Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 4 juii 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Benoeming van een lid van de Europese Commissie
 Kaderovereenkomst tussen de EU en Kosovo inzake de algemene beginselen voor de deelname van Kosovo aan EU-programma's ***
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/001 ES/Castilla y León winning van delfstoffen
 Europese normen voor de 21e eeuw
 Naar een pan-Europees kader voor gedekte obligaties
 De rol van visserijgerelateerd toerisme in de diversificatie van de visserij
 Verjaringstermijnen bij verkeersongevallen
 Gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht
 Macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië ***I
 Openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren ***I
 Invoering van tijdelijke autonome handelsmaatregelen voor Oekraïne ***I
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2 bij de algemene begroting 2017 om het overschot van het begrotingsjaar 2016 erin op te nemen
 Een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven
 De bestrijding van mensenrechtenschendingen in de context van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, met inbegrip van genocide
 Particuliere beveiligingsondernemingen
 Arbeidsomstandigheden en onzeker werk

Benoeming van een lid van de Europese Commissie
PDF 149kWORD 42k
Besluit van het Europees Parlement van 4 juli 2017 houdende goedkeuring van de benoeming van Mariya Gabriel als lid van de Commissie (C8-0166/2017 - 2017/0805(NLE))
P8_TA(2017)0275

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 246, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien punt 6 van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(1),

–  gezien het feit dat Kristalina Georgieva als lid van de Commissie is teruggetreden,

–  gezien de brief van de Raad van 29 mei 2017 waarbij de Raad het Parlement heeft geraadpleegd over een besluit tot benoeming van Mariya Gabriel als lid van de Commissie, dat in onderlinge overeenstemming moet worden genomen met de voorzitter van de Commissie (C8-0166/2017),

–  gezien de hoorzitting met Mariya Gabriel op 20 juni 2017, die is geleid door de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie cultuur en onderwijs, met medeverantwoordelijkheid van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie juridische zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, en de na die hoorzitting opgestelde evaluatieverklaring,

–  gezien artikel 118 van en bijlage VI bij zijn Reglement,

1.  hecht zijn goedkeuring aan de benoeming van Mariya Gabriel als lid van de Commissie voor de verdere duur van de ambtstermijn van de Commissie, tot 31 oktober 2019;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.


Kaderovereenkomst tussen de EU en Kosovo inzake de algemene beginselen voor de deelname van Kosovo aan EU-programma's ***
PDF 257kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en Kosovo inzake de algemene beginselen voor de deelname van Kosovo(1) aan EU-programma's (13391/2016 – C8-0491/2016 – 2013/0115(NLE))
P8_TA(2017)0276A8-0207/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (13391/2016),

–  gezien de ontwerpkaderovereenkomst tussen de Europese Unie en Kosovo(2) inzake de algemene beginselen voor de deelname van Kosovo aan EU-programma’s (13393/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 212 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0491/2016),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0207/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Kosovo.

(1)* Deze benaming laat de standpunten over de status onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(2)* Deze benaming laat de standpunten over de status onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/001 ES/Castilla y León winning van delfstoffen
PDF 267kWORD 52k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Spanje – EGF/2017/001 ES/Castilla y León winning van delfstoffen) (COM(2017)0266 – C8-0174/2017 – 2017/2079(BUD))
P8_TA(2017)0277A8-0248/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0266 – C8-0174/2017),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0248/2017),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat de vaststelling van de nieuwe EFG-verordening vorm geeft aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium "crisisafwijking" opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie voor de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen en begunstigden uit te breiden door zelfstandigen en jongeren toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat Spanje aanvraag EGF/2017/001 ES/Castilla y León heeft ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 – afdeling 5 (Winning van steenkool en bruinkool) in de regio's van NUTS-niveau 2 van Castilla y León (ES41), en overwegende dat 339 ontslagen werknemers en maximaal 125 jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) van jonger dan 30, naar verwachting zullen deelnemen aan de maatregelen; overwegende dat de ontslagen zijn gevallen bij Hullera Vasco Leonesa SA, Centro de Investigación y Desarrollo SA, Hijos de Baldomero García SA, Minas del Bierzo Alto SL en Unión Minera del Norte SA;

E.  overwegende dat de aanvraag was ingediend in het kader van de in artikel 4, lid 2, van de EFG-verordening, vastgelegde criteria voor steunverlening, in afwijking van de in artikel 4, lid 1, onder b), vastgelegde subsidiabiliteitscriteria, waarin wordt bepaald dat binnen een referentieperiode van negen maanden ten minste 500 werknemers gedwongen moeten zijn ontslagen in ondernemingen die actief zijn in dezelfde economische sector als bepaald op het niveau van de NACE Rev. 2-afdeling en gelegen zijn in één regio of twee aan elkaar grenzende regio's als bepaald op NUTS 2-niveau;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 2, van de EFG-verordening, en dat Spanje bijgevolg recht heeft op een financiële bijdrage ter hoogte van 1 002 264 EUR, wat overeenkomt met 60 % van de totale kosten van 1 670 440 EUR;

2.  stelt vast dat de Spaanse autoriteiten de aanvraag voor een financiële bijdrage uit het EFG op 20 januari 2017 hebben ingediend, en dat de beoordeling daarvan door de Commissie op 2 juni 2017 is afgerond en op dezelfde dag aan het Parlement is meegedeeld;

3.  herinnert eraan dat de steenkoolproductie in de Unie en de steenkoolprijs wereldwijd de afgelopen tien jaar sterk zijn gedaald, met als gevolg dat de hoeveelheid uit niet-EU-landen ingevoerde steenkool is gestegen en veel Europese steenkoolmijnen niet langer rendabel zijn en tot sluiting worden gedwongen; wijst erop dat deze trends zich zelfs nog nadrukkelijker hebben voorgedaan in Spanje en daar geleid hebben tot reorganisatie en omschakeling van de steenkoolmijnsector; benadrukt dat de werkgelegenheid in de regio Castilla y León zwaar getroffen is door de gevolgen van de crisis in de steenkoolmijnsector en wijst erop dat in de periode 2010 tot2016 alleen al in Castilla y León tien steenkoolmijnbedrijven hun deuren hebben moeten sluiten;

4.  stelt vast dat Spanje verzocht heeft om afwijking van artikel 4, lid 1, onder b), op grond van het feit dat het door de ontslagen getroffen gebied bestaat uit een aantal kleine, geïsoleerde dorpen in de afgelegen, dunbevolkte bergvallei in Cantabrië, die grotendeels sterk afhankelijk zijn van de winning van steenkool en die te kampen hebben met beperkte connectiviteit en dus kunnen worden beschouwd als kleine arbeidsmarkt in de zin van artikel 4, lid 2;

5.  wijst met name op de zeer geringe bevolkingsdichtheid, de problemen ten gevolge van het bergachtige landschap en de moeilijke werkgelegenheidssituatie in het noorden van de provincie León en de provincie Palencia; uit zijn bezorgdheid over de enorme bevolkingsdaling, die onder personen jonger dan 25 jaar naar verhouding het grootst is;

6.  wijst erop dat de financiële bijdrage bedoeld is voor 339 ontslagen werknemers, waarvan 97 % man is;

7.  is ingenomen met het besluit van Spanje om maximaal 125 NEET's jonger dan 30 jaar individuele dienstverlening te verstrekken die door het EFG wordt medegefinancierd; begrijpt dat deze dienstverlening ook steun zal omvatten aan jongeren die een eigen bedrijf willen starten;

8.  merkt op dat deze maatregelen zullen worden genomen op basis van een studie die wordt uitgevoerd naar het scheppen van banen en productieve activiteiten in de regio Castilla y León, om de initiatieven als bedoeld in dit pakket beter te definiëren;

9.  wijst erop dat Spanje voornemens is zes soorten maatregelen te nemen voor de ontslagen werknemers en NEET's voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: i) algemene voorlichtingsbijeenkomsten, ii) loopbaanbegeleiding en advies, iii) intensieve hulp bij het zoeken naar werk, iv) opleiding over sectoroverschrijdende vaardigheden en competenties, en beroepsopleiding, v) bevordering van ondernemerschap, en vi) hulp bij het opstarten van een bedrijf, alsmede een programma van stimulerende maatregelen;

10.  stelt vast dat de stimulerende maatregelen 19,53 % zullen uitmaken van het totale pakket individuele dienstverlening, hetgeen ruim onder het maximum van 35 % ligt dat is vastgelegd in de EFG-verordening; stelt vast dat deze acties afhankelijk zijn gesteld van de actieve deelname van de beoogde begunstigden aan opleidingsactiviteiten en activiteiten in verband met het zoeken van een baan;

11.  stelt vast dat het opleidingsaanbod workshops zal omvatten over technieken om werk te zoeken, opleiding in persoonlijke en sociale vaardigheden, in informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en in vreemde talen en dat bij de beroepsopleiding de nadruk zal komen te liggen op het verbeteren van de vaardigheden op het gebied van mijnbouw die van nut kunnen zijn voor beroepen in andere economische sectoren of op het ontwikkelen van vaardigheden voor andere sectoren, zoals: toerisme en horeca in plattelandsgebieden; milieuherstel in mijnbouwgebieden; herbebossing en landschapsarchitectuur;

12.  is ingenomen met het feit dat het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening is opgesteld na raadpleging, op regionaal niveau, van belanghebbenden, waaronder vakbonden, bedrijfsverenigingen, het regionale agentschap voor economische ontwikkeling, innovatie, financiering en internationalisering van het bedrijfsleven en een openbare stichting die verbonden is aan de regionale openbare dienst voor arbeidsvoorziening, en met het feit dat een beleid van gelijke behandeling van mannen en vrouwen zal worden gehanteerd en het beginsel van non-discriminatie zal worden toegepast, teneinde de toegang tot de door het EFG gefinancierde maatregelen te waarborgen en gedurende de tenuitvoerlegging ervan;

13.  herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 7 van de EFG-richtlijn het ontwerp van het gecoördineerde pakket gepersonaliseerde diensten in moet spelen op toekomstige arbeidsmarktperspectieven en de op die markten benodigde vaardigheden, en verenigbaar moet zijn met de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

14.  is verheugd dat als stimulerende maatregel wordt ingevoerd dat verzorgers van afhankelijke personen een bijdrage in de kosten kunnen krijgen, omdat dit naar verwachting een positieve invloed zal hebben op het genderevenwicht; verzoekt de Commissie om gedetailleerde gegevens te verstrekken over het gebruik dat van deze mogelijkheid wordt gemaakt;

15.  herinnert aan de noodzaak de economieën van de Unie snel te transformeren en relevante werkgelegenheid te bevorderen in het licht van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering (COP21);

16.  wijst op het belang van het opzetten van een voorlichtingscampagne om de NEET's te bereiken die mogelijk voor deze maatregelen in aanmerking komen, waarbij de gendergelijkheid waar mogelijk moet worden gewaarborgd;

17.  verzoekt de Commissie om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, waaronder over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

18.  wijst erop dat de Spaanse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen en dat dubbele financiering voorkomen zal worden en dat de voorgestelde acties complementair zullen zijn met acties die door de structuurfondsen worden gefinancierd;

