Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2224(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0295/2017

Ingediende teksten :

A8-0295/2017

Debatten :

PV 23/10/2017 - 19
CRE 23/10/2017 - 19

Stemmingen :

PV 24/10/2017 - 5.17
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0402

Aangenomen teksten
PDF 228kWORD 62k
Dinsdag 24 oktober 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang
P8_TA(2017)0402A8-0295/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties (2016/2224(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 2,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 11,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en met name artikel 10 daarvan,

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan,

–  gezien Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG,

–  gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie,

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (TAXE 2)(2),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven(3),

–  gezien resolutie 1729 (2010) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bescherming van klokkenluiders,

–  gezien resolutie 2060 (2015) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over een betere bescherming van klokkenluiders,

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 juni 2011 getiteld "Corruptiebestrijding in de EU" (COM(2011)0308),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 juli 2016 over verdere maatregelen om de transparantie te verhogen en belastingontduiking en -ontwijking te bestrijden (COM(2016)0451),

–  gezien het actieplan van de G20 om corruptie tegen te gaan en met name hun richtlijn om tot wetgeving te komen ter bescherming van klokkenluiders,

–  gezien het rapport van de OESO van maart 2016 over een doeltreffende bescherming van klokkenluiders ("Committing to effective whistleblower protection"),

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman tot afsluiting van het initiatiefonderzoek OI/1/2014/PMC inzake klokkenluiders,

–  gezien aanbeveling CM/Rec(2014)7 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 30 april 2014 inzake de bescherming van klokkenluiders, alsook zijn beknopte gids voor de tenuitvoerlegging van een nationaal kader van januari 2015,

–  gezien resolutie 2171 (2017) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 27 juni 2017 waarin de nationale parlementen verzocht wordt een rapportagerecht te erkennen,

–  gezien beginsel nr. 4 van de OESO-aanbeveling inzake ethisch gedrag in de publieke sector,

–  gezien het verdrag inzake de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties,

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken (A8-0295/2017),

A.  overwegende dat de Europese Unie zich ten doel stelt de democratie en de rechtsstaat te eerbiedigen en zodoende de vrijheid van meningsuiting van haar burgers waarborgt; overwegende dat klokkenluiden een fundamenteel aspect is van de vrijheid van meningsuiting en van informatie, die beide verankerd zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarvan de naleving en de toepassing gewaarborgd worden door de EU; overwegende dat de EU de bescherming van werknemers en de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bevordert;

B.  overwegende dat de Europese Unie bijdraagt tot het versterken van de internationale samenwerking in de strijd tegen corruptie, met volledige eerbiediging van de beginselen van internationaal recht, de mensenrechten en de rechtsstaat, alsook de soevereiniteit van elk land;

C.  overwegende dat de Europese Unie krachtens artikel 67, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bevoegd is op het gebied van het gemeenschappelijk Europees asielbeleid;

D.  overwegende dat transparantie en de participatie van de burgers deel uitmaken van de ontwikkelingen en uitdagingen van de democratieën in de XXIe eeuw;

E.  overwegende dat we sinds de economische, financiële en schuldencrisis een golf van acties tegen internationale belastingontwijking en -ontduiking hebben gezien; overwegende dat meer transparantie noodzakelijk is in de financiële dienstverlening om wanpraktijken te ontmoedigen en dat een aantal lidstaten al ervaringen heeft opgedaan met centrale meldpunten voor feitelijke of mogelijke schendingen van prudentiële regels op financieel gebied; overwegende dat de Verenigde Naties in 2003 het Verdrag tegen corruptie(6) heeft aangenomen; overwegende dat het Parlement naar aanleiding van deze onthullingen twee bijzondere commissies en één enquêtecommissie heeft ingesteld; overwegende dat het reeds in verschillende resoluties heeft aangedrongen op de bescherming van klokkenluiders(7); overwegende dat de al genomen initiatieven om de internationale informatie-uitwisseling inzake fiscale aangelegenheden te versterken nuttig zijn geweest en dat de diverse lekken omtrent belastingen een massa aan belangrijke informatie over wanpraktijken onthuld hebben die anders niet aan het licht zouden zijn gekomen;

F.  overwegende dat klokkenluiders een belangrijke rol spelen bij het signaleren van illegale of laakbare praktijken die het algemeen belang en de werking van onze samenlevingen schaden, en dat zij met het oog hierop aan hun werkgever, overheidsinstanties of rechtstreeks aan het publiek informatie bekend maken over dergelijke praktijken die het openbaar belang ondermijnen;

G.  overwegende dat zij zodoende de lidstaten en de instellingen, alsook de organen van de Unie aanzienlijk helpen bij het voorkomen en aanpakken van elke inbreuk op het beginsel van integriteit en elke vorm van machtsmisbruik die een bedreiging of aantasting vormt van de volksgezondheid en openbare veiligheid, de financiële integriteit, de economie, de mensenrechten, het milieu of de rechtsstaat op Europees en nationaal niveau, of die tot een toename van de werkloosheid leidt, eerlijke concurrentie beperkt of verstoort en het vertrouwen van burgers in democratische instellingen en procedures op de helling zet;

H.  overwegende dat corruptie momenteel een ernstig probleem is in de Europese Unie, aangezien deze ertoe kan leiden dat regeringen geen bescherming bieden aan de bevolking, de werknemers, de rechtstaat of de economie en kan resulteren in een afbrokkeling van de openbare instellingen en diensten, economische groei en concurrentievermogen in diverse gebieden en in een verlies aan vertrouwen in de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht van openbare en particuliere instellingen en bedrijven; overwegende dat corruptie de economie van de Unie naar schatting jaarlijks 120 miljard EUR kost, zijnde 1 % van het bbp van de Unie;

I.  overwegende dat, hoewel de wereldwijde maatregelen ter bestrijding van corruptie tot nu toe vooral zijn toegespitst op wanpraktijken in de openbare sector, recente lekken de aandacht hebben gevestigd op de rol van financiële instellingen, adviseurs en andere particuliere ondernemingen in het faciliteren van corruptie;

J.  overwegende dat uit diverse gevallen van klokkenluiders waarover in de media is bericht, is gebleken dat door de actie van klokkenluiders informatie van publiek belang, zoals informatie over illegale of laakbare praktijken of andere ernstige misstanden in de particuliere en openbare sector, ter kennis van het publiek en van de politieke autoriteiten wordt gebracht; overwegende dat daardoor maatregelen konden worden genomen om deze praktijken te corrigeren;

