Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 14 juni 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen ***I
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen
 De noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof
 Verslag 2016 over Servië
 Verslag 2016 over Kosovo
 Verslag 2016 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
 Situatie in de Democratische Republiek Congo
 Stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh

Bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen ***I
PDF 652kWORD 68k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 14 juni 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0482 – C8-0331/2016 – 2016/0231(COD))(1)
P8_TA(2017)0256A8-0208/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering
betreffende klimaatmaatregelen om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering ("Verordening klimaatmaatregelen tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs")
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Visum 1 bis (nieuw)
Gezien Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Visum 1 ter (nieuw)
Gezien Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Op 10 juni 2016 heeft de Commissie het voorstel gepresenteerd voor bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door de EU. Dit wetgevingsvoorstel is onderdeel van de tenuitvoerlegging van de verbintenis van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs. De verbintenis van de Unie om de emissies voor de gehele economie te verminderen is in de op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het UNFCCC ingediende voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie en haar lidstaten bevestigd.
(3)  De Raad heeft de Overeenkomst van Parijs op 5 oktober 2016 bekrachtigd, nadat het Europees Parlement hiermee op 4 oktober 2016 had ingestemd. De Overeenkomst van Parijs is op 4 november 2016 in werking getreden en heeft krachtens artikel 2 tot doel "in de context van duurzame ontwikkeling en inspanningen om armoede uit te bannen, de wereldwijde reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door: a) de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde ruim onder 2 °C te houden ten opzichte van het pre-industriële niveau en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau, daarbij erkennende dat dit de risico's en de gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk beperkt; b) het vermogen te vergroten om zich aan de negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te passen en klimaatbestendigheid en emissie-arme ontwikkeling te bevorderen op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt; c) geldstromen te doen sporen met een traject naar geringe broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling.
De Overeenkomst van Parijs vereist ook dat de partijen maatregelen nemen om, indien van toepassing, putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden.
Dit wetgevingsvoorstel is onderdeel van de tenuitvoerlegging van de verbintenis van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs. De verbintenis van de Unie om de emissies voor de gehele economie te verminderen is in de op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het UNFCCC ingediende voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie en haar lidstaten bevestigd.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden gehandhaafd.
(4)  De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden gehandhaafd. De groene investeringsregelingen in verband met het Protocol van Kyoto, waarbij financiële steun wordt verleend voor projecten voor emissieverlaging in minder welvarende lidstaten, zullen daarom ook worden beëindigd.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  De Raad Milieu sprak op zijn vergadering van 21 oktober 2009 steun uit voor de doelstelling van de Unie om, in het kader van de volgens het Intergouvernementele Panel inzake klimaatverandering (IPPC) noodzakelijk geachte reducties voor de ontwikkelde landen als geheel, de emissies uiterlijk in 2050 met 80 tot 95 % te verminderen in vergelijking met de niveaus van 1990.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Voor de overschakeling naar schone energie zijn veranderingen in het investeringsgedrag en stimuleringsmaatregelen op alle beleidsgebieden noodzakelijk. Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen om haar burgers betrouwbare, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te leveren. Om dat te bereiken, is voortzetting van een ambitieus klimaatbeleid met deze verordening en vooruitgang betreffende andere aspecten van de energie-unie noodzakelijk, zoals in de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering16 is uiteengezet.
(5)  Voor de overschakeling naar schone energie en de bio-economie zijn veranderingen in het investeringsgedrag op alle beleidsgebieden noodzakelijk, alsook stimulansen voor minder kapitaalkrachtige kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en kleine landbouwbedrijven zodat deze hun bedrijfsmodellen kunnen aanpassen. Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen waarin energie-efficiëntie op de eerste plaats komt en die ernaar streeft haar burgers betrouwbare, duurzame en betaalbare energie te leveren en een streng duurzaamheids- en emissiereductiebeleid te voeren met als doel fossiele hulpbronnen te vervangen door biogrondstoffen. Om dat te bereiken, is voortzetting van een ambitieus klimaatbeleid met deze verordening en vooruitgang betreffende andere aspecten van de energie-unie noodzakelijk, zoals in de kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering16 is uiteengezet.
__________________
__________________
16 COM(2015)0080
16 COM(2015)0080
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  De aanpak van de jaarlijkse bindende nationale doelstellingen die in Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad19 wordt gehanteerd, moet van 2021 tot en met 2030 worden gehandhaafd, waarbij de trajectberekening begint in 2020 op basis van de gemiddelde broeikasgasemissies tijdens de periode 2016 tot en met 2018, en het eind van het traject voor elke lidstaat de doelstelling voor 2030 is. Voor de lidstaten met een positieve doelstelling volgens Beschikking 406/2009/EG en toenemende jaarlijkse emissieruimten tussen 2017 en 2020 volgens Besluit 2013/162/EU en Besluit 2013/634/EU is voorzien in een aanpassing van de ruimte in 2021, zodat de capaciteit voor toenemende broeikasgasemissies tijdens die jaren wordt weerspiegeld. De Europese Raad concludeerde dat de beschikbaarheid en het gebruik van de bestaande flexibiliteitsinstrumenten binnen de niet-ETS-sectoren aanzienlijk moeten worden verhoogd om ervoor te zorgen dat de collectieve inspanning van de EU kosteneffectief is en dat de emissies per hoofd van de bevolking uiterlijk tegen 2030 convergeren.
(9)  De aanpak van de jaarlijkse bindende nationale doelstellingen die in Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad19 wordt gehanteerd, moet van 2021 tot en met 2030 worden gehandhaafd, waarbij de trajectberekening begint in 2018 op basis van de gemiddelde broeikasgasemissies tijdens de periode 2016 tot en met 2018 of, als deze waarde lager ligt, op basis van de waarde van de jaarlijkse emissieruimte voor 2020, en het eind van het traject voor elke lidstaat de doelstelling voor 2030 is. Om vroegtijdig optreden te belonen en lidstaten met minder investeringscapaciteit te ondersteunen, kunnen lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking onder het Uniegemiddelde die tijdens de periode 2013 tot en met 2020 een lagere uitstoot hebben dan hun bij Beschikking nr. 406/2009/EG vastgestelde jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013 tot en met 2020, onder bepaalde voorwaarden om aanvullende ruimten uit een reserve verzoeken. Voor de lidstaten met een positieve doelstelling volgens Beschikking nr. 406/2009/EG en toenemende jaarlijkse emissieruimten tussen 2017 en 2020 volgens Besluit 2013/162/EU en Besluit 2013/634/EU is voorzien in een aanvullende aanpassing van de ruimte in 2021, zodat de capaciteit voor toenemende broeikasgasemissies tijdens die jaren wordt weerspiegeld. De Europese Raad concludeerde dat de beschikbaarheid en het gebruik van de bestaande flexibiliteitsinstrumenten binnen de niet-ETS-sectoren aanzienlijk moeten worden verhoogd om ervoor te zorgen dat de collectieve inspanning van de EU kosteneffectief is en dat de emissies per hoofd van de bevolking uiterlijk tegen 2030 convergeren.
_________________
_________________
19 Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
19 Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Om de Unie op weg te zetten naar een koolstofarme economie voorziet deze verordening in een emissiereductietraject voor de lange termijn om de onder deze verordening vallende broeikasgasemissies vanaf 2031 te verminderen. De verordening draagt ook bij aan het doel van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van deze eeuw een balans tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Om te waarborgen dat de bij Besluit (EU) 2015/18141 bis van het Europees Parlement en de Raad ingestelde marktstabiliteitsreserve volledig doeltreffend blijft, mag bij de vaststelling van het totale aantal in een bepaald jaar in omloop zijnde emissierechten overeenkomstig Besluit (EU) 2015/1814 de annulering van emissierechten als gevolg van het gebruik van de in deze verordening bepaalde flexibiliteit ingevolge de vermindering van EU-ETS-emissierechten niet worden meegerekend als emissierechten die overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG zijn geannuleerd.
____________________________
1 bis Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU‑regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1).
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Een reeks maatregelen van de Unie helpt de lidstaten hun klimaatverbintenissen na te komen en is van essentieel belang om de noodzakelijke emissiereducties te verwezenlijken in de sectoren die onder deze verordening vallen. Deze omvatten de wetgeving inzake gefluoreerde broeikasgassen, de reductie van CO2-emissies van wegvoertuigen, de energieprestatie van gebouwen, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en de circulaire economie, alsook de financieringsinstrumenten van de Unie voor klimaatgerelateerde investeringen.
(11)  Een reeks maatregelen van de Unie helpt de lidstaten hun klimaatverbintenissen na te komen en is van essentieel belang om de noodzakelijke emissiereducties te verwezenlijken in de sectoren die onder deze verordening vallen. Deze omvatten de wetgeving inzake gefluoreerde broeikasgassen, de reductie van CO2-emissies van wegvoertuigen, de verbetering van de energieprestaties van gebouwen, de toename van hernieuwbare energie, de vergroting van de energie-efficiëntie en de bevordering van de circulaire economie, alsook de financieringsinstrumenten van de Unie voor klimaatgerelateerde investeringen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  Om deze emissiereducties te realiseren en de rol van de landbouwsector zo groot mogelijk te maken, is het belangrijk dat de lidstaten innoverende mitigatiemaatregelen met het grootste potentieel bevorderen, waaronder: de conversie van bouwland in blijvend grasland; het beheer van heggen, bufferstroken en bomen op landbouwgrond; nieuwe regelingen inzake agrobosbouw en bosaanplanting; de preventie van het verwijderen van bomen en van ontbossing; weinig of geen grondbewerking en gebruik van bodembedekking/tussenteelt en gewasresten op het land; koolstofaudits en beheersplannen voor bodems/nutriënten; meer stikstofefficiëntie en remming van de nitrificatie; herstel en bescherming van wetland/veengrond; en verbeterde methoden voor het fokken, voederen en beheer van vee met het oog op lagere emissies.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 ter (nieuw)
(11 ter)  Deze verordening, met inbegrip van de beschikbare flexibiliteit, zorgt voor een stimulans voor emissiereducties die aansluit bij andere rechtshandelingen van de Unie op het gebied van klimaat en energie voor sectoren die onder deze verordening vallen, waaronder op het gebied van energie-efficiëntie. Aangezien meer dan 75 % van de broeikasgasemissies energiegerelateerd is, zullen een efficiënter energiegebruik en energiebesparingen een belangrijke rol spelen bij het verwezenlijken van dergelijke emissiereducties. Een ambitieus energie-efficiëntiebeleid is daarom van groot belang, niet alleen om te besparen op de invoer van fossiele brandstoffen, wat zorgt voor energiezekerheid en lagere energierekeningen voor de consument, maar ook om meer gebruik te maken van energiebesparende technologieën in gebouwen, de industrie en het vervoer, om het economische concurrentievermogen te versterken, om lokale banen te creëren, om de volksgezondheid te verbeteren en om energiearmoede tegen te gaan. Maatregelen in onder deze verordening vallende sectoren betalen zich in de loop van de tijd terug en zijn een kosteneffectieve manier om de lidstaten te helpen hun doelstellingen krachtens deze verordening te halen. Wanneer de lidstaten deze verordening in nationaal beleid omzetten, is het belangrijk dat zij bijzondere aandacht besteden aan de specifieke en verschillende mogelijkheden om in alle sectoren voor meer energie-efficiëntie en investeringen te zorgen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 quater (nieuw)
(11 quater)   De vervoerssector is niet alleen verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de uitstoot van broeikasgassen, maar is sinds 1990 ook de snelst groeiende sector op het gebied van energieconsumptie. Daarom is het belangrijk dat de Commissie en de lidstaten meer inspanningen leveren om de energie-efficiëntie te verbeteren, een verschuiving naar duurzame vervoerswijzen te bevorderen en de hoge koolstofafhankelijkheid van de sector te verlagen. De bevordering van emissiearme energie in de vervoerssector, bijvoorbeeld door middel van duurzame biobrandstoffen en elektrische voertuigen, zal de energiemix koolstofarm helpen maken en zal bijdragen tot de CO2-emissiereductiedoelstelling, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Dat kan worden vereenvoudigd door te waarborgen dat de sector over een duidelijk langetermijnkader beschikt dat zekerheid biedt en waarop investeringen kunnen worden gebaseerd.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 quinquies (nieuw)
(11 quinquies)   De impact van energiebeleid en sectorale beleidslijnen op zowel de klimaatverbintenissen van de Unie als nationale klimaatverbintenissen moet worden beoordeeld aan de hand van gemeenschappelijke kwantitatieve methoden, zodat de beleidsimpact transparant en verifieerbaar is.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Verordening [] [inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030] stelt de boekhoudregels vast met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen die verband houden met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF). Waar het milieuresultaat uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de niveaus van de gerealiseerde broeikasgasemissiereductie wordt beïnvloed door het meerekenen van een hoeveelheid die maximaal de som bedraagt van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissie van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland als gedefinieerd in Verordening [], moet er flexibiliteit worden ingebouwd voor een maximale hoeveelheid van 280 miljoen ton CO2-equivalent van deze verwijderingen die overeenkomstig de cijfers in bijlage III tussen de lidstaten zijn verdeeld, als eventuele extra mogelijkheid voor de lidstaten om aan hun verbintenissen te voldoen. Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van artikel 7 teneinde de bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond in het kader van de in dat artikel genoemde flexibiliteit te weerspiegelen. Alvorens een dergelijke gedelegeerde handeling vast te stellen moet de Commissie evalueren hoe solide de boekhouding voor beheerde bosgrond is op basis van de beschikbare gegevens en met name in hoeverre de verwachte en de werkelijke kapcijfers met elkaar overeenstemmen. Daarbij moet in het kader van deze verordening de mogelijkheid worden geboden om vrijwillig jaarlijkse emissieruimte-eenheden te verwijderen zodat met dergelijke hoeveelheden kunnen worden meegerekend bij de beoordeling van de naleving van de verplichtingen uit hoofde van Verordening [] door de lidstaten.
(12)  Verordening [] [inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030] stelt de boekhoudregels vast met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen die verband houden met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF). Waar het milieuresultaat uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de niveaus van de gerealiseerde broeikasgasemissiereductie wordt beïnvloed door het meerekenen van een hoeveelheid die maximaal de som bedraagt van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissie van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland en, in voorkomend geval, beheerde wetlands als gedefinieerd in Verordening [], moet er flexibiliteit worden ingebouwd voor een maximale hoeveelheid van 280 miljoen ton CO2-equivalent van deze verwijderingen die overeenkomstig de cijfers in bijlage III tussen de lidstaten zijn verdeeld, als eventuele extra mogelijkheid voor de lidstaten om aan hun verbintenissen te voldoen. Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd ten aanzien van artikel 7 teneinde een evenwichtige bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond in het kader van de in dat artikel genoemde flexibiliteit van 280 miljoen ton te weerspiegelen. Alvorens een dergelijke gedelegeerde handeling vast te stellen moet de Commissie evalueren hoe solide de boekhouding voor beheerde bosgrond is op basis van de beschikbare gegevens en met name in hoeverre de verwachte en de werkelijke kapcijfers met elkaar overeenstemmen. Daarbij moet in het kader van deze verordening de mogelijkheid worden geboden om vrijwillig jaarlijkse emissieruimte-eenheden te verwijderen zodat met dergelijke hoeveelheden kunnen worden meegerekend bij de beoordeling van de naleving van de verplichtingen uit hoofde van Verordening [] door de lidstaten.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Om op een wederzijds coherente manier de verschillende Uniedoelstellingen in verband met de landbouw te behalen, waaronder beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, de luchtkwaliteit, het behoud van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten en steun voor plattelandseconomieën, zijn andere investeringen en stimulansen nodig, ondersteund door Uniemaatregelen zoals het GLB. Het is van essentieel belang dat deze verordening acht slaat op de doelstelling van de bosbouwstrategie van de Unie om een concurrerende en duurzame toevoer van hout voor de bio-economie van de Unie te bevorderen, alsook aan die van het nationale bosbouwbeleid van de lidstaten, de biodiversiteitsstrategie van de Unie en de strategie van de Unie inzake de circulaire economie.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Om te zorgen voor efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en van andere informatie die noodzakelijk is om de voortgang van de lidstaten met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten te beoordelen, worden de voorschriften voor de jaarlijkse rapportage en evaluatie van deze verordening geïntegreerd in de desbetreffende artikelen van Verordening (EU) nr. 525/2013 die derhalve dienovereenkomstig moet worden gewijzigd. De wijziging van deze verordening moet er tevens voor zorgen dat de jaarlijkse evaluatie van de voortgang van de lidstaten op het gebied van emissiereductie wordt gehandhaafd, rekening houdend met de vorderingen bij de beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie en met informatie die door de lidstaten wordt verstrekt. Om de twee jaar moet de evaluatie betrekking hebben op de verwachte vooruitgang van de Unie bij het nakomen van haar reductieverbintenissen en van de lidstaten bij het voldoen aan hun verplichtingen. De toepassing van de aftrekkingen moet echter slechts om de vijf jaar in acht worden genomen zodat met de mogelijke bijdrage van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland uit hoofde van Verordening [] rekening kan worden gehouden. Dit laat de taak van de Commissie om te verzekeren dat de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening nakomen, of de bevoegdheid van de Commissie om daartoe een inbreukprocedure in te leiden, onverlet.
(13)  Om te zorgen voor efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en van andere informatie die noodzakelijk is om de voortgang van de lidstaten met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten te beoordelen, worden de voorschriften voor de jaarlijkse rapportage en evaluatie van deze verordening geïntegreerd in de desbetreffende artikelen van Verordening (EU) nr. 525/2013 die derhalve dienovereenkomstig moet worden gewijzigd. De wijziging van die verordening moet er tevens voor zorgen dat de jaarlijkse evaluatie van de voortgang van de lidstaten op het gebied van emissiereductie wordt gehandhaafd, rekening houdend met de vorderingen bij de beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie en met informatie die door de lidstaten wordt verstrekt. Om de twee jaar moet de evaluatie betrekking hebben op de verwachte vooruitgang van de Unie bij het nakomen van haar reductieverbintenissen en van de lidstaten bij het voldoen aan hun verplichtingen. Om de twee jaar moet een volledige nalevingscontrole worden uitgevoerd. De toepassing van de mogelijke bijdrage van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland uit hoofde van Verordening [] moet in acht worden genomen overeenkomstig de in die verordening vastgestelde tussenpozen. Dit laat de taak van de Commissie om te verzekeren dat de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening nakomen, of de bevoegdheid van de Commissie om daartoe een inbreukprocedure in te leiden, onverlet.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   Aangezien meer dan de helft van de broeikasgasemissies van de Unie wordt veroorzaakt door de sectoren die onder deze verordening vallen, is het emissiereductiebeleid van deze sectoren van groot belang om aan de verbintenissen van de Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te kunnen voldoen. De in deze verordening neergelegde procedures voor monitoring, rapportering en follow-up moeten dan ook volledig transparant zijn. De lidstaten en de Commissie moeten alle informatie met betrekking tot de naleving van deze verordening openbaar maken en ervoor zorgen dat de belanghebbenden en de bevolking naar behoren worden betrokken bij de herziening van deze verordening. Voorts wordt de Commissie verzocht een doeltreffend en transparant systeem te ontwikkelen om toezicht te houden op het resultaat van de ingevoerde flexibiliteit.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Om de algemene kosteneffectiviteit van de totale vermindering te verhogen, moeten de lidstaten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte aan andere lidstaten kunnen overdragen. De transparantie van dergelijke overdrachten moet worden verzekerd en zij moeten kunnen worden uitgevoerd op een voor beide partijen aanvaardbare wijze, onder meer door middel van een veiling, de inschakeling van tussenpersonen die als agent optreden of op basis van een bilaterale overeenkomst.
(14)  Om de algemene kosteneffectiviteit van de totale vermindering te verhogen, moeten de lidstaten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte in reserve kunnen houden of kunnen lenen. De lidstaten moeten een deel van hun jaarlijkse emissieruimte ook aan andere lidstaten kunnen overdragen. De transparantie van dergelijke overdrachten moet worden verzekerd en zij moeten kunnen worden uitgevoerd op een voor beide partijen aanvaardbare wijze, onder meer door middel van een veiling, de inschakeling van tussenpersonen die als agent optreden of op basis van een bilaterale overeenkomst.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Het Europees Milieuagentschap heeft ten doel duurzame ontwikkeling te ondersteunen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van het Europese milieu te helpen verwezenlijken door tijdige, gerichte, relevante en betrouwbare informatie te verstrekken aan beleidsmakers, openbare instellingen en het publiek. Het Europees Milieuagentschap moet, overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, de Commissie bijstaan.
(15)  Het Europees Milieuagentschap heeft ten doel duurzame ontwikkeling te ondersteunen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van het Europese milieu te helpen verwezenlijken door tijdige, gerichte, relevante en betrouwbare informatie te verstrekken aan beleidsmakers, openbare instellingen en het publiek. Het Europees Milieuagentschap moet, overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, de Commissie bijstaan en direct en op doeltreffende wijze bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van artikel 4, dat bepaalt dat jaarlijkse emissiegrenswaarden voor de lidstaten moeten worden vastgesteld, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad21.
(17)  Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door de jaarlijkse emissieruimten voor de lidstaten vast te stellen.
_________________
21 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)   Naast de inspanningen die de Unie levert om haar eigen emissies terug te dringen, is het belangrijk dat zij, overeenkomstig de doelstelling om in toenemende mate bij te dragen tot de verkleining van de mondiale koolstofafdruk, samen met derde landen zoekt naar klimaatoplossingen, door met de desbetreffende landen projecten uit te voeren in het kader van het klimaatbeleid voor 2030, daarbij in aanmerking nemend dat in de Overeenkomst van Parijs wordt verwezen naar een nieuw mechanisme voor internationale samenwerking, dat gericht is op de bestrijding van de klimaatverandering.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Deze verordening moet vanaf 2024 en vervolgens om de vijf jaar worden geëvalueerd om de algemene werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de nationale omstandigheden en de resultaten van de algemene inventarisatie van de Overeenkomst van Parijs.
(20)  Deze verordening moet vanaf 2024 en vervolgens om de vijf jaar worden geëvalueerd om de algemene werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de nationale omstandigheden en de resultaten van de algemene inventarisatie van de Overeenkomst van Parijs.
Om aan de Overeenkomst van Parijs te voldoen, dient de Unie haar inspanningen op te voeren en om de vijf jaar een bijdrage te leveren die haar grootst mogelijke ambitie weerspiegelt.
Bij de evaluatie moet daarom rekening worden gehouden met de doelstelling van de Unie om de uitstoot van broeikasgassen van de hele economie tegen 2050 met 80 tot 95 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990, en met het doel van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen. De evaluatie moet gebaseerd zijn op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens en berusten op een voorbereidend verslag van het Europees Milieuagentschap.
Bij de evaluatie van de emissiereducties van de lidstaten voor de periode vanaf 2031 moet rekening worden gehouden met de beginselen van billijkheid en kosteneffectiviteit.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
Deze verordening stelt verplichtingen vast voor de minimumbijdragen van de lidstaten om aan de verbintenis van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen voor de periode 2021-2030 te voldoen, en stelt regels vast voor de bepaling van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage.
Deze verordening stelt verplichtingen vast voor de minimumbijdragen van de lidstaten om aan de verbintenis van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen voor de periode 2021-2030 te voldoen, en stelt regels vast voor de bepaling van de jaarlijks toe te wijzen emissieruimten en voor de evaluatie van de vorderingen van de lidstaten bij het leveren van hun minimumbijdrage. Op grond van de verordening moeten de lidstaten de in artikel 2 bedoelde broeikasgasemissies verminderen om het streefcijfer van de Unie te bereiken om de emissies tegen 2030 op billijke en kosteneffectieve wijze met ten minste 30 % te verminderen ten opzichte van 2005.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 bis (nieuw)
De algemene doelstelling van deze verordening bestaat erin de Unie op weg te zetten naar een koolstofarme economie door het uitstippelen van een voorspelbare langetermijnkoers om de broeikasgasemissies van de Unie tegen 2050 met 80 tot 95 % te verminderen ten opzichte van de niveaus van 1990.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 3
3.  Voor de toepassing van deze verordening worden CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie "1.A.3.A burgerluchtvaart" behoren als gelijk aan nul beschouwd.
3.  Voor de toepassing van deze verordening worden CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie "1.A.3.A burgerluchtvaart" behoren en onder Richtlijn 2003/87/EG vallen als gelijk aan nul beschouwd.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Deze verordening is van toepassing op CO2-emissies die tot de IPCC-broncategorie "1.A.3.D scheepvaart" behoren en niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallen.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 4
Artikel 4
Artikel 4
Jaarlijkse emissieniveaus voor de periode 2021-2030
Jaarlijkse emissieniveaus voor de periode 2021-2030
1.  Iedere lidstaat beperkt in 2030 zijn krachtens lid 3 vastgestelde broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is bepaald ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005.
1.  Iedere lidstaat beperkt uiterlijk in 2030 zijn krachtens lid 3 vastgestelde broeikasgasemissies met ten minste het percentage dat voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is bepaald ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005.
2.  Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, en rekening houdend met de aftrekkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat de emissies in die lidstaat tussen 2021 en 2029 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2020 met zijn gemiddelde broeikasgasemissie gedurende 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3, en eindigend in 2030 op de doelstelling die voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is vastgelegd.
2.  Met inachtneming van de in de artikelen 5, 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit, de aanpassing overeenkomstig artikel 10, lid 2, en rekening houdend met de aftrekkingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 7 van Beschikking nr. 406/2009/EG, zorgt elke lidstaat ervoor dat de emissies in die lidstaat tussen 2021 en 2029 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2018, ofwel met zijn gemiddelde broeikasgasemissie gedurende 2016, 2017 en 2018, zoals bepaald op grond van lid 3, ofwel met de jaarlijkse emissieruimte voor 2020 zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG, indien deze lager is, en eindigend in 2030 op de doelstelling die voor die lidstaat in bijlage I bij deze verordening is vastgelegd.
3.  De Commissie stelt in een uitvoeringshandeling de jaarlijkse emissieruimten vast voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, zoals gespecificeerd in de leden 1 en 2. Voor de toepassing van deze uitvoeringshandeling verricht de Commissie een uitgebreide beoordeling van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende het jaar 2005 en de jaren 2016 tot en met 2018.
3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de jaarlijkse emissieruimten worden vastgesteld voor de jaren 2021 tot en met 2030, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, zoals gespecificeerd in de leden 1 en 2. Voor de toepassing van deze gedelegeerde handelingen verricht de Commissie een uitgebreide beoordeling van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende recentste nationale inventarisgegevens betreffende het jaar 2005 en de jaren 2016 tot en met 2018.
4.  In deze uitvoeringshandeling worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 2, worden meegedeeld, eveneens de hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 na te komen. Indien de som van de hoeveelheden in alle lidstaten hoger zou liggen dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de hoeveelheden voor elke lidstaat verhoudingsgewijs verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden.
4.  In deze gedelegeerde handeling worden, op basis van de percentages die door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 2, worden meegedeeld, eveneens de hoeveelheden gespecificeerd die kunnen worden meegerekend om hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 tussen 2021 en 2030 na te komen. Indien de som van de hoeveelheden in alle lidstaten hoger zou liggen dan de collectieve totaalhoeveelheid van 100 miljoen, worden de hoeveelheden voor elke lidstaat verhoudingsgewijs verminderd zodat de collectieve totaalhoeveelheid niet wordt overschreden.
5.  Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 bis (nieuw)
Artikel 4 bis
Langetermijntraject voor emissiereductie vanaf 2031
Tenzij anders wordt besloten tijdens de eerste of een van de daaropvolgende evaluaties als bedoeld in artikel 14, lid 2, zorgt elke lidstaat in elk van de jaren 2031 tot en met 2050 voor verdere broeikasgasemissiereducties overeenkomstig deze verordening. Elke lidstaat ziet erop toe dat zijn broeikasgasemissies tussen 2031 en 2050 elk jaar niet hoger liggen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend met zijn jaarlijkse emissieruimte voor 2030 en in 2050 eindigend op een emissieniveau dat 80 % lager is dan het niveau van 2005 voor die lidstaat.
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de jaarlijkse emissieruimten worden vastgesteld voor de jaren 2031 tot en met 2050, uitgedrukt in ton CO2-equivalent.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 5
Flexibiliteitsinstrumenten om de jaarlijkse grenswaarden te bereiken
Flexibiliteitsinstrumenten om de jaarlijkse grenswaarden te bereiken
1.  De lidstaten kunnen gebruikmaken van de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de artikelen 6 en 7 genoemde flexibiliteit.
1.  De lidstaten kunnen gebruikmaken van de in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de artikelen 6 en 7 genoemde flexibiliteit.
2.  Gedurende de jaren 2021 tot en met 2029 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen.
2.  Gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen. Gedurende de jaren 2026 tot en met 2029 mag een lidstaat een maximale hoeveelheid van 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor het volgende jaar lenen.
3.  Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2030.
3.  Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens dit artikel en artikel 6, mag deze lidstaat gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot maximaal 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2025. Gedurende de jaren 2026 tot en met 2029 mag een lidstaat het overtollige deel van zijn jaarlijkse emissieruimte tot maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte in reserve houden voor de daaropvolgende jaren tot 2030.
4.  Een lidstaat mag maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030.
4.  Een lidstaat mag gedurende de jaren 2021 tot en met 2025 maximaal 5 % en gedurende de jaren 2026 tot en met 2030 maximaal 10 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om te voldoen aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor het betrokken jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030.
5.  Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn emissieruimte voor dat jaar, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens de leden 2 tot en met 4 en artikel 6, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor dat jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030 na te komen.
5.  Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat in een bepaald jaar onder zijn jaarlijkse emissieruimte voor dat jaar liggen, mag deze lidstaat het overtollige deel van zijn emissieruimte voor dat jaar, rekening houdend met het gebruik van de flexibiliteit krachtens de leden 2 tot en met 4 en artikel 6, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 voor dat jaar of de daaropvolgende jaren tot 2030 na te komen.
5 bis.   Een lidstaat mag geen deel van zijn jaarlijkse emissieruimte overdragen als de emissies van de betreffende lidstaat op het tijdstip van de overdracht hoger liggen dan zijn jaarlijkse emissieruimte.
6.  De lidstaten kunnen, zonder enige kwantitatieve beperking en zonder ze dubbel te tellen, gebruikmaken van kredieten uit projecten afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen.
6.  De lidstaten kunnen, zonder enige kwantitatieve beperking en zonder ze dubbel te tellen, gebruikmaken van kredieten uit projecten afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun verplichtingen overeenkomstig artikel 9 te voldoen. De lidstaten kunnen voor dergelijke projecten de totstandbrenging van particuliere en publiek-private partnerschappen stimuleren.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De toegang tot de in dit artikel en bijlage II genoemde flexibiliteit wordt alleen verleend wanneer de betreffende lidstaten toezeggen maatregelen te nemen in andere sectoren waar in het verleden onvoldoende resultaten zijn geboekt. Uiterlijk op 31 december 2019 vult de Commissie deze verordening verder aan door overeenkomstig artikel 12 een gedelegeerde handeling met een lijst van dergelijke maatregelen en sectoren vast te stellen.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – titel
Extra gebruik van maximaal 280 miljoen nettoverwijderingen afkomstig van ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland
Extra gebruik van maximaal 280 miljoen nettoverwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  In zoverre de emissies van een lidstaat hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor een bepaald jaar, mag deze lidstaat een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig van de in artikel 2 van Verordening [] [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland en beheerd grasland samengenomen meerekenen om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar te voldoen, op voorwaarde dat:
1.  In zoverre de emissies van een lidstaat hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor een bepaald jaar, met inbegrip van eventuele gereserveerde emissieruimten uit hoofde van artikel 5, lid 3, mag deze lidstaat een hoeveelheid van maximaal de som van de totale nettoverwijderingen en de totale netto-emissies afkomstig van de in artikel 2 van Verordening [] [LULUCF] bedoelde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland, indien van toepassing beheerd wetland en, onverminderd de krachtens lid 2 vastgestelde gedelegeerde handeling, beheerde bosgrond samengenomen meerekenen om aan zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor dat jaar te voldoen, op voorwaarde dat:
-a)  de lidstaat uiterlijk op 1 januari 2019 bij de Commissie een actieplan indient waarin maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van het gebruik van Uniefinanciering, voor klimaatefficiënte landbouw en voor de sectoren landgebruik en bosbouw worden uiteengezet en waarin wordt aangetoond hoe deze maatregelen zullen bijdragen aan de vermindering van de broeikasgasemissies uit hoofde van deze verordening en aan het overtreffen van wat overeenkomstig artikel 4 van Verordening [ ][LULUCF] is vereist voor de periode 2021-2030;
a)  de totale hoeveelheid die voor die lidstaat wordt meegerekend voor alle jaren in de periode 2021-2030 niet hoger ligt dan het in bijlage III voor die lidstaat vastgestelde niveau;
a)  de totale hoeveelheid die voor die lidstaat wordt meegerekend voor alle jaren in de periode 2021-2030 niet hoger ligt dan het in bijlage III voor die lidstaat vastgestelde niveau;
b)  dergelijke hoeveelheid hoger ligt dan wat voor die lidstaat in het kader van artikel 4 van Verordening [] [LULUCF] is vereist;
b)  dergelijke hoeveelheid aantoonbaar hoger ligt dan wat voor die lidstaat in het kader van artikel 4 van Verordening [] [LULUCF] is vereist tijdens de periodes van vijf jaar als bepaald in artikel 12 van Verordening [] [LULUCF];
c)  de lidstaat in het kader van Verordening [] [LULUCF] niet meer nettoverwijderingen heeft ontvangen van andere lidstaten dan hij heeft overgedragen; en
c)  de lidstaat in het kader van Verordening [] [LULUCF] niet meer nettoverwijderingen heeft ontvangen van andere lidstaten dan hij heeft overgedragen; en
d)  de lidstaat aan zijn verplichtingen in het kader van Verordening [] [LULUCF] heeft voldaan.
d)  de lidstaat aan zijn verplichtingen in het kader van Verordening [] [LULUCF] heeft voldaan.
De Commissie kan advies uitbrengen over de actieplannen die door de lidstaten overeenkomstig punt -a) zijn ingediend.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel teneinde de bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond te weerspiegelen.
2.  Wanneer de gedelegeerde handeling voor de bijwerking van de referentieniveaus voor bossen op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw krachtens artikel 8, lid 6, van Verordening [LULUCF] is vastgesteld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van lid 1 van dit artikel en de boekhoudkundige categorieën in bijlage III teneinde een evenwichtige bijdrage van de boekhoudkundige categorie beheerde bosgrond te weerspiegelen, zonder de krachtens dit artikel beschikbare totale hoeveelheid van 280 miljoen te boven te gaan.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  Indien de beoordeelde broeikasgasemissies van een lidstaat voor eender welk specifiek jaar binnen de periode, krachtens lid 2 van dit artikel, en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimte, zijn in 2027 en 2032 de volgende maatregelen van toepassing:
1.  Om de twee jaar gaat de Commissie na of de lidstaten aan deze verordening voldoen. Indien de beoordeelde broeikasgasemissies van een lidstaat voor eender welk specifiek jaar binnen de periode, krachtens lid 2 van dit artikel, en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, hoger liggen dan de jaarlijkse emissieruimte, zijn de volgende maatregelen van toepassing:
a)  aan het emissiecijfer van de lidstaat voor het volgende jaar wordt een hoeveelheid toegevoegd gelijk aan de omvang in ton CO2-equivalent van de overtollige broeikasgasemissies, vermenigvuldigd met een factor 1,08, in overeenstemming met de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig artikel 11; en
a)  aan het emissiecijfer van de lidstaat voor het volgende jaar wordt een hoeveelheid toegevoegd gelijk aan de omvang in ton CO2-equivalent van de overtollige broeikasgasemissies, vermenigvuldigd met een factor 1,08, in overeenstemming met de maatregelen die zijn genomen overeenkomstig artikel 11; en
b)  de lidstaat wordt tijdelijk verboden een deel van zijn jaarlijkse emissieruimte aan een andere lidstaat over te dragen tot hij voldoet aan de verplichtingen van deze verordening. De centrale administrateur past dit verbod toe in het in artikel 11 bedoelde register.
b)  de lidstaat wordt tijdelijk verboden een deel van zijn jaarlijkse emissieruimte aan een andere lidstaat over te dragen tot hij voldoet aan de verplichtingen van deze verordening. De centrale administrateur past dit verbod toe in het in artikel 11 bedoelde register.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Reserve wegens vroegtijdig optreden
1.  Om rekening te houden met vroegtijdig optreden vóór 2020 wordt op verzoek van een lidstaat een hoeveelheid van maximaal een totale som van 90 miljoen ton aan jaarlijkse emissieruimte in de periode 2026-2030 voor de naleving door die lidstaat meegerekend bij de laatste nalevingscontrole uit hoofde van artikel 9 van deze verordening, op voorwaarde dat:
(a)  de totale jaarlijkse emissieruimten voor die lidstaat voor de periode 2013-2020 zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG hoger liggen dan de totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies voor die lidstaat voor de periode 2013-2020;
(b)  het bbp per hoofd van de bevolking van die lidstaat tegen marktprijzen in 2013 onder het EU-gemiddelde ligt;
(c)  die lidstaat de in de artikelen 6 en 7 genoemde vormen van flexibiliteit overeenkomstig de in de bijlagen II en III bepaalde niveaus ten volle heeft benut;
(d)  die lidstaat de in artikel 5, leden 2 en 3, genoemde vormen van flexibiliteit ten volle heeft benut en geen emissieruimten aan een andere lidstaat heeft overgedragen op grond van artikel 5, leden 4 en 5; en
(e)  de Unie als geheel haar in artikel 1, lid 1, bedoelde streefcijfer haalt.
2.  Het maximale aandeel van een lidstaat in de in lid 1 bedoelde totale som dat voor de naleving kan worden meegerekend, wordt vastgesteld aan de hand van de verhouding tussen enerzijds het verschil tussen zijn totale jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013-2020 en zijn totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies voor diezelfde periode, en anderzijds het verschil tussen de totale jaarlijkse emissieruimten voor de periode 2013-2020 van alle lidstaten die aan het criterium van lid 1, onder b), voldoen en de totale geverifieerde jaarlijkse broeikasgasemissies van die lidstaten voor diezelfde periode.
De jaarlijkse emissieruimten en de geverifieerde jaarlijkse emissies worden bepaald op grond van lid 3.
3.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 12 gedelegeerde handelingen ter aanvulling van deze verordening vast waarin de maximale aandelen voor elke lidstaat, uitgedrukt in ton CO2-equivalent, overeenkomstig de leden 1 en 2 worden vastgesteld. Ten behoeve van deze gedelegeerde handelingen gebruikt de Commissie de jaarlijkse emissieruimten zoals bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 10 van Beschikking nr. 406/2009/EG en de geëvalueerde inventarisgegevens voor de jaren 2013 tot en met 2020 krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2
2.  De in bijlage IV bij deze verordening opgenomen hoeveelheid wordt aan de in die bijlage bedoelde ruimte voor elke lidstaat voor het jaar 2021 toegevoegd.
2.  De in bijlage IV bij deze verordening opgenomen hoeveelheid, die voor alle lidstaten samen neerkomt op een totale som van 39,14 miljoen ton CO2-equivalent, wordt aan de in die bijlage bedoelde ruimte voor elke lidstaat voor het jaar 2021 toegevoegd.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – titel
Register
Europees register
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1
1.  De Commissie zorgt in het kader van deze verordening voor een nauwkeurige boekhouding aan de hand van het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde EU-register, met inbegrip van de jaarlijkse emissieruimten, de in het kader van de artikelen 4 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, naleving overeenkomstig artikel 9 en wijzigingen van het toepassingsgebied in het kader van artikel 10. De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om onregelmatigheden te vermijden. Deze informatie is toegankelijk voor het publiek.
1.  De Commissie zorgt in het kader van deze verordening voor een nauwkeurige boekhouding aan de hand van het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde EU-register. Hiertoe stelt de Commissie overeenkomstig artikel 12 een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van deze verordening, in het bijzonder met betrekking tot de jaarlijkse emissieruimten, de in het kader van de artikelen 4 tot en met 7 gebruikte flexibiliteit, naleving overeenkomstig artikel 9 en wijzigingen van het toepassingsgebied in het kader van artikel 10. De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om onregelmatigheden te vermijden. Het Europees register is transparant en bevat alle relevante informatie met betrekking tot de overdracht van emissierechten tussen de lidstaten. Deze informatie is toegankelijk voor het publiek via een speciale website die door de Commissie wordt beheerd.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 1 uit te voeren.
Schrappen
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Klimaateffecten van de Uniefinanciering
De Commissie voert een uitvoerige sectoroverschrijdende studie uit over de gevolgen van middelen die vanuit de Uniebegroting of anderszins overeenkomstig het Unierecht zijn toegewezen voor de beperking van klimaatverandering.
Uiterlijk op 1 januari 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de bevindingen van de studie, dat zo nodig vergezeld gaat van wetgevingsvoorstellen met het oog op de stopzetting van Uniefinanciering die niet strookt met de CO2-reductiedoelstellingen of -beleidslijnen van de Unie. Het verslag omvat het voorstel voor een verplichte voorafgaande controle van de verenigbaarheid met het klimaat, die geldt voor elke nieuwe Unie-investering vanaf 1 januari 2020, en de verplichting om de resultaten op transparante en toegankelijke wijze openbaar te maken.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  De in artikel 7, lid 2, en artikel 11 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.  De in artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3
3.  De in artikel 7, lid 2, en artikel 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  De in artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 6
6.  Een overeenkomstig de artikelen 7, lid 2, en artikel 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 3, artikel 4 bis, artikel 6, lid 3 bis, artikel 7, lid 2, artikel 9 bis en artikel 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 13
Artikel 13
Schrappen
Comitéprocedure
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 525/2013 ingestelde Comité klimaatverandering. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1
1.  Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling met daarin een evaluatie van de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie aansluiten bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. In de mededeling worden met name de rol en toereikendheid van de in deze verordening vastgelegde verplichtingen voor het bereiken van die doelstellingen belicht, alsook de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie, met inbegrip van de voorschriften inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en de wetgevingshandelingen op het gebied van landbouw en vervoer aansluiten bij de Unietoezegging inzake vermindering van broeikasgassen.
De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en kan eventueel passende voorstellen indienen.
2.   De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 na de eerste mondiale evaluatie van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in 2023 en binnen zes maanden na de daaropvolgende wereldwijde evaluaties aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en de bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Dit verslag gaat, indien nodig, vergezeld van wetgevingsvoorstellen om de emissiereducties van de lidstaten te verhogen.
Bij de evaluatie van de emissiereducties van de lidstaten voor de periode vanaf 2031 wordt rekening gehouden met de beginselen van billijkheid en kosteneffectiviteit bij de verdeling over de lidstaten.
Bij de evaluatie wordt ook rekening gehouden met de vorderingen die de Unie en derde landen hebben gemaakt op weg naar de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en met de voortgang met betrekking tot het aantrekken en in stand houden van particuliere financiering ter ondersteuning van de overgang naar een koolstofarme economie.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 bis (nieuw)
Besluit (EU) 2015/1814
Artikel 1 – lid 4
Artikel 15 bis
Wijziging van Besluit (EU) 2015/1814
Artikel 1, lid 4, van Besluit (EU) 2015/1814 wordt vervangen door:
"4. De Commissie publiceert voor elk jaar, uiterlijk 15 mei van het volgende jaar, het totale aantal emissierechten in omloop. Het totale aantal van de in een bepaald jaar in omloop zijnde emissierechten is de som van het aantal in de periode vanaf 1 januari 2008 toegewezen emissierechten, met inbegrip van het aantal rechten dat in die periode overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG is toegewezen en door installaties uitgeoefende rechten om internationale kredieten te gebruiken uit hoofde van het EU-ETS voor emissies voor 31 december van dat bepaalde jaar, minus het totaal aantal ton geverifieerde emissies van onder de EU-ETS vallende installaties tussen 1 januari 2008 en 31 december van datzelfde bepaalde jaar, de geannuleerde emissierechten overeenkomstig artikel 12, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG behalve de geannuleerde emissierechten overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) 2017/...* van het Europees Parlement en de Raad, en het aantal emissierechten in de reserve. Er wordt geen rekening gehouden met de emissies tijdens de driejarige periode 2005-2007 en de ten aanzien van deze emissies toegewezen emissierechten. De eerste bekendmaking vindt uiterlijk 15 mei 2017 plaats.
______________
* Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende klimaatmaatregelen om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering ("Verordening klimaatmaatregelen tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs") (PB L … van ..., blz. ... .)."