19.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

20.  is ingenomen met het feit dat het interventieplan een monitoringinitiatief zal omvatten, waaraan de sociale actoren kunnen deelnemen, en dat ten doel heeft te waarborgen dat het voorstel ten uitvoer wordt gelegd in overeenstemming met de aanbevelingen uit een studie die, als onderdeel van de maatregelen van het initiatief, uitgevoerd zal worden naar de behoeften op het gebied van beroepsopleiding en mogelijkheden voor activiteiten, en tevens ten doel heeft een goed beheer van de begrotingsmiddelen te waarborgen;

21.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

22.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

23.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Spanje – EGF/2017/001 ES/Castilla y León winning van delfstoffen)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2017/1372.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Europese normen voor de 21e eeuw
PDF 322kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over Europese normen voor de 21e eeuw (2016/2274(INI))
P8_TA(2017)0278A8-0213/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad,

–   gezien Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (de NIS-richtlijn),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 1 juni 2016 over de uitvoering van Verordening (EU) nr. 1025/2012 in de periode 2013-2015 (COM(2016)0212),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 1 juni 2016, getiteld "Analysis of the implementation of the Regulation (EU) No 1025/2012 from 2013 to 2015 and factsheets" (SWD(2016)0126),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016, getiteld "Europese normen voor de 21e eeuw" (COM(2016)0358),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 1 juni 2016, getiteld "Tapping the potential of European service standards to help Europe's consumers and businesses" (SWD(2016)0186),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2016, getiteld "Het jaarlijkse werkprogramma van de Unie voor Europese normalisatie voor 2017" (COM(2016)0357),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 1 juni 2016, getiteld "The implementation of the actions foreseen in the 2016 Union work programme for European standardisation, including the implementing acts and mandates sent to the European standardisation organisations" (SWD(2016)0185),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016, getiteld "Normalisatieprioriteiten op ICT-gebied voor de digitale eengemaakte markt" (COM(2016)0176),

–  gezien het gezamenlijk initiatief inzake normalisatie uit hoofde van de strategie voor de interne markt, als bedoeld in de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015, getiteld "De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen" (COM(2015)0550),

–  gezien zijn resolutie van 21 oktober 2010 over de toekomst van de Europese normalisatie(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, getiteld "Europese normen voor de 21e eeuw",

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, getiteld "Europese normalisatie voor 2016",

–   gezien de strategie van de Commissie inzake opensourcesoftware voor de periode 2014-2017(2),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0213/2017),

A.  overwegende dat het Europese normalisatiesysteem een centraal punt is bij de totstandbrenging van de interne markt; overwegende dat de actie van de Commissie om een gemeenschappelijke visie op te stellen voor Europese normalisatie een rechtstreeks resultaat is van de tien prioriteiten van de Commissie-Juncker en, met name, de prioriteiten in verband met de connectieve digitale eengemaakte markt en de strategie voor de interne markt;

B.  overwegende dat een open, inclusief, transparant en voornamelijk marktgestuurd Europees normalisatiesysteem, gebaseerd op vertrouwen en een correcte naleving, een centrale rol speelt als we willen voldoen aan de toenemende behoefte in het Europese industriële, economische, sociale en milieubeleid en de bijbehorende wetgeving aan normen die kunnen bijdragen aan productveiligheid, innovatie, interoperabiliteit, duurzaamheid en toegankelijkheid voor personen met een handicap en die de levenskwaliteit van de burgers, consumenten en werknemers kunnen verbeteren;

C.  overwegende dat een efficiënt Europees normalisatiesysteem gebaseerd moet zijn op partnerschap en nauwe samenwerking tussen de industrie, overheidsinstanties, normalisatie-instellingen en andere belanghebbenden, zoals de in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1025/2012 erkende organisaties (hierna "bijlage III-organisaties" genoemd);

D.  overwegende dat Europese normen moeten worden ontwikkeld in een open, inclusief en transparant systeem, gebaseerd op consensus tussen alle belanghebbenden, met als doel strategische technische of kwaliteitsvereisten vast te stellen waaraan huidige of toekomstige producten, productieprocessen, diensten of methoden kunnen voldoen;

E.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling over normalisatieprioriteiten op ICT-gebied voor de digitale eengemaakte markt wel de waarde van open normen erkent, maar geen definitie van een open norm geeft; overwegende dat open normen belangrijk zijn gebleken bij het in het leven roepen en ontwikkelen van internet en internetdiensten, die op hun beurt tot innovaties en maatschappelijke en economische vooruitzichten hebben geleid;

F.  overwegende dat het gebruik van licentieoplossingen voor opensourcesoftware en -hardware Europese bedrijven en overheden moet en kan helpen om een betere toegang tot digitale goederen en diensten te waarborgen;

G.  overwegende dat een modern en flexibel Europees normalisatiesysteem een belangrijke schakel vormt met het oog op een ambitieus en hernieuwd Europees industriebeleid en voor de werking van de eengemaakte markt; overwegende dat normen het mondiale concurrentievermogen van de EU, groei, eerlijke mededinging en innovatie kunnen bevorderen en kwaliteit, de prestaties van bedrijven – en met name kmo's – en de bescherming van consumenten, werknemers en het milieu kunnen ondersteunen;

H.  overwegende dat er twee verschillende systemen voor de ontwikkeling van normen naast elkaar bestaan in Europa, het ene op basis van het beginsel van nationale delegatie, zoals gehanteerd door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) en het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (Cenelec), en het andere op basis van een betaald lidmaatschap van belanghebbenden, zoals ontwikkeld door het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI); overwegende dat de behoefte bestaat de met Verordening (EU) nr. 1025/2012 verband houdende systemen voor normontwikkeling te evalueren om zo de bestaande uitdagingen en goede praktijken te identificeren;

I.  overwegende dat met Verordening (EU) nr. 1025/2012 verbeteringen zijn aangebracht in het normalisatieproces door, voor het eerst, maatschappelijke belanghebbenden en kmo's op te nemen in de rechtsgrondslag voor het Europese normalisatiesysteem;

J.  overwegende dat ICT-normen, die voornamelijk op mondiaal niveau worden ontwikkeld, het mogelijk maken om interoperabele oplossingen te ontwikkelen voor aanvullende producten en voor de verschillende onderdelen van een specifiek product, hetgeen met name van belang is voor de ontwikkeling van het "internet der dingen" (Internet of Things – IoT); overwegende dat de versnippering op het gebied van normen en merkgebonden of halfgesloten oplossingen de groei en invoering van het internet der dingen belemmert en dat er daarom een strategische benadering van de ICT-normalisatie moet worden ontwikkeld om succesvol te beantwoorden aan de behoeften voor de komende tien jaar, zodat de EU haar vooraanstaande rol in het mondiale normalisatiesysteem kan blijven spelen;

K.  overwegende dat met de publicatie van documenten en gegevens wordt voldaan aan overheidsverantwoordelijkheden en transparantiedoelstellingen, waaronder verantwoordingsplicht en de reproduceerbaarheid, de duurzaamheid en de betrouwbaarheid van overheidsoptreden; overwegende dat wanneer documenten en gegevens worden gepubliceerd, dit aan de hand van open, gestandaardiseerde formaten moet gebeuren om "insluiting" te voorkomen doordat een softwareproduct of een verkoper wellicht niet meer commercieel beschikbaar is, en zodat onafhankelijke entiteiten deze formaten binnen uiteenlopende ontwikkelings- en bedrijfsmodellen, waaronder open source, kunnen toepassen, teneinde de continuïteit van het overheidshandelen en bestuurlijke processen te garanderen;

L.  overwegende dat de vervoerssector vooroploopt bij de ontwikkeling en het gebruik van normen die nodig zijn voor de totstandbrenging van een interne Europese vervoersruimte;

Algemene opmerkingen

1.  is verheugd over het uitgebreide normalisatiepakket van de Commissie, dat samen met de mededeling over ICT-normen en het gezamenlijk initiatief inzake normalisatie, gericht is op de invoering van een samenhangend en eenvoudig Europees normalisatiebeleid waarin de vele succesvolle onderdelen worden gehandhaafd, tekortkomingen worden gecorrigeerd en het juiste evenwicht wordt gevonden tussen de Europese, de nationale en de internationale dimensie; onderstreept dat bij elke toekomstige herziening van het Europese normalisatiesysteem (ENS) moet worden uitgegaan van de sterke kanten van het bestaande stelsel, die een stevige basis voor verbeteringen vormen, en moet worden afgezien van radicale veranderingen die de kernwaarden ervan zouden aantasten;

2.  erkent de specificiteit en het belang van het ENS uit het oogpunt van alle belanghebbenden, waaronder het bedrijfsleven, kmo's, consumenten en werknemers, en roept de Commissie op te waarborgen dat het Europese systeem blijft bestaan en dat het voldoende middelen behoudt om te voldoen aan de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1025/2012, waarmee, onder andere, een bijdrage wordt geleverd aan interoperabiliteit, rechtszekerheid en de toepassing van passende waarborgen, voor bedrijven en consumenten en voor het vrije verkeer van informatietechnologie; verzoekt de Commissie bij de herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) een duurzame begroting voor het ENS te garanderen;

3.  is verheugd over het SMARRT-overleg over de marktrelevantie van normen (Standards Market Relevance Roundtable), dat in het kader van het gezamenlijk initiatief inzake normalisatie plaatsvindt en ruimte biedt voor een voor de belanghebbenden volledig transparante dialoog tussen de Commissie en het bedrijfsleven met betrekking tot agendapunten van het Comité inzake normen;

4.  merkt op dat normen een vrijwillig, marktgedreven hulpmiddel zijn en voorzien in technische vereisten en richtsnoeren die door hun toepassing de conformiteit van goederen en diensten met Europese wetgeving vergemakkelijken en Europees beleid ondersteunen, wanneer ze worden ontwikkeld op een verantwoorde, transparante en inclusieve wijze; benadrukt evenwel dat normen niet als EU-recht kunnen worden beschouwd, omdat wetgeving en beleidsmaatregelen met betrekking tot het niveau van consumenten-, gezondheids-, veiligheids-, milieu- en gegevensbescherming en het niveau van sociale inclusie door de wetgever worden bepaald;

5.  wijst op de rol van open, gestandaardiseerde formaten voor de plicht die overheden, bestuursorganen en de Europese instellingen hebben op het gebied van transparantie; vraagt de lidstaten om te proberen gemeenschappelijke normen te hanteren ten aanzien van digitaal bestuur, met bijzondere aandacht voor rechterlijke instanties en plaatselijke overheden; benadrukt dat open normen essentieel zijn voor de verdere ontwikkeling van open overheidsgegevens en beleid voor de slimme stad, en dat documenten en gegevens daarom moeten worden gepubliceerd in open, gestandaardiseerde formaten die gemakkelijk kunnen worden toegepast, zodat het hergebruik van gegevens wordt vergemakkelijkt; wijst op de rol van overheidsopdrachten en oplossingen die op open normen berusten, om de afhankelijkheid van één leverancier te voorkomen;

6.  is er sterk van overtuigd dat open data een essentieel element blijven, met name in de vervoerssector, om alle voordelen van de digitale interne markt te plukken, bijvoorbeeld de bevordering en ontwikkeling van multimodaal vervoer; benadrukt daarom dat er behoefte is aan meer rechtszekerheid, met name wat zeggenschap en verantwoordelijkheid betreft; roept de Commissie daarom op zonder verder uitstel een stappenplan te publiceren voor de ontwikkeling van normen met het oog op het harmoniseren van gegevens over het met publieke middelen gefinancierde vervoer en de interfaces voor de programmering, om data-intensieve innovaties en het aanbod van nieuwe vervoersdiensten te stimuleren;