K.  overwegende dat het garanderen van de vertrouwelijkheid bijdraagt tot het creëren van efficiëntere kanalen voor het melden van fraude, corruptie of andere inbreuken en overwegende dat, gezien de gevoeligheid van de informatie, een slecht beheer van de vertrouwelijkheid kan leiden tot ongewenste informatielekken en een schending van het algemeen belang van de Unie en de lidstaten;

L.  overwegende dat de invoering van openbare registers van uiteindelijke begunstigden voor beleggingsmaatschappijen en soortgelijke wettelijke regelingen, alsmede andere transparantiemaatregelen voor investeringsconstructies een afschrikkingsmiddel kunnen zijn voor de wanpraktijken die klokkenluiders doorgaans aan de kaak stellen;

M.  overwegende dat het garanderen van de vertrouwelijkheid van de identiteit van klokkenluiders en de informatie die zij aan het licht brengen, bijdragen tot het creëren van efficiëntere kanalen voor het melden van fraude, corruptie, wanpraktijken, tekortkomingen of andere ernstige inbreuken en overwegende dat, gezien de gevoeligheid van de informatie, een slecht beheer van de vertrouwelijkheid kan leiden tot ongewenste informatielekken en een schending van het algemeen belang binnen de Unie; overwegende dat de bescherming van klokkenluiders in de publieke sector kan bijdragen tot het opsporen van misbruik van openbare middelen, fraude en andere vormen van grensoverschrijdende corruptie die afbreuk doen aan de belangen van lidstaten of de EU;

N.  overwegende dat de bestaande kanalen voor het indienen van formele klachten over wangedrag van multinationale ondernemingen jammer genoeg zelden resulteren in concrete bestraffingen wegens wanpraktijken;

O.  overwegende dat de actie van de klokkenluiders nuttig is gebleken op talrijke gebieden, zowel in de openbare als in de particuliere sector, zoals de volksgezondheid, de belastingen, het milieu, de consumentenbescherming, de bestrijding van corruptie en discriminatie en de eerbiediging van de sociale rechten;

P.  overwegende dat deze gevallen goed gedefinieerd moeten zijn in het licht van de aard van de uitgeoefende functies, de ernst van de feiten of de vastgestelde risico's;

Q.  overwegende dat het cruciaal is de grens tussen het melden en het klokkenluiden niet te overschrijden; dat het er niet om gaat alles te weten over iedereen, maar om een juist oordeel te vellen over wat het niet verlenen van steun aan een democratie in gevaar inhoudt;

R.  overwegende dat klokkenluiders vaak het slachtoffer worden van repressieve maatregelen, intimidatie of druk teneinde hen ervan te weerhouden of ervan af te brengen om een probleem aan de kaak te stellen of daarvoor te straffen; dat dergelijke druk des te meer wordt uitgeoefend op de werkplek, omdat klokkenluiders die in het openbaar belang informatie hebben onthuld, zich in het kader van hun dienstverband in een zwakke positie bevinden ten aanzien van de werkgevers;

S.  overwegende dat herhaaldelijk ernstige bezorgdheid is geuit over het feit dat klokkenluiders die in het openbaar belang handelen, geconfronteerd kunnen worden met vijandigheid, pesterijen, intimidatie en uitsluiting op hun werkplek, belemmeringen voor toekomstig werk, verlies van bestaansmiddelen en vaak ook ernstige bedreigingen aan het adres van hun familieleden en collega's; overwegende dat angst voor represailles een afschrikkend effect kan hebben op klokkenluiders en dat zo het algemeen belang in het gedrang wordt gebracht;

T.  overwegende dat de bescherming van klokkenluiders bij wet moet worden gewaarborgd en gehandhaafd in de hele EU, zowel in de openbare als in de particuliere sector, op voorwaarde dat zij handelen op redelijke gronden; overwegende dat deze beschermingsmechanismen evenwichtig moeten zijn en garanties moeten bieden voor de volledige eerbiediging van de grondrechten en juridische rechten van de personen tegen wie de meldingen gericht zijn; overwegende dat deze beschermingsmechanismen van toepassing moeten zijn op onderzoeksjournalisten, die kwetsbaar blijven waar het gaat om de openbaarmaking van gevoelige informatie, en dat zij de klokkenluiders moeten beschermen in naam van de vertrouwelijkheid van hun bronnen;

U.  overwegende dat de bescherming van klokkenluiders in een aantal lidstaten niet voldoende gewaarborgd is, terwijl veel andere lidstaten geavanceerde programma’s hebben ingevoerd om hen te beschermen, maar dat deze programma's vaak incoherent zijn en dus onvoldoende bescherming bieden; overwegende dat een en ander leidt tot een gefragmenteerde bescherming van klokkenluiders in Europa, hetgeen het moeilijk maakt voor hen om te achterhalen wat hun rechten en de modaliteiten bij het klokkenluiden zijn en rechtsonzekerheid in de hand werkt, vooral in grensoverschrijdende situaties;

V.  overwegende dat het bureau van de Europese Ombudsman een duidelijke bevoegdheid heeft voor het onderzoeken van klachten van EU-burgers over wanbeheer bij de EU-instellingen, maar zelf geen rol vervult bij de bescherming van klokkenluiders;

W.  overwegende dat klokkenluiden zeer vaak niet alleen beperkt is tot economische en financiële aangelegenheden; overwegende dat het gebrek aan bescherming potentiële klokkenluiders ervan kan weerhouden melding te maken van wangedrag, om het risico van represailles en/of vergelding te voorkomen; overwegende dat de OESO heeft gemeld dat in 2015 86 % van de bedrijven een meldingsmechanisme had voor vermoedelijke gevallen van ernstig wangedrag, maar dat meer dan een derde daarvan geen schriftelijk vastgelegd beleid had voor de bescherming van klokkenluiders tegen represailles, of geen weet had van een dergelijk beleid; overwegende dat verschillende klokkenluiders die melding maken van economische en financiële wanpraktijken, strafbare feiten of illegale activiteiten zijn vervolgd; overwegende dat vaak represailles worden genomen tegen personen die in het algemeen belang informatie meedelen of onthullen, alsook tegen hun familieleden en collega's, wat bijvoorbeeld kan leiden tot het einde van hun loopbaan; overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vaste rechtspraak over klokkenluiders heeft, maar dat de bescherming van klokkenluiders wettelijk moet worden vastgelegd; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en het recht op goed bestuur zijn gewaarborgd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

