Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2193(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0312/2017

Ingediende teksten :

A8-0312/2017

Debatten :

PV 25/10/2017 - 15
CRE 25/10/2017 - 15

Stemmingen :

PV 26/10/2017 - 10.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0420

Aangenomen teksten
PDF 195kWORD 57k
Donderdag 26 oktober 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Onderhandelingsmandaat voor de handelsbesprekingen tussen de EU en Nieuw-Zeeland
P8_TA(2017)0420A8-0312/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2017 met de aanbeveling van het Parlement aan de Raad over het voorgestelde onderhandelingsmandaat voor handelsonderhandelingen met Nieuw-Zeeland (2017/2193(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 29 oktober 2015 van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk, en de eerste minister van Nieuw-Zeeland, John Key,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en Nieuw-Zeeland over betrekkingen en samenwerking van 21 september 2007, en de op 5 oktober 2016 ondertekende partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland op het gebied van betrekkingen en samenwerking (PARC),

–  gezien het op 14 september 2017 gepubliceerde handelspakket van de Commissie waarin de Commissie toezegde alle toekomstige onderhandelingsmandaten voor handelsovereenkomsten openbaar te maken,

–  gezien de op 3 juli 2017 ondertekende overeenkomst betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen de EU en Nieuw-Zeeland,

–  gezien andere bilaterale overeenkomsten tussen de EU en Nieuw-Zeeland, met name de overeenkomst inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten en de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 25 februari 2016 over de opening van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Australië en Nieuw-Zeeland(1) en zijn wetgevingsresolutie van 12 september 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad tot sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland tot wijziging van de overeenkomst inzake wederzijdse erkenning(2),

–  gezien het communiqué naar aanleiding van de G20-vergadering van de staatshoofden en regeringsleiders in Brisbane van 15 en 16 november 2014,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 25 maart 2014 van de voorzitters Van Rompuy en Barroso en premier Key over het verdiepen van het partnerschap tussen Nieuw-Zeeland en de Europese Unie,

–  gezien Advies 2/15 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 16 mei 2017 over de bevoegdheid van de Unie om de vrijhandelsovereenkomst met Singapore te ondertekenen en te sluiten(3),

–  gezien de studie van de Commissie over de cumulatieve effecten van toekomstige handelsakkoorden op de EU-landbouw die de Commissie op 15 november 2016 heeft gepubliceerd,

–  gezien het ontwerpverslag van zijn Commissie internationale handel over een digitale handelsstrategie (2017/2065(INI)),

–  gezien artikel 207, lid 3, en artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 108, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0312/2017),

A.  overwegende dat de EU en Nieuw-Zeeland de handen ineenslaan bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen op zeer uiteenlopende gebieden, en samenwerken binnen een aantal internationale fora, onder meer wat betreft beleidskwesties op multilateraal niveau;

B.  overwegende dat de EU in 2015 de op een na grootste handelspartner van Nieuw-Zeeland was (na Australië), en dat de handel in goederen tussen de EU en Nieuw-Zeeland in 2015 8,1 miljard EUR bedroeg en de handel in diensten 4,3 miljard EUR;

C.  overwegende dat de directe buitenlandse investeringen van de EU in Nieuw-Zeeland in 2015 bijna 10 miljard EUR bedroegen;

D.  overwegende dat Nieuw-Zeeland partij is bij de overeenkomst inzake overheidsopdrachten;

E.  overwegende dat de EU de onderhandelingen over een partnerschapsovereenkomst inzake betrekkingen en samenwerking tussen de EU en Nieuw-Zeeland (PARC) op 30 juli 2014 heeft afgerond;

F.  overwegende dat de Europese landbouwsector en bepaalde landbouwproducten, zoals rund- en schapenvlees, zuivelproducten, suiker – met inbegrip van bijzondere suikers – bijzonder gevoelig liggen in het kader van deze onderhandelingen;

