Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2083(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0334/2017

Ingediende teksten :

A8-0334/2017

Debatten :

PV 14/11/2017 - 16
CRE 14/11/2017 - 16

Stemmingen :

PV 16/11/2017 - 7.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0448

Aangenomen teksten
PDF 224kWORD 65k
Donderdag 16 november 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
De strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling
P8_TA(2017)0448A8-0334/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over de strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling (2017/2083(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het document getiteld "Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid – gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa", dat op zijn vergadering van 28 en 29 juni 2016 werd ingediend bij de Europese Raad,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van 7 juni 2017 van het Parlement, de Raad, de regeringsvertegenwoordigers van de lidstaten, die waren bijeengekomen in het kader van de Raad, en de Commissie, betreffende de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling: "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst",

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", en de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

–  gezien de Beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen (CFS‑RAI), die werden ontwikkeld in de Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid om bij te dragen aan de verwezenlijking van SDG's 1 en 2,

–  gezien het actieprogramma van Addis Abeba betreffende de financiering van ontwikkeling van 2015,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering van 2015,

–  gezien de Afrikaanse top van de actie, die op 16 november 2016 gehouden werd en gewijd was aan de Afrikaanse dimensie van de COP 22,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2016 over het actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten (COM(2016)0087),

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(1) (de Overeenkomst van Cotonou), en de herzieningen daarvan van 2005 en 2010,

–  gezien de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU (JAES), die op de top van Lissabon van 9 december 2007 werd aangenomen door de Afrikaanse en Europese staatshoofden en regeringsleiders, en de twee actieplannen die in oktober 2007 werden aangenomen in Accra (voor de periode 2008‑2010) en in november 2010 in Tripoli (voor de periode 2011‑2013),

–  gezien de conclusies van de vierde top EU-Afrika, gehouden te Brussel op 2 en 3 april 2014, en de routekaart voor het format van de vergaderingen (het format van Caïro) en de hoofdlijnen van de samenwerking tussen de twee continenten voor de periode 2014‑2017, en de verklaring EU‑Afrika over migratie en mobiliteit,

–  gezien de agenda 2063 van de Afrikaanse Unie (AU), die werd aangenomen in mei 2014,

–  gezien het door president Paul Kagamé opgestelde verslag over de voorstellen voor aanbevelingen met betrekking tot de hervorming van de instellingen van de AU met als titel "L'impératif de renforcer notre Union",

–  gezien de verklaring van het derde intercontinentale forum van het maatschappelijk middenveld, dat van 11 tot 13 juli 2017 in Tunis heeft plaatsgevonden, waarin ertoe wordt opgeroepen de deelname van maatschappelijke organisaties te versterken en mensen uit het maatschappelijk middenveld centraal te plaatsen in de strategie EU‑Afrika,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 7 juni 2017 met als titel "Een strategische aanpak van weerbaarheid in het externe optreden van de EU" (JOIN(2017)0021),

–  gezien Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds(2),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 5 juli 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (COM(2016)0447),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 november 2016 met als titel "Een hernieuwd partnerschap met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan" (JOIN(2016)0052),

–  gezien de verschillende mededelingen van de Commissie voor de betrekkingen tussen de EU en Afrika, met name die van 27 juni 2007 met als titel "Van Caïro naar Lissabon – Het strategische partnerschap tussen de EU en Afrika" (COM(2007)0357), die van 17 oktober 2008 met als titel "Eén jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk" (COM(2008)0617) en die van 10 november 2010 "over de consolidatie van de betrekkingen tussen de EU en Afrika: 1,5 miljard mensen, 80 landen, twee continenten, één toekomst" (COM(2010)0634),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad van 4 mei 2017 getiteld "Voor een vernieuwde impuls voor het partnerschap Afrika‑EU" (JOIN(2017)0017), en de conclusies van de Raad over het onderwerp van 19 juni 2017,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de betrekkingen tussen de Unie en Afrika en de ACS-landen, in het bijzonder de resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de betrekkingen tussen de ACS-landen en de EU na 2020(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het Trustfonds voor Afrika van de EU: de gevolgen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over het EU-verslag 2015 over beleidscoherentie voor ontwikkeling(5),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0334/2017),

A.  overwegende dat de Europese Unie en de Afrikaanse landen historische banden met elkaar onderhouden en dat hun lot nauw met elkaar is verbonden; overwegende dat de EU de belangrijkste partner is van Afrika op het gebied van economische activiteit, handel, ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en veiligheid;

B.  overwegende dat het partnerschap Afrika-EU moet worden voorzien van een nieuwe visie waarin de ontwikkeling van de politieke, economische, sociale en milieusituatie van beide continenten tot uiting komt; overwegende dat rekening moet worden gehouden met nieuwe spelers op het internationale podium – waaronder China – en dat moet worden geëvolueerd naar een versterkt, gemoderniseerd en meer politiek partnerschap met de nadruk op de verdediging van onze essentiële gemeenschappelijke belangen;

C.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Afrika moeten worden gebaseerd op de beginselen van wederzijdse belangen en begrip en op gedeelde, gemeenschappelijke waarden in het kader van een wederzijds partnerschap;

D.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en het Afrikaanse continent steunen op verschillende rechtsinstrumenten en beleidsstrategieën, en dat de synergieën en de samenhang tussenbeide moeten worden versterkt om het partnerschap efficiënter en duurzamer te maken;

