Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2114(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0310/2017

Ingediende teksten :

A8-0310/2017

Debatten :

PV 25/10/2017 - 13
CRE 25/10/2017 - 13

Stemmingen :

PV 26/10/2017 - 10.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0418

Aangenomen teksten
PDF 228kWORD 66k
Donderdag 26 oktober 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Het economisch beleid van de eurozone
P8_TA(2017)0418A8-0310/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 over het economisch beleid van de eurozone 2017/2114(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name artikel 121, lid 2, artikel 136 en de protocollen nr. 1 en 2,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2017 over het "Europees semester 2017: landspecifieke aanbevelingen" (COM(2017)0500),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: jaarlijkse groeianalyse 2017(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 februari 2017 getiteld "Europees semester 2017: beoordeling van structurele hervormingen, preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden, en resultaten van diepgaande evaluaties ingevolge Verordening (EU) nr. 1176/2011" (COM(2017)0090),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2017" (COM(2016)0725), de verslagen getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2017" (COM(2016)0728 en "Ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2017 van de Commissie en de Raad" (COM(2016)0729) en de aanbeveling van de Commissie voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2015)0692),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 november 2016 getiteld "Naar een positieve begrotingskoers voor de eurozone" (COM(2016)0727),

–  gezien het verslag van het Europees Begrotingscomité van 20 juni 2017 getiteld "Assessment of the prospective fiscal stance appropriate for the euro area",

–  gezien Occasional Paper nr. 182 van de Europese Centrale Bank van januari 2017 over een begrotingskoers van de eurozone,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 21 maart 2017 over het economisch beleid van de eurozone(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 mei 2017 over de diepgaande evaluaties en de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen voor 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2017 over het afsluiten van de buitensporigtekortprocedures ten aanzien van twee lidstaten en over het economisch en begrotingsbeleid,

–  gezien de Europese economische voorjaarsprognose 2017 van de Commissie van mei 2017,

–  gezien de details in de Eurostat-dataset van 31 mei 2017 over het reële bbp per hoofd van de bevolking, het groeipercentage en de totalen,

–  gezien de OESO-statistieken van 30 november 2016 over totale belastinginkomsten,

–  gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie,

–  gezien de overeenkomst die op 12 december 2015 tijdens de COP21-klimaatconferentie in Parijs is gesloten,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(3),

–  gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied(8),

–  gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone(9),

–  gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit(10),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A8‑0310/2017),

A.  overwegende dat de groei van het bbp in de eurozone volgens de voorspellingen van de Commissie in 2016 1,8 % bedroeg en in 2017 naar verwachting stabiel zal blijven op 1,7 % en op 1,9 % in de hele EU, wat hoger is dan vóór de crisis, maar dat dit nog steeds onvoldoende is en dat er grote verschillen zijn tussen de EU-landen; overwegende dat de particuliere consumptie de afgelopen jaren de belangrijkste groeiaanjager is geweest en dit jaar mogelijk wat zal afzwakken door de stijging van de consumptieprijzen, maar dat de binnenlandse vraag naar verwachting de groeivooruitzichten op middellange termijn zal bevorderen; overwegende dat de groei in de EU nog steeds te laag is om nieuwe banen in de lidstaten te creëren en veel lager ligt dan de voorspelde wereldwijde groei;

B.  overwegende dat het werkloosheidspercentage in de eurozone en in de EU‑28 in april 2017 respectievelijk 9,3 % en 7,8 % bedroeg, de laagste percentages sinds maart 2009 en december 2008, maar nog steeds hoger dan vóór de crisis; overwegende dat de werkloosheidspercentages in de EU-landen nog steeds sterk uiteenlopen, van 3,2 % tot 23,2 %; overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage in de eurozone en in de EU‑28 in april 2017 nog steeds hoog was, namelijk 18,7 %, respectievelijk 16,7 %;

C.  overwegende dat het overheidstekort in de eurozone naar verwachting 1,4 % zal bedragen in 2017 en 1,3 % in 2018, en dat de prestaties van de afzonderlijke lidstaten heterogeen zullen zijn; overwegende dat de staatsschuld in de eurozone naar verwachting 90,3 % van het bbp zal bedragen in 2017 en 89,0 % in 2018;

D.  overwegende dat de wereldwijde economische groei nog broos is en dat de economie van de eurozone wordt geconfronteerd met toegenomen onzekerheid en grote interne en externe politieke uitdagingen;

E.  overwegende dat de te lage productiviteit en het te lage wereldwijde concurrentievermogen van de EU vragen om sociaal evenwichtige structurele hervormingen, aanhoudende begrotingsinspanningen en investeringen in de lidstaten om voor duurzame en inclusieve groei en werkgelegenheid te zorgen en opwaartse convergentie met andere wereldeconomieën en binnen de EU te bewerkstelligen;

F.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in de eurozone in 2016 met 1,4 % is toegenomen; overwegende dat het werkloosheidspercentage in maart 2017 9,5 % bedroeg, terwijl het in maart 2016 nog 10,2 % was; overwegende dat de werkloosheidscijfers ondanks recente verbeteringen nog niet terug zijn op het niveau van vóór de crisis;

G.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in de EU‑28 in 2016 met 1,2 % is toegenomen en dat 234,2 miljoen mensen in het eerste kwartaal van 2017 een baan hadden, het hoogste niveau ooit(11); overwegende dat achter het aanzienlijke aantal gecreëerde banen in samenhang met de economische groei evenwel problemen schuil gaan, zoals een onvolledig herstel van het aantal gewerkte uren en een bescheiden productiviteitsgroei; overwegende dat deze factoren, indien ze blijvend zijn, op de lange termijn de economische groei en de sociale cohesie in de Unie nog meer onder druk kunnen zetten(12);

H.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in het algemeen lager is bij vrouwen: in 2015 bedroeg de arbeidsparticipatie in de leeftijdscategorie 20‑64 in de EU‑28 75,9 % bij mannen tegen 64,3 % bij vrouwen;

