Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2129(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0368/2017

Ingediende teksten :

A8-0368/2017

Debatten :

PV 13/12/2017 - 24
CRE 13/12/2017 - 24

Stemmingen :

PV 14/12/2017 - 8.7
CRE 14/12/2017 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0501

Aangenomen teksten
PDF 206kWORD 57k
Donderdag 14 december 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tenuitvoerlegging van de richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie
P8_TA(2017)0501A8-0368/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2017 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie (2015/2129(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU), artikel 82, lid 2, en artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien de artikelen 7, 8, 24, 47, 48 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, en de protocollen daarbij,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van 25 oktober 2007,

–  gezien het Verdrag inzake cybercriminaliteit van de Raad van Europa van 23 november 2001,

–  gezien de aanneming van een strategie voor de rechten van het kind (2016-2021) door de Raad van Europa,

–  gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(1),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(2),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind(3),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen op internet(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 mei 2012 over een Europese strategie voor een beter internet voor kinderen (COM(2012)0196) en gezien het verslag van de Commissie van 6 juni 2016 getiteld "Definitieve evaluatie van het meerjarenprogramma van de EU betreffende de bescherming van kinderen die het internet en andere communicatietechnologieën gebruiken (programma veiliger internet)" (COM(2016)0364),

–  gezien het verslag van de Commissie van 16 december 2016 waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om te voldoen aan Richtlijn 2011/93/EU (COM(2016)0871), en het verslag van de Commissie van 16 december 2016 waarin de tenuitvoerlegging wordt beoordeeld van de maatregelen bedoeld in artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU (COM(2016)0872),

–  gezien de dreigingsevaluatie van Europol van 2016 inzake door internet gefaciliteerde georganiseerde criminaliteit (Internet Organised Crime Threat Assessment, iOCTA),

–  gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten van 27 februari 2017 getiteld "Kindvriendelijke justitie: vooruitzichten en ervaringen van kinderen die bij gerechtelijke procedures betrokken waren als slachtoffer, getuige of partij in negen EU-lidstaten",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 april 2017 getiteld "De bescherming van migrerende kinderen" (COM(2017)0211),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0368/2017),

A.  overwegende dat seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen ernstige schendingen vormen van de grondrechten, in het bijzonder van het recht van kinderen op de voor hun welzijn noodzakelijke bescherming en zorg, zoals vastgelegd in het VN‑Verdrag van 1989 inzake de rechten van het kind en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

B.  overwegende dat bij de implementatie van maatregelen ter bestrijding van deze misdrijven, overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, de belangen van het kind op de eerste plaats moeten komen;

C.  overwegende dat Richtlijn 2011/93/EU een alomvattend juridisch instrument betreft waarvan de bepalingen inzake materieel strafrecht en strafrechtelijke procedures, maatregelen voor hulp aan en bescherming van slachtoffers en voor de preventie, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, en de uitvoering ervan een nauwe samenwerking vereisen met actoren uit verschillende sectoren zoals de rechtshandhavingsinstanties, het gerechtelijk apparaat, ouder- en gezinsverenigingen die zich inzetten voor de bescherming van minderjarigen, niet-gouvernementele organisaties, internetproviders en dergelijke;

D.  overwegende dat het uitvoeringsverslag van de Commissie geen statistieken bevat met betrekking tot de verwijdering en blokkering van websites die beelden van seksueel misbruik van kinderen bevatten of verspreiden, met name statistieken betreffende de snelheid waarmee inhoud wordt verwijderd, de frequentie waarmee meldingen worden opgevolgd door rechtshandhavingsinstanties, de vertragingen bij verwijdering als gevolg van de noodzaak om verstoring van lopende onderzoeken te vermijden, of de frequentie waarmee dergelijke opgeslagen gegevens feitelijk door gerechtelijke of rechtshandhavingsinstanties worden gebruikt;

E.  overwegende dat het feit dat slachtoffers misbruik niet vaak genoeg melden de belangrijkste uitdaging is bij het onderzoeken van seksueel misbruik van kinderen; overwegende dat jongens waarschijnlijk minder melding maken van misbruik;

F.  overwegende dat kinderen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting aan meerdere en langdurige fysieke en/of psychologische trauma's lijden die zij ook als volwassene nog met zich kunnen meedragen;

G.  overwegende dat seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen online een evoluerend verschijnsel is en er nieuwe vormen van criminaliteit, zoals "wraakpornografie" en seksuele afpersing, zijn ontstaan op het internet en dat deze door de lidstaten met concrete maatregelen moeten worden aangepakt;

