Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2742(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0565/2017

Ingediende teksten :

B8-0565/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 24/10/2017 - 5.16
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0401

Aangenomen teksten
PDF 178kWORD 54k
Dinsdag 24 oktober 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Discussienota over de toekomst van de EU-financiën
P8_TA(2017)0401B8-0565/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën (2017/2742(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en met name artikel 2,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(2),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over "De voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel"(3),

–  gezien de discussienota van de Commissie over de toekomst van de EU-financiën van 28 juni 2017,

–  gezien de verklaring van de Commissie van 4 juli 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Begrotingscommissie,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

1.  is ervan overtuigd dat een debat over de toekomstige financiering van de Europese Unie niet mogelijk is zonder rekening te houden met de ervaring die is opgedaan bij vorige meerjarige financiële kaders (MFK) en met name het MFK 2014‑2020; wijst op de ernstige tekortkomingen van het huidige MFK, dat tot het uiterste is benut om de Unie de noodzakelijke middelen te leveren en zo in te spelen op een aantal zware crises en nieuwe uitdagingen en haar nieuwe politieke prioriteiten te financieren; benadrukt zijn overtuiging dat het lage bedrag van het huidige MFK niet volstaat om aan de werkelijke behoeften en politieke ambities van de Unie te beantwoorden;

2.  is ingenomen met de presentatie van de Commissie over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën; stelt vast dat de Commissie daarin de gevolgen voor de begroting beschrijft van de vijf toekomstscenario's voor de Europese Unie, zoals die in het witboek over de toekomst van Europa van maart 2017 werden gepresenteerd, en een aantal basiskenmerken en ‑beginselen van de EU-begroting behandelt; is het eens met de voorgestelde methodiek en staat positief tegenover de verklaring van de Commissie dat het toekomstige MFK moet berusten op een duidelijke visie op de prioriteiten van Europa; vertrouwt erop dat deze nota een heldere structuur biedt voor de besprekingen en een broodnodig politiek debat op gang brengt over de oriëntatie, het doel en de omvang van de EU-begroting, tegen de achtergrond van de wezenlijke doelstellingen en toekomstige uitdagingen van de Unie; verzoekt de lidstaten burgers te raadplegen en een actieve en constructieve rol op zich te nemen door hun visie op de toekomst van de EU-begroting uit de doeken te doen;

3.  betreurt het evenwel dat vier van de vijf voorgestelde scenario's ("Op dezelfde voet doorgaan", "Minder samen doen", "Sommige doen meer" en "Radicale hervorming") de ambities van de Unie temperen en twee gevestigde en in de Verdragen verankerde EU-beleidsterreinen en hoekstenen van het Europese project willen terugdringen, namelijk het gemeenschappelijke landbouwbeleid en het cohesiebeleid; benadrukt zijn vaste standpunt dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen en dat de financiering ervan niet ten koste mag gaan van het bestaande EU-beleid; beschouwt het vijfde scenario ("Veel meer samen doen") als een positief en constructief uitgangspunt voor de lopende discussie over de toekomst van de EU-financiën en dientengevolge over het toekomstmodel van de Europese Unie; spoort de Commissie aan een scenario uit te werken waarin rekening wordt gehouden met de aanbevelingen van het Parlement om in te spelen op huidige en toekomstige uitdagingen en de nieuwe reeks prioriteiten vast te stellen;

4.  wijst erop dat de Unie uit hoofde van artikel 311, VWEU zichzelf de nodige middelen moet toekennen om haar doelstellingen te behalen; is van mening dat de tekortkomingen van het huidige MFK, de schaal van de nieuwe prioriteiten en de gevolgen van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk alle tot dezelfde conclusie leiden: de noodzaak om te breken met het uitgavenmaximum van 1 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU en de begroting van de Unie bijgevolg aanzienlijk te verhogen om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen die in het verschiet liggen; verzet zich in dit verband tegen elke nominale verlaging van de EU-begroting in het volgende MFK en is dan ook van mening dat het volgende MFK moet worden vastgesteld op een niveau van ten minste 1,23 % van het bni van de EU; pleit voor een discussie tussen de lidstaten over dit onderwerp;