I.  overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage in de eurozone in maart 2017 19,4 % bedroeg, tegen 21,3 % in maart 2016; overwegende dat de jeugdwerkloosheid onaanvaardbaar hoog blijft; overwegende dat het NEET-percentage in 2015 nog steeds hoog was en 14,8 % van de jongeren tussen 15 en 29 jaar bedroeg, d.w.z. 14 miljoen jongeren; overwegende dat NEET's de Unie jaarlijks naar schatting 153 miljard EUR (1,21 % van het bbp) aan uitkeringen en gederfde inkomsten en belastingen kosten(13), terwijl de totale kostprijs voor het inrichten van jongerengarantiestelsels in de eurozone wordt geraamd op 21 miljard EUR, d.w.z. 0,22 % van het bbp; overwegende dat thans 1 miljard EUR is uitgetrokken voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, een bedrag dat moet worden aangevuld met 1 miljard EUR uit het Europees Sociaal Fonds voor de periode 2017‑2020;

J.  overwegende dat de langdurige werkloosheid in de EU-28 wel is gedaald van 5 % in 2014 tot 4 % in 2016, maar niettemin een punt van zorg blijft en bijna de helft van de totale werkloosheid uitmaakt; merkt bezorgd op dat het percentage zeer langdurige werkloosheid van 2,5 % in 2016 nog altijd 1 % hoger is dan het percentage van 2008; overwegende dat er nog steeds sprake is van grote verschillen tussen de lidstaten;

K.  overwegende dat de omvang van de bevolking in de werkende leeftijd en de beroepsbevolking in vele lidstaten blijft afnemen, met name als gevolg van de lage geboortecijfers; overwegende dat de inzetbaarheid van vrouwen, evenals de niet-aflatende toestroom van migranten, vluchtelingen en asielzoekers de lidstaten kansen biedt om deze kwestie het hoofd te bieden en de beroepsbevolking in de EU te versterken;

L.  overwegende dat een van de vijf doelstellingen van Europa 2020 erin bestaat het aantal mensen dat zich in een situatie van armoede of sociale uitsluiting bevindt of daarin dreigt terecht te komen, met ten minste 20 miljoen te verminderen; overwegende dat de armoede afneemt, aangezien in 2015 4,8 miljoen minder mensen met armoede of sociale uitsluiting werden bedreigd dan in 2012; overwegende dat het in 2015 nog steeds om 1,6 miljoen meer mensen ging dan in 2008; overwegende dat in 2012 in de EU 32,2 miljoen mensen met een handicap met armoede of sociale uitsluiting werden bedreigd; overwegende dat in 2013 26,5 miljoen kinderen in de EU‑28 met armoede of sociale uitsluiting werden bedreigd; overwegende dat het percentage mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, met 23,7 % nog steeds onaanvaardbaar hoog is, en dat de cijfers in sommige lidstaten erg hoog blijven; overwegende dat de energiearmoede bovendien nog steeds zo hoog is dat zij voor de betrokken 11 % van de EU-bevolking leidt tot een vicieuze cirkel van economische achterstand;

M.  overwegende dat er wat de arbeidsmarktomstandigheden en -prestaties betreft, sprake is van aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten, maar dat deze verschillen afnemen;

N.  overwegende dat nieuwe vormen van werkgelegenheid en arbeid steeds vaker voorkomen als gevolg van de digitale revolutie op de arbeidsmarkt;

1.  is verheugd over de verbeterde prestaties van de Europese economie, die steeds breder gedragen worden, ondersteund door een matige groei van het bbp, die nu boven het niveau van vóór de crisis ligt, en afnemende, zij het nog steeds hoge, werkloosheidspercentages; is van mening dat deze positieve tendens het gevolg is van het beleid van de afgelopen jaren; merkt evenwel op dat het bescheiden herstel broos blijft en ongelijk verdeeld is over de samenleving en de regio's, terwijl de ontwikkeling van het bbp per hoofd van de bevolking vrijwel stagneert; betreurt dat de economische ontwikkelingen last blijven ondervinden van de nasleep van de crisis; merkt op dat de schuldenniveaus in veel lidstaten, hoewel er veel vooruitgang is geboekt, nog steeds hoger zijn dan de in het stabiliteits- en groeipact vermelde maxima;

2.  stelt met bezorgdheid vast dat de groei van het bbp en de productiviteit achterblijft bij het volledige potentieel en onderstreept dat we dus niet zelfgenoegzaam mogen worden en dat dit bescheiden herstel betekent dat we onze inspanningen onverminderd moeten voortzetten om door middel van meer groei en banen voor grotere veerkracht en duurzaamheid op de middellange tot lange termijn te zorgen;

3.  merkt op dat Europa onaangeboord economisch potentieel herbergt, maar dat de groei en de werkgelegenheid zich in ongelijke mate ontwikkelen; onderstreept dat dit het gevolg is van de heterogene prestaties van de economieën van de lidstaten; benadrukt dat de uitvoering van sociaal evenwichtige structurele hervormingen en meer openbare en particuliere investeringen in de lidstaten en op EU-niveau kunnen zorgen voor ten minste 1 % meer groei; herinnert eraan dat de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid met het oog op convergentie en stabiliteit in de EU een topprioriteit van het Europees semester moet blijven;

4.  is van mening dat er ook een grotere mate van opwaartse convergentie en algemeen concurrentievermogen nodig zou zijn om het economisch herstel in de EU en in de eurozone op langere termijn vol te houden; is van mening dat de bestaande economische en werkgelegenheidsindicatoren van cruciaal belang zijn om voor duurzame en inclusieve groei te zorgen;

5.  is van mening dat daartoe de structurele omstandigheden voor groei moeten worden verbeterd; is van mening dat de potentiële groei van alle lidstaten op lange termijn moet toenemen tot ten minste 3 %; daartoe moet er meer aandacht worden besteed aan economische convergentie, waarbij de vaststelling van duidelijke benchmarks voor hoe de potentiële groei van de lidstaten kan worden verbeterd, de nodige leidraad kan bieden voor beleidsmaatregelen; wijst erop dat bij een dergelijke regelmatige benchmarking voldoende rekening moet worden gehouden met de afzonderlijke structurele sterke en zwakke punten van de lidstaten, en moet worden gestreefd naar inclusieve en duurzame groei; de benchmarking moet gebieden als de digitale economie, de dienstensector en de energiemarkt omvatten, maar ook de kwaliteit van de openbare diensten, de investeringsvoorwaarden en de inclusiviteit en vooruitziendheid van de onderwijsstelsels;