E.  overwegende dat de overeenkomst van Cotonou, waarbij 79 ACS‑landen partij zijn, met inbegrip van 48 landen uit Sub‑Saharaans Afrika, het belangrijkste partnerschap tussen de EU en Afrika regelt; overwegende dat de EU ook betrekkingen is aangegaan met Afrikaanse landen die geen partij zijn bij de overeenkomst van Cotonou; overwegende dat het partnerschap tussen de EU en de ACS-landen al was gevormd voordat de ACS-landen hun huidige regionale of continentale samenwerkingsstructuren hadden opgezet; overwegende dat het, gezien het ontstaan van de AU in 2003 en van de JAES in 2007, van essentieel belang is de verschillende beleidskaders tussen de EU en Afrika te stroomlijnen; overwegende dat de doelstelling om "Afrika als één geheel te behandelen" duidelijk in de preambule van de JAES staat;

F.  overwegende dat de EU een politieke institutionele dialoog met de Afrikaanse landen voert via de topontmoetingen EU-Afrika, de intergouvernementele organisatie "Unie voor het Middellandse Zeegebied" (UMZ) en de samenwerkingsinstanties ACS-EU, waaronder op parlementair niveau via de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de EU-delegatie in de Parlementaire Vergadering UMZ en met het Pan-Afrikaanse Parlement;

G.  overwegende dat het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) over een begroting van 30,5 miljard EUR beschikt, waarvan 900 miljoen EUR is uitgetrokken voor de Vredesfaciliteit voor Afrika, en dat 1,4 miljard EUR van de EOF-reserve zal worden gebruikt voor het Trustfonds van de EU voor Afrika; overwegende dat meer dan 5 miljard EUR is afgestemd op de behoeften van Afrikaanse landen in het kader van het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI) en dat 845 miljoen EUR wordt toegewezen aan het pan-Afrikaanse programma in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) voor de tenuitvoerlegging van de JAES;

H.  overwegende dat de volgende top AU-EU, die op 29 en 30 november 2017 in Abidjan zal plaatsvinden met als thema "investeren in de jeugd", een gelegenheid zal zijn voor het scheppen, ondersteunen en ontwikkelen van economische omstandigheden van echte gelijkheid tussen partners die essentiële gemeenschappelijke belangen willen verdedigen;

I.  overwegende dat de JAES zal moeten worden ingepast in de toekomstige overeenkomst na Cotonou;

J.  overwegende dat de EU een historische partner en een belangrijke waarborg is voor de veiligheid van het Afrikaanse continent – een uiterst belangrijke kwestie; overwegende dat de veiligheid en de duurzame groei van het Europese continent nauw en rechtstreeks afhankelijk zijn van de stabiliteit en de ontwikkeling van het Afrikaanse continent en vice versa;

K.  overwegende dat een constante steun voor de tenuitvoerlegging van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsstructuren noodzakelijk is, en dat het engagement van de Europese Unie, de Afrikaanse Unie en andere in Afrika aanwezige internationale actoren cruciaal zijn voor de ontwikkeling en de stabiliteit van het Afrikaanse continent;

L.  overwegende dat migratie een prominente plaats heeft in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en een prioriteit vormt voor de externe betrekkingen van de EU, met inbegrip van de betrekkingen met Afrika; is van mening dat Afrika en Europa een gedeeld belang en gedeelde verantwoordelijkheid hebben op het gebied van migratie en mobiliteit, ook ten aanzien van de strijd tegen mensenhandel en ‑smokkel, en overwegende dat het beheer van migratie vraagt om mondiale oplossingen gebaseerd op solidariteit, het delen van verantwoordelijkheden, eerbiediging van migrantenrechten en het internationaal recht, evenals het doeltreffend gebruik van instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking;

M.  overwegende dat meer dan 218 miljoen mensen in Afrika in extreme armoede leven; overwegende dat het aandeel van de bevolking in Sub-Saharaans Afrika dat in extreme armoede leeft, gedaald is van 56 % in 1990 tot 43 % in 2012; overwegende dat 33 van de 47 minst ontwikkelde landen zich op het Afrikaanse continent bevinden, wat van het partnerschap tussen de EU en Afrika een onmisbaar instrument maakt voor de realisatie van het programma voor duurzame ontwikkeling tot 2030 en van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder het uitbannen van armoede;

N.  overwegende dat Afrika infrastructurele behoeften heeft van naar schatting 75 miljard EUR per jaar en een consumptiemarkt die waarschijnlijk zal oplopen tot 1 000 miljard USD in 2020, dat de buitenlandse directe investeringen (BDI) er voortdurend toenemen en in 2020 naar verwachting 144 miljard USD zullen bedragen, en dat Afrika momenteel een bevolking heeft van 1 miljard inwoners;

O.  overwegende dat uit Afrika nog steeds voornamelijk ruwe en niet‑verwerkte producten worden uitgevoerd en dat een groot deel van deze uitvoer onder handelspreferentieregelingen valt; overwegende dat vrije markttoegang voor de meeste Afrikaanse producten de capaciteiten van Afrikaanse landen kan verbeteren en hun concurrentievermogen en deelname aan internationale markten kan vergroten, indien deze vrije markttoegang gepaard gaat met een beleid waarin duurzame industrialisering en productiviteit op het platteland als essentiële factoren voor ontwikkeling worden beschouwd;

P.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met de demografische dynamiek, in de wetenschap dat tegen 2050 Afrika volgens sommige voorspellingen 2,5 miljard personen kan tellen, hoofdzakelijk jongeren, terwijl de Europese bevolking naar verwachting aanzienlijk ouder zal zijn; overwegende dat het daarom van essentieel belang is miljoenen banen te scheppen en de emancipatie van vrouwen en jongeren te ondersteunen, meer bepaald via het onderwijs en toegang tot gezondheidszorg en scholing op het Afrikaanse continent;