X.  overwegende dat de bescherming van klokkenluiders in de Europese Unie zich niet mag beperken tot Europese gevallen, maar zich ook moet uitstrekken tot internationale gevallen;

Y.  overwegende dat op de werkplek een werkomgeving moeten worden geschapen waarin mensen niet bang zijn om hun bezorgdheid te uiten over mogelijke wanpraktijken zoals tekortkomingen, wangedrag, wanbeheer of illegale handelingen; overwegende dat het uiterst belangrijk is te zorgen voor het juiste klimaat waarin mensen voelen dat zij problemen aan de orde kunnen stellen zonder vrees voor represailles die gevolgen kunnen hebben voor hun huidige en toekomstige werksituatie;

Z.  overwegende dat werknemers in vele jurisdicties, en met name in de particuliere sector, een geheimhoudingsplicht hebben met betrekking tot bepaalde informatie, met het gevolg dat klokkenluiders gestraft kunnen worden voor rapportering buiten het kader van hun dienstverband;

AA.  overwegende dat volgens een studie van de OESO meer dan een derde van de organisaties met een meldingsmechanisme geen schriftelijk vastgelegd beleid hebben voor de bescherming van klokkenluiders tegen represailles, of geen weet hebben van een dergelijk beleid;

AB.  overwegende dat de EU-wetgeving al een aantal regels bevat die klokkenluiders beschermen tegen bepaalde vormen van vergelding in diverse gebieden, maar dat de Commissie nog geen afdoende wetgevingsmaatregelen heeft voorgesteld voor de doeltreffende en uniforme bescherming van klokkenluiders en hun rechten in de EU;

AC.  overwegende dat alle EU-instellingen sedert 1 januari 2014 verplicht zijn interne regels in te voeren ter bescherming van klokkenluiders die als functionaris bij een EU-instelling werken, overeenkomstig de artikelen 22 bis, 22 ter en 22 quater, van het statuut van de ambtenaren;

AD.  overwegende dat het Europees Parlement herhaaldelijk heeft opgeroepen tot horizontale maatregelen ter bescherming van klokkenluiders in de Unie;

AE.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven, zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingsbeleid in de Unie en zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de EU, de Commissie verzoekt een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een doeltreffend en breed opgezet Europees programma ter bescherming van klokkenluiders teneinde personen te beschermen die melding maken van vermeende gevallen van fraude of illegale praktijken die het openbaar belang of de financiële belangen van de Europese Unie schaden;

AF.  overwegende dat alle personen uit derde landen die door de Europese Unie of een van haar lidstaten erkend zijn in hun hoedanigheid van klokkenluider, moeten kunnen profiteren van alle toepasselijke beschermingsmaatregelen indien zij, al dan niet in het kader van hun functie, kennis hebben gekregen van informatie – en deze hebben onthuld – betreffende illegale praktijken of spionage door een derde land of een nationale of multinationale onderneming die schade toebrengen aan een staat, een natie of burgers van de Unie en die zonder hun medeweten de integriteit van een regering, de nationale veiligheid of de collectieve of individuele rechten in gevaar brengen;

AG.  overwegende dat sedert 1 juli 2014 nagenoeg alle Europese instellingen en organen aan de op hen rustende verplichting hebben voldaan en in hun reglement van orde maatregelen hebben opgenomen ter bescherming van klokkenluiders, in overeenstemming met de artikelen 22 ter en 22 quater van het Statuut van de ambtenaren;

AH.  overwegende dat internationale organisaties zoals de Raad van Europa en de OESO al beginselen hebben vastgesteld die inmiddels vaststaan en er vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bestaat op dit gebied;

AI.  overwegende dat het belang van de bescherming van klokkenluiders is erkend door alle belangrijke internationale instrumenten inzake corruptie en dat klokkenluidersstandaarden zijn vastgesteld in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC), de aanbeveling CM/Rec/(2014)7 van de Raad van Europa en de OESO-aanbeveling inzake de bestrijding van omkoperij van 2009;

AJ.  overwegende dat het van het allergrootste belang is dat er snel een algemeen horizontaal kader tot stand wordt gebracht, waarin rechten en plichten worden vastgesteld, teneinde klokkenluiders in de lidstaten van de Unie alsook in de instellingen, instanties en organen van de Unie, doeltreffend te beschermen;

Rol van klokkenluiders en noodzaak klokkenluiders te beschermen

1.  vraagt de Commissie dat zij nagaat wat de passende rechtsgrond is om een verder EU-optreden mogelijk te maken en vervolgens, voor het eind van dit jaar, een horizontaal wetgevingsvoorstel indient voor de instelling van een omvattend gemeenschappelijk regelgevend kader dat een hoog niveau van bescherming waarborgt voor klokkenluiders in de EU, zowel in de openbare als in de particuliere sector en eveneens in de nationale en Europese instellingen, met inbegrip van de relevante nationale en Europese organen, instanties en agentschappen, rekening houdend met de nationale context en zonder beperking van de mogelijkheid voor de lidstaten om verdere maatregelen te nemen; onderstreept dat er momenteel meerdere mogelijkheden zijn voor wat betreft de rechtsgrondslag voor optreden van de Unie op dit gebied; verzoekt de Commissie deze mogelijkheden in overweging te nemen om een breed, coherent en doeltreffend instrument voor te stellen; herinnert de Commissie aan de doctrine die het Hof van Justitie door middel van vaste rechtspraak heeft ontwikkeld inzake het concept van de "impliciete bevoegdheden" van de Unie, waardoor het gebruik van verscheidene rechtsgrondslagen mogelijk wordt;

2.  wijst op het onredelijke en verontrustende feit dat burgers en journalisten vervolgd worden in plaats van juridische bescherming te krijgen wanneer zij in het algemeen belang informatie onthullen, onder meer vermoedelijke vergrijpen, strafbare feiten, fraude of illegale activiteiten, met name wanneer het gaat om gedrag dat de fundamentele beginselen van de EU schendt, zoals belastingontwijking, belastingontduiking en witwassen van geld;

3.  stelt voor dat elke internationale overeenkomst op het gebied van financiële diensten, belasting en mededinging bepalingen betreffende de bescherming van klokkenluiders zou bevatten;