5.  betreurt het dat de EU-begroting voornamelijk wordt gefinancierd uit nationale bijdragen op basis van het bni, in plaats van met echte eigen middelen, zoals in de EU-Verdragen is bepaald; schaart zich nogmaals achter een volledige hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, waarbij gestreefd moet worden naar eenvoud, billijkheid en transparantie, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen; benadrukt dat een dergelijk stelsel een evenwichtige reeks nieuwe eigen middelen van de EU moet omvatten, die zijn ontworpen ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de EU en die de EU-financiën billijker en stabieler moeten maken; beklemtoont bovendien dat de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie de gelegenheid biedt om een einde te maken aan alle kortingen; gaat ervan uit dat de Commissie hiertoe ambitieuze wetgevingsvoorstellen zal indienen en wijst erop dat de ontvangsten en de uitgaven van het volgende MFK als één pakket zullen worden behandeld tijdens de komende onderhandelingen;

6.  is ervan overtuigd dat de invoering van nieuwe eigen middelen van de EU de enige mogelijkheid blijft om het volgende MFK op passende wijze te financieren om aan de werkelijke behoeften en politieke ambities van de Unie te voldoen, tenzij de Raad ermee instemt om de nationale bijdragen aan de EU-begroting aanzienlijk te verhogen; gaat er daarom van uit dat de Raad een politiek standpunt over deze kwestie inneemt, vanuit de overweging dat een feitelijke blokkering van een hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU geen optie meer is; wijst er in dit verband op dat het verslag van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen unaniem is goedgekeurd door alle leden, ook door de leden die door de Raad waren benoemd;

7.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om bij de opzet van de toekomstige EU-begroting uit te gaan van de beginselen EU-meerwaarde, de nadruk op prestaties, verantwoordingsplicht, grotere flexibiliteit binnen een stabiel kader en eenvoudigere regels, zoals in de discussienota wordt voorgesteld;

8.  benadrukt in dit verband het belang van een grondige evaluatie van de efficiëntie en doeltreffendheid van de huidige beleidsmaatregelen, programma's en instrumenten van de EU; kijkt dan ook uit naar de resultaten van de herziening van de uitgaven die nu gaande is, en verwacht dat die worden meegenomen bij de invulling van het MFK na 2020; onderstreept met name dat enerzijds het slagingspercentage van EU-programma's waarvoor te veel aanmeldingen zijn moet worden gegarandeerd, en anderzijds de oorzaken van onderbenutting moeten worden vastgesteld; vindt het belangrijk om synergie tot stand te brengen tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen, en om de middelen beschikbaar te stellen waarmee de omvang en de resultaten van uitgaven op nationaal en EU-niveau kunnen worden bijgehouden;

9.  onderkent dat het streven naar Europese meerwaarde een fundamentele kwestie is die ter tafel moet komen, en is het ermee eens dat de begroting van de Unie onder meer moet fungeren als instrument om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken en Europese collectieve goederen te leveren; vestigt evenwel de aandacht op het grote aantal facetten en de uiteenlopende interpretaties van het concept Europese meerwaarde, en waarschuwt voor pogingen om met de definitie daarvan afbreuk te doen aan de relevantie van het beleid en de programma's van de EU op basis van louter kwantitatieve of op de korte termijn gerichte economische overwegingen; is van mening dat er sprake is van duidelijke meerwaarde als een maatregel op Europees niveau:

   verder gaat dan nationale, regionale of lokale inspanningen (overloopeffect),
   een impuls geeft aan maatregelen op nationaal, regionaal en lokaal niveau om doelstellingen uit de EU-Verdragen na te komen die anders niet zouden worden verwezenlijkt,
   maatregelen ondersteunt die alleen kunnen worden gefinancierd door middelen op EU-niveau te bundelen vanwege de zeer hoge financieringseisen die daarmee gepaard gaan, of
   bijdraagt aan de totstandbrenging en ondersteuning van vrede en stabiliteit in het nabuurschap van de EU en daarbuiten;

spoort de Commissie aan het concept van Europese meerwaarde verder uit te werken en daarbij rekening te houden met territoriale kenmerken; verzoekt de Commissie met voorstellen te komen voor de juiste prestatie-indicatoren voor dit doel;