6.  benadrukt dat dit een aanvulling zou vormen op de huidige inspanningen om de kwaliteit en het beheer van de nationale begrotingen te verbeteren door groeibevorderende factoren aan te pakken overeenkomstig de begrotingsregels van de EU en met volledige inachtneming van de bestaande flexibiliteitsbepalingen;

Structuurbeleid

7.  is van mening dat de ongelijke groei en werkgelegenheidssituatie in de eurozone een betere coördinatie van economische beleidsmaatregelen vereisen, met name door beter en consistent nationaal ownership en een degelijke uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen, ook met het oog op de bevordering van opwaartse convergentie, onder meer door een betere toepassing en naleving van het EU‑recht; benadrukt dat bij hervormingen naar behoren rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie en uitdagingen in elke lidstaat; vraagt de Commissie te zorgen voor samenhang tussen de structurele hervormingen en de EU‑uitgaven; herinnert aan het belang van technische bijstand om de lidstaten te helpen capaciteit op te bouwen en te convergeren, en is van mening dat een op partnerschap gebaseerde aanpak kan zorgen voor meer verantwoording en ownership van de resultaten van de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen;

8.   merkt op dat de jeugdwerkloosheid in de landen van de eurozone nog steeds te hoog is, en wijst erop dat een hoge en aanhoudende jeugdwerkloosheid een structureel risico op lange termijn vormt; is het ermee eens dat de aanpak van de nasleep van de crisis, zoals langdurige werkloosheid, werkgelegenheid waarbij niet ten volle gebruik wordt gemaakt van vaardigheden en bekwaamheden, vergrijzende samenlevingen en hoge particuliere en overheidsschulden, een urgente prioriteit blijft, die noopt tot duurzame en inclusieve hervormingen;

9.  is van mening dat de nasleep van de crisis, zoals hoge schulden en werkloosheid in een aantal sectoren van de economie, nog steeds in de weg staat van duurzame groei en potentiële systemische risico's inhoudt; dringt er bij de lidstaten op aan buitensporige schuldenniveaus te verminderen; vreest in dit verband dat het aanhoudend hoge niveau van oninbare leningen in sommige lidstaten aanzienlijke spill-overeffecten kan hebben van de ene lidstaat naar de andere en tussen banken en overheden, waardoor dit een risico vormt voor de financiële stabiliteit in Europa; merkt op dat de kapitaalbuffers in de financiële sector zijn versterkt, maar dat er uitdagingen ontstaan als gevolg van een lage winstgevendheid in combinatie met een hoog niveau van oninbare leningen; is ervan overtuigd dat een strategie op EU-niveau voor het omgaan met oninbare leningen een meer omvattende oplossing zou bieden, met een mix van complementaire beleidsmaatregelen, in voorkomend geval op nationaal en op Europees niveau;

10.  is van mening dat hervormingen en initiatieven ter verbetering van het ondernemingsklimaat noodzakelijk zijn om de productiviteit, het prijsgebonden en niet‑prijsgebonden concurrentievermogen, de investeringen en de werkgelegenheid in de eurozone te stimuleren; is van mening dat er extra inspanningen nodig zijn om de toegang van kmo's tot financiering te bevorderen, wat voor ondernemingen een cruciale factor is om te innoveren en uit te breiden; benadrukt in dit verband het belang van toekomstgerichte hervormingen die aan de aanbod- en vraagzijde aangepast zijn;

11.  is van mening dat goed functionerende en productieve arbeidsmarkten, in combinatie met een adequaat niveau van sociale bescherming en dialoog, bijdragen tot meer werkgelegenheid en duurzame groei; onderstreept dat het van belang is de hoge arbeidsparticipatie te handhaven waar die al is bereikt; merkt op dat ook een tekort aan vaardigheden, de vergrijzende samenleving en een aantal andere uitdagingen een verdere groei van de werkgelegenheid en een verlaging van het werkloosheidspercentage in de lidstaten bemoeilijken;

12.  benadrukt het belang van een verantwoorde loonontwikkeling die bevorderlijk is voor groei en in een fatsoenlijke levensstandaard voorziet, in overeenstemming met de productiviteit en rekening houdend met het concurrentievermogen; neemt er nota van dat de loonstijging naar verwachting relatief laag zal zijn; is van mening dat een hogere productiviteit een primaire doelstelling van de structurele hervormingen moet zijn; is het met de Commissie eens dat er ruimte is voor loonsverhogingen die positieve gevolgen voor de totale consumptie kunnen hebben;

13.  benadrukt dat de belastingniveaus ook het concurrentievermogen, investeringen en banencreatie moeten ondersteunen; dringt aan op belastinghervormingen teneinde de belastinginning te verbeteren, belastingontwijking en ‑ontduiking en agressieve belastingplanning te voorkomen en de hoge belastingdruk op arbeid in Europa aan te pakken, met waarborging van de houdbaarheid van socialezekerheidsstelsels; is van mening dat het verlagen van de belastingdruk op arbeid de werkgelegenheid zou doen toenemen en groei zou bevorderen; benadrukt dat belastingstimulansen, indien mogelijk, onder meer door lagere belastingen, de binnenlandse vraag, de sociale zekerheid, investeringen en werkgelegenheid kunnen ondersteunen;

Investeringen

14.  is het ermee eens dat de economische opleving moet worden ondersteund door openbare en particuliere investeringen, met name in innovatie, en merkt op dat er in de eurozone nog steeds sprake is van een investeringskloof; is verheugd dat de investeringen in sommige lidstaten al het niveau van vóór de crisis overstijgen, en betreurt dat in andere lidstaten de investeringen achterblijven of niet genoeg op snelheid komen; benadrukt dat er verdere inspanningen nodig zijn om iets te doen aan het tekort aan investeringen dat sinds het begin van de crisis is opgelopen;

15.  is van mening dat hervormingen die knelpunten voor openbare en particuliere investeringen uit de weg ruimen, onmiddellijke steun voor economische activiteiten mogelijk maken en tegelijk de voorwaarden helpen scheppen voor duurzame groei op lange termijn; wijst erop dat investeringen in onderwijs, innovatie en onderzoek en ontwikkeling een betere aanpassing aan de kenniseconomie mogelijk zouden maken; benadrukt voorts dat de voltooiing van de kapitaalmarktenunie een cruciale factor is om investeringen aan te trekken en te verhogen en om de financiering van groei en banen te verbeteren;