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0208/2017).


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas
PDF 162kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas (2016/2070(IMM))
P8_TA(2017)0257A8-0219/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, dat op 31 maart 2016 door de procureur-generaal van de Republiek Litouwen werd ingediend en van de ontvangst waarvan op 13 april 2016 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Rolandas Paksas te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  na een gedachtewisseling met de procureur-generaal van Litouwen en de hoofdaanklager van het departement Onderzoek georganiseerde misdaad en corruptie van het Bureau van de procureur-generaal,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van Litouwen,

–  gezien artikel 4 van de wet betreffende de status en de arbeidsvoorwaarden van de Litouwse leden van het Europees Parlement,

–  gezien artikel 22 van het reglement van orde van de Seimas,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0219/2017),

A.  overwegende dat de procureur-generaal van de Republiek Litouwen heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Rolandas Paksas, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafrechtelijk onderzoek;

B.  overwegende dat de procureur-generaal dit verzoek heeft ingediend omdat Rolandas Paksas ervan verdacht wordt op 31 augustus 2015 ermee ingestemd te hebben smeergeld aan te nemen en in ruil daarvoor overheidsinstanties en ambtenaren te beïnvloeden bij de uitoefening van hun bevoegdheden, hetgeen krachtens het Litouwse wetboek van strafrecht een strafbaar feit is;

C.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van protocol nr. 7 op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat zijn verleend;

D.  overwegende dat de leden van de Seimas, overeenkomstig artikel 62 van de grondwet van de Republiek Litouwen niet strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, niet in hechtenis kunnen worden genomen en niet anderszins van hun vrijheid kunnen worden beroofd zonder toestemming van de Seimas;

E.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 4 van de wet betreffende de status en de arbeidsvoorwaarden van de Litouwse leden van het Europees Parlement, op het grondgebied van de Republiek Litouwen dezelfde persoonlijke immuniteit genieten als de leden van de Seimas van de Republiek Litouwen, tenzij in EU-wetgeving anders is bepaald;

F.  overwegende dat in artikel 22 van het reglement van orde van de Seimas is bepaald dat zonder de instemming van de Seimas tegen leden van de Seimas geen strafvervolging kan worden ingesteld en dat leden van de Seimas zonder de instemming van de Seimas niet kunnen worden aangehouden of onderworpen aan andere beperkingen van hun persoonlijke vrijheid, behalve in gevallen waarin zij op heterdaad worden betrapt (in flagranti), en dat de procureur-generaal de Seimas daarvan onverwijld op de hoogte moet stellen;

G.  overwegende dat volgens artikel 5, lid 2, van zijn Reglement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, doch een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

H.  overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

I.  overwegende dat, indien een dergelijke gerechtelijke procedure geen betrekking heeft op de uitoefening door een lid van zijn ambt, de immuniteit dient te worden opgeheven, tenzij blijkt dat de strafvervolging is ingesteld om schade toe te brengen aan de politieke activiteiten van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

J.  overwegende dat uit de uitvoerige en gedetailleerde informatie die in onderhavig geval is verstrekt, blijkt dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat met de gerechtelijke procedure tegen Rolandas Paksas wordt beoogd zijn politieke activiteiten als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;

K.  overwegende dat het niet aan het Europees Parlement is om zich uit te spreken over de vraag of het lid al dan niet schuldig is, over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de handelingen die hem worden verweten strafrechtelijk te vervolgen, of over de merites van het nationale rechtsstelsel of het gerechtelijk apparaat;

1.  besluit de immuniteit van Rolandas Paksas op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Republiek Litouwen en aan Rolandas Paksas.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski
PDF 164kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski (2017/2019(IMM))
P8_TA(2017)0258A8-0218/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski, dat op 1 december 2016 door de minister van justitie van de Franse Republiek werd ingediend in verband met een gerechtelijk onderzoek van de officier van justitie van Bobigny op grond van publieke smaad en het aanzetten tot haat of geweld jegens een groep personen, of een lid van die groep, vanwege hun afkomst of het al dan niet behoren tot een bepaalde etnische groep, natie of godsdienst, en waarvan op 16 januari 2017 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Mylène Troszczynski te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek, als gewijzigd bij constitutionele wet nr. 95-880 van 4 augustus 1995,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0218/2017),

A.  overwegende dat de officier van justitie van Bobigny heeft verzocht om de opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski, lid van het Europees Parlement en lid van de Regionale Raad van Picardië, in verband met de procedure betreffende het op 23 september 2015 plaatsen van een foto op haar Twitter-account van geheel gesluierde vrouwen die in de rij lijken te staan voor de kantoren van de CAF (Caisse d’allocation familiale – uitvoeringsorganisatie van gezinstoelagen), vergezeld van het commentaar "Rosny-Sous-Bois CAF op 9.12.14. Het dragen van de integrale sluier wordt geacht wettelijk verboden te zijn...";

B.  overwegende dat de beledigende beeldopname in feite een fotomontage was van een in Londen genomen foto die reeds eerder door een andere houder van een Twitteraccount gebruikt was, en overwegende dat uit het onderzoek is gebleken dat niet mevrouw Troszczynski degene is geweest die het bericht online heeft gezet maar haar medewerker, die dit ook heeft toegegeven;

C.  overwegende dat de officier van justitie erop gewezen heeft dat mevrouw Troszczynski als redacteur van haar eigen Twitteraccount voor de tweet verantwoordelijk kan worden gehouden;

D.  overwegende dat mevrouw Troszczynski, zodra zij besefte dat sprake was van een gemanipuleerde foto, de foto onmiddellijk van haar Twitteraccount verwijderd heeft;

E.  overwegende dat de opheffing van de immuniteit van Mylène Troszczynski verband houdt met het vermeende strafbare feit van publieke smaad jegens een groep personen, of een lid van die groep, vanwege hun afkomst of het al dan niet behoren tot een bepaalde etnische groep, natie of godsdienst, zoals omschreven en strafbaar is gesteld in de artikelen 23, 29, eerste alinea, 32(2) en (3), 42, 43 en 48-6 van de wet van 29 juli 1881, en met het begaan van het strafbaar feit van het aanzetten tot discriminatie, haat of raciaal geweld, met betrekking waartoe een onderzoek lopende is en de sancties zijn vastgesteld in artikel 24(8), (10), (11) en (12), artikel 23(1) en artikel 42 van de wet van 29 juli 1881 en artikel 131-26(2) en (3) van het wetboek van strafrecht;

F.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend;

G.  overwegende dat in artikel 26 van de Franse grondwet wordt bepaald dat tegen leden van het Parlement geen strafvervolging of opsporing wordt ingesteld en zij niet kunnen worden gearresteerd, gedetineerd of veroordeeld wegens een mening die zij hebben uitgedrukt of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun ambt en een lid van het parlement ter zake van een strafbaar feit niet kan worden gearresteerd of aan andere vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregelen worden onderworpen zonder toestemming van het parlement;

H.  overwegende dat de reikwijdte van de immuniteit die aan leden van het Franse parlement wordt geboden, feitelijk overeenkomt met die van de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie voor leden van het Europees Parlement; overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld dat een mening slechts door de immuniteit wordt gedekt indien zij door een Europees afgevaardigde is uitgebracht "in de uitoefening van [zijn/haar] ambt", zodat een verband wordt vereist tussen de meningsuiting en het parlementaire ambt; overwegende dat dit verband rechtstreeks moet zijn en voor de hand liggend;

I.  overwegende dat de ten laste gelegde feiten niet in verband staan met het lidmaatschap van Mylène Troszczynski van het Europees Parlement maar van regionale aard zijn, gezien het feit dat de gemanipuleerde foto en het commentaar betrekking hadden op vermeende, met het Franse recht in strijd zijnde gebeurtenissen in Rosny-sous-Bois;

J.  overwegende dat de vermeende handelingen geen betrekking hebben op meningen die Mylène Troszczynski in de uitoefening van haar ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die zij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

K.  overwegende dat er geen vermoeden bestaat van fumus persecutionis, een klaarblijkelijke poging tot belemmering van de parlementaire werkzaamheden van Mylène Troszczynski. Het gerechtelijk onderzoek is geopend na een klacht van vermeende smaad jegens een overheidsinstantie. De klacht is ingediend door de uitvoeringsorganisatie van gezinstoelagen (CAF) in Seine-Saint-Denis, vertegenwoordigd door de algemeen directeur;

1.  besluit de immuniteit van Mylène Troszczynski op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de minister van Justitie van de Franse Republiek en aan Mylène Troszczynski.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen
PDF 163kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen (2017/2020(IMM))
P8_TA(2017)0259A8-0217/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen, dat op 22 december 2016 werd ingediend door de heer Jean-Jacques Urvoas, minister van Justitie van Frankrijk, in verband met een verzoek van de procureur-generaal van het Hof van Beroep ("Cour d'Appel") van Parijs, waarvan op 16 januari 2017 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

–  na Jean-Marie Le Pen te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 26 van de Grondwet van de Franse Republiek,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0217/2017),

A.  overwegende dat de procureur-generaal van het Hof van Beroep ("Cour d'Appel") van Parijs heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Jean-Marie Le Pen, lid van het Europees Parlement, in verband met een strafrechtelijk onderzoek;

B.  overwegende dat het verzoek van de procureur-generaal verband houdt met de aantijging dat Jean-Marie Le Pen tijdens een radio-uitzending een verklaring heeft afgelegd die neerkomt op aanzetten tot discriminatie, haat of raciaal geweld, wat een strafbaar feit is volgens het Franse strafwetboek;

C.  overwegende dat volgens artikel 26 van de grondwet van de Franse Republiek leden van het Parlement niet kunnen worden vervolgd, aangehouden, in hechtenis genomen of berecht op grond van meningen die zij hebben geuit of een stem die zij hebben uitgebracht in de uitoefening van hun mandaat en overwegende dat leden van het Parlement niet mogen worden gearresteerd of anderszins van hun vrijheid mogen worden beroofd of in hun vrijheid worden beperkt wegens het begaan van een misdrijf of een inbreuk, zonder toestemming van het Parlement;

D.  overwegende dat artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaalt dat tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden, en dat zij evenmin kunnen worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

E.  overwegende dat volgens artikel 5, lid 2, van zijn Reglement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht van de leden is, doch een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

F.  overwegende dat de bepalingen inzake parlementaire immuniteit uitgelegd moeten worden in het licht van de waarden, doelstellingen en beginselen van de Europese verdragen;

G.  overwegende dat deze absolute onschendbaarheid van een lid van het Europees Parlement niet alleen geldt voor meningen die in officiële vergaderingen van het Parlement worden geuit, maar ook voor elders, bijvoorbeeld in de media, verkondigde meningen, zolang er maar "een verband tussen de gedane uitlating en de parlementaire taken" bestaat(2);

H.  overwegende dat er geen verband is tussen de litigieuze verklaring en de parlementaire werkzaamheden van Jean-Marie Le Pen en overwegende dat Jean Marie Le Pen derhalve niet handelde in zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement;

I.  overwegende dat de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 9 van Protocol nr. 7 op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten die aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun staat zijn verleend;

J.  overwegende dat alleen de immuniteit die onder artikel 9 valt kan worden opgeheven(3);

K.  overwegende dat deze immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

L.  overwegende dat, indien een dergelijke gerechtelijke procedure geen betrekking heeft op de uitoefening door een lid van zijn ambt, de immuniteit dient te worden opgeheven, tenzij blijkt dat de strafvervolging is ingesteld om schade toe te brengen aan de politieke activiteiten van een lid en dus aan de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

M.  overwegende dat uit de informatie die in onderhavig geval is verstrekt, blijkt dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat met de gerechtelijke procedure tegen Jean-Marie Le Pen wordt beoogd zijn politieke activiteiten als lid van het Europees Parlement schade toe te brengen;

1.  besluit de immuniteit van Jean-Marie Le Pen op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Franse Republiek en aan Jean-Marie Le Pen.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.
(2) Arrest Patriciello (reeds aangehaald, r.o. 33).
(3) Arrest Marra (reeds aangehaald, r.o. 45).


De noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof
PDF 229kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof (2016/2061(INI))
P8_TA(2017)0260A8-0197/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 8, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de bepalingen ervan met betrekking tot sociale rechten en gelijkheid van mannen en vrouwen,

–  gezien de artikelen 22 en 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien algemene opmerking nr. 16 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten (artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESR))(1), en algemene opmerking nr. 19 van het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties over het recht op sociale zekerheid (artikel 9 van het ICESR)(2),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien artikel 4, lid 2, artikel 4, lid 3, en de artikelen 12, 20 en 23 van het Europees Sociaal Handvest,

–  gezien de conclusies van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 5 december 2014(3),

–  gezien Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid(4),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(5),

–  gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(6),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(7),

–  gezien het Stappenplan van de Commissie van augustus 2015 voor een nieuwe aanpak van de uitdagingen waarmee werkende gezinnen worden geconfronteerd bij het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278), en met name doelstelling 3.2 daarvan,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders(9),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(10),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw(11),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(12),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(13),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(14),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het creëren van arbeidsmarktomstandigheden die bevorderlijk zijn voor het evenwicht tussen werk en privéleven(15),

—  gezien de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten,

—  gezien de verklaring van het EU-voorzitterschapstrio bestaande uit Nederland, Slowakije en Malta van 7 december 2015 over gendergelijkheid,

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) van de Raad van 7 maart 2011,

–  gezien de studie in opdracht van zijn beleidsondersteunende afdeling Rechten van de burger en Constitutionele Zaken getiteld "De genderpensioenkloof: verschillen tussen moeders en vrouwen zonder kinderen" (2016), en de studie van de Commissie getiteld"De genderkloof inzake pensioenen in de EU" (2013),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0197/2017),

A.  overwegende dat de genderpensioenkloof (die kan worden gedefinieerd als het verschil tussen het gemiddelde bedrag (vóór aftrek van belastingen en heffingen) dat vrouwen ontvangen voor hun pensioen en het bedrag dat mannen gemiddeld krijgen) in de EU in 2015 gelijk was aan 38,3 % voor de leeftijdscategorie van 65 jaar en ouder, en de afgelopen vijf jaar in de helft van de lidstaten is toegenomen; overwegende dat de financiële crisis van de laatste jaren een negatief effect heeft gehad op het inkomen van vele vrouwen; overwegende dat in sommige lidstaten 11 tot 36 % van de vrouwen geen aanspraak op een pensioen kan maken;

B.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen behoort tot de gemeenschappelijke en fundamentele beginselen die zijn vervat in de artikelen 2 en 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 8 van het VWEU en artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat het thema gendergelijkheid in alle beleidsterreinen, initiatieven, programma's en maatregelen van de Unie moet worden verwerkt;

C.  overwegende dat vrouwen in de meeste EU-lidstaten minder goed gedekt zijn op het gebied van pensioenen dan mannen en tegelijkertijd oververtegenwoordigd zijn onder de armste gepensioneerden en ondervertegenwoordigd onder de rijkste;

D.  overwegende dat deze ongelijkheden onaanvaardbaar zijn en teruggedrongen moeten worden, en dat in de EU, waar gendergelijkheid een grondbeginsel is en waar het recht op een waardig leven voor iedereen tot de grondrechten behoort zoals vervat in het Handvest van de grondrechten van de EU, alle pensioenpremies op een genderneutrale manier moeten worden berekend en geheven;

E.  overwegende dat in de EU-28 één persoon op vier afhankelijk is van zijn pensioen als belangrijkste bron van inkomsten en dat het aantal mensen in deze groep tegen 2060 zal verdubbelen vanwege de aanzienlijke toename van het aantal pensioengerechtigden, als gevolg van de langere levensverwachting en de vergrijzing van de bevolking;

F.  overwegende dat de demografische ontwikkeling er in de toekomst toe leidt dat steeds minder werkenden steeds meer gepensioneerden moeten onderhouden en dat tegen deze achtergrond particuliere oudedagvoorzieningen en bedrijfspensioenen belangrijker worden;

G.  overwegende dat het pensioenbeleid tot doel heeft economische onafhankelijkheid te verzekeren, wat essentieel is voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, en dat de socialezekerheidsstelsels in de lidstaten moeten zorgen voor een behoorlijk en toereikend pensioeninkomen, een aanvaardbare levensstandaard en bescherming tegen het risico van armoede ten gevolge van diverse factoren of tegen sociale uitsluiting voor alle EU-burgers, teneinde hun actieve sociale, culturele en politieke deelname en waardig leven op latere leeftijd te waarborgen, zodat zij deel kunnen blijven uitmaken van de maatschappij;

H.  overwegende dat de toenemende individuele verantwoordelijkheid voor spaarbeslissingen, die uiteenlopende risico's met zich meebrengen, ook betekent dat individuen duidelijk moeten worden geïnformeerd over de beschikbare opties en de daaraan verbonden risico's; overwegende dat zowel vrouwen als mannen, maar vooral vrouwen, moeten worden ondersteund om hun financiële geletterdheid te verbeteren, zodat zij gefundeerde beslissingen kunnen nemen over dit almaar complexer wordende vraagstuk;