H.  overwegende dat de rechtshandhavingsautoriteiten worden geconfronteerd met uitdagingen door het bestaan van peer‑to‑peer- en private netwerken waarop materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, uitgewisseld wordt; overwegende dat zowel jongens als meisjes in een vroeg stadium bewust moeten worden gemaakt van de risico's en van het belang van de inachtneming van de waardigheid en de privacy van anderen in het digitale tijdperk;

I.  overwegende dat migrantenkinderen, met name meisjes, maar ook een aanzienlijk percentage jongens(5), op de reis naar en na binnenkomst in Europa door toedoen van mensenhandelaars, smokkelaars, drugsdealers, prostitutienetwerken en andere personen of bendes die misbruik maken van hun kwetsbaarheid, in het bijzonder blootgesteld zijn aan seksueel misbruik en seksuele uitbuiting;

J.  overwegende dat grote aantallen kinderen, met name meisjes, maar ook een aanzienlijk percentage jongens, werkzaam zijn in de sector sekstoerisme;

K.  overwegende dat, om in overeenstemming te zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, maatregelen die worden genomen in het kader van overweging 47 van Richtlijn 2011/93/EU over het blokkeren en verwijderen van internetsites, de in artikel 25 van deze richtlijn bedoelde waarborgen moeten bieden;

L.  overwegende dat uit stelselmatige evaluatie en meta-analyse is gebleken dat kinderen met een handicap ongeveer drie keer zo vaak met lichamelijk of seksueel geweld te maken hebben als kinderen zonder handicap;

M.  overwegende dat de term "kinderpornografie" niet geschikt is om de in artikelen 5 en 2, letter c, van Richtlijn 2011/93/EU bedoelde strafbare feiten te omschrijven en schade kan toebrengen aan de minderjarige slachtoffers;

Belangrijkste conclusies en aanbevelingen

1.  veroordeelt krachtig alle vormen van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting van kinderen, alsmede geweld tegen en misbruik van kinderen op alle niveaus; is ingenomen met de aanneming van de strategie voor de rechten van het kind (2016-2021) door de Raad van Europa; roept alle EU-instellingen en lidstaten op passende maatregelen te nemen om alle vormen van lichamelijk en psychologisch geweld, inclusief lichamelijk en seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, te voorkomen en kinderen daartegen te beschermen; roept alle EU-instellingen en lidstaten op gezamenlijk en doelgericht op te treden om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting en in het algemeen alle seksuele misdrijven tegen kinderen uit te bannen; roept de EU-instellingen en de lidstaten op de bescherming van kinderen expliciet als prioriteit te beschouwen bij de programmering en uitvoering van beleidsmaatregelen, die nadelig zouden kunnen zijn voor hen;

2.  is van oordeel dat Richtlijn 2011/93/EU een degelijk en integraal wettelijk kader vormt voor de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen; merkt op dat de lidstaten aanzienlijke problemen hebben gehad bij de omzetting en uitvoering van de richtlijn, met name wat betreft de bepalingen inzake preventie, onderzoek en vervolging, alsmede bij bescherming van en bijstand aan slachtoffers en dat het volledige potentieel van de richtlijn nog niet is benut; verzoekt de lidstaten dringend extra inspanningen te leveren om de richtlijn volledig en effectief om te zetten; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de wettelijke omzetting wordt vertaald in doeltreffende uitvoering, om de bescherming van en bijstand voor minderjarige slachtoffers en nultolerantie voor seksueel misbruik van kinderen te waarborgen;

3.  betreurt het dat de Commissie haar uitvoeringsverslagen niet heeft kunnen indienen binnen de termijn die is vastgesteld in artikel 28 van Richtlijn 2011/93/EU en dat de twee door de Commissie ingediende verslagen alleen ingingen op de omzetting in nationale wetgeving door de lidstaten en geen volledige beoordeling van de naleving van de richtlijn bevatten; verzoekt de lidstaten samen te werken en alle relevante gegevens over de tenuitvoerlegging van de richtlijn, onder meer statistische gegevens, aan de Commissie door te geven;

4.  onderstreept dat de term "materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat" passender is dan "kinderpornografie" voor dergelijke misdrijven tegen kinderen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de term "materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat" te gebruiken in plaats van de term "kinderpornografie"; benadrukt echter dat de nieuwe terminologie in geen geval mag leiden tot een beperking van de misdrijven die worden aangeduid als "kinderpornografie" in artikel 5 van Richtlijn 2011/93/EU in verband met artikel 2, letter c);