16.  is van mening dat onderzoek, technologie en onderwijs van vitaal belang zijn voor de economische ontwikkeling van de eurozone op de lange termijn; wijst op de verschillen tussen de lidstaten wat investeringen op die gebieden betreft, en wijst erop dat investeringen aan de ontwikkeling van innovatie zouden bijdragen en een betere aanpassing aan de kenniseconomie mogelijk zouden maken, overeenkomstig de Europa 2020-strategie;

17.  is verheugd dat het tijdige akkoord over het herziene Europese Fonds voor strategische investeringen (EFSI) zal helpen om de doeltreffendheid van dit instrument te verbeteren en de tekortkomingen die tot nu toe bij de uitvoering ervan zijn vastgesteld, te verhelpen door de financiering van meer projecten met een groot potentieel te vergemakkelijken, voor een strikte handhaving van de additionaliteit te zorgen en de geografische dekking en benutting te vergroten, en zo investeringen ondersteunt die anders niet zouden zijn gerealiseerd;

18.  merkt op dat de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) andere doelstellingen hebben dan het EFSI en dat zij dus nog steeds van belang zijn, onder meer voor de ondersteuning van duurzame structurele hervormingen;

19.  benadrukt dat een volledig functionerende kapitaalmarktenunie op langere termijn nieuwe financiering kan verstrekken aan kmo's, in aanvulling op de bankensector; benadrukt dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie vormen en is daarom van mening dat een van de grootste prioriteiten erin moet bestaan hen meer toegang tot financiering te bieden en iets te doen aan de bedrijfsonzekerheid met hun activiteiten die gepaard gaat, teneinde het concurrentievermogen in de eurozone te verbeteren; benadrukt dat de administratieve rompslomp moet worden verminderd en dat overheidsdiensten moeten worden gestroomlijnd en efficiënter moeten werken;

Begrotingsbeleid

20.  is van mening dat een prudent en vooruitziend begrotingsbeleid een fundamentele rol speelt voor de stabiliteit van de eurozone en de EU als geheel; benadrukt dat een sterke coördinatie van het begrotingsbeleid en een correcte uitvoering en naleving van de EU-regels ter zake, waaronder de volledige inachtneming van de bestaande flexibiliteitsbepalingen, een wettelijk vereiste zijn en van groot belang zijn voor de goede werking van de economische en monetaire unie (EMU);

21.  is in dit verband verheugd dat de overheidsfinanciën zich lijken te verbeteren en dat de overheidstekorten in de eurozone naar verwachting zullen afnemen; de inspanningen om de schuldenlast te verminderen, moeten echter worden voortgezet en tegelijkertijd moet economische groei worden bevorderd om te voorkomen dat de lidstaten kwetsbaar zijn voor externe schokken;

22.  is het met de Commissie eens dat de staatsschuld in sommige lidstaten hoog blijft en dat de overheidsfinanciën houdbaar moeten worden gemaakt, terwijl ook economische groei en werkgelegenheid moeten worden bevorderd; wijst er in dit verband op dat lage rentebetalingen, soepel monetair beleid, eenmalige maatregelen en andere factoren die de huidige schuldenlast verlagen, slechts tijdelijk zijn, en benadrukt daarom dat de overheidsfinanciën houdbaar moeten worden gemaakt, dat er ook rekening moet worden gehouden met toekomstige verplichtingen en dat er naar groei op lange termijn moet worden gestreefd; wijst erop dat de kosten van schuldaflossing misschien zullen stijgen; onderstreept dat het belangrijk is om het totale schuldenniveau te verminderen;

23.  benadrukt dat het begrotingsbeleid op nationaal niveau en op het niveau van de eurozone een evenwicht moet vinden tussen enerzijds de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn, in volledige overeenstemming met het stabiliteits- en groeipact en met inachtneming van de daarin vervatte flexibiliteitsbepalingen, en anderzijds met macro-economische stabilisatie op korte termijn;

24.  wijst erop dat de huidige samengestelde begrotingskoers voor de euro in 2016 over het algemeen neutraal is en in 2017 naar verwachting ook neutraal zal blijven; herinnert eraan dat de Commissie in haar mededeling van 2016 om een positieve begrotingskoers vroeg, terwijl de Eurogroep, na te hebben geconcludeerd dat in 2017 met de over het algemeen neutrale begrotingskoers een passend evenwicht is gevonden, is overeengekomen om het belang te onderstrepen van een passend evenwicht tussen de noodzaak om houdbaarheid te waarborgen en de noodzaak om investeringen te ondersteunen teneinde het herstel te versterken en zo bij te dragen tot een evenwichtiger beleidsmix; neemt in dit verband nota van de eerste beoordeling van de prospectieve begrotingskoers die passend is voor de eurozone door het Europees Begrotingscomité (EFB) van 20 juni 2017; vraagt de Commissie en de lidstaten een begrotingskoers te overwegen die op de respectieve omstandigheden is afgestemd;

25.  benadrukt evenwel dat in het geaggregeerde beeld ook rekening moet worden gehouden met de heterogene situatie in de verschillende lidstaten en met de noodzaak om onderscheid te maken in het begrotingsbeleid waaraan elke lidstaat behoefte heeft; benadrukt dat het concept van een geaggregeerde begrotingskoers niet inhoudt dat overschotten en tekorten in verschillende lidstaten tegen elkaar kunnen worden weggestreept;

Landspecifieke aanbevelingen

26.  stelt vast dat de lidstaten in de loop der tijd ten minste "enige vooruitgang" hebben geboekt met twee derde van de aanbevelingen van 2016; is echter van oordeel dat de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen nog steeds te traag verloopt, hetgeen het convergentieproces in de eurozone belemmert; is van mening dat de lidstaten de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van het niet uitvoeren van de landspecifieke aanbevelingen dragen, en verwacht dan ook meer inzet van de lidstaten om de noodzakelijke beleidsmaatregelen te nemen op basis van de overeengekomen landspecifieke aanbevelingen;