I.  overwegende dat de pensioenkloof de situatie van vrouwen, met name hun kwetsbare economische positie, doorgaans erger maakt, waardoor zij blootgesteld worden aan sociale uitsluiting, permanente armoede en economische afhankelijkheid, met name van hun echtgenoot of andere familieleden; overwegende dat de loonkloof en pensioenkloof nog groter zijn voor vrouwen die op meerdere vlakken benadeeld zijn of die behoren tot een raciale, etnische, religieuze of taalkundige minderheidsgroep, aangezien zij vaak een baan hebben waarvoor minder vaardigheden vereist zijn, met minder verantwoordelijkheden;

J.  overwegende dat aan individuele rechten, in plaats van aan afgeleide rechten, gekoppelde pensioenen ieders economische onafhankelijkheid zouden kunnen helpen waarborgen, negatieve prikkels om niet aan de formele arbeidsmarkt deel te nemen zouden kunnen helpen verminderen en genderstereotypen zouden kunnen helpen tegengegaan;

K.  overwegende dat vrouwen vanwege hun langere levensverwachting gemiddeld meer inkomen nodig hebben gedurende hun pensioen dan mannen; overwegende dat overlevingspensioenen kunnen zorgen voor dit aanvullende inkomen;

L.  overwegende dat het vanwege een gebrek aan vergelijkbare, volledige, betrouwbare en actuele gegevens over de omvang van de pensioenkloof en de factoren die ertoe bijdragen moeilijk is om te bepalen hoe deze kloof het meest doeltreffend kan worden aangepakt;

M.  overwegende dat deze kloof in de leeftijdscategorie van 65 tot 74 jaar groter is (meer dan 40 %) dan gemiddeld voor alle 65-plussers, vooral vanwege de manier waarop de overdracht van rechten in bepaalde lidstaten is geregeld, bijvoorbeeld in verband met weduwschap;

N.  overwegende dat de verlagingen en bevriezingen van de pensioenen tot een hoger risico op armoede onder ouderen leiden, met name voor vrouwen; overwegende dat het percentage oudere vrouwen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting in 2014 20,2 % bedroeg, in vergelijking met 14,6 % voor mannen, en dat in 2050 het aantal mensen ouder dan 75 jaar dat risico loopt op armoede in de meeste lidstaten zou kunnen oplopen tot 30 %;

O.  overwegende dat het inkomen van ouderen boven de 65 jaar 94 % bedraagt van het gemiddelde inkomen van de algehele bevolking; overwegende dat daarentegen ongeveer 22 % van de vrouwen boven de 65 jaar onder de armoederisicodrempel leeft;

P.  overwegende dat achter de gemiddelde pensioenkloof in de EU in 2014 grote verschillen tussen de lidstaten schuilgingen; overwegende dat de kleinste genderpensioenkloof bij 3,7 % en de grootste bij 48,8 % ligt, en dat de kloof in 14 lidstaten meer dan 30 % bedraagt;

Q.  overwegende dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan wat het percentage van de bevolking betreft dat een pensioen ontvangt – in 2013 in Cyprus 15,1 %, tegenover 31,8 % in Litouwen – en dat de meeste ontvangers van een pensioen in de meeste EU-landen in 2013 vrouwen waren;

R.  overwegende dat de pensioenkloof, die door verschillende factoren wordt veroorzaakt, de onevenwichtigheden in de situatie van mannen en vrouwen weerspiegelt, bijvoorbeeld in verband met hun werk en gezinsleven, hun mogelijkheden om premies af te dragen, hun respectieve plek binnen het gezin en de manier waarop het loon wordt berekend in het kader van het pensioenstelsel; overwegende dat de pensioenkloof ook voortvloeit uit de segregatie van de arbeidsmarkt en uit het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken, lagere uurlonen ontvangen, meer loopbaanonderbrekingen inlassen en minder arbeidsjaren tellen, doordat vrouwen en moeders onbetaald werk verrichten als zorgverleners in hun gezinnen; overwegende dat de pensioenkloof bijgevolg beschouwd moet worden als een belangrijke indicator van genderongelijkheid op de arbeidsmarkt, des te meer omdat de genderpensioenkloof momenteel bijna even groot is als de totale inkomstenkloof (39,7 % in 2015);

S.  overwegende dat de volledige omvang van de pensioenkloof, die de som is van alle genderonevenwichtigheden en -ongelijkheden (in de zin van, onder andere, toegang tot macht en financiële middelen) waarmee mannen en vrouwen gedurende hun beroepsleven te maken krijgen en die weerspiegeld worden in de eerste en tweede pensioenpijler, mogelijk verhuld wordt door correctiemechanismen;

T.  overwegende dat de pensioenkloof op een specifiek moment een beeld geeft van de omstandigheden in de samenleving en op de arbeidsmarkt gedurende een periode die meerdere decennia omspant; overwegende dat deze omstandigheden (soms sterk) kunnen evolueren, wat gevolgen heeft voor de behoeften van meerdere generaties gepensioneerde vrouwen;

U.  overwegende dat de pensioenkloof verschilt naargelang de persoonlijke situatie, de sociale status, de burgerlijke staat en/of de gezinssituatie van de betrokken gepensioneerden; overwegende dat een uniforme aanpak in die zin niet noodzakelijkerwijs tot betere resultaten leidt;

V.  overwegende dat met name éénoudergezinnen, die 10 % uitmaken van alle huishoudens met ten laste komende kinderen, erg kwetsbaar zijn, en dat 50 % van hen risico loopt op armoede of sociale uitsluiting, hetgeen twee keer zo veel is als het percentage voor de algehele bevolking; overwegende dat de pensioenkloof rechtstreeks in verband staat met het aantal kinderen dat de betrokkene heeft grootgebracht, en dat de genderpensioenkloof bij getrouwde vrouwen en mannen duidelijk groter is dan bij alleenstaande vrouwen zonder kinderen; overwegende dat de ongelijkheid waarmee moeders, en vooral alleenstaande moeders, worden geconfronteerd uit dat oogpunt verder kan toenemen wanneer zij met pensioen gaan;

W.  overwegende dat zwangerschap en ouderschapsverlof doorgaans moeders - die 79,76 % uitmaken van de personen die minder uren gaan werken om voor kinderen jonger dan acht jaar te zorgen - dwingen tot laagbetaalde of deeltijdse banen of ongewilde loopbaanonderbrekingen om voor hun kinderen te zorgen; overwegende dat moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof noodzakelijke en essentiële instrumenten zijn om de zorgtaken beter te verdelen, het evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren en de loopbaanonderbrekingen bij vrouwen te beperken;

X.  overwegende dat het aantal kinderen geen of zelfs een positief effect heeft op het salaris en dus ook op de pensioenrechten van vaders;

Y.  overwegende dat de werkloosheid bij vrouwen onderschat wordt, aangezien veel vrouwen niet als werkloze zijn ingeschreven, met name vrouwen die in landelijke of afgezonderde gebieden wonen en zich vaak enkel bezighouden met het huishouden en de zorg voor de kinderen; overwegende dat dit leidt tot verschillen in hun pensioen;

Z.  overwegende dat de "traditionele" werkorganisatie het moeilijk maakt voor ouderparen die voltijds willen werken om hun werk op een harmonieuze manier te combineren met hun gezin;

AA.  overwegende dat pensioenkredieten - voor zowel mannen als vrouwen - in de vorm van een uitkering voor zorgtaken ten behoeve van kinderen of familielieden ertoe zouden kunnen bijdragen dat loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken geen negatieve gevolgen hebben voor het pensioen, en dat het wenselijk is deze kredieten uit te breiden tot alle lidstaten en, daar waar ze reeds bestaan, te versterken;

AB.  overwegende dat pensioenkredieten voor diverse vormen van werk kunnen helpen om alle werknemers een pensioeninkomen te bezorgen;

AC.  overwegende dat de participatiegraad van vrouwen op de arbeidsmarkt, ondanks een aantal inspanningen om de situatie recht te trekken, nog steeds niet voldoet aan het streefdoel van de Europa 2020-strategie en veel lager ligt dan de participatiegraad van mannen; overwegende dat een hogere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen bijdraagt aan de inspanningen om de genderpensioenkloof in de EU te verkleinen, aangezien er een rechtstreeks verband bestaat tussen arbeidsmarktparticipatie en de hoogte van het pensioen; overwegende dat de participatiegraad echter geen informatie inhoudt over de duur van een dienstverband en het soort werk en dus slechts in beperkte mate iets zegt over het loon- en pensioenniveau;

AD.  overwegende dat de duur van de loopbaan van rechtstreekse invloed is op het pensioeninkomen; overwegende dat de loopbaan van vrouwen gemiddeld 10 jaar korter is dan die van mannen en dat de pensioenkloof voor vrouwen met een loopbaan van minder dan 14 jaar twee keer groter is (64 %) dan voor vrouwen met een langere loopbaan (32 %);

AE.  overwegende dat vrouwen doorgaans vaker dan mannen loopbaanonderbreking nemen, niet-standaardvormen van werk verrichten, een deeltijdse baan hebben (32 % van de vrouwen in vergelijking met 8,2 % van de mannen) of op niet-betaalde basis werken, vooral wanneer zij zorgen voor kinderen en familieleden en zij bijna alleen de verantwoordelijkheid dragen voor huishoudelijke en zorgtaken, ten gevolge van blijvende genderongelijkheden, wat nefast is voor hun pensioen;

AF.  overwegende dat investeringen in scholen, voorschools onderwijs, universiteiten en ouderenzorg kunnen bijdragen tot een beter evenwicht tussen werk en privéleven en er op lange termijn toe kunnen leiden dat er niet alleen banen worden gecreëerd, maar ook vrouwen in hoogwaardige functies benoemd worden, wat op lange termijn een positief effect op het pensioen van deze vrouwen zal hebben;

AG.  overwegende dat mantelzorg een fundamentele pijler is van onze maatschappij en voor een groot deel door vrouwen verricht wordt, en dat dit onevenwicht in de genderpensioenkloof weerspiegeld wordt; overwegende dat deze vorm van onzichtbaar werk onvoldoende erkend wordt, vooral met betrekking tot pensioenrechten;

AH.  overwegende dat er in de EU nog steeds een aanzienlijke loonkloof tussen mannen en vrouwen bestaat, die in 2014 gelijk was aan 16,3 %, voornamelijk vanwege discriminatie en segregatie, waardoor vrouwen oververtegenwoordigd zijn in sectoren waar de lonen lager zijn dan in andere, grotendeels door mannen gedomineerde sectoren; overwegende dat andere factoren zoals loopbaanonderbrekingen of onvrijwillig deeltijdwerk om werk en gezinstaken te kunnen combineren, stereotypen, onderwaardering van het werk van vrouwen en verschillen in opleidingsniveau en beroepservaring ook bijdragen tot de genderloonkloof;

AI.  overwegende dat in artikel 151 VWEU is vastgelegd dat de EU ten doel heeft een adequate sociale bescherming te waarborgen; overwegende dat de EU de lidstaten in dit verband moet ondersteunen met aanbevelingen voor de bescherming van ouderen die op grond van hun leeftijd of persoonlijke situatie recht hebben op een pensioen;

AJ.  overwegende dat de versterking van het verband tussen bijdrage en pensioen, in combinatie met de verhoging van de tweede en de derde pijler van de pensioenstelsels, de risico's van genderspecifieke factoren in de pensioenkloof verlegt naar de privésector;

AK.  overwegende dat er noch vooraf, noch achteraf gendereffectbeoordelingen zijn uitgevoerd van de pensioenhervormingen in het Witboek over pensioenen van de Commissie van 2012;

AL.  overwegende dat alleen de lidstaten bevoegd zijn voor het ontwerp en de organisatie van de openbare socialezekerheidsstelsels en pensioenstelsels; overwegende dat de EU op het gebied van pensioenen vooral een ondersteunende bevoegdheid heeft, met name op grond van artikel 153 VWEU;

Algemene opmerkingen

1.  vraagt de Commissie om in nauwe samenwerking met de lidstaten een strategie uit te werken om de genderpensioenkloof in de Europese Unie te dichten (hierna "de strategie" genoemd) en ze te helpen hiervoor richtsnoeren op te stellen;

2.  schaart zich achter en steunt het verzoek van de Raad aan de Commissie om te komen met een nieuw initiatief waarin een strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen voor de periode 2016-2020 wordt uiteengezet, om dit zoals voor eerdere strategieën te doen in de vorm van een mededeling, en om de strategische inzet van de EU voor gendergelijkheid, die aan de Europa 2020-strategie moet worden gekoppeld, te versterken;

3.  is van mening dat deze strategie er niet alleen toe moet bijdragen dat de gevolgen van de pensioenkloof, met name voor de meest kwetsbare groepen, op het niveau van de lidstaten worden gecorrigeerd, maar ook in de toekomst worden voorkomen door de achterliggende oorzaken aan te pakken, zoals de ongelijke positie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt wat betreft salaris, loopbaanontwikkeling, mogelijkheden om voltijds te werken, evenals de arbeidsmarktsegregatie; moedigt in dit verband intergouvernementele dialoog en het delen van beste praktijken tussen de lidstaten aan;

4.  benadrukt dat een veelzijdige aanpak, bestaande uit maatregelen op verschillende beleidsterreinen die gericht zijn op verbetering van de gendergelijkheid, vereist is voor het welslagen van de strategie, die een levensloopbenadering van pensioenen moet omvatten, waarbij de volledige loopbaan van de persoon in aanmerking wordt genomen en de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op het niveau van arbeidsparticipatie, loopbaan en mogelijkheden om pensioenpremies te betalen, alsook de ongelijkheden die voortvloeien uit de manier waarop de pensioenstelsels georganiseerd zijn, worden aangepakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten om gevolg te geven aan de conclusies van de Raad van 18 juni 2015 over gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten;

5.  herinnert aan de belangrijke rol van de sociale partners bij de discussies over vraagstukken betreffende het minimumloon, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel; benadrukt dat vakbonden en collectieve onderhandelingen een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de toegang van ouderen tot overheidspensioenen, in overeenstemming met de beginselen van solidariteit tussen de generaties en gendergelijkheid; onderstreept dat het belangrijk is de sociale partners te betrekken bij politieke besluiten die een wijziging inhouden van significante wettelijke aspecten van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pensioen; verzoekt de EU en de lidstaten om, in samenwerking met de sociale partners en gendergelijkheidsorganisaties, beleidsmaatregelen te ontwikkelen en toe te passen om de salariskloof tussen mannen en vrouwen te dichten; verzoekt de lidstaten te overwegen om in aanvulling hierop periodiek de salarissen in kaart te brengen;

6.  verzoekt de lidstaten respectvolle maatregelen ter voorkoming van armoede in te voeren voor werknemers wier gezondheid het niet toelaat om tot de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd door te werken; is van oordeel dat de regelingen voor vervroegd pensioen voor werknemers die aan zware of risicovolle arbeidsomstandigheden worden blootgesteld, moeten worden gehandhaafd; is van mening dat het verhogen van de arbeidsparticipatie door middel van hoogwaardige banen ertoe kan bijdragen dat de toekomstige toename van het aantal mensen dat niet tot de pensioenleeftijd kan doorwerken aanzienlijk wordt beperkt, ter verlichting van de financiële belasting als gevolg van de vergrijzing;

7.  is zeer bezorgd over het effect van de door bezuinigingen ingegeven landenspecifieke aanbevelingen inzake pensioenregelingen en hun houdbaarheid, en inzake de toegang tot op bijdragen gebaseerde pensioenen in een toenemend aantal lidstaten, alsook over de negatieve effecten van de landenspecifieke aanbevelingen op de inkomensniveaus en sociale overdrachten die nodig zijn om armoede en sociale uitsluiting uit te bannen;

8.  onderstreept dat het subsidiariteitsbeginsel ook bij pensioenkwesties strikt moet worden toegepast;

Meten en bewustmaken om de pensioenkloof beter te kunnen aanpakken

9.  roept de lidstaten en de Commissie op om de genderpensioenkloof te blijven onderzoeken en samen te werken met Eurostat en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) om formele en betrouwbare indicatoren voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen, de verschillende achterliggende oorzaken te identificeren zodat toezicht mogelijk wordt, en duidelijke reductiedoelstellingen te bepalen, en hierover bij het Europees Parlement verslag uit te brengen; verzoekt de lidstaten Eurostat jaarlijks statistieken over de genderloonkloof en de genderpensioenkloof te verstrekken zodat een beoordeling kan worden gemaakt van de ontwikkelingen in de hele EU en de manieren om de kwestie aan te pakken;

10.  vraagt de Commissie gedetailleerd in kaart te brengen welke effecten het Witboek van 2012 inzake pensioenen, gericht op het aanpakken van de oorzaken van genderpensioenkloof, hebben op de meest kwetsbare groepen, en op vrouwen in het bijzonder, alsook een formele indicator voor de genderpensioenkloof te ontwikkelen en voor stelselmatig toezicht te zorgen; dringt aan op passende evaluaties en gendereffectbeoordelingen van de tot op heden gedane aanbevelingen c.q. genomen maatregelen; verzoekt de Commissie de ontwikkeling van naar gender uitgesplitste statistieken en onderzoek te ondersteunen, teneinde het toezicht op en de evaluatie van de effecten van pensioenhervormingen op de welvaart en het welzijn van vrouwen te versterken;

11.  roept de lidstaten op om de strijd tegen de genderpensioenkloof te bevorderen in hun sociale beleid, door de bevoegde besluitvormers bewust te maken van het fenomeen en door programma's op te zetten om vrouwen beter te informeren over de gevolgen ervan en om instrumenten aan te reiken waarmee vrouwen een duurzame, aan hun specifieke behoeften aangepaste langetermijnstrategie kunnen uitwerken om hun pensioen te financieren en om hun toegang tot pensioenen van de tweede en derde pijler te bevorderen, vooral in door vrouwen beheerste sectoren waar er mogelijk weinig gebruik van wordt gemaakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de mensen meer bewust te maken met betrekking tot gelijke beloning en de pensioenkloof alsook directe en indirecte discriminatie van vrouwen op het werk;

12.  wijst nogmaals op de behoefte aan duidelijke, geharmoniseerde definities, om op EU-niveau de vergelijking van begrippen als "genderloonkloof" en "genderpensioenkloof" mogelijk te maken;

13.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen onderzoek te bevorderen naar de gevolgen van de genderpensioenkloof en de economische onafhankelijkheid van vrouwen, rekening houdend met de vergrijzing, de genderverschillen in gezondheid en levensverwachting, veranderende gezinsstructuren en de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens, en verschillen in de persoonlijke situatie van vrouwen; verzoekt hen ook mogelijke strategieën uit te stippelen om de genderpensioenkloof te dichten;

De ongelijkheid bij de mogelijkheden tot premieafdracht beperken

14.  vraagt de Europese Commissie en de lidstaten om toe te zien op de correcte tenuitvoerlegging van en de stelselmatige monitoring van de vooruitgang inzake de Europese regelgeving ter bestrijding van indirecte en directe genderdiscriminatie, waarbij in geval van niet-naleving inbreukprocedures moeten worden ingeleid, en eventueel wijzigingen doorgevoerd moeten worden om te verzekeren dat mannen en vrouwen in gelijke mate kunnen bijdragen aan het pensioenstelsel;

15.  veroordeelt met klem loonverschillen tussen mannen en vrouwen en hun "onverklaarbare" component ten gevolge van discriminatie op het werk, en herhaalt zijn oproep om Richtlijn 2006/54/EG, die in slechts twee lidstaten duidelijk en voldoende werd omgezet, te herzien om de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van werk en beloning te optimaliseren, in navolging van het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk voor vrouwen en mannen, dat door het Verdrag gewaarborgd wordt sinds het ontstaan van de EEG;

16.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de toepassing van de beginselen van non discriminatie en gelijkheid op de arbeidsmarkt en bij de toegang tot arbeid te waarborgen, en – in het bijzonder – socialebeschermingsmaatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het salaris en de socialezekerheidsrechten van vrouwen, met inbegrip van pensioenen, gelijk zijn aan die van mannen met dezelfde of een gelijkwaardige baan; verzoekt de lidstaten passende maatregelen vast te stellen om de schending van het beginsel van gelijke beloning van vrouwen en mannen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid tegen te gaan;

17.  dringt er bij de lidstaten, werkgevers en vakverenigingen op aan om bruikbare en concrete jobevaluatie-instrumenten te ontwikkelen en toe te passen die mee kunnen bepalen wat gelijkwaardig werk is en zodoende kunnen helpen te verzekeren dat vrouwen en mannen een gelijk loon en bijgevolg in de toekomst een gelijk pensioen ontvangen; spoort de bedrijven ertoe aan jaarlijkse controles naar gelijke beloning te verrichten, transparante gegevens te publiceren en de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten;

18.  roept de Commissie en de lidstaten op om actie te ondernemen tegen horizontale en verticale segregatie op de arbeidsmarkt door genderongelijkheden en discriminatie inzake werkgelegenheid uit te bannen en vrouwen aan te moedigen, met name via onderwijs en via bewustmaking van meisjes en vrouwen, om te kiezen voor studies, beroepen en loopbanen in sectoren die voor innovatie en groei zorgen en die vandaag vanwege hardnekkige stereotypes door mannen worden gedomineerd;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten intensiever te werken aan nieuwe maatregelen die vrouwen moeten stimuleren om langer en met kortere onderbrekingen aan de arbeidsmarkt deel te nemen en zo hun economische onafhankelijkheid nu en op hogere leeftijd te verbeteren;

20.  herinnert eraan dat, nu de verantwoordelijkheid steeds meer verschuift van de pensioenstelsels naar persoonlijke financieringsregelingen, non-discriminatie bij de toegang tot de financiële diensten die onder Richtlijn 2004/113/EG vallen moet worden verzekerd op basis van gelijke actuariële criteria; merkt op dat de toepassing van de regel van sekseneutraliteit zal helpen om de genderpensioenkloof te dichten; verzoekt de lidstaten en de Commissie de transparantie, de toegang tot informatie en de zekerheid voor deelnemers aan en gerechtigden van bedrijfspensioenregelingen te vergroten, met inachtneming van de EU-beginselen van non-discriminatie en gendergelijkheid;

21.  beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als salaris moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;

22.  verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan vrouwen, die vaak geen pensioenrechten hebben opgebouwd en daardoor niet economisch onafhankelijk zijn, met name in geval van scheiding;

De ongelijkheden in het beroepsleven van mannen en vrouwen beperken

23.  verwelkomt het feit dat de Commissie op het verzoek van het Europees Parlement is ingegaan om het evenwicht tussen privé- en beroepsleven te verbeteren, door middel van niet-wetgevingsvoorstellen en een wetsvoorstel waarin verschillende soorten verlofregelingen zijn opgenomen met het doel het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de 21e eeuw; benadrukt dat de voorstellen van de Commissie een goede basis vormen om aan de verwachtingen van de Europese burgers te voldoen; verzoekt alle instellingen om dit pakket zo spoedig mogelijk te realiseren;

24.  verlangt dat de lidstaten de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten naleven en handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen;

25.  verzoekt de lidstaten te overwegen om werknemers de mogelijkheid te bieden om te onderhandelen over vrijwillige flexibele werkregelingen, met inbegrip van "slim werken", volgens de nationale praktijk en ongeacht de leeftijd van de kinderen of de gezinssituatie, waardoor vrouwen en mannen werk en gezin beter kunnen combineren, zodat het ene niet langer gedwongen moet voorgaan op het andere als zij zorgtaken op zich nemen;

26.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor zorgverlof in de richtlijn betreffende evenwicht tussen werk en privéleven van ouders en verzorgers en herinnert aan zijn verzoek om passende beloning en sociale bescherming; verzoekt de lidstaten om op basis van een uitwisseling van beste praktijken "zorgkredieten" in het leven te roepen, ten voordele van zowel vrouwen als mannen, om loopbaanonderbrekingen met het oog op de informele zorg voor een familielid en periodes van formeel zorgverlof, zoals moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, eerlijk te compenseren en mee te nemen in de berekening van de pensioenrechten; is van oordeel dat deze kredieten gedurende een bepaalde, korte periode moeten worden toegekend, om te voorkomen dat stereotypen nog worden versterkt en de ongelijkheid verder toeneemt;

27.  verzoekt de lidstaten strategieën te ontwerpen ter erkenning van het belang van informele zorg voor familieleden en andere afhankelijke gezinsleden, en de eerlijke verdeling ervan tussen vrouwen en mannen, want het ontbreken hiervan is een potentiële bron van loopbaanonderbrekingen en onzekere arbeidsomstandigheden voor vrouwen, waardoor hun pensioenrechten in gevaar komen; benadrukt in dit verband het belang van stimulansen voor mannen om hun ouderschaps- en vaderschapsverlof op te nemen;

28.  verzoekt de lidstaten werknemers in staat te stellen om na zwangerschaps- of ouderschapsverlof weer naar een vergelijkbare arbeidsregeling terug te keren;

29.  wijst erop dat een goed evenwicht tussen werk en privéleven voor mannen en vrouwen pas behaald kan worden als er kwalitatief hoogstaande, betaalbare en toegankelijke zorgvoorzieningen voor kinderen, ouderen en zorgbehoevenden zijn en als de gelijke verdeling van verantwoordelijkheden, kosten en zorg aangemoedigd wordt; roept de lidstaten op meer te investeren in diensten voor kinderen, onderstreept dat op het platteland kinderopvang moet worden aangeboden, en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te ondersteunen, onder meer door EU-financiering beschikbaar te stellen, om dergelijke voorzieningen aan te bieden die voor allen toegankelijk zijn; verzoekt de lidstaten om niet alleen de doelstellingen van Barcelona zo snel mogelijk na te komen, en dit uiterlijk tegen 2020, maar ook soortgelijke doelstellingen te bepalen voor langdurige zorgdiensten en tegelijkertijd gezinnen die de voorkeur geven aan een ander opvoedingsmodel, keuzevrijheid te bieden; prijst de lidstaten die beide soorten doelstellingen reeds hebben bereikt;

Invloed van de pensioenstelsels op de pensioenkloof

30.  roept de lidstaten op om, op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, de invloed van hun pensioenstelsels op de pensioenkloof en de factoren die eraan ten grondslag liggen te evalueren, teneinde discriminatie te bestrijden en te zorgen voor transparantie in de pensioenstelsels van de lidstaten;

31.  onderstreept dat in het kader van de houdbaarheid van pensioenstelsels rekening moet worden gehouden met de uitdagingen van demografische ontwikkelingen, vergrijzing, geboortecijfers en de verhouding tussen economisch actieven en personen met de pensioengerechtigde leeftijd; herinnert eraan dat de situatie van deze laatste groep nauw samenhangt met het aantal arbeidsjaren en de betaalde premies;

32.  verzoekt de lidstaten, teneinde de sociale zekerheid met het oog op de toenemende levensverwachting in de EU houdbaar te houden, met spoed de nodige structurele wijzigingen in de pensioenstelsels door te voeren;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om grondiger te bestuderen welke gevolgen een overschakeling van wettelijke overheidspensioenen naar een systeem met flexibelere mechanismen voor pensioenbijdragen in particuliere en bedrijfspensioenregelingen kan hebben voor de pensioenkloof, bijvoorbeeld met betrekking tot de berekening van de periode waarin werd bijgedragen aan het pensioenstelsel of tot de geleidelijke uittreding uit de arbeidsmarkt;

34.  waarschuwt voor de risico's voor gendergelijkheid van de verschuiving van socialezekerheidspensioenen naar particuliere, kapitaalgedekte pensioenen, aangezien particuliere pensioenen gebaseerd zijn op individuele bijdragen en geen regelingen omvatten voor de vergoeding voor tijd die wordt besteed aan de zorg voor kinderen en andere hulpbehoevende familieleden, of voor perioden van werkloosheid, ziekteverlof of invaliditeit; wijst erop dat hervormingen van de pensioenstelsels die sociale uitkeringen aan groei en aan de situatie op de arbeidsmarkt en de financiële markten koppelen, de nadruk uitsluitend op macro-economische aspecten leggen maar niet op het sociale doel van pensioenen;

35.  verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels en de reeds geïmplementeerde hervormingen te ontdoen van die elementen die tot meer onevenwichtigheden (en met name gendergerelateerde onevenwichtigheden, zoals de bestaande genderpensioenkloof) bij pensioenen leiden, rekening te houden met de gendereffecten van eventuele verdere pensioenhervormingen en maatregelen te nemen voor het elimineren van de discriminatie in kwestie; benadrukt dat beleidswijzigingen op het vlak van pensioenen altijd moeten worden beoordeeld aan de hand van het effect ervan op de genderkloof, door middel van specifieke analyses waarbij de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor vrouwen en mannen tegen elkaar worden afgezet, hetgeen een essentieel onderdeel moet vormen van de planning, het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van overheidsbeleid;

36.  verzoekt de Commissie om de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen om zo na te gaan welke correctiemechanismen het meest doeltreffend zijn en met welke mechanismen de factoren die de pensioenkloof vergroten, kunnen worden aangepakt;

37.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor mannen en vrouwen identieke levenslange tarieven in te voeren voor pensioenregelingen en zorgkredieten, alsook voor afgeleide uitkeringen, zodat vrouwen voor gelijke bijdragen gelijke pensioenannuïteiten kunnen krijgen, ook al hebben zij een langere levensverwachting dan mannen, en teneinde ervoor te zorgen dat de levensverwachting van vrouwen niet als voorwendsel wordt gebruikt voor discriminatie, in het bijzonder bij de berekening van pensioenen;

38.  verlangt dat alle prikkels die de belasting- en pensioenstelsels bieden, en de gevolgen die zij hebben voor de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, tegen het licht worden gehouden, met bijzondere nadruk op huishoudens van alleenstaande moeders; verlangt ook dat onjuiste prikkels worden afgeschaft en dat rechten worden geïndividualiseerd;

39.  benadrukt de belangrijke rol die overlevingspensioenen vervullen bij het beschermen van vele oudere vrouwen tegen armoede en sociale uitsluiting, waarop zij een hoger risico lopen dan oudere mannen; verzoekt de lidstaten hun overlevingspensioenstelsels, met inbegrip van weduwenpensioenen, waar nodig te hervormen zodat ongetrouwde vrouwen niet worden benadeeld; verzoekt de lidstaten, met steun van de Commissie, onderzoek te doen naar de effecten van de verschillende stelsels voor overlevingspensioenen in het licht van de hoge percentages echtscheidingen, de armoedegraad bij ongehuwde stellen en sociale uitsluiting onder oudere vrouwen, en na te denken over wettelijke regelingen die bij scheidingen gedeelde pensioenrechten waarborgen;

40.  beklemtoont dat iedereen recht heeft op een overheidspensioen, en herinnert aan artikel 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht van ouderen op een waardig en onafhankelijk bestaan is vastgelegd, en aan artikel 34 van het Handvest betreffende het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming waarborgen in geval van moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, invaliditeit, afhankelijkheid van langdurige zorg, ouderdom of ontslag; wijst op het belang van de openbare, via een omslagsysteem gefinancierde socialezekerheidsstelsels als belangrijke bouwsteen voor een toereikende ouderdomsvoorziening;

41.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat zowel mannen als vrouwen de mogelijkheid hebben volledige tijdvakken van bijdragebetaling te vervullen en recht op een pensioen hebben, om de pensioenkloof te dichten door genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden, onderwijs en loopbaanplanning aan te passen, voor een beter evenwicht tussen werk en privé te zorgen, en meer te investeren in kinder- en ouderenzorg; vindt het ook belangrijk goede regelgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk vast te stellen die rekening houdt met gendergerelateerde beroeps- en psychosociale risico's, investeringen te doen in openbare diensten voor arbeidsvoorziening die vrouwen van alle leeftijden kunnen begeleiden bij het zoeken naar een baan, en flexibele regels in te voeren voor de overgang van werk naar pensioen;

42.  wijst erop dat het Comité inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties in zijn algemene opmerking nr. 16 (2005) over de gelijke rechten van mannen en vrouwen wat betreft de uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten de vereisten van artikel 3 heeft vastgesteld in conjunctie met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met inbegrip van de vereiste dat de verplichte pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gelijk moet worden getrokken, en dat moet worden gewaarborgd dat vrouwen dezelfde uitkeringen krijgen van pensioenstelsels, of deze nu openbaar of particulier zijn;

o
o   o

43.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) 11 augustus 2005, E/C.12/2005/4.
(2) 4 februari 2008, E/C.12/GC/19.
(3) XX-3/def/GRC/4/1/EN.
(4) PB L 6 van 10.1.1979, blz. 24.
(5) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(6) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(7) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(8) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 9.
(9) PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 60.
(10) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.
(11) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 6.
(12) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 2.
(13) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 2.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0338.