Intensivering van de politieke dialoog tussen de EU en Afrika: een randvoorwaarde voor een hernieuwd strategisch partnerschap

1.  neemt kennis van deze nieuwe mededeling met als titel "Een vernieuwde impuls voor het partnerschap Afrika-EU", die een nieuw elan moet geven aan het partnerschap tussen Afrika en de EU en het moet versterken en verdiepen, door het te richten op de welvaart en de stabiliteit op de twee continenten, overeenkomstig de verbintenissen die werden aangegaan in het kader van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, de nieuwe Europese consensus voor ontwikkeling, die dienstdoet als een reeks richtsnoeren voor het Europees ontwikkelingsbeleid, de algemene strategie voor het buitenlands en het veiligheidsbeleid van de Unie, en de agenda 2063;

2.  brengt in herinnering dat Afrika een belangrijke strategische partner is voor de EU en meent dat het essentieel is de betrekkingen tussen de EU en de AU te versterken via een herziene en uitgebreide dialoog, waar de beginselen van transparantie en goed beheer deel van uitmaken, om een win-winsituatie en gelijke en duurzame samenwerking tot stand te brengen met het oog op de aanpak van gedeelde uitdagingen en het behalen van gemeenschappelijke voordelen; meent dat hierbij het beginsel van eigen inbreng moet worden gewaarborgd en rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden en het ontwikkelingsniveau van ieder partnerland;

3.  wenst dat in het toekomstige partnerschap de nadruk komt te liggen op de zowel door de AU als de EU vastgestelde prioritaire kwesties, zoals:

   economische ontwikkeling (via handel, economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's), meer regionale integratie, economische diversificatie, duurzame industrialisering en het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid),
   goed bestuur, met inbegrip van de mensenrechten,
   menselijke ontwikkeling via openbare diensten die voorzien in basisbehoeften, zoals onderwijs, gezondheid, toegang tot water en sanitaire voorzieningen, gendergelijkheid, wetenschap, technologie en innovatie,
   veiligheid en terrorismebestrijding,
   migratie en mobiliteit,
   milieu – inclusief klimaatverandering;

4.  herinnert eraan dat begrotingssteun de beste manier is om voor eigen inbreng te zorgen, aangezien regeringen de middelen worden gegeven om over hun eigen behoeften en prioriteiten te beslissen; herinnert eraan dat door middel van algemene of sectorale begrotingssteun ontwikkelingsbeleid kan worden ondersteund en een maximale absorptiecapaciteit kan worden gegarandeerd;

5.  is verheugd dat de vijfde top AU-EU, die in november 2017 in Ivoorkust zal plaatsvinden, de jeugd als centraal thema heeft, gezien het belang ervan voor de toekomst van beide continenten;

6.  wijst op het belang en de efficiëntie van de samenwerking tussen de ACS-landen en de EU en de behaalde resultaten op het gebied van ontwikkeling; benadrukt dat dit juridisch bindend kader na 2020 moet worden behouden; onderstreept dat deze samenwerking moet worden versterkt, en tegelijkertijd de regionale dimensie ervan moet worden ontwikkeld, onder meer via intensievere samenwerking met de AU, de regionale economische gemeenschappen en andere regionale organisaties; pleit voor een meer gestructureerde, pragmatische, alomvattende en strategische benadering van de politieke dialoog in het kader van de onderhandelingen over de overeenkomst na Cotonou;

7.  pleit voor het versterken van de parlementaire dimensie van de ACS-EU-samenwerking; benadrukt dat de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU een uniek platform is voor interactie en een cruciale rol speelt voor het versterken van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten;

8.  onderstreept dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) kansen biedt om het nabuurschapsbeleid en het beleid dat is gericht op de overige Afrikaanse landen beter op elkaar af te stemmen door ruimere kaders vast te stellen voor samenwerking op het gebied van regionale kwesties zoals veiligheid, energie en zelfs migratie;

9.  bevestigt dat, in het kader van het partnerschap tussen Afrika en de EU, een gecoördineerde aanpak nodig is tussen de EU-lidstaten onderling en tussen de EU en haar lidstaten, zoals voorzien in artikel 210 van het VWEU; wijst er evenzo op dat het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in zowel Europese als Afrikaanse beleidsmaatregelen en initiatieven moet worden geëerbiedigd om de SDG's te verwezenlijken;

10.  wenst dat de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling volledig worden opgenomen in de handelsbetrekkingen van de EU met Afrika, hetgeen inhoudt dat afdwingbare clausules inzake handel en duurzame ontwikkeling in alle handelsovereenkomsten van de EU met Afrikaanse landen worden opgenomen, in overeenstemming met de verbintenissen van de Europese Commissie in de strategie "Handel voor iedereen";

11.  herhaalt hoe belangrijk het is dat de lidstaten hun belofte nakomen om 0,7 % van hun bnp beschikbaar te stellen voor officiële ontwikkelingshulp om de samenwerking met Afrika te versterken;

12.  deelt de geuite wens om de banden tussen de EU en Afrika te versterken teneinde het hoofd te bieden aan mondiale bestuurskwesties; benadrukt in dit verband dat de dialoog met de AU moet worden versterkt en dat haar financiële autonomie moet worden verzekerd overeenkomstig het besluit van Kigali over financiering, door de afhankelijkheid van externe financiering te verminderen; neemt kennis van de voorstellen in het door president Paul Kagamé opgestelde verslag, dat gericht is op het versterken van de AU om het proces van politieke integratie in Afrika te stimuleren;