G.  overwegende dat Nieuw-Zeeland wereldwijd de grootste exporteur van boter en de op een na grootste exporteur van melkpoeder is, en een belangrijke rol speelt op de wereldmarkt wat betreft de uitvoer van andere zuivelproducten en van rund-, kalfs- en schapenvlees;

H.  overwegende dat de EU en Nieuw-Zeeland plurilaterale onderhandelingen voeren om de handel in groene goederen (overeenkomst inzake milieugoederen) en de handel in diensten (overeenkomst betreffende de handel in diensten) verder te liberaliseren;

I.  overwegende dat de EU de bescherming van persoonsgegevens in Nieuw-Zeeland adequaat acht;

J.  overwegende dat Nieuw-Zeeland partij is bij de afgesloten onderhandelingen over een trans-Pacifisch partnerschap (TTP), waarvan de toekomst voorlopig onzeker is, en bij de lopende onderhandelingen over een regionaal alomvattend economisch partnerschap (RCEP) in Oost-Azië, waaraan ook de belangrijkste handelspartners van Nieuw-Zeeland deelnemen; overwegende dat Nieuw-Zeeland sinds 2008 over een vrijhandelsovereenkomst met China beschikt;

K.  overwegende dat Nieuw-Zeeland in het kader van het TPP belangrijke toezeggingen heeft gedaan om de instandhouding van bepaalde soorten op lange termijn te bevorderen en de illegale handel in in het wild levende dieren en plantensoorten aan te pakken door middel van aangescherpte instandhoudingsmaatregelen, en overwegende dat het ook vereisten heeft vastgesteld om toe te zien op de doeltreffende handhaving van milieubeschermingsmaatregelen en om nauwere regionale samenwerkingsverbanden aan te gaan; overwegende dat deze toezeggingen als ijkpunt moeten dienen voor de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland;

L.  overwegende dat Nieuw-Zeeland tot de oudste en meest naaste partners van de EU behoort, gemeenschappelijke waarden deelt en zich ook toelegt op de bevordering van welvaart en veiligheid binnen een mondiaal, op regels gebaseerd systeem;

M.  overwegende dat Nieuw-Zeeland de belangrijkste internationale verdragen over mensenrechten, sociale en arbeidsrechten, en milieubescherming heeft geratificeerd en ten uitvoer heeft gelegd en de rechtsstaat ten volle eerbiedigt;

N.  overwegende dat Nieuw-Zeeland een van slechts zes WTO-landen is die nog geen preferentiële toegang hebben tot de EU-markt en daarover ook niet in onderhandeling zijn;

O.  overwegende dat er na de gezamenlijke verklaring van 29 oktober 2015 verkennende onderzoeken zijn opgezet naar de haalbaarheid en de gedeelde ambitie om onderhandelingen op te starten over een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland; overwegende dat dit verkennende onderzoek is afgerond;

P.  overwegende dat het Parlement moet beslissen of het zijn goedkeuring hecht aan de mogelijke vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland;

De strategische, politieke en economische context

1.  onderstreept dat de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en de regio Azië/Stille Oceaan een van de belangrijke manieren is om economische groei binnen Europa te bevorderen, en benadrukt dat dit tot uiting moet komen in het handelsbeleid van de EU; stelt dat Nieuw-Zeeland een essentiële rol speelt in deze strategie en dat het uitbreiden en verdiepen van de handelsbetrekkingen met Nieuw-Zeeland kan bijdragen aan dit doel;

2.  looft Nieuw-Zeeland voor zijn overtuigde en aanhoudende engagement met betrekking tot de multilaterale handelsagenda;