5.  betreurt het dat in het uitvoeringsverslag van de Commissie niet wordt vermeld of zij de doeltreffendheid van het INHOPE-systeem bij het overdragen van meldingen naar vergelijkbare meldpunten in derde landen heeft beoordeeld;

6.  betreurt het dat de Commissie geen gegevens heeft verzameld over de soorten blokkering die zijn gebruikt; betreurt het dat er geen gegevens zijn bekendgemaakt over het aantal websites dat in elk land op blokkeringslijsten staat; betreurt het dat er geen beoordeling is van het gebruik van beveiligingsmethoden zoals encryptie om te vermijden dat blokkeringslijsten lekken en zodoende een ernstige averechtse werking krijgen; is verheugd over het feit dat de Commissie, nadat zij in 2011 verplichte blokkering voorstond, dit standpunt uitdrukkelijk heeft opgegeven;

Materieel strafrecht (artikelen 3, 4 en 5 van de richtlijn)

7.  neemt nota van het feit dat de materiële strafbepalingen van Richtlijn 2011/93/EU zijn omgezet door de lidstaten; vindt het niettemin zorgwekkend dat sommige lidstaten niet zijn overgegaan tot een volledige omzetting van de bepalingen inzake strafbare feiten op het gebied van seksuele uitbuiting (artikel 4), strafbare feiten op het gebied van seksueel misbruik, wanneer misbruik wordt gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed (artikel 3, lid 5, onder i), of wanneer misbruik wordt gemaakt van de bijzonder kwetsbare situatie van het kind (artikel 3, lid 5, onder ii), en op het gebied van de aansprakelijkheid van rechtspersonen (artikel 12);

8.  is met name van mening dat de lidstaten alles in het werk moeten stellen om te strijden tegen de straffeloosheid van daders van seksueel misbruik van kinderen en van natuurlijke of rechtspersonen die betrokken zijn bij hulp of medeplichtigheid aan of aansporen tot eender welke vorm van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van kinderen; acht het van het grootste belang dat de lidstaten ervoor zorgen dat zowel natuurlijke als rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld, wanneer het gebrek aan toezicht of controle van een persoon die deel uitmaakt van die rechtspersoon het plegen van misdrijven mogelijk heeft gemaakt of vergemakkelijkt heeft;

9.  maakt zich in het bijzonder zorgen over de gevaren en risico’s die kinderen lopen in de onlineomgeving, in het bijzonder wat betreft de rekrutering van kinderen online, alsook grooming en andere vormen van aansporing; is van mening dat daarom manieren moeten worden gevonden om deze gevaarlijke praktijken op te sporen, te melden en te onderzoeken; benadrukt de noodzaak van het verhogen van het beschermingsniveau van kinderen op internet en vindt dat tegelijkertijd bewustmakings- en voorlichtingsprogramma's inzake de gevaren op het internet moeten worden opgezet;

10.  herinnert de Commissie eraan dat restricties voor online-inhoud in de wet moeten worden verankerd, naar behoren moeten worden gedefinieerd, evenredig en legitiem moeten zijn en een duidelijk doel moeten nastreven;

11.  is bezorgd over het opkomende verschijnsel van livestreaming van seksueel misbruik van kinderen en het feit dat de daders zeer onderlegd en innovatief zijn in het gebruik van geavanceerde technologie; is van mening dat alle lidstaten zich daarom moeten inspannen om innovatieve technische toepassingen te ontwikkelen om toegang tot deze inhoud op te sporen en te blokkeren en dat zij daarnaast de betaling voor dergelijke diensten aan banden moeten leggen;

12.  onderstreept de noodzaak van de aanpak van nieuwe vormen van onlinecriminaliteit, zoals wraakporno en seksuele afpersing, waarvan veel jongeren, met name tienermeisjes, het slachtoffer zijn; verzoekt de rechtshandhavingsinstanties en het gerechtelijk apparaat van de lidstaten concrete maatregelen vast te stellen ter bestrijding van deze nieuwe vorm van criminaliteit en vraagt dat de internetsector, de meldpunten, de ngo's en alle betrokken diensten hun deel van de verantwoordelijkheid op zich nemen bij het zoeken naar oplossingen om deze misdrijven aan te pakken, onder meer een beter gebruik van de beschikbare technologie en de ontwikkeling van nieuwe technologieën om personen die online misdrijven begaan, gemakkelijker te identificeren;

13.  wijst eens te meer op het recht van eenieder om over het lot van zijn of haar persoonsgegevens te beschikken, met name het exclusieve recht op de controle over het gebruik en de bekendmaking van persoonsgegevens en het recht om te worden vergeten, oftewel de mogelijkheid om inhoud die nadelig kan zijn voor zijn of haar eigen waardigheid, direct te laten verwijderen;