13.  onderstreept de rol van het maatschappelijk middenveld – met inbegrip van ngo's, religieuze organisaties, jongeren- en vrouwenrechtenorganisaties, de privésector, vakbonden, parlementen, lokale overheden en migrantengemeenschappen, elk met hun eigen specifieke kenmerken – bij het versterken van de politieke dialoog tussen de EU en Afrika om een op de bevolking gericht partnerschap te waarborgen;

14.  benadrukt dat de deelname van het maatschappelijk middenveld aan het partnerschap tussen Afrika en de EU moet worden verbeterd door de competenties ervan te versterken, met name door kennis over te dragen en ervoor te zorgen dat het betrokken wordt bij het ontwerp en de uitvoering van relevante hervormingen en beleidslijnen; meent dat het engagement van maatschappelijke organisaties essentieel is voor de publieke verantwoording; steunt de verschillende platformen die zijn opgericht om van het maatschappelijk middenveld een belangrijke speler in het partnerschap te maken, met name het jaarlijkse gezamenlijke forum voor de tenuitvoerlegging van de routekaart EU-Afrika; betreurt niettemin dat het jaarlijkse gezamenlijke forum nooit is bijeengeroepen en verzoekt de EU en de AU onmiddellijk te voorzien in de nodige financiële en politieke middelen om te zorgen voor zinvolle deelname van alle belanghebbenden aan het partnerschap, eveneens in het kader van de vijfde top AU‑EU;

Weerbaardere staten en maatschappijen voor alle mensen, in het bijzonder jongeren, om de SDG's te verwezenlijken

15.  meent dat weerbaarheid, in al zijn vijf dimensies, een belangrijk onderdeel moet worden van de nieuwe strategie EU-Afrika;

Politieke weerbaarheid

16.  dringt erop aan dat goed bestuur, democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten moeten worden bevorderd, evenals de strijd tegen corruptie op de twee continenten, aangezien die elementen onlosmakelijk zijn verbonden met duurzame ontwikkeling;

17.  pleit daarom voor een open en inclusieve dialoog op basis van wederzijds respect, waarbij die waarden en beginselen tot een belangrijk samenwerkingsonderdeel worden gemaakt, met name door de strikte eerbiediging daarvan tot voorwaarde te maken voor ontwikkelingssamenwerking;

18.  benadrukt dat het van essentieel belang is de bestuursproblemen in beide continenten met grotere vastberadenheid aan te pakken om eerlijkere, stabielere en veiligere samenlevingen op te bouwen; onderstreept de noodzaak om de kwestie van de mensenrechten en goed bestuur te blijven aankaarten op basis van bestaande internationale rechtsinstrumenten, wetten, beginselen en mechanismen, ook die van Afrikaanse regionale bestuursorganen zoals het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en de protocollen daarbij, het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur, de Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volkeren en het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volkeren, met als doel om de eigen verantwoordelijkheid te vergroten;

19.  wijst nogmaals op de belangrijke rol van het Internationaal Strafhof voor het bestrijden van straffeloosheid en het handhaven van de waarden vrede, veiligheid, gelijkheid, billijkheid, rechtvaardigheid en herstel die het uitdraagt; roept de Europese Unie en Afrikaanse landen ertoe op het Statuut van Rome en het Internationaal Strafhof te blijven steunen; verzoekt alle ondertekenaars van het Statuut van Rome met klem dit zo spoedig mogelijk te ratificeren;

20.  steunt de organisatie van een gezamenlijke conferentie op hoog niveau tussen de AU en de EU over de verkiezingsprocedures, de democratie en goed bestuur in Afrika en Europa, en wenst dat het Europees Parlement, het pan-Afrikaanse Parlement, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering daar ten volle bij worden betrokken; roept ertoe op de banden tussen de verschillende Parlementaire Vergaderingen te versterken om de synergieën en de samenhang van gezamenlijke acties te bevorderen;

Weerbaarheid op het gebied van veiligheid

21.  herhaalt dat veiligheid en ontwikkeling nauw onderling verbonden zijn; wijst erop dat het van belang is om veiligheidszorgen en ontwikkelingsdoelstellingen beter te integreren, om de specifieke problemen van kwetsbare staten aan te pakken en weerbaardere staten en samenlevingen op te bouwen; merkt op dat dit moet gebeuren via specifieke instrumenten en bijkomende financiering;

22.  dringt aan op nauwere samenwerking tussen de EU en Afrika op het gebied van veiligheid en justitie met betrekking tot het internationale rechtskader zodat problemen op een alomvattende manier kunnen worden aangepakt en beter het hoofd kan worden geboden aan georganiseerde misdaad, mensenhandel en ‑smokkel – in het bijzonder wanneer het om kinderen gaat – en terrorisme; is van mening dat de acties van de EU moeten beantwoorden aan de strategieën die zijn aangenomen door de Afrikaanse landen, met name de strategieën op het vlak van vrede en veiligheid die zijn vermeld in de Agenda 2063;

23.  wijst op het belang van samenwerking op het gebied van veiligheid tussen de EU, AU, regionale organisaties en andere betrokken politieke actoren in Afrika om bij te dragen tot het vermogen van ontwikkelingslanden om hun veiligheidssector te hervormen en om activiteiten op het gebied van ontwapening, demobilisatie en herintegratie van voormalige strijders te ondersteunen;