4.  benadrukt dat de rechtszekerheid met betrekking tot de bepalingen ter bescherming van klokkenluiders gewaarborgd moet worden, omdat een aanhoudend gebrek aan duidelijkheid en de huidige gefragmenteerde aanpak potentiële klokkenluiders ervan weerhouden zich te melden; wijst er daarom op dat in de desbetreffende EU-wetgeving een duidelijke procedure moet worden vastgesteld voor een correcte omgang met onthullingen en een daadwerkelijke bescherming van klokkenluiders;

5.  brengt in herinnering dat bij een toekomstig normatief kader rekening moet worden gehouden met de regels, plichten en verplichtingen die gelden voor arbeid of er gevolgen voor hebben; onderstreept ook dat dit gedaan moet worden in overleg met de sociale partners en met inachtneming van de collectieve arbeidsovereenkomsten;

6.  meent dat in deze wetgeving moet worden vastgelegd dat bedrijven waarvan definitief vaststaat dat zij represailles nemen tegen klokkenluiders, geen ontvanger kunnen zijn van Europees geld en geen contract kunnen sluiten met de overheid;

7.  moedigt de lidstaten aan om benchmarks en indicatoren te ontwikkelen met betrekking tot het klokkenluidersbeleid in zowel de publieke als de particuliere sector;

8.  verzoekt de lidstaten rekening te houden met artikel 33 van het VN-Verdrag tegen corruptie en onderstreept de rol van klokkenluiders in het voorkomen en bestrijden van corruptie;

9.  betreurt dat slechts enkele lidstaten voldoende geavanceerde beschermingsstelsels voor klokkenluiders hebben ingevoerd; verzoekt de lidstaten die deze stelsels of de daarmee samenhangende beginselen nog niet in hun nationale wetgeving hebben opgenomen, dit zo snel mogelijk te doen;

10.  wijst erop dat meer aandacht moet worden besteed aan bedrijfsethiek in de onderwijscurricula van bedrijfswetenschappen en aanverwante vakgebieden;

11.  moedigt de lidstaten en de EU-instellingen ertoe aan een cultuur te stimuleren waarin de belangrijke rol van klokkenluiders in de samenleving wordt erkend, mede door middel van bewustmakingscampagnes; doet met name een beroep op de Commissie met een uitvoerig actieplan voor deze kwestie te komen; acht het noodzakelijk in de overheidssector en op de werkplek een ethisch klimaat te bevorderen om te benadrukken dat het belangrijk is werknemers bewust te maken van bestaande rechtskaders met betrekking tot klokkenluiden, in samenwerking met vakbondsorganisaties;

12.  dringt er bij de Commissie op aan de bepalingen inzake klokkenluiders van de lidstaten te inventariseren om de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen, waardoor de bescherming van klokkenluiders op nationaal niveau kan worden verbeterd;

13.  vraagt de Commissie te zorgen voor een allesomvattend plan ter ontmoediging van overdrachten van activa naar landen buiten de EU die de anonimiteit van corrupte personen beschermen;

14.  verstaat onder klokkenluider een werknemer die in het openbaar belang, met inbegrip van het Europees openbaar belang, informatie naar buiten brengt dan wel onthult, bijvoorbeeld informatie over een onwettige of onrechtmatige handeling of een handeling die een bedreiging vormt of schade berokkent die het algemeen belang ondermijnt of in gevaar brengt, gewoonlijk, maar niet alleen in het kader van zijn dienstverband, hetzij in de publieke hetzij in de private sector, in het kader van een contractuele verbintenis of in het kader van zijn werkzaamheden voor een vakbond of vereniging; benadrukt dat dit ook personen omvat die buiten de traditionele relatie werkgever/werknemer vallen, zoals consultants, contractanten, stagiaires, vrijwilligers, studenten, tijdelijke werknemers en voormalige werknemers die bewijzen hebben van deze handelingen en die redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de gemelde informatie juist is;

15.  meent dat personen die buiten de traditionele relatie werkgever/werknemer vallen, zoals consultants, contractanten, stagiaires, vrijwilligers, studenten, tijdelijke werknemers, voormalige werknemers alsook burgers eveneens toegang moeten hebben tot meldingskanalen en moeten kunnen profiteren van een adequate bescherming wanneer zij informatie onthullen over illegale activiteiten of onregelmatigheden of over een handeling die het algemeen belang schaadt;

16.  is van mening dat er een duidelijke oplossing moet komen voor klokkenluiders die bij in de EU geregistreerde, maar buiten de EU gevestigde ondernemingen werken;

17.  meent dat een inbreuk op het algemeen belang bestaat uit, maar niet beperkt is tot corruptie, strafbare feiten, schendingen van wettelijke verplichtingen, gerechtelijke dwalingen, machtsmisbruik, belangenverstrengeling, onrechtmatig gebruik van overheidsgelden, misbruik van bevoegdheid, illegale geldstromen, risico’s voor het milieu, de gezondheid, de openbare veiligheid, de nationale en mondiale veiligheid, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van persoonsgegevens, alsmede belastingontwijking, schendingen van consumentenrechten, schendingen van de rechten van werknemers en andere sociale rechten alsook schendingen van de mensenrechten, en handelingen om deze schendingen te verheimelijken;

18.  meent dat het algemeen openbaar belang voorrang moet krijgen op de particuliere of economische waarde van de onthulde informatie en dat het mogelijk moet zijn informatie bekend te maken over ernstige bedreigingen van het openbaar belang, zelfs wanneer deze wettelijk beschermd is; is evenwel van mening dat er speciale procedures van toepassing moeten zijn voor informatie waarbij het respecteren van beroepsethiek aan de orde is alsmede voor beveiligde informatie die betrekking heeft op nationale veiligheid en defensie; meent dat de informatie in dergelijke gevallen moet worden gemeld aan een bevoegde overheid;

19.  onderstreept dat te allen tijde moet worden gezorgd voor een doeltreffende bescherming van klokkenluiders, zelfs indien hun onthullingen geen betrekking hebben op onwettige handelingen, voor zover de onthullingen tot doel hebben te voorkomen dat het algemeen belang wordt geschaad;

20.  benadrukt dat de lidstaten de aanbevelingen van de Raad van Europa betreffende de bescherming van klokkenluiders moeten opvolgen;