7.  benadrukt dat het huidige systeem voor de erkenning van testinstituten niet altijd garandeert dat de producten en diensten op de markt die vrijwillig Europese normen toepassen, aan die normen voldoen; betreurt dat het gezamenlijk initiatief inzake normalisatie en het jaarlijks werkprogramma van de Unie voor Europese normalisatie geen aandacht schenken aan de erkenning van testinstituten en testnormen, en verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden als ze nieuwe initiatieven voorstelt;

8.  is van mening dat open normen moeten berusten op openheid van het normalisatieproces en op de ontwikkeling en beschikbaarheid van normen voor toepassing en gebruik, conform Verordening (EU) nr. 1025/2012 en de WTO-beginselen; waardeert het voornemen van de Commissie, zoals verwoord in het stappenplan betreffende voor normen wezenlijke octrooien (SEP's), om duidelijkheid te verschaffen over aangelegenheden in verband met FRAND-licentievoorwaarden en het verlenen van licenties voor SEP's; spoort de Commissie er samen met de Europese normalisatieorganisaties (ENO's) en de opensourcegemeenschappen toe aan goede manieren te zoeken om samen te werken;

9.  benadrukt dat het Europese normalisatiestelsel moet bijdragen tot Europese innovatie, het concurrentievermogen van de Unie en de plaats van Europa in de wereldhandel moet versterken en het welzijn van de burgers moet vergroten; acht het daarom van belang dat Europa zijn centrale rol in het internationale normalisatiesysteem behoudt, en onderstreept dat het belangrijk is bij onderhandelingen over handelsovereenkomsten met derde landen Europese normen op wereldniveau te bevorderen; benadrukt dat het Europese normalisatiesysteem ook baat kan hebben bij partnerschapsovereenkomsten die ENO's zijn aangegaan met normalisatieorganisaties uit derde landen, en wijst erop dat de artikelen 13 en 14 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 al voorzien in de raadpleging van talrijke organisaties die normen ontwikkelen, voor overheidsopdrachten op ICT-gebied; beveelt aan dat de ENO's een nauwere samenwerking met de nationale normalisatie-instellingen van derde landen, met inbegrip van geassocieerde normalisatie-instellingen, in overweging nemen, wanneer er mogelijkheden bestaan voor nauwe afstemming; spoort de Commissie, de lidstaten en de ENO's ertoe aan te blijven werken aan het totstandbrengen van wereldwijde normen en ook aandacht te schenken aan de regionale context en de relevantie van de norm wanneer zij zich bezighouden met normalisatiewerkzaamheden;

10.  benadrukt dat internationale samenwerking op het gebied van normalisatie bevorderlijk is voor de transparantie, efficiëntie en coherentie, en een klimaat schept waarin de concurrentie in de industriële sector wordt aangemoedigd, waarvan het voor de ICT-sector ontwikkelde Wereldforum voor de harmonisatie van reglementen voor voertuigen (WP.29) van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (UNECE) een goed voorbeeld is;

11.  benadrukt dat normen die door internationale organisaties worden vastgesteld, gewoonlijk buiten het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1025/2012 worden ontwikkeld, en beveelt aan dat de ENO's deze slechts goedkeuren na een intern goedkeuringsproces met een vertegenwoordiging van de belanghebbende partijen, zoals bijlage III-organisaties, met name voor geharmoniseerde normen die de uitvoering van Europese wetgeving ondersteunen;

12.  is van mening dat de ENO's in alle omstandigheden inclusieve, duurzame, veilige en kwalitatief hoogwaardige normen moeten ontwikkelen met eerlijke toegang voor en behandeling van alle belanghebbenden, alsook minimale gevolgen voor het milieu en toereikende bescherming van persoonsgegevens en privacy;

13.  vindt het essentieel dat de Commissie en de lidstaten samenwerken met de Europese industrie en zodoende ervoor helpen zorgen dat bij de invoering van 5G-technologie mondiale normen met Europees octrooi worden vastgesteld;

14.  betreurt het dat verschillen tussen nationale normen, bijvoorbeeld in de vracht- en de logistieke sector, een belemmering blijven voor de interne markt en verzoekt de Commissie en de ENO's daarom passende normen te ontwikkelen om, indien dit nodig wordt geacht, de voorwaarden op nationaal niveau te harmoniseren en zo mogelijke belemmeringen voor de interne markt weg te nemen; onderstreept in dit verband dat er gestreefd moet worden naar een harmonisatie van normen voor alle vervoerswijzen;

15.  wijst er bovendien op dat normalisering niet alleen marktfragmentering kan voorkomen maar ook een aanzienlijke bijdrage kan leveren tot het verminderen van de administratieve lasten en de vervoerskosten voor alle bedrijven (bijvoorbeeld via e-documenten) en met name voor kmo's en een behoorlijke handhaving van de EU-wetgeving kan garanderen (bijvoorbeeld via digitale tachografen of elektronische tolheffingssystemen);

16.  merkt op dat Verordening (EU) nr. 1025/2012 de inclusiviteit van het ENS heeft verbeterd, zodat kmo's, consumenten, werknemers en milieuorganisaties actief kunnen deelnemen aan het normalisatieproces, en moedigt ertoe aan om hiermee door te gaan, zodat alle partijen naar behoren vertegenwoordigd zijn en inspraak hebben in het normalisatiesysteem, en daarmee ten volle kunnen profiteren van de voordelen die normalisatie biedt; verzoekt de Commissie, de ENO's en de nationale normalisatie-instellingen te bepalen hoe deze doelstelling het best kan worden bereikt, en de uitdagingen op het gebied van verdere betrokkenheid, waaronder een gebrek aan bekendheid, aan te pakken;

17.  is verheugd over de inspanningen van ETSI om Europese kmo's een gemakkelijke toegang te bieden, alsook over de langetermijnstrategie 2016-2021 waarin ETSI met name ingaat op de sectoroverstijgende samenwerking;

18.  erkent dat de leveringssnelheid van normen is verbeterd en wijst nogmaals op het belang van het bereiken van het juiste evenwicht tussen de noodzaak om tijdige ontwikkeling te waarborgen en de noodzaak van normen van hoge kwaliteit;

19.  is van mening dat, als aanvulling op de goede praktijken die in normalisatiekringen te vinden zijn, een sterkere openbare voorlichting over voorgestelde normen, een adequate, vroegtijdige betrokkenheid van alle relevante partijen en een kwalitatieve verbetering van normalisatieaanvragen kunnen zorgen voor meer transparantie en verantwoordingsplicht in het normalisatiesysteem;

20.  verzoekt de Commissie bovendien aandacht te besteden en bijstand te verlenen aan de kandidaat-landen in hun streven naar harmonisatie van hun normen met de Europese normen, teneinde de bestaande knelpunten zo klein mogelijk te houden;

ICT-normen

21.  is ingenomen met de mededeling over de normalisatieprioriteiten op ICT-gebied waarin een strategische benadering van normalisatie voor ICT-technologieën wordt vastgesteld, maar roept de Commissie op de overeenkomsten tussen deze mededeling en het voortschrijdend plan voor ICT-normalisatie, het pakket "Normen voor de 21e eeuw" en het jaarlijkse werkprogramma duidelijk aan te geven;

22.  merkt op dat als gevolg van de recente technologische convergentie en de digitalisering van de samenleving, het bedrijfsleven en de overheidsdiensten de traditionele scheidslijn tussen algemene normalisatie en ICT-normalisatie is vervaagd; is van mening dat ICT-normalisatie deel moet uitmaken van een Europese digitale strategie gericht op schaalvoordelen, begrotingsbezuinigingen en vergroting van het concurrentievermogen en de innovatie van Europese bedrijven alsmede op meer sector- en grensoverschrijdende interoperabiliteit van goederen en diensten dankzij de snellere vaststelling via een open, concurrerende procedure van vrijwillige normen die door kmo's gemakkelijk kunnen worden toegepast;

23.  onderstreept de noodzaak van meer samenwerking in de wereld van de ICT-normalisatie, met name tussen ENO's, en verzoekt de ENO's een gezamenlijk jaarlijks werkprogramma op te stellen waarin horizontale gebieden van gemeenschappelijk belang worden vermeld;

24.  benadrukt dat open, vrijwillige, inclusieve en op consensus gerichte normalisatieprocessen een doeltreffende aanjager van innovatie, interconnectiviteit en inzet van technologieën zijn gebleken, en wijst erop dat het tevens belangrijk is om passende investering in, deskundigheid op het gebied van en ontwikkeling van geavanceerde technologieën te waarborgen en kmo's te ondersteunen;

25.  dringt er bij de Commissie op aan de ENO's te verzoeken om bij te dragen aan interoperabele, open normen van hoge kwaliteit teneinde de versnippering aan te pakken en de toepassing ervan op brede schaal aan te moedigen, en kennis te nemen van het bestaande ecosysteem en de uiteenlopende bedrijfsmodellen die de ontwikkeling van digitale technologieën ondersteunen, aangezien die bijdragen aan de duurzaamheid van ICT-waardeketens op sociaal, economisch en milieugebied en de toewijding aan het openbaar belang van de waarborging van privacy en gegevensbescherming bevestigen;

26.  wijst op de dringende noodzaak om het ICT-normalisatiebeleid aan te passen aan markt- en beleidsontwikkelingen omdat dit zal leiden tot het halen van belangrijke Europese beleidsdoelen die interoperabiliteit vereisen, zoals toegankelijkheid, beveiliging, e-business, e-overheid, e-gezondheidszorg en vervoer; beveelt de Commissie en de ENO's aan prioriteit toe te kennen aan normen op het gebied van 5G, cloudcomputing, het internet der dingen en gegevens- en cyberbeveiliging, alsook met betrekking tot verticale sectoren, zoals "verbonden en automatisch rijden en intelligente vervoerssystemen", "slimme steden", "slimme energie", "geavanceerde fabricage" en "de slimme leefomgeving";

27.  benadrukt dat op basis van de vijf prioritaire ICT-normen een open, interoperabel ICT-ecosysteem moet worden ontwikkeld, dat concurrentie ten aanzien van het creëren van waarde aanmoedigt en daarmee volop ruimte biedt voor innovatie; is van mening dat:

   5G-normen een echte transformatie mogelijk moeten maken op het vlak van capaciteit, betrouwbaarheid en latentie, om 5G opgewassen te maken tegen de verwachte toename van het verkeer en de diverse vereisten van de diensten die daarop voortbouwen;
   cyberbeveiligingsnormen het concept van "security-by-design" mogelijk moeten maken, moeten voldoen aan de beginselen van "privacy by design", de veerkracht van netwerken en risicobeheer moeten ondersteunen en het hoofd moeten kunnen bieden aan de snelle toename van cyberdreigingen die gericht zijn op alle ontwikkelingen op ICT-gebied;
   cloudnormen op elkaar moeten worden afgestemd om interoperabiliteit mogelijk te maken ten aanzien van alle aspecten van de cloud, hetgeen weer portabiliteit mogelijk maakt;
   gegevensnormen sectoroverschrijdende, interdisciplinaire gegevensstromen moeten ondersteunen, waarmee betere interoperabiliteit van gegevens en metagegevens tot stand wordt gebracht, met inbegrip van semantificatie, en wordt bijgedragen tot de ontwikkeling van een referentiearchitectuur voor big data;
   normen met betrekking tot het internet der dingen de huidige versnippering moeten aanpakken zonder daarbij de innovatie in een zich zeer snel ontwikkelende sector in de weg te staan;

