150 000 EUR die op basis van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling worden uitbetaald aan enkele begunstigde ook met ten minste 5 % te verlagen (hoewel er ook uitzonderingen gelden). Daarnaast hebben de lidstaten de mogelijkheid om tot 30 % van hun nationale enveloppe voor rechtstreekse betalingen over de eerste 30 ha voor elk landbouwbedrijf te herverdelen ("herverdelingstoeslag") en om een absolute bovengrens vast te stellen voor de bedragen die elke begunstigde ontvangt uit de basisbetalingsregeling of de regeling inzake één enkele areaalbetaling ("plafonnering").
(109) Zie artikel 35, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 59) en Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).
(110) Besluit C(2016)2210 van de Commissie van 12 april 2016 tot wijziging van Besluit C(2014)5434 van de Commissie houdende goedkeuring van de toepassing van vergoeding op basis van eenheidskosten voor door een entiteit van de Wereldbankgroep uitgevoerde activiteiten in het kader van de kaderovereenkomst met de Unie.
(111) Antwoord op schriftelijke vraag 23 – hoorzitting van commissaris Avramopoulos van 29 november 2016.
(112) Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).
(113) C(2016)3301.
(114) Zie paragraaf 38 van de resolutie van het Europees Parlement van 10 mei 2012 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2010, afdeling III — Commissie en uitvoerende agentschappen (PB L 286 van 17.10.2012, blz. 31).
(115) Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44).
(116) Arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2016, Raad tegen Front Polisario, C-104/16 P, ECLI:EU:C:2016:973.
(117) Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie van 13 april 2016 over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(118) Groep op hoog niveau van onafhankelijke deskundigen over het monitoren van de vereenvoudiging voor de begunstigden van de Europese structuur- en investeringsfondsen.
(119) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).


Kwijting 2015: speciale verslagen van de Europese Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015
PDF 576kWORD 102k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2208(DEC))
P8_TA(2017)0144A8-0160/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de speciale verslagen van de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287, lid 4, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0338/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van 27 april 2017 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie(5), en zijn resolutie met opmerkingen, die een integrerend deel uitmaakt van dat besluit,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 februari 2017 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 (05876/2017 – C8-0037/2017),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0160/2017),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

B.  overwegende dat de speciale verslagen van de Rekenkamer informatie bevatten over belangrijke aspecten van de besteding van financiële middelen, en dat deze informatie nuttig is voor het Parlement bij het uitoefenen van zijn taken als kwijtingsautoriteit;

C.  overwegende dat zijn opmerkingen over de speciale verslagen van de Rekenkamer een integrerend deel uitmaken van bovenvermeld besluit van het Parlement van 27 april 2017 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III – Commissie;

Deel I – Speciaal verslag nr. 18/2015 van de Rekenkamer getiteld "Financiële bijstand aan landen die in moeilijkheden verkeren"

1.  neemt kennis van de bevindingen en aanbevelingen die zijn opgenomen in het speciaal verslag van de Rekenkamer;

2.  is ingenomen met het eerste speciaal verslag van de Rekenkamer over economische governance in de Unie, en ziet uit naar de volgende verslagen die in de loop van het komende jaar zullen worden gepubliceerd;

3.  betreurt het feit dat de Rekenkamer in dit verslag niet alle lidstaten heeft opgenomen die sinds het begin van de financiële crisis financiële bijstand hebben ontvangen, met inbegrip van het programma voor Griekenland om gemakkelijker te kunnen vergelijken;

4.  is evenwel ingenomen met het feit dat de Rekenkamer een afzonderlijk speciaal verslag over Griekenland zal opstellen; verzoekt de Rekenkamer de resultaten van beide speciale verslagen te vergelijken en met name rekening te houden met de voorstellen van het Parlement betreffende het verslag over Griekenland, met inbegrip van de resultaten op de middellange en lange termijn (d.w.z. het huidige debat over een mogelijke schuldverlichting);

5.  spoort de Rekenkamer aan te blijven investeren in de eigen personele middelen en expertise op dit gebied om de kwaliteit van haar werk te verbeteren; verzoekt de Rekenkamer intussen volledig rekening te houden met de externe expertiseverslagen die zij als achtergrond voor de audit heeft gevraagd;

6.  vestigt de aandacht op het feit dat de Rekenkamer haar audit heeft beperkt tot het zeer concrete kortetermijnscenario van de financiële bijstand zoals vastgesteld door de Raad, zonder evenwel rekening te houden met andere mogelijke oplossingen voor de begrotingsonevenwichtigheden waaraan in het maatschappelijke en academische debat al werd gedacht, zoals onderlinge waarborging van staatsschuld of schuldverlichting;

7.  betreurt het feit dat het verslag zich beperkt tot het beheer van de bijstand, maar niet dieper ingaat op of vragen stelt bij de inhoud van het programma en de voorwaarden voor financiële bijstand waarover is onderhandeld;

8.  wijst erop dat het speciaal verslag zich louter en alleen beperkt tot een beschrijving van de specifieke maatregelen die de Unie op politiek niveau heeft genomen en een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de programma's; spoort de Rekenkamer aan na te gaan of de getroffen maatregelen adequaat waren om de doelstellingen van de programma's te verwezenlijken, en te analyseren welke wisselwerking er was met het bredere beleidskader en de langetermijndoelstellingen zoals de Europa 2020-strategie;

9.  wijst erop dat de programma's voor financiële bijstand tot doel hebben ervoor te zorgen dat de begunstigde landen terugkeren naar de financiële markten, hun overheidsfinanciën opnieuw gezond maken, de groei aanzwengelen en de werkloosheid terugdringen; betreurt het feit dat de Rekenkamer in haar bevindingen de resultaten van het programma niet volledig heeft geanalyseerd en aan deze doelstellingen heeft getoetst;

10.  merkt op dat de Rekenkamer haar conclusies in de eerste plaats richt op de Commissie als beheerder van de financiële bijstand, maar is van oordeel dat voor een beter begrip meer aandacht had moeten worden besteed aan het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Centrale Bank die in eerste instantie de Commissie hebben ondersteund bij de voorbereiding van en het toezicht op de programma's;

11.  deelt de mening van de Commissie dat de rol van de Raad en andere partners bij de vaststelling en het beheer van het programma is onderschat; verzoekt de Rekenkamer en de Commissie na te gaan hoe relevant de door de Raad vastgestelde maatregelen waren en wat de rol van de Europese Centrale Bank was, en te beoordelen of de maatregelen passend waren voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma en hebben bijgedragen aan de doelstellingen van de Unie, waaronder de geleidelijke uitbanning van de economische crisis en het creëren van meer banen en groei;

12.  betreurt het feit dat de partners niet altijd alle beschikbare informatie met de Commissie hebben gedeeld, hetgeen heeft geleid tot inconsistente benaderingen door het onderhandelingsteam; wenst dat de Commissie formele overeenkomsten sluit met haar partners, teneinde tijdig volledige toegang te hebben tot alle beschikbare informatie en dus in de toekomst dergelijke problemen te voorkomen;

13.  benadrukt dat sommige hervormingen die in de programma's worden genoemd (zoals de hervorming van de arbeidsmarkt) slechts op zeer lange termijn tot resultaten op het gebied van concurrentievermogen kunnen leiden, terwijl bijstandsprogramma's hoofdzakelijk onmiddellijke resultaten op kortere termijn beogen;

14.  merkt op dat de programma's hoofdzakelijk gebaseerd waren op de uitgavenzijde (hervormingen van de arbeidsmarkt, pensioenen en werkloosheidsregelingen, inkrimping van lokale entiteiten, enz.) en bezuinigingen op overheidsprogramma's; begrijpt dat deze bezuinigingen zijn doorgevoerd om de financiële markten van de begunstigde landen te hervormen;

15.  dringt er bij de Raad op aan zorgvuldig de instrumenten en maatregelen voor financiële bijstand te beoordelen die voor toekomstige programma's beschikbaar zijn, teneinde de gevolgen voor de bevolking, de ongewenste gevolgen voor de binnenlandse vraag en de afwenteling van de kosten van de crisis terug te dringen;

16.  benadrukt dat de financiële steun voor lidstaten in moeilijkheden de vorm aannam van leningen op de kapitaalmarkten, waarbij de begroting van de Unie als garantie werd gebruikt; is van mening dat de rol van het Parlement als begrotingsautoriteit bij deze programma's is ondermijnd, waardoor de democratische legitimiteit van de verstrekte financiële bijstand nog verder is aangetast;

17.  dringt er bij de Commissie op aan het Parlement nauwer te betrekken bij financiële bijstand wanneer de begroting van de Unie in het geding is;

18.  acht het van belang dat er onderzoek wordt gedaan naar de mate waarin de Europese Centrale Bank de lidstaten indirect helpt bij verwezenlijking van hun doelstellingen, alsook naar de bredere steun voor de financiële architectuur van de Unie gedurende de looptijd van de financiële programma's;

19.  is van mening dat het bij het uitbreken van de crisis moeilijk was een aantal plotse onevenwichtigheden met verwoestende gevolgen voor sommige lidstaten te voorspellen; wijst op de moeilijkheid om de omvang en de aard te voorspellen van de wereldwijde financiële crisis van 2007-2008, die tot dan ongekend waren;

20.  deelt de visie van de Rekenkamer dat de aandacht die vóór de crisis uitging naar het juridisch toezichtskader niet adequaat was om de risico's van de onderliggende begrotingssituatie in tijden van ernstige economische crisis in kaart te brengen;

21.  is ingenomen met de goedkeuring door de wetgever van het "six pack" en het "two pack", als gevolg van de financiële crisis, om de tekortkomingen inzake toezicht aan te pakken die door de crisis aan het licht zijn gekomen; is evenwel van mening dat de hervorming van het kader van de Unie voor economische governance van de afgelopen jaren niet heeft geleid tot een volledige uitbanning van de huidige crisis, en verzoekt de Commissie verder onderzoek te doen naar de sterke en zwakke punten van het nieuwe kader en deze te vergelijken met die van andere gelijkaardige economieën (d.w.z. de VS, Japan en andere OESO-landen) en indien nodig nieuwe hervormingen voor te stellen;

22.  verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de aanbeveling van de Rekenkamer om de kwaliteit van haar macro-economische en budgettaire prognoses verder te verbeteren;

23.  wijst op de conclusie van de Rekenkamer dat de Commissie er onder grote tijdsdruk en met beperkte ervaring is in geslaagd nieuwe taken voor het beheer van de programma's voor financiële bijstand op zich te nemen; benadrukt de conclusie van de Rekenkamer dat dit gezien de omstandigheden een hele prestatie was;

24.  is ingenomen met het besluit om het beheer van financiële bijstand toe te vertrouwen aan de Commissie en niet aan andere financiële partners, hetgeen op maat gesneden bijstand mogelijk maakt die rekening houdt met de bijzondere kenmerken en de eigen inbreng van de lidstaten;

25.  is van mening dat, hoewel de lidstaten gelijk moeten worden behandeld, de flexibiliteit om programma's en hervormingen af te stemmen op en aan te passen aan specifieke nationale omstandigheden ook noodzakelijk is; is van mening dat in toekomstige programma's van de Commissie en verslagen van de Rekenkamer moet worden toegezien op het identificeren van en een onderscheid maken tussen de uitvoering van strikte EU-maatregelen en veronderstelde nationale agenda's;

26.  neemt kennis van de opmerking van de Rekenkamer over de moeilijkheden die de Commissie ondervindt bij het bijhouden van de informatie en over het feit dat de procedures niet gericht zijn op een retrospectieve beoordeling van de genomen besluiten;

27.  benadrukt dat de Commissie in de beginfase van de programma's onder zeer grote politieke en tijdsdruk stond gezien de onbekende risico's voor de stabiliteit van het gehele financiële stelsel, met onvoorspelbare gevolgen voor de economie;

28.  is van mening dat de Commissie, hoewel zij nog geen ervaring had met financiële bijstand, "al doende heeft geleerd" en er niet alleen in is geslaagd deze programma's vrij snel naar behoren in te voeren maar ook het beheer ervan heeft verbeterd met het oog op de latere programma's;

29.  deelt de aanbevelingen van de Rekenkamer dat de Commissie nader moet ingaan op de belangrijkste aspecten van de aanpassingen die de landen doorvoeren, maar dat zij ook economische prognoses, waaronder de huizenmarkt en de nationale particuliere en overheidsschuld, moet vergelijken; roept alle lidstaten op systematisch en regelmatig de nodige gegevens aan de Commissie te verstrekken;

30.  is van mening dat de tijdsspanne vanaf de lancering van het eerste EU-programma tot de beëindiging van de analyse van de Rekenkamer de gelegenheid moet bieden om betere aanbevelingen op te nemen, zowel inzake de verbeteringen aan als inzake de resultaten van het programma voor toekomstige programma's als gevolg van de interinstitutionele en contradictoire dialoog tussen de Rekenkamer en de Commissie;

31.  is van mening dat, om redenen van transparantie en betere informatieverstrekking aan en communicatie met de burgers, de antwoorden van de Commissie en het advies van de Rekenkamer in een dubbele kolom moeten worden gepresenteerd zodat de standpunten kunnen worden vergeleken, zoals ook voor het jaarverslag van de Rekenkamer gebeurt;

32.  beveelt aan dat, gezien de gevoeligheid van deze nieuwe verslagen over de financiële governance in de Unie, de bevindingen en aanbevelingen van de Rekenkamer volledig worden weergegeven in perscommuniqués en andere berichten;

Deel II – Speciaal verslag nr. 19/2015 van de Rekenkamer getiteld "Meer aandacht voor resultaten nodig om de verlening van technische bijstand aan Griekenland te verbeteren"

33.  merkt op dat de Commissie al een voorstel tot vaststelling van een steunprogramma voor structurele hervormingen had gepresenteerd op het moment dat deze resolutie werd voorbereid; is ingenomen met het feit dat de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer duidelijk ter harte neemt en hoopt dat het steunprogramma voor structurele hervormingen een sterk instrument voor technische bijstand wordt, dat gebaseerd is op de lering die uit de Taskforce voor Griekenland is getrokken;

34.  is bezorgd omdat de snelle ad-hoc oprichting van de taskforce voor een aantal operationele problemen heeft gezorgd; roept op om de situatie ter plaatse grondig te beoordelen en om het formuleren van een beknopt stapsgewijs actieplan verplicht te stellen bij de voorbereiding van alle technische bijstand-projecten; verzoekt de Commissie in de volgende technische bijstand-programma's een meer geplande benadering te hanteren, met een tijdslijn met een begin- en einddatum voor de mandaten;

35.  onderstreept dat een eigen begroting een essentiële voorwaarde is voor het welslagen van een technische bijstand-programma, omdat uitgaven hierdoor gepland en gestroomlijnd kunnen worden, en ook wordt vermeden dat er verschillende controleniveaus en na te leven regels zijn in verband met afzonderlijke begrotingslijnen;

36.  merkt op dat de taskforce toezicht hield op een indrukwekkend aantal projecten waarbij verschillende partnerorganisaties betrokken waren; is van mening dat de technische bijstand nog meer impact had kunnen hebben met gestroomlijnde programma's, een beperkter aantal partnerorganisaties en kleinere projecten, omdat dit gezorgd zou hebben voor een vermindering van de administratieve coördinatie-inspanningen en voor meer efficiëntie;

37.  betreurt het feit dat noch de ontvangende lidstaat, noch de taskforce de Commissie aan de hand van regelmatige activiteitenverslagen op de hoogte hielden; merkt op dat de Commissie moet eisen dat vier keer per jaar zonder veel vertraging een activiteitenverslag aan haar wordt voorgelegd, en binnen een redelijke termijn na de afronding van het werk van de Taskforce voor Griekenland ook een alomvattend eindverslag in de vorm van een evaluatie achteraf; verzoekt de Commissie systematisch toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de technische bijstand, zodat de nadruk ligt op resultaatgerichte technische bijstand; verzoekt voorts dat de technische bijstand en de Taskforce voor Griekenland in hun verschillende verslagen een verantwoording opnemen over hoe en waar precies de zogenaamde noodfondsen voor Griekenland zijn uitbetaald;

38.  roept de Commissie, het Parlement en de Raad op om de discussie over het steunprogramma voor structurele wijzigingen voor de periode 2017-2020 aan te grijpen als een kans om de goede praktijken van de leiders op dit gebied te bestuderen; moedigt de Commissie aan om samen met de lidstaten een systeem te ontwikkelen waarmee deskundigen rechtstreeks van de lidstaten gehuurd kunnen worden, waardoor de extra laag van de nationale agentschappen wordt omzeild en de bijbehorende complexiteit en administratieve last kunnen worden vermeden;

39.  dringt bij de lidstaten aan op een sterker engagement: door een op prestaties gebaseerde benadering zouden het Parlement en de nationale parlementen een meer ondersteunende rol kunnen krijgen via hun respectievelijke commissies voor begrotingstoezicht;

Deel III – Speciaal verslag nr. 21/2015 van de Rekenkamer getiteld "Onderzoek van de risico’s van een resultaatgerichte aanpak van EU-ontwikkelings- en samenwerkingsactiviteiten"

40.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

41.  stelt vast dat de Commissie risicoanalyse heeft geïntegreerd in het beheer van haar externe operaties, die worden uitgevoerd in complexe en verre van stabiele omgevingen met tal van soorten risico's en partnerlanden met verschillende ontwikkelingsniveaus en bestuurskaders;

42.  is met name ingenomen met de aanbeveling van de Rekenkamer aan de Commissie om de terminologie inzake langetermijnresultaten (output, uitkomsten en impact) te verbeteren, en benadrukt het belang van het formuleren van echte SMART-doelstellingen voordat er een besluit wordt genomen over de financiering van verschillende projecten;

43.  benadrukt dat er extra aandacht moet worden besteed aan het formuleren van "haalbare en realistische" doelstellingen om te voorkomen dat de oorspronkelijke doelstellingen wel door partnerlanden worden verwezenlijkt, maar dat dit geen noemenswaardige resultaten oplevert op het gebied van ontwikkeling;

44.  meent dat de nadruk niet mag liggen op het resultaat van de begrotingsuitvoering als enige beheersdoelstelling, aangezien dit schadelijke gevolgen kan hebben voor het beginsel van goed financieel beheer en het behalen van resultaten;

45.  herinnert eraan dat de regelmatige monitoring en inventarisering van hogerisicofactoren (externe, financiële en operationele) en de kwantificering ervan, van de identificatie- tot de uitvoeringsfase, niet alleen van essentieel belang zijn voor een goed financieel beheer en de kwaliteit van de uitgaven, maar ook voor het waarborgen van de geloofwaardigheid, de duurzaamheid en de reputatie van het optreden van de Unie; is van mening dat de invoering van risicoprofielen voor activiteiten en landen ook bijdraagt aan de ontwikkeling van een snelle risicobeperkingsstrategie voor het geval de situatie in een partnerland verslechtert;

46.  benadrukt dat het noodzakelijk is de controleomgeving en de risicobeheerstaken regelmatig aan te passen om rekening te houden met het ontstaan van nieuwe vormen van bijstandsinstrumenten en -faciliteiten zoals gemengde financiering, trustfondsen en financiële partnerschappen met andere internationale instellingen;

47.  herhaalt zijn standpunt dat er een nieuw evenwicht nodig is tussen opname, naleving en prestaties en dat dit tot uiting moet komen in het beheer van de activiteiten;

48.  is van mening dat de ontwikkeling van de capaciteitsopbouw, bestuurskaders en betrokkenheid van de partnerlanden ook een belangrijke manier is om systeemrisico's te beperken en zo een gunstig klimaat te bevorderen waarin de middelen hun beoogde doelen bereiken en voldoen aan de eisen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

49.  acht het ook noodzakelijk de politieke en beleidsdialoog, de voorwaardelijkheid van de steun en het kader voor de logische keten te versterken om ervoor te zorgen dat zowel het besluit als de voorwaarden voor betalingen of uitgaven in financieringsovereenkomsten op elkaar zijn afgestemd door de betalingen duidelijk te koppelen aan de verwezenlijking van acties en resultaten, alsook aan de relevantie van de gekozen doelstellingen en indicatoren;

50.  moedigt, met name bij medegefinancierde en door meerdere donoren gesteunde initiatieven, de internationale instellingen aan om:

   de toekomstige voordelen van een project, de wijze waarop elke partner bijdraagt tot de definitieve resultaten en de ruimere effecten van het project te beoordelen en te plannen teneinde vragen over het eigenaarschap van de resultaten te voorkomen, d.w.z. welk deel van de resultaten is toe te schrijven aan de EU-financiering of aan de activiteiten van andere donoren;
   hun bestuurskaders te combineren met dat van de Unie, met name door hun risicobeheersmethoden te verbeteren; is van mening dat de fungibiliteit van de middelen nauwlettend in het oog moet worden gehouden omdat deze een groot fiduciair risico inhouden;

51.  vraagt de Commissie om te zorgen voor een daadwerkelijk verband tussen evaluatie en het opstellen van beleid, door rekening te houden met alle lering die uit het besluitvormingsproces is getrokken;

52.  herinnert eraan dat het uithollen van het toezicht op de uitvoering en van de evaluatie van resultaten schadelijk is voor de verantwoording tegenover de burger en voor een voldoende omvattende voorlichting van de beleidsmakers;

Deel IV - Speciaal verslag nr. 23/2015 van de Rekenkamer getiteld “Waterkwaliteit in het Donaubekken: vooruitgang in de uitvoering van de kaderrichtlijn water, maar nog wel een lange weg te gaan”

53.  is van mening dat de Commissie richtsnoeren moet opstellen voor meer gedifferentieerde verslaglegging over de vooruitgang met betrekking tot de waterkwaliteit;

54.  is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie de vergelijkbaarheid van gegevens moet bevorderen door bijvoorbeeld de verschillen in het aantal fysisch-chemische stoffen dat ten behoeve van de ecologische toestand wordt beoordeeld te verkleinen;

55.  benadrukt dat de Commissie de vooruitgang van de lidstaten met betrekking tot de doelstelling van de kaderrichtlijn water, namelijk het bereiken van een goede waterkwaliteit, moet blijven volgen;

56.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor goede monitoring van de waterkwaliteit om accurate informatie te hebben over de situatie en de oorsprong van de verontreiniging per waterlichaam, zodat de doelgerichtheid en de kosteneffectiviteit van de corrigerende maatregelen kunnen worden vergroot;

57.  moedigt de lidstaten aan te zorgen voor coördinatie tussen instanties die de maatregelen van stroomgebiedbeheersplannen vaststellen en instanties die de financiering van projecten goedkeuren;

58.  moedigt de lidstaten aan de doeltreffendheid van de handhavingsmechanismen te beoordelen en te waarborgen, met name de te behalen reikwijdte en de afschrikwekkende werking van de toegepaste sancties;

59.  verzoekt de lidstaten het eventuele gebruik van de waterverontreinigingsheffing als economisch instrument te beoordelen en als een manier om het beginsel "de vervuiler betaalt" toe te passen, ten minste bij de belangrijkste stoffen die een negatief effect hebben op de waterkwaliteit;

60.  verzoekt de Commissie te overwegen om systematisch niet alleen het bestaan, maar ook de toereikendheid te beoordelen van de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie en van de minimumeisen die door de lidstaten zijn vastgesteld;

61.  merkt op dat de Commissie richtsnoeren moet verstrekken met betrekking tot de mogelijke methoden om kosten op het gebied van diffuse verontreiniging terug te winnen;

62.  verzoekt de lidstaten het potentieel te beoordelen van het gebruik van economische instrumenten (zoals milieubelasting) als een stimulans om verontreiniging terug te dringen en als een manier om het beginsel "de vervuiler betaalt" toe te passen;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten manieren te vinden om de opzet en de uitvoering van de controles te vereenvoudigen en de doeltreffendheid ervan te waarborgen, op basis van een inventarisatie van de handhavingsmechanismen (zowel op EU- als op nationaal niveau);

Deel V – Speciaal verslag nr. 24/2015 van de Rekenkamer getiteld "De aanpak van intracommunautaire btw-fraude: er zijn meer maatregelen nodig"

64.  is van mening dat de Commissie een gemeenschappelijk systeem voor de raming van de omvang van de intracommunautaire btw-fraude moet invoeren, waardoor de lidstaten hun prestaties aan de hand van passende indicatoren kunnen beoordelen; is van mening dat de prestaties gericht moeten zijn op de vermindering van het aantal gevallen van intracommunautaire btw-fraude, de intensivering van de opsporing van fraude en de toename van de invordering van belastingen na de ontdekking van fraude;

65.  meent dat de Commissie, om de resultaten van Eurofisc als een doeltreffend systeem voor vroegtijdige waarschuwing te verbeteren, de lidstaten moet aanbevelen om: (a) een gemeenschappelijke risicoanalyse in te voeren om ervoor te zorgen dat de via Eurofisc uitgewisselde informatie duidelijk gericht is op fraude; (b) de snelheid en de frequentie van deze uitwisselingen van informatie te verbeteren; (c) een betrouwbare en gebruiksvriendelijke IT-omgeving te gebruiken; (d) relevante indicatoren en streefdoelen vast te stellen om de prestaties van de verschillende werkterreinen te meten; (e) deel te nemen aan alle Eurofisc-werkterreinen;

66.  wenst dat de Commissie, in het kader van haar evaluatie van de regelingen voor administratieve samenwerking tussen de lidstaten met het oog op de uitwisseling van informatie tussen hun belastingdiensten ter bestrijding van intracommunautaire btw-fraude, controlebezoeken uitvoert die worden geselecteerd op basis van een risicoanalyse; meent dat deze controlebezoeken moeten worden toegespitst op de verbetering van de tijdigheid van de antwoorden van de lidstaten op informatieverzoeken, de betrouwbaarheid van het systeem voor de uitwisseling van btw-informatie, de snelheid van multilaterale controles, en de follow-up van de bevindingen van haar eerdere verslagen over administratieve samenwerking;

67.  roept de Commissie op om, rekening houdend met het feit dat de lidstaten gegevens uit derde landen nodig hebben voor de handhaving van de btw-heffing op via het internet geleverde detailhandeldiensten en immateriële zaken, de lidstaten te steunen bij de onderhandelingen over de regelingen inzake wederzijdse bijstand met de landen waar de meeste aanbieders van digitale diensten zijn gevestigd en deze regelingen te ondertekenen, een en ander ter versterking van de samenwerking met derde landen en ter handhaving van de btw-heffing;

68.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten de juridische belemmeringen voor de uitwisseling van informatie tussen bestuurlijke, gerechtelijke en rechtshandhavingsautoriteiten op nationaal en Unieniveau moeten opheffen, aangezien intracommunautaire btw-fraude vaak verbonden is met georganiseerde-misdaadstructuren; meent met name dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en Europol toegang moeten hebben tot de gegevens van het systeem voor de uitwisseling van btw-informatie en Eurofisc en dat de lidstaten baat moeten vinden bij de door hen verstrekte inlichtingen;

69.  is van mening dat de Commissie voldoende financiële middelen beschikbaar moet stellen om de levensvatbaarheid en duurzaamheid te waarborgen van de operationele actieplannen die in het kader van het initiatief voor een Europees multidisciplinair platform tegen criminaliteitsdreiging door de lidstaten zijn opgesteld en door de Raad zijn bekrachtigd;

Deel VI – Speciaal verslag nr. 25/2015 van de Rekenkamer getiteld "EU-steun voor plattelandsinfrastructuur: potentieel om aanzienlijk grotere kosteneffectiviteit te bereiken"

70.  erkent het belang van door EU-middelen ondersteunde investeringen in plattelandsinfrastructuur, met name door het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, ten behoeve van doelen, waarvan de voordelen verder reiken dan de landbouw, die anders niet gefinancierd zouden worden gezien de aanzienlijke economische uitdagingen en het gebrek aan financiering waar plattelandsgebieden tegenwoordig mee te maken hebben;

71.  wijst erop dat Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling-financiering voor infrastructuurprojecten gebaseerd is op gedeeld beheer, waarbij de lidstaten verantwoordelijk zijn voor beheer, toezicht en controle, alsmede voor de selectie en uitvoering van projecten, en de Commissie toezicht houdt op de goede werking van de beheers- en controlesystemen in de lidstaten; is van mening dat deze rollen duidelijk gedefinieerd moeten worden, zodat het voor begunstigden duidelijk is op welke gebieden toezichthoudende instanties bevoegd zijn; benadrukt dat zowel de Commissie als de lidstaten de beginselen van goed financieel beheer moeten volgen;

72.  acht de bevindingen en aanbevelingen van de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 25/2015 nuttig voor de verwezenlijking van verdere verbeteringen van de prestatiegebaseerde benutting van de door de Unie gefinancierde investeringen in plattelandsinfrastructuur en voor het bereiken van betere resultaten en kosteneffectiviteit; verzoekt de Commissie deze ten uitvoer te leggen;

73.  beveelt ten zeerste aan dat de investeringen van de Unie in plattelandsinfrastructuur worden gericht op projecten die kosteneffectief zijn, bijdragen tot een verbetering van overheidsdiensten en/of tot het scheppen van banen en het stimuleren van economische ontwikkeling in plattelandsgebieden, en waarvoor aantoonbaar behoefte bestaat aan overheidssteun, waarbij tevens wordt gewaarborgd dat deze middelen aanvullende investeringen zijn en niet worden gebruikt als vervanging van nationale investeringen in essentiële voorzieningen;

74.  beveelt de lidstaten aan om een gecoördineerde aanpak te hanteren die de behoeften, waar van toepassing, en financieringstekorten kwantificeert, die het gebruik van de maatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) rechtvaardigt, en die niet alleen rekening houdt met EU-fondsen en -programma’s, maar ook met nationale, regionale en lokale programma’s, alsmede met openbare en particuliere fondsen die in dezelfde behoeften kunnen voorzien als het POP of dat reeds doen;

75.  verzoekt de Commissie voort te bouwen op de eerste stappen die zijn ondernomen om te zorgen voor een effectieve coördinatie en complementariteit tussen de verschillende Uniefondsen, met behulp van de checklist die zij gebruikt ter waarborging van de samenhang van de POP’s voor 2014-2020, en verdere richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten tijdens de uitvoering van de programma’s, niet alleen over het verwezenlijken van een betere complementariteit, maar ook over het voorkomen van het risico van vervanging van middelen en het beperken van het risico op het buitenkanseffect; verzoekt de Commissie in dit opzicht ook op te treden door het bevorderen van goede praktijken;

76.  beveelt de lidstaten aan om ter beperking van het risico op het buitenkanseffect, alvorens de steunpercentages voor infrastructurele maatregelen vast te stellen, te beoordelen wat een redelijke mate van overheidsfinanciering is om investeringen aan te moedigen, en om tijdens de projectselectiefase, in voorkomend geval, voorafgaand aan de goedkeuring van de steunaanvragen te controleren of de aanvrager over voldoende kapitaal of toegang tot kapitaal beschikt om het project geheel of gedeeltelijk te financieren; moedigt de lidstaten aan beter gebruik te maken van managementinformatiesystemen;

77.  roept op tot eerbiediging van het additionaliteitsbeginsel op alle niveaus en dringt derhalve aan op goede organisatie van toezichtcomités, en op hun actieve deelname aan het coördinatieproces; verzoekt de Commissie om naar behoren gebruik te maken van haar adviserende rol in de toezichtcomités;

78.  is ingenomen met de richtsnoeren die de Commissie in maart 2014 heeft gepubliceerd, waarin de lidstaten worden aangemoedigd erop toe te zien dat de subsidiabiliteits- en selectiecriteria gedurende de gehele programmeringsperiode op transparante en consistente wijze worden toegepast, dat de selectiecriteria zelfs in gevallen worden toegepast waarin de begroting toereikend is om alle subsidiabele projecten te financieren en dat projecten met een totale score onder een bepaalde drempel van steun worden uitgesloten; roept de lidstaten op deze richtsnoeren strikt te volgen met betrekking tot door de Unie gefinancierde plattelandsinfrastructuurprojecten;

79.  verzoekt de lidstaten criteria vast te stellen en deze consequent toe te passen om ervoor te zorgen dat de meest kosteneffectieve projecten worden geselecteerd, te weten de projecten die de grootste bijdrage kunnen leveren aan de POP-doelstellingen per kosteneenheid; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat bij infrastructuurprojecten de kostenramingen van de projecten gebaseerd zijn op actuele prijsinformatie die overeenstemt met werkelijke marktprijzen en dat de aanbestedingsprocedures eerlijk en transparant zijn en eerlijke concurrentie bevorderen; neemt kennis van de richtsnoeren betreffende het voorkomen van vaak gemaakte fouten in door de Unie gefinancierde projecten, die eind 2014 door de Commissie zijn ontwikkeld, en spoort alle lidstaten aan om uiterlijk eind 2016 te voldoen aan de ex-antevoorwaarden voor openbare aanbestedingen;

80.  roept tevens op tot meer transparantie bij de selectieprocedure; is van mening dat de publieke opinie inzake lokale problemen in plattelandsgebieden door beheersautoriteiten in aanmerking moet worden genomen bij de goedkeuring van subsidieaanvragen; wijst erop dat plaatselijke actiegroepen een belangrijke rol kunnen spelen in dit proces;

81.  beveelt de Commissie aan om in haar toekomstige audits een onderzoek op te nemen naar doelmatigheidsaspecten van plattelandsinfrastructuurprojecten; verwacht dat de wijzigingen die de Commissie voor de programmeringsperiode 2014-2020 heeft doorgevoerd, op basis van vastgestelde eerder voorgekomen problemen, de beoogde verbeteringen zullen opleveren;

82.  verzoekt de Commissie en de lidstaten vereisten vast te stellen die begunstigden verplichten tot het garanderen van duurzaamheid op lange termijn en een goed onderhoud van de door investeringen van de Unie gefinancierde infrastructuur en om te controleren of de toepasselijke vereisten ten uitvoer zijn gelegd;

83.  verzoekt de lidstaten een redelijke termijn vast te stellen voor de behandeling van subsidie- en betalingsaanvragen, en zich daaraan te houden, aangezien in de meeste gevallen begunstigden reeds overbruggingsleningen hebben opgenomen om de werkzaamheden te voltooien;

84.  beveelt aan dat de Commissie en de lidstaten voor de periode 2014-2020 tijdige, relevante en betrouwbare gegevens verzamelen die nuttige informatie verschaffen over hetgeen er met de gefinancierde projecten en maatregelen is bereikt; verwacht dat aan de hand van deze informatie conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitgegeven middelen, dat kan worden vastgesteld welke maatregelen en soorten infrastructuurprojecten de grootste bijdrage aan de doelstellingen van de Unie leveren en dat er een deugdelijke basis kan worden gelegd voor het verbeteren van het beleid en de maatregelen;

85.  spoort de lidstaten aan ervoor te zorgen dat duidelijke, specifieke en waar mogelijk gekwantificeerde doelstellingen worden vastgesteld voor de projecten waaraan middelen worden toegewezen, om de uitvoering van en het toezicht op projecten te ondersteunen en de beheersautoriteiten nuttige feedback te leveren;

86.  wijst erop dat de "vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling" een belangrijk instrument is om de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen te verhelpen;

Deel VII – Speciaal verslag nr. 01/2016 van de Rekenkamer getiteld "Is het systeem van de Commissie voor prestatiemeting met betrekking tot de inkomens van landbouwers goed opgezet en gebaseerd op degelijke gegevens?"

87.  beveelt aan dat de Commissie een uitgebreider statistisch kader ontwikkelt om informatie te verstrekken over het beschikbare inkomen van landbouwhuishoudens en om beter inzicht te krijgen in de levensstandaard van landbouwers; meent dat de Commissie daartoe, in samenwerking met de lidstaten en op basis van een gemeenschappelijke methodologie, moet nagaan hoe zij de bestaande statistische EU-instrumenten het best kan ontwikkelen en combineren;

88.  beveelt aan dat de Commissie het kader voor de vergelijking van het inkomen van landbouwers en de inkomens in andere sectoren van de economie verbetert;

89.  dringt er bij de Commissie op aan de landbouwrekeningen verder te ontwikkelen, zodat het potentieel ervan beter kan worden benut om:

   meer gedetailleerde informatie te verstrekken over de factoren die van invloed zijn op het landbouwinkomen;
   te zorgen voor de verstrekking van gegevens op regionaal niveau op basis van formele overeenkomsten met de lidstaten.

90.  is van mening dat de Commissie niet alleen moet onderzoeken of de landbouwrekeningen verder kunnen worden ontwikkeld om een redelijke inschatting te geven van de economische waarde van de collectieve goederen die worden geproduceerd door landbouwers, maar ook moet waarborgen dat de informatie van de landbouwrekeningen op passende wijze wordt gebruikt in de inkomensindicatoren;

91.  beveelt aan dat de Commissie haar analyse baseert op het inkomen van landbouwers, aan de hand van indicatoren waarin rekening wordt gehouden met de huidige situatie van de landbouw, en aan de hand van toereikende en consistente gegevens voor alle begunstigden van GLB-maatregelen; stelt dat dit kan worden gedaan door synergieën te ontwikkelen tussen bestaande administratieve gegevens of door het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen of andere geschikte statistische instrumenten verder te ontwikkelen;

92.  is van mening dat de Commissie, gezien het belang van de landbouwrekeningen voor het toezicht op het GLB, een regelmatige kwaliteitsrapportage over de landbouwrekeningen moet invoeren en redelijke zekerheid moet verkrijgen dat de lidstaten een kader voor kwaliteitsborging opzetten, om ervoor te zorgen dat de door de lidstaten verstrekte gegevens vergelijkbaar zijn en in overeenstemming met de kwaliteitscriteria voor Europese statistieken zijn opgesteld;

93.  beveelt aan dat de Commissie zwakke punten aanpakt die zijn geconstateerd in de uitvoering van het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen, door met de betrokken lidstaten een duidelijk tijdschema overeen te komen en te stimuleren tot een beter gebruik van het potentieel van het systeem;

94.  spoort de Commissie aan de huidige kwaliteitsregelingen voor de vaststelling van de statistieken van het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen door de lidstaten verder te ontwikkelen, teneinde ervoor te zorgen dat de sectoren en bedrijfsgrootteklassen die van belang zijn voor het GLB in alle lidstaten naar behoren zijn vertegenwoordigd, en dat daarin ook de keuzen van de lidstaten met betrekking tot de GLB-mogelijkheden tot uitdrukking komen;

95.  beveelt aan dat de Commissie, gezien de door de Rekenkamer geconstateerde gebreken, de betrouwbaarheid en volledigheid verbetert van de informatie over de prestaties van de GLB-maatregelen in verband met het inkomen van landbouwers door:

   vanaf het begin passende operationele doelstellingen en uitgangswaarden vast te stellen waaraan de prestaties van de GLB-maatregelen kunnen worden getoetst voor de volgende programmeringsperiode;
   in het kader van haar evaluaties het huidige kader van prestatie-indicatoren aan te vullen met andere relevante, kwalitatief goede gegevens om de bereikte resultaten te meten;
   ook in het kader van haar evaluaties, de doeltreffendheid en doelmatigheid te beoordelen van de maatregelen die zijn ontworpen ter ondersteuning van het inkomen van landbouwers;

Deel VIII – Speciaal verslag nr. 03/2016 van de Rekenkamer getiteld "Bestrijding van eutrofiëring in de Oostzee: meer en doeltreffender maatregelen nodig"

96.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer en steunt de voorgestelde maatregelen;

97.  betreurt ten zeerste het feit dat de vooruitgang bij de terugdringing van nutriëntenemissies beperkt is gebleven, ook al heeft de Unie tussen 2007 en 2013 14,5 miljard EUR bijgedragen voor maatregelen voor waterzuivering en -bescherming in de EU-lidstaten rond de Oostzee, bovenop 44 miljoen EUR voor verbetering van de waterkwaliteit in Rusland en Belarus tussen 2001 en 2014; vraagt de Commissie om speciale aandacht te besteden aan de kosteneffectiviteit van deze maatregelen;

98.  wijst erop dat eutrofiëring een van de grootste belemmeringen is om een goede ecologische toestand van de Oostzee te bereiken; benadrukt dat de eutrofiëring van een van de meest vervuilde zeeën ter wereld bestreden moet worden; betreurt daarom het feit dat slechts een beperkte vooruitgang bij de terugdringing van nutriënten is geboekt is in het kader van het Helcom-programma van de Commissie ter bescherming van het mariene milieu van het Oostzeegebied (Helcom) voor de terugdringing, dat aan iedere Baltische staat targets voor de terugdringing van nutriënten toewijst; betreurt het feit dat de Unie-richtlijn in een aantal lidstaten nog maar gedeeltelijk toegepast wordt;

99.  benadrukt dat de lidstaten zich bij de vaststelling van hun nitraatprogrammaprocedures moeten laten leiden door de meest recente wetenschappelijke gegevens en adviezen;

100.  roept de Commissie op om de lidstaten te verzoeken informatie te verzamelen over de kosteneffectiviteit van de maatregelen ter vermindering van de nutriëntenbelasting, teneinde tot een grondige analyse te komen, op basis waarvan de toekomstige programma's van maatregelen vastgesteld kunnen worden;

101.  spoort de Commissie aan te zorgen voor betrouwbaardere toezichtsgegevens over nutriënten in de Oostzee, aangezien de betrouwbaarheid niet gewaarborgd is;

102.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de lidstaten effectief nitraatgevoelige zones aanwijzen, zodat in zeer kwetsbare zones voorzien kan worden in toereikende maatregelen, en in niet-nitraatgevoelige zones onnodige lasten voor landbouwers vermeden worden; benadrukt dat de lidstaten in het Oostzeegebied opnieuw moeten evalueren welke zones zij als nitraatgevoelig hebben aangemerkt;

103.  is bezorgd over de gebrekkige doeltreffendheid van de maatregelen om verontreiniging door nutriënten uit stedelijk afvalwater te beperken; vraagt de Commissie om te zorgen voor effectieve opvolging van de tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater(7), en voor volledige naleving van de richtlijn door de lidstaten;

104.  betreurt het feit dat de aanbevelingen van Helcom slechts beperkt en voor bepaalde activiteiten zijn gerealiseerd en uitgevoerd in het kader van de EU-richtlijn;

105.  wijst erop dat de financiering van de projecten in Rusland en Belarus een groot hefboomeffect had; is echter bezorgd over de vertraging van de projecten, die kan leiden tot een aanzienlijk verlies van middelen; vraagt de Commissie haar inspanningen in dit verband voort te zetten en haar aandacht sterker te richten op de door Helcom geïdentificeerde meest vervuilende stoffen; is voorts van mening dat EU- en niet-EU-landen moeten samenwerken om beste praktijken te identificeren en overal toe te passen;

Deel IX – Speciaal verslag nr. 04/2016 van de Rekenkamer getiteld "Het Europees Instituut voor innovatie en technologie moet zijn uitvoeringsmechanismen en elementen van zijn opzet veranderen om de verwachte impact te verwezenlijken"

106.  is ingenomen met het verslag over het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

107.  is ingenomen met de conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer;

108.  stelt vast dat de Rekenkamer een aantal tekortkomingen in essentiële concepten en operationele processen aan het licht heeft gebracht en vier aanbevelingen doet als het EIT het baanbrekende innovatieve instituut wil worden;

109.  herinnert aan de kwijting voor 2012 en 2013 betreffende het EIT, waarbij het besluit om het EIT kwijting te verlenen is uitgesteld wegens het gebrek aan zekerheid over de wettigheid en regelmatigheid van de subsidieverrichtingen van het EIT, de ontoereikende controle-informatie om op te maken of het maximum van 25 % van de totale uitgaven van de kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG's) niet was overschreden, het hoge percentage overdrachten dat niet was benut, en de vertraging bij de uitvoering van de aanbevelingen van de dienst Interne Audit van de Commissie;

110.  is van oordeel dat het huidige verslag van de Rekenkamer aanleiding geeft tot ernstige bezorgdheid over de grondslag, het financieringsmodel en de werking van het EIT;

111.  neemt kennis van het antwoord van de Commissie op het verslag, waarin de Commissie haar standpunt over de feiten en bevindingen uiteenzet; stelt vast dat de Commissie het met de meeste aanbevelingen van de Rekenkamer eens is;

112.  maakt uit het verslag op dat het EIT in 2015 verscheidene verbeteringen heeft aangebracht die lijken te beantwoorden aan de bevindingen en aanbevelingen van de Rekenkamer; merkt op dat nauwlettend toezicht en evaluatie nodig zijn om het effect van deze verbeteringen te controleren;

113.  benadrukt dat een meerjarige subsidieovereenkomst tussen het EIT en de KIG's en de meerjarige strategie van de KIG's geen belemmering mogen vormen voor jaarlijkse rapportage door de KIG's;

114.  benadrukt dat toezicht op de prestaties en evaluatie van de resultaten essentieel zijn om publieke verantwoording af te leggen en de beleidsmakers volledige informatie te verschaffen; onderstreept dat dit ook van toepassing moet zijn in het geval van het EIT en de KIG's;

115.  merkt op dat de commissaris voor Onderzoek, Wetenschap en Innovatie in 2015 het concept "open innovatie" heeft ingevoerd als voornaamste beleidsconcept om het innovatiebeleid op het niveau van de Unie vorm te geven; vindt het niet duidelijk welke rol binnen dit concept is weggelegd voor het EIT; benadrukt dat dit concept geen duidelijk kader vormt voor de ontwikkeling van samenhangende en gecoördineerde maatregelen door de Commissie, gezien het aantal beleidsgebieden en instrumenten in de mix en het aantal directoraten-generaal dat bij de ondersteuning van innovatie betrokken is;

116.  vraagt de Commissie om te zorgen voor een gecoördineerd en doeltreffend innovatiebeleid waarbij de bevoegde directoraten-generaal de activiteiten en instrumenten op elkaar afstemmen, en om het Parlement van deze inspanningen in kennis te stellen;

117.  is bezorgd dat, binnen de KIG's, de betrokkenheid van bedrijven bij de keuze van de onderzoeksprojecten ertoe zou kunnen leiden dat onderzoekers financieel en anderszins aan het bedrijfsleven gebonden zijn en niet langer als onafhankelijk kunnen worden beschouwd; uit deze bezorgdheid in het licht van ontwikkelingen waarbij de invloed van het bedrijfsleven op de wetenschap en fundamenteel onderzoek is toegenomen;

118.  begrijpt dat het EIT tot taak heeft om samenwerking tussen hoger onderwijs, onderzoek en innovatie te bevorderen; merkt op dat bedrijven vaak, als juridisch eigenaar van innovatieve producten die op de markt worden gebracht, de voornaamste begunstigde zullen zijn en met de financiële winst zullen ontvangen; benadrukt dat het in deze situatie noodzakelijk is te overwegen een structuur in het samenwerkingsmodel in te bouwen waardoor verstrekte financiële middelen in ieder geval gedeeltelijk naar het EIT kunnen terugvloeien;

119.  meent dat de genoemde verbeteringen en het feit dat de Commissie het met de aanbevelingen eens is, reden zijn om de verdere ontwikkelingen bij het EIT af te wachten;

120.  vraagt het EIT in zijn jaarverslag 2016 aan de kwijtingsautoriteit een grondige analyse te presenteren van de uitvoering van de aanbevelingen van de Rekenkamer;

121.  vraagt de Commissie om het Parlement een follow-upverslag voor te leggen over de uitvoering en monitoring van de aanbevelingen van de Rekenkamer en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn genomen;

Deel X – Speciaal verslag nr. 05/2016 van de Rekenkamer getiteld "Heeft de Commissie gezorgd voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van de dienstenrichtlijn?"