27.  erkent dat de lidstaten vooruitgang hebben geboekt met de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen op het gebied van het begrotingsbeleid en actief arbeidsmarktbeleid, maar stelt vast dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt op gebieden als de mededinging in de dienstensector en het ondernemingsklimaat; verwacht een grotere inzet van de lidstaten om de noodzakelijke beleidsmaatregelen te nemen op basis van de landspecifieke aanbevelingen, waarvan de uitvoering van cruciaal belang is om de onevenwichtigheden in de eurozone aan te pakken;

28.  is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie om de buitensporigtekortprocedures ten aanzien van verscheidene lidstaten af te sluiten; is ingenomen met de eerdere en lopende begrotings- en hervormingsinspanningen waardoor die lidstaten uit de buitensporigtekortprocedure zijn geraakt, maar benadrukt dat deze inspanningen moeten worden voortgezet om ervoor te zorgen dat de overheidsfinanciën ook op lange termijn houdbaar blijven, terwijl groei en banencreatie worden bevorderd; verzoekt de Commissie toe te zien op de correcte uitvoering van het stabiliteits- en groeipact door de regels ervan op consistente wijze toe te passen;

29.  merkt op dat twaalf lidstaten te maken hebben met macro-economische onevenwichtigheden van verschillende aard en ernst, terwijl er in zes lidstaten buitensporige onevenwichtigheden bestaan; neemt nota van de conclusie van de Commissie dat er momenteel geen gronden zijn om verdere stappen te ondernemen in de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden voor een lidstaat;

30.  benadrukt dat de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden tot doel heeft onevenwichtigheden binnen de lidstaten te voorkomen teneinde negatieve spill‑overeffecten naar andere lidstaten te vermijden;

31.  acht het daarom essentieel dat alle lidstaten de nodige beleidsmaatregelen nemen om macro-economische onevenwichtigheden, met name hoge schuldenniveaus en overschotten op de lopende rekening en onevenwichtigheden op het gebied van concurrentievermogen, aan te pakken en zich te verbinden tot sociaal evenwichtige en inclusieve structurele hervormingen die de economische duurzaamheid van elke afzonderlijke lidstaat waarborgen, zodat het totale concurrentievermogen en de veerkracht van de Europese economie worden gewaarborgd;

Sectorale bijdragen aan het verslag over het economisch beleid van de eurozone

Werkgelegenheids- en sociaal beleid

32.  is van mening dat er permanent inspanningen moeten worden geleverd om een evenwicht tussen de economische en de sociale dimensie van het Europees semester te vinden en sociaal en economisch evenwichtige structurele hervormingen te bevorderen die de ongelijkheid verminderen en leiden tot behoorlijke banen, in het kader van hoogwaardige werkgelegenheid, duurzame groei en sociale investeringen; is het ermee eens dat het sociale scorebord wordt gebruikt in het kader van het Europees semester; pleit ervoor dat er in de landspecifieke aanbevelingen meer aandacht wordt besteed aan structurele onevenwichtigheden op de arbeidsmarkt;

33.  herhaalt de oproep om de drie nieuwe kernindicatoren inzake werkgelegenheid op een gelijk niveau met bestaande economische indicatoren te brengen, teneinde ervoor te zorgen dat interne onevenwichtigheden beter worden beoordeeld en structurele hervormingen doeltreffender worden; stelt voor om een niet-punitieve procedure voor sociale onevenwichtigheden in de landspecifieke aanbevelingen op te nemen om een neerwaartse spiraal op het gebied van sociale normen te voorkomen, uitgaande van een doeltreffend gebruik van de sociale en werkgelegenheidsindicatoren in het macro-economische toezicht; wijst erop dat de ongelijkheid in circa tien lidstaten is toegenomen en een van de grootste sociaal-economische problemen in de EU is(14);

34.  wijst erop dat sociaal verantwoorde hervormingen gebaseerd moeten zijn op solidariteit, integratie en sociale rechtvaardigheid; benadrukt dat bij de hervormingen ook rekening moet worden gehouden met aanhoudende steun voor sociaal en economisch herstel, het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid, stimulering van sociale en territoriale cohesie, bescherming van kwetsbare groepen en het verbeteren van de levensomstandigheden van alle burgers;

35.  is van mening dat het Europees semester niet alleen moet bijdragen aan de aanpak van bestaande, maar ook opkomende maatschappelijke uitdagingen, teneinde te zorgen voor meer economische efficiëntie en meer sociale cohesie in de EU; erkent in dit verband de noodzaak van een beoordeling van de sociale gevolgen van het EU-beleid;

36.  verzoekt de Commissie voor adequate financiering te zorgen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, die in de EU nog steeds onaanvaardbaar hoog is, en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voort te zetten na het einde van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) en tegelijkertijd de werking en uitvoering ervan te verbeteren, een en ander met inachtneming van de laatste bevindingen in het speciaal verslag van de Rekenkamer over jeugdwerkloosheid en het gebruik van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt de lidstaten de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer ten uitvoer te leggen en ervoor te zorgen dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief volledig toegankelijk is; betreurt de verschuiving van begrotingsmiddelen uit de begroting van het Europees Sociaal Fonds (ESF), met inbegrip van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, naar het Europees solidariteitskorps, dat in plaats hiervan gefinancierd moet worden met alle financiële middelen die beschikbaar zijn in het kader van de huidige MFK-verordening; benadrukt dat er een kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de gecreëerde banen moet plaatsvinden; benadrukt dat EU-financiering niet mag worden gebruikt om nationale socialezekerheidsuitkeringen te vervangen;

37.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie moet worden versterkt op nationaal, regionaal en lokaal niveau en wijst op het belang ervan voor de overgang van school naar werk; benadrukt dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar jonge vrouwen en meisjes, die mogelijk worden geconfronteerd met gendergerelateerde belemmeringen en daardoor geen degelijk aanbod voor werk, voortgezette opleiding, leerlingplaats of stage krijgen; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat de jongerengarantie jongeren bereikt die met meervoudige uitsluiting en extreme armoede te kampen hebben;

38.  verzoekt de lidstaten de voorstellen in de aanbeveling van de Raad van 15 februari 2016 betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(15) ten uitvoer te leggen;