3.  is van oordeel dat het volledige potentieel van de bilaterale en regionale samenwerkingsstrategieën van de Unie enkel kan worden benut door handel te drijven op basis van regels en waarden en dat de sluiting van een kwalitatief hoogwaardige, ambitieuze, evenwichtige en billijke vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland, in een geest van wederkerigheid en wederzijdse voordelen en zonder daarbij afbreuk te doen aan de wens om op multilateraal niveau vooruitgang te boeken of aan de toepassing van reeds gesloten multi- en bilaterale overeenkomsten, een essentieel onderdeel van die strategieën vormt; is van mening dat nauwere bilaterale samenwerking een opstapje kan zijn voor verdere multi- en plurilaterale samenwerking;

4.  is van mening dat onderhandelingen over een moderne, diepe, ambitieuze, evenwichtige, billijke en uitgebreide vrijhandelsovereenkomst een geschikte manier vormen om de bilaterale partnerschappen te verdiepen en de nu al goede bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen verder te versterken; is van mening dat deze onderhandelingen als voorbeeld kunnen dienen voor een nieuwe generatie van vrijhandelsovereenkomsten, en onderstreept het belang om de lat steeds hoger te leggen, en daarbij de inhoudelijke grenzen van een moderne vrijhandelsovereenkomst te verleggen, rekening houdend met de sterk ontwikkelde economie en het geavanceerde regelgevingskader van Nieuw-Zeeland;

5.  benadrukt dat de EU en Nieuw-Zeeland een voortrekkersrol spelen in het internationale beleid inzake ecologische duurzaamheid en in dit verband de kans hebben om te onderhandelen over en uitvoering te geven aan een zeer ambitieus hoofdstuk over duurzame ontwikkeling;

6.  waarschuwt voor het risico dat de landbouwbepalingen in de overeenkomst zeer onevenwichtig zijn in het nadeel van de EU en voor de verleiding om de landbouw te gebruiken als pasmunt voor een betere toegang tot de markt van Nieuw-Zeeland voor industriële goederen en diensten;

Het verkennend onderzoek

7.  stelt vast dat het verkennend onderzoek betreffende een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland op 7 maart 2017 tot wederzijdse tevredenheid van de Commissie en de regering van Nieuw-Zeeland is afgesloten;

8.  is ingenomen met de tijdige conclusie en de publicatie van de effectbeoordeling van de Commissie, zodat er een uitvoerige evaluatie kan plaatsvinden van de mogelijke voor- en nadelen van intensievere handels- en investeringsbetrekkingen tussen de EU en Nieuw-Zeeland, in het belang van de bevolking en bedrijven in beide territoria, inclusief de ultraperifere regio's en de overzeese landen en gebieden, met bijzondere aandacht voor de sociale en ecologische gevolgen, zo ook voor de arbeidsmarkt van de EU, en zodat er kan worden ingespeeld op en rekening kan worden gehouden met het effect dat de brexit zou kunnen hebben op de handels- en investeringsstromen uit Nieuw-Zeeland naar de EU, vooral wat de voorbereiding van de onderhandelingen en de berekening van contingenten betreft;

Een onderhandelingsmandaat

9.  verzoekt de Raad de Commissie de volmacht te geven om op basis van de bevindingen van het verkennend onderzoek, de in deze resolutie genoemde aanbevelingen, de effectbeoordeling en duidelijke doelstellingen onderhandelingen aan te gaan voor een handels- en investeringsovereenkomst met Nieuw-Zeeland;

10.  verzoekt de Raad om de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten in zijn besluit over de vaststelling van de onderhandelingsrichtsnoeren ten volle te eerbiedigen, conform Advies 2/15 van het HvJ-EU van 16 mei 2017;

11.  verzoekt de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen over de algemene toekomstige vorm van handelsovereenkomsten, rekening houdend met Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore, en een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen een handelsovereenkomst voor de liberalisering van directe buitenlandse investeringen, waarin het uitsluitend om zaken gaat die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen, en een tweede overeenkomst over onderwerpen waarover de bevoegdheden worden gedeeld met de lidstaten; benadrukt dat een dergelijk onderscheid gevolgen zou hebben voor het ratificatieproces in het Parlement en dat het niet bedoeld is om de nationale democratische processen te omzeilen, maar een kwestie is van democratische delegatie van verantwoordelijkheden op basis van de Europese verdragen; pleit ervoor dat het Parlement nauw wordt betrokken bij alle lopende en toekomstige onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten in alle stadia van het proces;