122.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen daarin en is verheugd dat de Commissie deze aanvaardt en er in de toekomst rekening mee zal houden;

123.  merkt op dat ondanks de beperking van de werkingssfeer door de uitsluiting van de levering van een aantal diensten, de dienstenrichtlijn(8) toch een zeer ruim toepassingsgebied heeft, waardoor de Commissie over een reeks maatregelen moest beschikken om de correcte uitvoering ervan te waarborgen;

124.  benadrukt dat de dienstenmarkt zijn volle potentieel nog niet heeft bereikt en dat een geslaagde uitvoering van de dienstenrichtlijn een grote impact heeft op de groei en de werkgelegenheid; is van mening dat de Commissie, aangezien de potentiële economische voordelen van een volledige uitvoering van de richtlijn nog steeds niet bekend zijn, een studie moet uitvoeren om de winst in output zo betrouwbaar mogelijk kwantitatief te ramen;

125.  wenst dat er meer sectoren worden opgenomen om tot een ruimere opheffing te komen van sectorale belemmeringen voor marktintegratie, met als uiteindelijk doel zowel het wegnemen van belemmeringen voor de interne markt voor diensten als de ontwikkeling van het volledige potentieel van de Unie voor groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid;

126.  is van mening dat de lidstaten beter gebruik hadden kunnen maken van de maatregelen van de Commissie ter ondersteuning van de omzetting, uitvoering en handhaving, met name door de problemen in de verschillende fasen van de procedure te delen, mogelijke gemeenschappelijke oplossingen te bespreken en goede praktijken uit te wisselen;

127.  is het ermee eens dat de Commissie de duur van de inbreukprocedures zoveel mogelijk moet verkorten;

128.  betreurt het feit dat instrumenten als het systeem van één enkel contactpunt (Point of Single Contact), het informatiesysteem voor de interne markt en het netwerk van Europese consumentencentra (ECC-net) onvoldoende bekend zijn en worden gebruikt door bedrijven en consumenten die een probleem hebben met betrekking tot de toepassing van de dienstenrichtlijn;

129.  constateert dat het aanbod van online diensten beperkt blijft gezien de onzekerheden voor aanbieders en afnemers van deze diensten;

Deel XI – Speciaal verslag nr. 6/2016 van de Rekenkamer getiteld "Uitroeiings-, bestrijdings- en bewakingsprogramma’s om dierenziekten tegen te gaan"

130.  is verheugd over de aanbevelingen van de Rekenkamer en de aanvaarding ervan door de Commissie;

131.  vindt het verheugend dat de programma's tegen dierziekten in het auditonderzoek als succesvol zijn aangemerkt en dat de technische advisering, de risicoanalyse en de ondersteunende mechanismen als goed zijn ingeschaald; is ingenomen met de positieve resultaten van deze programma's voor de diergezondheid in de Unie; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om ook in de toekomst deze succesvolle benadering te volgen;

132.  is van mening dat de uitgebreide outputindicatoren voor nationale programma's voor de uitroeiing, bestrijding en bewaking van bepaalde dierziekten en zoönoses verder verbeterd dienen te worden, met name voor wat betreft de technische uitvoering en de economische indicatoren, zodat de kosteneffectiviteit van de programma's kan worden geanalyseerd;

133.  merkt de mening van de Commissie op dat het moeilijk is de kosteneffectiviteit van de programma's vast te stellen, vooral omdat er zelfs op internationaal vlak geen modellen bestaan; merkt voorts op dat de positieve kosten-batenverhouding van de programma's is aangetoond doordat verspreiding van ziekten en menselijke infectie zijn voorkomen en er levens zijn gered;

134.  merkt op dat de uitwisseling van epidemiologische informatie en de toegankelijkheid van historische resultaten beter ondersteund zouden kunnen worden door de relevante informatiesystemen, zodat de bestrijdingsactiviteiten tussen de lidstaten beter zouden kunnen worden gecoördineerd; merkt op dat er volgens de Commissie aan bestaande IT-instrumenten wordt gewerkt om de lidstaten beter te kunnen ondersteunen; moedigt de Commissie aan om erop toe te zien dat de IT-instrumenten die worden ontwikkeld voor de uitwisseling van de nodige informatie, een meerwaarde hebben;

135.  is van mening dat de Commissie, wanneer een epidemie dit rechtvaardigt, een ondersteunende rol dient te spelen met het oog op de beschikbaarheid van vaccins voor de lidstaten; juicht het toe dat er al voor twee ziekten een vaccin-/antigeenbank is opgezet; moedigt de Commissie aan om door te gaan met een risicoanalyse die wellicht uitwijst dat er behoefte is aan andere vaccin-/antigeenbanken;

136.  merkt op dat de Commissie bereid is om te waarborgen dat de lidstaten, waar van toepassing, in hun veterinaire programma's stelselmatig rekening houden met de belangen van in het wild levende dieren en planten;

137.  merkt op dat de programma's in bepaalde landen niet zoveel succes hebben gehad bij de uitroeiing van dierziekten en dat er vrij langzaam vorderingen zijn gemaakt; verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten prioriteit toe te kennen aan deze specifieke gevallen en een gedetailleerde strategie op te stellen die moet bijdragen aan een snellere uitroeiing van de betrokken ziekten, in het bijzonder rundertuberculose in het VK en Ierland en schapen- en geitenbrucellose in het zuiden van Italië;

138.  stelt bezorgd vast dat de basiswetgeving inzake dierziekten nog steeds te complex en versnipperd is; juicht de vaststelling van een overkoepelende wettekst - de verordening inzake overdraagbare dierziekten ("wet op de diergezondheid")(9) in maart 2016 toe; stelt vast dat de nieuwe verordening vijf jaar na goedkeuring van toepassing wordt; is ingenomen met het feit dat de regelgeving dankzij de verordening efficiënter, eenvoudiger en duidelijker wordt;

Deel XII – Speciaal verslag nr. 07/2016 van de Rekenkamer getiteld "Het wereldwijde gebouwenbeheer van de Europese Dienst voor extern optreden"

139.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

140.  benadrukt dat de EDEO en de lidstaten er gezamenlijk belang bij hebben de lokale samenwerking op het gebied van gebouwenbeheer verder te ontwikkelen, waarbij specifiek en voortdurend aandacht moet worden besteed aan veiligheidskwesties, het beste rendement en het imago van de Unie;

141.  is ingenomen met de toename van colocatieprojecten tussen delegaties van de Unie en lidstaten, en met de ondertekening van 17 memoranda van overeenstemming voor colocatie; spoort de EDEO aan verder te zoeken naar manieren om deze goede praktijk uit te breiden; is van mening dat dit beleid ook innovatieve benaderingen moet bevatten om een gecoördineerde colocatiestrategie vast te stellen met de lidstaten die hieraan willen meewerken, alsook passende regelingen voor de verdeling van de kosten in verband met gebouwen en logistiek;

142.  betreurt de ontoereikende registratie en onnauwkeurigheden in het informatiesysteem voor het beheer van de kantoren en residenties van de delegaties; dringt erop aan dat de volledigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens die door de delegaties van de Unie worden geregistreerd, regelmatig worden beoordeeld;

143.  dringt er bij de EDEO op aan de instrumenten voor beheerscontrole van en toezicht op alle kosten betreffende het gebouwenbeleid te versterken, teneinde te zorgen voor een accuraat overzicht en een accurate follow-up van alle uitgaven; is van mening dat de nadruk moet worden gelegd op de naleving van de maxima die in het gebouwenbeleid zijn vastgesteld om de totale jaarlijkse huur voor kantoren van delegaties te verlagen, alsook op een correcte bijdrage van colocatie-entiteiten, de dekking van de lopende kosten in verband met colocatie en de correcte verhouding van de kosten tot de lokale marktomstandigheden;

144.  is van mening dat er dringend juridische en technische deskundigheid op het gebied van vastgoedbeheer moet worden ontwikkeld, waarbij alle kosteneffectieve alternatieven worden overwogen, bijvoorbeeld het inhuren van externe deskundigheid, zoals lokale makelaars, om de markt te verkennen of eventueel te onderhandelen met eigenaars;

145.  steunt de uitvoering van een strategie op de middellange termijn waarin alle opties in kaart worden gebracht, van investeringsprioriteiten of mogelijkheden voor aankopen en verlenging van huurovereenkomsten tot het delen van gebouwen met lidstaten, en waarbij tevens rekening wordt gehouden met personeelsprognoses en beleidsplanning en -ontwikkeling;

Deel XIII – Speciaal verslag nr. 08/2016 van de Rekenkamer getiteld "Goederenvervoer per trein in de EU: nog steeds niet op het juiste spoor"

146.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen daarin en is verheugd dat de Commissie deze aanvaardt en er rekening mee zal houden;

147.  vestigt de aandacht op de gebieden waar het optreden van de lidstaten en de Commissie het meest nodig is: liberalisering van de markt, verkeersbeheerprocedures, administratieve en technische beperkingen, toezicht op en transparantie van de prestaties van de sector voor het goederenvervoer per spoor, eerlijke concurrentie tussen de verschillende vervoerswijzen, samenhang tussen beleidsdoelstellingen en de toewijzing van middelen, en betere coördinatie tussen de lidstaten en de Commissie bij de selectie, planning en beheer van projecten en het onderhoud van het spoorwegnet;

148.  merkt op dat de Commissie geen degelijke beoordeling heeft verricht van de impact van de wetgevingspakketten die zij sinds 2000 in de spoorwegsector heeft ingevoerd, met name betreffende het goederenvervoer per spoor; betreurt het feit dat de Uniemiddelen die in de verschillende projecten zijn geïnvesteerd, niet als kostenefficiënt kunnen worden bestempeld;

149.  is van mening dat de verschuivingsdoelstellingen voor 2030 niet zullen worden gehaald indien deze situatie in de spoorwegsector aanhoudt;

150.  is van oordeel dat de lidstaten alle belang hebben bij een gemeenschappelijke en verplichte effectbeoordeling van de toekomstige regelgeving voor het goederenvervoer per spoor om ervoor te zorgen dat de tekortkomingen in verband met netwerkonverenigbaarheid daadwerkelijk worden weggenomen;

151.  merkt op dat de spoorwegsector in het algemeen zeer corporatief is, waardoor de liberalisering van de markt eerder als een bedreiging dan als een voordeel wordt ervaren;

152.  is van mening dat goederenvervoer per spoor een van de belangrijkste aspecten van de interne goederenmarkt is en spoort de Commissie, gezien het enorme positieve potentieel wat betreft doelstellingen op het gebied van klimaatverandering en het verminderen van wegverkeer, ertoe aan hieraan een nieuwe impuls te geven in het kader van de strategie voor de interne markt; dringt aan op de invoering van een strategie voor het goederenvervoer per spoor;

153.  dringt aan op een omvattende evaluatie van het goederenvervoer per spoor, waarbij de nadruk met name wordt gelegd op de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 913/2010(10), met inbegrip van de onestopshops en de toewijzing van treinpaden, en tegelijkertijd ook op een evaluatie van de goederencorridors en de corridors van de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, met inbegrip van de projecten die reeds zijn goedgekeurd in het kader van de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen;

154.  dringt aan op een omvattende evaluatie van de interoperabiliteit van de nationale spoorwegstelsels;

155.  dringt aan op een evaluatie van de vervoersstrategieën die de lidstaten hebben vastgesteld naar aanleiding van de partnerschapsovereenkomsten met betrekking tot de grensoverschrijdende harmonisatie en interoperabiliteit van de TEN-T-corridors;

156.  dringt aan op een actieplan ter ondersteuning van de volledige en snelle uitvoering van het vierde spoorwegpakket;

157.  betreurt het feit dat meerdere belemmeringen voor de ontwikkeling van een sterk en concurrentieel Europees spoorwegvervoer die de Rekenkamer in het speciaal verslag nr. 8/2010 heeft geïdentificeerd, nog steeds de vooruitgang in de sector belemmeren;

Deel XIV – Speciaal verslag nr. 09/2016 van de Rekenkamer getiteld "EU-uitgaven voor externe migratie in de buurlanden in het oosten en in het zuidelijke Middellandse Zeegebied tot 2014"

158.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

159.  neemt kennis van de kritische benadering van de Rekenkamer en op de vele tekortkomingen die de Rekenkamer aanstipt, in het bijzonder het gebrek aan efficiëntie bij het gebruik van de toegewezen middelen;

160.  verzoekt de Commissie alle opmerkingen van de Rekenkamer te evalueren en de gevraagde maatregelen te nemen om te voorkomen dat dezelfde fouten gemaakt worden bij het migratiebeleid in de periode 2014-2020; dringt erop aan dat alle aanbevelingen van de Rekenkamer worden uitgevoerd;

161.  is van mening dat de besteding van middelen gebaseerd moet zijn op betere systemen voor toezicht en evaluatie op basis van indicatoren betreffende de uitgangssituatie, progressieve benchmarks en meetbare en realistische doelstellingen; verzoekt de Commissie alle indicatoren, benchmarks en doelstellingen van de huidige migratieprogramma's te toetsen;

162.  is van mening dat voortdurend naar een omvattende en gecoördineerde aanpak moet worden gezocht omdat de migratiecrisis tal van uitdagingen met zich brengt die verschillende sectoren en institutionele grenzen overstijgen;

163.  dringt erop aan dat het strategisch inzicht en het strategisch kader van het externe migratiebeleid en de beleidsopties van de Unie samen met belangrijke actoren voortdurend worden verfijnd om niet alleen voor duidelijkheid te zorgen maar ook voor een gecoördineerde en coherente inzet van externe migratiemechanismen op de korte, middellange en lange termijn, zowel binnen als buiten het begrotingskader van de Unie;

164.  roept de Commissie op zich constructief in te zetten voor een betere coördinatie tussen de instrumenten, mechanismen en relevante belanghebbenden en de migratiecrisis preventief te kunnen aanpakken;

165.  verzoekt alle grote belanghebbenden na te denken over en op gepaste wijze om te gaan met het evenwicht tussen de flexibiliteit van de interventies, de complementariteit van de financiële middelen, hun omvang en de nodige hefboomwerking, alsook de mogelijke synergieën en de totale additionaliteit van het optreden van de Unie;

166.  is in dit verband van mening dat de nodige zorg moet worden besteed aan de juiste bestemming van steun voor de uiteenlopende en veranderende externe migratiekwesties, terwijl tegelijkertijd passend toezicht moet worden uitgeoefend op de bestede middelen om het risico van misbruik van middelen en dubbele financiering te voorkomen;

167.  is van mening dat het van essentieel belang is de vraag naar betere resultaten af te stemmen op de beschikbaarheid van voldoende middelen, teneinde een hoog niveau van ambitie te waarborgen bij de ontwikkeling van een omvattend en duurzaam antwoord op de huidige en toekomstige uitdagingen die het gevolg zijn van de migratiecrisis; is van mening dat de onderhandelingen over de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader het geschikte forum zijn om deze uitdagingen aan te pakken, met het oog op het verhogen van het budget voor deze middelen;

168.  is van mening dat, afgezien van de financieringskloof, de huidige versnippering van instrumenten met hun eigen specifieke doelstellingen die niet onderling verweven zijn, een belemmering vormt voor de parlementaire controle op de wijze waarop de financiële middelen worden ingezet en op de vaststelling van de vraag waar de verantwoordelijkheden liggen, waardoor het moeilijk is duidelijk te beoordelen welke bedragen daadwerkelijk ter ondersteuning van het extern optreden op het gebied van migratie worden uitgegeven; betreurt het feit dat dit leidt tot een gebrek aan doeltreffendheid, transparantie en verantwoordingsplicht; acht het noodzakelijk opnieuw de aandacht te richten op de wijze waarop bestaande beleidsinstrumenten kunnen worden gebruikt, maar wel met een duidelijke en vernieuwde opzet van doelstellingen om de algemene doeltreffendheid en zichtbaarheid ervan te verbeteren;

169.  is van mening dat de middelen voor het externe migratiebeleid van de Unie doeltreffender moeten worden besteed en moeten voldoen aan criteria inzake "meerwaarde" om de mensen passende levensomstandigheden te bieden in de landen van herkomst en te voorkomen dat de economische migratiestromen toenemen;

170.  roept de Commissie op de werkzaamheden van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, die in oktober 2016 van start gingen, op constructieve wijze te volgen, te beoordelen en te toetsen;

171.  is ingenomen met de oprichting van EU-trustfondsen en met het voornemen om middelen in noodsituaties sneller en flexibeler te kunnen inzetten, en om verschillende soorten financiering samen te brengen om alle aspecten van een crisis te kunnen aanpakken;

172.  wijst erop dat trustfondsen onderdeel zijn van een ad-hoc benadering, hetgeen een bevestiging vormt van het feit dat de begroting van de Unie en het meerjarig financieel kader niet beschikken over voldoende middelen en flexibiliteit om snel en op substantiële wijze te kunnen inspelen op grote crises; betreurt het feit dat deze werkwijze ertoe leidt dat de begrotingsautoriteit wordt omzeild waardoor de eenheid van de begroting wordt ondermijnd;

173.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om in het kader van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader een nieuwe EU-reserve voor crisissituaties in het leven te roepen, waarbij de financiering afkomstig is van geannuleerde kredieten, als aanvullend instrument om snel te reageren op urgente Uniekwesties; dringt er bij de Raad op aan dit voorstel ten volle te steunen;

174.  benadrukt het belang van voldoende controlemechanismen om te zorgen voor politiek toezicht op de uitvoering van de begroting in het kader van de kwijtingsprocedure; spoort de Commissie ertoe aan onmiddellijk maatregelen te nemen om de betrokkenheid van de begrotingsautoriteit en de autoriteit voor begrotingscontrole te vergroten en de trustfondsen en andere mechanismen beter af te stemmen op de begrotingsnorm, met name door ze op te nemen in de begroting van de Unie;

175.  betreurt het feit dat de Commissie geen nadere gegevens heeft verstrekt over de feitelijke betalingen en verzoekt de Commissie passende maatregelen te nemen om de codering in het financiële informatiesysteem te verbeteren en te vereenvoudigen met het oog op een betere opsporing en monitoring van de bedragen die bestemd zijn voor het extern optreden op het gebied van migratie;

176.  verzoekt de Commissie een algemeen register voor aan EU-migratie gerelateerde uitgaven in te voeren, dat alle voltooide, lopende en geplande projecten omvat; is van mening dat deze interactieve databank belanghebbenden en burgers de resultaten op een wereldkaart moet tonen, en een zoekfunctie per land, soort project en bijbehorende bedragen moet hebben;

177.  is van mening dat beheer op basis van prognoses doeltreffender is dan beleid aan de hand waarvan slechts wordt gereageerd als de feiten zich voordoen, zoals crisisbeheer op de lange termijn;

178.  herinnert eraan dat het Parlement voorstander is van een holistische aanpak van migratie op basis van een nieuwe beleidsmix, met inbegrip van een sterkere band tussen migratie en ontwikkeling door de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken en tegelijkertijd te pleiten voor een verschuiving in de wijze waarop de migratiecrisis wordt gefinancierd;

Deel XV – Speciaal verslag nr. 10/2016 van de Rekenkamer getiteld "Verdere verbeteringen noodzakelijk ter waarborging van een doeltreffende tenuitvoerlegging van de buitensporigtekortprocedure"

179.  is ingenomen met de bevindingen en aanbevelingen in het verslag van de Rekenkamer;

180.  beveelt aan dat de Commissie de transparantie inzake de buitensporigtekortprocedure (BTP) verbetert door regelmatig te communiceren over haar landenspecifieke beoordelingen betreffende de naleving van structurele hervormingen in het kader van de BTP en door meer transparantie aan de dag te leggen bij de toepassing van de regels;

181.  is van mening dat de Commissie na raadpleging van de lidstaten regelmatig verslag moet uitbrengen aan het Parlement over de vorderingen op het gebied van de landenspecifieke BTP’s;

182.  beveelt aan dat de Commissie een grotere mate van betrokkenheid van de nationale begrotingsinstanties blijft nastreven en ervoor zorgt dat het Europees Begrotingscomité een formele rol krijgt in het kader van de BTP; merkt op dat de transparantie in het kader van de BTP de laatste jaren is verbeterd en erkent dat bepaalde informatie die politiek gevoelig is niet altijd openbaar kan worden gemaakt;

183.  geeft aan dat de BTP veel meer gericht moet zijn op de verlaging van de overheidsschuld; merkt op dat eind 2014 slechts 13 lidstaten een overheidsschuld hadden van minder dan 60% van het bruto binnenlands product; wijst erop dat meerdere lidstaten momenteel een zware schuldenlast hebben, ondanks het feit dat de Unie profiteert van een bescheiden herstel en dat de niveaus van de overheidsschuld nu hoger liggen dan in 2010;

184.  merkt op dat de schuldplafondregel pas in 2011 in het kader van de BTP werd ingevoerd; is van mening dat het terugdringen van de overheidsschuld, met name in lidstaten met een zware schuldenlast, de economische groei op de lange termijn aanzienlijk zal verbeteren;

185.  beveelt aan ervoor te zorgen dat er voldoende flexibiliteit wordt gehandhaafd bij de toepassing van de regels voor de BTP in het kader van het stabiliteits- en groeipact; benadrukt dat, aangezien zich binnen het macro-economisch beleid onverwachte gebeurtenissen kunnen voordoen, een degelijk kader voor economische governance moet kunnen worden aangepast om rekening te houden met economische ontwikkelingen;

186.  is van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de toepassing van de regels van de BTP nauw worden gecoördineerd met structurele hervormingsmaatregelen in het kader van het Europees semester;

Deel XVI – Speciaal verslag nr. 11/2016 van de Rekenkamer getiteld "Versterking van de bestuurlijke capaciteit in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië: beperkte vooruitgang in een moeilijke context"

187.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen daarin en moedigt de Commissie aan rekening te houden met deze aanbevelingen bij haar werkzaamheden inzake de versterking van de bestuurlijke capaciteit van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;

188.  is bezorgd dat ten aanzien van de versterking van de bestuurlijke capaciteit slechts beperkte vooruitgang is geboekt, en dat er geen significante vorderingen zijn gemaakt bij de uitvoering van wetgeving op een aantal belangrijke gebieden, zoals de ontwikkeling van een professioneel en onafhankelijk ambtenarenapparaat;

189.  merkt op dat slechts gedeeltelijk vooruitgang is geboekt ten aanzien van de strijd tegen corruptie en de bevordering van de transparantie;

190.  merkt echter op dat de Commissie niet alleen in een moeilijke politieke context moet opereren maar ook stuit op een gebrek aan politieke wil en inzet van de nationale autoriteiten om de overige kwesties aan te pakken; merkt op dat de beperkingen van de huidige politieke crisis van invloed zijn geweest op de mate van succes van de gefinancierde projecten;

191.  neemt kennis van en ondersteunt de belangrijke rol die de Commissie speelt bij het oplossen van de politieke crisis in het land en is verheugd dat de commissaris een bemiddelende rol vervult wat de politieke dialoog tussen politieke tegenstanders betreft;

192.  verzoekt de Commissie de dialoog met de politieke leiders van alle politieke stromingen, de nationale autoriteiten en deskundigen op het gebied van justitie en rechtshandhaving voort te zetten, teneinde overeenstemming te bereiken over de actieve bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en over de invoering van strikte maatregelen en mechanismen ter voorkoming van corruptie en economische criminaliteit overeenkomstig het strafrecht van het land;

193.  dringt er met klem op aan dat de Commissie de politieke dialoog en de contacten met nationale autoriteiten aangrijpt om de efficiëntie van het systeem voor overheidsopdrachten en de transparantie van de overheidsuitgaven te verbeteren;

194.  verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan de bestrijding van corruptie en betreurt het ontbreken van een doeltreffende overheidsstrategie voor corruptiebestrijding; herhaalt dat een sterkere politieke inzet van de nationale autoriteiten noodzakelijk is om te zorgen voor blijvende resultaten op dit gebied;

195.  verzoekt de Commissie in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) voort te bouwen op de resultaten van succesvolle projecten die duurzaam zijn, een kwantificeerbare meerwaarde hebben en werden uitgevoerd en gebruikt in overeenstemming met de regelgeving;

196.  is ingenomen met het feit dat de Commissie projecten heeft vastgesteld die gericht zijn op organisaties van het maatschappelijk middenveld; verzoekt de Commissie op deze weg voort te gaan en goede betrekkingen aan te knopen met plaatselijke ngo's;

197.  moedigt de Commissie aan projecten te ontwikkelen ter versterking van de rechten en de positie van klokkenluiders die gevallen van corruptie en fraude openbaar maken;

198.  stelt vast dat, hoewel veel projecten goed werden beheerd, de resultaten niet altijd blijvend waren of zelfs niet werden gehaald; merkt verder op dat de projecten niet altijd deel uitmaakten van een coherente benadering ter versterking van de bestuurlijke capaciteitsopbouw; verzoekt de Commissie de strategische planning te verbeteren en de duurzaamheid en levensvatbaarheid van de projecten te waarborgen door deze criteria als voorwaarde voor de projecten te hanteren;

199.  roept de Commissie op zich te blijven houden aan de beginselen van goed financieel beheer; verzoekt de Commissie projecten te helpen ontwikkelen die ook als springplank dienen voor verdere investeringen in het land; moedigt de Commissie aan prioriteit te geven aan projecten met een groot potentieel op sleutelgebieden zoals overheidsopdrachten of selectieprocedures, en geen projecten te financieren met beperkte vooruitzichten op duurzaamheid;

200.  moedigt de Commissie ertoe aan op een flexibele manier op onverwachte ontwikkelingen te reageren door ofwel tijdig passende middelen vrij te maken ofwel ze te verlagen om zich aandienende kwesties aan te pakken;

Deel XVII – Speciaal verslag nr. 12/2016 van de Rekenkamer getiteld "De gebruikmaking van subsidies door agentschappen: niet altijd adequaat of aantoonbaar doeltreffend"

201.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

202.  is ingenomen met de conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer;

203.  neemt kennis van het antwoord van de Commissie en de betrokken agentschappen, dat onder meer belangrijke informatie bevat over de maatregelen die naar aanleiding van de audits getroffen werden;

204.  benadrukt dat de agentschappen verantwoordelijk zijn voor de meerjarige en jaarlijkse programmering alsmede voor de uitvoering (operationeel en financieel) van hun gesubsidieerde acties; is daarom van mening dat het doeltreffende beheer van subsidieactiviteiten door agentschappen van cruciaal belang is voor het verwezenlijken van de doelstellingen en het beleid van de Unie;

205.  merkt op dat de Rekenkamer concludeerde dat de gecontroleerde agentschappen doorgaans subsidies toekenden en betaalden in overeenstemming met de regels;

206.  wijst er evenwel op dat de Rekenkamer een aantal tekortkomingen met betrekking tot financieringsmogelijkheden, toekenningsprocedures, controlesystemen en prestatiemeting heeft vastgesteld en vijf aanbevelingen ter verbetering heeft gedaan;

207.  merkt op dat een weloverwogen strategische keuze van het agentschap voor een bepaald financieringsinstrument kan bijdragen tot de doeltreffendheid en efficiëntie van het instrument, en bijgevolg ook van de taken die het agentschap deint te verrichten; benadrukt dat onvoldoende follow-up van voorafgaande evaluaties ertoe kan leiden dat agentschappen kiezen voor ongeschikte financieringsinstrumenten en slechte subsidievormen;

208.  betreurt de meestal brede beschrijvingen van de subsidieactiviteiten en de vage omschrijvingen met betrekking tot output, die leiden tot onvolledige jaarlijkse werkplannen;

209.  merkt het belang op van het afstemmen van de subsidieactiviteiten van de agentschappen op hun mandaat en strategische doelstellingen; moedigt derhalve alle agentschappen aan specifieke richtsnoeren en criteria te gebruiken als hulpmiddel bij de keuze voor een specifiek financieringsinstrument, op basis van een analyse van de behoeften van het agentschap, zijn middelen, de te verwezenlijken doelstellingen, de potentiële beoogde begunstigden, alsmede het noodzakelijke concurrentieniveau en de lering die uit eerdere keuzes is getrokken;

210.  merkt op dat in de werkprogramma's van de agentschappen moet worden aangegeven welke activiteiten met behulp van subsidies moeten worden uitgevoerd, welke de specifieke doelstellingen en verwachte resultaten zijn die met de gesubsidieerde acties moeten worden behaald, en welke geplande financiële en personele middelen nodig zijn om de gesubsidieerde acties uit te voeren;

211.  is van mening dat het vaststellen van strategische doelstellingen, beoogde resultaten en invloed van zeer groot belang is om te komen tot een duidelijke jaarlijkse werkprogrammering;

212.  benadrukt dat het regelgevingskader bepaalde agentschappen dwingt op basis van subsidiëring te werken; merkt echter met bezorgdheid op dat agentschappen niet systematisch alle financieringsmogelijkheden hebben overwogen die hun ter beschikking stonden en dat subsidies niet altijd het meest geschikte instrument waren; neemt voorts nota van de opmerking van de Rekenkamer dat bij subsidieprocedures restrictievere subsidiabiliteitscriteria en zwakkere financiële toekenningscriteria worden gehanteerd dan bij aanbestedingsprocedures, en dat subsidiëring daarom niet de standaardfinancieringsoptie zou mogen zijn; is echter van mening dat er een evenwichtige balans nodig is tussen, enerzijds, de zwakke punten van subsidieprocedures en, anderzijds, de administratieve kostprijs van openbare aanbestedingsprocedures, en is het daarom niet eens met de opmerking van de Rekenkamer dat openbare aanbestedingen de standaardoptie zouden moeten zijn;

213.  is bezorgd over de opmerking van de Rekenkamer dat de betrokken agentschappen geen toereikende controlesystemen en evaluaties achteraf opgezet hebben; roept agentschappen op om evaluaties achteraf te ontwikkelen om hun controle en rapportage met betrekking tot middels subsidie gefinancierde activiteiten te verbeteren;

214.  benadrukt dat toezicht op de prestaties en evaluatie van de resultaten essentieel zijn om publieke verantwoording af te leggen en de beleidsmakers volledige informatie te verschaffen; benadrukt dat dit door hun gedecentraliseerde aard des te meer geldt voor agentschappen; roept agentschappen op toezicht- en rapportagesystemen voor subsidies op te zetten op basis van resultaat- en impactgerichte prestatiekernindicatoren en van evaluatieresultaten achteraf; acht de rol van kernprestatie-indicatoren cruciaal bij het monitoren en evalueren van voortgang, impact en resultaten;

215.  merkt met bezorgdheid op dat kernprestatie-indicatoren nog steeds gericht zijn op input en output in plaats van op resultaten en impact; roept agentschappen op om hun kernprestatie-indicatoren op meer strategische wijze te ontwikkelen en deze te baseren op resultaten en impact;

216.  roept agentschappen op om een risicobeoordeling van hun jaarlijkse werkplannen te ontwikkelen en uit te voeren om de doeltreffendheid te verbeteren door middel van een meer accurate implementatie, monitoring en evaluatie;

217.  raadt de strategische toewijzing van financieringsinstrumenten voor kortetermijndoelstellingen aan om de nauwkeurigheid van financieringsbeslissingen te verbeteren;

218.  roept het Netwerk van agentschappen van de Unie op agentschappen te ondersteunen bij het verbeteren van hun financieringsprocedures, met name hun procedures voor toezicht op prestaties in dit verband;

219.  wijst in het bijzonder op de bevindingen van de Rekenkamer met betrekking tot subsidieprocedures en de behoefte aan transparantie, gelijke behandeling en het vermijden van mogelijke belangenconflicten; roept de betreffende agentschappen op de aanbevelingen van de Rekenkamer zo snel mogelijk ten uitvoer te leggen;

220.  roept agentschappen op specifieke subsidieprocedures toe te passen om formele interne procedures vast te leggen die berusten op de beginselen van transparantie en gelijke behandeling en die bescherming bieden tegen potentiële belangenconflicten; benadrukt dat agentschappen daarom hun controlesysteem voor de uitvoering van subsidieprojecten moeten versterken;

221.  roept de Commissie en de bij de audits van dit speciaal verslag betrokken agentschappen op om het Parlement op de hoogte te houden van de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen;

Deel XVIII – Speciaal verslag nr. 13/2016 van de Rekenkamer getiteld "Bijstand van de EU voor het versterken van het openbaar bestuur in Moldavië"

222.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen daarin en moedigt de Commissie aan rekening te houden met deze aanbevelingen bij haar werkzaamheden inzake de versterking van de bestuurlijke capaciteit van de Republiek Moldavië;

223.  merkt met bezorgdheid op dat de Unie er slechts ten dele toe heeft bijgedragen dat het openbaar bestuur wordt versterkt en dat de Rekenkamer een aantal tekortkomingen heeft vastgesteld, waaronder tekortkomingen in het ontwerp en de uitvoering van de gecontroleerde programma’s en projecten;

224.  merkt echter op dat de Commissie in een moeilijke politieke context moet opereren en op wijdverbreide corruptie en tal van tekortkomingen van de openbare instellingen stuit zoals buitensporige bureaucratie, een gebrek aan gerichtheid op kerntaken, een hoog personeelsverloop, een lage doelmatigheid en ontoereikende verantwoordingsplicht; merkt voorts op dat Moldavië in ernstige mate geconfronteerd wordt met politieke instabiliteit, economische onrust, diepe armoede en massale emigratie;

225.  merkt op dat er, hoewel de specifieke politieke omstandigheden en externe factoren een belangrijke invloed hebben gehad op de mate van succes van de begrote programma's en inderdaad vaak de controle van de Commissie te buiten gingen, concrete tekortkomingen waren die door de Commissie hadden kunnen worden aangepakt;

226.  merkt op dat de Rekenkamer onder meer de volgende tekortkomingen heeft vastgesteld: trage reactiesnelheid van de Commissie op plotselinge ontwikkelingen, geringe afstemming van de programma's op de nationale strategieën, een gebrek aan ambitieuze doelstellingen, vage en onduidelijke voorwaarden, en een gebrek aan motivering voor de toewijzing van aanvullende op stimulansen gebaseerde middelen;

227.  dringt er bij de Commissie op aan haar Moldavische collega's aan te moedigen stelselmatige, duidelijke geformuleerde nationale strategieën te ontwikkelen met duidelijke, meetbare doelstellingen en de opstelling van de programma's beter af te stemmen op deze strategieën;

228.  moedigt de Commissie aan gebruik te maken van evaluaties vooraf om de financieringsbehoefte duidelijk te inventariseren en met een gerichte en onderbouwde begrotingsplanning te komen;

229.  verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan de bestrijding van corruptie en betreurt het ontbreken van een echt doeltreffende overheidsstrategie voor corruptiebestrijding; is ingenomen met de benoeming van een adviseur op hoog niveau inzake corruptiebestrijding in het kabinet van de eerste minister; herhaalt echter dat er een ambitieuzere en doeltreffendere strategie moet komen, evenals een sterkere politieke inzet van de nationale autoriteiten, om te zorgen voor blijvende resultaten op dit gebied; dringt er bij de nationale autoriteiten op aan zich prioritair te richten op corruptiebestrijding en de bevordering van de transparantie en de integriteit van het openbaar bestuur;

230.  verzoekt de Commissie de dialoog met de politieke leiders van alle politieke stromingen, de nationale autoriteiten en deskundigen op het gebied van justitie en rechtshandhaving voort te zetten, teneinde overeenstemming te bereiken over de actieve bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en over de invoering van strikte maatregelen en mechanismen ter voorkoming van corruptie en economische criminaliteit overeenkomstig het strafrecht van het land;

231.  moedigt de Commissie aan projecten te ontwikkelen ter versterking van de rechten en de positie van klokkenluiders die gevallen van corruptie en fraude openbaar maken;

232.  merkt op dat sectorale begrotingssteun de belangrijkste toegepaste methode voor steunverlening is (74% van de steun); merkt teleurgesteld op dat de begrotingssteun een beperkt effect had op de versterking van het openbaar bestuur;

233.  merkt bezorgd op dat sectorale begrotingssteun een zeer riskante methode van verdeling van begrotingsmiddelen is, met name in de Moldavische context, waarin het openbaar bestuur lamgelegd wordt door de welig tierende corruptie en gedomineerd wordt door de plaatselijke oligarchie; verzoekt de Commissie de gebruikte methoden te heroverwegen op basis van een grondige risicoanalyse;

234.  verzoekt de Commissie methoden te gebruiken die zichtbare en tastbare resultaten opleveren voor de Moldavische burgers;

235.  merkt op dat de projectontwerpen over het algemeen relevant waren, hoewel het ontbrak aan coördinatie met betrekking tot de reikwijdte en het tijdschema, en de technische bijstand voor de ontwikkeling van de bestuurscapaciteit niet op tijd kwam;

236.  betreurt het feit dat, hoewel projecten over het algemeen de verwachte output opleverden, de resultaten niet altijd blijvend waren, en dat dat voor een deel lag aan de politieke wil en externe factoren; verzoekt de Commissie voort te bouwen op de resultaten van succesvolle projecten die blijvend zijn, een kwantificeerbare meerwaarde hebben en werden uitgevoerd en gebruikt in overeenstemming met de regelgeving; verzoekt de Commissie de strategische planning te verbeteren en de duurzaamheid en levensvatbaarheid van de projecten te waarborgen door deze criteria als voorwaarde voor de projecten te hanteren;

237.  merkt op dat de projecten ten dele hebben bijgedragen tot versterking van het openbaar bestuur, hoewel ze niet altijd in overeenstemming waren met de behoeften en doelstellingen van het Moldavische bestuur; dringt er bij de Commissie op aan de projecten meer toe te spitsen op de concrete nationale behoeften;

238.  roept de Commissie op zich te blijven houden aan de beginselen van goed financieel beheer; verzoekt de Commissie te helpen bij de ontwikkeling van projecten die als springplank kunnen dienen voor verdere investeringen in het land en in dit verband samenwerking met de internationale financiële instellingen tot stand te brengen; moedigt de Commissie aan prioriteit te verlenen aan projecten met een groot potentieel op sleutelgebieden zoals overheidsopdrachten of selectieprocedures, en geen projecten te financieren met beperkte vooruitzichten op duurzaamheid;

239.  merkt bezorgd op dat de Commissie, hoewel zij in 2012 een meer systematische risicoanalyse heeft ontwikkeld, alsmede stuurgroepen op hoog niveau voor begrotingssteunactiviteiten en een vroegtijdig waarschuwingssysteem voor het geval dat risico’s werkelijkheid werden, niet in staat was om tijdig "de diefstal van de eeuw" te ontdekken, waarbij voor 1 miljard USD aan middelen van depositohouders is verdwenen, en mogelijk zelfs bijdragen uit de EU-financiering, in een gigantisch corruptieschandaal; merkt op dat de begrotingssteunbetalingen uiteindelijk in juli 2015 zijn opgeschort en dat de hervatting ervan afhangt van een verbetering van de macro-economische en fiscale situatie en de sluiting van een IMF-overeenkomst;

240.  dringt er bij de Commissie op aan het vroegtijdige waarschuwingssysteem en de risicoanalyse te verbeteren teneinde sneller en flexibeler te kunnen reageren op mogelijke risico's;

241.  merkt op dat de opbouw van bestuurscapaciteit in Moldavië van groot belang is omdat het land niet de volledige controle heeft over zijn gehele grondgebied, hetgeen separatistische neigingen van pro-Russische krachten aanwakkert; wijst er andermaal op dat Moldavië een Europees perspectief heeft en derhalve een strategische partner is voor de Unie;

242.  betreurt het feit dat de aanhoudende politieke instabiliteit de geloofwaardigheid van de democratische instellingen van het land blijvend aantast, hetgeen leidt tot beperkte vooruitgang op het vlak van de democratisering, afnemende steun voor EU-integratie en toename van pro-Russische politieke initiatieven;

243.  dringt er bij de Commissie op aan zich te blijven inzetten voor Moldavië, teneinde de politieke associatie en de economische integratie tussen de Unie en de Moldavië te versterken; onderstreept het belang van EU-steun, ‑begeleiding, en ‑monitoring van prioritaire hervormingen om de politisering van overheidsinstellingen, de stelselmatige corruptie en de hervorming van het openbaar bestuur aan te pakken en zodoende deze doelstellingen te verwezenlijken;

Deel XIX – Speciaal verslag nr. 14/2016 van de Rekenkamer getiteld "EU-beleidsinitiatieven en financiële steun voor de integratie van de Roma: het afgelopen decennium is er aanzienlijke vooruitgang geboekt, maar ter plaatse zijn extra inspanningen nodig"

244.  herinnert aan artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Richtlijn 2000/43/EG(11) inzake rassengelijkheid, Richtlijn 2000/78/EG(12) inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2004/38/EG(13) inzake vrij verkeer en verblijf in de Unie;

245.  is ingenomen met het Kaderbesluit van de Raad van 2008 betreffende de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat(14), de resolutie van het Parlement van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(15), de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 over een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 (COM(2011)0173), de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(16), en de mededeling van de Commissie van 17 juni 2015 over het verslag betreffende de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale integratiestrategieën voor de Roma (2015) (COM(2015)0299);

246.  brengt in herinnering dat de integratie van de Roma afhankelijk is van hun inclusie in de maatschappij en van hun kansen om dezelfde rechten te kunnen uitoefenen als andere burgers van de Unie, waar de Roma volledig deel van uitmaken;

247.  wijst andermaal op de gemeenschappelijke grondbeginselen op het gebied van de inclusie van de Roma(17), dat wil zeggen de tien gemeenschappelijke grondbeginselen die zijn bestudeerd tijdens de eerste bijeenkomst van het Europees platform voor integratie van de Roma, die in 2009 plaatsvond in Praag, voordat zij als bijlage werden opgenomen bij de conclusies van de vergadering van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 8 juni 2009;

248.  steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer en spoort de Commissie en de lidstaten ertoe aan deze aanbevelingen zo spoedig mogelijk op te volgen;

249.  betreurt het feit dat tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 onvoldoende aandacht is besteed aan de inclusie en integratie van de Roma; wenst dat er bij de uitwerking van het volgende strategische kader van de Unie beter rekening wordt gehouden met de moeilijkheden op het gebied van inclusie en met de discriminatie waarmee de Roma en andere gemarginaliseerde gemeenschappen te kampen hebben;

250.  betreurt het feit dat bij het onderzoek door de Rekenkamer niet is gekeken naar een breder scala van landen met een aanzienlijke Romagemeenschap, zoals Slowakije, Griekenland of Frankrijk;

251.  verzoekt de lidstaten vast te stellen op welke kansarmen zij zich willen richten aan de hand van hun behoeften en de problemen waarmee zij te kampen hebben, en bij de toewijzing van Europese middelen bijzondere aandacht te besteden aan de Romagemeenschap;

252.  betreurt het feit dat de middelen voor het cohesiebeleid, de enige die beschikbaar zijn voor projecten op het gebied van inclusie, integratie en de bestrijding van discriminatie ten opzichte van de Roma, vanwege hun complexe karakter niet voldoende kunnen bijdragen aan het bevorderen van de inclusie van de Roma en aan hun toegang tot rechten;

253.  is in dit verband van oordeel dat iedere lidstaat een routekaart moet vaststellen om de daadwerkelijke effecten van de wetten, voorschriften, bestuurlijke bepalingen en middelen te evalueren die ter ondersteuning van de Roma zouden moeten dienen, en te bepalen op welke gebieden de administratieve middelen en capaciteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau moeten worden verhoogd om bij te kunnen dragen aan het opzetten en beheren van projecten voor de inclusie, integratie en de bestrijding van discriminatie van de Roma;

254.  verzoekt de Commissie gedetailleerde gegevens te verstrekken over de beschikbare financiering voor de Roma, de bestaande hindernissen te analyseren en hier rekening mee te houden bij de vereenvoudiging van de middelen;

255.  erkent dat het bij de benutting van de Europese structuur- en investeringsfondsen van belang is langetermijnprojecten te selecteren die ten goede komen aan gemarginaliseerde Romagemeenschappen;

256.  benadrukt dat er flexibeler selectiecriteria moeten worden vastgesteld voor de projecten die gericht zijn op de inclusie van de Roma en andere gemarginaliseerde gemeenschappen;

257.  verzoekt de Commissie in de loop van de volgende programmeringsperiode of bij de herziening van de operationele programma's ervoor te zorgen dat de doelstellingen voor integratie van de Roma die zijn opgenomen in de nationale strategieën voor integratie van de Roma op alle operationele niveaus in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen worden weerspiegeld;

258.  spoort de lidstaten en de Commissie ertoe aan relevante en geharmoniseerde statistische gegevens over de Roma te verstrekken, aan de hand waarvan hun sociale, administratieve en economische inclusie beter kan worden beoordeeld;

259.  beklemtoont dat uitsluiting op het gebied van huisvesting en onderwijs, dakloosheid, werkloosheid en discriminatie ten aanzien van de toegang tot werkgelegenheid vaak een sleutelrol spelen bij marginalisering; wijst in dit verband op de belangrijke rol van geïntegreerde, op de Roma en andere gemarginaliseerde gemeenschappen gerichte initiatieven op het vlak van huisvesting, onderwijs en toegang tot werkgelegenheid;

260.  benadrukt dat het zeer lage meldingspercentage van gevallen van discriminatie jegens Roma bij organisaties en instanties als sociale diensten of de politie een groot obstakel is voor de bestrijding hiervan; verzoekt de lidstaten dientengevolge een strategie te ontwikkelen om institutionele discriminatie tegen te gaan en het gebrek aan vertrouwen van de Roma in instanties te verhelpen;

261.  roept de Commissie ertoe op in het kader van een partnerschap met de vertegenwoordigers van de gemarginaliseerde gemeenschappen, met name de Roma en de gespecialiseerde instellingen, een opleidingscyclus in te stellen bij de overheden van de lidstaten om te strijden tegen discriminerende praktijken, en voorbeeldiger op te treden om inclusie te bevorderen door middel van een behoorlijke, constructieve en efficiënte dialoog;

262.  herinnert aan het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie, dat voor de periode 2014-2020 is toegerust met 900 miljoen EUR en dat mede gericht is op kwetsbare personen en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

263.  verzoekt de Commissie zich te buigen over de oprichting van een Europees fonds dat specifiek gericht is op de inclusie van de Roma en andere gemarginaliseerde gemeenschappen, en roept de Commissie op te zorgen voor een degelijk toezicht op de uitgaven van dit fonds;

264.  roept de Commissie ertoe op een daadwerkelijke Europese strategie voor de inclusie van de Roma in te voeren, in de vorm van een Europees actieplan dat op alle politieke en bestuursniveaus wordt opgesteld en toegepast, in samenwerking met vertegenwoordigers van de Romagemeenschap en op basis van de fundamentele waarden van gelijkheid, toegang tot rechten, en non-discriminatie; onderstreept dat deze strategie moet bijdragen aan de daadwerkelijke inclusie van de Roma en hun toegang tot onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting, cultuur, gezondheidszorg, deelname aan het openbare leven, beroepsopleiding, onderwijs en vrij verkeer in de Unie;

265.  benadrukt echter dat het aan de lidstaten is om steunmaatregelen te treffen ten behoeve van de Roma en om een uniforme toepassing te waarborgen van het nationaal recht en van alle op hun grondgebied geldende rechten, zonder enige vorm van discriminatie;

Deel XX – Speciaal verslag nr. 15/2016 van de Rekenkamer getiteld "Beheerde de Commissie de humanitaire hulp doeltreffend die werd verstrekt aan de bevolking die wordt getroffen door conflicten in het Grote Merengebied in Afrika?"