24.  brengt in herinnering dat terrorisme een wereldwijde bedreiging vormt voor regionale vrede en stabiliteit, duurzame ontwikkeling en interne veiligheid, en op gecoördineerde wijze moet worden aangepakt door nationale regeringen, regionale en internationale organisaties en EU-agentschappen; roept op tot betere samenwerking binnen de strategie EU-Afrika met het oog op het voorkomen van straffeloosheid, het bevorderen van de rechtsstaat en het uitbreiden van de politiële en justitiële capaciteiten, om de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen te vergemakkelijken en de financiering van terrorisme te voorkomen, tegen te gaan, te bestrijden en te vervolgen; merkt op dat de strategie voor terrorismebestrijding ook maatregelen moet omvatten voor de bevordering van de interreligieuze dialoog en de preventie van radicalisering en het daaruit voortvloeiende gewelddadige extremisme in Afrika en Europa, met name onder jongeren;

25.  wijst andermaal op het belang van de verschillende missies en acties van de EU in Afrika; is ingenomen met de oprichting van de G5 Sahel Joint Force; dringt erop aan dat de Europese acties voor vrede en veiligheid worden aangescherpt in samenwerking met de Afrikaanse en internationale partners en dat de volledige inwerkingstelling van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (APSA) wordt ondersteund; vraagt de EU een eerste bijdrage te leveren aan het vredesfonds van de AU ten behoeve van activiteiten onder de rubriek "bemiddeling en diplomatie";

Weerbaarheid op het gebied van milieu

26.  herinnert eraan dat Afrika bijzonder kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering; is van mening dat de EU een strategische aanpak voor de opbouw van klimaatveerkracht moet ontwikkelen en de Afrikaanse landen, met name de minst ontwikkelde landen, dienovereenkomstig moet steunen bij hun inspanningen om de broeikasgassen te verminderen en om zich aan te passen; wijst op het belang van klimaatverandering als een risicoverhogende factor voor conflicten, droogte, hongersnood en migratie, zoals is gebleken uit de recente uitbraak van hongersnood in Zuid-Sudan, Nigeria en Somalië; herinnert er in dit verband aan dat ruchtbaarheid moet worden gegeven aan de in 2015 in Parijs gedane toezegging om tegen 2020 100 miljard USD toe te kennen aan ontwikkelingslanden, en dat deze toezegging moet worden nagekomen; pleit voor nieuwe samenwerkingsvormen tussen Afrika en de EU waarmee de belemmeringen voor de financiering en de overdracht van technologie worden verminderd;

27.  benadrukt dat Afrika een rijk en gevarieerd natuurlijk milieu heeft; meent dat de bescherming van biodiversiteit centraal moet staan in de politieke agenda van de EU en AU; dringt erop aan dat de strategie EU-Afrika aansluit op de prioriteiten van het Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten en bescherming biedt aan natuurlijk erfgoed en natuurparken in het bijzonder;

28.  is voorstander van meer investeringen op het gebied van hernieuwbare energie en de kringloopeconomie om maatregelen die bijdragen tot respect voor het milieu en het scheppen van werkgelegenheid, verder te stimuleren; herinnert eraan dat het garanderen van toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energie voor allen van essentieel belang is om te voldoen aan de basisbehoeften van de mens, essentieel is voor bijna alle vormen van economische bedrijvigheid en een belangrijke drijvende kracht voor ontwikkeling is; roept de EU op het Afrikaanse Initiatief voor hernieuwbare energie (AREI) te blijven ondersteunen en is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een nieuw Europees-Afrikaans onderzoeks- en innovatiepartnerschap inzake klimaatverandering en duurzame energie op te starten;

29.  verzoekt het partnerschap Afrika-EU zich te richten op landbouw en voedselzekerheid met een langetermijnperspectief en synergieën tussen voedselzekerheid en klimaatacties te bevorderen; dringt er in dit verband bij de EU op aan haar steun aan duurzame landbouw, agrobosbouw en agro-ecologische methoden op te schroeven, met eerbiediging van traditioneel landgebruik, en de toegang tot land, water en open-sourcezaden te waarborgen; roept de EU er eveneens toe op kleinschalige producenten/landbouwers en nomadische veehouders te steunen bij het verwezenlijken van voedselzekerheid middels de opbouw van en investeringen in infrastructuur in overeenstemming met de Beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen van het CFS, en de oprichting van coöperaties te ondersteunen; wijst eveneens op de capaciteiten en de ervaring die maatschappelijke organisaties op communautair niveau hebben opgedaan met betrekking tot duurzame energie;

30.  is verheugd over de initiatieven van de EU om een beter beheer en een transparantere handel van de natuurlijke hulpbronnen te eisen; is van mening dat landen met veel grondstoffen en hun bevolking door middel van een duurzaam beheer van en duurzame handel in natuurlijke hulpbronnen – zoals mineralen, hout en wilde dieren – daar meer van kunnen profiteren; herhaalt zijn verzoek om in het kader van de EU-wetgeving inzake conflictmineralen aanvullende maatregelen te nemen met het oog op een geïntegreerde benadering die bijdraagt tot de toepassing van internationale zorgvuldigheidsnormen, zoals omschreven in de richtsnoeren van de OESO; pleit voor het uitwerken van een gemeenschappelijk handvest van de EU en Afrika over duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen;

Economische weerbaarheid

31.  meent dat een stabiel institutioneel en regelgevend kader en een gezonde economie van essentieel belang zijn voor de versterking van het concurrentievermogen, de investeringen, het creëren van banen, de verbetering van de levensstandaard en duurzame groei; beklemtoont in dit verband dat de digitale toegankelijkheid van informatie over het vennootschapsrecht moet worden verbeterd; wijst er nogmaals op dat economische groei zonder een onpartijdige staat geen garantie vormt voor sociale ontwikkeling of vooruitgang en dringt aan op de herverdeling van rijkdom, de verlening van diensten aan burgers en de verbetering van gelijke kansen;