28.  erkent dat gemeenschappelijke normen voor het waarborgen van de interoperabiliteit en veiligheid in belangrijke mate bepalend zijn voor efficiënte 5G-communicatienetwerken, maar wijst erop dat de ontwikkeling van een netwerk met zeer grote capaciteit de hoeksteen vormt van een betrouwbaar 5G-netwerk;

29.  merkt op dat, om de digitale kloof te dichten en een einde te maken aan de digitale uitsluiting, een gegevenseconomie staat of valt met een breder ICT-ecosysteem, met hoogopgeleide deskundigen en geschoolde werknemers;

30.  moedigt de Commissie aan tot het samenstellen van statistieken om het effect van de digitalisering en ICT op het vervoer en het toerisme beter te kunnen evalueren;

31.  is zich bewust van het toenemende aantal platforms, groepen, vergaderingen en kanalen met betrekking tot ICT-normen; verzoekt de Commissie een rationele aanpak te volgen wat betreft het aantal platforms en coördinatiemechanismen dat zich met normalisatie bezighoudt, en normalisatieorganisaties bij nieuwe initiatieven te betrekken om dubbel werk voor de belanghebbenden te vermijden; onderstreept de behoefte aan een betere coördinatie van de prioriteiten inzake ICT-normen en -normalisatie tussen de verschillende organisaties, en dringt er bij de Commissie op aan de belanghebbenden onverwijld te informeren over de stand van zaken van de lopende initiatieven met betrekking tot ICT-normen;

32.  wijst erop dat de digitalisering in hoog tempo plaatsvindt en de economie in belangrijke mate aanjaagt; onderstreept het belang van doeltreffende digitalisering van verticale sectoren, zodat deze ten goede komt aan kmo's en met name aan de consumenten op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau, en beklemtoont dat in het kader van internationale ICT-normalisatie naar behoren rekening moet worden gehouden met hun punten van zorg;

33.  steunt het voornemen van de Commissie om naar nieuwe initiatieven, zoals een betrouwbaarheidsetiket en certificeringsstelsel voor het internet der dingen (IoT), te kijken, wat kan helpen om het vertrouwen in de privacybescherming en de end-to-end-beveiliging van een IoT-apparaat te versterken, middels het verstrekken van meetbare en vergelijkbare beoordelingen betreffende de mogelijke risico's die gekoppeld zijn aan de werking en het gebruik van een IoT-apparaat of -dienst; is van mening dat deze initiatieven, waar nodig en wanneer IoT-apparaten van invloed kunnen zijn op de relevante infrastructuur, ontwikkeld moeten worden op basis van de in de richtlijn inzake netwerk- en informatiebeveiliging vastgestelde voorschriften, die als basis moeten dienen voor het vaststellen van beveiligingseisen; merkt op dat een dergelijk etiket aan de toekomstige ontwikkeling van de technologie moet kunnen worden aangepast en dat in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met mondiale normen;

34.  verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij de bevordering van sector- en taaloverstijgende normen en bij de ondersteuning van privacyvriendelijke, betrouwbare en beveiligde diensten;

35.  spreekt met het oog daarop zijn steun uit voor de vaststelling van specifieke en meetbare minimumvereisten, waarin rekening wordt gehouden met de duurzaamheid en betrouwbaarheid van IoT-apparaten of -diensten op lange termijn alsmede met de industrienorm voor computerbeveiliging en duurzaamheidsnormen; op een dergelijke lijst moet bijvoorbeeld de toezegging staan dat gedurende een minimumperiode na de aankoop updates beschikbaar worden gesteld en de toezegging van de fabrikant of provider dat gedurende een bepaalde periode een update wordt verstrekt na de ontdekking of kennisgeving van een zwakke plek; daartoe dient de Commissie de mogelijkheid van zelfregulering in de sector te evalueren, gezien de snelheid waarmee de normen en de techniek in de ICT-sector zich ontwikkelen, en de verscheidenheid aan ontwikkelings- en bedrijfsmodellen, waaronder open source, starters en kmo's;

36.  neemt kennis van de zorgen over de cyberveiligheid en van de specifieke kenmerken van de bedreigingen in de vervoerssector; dringt er bij de Commissie op aan op deze specifieke kenmerken in te gaan bij de goedkeuring van haar aanbevelingen voor normen op het gebied van cyberveiligheid, die eind 2017 worden verwacht, als eerste stap om te komen tot een globale strategie voor cyberveiligheid in de vervoerssector;

37.  merkt op dat normalisatie op ICT-gebied voordelen zal opleveren voor de ontwikkeling van diensten die met vervoer en toerisme verband houden, en van multimodale vervoersoplossingen; verzoekt de Commissie, in samenwerking met de ENO's, meer belang te hechten aan deze ontwikkeling bij de tenuitvoerlegging van haar plan met prioritaire acties voor normalisatie op ICT-gebied en met name na te gaan of normalisatie een ondersteunende rol kan spelen bij technologische veranderingen en voor de nieuwe bedrijfsmodellen die in de toeristische sector ontstaan; verzoekt de Commissie snel actie te ondernemen om de ontwikkeling te bevorderen van geïntegreerde slimme kaart- en informatiediensten en nieuwe mobiliteitsconcepten als "mobiliteit als dienst" (Mobility-as-a-Service, Maas);

38.  merkt op dat door het toegenomen gebruik van internet, onlinebankieren, sociale netwerken en e-gezondheidsinitiatieven de mensen zich steeds meer zorgen maken over de beveiliging en hun privacy en dat in ICT-normen de beginselen tot uiting moeten komen inzake de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van hun persoonsgegevens en het vrije verkeer van die gegevens;

39.  verzoekt de Commissie de digitale integratie van de productie aan te merken als een prioriteit in de ICT-normalisatie, en stimuleert de ontwikkeling van open normen voor het communicatieprotocol en de gegevensformaten voor de digitale integratie van productie-installaties, teneinde de volledige interoperabiliteit tussen machines en apparaten te waarborgen;

40.  is zich bewust van enige zorg, met name omtrent ICT en SEP's (octrooien die essentieel zijn voor een norm), en erkent dat een robuust, rechtvaardig en redelijk beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten investeringen en innovatie zal bevorderen en de invoering van de digitale eengemaakte markt en nieuwe technologieën zal vergemakkelijken, met name wat de invoering van 5G en IoT-apparaten betreft, die immers zwaar op normalisatie leunen; benadrukt dat het van wezenlijk belang is een evenwichtig normalisatiekader en doelmatige licentiepraktijken voor SEP's op basis van de FRAND-methode (eerlijke, redelijke en niet-discriminerende praktijken) in stand te houden, waarbij de legitieme zorgen van zowel licentieverleners als licentienemers van SEP's worden aangepakt en wordt gewaarborgd dat het normalisatieproces een gelijk speelveld biedt zodat ondernemingen van alle grootten, met inbegrip van kmo's, kunnen samenwerken op een voor alle partijen voordelige wijze; staat achter de inspanningen van de Commissie om ervoor te zorgen dat interoperabiliteit tussen digitale componenten kan worden bereikt door middel van verschillende soorten licentieoplossingen en bedrijfsmodellen;

41.  spoort de Commissie aan zo snel mogelijk te verduidelijken wat de kernelementen zijn van een rechtvaardige, doeltreffende en handhaafbare licentiemethodologie rond de FRAND-beginselen, rekening houdend met de belangen van zowel de rechthebbenden als de toepassers van normen die SEP's omvatten, een eerlijk rendement op investering en de brede beschikbaarheid van technologieën die in een duurzaam open normalisatieproces zijn ontwikkeld; verzoekt de Commissie kennis te nemen van het arrest van het Hof van Justitie van de EU in zaak C-170/13 (Huawei/ZTE), waarin een evenwicht is gezocht tussen de SEP-houders en de toepassers van normen, om een einde te maken aan octrooi-inbreuken en ervoor te zorgen dat geschillen efficiënt worden beslecht; verzoekt de Commissie voorts de informatie over de octrooi-omvang beter te omschrijven, de problemen als gevolg van een asymmetrische informatievoorziening aan kmo's en grote ondernemingen aan te pakken, de transparantie van SEP-verklaringen te vergroten en de kwaliteit van de informatie over het verband van SEP's met producten te verbeteren; is van mening dat een vergoeding voor de ontwikkelaars van SEP's gebaseerd moet zijn op eerlijke, evenredige en niet-discriminerende voorwaarden en transparante, redelijke, voorspelbare en duurzame royaltytarieven, tenzij de ontwikkelaars besluiten om de norm zonder financiële vergoeding beschikbaar te stellen; beseft echter dat er uiteenlopende bedrijfsmodellen bestaan, zoals royaltyvrije licentieverlening en de toepassing van opensourcesoftware, en dat daarom in de wetgeving en in de discussie het gebruik van alle modellen erkend moet blijven op basis van de rechten van alle marktsectoren en houders van intellectuele-eigendomsrechten;

42.  merkt op dat er behoefte is aan een op bewijs gebaseerde benadering van toezicht en aan verdere ontwikkeling van het kader voor de verlening van licenties, teneinde een dynamisch ecosysteem te garanderen dat toegevoegde waarde en banen creëert;

43.  wenst dat de Commissie om de twee jaar een verslag uitbrengt met een overzicht van gevallen van: a) gebruik van SEP's zonder licentie (d.w.z. inbreuken) gedurende 18 maanden of meer, en b) problemen bij de toegang tot normen als gevolg van stelselmatige niet-nakoming van FRAND-verplichtingen;

44.  roept de Commissie op om het debat over de "ervaren behoefte" aan een wetenschapscloud af te sluiten en in nauw overleg met de lidstaten onmiddellijk maatregelen te nemen met het oog op de Europese open wetenschapscloud, waarbinnen naadloze integratie kan plaatsvinden van bestaande netwerken, gegevens en krachtige computersystemen en e-infrastructuurdiensten voor uiteenlopende takken van wetenschap, binnen een kader van gedeelde beleidsmaatregelen en ICT-normen;

Europese normen voor de 21e eeuw

45.  is verheugd over het normalisatiepakket van de Commissie getiteld "Normen voor de 21e eeuw" en is van mening dat het normalisatiesysteem transparanter, opener en inclusiever moet worden gemaakt zodat de zorgen van burgers, consumenten en kmo's volledig worden geïntegreerd;

46.  betreurt dat het niet is geraadpleegd voorafgaand aan de vaststelling van het pakket en spoort de Europese instellingen aan de verschillende initiatieven samen te brengen in één strategisch en holistisch werkprogramma dat duplicering van acties en beleidsmaatregelen voorkomt; benadrukt dat de relevante commissie van het Europees Parlement een belangrijke rol kan spelen bij de openbare toetsing van de in opdracht van de Commissie geharmoniseerde normen;

47.  roept op tot een uitgebreidere versterking, samenhang en verbetering van de nauwkeurigheid van het jaarlijkse werkprogramma van de Unie (Annual Union Work Programme – AUWP);