12.  doet een beroep op de Commissie om bij het voorleggen van de definitieve overeenkomsten ter ondertekening en sluiting, en op de Raad om bij het nemen van een beslissing over de ondertekening en sluiting van deze overeenkomsten, terdege rekening te houden met de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten;

13.  verzoekt de Commissie zo transparant mogelijk te onderhandelen zonder daarbij de onderhandelingspositie van de Unie te ondermijnen, en ten minste evenveel transparantie en openbare raadpleging te garanderen als bij de onderhandelingen met de VS over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen via een constante dialoog met de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, en de optimale werkwijzen die tijdens andere onderhandelingen zijn vastgesteld, volledig in acht te nemen; is verheugd met het initiatief van de Commissie om al haar aanbevelingen voor onderhandelingsrichtsnoeren met het oog op handelsovereenkomsten te publiceren, en beschouwt dit als een positief precedent; dringt er bij de Raad op aan dit voorbeeld te volgen en de onderhandelingsrichtsnoeren meteen te publiceren zodra deze zijn aangenomen;

14.  benadrukt dat een vrijhandelsovereenkomst moet leiden tot een betere markttoegang en betere handelsmogelijkheden ter plaatse, het scheppen van fatsoenlijke banen, gegarandeerde gendergelijkheid ten behoeve van de burgers aan beide zijden, de bevordering van duurzame ontwikkeling, handhaving van de EU-normen, bescherming van diensten van algemeen belang, eerbiediging van de democratische procedures en stimulering van de exportmogelijkheden van de EU;

15.  onderstreept dat in een ambitieuze overeenkomst op zinvolle wijze moet worden ingegaan op investeringen, handel in goederen en diensten (voortbordurend op de recente aanbevelingen van het Europees Parlement betreffende het behoud van beleidsruimte en kwetsbare sectoren), douane- en handelsfacilitering, digitalisatie, e-handel en gegevensbescherming, technologisch onderzoek en ondersteuning van innovatie, openbare aanbestedingen, energie, overheidsbedrijven, concurrentie, duurzame ontwikkeling, regelgevende kwesties zoals hoogwaardige sanitaire en fytosanitaire normen en andere normen voor landbouwproducten en levensmiddelen, zonder de strenge EU-normen af te zwakken, stevige en afdwingbare toezeggingen op het gebied van arbeids- en milieunormen, en de bestrijding van belastingontwijking en corruptie, maar wel binnen het toepassingsgebied van de exclusieve bevoegdheden van de Unie, en door vooral stil te staan bij de behoeften van micro-ondernemingen en kmo's;

16.  verzoekt de Raad de verplichtingen van de andere partij jegens inheemse volkeren uitdrukkelijk te erkennen;

17.  onderstreept dat de EU wereldleider is op het gebied van de bevordering van dierenwelzijnsbeleid en dat, aangezien de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland gevolgen zal hebben voor miljoenen landbouwhuisdieren, de Commissie ervoor moet zorgen dat de partijen ferme toezeggingen doen om het welzijn en de bescherming van landbouwhuisdieren te verbeteren;

18.  benadrukt dat de illegale handel in wilde dieren en planten ernstige ecologische, economische en sociale gevolgen heeft en dat een ambitieuze overeenkomst het behoud van alle in het wild levende dier- en plantensoorten en hun habitats moet bevorderen en de illegale vangst van, handel in en overlading van wilde dieren en planten krachtig moet bestrijden;