32.  roept op tot nauwere samenwerking tussen de Europese en de Afrikaanse privésector en tot het concentreren van investeringen, met name via publiek-private partnerschappen, op basis van een strikte ethische code en de eerbiediging van de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, in belangrijke sectoren zoals:

   duurzame energie, waaronder toegang tot elektriciteit voor iedereen,
   basisinfrastructuur, met name in de vervoersector, met inbegrip van maritiem vervoer,
   duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
   duurzame landbouw,
   de "blauwe economie", waaronder de maritieme industrie,
   onderzoek, wetenschap, technologie en innovatie, zowel met betrekking tot onderwerpen van gemeenschappelijk belang als onderwerpen die vooral een van beide continenten aangaan, zoals armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten,
   digitalisering als een cruciale factor voor de ontwikkeling van de Afrikaanse economie, maar ook voor het verbinden van volkeren;

33.  benadrukt dat regionale integratie een drijvende kracht achter economische ontwikkeling vormt en noodzakelijk is in een geglobaliseerde wereld; dringt aan op steun voor een Zuid-Zuid-samenwerking die beantwoordt aan de geleidelijke transformatie van het Afrikaanse continent; steunt de oprichting van een continentale vrijhandelszone in Afrika, evenals de doelstelling om de handel binnen Afrika tegen 2050 te verhogen tot 50 %; herinnert eveneens aan de ontwikkelingsperspectieven die worden geboden door economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) en de handelsovereenkomsten tussen de EU en Afrikaanse landen, die de mogelijkheid bieden om duurzame ontwikkeling, de mensenrechten en eerlijke en ethische handel te bevorderen; onderstreept dat gezorgd moet worden voor regels van oorsprong die de ontwikkeling ondersteunen, effectieve vrijwaringsclausules, asymmetrische liberaliseringsprogramma's, de bescherming van opkomende industrieën, en de vereenvoudiging en transparantie van douaneprocedures; herinnert eraan dat EPO's tot doel hebben de ACS-landen te helpen hun markten te vergroten, de uitwisseling van goederen aan te moedigen en investeringen te stimuleren, en dat ze voorzien in een trage, geleidelijke en asymmetrische openstelling van de goederenhandel tussen de EU en de ACS-landen;

34.  verzoekt om transparantie in handelsovereenkomsten en om de volledige deelname van alle belanghebbenden – inclusief het maatschappelijk middenveld in de betrokken landen, door middel van officiële raadplegingen – aan toekomstige onderhandelingen en aan de uitvoering van overeenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld;

35.  vraagt de EU en de lidstaten hun programma's voor hulp voor handel beter op elkaar af te stemmen en te zorgen voor meer synergie met hun investeringsbeleid in Afrika; vraagt ze voorts hun financiële engagement ten aanzien van hulp voor handel en initiatieven voor technische bijstand en capaciteitsopbouw te vergroten, aangezien deze essentieel zijn voor Afrikaanse landen en met name de minst ontwikkelde landen;

36.  is van oordeel dat de privésector, van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) tot coöperaties en multinationals, een beslissende rol speelt bij het scheppen van werkgelegenheid en bij het ontwikkelingsproces, en bijdraagt aan de financiering daarvan; benadrukt de bijzondere rol van kmo's en kleine familiebedrijven, en pleit voor steun voor eigen initiatieven; is in dit verband ingenomen met de oprichting van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, dat gericht moet zijn op het ondersteunen van de privésector in de Afrikaanse landen, in het bijzonder lokale ondernemingen en kmo's in fragiele staten, en zo investeringen en het scheppen van duurzame werkgelegenheid moet bevorderen, met name voor vrouwen en jongeren;

37.  herinnert aan de verplichtingen waaraan de particuliere sector moet voldoen in het kader van de richtsnoeren van de Verenigde Naties en de OESO, en herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten van de EU en de AU om constructief deel te nemen aan de intergouvernementele werkgroep van de VN inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, om zo tot een internationaal bindend verdrag te komen dat gebaseerd is op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, wat betreft de wijze waarop ondernemingen mensenrechten en hun verplichtingen op het gebied van sociale, arbeids- en milieunormen in acht moeten nemen;

38.  benadrukt dat fatsoenlijke banen moeten worden gecreëerd en dat deze moeten worden gekoppeld aan investeringen, en dat dit binnen het kader van het partnerschap Afrika-EU moet gebeuren; dringt in dit verband aan op naleving van de IAO-normen; onderstreept het belang van de wisselwerking tussen sociale, economische en institutionele actoren, en pleit ervoor de rol van de sociale partners te vergroten door de doeltreffendheid van de sociale dialoog op alle niveaus te stimuleren, hetgeen bevorderlijk is voor collectieve onderhandelingen;

39.  betreurt dat elk jaar ongeveer 50 miljard USD Afrika verlaat in de vorm van illegale geldstromen, wat meer is dan het totaalbedrag van de jaarlijkse officiële ontwikkelingshulp, en de inspanningen voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten ondermijnt; verzoekt beide partijen bijgevolg om:

   te voorzien in doeltreffende instrumenten voor de bestrijding van belastingontduiking, belastingfraude en corruptie, en openbare transparantie te bieden over wie de uiteindelijke begunstigde is van juridische entiteiten, trusts en soortgelijke constructies,
   de door de VN ondersteunde beginselen voor verantwoord investeren te onderschrijven,
   steun te verlenen voor initiatieven ter verbetering van de efficiëntie en transparantie van openbare financiële beheersystemen;