266.  is ingenomen met het speciaal verslag over het onderzoek van de risico's van een resultaatgerichte aanpak van ontwikkelings- en samenwerkingsactiviteiten van de Unie, en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

267.  is ingenomen met de bevinding dat de humanitaire hulp, in het bijzonder onder de lastige, door onzekerheid en onvoorspelbaarheid gekenmerkte werkomstandigheden die doeltreffende tenuitvoerlegging tot een ware uitdaging maakten, op doeltreffende wijze werd beheerd;

268.  roept de Commissie op zich te blijven inzetten voor de koppeling van noodhulp, herstel en ontwikkeling, voor zover de lokale omstandigheden het toelaten; wijst op de mogelijkheid om deze inspanningen te ondersteunen door middel van een permanent interdienstenplatform voor de koppeling van noodhulp, herstel en ontwikkeling; is van mening dat een dergelijk platform onder andere ertoe kan dienen te bepalen welke programma's met elkaar kunnen worden gecombineerd; is van oordeel dat, telkens waar mogelijk, gewerkt moet worden volgens geïntegreerde benaderingswijzen, met een duidelijke coördinatie van doelstellingen en een coherente landen-/regiostrategie onder alle belanghebbenden;

269.  verzoekt de diensten van de Commissie daarnaast te zorgen voor een betere overgang van humanitaire acties met een kortetermijnkarakter naar ontwikkelingshulp met een langetermijnkarakter, alsook voor een betere coördinatie tussen zowel de verschillende actoren van de Unie, als met nationale prioriteiten en andere internationale organisaties, en wel door middel van een gemeenschappelijke strategie bestaande uit een gemeenschappelijk kader voor humanitaire en ontwikkelingshulp;

270.  is van mening dat er een systemische beoordeling moet worden verricht van de daadwerkelijke uitvoering van humanitaire interventies, met inbegrip van een beoordeling van de administratieve kosten in de regio, waarbij het zwaartepunt meer bij doeltreffendheid wordt gelegd, en de ontwikkeling van eventuele benchmarks voor gemeenschappelijke en periodieke kostenposten;

271.  spoort aan tot tijdschema's die, voor zover mogelijk, beter worden afgestemd op interventiesituaties, teneinde tijdrovende en kostbare verlengingen te voorkomen;

272.  roept de betrokken instellingen van de Unie en de VN op de Financiële en Administratieve Kaderovereenkomst volledig te eerbiedigen en ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie verslag uit te brengen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en daarmee verbonden richtsnoeren, in kaart te brengen welke gebieden verbetering behoeven en in het licht hiervan met relevante voorstellen te komen;

273.  herinnert eraan dat de VN en internationale organisaties wat hun verslaglegging betreft een zo accuraat mogelijke traceerbaarheid van hun financiering moeten waarborgen, evenals vergelijkingen met operationele aspecten van de bij aanvang van de interventie overeengekomen hulpverlening, en dat ze tevens nuttige feedback moeten geven aan de diensten van de Commissie; benadrukt hoe belangrijk het is dat partnerorganisaties tijdig verslag uitbrengen aan de Commissie, dit met het oog op een snel beheer en een snelle aanpassing van de humanitaire respons en de financieringsmodaliteiten;

274.  beklemtoont dat de VN meer verantwoordelijkheid en transparantie aan de dag moet leggen voor wat betreft het gebruik van EU-middelen en de resultaten omtrent de tenuitvoerlegging van internationaal overeengekomen strategische humanitaire richtsnoeren en ontwikkelingsdoelen;

275.  verzoekt de Commissie, met het oog op benchmarking van humanitaire uitvoeringsplannen (HIP's) en de uitwisseling van optimale praktijken, resultatenbeoordelingen in te voeren op HIP-niveau;

276.  betreurt het feit dat het verstrekken van onvolledige of onvoldoende resultaatgerichte informatie aan de orde van de dag is, hetgeen de Commissie ervan weerhoudt haar toezichthoudende functie naar behoren te vervullen;

277.  onderstreept dat op alle niveaus een zo hoog mogelijk niveau van transparantie en institutionele controleerbaarheid moet worden bereikt door de beschikbaarheid van uitgebreide en betrouwbare begrotingsinformatie en financiële gegevens over projecten die door de Unie worden gefinancierd te waarborgen, zodat het Parlement zijn toezichthoudende rol kan vervullen;

Deel XXI – Speciaal verslag nr. 16/2016 van de Rekenkamer getiteld "Onderwijsdoelstellingen van de EU: programma’s zijn op elkaar afgestemd, maar er zijn tekortkomingen in de prestatiemeting"

278.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer, stemt in met de aanbevelingen daarin en is verheugd dat de Commissie deze aanvaardt en er rekening mee zal houden;

279.  is ingenomen met het feit dat de Commissie eerdere aanbevelingen van de Rekenkamer heeft opgenomen in het rechtskader van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor de periode 2014-2020, waardoor een betere kosteneffectiviteit wordt gewaarborgd, en wel door middel van een prestatiekader en prestatiereserve, ex-antevoorwaarden en gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren;

280.  beklemtoont dat de nadruk op prestaties en resultaten moet liggen en is verheugd dat het nieuwe regelgevingskader voor de programmeringsperiode 2014-2020 bepalingen inzake resultatenrapportage door de lidstaten bevat;

281.  wijst op de tekortkomingen bij de prestatiemetingen, in het bijzonder bij de vaststelling van streefdoelen en output- en resultaatindicatoren voor projecten die zijn uitgevoerd in de periode 2007-2013; betreurt het feit dat de resultaatindicatoren nog steeds niet volledig betrouwbaar zijn en verwacht dat deze gebreken hersteld zullen zijn in de tweede helft van de programmeringsperiode 2014-2020;

282.  verwelkomt de daling van het aantal voortijdige schoolverlaters en de stijging van het percentage tertiair opgeleiden; verzoekt de lidstaten hun specifieke nationale streefdoelen aan te passen aan die van de Unie, teneinde de verwezenlijking van de onderwijsdoelstellingen te bevorderen;

283.  wijst erop dat het streefdoel voor werkgelegenheid onder recent afgestudeerden in de EU is vastgesteld op 82% tegen 2020, en dat vier van de vijf bezochte lidstaten dit doel nog niet hebben bereikt; wijst erop dat deze vier lidstaten te maken hadden met een ernstige economische crisis, waarvan ze nu beginnen te herstellen; acht het nog steeds mogelijk dat deze lidstaten het streefdoel bereiken of zelfs overschrijden;

284.  benadrukt dat een afdoende niveau van Unie-investeringen in onderwijs gehandhaafd moet worden, gezien het duidelijke verband tussen opleiding en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;

Deel XXII – Speciaal verslag nr. 17/2016 van de Rekenkamer getiteld "De EU-instellingen kunnen meer doen om de toegang tot hun overheidsopdrachten te vergemakkelijken"

285.  is ingenomen met de bevindingen en aanbevelingen in het verslag van de Rekenkamer;

286.  roept op tot meer transparantie met betrekking tot overheidsopdrachten binnen de EU-instellingen, alsook op nationaal niveau, door documenten en gegevens over overheidsopdrachten openbaar beschikbaar te stellen; is van mening dat de zichtbaarheid van de aanbestedingsactiviteiten van EU-instellingen op internet te wensen overlaat, dat de informatie ontoereikend en onduidelijk is en verspreid is over tal van verschillende websites;

287.  is een sterke voorstander van de aanbeveling van de Rekenkamer dat de EU-instellingen een gemeenschappelijke elektronische onestopshop moeten ontwikkelen voor hun aanbestedingsactiviteiten, waardoor marktdeelnemers alle relevante informatie online op één enkele plaats kunnen vinden en via deze website kunnen communiceren met de EU-instellingen; is van mening dat aanbestedingsprocedures, met inbegrip van communicatie over de van toepassing zijnde regels, zakelijke mogelijkheden, relevante aanbestedingsstukken, indiening van inschrijvingen, en alle andere communicatie tussen de instellingen en marktdeelnemers, moeten worden beheerd via een dergelijke onestopshop;

288.  vraagt dat de website van de Commissie over Europese middelen die aan alle lidstaten worden overgemaakt, in een van de drie werktalen van de instelling wordt gepubliceerd en voor alle lidstaten dezelfde gegevens bevat, ten minste met vermelding van de waarde en het voorwerp van de opdracht, de naam van de contractant, de naam van eventuele subcontractanten, de duur van het contract en of er al dan niet bijkomende documenten bestaan; wijst erop dat ngo's uit alle lidstaten en de burgers hierdoor de mogelijkheid krijgen te volgen hoe het geld wordt uitgegeven en zicht krijgen op de kostenefficiëntie van de projecten;

289.  benadrukt dat het de taak van de aanbestedende dienst is te zorgen voor een marktgebaseerde plaatsing van overheidsopdrachten die een voldoende groot aantal inschrijvingen genereert en aan alle marktdeelnemers een evenwichtige toegang biedt; is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie bij de aanstaande herziening van het Financieel Reglement in 2016 een voorstel moet doen voor één enkel "rulebook" voor overheidsopdrachten; benadrukt dat expliciet moet worden aangespoord tot deelneming van kleine en middelgrote ondernemingen, in tegenstelling tot de huidige situatie waarbij alleen grote marktdeelnemers voordeel ondervinden; is van mening dat regels inzake marktonderzoek voorafgaand aan onroerendgoedovereenkomsten en inzake de talenregeling voor aanbestedingsprocedures moeten worden opgenomen in het ene "rulebook" en dat afwijkingen van de aanbestedingsrichtlijn(18) moeten worden gemotiveerd;

290.  wijst er nogmaals op dat het gebruik door aanbestedende diensten van niet-openbare procedures voor aanbestedingen ontmoedigend werkt voor potentiële inschrijvers en belemmeringen opwerpt met betrekking tot transparantie en informatie over de manier waarop het geld van de belastingbetaler wordt besteed; benadrukt dat de Raad voor de overgrote meerderheid van zijn aanbestedingen heeft gebruikgemaakt van niet-openbare procedures en dat tussen 2010 en 2014 alle EU-instellingen samen 25 % of meer van hun opdrachten hebben gegund na een niet-openbare procedure; eist dat deze procedures in een zeer beperkt aantal gevallen worden toegepast en naar behoren worden gemotiveerd;

291.  stelt vast dat het Parlement op zijn website jaarlijks een volledige lijst publiceert van alle contractanten waaraan het opdrachten met een waarde van meer dan 15 000 EUR heeft gegund, maar dat niet alle opdrachten worden gepubliceerd; spoort alle instellingen aan volledige informatie over alle contractanten en opdrachten die via overheidsopdrachten zijn gegund beschikbaar te maken, met inbegrip van gevallen van rechtstreekse gunning of niet-openbare procedures;

292.  benadrukt dat behoefte is aan een ruimere bekendmaking en dat aankondigingen van opdrachten op transparante wijze moeten worden bekendgemaakt aan alle marktdeelnemers; brengt in herinnering dat het Europees Parlement volgens de bevindingen van de Rekenkamer "een onderhandelingsprocedure voor het sluiten van een "onroerendgoedovereenkomst" ten bedrage van 133,6 miljoen euro [gebruikte] voor een gebouw in Brussel, hoewel het gebouw niet bestond toen het contract op 27 juni 2012 werd ondertekend", waarbij geen acht werd geslagen op de regel dat enkel bestaande gebouwen onder de uitzondering vallen van aanbesteding met een zo ruim mogelijke uitnodiging tot inschrijving als bedoeld in artikel 134, lid 1, van de uitvoeringsvoorschriften; onderstreept met nadruk dat voor alle niet-afgewerkte gebouwen of gebouwen die nog niet zijn gebouwd openbare en concurrentiegerichte gunningsmethoden moeten worden toegepast en is van mening dat deze werkwijze moet worden uitgebreid naar alle onroerendgoedovereenkomsten, gezien de complexiteit van de opdrachten en de grote bedragen die ermee gemoeid zijn;

293.  is het eens met de Rekenkamer dat de EU-instellingen opdrachten, waar mogelijk, in percelen moeten verdelen om de deelname aan hun aanbestedingsprocedures te vergroten; benadrukt dat de Raad in 2014 aan één enkele onderneming een kaderovereenkomst heeft gegund met een looptijd van tien jaar en een waarde van meer dan 93 miljoen EUR voor beheer, onderhoud, reparatie en aanpassing van de technische installaties in zijn huidige of toekomstige gebouwen, zonder deze aanbesteding op te splitsen in percelen; merkt op dat de Commissie in 2015 hetzelfde deed met betrekking tot het vijfjarige contract "Uw Europa - Advies", de dienst voor gratis juridisch advies van de Unie, ter waarde van bijna 9 miljoen EUR; benadrukt dat het gebrek aan verdeling, in combinatie met een buitensporig lange looptijd voor kaderovereenkomsten (tien of zeven jaar, met een record van zeventien jaar voor een door de Raad gegunde opdracht voor het Justus Lipsiusgebouw), moordend is voor de concurrentie, en ondoorzichtigheid en potentiële corruptie in de hand werkt; verzoekt derhalve alle instellingen een einde te maken aan deze praktijken, die volledig indruisen tegen de geest van transparantie en goede praktijken die de Unie zou moeten bevorderen;

294.  eist dat alle EU-instellingen adequate instrumenten en methoden voor audits en evaluaties ontwikkelen en ten uitvoer leggen om de aanwezigheid van onregelmatigheden te erkennen en te melden; herhaalt dat voor de bestrijding van fraude en corruptie betere technologie voor monitoring, opsporing, analyse en rapportering noodzakelijk is; staat erop dat ook de lidstaten over deze kennis kunnen beschikken; wijst op de centrale rol die klokkenluiders spelen bij het onthullen van overtredingen en brengt in herinnering dat alle Europese instellingen en agentschappen bindende voorschriften voor de bescherming van klokkenluiders moeten invoeren krachtens artikel 22 quater van het statuut van de ambtenaren, dat op 1 januari 2014 in werking is getreden;

295.  is het eens met de Rekenkamer dat de Commissie een voorstel moet doen tot wijziging van het Financieel Reglement van de Unie om een snelle beoordeling mogelijk te maken van klachten van marktdeelnemers die menen dat zij oneerlijk behandeld zijn; merkt op dat een dergelijke beoordeling dient plaats te vinden voordat marktdeelnemers zich tot de Europese Ombudsman of tot de EU-rechtbanken wenden;

296.  is van oordeel dat rechtshandhaving inzake overheidsopdrachten in de allereerste plaats kan worden gewaarborgd door de oprichting van bevoegde en onafhankelijke onderzoeksorganen en -instanties voor het onderzoeken van corruptie bij overheidsopdrachten; wijst erop dat de EU-instellingen en de lidstaten informatie en inlichtingen over overheidsopdrachten onderling, alsook met OLAF, Europol, Eurojust en andere onderzoeksinstanties moeten delen; pleit er sterk voor dat de instellingen met onderzoeksbevoegdheden, met name OLAF, hun dossierbeheersysteem verbeteren ten behoeve van de productie van verslagen en statistieken over de verschillende soorten onderzochte aantijgingen en de uitkomsten van deze onderzoeken;

297.  is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat de EU-instellingen één enkel openbaar register moeten opzetten met informatie over hun aanbestedingen om een doeltreffende monitoring achteraf van hun aanbestedingsactiviteiten mogelijk te maken;

298.  benadrukt dat de verzameling op een centrale plaats van gegevens inzake overheidsopdrachten bijdraagt aan de ontwikkeling van zinvolle, nauwkeurige en gedetailleerde statistieken, met als doelstelling corruptie bij overheidsopdrachten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken en hiertegen passende maatregelen te nemen; benadrukt dat via bijkomende gegevensvelden in de centrale gegevensbanken voor aanbesteding (met inbegrip van TED) kan worden gewezen op alarmerende situaties met betrekking tot onregelmatigheden bij overheidsopdrachten; verzoekt de EU-instellingen ervoor te zorgen dat deze gegevensbanken tijdig en volledig worden aangevuld;

299.  onderstreept de rol van onderzoeksjournalisten en ngo's bij het waarborgen van transparantie in de loop van een overheidsopdracht en bij het opsporen van fraude of potentiële belangenvermenging; is er sterk van overtuigd dat bovengenoemde categorieën volledige toegang moeten krijgen tot Arachne, Orbis en andere verwante instrumenten en gegevensbanken waarmee vermoedens van belangenvermenging of corruptie bij overheidsopdrachten in de Europese instellingen en in alle lidstaten kunnen worden opgespoord, met name in verband met zaken die zijn verworven met Europese middelen;

300.  dringt er bij alle instellingen en agentschappen op aan om van hun hoger en middenkader, hun leden, deskundigen en bestuursorganen of -structuren steeds cv's en belangenverklaringen bekend te maken, zelfs in het geval van deskundigen die uit de lidstaten zijn gedetacheerd, aangezien het cv van zo'n deskundige te allen tijde beschikbaar moet zijn voor het publiek; onderstreept dat een verklaring betreffende de afwezigheid van belangenvermenging, die door een aantal instellingen en agentschappen nog steeds wordt gebruikt, niet het geschikte document is om openbaar te maken, aangezien de beoordeling of er al dan niet sprake is van belangenvermenging steeds moet worden verricht door een onafhankelijke derde organisatie of instantie;

301.  verzoekt de Rekenkamer op regelmatige basis een overzicht bekend te maken van alle misstanden in verband met klokkenluiders en alle gevallen van belangenvermenging of draaideurconstructies die worden opgespoord in de loop van monitoring- of auditprocedures, en verzoekt de Rekenkamer ten minste eenmaal per jaar speciale verslagen te publiceren over beleid inzake en gevallen van belangenvermenging die zijn gevonden in alle Europese agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen, met name wanneer die banden hebben met een sector;

302.  is ingenomen met de aanbeveling van de Rekenkamer aan de EU-instellingen om aan de hand van collegiale toetsingen van elkaar te leren en beste praktijken op het gebied van openbare aanbesteding uit te wisselen;

Deel XXIII – Speciaal verslag nr. 18/2016 van de Rekenkamer getiteld "Het certificeringssysteem van de EU voor duurzame biobrandstoffen"

303.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer vooral met de opmerkingen en aanbevelingen van de Rekenkamer; wijst erop dat de Commissie vier van de vijf aanbevelingen volledig heeft aanvaard en één aanbeveling gedeeltelijk; verzoekt de Commissie volledige aanvaarding te overwegen van de aanbeveling over de betrouwbaarheid van door de lidstaten geleverde gegevens;

304.  wijst erop dat de Unie wordt beschouwd als voorloper binnen het wereldwijde milieubeleid, door milieunormen op internationaal niveau vast te stellen en beste praktijken aan te reiken voor de bescherming van het milieu en daarbij een concurrerende positie op de wereldmarkt te handhaven; wijst erop dat de Unie in haar Zevende Milieuactieprogramma het streven naar "een goed leven binnen de grenzen van onze planeet" als doelstelling voor 2050 formuleert; wijst erop dat het een van de prioriteiten is ervoor te zorgen dat "onze welvaart en onze gezonde natuurlijke omgeving te danken zijn aan een innovatieve kringloopeconomie waarin niets wordt verspild en waarin natuurlijke hulpbronnen duurzaam worden beheerd en de biodiversiteit wordt beschermd, naar waarde geschat en hersteld op manieren die de veerkracht van onze samenleving versterken";

305.  wijst erop dat de Unie in de Richtlijn hernieuwbare energie(19) de verplichting heeft opgenomen om te waarborgen dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 minstens 10 % bedraagt, wat alleen verwezenlijkt kan worden door een substantieel gebruik van biobrandstoffen; wijst er echter op dat de productie van biobrandstoffen zelf verband kan houden met bepaalde risico's op het gebied van grondgebruik, en dat het daarom nodig is de duurzaamheid ervan te waarborgen;

306.  benadrukt dat het opzetten van een doeltreffend en betrouwbaar systeem voor certificering van duurzame biobrandstoffen een belangrijke stap is in de richting van de verwezenlijking van de beleidsprioriteiten die zijn vastgelegd in het Zevende Milieuactieprogramma; wijst erop dat de duurzaamheid van biobrandstoffen wordt gecertificeerd in het kader van door de Commissie erkende vrijwillige regelingen; betreurt het feit dat de Rekenkamer concludeerde dat het duurzaamheidscertificeringssysteem van de Unie voor de duurzaamheid van biobrandstoffen niet geheel betrouwbaar is;

307.  constateert helaas dat de erkenningsprocedure van de Commissie geen rekening houdt met een aantal belangrijke vereisten ter waarborging van duurzaamheid en eerlijke handel, zoals conflicten rond grondbezit, dwangarbeid en kinderarbeid, slechte werkomstandigheden voor landbouwers, gevaren voor de gezondheid en de veiligheid en de gevolgen van indirecte veranderingen in grondgebruik, die in andere contexten als uiterst belangrijk worden beschouwd; is van mening dat het beleid van de Commissie op dit punt niet consistent is; verzoekt de Commissie haar beoordelingsprocedures op meer omvattende wijze op te zetten en deze aspecten op te nemen in haar procedure voor erkenning van de vrijwillige regelingen; verzoekt de Commissie voor te schrijven dat in het kader van vrijwillige regelingen eenmaal per jaar relevante, op de certificeringsactiviteiten gebaseerde gegevens met betrekking tot bovengenoemde risico's moeten worden gerapporteerd;

308.  wijst erop dat de Commissie tot dusver twee verslagen heeft ingediend over de gevolgen van het biobrandstofbeleid van de Unie voor de sociale duurzaamheid in de Unie en derde landen en voor de beschikbaarheid van levensmiddelen tegen een betaalbare prijs; constateert helaas dat de verslagen weinig informatie en onduidelijke conclusies bevatten; verzoekt de Commissie de verslaglegging te verbeteren en het Parlement een gedetailleerde analyse te overleggen om het publiek te informeren over deze belangrijke kwesties;

309.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de productie van biobrandstoffen ten koste kan gaan van de teelt van voedingsgewassen, dat de grootschalige aanplant van gewassen voor de productie van biobrandstof enorme gevolgen kan hebben voor de bescherming van het milieu en de volksgezondheid in de ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld in Zuid-Amerika of Zuid-Azië, en dat dit kan leiden tot grootschalige ontbossing en afname van de traditionele landbouw, hetgeen nadelige socio-economische langetermijngevolgen heeft voor plaatselijke gemeenschappen; betreurt het feit dat de Commissie in haar verslagen geen aandacht besteedt aan ontwikkelingskwesties in bredere zin in ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie een consequentere en coherentere benadering te hanteren van haar beleid op het gebied van milieu, energie, ontwikkeling en aanverwante terreinen; verzoekt de Commissie met name aandacht te besteden aan de gevolgen van indirecte veranderingen in grondgebruik;

310.  stelt helaas vast dat de Commissie vrijwillige regelingen heeft erkend waarbij het ontbreekt aan passende controleprocedures om te waarborgen dat biobrandstoffen uit afval daadwerkelijk uit afval afkomstig zijn of dat de teelt in de Unie van gewassen voor biobrandstoffen aan de EU-milieuvoorschriften voor landbouw voldoet; verzoekt de Commissie na te gaan of EU-producenten van grondstoffen voor biobrandstof aan de EU-milieuvoorschriften voor landbouw voldoen; verzoekt de Commissie in voldoende mate de oorsprong aan te tonen van afvalstoffen en residuen die voor de productie van biobrandstoffen worden gebruikt;

311.  stelt bezorgd vast dat sommige erkende regelingen niet voldoende transparant waren of een bestuursstructuur kenden die enkel was samengesteld uit vertegenwoordigers van een gering aantal marktdeelnemers; verzoekt de Commissie te waarborgen dat de vrijwillige regelingen niet gepaard gaan met belangenverstrengelingen en te zorgen voor doeltreffende communicatie met andere belanghebbenden;

312.  verzoekt de Commissie de transparantie van de vrijwillige regelingen en de marktdeelnemers verder te waarborgen door voor te schrijven dat in het kader van de regelingen een officiële website wordt opgezet waarop openbaar toegankelijke gedetailleerde informatie te vinden is over de vrijwillige regelingen, de certificeringsprocedures, het aangestelde personeel, verstrekte certificaten, controleverslagen, klachten en de marktdeelnemers waarmee wordt samengewerkt;

313.  stelt bezorgd vast dat de Commissie geen toezicht uitoefent op de werking van erkende vrijwillige regelingen en dus geen waarborgen kan verkrijgen ten aanzien van de kwaliteit van de certificeringen; stelt helaas vast dat er geen specifieke klachtenregeling is, zodat de Commissie niet kan nagaan of de klachten correct worden behandeld; verzoekt de Commissie een toezichtsysteem in te voeren om vast te stellen of de certificeringsprocedures van de vrijwillige regelingen overeenstemmen met de normen die ter erkenning worden voorgelegd; verzoekt de Commissie voor te schrijven dat voor de vrijwillige regelingen transparante, gebruikersvriendelijke, informatieve en toegankelijke klachtenregelingen worden opgezet die toegankelijk zijn via hun websites; verzoekt de Commissie toezicht te houden op de klachtenregelingen en zo nodig actie te ondernemen;

314.  is verheugd dat de Commissie richtsnoernota's heeft opgesteld met betrekking tot de vrijwillige regelingen, die bijdragen aan de bevordering van goede praktijken en grotere doeltreffendheid, maar wijst erop dat de nota's niet bindend zijn en niet volledig zijn uitgevoerd; verzoekt de Commissie de richtsnoernota's voor de vrijwillige regelingen bindend te maken, om zo te waarborgen dat aan de vereisten wordt voldaan;

315.  wijst erop dat de lidstaten ervoor verantwoordelijk zijn dat de aan de Commissie gerapporteerde statistieken betreffende duurzame biobrandstoffen betrouwbaar zijn, maar dat het risico bestaat op overschatting van de statistieken; verzoekt de Commissie voor te schrijven dat de lidstaten hun statistieken onderbouwen met passend bewijsmateriaal, bijvoorbeeld in de vorm van een certificaat of verklaring, afgegeven door de entiteit die met de verzameling van gegevens over duurzame biobrandstoffen is belast en het naar de nationale autoriteit stuurt, die het vervolgens doorstuurt naar Eurostat;

316.  herhaalt dat de gegevens die de lidstaten indienen, vanwege de uiteenlopende definities vaak niet onderling vergelijkbaar zijn, waardoor het vrijwel onmogelijk is de daadwerkelijke situatie te bepalen; verzoekt de Commissie een geharmoniseerde definitie vast te stellen van afvalstoffen die niet eerder in de lijst van de Richtlijn hernieuwbare energie zijn opgenomen en die worden gebruikt voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen in installaties die reeds bestonden vóór de vaststelling van Richtlijn (EU) 2015/1513(20) tot wijziging van de Richtlijn hernieuwbare energie;

317.  stelt bezorgd vast dat het gevaar van fraude toeneemt door de specifieke waarde (dubbeltelling) van biobrandstoffen op basis van afval en residuen; benadrukt dat er behoefte is aan een dialoog tussen de Commissie en de lidstaten over het toezicht en de fraudepreventie; verzoekt de Commissie de aanzet te geven voor een dergelijke dialoog;

318.  verwelkomt het in het verslag van de Rekenkamer genoemde voorbeeld van een vrijwillige regeling, waarbij hoge normen worden gehanteerd voor duurzame productie die er niet alleen op gericht zijn om milieuschade te voorkomen, met inbegrip van de bescherming van bodem, water en lucht, maar ook om goede werkomstandigheden en de bescherming van de gezondheid van de medewerkers op landbouwbedrijven te waarborgen, en de mensenrechten, arbeidsrechten en landrechten te eerbiedigen; beschouwt dit als een voorbeeld van een goede praktijk; verzoekt de Commissie te overwegen een platform voor de vrijwillige regelingen op te richten waar optimale praktijken kunnen worden uitgewisseld;

Deel XXIV – Speciaal verslag nr. 19/2016 van de Rekenkamer getiteld "Uitvoering van de EU-begroting via financieringsinstrumenten – lessen die uit de programmeringsperiode 2007-2013 moeten worden getrokken"

319.  is verheugd over de bevindingen en aanbevelingen die zijn opgenomen in het verslag van de Rekenkamer;

320.  betreurt het feit dat in het algemene overzicht van de financieringsinstrumenten geen succesvolle acties ter verbetering van de investeringen in de Unie konden worden beschreven; stelt vast dat in de eerste plaats de Commissie, alsook de lidstaten, grotere risico's hebben genomen, en betreurt het feit dat de particuliere sector daar nauwelijks aan heeft deelgenomen;

321.  wijst erop dat de beheerskosten en -vergoedingen hoog waren in vergelijking met de daadwerkelijke financiële steun aan de uiteindelijke begunstigden; stelt voor belastingplafonds voor financiële tussenpersonen vast te stellen; wijst erop dat de grootte van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds moet worden herzien om, waar dat mogelijk is, te profiteren van de aanzienlijke kostenbesparingen bij de aanwending van deze fondsen;

322.  is van mening dat de Commissie in de juiste positie is om extra richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten over de wijze waarop deze financieringsinstrumenten binnen de lidstaten of op het niveau van de Unie (met direct of indirect beheer door de Commissie) moeten worden opgezet; onderstreept dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat financiële instrumenten niet voor onaanvaardbare belastingontwijkingsconstructies worden gebruikt;

323.  is bezorgd over het feit dat in sommige gevallen fiscale rulings zijn gebruikt om financieringsinstrumenten aantrekkelijker te maken voor investeerders uit de particuliere sector; betreurt het feit dat de Commissie van oordeel is dat voorafgaande belastingovereenkomsten niet per se strijdig met haar eigen beleid kunnen worden geacht; vraagt de Commissie te voorkomen dat enige vorm van fiscale ruling wordt gegeven met betrekking tot het gebruik van een financieel instrument van de Unie;

324.  deelt de mening dat bij het opzetten van de financieringsinstrumenten voor Europese structuur- en investeringsfondsen rekening moet worden gehouden met de lessen die uit de gecontroleerde programmeringsperiode (2007-2013) zijn getrokken; is met name van oordeel dat de voorstellen eerder gericht moeten zijn op prestaties en resultaten dan op loutere naleving; is van mening dat de projecten meer waarde moeten toevoegen aan de regionale specialisatie en economische ontwikkeling van Europese regio’s;

325.  betreurt het feit dat de rechtsgrond in de vorige periode de lidstaten de mogelijkheid bood om een deel van de bijdrage te bevriezen op de rekeningen van de banken en de financiële intermediairs die de middelen beheren, zonder dat ze daadwerkelijk voor de beoogde doeleinden werden gebruikt; neemt nota van de wijzigingen die de Commissie in haar afsluitingsrichtsnoeren heeft aangebracht; vraagt de Commissie de situatie actief te volgen om dergelijke praktijken te voorkomen;

326.  is van oordeel dat uit het multiplicatoreffect moet blijken in welke mate er particuliere financiering is aangetrokken met de aanvankelijke financiële bijdrage van zowel de Unie als de lidstaten; betreurt het feit dat uit de bevindingen van het speciaal verslag van de Rekenkamer blijkt dat de financieringsinstrumenten onder zowel gedeeld als gecentraliseerd beheer geen succes hadden bij het aantrekken van particulier kapitaal; is van mening dat medefinanciering van financiële instrumenten door lidstaten samen met de bijdrage van de Unie als een onderdeel van overheidsfinanciering moet worden beschouwd;

327.  verzoekt de Commissie een definitie van het hefboomeffect van financieringsinstrumenten te geven die van toepassing is op alle terreinen van de begroting van de Unie, waarin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het hefboomeffect van particuliere en nationale publieke bijdragen in het kader van het operationele programma en/of aanvullende particuliere of publieke kapitaalbijdragen, en waarin rekening wordt gehouden met het soort instrument dat is gebruikt; raadt de lidstaten aan zich verder in te spannen op het gebied van het verzamelen, beheren en delen van data met betrekking tot het revolverende effect van de financiële instrumenten;

328.  wijst erop dat voor toekomstige middelen uit financieringsinstrumenten van meet af aan een duidelijke en concrete raming van het hefboomeffect moet worden gegeven; verwacht van de Commissie dat zij er bij financieringsinstrumenten van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds die in de programmeringsperiode 2007-2013 vallen, voor zorgt dat de lidstaten volledige en betrouwbare gegevens verstrekken over particuliere bijdragen aan het dotatiekapitaal, zowel via de operationele programma's als in aanvulling daarop;

329.  is van mening dat de beheersautoriteiten, alvorens zij een besluit over financiële-engineeringmaatregelen voor infrastructuurprojecten nemen, ervoor moeten zorgen dat hun voorstel naar behoren wordt onderbouwd met een onafhankelijke voorafgaande evaluatie van hoge kwaliteit, op basis van een gestandaardiseerde en gezamenlijk overeengekomen methode; is het ermee eens dat de Commissie, alvorens zij de operationele programma's goedkeurt die relevante infrastructuurprojecten omvatten, moet nagaan of deze stroken met een onafhankelijke voorafgaande evaluatie, en de kwaliteit van die evaluatie moet waarborgen;

330.  beveelt de beheersautoriteiten aan om de vergoeding van de fondsbeheerder te koppelen aan de kwaliteit van de daadwerkelijk gedane investeringen, zoals gemeten door de bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de strategische operationele programma-doelstellingen en de waarde van de middelen die terugvloeiden naar de actie vanuit door het instrument gedane investeringen;

331.  raadt een proactieve benadering en technische bijstand ter plaatse aan door de beheersautoriteiten en de instellingen van de Unie ten aanzien van een beter gebruik van financiële instrumenten in de regio's;

332.  is het er volledig mee eens dat de Commissie een vergelijkende analyse moet uitvoeren van de uitvoeringskosten van subsidies en financieringsinstrumenten (onder gecentraliseerd en gedeeld beheer) voor de programmeringsperiode 2014-2020, met het oog op de vaststelling van het werkelijke niveau ervan evenals van de invloed ervan op het behalen van de Europa 2020-doelstellingen en de twaalf thematische doelstellingen van het cohesiebeleid; merkt op dat dergelijke informatie bijzonder relevant zou zijn met het oog op het opstellen van wetsvoorstellen voor de periode na 2020; wenst dat vóór het einde van 2019 een volledige prestatie-evaluatie wordt verricht, zodat over de toekomst van deze instrumenten kan worden nagedacht;

Deel XXV – Speciaal verslag nr. 20/2016 van de Rekenkamer getiteld "Versterking van de bestuurlijke capaciteit in Montenegro: vooruitgang, maar op veel essentiële terreinen moeten de resultaten beter”

333.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen daarin en moedigt de Commissie aan rekening te houden met deze aanbevelingen bij haar werkzaamheden inzake de versterking van de bestuurlijke capaciteit in Montenegro;

334.  is ingenomen met het feit dat de pretoetredingssteun van de Unie heeft bijgedragen tot de versterking van de bestuurlijke capaciteit; merkt echter op dat de vorderingen op verschillende kerngebieden erg traag zijn geweest;

335.  betreurt het feit dat de resultaten, hoewel de projecten over het algemeen de verwachte output opleverden, niet blijvend waren, en dat dit voor een deel lag aan de politieke wil van de nationale autoriteiten en externe factoren; verzoekt de Commissie voort te bouwen op de resultaten van succesvolle projecten die blijvend zijn, een kwantificeerbare meerwaarde hebben en werden uitgevoerd en gebruikt in overeenstemming met de regelgeving; verzoekt de Commissie de strategische planning te verbeteren en te zorgen voor duurzaamheid en levensvatbaarheid van de projecten door deze criteria als een duidelijke voorwaarde voor de projecten te hanteren;

336.  betreurt de geringe inzet van de nationale autoriteiten, die zijn weerslag heeft gehad op de vorderingen bij de versterking van de bestuurlijke capaciteit; verzoekt de nationale autoriteiten gevolg te geven aan de projectresultaten om de doeltreffendheid ervan te verbeteren; benadrukt dat een sterke politieke wil noodzakelijk is om de depolitisering op doeltreffende wijze aan te pakken en het overheidsbestuur in toom te houden;

337.  is ingenomen met het feit dat de projecten in de meeste gevallen goed gecoördineerd waren met andere IPA-projecten en activiteiten van andere donoren; benadrukt niettemin dat er ook gevallen waren waarin projecten slechter werden gecoördineerd, hetgeen bij sommige activiteiten tot dubbel werk leidde; verzoekt de Commissie haar activiteiten ten behoeve van Montenegro beter af te stemmen op andere projecten met meerdere begunstigden;

338.  vindt het betreurenswaardig dat in de verslagen van de Commissie onvoldoende informatie beschikbaar was om aan te tonen welke vooruitgang er was geboekt bij het versterken van de bestuurlijke capaciteit; merkt op dat in de verslagen niet altijd dezelfde overheidsinstanties gecontroleerd werden en dat de vereisten voor vaststelling van de bestuurlijke capaciteit niet altijd duidelijk waren, hetgeen de vergelijking in de tijd bemoeilijkte;

339.  is echter ingenomen met de nieuwe verslagleggingsmethode voor een jaarlijkse beoordeling in de voortgangsverslagen van 2015, waarin een betere harmonisatie van beoordelingsmaatstaven en een betere vergelijkbaarheid waarneembaar zijn; verzoekt de Commissie in de toekomst voort te bouwen op dit verslagleggingssysteem;

340.  merkt op dat de Commissie in de vorm van een politieke dialoog goed gebruik heeft gemaakt van niet-financiële instrumenten voor de ondersteuning van het hervormingsproces, maar dat essentiële kwesties onopgelost zijn gebleven;

341.  betreurt met name het feit dat op het gebied van de invoering van anticorruptiewetgeving het voorbije jaar weliswaar bepaalde resultaten zijn behaald, maar dat in de strijd tegen corruptie slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt; benadrukt dat de gehele rechtsstaat meer resultaten moet behalen en dat daarbij bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de versterking van de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad; vraagt de Commissie de nationale autoriteiten ertoe aan te moedigen de capaciteiten op het vlak van financieel onderzoek en de bescherming van klokkenluiders te versterken;

342.  is verheugd over het feit dat het Agentschap voor corruptiebestrijding in 2016 met zijn werkzaamheden is begonnen; stelt echter vast dat corruptie nog steeds op veel gebieden voorkomt en een groot probleem blijft;

343.  stelt vast dat gedecentraliseerd projectbeheer kan leiden tot waardevolle capaciteitsopbouw in de operationele structuren vanwege gedetailleerde voorafgaande controles; stelt voorts vast dat de verspreiding van in de IPA-structuren geconcentreerde kennis van goede praktijken op het gebied van projectbeheer naar de andere onderdelen van het openbaar bestuur die op hetzelfde terrein actief zijn, tot doeltreffende resultaten zou kunnen leiden; verzoekt de Commissie deze mogelijkheden te benutten om de doeltreffendheid van de capaciteitsopbouw in Montenegro een impuls te geven, en om de nationale autoriteiten aan te moedigen goede praktijken te gebruiken voor capaciteitsopbouw;

344.  merkt op dat Montenegro wordt beschouwd als het land dat in deze regio het verst gevorderd is met zijn toetredingsprocedure; benadrukt dat de Unie een doorslaggevende rol heeft gespeeld in het land. merkt echter op dat Montenegro onlangs is getroffen door politieke onrust en polarisatie, en door een in toenemende mate gespannen strijd om invloed tussen Rusland en de NAVO, waartoe het land in 2017 zal toetreden; verzoekt de Commissie daarom de politieke dialoog met de nationale autoriteiten voort te zetten, teneinde tot compromissen te komen tussen de regering en de oppositie;

Deel XXVI – Speciaal verslag nr. 22/2016 van de Rekenkamer getiteld "Bijstandsprogramma’s van de EU voor de ontmanteling van nucleaire installaties in Litouwen, Bulgarije en Slowakije: enige vooruitgang geboekt sinds 2011, maar cruciale uitdagingen in het verschiet"

345.  is ingenomen met de specifieke werkzaamheden van de Rekenkamer op het gebied van ontmanteling van kerncentrales, zoals blijkt uit dit verslag en het speciaal verslag van 2011(21);

346.  steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer, die de Commissie voor het merendeel volledig heeft aanvaard;

347.  herinnert eraan dat de Commissie begrotingscontrole sinds 2012 bijzondere belangstelling toont voor het thema nucleaire ontmanteling, en daarom in 2012, 2013 en 2014 onderzoeksmissies naar de drie kerncentrales heeft georganiseerd;

348.  benadrukt dat nucleaire veiligheid van cruciaal belang is, niet alleen voor de betrokken lidstaten, maar ook voor de bevolking van de overige lidstaten van de Unie en haar nabuurschap;

349.  benadrukt dat in Litouwen het verwijderen en veilig tijdelijk opslaan van de brandstofstaven van reactor twee prioriteit moet krijgen;

350.  herinnert eraan dat een van de voornaamste redenen voor de vertragingen in Litouwen was dat technische en commerciële meningsverschillen tussen nationale autoriteiten en externe contractanten jarenlang onopgelost bleven; meent dat er projectmanagementteams moeten worden aangewezen om te voorkomen dat een dergelijk probleem het ontmantelingsproces belemmert; vraagt de Commissie of er dergelijke projectmanagementteams bestaan in de drie betrokken lidstaten;

351.  herinnert de Commissie eraan dat de Slowaakse Rekenkamer in 2015 een audit van JAVYS(22) had gepland; vraagt in kennis te worden gesteld van de bevindingen van deze audit; dringt er in dit verband bij de bevoegde Bulgaarse en Litouwse autoriteiten op aan een audit te verrichten naar de ontmantelingsprocessen in Ignalina en Kozloduy;

352.  is bezorgd over de vertragingen bij werkzaamheden aan installaties voor de opslag van laag- en middelradioactief afval; verzoekt de Commissie de bevoegde commissie van het Parlement te informeren over de voortgang;

353.  verzoekt de Commissie zijn bevoegde commissie te informeren over de inspanningen om het financieringstekort op te lossen, met name in Litouwen;

354.  herinnert eraan dat de ontmantelingskosten in de drie lidstaten, met inbegrip van hoogradioactief afval en de berging van gebruikte splijtstof, volgens de raming van de Rekenkamer 11 388 miljoen EUR bedragen; is van mening dat de ontmantelingskosten niet de kosten voor hoogradioactief afval en de berging van gebruikte splijtstof mogen omvatten, omdat deze onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen en door nationale fondsen moeten worden gedekt;

355.  verzoekt de Commissie samen met de drie betrokken lidstaten een verslag op te stellen over de huidige status van het beheer van de gebruikte splijtstof en het radioactief afval dat vrijkomt bij de ontmanteling van de drie kerncentrales;

356.  verzoekt de Commissie samen te werken met de lidstaten om mogelijkheden te onderzoeken voor het aanwijzen geologische opslagplaatsen voor hoogradioactief afval;

357.  benadrukt dat het sluiten van Ignalina een voorwaarde was die de Unie voor de toetreding van Litouwen had gesteld in ruil voor hulp van de Unie bij de sluiting en ontmanteling ervan en de verzachting van de maatschappelijke en economische gevolgen, zoals vastgelegd in Protocol nr. 4 bij de Akte van toetreding; merkt op dat Litouwen aan zijn verplichtingen heeft voldaan wat betreft het sluiten van de nucleaire reactoren van Ignalina volgens het overeengekomen schema; is bezorgd over de vertragingen bij de ontmanteling ervan en stelt derhalve een grondigere controle van het betreffende proces door autoriteiten van de Unie voor;

358.  brengt in herinnering dat de nucleaire veiligheid van cruciaal belang is voor de bevolking van de gehele Unie en dringt erop aan, rekening houdend met de aanbevelingen van de Rekenkamer met betrekking tot de voortzetting van de financiering, dat de Commissie een zorgvuldige evaluatie uitvoert van de noodzaak tot voortzetting van de specifieke financieringsprogramma's voor de ontmanteling van nucleaire installaties in Litouwen, Bulgarije en Slowakije na 2020; benadrukt dat elke mogelijke door de Commissie voorgestelde nieuwe financiering door de Unie na 2020 voor de ontmanteling van nucleaire installaties in de drie lidstaten gepaard moet gaan met duidelijke regels en de juiste stimulansen om ontmanteling na te streven met efficiëntere controlemechanismen, met betrekking tot zowel financiering als tijdsplanning, waarbij de noodzaak van een doeltreffend gebruik van de financiële middelen van de Unie onderstreept wordt;

359.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle toekomstige kosten in verband met de ontmanteling van nucleaire installaties en de definitieve berging van gebruikte splijtstof naar behoren worden geregistreerd en berekend in overeenstemming met internationale normen en de regelgeving van de Unie;

360.  doet een beroep op de Commissie actieplannen van de drie landen te beoordelen met het oog op voorstellen voor gemeenschappelijke aanbestedingen voor gelijkaardige projecten, met name op het gebied van consultancy en het ontwerp van opslagplaatsen voor afval;

361.  verzoekt de Commissie het ontmantelingsproces in Litouwen, Bulgarije en Slowakije te beoordelen, met inbegrip van het kostenefficiënte gebruik van de financiële bijstand van de EU in de periode 2007‑2013;

362.  verzoekt de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling om een audit van de werking van de steunfondsen voor ontmanteling tussen 2007 en 2013;

363.  is bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat de beoordeling door de Commissie van de financieringsplannen en gedetailleerde ontmantelingsplannen voor de financieringsperiode 2014-2020, d.w.z. van respectievelijk de tweede en de derde ex-antevoorwaarde(23), ontoereikend was; vraagt wie de financiële verantwoordelijkheid draagt voor deze tekortkoming van de Commissie; wenst in dit verband op de hoogte te worden gehouden van het voltooide actieplan om de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen;

Deel XXVII – Speciaal verslag nr. 23/2016 van de Rekenkamer getiteld "Zeevervoer in de EU in woelige wateren: veel ondoeltreffende en niet-duurzame investeringen"

364.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

365.  is verheugd over het feit dat het zeevervoer in de Unie de afgelopen tien jaar is toegenomen, ondanks de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten voor wat betreft havengebruik;

366.  benadrukt dat het haveninvesteringsbeleid in de lidstaten wordt vastgesteld overeenkomstig de op nationaal niveau genomen politieke besluiten die kunnen afwijken van de EU-strategie, die tevens door diezelfde lidstaten wordt vastgesteld; is van mening dat het de primaire rol van de Commissie zou moeten zijn ervoor te zorgen dat nationale acties ter financiering van infrastructuur in de Unie stroken met het vervoersbeleid van de Unie en deze in overeenstemming te brengen met EU-strategieën; betreurt het feit dat de Commissie niet alle instrumenten tot haar beschikking heeft voor het tot stand brengen van deze overeenstemming;

367.  erkent dat investeringen in haveninfrastructuur langetermijninvesteringen zijn; betreurt het feit dat het rendement van de investeringen in de meeste gevallen evenwel laag is en lang op zich laat wachten;

368.  betreurt het feit dat nationale strategieën voor havenontwikkeling weliswaar meestal voorhanden zijn, maar dat deugdelijke uitvoeringsplannen en coördinatie punten van zorg blijven;

369.  maakt zich ernstig zorgen over het feit dat de Rekenkamer een gebrek aan verslaglegging over de geaggregeerde capaciteit heeft geconstateerd evenals onbetrouwbare verslaglegging over de beschikbare capaciteit;

370.  betreurt het feit dat de lidstaten geen gegevens over de capaciteit van de kernhavens verstrekken, hetgeen een belemmering vormt voor het toezichtvermogen van de Commissie; benadrukt dat het belangrijk is dat de situatie verbetert zodat de Commissie een EU-breed havenontwikkelingsplan kan voorstellen; verzoekt de Commissie een duidelijk rapportagesysteem in te voeren voor gegevens van lidstaten;

371.  is van mening dat de coördinatie tussen de Europese Investeringsbank en de diensten van de Commissie kan worden verbeterd door middel van betere samenwerking en transparantere procedures;

Deel XXVIII – Speciaal verslag nr. 25/2016 van de Rekenkamer getiteld "Het landbouwpercelen-identificatiesysteem: een nuttig instrument om de subsidiabiliteit van landbouwgrond te bepalen, maar het beheer ervan zou verder kunnen worden verbeterd"

372.  beveelt aan dat de lidstaten zich in de huidige GLB-periode meer inspannen om, op basis van een gekwantificeerde kosten-batenanalyse en een beoordeling van de risico’s, de betrouwbaarheid van de gegevens van het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) te vergroten door middel van tijdige en grondig uitgevoerde actualiseringen van het systeem; stelt dat de lidstaten die van deze optie gebruikmaken, gezien de complexiteit van de pro-ratabeoordeling, in de huidige GLB-periode verdere inspanningen moeten leveren om een pro-ratacatalogus te ontwikkelen met duidelijke criteria voor omschrijving en beoordeling, en aanvullende technische instrumenten te gebruiken om de objectiviteit van orthobeeldanalyses te vergroten en de reproduceerbaarheid te verzekeren; adviseert dat lidstaten ook de mogelijkheid overwegen om, voor zover dit haalbaar en kosteneffectief is, gegevens over eigendom en recht op gebruik in hun LPIS op te nemen;

373.  adviseert dat de lidstaten, met steun van de Commissie, in de huidige GLB-periode een kader ontwikkelen en opzetten voor de evaluatie van de kosten van het beheren en actualiseren van hun LPIS; stelt dat dit de lidstaten in staat zou moeten stellen de prestaties van hun LPIS en de kosteneffectiviteit van de systeemverbeteringen te meten;

374.  beveelt aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat zij, met behulp van hun LPIS, ecologische aandachtsgebieden, blijvend grasland en nieuwe categorieën grond op betrouwbare wijze identificeren, registreren en doeltreffend monitoren; adviseert dat ze ook een kosten-batenanalyse maken indien alle landschapselementen die beschermd worden in het kader van cross compliance of agromilieuregelingen, in hun LPIS worden opgenomen met het oog op verdere versterking van de monitoring en bescherming van deze elementen die gunstig zijn voor het milieu en de biodiversiteit;

375.  beveelt aan dat de Commissie het huidige wettelijk kader aan een nieuw onderzoek onderwerpt teneinde sommige LPIS-gerelateerde regels voor de volgende GLB-periode te vereenvoudigen en te stroomlijnen, bijvoorbeeld door te heroverwegen of de stabiliteitsdrempel van 2% en de 100-bomenregel noodzakelijk zijn;

376.  adviseert dat de Commissie vóór de aanvang van de kwaliteitsbeoordeling voor 2017 een kosten-batenanalyse verricht om na te gaan of de representativiteit van de steekproeven voor de kwaliteitsbeoordeling verbeterd kan worden zodat er een betere dekking van de populatie percelen in het LPIS kan worden bereikt;

377.  beveelt aan dat de Commissie vanaf 2016 de monitoring van kwaliteitsbeoordelingsresultaten verbetert door inconsistenties in de verslaglegging van de kwaliteitsbeoordeling te analyseren en er gevolg aan te geven, door feedback te geven aan de lidstaten en ervoor te zorgen dat corrigerende actieplannen zo nodig worden voorbereid en uitgevoerd; verzoekt de Commissie voor elke lidstaat en elk type referentieperceel ook een gedetailleerde jaarlijkse trendanalyse uit te voeren zodat potentiële problemen op tijd kunnen worden ontdekt;

Deel XXIX – Speciaal verslag nr. 26/2016 van de Rekenkamer getiteld "Het blijft een uitdaging om cross-compliance doeltreffender en eenvoudiger te maken"

378.  beveelt aan dat de Commissie in het kader van de effectbeoordeling voor het GLB na 2020 onderzoekt hoe zij haar indicatoren voor de beoordeling van de prestaties van cross-compliance verder kan ontwikkelen; beveelt tevens aan dat de Commissie onderzoekt hoe zij in haar indicatoren rekening kan houden met de mate van naleving door landbouwers van de cross-complianceregels, ter verbetering van de toepassing en ter handhaving van milieunormen in de landbouw om zo de samenhang van het GLB te waarborgen;

379.  beveelt aan dat de Commissie, om er zeker van te zijn dat de genoemde problemen zich niet opnieuw zullen voordoen, in overeenstemming met lokale territoriale behoeften uiteenlopende eisen overweegt; stelt voorts dat de betalingsniveaus meer moeten worden toegespitst op de eisen die aan landbouwers worden gesteld, om zo specifieke milieuproblematiek aan te kunnen pakken en de landbouwers te compenseren voor de restricties die ze tegelijkertijd opgelegd hebben gekregen;

380.  beveelt aan dat de Commissie voortaan het delen van informatie over niet-naleving van de randvoorwaarden tussen de betrokken diensten zal verbeteren om ze te helpen de redenen voor inbreuken op te sporen en passende maatregelen te treffen om deze aan te pakken;

381.  verzoekt de Commissie te overwegen om voor het GLB na 2020 de regels inzake ter plaatse verrichte cross-compliancecontroles te verbeteren en de lidstaten op te roepen de bestaande administratieve controles efficiënt uit te voeren door alle relevante beschikbare informatie te gebruiken; is van oordeel dat hierdoor alle belangrijke controlepunten doelgerichter kunnen worden aangepakt;

382.  beveelt aan dat de Commissie in het kader van de effectbeoordeling voor het GLB na 2020 haar ervaringen met deze twee systemen die met vergelijkbare milieudoelstellingen werken (goede landbouw- en milieuconditienormen en vergroening) beoordeelt met het oog op de bevordering van een verdere onderlinge synergie; stelt dat bij deze analyse rekening moet worden gehouden met criteria zoals het milieueffect van de normen en de mate van naleving door landbouwers in het verleden;

383.  moedigt de Commissie aan na het verslag over de prestaties van het GLB dat eind 2018 moet worden ingediend een methode te ontwikkelen om de kosten van cross-compliance te meten;

384.  stelt voor kwalitatieve indicatoren en concretere doelstellingen voor cross-compliancemaatregelen vast te stellen; beveelt een gemakkelijke, snelle en vereenvoudigde toepassingsmethode voor begunstigden aan;

385.  beveelt aan dat de Commissie voor het GLB na 2020 aanspoort tot een meer geharmoniseerde toepassing van sancties op EU-niveau, en wel door de begrippen ernst, omvang, permanent karakter, herhaling en opzettelijkheid verder te verduidelijken, maar ook door rekening te houden met de specifieke omstandigheden in de verschillende lidstaten; stelt dat om deze doelstelling te bereiken minimumvoorwaarden op EU-niveau moeten worden ingevoerd;

386.  is van mening dat, voor de periode 2014-2020 en daarna, uit de ervaringen die zijn opgedaan in de periode 2007-2013 kan worden geleerd dat de indicatoren de werkelijke resultaten van de uitvoering van cross-compliance moeten beoordelen;

Deel XXX – Speciaal verslag nr. 27/2016 van de Rekenkamer getiteld "Governance bij de Europese Commissie – goede praktijken?"