10.  is van oordeel dat de structuur van het volgende MFK de EU-begroting leesbaarder en begrijpelijker moet maken voor de EU-burgers en de EU-uitgaven op alle gebieden duidelijker moet kunnen weergeven; wijst er tegelijkertijd op dat zowel de continuïteit van de planning als de flexibiliteit binnen de begrotingslijnen moet worden bevorderd; is van mening dat de globale structuur van het MFK een afspiegeling moet vormen van het politieke debat over de hoofdpijlers en de oriëntatie van de EU-uitgaven, met inbegrip van duurzame ontwikkeling, groei en innovatie, klimaatverandering, solidariteit, veiligheid en defensie; is er daarom van overtuigd dat de huidige MFK-begrotingslijnen moeten worden aangepast;

11.  is van mening dat de EU-begroting transparant en democratisch moet zijn; herhaalt dat het een groot voorstander is van de eenheid van de EU-begroting en zet vraagtekens bij de behoefte aan en de meerwaarde van nieuwe aanvullende instrumenten buiten het MFK; herinnert eens te meer aan zijn vaste standpunt dat het Europees Ontwikkelingsfonds samen met andere instrumenten buiten het MFK moet worden geïntegreerd in de Uniebegroting; benadrukt dat een dergelijke integratie moet inhouden dat de financiële middelen bovenop de huidige MFK-maxima komen om de financiering van andere EU-beleidsmaatregelen en -programma's niet in gevaar te brengen;

12.  wijst erop dat de begrotingsautoriteit heeft ingestemd met de grootschalige inzet van de flexibiliteitsbepalingen en de speciale instrumenten in de MFK-verordening om de aanvullende kredieten zeker te stellen die nodig zijn om op crises in te spelen of om nieuwe politieke prioriteiten te financieren in het huidige MFK, nadat alle beschikbare marges benut zijn; wijst erop dat bij de tussentijdse herziening van het MFK verscheidene belemmeringen voor de flexibiliteitsmechanismen van het MFK zijn weggenomen om in het huidig financieel kader meer flexibiliteit mogelijk te maken;

13.  wijst er in dit verband op dat het volgende MFK rechtstreeks moet zorgen voor voldoende flexibiliteit zodat de Unie op onvoorziene omstandigheden kan inspelen en haar veranderende politieke prioriteiten kan financieren; is daarom van mening dat met de flexibiliteitsbepalingen van het MFK alle niet-toegewezen marges en geannuleerde kredieten in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure zonder enige beperking naar toekomstige begrotingsjaren kunnen worden overgedragen en door de begrotingsautoriteit kunnen worden ingezet voor elk noodzakelijk geacht doel; bepleit bovendien een significante verhoging van de speciale instrumenten van het MFK, die boven op de maxima van het MFK moeten worden berekend voor zowel vastleggingen als betalingen, en dringt aan op de oprichting van een afzonderlijke crisisreserve, waardoor middelen in een noodsituatie meteen kunnen worden vrijgemaakt;

14.  pleit voor een werkelijke en tastbare vereenvoudiging van de uitvoeringsregels voor begunstigden, en voor minder administratieve rompslomp; spoort de Commissie in dit verband aan overlappingen tussen instrumenten die worden aangeboden uit de EU‑begroting en waarmee vergelijkbare doelen worden nagestreefd en soortgelijke maatregelen worden ondersteund, in kaart te brengen en op te heffen; is echter van mening dat een dergelijke vereenvoudiging niet mag resulteren in de vervanging van subsidies door financieringsinstrumenten en niet mag leiden tot de opsplitsing van EU‑programma's en beleidsmaatregelen naar sector, maar een overkoepelende aanpak moet garanderen met complementariteit als voornaamste kenmerk; pleit voor een verregaande harmonisatie van regels met het doel om één pakket regels op te stellen voor alle EU-instrumenten;