48.  benadrukt dat in het volgende AUWP specifieke aandacht moet worden besteed aan acties ter verbetering van de coördinatie tussen de ICT- en niet-ICT-normenstelsels, dat het moet bijdragen aan de verbetering van de voorschriften van de verschillende nationale normalisatie-instellingen, en dat het de inclusiviteit van ENO's moet vergroten door meer aandacht te besteden aan de rol van de in artikel 5 vermelde belanghebbenden;

49.  benadrukt het belang van de interinstitutionele dialoog voor het opstellen van het AUWP en stimuleert inspanningen om alle relevante belanghebbenden, voorafgaand aan de vaststelling van het AUWP, te betrekken bij een jaarlijks normalisatieforum om nieuwe gebieden, bestaande uitdagingen en noodzakelijke verbeteringen van het normalisatieproces te bespreken;

50.  moedigt de lidstaten aan om in nationale normalisatiestrategieën te investeren waarmee ook de overheidssector, de normalisatie-instellingen, maatschappelijke belanghebbenden, kmo's en de academische wereld op nationaal niveau worden ondersteund en aangemoedigd om afzonderlijke actieplannen voor de normalisatie te ontwikkelen en uit te voeren;

51.  is verheugd over het gezamenlijk initiatief inzake normalisatie (GIN), beveelt aan dat het Parlement ook wordt uitgenodigd om deel te nemen en bij te dragen aan het initiatief en benadrukt dat de regels voor dergelijke publiek-private partnerschappen door alle belanghebbenden, waaronder de EU-instellingen, in acht moeten worden genomen; verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij de uitvoering van de centrale acties en aanbevelingen in het kader van het initiatief en uiterlijk eind 2017 aan het Parlement verslag uit te brengen over de gemaakte vorderingen;

52.  is verheugd over de in het kader van het GIN gedane toezegging een onderzoek te ontwikkelen naar de economische en sociale gevolgen van normen en het gebruik ervan, met inbegrip van informatie over beleidsmaatregelen, risico's en resultaten met betrekking tot de levenskwaliteit, alsmede sociale en personeelsaangelegenheden; nodigt de Commissie uit dit onderzoek te baseren op kwantitatieve en kwalitatieve gegevens en om zowel de bedrijfsmodellen van het normalisatieproces als de verschillende financiële modellen, waaronder mogelijkheden en uitdagingen, te analyseren om de toegang tot geharmoniseerde normen te vergemakkelijken;

53.  onderstreept dat normalisatie in toenemende mate wordt erkend als een activiteit die een belangrijke bijdrage levert aan onderzoek en ontwikkeling, een belangrijke rol speelt bij het overbruggen van de kloof tussen onderzoek en de markt, de verspreiding en toepassing van onderzoeksresultaten bevordert en de basis legt voor verdere innovatie;

54.  roept de Commissie op beleidsmaatregelen vast te stellen om een einde te maken aan buitensporige beperkingen in innovatieve sectoren, om investeringen in onderzoek en ontwikkeling en in de Europese normalisatie te stimuleren; merkt op dat verticale sectoren, op basis van door de sector zelf aangestuurde processen, hun eigen stappenplannen voor normalisatie moeten opstellen die, als men vastberaden is om daadwerkelijk tot gezamenlijke normen te komen, het potentieel hebben wereldwijde normen te worden; is van mening dat de normalisatieorganisaties van de EU hierbij een bijzondere rol dienen te spelen;

55.  wenst dat de partijen bij het GIN ervoor zorgen dat onderzoek en innovatie beter worden afgestemd op normalisatieprioriteiten;

56.  is van mening dat vrij beschikbare kennis en licenties de beste middelen zijn om innovatie en technische ontwikkeling te stimuleren; moedigt de onderzoeksinstellingen die EU-gelden ontvangen, aan om gebruik te maken van open octrooien en licenties, teneinde een grotere rol te gaan spelen bij de vaststelling van normen;

57.  steunt acties die erop gericht zijn de synergie tussen de normalisatie- en de onderzoekssector te verbeteren en normen in een vroeg stadium van onderzoeksprojecten te bevorderen; moedigt de nationale normalisatie-instellingen aan om onder onderzoekers en in de innovatiesector, waaronder ook de relevante overheidsorganisaties en financieringsorganen, een lans te breken voor normalisatie, en spreekt de aanbeveling uit om in het kader van Horizon 2020 een apart hoofdstuk over normalisatie op te nemen;

58.  spoort de Commissie aan om de ENO's ertoe aan te zetten te waarborgen dat voor de markt relevante dienstverleningsnormen de toenemende verschuiving in de richting van een diensteneconomie weerspiegelen en worden ontwikkeld om de veiligheid en kwaliteit van diensten te waarborgen en gebieden die de grootste nadelige gevolgen kunnen hebben voor consumenten prioriteit te geven, zonder afbreuk te doen aan bestaande nationale reguleringsvoorschriften, met name bepalingen in het arbeidsrecht of collectieve overeenkomsten en overleg over arbeidsvoorwaarden; erkent voorts dat normen voor diensten vaak een antwoord zijn op specifieke nationale omstandigheden en dat de ontwikkeling van deze normen verband houdt met de behoeften van de markt, de belangen van de consument en het openbaar belang; onderstreept dat de ontwikkeling van Europese normen voor diensten moet bijdragen tot de werking van de interne markt voor diensten en zou moeten leiden tot een vergroting van de transparantie, kwaliteit en concurrentiekracht en een bevordering van de concurrentie, innovatie en consumentenbescherming;

59.  wijst erop dat het normalisatieproces in Europa ook tot normen moet leiden die een verbetering inhouden op het gebied van onbelemmerde toegang tot vervoer en vervoersdiensten voor personen met een handicap en ouderen;

60.  is van mening dat de snel veranderende moderne wereld met zijn grotere technische complexiteit leidt tot de ontwikkeling van steeds meer normen en platforms voor de opstelling van specificaties die niet tot de erkende normalisatie-instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 behoren, en dat er nu hogere eisen worden gesteld waar het gaat om de betrokkenheid van kmo's en micro-ondernemingen; benadrukt het belang van ondersteunende maatregelen om de toegang van kmo's tot middelen voor de ontwikkeling en het gebruik van normen te verbeteren;

61.  onderstreept hoe belangrijk het is dat platforms en databanken op Europees niveau met elkaar verbonden worden, zodat de interoperabiliteit van netwerken en systemen verbeterd wordt;

62.  is van mening dat ICT-normalisatie niet alleen de vaststelling van productvereisten inhoudt, maar ook de ontwikkeling van innovatieve technologie;

63.  benadrukt dat uniforme (technische) regelingen bijdragen aan het verlagen van de ontwikkelings-, productie- en certificeringskosten en dubbel werk helpen vermijden;

64.  benadrukt dat wegens de vergrijzing in Europa de behoeften van ouderen en mensen met beperkingen, en andere kwetsbare leden van de samenleving, stelselmatig moeten worden meegenomen bij de ontwikkeling van normen, die een geschikt middel zijn om de samenleving in Europa actief en gezond te maken en producten en diensten voor mensen toegankelijker te maken;

65.  wijst erop dat innovatie in de vervoers- en de toeristische sector enorme mogelijkheden biedt en een positieve impact heeft zowel op de maatschappij als op EU-bedrijven, met name kmo's en start-ups, en benadrukt dat nieuwe normen moeten worden ontwikkeld, indien mogelijk door het volgen van een sectoroverschrijdende aanpak, en normalisatie moet worden bevorderd om ervoor te zorgen dat de EU-initiatieven op het gebied van digitalisering, zoals coöperatieve intelligente vervoerssystemen (C-ITS) en de ontwikkeling van vervoersapplicaties binnen de satellietnavigatiesystemen van de EU (Galileo en Egnos), naar behoren ten uitvoer worden gelegd;

Europese normalisatie-organisaties

66.  is ingenomen met de rol die de ENO's spelen, maar stimuleert verdere initiatieven om de openheid, toegankelijkheid en transparantie van deze organisaties te verbeteren en raadt aan dat hun werkzaamheden worden geleid door Europese belangen;

67.  erkent dat het beginsel van nationale delegatie van fundamenteel belang is voor het Europese systeem, maar waarschuwt dat er verschillen bestaan wat betreft hulpbronnen, technische deskundigheid en betrokkenheid van belanghebbenden op nationaal niveau en raadt aan de werkzaamheden van nationale delegaties aan te vullen;

68.  wijst op het belang van tijdige bekendmaking van normen en van het opnemen van referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie in geval van geharmoniseerde normen; is zich bewust van de afnemende aanhaling van referenties van normen in het Publicatieblad en dringt er bij de Commissie op aan de redenen hiervoor te onderzoeken en aan te pakken en onnodige belemmeringen weg te nemen; beveelt in dit verband aan de deskundigen van de Commissie en de "consulenten nieuwe benadering" meer bij het normalisatieproces te betrekken en verzoekt de Commissie samen met de ENO's richtsnoeren voor de evaluatie van normalisatie te ontwikkelen om daarmee de verschillende afdelingen binnen de Commissie, de ENO's en de "consulenten nieuwe benadering" te helpen om de normen op coherente wijze te evalueren;

69.  herhaalt dat transparante en toegankelijke beroepsmechanismen het vertrouwen in de ENO's en het proces voor de vaststelling van normen doen toenemen;

70.  moedigt het gebruik van nieuwe ICT, zoals het digitale leermiddel van CEN-Cenelec voor kmo's, aan om de toegankelijkheid en de transparantie van normalisatieprocessen te verbeteren; is van mening dat het gebruik van digitale hulpmiddelen de deelname van belanghebbenden aan de ontwikkeling van normen kan vergemakkelijken en informatie kan verstrekken over komende, lopende en afgeronde normalisatiewerkzaamheden;

Strategische aanbevelingen

71.  roept de Commissie op de synergieën en coördinatie te verbeteren tussen de Europese instellingen, de ENO's, de nationale normalisatie-instellingen en alle betrokken belanghebbendenorganisaties via het jaarlijkse normalisatieforum, en daarbij ook oog te hebben voor de internationale context van normen; wijst erop dat de allermeeste normen vrijwillig worden ontwikkeld om te voorzien in behoeften op de markt of onder consumenten, en spreekt hiervoor zijn steun uit;

72.  roept op tot de strenge toepassing van Verordening (EU) nr. 1025/2012 met betrekking tot de erkenning van bijlage III-organisaties en tot de bekendmaking van de in artikel 24 van de verordening voorziene verslagen;

73.  dringt er bij de Commissie op aan de voorwaarden voor bijlage III-organisaties volledig te harmoniseren en ervoor te zorgen dat de feitelijke belemmeringen voor de doeltreffende betrokkenheid van deze organisaties bij de normalisatie worden weggenomen;

74.  beveelt aan dat de ledenstatus en de rechten en plichten van bijlage III-organisaties, zoals het beroepsrecht, raadgevende bevoegdheden, het recht op een advies voor een norm wordt vastgesteld, en toegang tot technische comités en werkgroepen, binnen de ENO's worden geëvalueerd om te beoordelen of zij aan de in Verordening (EU) nr. 1025/2012 gestelde eisen voldoen;

75.  roept de ENO's op te waarborgen dat de Overeenkomst van Wenen tussen ISO en CEN en de Overeenkomst van Frankfurt tussen IEC en Cenelec de deelname aan normalisatieprocessen van bijlage III-organisaties of nationale normalisatie-instellingen niet voorkomen of in gevaar brengen;