39.  is van oordeel dat de reikwijdte, efficiëntie en doeltreffendheid van een actief en duurzaam arbeidsmarktbeleid moeten worden vergroot door middel van behoorlijke en adequate financiering, waarbij de nadruk ligt op bescherming van het milieu, werkgevers, werknemers, de gezondheid en consumenten; is van mening dat het verschijnsel armoede onder werkenden moet worden aangepakt;

40.  betreurt dat de Commissie in haar pakket beoordelingen/aanbevelingen geen aandacht heeft besteed aan de sociale economie; wijst erop dat deze sector 2 miljoen bedrijven telt die meer dan 14 miljoen mensen in dienst hebben en bijdragen tot de verwezenlijking van de 2020‑doelstellingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de ondernemingen van de sociale economie meer zichtbaarheid en erkenning te geven middels een Europees actieplan voor de sociale economie; is van mening dat dit gebrek aan erkenning hun toegang tot financiering negatief beïnvloedt; verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een Europees statuut voor verenigingen, stichtingen en onderlinge maatschappijen;

41.  herinnert eraan dat de sociale dialoog, collectieve onderhandelingen en de positie van werknemers in loonvormingssystemen moeten worden ondersteund en verbeterd, omdat zij een cruciale rol spelen bij de totstandbrenging van hoogwaardige arbeidsomstandigheden; benadrukt dat het arbeidsrecht en hoge sociale normen een essentiële rol spelen in de sociale markteconomie, door het ondersteunen van het inkomensniveau en het aanmoedigen van investeringen in capaciteit; benadrukt dat in het EU-recht de rechten en vrijheden van vakbonden moeten worden geëerbiedigd, collectieve overeenkomsten moeten worden nageleefd overeenkomstig de praktijken in de lidstaten en gelijke behandeling in arbeid en beroep moet worden gegarandeerd;

42.  verzoekt de Commissie voort te bouwen op de resolutie van het Europees Parlement door ambitieuze voorstellen in te dienen voor een sterke Europese pijler van sociale rechten en door de sociale doelstellingen van de Verdragen ten volle na te streven, om ieders levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren en iedereen goede kansen te bieden;

43.  waarschuwt voor het slinkend loonaandeel in de EU, de steeds grotere loon- en inkomensongelijkheden en de toenemende armoede onder werkenden; herinnert eraan dat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN van 1948 en in het Statuut van de IAO van 1919 wordt erkend dat werkenden een fatsoenlijk loon moeten krijgen, en dat alle mensenrechtenverklaringen het erover eens zijn dat een loon toereikend moet zijn om een gezin te onderhouden;

44.  benadrukt dat een loon werkenden in staat moet stellen te voldoen aan hun behoeften en die van hun gezin, en dat alle werkenden in de Europese Unie over een fatsoenlijk loon moeten beschikken dat niet alleen voorziet in de basisbehoeften van voeding, onderdak en kleding, maar ook toereikend is om gezondheidszorg, onderwijs, vervoer en recreatie te dekken en wat te kunnen sparen om onvoorziene gebeurtenissen zoals ziekte en ongevallen te kunnen opvangen; benadrukt dat dit de fatsoenlijke levensstandaard is waarin een fatsoenlijk loon voor werkenden en hun gezin in de EU moet voorzien;

45.  verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe moet worden bepaald wat een fatsoenlijk loon zou kunnen omvatten en hoe dit moet worden gemeten, om een referentie-instrument te bepalen voor de sociale partners, en een bijdrage te leveren aan de uitwisseling van goede praktijken op dit gebied;

46.  herinnert eraan dat fatsoenlijke lonen niet alleen van belang zijn voor de sociale cohesie, maar ook om te zorgen voor een sterke economie en een productieve werkende bevolking; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen in te voeren om de kwaliteit van banen te verbeteren en de loonverschillen terug te dringen;

47.  wijst erop dat de socialezekerheidsstelsels, waarvoor de lidstaten verantwoordelijk zijn, op Europees niveau voortdurend beter moeten worden gecoördineerd; benadrukt dat het van prioritair belang is de houdbaarheid en de billijkheid van de socialezekerheidsstelsels te waarborgen, aangezien dit centrale pijlers zijn van het Europees sociaal model; wijst erop dat adequate, houdbare pensioenen een universeel recht zijn; verzoekt de lidstaten te zorgen voor toereikende en duurzame pensioenen met het oog op de voortdurende demografische veranderingen; benadrukt dat pensioenregelingen moeten voorzien in een adequaat pensioeninkomen dat boven de armoedegrens ligt en waarmee gepensioneerden een behoorlijke levensstandaard kunnen handhaven; is van mening dat de beste manier om duurzame, zekere en toereikende pensioenen voor vrouwen en mannen te garanderen, erin bestaat te zorgen voor een verhoging van de totale arbeidsparticipatie en van het beschikbare aantal behoorlijke banen voor alle leeftijdsgroepen en voor een verbetering van de arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden; wijst erop dat de verschillen in pensioen tussen mannen en vrouwen aanzienlijk blijven en negatieve sociale en economische gevolgen hebben; wijst er in verband hiermee op dat de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt en andere adequate maatregelen ter bestrijding van het loonverschil tussen mannen en vrouwen en armoede onder ouderen belangrijk zijn; is van mening dat hervormingen van pensioenstelsels en met name de pensioenleeftijd ook moeten aan sluiten bij de trends op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de gezondheids- en welvaartsituatie, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio;

48.  is van mening dat bij deze hervormingen ook rekening moet worden gehouden met de situatie van miljoenen werkenden in Europa, met name van vrouwen, jongeren en zelfstandigen, die worden geconfronteerd met onzeker werk, perioden van onvrijwillige werkloosheid en verminderde arbeidsduur;

49.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te blijven besteden aan de verbetering van kinderopvangdiensten en flexibele werktijdregelingen, en aan de behoeften van oudere mannen en vrouwen en andere afhankelijke personen op het gebied van langdurige zorg;