15.  onderkent het potentieel van financieringsinstrumenten als aanvullende vorm van steunverlening, naast subsidies en toelagen; waarschuwt er evenwel voor dat deze instrumenten niet voor alle soorten acties en beleidsgebieden geschikt zijn, aangezien niet elk beleid volledig de wetten van de markt volgt; doet een beroep op de Commissie om de regels voor het gebruik van financieringsinstrumenten te vereenvoudigen en de mogelijkheid aan te wakkeren om verschillende EU-middelen te combineren volgens geharmoniseerde voorschriften door synergie te creëren en elke vorm van concurrentie tussen verschillende vormen van steunverlening te vermijden; spreekt zijn bezorgdheid uit over de optie om de EU-financieringsinstrumenten in één fonds te integreren en daaruit op verschillende beleidsterreinen leningen, garanties en instrumenten voor risicodeling te verstrekken, zoals in dit verband in de discussienota wordt voorgesteld, en zal dit voorstel diepgaand onderzoeken;

16.  herhaalt zijn standpunt dat de duur van het MFK gelijk moet worden getrokken met de politieke cyclus van zowel het Parlement als de Commissie, en programmering voor de lange termijn moet waarborgen; benadrukt in dit verband dat er bij de looptijd van het MFK terdege rekening moet worden gehouden met de noodzaak van voorspelbaarheid op de langere termijn bij de tenuitvoerlegging van de programma's in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) onder gedeeld beheer, die niet kunnen functioneren zonder de stabiliteit van een verbintenis van ten minste zeven jaar; stelt dan ook voor om het volgende MFK af te stemmen voor een periode van 5+5 jaar met een verplichte tussentijdse herziening;

17.  wijst op de aankondiging van de voorzitter van de Commissie in zijn toespraak over de Staat van de Unie over een op stapel staand voorstel voor een eigen begrotingslijn voor de eurozone; verzoekt de Commissie hier extra en meer gedetailleerde informatie over te verschaffen; wijst erop dat in de resolutie van het Parlement van 16 februari 2017 werd opgeroepen tot een specifieke begrotingscapaciteit voor de eurozone, die deel moet uitmaken van de EU-begroting boven op de huidige maxima van het MFK en wordt bekostigd door landen uit de eurozone en andere deelnemende leden via een bron van inkomsten waarover de deelnemende lidstaten overeenstemming moeten bereiken en die geacht wordt te bestaan uit bestemmingsontvangsten en garanties;

18.  verwacht dat de Commissie haar voorstellen over zowel het toekomstige MFK als over de eigen middelen uiterlijk in mei 2018 zal presenteren; uit zijn voornemen om op het gepaste moment zijn eigen standpunt te presenteren over alle bijbehorende aspecten, en verwacht dat de standpunten van het Parlement ten volle in de nieuwe voorstellen van de Commissie worden opgenomen;

19.  toont zich bereid om een gestructureerde dialoog te voeren met de Commissie en de Raad, om voor het einde van de huidige zittingsperiode een definitieve overeenkomst over het volgende MFK te bereiken; is ervan overtuigd dat een spoedige vaststelling van de MFK-verordening vervolgens de tijdige vaststelling van alle sectorale wetgevingshandelingen mogelijk zal maken, zodat de nieuwe programma's aan het begin van de volgende periode operationeel zullen zijn; benadrukt de nadelige gevolgen van de late start van de programma's in het huidige MFK; dringt er in dit verband bij de Europese Raad op aan de "overbruggingsclausule" van artikel 312, lid 2, VWEU te gebruiken op grond waarvan er in de Raad met een gekwalificeerde meerderheid gestemd kan worden over het MFK;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige betrokken instellingen en organen, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.

Juridische mededeling