76.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de aanleg van de nodige infrastructuur om ervoor te zorgen dat nieuwe, door Europese normen ondersteunde technologieën ingang vinden op de markt (bijvoorbeeld infrastructuur voor alternatieve brandstoffen), te bevorderen, financiering hiervoor te faciliteren en deze aanleg te bespoedigen, inclusief door modernisering, convertering en latere aanpassing, met inachtneming van de voorschriften op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu; wijst erop dat het bij infrastructuur om langetermijninvesteringen gaat en dat de normalisatie ter zake daarom een maximale interoperabiliteit mogelijk moet maken die ruimte biedt voor toekomstige technologische ontwikkelingen en de toepassing daarvan;

77.  nodigt de Commissie uit om samen met de ENO's en de nationale normalisatie-instellingen het opzetten van eenvoudig te gebruiken toegangspunten tot normen te bevorderen, waarmee aan gebruikers van normen bijstand kan worden verleend en informatie kan worden verstrekt in verband met de beschikbare normen en de algemene specificaties ervan, dat hen kan helpen de normen te vinden die het best overeenstemmen met hun behoeften, en dat advies kan verstrekken over de toepassing ervan; beveelt verder aan op nationaal en EU-niveau informatie- en voorlichtingscampagnes over de rol van normen te organiseren, en moedigt de lidstaten aan om binnen hun nationale onderwijsstelsel lessen over normen op te nemen in de relevante beroepsopleidingen;

78.  verzoekt de Commissie activiteiten op het gebied van technologische bewaking te ontplooien om vast te stellen welke toekomstige ICT-ontwikkelingen baat zouden kunnen hebben bij normalisatie, te zorgen voor een soepeler informatiestroom en transparantere informatie, die nodig zijn voor marktpenetratie en de exploitatie van deze technologieën, en in dit verband steun te verlenen voor gemakkelijk toegankelijke en gebruikersvriendelijke beoordelingsinstrumenten via het internet;

79.  beveelt aan dat de nationale normalisatie-instellingen nagaan of het mogelijk is een zodanige toegang tot normen te verlenen dat de gebruiker de relevantie van de norm kan beoordelen; beveelt met klem aan dat de nationale normalisatie-instellingen en ENO's bij de vaststelling van de hoogte van de vergoedingen met betrekking tot normen rekening houden met de behoeften van kmo's en niet-commerciële gebruikers;

80.  verzoekt de Commissie om opstelling van een Europees register waarin de bestaande Europese normen in alle officiële talen van de EU vermeld staan en tevens informatie wordt verstrekt over de lopende normalisatiewerkzaamheden van de ENO's, de bestaande normalisatiemandaten, de geboekte vorderingen en eventuele besluiten om formeel bezwaar aan te tekenen;

81.  roept de Commissie op de internationale ontwikkelingen op het gebied van ICT-normalisatie in de gaten te houden en, indien nodig, de inspraak en coördinatie van Europese belanghebbenden op toonaangevende posities binnen passende normalisatie-instellingen en in strategisch belangrijke normalisatieprojecten te ondersteunen om het Europese regelgevingsmodel en de Europese belangen te promoten; pleit ervoor het multistakeholderplatform inzake ICT-normalisatie te gebruiken om de ENO's en internationale normalisatie-instellingen op ICT-gebied bij elkaar te brengen;

82.  pleit voor de invoering, op Europees niveau en met het oog op de digitalisering van de Europese industrie, van het 'Reference Architecture Model for Industry 4.0';

83.  verzoekt de lidstaten in openbare aanbestedingsprocedures gebruik te maken van Europese ICT-normen om de kwaliteit van openbare diensten te verbeteren en innoverende technologieën te stimuleren; onderstreept evenwel dat het gebruik van normen niet mag leiden tot extra belemmeringen, met name voor kleine bedrijven die aan een openbare aanbestedingsprocedure willen deelnemen;

84.  roept de EU-instellingen, de nationale overheden en de ENO's op om opleidingsrichtsnoeren te ontwikkelen voor beleidsmakers, om hen te helpen inconsistenties te verhelpen die voortvloeien uit het gebruik van uiteenlopende werkmethoden in verschillende afdelingen en instellingen, en om een normalisatiecultuur tot stand te brengen en inzicht te verschaffen in de manier waarop normprocessen werken en wanneer ze kunnen worden gebruikt;

o
o   o

85.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 56.
(2) https://ec.europa.eu/info/european-commissions-open-source-strategy_en


Naar een pan-Europees kader voor gedekte obligaties
PDF 195kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over Naar een pan-Europees kader voor gedekte obligaties (2017/2005(INI))
P8_TA(2017)0279A8-0235/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het EBA-rapport over gedekte obligaties: aanbevelingen voor harmonisatie van de kaders voor gedekte obligaties in de EU (EBA-Op-2016-23) van 20 december 2016,

–  gezien het raadplegingsdocument van de Commissie over gedekte obligaties in de Europese Unie van 30 september 2015, en het ongedateerde document van de Commissie getiteld "Summary of contributions to the public consultation on 'Covered Bonds'",

–  gezien het rapport van de Commissie over artikel 503 van Verordening (EU) nr. 575/2013: kapitaalvereisten voor gedekte obligaties (COM(2015)0509) van 20 oktober 2015,

–  gezien het EBA-advies over de preferentiële behandeling van gedekte obligaties (EBA/Op/2014/04) van 1 juli 2014,

–  gezien het EBA-rapport over "Kaders voor en de behandeling van gedekte obligaties in de EU getiteld "Response to the Commission’s call for advice of December 2013 related to Article 503 of Regulation (EU) No 575/2013" van 1 juli 2014, en gezien ESRB-aanbeveling E over de financiering van kredietinstellingen van december 2012 (ESRB/12/2)",

–  gezien Richtlijn 2014/91/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) wat bewaartaken, beloningsbeleid en sancties betreft(1) (hierna de "icbe-richtlijn"), en met name artikel 52, lid 4,

–  gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(2) (hierna de "CRR"), en met name artikel 129,

–  gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad(3), en met name artikel 44, lid 2,

–  gezien artikel 1, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205 van de Commissie van donderdag 6 augustus 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake de clearingverplichting(4),

–  gezien artikel 1, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 van de Commissie van 10 juni 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake de clearingverplichting(5),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen(6) (hierna de "gedelegeerde handeling liquiditeitsdekkingsvereiste"),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0235/2017),

A.  overwegende dat gedekte obligaties instrumenten zijn met een lange geschiedenis van lage verzuimpercentages en betrouwbare betalingen, die ongeveer 20% van de Europese hypotheken helpen financieren en in 2015 goed waren voor meer dan 2 000 miljard EUR aan passiva in Europa; overwegende dat ongeveer 90% van alle gedekte obligaties in de wereld in negen Europese landen wordt uitgegeven;

B.  overwegende dat gedekte obligaties een sleutelrol hebben gespeeld in de financiering van kredietinstellingen, in het bijzonder tijdens de financiële crisis; overwegende dat gedekte obligaties gedurende de crisis uiterst veilig en liquide zijn gebleven, wat moet worden toegeschreven aan de kwaliteit van de nationale regelgevingen; overwegende dat het feit dat de spreads tussen de prijzen van gedekte obligaties tussen de lidstaten in de periode 2008-2018 groter zijn geworden geen onomstotelijk bewijs vormt dat er sprake is van marktfragmentatie, aangezien die spreads in hoge mate samenhingen met marges in staatsobligaties en wellicht slechts een weerspiegeling vormden van onderliggende risico's in dekkingspools; overwegende dat een passende risicogevoeligheid van de prijzen van gedekte obligaties in de lidstaten bewijst dat de markten goed functioneren en goed geïntegreerd zijn;

C.  overwegende dat er in aanzienlijke mate grensoverschrijdend geïnvesteerd wordt in Europese markten voor gedekte obligaties; overwegende dat gedekte obligaties een goed-gediversifieerde beleggersbasis hebben, waarin banken ruim vertegenwoordigd zijn met een marktaandeel dat tussen 2009 en 2015 ruwweg 35 % bedroeg; overwegende dat het marktaandeel van vermogensbeheerders, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen met bijna 20 procentpunten gedaald is en voornamelijk vervangen is door hogere investeringen van centrale banken in gedekte obligaties;

D.  overwegende dat gedekte obligaties aantrekkelijke schuldinstrumenten zijn omdat zij - tot het onderpandniveau in de dekkingspool - vrijgesteld zijn van het instrument van bail-in zoals bedoeld in artikel 44 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD); overwegende dat gedekte obligaties die aan artikel 129 van de CRR voldoen een preferentiële risicowegingbehandeling genieten;

E.  overwegende dat een van de factoren die de vraag van banken naar gedekte obligaties in de hand werken de preferentiële regelgevingsbehandeling is die deze genieten krachtens de gedelegeerde handeling liquiditeitsdekkingsvereiste, op grond waarvan banken gedekte obligaties mogen opnemen in de liquiditeitsbuffer, ook al komen zij volgens de voorschriften van Bazel niet voor de liquiditeitsdekkingsratio (LCR) in aanmerking;

F.  overwegende dat programma's voor gedekte obligaties onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld zijn van initiëlemargevereisten tegen tegenpartijkredietrisico bij derivatentransacties;

G.  overwegende dat op nationaal niveau mag worden besloten of gedekte obligaties vrijgesteld worden van de EU-vereisten inzake grote risico's;

H.  overwegende dat de posities van ongedekte bankcrediteuren negatief beïnvloed worden door activabezwaring als gevolg van overpandingsvereisten, maar niet door het beginsel van schuldfinanciering met gescheiden dekkingspools; overwegende dat dergelijke operaties, indien daarmee loan-to-value-ratio's van ver beneden de 100% gemoeid zijn, in het algemeen de posities van ongedekte bankcrediteuren verbeteren voor zover deze reserves niet nodig zijn om claims op de dekkingspool te kunnen honoreren;

I.  overwegende dat gedekte obligaties nadrukkelijk aan de activakant van de balans van vele banken staan; overwegende dat het voor de financiële stabiliteit essentieel is dat deze activa zo veilig en liquide mogelijk blijven; overwegende dat dit doel niet mag worden ondergraven door innovaties op het gebied van gedekte obligaties waardoor emittenten de mogelijkheid krijgen om naar believen risico's af te wentelen op de beleggers;

J.  overwegende dat emissies van gedekte obligaties met voorwaardelijke looptijdverlenging ("soft-bullet"- en "conditional pass-through (CPT)"-structuren) in twaalf maanden met 8% gestegen zijn tot 45% (marktaandeel) in april 2016; overwegende dat dergelijke opties de liquiditeitsrisico's in slecht opgezette dekkingspools verlagen, overpandingsvereisten reduceren en noodverkopen helpen voorkomen; overwegende dat looptijdverlengingen echter het risico verschuiven van de emittent naar de belegger; overwegende dat preferentiële regelgevingsbehandeling alleen moet worden toegekend voor bijzonder veilige schuldinstrumenten;

K.  overwegende dat de EU niet over een precieze definitie van gedekte obligaties beschikt;

L.  overwegende dat de markten voor gedekte obligaties achterlopen in die lidstaten die geen traditie op dit gebied kennen of waar de groei belemmerd wordt door overheidsrisico of moeilijke macro-economische omstandigheden;