387.  beveelt aan dat de Commissie, wanneer zij beslist goede praktijken niet te volgen, haar redenen daarvoor toelicht, zoals Europese organisaties van openbaar belang verplicht zijn te doen; beveelt eveneens aan dat zij daarbij sterk de nadruk legt op resultaten en degelijk lering trekt uit opgedane ervaringen;

388.  beveelt aan dat de Commissie:

   a) de dienst Interne Audit verzoekt om meer auditwerkzaamheden uit te voeren met betrekking tot governancekwesties op hoog niveau;
   b) het proces voor de afstemming van haar internecontrolekader op de beginselen van COSO 2013 afrondt;
   c) de publicatie van de jaarrekening verder vervroegt;
   d) informatie die reeds is opgenomen in allerlei bestaande verslagen, onder de verantwoordelijkheid van haar voorzitter samenvoegt in één verantwoordingsverslag of een serie verslagen, met daarin niet alleen de jaarrekening, maar ook de volgende elementen:
   een governanceverklaring;
   een bespreking van de operationele en strategische risico's;
   een verslag over niet-financiële prestaties;
   informatie over activiteiten die in de loop van het jaar hebben plaatsgevonden en over de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen;
   een verslag over de rol en conclusies van het auditcomité; en
   een verklaring over de houdbaarheid van de begroting op middellange en lange termijn, waarbij, waar passend, wordt verwezen naar informatie in andere verslagen;
   e) dit ene verantwoordingsverslag of deze serie verslagen presenteert voor de controle van de rekeningen: meent dat dit verslag of deze verslagen analytisch, beknopt, gemakkelijk te begrijpen en toegankelijk moet(en) zijn voor auditors, werknemers en burgers in de Unie, waarbij de internationale normen voor jaarrekeningen en het gebruik van goede praktijken strikt worden gevolgd;
   f) als onderdeel van de jaarrekening of begeleidende informatie een geschat foutenpercentage publiceert op basis van een consistente methodologie, en belanghebbenden, waaronder het Parlement, betrekt bij elke stap voor het kiezen van de statistische methode om fouten te schatten; meent dat de methode duidelijk en consistent moet zijn;
   g) haar governanceregelingen regelmatig actualiseert en publiceert en haar keuze van structuren en processen toelicht met betrekking tot het door haar gekozen kader;
   h) het comité follow-up audit omzet in een auditcomité dat grotendeels bestaat uit onafhankelijke, externe leden, en het mandaat ervan uitbreidt tot risicobeheer, financiële verslaglegging en het werk en de resultaten van eenheden die belast zijn met verificaties achteraf en auditdirectoraten;

389.  Het Europees Parlement benadrukt dat:

   a) governance op hoog niveau van internationale organisaties gebaseerd moet zijn op een bedrijfsmodel en transparant, verantwoordingsplichtig, verantwoordelijk en vooral efficiënt moet zijn;
   b) governance op hoog niveau zich moet aanpassen aan een snel veranderende wereld, en zich verder moet ontwikkelen en mogelijke uitdagingen moet detecteren vóór ze een probleem worden;
   c) horizontale en verticale betrekkingen tussen de verschillende structuren van de Commissie duidelijk en traceerbaar moeten zijn; de voortzetting van het proces van de vermindering van de administratieve lasten een absolute vereiste is; een betere coördinatie tussen de verschillende structuren eveneens wordt aanbevolen;
   d) de resultaten in de lidstaten van de jaarlijkse governance zichtbaarder moeten zijn; degelijke gegevens die openbaar worden gemaakt en efficiënt worden gepresenteerd belangrijke beslissingen kunnen ondersteunen;
   e) degelijke evaluatie vooraf, achteraf en tussentijds moet waarborgen dat elke euro die wordt uitgegeven goed is besteed; het document informatie moet verstrekken over de toepasselijke kosten en baten van alle uitgaven, teneinde de betrokkenheid te vergroten;
   f) het strategisch gebruik van overheidsopdrachten moet worden bevorderd: de lidstaten jaarlijks ongeveer 14% van hun begroting besteden aan de aanschaf van diensten, werkzaamheden en leveringen; overheidsopdrachten kunnen en moeten worden gebruikt als een belangrijk instrument voor de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen;

Deel XXXI – Speciaal verslag nr. 28/2016 van de Rekenkamer getiteld "De aanpak van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid in de EU: belangrijke stappen gezet, maar er moet meer worden ondernomen"

390.  verwelkomt het verslag van de Rekenkamer, steunt de daarin opgenomen aanbevelingen, en moedigt de Commissie aan deze aanbevelingen ter harte te nemen bij het nemen van verdere stappen om ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid in de Unie aan te pakken;

391.  herhaalt de aanbeveling van de Rekenkamer dat de lessen die uit de eerste verslagleggingscyclus zijn getrokken, moeten worden toegepast vóór de opstelling van het volgende verslag; is van oordeel dat het proces op consistente wijze moet worden toegepast in alle lidstaten om te waarborgen dat de toekomstige verslaglegging nauwkeurig is;

392.  wijst op de vooruitgang die is geboekt sinds de gezondheidsstrategie 2008-2013, maar benadrukt dat de strategische controle moet worden uitgebreid en verbeterd;

393.  steunt de aanbeveling van de Rekenkamer dat het Gezondheidsbeveiligingscomité een strategisch plan opstelt om de operationele en strategische uitdagingen waar het mee te maken heeft aan te pakken;

394.  wijst erop dat het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding geen formeel proces kent om doeltreffend te reageren op verzoeken om bijstand; is van mening dat een dergelijke situatie onacceptabel is;

395.  beveelt aan dat de verschillende diensten van de Commissie met taken op het gebied van gezondheid en het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid een meer gestructureerde, gedetailleerde aanpak voor coördinatie vaststellen;

396.  betreurt het feit dat de lidstaten niet zijn overgegaan tot de gezamenlijke aankoop van het vaccin voor de grieppandemie, en wijst erop dat griep jaarlijks omvangrijke gevolgen heeft voor de gezondheidsdiensten van de lidstaten; is van mening dat een gecoördineerd optreden van alle lidstaten ten goede zou komen aan de gezondheid van burgers in de Unie en de kosten zou verlagen;

397.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding samen te werken aan de verdere ontwikkeling van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing en maatregelen; onderstreept dat het noodzakelijk is dat een dergelijk systeem, waarvan op grote schaal gebruik is gemaakt, wordt gemoderniseerd met het oog op nieuwe technologieën om een zo goed mogelijk gebruik ervan te waarborgen;

o
o   o

398.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0143.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).
(8) Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).
(9) Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving") (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).
(10) Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 22).
(11) Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).
(12) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).
(13) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).
(14) Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55).
(15) Resolutie van het Europees Parlement van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma (PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 112).
(16) PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.
(17) Zie bijlage III bij speciaal verslag nr. 14/2016, blz. 74-76.
(18) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(19) Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).
(20) PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1.
(21) Speciaal verslag nr. 16/2011 over de financiële steun van de EU voor de ontmanteling van kerncentrales in Bulgarije, Litouwen en Slowakije: resultaten en uitdagingen voor de toekomst.
(22) Jadrové vyrad'ovacia spoločnost' (JAVYS): de eigenaar van de kerncentrale die verantwoordelijk is voor de ontmanteling van de kerncentrale van Bohunice.
(23) Zie COM(2011)0783, Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1369/2013 van de Raad en Uitvoeringsbesluit van de Commissie C(2014)5449.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - het achtste, negende, tiende en elfde EOF
PDF 272kWORD 71k
Besluit
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2202(DEC))
P8_TA(2017)0145A8-0125/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0485 – C8-0326/2016),

–  gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2016)0386),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de Commissie(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 21 februari 2017 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2015 (05376/2017 – C8-0081/2017, 05377/2017 – C8-0082/2017, 05378/2017 – C8-0083/2017, 05379/2017 – C8-0084/2017),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(3) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(4),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (”LGO­-besluit”)(5),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(6),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(7),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(8),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(9),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(10),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europese Ontwikkelingsfonds(11),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(12),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(13),

–  gezien artikel 93 en artikel 94, derde streepje, van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0125/2017),

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2202(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0485 – C8-0326/2016),

–  gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2016)0386),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de Commissie(14),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(15) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 21 februari 2017 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2015 (05376/2017 – C8-0081/2017, 05377/2017 – C8-0082/2017, 05378/2017 – C8-0083/2017, 05379/2017 – C8-0084/2017),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2016)0674) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0338 en SWD(2016)0339),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(16) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(17),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (”LGO­-besluit”)(18),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(19),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(20),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(21),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(22),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(23),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europese Ontwikkelingsfonds(24),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(25),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(26),

–  gezien artikel 93 en artikel 94, derde streepje, van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0125/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015 (2016/2202(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2015,

–  gezien artikel 93 en artikel 94, derde streepje, van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0125/2017),

A.  overwegende dat het hoofddoel van de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(27) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(28) (de "Overeenkomst van Cotonou"), als het kader voor de betrekkingen van de Unie met de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (de "ACS-landen"), is om de armoede te verminderen en uiteindelijk uit te bannen, in overeenstemming met de doelstellingen van duurzame ontwikkeling;

B.  overwegende dat het hoofddoel van Besluit 2013/755/EU(29) van de Raad is om bij te dragen tot de progressieve ontwikkeling van de ACS-landen en van de landen en gebieden overzee (LGO's), door versterking van het concurrentievermogen van de LGO's, vergroting van de veerkracht van de LGO's, vermindering van de kwetsbaarheid van economie en milieu, en stimulering van de samenwerking tussen hen onderling en met andere partners;

C.  overwegende dat de Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF's) de belangrijkste financiële instrumenten van de Unie zijn voor ontwikkelingssamenwerking met de ACS-landen en de LGO's;

D.  overwegende dat een breed scala aan uitvoeringsmethoden, als uitdrukking van de intergouvernementele aard van de EOF's, wordt gebruikt in 79 landen met complexe regels en procedures voor aanbestedingen en de gunning van contracten;

E.  overwegende dat de activiteiten van de EOF's worden uitgevoerd in uitdagende contexten met terugkerende blootstellingen aan hoge geopolitieke of institutionele risico's;

F.  overwegende dat externe factoren voor een behoorlijke uitvoering van de EOF's de verrichte ontwikkelingsinspanningen kunnen aantasten of tenietdoen;

G.  overwegende dat de EOF's worden gefinancierd door de lidstaten en worden beheerd door de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB), waarbij de Commissie als enige verantwoordelijk is voor de kwijting voor de uitvoering van de EOF's;

H.  overwegende dat de Unie de potentie en het gewicht heeft om antwoorden te formuleren op mondiale en geopolitieke uitdagingen;

I.  overwegende dat de geschiedenis van haar lidstaten verplichtingen voor de Unie oplegt ten aanzien van de ontwikkeling van de ACS-landen en de LGO's;

J.  overwegende dat de toekomst van de Unie en de toekomst van de ACS-landen en de LGO's met elkaar verbonden zijn als gevolg van hun geografische ligging, de globalisering en demografische veranderingen;

K.  overwegende dat de prognoses voor de omvang van de wereldbevolking in het jaar 2100, gekoppeld aan de effecten van nieuwe migratiestromen, gewapende conflicten, de opwarming van de aarde en diverse economische en sociale crises, onmiddellijke aandacht van de Unie vereisen, met name in het kader van de verwezenlijking van de doelstellingen van haar ontwikkelingsbeleid; overwegende dat ontwikkelingshulp een essentieel instrument is, en dat de uiteenlopende wijzen waarop dit instrument wordt ingezet moeten worden geoptimaliseerd om die vele mondiale uitdagingen het hoofd te kunnen bieden;

L.  overwegende dat de migratiecrisis niet alleen de internationale hulpbeginselen en -doelstellingen onder zware druk heeft gezet, maar ook heeft laten zien dat het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten meer uniform en onvoorwaardelijk moet worden toegepast;

M.  overwegende dat de huidige migratiecrisis het feit dat de migratiegolven zullen aanhouden, als gevolg van grote demografische veranderingen die verschillende antwoorden vereisen, niet in de schaduw mag stellen;

N.  overwegende dat er behoefte is aan een nieuwe benadering van de ACS-landen en de LGO's, met nieuwe financiële stimulansen en instrumenten;

O.  overwegende dat er hernieuwde aandacht moet zijn voor het feit dat veel ACS-landen kleine eilandstaten in ontwikkeling zijn; overwegende dat eilanden, en met name ACS-eilanden, een nieuwe internationale rol spelen, vooral als gevolg van internationale onderhandelingen over klimaatverandering;

P.  overwegende dat een aantal LGO's in dezelfde regio's ligt als de ACS-landen; overwegende dat de LGO's voor dezelfde mondiale uitdagingen staan, maar anders dan de ACS-landen deel uitmaken van de Europese familie en daarom meer aandacht moeten krijgen bij de verstrekking van middelen; overwegende dat de zeer kleine omvang van de LGO's en de grondwettelijke band tussen de LGO's en de Unie specifieke kenmerken zijn waarmee rekening dient te worden gehouden;

Q.  overwegende dat de directoraten-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling en Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling van de Commissie in september 2013 een memorandum van overeenstemming hebben ondertekend om de samenwerking tussen de ultraperifere regio's, de LGO's en de ACS-landen te intensiveren;

R.  overwegende dat het externe optreden van de Unie verloopt via internationale organisaties die ofwel uitvoering geven aan fondsen van de Unie, ofwel samen met de Unie projecten cofinancieren, wat soms een uitdaging met zich mee kan brengen op het gebied van overzicht en beheer;

S.  overwegende dat de betrokkenheid van de Unie gedifferentieerd en voorwaardelijk moet zijn, afhankelijk van meetbare vooruitgang op diverse terreinen zoals democratisering, mensenrechten, goed bestuur, duurzame sociaaleconomische ontwikkeling, de rechtsstaat en corruptiebestrijding, en dat zij, waar nodig, assistentie moet bieden om vooruitgang te boeken;

T.  overwegende dat een regelmatige en diepgaande politieke dialoog van essentieel belang is om een groter gevoel van eigenaarschap in de ACS-landen en de LGO's en een groter vermogen om beleidsdoelstellingen aan te passen, tot stand te brengen;

U.  overwegende dat samenhang tussen elk beleid van de Unie en de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie van fundamenteel belang is;

V.  overwegende dat het van fundamenteel belang is om de zichtbaarheid van de Unie te vergroten en de waarden van de Unie uit te dragen in alle vormen van ontwikkelingshulp;

W.  overwegende dat vereenvoudiging van uitvoeringsprocessen een belangrijke factor is voor het verbeteren van de doeltreffendheid van hulp;

X.  overwegende dat duurzaamheid een cruciaal element is voor het vergroten van de algehele doeltreffendheid van ontwikkelingshulp door het gestaag volgen van de effecten via alle steunverleningsmodaliteiten;

Y.  overwegende dat ondersteuning op bestuurlijk gebied door de Unie een belangrijk bestanddeel van ontwikkelingshulp is met het oog op het genereren van doeltreffende bestuurlijke hervormingen;

Z.  overwegende dat begrotingssteun weliswaar een belangrijke rol kan spelen bij het stimuleren van verandering en het aanpakken van de belangrijkste uitdagingen op ontwikkelingsgebied, maar ook een aanzienlijk fiduciair risico met zich meebrengt en alleen moet worden verleend als er sprake is van voldoende transparantie, traceerbaarheid, verantwoording en doeltreffendheid, samen met een bewezen gedrevenheid bij beleidshervormingen; overwegende dat begrotingssteun voornamelijk geschikt is voor kleine en geïsoleerde gebieden, zoals ACS-eilanden;

AA.  overwegende dat transparantie en verantwoording voorwaarden zijn voor democratische controle, alsmede voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp;

AB.  overwegende dat het beheer van administratieve kosten voortdurend moet worden gemonitord, in alle omstandigheden en voor alle hulpmodaliteiten;

AC.  overwegende dat illegale financiële stromen in ontwikkelingslanden de armoede verergeren;

AD.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit haar oproep tot het opnemen van het EOF in de algemene begroting van de Unie heeft herhaald om de zichtbaarheid van en de democratische controle op het EOF en het ontwikkelingsbeleid in het algemeen te verbeteren;

AE.  overwegende dat blijvende steun onder de burgers van de Unie voor ontwikkelingsbeleid maximale transparantie, goed bestuur en goede prestaties vereisen;

Betrouwbaarheidsverklaring

Financiële uitvoering in 2015

1.  merkt op dat de uitgaven in 2015 betrekking hadden op vier EOF's, met name het achtste EOF, voor een bedrag van 12 480 miljoen EUR, het negende EOF, voor een bedrag van 13 800 miljoen EUR, het tiende EOF, voor een bedrag van 22 682 miljoen EUR en het elfde EOF, voor een bedrag van 30 506 miljoen EUR; merkt op dat in het elfde EOF 29 089 miljoen EUR is toegewezen aan de ACS-landen en 364,5 miljoen EUR aan de LGO's, en dat van deze twee bedragen respectievelijk 1 134 miljoen EUR en 5 miljoen EUR bestemd is voor de ACS-investeringsfaciliteit van de EIB; merkt op dat 1 052,5 miljoen EUR verband houdt met de uitgaven van de Commissie voor de programmering en uitvoering van de EOF's;

2.  stelt vast dat deze middelen worden gebruikt voor projecten en begrotingssteun op basis van de volgende vier modaliteiten: 42 % van de betalingen werd verricht onder direct beheer, waarvan 24 % in het kader van begrotingssteun; merkt op dat de overige 58 % werd verricht onder indirect beheer, waarvan 31 % via internationale organisaties, 24 % via derde landen en 3 % via nationale organen van de EU-lidstaten;

3.  merkt met bezorgdheid op dat een deel van de uitgaven in 2015 nog afkomstig is uit het achtste EOF, dat in 1995 van start is gegaan;

4.  is ingenomen met de inspanningen van EuropeAid in 2015 met betrekking tot de globale nettovastleggingen in 2015, waarvan 5 034 miljoen EUR het gevolg is van de inwerkingtreding van het elfde EOF, waardoor de middelen voor vastleggingen met 27 839 miljoen EUR toenamen; merkt op dat het elfde EOF invloed heeft gehad op de uitvoeringspercentages van de uitstaande vastleggingen, die afnamen van 98 % tot 69,7 % voor globale vastleggingen en van 91,2 % tot 63,5 % voor individuele vastleggingen;

5.  betreurt dat het gebrek aan betalingskredieten waarmee de Commissie in 2015 werd geconfronteerd, heeft geleid tot een moeilijke begrotingssituatie voor ontwikkelingssamenwerking, die de totale prestaties van de fondsen heeft geschaad, met name door de overdracht van 483 miljoen EUR naar 2016 en de betaling van een geschat bedrag van 1 miljoen EUR aan rente wegens te late betaling; verwelkomt de inspanningen van de Commissie om de continuïteit van ontwikkelingshulp te waarborgen en de negatieve gevolgen van de bestaande betalingstekorten te beperken;

6.  wijst tevens, voor het hele verantwoordelijkheidsgebied van de Commissie, op de doorlopende inspanningen van de Commissie om de aantallen oude voorfinancieringen (39 % bereikt, bij een doelstelling van 25 %), oude niet-afgewikkelde vastleggingen of oude uitstaande verplichtingen ("reste à liquider") (46 % bereikt, bij een doelstelling van 25 %) en openstaande verlopen contracten terug te dringen, zij het met minder bevredigende resultaten voor die laatste binnen de EOF's; spoort de Commissie aan om door te gaan met het verminderen van het aandeel aan verlopen contracten binnen de EOF's;

Betrouwbaarheid van de rekeningen

7.  is ingenomen met het oordeel van de Rekenkamer in haar jaarverslag over de door het achtste, negende, tiende en elfde EOF gefinancierde activiteiten voor het boekjaar 2015 dat de definitieve jaarrekening een in elk materieel opzicht een getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF's per 31 december 2015 geeft en dat de resultaten van hun verrichtingen, van hun kasstromen en van de veranderingen in de nettoactiva over het op die datum afgesloten jaar in overeenstemming zijn met de bepalingen van het financieel reglement van het EOF en de boekhoudregels op basis van internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de publieke sector;

8.  is verheugd over de actie die de Commissie heeft ondernomen om het probleem van de inning van rente op voorfinancieringen van meer dan 750 000 EUR en van rente op voorfinancieringen van 250 000 EUR tot 750 000 EUR op te lossen, die heeft geresulteerd in de correcte opname van 2,5 miljoen EUR aan ontvangen rente in de financiële staten voor 2015; verzoekt de Commissie om ook de situatie van gevallen onder het bedrag van 250 000 EUR in ogenschouw te nemen;

9.  betreurt, in het kader van het beheer van terugvorderingsopdrachten, de onjuiste boeking van operationele ontvangsten ten belope van 9,6 miljoen EUR die overeenkomen met niet-uitgegeven voorfinanciering;

10.  betreurt dat een bedrag van 29,6 miljoen EUR aan terugvorderingen in het kader van het achtste, negende, tiende en elfde EOF is geannuleerd als gevolg van coderingsfouten, correcties of wijzigingen; verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de 15,8 miljoen EUR waarvoor nog steeds gerechtelijke procedures lopen;

11.  is ernstig bezorgd dat van een invorderingsopdracht van 1 miljoen EUR, een bedrag van 623 000 EUR werd kwijtgescholden na een minnelijke schikking tussen de Commissie en de debiteur(30); wijst op de samenhang met Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(31) van de Raad (Financieel Reglement) en op het beginsel van evenredigheid bij terugvorderingen; benadrukt echter dat het geld van de belastingbetalers in het geding is en dat de middelen daarom zo goed mogelijk beschermd moeten worden;

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

12.  is verheugd over het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen voor het begrotingsjaar 2015 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

13.  betreurt dat in het verslag van de Rekenkamer wordt geschat dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor uitgavenverrichtingen van het achtste, negende, tiende en elfde EOF identiek is gebleven aan het foutenpercentage voor 2014, dat 3,8 % bedroeg, en hoger is dan dat voor 2013 (3,4 %) en 2012 (3 %); verzoekt de EIB en de Commissie een actieplan op te stellen om de stijging van het aantal materiële fouten om te zetten in een daling en dit plan voor te leggen aan de kwijtingsautoriteit.

14.  uit zijn bezorgdheid over het oordeel van de Rekenkamer ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen die fouten van materieel belang vertonen; maakt zich zorgen over de resultaten van de steekproef van betalingsverrichtingen, waaruit blijkt dat van de 140 betalingen er 35 (25 %) fouten vertoonden; wijst erop dat bij internecontrolesystemen en de verificatie van de doeltreffendheid daarvan niet alleen de Commissie en de delegaties van de Unie in de begunstigde landen betrokken zijn, maar ook andere actoren, zoals de nationale ordonnateurs die zijn aangewezen door de ACS-landen waar vaak tekortkomingen in de controles zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie deze kwetsbare institutionele en administratieve capaciteiten te ondersteunen en te versterken;

15.  maakt zich zorgen over het feit dat de typen fouten die ten grondslag liggen aan het foutenpercentage van 3,8 % voor 2015 dezelfde zijn als in 2014, d.w.z. het ontbreken van bewijsstukken (met een totaalbedrag voor deze foutencategorie van 3 692 833 miljoen EUR) en niet-naleving van de aanbestedingsregels (met een totaalbedrag voor deze foutencategorie van 1 176 140 miljoen EUR), die samen verantwoordelijk zijn voor 70 % van het geschatte foutenpercentage (tegen 63 % in 2014); verzoekt de EIB en de Commissie meer inspanningen te verrichten om zowel de controles vooraf als achteraf van de financieringsprojecten te verbeteren, teneinde de bedragen van de fouten in categorieën als "ontbreken van bewijsstukken" en "niet-naleving van de aanbestedingsregels" aanzienlijk te verlagen;

16.  geef voorts uiting aan zijn jarenlange zorgen over de zwakte van de controles vooraf, aangezien 16 van de 28 definitieve verrichtingen die vooraf waren gecontroleerd vervolgens werden goedgekeurd terwijl er in de controles vooraf kwantificeerbare fouten waren vastgesteld; betreurt dat het merendeel van de vastgestelde fouten, net als in voorgaande jaren, betrekking heeft op programmaramingen, subsidies en samen met internationale organisaties beheerde verrichtingen; verzoekt de Commissie derhalve meer aandacht te besteden aan controles vooraf om de wettigheid en regelmatigheid van de uitvoering van het EOF te waarborgen; wijst erop dat de aard van de begrotingssteun de beoordeling van het feitelijke foutenpercentage van uitbetalingen van begrotingssteun beperkt, zodat transacties kwetsbaar zijn voor fouten;

17.  benadrukt het inherente risico verbonden aan de hypothetische benadering, die inhoudt dat de bijdragen van de Commissie aan multidonorprojecten worden verklaard vrij van fouten te zijn, wanneer zij samengevoegd worden met die van andere donoren en niet zijn geoormerkt voor specifiek aanwijsbare uitgavenposten, omdat de Commissie aanneemt dat de subsidiabiliteitsregels van de Unie zijn nageleefd zolang de samengevoegde hoeveelheid voldoende subsidiabele uitgaven bevat om de bijdrage van de Unie te dekken;

18.  is bezorgd dat de hypothetische benadering het werk van de Rekenkamer aanzienlijk belemmert, vooral gezien het feit dat voor het begrotingsjaar 2015 een bedrag van 763 miljoen EUR werd uitbetaald via begrotingssteun, neerkomend op 24 % van de EOF-uitgaven in 2015;

19.  dringt er bij de Commissie op aan om deze tekortkomingen in verband met de controles vooraf met spoed te corrigeren, en merkt op dat de Commissie in haar informatiesystemen over voldoende informatie beschikte om de kwantificeerbare fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren alvorens de uitgaven te doen, met een direct positief effect op het geschatte foutenpercentage, dat 1,7 procentpunt lager zou zijn uitgevallen;

20.  merkt op dat 89,9 miljoen EUR is teruggevorderd in verband met de terugbetaling van onverschuldigde betalingen wegens onregelmatigheden en fouten;

Componenten van het betrouwbaarheidskader

21.  is ingenomen met de verschuiving van algemene naar gedifferentieerde voorbehouden, zoals het Parlement had gevraagd in zijn eerdere resoluties over het EOF, namelijk i) één thematisch voorbehoud betreffende de twee uitgaventerreinen met een hoog risico, te weten subsidies in direct beheer (18 % van het totale in 2015 betaalde bedrag) en indirect beheer met internationale organisaties; en ii) een specifiek voorbehoud betreffende de Vredesfaciliteit voor Afrika;

22.  neemt kennis van de door de Commissie ondernomen acties ten aanzien van de twee terreinen met een hoger risico, en verzoekt de Commissie om over de uitvoering van die acties verslag uit te brengen aan het Parlement;

23.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van haar activiteitsgestuurde begroting verder te verfijnen om een toereikend niveau van sectorale betrouwbaarheid te waarborgen; vraagt in dit verband om een evaluatie van de risico's en kwetsbaarheden van indirect beheer;

24.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de riskante aard van indirect beheer, vooral als gevolg van het gebrek aan traceerbaarheid van middelen wanneer deze door het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van de Commissie worden uitbetaald aan lokale actoren en onderaannemers;

25.  beoordeelt de verbetering van de toezichtsinstrumenten voor de opvolging van de bevindingen van externe controles als positief; verwelkomt de nieuwe controleapplicatie en het kwaliteitsraster die door de Commissie zijn ontwikkeld en steunt de aanbeveling van de Rekenkamer om deze instrumenten te verbeteren;

26.  is ingenomen met het feit dat voor het vierde achtereenvolgende jaar een onderzoek naar het restfoutenpercentage (RFP) is uitgevoerd, en dat dit binnen de strategie voor controle, monitoring en audit een belangrijk instrument is geworden;

27.  benadrukt dat het RFP wordt berekend door van de jaarlijkse foutenpercentages van de auditautoriteiten de meerjarige financiële correcties af te trekken die op nationaal en Unieniveau worden doorgevoerd;

28.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat het RFP van 2015 voor contracten die waren gesloten en opgenomen in het jaarlijkse activiteitenverslag werd geschat op 2,2 %, wat nog altijd boven de materialiteitsdrempel van 2 % ligt, en overeenkomt met circa 174 miljoen EUR, met inbegrip van 98 miljoen EUR voor de EOF's;

29.  verzoekt de Commissie om hoge methodologische normen te blijven hanteren bij haar beoordeling van het RFP en om de financiële correcties door de lidstaten uitgebreid te monitoren en te handhaven;

30.  vraagt aandacht voor het feit dat er evenwicht nodig is tussen absorptie, naleving en prestaties en dat dit tot uiting moet komen in het beheer van de verrichtingen;

31.  verwelkomt de vermindering van de geschatte controlekosten van het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van de Commissie van 371 miljoen EUR in 2014 tot 293 miljoen EUR in 2015 en moedigt de Commissie aan om de kosteneffectiviteit van de controles door het directoraat-generaal verder te verbeteren en daarbij te zorgen voor een zo laag mogelijk aantal fouten;

32.  verzoekt de Commissie om in haar evaluaties vooraf en achteraf instrumenten voor de beoordeling van beheer en resultaten op te nemen overeenkomstig het initiatief van de Commissie voor een resultaatgerichte begroting, gericht op het analyseren van de effecten van ander extern Uniebeleid en -optreden op de situatie van de begunstigde landen;

Risico's van een resultaatgerichte benadering van de EU-ontwikkelingssamenwerking

33.  wijst erop dat de Commissie de analyses heeft geïntegreerd in het beheer van haar externe operaties, die worden uitgevoerd in een complexe en verre van stabiele omgeving met tal van soorten risico's en partnerlanden met verschillende ontwikkelingsniveaus en bestuurskaders;

34.  wijst op de noodzaak om het gebruik van terminologie betreffende langetermijnresultaten (outputs, resultaten en effecten) te verbeteren, en op het belang van het formuleren van echte en duurzame Smart-doelstellingen voordat een besluit over de financiering van de verschillende projecten wordt genomen; benadrukt dat het noodzakelijk is extra aandacht te besteden aan het formuleren van "haalbare en realistische" doelstellingen om te voorkomen dat de oorspronkelijke doelstellingen weliswaar door partnerlanden worden verwezenlijkt maar dat dit geen noemenswaardige resultaten oplevert op het gebied van ontwikkeling; herhaalt dat bij de beoordeling van ontwikkelingsdoelstellingen rekening moet worden gehouden met sociale en milieuaspecten, alsmede met economische aspecten;

35.  meent dat de nadruk niet mag liggen op het resultaat van de begrotingsuitvoering als enige beheerdoelstelling, omdat dit het beginsel van goed financieel beheer en het behalen van resultaten kan schaden; is van mening dat een op stimulansen gebaseerde aanpak die stoelt op een systeem van "positieve voorwaardelijkheid", met stimulansen voor goed presterende begunstigden en strengere controles voor slecht presterende begunstigden, gekoppeld moet zijn aan specifieke en strikte prestatie-indicatoren, zodat een kwantificeerbare aanpak mogelijk wordt voor het evalueren van tekortkomingen en behaalde doelstellingen;

36.  benadrukt met klem dat een stelsel gebaseerd op "positieve voorwaardelijkheid" zonder uitzondering moet aansluiten bij het voorzorgbeginsel;

37.  herinnert eraan dat de regelmatige monitoring en inventarisering van hogerisicofactoren (externe, financiële en operationele) en de kwantificering ervan, van de identificatie- tot de uitvoeringsfase, niet alleen van essentieel belang zijn voor een goed financieel beheer en de kwaliteit van de uitgaven, maar ook om de geloofwaardigheid, de duurzaamheid en de reputatie van het optreden van de Unie te waarborgen; is van mening dat de invoering van risicoprofielen voor activiteiten en landen ook bijdraagt aan de ontwikkeling van een snelle risicobeperkingsstrategie voor het geval de situatie in een partnerland verslechtert;

38.  onderstreept de noodzaak om de controle- en de risicobeheersingsfuncties regelmatig aan te passen teneinde rekening te houden met de opkomst van nieuwe bijstandsinstrumenten en faciliteiten als gecombineerde ("blended") financiering, trustfondsen en financiële partnerschappen met andere internationale instellingen, en ook wanneer begunstigde landen profiteren van verschillende typen steunverlening;

39.  is van mening dat de ontwikkeling van de capaciteitsopbouw, bestuurskaders en betrokkenheid van de partnerlanden een rol speelt om systeemrisico's te beperken, het mogelijk te maken dat de middelen hun beoogde doelen bereiken en te voldoen aan de eisen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid, en tevens rekening te houden met milieu-, kwaliteits- en ethische aspecten; moedigt de Commissie in dit verband aan verder onderzoek te doen naar de mogelijkheid en risico's van het gebruik van lokale accountantsfirma's en lokale dienstencontracten, waarbij volledige transparantie en controleerbaarheid gewaarborgd is;

40.  wijst erop dat het Financieel Reglement het mogelijk maakt dat begunstigden gebruikmaken van de diensten van lokale accountantsfirma's; is echter uiterst bezorgd over de tekortkomingen van het managementinformatiesysteem van EuropeAid wat betreft de resultaten en de follow-up van externe controles, als aangegeven door de Rekenkamer in verband met de kwijtingsprocedure voor 2014 van het EOF; dringt bij directoraat-generaal voor Internationale Samenwerking en ontwikkeling aan op de invoering van een kwaliteitsraster voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van de controles, alsmede voor audits en uitgavenverificaties verricht door lokale accountantsfirma's die rechtstreeks door de begunstigden zijn gecontracteerd, waarbij het risico van te lage kwaliteit als hoger wordt beoordeeld en de audit- en verificatieverslagen onvoldoende informatie bevatten over de feitelijke stappen die zijn ondernomen om het huidige raster op doeltreffende wijze te gebruiken;

Verbeteren van de doeltreffendheid van de hulp uit het EOF

41.  onderstreept dat om ontwikkelingshulp geloofwaardig te laten zijn, met name wat de gebruikte instrumenten, de steunverleningsmethoden en de betrokken fondsen betreft, het van essentieel belang is dat de toegevoegde waarde van de hulp en de dankzij de hulp bereikte resultaten kunnen worden aangetoond, maar ook de samenhang tussen het extern beleid en optreden van de Unie en de doelstellingen van de ontwikkelingshulp, met name de doelstellingen voor sociale ontwikkeling, bescherming van de mensenrechten en milieubescherming;

42.  herinnert eraan dat de doeltreffendheid van hulp, het eigenaarschap van het partnerland van de ontwikkelingsresultaten en het gebruik van de bestuurskaders van de partnerlanden richtsnoeren zijn waarvan de toepassing op regelmatige basis moet worden verfijnd;

43.  onderstreept dat het essentieel is dat de wijze waarop projecten worden uitgevoerd, wordt aangepast aan de in elk afzonderlijk geval en elk afzonderlijk project nagestreefde doelstellingen; is van mening dat betere resultaten op het gebied van doelmatigheid kunnen worden verwezenlijkt door projecten te ondersteunen waarvan de omvang wordt aangepast aan eerder geformuleerde doelstellingen, die leiden tot concrete en identificeerbare resultaten en die zijn gericht op duurzame ontwikkeling van lokale gemeenschappen;

44.  is van mening dat voor infrastructuurprojecten die zijn gefinancierd door het EOF een onafhankelijke ex-antebeoordeling waarbij rekening wordt gehouden met de sociale en milieugevolgen en de meerwaarde van de projecten van essentieel belang is; is van mening dat voor het nemen van financieringsbesluiten een deugdelijke kosten-batenanalyse uitgevoerd moet worden, en dat projecten alleen gefinancierd moeten worden indien ze op milieu-, financieel of sociaal gebied niet controversieel zijn;

45.  herinnert eraan dat het uithollen van het toezicht op de uitvoering en van de evaluatie van resultaten schadelijk is voor de doelstellingen van openbare verantwoording en voor een voldoende omvattende voorlichting van de beleidsmakers; wijst erop dat het absoluut noodzakelijk is dat het Parlement een duidelijk beeld krijgt van de mate waarin de voornaamste doelstellingen van de Unie daadwerkelijk zijn verwezenlijkt; benadrukt het belang van een evenwichtiger benadering met minder vertrouwelijkheid en meer transparantie, in het bijzonder met betrekking tot de toezichtverslagen voor externe steun;

46.  is van mening dat een beoordeling van de risico's die inherent zijn aan de keuze van een specifieke uitvoeringswijze, van cruciaal belang is alvorens financiële middelen van de Unie worden vastgelegd, en ook bij het bepalen van de verwachte resultaten; is van mening dat het combineren van projecten, zowel wat onderwerp als wat het type uitvoering betreft, essentieel is voor de doeltreffendheid van steun uit het EOF;

47.  is van mening dat meer steun voor technische en administratieve middelen noodzakelijk is voor het verbeteren van de doeltreffendheid van steun uit het EOF, in het bijzonder met betrekking tot de complexiteit van de regelgeving, aangezien het Financieel Reglement van toepassing op het EOF geen op zichzelf staand document is en gebruikt moet worden in samenhang met andere rechtsbronnen, wat een aanzienlijk risico op onzekerheid en fouten met zich meebrengt;

48.  is van mening dat vereenvoudiging van de regels inzake de toewijzing van middelen noodzakelijk is om te komen tot een beter gebruik van de middelen en een grotere doeltreffendheid van de steunverlening; spoort de Commissie aan om een begin te maken met het vereenvoudigen van de regels inzake de toewijzing van middelen en om lokale partners te ondersteunen bij de uitvoering van de projecten; benadrukt echter dat vereenvoudiging niet ten koste mag gaan van het huidige systeem van controles en afwegingen vooraf en achteraf, dat van wezenlijk belang is voor een omvattend overzicht; benadrukt dat er reeds aanhoudende zwakheden aanwezig zijn in de controles vooraf, een terrein waar vereenvoudiging zorgvuldig moet worden afgewogen tegen de risico's; herinnert de Commissie eraan dat bij het vereenvoudigen van de regels inzake de toewijzing van middelen van de ontwikkelingsfondsen de nadruk moet liggen op het juiste evenwicht tussen een lagere administratieve last en doeltreffende financiële controle;

49.  is van mening dat de vereenvoudiging van de regels voor de toewijzing van middelen er niet toe mag leiden dat kredieten van de doelstellingen en beginselen van de basishandelingen aan iets anders worden besteed, en is van mening dat de verlening van middelen via het trustfonds niet ten koste mag gaan van het EOF en het langetermijnbeleid van de Unie;

Taskforce Kennis, Prestaties en Resultaten

50.  is ingenomen met het eerste verslag over geselecteerde resultaten van projecten in het kader van de lancering van het Unie-kader voor de resultaten op het gebied van internationale samenwerking en ontwikkeling als aanvullende stap van de verbintenis van de Commissie om haar verantwoording te verbeteren en de rapportage over de resultaten van haar lopende projecten te verbreden; is met name geïnteresseerd in de lijst van indicatoren van organisatorische prestaties, die helpen bij het meten en rapporteren van de door partnerlanden en diensten van de Commissie gerealiseerde ontwikkelingseffecten, resultaten en outputs;

51.  acht het nuttig om die informatie als reguliere informatie op te nemen in het komende jaarlijkse activiteitenverslag teneinde de ontwikkeling van de bijdragen van de Unie aan de resultaten op verschillende gebieden van ontwikkelingssamenwerking, zoals beheer van de openbare financiën, goed bestuur en door het samenvoegen van activiteiten bereikte hefboomeffecten, te kunnen volgen;

Beoordeling van door delegaties van de Unie bereikte resultaten

52.  is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt bij de analyse van de door delegaties van de Unie bereikte algehele resultaten, op basis van kernprestatie-indicatoren vergeleken met de doelstellingen die verband houden met de doelmatigheid van interne controle- en auditsystemen en de doeltreffendheid van het beheer van verrichtingen en middelen in 2015;

53.  roept op tot een hoger ambitieniveau in de strategie, het beheer en de verantwoordingsplicht van EOF-middelen; benadrukt dat er een mogelijkheid is om de veerkracht van alle EOF-activiteiten te optimaliseren door de criteria inzake economische en financiële efficiëntie aan te scherpen en de verbeteringen op het gebied van efficiëntie en doeltreffendheid aan te geven die worden weerspiegeld in de beheerprestaties; is van mening dat het opstellen van behoefteanalyses een efficiënte eerste fase is om de uiteindelijke doeltreffendheid van de financiering door de Unie te waarborgen;

54.  erkent het grote belang van de informatie die wordt verstrekt in de 86 toezichtsverslagen externe steun (External Assistance Management Reports) voor de door de Commissie aan te tonen betrouwbaarheid van het beheer van externe steun, evenals de positieve trends die kunnen worden waargenomen in de prestaties van delegaties, aangezien in 2015 20 van de 24 kernprestatie-indicatoren voldeden aan de doelstellingen, tegenover 15 in 2014;

55.  betreurt echter dat 9 van de 86 delegaties de benchmark van 60 % van hun kernprestatie-indicatoren niet hebben gehaald; verzoekt de diensten van de Commissie om de delegaties die de drempel van 60 % recentelijk hebben gehaald of net boven deze drempel zitten, nauwlettend te volgen teneinde de trendanalyse voor delegaties te kunnen verfijnen en consolideren;

56.  verzoekt de diensten van de Commissie om de definitie van kernprestatie-indicatoren en de daarmee samenhangende beoordelingsmethoden regelmatig bij te werken en hun risicobeoordeling verder te ontwikkelen, met name door het opzetten van risicoprofielen (a priori- of outputrisico's) van projecten in de portefeuille van elke delegatie, teneinde beter in staat te zijn in een vroeg stadium alleen levensvatbare projecten te selecteren; raadt met klem aan om een omvattender risicobeoordeling vooraf uit te voeren zodat alleen de meest veelbelovende projecten worden geselecteerd;

57.  verzoekt de Commissie een typologie van de oorzaken van bij de uitvoering van projecten tegengekomen obstakels en problemen te ontwikkelen om onmiddellijk de meest passende oplossingen en corrigerende maatregelen te kunnen vaststellen;

58.  acht het van essentieel belang dat de hoofden van delegaties voortdurend bewust worden gemaakt van hun sleutelrol bij de algehele versterking van de betrouwbaarheid en het beheer van verrichtingen, in het bijzonder met betrekking tot de weging van de verschillende componenten die waarschijnlijk aanleiding zullen geven tot een voorbehoud;

59.  herhaalt met klem dat de verantwoordingsplicht van de Uniedelegaties met personeel van de Europese Dienst voor extern optreden in volle omvang moet worden gewaarborgd; is van oordeel dat dit moet gebeuren in aanvulling op de toezichtverslagen voor externe steun die worden opgesteld en ondertekend door de hoofden van de Uniedelegaties;