19.  benadrukt dat een gebrekkig visserijbeheer en illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) visserij aanzienlijke negatieve gevolgen kunnen hebben voor de handel, de ontwikkeling en het milieu, en dat de partijen zinvolle verbintenissen moeten aangaan om haaien, roggen, schildpadden en zeezoogdieren te beschermen en overbevissing, overcapaciteit en IOO-visserij te voorkomen;

20.  beklemtoont dat de volgende aspecten in de onderhandelingsrichtsnoeren moeten worden opgenomen opdat een vrijhandelsovereenkomst werkelijk gunstig kan zijn voor de economie van de EU:

   (a) liberalisering van de handel in goederen en diensten en reële mogelijkheden voor beide partijen om toegang te hebben tot elkaars goederen- en dienstenmarkt door onnodige regelgevingsbelemmeringen op te heffen, maar wel zonder dat de overeenkomst een van de partijen belet om op evenredige wijze regelgeving vast te stellen teneinde legitieme beleidsdoelstellingen te verwezenlijken; deze overeenkomst mag (i) geen belemmering vormen voor de partijen om diensten van algemeen belang te definiëren, te reguleren, te verlenen en te ondersteunen en moet daarover expliciete bepalingen omvatten; (ii) regeringen er niet toe verplichten diensten te privatiseren en hen niet beletten het scala van diensten dat zij aan het publiek aanbieden, te verruimen; (iii) regeringen niet beletten voorheen geprivatiseerde diensten opnieuw onder overheidsbeheer te plaatsen, zoals water, onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, of over te gaan tot een verlaging van de hoge Europese normen op het vlak van gezondheid, levensmiddelen, consumentenzaken, milieu, werk en veiligheid, noch tot een verlaging van de overheidssubsidies voor kunst en cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten, zoals het geval was bij eerdere handelsovereenkomsten; verbintenissen moeten worden aangegaan op basis van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS); wijst er in dit verband op dat moet worden vastgehouden aan de normen waaraan Europese producenten moeten voldoen;
   (b) voor zover de overeenkomst een hoofdstuk over binnenlandse regelgeving kan bevatten, mogen de onderhandelaars geen noodzakelijkheidstoetsing opnemen;
   (c) verbintenissen betreffende antidumping- en compenserende maatregelen die verder gaan dan de WTO-regels op dit gebied, die niet hoeven te worden toegepast als er sprake is van toereikende gemeenschappelijke concurrentienormen en samenwerking;
   (d) beperking van onnodige niet-tarifaire belemmeringen en intensivering en uitbreiding van de dialoog over samenwerking op regelgevingsgebied op vrijwillige basis, als dat uitvoerbaar is en tot wederzijds nut strekt, zonder de mogelijkheid van beide partijen te beknotten om eigen regelgevings-, wetgevings- en beleidsmaatregelen uit te voeren, aangezien samenwerking op regelgevingsgebied erop gericht moet zijn om de governance van de wereldeconomie ten goede te komen door sterkere convergentie en samenwerking op het vlak van internationale normen en harmonisatie van regelgeving, bijvoorbeeld door de overname en toepassing van de normen van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN-ECE), waarbij het hoogste niveau van consumentenbescherming (bijv. voedselveiligheid), milieubescherming (bijv. diergezondheid en dierenwelzijn, gezondheid van planten), sociale bescherming en arbeidsbescherming wordt gegarandeerd;
   (e) aanzienlijke concessies inzake openbare aanbestedingen op alle overheidsniveaus, waaronder overheidsbedrijven en ondernemingen met bijzondere of exclusieve rechten waarmee markttoegang voor Europese bedrijven tot strategische sectoren wordt gegarandeerd, en dezelfde mate van openheid als bij openbare aanbestedingen in de EU het geval is, aangezien vereenvoudigde procedures en transparantie voor inschrijvers, ook voor inschrijvers uit andere landen, eveneens doeltreffende instrumenten kunnen zijn om corruptie te bestrijden en de integriteit van het openbaar bestuur te bevorderen, terwijl zij er eveneens voor zorgen dat belastingbetalers waar voor hun geld krijgen wat betreft de kwaliteit van leveringen, efficiëntie, doeltreffendheid en verantwoordingsplicht; waarborgen dat ecologische en sociale criteria worden gehanteerd bij de gunning van overheidsopdrachten;
   (f) een apart hoofdstuk waarin rekening wordt gehouden met de behoeften en belangen van micro-ondernemingen en kmo's wat markttoegangskwesties betreft, met inbegrip van maar niet beperkt tot, compatibelere technische normen, en gestroomlijnde douaneprocedures teneinde concrete kansen voor bedrijven te creëren en hun internationalisering te bevorderen;