Verslag 2016 over Servië
PDF 211kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over Servië (2016/2311(INI))
P8_TA(2017)0261A8-0063/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien Besluit 2008/213/EG van de Raad van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het Europese partnerschap met Servië en tot intrekking van Besluit 2006/56/EG(1),

–  gezien het advies van de Commissie van 12 oktober 2011 over het verzoek van Servië om toetreding tot de Europese Unie (SEC(2011)1208), het besluit van de Europese Raad van 2 maart 2012 om Servië de status van kandidaat-lidstaat te verlenen en het besluit van de Europese Raad van 27-28 juni 2013 om onderhandelingen met Servië te openen,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds, die op 1 september 2013 in werking is getreden,

–  gezien resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en resolutie 64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010, waarin nota werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU tot medewerking aan een dialoog tussen Servië en Kosovo werd verwelkomd,

–  gezien de verklaring en aanbevelingen van de vijfde bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité EU-Servië van 22-23 september 2016,

–  gezien het verslag over het beleid inzake ondernemingen en industrie, dat op 7 oktober 2016 is goedgekeurd door het gemengd raadgevend comité EU-Servië voor het maatschappelijk middenveld,

–  gezien het eindverslag van de beperkte verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/het ODIHR over de vervroegde parlementsverkiezingen in Servië van 29 juli 2016,

–  gezien het verslag over Servië voor 2016 (SWD(2016)0361), dat de Commissie op 9 november 2016 heeft gepubliceerd,

–  gezien de beoordeling van de Commissie over het economisch hervormingsprogramma van Servië (2016-2018) (SWD(2016)0137),

–  gezien de gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de Westelijke Balkan en Turkije van 26 mei 2016 (9500/2016),

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van 13 december 2016,

–  gezien de derde zitting van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Servië, die op 13 december 2016 heeft plaatsgehad,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over het verslag 2015 over Servië(2),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0063/2017),

A.  overwegende dat Servië, net als alle landen die het EU-lidmaatschap nastreven, op zijn eigen merites beoordeeld moet worden wat betreft het voldoen aan, en de uitvoering en naleving van dezelfde criteria en overwegende dat de kwaliteit van en de toewijding aan de nodige hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepaalt;

B.  overwegende dat de vooruitgang van Servië met betrekking tot de hoofdstukken 23 en 24 inzake de rechtsstaat en het proces van normalisering van de betrekkingen met Kosovo onder hoofdstuk 35 van wezenlijk belang blijft voor het algehele tempo van het onderhandelingsproces, in overeenstemming met het onderhandelingskader;

C.  overwegende dat Servië belangrijke stappen heeft ondernomen ter normalisering van de betrekkingen met Kosovo, wat heeft geleid tot het eerste akkoord over de beginselen van de normalisering van 19 april 2013 en de overeenkomsten van augustus 2015, maar dat er op dit gebied nog veel gedaan moet worden; overwegende dat er met spoed verdere stappen moeten worden ondernomen om alle hangende kwesties tussen beide landen aan te pakken, te bespoedigen en op te lossen;

D.  overwegende dat Servië zich blijft inzetten voor de totstandbrenging van een functionerende markteconomie en uitvoering blijft geven aan de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO);

E.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van het rechtskader voor de bescherming van minderheden volledig gewaarborgd moet worden, met name op gebieden als onderwijs, toegang tot de media en tot religieuze diensten in minderheidstalen, alsook met betrekking tot een passende politieke vertegenwoordiging van nationale minderheden op lokaal, regionaal en nationaal niveau;

1.  is ingenomen met de opening van de onderhandelingen over hoofdstukken 23 (rechterlijke macht en grondrechten) en 24 (justitie, vrijheid en veiligheid), die de cruciale hoofdstukken zijn in de EU-benadering van de uitbreiding, gebaseerd op de rechtstaat, aangezien vooruitgang met betrekking tot deze hoofdstukken essentieel blijft voor het algemene tempo van het onderhandelingsproces; verwelkomt de opening van hoofdstukken 32 (Financiële controle) en 35 (Andere vraagstukken), de opening van de onderhandelingen over hoofdstuk 5 (Overheidsopdrachten) en de opening en voorlopige sluiting van hoofdstuk 25 (Wetenschap en onderzoek), de opening van onderhandelingen over hoofdstuk 20 (Ondernemings- en industriebeleid) en de opening en voorlopige sluiting van hoofdstuk 26 (Onderwijs en cultuur); ziet uit naar de opening van bijkomende hoofdstukken die technisch zijn voorbereid;

2.  verwelkomt de blijvende inzet van Servië op de weg naar integratie in de EU en zijn constructieve en terdege voorbereide aanpak van de onderhandelingen, wat een duidelijk teken is van vastberadenheid en politieke wil; vraagt dat Servië deze strategische beslissing actief blijft bevorderen en verspreiden onder de Servische bevolking, onder meer door ervoor te zorgen dat de Servische burgers beter op de hoogte zijn van middelen uit de EU-begroting die naar Servië gaan; verzoekt de Servische autoriteiten zich te onthouden van tegen de EU gerichte retoriek en boodschappen aan het publiek; benadrukt de noodzaak van geïnformeerde, transparante en constructieve debatten over de EU, haar instellingen en de gevolgen van het EU-lidmaatschap; constateert verbeteringen in de dialoog met en de publieke raadpleging van alle belanghebbenden en maatschappelijke organisaties en hun betrokkenheid bij het integratieproces in de EU;

3.  benadrukt dat de nauwkeurige tenuitvoerlegging van hervormingen en beleidsmaatregelen een belangrijke aanwijzing voor een succesrijk integratieproces blijft; is ingenomen met de goedkeuring van het herziene nationale programma voor de overname van het acquis (NPPA); vraagt Servië de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving en beleidsmaatregelen beter te plannen, te coördineren en te monitoren door een adequate en efficiënte administratieve capaciteit op te zetten, en zich verder in te spannen voor het waarborgen van de stelselmatige inspraak van het maatschappelijk middenveld in de beleidsdialoog, onder meer in het toetredingsproces, als een instrument om de normen inzake democratisch bestuur te verbeteren; verwelkomt de voortdurende initiatieven van het regeringsbureau voor de samenwerking met het maatschappelijk middenveld om de samenwerking tussen de staat en de civiele sector te verbeteren;

4.  stelt vast dat er vertragingen zijn in de opname van pretoetredingssteun, die mede te wijten zijn aan het ontoereikende institutionele kader; dringt er bij de autoriteiten op aan dat zij positieve voorbeelden en goede praktijken zoeken bij de lidstaten; benadrukt dat er een meer doeltreffend en alomvattend institutioneel stelsel moet worden opgezet op nationaal, regionaal en lokaal niveau, opdat de IPA-steun (instrument voor pretoetredingssteun) en andere beschikbare fondsen benut worden;

5.  verwelkomt de vorderingen die Servië heeft gemaakt bij de ontwikkeling van een functionerende markteconomie en de verbetering van de algemene economische toestand in het land; benadrukt dat Servië goede vooruitgang heeft geboekt bij de aanpak van een aantal tekortkomingen in zijn beleid, met name met betrekking tot het begrotingstekort, dat nu onder het in de criteria van Maastricht vastgestelde niveau ligt; onderstreept dat de groeiperspectieven verbeterd zijn en dat de binnenlandse en externe onevenwichtigheden in de economie verminderd zijn; is verheugd dat er vorderingen zijn gemaakt met de herstructurering van overheidsbedrijven, met name op het gebied van energie en spoorwegvervoer, en benadrukt dat het van belang is dat die sectoren professioneel worden geleid zodat ze doeltreffender, concurrerender en economisch belangrijker kunnen worden; onderstreept de betekenis van werkgelegenheid in de publieke sector in Servië en het belang van de eerbiediging van de rechten van werknemers;

6.  neemt kennis van de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2 april 2017; uit ernstige kritiek op de retoriek die tijdens de verkiezingscampagne door regeringsfunctionarissen en regeringsgezinde media werd gehanteerd ten aanzien van de overige presidentskandidaten; betreurt de ongelijke toegang van kandidaten tot de media gedurende de verkiezingscampagne en het parlementaire reces tijdens de campagne, waardoor oppositieleden een publiek forum werd onthouden; verzoekt de autoriteiten een deugdelijk onderzoek in te stellen naar allerlei soorten onregelmatigheden en gevallen van geweld en intimidatie tijdens de verkiezingen; is zich bewust van de protesten die op dat moment plaatsvonden in verschillende Servische steden en spoort de autoriteiten aan rekening te houden met hun eisen in overeenstemming met democratische normen en de geest van democratie;

7.  onderstreept de cruciale rol van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) voor de Servische economie en verzoekt Servië het ondernemingsklimaat voor de particuliere sector verder te verbeteren; verzoekt Servië en de EU-instellingen hun financieringsmogelijkheden voor kmo's uit te breiden, met name op het gebied van IT en de digitale economie; prijst de Servische inspanningen op het gebied van duaal onderwijs en beroepsopleiding om de jeugdwerkloosheid aan te pakken en onderstreept dat het belangrijk is opleidingen te organiseren die beter aansluiten op de vraag van de arbeidsmarkt; moedigt het land aan ondernemerschap te promoten, met name onder de jongeren; wijst op de ongunstige demografische ontwikkelingen en het verschijnsel van hersenvlucht en vraagt dat Servië nationale programma’s introduceert ter bevordering van de werkgelegenheid voor jongeren;

8.  is tevreden over het verloop van de parlementsverkiezingen van 24 april 2016, die door internationale waarnemers positief werden beoordeeld; verzoekt de autoriteiten ten volle uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/het ODIHR, in het bijzonder met betrekking tot tendentieuze berichtgeving in de media, oneerlijke voordelen voor gevestigde partijen en de vervaging van de grens tussen statelijke en partijgebonden activiteiten, het registratieproces en het gebrek aan transparantie in de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes; benadrukt dat de financiering van politieke partijen moet stroken met de hoogste internationale normen; verzoekt de autoriteiten een deugdelijk onderzoek in te stellen naar klachten inzake onregelmatigheden, geweld en intimidatie tijdens het verkiezingsproces; verzoekt Servië te zorgen voor eerlijke en vrije verkiezingen in april 2017;

9.  merkt op dat eerste minister Aleksandar Vučić tijdens de presidentsverkiezingen van 2 april 2017 55,08 % van de stemmen heeft gekregen; benadrukt dat een meerpartijendelegatie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa de verkiezingen heeft waargenomen en dat de OVSE/het ODIHR een verkiezingswaarnemingsmissie heeft afgevaardigd;

10.  herhaalt zijn verzoek aan Servië om, in lijn met de vereisten van zijn status als kandidaat-lidstaat, zijn buitenlands en veiligheidsbeleid geleidelijk in overeenstemming te brengen met het EU-beleid, ook zijn beleid ten aanzien van Rusland; vindt het betreurenswaardig dat Servië en Rusland gezamenlijke militaire oefeningen houden; is bezorgd over de aanwezigheid van Russische luchtvaartfaciliteiten in Niš; betreurt dat Servië in december 2016 een van de 26 landen was die in de Verenigde Naties de resolutie over de Krim, waarin werd opgeroepen tot een internationale missie voor de waarneming van de mensenrechtensituatie op het schiereiland, niet gesteund hebben; is ingenomen met de aanzienlijke bijdrage van Servië aan verscheidene missies en operaties van de EU uit hoofde van het GVDB (EUTM Mali, EUTM Somalië, EUNAVFOR Atalanta, EUTM RCA), alsmede met de aanhoudende deelname aan de internationale vredeshandhavingsoperaties; moedigt Servië krachtig aan tot onderhandelen over WTO-toetreding en steunt het land daarbij;

11.  spreekt zijn lof uit voor de constructieve en humanitaire benadering die Servië volgt bij de aanpak van de migratiecrisis; nodigt Servië uit ook met de buurlanden deze constructieve benadering te volgen; neemt met tevredenheid kennis van de grote inspanningen die Servië heeft geleverd om met steun van de EU en de internationale gemeenschap ingezetenen van derde landen onderdak en humanitaire hulp te bieden; benadrukt dat Servië de nieuwe asielwetgeving moet goedkeuren en uitvoeren; vraagt de Servische autoriteiten dat zij er blijven voor zorgen dat alle vluchtelingen en migranten basisdiensten aangeboden krijgen zoals passende huisvesting, voedsel, sanitaire voorzieningen en gezondheidszorg; vraagt de Commissie en de Raad dat zij steun blijven verlenen aan Servië voor het aanpakken van migratieproblemen en nauwgezet toe te zien op het gebruik van subsidies voor de organisatie en afhandeling van migratiestromen; spoort Servië aan ervoor te zorgen dat het aantal asielzoekers dat uit Servië de EU binnenkomt, blijft dalen; doet een beroep op Servië om de rechten van asielzoekers ten volle te respecteren en ervoor te zorgen dat onbegeleide en van hun familie gescheiden minderjarigen worden opgespoord en beschermd; verzoekt de Commissie op het gebied van migratie te blijven samenwerken met alle landen van de Westelijke Balkan om ervoor te zorgen dat Europese en internationale normen worden nageleefd;

Rechtsstaat

12.  stelt vast dat er weliswaar enige vooruitgang is geboekt op het gebied van de rechterlijke macht, met name doordat er stappen zijn ondernomen voor de harmonisering van de rechtspraak en de verdere bevordering van een op verdienste gebaseerd aanwervingssysteem, maar dat in de praktijk de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet gewaarborgd is, waardoor rechters en openbare aanklagers de aangenomen wetgeving niet ten uitvoer kunnen leggen; vraagt de autoriteiten dat zij het grondwettelijk en wetgevend kader in overeenstemming brengen met de Europese normen, teneinde de politieke invloed op de aanwerving en benoeming van rechters en openbare aanklagers te verminderen; benadrukt dat de kwaliteit en de efficiëntie van het rechtswezen en de toegang tot de rechtspleging blijvend problemen ondervinden als gevolg van een ongelijke verdeling van de werklast, een aanzienlijke gerechtelijke achterstand en het gebrek aan een systeem voor gratis rechtshulp, dat moet worden ingesteld; wenst dat uitvoering wordt gegeven aan de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

13.  is bezorgd over het gebrek aan vorderingen in de strijd tegen corruptie en dringt er bij Servië op aan dat het blijk geeft van duidelijke politieke wil en inzet om dit probleem aan te pakken, mede door het juridisch kader te versterken en volledig te handhaven; verzoekt Servië vaart te zetten achter de uitvoering van de nationale strategie en het nationaal actieplan voor corruptiebestrijding, en dringt erop aan dat Servië een aantoonbaar begin maakt met onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen in zaken over corruptie op hoog niveau; is ingenomen met de vorderingen bij de afronding van de ontwerpwet inzake het agentschap voor corruptiebestrijding en met de uitvoering van de activiteiten op het gebied van corruptiepreventie en -bestrijding die zijn gepland in het onlangs vastgestelde EU-twinningsproject; dringt er bij Servië op aan dat het de bepalingen in het hoofdstuk economische delicten en corruptie in het wetboek van strafrecht wijzigt en ten uitvoer legt, zodat er een geloofwaardig en voorspelbaar strafrechtelijk kader wordt gecreëerd; is bezorgd over het feit dat er herhaaldelijk informatie over lopende onderzoeken gelekt wordt naar de media; verzoekt de Servische autoriteiten een grondig onderzoek in te stellen naar diverse opvallende gevallen waarbij bewijs van vermeend wangedrag door journalisten is geleverd; verzoekt nogmaals om een deugdelijke hervorming van de regels inzake ambtsmisbruik en misbruik van verantwoordelijke positie, teneinde mogelijk misbruik of willekeurige interpretatie te voorkomen; benadrukt dat al te frequent gebruik van de bepalingen inzake ambtsmisbruik in de particuliere sector schadelijk is voor het bedrijfsklimaat en de rechtszekerheid in het gedrang brengt; verzoekt Servië de neutraliteit en de continuïteit van het openbaar bestuur te garanderen;

14.  is verheugd over de actieve rol van Servië in de internationale en regionale politiële en justitiële samenwerking, alsook over de vooruitgang die geboekt is in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en over de goedkeuring van de eerste dreigingsevaluatie van de zware en georganiseerde criminaliteit (SOCTA) van Servië; vraagt dat Servië extra inspanningen levert om onderzoek in te stellen naar grotere criminele netwerken en zorgt voor een betere financiële recherche en beter inlichtingengestuurd politiewerk, alsook voor een degelijk register van definitieve veroordelingen; vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan de wet van februari 2016 betreffende de politie, deze in overeenstemming brengt met de EU-rechtsregels inzake inbeslagname van crimineel vermogen en een veilig platform opzet voor het uitwisselen van inlichtingen tussen wetshandhavingsinstanties; is ingenomen met de recente wijziging van de wet op openbaar eigendom en benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat deze wet op transparante en niet-discriminerende wijze ten uitvoer wordt gelegd en dat er verdere maatregelen worden getroffen om volledige juridische duidelijkheid te scheppen over eigendomsrechten; dringt aan op extra inspanningen bij de aanpak van het probleem van de werkingssfeer, uitvoering en gevolgen van de wet inzake de organisatie en bevoegdheden van staatsinstanties in processen wegens oorlogsmisdrijven; verzoekt de autoriteiten op te treden tegen gevallen van gebruik van buitensporig geweld van de politie tegen burgers; heeft met bezorgdheid kennis genomen van de controversiële gebeurtenissen in de wijk Savamala in Belgrado, met name met betrekking tot de vernieling van particulier eigendom; uit zijn bezorgdheid over het feit dat er een heel jaar is verstreken zonder enige vordering in het onderzoek, en dringt aan op een snelle oplossing en op volledige samenwerking met de gerechtelijke instanties in de onderzoeken om de daders voor de rechter te brengen; dringt er bij het Servische ministerie van Binnenlandse Zaken en de autoriteiten van de stad Belgrado op aan de openbare aanklager in deze zaak hun volledige medewerking te verlenen; verzoekt de autoriteiten af te zien van beschuldigingen, druk en aanvallen tegen leden van de burgerbeweging "Laat Belgrado niet verzuipen";

15.  is ingenomen met de actieve rol van Servië in de strijd tegen terrorisme en herinnert eraan dat Servië al in 2014 de activiteiten van buitenlandse strijders strafbaar heeft gesteld, overeenkomstig Resolutie 2178(2014) van de VN-Veiligheidsraad; dringt aan op de goedkeuring van de in maart 2016 opgestelde nationale strategie voor de bestrijding van terrorisme; verzoekt Servië volledige uitvoering te geven aan de aanbevelingen van het evaluatieverslag van het Comité van deskundigen inzake de evaluatie van maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld (MONEYVAL) van de Raad van Europa, en met name de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) inzake financiering van het terrorisme en witwassen van geld; is ingenomen met de voortdurende internationale en regionale medewerking van Servië op het gebied van de drugsbestrijding, maar wijst erop dat er verdere inspanningen nodig zijn voor de opsporing en vervolging van criminele netwerken die betrokken zijn bij mensenhandel; is van mening dat een regionale strategie en nauwere samenwerking in de regio van essentieel belang zijn om corruptie en georganiseerde misdaad aan te pakken;

Democratie

16.  verwelkomt de maatregelen om de transparantie en het raadplegingsproces in het parlement te verbeteren, onder meer de openbare hoorzittingen en de regelmatige bijeenkomsten met en raadplegingen van de Nationale conventie inzake Europese integratie, vooral omdat deze belangrijke delen van de onderhandelingsprocedure vormen; blijft bezorgd over de ruime mate waarin gebruik wordt gemaakt van urgentieprocedures bij het aannemen van wetgeving; benadrukt dat het veelvuldige gebruik van spoedprocedures en wijzigingen van de parlementaire agenda op het laatste moment de efficiëntie van het parlement en de kwaliteit en transparantie van het wetgevingsproces ondermijnen, en tot gevolg hebben dat er niet voldoende tijd is voor een adequate raadpleging van de belanghebbenden en het ruime publiek; benadrukt dat het parlement meer toezicht moet gaan uitoefenen op de uitvoerende macht; dringt aan op betere coördinatie op alle niveaus en onmiddellijke goedkeuring van de gedragscode van het parlement; vindt het jammer dat het hoofd van de EU-delegatie naar Servië ten gevolge van verstoringen het verslag van de Commissie niet heeft kunnen presenteren in de commissie voor Europese integratie van het Servische parlement; benadrukt dat het hoofd van de EU-delegatie dit verslag zonder onnodige belemmeringen moet kunnen presenteren en dat dit er ook voor zal zorgen dat het Servische parlement naar behoren toezicht kan houden op het toetredingsproces;

17.  merkt op dat de grondwet moet worden herzien om volledig tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, met name wat betreft de rol van het parlement in de benoeming van rechters, de controle van de politieke partijen op het mandaat van de parlementsleden, de onafhankelijkheid van de belangrijkste instellingen en de bescherming van de fundamentele rechten;

18.  verwelkomt de goedkeuring van het hervormingsprogramma voor het beheer van de overheidsfinanciën, de strategie inzake e-overheid, een strategie inzake regelgevende hervormingen en beleidsvorming, nieuwe wetten inzake algemene administratieve procedures, overheidssalarissen en overheidsambtenaren op provinciaal en plaatselijk bestuursniveau; stelt vast dat de uitvoering van het actieplan voor de hervorming van het openbaar bestuur op sommige punten vertraging heeft opgelopen en dat er geen vooruitgang is geboekt in de wijziging van het juridisch kader voor overheidsambtenaren van de centrale regering; onderstreept dat er meer inspanningen nodig zijn om het bestuur verder te professionaliseren en te depolitiseren en wervings- en ontslagprocedures transparanter te maken;

19.  benadrukt nogmaals het belang van onafhankelijke regelgevende instanties zoals de ombudsman, de commissaris voor informatie van openbaar belang en bescherming van persoonsgegevens, de nationale controle-instantie, het agentschap voor de bestrijding van corruptie en de raad voor de bestrijding van corruptie, om het toezicht op en de verantwoordingsplicht van de uitvoerende macht te waarborgen; benadrukt de noodzaak van transparantie en verantwoordingsplicht bij staatsinstellingen; verzoekt de autoriteiten de onafhankelijkheid van deze regelgevende instanties volledig te beschermen en te zorgen voor volledige politieke en administratieve ondersteuning van hun werkzaamheden alsook voor de correcte follow-up van hun aanbevelingen; verzoekt de autoriteiten zich te onthouden van beschuldigingen en ongegronde politieke aanvallen aan het adres van de ombudsman;

20.  benadrukt dat moet worden gezorgd voor een toegankelijk onderwijsstelsel met een volledig en evenwichtig lesprogramma, waarin onder meer aandacht wordt geschonken aan het belang van mensenrechten en non-discriminatie, arbeids- en opleidingskansen voor jongeren en het bevorderen van Europese studieprogramma's zoals het Erasmus-programma;

Mensenrechten

21.  onderstreept dat er een wetgevend en institutioneel kader is voor de naleving van het internationaal recht inzake de mensenrechten; benadrukt dat een consistente implementatie in het hele land vereist is; merkt op dat verdere gestage inspanningen noodzakelijk zijn voor het verbeteren van de situatie van personen die tot kwetsbare groepen behoren, waaronder personen met een handicap, personen met HIV/AIDS, LGBTI-personen, migranten en asielzoekers en etnische minderheden; onderstreept dat de Servische autoriteiten, alle politieke partijen en publieke figuren een klimaat van tolerantie en inclusie in Servië moeten bevorderen; verzoekt de autoriteiten toe te zien op de passende tenuitvoerlegging van de aangenomen anti-discriminatiewetgeving, vooral de wetten in verband met haatmisdrijven; uit zijn bezorgdheid over de wet inzake de rechten van burgeroorlogsslachtoffers waardoor een aantal groepen worden uitgesloten die tijdens de conflicten slachtoffer waren van gewelddaden en verzoekt de autoriteiten deze wet te herzien;

22.  geeft nogmaals uitdrukking aan zijn zorgen over het feit dat de situatie omtrent de vrijheid van meningsuiting en de zelfcensuur van de media nog altijd niet verbeterd is en zelfs slechter wordt; benadrukt dat politieke inmenging, bedreigingen en geweld tegen en intimidatie van journalisten, waaronder fysiek geweld, mondelinge en schriftelijke dreigementen en aanvallen op eigendommen een punt van zorg blijven; verzoekt de autoriteiten alle aanvallen openlijke en ondubbelzinnig te veroordelen, te zorgen voor voldoende middelen om meer proactief onderzoek in te stellen naar alle gevallen van aanvallen tegen journalisten en mediakanalen en de daders snel voor de rechter te brengen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat civielrechtelijke procedures wegens smaad en lastercampagnes in onevenredige mate gericht zijn tegen kritische media en journalisten alsook over de mogelijke gevolgen van gerechtelijke beslissingen in smaadprocessen voor de vrijheid van de media; uit zijn bezorgdheid over een negatieve campagne tegen onderzoeksjournalisten die verslag doen van corruptie, en dringt er bij regeringsfunctionarissen op aan af te zien van dergelijke campagnes; dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van de mediawetten; is verheugd over de ondertekening van de overeenkomst inzake de samenwerking tussen en de bescherming van journalisten die is gesloten tussen de aanklagers, de politie en de journalisten- en mediaverenigingen en kijkt uit naar de tenuitvoerlegging ervan; benadrukt dat volledige transparantie over de eigendomsstructuur en financiering van de media noodzakelijk is; spoort de regering aan waarborgen te bieden voor de onafhankelijkheid en de financiële duurzaamheid van beide publieke mediaorganisaties en voor de financiële levensvatbaarheid van media-inhoud in minderheidstalen, en de rol van de publieke omroepen op dit gebied te versterken;

23.  vindt het zorgelijk dat de wet inzake reclame in 2015 is aangenomen zonder behoorlijke openbare raadpleging, en dat belangrijke bepalingen, onder andere over het verbod op reclame voor overheidsinstanties en op politieke reclame buiten de verkiezingscampagne, zijn geschrapt;

24.  betreurt de vereiste voor het gebruik van IPA-fondsen op grond waarvan maatschappelijke organisaties partners moeten worden met de staat om een succesvolle aanvraag te kunnen doen;

25.  veroordeelt de negatieve campagne van de regering en de door de regering beheerde media tegen maatschappelijke organisaties; tekent bezwaar aan tegen door de regering opgerichte fictieve maatschappelijke organisaties als tegenhanger van onafhankelijke maatschappelijke organisaties; vindt het onaanvaardbaar dat er een partnerschap met de regering nodig is voor maatschappelijke organisaties om een succesvolle aanvraag voor IPA-fondsen in te kunnen dienen;

Eerbiediging en bescherming van minderheden

26.  herhaalt dat de bevordering en bescherming van de mensenrechten, waaronder ook de rechten van nationale minderheden, een basisvoorwaarde is voor toetreding tot de EU; verwelkomt de goedkeuring van een actieplan ter verwezenlijking van de rechten van nationale minderheden en de goedkeuring van een decreet inzake de oprichting van een fonds voor nationale minderheden dat nu operationeel moet worden; dringt erop aan dat het actieplan en de bijlage daarbij volledig wordt uitgevoerd op alomvattende en transparante wijze, met de constructieve inzet van alle partijen; herhaalt zijn oproep aan Servië ervoor te zorgen dat de wetgeving inzake de bescherming van minderheden consequent wordt toegepast en bijzondere aandacht te besteden aan de niet-discriminerende behandeling van nationale minderheden in het hele land, onder meer met betrekking tot onderwijs, taalgebruik, adequate vertegenwoordiging in het gerechtelijk apparaat, het openbaar bestuur, het nationaal parlement en plaatselijke en regionale instanties, en toegang tot de media en religieuze diensten in minderheidstalen; verwelkomt de goedkeuring van nieuwe onderwijsnormen voor het onderwijs van Servisch als tweede taal en de vorderingen die zijn geboekt bij het vertalen van schoolboeken in minderheidstalen en spoort de Servische autoriteiten ertoe aan ervoor te zorgen dat deze ontwikkelingen duurzaam zijn; vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan alle internationale verdragen inzake rechten van minderheden;

27.  merkt op dat de multi-etnische, multiculturele en multiconfessionele diversiteit van de provincie Vojvodina ook bijdraagt aan de Servische identiteit; onderstreept dat Vojvodina een hoge mate van bescherming voor de minderheden heeft gehandhaafd en dat de interetnische situatie goed is gebleven; benadrukt dat niet mag worden getornd aan de autonomie van Vojvodina en dat de wet inzake de middelen van Vojvodina onverwijld moet worden aangenomen, zoals de grondwet bepaalt; is verheugd over de prestatie van de Servische stad Novi Sad om geselecteerd te worden als Culturele Hoofdstad van Europa in 2021;