40.  roept er voorts toe op de VN-richtsnoeren inzake schulden en mensenrechten alsook de beginselen voor het bevorderen van het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van overheidskrediet van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) doeltreffend ten uitvoer te leggen; is ingenomen met de inspanningen van de Verenigde Naties voor een internationaal schuldherstructureringsmechanisme;

41.  pleit voor meer financiële inclusie in Afrika, ook van vrouwen, via de ontwikkeling van elektronisch bankieren, teneinde de polarisatie van de Afrikaanse samenleving tegen te gaan; herinnert eraan dat geldovermakingen een grotere geldstroom naar ontwikkelingslanden vormen dan de totale officiële ontwikkelingshulp en een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren tot de verwezenlijking van Agenda 2030; spoort de EU er daarom toe aan de inspanningen van de AU ter verbetering van geldovermakingsmechanismen verder te ondersteunen;

Sociale weerbaarheid

42.  erkent het belang van de demografische dynamiek in Afrika, die vraagt om een strategische visie op lange termijn om duurzame, inclusieve en participatieve samenlevingen te ontwikkelen; benadrukt eveneens dat niet-discriminatie moet worden gegarandeerd van kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap en inheemse volkeren; erkent dat de bevolkingsgroei in Afrika een uitdaging vormt voor de lokale economie maar eveneens een kans voor het continent; verzoekt de EU derhalve zich te engageren voor de bevordering van passend overheidsbeleid en investeringen in onderwijs en gezondheidszorg, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, zodat jonge mensen weloverwogen beslissingen kunnen nemen met betrekking tot hun seksuele en reproductieve gezondheid, gendergelijkheid en kinderrechten, zonder welke geen sociale, economische en ecologische veerkracht kan worden bereikt;

43.  benadrukt dat de verstedelijking in Afrika continu toeneemt en een uitdaging vormt voor de samenleving, de economie en het milieu; vraagt om oplossingen voor deze stedelijke druk en roept ertoe op om de problemen van ongebreidelde verstedelijking te verlichten;

44.  verzoekt de EU en de AU de Afrikaanse nationale onderwijsstelsels te versterken, met inbegrip van de capaciteit van de bestuurlijke structuren, door minstens 20 % van hun nationale begroting te investeren in onderwijs en de steun van de EU aan het wereldwijde partnerschap voor onderwijs (Global Partnership for Education, GPE) en het fonds Education Cannot Wait (ECW) te verhogen;

45.  onderstreept de noodzaak van universele, inclusieve en billijke toegang op de lange termijn tot kwalitatief onderwijs op alle niveaus, vanaf de vroege kinderjaren en voor iedereen, met bijzondere aandacht voor meisjes, ook in crisis- en noodsituaties;

46.  benadrukt dat er in menselijk kapitaal moet worden geïnvesteerd en dat de jeugd vertrouwd moet worden gemaakt met de mondiale realiteit en over vaardigheden moet beschikken die beantwoorden aan de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt, door het bevorderen van onderwijsstelsels en beroepsopleidingen (zowel formele als informele), zelfstandigheid en ondernemerschap;

47.  acht het belangrijk de Afrikaanse landen te steunen bij het invoeren van performante gezondheidszorgstelsels en het waarborgen van kwaliteitsvolle gezondheidsdiensten voor iedereen, en met name bij het wegnemen van de belemmeringen voor vrouwen en andere kwetsbare groepen, zoals kinderen, mensen met een handicap en LGBTI;

48.  roept op tot de invoering van een minimale universele dekking van de gezondheidszorg via de oprichting van nationale horizontale gezondheidszorgstelsels; benadrukt dat op basis van de huidige tendens een miljoen geschoolde zorgverleners méér moet worden opgeleid dan aanvankelijk gepland om tegen 2030 aan de minimumeisen van de WHO te voldoen;

49.  benadrukt dat infectieziekten een ernstige bedreiging vormen voor de sociale veerkracht; vraagt de Commissie de inspanningen op het vlak van wetenschappelijke en medische samenwerking tussen de beide continenten op te voeren, zoals het partnerschapsprogramma voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP2), en te investeren in wetenschap, technologie en innovatie om via ontwikkelingssamenwerking het hoofd te bieden aan de nog steeds enorme last van armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten;

50.  wijst er andermaal op dat meer moet worden geïnvesteerd in de toegang tot kraamzorg en seksuele en reproductieve gezondheid om moeder- en kindersterfte terug te dringen en traditionele praktijken zoals genitale verminking van vrouwen en gedwongen en/of kindhuwelijken aan te pakken;

51.  onderstreept het belang van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen in de samenwerking tussen de EU en Afrika; benadrukt de positieve rol en participatie van vrouwen in het politieke en economische domein, conflictpreventie en de opbouw van duurzame vrede;

52.  merkt op dat cultuur zowel een facilitator als een belangrijk onderdeel is van ontwikkeling, en dat het een instrument kan zijn voor sociale inclusie, vrijheid van meningsuiting, identiteitsopbouw, burgeremancipatie en het voorkomen van conflicten, en tegelijkertijd de economische groei versterkt; nodigt daarom de EU en de AU uit de interculturele politieke dialoog en de culturele diversiteit te bevorderen en steun te verlenen aan strategieën voor de bescherming van cultuur en erfgoed; beklemtoont dat democratie een universele waarde is die in alle culturen kan worden ingepast; erkent evenzo de rol van sport als bron en stimulans van sociale integratie en gendergelijkheid;