   (g) gezien Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore op grond waarvan handel en duurzame ontwikkeling onder de exclusieve bevoegdheden van de EU vallen en duurzame ontwikkeling een integrerend bestanddeel van het gemeenschappelijk handelsbeleid van de EU is, vormt een robuust en ambitieus hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling een onmisbaar onderdeel van iedere potentiële handelsovereenkomst; bepalingen over doeltreffende instrumenten voor dialoog, monitoring en samenwerking, inclusief bindende en afdwingbare bepalingen die onder passende en doeltreffende mechanismen voor geschillenbeslechting vallen, in het kader waarvan, naast diverse andere handhavingsmethoden, een op sancties gebaseerd mechanisme wordt overwogen, en die de sociale partners en het maatschappelijk middenveld op een adequate manier in staat stellen deel te nemen, waarbij nauw samengewerkt wordt met de deskundigen van relevante multilaterale organisaties; bepalingen in het hoofdstuk over arbeids- en milieuaspecten van handel en het belang van duurzame ontwikkeling in een context van handel en investeringen, waaronder bepalingen ter bevordering van de inachtneming en de doeltreffende toepassing van internationaal overeengekomen beginselen en regels, zoals fundamentele arbeidsnormen, de vier prioritaire ILO-verdragen inzake governance en multilaterale milieuovereenkomsten, onder andere met betrekking tot de klimaatverandering;
   (h) de eis dat de partijen maatschappelijk verantwoord ondernemerschap bevorderen, onder meer ten aanzien van internationaal erkende instrumenten, en de overname van de sectorale OESO-richtsnoeren en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten;
   (i) alomvattende bepalingen inzake de liberalisering van investeringen binnen de bevoegdheden van de Unie, rekening houdend met recente beleidsontwikkelingen, bijvoorbeeld Advies 2/15 van het HvJ-EU over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore van 16 mei 2017;
   (j) sterke en afdwingbare maatregelen betreffende de erkenning en bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, inclusief geografische aanduidingen voor wijn en gedistilleerde dranken en andere landbouwproducten en levensmiddelen; vereenvoudigde douaneprocedures en eenvoudige en flexibele oorsprongsregels die geschikt zijn in een complexe wereld van mondiale waardeketens, ook met het oog op meer transparantie en verantwoordingsplicht binnen de ketens, waarbij waar mogelijk multilaterale oorsprongsregels en in andere gevallen niet al te omslachtige oorsprongsregels zoals "verandering van tariefpostonderverdeling" worden toegepast;
   (k) evenwichtig en ambitieus opgestelde landbouw- en visserijhoofdstukken die alleen dan het concurrentievermogen kunnen aanwakkeren en voor zowel consumenten als producenten van voordeel kunnen zijn als er naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van alle Europese producenten en consumenten, waarbij wordt ingezien dat een aantal gevoelige landbouwproducten een passende behandeling moet krijgen, bijvoorbeeld door tariefcontingenten of adequate overgangsperioden, en er voldoende rekening wordt gehouden met de cumulatieve impact van handelsovereenkomsten op het gebied van landbouw en de meest gevoelige sectoren mogelijk buiten beschouwing worden gelaten bij de onderhandelingen; de opname van een werkbare, doeltreffende, passende en snelle bilaterale vrijwaringsclausule in de overeenkomst, die tijdelijke opschorting van preferenties mogelijk maakt indien, als gevolg van de inwerkingtreding van de handelsovereenkomst, een toename van de invoer ernstige schade berokkent of dreigt te berokkenen aan gevoelige sectoren;
   (l) ambitieuze bepalingen die het digitale ecosysteem volledig laten functioneren en grensoverschrijdende gegevensstromen bevorderen, met inbegrip van beginselen zoals eerlijke mededinging en ambitieuze regels voor grensoverschrijdende gegevensoverdracht, overeenkomstig en behoudens de huidige en toekomstige EU-regels inzake gegevensbescherming en privacy, aangezien gegevensstromen cruciale aanjagers van de diensteneconomie en een essentieel element van de mondiale waardeketen van traditioneel producerende ondernemingen zijn, als gevolg waarvan de vereisten van ongerechtvaardigde lokalisering zoveel mogelijk moeten worden beperkt; gegevensbescherming en privacy zijn geen handelsbelemmeringen maar grondrechten die zijn vastgelegd in artikel 39 VEU en in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
   (m) specifieke en eenduidige bepalingen over de behandeling van overzeese landen en gebieden en ultraperifere regio's, zodat er bij de onderhandelingen voldoende aandacht wordt geschonken aan hun speciale behoeften;