21.  onderstreept dat het belang van de rol van klokkenluiders bij de onthulling van ernstige inbreuken op het algemeen belang in de afgelopen jaren maar al te vaak is bewezen en dat klokkenluiders bijdragen tot democratie, transparantie van de politiek en de economie en openbare informatie, en dat moet worden erkend dat zij noodzakelijk zijn om onrechtmatige handelingen te voorkomen; onderstreept dat klokkenluiders een bron van cruciaal belang zijn gebleken, zowel voor de onderzoeksjournalistiek als voor de onafhankelijke pers; merkt op dat het waarborgen van de vertrouwelijkheid van bronnen fundamenteel is voor de persvrijheid; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat het recht van journalisten om de identiteit van hun bronnen niet te onthullen, doeltreffend wordt beschermd; is van oordeel dat journalisten ook kwetsbaar zijn en daarom wettelijke bescherming moeten genieten;

22.  stelt vast dat een aantal lidstaten in de afgelopen jaren stappen hebben ondernomen om de rechten van klokkenluiders te beschermen; betreurt evenwel dat klokkenluiders in een aantal lidstaten nog steeds civielrechtelijk of strafrechtelijk worden vervolgd, met name waar er weinig of geen doeltreffende middelen zijn voor hun verdediging, ondersteuning en bescherming; wijst er voorts op dat de verschillen tussen de lidstaten leiden tot rechtsonzekerheid, forumshopping en mogelijke ongelijke behandeling;

23.  is van mening dat het feit dat de bescherming van klokkenluiders niet afdoende geregeld is, een negatief effect heeft op de bescherming van de financiële belangen van de EU;

24.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van alomvattende wettelijke regelingen ter bescherming van klokkenluiders, vrijuit spreken aanmoedigt en dat klokkenluiden moet worden bevorderd als een uiting van burgerzin; dringt er daarom bij de lidstaten en de EU-instellingen op aan de positieve rol die klokkenluiders spelen, te bevorderen en aandacht te schenken aan hun vaak kwetsbare en weerloze positie, met name via bewustmakings- en beschermingscampagnes en communicatie- en opleidingsactiviteiten; raadt met name de Commissie aan met een uitvoerig actieplan voor dit onderwerp te komen; pleit in dit verband voor het opzetten van een website waarop nuttige informatie over de bescherming van klokkenluiders moet worden verstrekt en waar klachten kunnen worden ingediend; benadrukt dat deze website gemakkelijk toegankelijk moet zijn voor het publiek en dat gegevens anoniem dienen te blijven;

25.  roept op tot actie om de publieke perceptie van klokkenluiders te veranderen, met name vanuit de politiek, de werkgevers en de media, door de aandacht te vestigen op de positieve rol die zij vervullen als mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing en als afschrikkingsmiddel om misstanden en corruptie op te sporen en te voorkomen en als een verantwoordingsmechanisme om publieke controle op overheidsmaatregelen mogelijk te maken;

26.  moedigt de lidstaten aan proactief bij te dragen tot de bevordering van een open cultuur op de werkplek, zowel in de particuliere als in de private sector, zodat organisaties strikte ethische normen kunnen toepassen en werknemers met een gerust hart vrijuit kunnen spreken, waardoor er stappen kunnen worden ondernomen om bedreigingen of schade te voorkomen of tegen te gaan;

27.  spoort de lidstaten aan de maatregelen die ze uitvoeren regelmatig te evalueren, daarbij rekening houdend met de publieke opinie inzake de attitude ten aanzien van klokkenluiden en klokkenluiders, sectoroverschrijdende onderzoeken naar hooggeplaatste leidinggevenden die verantwoordelijk zijn voor de ontvangst en behandeling van meldingen, en onafhankelijke studies naar klokkenluiden op de werkplek;

28.  spoort de lidstaten die nog geen wetgeving inzake klokkenluiden hebben aangenomen, aan dit binnen afzienbare tijd te doen en roept de Commissie op de oprichting te overwegen van een platform waar de lidstaten beste praktijken op dit gebied kunnen uitwisselen, niet alleen met elkaar, maar ook met derde landen;

29.  onderstreept het belang van onderzoek en uitwisseling van goede praktijken om een betere bescherming van klokkenluiders op Europees niveau aan te moedigen;

30.  dringt er bij de Europese Rekenkamer en de Europese Ombudsman op aan dat zij uiterlijk eind 2017 het volgende publiceren: 1) speciale verslagen met statistieken over en een duidelijke beschrijving van het verloop van klokkenluiderszaken die bij de Europese instellingen en bij bedrijven, verenigingen, organisaties en andere in de Unie geregistreerde organen zijn geconstateerd; 2) de follow-up van de betrokken instellingen met betrekking tot de onthulde zaken, op basis van de richtsnoeren en regels van de Commissie; 3) de uitkomst van elk onderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van informatie die van een klokkenluider is ontvangen; 4) de maatregelen die per geval ter bescherming van de klokkenluiders zijn genomen;

Meldingsmechanisme

31.  stelt vast dat het gebrek aan duidelijk gedefinieerde middelen van bescherming en veilig rapporteren alsook het mogelijk gebrek aan opvolging een belemmering vormen voor de activiteiten van klokkenluiders, hen van het klokkenluiden kunnen weerhouden en ervoor kunnen zorgen dat een aantal klokkenluiders blijven zwijgen; spreekt zijn bezorgdheid uit over de represailles en de druk waaraan klokkenluiders worden blootgesteld wanneer zij de zaak bij de verkeerde persoon of partij in hun organisatie aankaarten;

32.  meent is van oordeel dat een coherent, geloofwaardig en betrouwbaar systeem moet worden ingevoerd voor meldingen binnen de organisatie, aan bevoegde autoriteiten, alsook buiten de organisatie; meent dat een dergelijk systeem het gemakkelijker zou maken om de geloofwaardigheid en de geldigheid van een melding die binnen dit kader is gedaan, te beoordelen;