14.  benadrukt de noodzaak voor de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om naast "online grooming" ook cyberpredatie en kinderlokking op het internet strafbaar te stellen; herinnert eraan dat de term cyberpredatie betrekking heeft op een situatie waarin een volwassene online communiceert met een minderjarige of iemand waarvan hij denkt dat die minderjarig is, met als doel vervolgens een misdrijf te plegen ten aanzien van deze persoon;

15.  betreurt het dat er geen statistieken zijn verstrekt over de toepassing van strafrechtelijke procedures om in desbetreffende gevallen materiaal in beslag te nemen;

Onderzoek en vervolging

16.  stelt vast dat verscheidene lidstaten de vereiste om misdrijven te vervolgen binnen een voldoende lange periode nadat het slachtoffer meerderjarig is geworden, niet in nationaal recht hebben omgezet; moedigt de lidstaten dan ook aan ervoor te zorgen dat de wettelijke termijnen waarbinnen deze misdrijven gemeld en vervolgd kunnen worden voldoende lang zijn en op zijn minst ingaan vanaf de meerderjarigheid van het kind, om te garanderen dat het misdrijf kan worden vervolgd;

17.  benadrukt het belang van de uitvoering van artikel 17 om ervoor te zorgen dat de rechtsmacht van lidstaten zich uitstrekt tot strafbare feiten die gepleegd zijn door middel van informatie- en communicatietechnologie (ICT) waartoe toegang werd verkregen vanaf hun grondgebied, ongeacht of die technologie zich op hun grondgebied bevindt; onderstreept dat een concrete basis moet worden ontwikkeld voor een gemeenschappelijke EU-aanpak op het gebied van rechterlijke bevoegdheid in cyberspace, zoals gesteld tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 26 januari 2016;

18.  betreurt het dat niet alle in Richtlijn 2011/93/EU genoemde misdrijven in de nationale wetgeving van de lidstaten zijn opgenomen wat extraterritoriale bevoegdheid betreft; betreurt het dat sommige lidstaten garanderen dat strafbare feiten van seksueel misbruik die in het buitenland worden gepleegd, zonder aanklacht van het slachtoffer zullen worden vervolgd; roept de lidstaten op deze tekortkomingen efficiënt aan te pakken;

19.  roept de lidstaten op passende financiële en personele middelen aan rechtshandhavings- en justitiële instanties toe te wijzen om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te bestrijden, onder andere via specifieke opleiding van politiefunctionarissen en opsporingsambtenaren; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer middelen uit te trekken voor de identificatie van slachtoffers en verzoekt de negen lidstaten die artikel 15, lid 4, van Richtlijn 2011/93/EU betreffende de identificatie van slachtoffers nog niet hebben omgezet, dit onverwijld te doen en deze bepaling ten uitvoer te leggen door onderzoeksteams samen te stellen die over passende instrumenten en middelen beschikken;

20.  betreurt het dat er nog steeds geen nauwkeurige statistieken en gegevens zijn over het aantal strafbare feiten dat wordt gepleegd met name op het gebied van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen, als gevolg van het hoge percentage gevallen dat niet wordt gemeld, de nieuwe vorm die de strafbare feiten aannemen en de verschillen in definities en methoden die in de verschillende lidstaten worden gehanteerd;

21.  benadrukt dat een aantal van de grootste problemen waarmee de rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties kampen bij het onderzoek naar en de vervolging van strafbare feiten van seksueel misbruik online, met name voortvloeien uit het grensoverschrijdend karakter van de onderzoeken en de afhankelijkheid van elektronisch bewijsmateriaal; wijst in het bijzonder op de noodzaak om de digitale opsporingstechnieken te verbeteren teneinde het hoge tempo van de technologische ontwikkelingen bij te benen;

22.  verzoekt de lidstaten de samenwerking tussen hun rechtshandhavingsinstanties te versterken, onder meer door meer gebruik te maken van gezamenlijke onderzoeksteams; vraagt de autoriteiten dat zij erkennen dat, wanneer al te veel wordt teruggevallen op meldpunten en de industrie, dit een averechts effect kan hebben en dat de strijd tegen materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, op die manier alleen maar wordt uitbesteed;

23.  verzoekt de lidstaten de bepalingen van Richtlijn 2011/93/EU op een toekomstbestendige manier toe te passen; dringt er bij de industrie en de aanbieders van internetdiensten op aan gebruik te maken van moderne technologie en te investeren in innovatieve oplossingen om meer mogelijkheden te creëren om daders te identificeren en te vervolgen, criminele netwerken online te ontmantelen en slachtoffers te beschermen;