50.  benadrukt het feit dat ontoereikende en niet naar behoren afgestemde investeringen in de ontwikkeling van vaardigheden en een leven lang leren, met name op het gebied van digitale vaardigheden en programmering en andere vaardigheden die nodig zijn in groeisectoren, bijvoorbeeld de groene economie, de concurrentiepositie van de Unie kunnen ondermijnen; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een betere uitwisseling van kennis, beste praktijken en samenwerking op het niveau van de EU, om de ontwikkeling van vaardigheden te helpen stimuleren door het actualiseren van kwalificaties en het corresponderende onderwijs, opleidingsprogramma’s en curricula; wijst op het belang van vaardigheden en competenties die zijn verworven in niet-formele en informele leeromgevingen; benadrukt daarom dat het belangrijk is een valideringssysteem in te stellen voor niet-formele en informele vormen van kennis, in het bijzonder kennis die door vrijwilligersactiviteiten is verworven;

51.  is van mening dat een betere afstemming van vaardigheden en een betere wederzijdse erkenning van kwalificaties noodzakelijk zijn om tekorten aan vaardigheden en discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden aan te pakken; wijst op de rol die beroepsonderwijs en ‑opleiding en leerlingplaatsen hierin kunnen spelen; verzoekt de Commissie een pan-Europees prognose-instrument voor de behoeften op het gebied van vaardigheden te ontwikkelen, inclusief de vaardigheden die nodig zijn in groeiende sectoren; is van mening dat alle belanghebbenden op de arbeidsmarkt daarbij op alle niveaus nauw moeten worden betrokken teneinde te kunnen anticiperen op toekomstige behoeften aan vaardigheden;

52.  dringt er bij de Commissie op aan alle passende mechanismen ter bevordering van de mobiliteit van jongeren, met inbegrip van leerlingplaatsen, in te voeren; verzoekt de lidstaten het leerlingwezen te ondersteunen en de beschikbare Erasmus+-middelen voor studenten ten volle te benutten om de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van dit soort scholing te waarborgen; vraagt een betere tenuitvoerlegging van de EURES-verordening; benadrukt dat de programma's een groter bereik en effect zouden hebben door betere samenwerking tussen overheidsdiensten en belanghebbenden op lokale niveaus en door betere synergieën tussen de overheidsniveaus;

53.  is van mening dat de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs moeten worden verbeterd; herinnert eraan dat het de taak van de lidstaten is om een betaalbare toegang tot onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit te waarborgen, ongeacht de behoeften van de arbeidsmarkt in de hele EU; stelt vast dat er in vele lidstaten grotere inspanningen nodig zijn om de beroepsbevolking op te leiden, onder meer via mogelijkheden voor volwassenenonderwijs en beroepsopleiding; legt bijzondere nadruk op een leven lang leren, ook voor vrouwen, aangezien dit een kans op bijscholing biedt op een continu veranderende arbeidsmarkt; pleit ervoor STEM-vakken ("science, technology, engineering and mathematics"; wetenschap, technologie, techniek en wiskunde) gericht te blijven aanprijzen bij meisjes om bestaande onderwijsstereotypen aan te pakken en de reeds lang bestaande kloven op het gebied van arbeidsparticipatie, loon en pensioen te bestrijden;

54.  benadrukt dat er zo vroeg mogelijk in de levenscyclus in mensen moet worden geïnvesteerd, om zo ongelijkheid te verminderen en sociale inclusie reeds op jonge leeftijd te bevorderen; wenst daarom dat alle kinderen in alle lidstaten toegang krijgen tot hoogwaardige, inclusieve en betaalbare voor- en vroegschoolse educatie en opvang; beklemtoont eveneens dat stereotypen van jongs af aan op school moeten worden bestreden door de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle onderwijsniveaus te bevorderen; moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan de aanbeveling inzake investeren in kinderen volledig ten uitvoer te leggen en de voortgang ervan nauwlettend te volgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten initiatieven te ontwikkelen en in te voeren, zoals een kindergarantie, waarbij kinderen een centrale plaats krijgen in het bestaande armoedebestrijdingsbeleid;

55.  benadrukt dat er ingrijpende veranderingen zullen plaatsvinden op de arbeidsmarkt als gevolg van de opkomst van kunstmatige intelligentie; roept de lidstaten en de Commissie op in samenwerking met de sociale partners instrumenten en samenwerkingsinitiatieven te ontwikkelen om de vaardigheden in deze sector te versterken door middel van voorbereidende, initiële en permanente opleiding;

56.  verzoekt, met het oog hierop en om een evenwicht te realiseren tussen werk en privéleven, om aandacht te besteden aan flexizekerheidsregelingen, met inbegrip van telewerken en flexibele werktijden, in overleg met de sociale partners;

57.  benadrukt het belang van investeringen in menselijk kapitaal, een drijvende kracht achter ontwikkeling, concurrentievermogen en groei;

58.  benadrukt dat een beter evenwicht tussen werk en privéleven en meer gendergelijkheid van essentieel belang zijn om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te ondersteunen; benadrukt het feit dat het voor de economische positie van vrouwen belangrijk is dat de arbeidsmarkt en de socialezekerheidsstelsels worden hervormd en aangepast aan de levensloop van vrouwen;

59.  is ingenomen met het voorstel voor de richtlijn betreffende evenwicht tussen werk en privéleven en beschouwt dit als een positieve eerste stap in de richting van het waarborgen van het evenwicht tussen werk en privéleven van mannen en vrouwen die voor hun kinderen en andere hulpbehoevenden zorgen en het vergroten van de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt; benadrukt het feit dat het waarborgen van een passende vergoeding en een solide sociale zekerheid en bescherming van essentieel belang is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hervormingsmaatregelen te ontwikkelen en te investeren in bewustmakingscampagnes om genderstereotypen uit te bannen en een gelijkere verdeling van huishoudelijke en zorgtaken te bevorderen, waarbij tevens wordt erkend dat mannen zorgverantwoordelijkheden op zich moeten kunnen nemen zonder te worden gestigmatiseerd of gestraft;

61.  vraagt de lidstaten om proactief beleid en passende investeringen in te voeren die bedoeld en ontworpen zijn om vrouwen en mannen die na een periode in gezins- en zorggerelateerde verlofstelsels toetreden tot de arbeidsmarkt, ernaar terugkeren en aan het werk blijven te ondersteunen met duurzame en kwaliteitsvolle werkgelegenheid, in overeenstemming met artikel 27 van het Europees Sociaal Handvest;