33.  verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar een systeem dat meldingen van misstanden binnen en buiten de organisatie mogelijk maakt; beklemtoont dat hiertoe duidelijke, eerlijke en billijke procedures moeten worden vastgesteld met waarborgen voor de volledige eerbiediging van de grondrechten en de juridische rechten van zowel de klokkenluider als de vermeende pleger van de onrechtmatige handeling; is van oordeel dat werkgevers ertoe moeten worden aangespoord interne meldingsprocedures te introduceren en dat binnen elke organisatie een onafhankelijke en onpartijdige persoon of eenheid moet worden belast met het in ontvangst nemen van meldingen; is van oordeel dat de vertegenwoordigers van de werknemers moeten worden betrokken bij de aanwijzing van die persoon of eenheid; onderstreept dat de ontvanger van de melding een passende opvolging moet geven aan elke ontvangen melding en de klokkenluider op de hoogte moet houden van deze opvolging binnen een redelijke termijn;

34.  meent dat elke organisatie moet zorgen voor duidelijke meldingskanalen waarmee klokkenluiders de klok kunnen luiden binnen hun organisatie; onderstreept dat elke werknemer op de hoogte moet worden gesteld van de desbetreffende meldingsprocedure, waarbij garanties moeten worden geboden voor vertrouwelijkheid en voor een behandeling van de melding binnen een redelijke termijn; onderstreept dat de klokkenluider zich moet blijven kunnen wenden tot de bevoegde overheidsinstanties, niet-gouvernementele organisaties of de media, met name bij het uitblijven van een positieve reactie binnen de organisatie, wanneer een melding intern of bij de bevoegde overheidsinstanties de doeltreffendheid van deze melding duidelijk zou ondermijnen, wanneer de klokkenluider gevaar loopt of hoogdringend informatie naar buiten moet brengen;

35.  herinnert eraan dat het publiek het recht heeft in kennis te worden gesteld van gedragingen die het openbaar belang kunnen schaden en onderstreept in dit verband dat een klokkenluider altijd informatie bekend moet kunnen maken over een onwettige of ongeoorloofde handeling of over een handeling die het openbaar belang schaadt;

36.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 14 februari 2017 over de rol van klokkenluiders bij de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie tevens verzoekt om in samenwerking met alle bevoegde nationale autoriteiten alle maatregelen te treffen en in te voeren die noodzakelijk zijn om de vertrouwelijkheid van informatiebronnen te beschermen en tevens pleit voor de lancering van een gecontroleerde website waar klachten kunnen worden ingediend en volledig vertrouwelijk worden behandeld;

37.  is van oordeel dat melding van een misstand buiten de organisatie, onder meer rechtstreeks aan het publiek, zonder de zaak intern te hebben aangekaart geen reden mag zijn om de melding ongeldig te verklaren, de klokkenluider te vervolgen of hem het recht op bescherming te ontzeggen; meent dat deze bescherming moet worden verleend ongeacht het gekozen meldingskanaal en op grond van de gemelde informatie en het feit dat de klokkenluider redelijke gronden had om te geloven dat de informatie juist was;

Bescherming bij melding van een misstand

38.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de risico`s die klokkenluiders op hun werkplek lopen en met name over de mogelijke directe of indirecte represailles van de zijde van de werkgever en personen die voor laatstgenoemde werken of namens hem optreden; onderstreept dat deze represailles meestal neerkomen op uitsluiting, vertraging of stopzetting van loopbaanontwikkeling, of zelfs ontslag, alsook op situaties van psychologische intimidatie; wijst erop dat deze represailles klokkenluiders ervan weerhouden actie te ondernemen; acht het dan ook noodzakelijk dat beschermende maatregelen worden genomen tegen represailles; is van oordeel dat represailles met doeltreffende sancties moeten worden bestraft; benadrukt dat, zodra iemand als klokkenluider is erkend, maatregelen moeten worden genomen om hem te beschermen en een eind moet worden gemaakt aan de tegen hem genomen represailles en dat de klokkenluider volledig moet worden vergoed voor de nadelen en opgelopen schade; is van mening dat deze bepalingen moeten worden opgenomen in het voorstel van de Commissie voor een horizontale richtlijn inzake de bescherming van klokkenluiders;

39.  vindt dat klokkenluiders een verzoek in kort geding moeten kunnen indienen ter voorkoming van represailles, zoals ontslag, en dit tot na de beëindiging van eventuele administratieve, gerechtelijke of andere procedures;

40.  beklemtoont dat het recht van eenieder op vrije meningsuiting niet door een arbeidsovereenkomst mag worden beperkt en dat niemand vanwege de uitoefening van dat recht mag worden gediscrimineerd;

41.  brengt in herinnering dat bij een toekomstig normatief kader rekening moet worden gehouden met de regels, plichten en verplichtingen die voor arbeid gelden of er gevolgen voor hebben; onderstreept ook dat dit gedaan moet worden met de betrokkenheid van de sociale partners en met inachtneming van de collectieve arbeidsovereenkomsten;

42.  benadrukt dat klokkenluiders en hun familieleden alsook iedereen die hen helpt en van wie het leven of de veiligheid in gevaar zijn, recht moeten hebben op degelijke en doeltreffende bescherming van hun fysieke, morele en sociale integriteit en hun bestaansmiddelen, door hen het hoogst mogelijke niveau van vertrouwelijkheid te garanderen;

43.  onderstreept dat deze beschermende maatregelen ook van toepassing zijn wanneer de klokkenluider melding maakt van gedragingen waarbij lidstaten betrokken zijn;

44.  merkt op dat onderzoeksjournalisten en onafhankelijke journalisten een vaak eenzaam beroep uitoefenen gezien de veelvuldige druk waaraan zij bloot staan en dat het dus onontbeerlijk is om hen te beschermingen tegen alle vormen van intimidatiepogingen;

45.  stelt voor dat een verzoek in kort geding in afwachting van de beëindiging van civielrechtelijke procedures kan worden ingediend door personen die het slachtoffer zijn geworden van represailles omdat zij informatie hebben gemeld of onthuld in het openbaar belang, met name in geval van jobverlies;

46.  veroordeelt de SLAPP-praktijk die erin bestaat rechtsvervolging in te stellen tegen de klokkenluider of daarmee te dreigen, niet met de bedoeling gerechtigheid te eisen, maar om hem het zwijgen op te leggen of hem financieel, moreel en geestelijk uit te putten; meent dat strafrechtelijke sancties en straffen moeten worden opgelegd voor een dergelijk misbruik van procedure;