60.  is van mening dat de hoofden van de Uniedelegaties duidelijk moeten worden herinnerd aan hun plichten en hun verantwoordelijkheden inzake beheer en toezicht en dat niet alleen aandacht mag uitgaan naar de politieke aspecten van hun taak;

61.  verzoekt de Commissie om onverwijld verslag uit te brengen over de corrigerende maatregelen die worden getroffen wanneer een project drie achtereenvolgende jaren is ingedeeld in de categorie "rood" in verband met kernprestatie-indicator 5 (d.w.z. het percentage projecten met een rood stoplicht voor de voortgang bij de uitvoering) en kernprestatie-indicator 6 (d.w.z. het percentage projecten met een rood stoplicht voor het bereiken van resultaten), teneinde snel de initiële programmeringsdoeleinden te herevalueren, beschikbare middelen te verschuiven naar meer passende projecten en hulpbehoeften, of zelfs te overwegen het project stop te zetten;

62.  wijst op de diplomatieke gevolgen van het stopzetten van projectfinanciering en van de betaling van directe begrotingssteun, maar benadrukt met klem het belang van de bescherming van de financiële belangen van de Unie;

63.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te schenken aan de monitoring van verrichtingen die worden uitgevoerd samen met internationale organisaties, zoals de Verenigde Naties en de VN-organen, de oude uitstaande verplichtingen, met name in de EOF-context, en de betrouwbaarheid van de voor het opstellen van de toezichtverslagen voor externe steun gebruikte gegevens en waarden van het gemeenschappelijk Relex-informatiesysteem;

64.  benadrukt dat de totale middelen voor het achtste, negende, tiende en elfde EOF neerkomen op 76,88 miljard EUR, waarvan 41,98 miljard EUR zijn aangemerkt als betalingen; is zeer verontrust over het feit dat de uitstaande verplichtingen neerkomen op 11,61 miljard EUR en dat het beschikbare saldo aan het einde van 2015 neerkomt op 23,27 miljard EUR;

Resultaatgericht toezicht

65.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er daadwerkelijk een verband bestaat tussen evaluatie en het opstellen van beleid, door alle uit het besluitvormingsproces getrokken lessen in aanmerking te nemen; vraagt de Commissie toereikende managementcapaciteiten toe te wijzen aan de verschillende evaluatieactiviteiten en te zorgen voor voldoende betrouwbaarheid van de systemen van EuropeAid voor evaluatie en resultaatgericht toezicht;

66.  herinnert eraan dat in het kader van het streven van de Commissie naar kwaliteitsborging externe, objectieve en onpartijdige feedback over de prestaties van de steunprojecten en -programma's van de Commissie moet worden gegeven; is van mening dat het van groot belang is om de resultaten van de evaluaties te integreren in het proces van beleids- en politieke evaluatie, om bij te dragen aan het aanpassen van de strategische beleidsdoelstellingen en het verbeteren van de algehele samenhang met andere beleidsmaatregelen van de Unie; acht het aan te raden ervoor te zorgen dat de gefinancierde projecten een eindbeoordeling zullen ondergaan door middel van een onafhankelijke analyse achteraf;

67.  is van mening dat investeren in de analyse en aggregatie van resultaten en bewijs uit verschillende typen evaluaties de Commissie niet alleen helpt om een globaal beeld van trends te krijgen, maar ook om lessen te trekken die uiteindelijk de doeltreffendheid van het evaluatieproces verbeteren en tegelijkertijd een betere onderbouwing voor besluit- en beleidsvorming opleveren;

68.  is van mening dat het op zoveel mogelijk manieren delen van kennis van cruciaal belang is, niet alleen om een evaluatiecultuur te ontwikkelen, maar vooral om een cultuur van doeltreffendheid en resultaatgerichtheid tot stand te brengen;

Begrotingssteunactiviteiten

69.  stelt vast dat in 2015 van de totale betalingen ten belope van 5 746 000 EUR een bedrag van 1 266 440 EUR (of 22 %) werd besteed aan begrotingssteun;

70.  is van mening dat begrotingssteun een hulpmodaliteit is die aansluit op de specifieke kenmerken van ontwikkelingshulp, omdat begrotingssteun het gevoel van eigenaarschap bij landen en de doeltreffendheid van hulp bevordert, waardoor concrete resultaten worden geboekt bij het verwezenlijken van de doelstellingen van ontwikkelingsbeleid; merkt evenwel op dat begrotingssteun een fiduciair risico met zich meebrengt en kan leiden tot onzekerheid over de resultaten en prestaties; verzoekt de Commissie om te zorgen voor een goede benutting van via begrotingssteun verstrekte ontwikkelingshulp, met name door specifieke opleidingen te verzorgen voor en technische bijstand te bieden aan begunstigden;

71.  verwelkomt het jaarverslag inzake begrotingssteun 2016 van de Commissie, waarin de belangrijkste resultatenindicatoren voor 2015 worden geëvalueerd voor alle landen die begrotingssteun van de Unie hebben ontvangen; spoort de Commissie aan om de resultaten van dit verslag op te nemen in het komende jaarlijkse activiteitenverslag;

72.  herinnert aan de noodzaak om bij de controle op begrotingssteun de vier subsidiabiliteitscriteria voortdurend in acht te nemen tijdens de fase voorafgaand aan het sluiten van contracten en bij de ontwikkeling van de verklaarde doelstellingen en overeengekomen verwachte resultaten;

73.  benadrukt dat de bijdrage van begrotingssteun aan de gewenste ontwikkelingsresultaten duidelijk moet worden aangetoond en de beschikbaarstelling ervan afhankelijk moet worden gesteld van een beter beheer van de openbare financiën, een beter democratisch toezicht en een betere verantwoording, alsook van volledige transparantie jegens de nationale parlementen en de burgers van de ontvangende landen; is van mening dat prioriteit moet worden gegeven aan het koppelen van deze steun aan een doeltreffende bestrijding van corruptie in landen die begrotingssteun ontvangen;

74.  ziet de uitbetalingsprestatiecriteria als een kernfactor voor het beheer van begrotingssteunactiviteiten en voor een diepere politieke en beleidsdialoog;

75.  acht het noodzakelijk om de politieke en beleidsdialoog, de voorwaardelijkheid van de steun en het kader voor de logische keten te versterken om ervoor te zorgen dat het besluit en de voorwaarden voor betalingen op elkaar zijn afgestemd door de betalingen duidelijk te koppelen aan de verwezenlijking van resultaten, geselecteerde doelstellingen en vooraf gedefinieerde kernprestatie-indicatoren; verzoekt de diensten van de Commissie om hun toezichtskader dienovereenkomstig te consolideren; verzoekt de Commissie om nauwlettend toe te zien op prestaties en resultaten en daarover meer systematisch verslag uit te brengen;

76.  verzoekt de Commissie om regelmatig verslag uit te brengen van de tenuitvoerlegging van het in 2015 gelanceerde belastinginitiatief van Addis Abeba, in het bijzonder van de geïnitieerde maatregelen om belastingontduiking, belastingontwijking en illegale financiële stromen aan te pakken; is tevens van mening dat effectief bestuur en beheer van openbare financiën, corruptie en fraude de voornaamste risico's zijn die geregeld en grondig moeten worden gecontroleerd;

Ontwikkelen van de toezichtsdimensie van de trustfondsen en blendinginstrumenten

77.  onderkent de redenen voor de ontwikkeling van speciale trustfondsen als instrumenten voor het poolen van financiële middelen van verschillende belanghebbenden met het oog op het vergroten van de flexibiliteit en het versnellen van de reactie van de Unie op belangrijke internationale kwesties, grote crises en noodsituaties; is niettemin van mening dat ook kleinschalige projecten met duidelijk vastgestelde doelstellingen, exploitanten en begunstigden, die concrete resultaten produceren en passen binnen een langetermijnstrategie, deel uit kunnen maken van de reactie van de Unie op deze uitdagingen;

78.  is van mening dat goed moet worden gekeken naar de coherentie en complementariteit van deze nieuwe ontwikkelingsinstrumenten met de EOF's, in het bijzonder met betrekking tot de effecten van hulp, hun beheers- en administratieve kosten, afgezet tegen de totale bijdragen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze nieuwe ontwikkelingsinstrumenten altijd in overeenstemming zijn met de algehele strategie en de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie;

79.  geeft uiting aan zijn zorgen over de veelheid aan trustfondsen en blendingmogelijkheden, die door de lidstaten met aanzienlijke bedragen worden gefinancierd, maar geen deel uitmaken van de begroting van de Unie; wijst met klem op mogelijke vragen over de governance, doeltreffendheid, transparantie en verantwoording ervan; waarschuwt de Commissie voor het risico van uitbesteding en verwatering van de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid; verzoekt de Rekenkamer te helpen bij het beoordelen van de risico's, het verbeteren van de algehele transparantie en controleerbaarheid en het vergelijken van de doeltreffendheid van investeringen via trustfondsen met investeringen via direct of indirect beheer van het EOF;

80.  merkt op dat trustfondsen onderdeel waren van een ad-hocoplossing waaruit blijkt dat het EOF, de begroting van de Unie en het meerjarig financieel kader niet over voldoende middelen en flexibiliteit beschikken om snel en volledig te kunnen inspelen op grote crises; is van mening dat meer tijd nodig is om de doeltreffendheid ervan aan te tonen;

81.  wijst op de oprichting van het noodtrustfonds van de Unie (EUTF) voor Afrika, maar betreurt dat dit zonder voorafgaand overleg met het Parlement is gebeurd, hoewel het Parlement op grond van een politieke toezegging van de Commissie beschikt over versterkte toezichtsbevoegdheden met betrekking tot de EOF-programmering; stelt vast dat 57 % van het oorspronkelijk door de lidstaten en andere donoren (Zwitserland en Noorwegen) toegezegde bedrag voor het EUTF is betaald (d.w.z. 47,142 miljoen EUR); merkt op dat 1,4 miljard EUR uit de EOF-reserve zal worden gebruikt voor het EUTF en dat de totale financiële toezeggingen van de lidstaten slechts 81,492 miljoen EUR (ofwel 4,3 % van de geraamde 1,8 miljard EUR) bedragen; wijst op het voor het Bêkou-trustfonds toegezegde en betaalde bedrag van 34,925 miljoen EUR;

82.  verzoekt de Commissie om omvattende controlemechanismen in te stellen om politieke controle, met name door het Parlement, op de governance, het beheer en de uitvoering van deze nieuwe instrumenten in het kader van de kwijtingsprocedure mogelijk te maken; acht het belangrijk om specifieke toezichtsstrategieën voor deze instrumenten te ontwikkelen, met specifieke doelstellingen, streefdoelen en evaluaties;

83.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over onvoldoende specifieke doelstellingen, het gebrek aan bindende indicatoren en meetbare streefdoelen om de prestaties van de trustfondsen te beoordelen; wenst dat regelingen voor toezicht op prestaties (of resultatenmatrices of -kaders) voor geplande acties verder worden verbeterd, door hierin ook doelstellingen op middellange en lange termijn op te nemen, volledig in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen van de Unie;

84.  is vooral geïnteresseerd in het ontvangen van informatie over de door de bestaande blendingfaciliteiten bereikte hefboomratio's, met een specifieke focus op de toegevoegde waarde en additionaliteit ten opzichte van klassieke Uniesteun;

Versterking van de kaders voor samenwerking met internationale organisaties

85.  stelt vast dat het totaalbedrag van de EOF-interventies die zijn uitgevoerd via indirect beheer met internationale organisaties en ontwikkelingsorganisaties 810 miljoen EUR bedroeg, waarvan 347 miljoen EUR is gekanaliseerd via de Verenigde Naties;

86.  onderkent de toegevoegde waarde van de samenwerking met internationale organisaties in bepaalde specifieke contexten; wijst echter op terugkerende zwakheden, zoals het aantal financiële fouten dat van invloed is op het foutenpercentage, de gebrekkige verslaglegging, het probleem met de verantwoordelijkheid voor de resultaten, en als gevolg daarvan het gebrek aan zichtbaarheid van de Unie als donor, en op de noodzaak om de verwachtingen inzake resultaatgerichtheid en kostenefficiëntie te harmoniseren;

87.  moedigt, met name bij medegefinancierde en door meerdere donoren gesteunde initiatieven, de Commissie en internationale instellingen aan om:

   (i) de toekomstige voordelen van een project en de wijze waarop iedere partner bijdraagt aan de definitieve resultaten en de ruimere gevolgen te beoordelen en te plannen, om vragen over de eigendom van de resultaten te voorkomen, d.w.z. welk deel van de resultaten kan worden toegeschreven aan de financiering van de Unie of aan de activiteiten van andere donoren;
   (ii) de governancekaders te combineren met die van de Unie, met name door hun risicobeheersingsmethoden te verbeteren; is van mening dat nauwlettend moet worden toegezien op de fungibiliteit van middelen, gezien het hoge fiduciair risico dat daaraan is verbonden;
   (iii) de voor alle internationale instellingen gebruikte modellen voor samenwerkingskaders te verbeteren om met name te zorgen voor een grondigere controle op de beheerkosten;
   (iv) te zorgen voor samenhang tussen projecten die binnen een samenwerkingskader met internationale organisaties worden uitgevoerd en de acties en het beleid van de Unie als geheel;

Beheer van de Vredesfaciliteit voor Afrika

88.  merkt op dat de Vredesfaciliteit voor Afrika (APF) het financiële instrument van de Unie is om de samenwerking met Afrika op het gebied van vrede en veiligheid te ondersteunen, en dat voor deze faciliteit in 2015 in totaal 901,2 miljoen EUR is toegezegd, 600 miljoen EUR contractueel is vastgelegd en een totaalbedrag is betaald uit het elfde EOF; merkt op dat circa 90 % van de middelen van de APF wordt beheerd via overeenkomsten die zijn gesloten met de Commissie van de Afrikaanse Unie, het uitvoerend orgaan van de Afrikaanse Unie;

89.  merkt op dat de Commissie geen vertrouwen heeft in de uitvoering van de APF, die al jaren operationeel is; is in dit verband verbaasd over het voorstel van de Commissie om nog meer middelen voor ontwikkelingssamenwerking te heroriënteren naar acties voor veiligheid in Afrika; benadrukt verder dat de financiering van de APF uit het EOF een voorlopige oplossing is die nu al 15 jaar voortduurt; benadrukt dat de middelen voor ontwikkelingssamenwerking in al die jaren een zeer grote financiële bijdrage hebben geleverd aan het veiligheidsbeleid in Afrika, terwijl de Unie volstrekt geen veiligheidsuitgaven besteedt aan ontwikkelingsdoeleinden;

90.  betreurt het feit dat het controlesysteem voor de operationele monitoring van de APF het EOF niet heeft beschermd tegen onwettige en onregelmatige uitgaven, en dat de uitvoering van de beperkende maatregelen niet toereikend was om de vastgestelde institutionele zwakheden te verhelpen; betreurt ook de zwakke punten in de monitoring- en verslagleggingssystemen voor door de APF gefinancierde activiteiten;

91.  geeft uiting aan zijn zorg dat resultaten van de pijlerbeoordeling die is uitgevoerd overeenkomstig de vereisten van het Financieel Reglement niet in aanmerking zijn genomen, namelijk die met betrekking tot de niet-naleving van de boekhoud-, aanbestedings- en subdelegatieprocessen; betreurt het dat er niet sneller corrigerende maatregelen zijn genomen;

92.  verzoekt de Commissie om de governance, de coördinatie en de respectieve verantwoordelijkheden van de betrokken partijen (d.w.z. de diensten van de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de delegaties van de Unie) bij de monitoring van de financiering uit de APF en de verslaglegging over lopende projecten aan te passen;

93.  vraagt de Commissie om te gelegener tijd verslag aan het Parlement uit te brengen over de corrigerende maatregelen, het bedrag aan terugvorderingen en de gerealiseerde verbeteringen in het beheer van middelen door de APF;

Samenwerking met de LGO's

94.  wijst erop dat de EOF's vooral gericht zijn op landen in Afrika en is van mening dat LGO's niet buitenspel gezet mogen worden voor wat betreft de beleidsdoelstellingen; verzoekt de Commissie om meer synergieën met intern en horizontaal beleid van de Unie te verwezenlijken, met concrete deelname door LGO's;

95.  is van mening dat aandacht moet worden besteed aan de prestaties van steunverlening en de effecten van ontwikkelingsbeleid, maar ook aan ander Europees en internationaal beleid ten aanzien van landen die in hetzelfde geografische gebied liggen als LGO's; vraagt dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de specifieke situatie van Mayotte vanwege de statuswijziging in 2014 van LGO naar ultraperifere regio;

96.  verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat de financiering ten goede komt aan alle LGO's op basis van de beginselen gelijkheid en billijkheid; verzoekt de Commissie om het bestuur van LGO's extra te ondersteunen bij de uitvoering van EOF-projecten, met name door middel van opleiding en technische bijstand;

97.  herinnert aan de geografische kenmerken van de LGO's; verzoekt de Commissie om betere integratie van specifieke kernprestatie-indicatoren voor financiering aan LGO's; verzoekt de Commissie tevens om als onderdeel van de uitbreiding van de voorbereidende actie binnen de BEST-regeling (vrijwillige regeling voor diensten op het gebied van biodiversiteit en ecosystemen in landen en gebieden overzee en de ultraperifere regio’s van de Unie) een permanent mechanisme voor te stellen ter bescherming van de biodiversiteit, de ontwikkeling van ecosysteemdiensten en de bestrijding van de gevolgen van klimaatverandering in de LGO’s van de Unie;

98.  verzoekt de Commissie eens te meer om uiterlijk in 2020 een specifiek financieringsinstrument in het leven te roepen voor de landen en gebieden overzee, dat rekening houdt met hun bijzondere status en met het feit dat ze tot de Europese familie behoren;

Reactie van het EOF op dringende mondiale uitdagingen

Het migratievraagstuk en ontwikkelingshulp

99.  herinnert eraan dat het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de Unie het terugdringen en uiteindelijk uitbannen van de armoede is en dat het EOF tot dusver vooruitgang in de ACS-landen en in de LGO's heeft verwezenlijkt; is van mening dat succesvolle ontwikkelingshulp en migratievraagstukken onderling met elkaar zijn verbonden, omdat migratie kan voortkomen uit sociale en economische kwetsbaarheid en het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie kan beginnen bij gerichte ontwikkelingshulp;

100.  neemt kennis van de recente vaststelling van de globale strategie van de Unie om tegen 2030 duurzame ontwikkeling tot stand te brengen, waarmee het verband tussen ontwikkeling en migratie verder wordt geconsolideerd en migratie en veiligheid een plaats krijgen in het nieuwe ontwikkelings- en samenwerkingskader;

101.  herinnert eraan dat het Parlement voorstander is van een holistische aanpak van migratie op basis van een nieuwe beleidsmix, met inbegrip van een sterkere band tussen migratie en ontwikkeling door de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken en tegelijkertijd te pleiten voor een verschuiving in de wijze waarop de aanpak van de migratiecrisis wordt gefinancierd.

102.  wijst erop dat de Unie de steun voor hervormingen van de veiligheidssector heeft verhoogd; is echter van mening dat de Commissie moet waarborgen dat de middelen niet worden ingezet voor versterking van de veiligheid zonder dat tegelijk wordt gezorgd voor een sterkere ondersteuning van democratische hervormingen;

103.  is van mening dat de omvang van de migratiecrisis sneller en doeltreffender optreden en steunverlening noodzakelijk heeft gemaakt; is van mening dat het nuttig is om een passende sectorcode voor "migratie" te ontwikkelen in de OESO-Commissie voor Ontwikkelingsbijstand teneinde migratie beter te integreren in de ontwikkelingsagenda, de codering en het gebruik van middelen te vergemakkelijken en de bedragen voor extern optreden met betrekking tot het bestrijden van de onderliggende oorzaken van migratie beter te kunnen volgen en controleren;

104.  is ingenomen met de voorgenomen lancering van een extern investeringsplan voor Afrika, naar het model van het Europees Fonds voor strategische investeringen, om specifieke knelpunten in investeringen aan te pakken; acht dit een van de geschiktste en doeltreffendste maatregelen voor het verwezenlijken van de langetermijndoelstelling van het Parlement om mensen te voorzien van adequate levensomstandigheden, en daarmee tevens de onderliggende oorzaken van de buitensporige migratie vanuit Afrika aan te pakken;

105.  wijst erop dat met middelen van het EOF een bijdrage wordt geleverd aan de aanpak van de onderliggende oorzaken van de huidige wereldwijde vluchtelingen- en migratiecrisis; onderstreept dat de EOF-middelen niet mogen worden misbruikt voor andere doeleinden dan de in de bepalingen opgenomen doeleinden, zoals veiligheidscontroles aan grenzen en doeltreffende terugkeermaatregelen; roept de Commissie op constructief op te treden om synergieën te verwezenlijken tussen de begroting van de Unie, het EOF en bilaterale samenwerking om vraagstukken op het gebied van migratiecrisispreventie aan te pakken;

106.  dringt erop aan dat het strategisch inzicht en het strategisch kader van het externe migratiebeleid en de beleidsopties van de Unie samen met belangrijke actoren voortdurend worden verfijnd om niet alleen voor duidelijkheid te zorgen maar ook voor een gecoördineerde en coherente inzet van externe migratiemechanismen op de korte, middellange en lange termijn, zowel binnen als buiten het begrotingskader van de Unie;

107.  is van mening dat het van essentieel belang is de vraag naar betere resultaten af te stemmen op de beschikbaarheid van voldoende middelen, teneinde een hoog niveau van ambitie te waarborgen bij de ontwikkeling van een omvattend en duurzaam antwoord op de huidige en toekomstige uitdagingen die het gevolg zijn van de migratiecrisis; is van mening dat de middelen voor het externe migratiebeleid van de Unie doeltreffender moeten worden besteed en moeten voldoen aan de criteria van "toegevoegde waarde" om mensen passende levensomstandigheden te bieden in hun landen van herkomst en andere ACS-landen;

108.  verzoekt alle grote belanghebbende partijen na te denken over en op gepaste wijze om te gaan met het evenwicht tussen de flexibiliteit van de interventies, de complementariteit van de financiële middelen, hun omvang en de nodige hefboomwerking, alsook de mogelijke synergieën en de totale additionaliteit van het optreden van de Unie;

109.  is van mening dat de huidige versnippering van instrumenten, met hun eigen specifieke doelstellingen die niet onderling verweven zijn, een belemmering vormt voor de parlementaire controle op de wijze waarop de financiële middelen worden ingezet en op de vaststelling van verantwoordelijkheden, waardoor het moeilijk is duidelijk te beoordelen welke bedragen daadwerkelijk ter ondersteuning van het extern optreden op het gebied van migratie worden uitgegeven; betreurt dat dit leidt tot een gebrek aan doeltreffendheid, transparantie en verantwoordingsplicht; acht het noodzakelijk dat er opnieuw wordt gefocust op de wijze waarop bestaande beleidsinstrumenten kunnen worden gebruikt, maar wel met een duidelijke en vernieuwde architectuur van de doelstellingen om de algemene doeltreffendheid en zichtbaarheid ervan te verbeteren;

110.  is in dit verband van mening dat de nodige zorg moet worden besteed aan het op passende wijze richten van hulp op verschillende en zich ontwikkelende vraagstukken betreffende externe migratie, terwijl er ook moet worden gezorgd voor adequaat toezicht op de bestede middelen, om het risico van verkeerd gebruik van middelen en dubbele financiering te voorkomen, en andere ACS-landen moeten kunnen blijven profiteren van hulp uit het EOF;

111.  is van mening dat klimaatverandering en de daarmee verbonden uitdagingen, migratie en ontwikkeling onderling sterk met elkaar zijn verbonden; vraagt om een beter inzicht in deze samenhang bij de toewijzing van ontwikkelingshulp en het vaststellen van de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid; verzoekt de Commissie en de EIB om de middelen voor de aanpak van problemen op het gebied van migratie niet simpelweg te verhogen zonder rekening te houden met projecten gericht op aanpassingen aan de klimaatverandering en andere ontwikkelingsprojecten;

Bijdragen van de EIB

112.  merkt op dat in 2015 een bedrag van 936 miljoen EUR werd toegewezen aan ACS-landen en LGO's, en specifiek aan projecten van 15 landen en 6 regionale groeperingen;

113.  steunt de overkoepelende doelstellingen van de ACS-investeringsfaciliteit, d.w.z. ondersteuning van de lokale private sector en de ontwikkeling van werkgelegenheid en sociaaleconomische infrastructuur ten behoeve van duurzame ontwikkeling op lokaal en regionaal niveau, evenals de ontwikkeling van de private sector en essentiële infrastructuur in het kader van het Infrastructuurtrustfonds EU-Afrika;

114.  verwelkomt de inspanningen van de EIB om bij te dragen tot een antwoord van de Unie op kritieke internationale uitdagingen, met name door middel van het ACS-migratiepakket van de EIB en het initiatief voor economische weerstand, dat de Unie en partnerlanden ondersteunt bij het aanpakken van sociaaleconomische uitdagingen die bijdragen tot migratie, als voorafschaduwing van het externe investeringsplan; wijst echter op de aanhoudende uitdaging van een behoorlijke politieke en democratische controle op EIB-activiteiten;

115.  verzoekt de EIB om prioriteit te geven aan het langetermijneffect van investeringen en hun bijdrage aan duurzame ontwikkeling met betrekking tot alle economische, sociale en milieuaspecten daarvan;

116.  spoort de EIB ertoe aan om de ontwikkeling van de lokale particuliere sector, als essentiële speler voor verduurzaming, verder te ondersteunen, om steun te verstrekken voor sociale en economische basisinfrastructuur die van onmiddellijk belang is voor de begunstigden, en om bij te dragen aan het zoeken naar nieuwe lokale en regionale partners op het specifieke gebied van microfinanciering; verzoekt de EIB om de additionaliteit te verhogen, met een betere motivering van het gebruik van de middelen;

117.  verzoekt de EIB ervoor te zorgen dat lopende projecten op regelmatige basis worden gemonitord en dat de oorspronkelijke doelstellingen en criteria daadwerkelijk worden vervuld tijdens de looptijd van het project; is van mening dat de EIB rekening dient te houden met de mogelijke ontwikkeling van een project en van de doelstellingen daarvan;

118.  is ingenomen met het tweede EIB-verslag in 2015 over de resultaten van haar externe activiteiten en het gebruik van het 3 pijler-beoordelingskader (3PA) en het kader voor resultatenmeting (ReM) door de EIB voor de beoordeling vooraf van verwachte resultaten van investeringsprojecten;

119.  is van mening dat het kader voor het meten van de resultaten en prestaties van de investeringsfaciliteit voor elk project de effecten op ontwikkeling moet meten; benadrukt het belang van de gerichtheid op dezelfde doelstellingen en strategieën als het ontwikkelingsbeleid van de Unie; verzoekt de EIB haar activiteiten verder af te stemmen op de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie;

120.  dringt aan op een stelselmatige bekendmaking van de leenovereenkomsten in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit en op grotere transparantie inzake de beslissingen van het bestuur en beleidsdocumenten;

121.  beschouwt de audit van de ACS-investeringsfaciliteit als een goede praktijk van samenwerking en gezamenlijke controle tussen het Parlement en de Rekenkamer; betreurt echter dat in LGO's uitgevoerde projecten en aan LGO's toegewezen middelen niet door de audit worden bestreken; betreurt het feit dat de investeringsfaciliteit niet onder de reikwijdte van de jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer valt en niet is onderworpen aan de kwijtingsprocedure door het Europees Parlement;

Naar de post-Cotonou-overeenkomst

122.  erkent de resultaten die het EOF heeft bereikt en is van mening dat nieuwe denkbeelden moeten worden ingepast om rekening te houden met de veranderingen in het totale landschap van ACS-landen en LGO's bij de ontwikkeling van nieuwe duurzame doelstellingen, met name het verband tussen vrede, humanitaire hulp, klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande uitdagingen, verlies aan biodiversiteit, alsmede migratie;

123.  verwelkomt de gezamenlijke mededeling van het Parlement en de Raad over een nieuw partnerschap met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, die de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid op 22 november 2016 hebben gepubliceerd (JOIN(2016)0052), en roept op tot verdere discussie tussen de instellingen van de Unie over de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en de ACS-landen;

124.  merkt op dat, hoewel de Commissie aanzienlijke vereenvoudigingen in het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting heeft voorgesteld, elk EOF nog steeds een eigen financieel reglement heeft; is van mening dat één enkel financieel reglement het beheer en de uitvoering van de verschillende EOF's minder complex zou maken; benadrukt voorts dat het Parlement reeds lang ijvert voor de opneming van EOF's in de begroting van de Unie;

125.  is van mening dat in de post-Cotonou-overeenkomst moet worden gezorgd voor meer samenhang tussen de ontwikkelingsdoelstellingen en het externe beleid van de Unie, en dat elementen als de bestrijding van ongelijkheden en acties ten behoeve van duurzame ontwikkeling een centrale plaats moeten innemen;

126.  ziet ernaar uit volledig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over de tussentijdse herziening van het 11e EOF, waarbij Agenda 2030 en een nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling in aanmerking moeten worden genomen, maar waarbij ook de beginselen van ontwikkelingseffectiviteit volledig moeten worden geëerbiedigd zoals andermaal bevestigd tijdens het forum op hoog niveau van het mondiaal partnerschap in Nairobi, met name de eigen inbreng van prioriteiten door ontvangende landen;

127.  beveelt aan dat de post-Cotonou-overeenkomst meer behelst dan alleen economische vraagstukken, en ook een doelmatige politieke dialoog bevordert; herinnert eraan dat politieke dialoog een van de sleutelelementen is voor doeltreffende en succesvolle ontwikkelingshulp;

128.  is van mening dat de post-Cotonou-overeenkomst de positie en de participatie van lokale gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld in het algemeen moet verbeteren, met name door het sluiten van lokale partnerschapsovereenkomsten, teneinde een goede projectuitvoering op lokaal niveau te waarborgen, in het bijzonder in het kader van indirect beheer;

129.  vraagt om erkenning van de effecten van klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande uitdagingen en verlies aan biodiversiteit op alle ontwikkelingsfactoren; is van mening dat de post-Cotonou-overeenkomst meer moet worden gefocust op de duurzame ontwikkeling van begunstigde landen, en met name op binnenlandse energie-efficiëntie;

130.  verzoekt de Commissie de eilanddimensie in het ontwikkelingsbeleid te erkennen en verder te ontwikkelen en een specifiek instrument voor kleine eilandstaten in ontwikkeling te creëren, waardoor een betere toewijzing van middelen, betere prestaties en aangepaste controle mogelijk wordt;

131.  verzoekt de Commissie vooraf te beoordelen en systematischer te rapporteren over de effecten van ontwikkelingsbeleid op de landen en regio's die in hetzelfde geografische gebied liggen, om meer synergieën tussen alle in deze regio's beschikbare fondsen te creëren;

132.  wijst eens te meer op de steun van het Parlement voor opname van het EOF in de algemene begroting om de democratische controle en verantwoording, de effectiviteit, de transparantie en de zichtbaarheid bij het gebruik van de EOF's te verbeteren; onderstreept voorts dat opname in de begroting zou leiden tot lagere transactiekosten en eenvoudigere verslagleggingsvereisten en boekhoudkundige regels, omdat er maar één reeks administratieve regels en besluitvormingsstructuren zou gelden in plaats van twee;

Follow-up van de resoluties van het Parlement

133.  verzoekt de Rekenkamer om in haar volgende jaarverslag een evaluatie op te nemen van de follow-up van de aanbevelingen van het Parlement in zijn jaarlijkse kwijtingsresolutie.

(1) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 287.
(2) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 297.
(3) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(4) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(5) PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.
(6) PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.
(7) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.
(8) PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.
(9) PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.
(10) PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.
(11) PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.
(12) PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.
(13) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.
(14) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 287.
(15) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 297.
(16) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(17) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(18) PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.
(19) PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.
(20) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.
(21) PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.
(22) PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.
(23) PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.
(24) PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.
(25) PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.
(26) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.
(27) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(28) PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.
(29) Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
(30) Mededeling CAB D(2016) Ares 06675546.
(31) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europees Parlement
PDF 432kWORD 79k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement (2016/2152(DEC))
P8_TA(2017)0146A8-0153/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0270/2016)(2),

–  gezien het verslag over het begrotings- en financieel beheer voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement(3),

–  gezien het jaarverslag van de intern controleur voor het begrotingsjaar 2015,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 164, 165 en 166,

–  gezien het besluit van het Bureau van 16 juni 2014 over de interne voorschriften voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement(7), en met name artikel 22,

–  gezien artikel 94, artikel 98, lid 3, van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0153/2017),

A.  overwegende dat de Voorzitter de jaarrekening van het Parlement voor het begrotingsjaar 2015 op 4 juli 2016 heeft goedgekeurd;

B.  overwegende dat de secretaris-generaal, als gedelegeerd hoofdordonnateur, op 24 juni 2016 heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben dat de aan de begroting van het Parlement toegewezen middelen zijn gebruikt voor het beoogde doel en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en dat de vastgestelde controleprocedures de nodige garanties bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen;

C.  overwegende dat de Rekenkamer in haar audit stelde dat zij in haar specifieke beoordeling van de administratieve en andere uitgaven in 2015 geen ernstige tekortkomingen heeft geconstateerd in de onderzochte jaarlijkse activiteitenverslagen en interne controlesystemen van de instellingen en organen als vereist bij Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012;

D.  overwegende dat op grond van artikel 166, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 elke instelling van de Unie verplicht is alles in het werk te stellen om gevolg te geven aan de opmerkingen waarvan het kwijtingsbesluit van het Europees Parlement vergezeld gaat;

1.  verleent zijn Voorzitter kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement (2016/2152(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling I – Europees Parlement,

–  gezien artikel 94, artikel 98, lid 3, en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0153/2017),

A.  overwegende dat de rekenplichtige van het Europees Parlement in zijn certificering van de definitieve rekeningen aangeeft ervan overtuigd te zijn dat deze een getrouw en juist beeld geven van de financiële positie van het Parlement in alle materiële aspecten en dat er geen zaken onder zijn aandacht zijn gebracht die het maken van een voorbehoud rechtvaardigen;

B.  overwegende dat overeenkomstig de gebruikelijke procedure 129 vragen aan de administratie van het Parlement zijn gestuurd, en dat de schriftelijke antwoorden door de Commissie begrotingscontrole (CONT) zijn ontvangen en in het openbaar zijn besproken in aanwezigheid van de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de intern controleur;

C.  overwegende dat toezicht, met name in de vorm van de jaarlijkse kwijtingsprocedure, noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het politiek leiderschap en de administratie van het Parlement verantwoording afleggen ten aanzien van de burgers van de Unie; overwegende dat de kwaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid van het beheer van de overheidsfinanciën voortdurend kunnen worden verbeterd; overwegende dat het beginsel van op resultaten gebaseerde budgettering en goed bestuur van personele middelen kernelementen moeten zijn wanneer de begroting wordt uitgevoerd;

Toezicht op het begrotings- en financieel beheer van het Parlement

1.  merkt op dat het formele toezicht op het begrotings- en financieel beheer van het Parlement bestaat uit vier hoofdonderdelen:

   a) de certificering van de definitieve rekeningen door de rekenplichtige van het Parlement;
   b) de jaarverslagen van de intern controleur en diens advies inzake het interne controlesysteem;
   c) de beoordeling van de administratieve en andere uitgaven van alle instellingen van de Unie, inclusief het Parlement, door zijn externe controleur, de Rekenkamer; en
   d) de door CONT voorbereide kwijtingsprocedure, die moet leiden tot het besluit tot verlening van kwijting aan de Voorzitter van het Parlement;

2.  stelt vast dat het jaarverslag van de interne controleur bevindingen bevat die gebaseerd zijn op specifieke controlewerkzaamheden; streeft ernaar het begrotings- en financieel beheer te verbeteren, doch geen alomvattend beeld te geven van het begrotings- en financieel beheer van het Parlement; stelt tegelijkertijd vast dat in het verslag van de Rekenkamer de resultaten worden gegeven van slechts een kleine steekproef (16 verrichtingen) voor wat betreft de verrichtingen van het Parlement;

3.  begrijpt dat het over het algemeen lage foutenpercentage met betrekking tot de administratieve uitgaven een verklaring kan zijn voor het feit de Rekenkamer betrekkelijk weinig aandacht heeft besteed aan de verrichtingen van het Parlement;

4.  wijst er echter op dat het foutenpercentage weliswaar opmerkelijk laag is, maar dat het gevaar voor reputatieschade relatief groot is, aangezien dergelijke financiële en begrotingsfouten een negatieve invloed kunnen hebben op het imago van de instelling;

5.  voegt hieraan toe dat meer recentelijk, als gevolg van de algemene behoefte aan resultaatgericht begroten, kwijtingen niet beperkt dienen te blijven tot het opsporen van onregelmatigheden, maar ook concrete prestaties en resultaten moeten meten, en dat ook dit in het geval van het Parlement bijzonder belangrijk is, aangezien een gebrek aan resultaten een rechtstreekse impact heeft op de reputatie van de instelling;

6.  merkt op dat tegen deze achtergrond het werk van het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedures een mogelijkheid is om de rekeningen van de administratie van het Parlement aan een diepgaander onderzoek te onderwerpen; roept op tot versterking van de interne expertise inzake rekeningen en financiële controle waarvan de rapporteurs gebruik kunnen maken bij de opstelling van hun kwijtingsverslagen;

De rekeningen van het Parlement

7.  stelt vast dat de definitieve kredieten van het Parlement voor 2015 in totaal 1 794 929 112 EUR bedroegen, d.w.z. 19,78 % van rubriek 5 van het meerjarig financieel kader(8) (MFK) voor de administratieve uitgaven van de EU-instellingen als geheel in 2015, en een stijging met 2,2 % vertoonden ten opzichte van de begroting 2014 (1 755 631 742 EUR);

8.  stelt vast dat de totale per 31 december 2015 in de rekeningen opgenomen ontvangsten 176 367 724 EUR bedroegen (tegenover 174 436 852 EUR in 2014), met inbegrip van 27 988 590 EUR aan bestemmingsontvangsten (tegenover 26 979 032 EUR in 2014);

9.  wijst erop dat vier hoofdstukken 71 % van de totale vastleggingen uitmaken: hoofdstuk 10 (Leden van de instelling), hoofdstuk 12 (Ambtenaren en tijdelijke functionarissen), hoofdstuk 20 (Gebouwen en bijkomende kosten) en hoofdstuk 42 (Assistentie aan de leden); merkt op dat dit aangeeft dat de uitgaven van het Parlement worden gekenmerkt door een hoge mate van continuïteit, voor het overgrote deel als gevolg van de bezoldigingen van de leden en het personeel, als aangepast overeenkomstig het Statuut en andere contractuele verplichtingen;

10.  neemt kennis van de onderstaande cijfers, op basis waarvan de rekeningen van het Parlement voor het begrotingsjaar 2015 werden afgesloten:

a)  Beschikbare kredieten (EUR)

kredieten voor 2015:

1 794 929 112

niet-automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2014:

-

automatische overdrachten van het begrotingsjaar 2014:

277 911 825

kredieten corresponderend met bestemmingsontvangsten voor 2015:

27 988 590

overdrachten corresponderend met bestemmingsontvangsten van 2014:

106 077 150

Totaal:

2 206 906 677

b)  Besteding van de kredieten in het begrotingsjaar 2015 (EUR)

vastleggingen:

2 176 992 756

verrichte betalingen:

1 770 807 099

automatisch overgedragen kredieten, waaronder die afkomstig van bestemmingsontvangsten:

392 379 176

niet-automatisch overgedragen kredieten:

-

geannuleerde kredieten:

43 720 402

c)  Begrotingsontvangsten (EUR)

ontvangen in 2015:

176 367 724

d)  Totale balans op 31 december 2015 (EUR)

1 511 058 599

11.  merkt op dat in 2015 voor 99,1 % van de op de begroting van het Parlement ingeschreven kredieten vastleggingen zijn verricht, met een annuleringspercentage van 0,9 %, en dat, net als in de vorige begrotingsjaren, een zeer hoog niveau van uitvoering van de begroting werd gerealiseerd;

12.  vestigt de aandacht op het feit dat een bedrag van in totaal 41 422 684 EUR aan kredieten werd geannuleerd en dat het overgrote deel van de annuleringen betrekking had op bezoldigingen en uitgaven voor gebouwen;

13.  merkt op dat er een bedrag van 71 000 000 EUR gemoeid was met collectieve overschrijvingen, hetgeen neerkomt op 4 % van de definitieve kredieten die van voorzieningen en andere bronnen zijn overgeschreven om bij te dragen aan de financiering van de erfpacht voor het Konrad Adenauergebouw; wijst er uitdrukkelijk op dat het gebouwenbeleid van het Parlement duidelijker moet uitkomen als onderdeel van de begrotingsstrategie; is van mening dat met de collectieve overschrijving een zeer hoog bedrag gemoeid was; is ervan overtuigd dat een doeltreffend begrotingsbeheer deze overschrijving tot een absoluut minimum kan beperken; verzoekt de Rekenkamer in dat verband een verslag op te stellen over het gebouwenbeleid van het Parlement;

Adviezen van de Rekenkamer inzake de betrouwbaarheid van de jaarrekening 2015 en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen

14.  stelt vast dat uit de geleverde controle-informatie blijkt dat de uitgaven voor administratie geen foutenpercentage van materieel belang vertonen, maar dat het geschatte foutenpercentage op basis van zeven kwantificeerbare fouten in rubriek 5 van het MFK voor administratie 0,6 % bedraagt (tegen 0,5 % in 2014);

15.  is zeer bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat 22 van de 151 onderzochte verrichtingen (14,6 %) fouten bevatten; merkt echter op dat slechts zeven van deze 22 verrichtingen werden gekwantificeerd en dus financiële gevolgen hadden, hetgeen de raming van het foutenpercentage op 0,6 % brengt;

16.  neemt voorts kennis van de specifieke bevindingen betreffende het Parlement in het jaarverslag van de Rekenkamer over 2015; stelt vast dat de Rekenkamer in de controles van de goedkeuring en betaling van de in 2014 gedane uitgaven tekortkomingen heeft vastgesteld, dat deze slechts een van de zestien onderzochte verrichtingen van het Parlement ten aanzien van een van de fracties betroffen en dat deze tekortkomingen in 2015 werden rechtgezet;

17.  neemt kennis van de antwoorden van het Parlement aan de Rekenkamer tijdens de contradictoire procedure; verzoekt de Rekenkamer de bevoegde commissie op de hoogte te houden van de tenuitvoerlegging van haar aanbeveling om te voorzien in een betere begeleiding en het bestaande kader voor de controle op de tenuitvoerlegging van aan fracties toegewezen begrotingskredieten te herzien;

Jaarverslag van de intern controleur

18.  wijst erop dat de intern controleur op de openbare vergadering van de bevoegde commissie van 30 januari 2017 zijn jaarverslag heeft gepresenteerd en heeft medegedeeld dat hij in 2015 verslagen heeft goedgekeurd over de volgende onderwerpen:

   follow-up van nog niet afgewikkelde acties uit de verslagen van de intern controleur;
   gedragscode meertaligheid;
   operationele efficiëntie van de IT en prestatiemeting;
   systeem voor financieel beheer;
   schuldinvorderingsprocedures;
   continuïteitsmanagement;
   inventaris van het IT-datacentrum en beheer van externe expertise;

19.  neemt kennis van en sluit zich aan bij de opmerkingen van de intern controleur met betrekking tot de noodzaak om:

   een met redenen omkleed advies op te stellen voor de aanpassing van de gedragscode meertaligheid voor tolkdiensten met specifieke bepalingen voor de planning van vergaderingen in het kader van trialogen;
   het regelgevingskader voor vergaderingen met vertolking te verbeteren, o.a.: een betere onderlinge afstemming van de bestaande voorschriften en maatregelen om de vraag beter over de week te verdelen en onderbenutte tijdspannen op te sporen en op te vullen; onderstreept dat het aantal op korte termijn afgezegde vergaderingen dat tot aanmerkelijke onjuiste toewijzingen van middelen leidt, moet worden verlaagd;
   relevante criteria en indicatieve drempels vast te stellen voor het op gang brengen van juridische procedures en voor de kwijtschelding van schulden en deze ter goedkeuring aan de gedelegeerd hoofdordonnateur voor te leggen;
   adequaat bestuur en beleid (inclusief institutionele richtsnoeren en praktische regelingen) vast te stellen voor het continuïteitsmanagement;

20.  stelt vast dat eind 2015, na achtereenvolgende follow-upaudits, vier acties van het onderzoek van het interne controlekader, alle met een redelijk laag risico, nog steeds openstaan en dat voor één actie de termijn in het kader van het nieuwe systeem voor financieel beheer van het Parlement tot 2017 is verlengd; verzoekt de intern controleur CONT op de hoogte te houden van de geboekte vooruitgang bij deze acties;

21.  verzoekt de interne controleur bij de presentatie van zijn jaarverslag sterker de nadruk te leggen op die aspecten waarvoor tekortkomingen en/of onregelmatigheden werden vastgesteld; verzoekt de interne controleur tevens om zijn verslagen over de follow-up en de evolutie van en de toegepaste oplossingen voor de problemen die bij de uitoefening van zijn mandaat zijn vastgesteld beschikbaar te stellen aan CONT; verzoekt de secretaris-generaal procedures in te voeren voor de beoordeling van prestaties en resultaten;

Follow-up van de kwijtingsresolutie voor 2014

22.  neemt kennis van de schriftelijke antwoorden op de kwijtingsresolutie voor 2014, die CONT op 20 oktober 2016 heeft ontvangen, en van de presentatie door de secretaris-generaal van de diverse vragen en verzoeken met betrekking tot de kwijtingsresolutie van het Parlement voor 2014 en de daarop volgende gedachtewisseling met de leden; betreurt evenwel dat veel van deze verzoeken geen follow-up hebben gekregen en dat er daarvoor geen reden of motivering is gegeven; vindt het belangrijk om in CONT vaker met de secretaris-generaal van gedachten te kunnen wisselen over aangelegenheden die van invloed zijn op de begroting van het Parlement en de uitvoering daarvan;

23.  wijst erop dat de data waarop het ontwerp-kwijtingsverslag van het Parlement werd gepresenteerd en waarop aanvullende vragen aan de secretaris-generaal konden worden gesteld, niet goed op elkaar waren afgestemd; verzoekt de secretaris-generaal de aanvullende vragen te beantwoorden vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van amendementen en vóór een eventuele stemming in de commissie;

Kwijting van het Parlement voor 2015

24.  verwijst naar de gedachtewisseling tussen de voor begrotingsaangelegenheden verantwoordelijke ondervoorzitter, de secretaris-generaal en CONT, die op 30 januari 2017 in aanwezigheid van het verantwoordelijke lid van de Rekenkamer en de intern controleur heeft plaatsgevonden;

25.  is verheugd over de toezegging van de administratie van het Parlement om de prestaties van de diensten van het Parlement als geheel voortdurend te verbeteren en dit zo efficiënt mogelijk te doen; is echter ook van mening dat het in sommige gevallen te lang duurt voordat de wijzigingen worden toegepast;

26.  stelt vast dat het Parlement met jaarlijkse kosten ten bedrage van ongeveer 3,60 EUR per burger de vergelijking met andere parlementaire systemen niet hoeft te schuwen, temeer omdat een derde van deze kosten randvoorwaarden betreffen (meertaligheid en plaatsen van werkzaamheid) waarop het Parlement zelf slechts weinig invloed heeft en die voor andere parlementen in deze zin niet gelden;

27.  stelt evenwel vast dat de aandacht voor resultaatgericht begroten varieert van directoraat-generaal tot directoraat-generaal en bijvoorbeeld in het directoraat-generaal Financiën (DG FINS) het meest ontwikkeld is, doch elders in de administratie nog in de kinderschoenen staat; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat overal in de administratie duidelijke en meetbare streefdoelen worden gesteld en nagestreefd;