62.  roept de lidstaten ertoe op om betere bescherming te bieden tegen discriminatie en onrechtmatig ontslag in verband met de combinatie van werk en privéleven; roept in dit verband de Commissie en de lidstaten op om beleid voor te stellen voor betere handhaving van antidiscriminatiemaatregelen op het werk, onder andere door de wettelijke rechten inzake gelijke behandeling beter bekend te maken door informatiecampagnes te houden, de bewijslast om te keren en de nationale gelijkheidsorganen de mogelijkheid te bieden op eigen initiatief formele onderzoeken met betrekking tot gelijkheidskwesties uit te voeren en mogelijke slachtoffers van discriminatie te helpen;

63.  benadrukt het feit dat de integratie van langdurig werklozen met behulp van persoonsgerichte maatregelen essentieel is om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden en uiteindelijk zal bijdragen tot de houdbaarheid van de nationale socialezekerheidsstelsels; acht deze integratie nodig, gezien de sociale omstandigheden waarin deze burgers leven en hun behoeften inzake een toereikend inkomen, adequate huisvesting, openbaar vervoer, gezondheidszorg en kinderopvang; benadrukt dat er een betere monitoring op Europees niveau nodig is van de beleidsmaatregelen die op nationaal niveau ten uitvoer worden gelegd;

64.  benadrukt dat het belangrijk is nieuwe vormen van werk en werkgelegenheid te begrijpen en er vergelijkbare gegevens over te verzamelen, om de arbeidsmarktwetgeving efficiënter te maken en uiteindelijk de werkgelegenheid en duurzame groei te vergroten;

65.  verzoekt om een geïntegreerde anti-armoedestrategie om de armoededoelstelling van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken; benadrukt de rol van de minimuminkomensregelingen van de lidstaten bij het terugdringen van armoede, met name wanneer zij vergezeld gaan van maatregelen voor sociale inclusie, waaraan de begunstigden deelnemen; verzoekt de lidstaten te werken aan de geleidelijke verwezenlijking van minimuminkomensregelingen die niet alleen toereikend zijn, maar waarbij ook voldoende dekking en benutting wordt gegarandeerd; verstaat onder een toereikend minmuminkomen een inkomen dat onontbeerlijk is om gedurende het hele leven waardig te leven en volledig aan de samenleving deel te nemen; wijst erop dat een minimuminkomen, om toereikend te zijn, boven de armoedegrens moet liggen om tegemoet te komen aan de fundamentele behoeften van personen, met inbegrip van niet-monetaire aspecten zoals toegang tot onderwijs en een leven lang leren, fatsoenlijke huisvesting, hoogwaardige gezondheidszorg, sociale activiteiten en maatschappelijke participatie;

66.  verzoekt om een efficiënter, gerichter en zorgvuldiger gecontroleerd gebruik van de ESI-fondsen door nationale, regionale en lokale autoriteiten om investeringen in hoogwaardige sociale, gezondheids- en onderwijsdiensten en diensten voor arbeidsvoorziening te bevorderen en energiearmoede, toenemende kosten van levensonderhoud, sociale uitsluiting, woningnood en de ontoereikende kwaliteit van het woningbestand te bestrijden;

67.  verzoekt de Commissie de lidstaten te helpen bij het vaststellen van specifieke investeringsprogramma's voor hun regio's waar de werkloosheid, jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid hoger zijn dan 30 %;

68.  verzoekt de Commissie de volgende voorjaarsbijeenkomst van de Raad te wijden aan sociale investeringen in de sectoren waarvoor er sterke aanwijzingen zijn dat zij bevorderlijk zijn voor sociale en economische winst (bijv. opvang en onderwijs voor jonge kinderen, lager en middelbaar onderwijs, opleiding en actief arbeidsmarktbeleid, betaalbare en sociale huisvesting en gezondheidszorg);

69.  pleit voor een agenda waarin meer aandacht wordt gegeven aan het standpunt van het Parlement en waarin met dit standpunt rekening wordt gehouden alvorens een besluit wordt genomen; vraagt dat de rol van de EPSCO-Raad binnen het Europees semester wordt versterkt;

70.  roept op tot extra gemeenschappelijke inspanningen om de integratie van migranten en mensen met een migrantenachtergrond op de arbeidsmarkt te verbeteren;

Regionaal beleid

71.  is verheugd dat de financiering in het kader van het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020 goed is voor 454 miljard EUR in lopende prijzen; benadrukt echter dat het cohesiebeleid van de EU niet louter een instrument is, maar een structuurbeleid voor de lange termijn dat gericht is op het wegwerken van regionale ongelijkheden op het vlak van ontwikkeling en de bevordering van investeringen, werkgelegenheid, concurrentievermogen, duurzame ontwikkeling en groei, en dat het cohesiebeleid het voornaamste en meest omvattende beleid vormt om grotere economische, sociale en territoriale cohesie tot stand te brengen in alle lidstaten, zonder onderscheid tussen eurolanden en niet-eurolanden; herinnert eraan dat de EU-begroting vijftigmaal zo klein is als de totale overheidsuitgaven van de EU‑28 en ongeveer 1 % van het bbp van de EU‑28 bedraagt; benadrukt daarom dat er synergieën tot stand moeten komen tussen de begrotingen van de EU en de lidstaten, beleidsprioriteiten en acties en projecten ter verwezenlijking van EU-streefdoelen, weliswaar met behoud van een evenwicht tussen de economische en sociale aspecten van het EU-beleidskader; wijst erop dat de medefinancieringsvereisten in het kader van de ESI-fondsen een belangrijk mechanisme zijn voor het creëren van synergieën; is van mening dat de eenheid van de EU-begroting in stand moet worden gehouden; is ingenomen met de maatregelen die in de lopende programmeringsperiode zijn ingevoerd om het cohesiebeleid beter af te stemmen op de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en nationale parlementen van de lidstaten en de Europese Centrale Bank.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0038.
(2) PB C 92 van 24.3.2017, blz. 1.
(3) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.
(4) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.
(5) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.
(6) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.
(7) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.
(8) PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.
(9) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11.
(10) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.
(11) Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa, jaarverslag 2017, blz. 11.
(12) Ibid., blz. 46.
(13) Verslag van Eurofound over jeugdwerkloosheid.
(14) Werkgelegenheids- en sociale ontwikkelingen in Europa, jaarverslag 2017, blz. 47.
(15) PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.

Juridische mededeling