28.  neemt kennis van de goedkeuring van de nieuwe strategie voor sociale inclusie van de Roma 2016-2025, die betrekking heeft op onderwijs, gezondheid, huisvesting, arbeid, sociale bescherming, anti-discriminatie en gendergelijkheid; vraagt dat de nieuwe strategie voor sociale inclusie van de Roma volledig en snel wordt uitgevoerd, aangezien dit de zwakste, meest gemarginaliseerde en meest gediscrimineerde groep in Servië is, en pleit voor de dringende vaststelling van het actieplan en voor de oprichting van een orgaan om de uitvoering van het actieplan te coördineren; veroordeelt het slopen van onofficiële Roma-nederzettingen door de autoriteiten, zonder waarschuwing vooraf te geven of alternatieve accommodatie aan te bieden; vindt het bijzonder zorgelijk dat er geen persoonsdocumenten worden afgegeven aan Roma omdat hun grondrechten daardoor beknot worden; is van mening dat al de hoger genoemde problemen tot gevolg hebben dat een groot aantal Roma uit Servië asiel aanvraagt in de EU;

Regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap

29.  is erover verheugd dat Servië zich constructief blijft inzetten voor bilaterale betrekkingen met andere uitbreidingslanden en aangrenzende EU-lidstaten; spoort Servië aan zijn proactieve en positieve betrokkenheid met zijn buren en de ruimere omgeving te versterken, goede nabuurschapsbetrekkingen te bevorderen en extra inspanningen te leveren om bilaterale problemen met buurlanden op te lossen in overeenstemming met het internationaal recht; herhaalt zijn verzoek aan de autoriteiten om de toegang tot de archieven van de voormalige republieken van Joegoslavië te faciliteren; vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan bilaterale overeenkomsten met buurlanden; onderstreept dat onopgeloste bilaterale geschillen geen schadelijke gevolgen mogen hebben voor het toetredingsproces; spoort Servië aan de samenwerking met de aangrenzende EU-lidstaten te versterken, met name inzake grensgebieden, teneinde de economische ontwikkeling te bevorderen;

30.  neemt er met tevredenheid nota van dat Servië zich steeds constructiever inzet voor initiatieven voor regionale samenwerking, zoals de Donaustrategie, het Zuidoost-Europees Samenwerkingsproces, de Raad voor regionale samenwerking, de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst, het Adriatisch-Ionische initiatief, het proces van Brdo-Brijuni, het initiatief "de Zes van de Westelijke Balkan” en de bijbehorende agenda voor connectiviteit, en het proces van Berlijn; is ingenomen met de vergadering over samenwerking voor energie- en vervoersinfrastructuur van de eerste ministers van Bulgarije, Roemenië en Servië, en schaart zich achter het idee om dergelijke vergaderingen van de "Craiova-groep" een permanent karakter te geven; benadrukt het belang van het Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken van de Westelijke Balkan voor het bevorderen van de verzoening; vraagt dat Servië uitvoering geeft aan de hervormingsmaatregelen voor connectiviteit die met de agenda voor connectiviteit verbonden zijn en aan de conclusies van de conferentie van Parijs over de Westelijke Balkan in 2016 en de TEN-T-verordening; prijst de rol van de Servische Kamer van Koophandel en Industrie bij de bevordering van regionale samenwerking en zijn bijdrage tot de oprichting van het investeerdersforum van de Kamers van Koophandel in de Westelijke Balkan;

31.  is ingenomen met de goedkeuring van een nationale strategie voor onderzoek naar en vervolging van oorlogsmisdaden; roept Servië op een klimaat van respect en verdraagzaamheid te bevorderen en alle vormen van haat zaaiende taal, de openlijke goedkeuring en ontkenning van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te veroordelen; stelt vast dat het mandaat van de voormalige openbare aanklager voor oorlogsmisdaden in december 2015 is afgelopen; benadrukt dat de benoeming van zijn opvolger een punt van grote zorg is; verzoekt om uitvoering van de nationale strategie en de goedkeuring van een vervolgingsstrategie in overeenstemming met de beginselen en regels van internationaal recht en de internationale normen; roept op tot versterkte regionale samenwerking bij de behandeling van oorlogsmisdaden en het oplossen van alle hangende kwesties in dit verband, onder meer via samenwerking tussen de openbaar ministeries voor oorlogsmisdaden in de regio bij kwesties van wederzijds belang; pleit voor volledige samenwerking met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY), wat van essentieel belang blijft; vraagt dat oorlogsmisdaden behandeld worden zonder enige discriminatie, dat straffeloosheid wordt aangepakt en dat verantwoordingsplicht geldt; dringt er bij de autoriteiten op aan zich te blijven inzetten voor de opheldering van het lot van vermiste personen, het opsporen van massagraven en het garanderen van de rechten van de slachtoffers en hun families; betuigt nogmaals zijn steun voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan in het voormalige Joegoslavië en dringt er bij de Servische regering op aan het voortouw te nemen bij de oprichting ervan;

32.  vindt het bezwaarlijk dat een aantal Servische hoogwaardigheidsbekleders aanwezig waren bij de viering van de dag van de Republika Srpska op 9 januari 2017, die is gehouden in weerwil van de besluiten van het constitutioneel hof van Bosnië en Herzegovina; benadrukt dat Servië, als een kandidaat-lidstaat, en Bosnië en Herzegovina, als een potentiële kandidaat-lidstaat, de rechtsstaat met hun daden moeten verdedigen en bevorderen; roept de Servische autoriteiten op constitutionele hervormingen in Bosnië en Herzegovina te steunen zodat het land meer capaciteit krijgt om beter te functioneren en deel te nemen aan EU-toetredingsonderhandelingen;

33.  ziet de openstelling van drie nieuwe grensovergangen tussen Servië en Roemenië als een positieve ontwikkeling en beveelt de openstelling aan van de drie grensovergangen met Bulgarije bij Salash-Novo korito, Bankya-Petachinci en Treklyano-Bosilegrad waarvan de opening was uitgesteld;

34.  looft zowel Albanië als Servië voor hun blijvend engagement ter verbetering van de bilaterale betrekkingen en ter versterking van de regionale samenwerking op politiek en maatschappelijk niveau, bijvoorbeeld via het in Tirana gevestigde Regionaal Bureau voor samenwerking in jongerenzaken (Regional Youth Cooperation Office, RYCO); moedigt beide landen aan hun goede samenwerking voort te zetten teneinde verzoening in de regio te bevorderen;

35.  is verheugd dat Servië zich blijft engageren in het normalisatieproces met Kosovo en dat het zich inzet voor de uitvoering van de overeenkomsten die bereikt zijn in de door de EU gefaciliteerde dialoog; herhaalt dat de vorderingen in de dialoog moeten worden afgemeten aan de toepassing ervan in de praktijk; verzoekt beide partijen dan ook ernaar te blijven toewerken dat alle reeds bereikte overeenkomsten onverkort, te goeder trouw en tijdig worden uitgevoerd, en om vastbesloten door te gaan met het normaliseringsproces, met inbegrip van de kwestie van de gemeenschap van Servische gemeenten; benadrukt dat Servië en Kosovo nieuwe discussieonderwerpen voor de dialoog moeten aandragen om het leven van de mensen te verbeteren en de betrekkingen volledig te normaliseren; herhaalt zijn verzoek aan de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om de prestaties van de partijen bij de naleving van hun verplichtingen te evalueren;

36.  betreurt niettemin dat de Servische autoriteiten hebben beslist de voormalige president van Kosovo, Atifete Jahjaga, geen toestemming te verlenen het festival "Mirëdita, Dobar Dan" in Belgrado bij te wonen, waarop ze was uitgenodigd om een toespraak te geven over slachtoffers van seksueel geweld tijdens de oorlog in Kosovo; betreurt tevens dat de Kosovaarse autoriteiten als reactie hierop hebben beslist de Servische minister van Arbeid, Aleksandar Vulin, toegang tot Kosovo te weigeren; benadrukt dat dergelijke beslissingen in strijd zijn met de overeenkomst van Brussel inzake vrijheid van verkeer die door Servië en Kosovo is gesloten in het kader van de normalisering van de betrekkingen tussen beide landen;

37.  toont zich ernstig bezorgd over de recente spanningen tussen Servië en Kosovo omtrent de eerste treinrit van Belgrado naar Noord-Mitrovica, waarbij oorlogszuchtige uitspraken en tegen de EU gerichte retoriek te horen vielen; benadrukt dat zowel Belgrado als Pristina zich moeten onthouden van handelingen die de tot nu toe geboekte vorderingen in het gedrang kunnen brengen, alsook van provocerende maatregelen en niet-bevorderlijke retoriek die het normalisatieproces kunnen belemmeren;

38.  is ingenomen met de steun van de Servische autoriteiten aan Montenegro bij het onderzoek naar de mislukte aanslagen die gepland waren op de dag van de verkiezingen in Montenegro in 2016; merkt op dat de Servische autoriteiten twee verdachten hebben gearresteerd na de uitvaardiging van een arrestatiebevel door Montenegro; spoort de Servische autoriteiten aan te blijven samenwerken met Montenegro zodat de verdachten kunnen worden uitgeleverd aan Montenegro in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgelegd in de tussen de twee landen gesloten bilaterale overeenkomst inzake uitlevering;

39.  dringt aan op verdere inspanningen van de Commissie tot ondersteuning van een werkelijk verzoeningsproces in de regio, met name door steun voor culturele projecten die het recente verleden aan de orde stellen en door bevordering van een gemeenschappelijk en gedeeld inzicht in de geschiedenis, en van een algemene en politieke cultuur van tolerantie, inclusie en verzoening;

Energie

40.  vraagt dat Servië volledige uitvoering geeft aan de hervormingsmaatregelen voor connectiviteit in de energiesector; moedigt Servië aan de concurrentie op de gasmarkt te ontwikkelen en maatregelen te nemen ter verbetering van de aanpassing aan het acquis op het gebied van energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en de strijd tegen klimaatverandering, onder meer door een omvattend klimaatbeleid goed te keuren; roept op tot ratificatie van de Klimaatovereenkomst van Parijs; roept op tot de ontwikkeling van een waterkrachtstrategie voor de gehele Westelijke Balkan die aansluit op de EU-milieuwetgeving en verzoekt de autoriteiten de bijkomende EU-financiering van 50 miljoen EUR te gebruiken om het waterkrachtpotentieel van de regio te ontwikkelen; prijst Servië voor het opzetten van een financieringssysteem voor het milieu via het Groen Klimaatfonds; wijst op de noodzaak tot ontwikkeling van gas- en elektriciteitsverbindingen met zijn buurlanden; spoort Servië aan vaart te zetten achter de technische en budgettaire voorbereidingen van de gasinterconnector Bulgarije-Servië;

41.  wijst erop dat Servië de strategie voor waterbeheer nog moet goedkeuren en de wet inzake water en het nationale beheersplan voor het Donaubekken nog niet heeft herzien; benadrukt dat deze wetten van fundamenteel belang zijn voor een verdere afstemming op het EU-acquis en voor een betere tenuitvoerlegging van de EU-richtlijnen in de watersector;

o
o   o

42.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Servië.

(1)PB L 80 van 19.3.2008, blz. 46.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0046.


Verslag 2016 over Kosovo
PDF 207kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag 2016 van de Commissie over Kosovo (2016/2314(INI))
P8_TA(2017)0262A8-0062/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de bijeenkomst van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de landen van de Westelijke Balkan op toetreding tot de Europese Unie,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo, die op 1 april 2016 in werking is getreden,

–  gezien de ondertekening van een kaderovereenkomst met Kosovo inzake de deelname aan programma's van de Unie,

–  gezien de eerste overeenkomst met beginselen voor de normalisatie van de betrekkingen tussen Kosovo en Servië, die op 19 april 2013 door de premiers Hashim Thaçi en Ivica Dačić is ondertekend, en gezien het actieplan ter uitvoering daarvan van 22 mei 2013,

–  gezien Besluit (GBVB) 2016/947 van de Raad van 14 juni 2016 tot wijziging van Gemeenschappelijk Optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo (Eulex Kosovo),

–  gezien de verslagen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties over de lopende activiteiten van de VN-missie voor interim-bestuur in Kosovo (UNMIK) en de daarmee verband houdende ontwikkelingen, met inbegrip van het meest recente verslag van 26 oktober 2016, en gezien het debat dat de Veiligheidsraad op 16 november 2016 over UNMIK heeft gehouden,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 over het EU-uitbreidingsbeleid 2016 (COM(2016)0715),

–  gezien het verslag van de Commissie van 9 november 2016 over Kosovo voor 2016 (SWD(2016)0363),

–  gezien de beoordeling van het economische hervormingsprogramma van Kosovo voor de periode 2016-2018, die de Commissie op 18 april 2016 heeft gepubliceerd (SWD(2016)0134),

–  gezien de gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de Westelijke Balkan en Turkije van 26 mei 2016 (9500/2016),

–  gezien de Europese hervormingsagenda, die op 11 november 2016 in Pristina is gelanceerd,

–  gezien de conclusies van het Raadsvoorzitterschap van 13 december 2016 over het uitbreidingsproces en het stabilisatie- en associatieproces,

–  gezien de conclusies van de bijeenkomsten van de Raad Algemene Zaken van 7 december 2009, 14 december 2010 en 5 december 2011, waarin werd benadrukt, respectievelijk bevestigd dat ook Kosovo, onder voorbehoud van het standpunt van de lidstaten over de status van het land, op termijn in aanmerking moet komen voor visumliberalisering zodra aan alle voorwaarden is voldaan,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 1 juni 2016 voor een verordening tot visumliberalisering voor burgers uit Kosovo (COM(2016)0277) en gezien het vierde verslag van de Commissie van 4 mei 2016 over de vooruitgang van Kosovo met de uitvoering van de vereisten van het stappenplan voor visumliberalisering (COM(2016)0276),

–  gezien resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad, het advies van het Internationaal Gerechtshof van 22 juli 2010 over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming is met het internationaal recht, en resolutie 64/298 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2010, waarin nota werd genomen van het advies van het Internationaal Gerechtshof en de bereidheid van de EU tot medewerking aan een dialoog tussen Servië en Kosovo werd verwelkomd,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de interparlementaire bijeenkomsten EP-Kosovo van 28-29 mei 2008, 6-7 april 2009, 22-23 juni 2010, 20 mei 2011, 14-15 maart 2012, 30-31 oktober 2013 en 29-30 april 2015, de verklaringen en aanbevelingen die zijn aangenomen tijdens de eerste en tweede bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité EU-Kosovo van respectievelijk 16-17 mei 2016 en 23-24 november 2016, en de eerste vergadering van de Stabilisatie- en Associatieraad van 25 november 2016,

–  gezien zijn eerdere resoluties,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0062/2017),

A.  overwegende dat 114 van de 193 lidstaten van de VN, waaronder 23 van de 28 lidstaten van de EU, de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen;

B.  overwegende dat (potentiële) kandidaat-lidstaten worden beoordeeld op hun eigen verdiensten, en dat het tijdschema voor toetreding wordt bepaald door de snelheid en kwaliteit van de vereiste hervormingen;

C.  overwegende dat de EU meermaals heeft verklaard bereid te zijn de economische en politieke ontwikkeling van Kosovo via een duidelijk Europees perspectief te steunen, in overeenstemming met het Europese perspectief van de regio, en dat Kosovo laat zien Europese integratie na te streven;

D.  overwegende dat de rechtsstaat, de grondrechten, de versterking van de democratische instellingen, met inbegrip van de hervorming van de overheidsdiensten, alsmede betrekkingen van goed nabuurschap, economische ontwikkeling en mededinging, door de EU tot speerpunten van haar uitbreidingsbeleid zijn gemaakt;

E.  overwegende dat meer dan 90 % van de Kosovaren voor werkloosheid vreest en dat meer dan 30 % van de Kosovaarse bevolking tussen 0 en 120 EUR per maand verdient;

1.  is verheugd over de inwerkingtreding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Kosovo op 1 april 2016, als eerste contractuele verbintenis en een essentiële stap ter voortzetting van het proces voor de integratie van Kosovo in de EU; is ingenomen met de Europese hervormingsagenda, waarmee op 11 november 2016 een begin is gemaakt, en met de vaststelling van de nationale strategie voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst, als platform om de uitvoering ervan te bevorderen, en roept Kosovo op duidelijke politieke wil en vastberadenheid te blijven tonen om het overeengekomen stappenplan uit te voeren, met inbegrip van het opzetten van het coördinatiemechanisme voor de uitvoering van de stabilisatie- en associatieovereenkomst, en de door deze overeenkomst op gang gebrachte positieve dynamiek te benutten om hervormingen uit te voeren en te institutionaliseren, de sociaal-economische ontwikkeling van Kosovo te verbeteren, op diverse gebieden samenwerking met de EU tot stand te brengen, waardoor tevens de integratie van de handel en de investeringen van Kosovo zou worden bevorderd, de betrekkingen met de buurlanden aan te halen en bij te dragen aan de stabiliteit in de regio; verzoekt de regering van Kosovo zich te concentreren op de uitvoering van de brede hervormingen zonder welke het land zijn verplichtingen krachtens de stabilisatie- en associatieovereenkomst niet zal kunnen nakomen; is verheugd dat op 23-24 november 2016 de tweede bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité is gehouden en dat op 25 november 2016 de eerste bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-Kosovo is gehouden; merkt op dat het van essentieel belang is voor de democratische toekomst van Kosovo en voor de toekomst van het proces voor de integratie van Kosovo in de EU dat er in de tweede helft van 2017 vrije, eerlijke en transparante vervroegde algemene verkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen worden gehouden;

2.  is ingenomen met het feit dat de vervroegde parlementsverkiezingen in Kosovo van 11 juni 2017 over het algemeen vreedzaam en ordelijk zijn verlopen; betreurt niettemin dat, mede vanwege tijdgebrek, enkele van de aanbevelingen van het OVSE-Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) uit 2014 niet ten uitvoer werden gelegd; spreekt zijn bezorgdheid uit over de door EU-waarnemers gemelde problemen tijdens de verkiezingscampagne, in het bijzonder de ontwrichtende inmenging door sommige politieke partijen in de onafhankelijkheid van zowel private als publieke media, en de bedreigingen en de intimidatie jegens leden en kandidaten van de Servische gemeenschap van Kosovo die met de Srpska Lista aan de verkiezingen deelnamen; dringt er bij de partijen op aan snel een regering te vormen om voort te gaan op de weg van Kosovo in de richting van de EU, en zich in te zetten voor de ratificatie van de grensovereenkomst met Montenegro en goede resultaten te blijven boeken op het gebied van veroordelingen op hoog niveau wegens corruptie en georganiseerde criminaliteit, om zo de weg vrij te maken voor visumvrij reizen voor de inwoners van Kosovo;

3.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de aanhoudende extreme polarisatie van het politieke landschap; roept alle partijen ertoe op verantwoordelijkheid en eigen inbreng te tonen en de voorwaarden voor een vruchtbare, oplossings- en resultaatgerichte dialoog tot stand te brengen om de spanningen te doen afnemen en een duurzaam compromis te bereiken om het land vooruitgang te helpen boeken op zijn Europese traject;

4.  dringt er bij de leiders van de Servische gemeenschap in Kosovo op aan hun plaats en rol in de instellingen van het land volledig zelf in handen te nemen en constructief en onafhankelijk van Belgrado op te treden, in het belang van alle inwoners van Kosovo, en roept Kosovo daarnaast op de toegang van Kosovaarse Serviërs tot de Kosovaarse instellingen te blijven ondersteunen; is in dit verband verheugd dat het Servische justitiële, politie- en burgerbeschermingspersoneel van Kosovo in het Kosovaarse systeem is geïntegreerd; roept de Kosovaarse autoriteiten op het wederzijds vertrouwen tussen gemeenschappen te blijven opbouwen en tegelijkertijd hun economische integratie te bevorderen;

5.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de gewelddadige verstoring van de activiteiten in het Kosovaarse parlement door een aantal oppositieleden in de eerste helft van 2016, is verheugd dat de oppositie weer deelneemt aan de parlementaire procedures over de meeste aangelegenheden, en is tevens ingenomen met de constructieve inzet van alle leden van de gemengde parlementaire delegatie van het Europees Parlement en het parlement van Kosovo aan het einde van de huidige legislatuur; benadrukt het belang van politieke dialoog, de actieve en constructieve deelname van alle politieke partijen aan de besluitvormingsprocessen en onbelemmerde parlementaire werkzaamheden als essentiële voorwaarden voor vooruitgang in het proces van integratie in de EU;

6.  beklemtoont dat op weg naar integratie in de EU een strategische langetermijnvisie en aanhoudende inzet voor de goedkeuring en uitvoering van de noodzakelijke hervormingen vereist zijn;

7.  constateert dat vijf lidstaten Kosovo niet hebben erkend; onderstreept dat erkenning de normalisering van de betrekkingen tussen Kosovo en Servië ten goede zou komen en de geloofwaardigheid van de EU in haar eigen buitenlands beleid zou vergroten; is ingenomen met de constructieve benadering van alle lidstaten wat betreft de bevordering en de versterking van de betrekkingen tussen de EU en Kosovo teneinde de sociaal-economische ontwikkeling, de rechtsstatelijkheid en de consolidering van de democratie in de hand te werken, ten voordele van de Kosovaarse bevolking; pleit voor een positieve benadering inzake de deelname van Kosovo aan internationale organisaties;

8.  is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde visumliberalisering, wat voor Kosovo een zeer positieve stap op weg naar Europese integratie zou zijn; stelt verheugd vast dat zowel in de EU-lidstaten als in de Schengenlanden minder asielaanvragen worden ingediend door Kosovaarse burgers en is ingenomen met de invoering van het re-integratiefonds en de re-integratieprogramma's voor teruggekeerde Kosovaarse burgers; uit zijn bezorgdheid over de impasse in het uittredende parlement met betrekking tot de ratificatie van de grensovereenkomst met Montenegro, en benadrukt dat visumliberalisering slechts kan worden verleend wanneer Kosovo aan alle criteria voldoet, onder meer door goede resultaten te boeken op het gebied van veroordelingen op hoog niveau wegens corruptie en georganiseerde criminaliteit, daarbij aanzienlijk geholpen door het IT-volgsysteem voor prominente zaken, dat Kosovo inzet in het geval van zware criminaliteit en dat ook moet worden uitgebreid naar andere strafzaken; verzoekt de autoriteiten derhalve de inspanningen ter bestrijding van het witwassen van geld, illegaal wapenbezit en de drugs-, mensen- en wapenhandel op te voeren;

9.  acht het cruciaal dat het buitenlands en veiligheidsbeleid van Kosovo aansluit bij het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU;

10.  is verheugd over de geboekte voortgang bij de uitvoering van de verschillende overeenkomsten die sinds augustus 2016 zijn gesloten in het kader van de normalisering van de betrekkingen met Servië, na maanden van weinig of geen vooruitgang; benadrukt dat het voor de verdere succesvolle ontwikkeling van de dialoog tussen Pristina en Belgrado van essentieel belang is dat de overeenkomsten volledig worden uitgevoerd; verzoekt zowel Kosovo als Servië meer inzet en volgehouden politieke wil aan de dag te leggen inzake de normalisering van hun betrekkingen, en zich verre te houden van acties waardoor de tot dusver geboekte vooruitgang op het spel zou worden gezet; wijst erop dat dit een voorwaarde is voor toetreding tot de EU; neemt nota van enige vooruitgang in verband met andere technische kwesties, zoals kadasters, universitaire diploma's en nummerplaten, en in verband met de uitvoering van de overeenkomst over de brug van Mitrovica; heeft de ontwikkelingen in verband met de brug van Mitrovica met bezorgdheid gevolgd en staat achter de recente overeenkomst; is verheugd over de toekenning van een eigen internationale telefooncode aan Kosovo; herhaalt zijn verzoek aan de Europese Dienst voor extern optreden om de prestaties van de partijen bij de naleving van hun verplichtingen regelmatig te evalueren en aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over zijn bevindingen; wijst erop dat de gesloten overeenkomsten ten goede moeten komen aan het dagelijks leven van de gewone burger; merkt op dat de dialoog geen duidelijke voordelen oplevert voor de bevolking van Kosovo en Servië en benadrukt dat, in het bijzonder in Noord-Kosovo, maximale transparantie aan de dag moeten worden gelegd ten aanzien van de resultaten van de dialoog; benadrukt het belang van goede nabuurschapsbetrekkingen met alle landen van de Westelijke Balkan;

11.  veroordeelt het sturen van een Servische nationalistische trein van Belgrado naar Noord-Kosovo ten zeerste; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over oorlogszuchtige uitspraken en tegen de EU gerichte retoriek; constateert dat de rechtbank van Colmar (Frankrijk) onder afwijzing van een uitleveringsverzoek van Servië, de invrijheidsstelling heeft gelast van Ramush Haradinaj, die in 2008 en in 2012 door het Joegoslavië-tribunaal was vrijgesproken maar op 4 januari 2017 in Frankrijk werd aangehouden op grond van een internationaal arrestatiebevel dat in 2004 door Servië werd uitgevaardigd krachtens zijn Wet inzake de organisatie en bevoegdheden van overheidsinstanties in rechtszaken in verband met oorlogsmisdaden; betreurt dat tot dusver misbruik is gemaakt van deze wet om burgers uit landen die tot voormalig Joegoslavië behoorden te vervolgen, zoals blijkt uit deze recente zaak; dringt er bij beide partijen op aan zich te onthouden van provocatieve maatregelen en niet-bevorderlijke retoriek die het normalisatieproces in de weg kunnen staan; verzoekt de EU, Kosovo en Servië deze kwesties constructief te bespreken in het kader van de onderhandelingen over hun toetreding tot de EU;

12.  wijst erop dat de vereniging van Servische gemeenten nog niet is opgericht, dat de statuten ervan nog moeten worden opgesteld, en dat de regering van Kosovo verantwoordelijk is voor de oprichting van de vereniging; roept Kosovo op de vereniging onverwijld op te richten in overeenstemming met de overeenkomst die in het kader van de door de EU gefaciliteerde dialoog is bereikt, en met de uitspraak van het Grondwettelijk Hof van Kosovo; moedigt de Kosovaarse autoriteiten in dit verband aan een werkgroep op hoog niveau in te stellen, met een duidelijk en termijngebonden mandaat om een voorstel in te dienen voor een statuut inzake parlementaire controle en inbreng van het publiek; uit zijn bezorgdheid over het feit dat er nog steeds parallelle structuren van Servië aanwezig zijn, mede vanwege voortdurende financiële steun van dat land, en vraagt om die te ontmantelen; spoort alle belanghebbenden ertoe aan een billijke en wederzijds aanvaardbare langetermijnoplossing voor de situatie van het mijncomplex van Trepca te vinden;

13.  roept de politieke krachten op de eerbiediging van de burgerlijke vrijheden en de veiligheid van de Servische gemeenschap en haar gebedshuizen te waarborgen;

14.  juicht de instelling van gespecialiseerde kamers en het gespecialiseerd openbaar ministerie van Kosovo in Den Haag toe als een essentiële stap om voor gerechtigheid en verzoening te zorgen; benadrukt dat getuigenbescherming van cruciaal belang is voor het welslagen van de bijzondere rechtbank en roept de autoriteiten derhalve op burgers in staat te stellen zonder angst voor vergelding hierop een beroep te doen; verzoekt de EU en de lidstaten de rechtbank te blijven steunen, onder meer door voldoende middelen beschikbaar te stellen; is ingenomen met de bereidheid van Nederland om de rechtbank te huisvesten;

15.  verzoekt Kosovo het probleem van de vermisten aan te pakken, onder meer door eigendomsrechten op doeltreffende wijze te waarborgen, de inbeslagname van eigendommen te verbieden en de terugkeer en re-integratie van ontheemden te waarborgen; roept Kosovo op te garanderen dat de slachtoffers van verkrachting tijdens de oorlog daadwerkelijk worden vergoed, zoals vastgesteld in het nationale actieplan; stelt met bezorgdheid vast dat er slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt bij het onderzoek naar, de vervolging van en de veroordeling voor oorlogsmisdaden, waaronder gevallen van seksueel geweld tijdens de oorlog in Kosovo, in de jaren 1998-1999, en dringt er bij Kosovo op aan zijn inspanningen in dit verband op te voeren;

16.  betreurt dat het maatschappelijk middenveld niet regelmatig wordt geraadpleegd als onderdeel van het besluitvormingsproces; onderstreept de noodzaak om het maatschappelijk middenveld verder te versterken en vraagt de politieke wil te tonen om met het maatschappelijk middenveld samen te werken door de minimumnormen voor de raadpleging van het publiek toe te passen;

17.  roept de politieke krachten ertoe op de rechtsstaat te waarborgen, te eerbiedigen en te ondersteunen, en meer inspanningen te leveren om de rechtsstaat, inclusief de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, te versterken en daarbij een duidelijk onderscheid te maken tussen het legitieme streven van de burgers van Kosovo naar vrijheid en rechtvaardigheid en de daden van personen die oorlogsmisdaden zouden hebben begaan, welke door de bevoegde rechterlijke instanties naar behoren vervolgd moeten worden;

18.  merkt op dat de Ombudsman een begin heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van de wet inzake de Ombudsman van 2015, die voorziet in meer en betere rapportage, en dringt aan op de vaststelling van de desbetreffende afgeleide wetgeving; verzoekt het parlement en de regering van Kosovo om de financiële, functionele en organisatorische onafhankelijkheid van de Ombudsman te verzekeren, in overeenstemming met de internationale normen voor nationale mensenrechteninstellingen; dringt erop aan dat de regering gevolg geeft aan de verslagen en aanbevelingen van het bureau van de hoogste auditinstantie en de Ombudsman;

19.  onderstreept dat het bureau van de Ombudsman naar behoren moet kunnen functioneren, en dat ervoor moet worden gezorgd dat het over de nodige middelen beschikt om zijn taken uit te voeren;

20.  merkt op dat er weliswaar enige vooruitgang is geboekt bij het vaststellen van wetgeving voor de goede werking van de rechterlijke macht, maar dat de rechtsbedeling traag en inefficiënt blijft verlopen en wordt belemmerd door de resterende tekortkomingen van het strafrecht, het politieke en economische opportunisme, politieke inmenging, een gebrek aan verantwoordingsplicht en beperkte financiële en personele middelen, ook binnen het speciale openbaar ministerie; spoort Kosovo ertoe aan deze kwesties prioritair aan te pakken om rechtszekerheid ten aanzien van de eigendomsrechten van buitenlandse investeerders te verzekeren; neemt nota van de inspanningen die de politie en het openbaar ministerie hebben geleverd om de georganiseerde misdaad aan te pakken; waardeert de inspanningen van de bevoegde autoriteiten om de dood van Astrit Dehari in de gevangenis te onderzoeken en dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan het onderzoek af te ronden;