47.  wijst erop dat klokkenluiders het risico lopen civielrechtelijk of strafrechtelijk te worden vervolgd; onderstreept dat klokkenluiders bij processen vaak de zwakkere partij zijn; meent daarom dat in het geval van vermeende represailles tegen de klokkenluider, de werknemer moet aantonen dat deze maatregelen geen verband houden met de melding van de klokkenluider; meent dat de bescherming van de klokkenluider moet worden verleend op basis van de bekendgemaakte informatie en niet de intentie van de klokkenluider; benadrukt evenwel dat de klokkenluider informatie moet hebben bekendgemaakt die volgens hem op waarheid berustte; is van mening dat de vertrouwelijkheid gedurende de hele procedure moet worden gewaarborgd en dat de identiteit van de klokkenluider niet mag worden bekendgemaakt zonder zijn toestemming; onderstreept dat strafrechtelijke sancties en straffen moeten worden opgelegd voor een schending van de vertrouwelijkheid van de identiteit zonder de toestemming van de klokkenluider;

48.  vindt dat klokkenluiders niet aan strafrechtelijke of civielrechtelijke vervolging noch aan administratieve of disciplinaire sancties mogen worden onderworpen wegens de onthullingen die zij hebben gedaan;

49.   is van oordeel dat wanneer een klokkenluider anoniem melding zou kunnen maken van misstanden, zaken naar buiten kunnen worden gebracht die anders niet aan het licht zouden zijn gekomen; onderstreept in dit verband dat duidelijk omschreven middelen moeten worden ingevoerd voor anonieme melding aan de nationale of Europese onafhankelijke instantie die bevoegd is om meldingen in ontvangst te nemen, de geloofwaardigheid ervan te controleren, het antwoord op te volgen en klokkenluiders bij te staan ook in de digitale omgeving, en dat daarbij precies moet worden omschreven in welke gevallen gebruik kan worden gemaakt van de middelen voor anonieme melding; benadrukt dat noch de identiteit van de klokkenluider noch gegevens die het mogelijk maken zijn identiteit vast te stellen, mogen worden bekendgemaakt zonder zijn toestemming; meent dat elke schending van de anonimiteit met sancties moet worden bestraft;

50.  onderstreept dat een persoon het recht op bescherming niet mag verliezen louter en alleen omdat hij een beoordelingsfout heeft gemaakt of het gevaar voor het algemeen belang zich uiteindelijk niet heeft geconcretiseerd, op voorwaarde dat hij op het moment van de melding redelijke gronden had om aan te nemen dat de feiten op waarheid berustten; brengt in herinnering dat in het geval van valse beschuldigingen de verantwoordelijken hiervoor rekenschap moeten afleggen en dat zij niet de bescherming mogen genieten die aan klokkenluiders wordt verleend; benadrukt dat alle personen die rechtstreeks of onrechtstreeks benadeeld zijn door het melden of onthullen van onjuiste of misleidende informatie, het recht moeten krijgen op daadwerkelijke voorziening in rechte tegen kwaadwillige of onjuiste meldingen;

51.  herinnert aan het belang van het ontwikkelen van instrumenten ter uitbanning van elke vorm van vergelding, of deze nu uit passief ontslag bestaat dan wel uit passieve maatregelen; verzoekt de lidstaten met klem om de handelingen van klokkenluiders in verband met het bekend maken van informatie over onrechtmatige of illegale handelingen of over handelingen die het openbaar belang ondermijnen of in gevaar brengen, niet strafbaar te stellen;

52.  herinnert eraan dat in de tussentijd het vigerende EU-recht door de instellingen van de Unie en de lidstaten naar behoren moet worden toegepast en dat het zo moet worden geïnterpreteerd dat aan klokkenluiders die handelen in het algemeen belang, optimale bescherming wordt geboden; benadrukt dat de bescherming van klokkenluiders reeds erkenning geniet als een belangrijk instrument om de doeltreffende toepassing van de EU-wetgeving te waarborgen; doet derhalve een beroep op de lidstaten zich te onthouden van het strafbaar stellen van het handelen van klokkenluiders wanneer deze in het algemeen belang informatie onthullen;

Ondersteuning van klokkenluiders

53.  wijst op de rol van de overheidsinstanties, vakbonden en maatschappelijke organisaties in het ondersteunen en assisteren van klokkenluiders bij hun activiteiten binnen hun organisatie;

54.  onderstreept dat klokkenluiders alsook de mensen die hen helpen, naast beroepsrisico’s ook persoonlijke, psychologische, sociale en financiële risico’s lopen; is van oordeel dat in voorkomend geval voor psychologische steun moet worden gezorgd, dat juridische bijstand moet worden verleend aan klokkenluiders die hierom vragen en die over onvoldoende middelen beschikken, dat sociale en financiële steun moet worden verleend aan klokkenluiders die een naar behoren gemotiveerd verzoek daartoe indienen en als beschermende maatregel indien een civiele of gerechtelijke procedure tegen de klokkenluider wordt ingesteld, overeenkomstig de nationale wetten en praktijken; voegt daaraan toe dat compensatie moet worden verleend, ongeacht de aard van de schade die de klokkenluider heeft geleden omdat hij een melding heeft gemaakt;

55.  wijst er in dit kader op dat de Europese Ombudsman in het Parlement heeft verklaard dat zij bereid is om te onderzoeken of het mogelijk is om binnen het bureau van de ombudsman een dergelijk orgaan op te richten, en verzoekt de Commissie om te onderzoeken of het haalbaar is om de Europese Ombudsman, die reeds de bevoegdheid heeft om klachten inzake wanbestuur binnen de EU-instellingen te onderzoeken, met deze taken te belasten;

56.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen, in samenwerking met alle relevante instanties, alle noodzakelijke maatregelen in te voeren en te treffen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van de informatiebronnen ter voorkoming van discriminatie of dreigementen, en transparante methoden voor de melding van onregelmatigheden af te bakenen en onafhankelijke nationale instanties in te stellen voor de bescherming van klokkenluiders, alsmede te overwegen speciale middelen ter ondersteuning van klokkenluiders uit te trekken; roept bovendien op tot de instelling van een gecentraliseerde Europese autoriteit voor de doeltreffende bescherming van klokkenluiders en van personen die hen helpen bij hun actie, op het reeds bestaande model van het systeem van gegevensbeschermingsautoriteiten;

57.  verzoekt de Commissie om, met het oog op de doeltreffendheid van deze maatregelen, instrumenten te ontwikkelen die met name zorgen voor bescherming tegen ongerechtvaardigde gerechtelijke vervolging, economische sancties en discriminatie;