M.  overwegende dat het bekend is dat de nationale kaders voor gedekte obligaties, met name voor wat betreft technische aspecten zoals het niveau van overheidstoezicht, sterk van elkaar verschillen;

N.  overwegende dat een EU-breed kader voor gedekte obligaties van de hoogste normen moet uitgaan;

O.  overwegende dat er diverse uiterst succesvolle nationale kaders voor gedekte obligaties bestaan, die steunen op historische en juridische elementen en ten dele zijn ingebed in het nationaal recht; overwegende dat die nationale kaders fundamentele kenmerken gemeen hebben, zoals dubbele claims, de scheiding van dekkingspools met activa met een lage risicograad, en speciaal overheidstoezicht; overwegende dat het goed zou kunnen zijn om deze beginselen uit te breiden tot andere soorten schuldinstrumenten;

P.  overwegende dat harmonisatie niet gebaseerd moet zijn op één en dezelfde aanpak die voor alle situaties moet gelden, aangezien dat zou kunnen leiden tot een ernstige vermindering van de productdiversiteit en een negatieve invloed zou kunnen hebben op nationale markten die goed functioneren; overwegende dat harmonisatie niet voorbij mag gaan aan het subsidiariteitsbeginsel;

Q.  overwegende dat marktdeelnemers initiatieven hebben genomen om de ontwikkeling van markten voor gedekte obligaties te stimuleren, zoals de invoering in 2013 van het Covered Bond Label (CBL) en de Harmonized Transparency Template (HTT);

R.  overwegende dat de EBA naar aanleiding van een toezichtproces best practices voor de emissie van en het toezicht op gedekte obligaties heeft ontwikkeld en beoordeeld heeft in hoeverre de nationale kaders daarmee in overeenstemming zijn;

S.  overwegende dat verreweg de meeste stakeholders bij de openbare raadpleging door de Commissie hebben aangegeven tegen volledige harmonisatie te zijn, en dat de beleggers benadrukt hebben dat zij productverscheidenheid op prijs stellen; overwegende dat de stakeholders zich voorzichtig voor EU-wetgeving hebben uitgesproken, op voorwaarde dat deze van beginselen uitgaat, op de bestaande kaders voortbouwt en met name de kenmerken van nationale kaders respecteert;

Algemene opmerkingen en standpunten

1.  beklemtoont dat binnenlandse en grensoverschrijdende investeringen in gedekte obligaties in de EU met het huidige wetgevingskader goed hebben gefunctioneerd; beklemtoont dat de verscheidenheid van veilige producten moet worden gehandhaafd;

2.  wijst erop dat een verplichte harmonisatie van de nationale modellen, of de vervanging daarvan door een Europees model, onbedoelde negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de markten waarvan het huidige succes samenhangt met het feit dat de regels voor gedekte obligaties in de nationale wetgevingen ingebed zijn; dringt erop aan dat een meer geïntegreerd Europees kader zich beperkt tot een op beginselen gebaseerde benadering waarin de doelstellingen worden vastgesteld maar die nader wordt ingevuld bij de omzetting in nationaal recht; benadrukt dat dit kader gebaseerd moet zijn op hoge normen en rekening moet houden met best practices, en moet voortbouwen op nationale stelsels die goed functioneren, zonder die te verstoren; benadrukt dat het eventuele nieuwe Europese kader voor gedekte obligaties, afgestemd op best practices, een benchmark moet vormen voor ontluikende markten en de kwaliteit van gedekte obligaties moet verbeteren;

3.  dringt aan op een EU-richtlijn waarin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de twee bestaande soorten gedekte obligaties, te weten:

   (a) gedekte obligaties die niet onder de normen van artikel 129 van de CRR vallen (in het vervolg 'Premiun Covered Bonds' (CPB'S) genoemd);
   (b) gedekte obligaties die niet voldoen aan de normen voor PCB's en ook niet onder de normen van artikel 52, lid 4, van de icbe-richtlijn vallen (in het vervolg 'Ordinary Covered Bonds' (OCB's) genoemd);

beklemtoont dat PCB's preferentiële regelgevingsbehandeling moeten blijven genieten in vergelijking met OCB's, en dat OCB's preferentiële regelgevingsbehandeling moeten genieten in vergelijking met andere vormen van gedekte schulden; beseft dat met de icbe verenigbare schuldinstrumenten kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstelling van de kapitaalmarktenunie;

4.  verzoekt de lidstaten gedekte obligaties (zowel PCB's, als OCB's) te beschermen door in de nationale wetgevingen te waarborgen dat gedekte obligaties uiterst liquide en bijna geheel risicovrije schuldinstrumenten zijn; is van mening dat schuldinstrumenten die gedekt worden door activa die aanmerkelijk meer risico met zich meebrengen dan staatsschuld en hypotheken (d.w.z. niet door overheden gedekte infrastructuurinvesteringen of leningen aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)) geen gedekte obligaties genoemd mogen worden, maar bijvoorbeeld 'European Secured Notes' (ESN's); steunt het beginsel dat dekkingspools voor PCB's en OCB's volledig moeten worden gedekt door langetermijnactiva die gewaardeerd en te gelde kunnen worden gemaakt;

5.  verzoekt de Commissie in de richtlijn beginselen van een wettelijk kader voor European Secured Notes (ESN's) op te nemen, zoals dubbele claims, speciaal overheidstoezicht, vrijwaring van faillissement en transparantievereisten; verzoekt de lidstaten deze beginselen in te passen in hun nationaal recht en hun insolventieprocedures; benadrukt dat een stevig rechtskader voor ESN's ertoe zou kunnen bijdragen dat ESN's transparanter, meer liquide en kostenefficiënter worden dan effecten waarbij gebruik wordt gemaakt van contractuele regelingen; wijst erop dat dit ertoe kan bijdragen dat ESN's meer risicorijke activiteiten financieren, zoals kredieten aan kmo's en consumenten of infrastructuurinvesteringen zonder overheidsgarantie; wijst erop dat ESN's vrijgesteld zouden zijn van het 'bail-in'-instrument van artikel 44 van de BRRD;

6.  dringt erop aan in de richtlijn minimumtoezichtsnormen op te nemen die geconstateerde best practices voor gedekte obligaties weerspiegelen; spoort aan tot toezichtsconvergentie in de hele EU;

7.  wenst dat de richtlijn voor meer transparantie zorgt met betrekking tot informatie over dekkingspoolactiva en tot het rechtskader dat dubbele claims en scheiding van die activa in geval van insolventie of afwikkeling van de emittent moet waarborgen; vindt het in dit verband verder belangrijk dat de richtlijn op beginselen gebaseerd is en zich uitsluitend richt op informatievereisten;

Het definiëren van PCB's, OCB's en ESN's, en het vaststellen van een desbetreffend regelgevingskader

8.  verzoekt de Commissie een voorstel te presenteren voor een Europees kader (richtlijn) voor gedekte obligaties, met de gelijktijdige vaststelling van de definities van PCB's, OCB's en ESN's, teneinde marktverstoringen tijdens overgangsfasen te voorkomen; verzoekt de Commissie in deze definities elk van de volgende gemeenschappelijke, tijdens de gehele levenscyclus van het uitgegeven instrument toe te passen beginselen op te nemen, ongeacht eventuele voorkeursbehandelingen:

   (a) PCB's, OCB's en ESN's moeten volledig worden gedekt door een dekkingspool van activa;
   (b) de nationale wetgevingen moeten beleggers een tweevoudige claim waarborgen, te weten:
   (i) een claim op de emittent van het schuldinstrument gelijk aan de volledige betalingsverplichtingen, en
   (ii) een gelijkwaardige prioritaire claim op de dekkingspoolactiva (met inbegrip van vervangingsactiva en derivaten) in het geval van wanbetaling van de emittent;

indien deze claims onvoldoende zijn om volledig aan de betalingsverplichtingen van de emittent te voldoen, moeten de resterende claims van de belegger pari passu zijn met de claims van de ongedekte senior crediteuren van de emittent;

   (c) middels juridisch bindende regelingen die in het geval van insolventie of afwikkeling van de emittent eenvoudig kunnen worden afgedwongen, wordt voor daadwerkelijke segregatie van alle dekkingspoolactiva gezorgd; hetzelfde geldt voor alle vervangingsactiva en derivaten die de risico's van de dekkingspool afdekken;
   (d) PCB's, OCB's en ESN's vallen buiten het faillissement, dat wil zeggen dat wordt gewaarborgd dat de betalingsverplichtingen van de emittent in geval van diens insolventie of afwikkeling niet automatisch versneld worden;
   (e) overpanding met inachtneming van de specifieke risico's van PCB's, OCB's en ESN's, op basis van in de nationale wetgevingen vast te stellen gedetailleerde regels; de waarde van alle dekkingspoolactiva moet altijd groter zijn dan de waarde van de uitstaande betalingsverplichtingen; de waarderingsmethoden voor dekkingspoolactiva en de berekeningsfrequentie moeten duidelijk worden gedefinieerd in de nationale wetgeving en moeten op passende wijze rekening houden met alle relevante risico's;
   (f) in de Europese wetgeving of in de nationale wetgevingen worden parameters voor de maximale verhouding tussen lening en waarde (LTV) voor dekkingspoolactiva vastgesteld; de verwijdering van dekkingspoolactiva die niet aan de maximale LTV's voldoen moet niet verplicht zijn, maar gewaarborgd moet worden dat een dergelijke verwijdering uitsluitend plaatsvindt indien de desbetreffende activa worden vervangen door in aanmerking komende activa met een marktwaarde die ten minste identiek is;
   (g) een deel van de dekkingspoolactiva of van de liquiditeitsfaciliteiten moet voldoende liquide zijn om te waarborgen dat gedurende de volgende zes maanden aan de betalingsverplichtingen van de gedekte obligaties of de ESN's kan worden voldaan, behalve in gevallen met obligaties met matchende uitgifte of obligaties met een "soft bullet" en "conditional pass-through (CPT)";
   (h) derivaten zijn uitsluitend toegestaan voor risico-afdekking, en derivatencontracten die door de emittent worden gesloten met derivatentegenpartijen en die worden geregistreerd in de dekkingspool kunnen niet worden beëindigd bij insolventie van de emittent;
   (i) in de nationale wetgevingen wordt voorzien in een robuust kader voor overheidstoezicht, bestaand uit een bevoegde autoriteit, een toezichthouder voor dekkingspools en een speciale beheerder, in combinatie met een heldere omschrijving van de taken en toezichtsbevoegdheden van de bevoegde autoriteit, en dit om ervoor te zorgen dat:
   (i) emittenten over gekwalificeerd personeel en geëigende operationele procedures voor het beheer van dekkingspool beschikken, ook in het geval van problemen, insolventie of afwikkeling;
   (ii) de kenmerken van de specifieke programma's zowel voorafgaand aan de emissie, als gedurende de hele looptijd van het schuldinstrument aan de toepasselijke vereisten voldoen;
   (iii) er voortdurend, regelmatig en onafhankelijk toezicht wordt gehouden op de conformiteit van de PCB's, OCB's en ESN's met de toepasselijke voorschriften (ook met betrekking tot het in aanmerking komen van dekkingsactiva en dekking);
   (iv) emittenten regelmatige stresstests verrichten op de berekening van de dekkingsvereisten en daarbij rekening houden met de voornaamste risicofactoren voor het schuldinstrument, zoals krediet-, rentetarief-, valuta- en liquiditeitsrisico's;

de taken en bevoegdheden van de bevoegde autoriteit en van de speciale beheerder in het geval van insolventie of afwikkeling van de emittent moeten helder worden gedefinieerd;