21.  is verheugd over de ondertekening van de kaderovereenkomst inzake de deelname van Kosovo aan EU-programma's en bepleit een zo snel mogelijke inwerkingtreding en correcte tenuitvoerlegging van de overeenkomst nadat deze door het Europees Parlement is goedgekeurd;

22.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het gebrek aan vooruitgang inzake de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid, en over de toegenomen politieke inmenging en de druk en intimidatie ten aanzien van de media; is ernstig bezorgd over het toegenomen aantal rechtstreekse bedreigingen van en aanvallen op journalisten en de wijdverbreide zelfcensuur; dringt er bij de Kosovaarse autoriteiten op aan de vrijheid van meningsuiting volledig te erkennen en te beschermen, in overeenstemming met de EU-normen, een einde te maken aan de straffeloosheid voor aanvallen op journalisten en de verantwoordelijken voor de rechter te brengen; dringt er bij de regering op aan de onafhankelijkheid en levensvatbaarheid van de openbare omroep RTK te verzekeren en een passende financieringsregeling in te voeren; vraagt om degelijke wetgeving inzake auteursrecht vast te stellen en te zorgen voor transparantie ten aanzien van de eigendomsstructuur van media;

23.  verzoekt de Kosovaarse regering ervoor te zorgen dat gevallen van fysieke agressie en andere vormen van druk ten aanzien van journalisten onverwijld worden onderzocht en de toewijzing van rechtszaken door de rechterlijke macht te bespoedigen en te versterken, alle aanvallen tegen journalisten en media ondubbelzinnig te blijven veroordelen en transparantie over media-eigendom te verzekeren, om het groeiende risico van ongepaste druk op uitgevers en journalisten tegen te gaan;

24.  is verheugd over de overeenkomst die Kosovo en Servië op 30 november 2016 hebben gesloten over de laatste stappen voor de uitvoering van de in het kader van de dialoog van 9 februari 2015 bereikte overeenkomst inzake justitie, waardoor 's lands gerechtelijke instellingen op het hele grondgebied van Kosovo kunnen gaan optreden;

25.  benadrukt dat systemische corruptie indruist tegen de fundamentele EU-waarden van transparantie en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; spreekt nogmaals zijn bezorgdheid uit over de zeer trage vooruitgang inzake de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad en roept op tot hernieuwde inspanningen en een duidelijke politieke wil voor het aanpakken van deze kwesties, die verhinderen dat er in de toekomst beduidende economische vooruitgang wordt geboekt; betreurt dat corruptie en georganiseerde misdaad in bepaalde gebieden van Kosovo, met name in het noorden, onbestraft blijven; maakt zich zorgen over het feit dat de staat van dienst inzake onderzoeken, vervolgingen en definitieve veroordelingen pover blijft en dat zelden wordt overgegaan tot de inbeslagneming en verbeurdverklaring van criminele vermogensbestanddelen, hoewel dit een essentieel instrument is in de strijd tegen corruptie; beveelt daarom aan onverwijld over te gaan tot de bevriezing van tegoeden en het aantal definitieve inbeslagnames op te voeren; moedigt het Kosovaarse Agentschap voor corruptiebestrijding aan om bij onderzoeken een proactievere houding aan te nemen; geeft uiting aan zijn bezorgdheid dat er onvoldoende gereglementeerd toezicht is op de financiering van politieke partijen en campagnes; is van mening dat de wet inzake belangenconflicten in overeenstemming moet worden gebracht met de Europese normen en dat overheidsfunctionarissen die zijn aangeklaagd of veroordeeld wegens ernstige of corruptiegerelateerde misdrijven daadwerkelijk uit hun ambt moeten worden verwijderd; uit zijn bezorgdheid over het ontbreken van doeltreffende coördinatie tussen de instanties die bevoegd zijn voor het opsporen, onderzoeken en vervolgen van corruptiezaken; uit zijn ernstige bezorgdheid over de betrokkenheid van criminele gewapende groeperingen bij grensoverschrijdende criminele activiteiten en dringt aan op rechtstreekse en doeltreffende samenwerking tussen Kosovo en Servië, alsook tussen alle landen in de regio, bij de bestrijding van georganiseerde misdaad; benadrukt dat een Kosovaars lidmaatschap van Interpol en 's lands samenwerking met Europol deze inspanningen zouden vergemakkelijken;

26.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat Kosovo een opslag- en doorvoerland voor harddrugs blijft; is bezorgd over het ontbreken van beveiligde opslag voor in beslag genomen drugs alvorens deze worden vernietigd; geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het beperkte aantal veroordelingen in zaken tegen mensenhandel, ondanks het feit dat Kosovo land van herkomst, doorvoer en bestemming is van verhandelde vrouwen en kinderen; uit zijn bezorgdheid over het bestaan van gewapende groeperingen en hun betrokkenheid bij georganiseerde criminele activiteiten zoals wapensmokkel, alsook de straffeloosheid waarmee zij blijkbaar over de grenzen heen kunnen opereren;

27.  roept Kosovo op zich harder in te spannen om een einde te maken aan gendergerelateerd geweld en te garanderen dat vrouwen hun rechten ten volle kunnen genieten; dringt er bij de Kosovaarse instellingen op aan passende middelen toe te wijzen voor de uitvoering van de nationale strategie betreffende huiselijk geweld, welke internationale mechanismen zoals het Verdrag van Istanbul omvat; is ingenomen met de politieke steun op hoog niveau voor de rechten van LGBTI's; is verheugd dat er voor de tweede keer een Pride Parade heeft plaatsgevonden, maar wijst er nogmaals op dat angst in de LGBTI-gemeenschap wijdverbreid blijft;

28.  verzoekt de Kosovaarse autoriteiten gendermainstreaming tot prioriteit te maken en erop toe te zien dat de bestuursorganen en overheidsinstellingen hierin het voortouw nemen; maakt zich zorgen over de structurele uitdagingen die de tenuitvoerlegging van de wet inzake gendergelijkheid belemmeren, en acht het nog altijd verontrustend dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies; roept Kosovo op vrouwen steeds aan te moedigen om hooggeplaatste posities na te streven; uit zijn bezorgdheid over het lage aantal vrouwen dat onroerend goed bezit, en verzoekt de autoriteiten er actief op toe te zien dat de eigendomsrechten van vrouwen, met inbegrip van erfenisrechten, worden gewaarborgd; is ingenomen met de vaststelling van een nationale strategie inzake huiselijk geweld en roept op tot de volledige toepassing ervan om vooruitgang te boeken in de strijd tegen huiselijk en gendergerelateerd geweld; wijst nogmaals op het verband tussen seksueel geweld tijdens oorlogen en conflicten en de normalisering en hoge frequentie van gendergerelateerd geweld in landen in een postconflictsituatie, indien hiertegen geen passende maatregelen worden genomen; dringt er bij de autoriteiten op aan openlijk beschermingsmechanismen en opvangmaatregelen aan te moedigen en in te voeren ten behoeve van vrouwen die de stilte verbreken en huiselijk geweld aan de kaak stellen; moedigt het werk van ngo's ter zake aan;

29.  juicht de oprichting van de interministeriële coördinatiegroep voor de rechten van de mens in 2016 toe, maar wijst erop dat er meer moet worden gedaan om de rechten van alle minderheden in Kosovo, met inbegrip van de Roma, Ashkali, Gorani en Balkan-Egyptenaren, te beschermen, door de desbetreffende wetgeving volledig ten uitvoer te leggen en voldoende middelen toe te wijzen; verzoekt de bevoegde nationale en lokale autoriteiten prioritair alle nodige wettelijke en praktische maatregelen te treffen om discriminatie te beperken en de rechten van de diverse etnische minderheden, met inbegrip van hun culturele, taalkundige en eigendomsrechten, te bekrachtigen om bij te dragen tot de ontwikkeling van een multi-etnische samenleving; dringt er bij Kosovo op aan ervoor te zorgen dat terugkerende vluchtelingen, waaronder veel Roma, volledig worden geïntegreerd en dat hun rechten als burgers worden hersteld zodat ze niet langer staatloos zijn; verzoekt Kosovo een nieuwe strategie en een nieuw actieplan voor integratie van de Roma, Ashkali en Balkan-Egyptenaren aan te nemen;

30.  is blij met de toegenomen inspanningen ter bestrijding en preventie van gewelddadig extremisme en radicalisering en erkent dat Kosovo op dit gebied belangrijk werk heeft verricht; merkt op dat er veel buitenlandse strijders naar Kosovo zijn teruggekeerd, en verzoekt de autoriteiten erop toe te zien dat ze in de gaten worden gehouden en vervolgd, alsook een brede strategie uit te werken voor doeltreffend beleid met het oog op preventie, deradicalisering en, in voorkomend geval, re-integratie; dringt erop aan de stroom buitenlandse strijders verder in kaart te brengen, potentiële strijders tegen te houden en een eind te maken aan de ontraceerbare financiering voor radicalisering; onderstreept de noodzaak van doeltreffende gemeenschapsprogramma's om de grieven die gewelddadig extremisme en radicalisering aanwakkeren aan te pakken en betrekkingen op te bouwen die tolerantie en dialoog in de hand werken;

31.  is verheugd over de verbetering van de economische situatie en de toename van de belastinginkomsten, waardoor de regering meer middelen ter beschikking heeft om haar beleid uit te voeren; vraagt zich echter met bezorgdheid af of de Kosovaarse begroting wel duurzaam is, met name gezien de hoogte van de uitkeringen aan oorlogsveteranen, en dringt in dit verband aan op een hervorming van de desbetreffende wet, zoals overeengekomen met het Internationaal Monetair Fonds; herhaalt dat structurele sociaal-economische hervormingen van cruciaal belang zijn om langetermijngroei te ondersteunen; benadrukt dat de plaatselijke industrie dringend moet worden versterkt, terwijl ook aandacht moet worden besteed aan het concurrentievermogen van lokaal vervaardigde producten zodat die aan de invoernormen van de EU kunnen voldoen; maakt zich zorgen over de afhankelijkheid van overmakingen van migranten; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de ad-hocfinancieringsbesluiten die zijn genomen en die de noodzakelijke stabiliteit voor het bedrijfsleven in het gedrang brengen; wijst eens te meer op de noodzaak van een snellere registratieprocedure voor nieuwe ondernemingen, die momenteel gehinderd worden door een onbetrouwbare administratie, onderontwikkelde infrastructuur, een zwakke rechtsstaat en wijdverbreide corruptie; roept Kosovo op om gevolg te geven aan de aanbevelingen naar aanleiding van de evaluatie van de Small Business Act van de EU en regelgevingsimpactbeoordelingen in te voeren om de administratieve lasten voor kmo's te verminderen, en verzoekt de Commissie meer bijstand te verlenen aan kmo's; verzoekt Kosovo om de aanbevelingen van het programma voor economische hervormingen 2016-2018 en de op 11 november 2016 gelanceerde Europese hervormingsagenda volledig ten uitvoer te leggen;

32.  neemt met bezorgdheid kennis van de hoge werkloosheid, met name onder jongeren, en uit zijn bezorgdheid over de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, met name bij de aanwerving; verzoekt Kosovo meer inspanningen te leveren om het werkgelegenheidspeil te verhogen en de arbeidsmarktomstandigheden te verbeteren; wijst erop dat het noodzakelijk is de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, onder meer door de leerkrachten beter op te leiden, de overgang van school naar werk te ondersteunen en studievaardigheden af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt, hetgeen een essentiële stap is om de torenhoge jeugdwerkloosheid aan te pakken; vraagt dat meer inspanningen worden gedaan om gezamenlijk onderwijs voor alle bevolkingsgroepen in de Kosovaarse samenleving te bevorderen; wijst op de noodzaak om de toezichtmechanismen, met name de arbeidsinspectie en -rechtbanken, te verbeteren en via de Sociaal-Economische Raad van Kosovo de dialoog tussen overheidsinstellingen en sociale partners te versterken; verwelkomt de conclusies van de Top van Parijs in 2016 en de oprichting van het eerste regionale bureau voor jongerensamenwerking;

33.  betreurt dat Kosovo maar traag inspanningen levert om een passende en efficiënte bestuurlijke capaciteit op te bouwen, waardoor het land de aangenomen wetten niet volledig ten uitvoer kan leggen en de EU-middelen niet doeltreffend kan aanwenden; betreurt de endemische corruptie, de politieke inmenging en de politisering van het personeel in overheidsdiensten op alle niveaus, alsook het feit dat bij verschillende onafhankelijke instellingen en agentschappen ambten werden bezet op basis van politieke overtuiging, veeleer dan professionele criteria; pleit voor verdere inspanningen om te komen tot een op verdienste gebaseerd aanwervingssysteem, dat nodig is om doelmatige, doeltreffende en professioneel onafhankelijke overheidsdiensten te verzekeren; vraagt dat een onderzoek wordt ingesteld naar de recente beschuldigingen van politieke inmenging in de aanwervings- en besluitvormingsprocedures van overheidsorganen;

34.  merkt op dat de voorwaarden voor opdrachten in het kader van de pretoetredingssteun zo streng zijn dat Kosovaarse of regionale bedrijven vaak zelfs niet kunnen inschrijven; vraagt daarom bijzondere aandacht te besteden aan het begeleiden en adviseren van belangstellende stakeholders; dringt er bij de autoriteiten op aan de resterende steun die nog niet is geprogrammeerd te bestemmen voor projecten die een directe impact hebben op de economie van Kosovo;

35.  is ingenomen met de verlenging van het mandaat van Eulex Kosovo en verzoekt Kosovo actief te blijven meewerken zodat Eulex zijn mandaat volledig en ongehinderd kan uitvoeren; dringt erop aan dat de EU zich ook na 2018 blijft inspannen voor de verdere versterking van een onafhankelijk justitie-, politie- en douanestelsel zodat Kosovo deze functies volledig zelf kan gaan uitoefenen; dringt aan op een efficiënte en soepele overdracht van door Eulex-aanklagers behandelde rechtszaken aan nationale aanklagers, met de nodige garanties dat wie in het verleden het slachtoffer werd van schendingen recht heeft op waarheid, gerechtigheid en genoegdoening;

36.  stelt vast dat het strafrechtelijk onderzoek naar aantijgingen van corruptie bij de Eulex-missie is afgerond; spreekt zijn tevredenheid uit over het feit dat de betrokken EU-ambtenaren van iedere blaam zijn gezuiverd; dringt bij Eulex aan op meer doeltreffendheid, volledige transparantie en een grotere mate van verantwoordelijkheid bij de missie voor de duur van het mandaat, en op de volledige tenuitvoerlegging van alle aanbevelingen die onafhankelijk deskundige Jean Paul Jacqué in zijn verslag van 2014 heeft gedaan;

37.  constateert dat Kosovo tot dusver geen belangrijke doorgangsroute is geworden voor vluchtelingen en migranten op de Westelijke Balkanroute; verzoekt de Kosovaarse autoriteiten ervoor te zorgen dat vluchtelingen en migranten op doorreis worden behandeld in overeenstemming met het Europees en internationaal recht, inclusief het EU-Handvest van de grondrechten en het Vluchtelingenverdrag van 1951; herhaalt dat financiële steun, onder meer uit hoofde van IPA II, beschikbaar moet zijn en snel en doeltreffend moet kunnen worden gemobiliseerd en ingezet in crisis- en noodsituaties;

38.  juicht toe dat verschillende Servische religieuze en culturele sites die in 2004 helaas waren vernietigd, zoals de orthodoxe kathedraal, met Kosovaars overheidsgeld zijn gerenoveerd; verwelkomt de toezegging van Kosovo om culturele erfgoedsites te beschermen en verzoekt de autoriteiten alle VN-Verdragen inzake cultureel erfgoed op alle niveaus ten uitvoer te leggen, ongeacht de status van Kosovo ten aanzien van Unesco, door het vaststellen van een passende strategie en nationale wetgeving, en een passende bescherming en beheer van culturele erfgoedsites in heel Kosovo te verzekeren; is in dit verband ingenomen met het door de EU gefinancierde programma om kleine erfgoedlocaties te beschermen en weer op te bouwen, teneinde de interculturele en interreligieuze dialoog in alle multi-etnische gemeenten te bevorderen; herhaalt dat de ontwerpwet inzake de godsdienstvrijheid moet worden goedgekeurd en dat hierin gevolg moet worden gegeven aan de desbetreffende aanbevelingen van de Commissie van Venetië;

39.  is zeer ingenomen met het besluit van de Raad van Europa om Kosovo met ingang van januari 2017 de status van waarnemer toe te kennen tijdens zittingen van zijn Parlementaire Vergadering in verband met Kosovo; steunt de inspanningen van Kosovo om zich in de internationale gemeenschap te integreren; dringt in dit verband aan op de deelname van Kosovo aan alle belangrijke regionale en internationale organisaties en verzoekt Servië zich niet langer met dit proces te bemoeien;

40.  verzoekt de Kosovaarse autoriteiten een geloofwaardige energiestrategie voor de lange termijn en een dito wetgevingskader vast te stellen op basis van energie-efficiëntie, de diversificatie van energiebronnen en de ontwikkeling van hernieuwbare energie; onderstreept de noodzaak om verder te werken aan betrouwbare elektriciteitsnetten en de energiesector duurzamer te maken, zowel wat voorzieningszekerheid als wat milieunormen betreft; roept de autoriteiten op om het memorandum van overeenstemming tussen de zes landen van de Westelijke Balkan inzake de ontwikkeling van de regionale elektriciteitsmarkt en de vaststelling van een kader voor toekomstige samenwerking met andere landen te ondertekenen; wijst erop dat Kosovo in 2017 het voorzitterschap van het Energiegemeenschapsverdrag overneemt en herinnert de autoriteiten eraan dat Kosovo krachtens dit verdrag wettelijk verplicht is ervoor te zorgen dat 25 % van alle elektriciteit tegen 2020 afkomstig is van hernieuwbare energiebronnen; roept de regering op de overeenkomst om de energiecentrale Kosovo A te ontmantelen en de energiecentrale Kosovo B te renoveren te eerbiedigen en gebruik te maken van de 60 miljoen EUR die de EU daarvoor heeft toegewezen in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun; dringt aan op een waterkrachtstrategie voor de hele Westelijke Balkan;

41.  uit zijn bezorgdheid over de alarmerende luchtverontreiniging in Kosovo, met name in het stadsgebied van Pristina, en verzoekt de nationale en lokale autoriteiten om dringend passende noodmaatregelen te nemen; wijst erop dat de nationale strategie inzake luchtkwaliteit naar behoren ten uitvoer moet worden gelegd; vreest dat afvalbeheer een van de meest zichtbare problemen in Kosovo blijft, dat in de geldende wetgeving niet afdoende wordt aangepakt;

42.  is ingenomen met het nieuwe project voor spoorwegverbindingen in de corridor Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee, dat een nieuwe spoorlijn en stations in Kosovo omvat en de enige verbinding vormt tussen Kosovo en de ruimere regio; verzoekt de regering van Kosovo de tenuitvoerlegging van dit project ten volle te ondersteunen;

43.  verwelkomt de inspanningen van de Commissie om de impasse in de onderlinge koppeling van de elektriciteitsnetten van Albanië en Kosovo, die al maandenlang door Servië wordt geblokkeerd, te doorbreken en dringt aan op constructieve samenwerking tussen de Servische en Kosovaarse elektriciteitsautoriteiten; herinnert Servië er aan dat de door de Energiegemeenschap gestelde uiterste termijn voor opheffing van de blokkade 31 december 2016 was;

44.  verzoekt de Commissie om met alle landen van de Westelijke Balkan te blijven samenwerken aan migratiegerelateerde vraagstukken om ervoor te zorgen dat Europese en internationale normen worden nageleefd; is ingenomen met het in dit verband reeds verrichte werk;

45.  dringt aan op verdere inspanningen van de Commissie tot ondersteuning van een werkelijk verzoeningsproces in de regio, onder meer door steun voor culturele projecten die het recente verleden aan de orde stellen en door bevordering van een gemeenschappelijk en gedeeld inzicht in de geschiedenis, en van een algemene en politieke cultuur van tolerantie, inclusie en verzoening;

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de regering en de Nationale Assemblee van Kosovo.


Verslag 2016 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
PDF 214kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (2016/2310(INI))
P8_TA(2017)0263A8-0055/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over het vooruitzicht van de toetreding van de landen op de westelijke Balkan tot de Unie,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds(1),

–  gezien de kaderovereenkomst die in Ohrid werd gesloten en op 13 augustus 2001 in Skopje werd ondertekend (kaderovereenkomst van Ohrid),

–  gezien het besluit van de Europese Raad van 16 december 2005 om het land de status van kandidaat-land voor EU-lidmaatschap toe te kennen, de conclusies van de Europese Raad van juni 2008, en de conclusies van de Raad van december 2008, december 2012, december 2014 en december 2015, en de conclusies van het voorzitterschap van 13 december 2016, die door de overgrote meerderheid van de delegaties werden onderschreven en waarin het ondubbelzinnige engagement voor het EU-toetredingsproces van het land werd herhaald,

–  gezien de dertiende bijeenkomst van het stabilisatie- en associatiecomité tussen het land en de EU, gehouden te Skopje op 15 juni 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2016 getiteld "EU-uitbreidingsbeleid" (COM(2016)0715) en het bijbehorend werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "The former Yugoslav Republic of Macedonia Report 2016" (SWD(2016)0362),

–  gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van juni 2016 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

–  gezien de dringende hervormingsprioriteiten van de Commissie voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van juni 2015,

–  gezien de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau inzake structurele rechtsstatelijke problemen in verband met de in de lente van 2015 onthulde onderschepping van communicatie,

–  gezien het politieke akkoord (het zogenoemde "Pržino-akkoord") dat op 2 juni en 15 juli 2015 in Skopje werd gesloten tussen de vier belangrijkste politieke partijen, evenals het vierpartijenakkoord over de tenuitvoerlegging ervan van 20 juli en 31 augustus 2016,

–  gezien de slotverklaring van de voorzitter van de Westelijke Balkan-top in Parijs van 4 juli 2016 en de aanbevelingen van maatschappelijke organisaties in aanloop naar de top in Parijs in 2016,

–  gezien de voorlopige bevindingen en conclusies en het eindverslag van de OVSE/ODIHR, betreffende de vervroegde parlementsverkiezingen van 11 december 2016,

–  gezien resoluties 817 (1993) en 845 (1993) van de VN-Veiligheidsraad, alsook resolutie 47/225 van de Algemene Vergadering van de VN en het interimakkoord van 13 september 1995,

–  gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 13 september 1995 over de toepassing van het interimakkoord,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het land,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0055/2017),

A.  overwegende dat, na twee keer te zijn uitgesteld, op 11 december 2016 in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in een ordelijke en kalme sfeer, en in overeenstemming met internationale normen en volgens de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR, vervroegde parlementsverkiezingen zijn gehouden; overwegende dat de verkiezingen zonder grote incidenten verliepen en in het algemeen goed georganiseerd waren, en dat de opkomst hoog was;

B.  overwegende dat politieke polarisatie, een diep wederzijds wantrouwen en een gebrek aan echte dialoog tussen de partijen een belemmering vormen voor hervormingen en toetredingsvoorbereidingen; overwegende dat op sommige belangrijke gebieden voortdurend een terugval is waar te nemen; overwegende dat democratie en de rechtsstaat voortdurend op de proef werden gesteld, vooral als gevolg van politieke corruptie, die de werking van democratische instellingen en belangrijke gebieden van de maatschappij aantast;

C.  overwegende dat Talat Xhaferi op 27 april 2017 tot nieuwe voorzitter van het Macedonische parlement werd gekozen; overwegende dat de president van de Republiek Macedonië op 17 mei 2017 SDSM-leider Zoran Zaev heeft belast met de vorming van een nieuwe regering; overwegende dat het Macedonische parlement op 31 mei 2017 gestemd heeft over de nieuwe, door premier Zoran Zaev geleide regering;

D.  overwegende dat de belangrijkste onderwerpen in het hervormingsproces onder meer de rechterlijke macht, openbaar bestuur en media, jeugdwerkloosheid en een herziening van de tenuitvoerlegging van de kaderovereenkomst van Ohrid betreffen;

E.  overwegende dat betrokkenheid van alle politieke krachten nodig is om het land op het pad van EU-integratie en het Euro-Atlantische pad te houden; overwegende dat de nieuwe regering stevige hervormingen moet goedkeuren en implementeren, en daarbij tastbare resultaten moet boeken, met name op het gebied van de rechtsstaat, justitie, corruptie, grondrechten, binnenlandse zaken en goede betrekkingen met de buurlanden;

F.  overwegende dat de Commissie, de Raad en het Parlement het erover eens zijn dat handhaving van de positieve aanbeveling om toetredingsonderhandelingen met het land te openen afhankelijk blijft van de tenuitvoerlegging van de Pržino-overeenkomst en van wezenlijke vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de dringende hervormingsprioriteiten;

G.  overwegende dat de Raad voortgang heeft tegengehouden vanwege de onopgeloste naamskwestie met Griekenland; overwegende dat bilaterale geschillen niet als voorwendsel mogen worden gebruikt om onderhandelingen met de EU te blokkeren;

H.  overwegende dat bilaterale geschillen niet mogen worden gebruikt om het EU-toetredingsproces of het openen van toetredingsonderhandelingen te blokkeren, maar naar behoren en in een constructieve geest in overeenstemming met de EU- en VN-normen moeten worden beslecht; overwegende dat alle mogelijke inspanningen moeten worden geleverd om goede betrekkingen met de buurlanden en tussen etnische groepen te behouden;

I.  overwegende dat (potentiële) kandidaat-lidstaten zullen worden beoordeeld op hun eigen verdiensten en dat de snelheid en kwaliteit van de noodzakelijke hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen; overwegende dat de opening van de toetredingsonderhandelingen moet worden gewaarborgd zodra aan de vereiste voorwaarden is voldaan; overwegende dat het land wat aanpassingen aan het acquis betreft vele jaren als één van de vooroplopende kandidaat-landen voor het EU-lidmaatschap werd beschouwd;

J.  overwegende dat het EU-toetredingsproces een belangrijke stimulans is voor verdere hervormingen, vooral met het oog op de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van justitie, de bestrijding van corruptie en mediavrijheid; overwegende dat regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen wezenlijke onderdelen van het uitbreidingsproces, het stabilisatie- en associatieproces, en het proces van toetreding van het land vormen;

K.  overwegende dat leiders van de vier grootste politieke partijen op 20 juli en 31 augustus 2016 een overeenkomst hebben bereikt over de tenuitvoerlegging van de Pržino-overeenkomst, in het kader waarvan 11 december 2016 als datum voor vervroegde parlementsverkiezingen is vastgelegd en zij hun steun hebben uitgesproken voor het werk van de speciale openbaar aanklager; overwegende dat zij ook hun engagement hebben herhaald voor de tenuitvoerlegging van de ″dringende hervormingsprioriteiten″;

L.  overwegende dat de recente politieke crisis heeft laten zien dat het in de Macedonische instituties ontbreekt aan een doeltreffend systeem van "checks-and-balances", alsook dat het noodzakelijk is om de transparantie en de publieke verantwoordingsplicht te vergroten;

M.  overwegende dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad en corruptie van fundamenteel belang is om criminele infiltratie in politieke, juridische en economische systemen tegen te gaan;

1.  is ingenomen met het feit dat er op 31 mei 2017 een nieuwe regering is gevormd; verzoekt alle politieke partijen met klem te handelen in een geest van verzoening, in het algemeen belang van alle burgers, en met de regering samen te werken om het vertrouwen in het land en zijn instellingen te herstellen, onder meer door middel van de onverkorte tenuitvoerlegging van de overeenkomst van Pržino en de "dringende hervormingsprioriteiten";

2.  is verheugd over de eerbiediging van de grondrechten bij de vervroegde verkiezingen op 11 december 2016, die goed werden georganiseerd, op open en inclusieve wijze hebben plaatsgevonden, en zonder grote incidenten zijn verlopen; neemt er nota van dat de verkiezingen volgens de OVSE/ODIHR open waren; is er verheugd over dat alle politieke partijen de uitslag van deze verkiezingen hebben geaccepteerd, en wijst er met klem op dat zij een verantwoordelijkheid hebben om het land niet opnieuw te laten afglijden in een politieke crisis; roept alle partijen op de effectieve werking van het parlement geen strobreed in de weg te leggen; verzoekt de nieuwe regering met klem om vaart te zetten achter de noodzakelijke hervormingen, teneinde de Euro-Atlantische integratie van het land te verzekeren en het Europees perspectief te behouden ten gunste van de inwoners; acht samenwerking tussen de partijen en etnische groeperingen van essentieel belang voor de aanpak van dringende binnenlandse en EU-gerelateerde uitdagingen, én om de positieve aanbeveling voor de opening van onderhandelingen over toetreding tot de EU te behouden;

3.  is verheugd dat het verkiezingsproces, inclusief het juridische kader, de kieslijsten en de mediadekking, is verbeterd; juicht het toe dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in een grote meerderheid van de stemlokalen toezicht hielden op de verkiezingen; verzoekt de bevoegde autoriteiten de vermeende onregelmatigheden en tekortkomingen, waaronder intimidatie van kiezers, het kopen van stemmen, misbruik van publieke middelen, politieke druk op de media, alsook opruiende taal en verbale aanvallen op journalisten, doeltreffend aan te pakken, mede met het oog op de plaatselijke verkiezingen van mei 2017; roept de bevoegde autoriteiten op gevolg te geven aan de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR en de Commissie van Venetië, en geloofwaardige resultaten te boeken bij de effectieve toetsing van de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes; benadrukt dat de verkiezingsorganisatie transparanter moet zijn en verder moet worden gedepolitiseerd, teneinde het vertrouwen van de bevolking in toekomstige verkiezingen te vergroten;

4.  acht het belangrijk een volkstelling te houden (de vorige volkstelling werd in 2002 gehouden), op voorwaarde dat er in het hele land consensus is over de te gebruiken methodologie, om een actueel en realistisch beeld te krijgen van de samenstelling van de bevolking van de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië, teneinde beter aan hun behoeften tegemoet te komen en diensten aan te bieden, en om de kieslijst verder te actualiseren en eventuele onregelmatigheden en tekortkomingen in de toekomst tot een minimum te beperken;