58.  verzoekt de lidstaten onafhankelijke instanties op te richten met voldoende begrotingsmiddelen, toereikende deskundigheid en passende specialisten, die bevoegd zijn om meldingen in ontvangst te nemen, de geloofwaardigheid ervan te controleren, het antwoord op te volgen en klokkenluiders bij te staan, met name wanneer een positieve reactie binnen de organisatie uitblijft, alsook hen de weg te wijzen naar passende financiële hulp, met name in grensoverschrijdende situaties of in gevallen waarbij lidstaten of de EU-instellingen rechtstreeks betrokken zijn; stelt voor dat de EU-instellingen een jaarverslag publiceren over de ontvangen meldingen en hun behandeling, met eerbiediging van de vertrouwelijkheidsvereisten van mogelijk lopende onderzoeken;

59.  onderstreept dat toegang moet worden verleend tot de informatie en dat gratis vertrouwelijk advies moet worden verstrekt aan personen die een melding in het algemeen belang overwegen of een onthulling van onrechtmatige of illegale handelingen die het openbaar belang ondermijnen of bedreigen; merkt op dat moet worden nagegaan welke instellingen voor deze informatie en dit advies kunnen instaan en dat de desbetreffende contactgegevens toegankelijk moeten worden gemaakt voor het publiek;

60.  onderstreept dat bovenop het geheel van beschermingsmaatregelen waarvan klokkenluiders kunnen genieten, ook specifieke garanties aan deze klokkenluiders moeten worden geboden inzake hun onthaal, huisvesting en veiligheid in een lidstaat die geen uitleveringsverdrag heeft met het land dat deze daden heeft gepleegd; verzoekt de Commissie om in gevallen waarin uitleveringsverdragen bestaan tussen de Europese Unie en het betreffende derde land en in toepassing van artikel 67, lid 2, van het VWEU inzake het Europees asielbeleid, op te treden in het kader van haar bevoegdheden en alle nodige veiligheidsmaatregelen te nemen ten aanzien van deze klokkenluiders die bijzonder kwetsbaar zijn voor strenge represailles in de landen waar zij de illegale of frauduleuze praktijken hebben bekendgemaakt;

61.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor de oprichting van een soortgelijk orgaan op Europees niveau met voldoende begrotingsmiddelen, toereikende deskundigheid en passende specialisten, voor de coördinatie van de acties van de lidstaten, met name in grensoverschrijdende situaties; is van oordeel dat dit Europese orgaan ook meldingen in ontvangst moet kunnen nemen, de geloofwaardigheid ervan moet kunnen controleren, bindende aanbevelingen moet kunnen doen en de klokkenluiders moet kunnen bijstaan, wanneer de lidstaat of de nationale instanties duidelijk niet adequaat reageren; stelt voor dat de EU-instellingen een jaarverslag publiceren over de ontvangen meldingen en hun behandeling, met eerbiediging van de vertrouwelijkheidsvereisten van mogelijk lopende onderzoeken; is van oordeel dat het mandaat van de Europese Ombudsman met het oog hierop zou kunnen worden uitgebreid;

62.  meent dat een melding, zodra deze als ernstig is erkend, moet leiden tot een passend onderzoek en moet worden gevolgd door passende maatregelen; onderstreept dat de klokkenluider tijdens het onderzoek, de gelegenheid moet krijgen om zijn klacht toe te lichten en bijkomende informatie of bewijzen te verstrekken;

63.  moedigt de lidstaten aan om gegevens, benchmarks en indicatoren met betrekking tot het klokkenluidersbeleid in de publieke en de particuliere sector te ontwikkelen;

64.  roept alle EU-instellingen op zich te buigen over het initiatiefverslag van de Ombudsman van 24 juli 2014, opgesteld overeenkomstig artikel 22 quater van het nieuwe statuut van de ambtenaren, waarin alle EU-instanties wordt verzocht ethisch bewuste mechanismen en rechtskaders met betrekking tot klokkenluiders vast te stellen die rechtstreeks zijn gebaseerd op de interne regels van de diensten van de Ombudsman; herhaalt zijn vaste voornemen om dit te doen;

65.  meent dat klokkenluiders ook het recht zouden moeten hebben om de resultaten van het onderzoek dat op basis van hun onthullingen is verricht, te bestuderen en daarover opmerkingen te maken;

66.  verzoekt de EU-instellingen en andere EU-organen om het goede voorbeeld te geven door onverwijld de richtsnoeren van de Europese Ombudsman toe te passen; verzoekt de Commissie zowel binnen de eigen instelling als in de EU-agentschappen volledig uitvoering te geven aan haar eigen richtsnoeren ter bescherming van klokkenluiders overeenkomstig de amendementen op haar ambtenarenstatuut van 2012; verzoekt de Commissie effectief en op gecoördineerde wijze samen te werken met andere instellingen, onder meer het Europees Openbaar Ministerie, voor de bescherming van klokkenluiders;

67.  wijst erop dat een beter werkend systeem nodig is voor het melden van wanpraktijken in bedrijven, waarmee de efficiëntie van de huidige nationale contactpunten voor de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen wordt aangevuld en verbeterd;

68.  benadrukt dat het onderzoek naar de door klokkenluiders aangekaarte kwesties onafhankelijk en binnen een zo kort mogelijk tijdsbestek moet worden uitgevoerd, waarbij ook de rechten van de bij het onderzoek betrokken personen moeten worden beschermd; onderstreept dat zowel de klokkenluider als de bij het onderzoek betrokken personen gedurende het gehele onderzoek in de gelegenheid moeten worden gesteld om aanvullende argumenten en bewijzen aan te dragen en dat zij op de hoogte moeten worden gehouden van de behandeling van de openbaarmaking;

69.  verwelkomt het feit dat de Commissie eindelijk een meldpunt voor klokkenluiders in het leven heeft geroepen voor personen die informatie over mededinging en kartelovereenkomsten willen doorgeven, maar is van oordeel dat de procedures vereenvoudigd moeten worden en vindt het belangrijk dat er niet te veel klokkenluidersloketten komen;

o
o   o

70.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.
(3) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 89.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0457.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0022.
(6) https://www.unodc.org/documents/treaties/UNCAC/Publications/Convention/08-50027_F.pdf
(7) Zie bijv. zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect en zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie.

Juridische mededeling