28.  neemt nota van het antwoord van de secretaris-generaal over de toegankelijkheid van de toepassing e‑Petition voor de leden en voor het grote publiek en van het verslag van de Juridische Dienst; verzoekt de secretaris-generaal verslag uit te brengen over het gevolg dat wordt gegeven aan de aanbevelingen van de Juridische Dienst;

29.  is verheugd over de aandacht die de administratie besteedt aan duurzaamheid, met name in het kader van de openbare aanbestedingsprocedures; stelt evenwel vast dat het met de inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten(9) mogelijk is geworden criteria betreffende sociale en milieuduurzaamheid zwaarder te laten wegen dan het criterium van de laagste prijs;

30.  verzoekt de secretaris-generaal met een actieplan te komen voor de toepassing van duurzaamheidscriteria in de openbare aanbestedingsprocedures van het Parlement en hierin een beoordeling op te nemen van het gebruik van groene overheidsopdrachten als instrument;

31.  stelt vast dat de geografische spreiding van het Parlement volgens de Rekenkamer 114 miljoen EUR per jaar kost en merkt op dat in zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Europese Unie(10) werd geconcludeerd dat 78 % van alle dienstreizen van het personeel van het Parlement een rechtstreeks gevolg is van de geografische spreiding van het Parlement; herinnert eraan dat de milieugevolgen van deze spreiding worden geraamd op 11 000 tot 19 000 ton CO2-emissies; dringt er bij het Bureau op aan de secretaris-generaal te verzoeken onverwijld met een stappenplan voor één enkele zetel voor het Parlement te komen; verzoekt het Parlement en de Raad, teneinde tot besparingen op lange termijn te komen, de noodzaak van een stappenplan voor één enkele zetel aan de orde te stellen, zoals het Parlement in verschillende eerdere resoluties heeft vermeld; is van mening dat de uittreding van het Verenigd Koninkrijk en de noodzaak om de Europese agentschappen die momenteel in het Verenigd Koninkrijk hun zetel hebben, te verplaatsen, een uitstekende gelegenheid vormen om verschillende kwesties in één keer op te lossen; wijst echter op artikel 341 VWEU, dat bepaalt dat de zetel van de instellingen van de Unie in onderlinge overeenstemming en door de regeringen van de lidstaten wordt vastgesteld, en protocol nr. 6 bij het VEU en VWEU, waarin is bepaald dat het Parlement zijn zetel heeft in Straatsburg; herinnert eraan dat een oplossing met één enkele zetel een wijziging van de Verdragen vergt;

32.  herinnert aan het antwoord van de administratie op vraag nr. 75 van de vragenlijst over de kwijting van het Parlement van 2013, namelijk dat zij besloten had om een einde te maken aan de praktijk van langdurige dienstreizen [...], hetgeen tot forse besparingen zou leiden; stelt echter vast dat momenteel in sterke tegenspraak daarmee 13 medewerkers op langdurige dienstreis zijn; is van mening dat een langdurige dienstreis voor een personeelslid, met een ontheemdingstoelage en dagvergoedingen, naar een plaats waar dat personeelslid al woonde en werkte, een laakbaar gebruik van belastinggeld is en strijdig is met het statuut van de ambtenaren; dringt erop aan dat de omstandigheden van elke langdurige dienstreis worden verduidelijkt en met name dat de redenen en kosten voor die langdurige dienstreis worden bekendgemaakt;

33.  herinnert eraan dat alle ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, zelfs degenen die in kabinetten werken, hun taken uitsluitend in het belang van de Unie dienen te verrichten, volgens de regels die zijn vastgesteld in het statuut van de ambtenaren; wijst erop dat de ambtenaren van de Unie worden betaald met belastinggeld en dat dit niet bedoeld is om persmedewerkers of andere personeelsleden te betalen die nationale politieke belangen van een Voorzitter bevorderen; verzoekt het Bureau duidelijke bepalingen op te nemen in de voorschriften van het Parlement;

34.  neemt kennis van het besluit van de Voorzitter van 21 oktober 2015, waarmee hij mensen in leidinggevende functies bij het Parlement wenste te benoemen zonder de procedures in acht te nemen, en met name zonder sollicitatieoproepen; stelt vast dat dit besluit "niet strookte met de regels" (antwoord van de administratie op de tweede vragenlijst van CONT); vraagt dat dit besluit van de Voorzitter formeel wordt herroepen;

35.  stelt vast dat de Voorzitter zichzelf op 15 december 2015 heeft gemachtigd om aan zijn kabinetsleden een bijzondere, onbegrensde toelage bovenop de bestaande kabinetstoelage te verlenen, hoewel het statuut van de ambtenaren niet in een dergelijke bijzondere toelage voorziet; stelt opnieuw de vraag of deze machtiging rechtmatig is en of deze bijzondere toelagen geldig zijn; vraagt dat wordt nagegaan of het betreffende besluit moet worden herroepen;

Beheer van de subsidieregeling voor bezoekersgroepen

36.  neemt kennis van het feit dat het Bureau op 24 oktober 2016 een herziene versie van de regeling voor de betaling van financiële bijdragen voor gesponsorde bezoekersgroepen heeft goedgekeurd;

37.  is verheugd dat hiermee contante betalingen aanzienlijk worden beperkt en verplichte elektronische overschrijvingen worden ingevoerd, waardoor het risico op diefstal en reputatieschade voor het Parlement verkleint, maar dat tegelijk nog steeds een aanzienlijke mate van flexibiliteit wordt geboden; steunt het voornemen van het Bureau om de herziene regeling te evalueren zodra deze een jaar lang is toegepast; betreurt het echter dat parlementaire medewerkers kunnen worden aangewezen als ontvanger van betalingen op hun persoonlijke rekening en dat zij de uitgaven van de groep mogen certificeren; vreest dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers daardoor een onnodige juridische en financiële verantwoordelijkheid dragen en mogelijk risico's lopen; vraagt het Bureau dit dringend te heroverwegen;

38.  betreurt het dat het Parlement zijn Voorzitter voor de uitvoering van de begroting van het Parlement voor het begrotingsjaar 2014 kwijting heeft verleend en op het laatste moment belangrijke paragrafen heeft geschrapt, die verdere vragen doen rijzen over de politieke activiteiten en financiële gedragingen van de Voorzitter tijdens de Europese verkiezingen van 2014;

Transparantieregister en belangenconflicten

39.  juicht het toe dat de belangstelling van de media en het grote publiek voor het Parlement en zijn administratie toeneemt; stelt echter vast dat bepaalde journalisten het moeilijk vinden om de specifieke informatie te verkrijgen die zij zoeken; wijst erop dat de transparantie van het Parlement en zijn administratie essentieel is voor de legitimiteit van de instellingen en dat de toegang tot informatie moet worden verbeterd, waarbij de voorschriften inzake bescherming van persoonsgegevens altijd in acht moeten worden genomen;

40.  verzoekt het Bureau de betreffende documenten die de secretaris-generaal aan het Bureau voorlegt, in een machineleesbaar formaat op de website van het Parlement te publiceren, tenzij de aard van de hierin vervatte informatie dit onmogelijk maakt, bijvoorbeeld met het oog op de bescherming van persoonsgegevens;

41.  benadrukt dat de werkzaamheden van de interne besluitvormingsorganen van het Parlement, in het bijzonder het Bureau, transparanter en toegankelijker moeten worden gemaakt; vraagt dat de agenda van het Bureau tijdig op het intranet wordt gepubliceerd en dat de notulen van vergaderingen veel sneller worden gepubliceerd; merkt op dat niet hoeft te worden gewacht tot de notulen in alle talen zijn vertaald;

42.  herinnert aan de verplichting voor de leden om de administratie onmiddellijk in te lichten over enige wijziging van hun belangenverklaringen;

43.  verzoekt de secretaris-generaal deze resolutie te doen toekomen aan het Bureau en daarbij te wijzen op alle punten waarin het Bureau wordt gevraagd actie te ondernemen of besluiten te nemen; verzoekt de secretaris-generaal een actieplan en een tijdschema op te stellen voor de follow-up en/of reactie van het Bureau op de aanbevelingen in de kwijtingsresoluties van het Parlement, en de resultaten daarvan op te nemen in het jaarlijkse monitoringdocument; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie en CONT te gepasten tijde op de hoogte te brengen van alle projecten die het Bureau voorstelt die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting;

44.  is van oordeel dat leden de website van het Parlement moeten kunnen gebruiken om hun kiezers de grootst mogelijke transparantie te geven over hun activiteiten, en verzoekt de secretaris-generaal een systeem te ontwikkelen dat de leden kunnen gebruiken om informatie over hun ontmoetingen met belangenvertegenwoordigers openbaar te maken; dringt er bij de secretaris-generaal op aan dit onverwijld mogelijk te maken, zoals het Parlement al heeft gevraagd in zijn kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2014;

45.  vraagt het Bureau om de regels in verband met het gebruik van de vergoedingen voor algemene uitgaven vast te stellen en te publiceren;

46.  merkt op dat weinig leden op de hoogte zijn van de mogelijkheid om overschotten op de vergoeding voor algemene uitgaven terug te storten; herinnert de leden eraan dat de vergoedingen voor algemene uitgaven geen aanvullend persoonlijk salaris vormen; vraagt de secretaris-generaal deze mogelijkheid dringend bekender te maken; dringt er bij de leden op aan overschotten aan het einde van hun ambtstermijn terug te betalen;

47.  verzoekt de secretaris-generaal voorts leden die gegevens over eventuele andere door het Parlement aan hen uitbetaalde vergoedingen op hun eigen webpagina bekend wensen te maken, daartoe gegevensbestanden te verstrekken die gemakkelijk kunnen worden verwerkt;

48.  verzoekt de secretaris-generaal ook belangstellende fracties op dezelfde manier van dienst te zijn;

49.  merkt op dat tal van documenten betreffende het besluit inzake de erkenning van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen samen met gegevens over de vaststelling van het definitieve geldbedrag beschikbaar zijn op de website van het Parlement; verzoekt het Parlement de Commissie te vragen een voorstel voor een herziening van de huidige rechtshandeling van de Unie betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in te dienen(11), met strengere vereisten voor het oprichten van Europese politieke partijen en stichtingen teneinde misbruiken te voorkomen;

50.  is verheugd over de invoering van een speciaal formulier waarop de rapporteurs kunnen aangeven welke belangenvertegenwoordigers invloed hebben gehad op hun verslagen (wetgevingsvoetafdruk);

51.  vraagt de administratie van het Parlement nogmaals verslag uit te brengen over het gebruik van de gebouwen van het Parlement door belangenvertegenwoordigers en andere externe organisaties;

52.  vreest dat de huidige gedragscode voor de leden wellicht nog moet worden verbeterd om belangenverstrengeling tegen te gaan en dat daarbij specifiek moet worden gezien de volgende punten:

   betaalde nevenfuncties van leden;
   lobbyactiviteiten bij de Europese instellingen door voormalige leden terwijl zij recht hebben op een overbruggingstoelage;
   de registratie van de belangenverklaringen van de leden;
   de samenstelling en bevoegdheden van het raadgevend comité;

Directoraat-generaal Communicatie

53.  is verheugd over de ontwikkeling van indicatoren om de resultaten van de communicatieactiviteiten van het Parlement te meten en verzoekt de secretaris-generaal in het verslag over de werkzaamheden van het Parlement in 2016 een apart hoofdstuk te wijden aan deze nieuwe resultaatgerichte aanpak op communicatiegebied;

54.  steunt de diverse programma's ter facilitering van bezoeken van journalisten en burgers die meer wensen te weten over de werkzaamheden van het Parlement;

55.  herhaalt in dit verband zijn oproep in het kwijtingsverslag voor 2014, waarin werd opgemerkt dat de website van het Parlement niet erg gebruikersvriendelijk is, dat de navigatie op die website lastig blijft en dat ze nog geen gebruik maakt van de recentste technologische ontwikkelingen, waardoor het moeilijk is om snel de gewenste informatie te vinden; ook werd er toen op gewezen dat de website, gezien het belang van communicatie met de Europese burger, het imago van het Parlement bij het grote publiek niet helpt verbeteren;

56.  vraagt het directoraat-generaal Communicatie een efficiëntere en gebruiksvriendelijkere website met een efficiëntere zoekfunctie op te zetten, die het Parlement bekender moet maken bij het grote publiek en die directer moet inspelen op de behoeften en interesses van de burger; merkt op dat er ondanks de aanzienlijke uitgaven slechts middelmatige resultaten zijn bereikt;

57.  is bezorgd over de doeltreffendheid van de communicatiestrategie van het Parlement; vraagt in dit verband dat de huidige strategie volledig wordt herzien en dat met name mensen die niet automatisch belangstelling hebben voor de werkzaamheden van het Parlement of misschien zelfs sceptisch zijn over het functioneren ervan, actiever worden benaderd; verzoekt de secretaris-generaal om een nieuwe strategie uit te werken om ook die burgers te bereiken, onder meer door de toegang tot informatie te vergemakkelijken en onterechte vooroordelen jegens het Parlement adequaat aan te pakken, maar geen onnodige en dure reclamecampagnes te voeren;

58.  onderstreept dat de opdracht van de voorlichtingsbureaus van het Parlement moet worden gemoderniseerd door het gebruik van nieuwe communicatietechnologieën en ‑patronen te optimaliseren en te profiteren van hun bevoorrechte geografische ligging dichtbij de burger om plaatselijke activiteiten, zoals debatten met leden en het maatschappelijk middenveld, verder te intensiveren teneinde naar de mensen te luisteren en met hen in dialoog te treden; benadrukt dat de onlinediscussies en de media-aandacht die door deze evenementen worden gegenereerd, moeten bijdragen tot nog meer contacten met burgers; merkt op dat de kosten voor de gebouwen en het personeel van de voorlichtingsbureaus in de lidstaten onevenredig hoog zijn ten opzichte van het bedrag dat aan de belangrijkste functies van deze bureaus wordt besteed; vraagt de secretaris tegen eind 2017 een gedetailleerd activiteiten- en financieel verslag aan CONT voor te leggen over de voorlichtingsbureaus in Brussel en Straatsburg, met bijzondere aandacht voor de meerwaarde die zij opleveren;

59.  is bezorgd over de antwoorden op de verzoeken om schriftelijk antwoord over de voorlichtingsbureaus van het Parlement in bepaalde lidstaten, aangezien in de meeste gevallen slechts een fractie van hun exploitatiekosten naar de echte doelstellingen en opdrachten van die bureaus gaat, terwijl het grootste gedeelte wordt besteed aan de huur van kantoren en de salarissen en reiskosten van het personeel;

60.  verzoekt de secretaris-generaal ook de interne communicatie tussen de verschillende directoraten-generaal te verbeteren, zodat bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe belangrijke instrumenten zoals de wetgevingstrein bekend wordt bij een breder intern en extern publiek;

LUX-prijs

61.  is ingenomen met de gezamenlijke presentatie in CONT en de Commissie cultuur en onderwijs van een enquête, waarom was gevraagd in het kwijtingsverslag voor 2013, om na te gaan of de LUX-prijs bekendheid geniet, en zo ja, hoe deze in de respectieve lidstaten wordt gezien, en van de bevindingen van die enquête;

62.  herinnert er evenwel aan dat de enquête voornamelijk ging over de vraag of de leden en filmmakers bekend waren met het doel van de LUX-filmprijs, namelijk de burgers tonen dat het Parlement zich inzet voor gemeenschappelijke waarden, zoals mensenrechten en solidariteit, en voor culturele en taalkundige verscheidenheid;

63.  merkt op dat slechts 18 % van de leden van het Parlement – 137 leden van alle fracties en uit alle lidstaten – op de enquête hebben geantwoord, en dat van die leden ruim 90 % de LUX-filmprijs kenden, 75 % het doel ervan begrepen en ruim 80 % een positief beeld van de prijs hadden;

64.  is niet overtuigd van de adequaatheid van de selectiemethode aan de hand waarvan de leden besluiten over de nominaties en de uiteindelijke verkiezing van de prijswinnaar, en verzoekt het Bureau verslag uit te brengen over alternatieve modellen om tot de gewenste resultaten te komen, bijvoorbeeld door een soortgelijk initiatief van filmproductiemaatschappijen zelf te ondersteunen;

65.  stelt vast dat het aantal kijkers de afgelopen jaren weliswaar is gestegen, maar dat 43 000 kijkers in de gehele Europese Unie nog steeds erg weinig is en de vraag doet rijzen of de LUX-prijs wel zin heeft;

Huis van de Europese geschiedenis

66.  betreurt de herhaaldelijke vertragingen die zijn opgetreden bij de opening van het Huis van de Europese geschiedenis, die aanvankelijk gepland was voor maart 2016, vervolgens werd uitgesteld tot september en november 2016 en nu gepland is voor 6 mei 2017;

67.  neemt met bezorgdheid kennis van de aanhoudende discussies over de aard van de tijdelijke exposities van het Huis; beklemtoont het belang van de academische onafhankelijkheid van het Huis van de Europese geschiedenis op het vlak van inhoud en vormgeving van de exposities die uitsluitend op grond van museologische en historische criteria worden bepaald;

68.  is verheugd dat het Huis van de Europese geschiedenis jaarlijks naar schatting 250 000 bezoekers zal ontvangen; wijst erop dat de jaarlijkse exploitatiekosten van deze voorziening vooraf op 13,3 miljoen EUR zijn geraamd; is bezorgd over het naar verhouding lage aantal bezoekers ten opzichte van de hoge exploitatiekosten, gezien het feit dat het Parlement in 2015 326 080 bezoekers ontving en dat de exploitatiekosten slechts 4,3 miljoen EUR bedroegen;

69.  merkt op dat het Parlement en zijn nabije omgeving met de vestiging van het Parlamentarium en de opening van het Huis van de Europese geschiedenis een attractie voor de burgers en een toeristische attractie worden, die de kennis van de rol van het Parlement vergroten en die de burgers laten zien dat het Parlement zich inzet voor gezamenlijke waarden zoals mensenrechten en solidariteit; verzoekt het Bureau te overwegen een dialoog met de plaatselijke autoriteiten op gang te brengen om na te gaan hoe deze autoriteiten kunnen bijdragen aan de financiering en het beheer van het Huis van de Europese geschiedenis;

70.  vraagt het Bureau te overwegen om het beheer van het Huis van de Europese geschiedenis aan te passen aan een meer interinstitutionele aanpak en verdere samenwerking met andere instellingen van de Unie, met name de Commissie en de Raad, te onderzoeken;

71.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om jaarlijks 800 000 EUR bij te dragen aan de exploitatiekosten van het Huis van de Europese geschiedenis; is echter van mening dat de Commissie een veel hoger aandeel in het geraamde bedrag voor de jaarlijkse exploitatiekosten (13,3 miljoen EUR) voor haar rekening moet nemen;

Directoraat-generaal Personeelszaken (DG PERS)

72.  stelt vast dat op 31 december 2015 in totaal 5 391 ambtenaren en tijdelijke personeelsleden bij het secretariaat-generaal (een stijging met 96 ten opzichte van 31 december 2014) en in totaal 771 ambtenaren en tijdelijke personeelsleden bij de fracties (een stijging met 26 ten opzichte van 31 december 2014) werkzaam waren; met inbegrip van de arbeidscontractanten was DG PERS verantwoordelijk voor 9 402 personeelsleden (een stijging met 467 ten opzichte van 31 december 2014);

73.  stelt vast dat op 1 januari 2015 47 posten van het organigram van het Parlement werden geschrapt overeenkomstig de herziening van het Statuut in 2014 en het MFK voor 2014-2020, zodat er op het organigram in totaal nog 6 739 posten stonden waarvan 5 723 (84,9 %) voor het secretariaat-generaal en 1 016 (15,1 %) voor de fracties; stelt vast dat op 31 december 2015 4,9 % van de posten bij het secretariaat-generaal vacant was, tegen 9,6 % eind 2014;

74.  is verheugd over het feit dat het genderevenwicht in het aantal directeuren-generaal is verbeterd van 18,2 % / 81,8 % in 2014 naar 33,3 % / 66,7 % in 2015, maar stelt vast dat het genderevenwicht in het aantal directeuren is gedaald van 34 % / 66 % in 2014 tot 31,1 % / 68,9 % in 2015; herinnert eraan dat de absolute meerderheid van de personeelsleden van het Parlement uit vrouwen bestaat maar dat vrouwen een beperkt percentage van de leidinggevende functies bekleden; stelt vast dat het genderevenwicht in het aantal afdelingshoofden is blijven verbeteren van 30 % / 70 % eind 2014 tot 31,2 % / 68,8 % eind 2015; onderstreept dat er nog steeds sprake is van onevenwichtigheid in leidinggevende functies en dat een programma voor gelijke kansen voor deze posten van het grootste belang blijft; is vast van mening dat tegen 2019 ten minste 40 % van de leidinggevende functies in het Parlement moet worden bekleed door vrouwen;

75.  is verbaasd dat het raadgevend comité voor de benoeming van hoge ambtenaren uitsluitend uit hoger management bestaat en verzoekt de secretaris-generaal hierin een vertegenwoordiger van een personeelsvereniging op te nemen;

76.  beklemtoont dat geografisch evenwicht, namelijk de relatie tussen het aantal personeelsleden met een bepaalde nationaliteit en het bevolkingsaantal van de betreffende lidstaten, nog steeds een belangrijk element van het personeelsbeheer moet blijven, met name ten aanzien van de lidstaten die sinds 2004 tot de Unie zijn toegetreden; is ingenomen met het feit dat het Parlement gekomen is tot een globaal genomen evenwichtige samenstelling van ambtenaren uit de lidstaten die voor en na 2004 tot de Unie zijn toegetreden; wijst er echter op dat deze lidstaten op de drie werklocaties nog steeds slechts 3 % van de personeelsleden in de categorie "hogere administrateur" (AD12-16) vertegenwoordigen, terwijl zij 21 % van de bevolking van de Unie uitmaken, en dat er op dat vlak nog vooruitgang wordt verwacht;

77.  beseft dat voor bepaalde activiteiten, zoals het beheer van de kantines en schoonmaakwerkzaamheden, uitbesteding de beste optie voor het Parlement was en dat bijgevolg het aantal externe personeelsleden in de gebouwen van het Parlement in bepaalde DG's zelfs hoger kan zijn dan het aantal ambtenaren;

78.  merkt evenwel op dat deze uitbestedingsbesluiten geen verklaring kunnen vormen voor het inzetten van al het externe personeel en dat bijvoorbeeld bij het directoraat-generaal Innovatie en Technologische Ondersteuning (DG ITEC) de verhouding tussen extern personeel en ambtenaren moeilijk te verklaren is;

79.  is van oordeel dat extern personeel niet mag worden gebruikt ter compensatie van de vermindering van het aantal posten als overeengekomen in het kader van de herziening van het Statuut in 2014 en het huidige MFK;

80.  neemt nota van de antwoorden van de secretaris-generaal inzake de voorwaarden die het Parlement heeft toegepast bij het inhuren van externe ondernemingen; onderstreept dat de administratie er zorgvuldig en stelselmatig moet op toezien dat die dienstverleners strikt voldoen aan de wetgeving inzake de arbeidsomstandigheden, veiligheid, sociale rechten enz. van alle extern personeel dat in de gebouwen van het Parlement werkt, zoals kantine- en schoonmaakpersoneel, onderhoudspersoneel enz.; verzoekt het Parlement te voorzien in waarschuwingsmechanismen en regelmatige controles waarmee zowel alleenstaande als stelselmatige gevallen van nalatigheid, misbruik of inbreuken kunnen worden voorkomen en opgespoord, om zo onmiddellijk de nodige maatregelen te kunnen treffen;

81.  merkt op dat de procedure om de beveiligingsdienst van het Parlement te internaliseren, afgerond is en dat de procedure om hetzelfde te doen met de chauffeursdienst nog loopt; verzoekt de secretaris-generaal aan CONT verslag uit te brengen over de lessen die uit deze procedures zijn getrokken en over de eventuele besparingen die ten gevolge daarvan zijn gerealiseerd;

82.  stelt met bezorgdheid vast dat het kantinepersoneel niet overeenkomstig de uren in hun contract wordt uitbetaald in weken waarin de leden elders werkzaam zijn, zoals tijdens achterbanweken of plenaire vergaderingen in Straatsburg, en dat velen van hen gedurende die perioden tijdelijk werkloos zijn, met de bijbehorende nadelige gevolgen voor hun loopbaan en hun inkomen; verzoekt de secretaris-generaal met de verrichter van de kantinediensten te onderhandelen om te komen tot een oplossing in het kader waarvan werknemers elke week gegarandeerd regelmatige uren draaien en een regelmatig salaris krijgen;

83.  stelt vast dat per eind 2015 1 813 geaccrediteerde parlementaire medewerkers bij het Parlement werkzaam waren, tegen 1 686 in het jaar daarvoor; vraagt om speciale aandacht voor de rechten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers en plaatselijke medewerkers, wier contracten rechtstreeks gekoppeld zijn aan het mandaat van het parlementslid dat zij bijstaan, rekening houdend met het feit dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers statutair personeel zijn, aangezien zij een arbeidsovereenkomst sluiten met het Parlement, terwijl plaatselijke medewerkers onder verschillende nationale wetgevingen vallen;

84.  betreurt het dat het verslag over de evaluatie van de toepassing van de bepalingen betreffende geaccrediteerde parlementaire medewerkers niet vóór eind 2016 aan CONT is voorgelegd, zoals gevraagd in de kwijtingsresolutie voor 2014, en dat het verslag tot op vandaag nog steeds niet is voorgelegd;

85.  wijst erop dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers zich bij intimidatie of klokkenluiden in een uitermate kwetsbare positie bevinden, aangezien hun contract gebaseerd is op wederzijds vertrouwen tussen het parlementslid en de medewerker; stelt vast dat als dit vertrouwen ontbreekt, dit op zich een reden is om het contract te beëindigen; stelt voorts vast dat als een lid ontslag moet nemen wegens reputatieschade als gevolg van een strafbaar feit of een andere wetsovertreding, dat normaliter inhoudt dat alle contracten met zijn medewerkers worden opgezegd; vraagt daarom dat de geaccrediteerde parlementaire medewerkers met onmiddellijke ingang beter vertegenwoordigd worden in het adviescomité intimidatie, overeenkomstig het verzoek van het Parlement in het kader van de kwijtingen voor 2013 en 2014; verzoekt het Bureau passende middelen toe te wijzen voor de reis- en verblijfkosten van geaccrediteerde parlementaire medewerkers die eisende partij zijn en die vaak niet de nodige middelen hebben om persoonlijk naar Brussel te komen en hun zaak voor te leggen aan het adviescomité intimidatie; vraagt ook dat bij de volgende herziening van het statuut van de ambtenaren de mogelijkheid van financiële compenserende maatregelen voor geaccrediteerde medewerkers wordt overwogen, teneinde de gelijke behandeling van geaccrediteerde parlementaire medewerkers te garanderen en als erkenning van hun bijzondere kwetsbaarheid in zaken waarin er sprake is van intimidatie of klokkenluiden;

86.  is ingenomen met het voornemen van de administratie om een begin te maken met de aanpassing van de forfaitaire vergoedingen voor dienstreizen naar Straatsburg die geaccrediteerde parlementaire medewerkers ontvangen en die veel lager zijn dan die voor vaste ambtenaren; beklemtoont dat die aanpassing gebaseerd moet zijn op een transparante berekeningsmethode met een directe correlatie met de recente opwaartse herziening van de maxima voor vergoedingen en verblijfskosten voor vaste ambtenaren; benadrukt voorts dat een automatische indexering van de vergoedingen voor toekomstige herzieningen moet worden ingevoerd;

87.  betreurt het dat het Bureau niet heeft gereageerd op het verzoek van het Parlement in zijn kwijtingsresoluties voor 2013 en 2014 om voor geaccrediteerde parlementaire medewerkers dezelfde dagvergoedingen toe te passen als voor de andere personeelsleden; verzoekt de secretaris-generaal om, voordat wijzigingen worden doorgevoerd, een schatting te leveren van de bijkomende kosten die deze aanpassing met zich mee zou brengen; benadrukt tegelijkertijd dat de huidige vergoedingsmaxima voor dienstreizen van geaccrediteerde parlementaire medewerkers sinds 2009 niet meer zijn aangepast en dat het verschil tussen geaccrediteerde parlementaire medewerkers en de overige personeelsleden verder is toegenomen tot ten minste 40 % na de invoering van de nieuwe maxima die de Raad op 9 september 2016 heeft goedgekeurd en die sinds 10 september 2016 tot nu toe alleen werden toegepast op ambtenaren; verzoekt het Bureau derhalve de nodige maatregelen te treffen om een eind te maken aan deze ongelijkheid;

88.  betreurt ten zeerste dat de tewerkstellingsperiode van een geaccrediteerde parlementaire medewerker in geval van overlijden of ontslag van diens lid een einde neemt aan het einde van de kalendermaand; wijst erop dat dit zou kunnen betekenen dat die medewerker helemaal geen opzeggingstermijn krijgt als de ambtstermijn van het lid toevallig op de laatste dag van een bepaalde maand eindigt; vraagt een oplossing voor deze onaanvaardbare toestand bij de volgende herziening van het statuut van de ambtenaren, door de opzeggingstermijn te koppelen aan een welomschreven periode, bijvoorbeeld vier weken, in plaats van het einde van een kalendermaand; vraagt het Bureau voorts snel tijdelijke maatregelen in te voeren die dit probleem voorlopig kunnen oplossen totdat de wettelijke herziening plaatsvindt;

89.  is bezorgd over de vermeende praktijk dat leden geaccrediteerde parlementaire medewerkers verplichten dienstreizen te maken, met name naar Straatsburg, zonder dienstopdracht, zonder kostenvergoeding of gewoon zonder reisvergoeding; is van mening dat een dergelijke praktijk ruimte schept voor misbruik: als geaccrediteerde parlementaire medewerkers zonder dienstopdracht reizen, moeten ze niet alleen de kosten zelf betalen, maar zijn ze ook niet gedekt door de arbeidsverzekering; vraagt het Bureau ervoor te zorgen dat het statuut van de ambtenaren correct wordt toegepast en dat leden die de regels overtreden, worden gestraft;

90.  neemt er nota van dat stagiairs 0,50 EUR korting krijgen op hoofdgerechten in alle selfservicerestaurants in Brussel en Luxemburg en 0,80 EUR korting in Straatsburg; is, gezien de gemiddelde bezoldiging die zij ontvangen en de hoge prijzen die sinds twee jaar worden toegepast, evenwel van mening dat die kortingen te klein zijn om ook maar een minimaal effect op hun budget te hebben; verzoekt de secretaris-generaal een korting toe te kennen die in overeenstemming is met hun inkomsten;

91.  vraagt het Bureau ervoor te zorgen dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers die de voorbije twee zittingsperioden ononderbroken hebben gewerkt, sociale rechten en pensioenrechten krijgen; verzoekt de administratie in dit verband te komen met een voorstel dat voor de berekening van de dienstperiode van tien jaar die volgens het statuut van de ambtenaren vereist is, rekening houdt met het besluit om in 2014 vervroegde verkiezingen te houden en met de tijd die besteed is aan de aanwervingsprocedure;

92.  vraagt de Conferentie van voorzitters de mogelijkheid te overwegen dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers onder bepaalde, nog vast te stellen voorwaarden leden vergezellen tijdens officiële parlementaire delegaties en dienstreizen, zoals reeds door verschillende leden gevraagd is;

93.  verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau problemen te behandelen en op te lossen die voornamelijk te wijten zijn aan de recentste wijziging aan de voorwaarden in verband met geaccrediteerde parlementaire medewerkers (zoals vertraging bij het ondertekenen van arbeidsovereenkomsten, onderbreking ervan, vervroegde Europese verkiezingen enz.) en die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de toekomstige verwerving van arbeidsrechten door die medewerkers; vraagt dat vertegenwoordigers van de geaccrediteerde parlementaire medewerkers worden betrokken bij het zoeken naar oplossingen;

94.  verzoekt het Parlement om met het oog op gelijke kansen en naleving van arbeidsrechten richtsnoeren vast te stellen voor de toekenning van een graad aan geaccrediteerde parlementaire medewerkers en voor elke functiegroep bijbehorende duidelijke functieomschrijvingen, verantwoordelijkheden en taken vast te stellen;

95.  stelt vast dat in 2015 154 dienstverbanden werden beëindigd, waarvan 126 pensioneringen, 13 gevallen van invaliditeit, negen ontslagnemingen en zes overlijdens; verzoekt de secretaris-generaal om artikel 16, lid 4, van het statuut van de ambtenaren betreffende potentiële belangenconflicten na beëindiging van de dienst bij het Parlement strikt toe te passen, met name in geval van ontslagneming; onderstreept dat het opvallend is dat er nooit gevallen van potentiële belangenconflicten zijn gepubliceerd;

96.  stelt met bezorgdheid vast dat er geen speciale regelingen voor personeelsleden zijn getroffen voor het geval dat een lidstaat uittreedt uit de Unie; erkent dat deze kwestie alle Europese instellingen aangaat; verzoekt de secretaris-generaal dan ook met de Commissie te overleggen om ervoor te zorgen dat Britse personeelsleden niet de dupe worden van de brexit en dat hun statutaire, contractuele en verworven rechten volledig worden gewaarborgd;

97.  vraagt dat opleidingscursussen efficiënter worden georganiseerd om ze aan te passen aan de specifieke behoeften van geaccrediteerde parlementaire medewerkers; vraagt met name dat de administratie rekening houdt met het rooster van de parlementaire werkzaamheden en de werkzaamheden van de leden, en tijdschema's op maat en specifieke onderwerpen vaststelt;

98.  wijst erop dat 43 % van het personeel van het Parlement van oordeel is dat telewerken een positief effect zou hebben op hun arbeidssatisfactie; onderstreept dat het Parlement de enige instelling is die in haar werkafspraken nog niet heeft voorzien in telewerken en glijdende werkuren, terwijl beide regelingen in de meeste andere instellingen al jaren worden toegepast, vooral bij de Commissie, waar zij aantoonbaar tot een hogere productiviteit en een betere levenskwaliteit voor het personeel hebben geleid; neemt er nota van dat het Parlement in oktober 2016 occasioneel telewerken heeft ingevoerd; verzoekt de secretaris-generaal aan alle betrokken diensten, met inbegrip van de leden en hun medewerkers, verslag uit te brengen over de toepassing van deze dienst; vraagt ook dat glijdende werkuren zo snel mogelijk in de werkregelingen van het Parlement worden opgenomen;

99.  vraagt het Parlement zijn regels betreffende door leden en fracties aangeboden stages te wijzigen om de situatie van stagiairs in het Parlement te verbeteren, met onder meer een fatsoenlijke vergoeding, de vaststelling van een beperkte duur voor stages en een leerovereenkomst;

DG FINS

Door het Parlement gegunde opdrachten

100.  stelt met tevredenheid vast dat het Parlement op zijn website jaarlijks een volledige lijst publiceert van alle contractanten aan wie het opdrachten met een waarde van meer dan 15 000 EUR heeft gegund, met de naam en het adres van de contractant, het type en voorwerp van de opdracht, de duur en waarde ervan, de gevolgde procedure en het desbetreffende directoraat-generaal;

101.  wijst erop dat deze lijst verder gaat dan de in het Financieel Reglement uiteengezette transparantievereisten; spoort alle instellingen van de Unie aan om volledige informatie te verstrekken over alle contractanten en opdrachten die via openbare aanbesteding zijn gegund, met inbegrip van gevallen van rechtstreekse gunning of niet-openbare procedures;

102.  onderschrijft de conclusie van de Rekenkamer dat de instellingen van de Unie één openbaar register met informatie over hun aanbestedingen moeten opzetten om een doeltreffende monitoring achteraf van hun aanbestedingsactiviteiten mogelijk te maken;

103.  wijst erop dat de dienstverlening van het reisagentschap van het Parlement, ondanks eerdere aansporingen tot verbetering, ondermaats blijft aangezien de prijzen relatief hoog zijn en het reisagentschap er niet in geslaagd is afspraken met de grote luchtvaartmaatschappijen te maken over voordeliger prijzen en meer flexibiliteit bij het organiseren van reizen;

104.  verzoekt het reisagentschap actief te trachten lagere prijzen aan te bieden, ongeacht de luchtvaartmaatschappij; vraagt dat het reisagentschap een feedbackprocedure invoert (klantentevredenheidsenquêtes) om na te gaan op welke gebieden nog vooruitgang kan worden geboekt;

Vrijwillig pensioenfonds

105.  stelt vast dat het geraamde actuarieel tekort van het vrijwillig pensioenfonds eind 2015 was opgelopen tot 276,8 miljoen EUR; stelt voorts vast dat de in aanmerking te nemen netto activa en de actuariële vastlegging eind 2015 155,5 miljoen EUR, respectievelijk 432,3 miljoen EUR bedroegen;

106.  herinnert eraan dat deze geraamde toekomstige verplichtingen weliswaar over meerdere decennia gespreid zijn, maar stelt vast dat het vrijwillig pensioenfonds in 2015 in totaal 15,8 miljoen EUR heeft uitbetaald;

107.  wijst erop dat dit aanleiding geeft tot bezorgdheid met betrekking tot de mogelijke uitputting van het fonds en dat het Parlement garant staat voor de pensioenuitkeringen indien en wanneer dit fonds niet in staat blijkt aan zijn verplichtingen te voldoen;

108.  verzoekt het Bureau zo spoedig mogelijk een beoordeling uit te voeren van de huidige situatie van het pensioenfonds;

109.  herinnert aan paragraaf 112 van de kwijtingsresolutie van vorig jaar(12), waarin werd gevraagd de huidige toestand van het pensioenfonds te beoordelen; betreurt het dat die beoordeling nog niet heeft plaatsgevonden;

110.  herinnert eraan dat het Hof van Justitie in 2013 heeft geoordeeld dat het besluit om de pensioengerechtigde leeftijd voor de leden van het fonds te verhogen van 60 tot 63 jaar om een vroegtijdige uitputting van het kapitaal te voorkomen en deze leeftijd in overeenstemming te brengen met die waarin het nieuwe statuut van de leden voorziet, rechtsgeldig was;

111.  merkt op dat nationale pensioenfondsen normaliter aan strikte normen moeten voldoen en geen actuarieel tekort mogen hebben, terwijl het vrijwillig pensioenfonds nu wordt geconfronteerd met een actuarieel tekort van 64 % van de actuariële vastlegging; verzoekt de secretaris-generaal een uitgebreid actieplan aan het Bureau voor te leggen om een voortijdige uitputting van het fonds te voorkomen;

Overige aangelegenheden

112.  betreurt het dat bij de selectie van de financiële instellingen die het Parlement voor zijn betalingen en rekeningen inhuurt, geen aandacht wordt besteed aan het beleid van die instellingen op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen, en verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat het Parlement in de toekomst in eerste instantie zaken doet met financiële instellingen die een investeringsbeleid voeren dat is gericht op duurzaamheid en andere aspecten van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

113.  onderstreept dat het Parlement in 2015 gemiddeld 106,25 miljoen EUR op bankrekeningen had staan zonder dat dit enige rente-inkomsten opleverde; verzoekt de secretaris-generaal na te gaan of zo'n hoog bedrag aan liquide middelen nodig is en met name het beheer van de kasmiddelen in dit opzicht te verbeteren, en na te gaan hoe het rendement van deze deposito's kan worden verhoogd;

DG ITEC

114.  is tevreden over de tenuitvoerlegging van de strategische richtsnoeren 2014-2019 door DG ITEC; meent dat er weliswaar tal van veranderingen in de elektronische werkomgeving voor de leden en het personeel worden doorgevoerd, maar dat de gevolgen van deze veranderingen, inclusief nieuwe mogelijkheden, relatief weinig bekend zijn en hoofdzakelijk binnen DG ITEC worden ontwikkeld; dringt aan op nauwere samenwerking tussen DG ITEC en DG COMM om de interne en externe communicatie over de vele reeds doorgevoerde of nog door te voeren innovaties te verbeteren;

115.  begrijpt dat DG ITEC zich inspant om het aantal hits voor de webpagina's van het Parlement in de zoekmachine van Google te vergroten; is evenwel van oordeel dat ook de zoekmachine op de website van het Parlement zelf zinvolle resultaten moet opleveren, zodat de gebruikers de portaalsite daadwerkelijk kunnen gebruiken om snel op de betreffende webpagina's terecht te komen; is bezorgd over het feit dat deze zoekmachine momenteel niet naar behoren werkt en verzoekt de secretaris-generaal alles in het werk te stellen om tot een snelle oplossing van dit al lang bestaande probleem te komen;

116.  stelt met bezorgdheid vast dat er, hoewel bij DG ITEC op jaarbasis voor meer dan 35 miljoen EUR aan nieuwe hardware is besteed, geen duidelijk beleid voor een milieuvriendelijke en sociaal duurzame aanschaf is, en verzoekt de secretaris-generaal daartoe een actieplan uit te werken om ervoor te zorgen dat in de toekomst in alle aanbestedingsprocedures voor hardware milieu- en sociale selectiecriteria worden opgenomen;

117.  vraagt DG ITEC alle webpagina's van het Parlement toegankelijk te maken voor mobiele apparatuur omdat de huidige interfaces nauwelijks compatibel zijn met mobiele apparatuur, ook al gebruiken veel bezoekers van de pagina's een tablet of mobiele telefoon om de websites van het Parlement en de bevoegde commissies te raadplegen; stelt voor om maatregelen toe te passen die de toegankelijkheid van de webpagina's voor mobiele apparatuur merkbaar en binnen een redelijke termijn verbeteren;

118.  acht het van essentieel belang voor het mandaat van de leden dat de printers in hun kantoren blijven staan; wijst erop dat goedkope generische inktpatronen mogelijk tot gevaarlijke emissieniveaus van deeltjes en gezondheidsschade kunnen leiden; vraagt daarom dat DG ITEC en het directoraat-generaal voor Infrastructuur en Logistiek (DG INLO) maatregelen nemen om de aankoop van milieuvriendelijke printers te bevorderen en te garanderen dat er uitsluitend originele inktpatronen worden gebruikt, en ervoor te zorgen dat leden en hun medewerkers de beschikking kunnen hebben over printers in de strategische nabijheid van maar niet in hun kantoor;

119.  neemt er kennis van dat het Bureau op 7 september 2015 een beveiligingsbeleid voor informatie- en communicatietechnologiesystemen (ICT-beveiligingsbeleid) heeft goedgekeurd; onderstreept dat, in de huidige mondiale context, dringend een aanzienlijk robuuster ICT-beveiligingsbeleid moet worden gevoerd dat volledig gericht is op het beheer van risico's in verband met cyberveiligheid; is in deze context verheugd over de benoeming van een cyberbeveiligingsfunctionaris bij het Parlement;

120.  herhaalt zijn in de kwijtingsresolutie voor 2014 gedaan verzoek om de oprichting van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing in noodgevallen, met behulp waarvan DG ITEC, in samenwerking met het directoraat-generaal Beveiliging en Veiligheid (DG SAFE), snel via sms of e‑mail berichten kan versturen naar leden en personeelsleden die hun naam op een lijst hebben laten zetten om in specifieke noodsituaties te worden gewaarschuwd;

121.  complimenteert DG ITEC met de installatie van wifi in alle gebouwen van het Parlement; merkt evenwel op dat de wifi in de plenaire vergaderzaal in Straatsburg onbetrouwbaar is, met name wanneer tijdens stemmingen of belangrijke debatten veel leden het systeem tegelijkertijd gebruiken; verzoekt de secretaris-generaal dit te verhelpen;

Directoraat-generaal Extern Beleid van de Unie

122.  is verheugd dat een aantal openbare vergaderingen van de interparlementaire delegaties al via webstreaming worden uitgezonden; verzoekt de secretaris-generaal deze dienst, alsook de inhoud van de webpagina's van de delegaties, verder te ontwikkelen en uit te breiden;

DG INLO

123.  merkt op dat de gebouwenstrategie voor de middellange termijn van 2010 op het ogenblik wordt herzien; vraagt dat deze strategie wordt uitgebreid tot de langere termijn en dat er een casestudy in wordt opgenomen van de te verwachten gevolgen van de brexit;

124.  is verheugd dat de leden en hun medewerkers vanaf 2019 meer kantoorruimte in Straatsburg zullen krijgen; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat, zolang een oplossing voor één vergaderplaats voor het Parlement uitblijft, het minimumaantal vierkante meters per medewerker conform de huidige regelgeving inzake arbeidsomstandigheden wordt gegarandeerd, aangezien het Parlement zich momenteel in een delicate positie bevindt omdat het zich bewust niet aan de regels inzake minimale kantoorruimte houdt;

125.  betreurt ten zeerste dat er is besloten om het meubilair in de kantoren van de leden en hun medewerkers in Brussel te vervangen en vraagt dat daar onmiddellijk een einde aan wordt gemaakt; merkt op dat het overgrote deel van het meubilair nog perfect bruikbaar en presentabel is en dat er dus geen enkele reden is om het te vervangen; is van mening dat feedback van een aantal leden (in plaats van een algemene rondvraag) geen voldoende reden voor de verandering is, net zo min als de argumenten met betrekking tot smaak, mode of ouderwetse stijl die de administratie aanvoert; meubels dienen enkel te worden vervangen bij duidelijke tekenen van beschadiging, ernstige slijtage of specifieke dan wel algemene risico's voor de gezondheid op het werk (bijvoorbeeld om de ergonomie van de bureaustoelen te verbeteren); wijst erop dat het imago van het Parlement, en meer bepaald van de leden, bij de burgers en in de publieke opinie terecht ernstig zou kunnen worden geschaad door dergelijke kwesties in verband met uiterlijk vertoon, zeker in tijden van economische crisis en de daaruit voortvloeiende budgettaire krapte;

126.  is zich ervan bewust dat ingevolge de besluiten van het Bureau van 2013 en 2015 voor cateringcontracten geen rechtstreekse subsidies uit de begroting van het Parlement worden uitgekeerd; is evenwel bezorgd over het feit dat bepaalde diensten in 2015 werden aangeboden tegen hogere prijzen dan de marktprijzen; verwijst in dit verband naar de tijdens vergaderingen geserveerde koffie; merkt op dat de prijzen in augustus 2016 zijn herzien;

127.  betreurt ten zeerste de willekeurige, subjectieve en onevenredige criteria die zijn gebruikt bij de procedure voor het aanwerven van chauffeurs toen deze dienst in 2016 om veiligheidsredenen werd geïnternaliseerd; betreurt dat in de procedure geen rekening is gehouden met de vaardigheden en de ervaring die de chauffeurs hebben opgedaan in de jaren dat zij in nauw contact met de leden hebben gewerkt en een vertrouwensband met hen hebben opgebouwd, noch met het feit dat veel van de chauffeurs die hun baan hebben verloren, op een leeftijd zijn gekomen waarop het moeilijk is om een nieuwe baan te vinden;

Directoraat-generaal Vertolking en Conferenties (DG INTE)

128.  maakt zich zorgen over de problematische sociale dialoog tussen DG INTE en de vertegenwoordigers van de tolken, die in januari 2014 op gang is gebracht en die tot dusverre nog niet tot een akkoord heeft geleid; verzoekt de secretaris-generaal een bemiddelingsprocedure tussen de betrokken partijen in te leiden met het oog op een beter wederzijds begrip van de diverse standpunten en te komen tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing;

129.  uit zijn tevredenheid over de vooruitgang die reeds is geboekt bij de modernisering van DG INTE, met name in verband met de betere beschikbaarheid van tolken, de lichte stijging van het aantal uren die tolken aan vertolking besteden en de betere spreiding van hun werklast; merkt op dat de berekeningsmethode voor de statistieken moet worden toegelicht en dat alle jaarlijkse vakanties en ziekteverloven nu zijn verwijderd uit de berekening van het gemiddelde aantal uren dat tolken in de tolkencabine doorbrengen;

130.  vraagt de secretaris-generaal informatie te verstrekken over de maatregelen die sinds de aanneming van de kwijtingsresolutie voor 2014 zijn genomen met het oog op een efficiënter en effectiever gebruik van de middelen bij het organiseren van vergaderingen door een stroomlijning van het conferentiebeheer in het Parlement;

DG SAFE

131.  is verheugd dat er onafgebroken werk is gemaakt van de beveiliging en veiligheid op en rond de gebouwen van het Parlement; beseft dat voor de beveiliging in het Parlement een moeilijk evenwicht moet worden gezocht tussen enerzijds het nemen van een aantal beschermende maatregelen en anderzijds een al te zeer op beveiliging gericht systeem dat de werking van het Parlement vertraagt; dringt er niettemin op aan om de beveiliging van het Parlement verder te versterken en verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat de personeelsleden correct worden opgeleid en in staat zijn hun taken professioneel te vervullen, ook in noodsituaties;

132.  verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat er actief wordt gestreefd naar samenwerking tussen de instellingen van de Unie alsook samenwerking met de Belgische, Franse en Luxemburgse autoriteiten;

133.  verzoekt DG ITEC en DG SAFE de capaciteit op het gebied van cyberbeveiliging te versterken in het licht van de grotere dreiging van cyberaanvallen van de afgelopen maanden;

Milieuvriendelijk Parlement

134.  herinnert eraan dat het Bureau op 19 april 2004 met het milieubeheersysteem (EMAS)-project is begonnen; stelt vast dat het Bureau in 2016 een herzien milieubeleid heeft goedgekeurd in het kader waarvan de inzet van het Parlement voor continue milieuverbetering gehandhaafd blijft en wordt herbevestigd;

135.  is ingenomen met de oprichting van de interinstitutionele helpdesk voor groene overheidsopdrachten, die nu volledig moet worden geïmplementeerd met duidelijke streefcijfers ter zake en meer inspanningen op het vlak van interne informatie over groene overheidsopdrachten en de bevordering en doeltreffende aansturing ervan op te drijven; onderstreept ook het feit dat dienstverleners die in onderaanneming werken, zich aan de regels moeten houden; betreurt in dit verband dat in het Parlement veel plastic flessen, bekers, houders en verpakkingen worden gebruikt;

136.  wijst erop dat het Parlement heeft toegezegd zijn CO2-emissies per fte tegen 2020 met 30 % te verminderen ten opzichte van 2006; is verheugd dat deze indicator tussen 2006 en 2015 met ongeveer 24,3 % is gedaald;

137.  acht het dan ook van het allergrootste belang dat het Parlement voor zichzelf nieuwe, meer verregaande kwantitatieve doelen stelt die regelmatig door de verantwoordelijke diensten moeten worden getoetst; wijst in dit verband op het besluit van het Bureau van 2015 om de totale CO2-uitstoot van het Parlement, inclusief de emissies van vluchten van leden tussen hun land van herkomst en de plaatsen van werkzaamheden van het Parlement, te compenseren;

138.  herinnert het Parlement aan zijn toezegging in het kader van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, waarin wordt bepaald dat het, onverminderd de voorschriften betreffende de begroting en de overheidsopdrachten, op de gebouwen waarvan het eigenaar en gebruiker is de voorschriften zal toepassen die krachtens de artikelen 5 en 6 van die richtlijn ook gelden voor de gebouwen van de centrale overheid van de lidstaten, vanwege de grote zichtbaarheid van de gebouwen en de leidende rol die het Parlement dient te vervullen ten aanzien van de energie-efficiëntie van gebouwen; onderstreept dat het dringend nodig is om de daad bij het woord te voegen, vooral in het licht van de geloofwaardigheid van het Parlement bij de huidige herzieningen van de energieprestaties van gebouwen en de richtlijnen inzake energie-efficiëntie;

139.  verzoekt het Bureau een regeling te onderzoeken om het gebruik van duurzamere en efficiëntere vervoerswijzen voor het woon-werkverkeer te stimuleren;

140.  is ingenomen met het initiatief van het Parlement met betrekking tot de toepassing van een alomvattend beleid ter beperking van voedselverspilling; verzoekt het Parlement ervoor te zorgen dat voedselverspilling actief wordt voorkomen door alle cateraars in alle vestigingen van het Parlement; verzoekt het Parlement het schenken van onverkochte voeding aan liefdadigheidsinstellingen te intensiveren;

141.  gaat ervan uit dat de invoering van een doeltreffend reserveringssysteem voor vergaderruimten en een bijbehorend kadaster veel mogelijkheden biedt met het oog op kostenbesparingen en milieu-inspanningen van het Parlement, en vraagt de secretaris-generaal deze aanpak dienovereenkomstig te bevorderen;

Fracties (begrotingspost 4 0 0)

142.  merkt op dat de voor 2015 op begrotingspost 4 0 0 opgenomen kredieten voor de fracties en de niet-fractiegebonden leden als volgt werden gebruikt:

Fractie

2015

2014**

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en over­gedragen kredieten

Uitgaven

Gebruik­makings­percentage van de jaarlijkse kredieten

Over­drachten naar de volgende periode

Jaarlijkse kredieten

Eigen middelen en over­gedragen kredieten

Uitgaven

Gebruik­makings­percentage van de jaarlijkse kredieten

Over­drachten naar de volgende periode (2011)

PPE

17 440

10 198

17 101

98,06 %

8 720

19 919

7 908

17 796

89,34 %

9 960

S&D

15 256

5 748

15 379

100,81 %

5 625

15 619

4 653

14 850

95,07 %

5 422

ECR

5 959

1 614

5 065

84,99 %

2 509

5 014

1 060

4 476

105,43 %

1 598

ALDE

5 692

2 517

5 865

103,03 %

2 344

6 214

1 774

5 491

88,35 %

2 498

GUE/NGL

4 305

1 256

3 832

89,02 %

1 729

3 527

417

2 689

76,62 %

1 255

Verts/ALE

4 153

1 293

3 890

93,67 %

1 556

4 292

1 389

4 396

88,41 %

1 287

EFDD

3 843

1 643

3 629

94,45 %

1 856

3 231

1 142

2 708

88,83 %

1 615

ENF

1 587

0

827

52,09 %

760

 

 

 

 

 

Niet-fractiegebonden leden

1 627

533

1 001

61,51 %

214

1 991

441

1 281

64,32 %

533

Totaal

59 860

24 803

56 588

94,53 %

25 312

59 807

18 784

53 687

89,76 %

24 168

* alle bedragen x 1000 EUR

** 2014 bestond in verband met de Europese verkiezingen in mei 2014 uit twee begrotingsjaren. De cijfers voor 2014 in de tabel zijn de geconsolideerde bedragen.