5.  verwacht van de nieuwe regering in de eerste plaats dat zij, in samenwerking met andere partijen, de EU-gerelateerde hervormingen versneld doorvoert; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de opening van toetredingsonderhandelingen, op voorwaarde dat voortgang wordt geboekt bij de tenuitvoerlegging van de Pržino-overeenkomst, teneinde ervoor te zorgen dat deze volledig, concreet en op duurzame wijze wordt geïmplementeerd, en dat significante vooruitgang wordt geboekt bij de implementatie van de dringende hervormingsprioriteiten bij de systeemhervormingen; verzoekt de Raad de kwestie van de toetredingsonderhandelingen bij de eerste de beste gelegenheid op zijn agenda te plaatsen; blijft ervan overtuigd dat onderhandelingen tot broodnodige hervormingen kunnen leiden, een nieuwe dynamiek kunnen creëren, het Europese perspectief nieuw leven kunnen inblazen en een positieve bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van bilaterale geschillen, teneinde het EU-toetredingsproces niet te belemmeren;

6.  benadrukt het strategische belang van verdere vooruitgang in het EU-toetredingsproces, en wijst er nogmaals op dat alle politieke partijen hun politieke wil moeten tonen en zich moeten inzetten voor het volledig ten uitvoer leggen van de dringende hervormingsprioriteiten en de Pržino-overeenkomst; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de Pržino-overeenkomst van essentieel belang is, ook na de verkiezingen, om politieke stabiliteit en duurzaamheid in de toekomst te verzekeren; dringt er bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk en voor het einde van 2017 de vorderingen van het land bij de tenuitvoerlegging te beoordelen en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement en de Raad; herinnert eraan dat achterstallige hervormingen moeten worden vastgesteld en doorgevoerd, en ondersteunt de voortzetting van de dialoog op hoog niveau inzake toetreding teneinde het land stelselmatig bij zijn inspanningen te helpen; betreurt dat er in het kader van de dialoog op hoog niveau geen bijeenkomst werd gehouden en dat er weinig vooruitgang is geboekt met betrekking tot het behalen van eerdere doelstellingen; wijst op de mogelijke negatieve politieke, veiligheids- en sociaal-economische gevolgen van verdere vertragingen bij het Euro-Atlantische integratieproces van het land; roept de Commissie en de EDEO verder op de zichtbaarheid van door de EU gefinancierde projecten in het land te vergroten om de EU dichter bij de burgers van het land te brengen;

7.  wijst op de aanzienlijke vooruitgang die het land in het EU-integratieproces heeft geboekt en benadrukt de negatieve gevolgen van verdere vertraging in het integratieproces, met inbegrip van de dreiging voor de geloofwaardigheid van het EU-uitbreidingsbeleid en het risico op instabiliteit in de regio;

8.  wijst erop dat de uitdagingen waarmee de Europese Unie momenteel wordt geconfronteerd (Brexit, migratie, radicalisme, enz.) het uitbreidingsproces niet mogen belemmeren, maar dat deze uitdagingen veeleer hebben aangetoond dat een volledige integratie van de Westelijke Balkan in de EU-structuren noodzakelijk is om het partnerschap uit te breiden en te verdiepen, en om internationale crises het hoofd te bieden;

9.  is verheugd over het hoge niveau van juridische overeenkomst met het communautaire acquis en erkent de prioriteit die wordt gegeven aan de effectieve tenuitvoerlegging en handhaving van bestaande juridische en beleidskaders, zoals het geval is bij landen waarmee al toetredingsonderhandelingen worden gevoerd;

10.  spreekt er zijn waardering voor uit dat het land zijn verplichtingen in het kader van de stabilisatie- en associatieovereenkomst blijft nakomen; verzoekt de Raad zijn goedkeuring te verlenen aan het voorstel van de Commissie van 2009 om overeenkomstig de desbetreffende bepalingen over te gaan naar het tweede stadium van de stabilisatie- en associatieovereenkomst;

11.  dringt er bij alle partijen op aan de politieke wil en verantwoordelijkheid te tonen om het gepolariseerde politieke klimaat, de polarisering en het gebrek aan overlegcultuur te verbeteren, en opnieuw in dialoog te treden; benadrukt nogmaals de cruciale rol die het nationale parlement vervult bij de democratische ontwikkeling van het land en als een forum voor politieke dialoog en vertegenwoordiging; dringt erop aan de toezichtstaken van het Parlement te versterken en de praktijk van frequente wetswijzigingen en het gebruik van verkorte goedkeuringsprocedures, zonder voldoende raadpleging of effectbeoordeling, in te perken; roept op tot de soepele werking van de parlementaire commissies inzake het onderscheppen van communicatie en inzake veiligheid en counterintelligence, en hun ongehinderde toegang tot de noodzakelijke gegevens en getuigenissen, teneinde te zorgen voor een geloofwaardige parlementaire controle op de desbetreffende diensten; erkent de constructieve rol die het maatschappelijk middenveld speelt bij de ondersteuning en verbetering van democratische processen;

12.  wijst op enige vorderingen bij de hervorming van het openbaar bestuur, inclusief stappen om het nieuwe rechtskader inzake het beheer van personele middelen ten uitvoer te leggen; roept op tot een blijvend engagement om de aanbevelingen van de Commissie ten uitvoer te leggen; blijft bezorgd over het gepolitiseerde openbaar bestuur en over de politieke druk die op ambtenaren wordt uitgeoefend; roept de nieuwe regering op politiek engagement aan de dag te leggen voor het vergroten van de professionaliteit, merite, neutraliteit en onafhankelijkheid op alle niveaus, door te werken met aanwervingen volgens verdienste en beoordelingsprocedures; benadrukt dat de strategie voor de hervorming van het openbaar bestuur 2017-2022 moet worden voltooid, onder meer door voldoende begrotingsmiddelen beschikbaar te stellen voor de tenuitvoerlegging ervan, en dat de desbetreffende administratieve capaciteit moet worden versterkt; roept de nieuwe regering op transparante en doeltreffende verantwoordingslijnen tussen en binnen instellingen op te zetten; beveelt aan voor eerlijke vertegenwoordiging van alle gemeenschappen op alle niveaus van het overheidsbestuur te zorgen;

13.  beveelt de nieuwe regering aan een alomvattende e-governancestrategie uit te werken, in combinatie met de verdere ontwikkeling van e-services voor burgers en bedrijven, teneinde de bureaucratische last voor de staat, de burgers en de bedrijven te verminderen; benadrukt dat e-governance en e-services de economische prestatie van het land zouden verbeteren en de transparantie en efficiëntie van het openbaar bestuur en de openbare diensten zouden vergroten; benadrukt het recht van burgers op toegang tot overheidsinformatie, en roept op tot bijkomende inspanningen om ervoor te zorgen dat dit recht op geen enkele manier wordt belemmerd; moedigt aan te zoeken naar innovatieve e-oplossingen om draagdrempelige toegang tot overheidsinformatie te waarborgen en de hiermee gepaard gaande bureaucratie te verminderen;

14.  betreurt de voortdurende terugval bij de hervorming van rechterlijke macht, die aangemoedigd zou moeten worden om onafhankelijk te werken; betreurt de herhaalde politieke bemoeienissen bij haar werkzaamheden, onder meer bij de benoeming en bevordering van rechters en aanklagers, evenals het gebrek aan verantwoordingsplicht en de gevallen van selectieve rechtspraak; dringt er nogmaals bij de bevoegde overheden op aan om de onopgeloste problemen die in de dringende hervormingsprioriteiten zijn geïdentificeerd doeltreffend aan te pakken en de politieke wil te tonen om de rechterlijke macht te hervormen, onder meer door zowel op papier, als in de praktijk de transparantie bij benoemings- en promotieprocedures te verbeteren en door de duur van gerechtelijke procedures te verkorten; erkent dat er inspanningen zijn geleverd om de transparantie te verbeteren; dringt er daarnaast bij de autoriteiten op aan de professionaliteit van de raad voor de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie te waarborgen, alsook de functionele onafhankelijkheid van het rechtssysteem in zijn geheel te garanderen;

15.  wijst nogmaals op het belang van een grondig en onafhankelijk onderzoek, zonder belemmeringen, naar de beschuldigingen van verkeerd handelen, aan het licht gebracht door de afgeluisterde gesprekken, en de daarmee samenhangende gebreken in het toezicht; herinnert aan het belang van het mandaat en de werkzaamheden van de speciale openbaar aanklager en de parlementaire enquêtecommissie om onderzoek te doen naar de wettelijke aansprakelijkheid en de politieke verantwoordelijkheid; wijst erop dat de speciale openbaar aanklager de eerste strafrechtelijke tenlasteleggingen openbaar heeft gemaakt in verband met wanpraktijken die via de afgeluisterde gesprekken aan het licht zijn gebracht;

16.  is bezorgd over de politieke aanvallen op en de administratieve en juridische belemmering van de werkzaamheden van de speciale openbaar aanklager, en over het gebrek aan medewerking van andere instellingen; herinnert de strafrechtbanken die zich niet aan officiële verzoeken van de speciale openbaar aanklager houden eraan dat zij wettelijk verplicht zijn de speciale openbaar aanklager bij te staan; acht het van essentieel belang voor het democratisch proces dat de speciale openbaar aanklager al zijn taken kan vervullen en volledig autonoom, ongehinderd en met de nodige middelen grondige onderzoeken kan verrichten; vraagt dat de speciale openbaar aanklager de volledige steun, de voorwaarden en de nodige tijd krijgt om zijn belangrijke werkzaamheden te voltooien; vraagt dat de speciale openbaar aanklager niet langer wordt belemmerd bij het presenteren van bewijslast in de rechtbanken, en dringt aan op steun voor wetswijzigingen om zijn autonome autoriteit voor getuigenbescherming veilig te stellen met betrekking tot de zaken waar zijn kabinet verantwoordelijk voor is; is er sterk van overtuigd dat de resultaten van de onderzoeken een belangrijke stap betekenen in het herstel van het vertrouwen in nationale instellingen; benadrukt bovendien de noodzaak om wijzigingen aan de wet op de getuigenbescherming goed te keuren;

17.  blijft bezorgd over het feit dat corruptie onverminderd een groot probleem is en dat corruptiebestrijding door politieke bemoeienissen wordt ondermijnd; benadrukt het feit dat er sterke politieke wil nodig is om corruptie aan te pakken; benadrukt dat het noodzakelijk is de onafhankelijkheid van de politie, het openbaar ministerie en de staatscommissie voor de preventie van corruptie te vergroten; roept op tot maatregelen ter vergroting van transparantie, en voor selecties en benoemingen van leden van de staatscommissie voor de preventie van corruptie op basis van verdienste; hamert op het belang van dringende maatregelen voor de doeltreffende preventie en bestraffing van belangenverstrengeling, alsook op een geloofwaardige registratie van corruptie op hoog niveau, waaronder de invoering van het wettelijk kader voor de bescherming van klokkenluiders in overeenstemming met Europese normen, de dringende hervormingsprioriteiten en de aanbevelingen van de Commissie van Venetië; spoort onafhankelijke maatschappelijke organisaties en de media nogmaals aan corruptie aan het licht te brengen en onafhankelijke en onbevooroordeelde onderzoeken te ondersteunen; roept de overheden op het werk van de Ombudsman te ondersteunen met voldoende personeel en begrotingsmaatregelen;

18.  is bezorgd over de verstrengeling van media-, politieke en regeringsactiviteiten, met name wat betreft overheidsuitgaven; veroordeelt met klem belangenverstrengelingen bij de besteding van publieke financiële middelen op grond van economische, politieke en/of familiebanden; dringt er bij de regering op aan om, als een aanvullende maatregel voor de bestrijding van corruptie, een wetgevingskader vast te stellen om belangenconflicten te reguleren en de vermogens van hooggeplaatste overheidsfunctionarissen openbaar te maken;

19.  is ingenomen met het vastgestelde rechtskader en de bestaande strategieën voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit; is ingenomen met de ontmanteling van criminele netwerken en routes voor de smokkel van mensen en drugs, en roept ertoe op de inspanningen voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad verder op te voeren; roept ertoe op de samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties zowel in het land als met de buurlanden verder te verbeteren en de bevoegdheden en middelen van rechtbanken te vergroten; acht het essentieel om de rechtshandhavingscapaciteit verder te ontwikkelen teneinde financiële criminaliteit te onderzoeken en vermogens in beslag te nemen;

20.  waardeert de voortdurende inspanningen om islamitische radicalisering en buitenlandse terroristische strijders te bestrijden; is verheugd over de vaststelling van de strategie voor de bestrijding van terrorisme 2013-2019, waarin eveneens de concepten van gewelddadig extremisme, radicalisering, preventie en re-integratie worden gedefinieerd; dringt aan op de tenuitvoerlegging ervan middels meer samenwerking tussen veiligheidsinstanties en maatschappelijke organisaties, religieuze leiders, lokale gemeenschappen en andere overheidsorganen in de sectoren onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten bij de aanpak van de verschillende stadia van radicalisering en bij de ontwikkeling van hulpmiddelen voor re-integratie en heraanpassing; dringt voorts aan op de permanente monitoring van terugkerende buitenlandse strijders door de veiligheidsdiensten, hun passende reïntegratie in de samenleving en een constante informatie-uitwisseling met de autoriteiten van de EU en de buurlanden;

21.  maakt zich zorgen over de signalen die maatschappelijke organisaties afgeven over de verslechtering van het klimaat waarin ze werken; blijft bezorgd over de radicale publieke aanvallen op maatschappelijke organisaties en buitenlandse vertegenwoordigers door politici en de media; erkent en stimuleert de belangrijke rol die maatschappelijke organisaties spelen bij de monitoring, ondersteuning en verbetering van democratische processen, waaronder verkiezingsprocessen, en bij het waarborgen van "checks-and-balances"; is bezorgd over de beperkte steun van de regering aan en onvoldoende samenwerking met maatschappelijke organisaties op alle niveaus; benadrukt het belang van een regelmatige en constructieve dialoog en samenwerking met het maatschappelijk middenveld, en verzoekt de bevoegde autoriteiten deze op een geregelde en structurele manier bij de beleidsvorming te betrekken; roept de autoriteiten op organisaties van het maatschappelijk middenveld op geen enkele grond te discrimineren, zoals op grond van politieke gezindheid, religieuze overtuigingen of etnische samenstelling; is van mening dat de vrijheid van vergadering en vereniging aan geen enkele groep mensen mag worden ontzegd zonder een serieuze rechtvaardiging;

22.  spoort de autoriteiten aan de halverwege onderbroken volkstelling alsnog doorgang te laten vinden, teneinde accurate bevolkingsstatistieken te verzamelen, die als basis kunnen fungeren voor ontwikkelingsprogramma's van de regering en een adequate begrotingsplanning;

23.  herinnert de regering en de politieke partijen aan hun verantwoordelijkheid om, zowel in de wetgeving als in de praktijk, een cultuur van inclusie en tolerantie tot stand te brengen; is ingenomen met de vaststelling van de nationale strategie voor gelijkheid en non-discriminatie 2016-2020; maakt zich zorgen in verband met de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de Commissie inzake bescherming tegen discriminatie en roept op tot een transparant selectieproces van haar leden; spreekt nogmaals zijn veroordeling uit over haatzaaiende uitlatingen jegens gediscrimineerde groepen; vindt het zorgwekkend dat er nog steeds sprake is van onverdraagzaamheid, discriminatie en aanvallen op lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI); herinnert aan zijn oproep om de antidiscriminatiewetgeving in overeenstemming te brengen met het acquis wat betreft de discriminatie op grond van seksuele geaardheid; onderstreept eens te meer dat het noodzakelijk is om vooroordelen en discriminatie jegens de Roma te bestrijden en om hun integratie in en toegang tot het onderwijsstelsel en de arbeidsmarkt te bevorderen; is bezorgd over de inhumane fysieke omstandigheden en overbevolking in gevangenissen, ondanks een aanzienlijke verhoging van de begroting voor het gevangeniswezen; roept ertoe op gehoor te geven aan de aanbevelingen van de Ombudsman;

24.  roept op tot extra inspanningen om gendergelijkheid te bevorderen en de participatie van vrouwen in het politieke leven en op de arbeidsmarkt te vergroten, hun sociaaleconomische situatie te verbeteren en vrouwenrechten in het algemeen te versterken; roept de bevoegde autoriteiten op te werken aan verbetering van de implementatie van de wet inzake gelijke kansen, de ondervertegenwoordiging van vrouwen in belangrijke besluitvormingsfuncties op alle niveaus aan te pakken en de doeltreffendheid van de institutionele mechanismen om gendergelijkheid te bevorderen, te vergroten; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan voldoende begrotingsmiddelen uit te trekken voor de tenuitvoerlegging ervan; is bezorgd over de ontoereikende toegang van vrouwen tot een aantal fundamentele gezondheidsdiensten, alsook over de onverminderd hoge kindersterfte;

25.  dringt er bij de regering op aan maatregelen te nemen om de wet op de preventie van en de bescherming tegen huiselijk geweld en andere relevante wetten te herzien, teneinde alle slachtoffers van huiselijk en gendergebaseerd geweld passende bescherming te bieden, alsook betere ondersteunende diensten, inclusief voldoende opvanglocaties; dringt er daarnaast bij de regering op aan ervoor te zorgen dat gevallen van huiselijk geweld grondig worden onderzocht en dat de daders worden vervolgd, en door te gaan met het organiseren van bewustmakingscampagnes over huiselijk geweld;

26.  wijst er nogmaals op dat de interetnische situatie nog steeds fragiel is; dringt er bij alle politieke partijen en maatschappelijke organisaties op aan zich actief in te zetten voor een inclusieve en tolerante multi-etnische, multiculturele en multireligieuze samenleving en de co-existentie en de dialoog te versterken; is van mening dat er specifieke maatregelen nodig zijn om tot sociale cohesie tussen de verschillende etnische, nationale en religieuze gemeenschappen te komen; herinnert de regering en de partijleiders aan hun toezegging om de kaderovereenkomst van Ohrid volledig op een inclusieve en transparante wijze ten uitvoer te leggen, de herziening ervan - die reeds afgerond had moeten zijn - nu zonder verdere vertraging af te ronden, met inbegrip van beleidsaanbevelingen, en voor die tenuitvoerlegging voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen; laakt iedere vorm van irredentisme en iedere poging om de desintegratie van verschillende sociale groepen te bewerkstelligen; benadrukt dat het belangrijk is dat de langverwachte volkstelling zonder verdere vertraging plaatsvindt;

27.  dringt aan op verdere inspanningen van de Commissie tot ondersteuning van een werkelijk verzoeningsproces in de regio, met name door steun voor culturele projecten die het recente verleden aan de orde stellen en door bevordering van een gemeenschappelijke en gedeelde kijk op de geschiedenis, en van een algemene en politieke cultuur van tolerantie, inclusie en verzoening;

28.  herhaalt dat de autoriteiten en het maatschappelijk middenveld passende maatregelen moeten nemen om tot een historische verzoening te komen, teneinde een einde te maken aan de scheidslijn tussen en binnen verschillende etnische en nationale groepen, met inbegrip van burgers met een Bulgaarse identiteit;

29.  dringt er bij de regering op aan duidelijke signalen af te geven aan het publiek en de media dat discriminatie op grond van nationale identiteit niet wordt getolereerd in het land, ook niet in het rechtssysteem, de media, op het werk en in het maatschappelijk leven; onderstreept het belang van deze acties voor de integratie van de diverse etnische gemeenschappen en de stabiliteit en Europese integratie van het land;

30.  spoort de autoriteiten aan om de relevante archieven van de Joegoslavische geheime dienst uit Servië terug te halen; is van mening dat een transparante afhandeling van het totalitaire verleden, met inbegrip van het openstellen van de archieven van de geheime diensten, een stap voorwaarts is op weg naar verdere democratisering, verantwoordingsplicht en institutionele kracht;

31.  herhaalt het belang van de vrijheid en de onafhankelijkheid van de media als een van de kernwaarden van de EU en een hoeksteen voor elke democratie; maakt zich onverminderd zorgen omtrent de vrijheid van meningsuiting en de media, het gebruik van haatzaaiende uitlatingen, de gevallen van intimidatie en zelfcensuur, systemische politieke bemoeienissen met en druk op het redactioneel beleid, het ontbreken van objectieve en accurate onderzoeksjournalistiek, alsook de eenzijdige berichtgeving over het werk van de regering; herhaalt zijn oproep aan de massamedia, en in het bijzonder de publieke omroep, om een brede waaier aan standpunten te presenteren;

32.  dringt er bij de nieuwe regering op aan ervoor te zorgen dat intimidatie of geweld jegens journalisten voorkomen en grondig onderzocht wordt, en dat de verantwoordelijken voor de rechter worden gebracht; onderstreept het belang van de continuïteit en de politieke en financiële autonomie van de publieke omroep, ter waarborging van zijn financiële en redactionele onafhankelijkheid, en van het recht op toegang tot onpartijdige informatie; roept op tot inclusieve instanties die de belangen van de media vertegenwoordigen; roept ertoe op een professionele gedragscode op te stellen die door zowel de publieke, als de particuliere media wordt aanvaard; roept regeringsambtenaren, organisaties van het maatschappelijk middenveld en organisaties van journalisten op samen de mediahervorming uit te werken;

33.  vindt het onverminderd zorgwekkend dat de politieke situatie een ernstig risico vormt voor de economie van het land; blijft bezorgd over de zwakke handhaving van contracten, de omvang van de informele economie en de moeilijkheden die zich voordoen bij het verkrijgen van financiering; benadrukt dat de omvangrijke schaduweconomie een belangrijke belemmering voor het bedrijfsleven vormt; onderstreept de noodzaak maatregelen te nemen die het concurrentievermogen en de jobcreatie in de particuliere sector versterken, en dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan te zorgen voor een efficiënte rechtsgang;

34.  is ingenomen met het behoud van de macro-economische stabiliteit, de vermindering van de werkloosheidsgraad en het feit dat de regering zich onverminderd blijft inzetten voor bevordering van de groei en de werkgelegenheid door middel van een op de markt gebaseerd economisch beleid, maar is bezorgd over de houdbaarheid van de staatsschuld en de nog altijd hoge werkloosheid in combinatie met de zeer lage arbeidsparticipatie, in het bijzonder onder jongeren, vrouwen en mensen met en handicap; dringt er voorts bij de bevoegde autoriteiten op aan de langdurige en structurele werkloosheid aan te pakken, samenwerking ten aanzien van het economisch beleid te bevorderen, onderwijs beter af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt en een gerichte strategie te ontwikkelen voor een betere integratie van jongeren en vrouwen op de arbeidsmarkt; maakt zich zorgen over de braindrain, met name onder hoogopgeleide jongeren, dringt er met klem bij de regering op aan programma's uit te werken om hoogopgeleide jonge professionals de mogelijkheid te bieden terug te keren en aan de politieke en besluitvormingsprocessen deel te nemen; roept op tot maatregelen ter verbetering van de begrotingsdiscipline en -transparantie, en tot een uitbreiding van de begrotingsplanningscapaciteit; moedigt het beginsel van sluitende begrotingen aan; stelt vast dat een betrouwbare en voorspelbare regelgevinsomgeving voor bedrijven leidt tot een grotere macro-economische stabiliteit en groei; roept in dit verband op tot inhoudelijk overleg met alle belanghebbenden;

35.  is ingenomen met de voortgang die is geboekt bij de modernisering van de vervoers-, energie- en telecommunicatienetwerken, en in het bijzonder met de inspanningen om Corridor X(2) te voltooien; is gezien het belang van spoorverbindingen in het kader van een duurzaam vervoerssysteem ingenomen met het plan van de regering om de spoorverbindingen tussen Skopje en de hoofdsteden van de buurlanden te verbeteren of aan te leggen, en dringt aan op grotere vorderingen, vooral bij de voltooiing van de spoor- en wegverbindingen in het kader van Corridor VIII(3);

36.  spreekt zijn waardering uit voor het hoge niveau van voorbereiding op het gebied van elektronische communicatie en de informatiemaatschappij; roept op tot verdere vooruitgang op het gebied van cyberbeveiliging en benadrukt de noodzaak om een nationale cyberbeveiligingsstrategie uit te werken en goed te keuren om de cyberveerkracht te vergroten;

37.  is bezorgd over de aanzienlijke tekortkomingen op het gebied van het milieu, in het bijzonder op het gebied van industriële vervuiling en van water- en luchtvervuiling; stelt vast dat de huidige toestand van de waterleiding algemeen slecht is, wat tot grote waterverliezen en problemen met de waterkwaliteit leidt; beklemtoont de noodzaak van het ontwikkelen en implementeren van een duurzaam afvalbeleid, en dringt aan op de ontwikkeling van een alomvattend beleid en een strategie inzake klimaat in overeenstemming met het EU-kader 2030 voor klimaatbeleid en de ratificatie en tenuitvoerlegging van de Klimaatovereenkomst van Parijs;

38.  is verheugd over de constructieve rol die het land speelt in regionale samenwerking, hoofdzakelijk in de agenda voor initiatief en connectiviteit van de zes landen van de Westelijke Balkan; stelt evenwel vast dat de vervoers- en energie-infrastructuurverbindingen naar de regionale buren en de aansluiting op het netwerk van TEN-V nog steeds beperkt zijn; is verheugd over de vooruitgang die bij de zekerheid van de energievoorziening is geboekt, alsook bij de elektriciteits- en gasverbindingen; neemt kennis van de overeenkomst die met de landen van de Westelijke Balkan is ondertekend over de ontwikkeling van een regionale elektriciteitsmarkt; wijst met nadruk op de noodzaak van vooruitgang op het gebied van de liberalisering van de elektriciteitsmarkt, en van bevordering van concurrentie op de gas- en energiemarkt, teneinde overeenkomstig het derde energiepakket van de EU tot een loskoppeling van nutsvoorzieningen te komen; roept op tot forse verbeteringen op het vlak van de energie-efficiëntie, de productie van hernieuwbare energiebronnen en de strijd tegen de klimaatverandering; roept op tot ratificatie van de Klimaatovereenkomst van Parijs;

39.  dringt er bij de autoriteiten op aan de administratieve en financiële capaciteiten te vergroten ter waarborging van een transparant, efficiënt en doeltreffend regime van overheidsopdrachten, alsook ter voorkoming van onregelmatigheden en een deugdelijk en tijdig gebruik van EU-middelen, en tegelijkertijd op gezette tijden gedetailleerd verslag uit te brengen over de programmering en het gebruik van de EU-middelen; wijst er met bezorgdheid op dat de Commissie de financiële steun in het kader van het IPA opnieuw met ongeveer 27 miljoen euro heeft verminderd als gevolg van een gebrek aan politiek engagement om hervormingen in het beheer van de overheidsfinanciën door te voeren; verzoekt de Commissie om in haar verslagen informatie over de IPA-steun aan het land en de doeltreffendheid van de uitgevoerde maatregelen op te nemen, met name de IPA-steun die voor de uitvoering van de belangrijkste prioriteiten en relevante projecten is toegewezen;

40.  prijst het land voor zijn constructieve opstelling, coöperatie en reusachtige inspanningen bij de aanpak van de migratiecrisis, waardoor het aanzienlijk bijdraagt aan de veiligheid en stabiliteit van de EU; roept de Commissie dan ook op het land alle nodige hulpmiddelen te verstrekken om de crisis te milderen; beveelt nadere maatregelen en acties aan - in overeenstemming met het internationaal humanitair recht - om zijn asielsysteem te verbeteren en te zorgen voor voldoende capaciteit om mensenhandel en het smokkelen van migranten te bestrijden, waaronder samenwerkingsovereenkomsten met de buurlanden inzake misdaadbestrijding, en om voor een doeltreffend grensbewakingssysteem te zorgen;

41.  stelt vast dat het land op de zogenaamde "westelijke Balkanroute" ligt en dat zo'n 600 000 vluchtelingen en migranten, waaronder kwetsbare groepen zoals kinderen en ouderen, tot nu toe deze route hebben gebruikt op weg naar Europa; dringt er bij de autoriteiten van het land op aan te waarborgen dat migranten en vluchtelingen die er asiel aanvragen of over het nationale grondgebied reizen, worden behandeld in overeenstemming met het internationaal recht en het EU-recht, met inbegrip van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen uit 1951 en het EU-Handvest van de grondrechten;

42.  verzoekt de Commissie om te blijven samenwerken met alle landen van de Westelijke Balkan aan migratiegerelateerde vraagstukken om ervoor te zorgen dat Europese en internationale normen worden nageleefd;

43.  benadrukt het belang van regionale samenwerking als instrument om het EU-integratieproces te bevorderen, en prijst het land voor zijn constructieve inspanningen en proactieve bijdragen aan de bevordering van de bilaterale betrekkingen met alle landen in de regio;

44.  is van mening dat regionale samenwerking een essentieel onderdeel van het EU-toetredingsproces vormt dat de regio stabiliteit en welvaart oplevert en een prioriteit voor de regering zou moeten zijn; is ingenomen met de permanente constructieve rol en proactieve bijdragen van het land aan het bevorderen van de bilaterale, regionale en internationale samenwerking, alsook met zijn deelname aan civiele en militaire operaties op het gebied van crisisbeheersing; spreekt zijn waardering uit voor de verbeterde afstemming op het buitenlands beleid van de EU (73 %); roept de autoriteiten van het land op zich op één lijn te stellen met de beperkende maatregelen van de EU tegen Rusland na de illegale annexatie van de Krim; wijst er nogmaals op dat het van belang is de onderhandelingen over een verdrag over vriendschap en goed nabuurschap met Bulgarije af te ronden; roept de autoriteiten op de politieke, sociale en culturele rechten van inwoners van het land die zich Bulgaars noemen, te eerbiedigen;

45.  spoort het land aan om met naburige landen gemengde comités van deskundigen in geschiedenis en onderwijs op te richten, om bij te dragen tot een objectieve, op feiten gebaseerde interpretatie van de geschiedenis, tot nauwere academische samenwerking en tot een positieve houding van jongeren tegenover hun buren;

46.  verwelkomt de tastbare resultaten van het initiatief voor vertrouwenwekkende maatregelen tussen de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië en Griekenland, die kunnen bijdragen tot een beter onderling begrip en sterkere bilaterale betrekkingen, waardoor de weg wordt vrijgemaakt voor een wederzijds aanvaarde oplossing voor de naamskwestie, en neemt kennis van de positieve ontwikkelingen bij de tenuitvoerlegging daarvan; benadrukt het belang van het vermijden van gebaren, controversiële handelingen en verklaringen die de goede nabuurschapsbetrekkingen negatief kunnen beïnvloeden; verzoekt de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger (VV/HV) nogmaals met klem om nieuwe initiatieven te ontwikkelen teneinde de resterende geschillen op te lossen, en om in samenwerking met beide landen en de speciale vertegenwoordiger van de VN tot een wederzijds aanvaardbare oplossing voor de naamskwestie te komen en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement;

47.  is verheugd over de activiteiten die in het kader van het proces van Berlijn hebben plaatsgevonden, die blijk geven van sterke politieke steun voor het Europese perspectief van de Westelijke Balkan; wijst op het belang van dit proces voor de bevordering van de economische ontwikkeling van de landen in de Regio door investeringen in kernnetwerken en bilaterale projecten op het gebied van infrastructuur, de economie en interconnectiviteit; wijst nogmaals op het belang van actieve deelname aan regionale initiatieven voor de jeugd, zoals het Regionaal kantoor voor samenwerking in jeugdzaken van de Westelijke Balkan; is verheugd over de oprichting van het Fonds voor de Westelijke Balkan, en dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de voorgestelde initiatieven en projecten;

48.  prijst het land voor zijn voorzitterschap van het MEI, waarbij de nadruk in 2015 op economische samenwerking en kansen voor het bedrijfsleven, infrastructuur en algemene economische ontwikkeling lag, met inbegrip van plattelandsontwikkeling en toerisme, en voor het bouwen van bruggen tussen macroregio's;

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van het land.