24.  is bezorgd over het gebruik van Carrier Grade NAT (CGNAT) door de aanbieders van internettoegang, waarmee één IP-adres door verscheidene gebruikers tegelijk kan worden gedeeld en waardoor afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid online en het vermogen om de aansprakelijkheid vast te stellen; nodigt de lidstaten uit de aanbieders van internettoegang en de netwerkbeheerders ertoe aan te zetten de nodige maatregelen te nemen om het aantal gebruikers per IP-adres te beperken, het gebruik van CGNAT geleidelijk stop te zetten en de nodige investeringen te doen om de volgende generatie IP-adressen, namelijk versie 6 (IPv6), met spoed in te voeren;

25.  dringt er bij de lidstaten op aan hun politiële en gerechtelijke samenwerking te intensiveren en ten volle gebruik te maken van de bestaande samenwerkingsinstrumenten van Europol, met name in het kader van Analysis Project (AP) Twins en het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit en Eurojust, teneinde succesvolle opsporing en vervolging van daders te waarborgen; benadrukt dat Europol en Eurojust over de nodige middelen dienen te beschikken om hun taak op dit gebied te vervullen en moedigt de lidstaten aan om beste praktijken te delen;

26.  verzoekt de lidstaten de politiële en gerechtelijke samenwerking te intensiveren bij de bestrijding van de smokkel van en handel in migrantenkinderen, die bijzonder kwetsbaar zijn voor mensenhandel en seksuele uitbuiting, vooral meisjes, maar ook jongens; verzoekt om een versterkte samenwerking en snelle uitwisseling van informatie tussen autoriteiten met het oog op het opsporen van vermiste kinderen en de interoperabiliteit van databases; verzoekt alle lidstaten een holistische aanpak te hanteren waarbij alle belanghebbenden worden betrokken en de samenwerking met rechtshandhavingsinstanties, sociale diensten en de burgermaatschappij te versterken; erkent de belangrijke rol van het maatschappelijk middenveld bij het identificeren van kwetsbare kinderen, aangezien is gebleken dat migrantenkinderen weinig vertrouwen hebben in de rechtshandhavingsinstanties;

27.  spoort de lidstaten aan zich meer in te spannen voor de bestrijding van kindersekstoerisme en de daders en medeplichtigen te vervolgen, waarbij de verantwoordelijkheid van alle betrokken actoren in aanmerking wordt genomen;

28.  is van mening dat de lidstaten moeten worden aangemoedigd om een gespecialiseerd internationaal netwerk op te zetten om sekstoerisme te bestrijden in combinatie met maatregelen van de overheid, zoals de invoering van financieringsprogramma's om gezinnen en kinderen die in gevaarlijke gebieden wonen bij te staan;

Preventie (artikelen 22, 23 en 24 van de richtlijn)

29.  verzoekt de lidstaten om invoering van doeltreffende preventie- en interventieprogramma's, met inbegrip van reguliere opleidingsprogramma's voor alle ambtenaren, opvoeders, ouderverenigingen en belanghebbenden die in contact komen met kinderen om het risico op delicten beter te kunnen beoordelen;

30.  roept alle lidstaten op passende maatregelen uit te voeren, zoals bewustmaking van het publiek, preventiecampagnes, opleiding en specifieke onderwijsprogramma's voor de autoriteiten, ouders, leraren, kinderen en minderjarigen – tevens in samenwerking met ouderverenigingen die zich inzetten voor de bescherming van kinderen en minderjarigen, alsook met relevante maatschappelijke organisaties –, om de aandacht te vestigen op mediageletterdheid, online veiligheid en het belang van familiewaarden (bijvoorbeeld wederzijdse verantwoordelijkheid, eerbied en zorg), menselijke waardigheid, zelfrespect en geweldloosheid en in het algemeen het recht van kinderen om tegen alle vormen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting te worden beschermd;

31.  roept de EU-instellingen en de lidstaten op een kinderbeschermingsstelsel in meerdere fasen op te richten dat uitgaat van het belang van het kind en de volledige eerbiediging van zijn of haar grondrechten, teneinde een duidelijke boodschap uit te zenden dat alle vormen van lichamelijk, seksueel en emotioneel misbruik van kinderen onaanvaardbaar en wettelijk strafbaar zijn;