Opzet van een strategie voor mobiliteit en migratiestromen die bijdragen aan de ontwikkeling van de twee continenten

53.  herinnert eraan dat migratie en mobiliteit tussen en binnen Europa en Afrika invloed hebben op economisch, sociaal, politiek en milieugebied, en dat deze uitdaging op gecoördineerde en integrale wijze door de twee continenten moet worden aangegaan, in samenwerking met landen van herkomst, doorreis en bestemming; meent dat synergieën hierbij maximaal moeten worden benut en gebruik moet worden gemaakt van alle relevante EU-beleidslijnen en ‑instrumenten, op basis van solidariteit, het delen van verantwoordelijkheden, respect en menselijke waardigheid; wijst er in dit verband op dat de dialoog tussen Afrika en de EU moet worden aangescherpt vóór aanvang van de onderhandelingen over de twee Global Compacts over respectievelijk migratie en vluchtelingen, die tegen 2018 door de VN zullen worden opgesteld, om waar mogelijk gemeenschappelijke prioriteiten te kunnen vaststellen;

54.  herinnert eraan dat het positieve effect van migratie en mobiliteit moet worden vergroot zodat deze verschijnselen worden gezien als instrumenten voor wederzijdse ontwikkeling voor de twee continenten; beklemtoont dat dit vraagt om een zorgvuldig ontworpen, evenwichtige, op feiten gebaseerde en duurzame beleidsreactie met een langetermijnstrategie die rekening houdt met de demografische perspectieven en de onderliggende oorzaken van migratie;

55.  is zich ervan bewust dat gewelddadige conflicten, vervolging, ongelijkheid, schending van mensenrechten, zwak bestuur, corruptie, terrorisme, repressieve regimes, natuurrampen, klimaatverandering, werkloosheid en chronische armoede de voorbije jaren hebben geleid tot verplaatsingen van bevolkingsgroepen en een toename van de migratie naar Europa; wijst er desalniettemin op dat meer dan 85 % van de Afrikaanse migranten die hun land verlaten binnen het Afrikaanse continent blijft;

56.  steunt de verscheidene initiatieven op Europees niveau om de diepere oorzaken van irreguliere migratie aan te pakken, met name migratiepartnerschappen, trustfondsen voor Afrika en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling; dringt erop aan dat de tenuitvoerlegging daarvan wordt gewaarborgd en op flexibele, efficiënte, samenhangende en transparante wijze wordt voortgezet om eventuele synergieën tussen de verschillende instrumenten, programma's en activiteiten te vergroten, zowel in het interne als externe optreden; benadrukt de noodzaak van intensievere samenwerking op het gebied van grensbeheer;

57.  herhaalt zijn verzoek om de bevordering van legale migratie, in overeenstemming met de aanbevelingen van het actieplan van Valletta; benadrukt voorts dat ontwikkelingshulp niet afhankelijk mag zijn van samenwerking op het gebied van migratiezaken;

58.  dringt er bij de lidstaten op aan hun hervestigingsplaatsen aan een groot aantal vluchtelingen aan te bieden; roept in dit verband op tot de oprichting van een Europees hervestigingskader dat eenvoudig uitvoerbaar is voor de lidstaten; roept de Europese Unie en haar lidstaten voorts op samen te werken met en hulp te bieden aan Afrikaanse landen die geconfronteerd worden met vluchtelingenstromen of langdurige crisissituaties, om hun asielcapaciteit en beschermingssystemen te versterken;

59.  verzoekt de lidstaten met klem hun financiële bijdragen aan trustfondsen en andere faciliteiten te verhogen met als doel om inclusieve en duurzame groei te ondersteunen en de werkgelegenheid te stimuleren en op die manier een bijdrage te leveren aan het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie; wenst eveneens dat het Europees Parlement een grotere controlerende rol krijgt om te waarborgen dat migratiepartnerschappen en financieringsinstrumenten verenigbaar zijn met de rechtsgrond, de beginselen en de toezeggingen van de EU;

60.  dringt er bij de EU en de AU op aan de uitwisseling van studenten, onderwijzers, ondernemers en onderzoekers tussen beide continenten te bevorderen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een faciliteit voor de Afrikaanse jeugd op te zetten door het toepassingsgebied van Erasmus+ uit te breiden en een EU-faciliteit voor beroepsonderwijs en ‑opleiding in het leven te roepen; roept op tot een discussie over de erkenning door de EU van getuigschriften en diploma's van Afrikaanse scholen en universiteiten; wijst erop dat het waarborgen van circulaire migratie essentieel is voor duurzame ontwikkeling en voor het voorkomen van een braindrain vanuit het Afrikaanse continent;

61.  erkent de bijzondere positie van de migrantengemeenschappen, zowel in de gastlanden als in de landen van herkomst, wat betreft de overdracht van aanzienlijke fondsen en als ontwikkelingspartner op nationaal en regionaal niveau; zou graag zien dat de migrantengemeenschappen dienstdoen als een bron van informatie die aansluit op de reële behoeften van de betrokkenen, door te wijzen op de gevaren die verband houden met irreguliere migratie en op de uitdagingen met betrekking tot integratie in gastlanden;

o
o   o

62.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie en hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie van de Afrikaanse Unie, de ACS-Raad, het pan-Afrikaans Parlement en het Bureau van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0371.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0246.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0437.

Juridische mededeling