(1) PB L 84 van 20.3.2004, blz. 13.
(2) Corridor X is een van de pan-Europese vervoerscorridors en -wegen van Salzburg (Oostenrijk) naar Thessaloniki (Griekenland).
(3) Corridor VIII is een van de pan-Europese vervoerscorridors en -wegen van Durrës (Albanië) naar Varna (Bulgarije). Deze corridor loopt tevens door Skopje.


Situatie in de Democratische Republiek Congo
PDF 171kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de situatie in de Democratische Republiek Congo (2017/2703(RSP))
P8_TA(2017)0264RC-B8-0397/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 23 juni 2016(1), 1 december 2016(2) en 2 februari 2017(3) over de Democratische Republiek Congo (DRC),

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, en haar woordvoerder over de situatie in de DRC,

–  gezien de verklaringen van de EU-delegatie naar de DRC over de mensenrechtensituatie in het land,

–  gezien het politieke akkoord dat in de DRC bereikt is op 31 december 2016,

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 15 juni 2016 over de situatie aan de vooravond van de verkiezingen en de veiligheidssituatie in de DRC,

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 oktober 2016 en 6 maart 2017 over de DRC,

–  gezien het verslag van 10 maart 2017 van de secretaris-generaal van de VN over de VN‑stabilisatiemissie in de DRC,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over de DRC, met name resolutie 2293 (2016) over verlenging van het sanctieregime ten aanzien van de DRC en het mandaat van de groep van deskundigen, en resolutie 2348 (2017) over de verlenging van het mandaat van de stabilisatiemissie van de VN in de DRC (Monusco),

–  gezien de gezamenlijke persverklaring van 16 februari 2017 van de Afrikaanse Unie, de Verenigde Naties, de Europese Unie en de Internationale Organisatie van de Francofonie over de DRC,

–  gezien de herziene Partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van juni 1981,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien de op 18 februari 2006 aangenomen grondwet van de DRC,

–  gezien artikel 123, lid 2, en lid 4 van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de DRC te lijden heeft onder aanhoudende golven van conflict en brute politieke onderdrukking; overwegende dat de humanitaire en veiligheidscrisis in de DRC verder is verslechterd door de politieke crisis, die is veroorzaakt door het feit dat president Kabila niet het grondwettelijk bepaalde maximum in acht neemt van twee ambtstermijnen;

B.  overwegende dat het conflict plaatsheeft in de context van een politieke crisis in de DRC; overwegende dat in een op 31 december 2016 onder auspiciën van de nationale bisschoppenconferentie van Congo (Conférence Episcopale Nationale du Congo, CENCO) gesloten akkoord is voorzien in een transitie die uitmondt in vrije en eerlijke presidentsverkiezingen die zonder wijziging van de grondwet worden gehouden eind 2017; overwegende dat tot dusver geen vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van het akkoord is geboekt;

C.  overwegende dat er in augustus 2016 gewapende conflicten uitbraken tussen het Congolese leger en lokale milities in de provincie Midden-Kasaï, die zich al snel uitbreidden naar de omliggende provincies Oost-Kasaï, Lomami en Sankuru en zo een humanitaire crisis veroorzaakten en leidden tot de interne ontheemding van ruim een miljoen burgers; overwegende dat in VN-rapporten massale schendingen van de mensenrechten zijn gedocumenteerd, inclusief de afslachting van meer dan 500 burgers en de ontdekking van meer dan 40 massagraven; overwegende dat volgens de VN meer dan 400 000 kinderen aan de rand staan van de hongerdood; overwegende dat 165 Congolese maatschappelijke organisaties en verdedigers van de mensenrechten hebben verzocht om een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de massale schendingen van mensenrechten in de provincies Kasaï en Lomami, en hebben benadrukt dat zowel regeringstroepen als milities zich aan deze misdrijven schuldig maken;

D.  overwegende dat twee leden VN-deskundigen samen met ondersteunend personeel in maart 2017 in de provincie Kasaï zijn ontvoerd en vermoord;

E.  overwegende dat het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) in april 2017 om 64,5 miljoen USD heeft gevraagd om humanitaire hulp naar Kasaï te kunnen sturen;

F.  overwegende dat mensenrechtenorganisaties voortdurend rapporteren over de verslechterende situatie in het land met betrekking tot mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting, vergadering en demonstratie, een toename van het aantal politieke processen en het excessieve geweld dat gebruikt wordt tegen vreedzame demonstranten, journalisten en leden van de oppositie, met name door het leger en milities; overwegende dat vrouwen en kinderen de eerste slachtoffers zijn van het conflict en dat seksueel en gendergerelateerd geweld, dat vaak wordt ingezet als tactisch oorlogswapen, wijdverbreid is;

G.  overwegende dat de stabilisatiemissie van de VN in de DRC (Monusco) uit hoofde van haar mandaat, dat in april 2017 met een jaar verlengd is, geacht wordt bij te dragen aan de bescherming van burgers en de tenuitvoerlegging van het politieke akkoord van 31 december 2016 te ondersteunen, en dat bij de inzet van het Monusco-contingent ook naar behoren rekening moet worden gehouden met nieuwe prioriteiten op het gebied van veiligheid en humanitaire aangelegenheden;

H.  overwegende dat de EU op 12 december 2016 in antwoord op de belemmering van het verkiezingsproces en de schending van de mensenrechten beperkende maatregelen heeft getroffen tegen zeven personen en op 29 mei 2017 tegen negen andere personen die leidinggevende posten bekleden in het landsbestuur en in de commandostructuur van de veiligheidstroepen van de DRC;

1.  is nog steeds zeer bezorgd over de verslechterende politieke, humanitaire en veiligheidssituatie in de DRC; veroordeelt krachtig alle schendingen van de mensenrechten, inclusief de gewelddaden van alle daders, ontvoeringen, moorden, foltering, seksueel geweld en willekeurige arrestaties en wederrechtelijke vrijheidsberoving;

2.  vraagt de oprichting van een onafhankelijke onderzoekscommissie met ruime bevoegdheden, waarin ook VN‑experts moeten zetelen, om het geweld in de regio Kasaï te onderzoeken en ervoor te zorgen dat de personen die deze bloedbaden hebben gepleegd, verantwoording voor hun daden moeten afleggen; verzoekt de lidstaten een onderzoekscommissie politiek en financieel te ondersteunen;

3.  herinnert eraan dat de regering van de DRC in de eerste plaats de verantwoordelijkheid heeft om burgers die op haar grondgebied verkeren en/of onder haar jurisdictie vallen te beschermen, onder andere tegen oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

4.  is zeer ontstemd over de vertragingen bij de organisatie van de volgende presidents- en parlementsverkiezingen in de DRC, die een schending van de Congolese grondwet vormen; betreurt voorts het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot het politieke akkoord van 31 december 2016 over een overgangsregeling; herinnert aan het engagement van de regering van de DRC om vóór het einde van 2017 op geloofwaardige wijze transparante, vrije en eerlijke verkiezingen te houden, met garanties voor de bescherming van de politieke rechten en vrijheden en in overeenstemming met het politieke akkoord, om te komen tot een vreedzame machtsoverdracht; herinnert eraan dat het belangrijk is een gedetailleerde verkiezingsagenda te publiceren en is verheugd over het proces van kiezersregistratie; roept op tot vroegtijdige tenuitvoerlegging van de toezeggingen die in deze overeenkomst zijn vastgelegd, met name de wijziging en aanneming van de vereiste wetten door het Congolese parlement voor het einde van de huidige parlementaire termijn; vraagt dat de kieswet wordt gewijzigd om via passende maatregelen de vertegenwoordiging te garanderen van vrouwen;

5.  onderstreept het feit dat de onafhankelijke nationale kiescommissie de verantwoordelijkheid draagt om op te treden als onpartijdige en inclusieve instantie voor de tenuitvoerlegging van een geloofwaardig en geloofwaardig verkiezingsproces; dringt aan op de onmiddellijke oprichting van een nationale raad voor toezicht op naleving van de overeenkomst en het verkiezingsproces, overeenkomstig het politieke akkoord van 2016;

6.  herinnert aan de taak van de regering om de fundamentele vrijheden als basis voor democratie te eerbiedigen, beschermen en bevorderen; dringt er bij de Congolese autoriteiten op aan een klimaat te herstellen dat bevorderlijk is voor de vrije en vreedzame uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering en voor de bodemvrijheid; eist de onmiddellijke vrijlating van al wie onwettig gevangen zit, zoals journalisten, leden van de oppositie en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; verzoekt alle politieke betrokkenen de politieke dialoog voort te zetten;

7.  veroordeelt alle schendingen van het internationaal humanitair recht door de nationale overheid en veiligheidsdiensten; is voorts bezorgd door de berichten over ernstige schendingen van de mensenrechten door lokale milities, met inbegrip van het onrechtmatig inlijven en inzetten van kindsoldaten, die krachtens het internationaal recht oorlogsmisdrijven kunnen vormen; is van oordeel dat het voor de autoriteiten en de internationale gemeenschap een prioriteit moet zijn om een einde te maken aan het verschijnsel van kindsoldaten;

8.  herhaalt zijn grote bezorgdheid over de alarmerende humanitaire situatie in de DRC, met onder andere ontheemding, voedselonzekerheid, epidemies en natuurrampen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan via betrouwbare organisaties meer financiële en humanitaire hulp te bieden, om in de dringende behoeften te voorzien van de bevolking, met name in de provincie Kasaï; veroordeelt krachtig alle aanvallen die worden uitgevoerd tegen humanitair personeel en humanitaire voorzieningen en staat erop dat de Congolese autoriteiten ervoor zorgen dat de hulp van humanitaire organisaties de lokale bevolking vlot en tijdig kan bereiken;

9.  is tevreden met het feit dat het mandaat van Monusco is verlengd en met het werk dat wordt verricht door de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor de DRC om in de verkiezingscontext burgers te beschermen en de mensenrechten te handhaven; benadrukt dat het oorspronkelijke en huidige mandaat dat op alle VN-troepen in het land van toepassing is, de "neutralisering van gewapende groepen" betreft; eist dat de gehele Monusco-troepenmacht de bevolking volledige bescherming biedt tegen de gewapende groepen en tussenbeide komt om vrouwen tegen verkrachting en ander seksueel geweld te beschermen en geen enkele beperking aanvaardt op grond van nationale bevelen;

10.  wijst met bezorgdheid op het risico van regionale destabilisatie; herhaalt zijn steun voor de Verenigde Naties, de Internationale Organisatie van de Francofonie (OIF) en de Afrikaanse Unie (AU), die de politieke dialoog faciliteren; vraag een intensivering van het engagement in de regio van de Grote Meren, om verdere destabilisering te voorkomen;

11.  herinnert eraan dat het van cruciaal belang is personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en andere activiteiten die een op consensus gebaseerde, vreedzame oplossing voor de crisis in de DRC in de weg staan, te vervolgen; is voorstander van het gebruik van gerichte EU-sancties tegen personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen; verzoekt om nadere onderzoeken naar en uitbreiding van sancties tegen de verantwoordelijken, op het hoogste regeringsniveau, voor het geweld en de misdrijven die in de DRC zijn begaan en voor de roof van de natuurlijke hulpbronnen van het land, in overeenstemming met de onderzoeken die de groep deskundigen van de VN heeft uitgevoerd; benadrukt dat de sancties de bevriezing van tegoeden en een reisverbod naar de EU moeten omvatten;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement, de Raad van ministers en Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de secretaris-generaal van de VN en de president, de premier en het parlement van de Democratische Republiek Congo.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0290.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0479.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0017.


Stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh
PDF 263kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 juni 2017 over de stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh (2017/2636(RSP))
P8_TA(2017)0265B8-0396/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over vrijheid van meningsuiting in Bangladesh(1),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de instorting van het Rana Plaza-gebouw in 2013 en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh(2),

–  gezien zijn resolutie van 18 september 2014 over mensenrechtenschendingen in Bangladesh(3),

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh, met name die van 16 januari 2014(5), 21 november 2013(6) en 14 maart 2013(7),

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(8) en over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(9),

–  gezien zijn resoluties van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei(10), en over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel(11),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 april 2017 getiteld "Sustainable garment value chains through EU development action" (Duurzame waardeketens voor kleding via EU-ontwikkelingsactie) (SWD(2017)0147),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een vernieuwde EU-strategie 2011‑2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681) en de resultaten van de openbare raadpleging over de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de richting van haar beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen na 2014,

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling,

–  gezien het Duurzaamheidspact ter continue verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

–  gezien de technische statusverslagen van de Commissie over het Duurzaamheidspact Bangladesh van juli 2016 en 24 april 2015,

–  gezien het verslag van het werkbezoek van 23 januari 2017 van zijn Commissie internationale handel naar aanleiding van de ad‑hocdelegatie naar Bangladesh (Dhaka) van 15 tot en met 17 november 2016,

–  gezien het in oktober 2013 van start gegane programma "Better Work Bangladesh" van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–  gezien het verslag van de tripartite IAO-missie op hoog niveau en de opmerkingen van 2017 van de IAO-commissie van deskundigen voor de naleving van verdragen en aanbevelingen met betrekking tot verdragen 87 en 98,

–  gezien de speciale paragraaf in het verslag van de IAO-commissie over de toepassing van de normen van de IAO-Conferentie van 2016,

–  gezien de in 2017 bij het Comité voor vakbondsvrijheid van de IAO ingediende klacht over het hardhandige optreden van de regering tegen werknemers in de confectiesector in Ashulia in december 2016 en de bij de speciale gezanten van de VN ingediende klacht over het hardhandige optreden in Ashulia,

–  gezien de VN-Verklaring van Johannesburg over duurzame consumptie en productie ter bevordering van sociale en economische ontwikkeling,

–  gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling (2015) van UNCTAD,

–  gezien de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten, waarin voor zowel regeringen als bedrijven een kader is vastgelegd om mensenrechten te beschermen en te eerbiedigen, die in juni 2011 werden onderschreven door de Mensenrechtenraad,

–  gezien het Mondiaal Pact van de VN inzake mensenrechten, arbeid, milieu en corruptiebestrijding,

–  gezien de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen,

–  gezien het gezamenlijk kwartaalverslag over het Akkoord van 31 oktober 2016 over de vorderingen bij de herstelmaatregelen in kledingfabrieken waarop het Akkoord van toepassing is,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de stand van zaken rond de uitvoering van het Duurzaamheidspact Bangladesh (O-000037/2017 – B8‑0217/2017),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie internationale handel,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Bangladesh de tweede kledingproducent ter wereld is geworden en dat de textielsector goed is voor bijna 81 % van de totale export van het land; overwegende dat 60 % van de kledingproductie van Bangladesh bestemd is voor de EU, de belangrijkste exportmarkt van het land;

B.  overwegende dat de confectiekledingindustrie in Bangladesh werk biedt aan 4,2 miljoen mensen in 5 000 fabrieken en indirect voorziet in het levensonderhoud van wel 40 miljoen mensen, dat wil zeggen ongeveer een kwart van de bevolking van Bangladesh; overwegende dat de confectie-industrie belangrijk heeft bijgedragen aan armoedevermindering en aan de emancipatie van vrouwen; overwegende dat vrouwen, meestal uit meestal landelijke gebieden, 80 % van het personeel in de confectie-industrie in Bangladesh uitmaken; overwegende dat 80 % van de werkenden echter nog steeds in de informele sector werkzaam is; overwegende dat de complexe toeleveringsketens in de confectiesector en het lage niveau van transparantie mensenrechtenschendingen faciliteren en uitbuiting in de hand werken; overwegende dat het minimumloon in de confectiesector onder de armoedegrens van de Wereldbank is gebleven;

C.  overwegende dat gendergelijkheid een drijvende kracht voor ontwikkeling is; overwegende dat vrouwenrechten deel uitmaken van het mensenrechtenspectrum; overwegende dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Unie er bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, en dat de EU derhalve de taak heeft gendergelijkheid in al haar beleid te integreren om ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen op voet van gelijkheid profiteren van sociale vooruitgang, economische groei en fatsoenlijke banen, een einde te maken aan discriminatie en de eerbiediging van de rechten van vrouwen in de wereld te bevorderen;

D.  overwegende dat ongeveer 10 % van de werknemers in de confectiesector in exportproductiezones (EPZ's) werkzaam is; overwegende dat de arbeidswetgeving in de EPZ's werknemers niet voldoende basisrechten garandeert in vergelijking met werknemers elders in Bangladesh; overwegende dat een grote uitbreiding van de EPZ's is gepland;

E.  overwegende dat de genereuze unilaterale EU-handelspreferenties uit hoofde van het "alles-behalve-wapens"-initiatief ten behoeve van de minst ontwikkelde landen (MOL's), waarin de SAP-verordening voorziet, die tariefvrije toegang biedt voor textiel uit Bangladesh op grond van flexibele oorsprongsregels, een beduidende bijdrage leveren aan dit succesverhaal van de omvangrijke Bengaalse kledingexport en banengroei;

F.  overwegende dat deze handelspreferenties voortspruiten uit het EU-beginsel van eerlijke en vrije handel en daarom de EU de mogelijkheid bieden om SAP-voordelen op te schorten in geval van ernstige mensenrechtenschendingen ingevolge het bepaalde in hoofdstuk V, artikel 19, paragraaf 1, onder a), van de SAP-verordening, waarin staat dat preferentiële behandeling tijdelijk kan worden ingetrokken om een reeks redenen, waaronder ernstige en systematische schending van de beginselen van de in deel A van bijlage VIII genoemde verdragen, waaronder de acht fundamentele IAO-verdragen;

G.  overwegende dat de Commissie en de EDEO begin 2017 krachtens deze bepalingen een versterkte dialoog zijn aangegaan over arbeids- en mensenrechten met het oog op betere naleving van die beginselen;

H.  overwegende dat de IAO in het verslag van de Conferentie van 2016 van haar commissie voor de toepassing van de normen een speciale paragraaf aan Bangladesh wijdde en daarin stelde dat Bangladesh ernstig in gebreke blijft bij de nakoming van zijn verplichtingen op grond van Verdrag 87 (vrijheid van vereniging); overwegende dat de IAO in 2015 meldde dat 78 % van de aanvragen voor registratie van vakbonden werd afgewezen wegens vijandigheid van fabrieksmanagers en bepaalde politici jegens vakbonden en het administratieve onvermogen om hen te registreren;

I.  overwegende dat er volgens meerdere rapporten sinds 2006 honderden textielarbeiders bij branden in verschillende fabrieken in Bangladesh zijn omgekomen, waarvoor de talrijke schuldige fabriekseigenaren en ‑managers helaas nooit voor de rechter werden gebracht; overwegende dat elk jaar naar schatting 11 700 arbeiders uit alle bedrijfstakken dodelijk verongelukken en 24 500 anderen aan werkgerelateerde ziekten bezwijken;

J.  overwegende dat het huidige minimumloon van 5 300 BDT (67 USD) per maand sinds 2013 niet meer is verhoogd en de raad voor de minimumlonen niet werd bijeengeroepen;

K.  overwegende dat de Bengaalse autoriteiten naar aanleiding van stakingen en demonstraties voor hogere lonen door arbeiders in de confectiesector sinds 21 december 2016 tenminste 35 vakbondsleiders en voorvechters willekeurig hebben gearresteerd en vastgehouden, kantoren van vakbonden en ngo's hebben gesloten of onder politietoezicht hebben geplaatst en 1 600 werknemers hebben geschorst of ontslagen omdat zij protesteerden tegen de lage lonen in de kledingindustrie;

L.  overwegende dat Bangladesh de 145e plaats inneemt van de 177 landen op de Transparantie-index; overwegende dat corruptie in de mondiale textieltoeleveringsketen wijdverspreid is en dat hierbij ook de politiek en lokale overheden betrokken zijn;

M.  overwegende dat veelbelovende initiatieven van de particuliere sector zoals het akkoord inzake brandveiligheid en veiligheid van gebouwen (het akkoord) de afgelopen 20 jaar een bescheiden bijdrage hebben geleverd aan de verbetering van de normen en veiligheid op het werk binnen de toeleveringsketens, met name de versterking van werknemersrechten in de kledingsector;

N.  overwegende dat in de conclusies van de achtereenvolgende evaluaties van het duurzaamheidspact in 2014, 2015 en 2016 geconstateerd wordt dat de autoriteiten van Bangladesh op sommige vlakken aantoonbare vooruitgang boeken, en de bijdrage wordt erkend van het duurzaamheidspact aan een bescheiden verbetering van de gezondheid en veiligheid in fabrieken en de arbeidsomstandigheden in de confectiekledingsector; overwegende dat vooruitgang met betrekking tot de rechten van werkenden een grotere uitdaging vormt en dat er de laatste jaren geen wezenlijke vorderingen op dit gebied zijn waargenomen; overwegende dat het tekortschieten op het gebied van de wijziging en tenuitvoerlegging van de Bengaalse arbeidswet van 2013 volgens de IAO een ernstige belemmering vormt voor de uitoefening van het recht van vrijheid van vereniging en de registratie van vakbonden, vooral in de confectiesector in de EPZ's; overwegende dat werknemers in de EPZ's het recht op lidmaatschap van een vakbond werd ontzegd;

O.  overwegende dat de Europese consumenten na de ramp massaal hebben aangedrongen op meer informatie over de herkomst van producten en de omstandigheden waaronder ze worden vervaardigd; overwegende dat Europese burgers talloze verzoekschriften hebben ingediend en campagnes hebben georganiseerd om kledingmerken ertoe te bewegen meer verantwoording af te leggen en te waarborgen dat hun producten op een ethisch verantwoorde manier vervaardigd worden;

Verantwoord ondernemen in Bangladesh — in de eerste plaats een binnenlandse taak

1.  onderstreept dat Bangladesh, ondanks de indrukwekkende prestaties op het gebied van groei en ontwikkeling in de afgelopen jaren, nog grote inspanningen moet verrichten om tot duurzame en inclusievere economische groei te komen; onderstreept dat structurele hervormingen ter vergroting van de productiviteit, verdere diversificatie van de export, sociale rechtvaardigheid, werknemersrechten, bescherming van het milieu en bestrijding van corruptie in dit opzicht essentieel zijn;

2.  vraagt de regering van Bangladesh om zich meer in te zetten voor meer veiligheid en betere arbeidsomstandigheden en ‑rechten in de kledingsector als eerste prioriteit, en voor krachtiger uitvoering van de veiligheidswetgeving voor gebouwen en fabrieken, om meer overheidsgeld te besteden aan de arbeidsinspectie, meer fabrieksinspecteurs aan te werven en op te leiden, voor omstandigheden te zorgen die het verloop onder arbeidsinspecteurs verminderen, jaarlijkse werkplannen op te stellen voor vervolginspecties in fabrieken waar corrigerende maatregelen moeten worden genomen, en de gebouwen- en fabrieksinspecties uit te breiden tot andere sectoren;

3.  verzoekt de regering van Bangladesh de arbeidswet van 2013 te wijzigen om de vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen doeltreffend aan te pakken, de sociale dialoog te bevorderen, vlotte en willekeursvrije registratie van vakbonden te waarborgen, te zorgen voor effectieve opsporing en vervolging van verantwoordelijken voor vermeende vakbondsdiscriminatie en oneerlijke arbeidspraktijken, en een wetgevingskader voor arbeidszaken te waarborgen dat volledig conform is aan internationale normen, met name de IAO-conventies 87 en 98 inzake vrijheid van vereniging en collectieve onderhandeling, en dat daadwerkelijk wordt toegepast; verzoekt de regering voorts te zorgen dat de wet op de EPZ's voorziet in volledige vrijheid van vereniging overeenkomstig diezelfde internationale normen, en voortvarend en actief onderzoek te doen naar alle uitingen van discriminatie van vakbondsleden;

4.  dringt er bij de regering van Bangladesh, de sectorale organisaties en de fabriekseigenaren op aan verbeteringswerkzaamheden aan alle exportgerichte kledingfabrieken ter hand te nemen en te zorgen dat reparaties en andere inspectie-aanwijzingen worden uitgevoerd onder transparant toezicht van de betreffende overheidsautoriteiten, en het nut van door donoren opgebrachte gelden en het belang van effectieve financiële steun te erkennen;

5.  vraagt de regering van Bangladesh de raad voor de minimumlonen onmiddellijk opnieuw bijeen te roepen en ervoor te zorgen dat de lonen vaker worden herzien;

Initiatieven van de particuliere sector — een doeltreffende en waardevolle bijdrage

6.  roept de internationale merken en retailbedrijven en de particuliere sector van Bangladesh op zich te blijven inzetten voor de naleving van de arbeidswetgeving en voor de uitvoering van maatregelen op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) en beter te presteren op het gebied van verantwoorde bedrijfspraktijken, waaronder fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor arbeiders in de Bengaalse kledingindustrie, alsook om transparante berichtgeving met betrekking tot de fabrieken waar goederen geproduceerd worden, en coördinatiemechanismen tussen relevante initiatieven te faciliteren; spoort aan tot voortzetting van het werk van de mondiale retailers en merken aan een eenvormige gedragscode voor fabrieksinspecties in Bangladesh;

7.  wijst nadrukkelijk op wat er is bereikt dankzij de inzet van het particuliere bedrijfsleven in samenwerking met de regering van Bangladesh en internationale organisaties in dat land via het akkoord inzake brand- en bouwveiligheid; wijst er evenwel op dat de partijen bij het akkoord zich ondanks de duidelijke vooruitgang op het punt van brand- en bouwveiligheid zorgen maken over het trage tempo waarmee kritieke veiligheidskwesties worden aangepakt; vraagt die partijen hun verbintenis met nog eens vijf jaar te verlengen voordat het huidige akkoord op 12 mei 2018 afloopt; vraagt de regering en het bedrijfsleven van Bangladesh het nut in te zien van de verbintenis die de retailketens in Bangladesh via het akkoord zijn aangegaan en de verlenging van het mandaat dat bij het akkoord aan de partijen is gegeven, te steunen;

8.  vraagt de regering van Bangladesh en de particuliere sector door te gaan met hun initiatieven voor financiële compensatie en rehabilitatie van slachtoffers, een effectieve strategie voor terugkeer op de arbeidsmarkt te ontwikkelen en het aanleren van bekwaamheden op het gebied van ondernemerschap en levensonderhoud te ondersteunen;

Gedeelde verantwoordelijkheid van de EU en de internationale gemeenschap

9.  steunt de activiteiten waarmee vervolg wordt geven aan het Duurzaamheidspact Bangladesh en de versterkte dialoog die de Commissie en de EDEO met Bangladesh zijn aangegaan over arbeids- en mensenrechten met het oog op betere naleving van de beginselen van de in de SAP-verordening genoemde verdragen;

10.  steunt het onderzoek van de Commissie naar een mogelijk EU-breed initiatief in de kledingsector, met vrijwillige initiatieven en strikte gedragscodes als hoofdbeginselen; verwijst naar het EU-werkdocument van 24 april 2017 getiteld "Sustainable garment value chains through EU development action" (Duurzame waardeketens in de kledingsector door EU-ontwikkelingsoptreden) en herhaalt zijn dringende verzoek om zich niet te beperken tot een werkdocument maar de mogelijkheid van bindende wetgeving inzake zorgvuldigheidsverplichtingen te overwegen; onderstreept voorts dat coördinatie, uitwisseling van informatie en beste praktijken en het engagement van regeringen om de gepaste kadervoorwaarden te scheppen kunnen bijdragen tot een grotere doeltreffendheid van particuliere en overheidsinitiatieven met betrekking tot de waardeketen en positieve resultaten kunnen opleveren wat betreft duurzame ontwikkeling; benadrukt dat het bewustzijn van consumenten moet worden verhoogd om de transparantie te vergroten en betere arbeids- en milieunormen, productveiligheid en duurzame consumptie te ondersteunen;

11.  is van mening dat het Duurzaamheidspact Bangladesh, waarvan de EU een van voornaamste actoren is, als voorbeeld kan dienen voor de invoering van soortgelijke partnerschappen met derde landen; spoort de EU ertoe aan om haar internationale samenwerking met organisaties als de IAO, de OESO en de VN op het vlak van duurzame ontwikkeling en mvo voort te zetten en te verdiepen;

12.  steunt de inspanningen van de voor onbepaalde tijd ingestelde werkgroep van de VN om een bindend VN-verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten op te stellen; roept de Commissie en de lidstaten op actief deel te nemen aan de onderhandelingen daarover;

13.  benadrukt dat als de veiligheidssituatie niet verbetert en de dreigingen door extremisten in Bangladesh niet systematisch worden aangepakt, dit rechtstreekse gevolgen zal hebben voor de investeringen in het land, wat uiteindelijk ten koste zal gaan van de ontwikkeling op de lange termijn en van het leven van de gewone burger;

Conclusies

14.  onderstreept dat een hoogwaardige kledingsector essentieel is voor de economische en sociale ontwikkeling in Bangladesh en dat dankzij de expansie van deze industrie veel arbeiders, met name vrouwen, de overstap van de informele naar de formele economie hebben kunnen maken; waarschuwt voor initiatieven die ertoe leiden dat bedrijven uit de EU en andere landen zich uit Bangladesh terugtrekken, wat schadelijk zou zijn voor de reputatie, maar belangrijker nog, voor de ontwikkelingsperspectieven van het land;

15.  onderstreept dat het de gedeelde verantwoordelijkheid is van de regering van Bangladesh, de plaatselijke particuliere sector, de internationale gemeenschap en zakenpartners om bij te dragen aan het bereiken van verantwoorde bedrijfsvoering als overkoepelend doel;

o
o   o

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, de regering en het parlement van Bangladesh en de directeur-generaal van de IAO.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0414.
(2) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 39.
(3) PB C 234 van 28.6.2016, blz. 10.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0196.
(5) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 149.
(6) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 39.
(7) PB C 36 van 29.1.2016, blz. 145.
(8) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(9) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(10) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 28.
(11) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 33.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0299.

Juridische mededeling