32.  moedigt de lidstaten aan beste praktijken te delen inzake onderwijsmateriaal en opleidingsprogramma's voor alle betrokken spelers, bijvoorbeeld leraren, ouders, opvoeders en rechtshandhavingsinstanties, om de bekendheid met grooming en andere risico's voor de veiligheid van kinderen online te vergroten; moedigt de lidstaten aan ambitieuze onderwijsprogramma's op te zetten die op zowel ouders als minderjarigen zijn gericht, om hen mondiger te maken door hen bewust te maken van de gevaren van het internet en hen aan te moedigen feiten waarvan zij getuige of slachtoffer zijn te melden, met name via telefonische meldpunten die speciaal voor kinderen zijn opgezet; vindt het zeer belangrijk ouders richtsnoeren te geven om te beoordelen welke risico's hun kinderen kunnen lopen en de vroege tekenen van potentieel seksueel misbruik online te herkennen; nodigt de dienstverleners uit hun sensibiliseringsactiviteiten inzake de risico's op het internet te versterken, in het bijzonder met betrekking tot kinderen, door interactieve tools en informatief materiaal te ontwikkelen;

33.  dringt er bij de lidstaten op aan om in hun wetgeving verplichte strafbladcontroles te introduceren voor personen die solliciteren naar een baan of zich opgeven als vrijwilliger voor activiteiten waarbij zij toegang tot of gezag over kinderen hebben en om stelselmatig informatie uit te wisselen over personen die een risico vormen voor kinderen;

34.  spoort de lidstaten aan om informatie uit te wisselen over daders van seksueel misbruik van kinderen om te voorkomen dat zij zich ongemerkt van de ene lidstaat naar de andere verplaatsen voor werk of vrijwilligerswerk met kinderen of in instellingen voor kinderen; moedigt de lidstaten aan om de uitwisseling van informatie over strafrechtelijke veroordelingen en verboden te intensiveren en er ook voor te zorgen dat de gegevens van daders systematisch en coherent in nationale registers worden verzameld; spoort de lidstaten aan hun verplichtingen uit hoofde van artikel 22 van Richtlijn 2011/93/EU na te komen en te zorgen voor doeltreffende academisch getoetste interventieprogramma's en maatregelen voor personen die vrezen dat zij strafbare feiten van seksueel misbruik van kinderen en andere in artikelen 3 tot 7 van de richtlijn genoemde strafbare feiten zouden kunnen plegen;

35.  stelt vast dat sommige lidstaten specifieke operationele systemen en forensische capaciteiten voor het onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen hebben ontwikkeld; stelt evenwel vast dat de meeste lidstaten geen gespecialiseerde onderzoeksdiensten hebben en evenmin over de financiële middelen beschikken om forensische materialen te verwerven, zoals specifieke software die online onderzoek mogelijk maakt; beveelt de EU daarom aan deze diensten te ondersteunen door waar nodig de passende middelen ter beschikking te stellen;

36.  neemt nota van het feit dat de meeste gevallen van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen niet bij de rechtshandhavingsinstanties worden gemeld; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige stappen te ondernemen om de procedures voor de melding van deze strafbare feiten te verbeteren en aan te scherpen en te overwegen systematische mechanismen voor directe melding in te stellen;

37.  verzoekt de lidstaten kinderhulplijnen te ontwikkelen of te versterken die hulp en steun bieden voor kinderen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting en die zorgen voor de eerbiediging van het fundamentele recht van het kind om gehoord te worden; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat deze hulplijnen 24 uur per dag beschikbaar zijn, via verschillende communicatiemiddelen toegankelijk zijn, vertrouwelijk zijn, kosteloos zijn voor de kinderen maar ook voor de hulplijnen zelf, een duidelijke positie hebben binnen de nationale systemen voor bescherming van kinderen en verzekerd zijn van structurele financiering op lange termijn;

Bijstand aan en bescherming van slachtoffers (artikelen 18, 19 en 20 van de richtlijn)

38.  roept de lidstaten op volledig uitvoering te geven aan Richtlijn 2012/29/EU inzake de rechten van slachtoffers van strafbare feiten, specifieke maatregelen te nemen om minderjarige slachtoffers te beschermen en beste praktijken uit te wisselen teneinde te waarborgen dat kinderen passende bijstand en ondersteuning krijgen gedurende de gehele strafprocedure en daarna;