143.  verwijst naar de aanbeveling van de Rekenkamer in haar jaarverslag die als volgt luidt: "Het Europees Parlement dient het bestaande controlekader voor de uitvoering van aan fracties toegewezen begrotingskredieten te herzien. Daarnaast moet het Europees Parlement betere begeleiding bieden door versterkte monitoring van de toepassing door de fracties van de regels inzake de goedkeuring en betaling van uitgaven en inzake aanbestedingsprocedures";

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

144.  merkt op dat de voor 2015 op begrotingspost 4 0 2 opgenomen kredieten als volgt werden gebruikt(13):

Partij

Afkorting

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totale inkomsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Ontvangsten-overschot (overgedragen naar reserves) of ‑verlies

Europese Volkspartij

EVP

1 926

8 053

12 241

85 %

363

Partij van Europese Sociaaldemocraten

PES

1 246

5 828

8 024

85 %

40

Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa

ALDE

561

2 093

2 789

85 %

90

Europese Groenen

EGP

480

1 666

2 245

85 %

83

Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers

AECR

395

1 952

2 401

85 %

8

Europese Linkse Partij

EL

372

1 484

2 044

85 %

71

Europese Democratische Partij

EDP/PDE

120

457

577

85 %

0

EUDemocraten

EUD

55

292

370

85 %

3

Europese Vrije Alliantie

EFA

127

636

845

85 %

0

Europese Christelijke Politieke Beweging

ECPM

87

461

560

85 %

4

Europese Alliantie voor Vrijheid

EAF

94

494

588

85 %

7

Alliantie van Europese Nationale Bewegingen

AENM

53

292

399

85 %

0

Beweging voor een Europa van Vrijheid en Democratie

MENF

161

401

562

85%

0

Alliantie voor Directe Democratie in Europa

ADDE

250

821

1 070

85 %

-403

Beweging voor een

Europa van Vrijheden

en Democratie

MELD

91

44

226

85 %

-208

Totaal

 

6 017

24 974

34 943

85 %

59

(*) alle bedragen x 1000 EUR

145.  merkt op dat de voor 2015 op begrotingspost 4 0 3 opgenomen kredieten als volgt werden gebruikt(14):

Stichting

Afkorting

Gelieerd aan partij

Eigen middelen*

Subsidie EP

Totale inkomsten

EP-subsidie als % van de subsidiabele uitgaven (max. 85 %)

Wilfried Martens Centrum voor Europese Studies

WMCES

EVP

949

4 725

5 674

85 %

Foundation for European Progressive Studies

FEPS

PES

847

3 848

4 695

85 %

Europees Liberaal Forum

ELF

ALDE

183

880

1 063

85 %

Green European Foundation

GEF

EGP

163

914

1 077

85 %

Transform Europe

TE

EL

159

847

1 066

85 %

Institute of European Democrats

IED

PDE

47

284

331

85 %

Centrum Maurits Coppieters

CMC

EFA

57

241

298

85 %

New Direction - Foundation for European Reform

ND

AECR

323

1 100

1 423

85 %

European Foundation for Freedom

EFF

EAF

47

268

315

85 %

Organisation For European Interstate Cooperation

OEIC

EUD

33

132

165

85 %

Christian Political Foundation for Europe

CPFE

ECPM

51

267

318

85 %

Foundation for a Europe of Liberties and Democracy

 

MELD

50

248

298

85 %

Instituut voor Directe Democratie in Europa

IDDE

ADDE

144

673

817

85 %

European Identities and Traditions

EIT

AENM

32

169

201

85 %

Totaal

 

 

3 085

14 596

17 681

85 %

(*) alle bedragen x 1000 EUR

 

 

 

 

 

 

146.  stelt met bezorgdheid vast dat bij de Alliantie voor Directe Democratie in Europa, de Beweging voor een Europa van Vrijheden en Democratie, het Initiatief voor Directe Democratie in Europa en de Stichting voor een Europa van Vrijheden en Democratie ernstige onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen met betrekking tot verboden directe of indirecte financiering van nationale partijen en schenkingen;

147.  uit zijn bezorgdheid over het risico op reputatieschade voor het Parlement van zulke onregelmatigheden en is ervan overtuigd dat snelle en doeltreffende actie nodig is om soortgelijke onregelmatigheden in de toekomst aan te pakken en te voorkomen; is echter van mening dat deze onregelmatigheden zich slechts bij een beperkt aantal politieke partijen en stichtingen hebben voorgedaan; is van mening dat die onregelmatigheden niet mogen leiden tot het in twijfel trekken van het financieel beheer van de andere politieke partijen en stichtingen;

148.  is zich ervan bewust dat de nieuwe verordeningen, namelijk Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 en Verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014(15), vanaf het begrotingsjaar 2018 van toepassing zullen zijn op de financiering van Europese politieke partijen en stichtingen, dat de onlangs ingestelde Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen een belangrijke rol krijgt en dat er in het Bureau nog wordt gediscussieerd over de voorstellen van de secretaris-generaal voor de aanpak van een aantal kwesties die niet door die verordeningen worden geregeld; verzoekt de intern controleur van het Parlement zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de nieuwe verordeningen een nieuw controleverslag op te stellen over de financiering van de Europese politieke partijen en stichtingen;

149.  meent dat het in dit verband cruciaal is om elke tekortkoming van het huidige systeem van interne en externe controles te onderzoeken als het erom gaat ernstige onregelmatigheden te voorkomen; neemt kennis van de verklaringen van de externe controleur, EY, dat zijn controles bedoeld zijn om met redelijke zekerheid te kunnen vaststellen dat de jaarrekeningen geen onjuistheden van wezenlijk belang vertonen, dat de organisatie heeft voldaan aan de betreffende voorschriften en dat het bewijsmateriaal ter staving van het advies steekproefsgewijs is onderzocht; neemt voorts ter kennis dat de controle geen onderzoek inhoudt naar frauduleuze verklaringen en documenten en dat bijgevolg slechts een beperkt inzicht wordt verkregen in de onderzochte financiële activiteiten;

150.  neemt er nota van dat bij DG FINS weinig personele middelen (2 fte's) zijn toegewezen voor de controle van de rekeningen van Europese politieke partijen en stichtingen; is er vast van overtuigd dat daarvoor, gezien het grote risico op reputatieschade, meer middelen moeten worden ingezet;

151.  verzoekt het Bureau om, voor zover het vertrouwelijkheidsbeginsel dit toelaat, de toegang tot de onderliggende documenten in de definitieve verslagen van de Europese politieke partijen en stichtingen te vergemakkelijken, in het bijzonder de rekeningen en de verrichte controles;

152.  vraagt dat de onlangs ingestelde Autoriteit na haar eerste jaar van activiteit, namelijk 2017, een voortgangsverslag aan het Parlement voorlegt; verzoekt de secretaris-generaal ervoor te zorgen dat de autoriteit de beschikking krijgt over alle noodzakelijke middelen om haar taken te vervullen.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 354 van 27.9.2016, blz. 1.
(4) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(5) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 10.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PE 422.541/Bur.
(8) Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
(9) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(10) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 2.
(11) Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1).
(12) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 3.
(13) Opm.: alle bedragen x 1000 EUR Noot (1): overeenkomstig artikel 125, lid 6, van het Financieel Reglement omvatten de inkomsten de overdrachten uit het voorgaande jaar.
(14) Opm.: alle bedragen x 1000 EUR
(15) Verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 28).


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU – Europese Raad en Raad
PDF 260kWORD 46k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling II - Europese Raad en Raad (2016/2153(DEC))
P8_TA(2017)0147A8-0131/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0271/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0131/2017),

1.  stelt zijn besluit tot verlening van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2015 uit;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling II – Europese Raad en Raad (2016/2153(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling II - Europese Raad en Raad,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0131/2017),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit, in het kader van de kwijtingsprocedure, sterk de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de -instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

1.  merkt op dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2015 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

2.  stelt verheugd vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag van 2015 over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015 ("het verslag van de Rekenkamer") opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten inzake personele middelen en aanbesteding door de Europese Raad en de Raad;

3.  merkt op dat de Europese Raad en de Raad in 2015 een totale begroting hadden van 541 791 500 EUR (534 202 300 EUR in 2014) met een uitvoeringspercentage van 92,6 %;

4.  neemt ter kennis dat de begroting van de Raad voor 2015 met 7,6 miljoen EUR (+ 1,4 %) is toegenomen;

5.  neemt kennis van de publicatie door het secretariaat-generaal van de Raad van de jaarlijks activiteitenverslagen van de Juridische Dienst, het Communicatie en Documentbeheer en de directoraten-generaal Administratie;

6.  neemt kennis van de in het jaarlijks activiteitenverslag Administratie verstrekte uitleg voor structurele onderbesteding; is niettemin bezorgd over het hoge niet-bestede percentage in bepaalde categorieën; spoort aan tot de ontwikkeling van kernprestatie-indicatoren voor het verbeteren van de begrotingsprogrammering;

7.  blijft verontrust over het zeer hoge aantal kredieten die van 2015 naar 2016 zijn overgedragen, met name wat de materiële vaste activa betreft;

8.  herhaalt dat de begroting van de Europese Raad en die van de Raad moeten worden gescheiden, voor een transparanter financieel beheer van de instellingen en om ervoor te zorgen dat beide instellingen beter aan hun verantwoordingsplicht kunnen voldoen;

9.  dringt aan op een overzicht van het personeel, opgesplitst naar categorie, rang, geslacht, nationaliteit en gevolgde beroepsopleiding;

10.  benadrukt dat geografisch evenwicht, met name met betrekking tot de nationaliteit van het personeel en de grootte van de lidstaten, een belangrijk element in het middelenbeheer moet blijven, in het bijzonder met betrekking tot de lidstaten die sinds 2004 tot de Unie zijn toegetreden; is verheugd over het feit dat de Europese Raad en Raad een evenwichtige samenstelling van ambtenaren hebben weten te bewerkstelligen vanuit de lidstaten die voor en na 2004 tot de Unie zijn toegetreden, maar wijst erop dat lidstaten die in 2004 of daarna tot de Unie zijn toegetreden in de hogere bestuurslagen en in leidinggevende functies nog steeds ondervertegenwoordigd zijn en dat er op dit gebied nog vooruitgang wordt verwacht;

11.  wijst op het bestaan van een genderevenwichtsbeleid in het secretariaat-generaal van de Raad; is verheugd over de positieve trend wat betreft het genderevenwicht in het management; dringt er echter bij de Raad op aan zijn inspanningen verder te intensifiëren en wijst daarbij op het feit dat eind 2015 de mate van genderevenwicht nog steeds slechts 30 %/ 70 % bedroeg;

12.  is ingenomen met de informatie over beroepswerkzaamheden van voormalige hoge ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad nadat zij de dienst(6) in 2015 hadden verlaten; steunt de volledige transparantie en jaarlijkse openbaarmaking van deze informatie;

13.  wijst er met grote bezorgdheid op dat het secretariaat-generaal van de Raad in 2015 nog steeds geen interne regels inzake klokkenluiders ten uitvoer had gelegd, zoals opgemerkt door de Ombudsman; roept de Raad op zonder verder uitstel interne regels inzake klokkenluiders uit te voeren;

14.  neemt kennis van de personeelsformatie van de Raad en het voornemen zich te houden aan de interinstitutionele overeenkomst om het personeelsbestand met 5% te verminderen over een periode van vijf jaar; vraagt om toelichting over de manier waarop deze vermindering te rijmen valt met het creëren van 19 nieuwe posten; stelt voor dat de Raad het Parlement op de hoogte brengt van eventuele alternatieve besparingen die werden verwezenlijkt ter compensatie van de vertraging van de personeelsinkrimping;

15.  neemt kennis van de reorganisatie van de administratie van het directoraat-generaal teneinde de kwaliteit en de efficiëntie te verbeteren; verwacht dat deze hervorming een positief effect zal hebben op de uitvoering van de begroting van de Raad;

16.  is bezorgd over de vertraagde oplevering van het Europa-gebouw; wenst geïnformeerd te worden over de financiële gevolgen van het uitstel;

17.  dringt er opnieuw op aan dat het gebouwenbeleid van de Raad aan de kwijtingsautoriteit wordt overlegd; herinnert de Raad eraan dat het Parlement had verzocht om voortgangsverslagen over bouwprojecten en om een gedetailleerd overzicht van de tot dusver gemaakte kosten;

18.  merkt tevreden op dat het secretariaat-generaal van de Raad in 2015 het label "ecodynamische onderneming" en in 2016 het EMAS-certificaat heeft verkregen voor zijn efficiënte milieubeheer;

Stand van zaken

19.  neemt kennis van het officiële antwoord van de secretaris-generaal van de Raad op de uitnodiging van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement om een gedachtewisseling met de secretarissen-generaal van de andere instellingen bij te wonen; stelt vast dat in het antwoord enkel het reeds eerder geuite standpunt van de Raad betreffende de uitwisseling van financiële gegevens wordt herhaald; merkt op dat in deze brief niet wordt ingegaan op de schriftelijke vragenlijst met vragen van Parlementsleden die op 17 november 2016 naar het secretariaat-generaal van de Raad is verstuurd;

20.  herhaalt dat de Raad transparant moet zijn en volledige verantwoording verschuldigd is aan de burgers van de Unie voor de middelen die hem als instelling van de Unie zijn toevertrouwd; benadrukt dat dit inhoudt dat de Raad net als de overige instellingen volledig en te goeder trouw moet deelnemen aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure; is in dit verband van mening dat voor een effectief toezicht op de uitvoering van de begroting van de Unie samenwerking vereist is tussen het Parlement en de Raad via een werkafspraak; betreurt ten zeerste de moeilijkheden die zich tot nu toe in de kwijtingsprocedures hebben voorgedaan;

21.  benadrukt nogmaals dat de uitgaven van de Raad op dezelfde wijze moeten worden gecontroleerd als de uitgaven van andere instellingen en dat de basisprincipes van een dergelijke controle zijn vastgelegd in zijn kwijtingsresoluties van de afgelopen jaren;

22.  herinnert eraan dat het Parlement kwijting verleent aan de andere instellingen nadat het heeft nagedacht over de verstrekte documenten en de antwoorden die op de vragen zijn gegeven; betreurt het dat het Parlement voortdurend moeite heeft om antwoorden van de Raad te krijgen; hoopt in dit verband op een sterk verbeterde samenwerking met de secretaris-generaal van de Raad die in 2015 voor het eerst deze nieuwe taken op zich heeft genomen;

23.  betreurt het dat er in het verleden geen kwijting is verleend als gevolg van de ontoereikende samenwerking tussen het Europees Parlement en de Raad; merkt op dat er bij beide partijen een hogere mate van welwillendheid lijkt te bestaan en heeft goede hoop dat er vooruitgang zal worden geboekt ten aanzien van een betere samenwerking in de toekomst, een gegeven dat het publieke imago van het Parlement en de Raad zal bevorderen; roept het Parlement en de Raad op om op deze weg voort te gaan;

24.  onderstreept dat het Parlement bevoegd is om kwijting te verlenen overeenkomstig de artikelen 316, 317 en 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 164 tot en met 167 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, en bevestigt dat het al dan niet verlenen van kwijting een plicht is van het Parlement jegens de burgers van de Unie;

25.  herinnert eraan dat elk van de instellingen, zoals omschreven in artikel 2, onder b), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, autonoom is in de uitvoering van haar afdeling van de begroting, gezien de in artikel 55 van dat Reglement vastgelegde begrotingsautonomie; bevestigt dat het Parlement, in overeenstemming met de gangbare handelswijze en interpretatie van de huidige regels en de begrotingsautonomie van de Raad, en met het oog op de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie, iedere instelling afzonderlijk kwijting verleent;

26.  is van mening dat een bevredigende samenwerking tussen het Parlement, de Europese Raad en de Raad als het gevolg van een open en formele dialoog een positief signaal kan zijn aan de burgers van de Unie.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Artikel 16, leden 3 en 4, van het Statuut.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Hof van Justitie
PDF 268kWORD 49k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling IV - Hof van Justitie (2016/2154(DEC))
P8_TA(2017)0148A8-0136/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0272/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0136/2017),

1.  verleent de griffier van het Hof van Justitie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Hof van Justitie voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de het Hof van Justitie, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling IV – Hof van Justitie (2016/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling IV - Hof van Justitie,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0136/2017),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit, in het kader van de kwijtingsprocedure, sterk de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen, en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

1.  stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer in haar jaarverslag van 2015 geen significante tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten wat betreft personele middelen en het plaatsen van opdrachten door het Hof van Justitie van de Europese Unie (het "Hof van Justitie");

2.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2015 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van het Hof van Justitie geen materiële fouten vertonen;

3.  merkt op dat het Hof van Justitie in 2015 beschikte over kredieten ten belope van 357 062 000 EUR (355 367 500 EUR in 2014) en dat de uitvoeringsgraad 99 % bedroeg; verwelkomt de zeer hoge benuttingsgraad in 2015, identiek aan de benuttingsgraad in 2014;

4.  merkt op dat de ontvangsten van het Hof van Justitie voor begrotingsjaar 2015 werden geraamd op 44 856 000 EUR; verzoekt het Hof toe te lichten waarom de vastgestelde rechten voor het begrotingsjaar 2015 49 510 442 EUR bedragen, wat 10,4 % hoger is dan geraamd;

5.  merkt op dat de ontvangsten uit rechten die van 2014 naar 2015 werden overgedragen op 84 620,37 EUR komen en dat 84,28 % daarvan ontvangsten zijn van personen die verbonden zijn aan de instellingen of andere organen van de Unie;

6.  wijst erop dat de begroting van het Hof van Justitie merendeels administratief is, en dat ongeveer 75 % gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat in het Hof van Justitie werkzaam is en de rest voor gebouwen, meubilair, uitrusting en speciale taken van het Hof van Justitie; onderstreept echter dat de invoering van resultaatgericht begroten niet enkel geldt voor de begroting van het Hof van Justitie in haar geheel, maar ook voor het bepalen van specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdgebonden (SMART) doelstellingen voor individuele afdelingen, eenheden en jaarplannen voor personeelsbeleid; roept het Hof van Justitie in dit verband op om het beginsel van resultaatgericht begroten breder in te voeren in de dagelijkse activiteiten;

7.  verwelkomt de productiviteit van de gerechtelijke activiteiten van het Hof van Justitie in 2015, met 1 711 zaken aanhangig gemaakt bij de drie gerechtelijke instanties, en 1 755 afgesloten zaken; merkt op dat nooit eerder in de geschiedenis van het Hof van Justitie op één jaar tijd zo veel zaken werden ingediend;

8.  merkt op dat het Hof van Justitie in 2015 616 zaken heeft afgedaan, wat een daling is in vergelijking met 2014 (in 2014 werden 719 zaken afgesloten), en dat 713 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt (in vergelijking met 622 in 2014);

9.  neemt ter kennis dat bij het Gerecht in 2015 831 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt en dat 987 zaken werden afgedaan, wat een algemene stijging is in vergelijking met de voorafgaande jaren;

10.  stelt vast dat het Gerecht voor ambtenarenzaken in 2015 152 zaken heeft afgedaan, net als in 2014, en dat er 167 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt; benadrukt dat 2015 het laatste jaar was waarin het Gerecht voor ambtenarenzaken bestond, tien jaar nadat het werd opgericht; is van oordeel dat het Hof van Justitie een grondige beoordeling moet uitvoeren van de activiteiten die gedurende deze tien jaar verricht werden;

11.  wijst erop dat de juridische statistieken van de drie jurisdicties over 2015 de in voorgaande jaren waargenomen tendens bevestigen met betrekking tot de duur van de procedures, die op bevredigende niveaus blijft [het Hof van Justitie: gemiddelde duur voor de prejudiciële verwijzingen 15,3 maanden (tegen 15 maanden in 2014), voor dringende prejudiciële verwijzingen 1,9 maanden (tegen 2,2 maanden in 2014), voor rechtstreekse beroepen 17,6 maanden (tegen 20 maanden in 2014) en voor verzoeken om voorlopige maatregelen 14 maanden (tegen 14,5 maanden in 2014); het Gerecht en het Gerecht voor ambtenarenzaken: respectievelijk 20,6 maanden (tegen 23,4 maanden in 2014) en 12,1 maanden (tegen 12,7 maanden in 2014) voor alle soorten zaken]; is van mening dat de wijzigingen in de statuten van het Hof van Justitie, die in 2015 zijn goedgekeurd, dit rationaliseringsproces alleen maar kunnen versterken;

12.  is verheugd dat het aantal opgeloste zaken tussen 2007 en 2015 met 57 % is gestegen, voornamelijk dankzij de coördinatie tussen de jurisdicties en de inspanningen van het ondersteunend personeel, en wel ondanks de geringe toename van het aantal hulpfunctionarissen gedurende deze periode;

13.  merkt op dat 2015 het jaar is waarin de hervorming van de gerechtelijke structuur van het Hof van Justitie is aangenomen, die vergezeld ging van de ontwikkeling van een nieuw reglement voor het Gerecht; begrijpt dat deze hervorming het Hof van Justitie in staat zal stellen om, dankzij een verdubbeling van het aantal rechters in het Gerecht (een proces dat in drie fasen verloopt en in 2019 zal zijn voltooid), de stijging van het aantal zaken op te vangen; kijkt uit naar de analyse van de resultaten van die hervorming in de capaciteit van het Hof van Justitie om de zaken binnen een redelijke termijn te behandelen met inachtneming van de vereisten van een eerlijk proces;

14.  is van mening dat de hervorming van het rechtsstelsel het Hof van Justitie in staat zal stellen de stijgende werklast sneller en efficiënter te verwerken en de belangen van de beklaagden te dienen, met inachtneming van hun recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, overeenkomstig de doelstelling van een doelmatig functionerende dienst van hoogwaardige kwaliteit;

15.  neemt kennis van de geplande herschikking van de gedragscode voor leden, waarbij de voorwaarden voor het verrichten van externe activiteiten en de publicatie van hun financiële belangen verduidelijkt zullen worden; vraagt een grotere transparantie betreffende de externe activiteiten van elke rechter; vraagt dat het Hof van Justitie informatie over andere functies en betaalde externe activiteiten van de rechters verschaft op zijn website en in zijn jaarlijkse activiteitenverslagen;

16.  merkt op dat van de vastleggingen voor dienstreizen (295 000 EUR) slechts 41 209 EUR werd gebruikt; wijst erop dat deze te lage investering had kunnen worden vermeden; vraagt het Hof van Justitie om zijn budgettering en verantwoording met betrekking tot de begroting voor dienstreizen te verbeteren en beklemtoont het beginsel dat dienstreizen kostenefficiënt moeten zijn;

17.  is van oordeel dat het Hof van Justitie voor bijeenkomsten met externe partijen die geen betrekking hebben op zijn judiciële activiteiten een algemeen overzicht van de deelnemers en de inhoud beschikbaar moet stellen;

18.  vraagt het Hof van Justitie tegen juni 2017 een lijst met vergaderingen met lobbyisten, beroepsverenigingen en het maatschappelijk middenveld aan de kwijtingsautoriteit te bezorgen; vraagt het Hof van Justitie tegen juni 2017 de notulen van deze vergaderingen voor te leggen;

19.  neemt met tevredenheid kennis van de verbeteringen van de toepassing e-Curia en van het feit dat alle lidstaten de toepassing in 2015 hebben gebruikt; is van oordeel dat de digitalisering van documenten gekoppeld moet worden aan een verhoging van de gegevensbeveiliging;

20.  stelt vast dat het Hof van Justitie, volgens zijn jaarlijks beheersverslag voor 2015, nauw samenwerkt met het team van de Rekenkamer dat als taak heeft een prestatieaudit te verrichten; merkt in dit verband op dat het Hof van Justitie bij het begin van de audit de werkzaamheden van het auditteam heeft belemmerd; is ingenomen met het feit dat het Hof van Justitie de samenwerking met de auditeurs heeft verbeterd en de Rekenkamer aanvullende documenten heeft verstrekt; is zich ervan bewust dat het beginsel van het geheim der beraadslagingen noodzakelijk is om de onafhankelijkheid van degenen die uitspraak doen te behouden, de samenhang en finaliteit van de uitspraken te bevorderen en te voorkomen dat degenen die uitspraak doen meer tijd moeten besteden aan het afleggen van verklaringen over hun uitspraken dan aan hun uitspraken zelf; wijst er echter op dat het beginsel van het geheim der beraadslagingen externe controles voorkomt als het van meet af aan wordt toegepast; verzoekt het Hof van Justitie daarom een mechanisme voor interne controle/herstel te ontwikkelen om in dergelijke gevallen in een zekere mate van controle te voorzien;

21.  stelt vast dat het Hof van Justitie zich heeft gehouden aan de interinstitutionele overeenkomst om het personeelsbestand met 5 % te verminderen over een periode van vijf jaar;

22.  wijst op de hoge bezettingsgraad van posten (98 %) ondanks het grote personeelsverloop in het Hof van Justitie, en ondersteunt het actieve aanwervingsbeleid; dringt er bij het Hof op aan een draaideurbeleid aan te nemen;

23.  verwelkomt de uitwisseling van personeel tussen het Hof van Justitie en de Europese Centrale Bank in 2015 en verwacht dat deze samenwerking de komende jaren blijft bestaan;

24.  verwelkomt het initiatief van het Hof van Justitie om het genderevenwicht in managementfuncties te verbeteren, evenals het feit dat het genderevenwicht in 2015 35 % tegen 65 % bedroeg voor de functies in het middel- en hoger management; is echter van oordeel dat er binnen de instelling nog ruimte is voor verbetering op dit gebied; wijst er tevens op dat het Parlement en de Raad zich ten doel hebben gesteld te zorgen voor gendergelijkheid bij de benoeming van nieuwe rechters in het Gerecht(6);

25.  benadrukt dat geografisch evenwicht, met name de verhouding van de nationaliteit van het personeel tot de grootte van de lidstaten, een belangrijk element in het middelenbeheer moet blijven, met name met betrekking tot de lidstaten die in 2004 of daarna tot de Unie zijn toegetreden;

26.  is ingenomen met het feit dat het Hof van Justitie in zijn personeelssamenstelling een beter evenwicht heeft bereikt tussen functionarissen uit de lidstaten die vóór 2004 tot de Unie zijn toegetreden en functionarissen uit de lidstaten die in 2004 of daarna tot de Europese Unie zijn toegetreden; is echter uiterst bezorgd over het aanzienlijke geografische onevenwicht op kader- en topmanagementniveau, in het nadeel van de lidstaten die in 2004 of daarna tot de Unie zijn toegetreden; roept het Hof van Justitie op om deze situatie recht te zetten en het Parlement op de hoogte te houden van de in dit verband bereikte verwezenlijkingen;

27.  betreurt dat de interne regels voor klokkenluiders van het Hof van Justitie pas begin 2016 ingevoerd werden; beveelt aan dat het Hof van Justitie deze regels onder haar personeelsleden verspreidt zodat alle werknemers ze kennen; vraagt het Hof van Justitie uiterlijk in juni 2017 details te verschaffen over eventuele klokkenluiderszaken in 2015 en hoe deze zijn afgehandeld en opgelost;

28.  dringt er echter bij het Hof van Justitie op aan over te gaan tot de indiening van belangenverklaringen in plaats van verklaringen betreffende de afwezigheid van belangenconflicten, aangezien een zelfbeoordeling van belangenconflicten op zichzelf al een belangenconflict vormt; is van mening dat de beoordeling van situaties omtrent eventuele belangenconflicten door een onafhankelijke partij moet worden uitgevoerd; verzoekt het Hof van Justitie tegen juni 2017 verslag uit te brengen over de ingevoerde wijzigingen en aan te geven wie de situatie omtrent eventuele belangenconflicten controleert; herhaalt dat transparantie essentieel is om het vertrouwen van de burger te behouden; dringt er bij het Hof van Justitie op aan een duidelijk draaideurbeleid aan te nemen en maatregelen en afschrikkende sancties in te voeren, zoals een verlaging van pensioenen of een verbod van ten minste drie jaar om in soortgelijke organen te werken, teneinde draaideurconstructies te voorkomen;

29.  wijst op de samenwerking van de vertolkingsdiensten van het Hof van Justitie met die van de Commissie en het Parlement in het Interinstitutioneel Comité voor vertaling en vertolking, vooral inzake vertolking; verwacht dat deze samenwerking uitgebreid zal worden tot het gebied van vertalingen en hecht zijn goedkeuring daaraan, waar het mogelijk is en zonder de bevoegdheden van het Hof van Justitie te ondermijnen;

30.  verzoekt het Hof van Justitie om het Parlement de vertaalkosten te bezorgen, overeenkomstig de geharmoniseerde methodologie zoals overeengekomen in de interinstitutionele werkgroep over interinstitutionele kernactiviteit- en prestatie-indicatoren;

31.  verneemt dat in 2015 de werklast in het Directoraat vertalingen van het Hof van Justitie met 1,4 % is gestegen en de productiviteit met 7 %, doordat het beheer van de werklast werd uitbesteed en nieuwe instrumenten ter ondersteuning van het vertalen werden ingevoerd;

32.  verneemt met instemming dat de uitgaven en de voorwaarden voor het gebruik van dienstauto's herzien worden door de interne auditdiensten van het Hof van Justitie en de Rekenkamer; roept het Hof van Justitie op om in het kader van deze herziening te overwegen het aantal dienstauto's ter beschikking van leden en personeel te verminderen; verzoekt het Hof van Justitie om zijn controles in verband met het gebruik van dienstauto's voor particuliere doeleinden te verbeteren;

33.  verwelkomt de inzet van het Hof van Justitie voor ambitieuze milieudoelstellingen; moedigt de instellingen aan om de beginselen van groene overheidsopdrachten toe te passen en roept op tot de invoering van regels en de toewijzing van voldoende begrotingsmiddelen voor koolstofcompensatie;

34.  wijst op de gedetailleerde informatie van het Hof van Justitie over zijn gebouwenbeleid, met name over de bouw van een vijfde uitbreiding van het huidige gebouwencomplex;

35.  verwelkomt de opening van het historische archief van het Hof van Justitie in de historische archieven van de Unie in Florence;

36.  is ingenomen met het initiatief van het Hof van Justitie om zijn jaarverslag in een nieuw formaat te publiceren; roept het Hof van Justitie op om het jaarverslag van de Rekenkamer te publiceren, met name de delen die het Hof van Justitie betreffen;

37.  verzoekt het Hof van Justitie om zijn communicatiebeleid ten aanzien van de burgers van de EU te verbeteren;

38.  acht het antwoord van het Hof van Justitie op de vraag van het Parlement over vergoedingen (vraag nr. 26) ontoereikend; vraagt het Hof van Justitie om verduidelijking en om een duidelijk en gedetailleerd antwoord.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Zie de bijlage bij de wetgevingsresolutie van 28 oktober 2015 van het Parlement- Gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad - Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2015)0377.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Rekenkamer
PDF 267kWORD 49k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling V – Rekenkamer (2016/2155(DEC))
P8_TA(2017)0149A8-0151/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0273/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0151/2017),

1.  verleent de secretaris-generaal van de Rekenkamer kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Rekenkamer, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling V – Rekenkamer (2016/2155(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling V – Rekenkamer,

–  gezien speciaal verslag nr. 15/2012 van de Europese Rekenkamer: "Omgang met belangenconflicten bij een selectie van agentschappen van de EU",

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0151/2017),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit, in het kader van de kwijtingsprocedure, sterk de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen, en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

1.  spreekt zijn voldoening uit over de samenwerking tussen de Rekenkamer en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, en waardeert de regelmatige feedback naar aanleiding van verzoeken van het Parlement; is ingenomen met de recente praktijk waarbij het Parlement de mogelijkheid krijgt zijn suggesties met betrekking tot zijn jaarlijks werkprogramma voor te leggen aan de Rekenkamer; dringt aan op een nog meer gestructureerde jaarlijkse bespreking tussen de voorzitter van de Rekenkamer en de Conferentie van commissievoorzitters van het Parlement;

2.  constateert dat de jaarrekening van de Rekenkamer wordt gecontroleerd door een onafhankelijke externe controleur om dezelfde beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht toe te passen als de Rekenkamer hanteert voor de instanties die zij controleert; neemt kennis van het oordeel van de controleur dat de financiële staten van de Rekenkamer een juist en eerlijk beeld geven van de financiële positie van de Rekenkamer;

3.  merkt op dat de Rekenkamer in 2015 over een totaalbedrag van 132 906 000 EUR aan definitieve kredieten beschikte (ten opzichte van 133 498 000 EUR in 2014) en dat het algemene uitvoeringspercentage voor de begroting 98,68 % bedroeg; benadrukt dat het uitvoeringspercentage lager was dan in 2014 (98,8 %);

4.  benadrukt dat de begroting van de Rekenkamer louter administratief is, waarbij een groot deel wordt gebruikt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat bij de instelling werkzaam is; onderstreept echter dat de invoering van resultaatgericht begroten niet enkel voor de begroting van de instelling in haar geheel moet gelden, maar ook betrekking moet hebben op de vaststelling van specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdgebonden (SMART) doelstellingen voor individuele afdelingen, eenheden en de jaarplannen voor personeelsbeleid; is in dit verband verheugd dat de Rekenkamer het beginsel van resultaatgericht begroten toepast in haar dagelijkse werking;

5.  herinnert de Rekenkamer eraan dat de controle overeenkomstig de gemeenschappelijke aanpak over gedecentraliseerde agentschappen aangenomen door het Parlement, de Raad en de Commissie in juli 2012 (in punt 54) "geheel onder de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer [blijft] vallen, die alle voorgeschreven administratieve procedures en procedures voor het toekennen van contracten beheert"; spoort de Rekenkamer aan met voorstellen te komen om de kwestie van de controle van de agentschappen op te lossen binnen de context van de lopende herziening van het Financieel Reglement en de daaropvolgende herziening van de financiële kaderregeling; is van mening dat deze kwestie moet worden opgehelderd om alle buitensporige administratieve lasten voor de gedecentraliseerde agentschappen te verminderen, zonder dat hierdoor de noodzaak en doeltreffendheid van het werk van de Rekenkamer worden aangetast;

6.  neemt kennis van het feit dat de hervorming van de Rekenkamer in 2015 ten uitvoer is gelegd en door de Rekenkamer als een succes is ervaren; kijkt ernaar uit om een tussentijdse evaluatie te ontvangen van de strategie van de Rekenkamer voor de periode 2013-2017, met inbegrip van een analyse van de verwezenlijkingen van de belangrijkste doelstellingen van de hervorming;

7.  is ingenomen met de op toegevoegde waarde gerichte benadering van de Rekenkamer in haar verslagen; roept op tot verdere samenwerking met de andere instellingen van de Unie om de prestatie-indicatoren en prioriteiten voor goed financieel bestuur te ontwikkelen;

8.  merkt op dat in de herziening van artikel 163 van het Financieel Reglement wordt bepaald dat "speciale verslagen opgesteld en vastgesteld worden binnen [...] dertien maanden"(6); stelt vast dat deze termijn in 2015 niet is nageleefd; dringt er bij de Rekenkamer op aan deze termijn te eerbiedigen zonder toegevingen te doen op het vlak van de kwaliteit van de verslagen; spoort de Rekenkamer in dit verband aan de aanbevelingen in de speciale verslagen te verbeteren door ze nog gerichter te maken;

9.  is van oordeel dat de speciale verslagen van de Rekenkamer meer in de kijker moeten worden gezet door de ontvangende instellingen en jaarlijkse specifieke verslagen moeten bevatten; benadrukt dat de doeltreffendheid van afzonderlijke speciale verslagen zou kunnen worden vergroot indien zij aan de hand van specifieke beleidsterreinen in de tijd zouden worden gegroepeerd, zodat het Parlement buiten de kwijtingscyclus ad-hocverslagen aan deze speciale verslagen van de Rekenkamer kan wijden;

10.  betreurt het feit dat de Rekenkamer tot nog toe heeft nagelaten met een speciaal verslag te komen over belangenconflicten in alle agentschappen, met name degene die zich bezig houden met bedrijfstakken, ondanks de herhaalde verzoeken hiertoe die het Parlement sinds 2012 formuleert in zijn kwijtingsresoluties; dringt er bij de Rekenkamer op aan een eerste speciaal verslag over belangenconflicten uiterlijk einde juni 2017 klaar te hebben en te publiceren en daarna jaarlijks de daaropvolgende rapporten te publiceren; is van mening dat het opstellen door de Rekenkamer van jaarlijkse verslagen over belangenconflicten van wezenlijk belang is voor de integriteit van de instellingen, organen en agentschappen van de Unie, en belangenconflicten vermijdt tussen de agentschappen van de Unie, met name de agentschappen die zich bezighouden met bedrijfstakken, en de lobbygroepen;

11.  stelt vast dat de Rekenkamer zich houdt aan de interinstitutionele overeenkomst om het personeelsbestand met 5 % te verminderen over een periode van vijf jaar; vraagt de Rekenkamer uiterlijk in juni 2017 toe te lichten hoe deze vermindering te rijmen valt met de nieuwe aanwervingen door de Rekenkamer in 2015 en inlichtingen te verstrekken over het percentage nieuwe aanwervingen in 2015;

12.  betreurt het gebrek aan genderevenwicht onder de leden van de Rekenkamer, met een verhouding van vijf vrouwen tegenover 23 mannen in 2015, en betreurt tevens dat het aantal vrouwen in 2016 is gezakt naar drie; stelt voorts met spijt vast dat de Rekenkamer een aanhoudend gebrek aan genderevenwicht heeft in hoge en middelhoge leidinggevende ambten (30,4 % vrouwen ten opzicht van 69,6 % mannen); roept de Rekenkamer op te ijveren voor genderevenwicht, met name in leidinggevende ambten; verzoekt de Rekenkamer bovendien om verslag uit te brengen bij de kwijtingsautoriteit over de genomen maatregelen en de hiermee behaalde resultaten zonder de opdracht van de Rekenkamer op de helling te zetten;

13.  benadrukt dat geografisch evenwicht, namelijk een evenredig verband tussen de personeelsleden van een bepaalde nationaliteit en de grootte van de betrokken lidstaat, een belangrijk element moet blijven in het beheer van middelen, met name met betrekking tot de lidstaten die in 2004 of daarna tot de Unie zijn toegetreden; toont zich verheugd dat de Rekenkamer in het algemeen tot een evenwichtige samenstelling is gekomen van ambtenaren uit de lidstaten die voor 2004 en de lidstaten die in 2004 of daarna tot de Unie zijn toegetreden; wijst er niettemin op dat de lidstaten die in 2004 of daarna tot de Unie zijn toegetreden nog altijd ondervertegenwoordigd zijn in de hogere bestuurslagen en in leidinggevende functies, en dat hier nog stappen moeten worden gezet;

14.  is verontrust over het hoge aantal dagen ziekteverlof onder de personeelsleden; verzoekt de Rekenkamer gerichte activiteiten voor welzijn op het werk te organiseren om ervoor te zorgen dat het personeel beter presteert wat de kerntaken betreft;

15.  neemt kennis van de methode die door de Rekenkamer wordt gehanteerd voor de berekening van het ziekteverlof van het personeel; is van mening dat deze methode niet geschikt is om afwezigheid wegens ziekte effectief te berekenen; verzoekt de Rekenkamer een berekeningsmethode te hanteren op basis van afwezigheid op werkdagen per individuele werknemer, zoals dat gebeurt in andere instellingen;

16.  stelt vast dat de Rekenkamer vijf heidedagen heeft georganiseerd, voornamelijk ter voorbereiding van de hervorming van de Rekenkamer, die door een klein aandeel van de personeelsleden zijn bijgewoond (slechts 107 deelnemers); verzoekt de Rekenkamer haar activiteiten voor welzijn op het werk beter af te stemmen op proactieve en positieve opleiding, training en ontwikkeling, met deelname van zoveel mogelijk personeelsleden;

17.  neemt kennis van het versterkt ethisch kader van de Rekenkamer ter voorkoming van belangenconflicten en wangedrag van personeelsleden; verzoekt de Rekenkamer bij het Parlement verslag uit te brengen over de herziening van haar interne regels ter bestrijding van intimidatie;

18.  dringt er bij de Rekenkamer op aan het indienen van belangenverklaringen af te dwingen, in plaats van verklaringen inzake afwezigheid van belangenconflicten, aangezien een zelfbeoordeling van belangenconflicten op zichzelf al een belangenconflict vormt; is van mening dat de beoordeling of er al dan niet sprake is van een belangenconflict moet worden uitgevoerd door een derde partij, die onafhankelijk is; verzoekt de Rekenkamer uiterlijk in juni 2017 verslag uit te brengen over de aangebrachte wijzigingen en aan te geven wie nagaat of er sprake is van belangenconflicten; herhaalt dat integriteit en transparantie essentieel zijn om vertrouwen te krijgen van de burger; verzoekt de Rekenkamer om duidelijke regels vast te stellen met betrekking tot "draaideurconstructies" en om ter voorkoming hiervan maatregelen en afschrikkende sancties in te voeren, zoals de verlaging van pensioenen of een verbod om ten minste drie jaar in soortgelijke organen te werken;

19.  herinnert de Rekenkamer eraan dat de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie administratieve gedragscodes moeten aannemen en moeten worden aangespoord om het transparantieregister te gebruiken als referentie-instrument voor hun interactie met de relevante vertegenwoordigers;

20.  roept de Rekenkamer op om partij te worden bij het interinstitutioneel akkoord inzake een verplicht transparantieregister;

21.  is verheugd over de totstandbrenging van een portaal inzake transparantie op de website van de Rekenkamer en over het feit dat de Rekenkamer reeds regels voorhanden heeft inzake klokkenluiden; beveelt de Rekenkamer aan deze regels te verspreiden onder het personeel, zodat alle werknemers ervan op de hoogte zijn; vraagt de Rekenkamer uiterlijk in juni 2017 details te verschaffen over eventuele klokkenluiderszaken in 2015 en hoe deze zaken zijn afgehandeld en opgelost;