21.  verzoekt de Commissie, als wezenlijk onderdeel van een evenwichtige overeenkomst, bescherming te bieden bij de etikettering, traceerbaarheid en werkelijke oorsprong van landbouwproducten om te voorkomen dat de consument een onjuist of misleidend beeld krijgt;

22.  benadrukt het verschil in omvang tussen de Europese interne markt en de Nieuw-Zeelandse markt, waarmee rekening moet worden gehouden in het geval van een vrijhandelsovereenkomst tussen beide partijen;

De rol van het Parlement

23.  benadrukt dat op grond van Advies 2/15 van het HvJ-EU inzake de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore de rol van het Parlement in elk stadium van de onderhandelingen moet worden versterkt, van de vaststelling van het mandaat tot de definitieve sluiting van de overeenkomst; ziet uit naar de opening van de onderhandelingen met Nieuw-Zeeland, wenst deze nauwgezet te volgen en een bijdrage te leveren aan het welslagen ervan; herinnert de Commissie aan haar verplichting om het Parlement gedurende alle stadia van de onderhandelingen (zowel voorafgaand aan als na afloop van de onderhandelingsrondes) onverwijld en volledig op de hoogte te houden; verplicht zich ertoe om de wet- en regelgevende kwesties te onderzoeken die mogelijk aan de orde komen in het kader van de onderhandelingen en de toekomstige overeenkomst, onverminderd zijn prerogatieven als medewetgever; wijst nogmaals op zijn fundamentele verantwoordelijkheid om de burgers van de EU te vertegenwoordigen, en ziet ernaar uit om gedurende het onderhandelingsproces inclusieve en open discussies te bevorderen;

24.  wijst erop dat het Parlement uit hoofde van het VWEU verzocht zal worden zijn goedkeuring te hechten aan de toekomstige overeenkomst, en dat derhalve in alle stadia terdege rekening moet worden gehouden met zijn standpunten; roept de Commissie en de Raad op het Parlement om goedkeuring van de overeenkomst te verzoeken alvorens deze toe te passen, en deze praktijk ook deel te laten uitmaken van de interinstitutionele overeenkomst;

25.  wijst erop dat het Parlement zal toezien op de uitvoering van de toekomstige overeenkomst;

o
o   o

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, alsmede de regering en het parlement van Nieuw-Zeeland.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0064.
(2) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 210.
(3) ECLI:EU:C:2017:376.

Juridische mededeling - Privacybeleid