39.  is ingenomen met de beste praktijken inzake de bescherming van kinderen die in sommige lidstaten worden gevolgd, zoals onder andere de kinderhuizen (Barnahus) in Zweden; verzoekt de lidstaten zich te richten op het verlenen van rechtsbijstand, psychologische ondersteuning en bijstand, en de secundaire victimisatie van kinderen te voorkomen; moedigt de lidstaten aan bewustmakingscampagnes te lanceren op zowel regionaal als nationaal niveau om de ondersteuning van minderjarige slachtoffers te bevorderen en om een culturele omslag in de publieke opinie teweeg te brengen om te voorkomen dat de slachtoffers de schuld wordt gegeven, hetgeen het trauma voor slachtoffers van kindermisbruik kan verergeren;

Verwijdering en blokkering (artikel 25)

40.  is ingenomen met het feit dat de lidstaten wetgeving en bestuurlijke maatregelen hebben ingevoerd om webpagina's met materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat die op hun grondgebied zijn gehost, te verwijderen; verzoekt de lidstaten volledige uitvoering te geven aan artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU en prioriteit te verlenen aan de snelle verwijdering bij de bron van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, waarbij de relevante waarborgen zijn ingebouwd; betreurt het dat slechts de helft van de lidstaten bepalingen in de wetgeving hebben opgenomen die het mogelijk maken de toegang tot dergelijke webpagina's te blokkeren voor gebruikers op hun grondgebied; wijst er eens te meer op dat bij de strijd tegen de verspreiding van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, maatregelen voor verwijdering doeltreffender zijn dan blokkering, aangezien bij blokkering de inhoud niet wordt verwijderd;

41.  stelt tot zijn spijt en met bezorgdheid vast dat de Commissie weliswaar heeft vermeld dat sommige lidstaten 16 jaar na de inwerkingtreding van Richtlijn 2000/31/EG (richtlijn e-handel) nog geen functionele procedures voor kennisgeving en verwijdering hebben, maar dat zij niet heeft aangegeven dat maatregelen zullen worden genomen om deze lidstaten te verplichten de EU-wetgeving na te leven;

42.  verzoekt de Commissie verdere stappen te ondernemen om de noodzakelijke informatie te verzamelen om vast te stellen welke procedures worden gevolgd in de lidstaten waar geen functionele procedure voor kennisgeving en verwijdering is en waar niet in strafrechtelijke sancties is voorzien, en vraagt haar inbreukprocedures in te leiden tegen de lidstaten waarvan wordt vastgesteld dat zij de in Richtlijn 2000/31/EG ter zake vastgestelde verplichtingen niet nakomen;

43.  betreurt het dat de Commissie geen evaluatie heeft gemaakt van de veiligheid van blokkeringslijsten, de technologieën die voor blokkering worden gebruikt in de landen die de maatregelen hebben uitgevoerd en de uitvoering van veiligheidsmaatregelen, zoals encryptie, voor de opslag en verstrekking van blokkeringslijsten, en dat zij ook geen degelijke analyse heeft verricht van de doeltreffendheid van deze maatregel;

44.  stelt vast dat Richtlijn 2011/93/EU geen verplichte blokkering voorschrijft; erkent dat blokkering niet uit één technologie bestaat en ook niet betrouwbaar is; pleit voor de verwijdering bij de bron van materiaal dat kindermisbruik, kinderuitbuiting en seksueel misbruik van kinderen bevat, binnen een kader van doeltreffende gerechtelijke en rechtshandhavingsacties;

45.  spoort de lidstaten aan in samenwerking met de internetsector de procedures voor kennisgeving en verwijdering, die nog steeds te lang zijn, te versnellen en partnerschappen met de onlinesector, Europol en Eurojust op te zetten om te voorkomen dat netwerken en systemen worden gehackt en misbruikt voor het verspreiden van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

46.  vraagt dat de lidstaten in gevallen waarin de inhoud in derde landen wordt gehost, hun samenwerking met de betrokken derde landen en met Interpol intensiveren om ervoor te zorgen dat de inhoud in kwestie terstond wordt verwijderd;

47.  pleit ervoor dat zwarte lijsten van webpagina's met materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, op gezette tijden worden bijgewerkt door de betreffende autoriteiten en worden doorgegeven aan aanbieders van internetdiensten om bijvoorbeeld over-blocking te vermijden en evenredigheid te waarborgen; beveelt aan dat de lidstaten dergelijke zwarte lijsten van websites onderling delen via Europol en het Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit van Europol, en via Interpol; is in dit verband van mening dat recent ontwikkelde hashingtechnologie die gebruik maakt van automatische beelddetectie en -herkenning, kan worden toegepast; benadrukt dat elke toegepaste technologie rigoureus moet worden getest om het risico op hacking, misbruik of averechtse effecten te elimineren of ten minste tot een minimum te beperken;