22.  stelt vast dat de Rekenkamer in 2015 eigenaar was van drie gebouwen, K1, K2 en K3; vraagt de Rekenkamer de planning van de renovatiewerken voor deze gebouwen op te nemen in haar jaarlijks activiteitenverslag en ervoor te zorgen dat bij de renovatiewerken de strengst mogelijke normen inzake energie-efficiëntie worden gehanteerd;

23.  neemt kennis van de samenvatting van het gebouwenbeleid van de Rekenkamer dat is opgenomen in het jaarlijks activiteitenverslag en dringt erop aan dat hierover in de toekomst meer gedetailleerde informatie wordt verstrekt;

24.  neemt kennis van de toegenomen hoeveelheid vertalingswerk in 2015, met een stijging van bijna 3 % ten opzichte van 2014; stelt vast dat de structuur van het directoraat vertalingen in het kader van de hervorming van de Rekenkamer werd geoptimaliseerd; verzoekt de Rekenkamer meer duidelijkheid te verschaffen over de manier waarop dit directoraat zijn werkzaamheden heeft verbeterd;

25.  neemt kennis van de onderhandelingen tussen de Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) om na te gaan of het mogelijk is tot een administratieve regeling te komen; verzoekt de Rekenkamer verslag uit te brengen over de vorderingen in de onderhandelingen hierover;

26.  herhaalt zijn oproep aan de Rekenkamer om in haar jaarlijkse activiteitenverslagen, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, de resultaten en gevolgen van afgesloten OLAF-zaken op te nemen indien het onderzoek betrekking had op de Rekenkamer of personen die voor deze instelling werken;

27.  neemt kennis van de aanbeveling van de interne controledienst om na te denken over een rationeler gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer; verzoekt de Rekenkamer op dit gebied samen te werken met het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Parlement op de hoogte te stellen van de acties die worden ondernomen om het beheer van het wagenpark te rationaliseren;

28.  is verheugd over de inspanningen en de resultaten van de Rekenkamer met betrekking tot het verlagen van haar ecologische voetafdruk; stelt vast dat de Rekenkamer in 2013 een project van het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) heeft opgestart met als doelstelling om eind 2016 EMAS-gecertificeerd te zijn; stelt op prijs dat de Rekenkamer op 13 november 2015 een milieubeleid heeft aangenomen waarin haar deelname aan een hoogwaardig initiatief voor milieubeheer wordt geformaliseerd; uit zijn bezorgdheid over de vertraging bij het verkrijgen van EMAS-certificatie;

29.  benadrukt hoe belangrijk het is de samenwerking met universiteiten in de Unie uit te breiden om specifieke opleidingen voor het uitvoeren van Europese audits te ontwikkelen; verzoekt de Rekenkamer het Parlement op de hoogte te houden van de ontwikkelingen en de resultaten van deze toekomstige uitgebreide samenwerking;

30.  verzoekt de Rekenkamer de mogelijkheid te overwegen om aanbevelingen te formuleren over een betere communicatie over de begroting, de functies en de opdracht van de Unie, en over een methode om hierover op een meer doeltreffende wijze uitleg te geven aan de burgers van de Unie.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Zie artikel 251, lid 1, van het Commissievoorstel COM(2016)0605.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU – Europees Economisch en Sociaal Comité
PDF 263kWORD 49k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité (2016/2156(DEC))
P8_TA(2017)0150A8-0144/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0274/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0144/2017),

1.  verleent de secretaris-generaal van het Europees Economisch en Sociaal Comité kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan het Europees Economisch en Sociaal Comité, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, het Comité van de Regio’s, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité (2016/2156(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0144/2017),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit, in het kader van de kwijtingsprocedure, sterk de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen, en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

1.  is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2015 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van het Europees Economisch en Sociaal Comité (het "Comité") geen materiële fouten vertonen;

2.  stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer in zijn jaarverslag 2015 geen significante tekortkomingen met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij het Comité heeft vastgesteld;

3.  merkt op dat de begroting voor 2015 van het Comité 129 100 000 EUR bedroeg (tegenover 128 559 380 EUR in 2014), met een bestedingspercentage van 95,9 %; wijst erop dat het bestedingspercentage voor 2015 iets hoger was dan dat voor 2014;

4.  benadrukt dat de begroting van het Comité louter administratief is, waarbij het grootste deel gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor de instelling werkzaam is en de rest voor gebouwen, meubilair, uitrusting en diverse werkingskosten; onderstreept echter dat de invoering van resultaatgericht begroten niet enkel geldt voor de begroting van het Comité in haar geheel, maar ook voor het bepalen van specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdgebonden (SMART) doelstellingen voor individuele afdelingen, eenheden en jaarplannen voor personeelsbeleid; roept het Comité in dit verband op om het beginsel van resultaatgericht begroten breder in te voeren in de dagelijkse activiteiten;

5.  neemt kennis van de opmerkingen van het Comité naar aanleiding van de resolutie van het Parlement over de kwijting voor 2014 die bij het jaarlijkse activiteitenverslag van het Comité zijn gevoegd; juicht het toe dat in 2015 een ondersteunende dienst voor openbare aanbestedingen is opgericht;

6.  geeft aan dat 2015 het eerste jaar van een nieuwe mandaatsperiode voor het Comité was, hetgeen mogelijkerwijs van invloed was op de prestaties, met name van de wetgevende directoraten, inclusief vertolking, en de directoraten communicatie en human resources;

7.  stelt vast dat het verslag over de implementatie van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Parlement en het Comité ("de overeenkomst") tijdig klaar was en de samenwerking tussen beide instellingen positief beoordeelt;

8.  neemt er kennis van dat, volgens het Comité, de aard van de "intensievere" samenwerking zoals bedoeld in de overeenkomst moet worden verduidelijkt en dat een aantal onderdelen nog niet volledig worden geïmplementeerd en onophoudelijke inspanningen van beide instellingen behoeven; is ervan overtuigd dat verdere inspanningen gericht op volledige implementatie van de overeenkomst en de totstandbrenging van synergie-effecten voor beide partijen positief zal uitwerken;

9.  herhaalt zijn verzoek dat een gezamenlijke beoordeling van door de samenwerking bereikte begrotingsbesparingen wordt opgenomen in de tussentijdse evaluatie, of het volgende follow-uprapport, van de overeenkomst;

10.  merkt op dat de adviezen van het Comité niet goed worden geïntegreerd in het werk van het Parlement en verzoekt het Comité om samen met de secretaris-generaal van het Parlement voorstellen uit te werken om de procedures van het Comité en het Parlement op dit gebied te stroomlijnen;

11.  neemt er nota van dat in 2015 een nieuwe administratieve bilaterale samenwerkingsovereenkomst tussen het Comité en het Comité van de Regio's is ondertekend; vertrouwt erop dat de overeenkomst in kwestie zal zorgen voor meer efficiëntie in de prestaties van beide comités; is van oordeel dat vergelijkbare administratieve functies moeten worden samengevoegd om onnodig dubbel werk te vermijden;

12.  merkt op dat de rechtstreekse toegang tussen de gebouwen RMD en REM door het Parlement uit veiligheidsoverwegingen werd gesloten na de terroristische aanslagen in Parijs in november 2015; vertrouwt erop dat het Parlement de veiligheidssituatie opnieuw zal beoordelen, aangezien een heropening voordelig zou zijn voor de drie instellingen;

13.  juicht de in 2015 doorgevoerde administratieve wijzigingen toe, in het bijzonder de volledige implementatie van een op kosten gebaseerd systeem voor de vergoeding van de reiskosten van de leden en de volledige vernieuwing van het portal van de leden; verzoekt het Comité om een vergelijkend jaarlijks overzicht van de reiskosten van de leden voor 2014, 2015 en 2016;

14.  neemt er nota van dat, volgens het reglement van het Comité, zijn leden volledig onafhankelijk zijn bij de uitoefening van hun taken, in het algemene belang van de Unie; neemt kennis van het feit dat de belangenverklaringen van de leden beschikbaar zijn op de website van het Comité; roept het Comité op toe te treden tot het toekomstig interinstitutioneel akkoord inzake een verplicht transparantieregister;

15.  maakt zich zorgen over het grote aantal onbezette vaste posten in 2015 en spoort het Comité aan de nodige maatregelen te nemen om de aanwervingsprocedures te verbeteren;

16.  uit zijn bezorgdheid over het blijvende genderonevenwicht in hogere- en middenmanagementfuncties (verhouding 30 % / 70 % in het hogere management); betreurt verder dat in het hogere- en middenmanagement sprake is van een geografisch onevenwicht, en met name dat er te weinig personeelsleden zijn uit de lidstaten die in 2004 of daarna tot de Unie zijn toegetreden; verzoekt het Comité actie te ondernemen om dit onevenwicht te herstellen en verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de genomen maatregelen, alsook over de bereikte resultaten;

17.  neemt kennis van het voornemen van het Comité zich te houden aan de interinstitutionele overeenkomst(6) om het personeelsbestand met 5 % te verminderen over een periode van vijf jaar; vraagt om toelichting over de manier waarop deze vermindering te rijmen valt met de situatie in 2016, toen drie nieuwe posten zijn gecreëerd; stelt voor dat het Comité het Parlement op de hoogte brengt van eventuele alternatieve besparingen die werden gedaan ter compensatie van de mogelijke vertraging van de personeelsinkrimping;

18.  juicht het toe dat de interne regels met betrekking tot klokkenluiders begin 2016 in werking zijn getreden;

19.  spreekt zijn volledige steun uit voor de nieuwe posten voor ethisch adviseurs die helpen in het geval van intimidatiegerelateerde situaties en specifieke opleiding verzorgen voor de leiding ter vergroting van de kennis over en verbetering van het omgaan met klokkenluiders; betreurt het dat drie intimidatiedossiers in rechtszaken zijn geëindigd;

20.  kan als gevolg van het slechte rapport van het Comité hierover niets zeggen over het niveau van het ziekteverzuim onder het personeel; vraagt het Comité verslag over het ziekteverzuim van het personeel uit te brengen en daarbij voor elk afzonderlijk personeelslid aan te geven hoeveel werkdagen hij of zij ziek is geweest;

21.  neemt er nota van dat het Comité de gemiddelde kosten van de buitendagen met 35 % per deelnemer heeft gereduceerd in vergelijking met 2014, en dat slechts 218 personeelsleden hier aan deel hebben genomen, in vergelijking met 415 in 2014; vraagt het Comité eraan te werken dat zoveel mogelijk personeelsleden aan zijn welzijnsactiviteiten deelnemen, teneinde het welzijn van het personeel verder te helpen verbeteren;

22.  stelt met tevredenheid vast dat het percentage aangevraagde vertolkingsdiensten dat niet wordt gebruikt, gedaald is van 4,3 % in 2014 naar 3,5 % in 2015;

23.  verwelkomt het verstrekken van vertalingsgegevens volgens de geharmoniseerde methodologie van het interinstitutioneel comité voor vertaling en vertolking; neemt kennis van de lopende herziening van de gedragscode voor vertaling, die samen met het Comité van de Regio's wordt uitgevoerd;

24.  merkt op dat het uitbestedingspercentage voor vertalingen steeg tot bijna 10 % in 2015 als gevolg van de overplaatsing van personeel naar het Parlement op grond van de overeenkomst; roept het Comité op om de kosteneffectiviteit van de regeling, die nu in de praktijk wordt toegepast, te beoordelen;

25.  verwelkomt het strategisch kader van het Comité voor leren en ontwikkeling, en met name van het feit dat de nadruk ligt op kennisoverdracht van collega op collega; vraagt het Comité in zijn volgende jaarlijkse activiteitenverslag voor follow-upinformatie hierover te zorgen;

26.  stelt met grote tevredenheid de inspanningen en de resultaten vast die tot op heden bereikt zijn bij het verbeteren van de ecologische voetafdruk van het Comité en de hernieuwing van de certificering van het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS);

27.  neemt nota van de administratieve afspraken tussen het Comité en het Europees Bureau voor fraudebestrijding gericht op het tot stand brengen van een gestructureerd kader voor samenwerking en het vergemakkelijken van snelle informatie-uitwisseling;

28.  verwelkomt de informatie over het gebouwenbeleid van het Comité in zijn jaarlijks activiteitenverslag, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van dit beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

29.  neemt nota van de inspanningen en resultaten van het Comité op het gebied van de intensivering van het informatie- en communicatiebeleid; beklemtoont evenwel dat het belangrijker is dat de doelmatigheid van de adviezen van het Comité over besluitvorming van de Unie wordt verbeterd dan dat zij algemeen gepubliceerd worden.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1).


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Comité van de Regio's
PDF 262kWORD 47k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VII – Comité van de Regio's (2016/2157(DEC))
P8_TA(2017)0151A8-0141/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0275/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0141/2017),

1.  verleent de secretaris-generaal van het Comité van de Regio's kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Comité van de Regio's voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan het Comité van de Regio's, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VII – Comité van de Regio's (2016/2157(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VII – Comité van de Regio's,

–  gezien artikel 94 van en bijlage IV bij zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0141/2017),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit, in het kader van de kwijtingsprocedure, sterk de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen, en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

1.  stelt vast dat de Rekenkamer in zijn jaarverslag 2015 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij het Comité van de Regio's (het "Comité");

2.  stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer op basis van zijn controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2015 afgesloten jaar, alsook de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

3.  benadrukt dat de begroting van het Comité louter administratief is, waarbij het grootste deel gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor het Comité werkzaam is en de rest voor gebouwen, meubilair, uitrusting en diverse werkingskosten; onderstreept echter dat de invoering van resultaatgericht begroten niet enkel geldt voor de begroting van het Comité in haar geheel, maar ook voor het bepalen van specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdgebonden (SMART) doelstellingen voor individuele afdelingen, eenheden en jaarplannen voor personeelsbeleid; roept het Comité in dit verband op om het beginsel van resultaatgericht begroten breder in te voeren in de dagelijkse activiteiten;

4.  stelt vast dat het Comité in 2015 beschikte over een goedgekeurde begroting van 88 900 000 EUR (ten opzichte van 87 600 000 EUR in 2014), waarvan 87 200 000 EUR aan vastleggingskredieten, met een benuttingspercentage van 98,2 %; stelt vast dat het benuttingspercentage in 2015 licht is gedaald;

5.  wijst op de sluiting van een nieuwe administratieve bilaterale samenwerkingsovereenkomst tussen het Comité en het Europees Economisch en Sociaal Comité, die in 2015 is ondertekend; vertrouwt erop dat de overeenkomst zal zorgen voor meer efficiëntie in de prestaties van het Comité en het Europees Economisch en Sociaal Comité;

6.  stelt met tevredenheid vast dat het verslag over de implementatie van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Parlement en het Comité (de "overeenkomst") tijdig klaar was, en schat de samenwerking tussen beide instellingen positief in; merkt echter op dat de aard van de "nauwere samenwerking" waar in de overeenkomst naar verwezen wordt, verduidelijkt moet worden;

7.  verwelkomt de interesse van het Comité voor een meer systematische benadering van de samenwerking met het Parlement, met name op politiek gebied en met de onderzoeksdienst van het Parlement (EPRS); is van oordeel dat de verdere ontwikkeling van synergieën zal leiden tot positieve resultaten voor beide instellingen;

8.  herhaalt het verzoek om een gezamenlijke beoordeling van door de samenwerking bereikte begrotingsbesparingen op te nemen in het volgende follow-upverslag van het akkoord;

9.  merkt met bezorgdheid op dat geen van de doelstellingen die in 2015 door het Comité werden bepaald om de betrokkenheid van het Parlement en de Raad bij activiteiten in verband met de adviezen van het Comité te vergroten, werden gehaald;

10.  merkt op dat de rechtstreekse toegang tussen de gebouwen RMD en REM door het Parlement uit veiligheidsoverwegingen werd gesloten na de terroristische aanslagen in Parijs in november 2015; vertrouwt erop dat het Parlement de veiligheidskwestie opnieuw zal beoordelen, aangezien een heropening voordelig zou zijn voor de drie instellingen;

11.  merkt met bezorgdheid op dat het uitvoeringspercentage in 2015 voor een aantal begrotingsposten gestaag is gedaald; merkt op dat 2015 het eerste jaar is van de zesde ambtstermijn van het Comité; is evenwel van mening dat het Comité niet mag toestaan dat dit het begrotingsbeheer beïnvloedt; roept het Comité op om zijn prestaties te verbeteren en het eerste jaar van de zevende ambtstermijn van het Comité beter voor te bereiden;

12.  spoort het Comité aan om de transparantie van zijn activiteiten verder te verbeteren en alle beschikbare gegevens over de dienstreizen van zijn leden op te nemen in zijn jaarlijkse activiteitenverslag, met een gedetailleerd overzicht van de uitgaven;

13.  roept het Comité op om deel te nemen aan het toekomstig interinstitutioneel akkoord betreffende een verplicht transparantieregister;

14.  uit zijn bezorgdheid over het blijvend gebrek aan evenwicht tussen mannen en vrouwen in leidinggevende en kaderfuncties (25 % / 75 % in een leidinggevende en 38 % / 62 % in een kaderfunctie); spoort het Comité aan om het evenwicht tussen mannen en vrouwen binnen de eigen gelederen te verbeteren en verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de maatregelen die zijn genomen om dit probleem aan te pakken, alsook over de behaalde resultaten;

15.  uit zijn tevredenheid over de goede geografische balans binnen de managementfuncties;

16.  is verontrust over het hoge aantal dagen ziekteverlof onder de personeelsleden van het Comité; roept het Comité op om de redenen daarvoor te onderzoeken, het personeelsbeleid te richten op verbetering van deze situatie, en de activiteiten rond welzijn zo breed mogelijk te organiseren, teneinde afwezigheid om deze redenen te helpen voorkomen;

17.  is bezorgd omdat de auditaanbevelingen over de resultaten van IT-projecten voor interne toepassing niet naar behoren ten uitvoer gelegd worden; roept het Comité op deze situatie zonder verder uitstel recht te zetten;

18.  verwelkomt het verstrekken van vertalinggegevens volgens de geharmoniseerde methodologie van het interinstitutioneel comité voor vertaling en vertolking; verneemt dat de herziening van de gedragscode voor vertaling samen met het Europees Economisch en Sociaal Comité zal worden uitgevoerd;

19.  merkt op dat het uitbestedingspercentage voor vertalingen steeg van 2,57 % in 2014 tot bijna 10 % in 2015 wegens de overplaatsing van personeel naar het Parlement op grond van de overeenkomst; roept het Comité op om de kosteneffectiviteit van de nieuwe regeling, die nu in de praktijk wordt toegepast, te beoordelen;

20.  verneemt dat het Comité in december 2015 regels met betrekking tot klokkenluiders heeft goedgekeurd; merkt daarnaast op dat in 2015 één dossier rond klokkenluiders werd geopend; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in deze kwestie;

21.  acht het cruciaal dat het Comité onmiddellijk gevolg geeft aan de twee uitspraken van het Gerecht voor ambtenarenzaken(6), het verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding(7), het verslag van het Uitbetalingsbureau van de Commissie(8) en de resoluties van het Parlement(9), en dat het Comité de klokkenluiderszaak van de voormalige interne auditeur van het Comité op een rechtvaardige, eerbare en billijke manier beëindigt voor het einde van 2017;

22.  acht het van wezenlijk belang dat het Comité samenwerkt met het Europees Economisch en Sociaal Comité om onmiddellijk gevolg te geven aan de uitspraak van het Gerecht voor ambtenarenzaken in een intimidatiezaak waarbij ambtenaren van beide instellingen betrokken zijn(10), dat het Comité verslag uitbrengt aan het Parlement over de voortgang, en dat het zijn procedures voor de afhandeling van toekomstige beschuldigingen van intimidatie herziet om ervoor te zorgen dat deze in overeenstemming zijn met de rechtspraak van het Gerecht voor ambtenarenzaken;

23.  stelt met grote tevredenheid de inspanningen en de resultaten vast die tot op heden bereikt zijn bij het verbeteren van de ecologische voetafdruk van het Comité en de hernieuwing van het EMAS-certificaat (milieubeheer- en milieuauditsysteem van de EU);

24.  neemt nota van de inspanningen en resultaten van het Comité op het gebied van de intensivering van het informatie- en communicatiebeleid;

25.  verwelkomt de informatie over het gebouwenbeleid van het Comité in zijn jaarlijks activiteitenverslag, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van dit beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) Arresten van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 mei 2013, zaak F-86/11 (ECLI:EU:F:2011:189) en van 18 november 2014, zaak F-156/12 (ECLI:EU:F:2014:247).
(7) Definitief verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding van 8 oktober 2003.
(8) Verslag van het Uitbetalingsbureau van de Commissie van 8 mei 2008.
(9) Resoluties van het Parlement, van 29 januari 2004 (PB L 57 van 25.2.2004, blz. 8), 21 april 2004 (PB L 330 van 4.11.2004, blz. 153), 12 april 2005 (PB L 196 van 27.7.2005, blz. 54), 27 april 2006 (PB L 340 van 6.12.2006, blz. 44), 29 april 2015 (PB L 255 van 30.9.2015, blz. 132) en 28 april 2016 (PB L 246 van 14.9.2016, blz. 152) ter ondersteuning van de zaak met betrekking tot de interne auditeur van het Comité.
(10) Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 26 februari 2013, zaak F-124/10: Vassilliki Labiri/Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) (ECLI:EU:F:2013:21).


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europese Dienst voor extern optreden
PDF 303kWORD 49k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden (2016/2160(DEC))
P8_TA(2017)0152A8-0122/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0278/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99 en 164 tot en met 167,

–  gezien Speciaal verslag nr. 7/2016 van de Rekenkamer: "Het wereldwijde gebouwenbeheer van de Europese Dienst voor extern optreden",

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0122/2017),

1.  verleent de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Dienst voor extern optreden voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden (2016/2160(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0122/2017),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit, in het kader van de kwijtingsprocedure, sterk de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen, en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

1.  verneemt met instemming dat het totale foutenpercentage in rubriek 5 (Administratie), met inbegrip van de begroting van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), volgens de Rekenkamer relatief laag blijft, naar schatting 0,6 % in 2015;

2.  stelt vast dat de Rekenkamer geen significante tekortkomingen heeft geïdentificeerd met betrekking tot het jaarlijks activiteitenverslag en het internecontrolesysteem van de EDEO;

3.  roept de EDEO op om de tekortkomingen op te lossen die de Rekenkamer geïdentificeerd heeft in de aanwervingsprocedure voor plaatselijke functionarissen in delegaties (bijvoorbeeld te weinig transparantie over bepaalde stappen in de procedure) en in door de delegaties georganiseerde procedures voor openbare aanbesteding (met name onjuiste beoordeling van aanbiedingen met betrekking tot technische specificaties of gebruik van de foute aanbestedingsprocedure);

4.  is het met de Rekenkamer eens dat het verbeteren van de begeleiding, het ontwerp, de coördinatie en de uitvoering van procedures voor openbare aanbesteding voor contracten van geringe waarde belangrijk is, aangezien deze contracten goed zijn voor 4,5 % van de totale waarde van in 2015 afgesloten contracten; ondersteunt het voornemen van de EDEO om regionale seminars te houden en administratieve ondersteuning te bieden bij aanbestedingen voor het volledige netwerk van delegaties;

5.  roept de EDEO op om de kwaliteit van zijn selectieprocedures te verbeteren door alle benodigde ondersteunende documentatie samen te brengen; vraagt de EDEO de aanbestedingsprocedures in de delegaties meer te harmoniseren; herhaalt zijn verzoek om de resterende tekortkomingen op dit gebied op te lossen door administratieve ondersteuning te blijven bieden aan de delegaties waar de situatie het meest acuut is;

6.  verheugt zich over het feit dat er in het kader van het toezichtsverslag externe steun (External Assistance Monitoring Report, EAMR) voor 2015 verbeterde en duidelijker richtsnoeren zijn verstrekt waarmee het toezicht op de hoofden van delegaties is versterkt en die betrekking hebben op zowel verantwoordingsplicht als rapportagevereisten;

7.  betreurt dat het gemiddelde afwijkingspercentage voor vastleggingen in 2015 op het niveau van de verificaties vooraf tot 22,4 % gestegen is (in vergelijking met 18,3 % in 2014);

8.  merkt op dat de volledige begroting van de EDEO in 2015 602,8 miljoen EUR bedroeg, wat een stijging is van in totaal 16,2 % ten opzichte van 2014, dankzij de overdracht van 71,5 miljoen EUR uit de administratieve begroting van de Commissie (25,2 miljoen EUR) en uit andere begrotingslijnen (tot 46,3 miljoen EUR) om de gemeenschappelijke kosten van de EU-delegaties, zoals huur, kosten voor de beveiliging van kantoren en IT te dekken; stelt vast dat de EOF-fondsen niet opgenomen werden;

9.  wijst erop dat de uitvoering van de administratieve begroting van de EDEO een punt van bezorgdheid blijft, aangezien bepaalde delegaties van de Commissie begrotingsbijdragen uit 33 verschillende begrotingslijnen ontvangen, bovenop de EDEO-begroting; nodigt alle stakeholders uit om de begrotingsbronnen en -regelingen verder te verfijnen en te vereenvoudigen om de uitvoering van de begroting te vergemakkelijken; verwelkomt de recente begrotingsafspraak met betrekking tot de administratiekosten van het EOF, die vanaf 2016 ten laste van de EDEO-begroting zullen komen op basis van een berekend standaardbedrag per persoon;

10.  verneemt dat de begroting van het hoofdkwartier 218,9 miljoen EUR bedroeg, waarvan 140,5 miljoen EUR (of 64,7 %) bestemd was voor de uitbetaling van lonen en andere vergoedingen voor statutair en extern personeel, 30 miljoen EUR (of 13,7 %) voor huisvesting en 30,7 miljoen EUR voor IT-systemen, uitrusting en meubels;

11.  merkt op dat de begroting van de delegaties, die 383,9 miljoen EUR bedroeg, opgesplitst werd in 155,8 miljoen EUR (of 40,6 %) voor huisvesting en daarmee verband houdende kosten, 105,5 miljoen EUR (of 27,5 %) voor de vergoeding van statutair personeel, 60,1 miljoen EUR (of 15,7 %) voor extern personeel en externe dienstverlening, 20,6 miljoen EUR (of 5,4 %) voor andere personeelskosten en 41,9 miljoen EUR (of 10,9 %) voor andere administratieve uitgaven; merkt eveneens op dat de Commissie 204,7 miljoen EUR heeft bijgedragen voor de administratieve kosten van het personeel van de Commissie in de EU-delegaties;

12.  herhaalt zijn verzoek om vooral in de delegaties aandacht te besteden aan de "bedrijfscontinuïteit" en het "documentbeheer" als essentiële normen voor interne controle maar ook als belangrijke onderdelen van het beheer, met name voor de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie die voor verschillende beheersdoeleinden gebruikt wordt, namelijk het toezicht op, beoordeling van en verslaglegging over activiteiten en projecten;

13.  stelt vast dat slechts twee delegaties bezwaar maakten tegen het gebrek aan een behoorlijke aanbestedingsprocedure en het ontbreken van beheersinformatie die essentieel is voor de betrouwbaarheidsverklaring;

14.  ondersteunt de regelmatige contacten over de preventie en het opsporen van fraude tussen de EDEO en de diensten van de Commissie die zich bezighouden met extern beleid;

15.  ondersteunt het opzetten van het regionaal centrum Europa, dat een initiatief is gericht op het bieden van betere administratieve ondersteuning aan de EU-delegaties op het gebied van financieel beheer, aanbestedingen en personeelsbeleid; kijkt ernaar uit in 2017 de evaluatie van het proefproject te ontvangen; moedigt de EDEO aan om, waar passend, door te gaan met deze werkwijze van het bundelen van kennis in andere regio's, teneinde de administratieve lasten en kosten in delegaties te verminderen;

16.  acht het essentieel dat de hoofden van de delegaties regelmatig worden herinnerd aan hun cruciale rol voor de algemene versterking van toetsing, beheer en verantwoordingsplicht, met name wat betreft de weging van verschillende onderdelen die waarschijnlijk tot de afgifte van een voorbehoud leiden, in aanvulling op hun politieke taken; moedigt de EDEO aan om opleidingen te verstrekken en expertise te bieden aan de hoofden van de delegaties, vooral aan de diplomaten van de lidstaten;

17.  wijst op de veranderingen en stroomlijning van de organisatie van de EDEO om het aantal hiërarchische niveaus te beperken, met minder directoraten, en om de verslagleggingslijnen en informatiestromen te vereenvoudigen, waardoor de EDEO vlotter antwoorden zal kunnen formuleren op crises of politieke uitdagingen;

18.  erkent dat het personeelsbeleid cruciaal is voor de EDEO, die uit drie "bronnen" aanwerft en verantwoordelijk is voor het personeelsbestand in de delegaties, maar die eveneens de jaarlijkse doelstellingen voor personeelsinkrimping moet halen, wat in het hoofdkwartier in 2015 neerkomt op 17 posten;

19.  merkt dat de diplomaten van de lidstaten 32,9 % van alle personeelsleden uit de AD-groep in de EDEO uitmaken (307 personen), in vergelijking met 33,8 % in 2014; wijst erop dat dit aandeel groter is in de delegaties, met 43,1 % of 166 diplomaten uit de lidstaten, in vergelijking met 25,7 % op het hoofdkwartier; roept op tot een meer evenwichtige verdeling van het personeel en herinnert de EDEO aan het belang van het bundelen van de deskundigheid van de lidstaten en van EDEO-personeel op elk niveau;

20.  benadrukt dat in 63 van de 134 gevallen een diplomaat van een lidstaat aan het hoofd van een delegatie staat, wat neerkomt op 47 %; wijst erop dat deze 63 posten werden verdeeld met een genderonevenwicht van 16 % / 84 % en dat slechts 16 van de 63 posten werden bekleed door een onderdaan van een lidstaat die in 2004 of daarna toetrad tot de Unie; merkt ook op dat bij de 29 adjunct-hoofden van de delegatie er een genderonevenwicht van 24 % / 76 % is en dat 6 van de adjunct-hoofden van de delegatie diplomaten uit een lidstaat waren;

21.  stelt vast dat het aantal gedetacheerde nationale deskundigen van de lidstaten in 2015 is gestegen (8 % meer dan in 2014) tot een totaal van 434 (waarvan 376 in het hoofdkwartier en 58 in de delegaties); stelt vast dat 40 % van de 376 gedetacheerde nationale deskundigen (of 151 personen) in Brussel betaald wordt door hun nationale administratie;

22.  herinnert de EDEO aan de noodzaak om de formule voor de verhouding tussen het personeel afkomstig van de lidstaten en van de EU-instellingen volledig te eerbiedigen, zoals bepaald in het besluit van de Raad tot vaststelling van de EDEO;

23.  merkt op dat bijna een genderevenwicht is bereikt onder het personeel, namelijk 47 % / 53 %, maar dat het verschil in de AD-functiegroep 31,7 % / 68,3 % is (in vergelijking met 31 % / 69 % in 2014); stelt vast dat dit aandeel van 30 % sinds 2011 stabiel is gebleven;

24.  herhaalt zijn bezorgdheid over het genderonevenwicht in managementfuncties, dat op dit niveau momenteel 21,4 % / 78,6 % bedraagt; betreurt het feit dat slechts 16 % van de sollicitanten voor een managementfunctie van het andere geslacht is; is van mening dat vooruitgang op dit gebied belangrijk is en roept de EDEO daarom op om zijn voorwaarden en aanwervingsbeleid te herzien om beide geslachten in dezelfde mate aan te trekken voor managementfuncties;

25.  herhaalt dat geografisch evenwicht, met name met betrekking tot de nationaliteit van het personeel en de grootte van de lidstaten, een belangrijk element in het personeelsbeleid van de EDEO dient te zijn, met name met betrekking tot de lidstaten die in 2004 of daarna tot de Unie zijn toegetreden; is ernstig bezorgd over de aanhoudende ondervertegenwoordiging van deze lidstaten op zowel werknemers- als managementniveau; roept daarom de EDEO op deze situatie aanzienlijk te verbeteren; benadrukt dat de nieuwe lidstaten vooral op een hoger bestuursniveau en in leidinggevende functies ondervertegenwoordigd zijn, en dat in dit opzicht nog duidelijke vooruitgang wordt verwacht;

26.  verwelkomt de belofte van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger aan het Parlement om het huidige onevenwicht, met een overwicht aan nationale diplomaten als hoofd van een delegatie, recht te zetten, en roept de EDEO op om in de loop van 2017 een herziening van het personeelsbeleid voor te stellen, waarin kwesties zoals genderevenwicht en mobiliteit van personeel tussen de instellingen aangepakt worden, en waarbij de EDEO ook rekening dient te houden met de impact van het personeelsbeleid op het versterken van het buitenlands beleid en de zichtbaarheid van de Unie door de globale Uniestrategie;

27.  moedigt de EDEO aan om de rol van de EU-delegaties verder te ontwikkelen, met name het faciliteren en ondersteunen van coördinatie tussen de lidstaten door het verstrekken van consulaire bijstand;

28.  herinnert de EDEO eraan dat er een dunne grens is tussen economische diplomatie en lobbying; roept de EDEO daarom op om zich aan te sluiten bij het toekomstige Interinstitutioneel Akkoord voor een verplicht transparantieregister, ook voor de delegaties van de Unie, voor zover dit wettelijk mogelijk is;

29.  neemt kennis van de jaarlijkse uitgaven van 160 miljoen EUR voor het netwerk van EU-delegaties, wat een stijging is met meer dan 50 % in vergelijking met het vorige begrotingsjaar; merkt op dat 80 % van de delegaties gehuurd wordt, waardoor de huurkosten in 2015 oplopen tot 53,04 miljoen EUR; verwelkomt de leenfaciliteit van 200 miljoen EUR om het huisvestingsbeleid te verbeteren en de aankoopkosten voor delegaties te verminderen; betreurt dat ondanks de leenfaciliteit en de toegenomen begroting slechts enkele gebouwen van delegaties eigendom van de EDEO zijn; verzoekt de EDEO om niet alleen de contracten voor huisvesting van de delegaties van het huidige jaar over te leggen, maar in het jaarlijkse activiteitenverslag ook een overzicht te geven van de toestand van alle gebouwen van de delegaties;

30.  vraagt de EDEO om zijn huisvestingsbeleid grondig op de schop te nemen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 7/2016, met name op het vlak van:

   de behoefte aan samenhang en volledige terugverdiening van de kosten betaald door de lidstaten, andere instellingen van de Unie of instanties die in kantoorgebouwen van delegaties gehuisvest zijn;
   betere selectie van delegatiegebouwen;
   directe betrokkenheid van het hoofdkantoor voordat er kantoorgebouwen worden gehuurd (of een huurovereenkomst wordt verlengd) of aangekocht;
   verbetering van het informatiesysteem voor vastgoedbeheer, opdat de EDEO betrouwbaardere en relevantere informatie krijgt als input voor het planningsproces;

31.  roept de EDEO op om het gebruik van oppervlakte verder te ontwikkelen, met name door zo spoedig mogelijk de individuele situatie te beoordelen van ongebruikte of onnodig grote gebouwen evenals de daaraan verbonden extra kosten die de Rekenkamer vastgesteld heeft (7,8 miljoen EUR), met inachtneming van de uitdagingen van gebouwenbeheer in vaak complexe omstandigheden;

32.  benadrukt dat de EDEO en de lidstaten allebei belang hebben in het in kaart brengen van het gebruik van gebouwen en het verder ontwikkelen van plaatselijke samenwerkingen voor gebouwenbeheer, met specifieke en blijvende aandacht voor kosteneffectiviteit, veiligheid en het imago van de Unie;

33.  verwelkomt de toename van projecten voor gezamenlijke huisvesting van EU-delegaties en lidstaten: in 2015 werden zes memoranda van overeenstemming ondertekend, waardoor er eind 2015 in totaal 86 projecten van deze aard zijn; spoort de EDEO aan verder te zoeken naar manieren om deze goede praktijk uit te breiden; is van mening dat dit beleid ook innovatieve benaderingen moet bevatten om een gecoördineerde colocatiestrategie vast te stellen met de lidstaten die hieraan willen meewerken, alsook passende regelingen voor de verdeling van de kosten in verband met gebouwen en logistiek; benadrukt dat regelingen voor gezamenlijke huisvesting ook andere entiteiten die zich bezighouden met buitenlands beleid betreffen, zoals de Europese Investeringsbank, het ECHO, missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en speciale vertegenwoordigers van de EU;

34.  betreurt de ontoereikende verslaglegging en de onjuistheden in het informatiesysteem voor het beheer van kantoorgebouwen en residenties van delegaties; vraagt om de volledigheid en betrouwbaarheid van door EU-delegaties ingegeven data regelmatig te controleren en de algemene planning van oppervlakte, locaties en kostenrecuperatie te verbeteren;

35.  spoort de EDEO aan om meer controle uit te oefenen op het beheer van de kosten in het kader van het gebouwenbeleid en hiervoor versterkte toezichtsinstrumenten in te zetten, teneinde een correct overzicht en goede opvolging van alle uitgaven op dit gebied te verzekeren; is van oordeel dat nadruk gelegd moet worden op het controleren van de in het gebouwenbeleid vastgelegde maxima, teneinde de totale jaarlijkse huurkosten van de kantoren van de delegaties en de daarmee verband houdende vaste kosten te verminderen, en teneinde de toereikendheid van de bijdragen van partners te verzekeren, alsook de dekking van de lopende kosten voor gezamenlijke huisvesting en de overeenstemming van de kosten met de plaatselijke markt;

36.  is van oordeel dat dringend juridische en technische expertise inzake vastgoed moet worden ontwikkeld, en dat hiervoor kostenefficiënte alternatieve opties overwogen moeten worden, zoals het inhuren van externe expertise (bijvoorbeeld plaatselijke makelaars) om de markt te verkennen en eventueel met eigenaars te onderhandelen;

37.  verzoekt de EDEO om een jaarlijkse lijst van alle in de delegaties verrichte inspecties;

38.  verzoekt de EDEO de laatste vijf overeenkomsten over de huur resp. aankoop van residenties voor EU-ambassadeurs, met inbegrip van de residentie in Tirana, Albanië, door de inspectie van de delegaties te laten controleren en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

39.  ondersteunt de tenuitvoerlegging van een strategie op middellange en lange termijn om alle mogelijkheden op dit gebied te identificeren, gaande van investeringsprioriteiten of -mogelijkheden tot het verlengen van huurovereenkomsten of het delen van gebouwen met lidstaten, met inachtneming van de verwachte ontwikkelingen van het personeelsbestand, beleidsplanning en -ontwikkeling;

40.  moedigt de EDEO aan om het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) en het beginsel van groene overheidsaanbestedingen verder toe te passen in zijn gebouwenbeleid, maar begrijpt dat de plaatselijke omstandigheden van de 139 delegaties een zekere mate van flexibiliteit vergen;

41.  is van oordeel dat de beveiliging van de EDEO en van de delegaties verbeterd moet worden, en roept de EDEO op hier prioritair rekening mee te houden bij de keuze voor gebouwen en ruimten voor de delegaties; is van oordeel dat de beveiliging van gebouwen een integraal onderdeel van het gebouwenbeleid moet zijn en dat het EDEO-evacuatieschema en de beslissing om te evacueren indien nodig gecoördineerd dienen te worden met de vertegenwoordigingen van de betreffende lidstaten;

42.  is verheugd dat de EDEO voornemens is een project met een gemeenschappelijke visie en gezamenlijke actie uit te voeren dat tot doel heeft te komen tot een sterker Europa dat bijdraagt aan de vrede en veiligheid in de regio en overal ter wereld;

43.  verzoekt de EDEO zijn communicatiebeleid ten aanzien van de burgers van de Unie te verbeteren.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europese ombudsman
PDF 259kWORD 46k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VIII – Europese Ombudsman (2016/2158(DEC))
P8_TA(2017)0153A8-0142/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0276/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0142/2017),

1.  verleent de Europese Ombudsman kwijting voor de uitvoering van zijn begroting voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Ombudsman, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VIII – Europese Ombudsman (2016/2158(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling VIII – Europese Ombudsman,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0142/2017),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit, in het kader van de kwijtingsprocedure, sterk de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen, en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

1.  stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer geen significante tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij de Europese Ombudsman (hierna de "Ombudsman");

2.  onderstreept dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2015 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve uitgaven van de Ombudsman geen materiële fouten vertonen;

3.  benadrukt dat de begroting van de Ombudsman louter administratief is en in 2015 in totaal 10 346 105 EUR bedroeg (in 2014 was dat 9 857 002 EUR); onderstreept echter dat de invoering van resultaatgericht begroten niet enkel geldt voor de begroting van de Ombudsman in haar geheel, maar ook voor het bepalen van specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdgebonden (SMART) doelstellingen voor individuele afdelingen, eenheden en jaarplannen voor personeelsbeleid; roept de Ombudsman in dit verband op om het beginsel van resultaatgericht begroten breder in te voeren in de dagelijkse werking;

4.  merkt op dat 92,32 % van alle kredieten vastgelegd was (in vergelijking met 97,87 % in 2014) en 86,19 % betaald werd (in vergelijking met 93,96 % in 2014) met een benuttingspercentage van 92,32 % (in vergelijking met 97,87 % in 2014); merkt op dat het benuttingspercentage ook in 2015 is blijven dalen;

5.  stelt vast dat de daling van het benuttingspercentage in 2015 een invloed had op de beslissing van de Ombudsman om te besparen op verschillende begrotingslijnen, te weten dienstreizen, representatiekosten en publicaties, en vertalingen, waardoor hier minder begrotingsmiddelen aan werden toegekend;

6.  erkent dat de Ombudsman onder de EU-instellingen een koploper is inzake transparantie; dringt desalniettemin aan op verdere verbetering van de transparantie met betrekking tot de aanwervingsvoorwaarden en -procedures; verzoekt de Ombudsman te verduidelijken wat de taken van de bijzonder adviseur zijn, en wat zijn/haar positie in het organigram is; vraagt de Ombudsman om een geüpdatete versie van het organigram op de website te zetten, aangezien er een aantal veranderingen hebben plaatsgevonden door de invoering van een nieuwe organisatiestructuur in november 2015;

7.  is ingenomen met de voortzetting van de onderzoeken van de Ombudsman naar "draaideur"-gevallen in de Commissie; uit zijn bezorgdheid over de "interne draaideur" tussen de Ombudsman en de andere instellingen, mogelijk onder toezicht van de Ombudsman, of tussen de andere instellingen die mogelijk toezicht op elkaars werk houden; roept de Ombudsman op om de situatie te onderzoeken en, indien dit noodzakelijk wordt geacht, regels uit te werken zodat belangenconflicten vermeden kunnen worden;

8.  verwelkomt de efficiënte implementatie van het jaarlijkse beheerplan voor 2015 in het kader van de strategie naar 2019; constateert dat een grote meerderheid van de doelstellingen die door de Ombudsman waren vastgesteld om de prestaties van de dienst via kernprestatie-indicatoren te evalueren, werden gehaald; heeft er vertrouwen in dat deze tendens zich de komende jaren zal voortzetten;

9.  erkent dat de Ombudsman een sleutelrol heeft gespeeld bij de invoering van de interne regels ter bescherming van klokkenluiders onder de artikelen 22 bis, 22 ter en 22 quater van het Statuut van de ambtenaren in EU-instellingen eind 2015; vraagt de Ombudsman om toezicht te blijven uitoefenen op de tenuitvoerlegging van deze regels en om te evalueren of zij voldoende bescherming bieden voor de geaccrediteerde parlementaire assistenten van het Parlement;

10.  moedigt de Ombudsman aan bij de voorbereiding van regels ter voorkoming en bestrijding van pesterij;

11.  erkent het belang van de strategische initiatieven en onderzoeken op eigen initiatief van de Ombudsman en nodigt de Ombudsman uit om de kwijtingsautoriteit regelmatig in kennis te stellen van de gevolgen van onderzoeken; herinnert eraan dat de Ombudsman allereerst de taak heeft de klachten van de burgers binnen een redelijke termijn te behandelen; nodigt de Ombudsman uit om wanbeheer zo breed mogelijk te interpreteren bij de uitvoering van taken en om nauwer samen te werken met de Commissie begrotingscontrole van het Parlement voor strategische werkzaamheden;

12.  erkent de nieuwe, in de uitvoeringsbepalingen ingevoerde definities van publiek en niet-publiek belang voor het sorteren van binnenkomende klachten; verzoekt de Ombudsman om de kwijtingsautoriteit te informeren over het effect dat deze definities hebben gehad op de prestaties;

13.  verneemt met instemming dat de identiteit van en andere gegevens over de externe stakeholders waarmee ontmoetingen plaatsvinden op de website van de Ombudsman worden gepubliceerd;

14.  merkt de resultaten op die geboekt zijn bij de verwerking van klachten in 2015 en verneemt met instemming dat de EU-instellingen in 90 % van de gevallen instemden met de voorstellen van de Ombudsman; roept de Ombudsman op om in het jaarlijkse activiteitenverslag een overzicht te geven waarin de naleving van de voorstellen door de EU-instellingen uitgesplitst wordt; vraagt de Ombudsman om een analyse uit te voeren van de mogelijke redenen voor niet-naleving en verzoekt de EU-instellingen om hun nalevingspercentage nog te verbeteren;

15.  verneemt met instemming dat in 2015 een genderevenwicht op managementniveau is bereikt; hecht zijn goedkeuring aan de steun van de Ombudsman voor maatregelen ter bevordering van een evenwichtige participatie van mannen en vrouwen in het personeelsbestand;

16.  betreurt echter het duidelijke geografische onevenwicht op midden- en topmanagementniveau, vooral het overwicht aan managers uit de lidstaat waarvan de Ombudsman onderdaan is; roept de Ombudsman op om deze situatie blijvend recht te zetten;

17.  stelt vast dat de Ombudsman een plan heeft om, zoals bepaald werd in een interinstitutionele overeenkomst, het personeelsbestand met 5 % te verminderen over een periode van vijf jaar; vraagt op de hoogte gehouden te worden over hoe deze inkrimping zal worden verenigd met de raming om in 2016 vijf nieuwe posten te creëren;

18.  is bezorgd over de twee klachten die in 2015 tegen de Ombudsman zijn ingediend bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en vraagt dat details over deze klachten verstrekt worden aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement;

19.  verwelkomt de consequente toepassing van de regels op grond van het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), het feit dat sommige documenten uitsluitend in digitale vorm beschikbaar zijn, de invoering van een permanent groen mobiliteitsschema en het gebruik van videoconferencing voor vergaderingen; dringt aan op verdere toepassing van de beginselen van groene overheidsopdrachten en vraagt de Ombudsman om regels en een begroting voor koolstofcompensatie vast te stellen;

20.  verwelkomt de verduidelijking van de Ombudsman over het ontbreken van een gebouwenbeleid, aangezien de diensten door het Parlement gehuisvest worden, en vraagt om op de hoogte gehouden te worden als er ontwikkelingen of veranderingen in de huidige situatie zouden zijn;

21.  verneemt met instemming dat de Ombudsman alle ter beschikking zijnde informatie over het personeelsbestand heeft verstrekt, opgesplitst per graad, geslacht en nationaliteit, en vraagt de Ombudsman om deze informatie automatisch op te nemen in het jaarlijkse activiteitenverslag;

22.  verwacht dat de Ombudsman blijft streven naar consistente kwaliteit in het jaarlijkse activiteitenverslag en vraagt de Ombudsman een algemeen jaarlijks impactverslag te verstrekken, dat een belangrijk instrument is voor de beoordeling van zijn werk;

23.  spreekt de wens uit dat de nationale ombudsmannen, de overheden in de lidstaten en de instellingen van de Unie de Ombudsman beter steunen door de aandacht van de burgers van de Unie te vestigen op de mogelijkheid de hulp van de Ombudsman in te roepen in het geval van wanbeheer door een instelling of orgaan van de Unie;

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU - Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
PDF 268kWORD</