48.  moedigt het INHOPE-netwerk aan met zijn leden samen te werken om een beveiligd mechanisme voor anonieme melding op te zetten op "deep web"-netwerken, zoals de darknetnetwerken op het Tor-netwerk, dat een even hoge norm voor anonimiteit biedt als de mechanismen van persorganisaties voor klokkenluiders om de gebruikers van deze netwerken de mogelijkheid te bieden informatie of verklaringen te verstrekken over materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

49.  dringt er bij de lidstaten op aan internetaanbieders te verplichten materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat en dat zij in hun infrastructuur hebben aangetroffen, proactief te melden aan rechtshandhavingsinstanties alsook aan nationale meldpunten; verzoekt de Commissie haar financiering in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) voort te zetten om meldpunten passende middelen te verstrekken zodat zij kunnen voldoen aan hun opdracht om illegale online inhoud te bestrijden;

50.  erkent de actieve en ondersteunende rol die maatschappelijke organisaties spelen in de bestrijding van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat op het internet, zoals het IINHOPE-netwerk van meldpunten, met inbegrip van de Internet Watch Foundation in het Verenigd Koninkrijk; roept de Commissie op in samenwerking met INHOPE beste praktijken vast te stellen en toe te passen, met name ten aanzien van statistische verslaglegging en doeltreffende interactie met de rechtshandhaving; dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, op aan om dergelijke meldpunten in te stellen en is van mening dat zij het recht moeten hebben om proactief te zoeken naar online materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

51.  dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op aan om onverwijld veilige en kindvriendelijke meldings- en adviessystemen op te zetten, zoals telefonische of computermeldpunten met e‑mailadressen, of tablet- of smartphoneapplicaties, waarmee internetgebruikers melding kunnen maken – ook anoniem – van materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat dat zij online aantreffen, en waarmee deze gemelde inhoud snel kan worden geanalyseerd met het oog op de uitvoering van directe procedures voor kennisgeving en verwijdering en de verwijdering van inhoud die buiten hun grondgebied wordt gehost; vraagt dat deze meldpunten duidelijk worden erkend en versterkt en moedigt de lidstaten aan deze meldpunten voldoende middelen te geven, onder meer passende begrotingen en opgeleide medewerkers met kennis van zaken; is van mening dat deze meldpunten naast het ontvangen van meldingen van het publiek de bevoegdheid moeten hebben proactief te zoeken naar online materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat;

52.  benadrukt dat het noodzakelijk is voorlichtingsprogramma's van de EU te bevorderen en te ondersteunen om burgers de mogelijkheid te bieden online-inhoud die illegaal is of schadelijk voor kinderen, bij de autoriteiten te melden;

53.  verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot de naleving van de richtlijn door de lidstaten, door te voorzien in uitgesplitste en vergelijkbare gegevens betreffende de prestaties van de lidstaten bij de preventie en bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen offline en online; verzoekt de Commissie een meer omvattend verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn over te leggen, dat bijkomende informatie en statistieken moet bevatten over het verwijderen en blokkeren van websites met materiaal dat seksueel misbruik van kinderen bevat, statistieken over de snelheid waarmee illegale inhoud na 72 uur wordt verwijderd en over de opvolging van de gemelde strafbare feiten door de rechtshandhavingsinstanties, de vertragingen bij verwijdering als gevolg van de noodzaak om verstoring van lopende onderzoeken te vermijden, informatie over het gebruik van de opgeslagen gegevens door gerechtelijke of rechtshandhavingsinstanties en over de acties die meldpunten, nadat zij de rechtshandhavingsinstanties hebben ingelicht, hebben ondernomen om de hostingdienstverleners te contacteren; verzoekt zijn bevoegde commissie een hoorzitting te houden over de stand van zaken in verband met de tenuitvoerlegging en eventueel te overwegen een aanvullend verslag over de follow-up van de tenuitvoerlegging van de richtlijn goed te keuren;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(2) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(3) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 57.
(4) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 109.
(5) Uit onderzoeken blijkt dat jongens minder snel geneigd zijn seksueel misbruik te melden, onder andere om redenen die verband houden met de verwachtingen die de samenleving heeft ten aanzien van mannen. Zie bijvoorbeeld de studie van de afdeling Effectbeoordeling achteraf van de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, PE 598.614, blz. 16 en Schaefer, G.A., Mundt, I.A., Ahlers, C.J. en Bahls, C, ‘Child sexual abuse and psychological impairment in victims: results of an online study initiated by victims’, Journal of Child Sex Abuse, Vol. 21, nr. 3, 2012, blz. 343-360.

Juridische mededeling