   (j) de emittent moet ten minste halfjaarlijks geaggregeerde gegevens over de dekkingspools openbaar maken met een mate van detail die beleggers in staat stelt een alomvattende risico-analyse te maken; er moet informatie worden verstrekt over de kredietrisico-, marktrisico- en liquiditeitsrisicokenmerken van dekkingsactiva, over de bij de dekkingspools betrokken tegenpartijen, alsook over de niveaus van de wettelijke, contractuele en vrijwillige overpanding, met een afdeling gewijd aan derivaten die verbonden zijn met dekkingspoolactiva en -passiva;
   (k) de looptijd kan uitsluitend worden verlengd in het geval van insolventie of afwikkeling van de emittent en mits de bevoegde toezichthoudende autoriteit ermee instemt, of middels bij de nationale wetgevingen vastgestelde objectieve financiële triggers die door de bevoegde Europese autoriteit zijn goedgekeurd; de exacte voorwaarden waaraan verlengingen en eventuele wijzigingen van de coupon, de looptijd en andere kenmerken moeten voldoen, moeten duidelijk worden vermeld in de emissievoorwaarden van elke obligatie;

9.  verzoekt de Commissie in de definitie van PCB's in de richtlijn de volgende aanvullende beginselen op te nemen:

   (a) het schuldinstrument wordt volledig gedekt door activa zoals bedoeld in artikel 129, lid 1, van de CRR en voldoet aan de aanvullende vereisten zoals bedoeld in artikel 129, de leden 3 en 7, van de CRR; voor hypotheekleningen met garanties zoals bedoeld in artikel 129, lid 1, onder e), van de CRR mag het de beheerder van het programma van gedekte obligaties bij wet niet verboden zijn om senior hypothecaire pandrechten op de leningen te vestigen in het geval van verzuim of afwikkeling van de emittent van de gedekte obligaties en indien de garantie om welke reden dan ook niet kan worden gebruikt; de mogelijkheid om schepen als dekkingspoolactiva te gebruiken (artikel 129, lid 1, onder g), van de CRR), moet opnieuw tegen het licht worden gehouden;
   (b) in de Europese wetgeving worden parameters voor de maximale LTV voor in dekkingspools opgenomen hypotheken vastgesteld die de LTV's in artikel 129 van de huidige CRR niet overschrijden, en deze worden regelmatig opnieuw tegen het licht gehouden en aangepast rekening houdend met stresstests aan de hand van onafhankelijke beoordelingen van de marktprijzen op de problematische vastgoedmarkten in kwestie; het gebruik van lening tegen hyptotheekwaarde in plaats van lening tegen marktwaarde moet worden aangeraden;

10.  beklemtoont dat de risicowegingen die in de Europese wetgeving aan gedekte obligaties worden toegekend een weerspiegeling van de beoordelingen van de onderliggende risico's moeten vormen; stelt vast dat hetzelfde niet geldt voor alle andere schuldinstrumenten die een preferentiële regelgevingsbehandeling genieten vanwege bepaalde kenmerken;

11.  verzoekt de Commissie de Europese toezichthoudende autoriteiten te machtigen om te beoordelen of PCB's, OCB's en ESN's voldoen aan de criteria, teneinde de in artikel 52, lid 4, van de icbe-richtlijn bedoelde lijsten aan te vullen of zelfs te vervangen door een gezaghebbende lijst van conforme stelsels voor PCB's, OCB's en ESN's op Europees niveau;

12.  verzoekt de EBA voor de stelsels van PCB's, OCB's en ESN's aanbevelingen te formuleren betreffende subsidiabiliteitscriteria voor activa (met inbegrip van vervangingsactiva), LTV-ratio's en doeltreffende minimumniveaus van overpanding voor verschillende soorten activa, alsook betreffende eventuele herzieningen van de CRR; verzoekt de EBA de nodige richtsnoeren te geven voor de vaststelling van het speciaal overheidstoezichts- en administratief kader;

13.  beveelt aan de obstakels voor toegang tot de markt voor emittenten op nieuwe markten voor gedekte obligaties buiten de EER te elimineren door gedekte obligaties van emittenten in derde landen gelijk te behandelen, op voorwaarde dat hun wetgeving, instituties en toezicht een grondige equivalentiebeoordeling door een bevoegde Europese instellingen goed doorstaan; beveelt aan de hoofdbeginselen van de Europese wetgeving te bevorderen opdat deze op mondiaal niveau een mogelijke benchmark kunnen gaan vormen voor de markt van gedekte obligaties;

14.  verzoekt de Commissie een voorstel tot herziening van de Europese wetgeving voor financiële diensten te presenteren waarin de regelgevingsbehandeling van PCB's, OCB's en ESN's wordt gespecificeerd;

15.  verzoekt de Commissie bij de beoordeling van de Europese wetgeving voor financiële diensten rekening te houden met de bijdrage die PCB's, OCB's en ESN's mogelijkerwijs kunnen leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de kapitaalmarktenunie;

16.  verzoekt de Commissie na te gaan of er op nationaal niveau eventuele obstakels bestaan die de ontwikkeling van stelsels voor gedekte obligaties in de weg staan en richtsnoeren te geven voor de verwijdering van die obstakels, onverminderd de gezonde en prudente bedrijfsvoering van banken;

17.  verzoekt de Commissie en de EBA in het kader van een effectbeoordeling te onderzoeken op pandrechten op schepen als dekkingspoolactiva zoals bedoeld in artikel 129, lid 1, onder g), van de CRR kunnen worden toegelaten; maakt zich er zorgen over dat een preferentiële behandeling van schepen de concurrentie met andere vervoersmodi zou kunnen verstoren; verzoekt de Commissie en de EBA te onderzoeken of gedekte scheepsobligaties wat hun door onafhankelijke ratingbureaus uitgevoerde liquiditeits- en risicobeoordelingen betreft gelijkwaardig zijn aan andere CRR-conforme gedekte obligaties, en of deze op basis van LCR-subsidiabiliteit en lagere risicowegingen in de CRR voor een preferentiële behandeling in aanmerking komen;

18.  verzoekt de lidstaten in hun wetgevingen te bepalen dat afzonderlijke dekkingspools kunnen worden opgericht met elk een homogene soort activa (bijvoorbeeld hypothecaire leningen); verzoekt de lidstaten alle in artikel 129, lid 1, onder a), b) en c), van de CRR bedoelde dekkingsactiva toe te laten als vervangingsactiva die bijdragen aan het bereiken van het dekkingsvereiste, en duidelijke restricties inzake kredietkwaliteit, blootstellingsomvang en maxima voor dekkingsbijdragen van vervangingsactiva vast te stellen;

Steun voor markttransparantie en vrijwillige convergentie

19.  is verheugd over de verbeteringen die aan de ratingmethoden voor gedekte obligaties zijn aangebracht, alsook over de uitbreiding van de ratingmarkten voor gedekte obligaties;

20.  benadrukt dat een gelijk speelveld van belang is om eerlijke concurrentie op de financiële markten te waarborgen; beklemtoont dat de Europese wetgeving niet mag discrimineren tussen verschillende soorten gedekte obligaties, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat deze qua veiligheid of liquiditeit van elkaar verschillen;

21.  is verheugd over de initiatieven vanuit de markt voor het ontwikkelen van geharmoniseerde normen en templates voor openbaarmaking (bijv. de HTT), om het vergelijken van gedekte obligaties en het analyseren van de onderlinge verschillen in de EU te vergemakkelijken;

22.  vindt het goed dat de EBA aanbevelingen voor marktnormen en richtsnoeren inzake goede praktijken ontwikkelt; spoort een dergelijke vrijwillige convergentie aan;

23.  dringt erop aan dekkingspools regelmatig aan stresstests te onderwerpen en de resultaten van die tests openbaar te maken;

o
o   o

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Bankenautoriteit.

(1) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 186.
(2) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(3) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.
(4) PB L 314 van 1.12.2015, blz. 13.
(5) PB L 195 van 20.7.2016, blz. 3.
(6) PB L 11 van 17.1.2015, blz. 1.


De rol van visserijgerelateerd toerisme in de diversificatie van de visserij
PDF 223kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over de rol van visserijgerelateerd toerisme in de diversificatie van de visserij (2016/2035(INI))
P8_TA(2017)0280A8-0221/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad(2),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(3) ("de kaderrichtlijn water"),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid(4),

–  gezien zijn resolutie van 2 juli 2013 over Blauwe groei: bevordering van de duurzame ontwikkeling in de mariene, maritieme en toeristische sectoren in de EU(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van dinsdag 13 mei 2014 getiteld "Innovatie in de blauwe economie: het werkgelegenheids- en groeipotentieel van onze zeeën en oceanen benutten" (COM(2014)0254),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 juni 2010 getiteld "Europa, toeristische topbestemming in de wereld – een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa" (COM(2010)0352),

–  gezien de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 en met name streefdoel 4 daarvan (een duurzamere visserij en gezondere zeeën) waarbij de EU zich onder andere inzet voor het beëindigen van de negatieve effecten op de visbestanden, soorten, habitats en ecosystemen, "onder meer door met de toekomstige financiële instrumenten voor visserij en maritiem beleid financiële stimulansen te bieden voor beschermde mariene gebieden (met inbegrip van Natura 2000-gebieden en uit hoofde van internationale of regionale overeenkomsten beschermde gebieden). Dit kan onder meer door het herstellen van mariene ecosystemen, het aanpassen van visserijactiviteiten en het bevorderen van de betrokkenheid van de sector bij alternatieve activiteiten, zoals ecotoerisme, het monitoren en beheren van mariene biodiversiteit en het bestrijden van zwerfvuil op zee,"

–  gezien de mededeling van de Commissie van woensdag 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2012 getiteld "Blauwe groei – kansen voor duurzame mariene en maritieme groei" (COM(2012)0494),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2014 over een Europese strategie voor meer groei en werkgelegenheid in kust- en maritiem toerisme (COM(2014)0086),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0221/2017),

A.  overwegende dat de traditionele visserij geleidelijk achteruit is gegaan;

B.  overwegende dat diversificatie voor veel kleine vissers een noodzaak is geworden om nieuwe inkomstenbronnen aan te boren, aangezien hun inkomen vaak ontoereikend is;

C.  overwegende dat met betrekking tot de diversificatie in de visserijsector rekening moet worden gehouden met het feit dat een groot deel van de sector is vrijwel volledig afhankelijk van traditionele vormen van visserij;

D.  overwegende dat de meeste kust- en eilandregio’s lijden onder ernstige economische achteruitgang, wat resulteert in ontvolking aangezien de inwoners wegtrekken naar gebieden met meer werkgelegenheid en opleidingsmogelijkheden;

E.  overwegende dat sommige van kustvisserij afhankelijke regio's dicht bij toeristische bestemmingen liggen, maar niet in staat zijn echte economische groei te bereiken, hoewel visserij en toerisme verenigbaar zijn;

F.  overwegende dat visserijgerelateerd toerisme kan bijdragen aan het scheppen van banen, de sociale inclusie en de verbetering van de levenskwaliteit en de wederopleving van gemeenschappen die afhankelijk zijn van de visserij, met name in gebieden waar andere economische activiteiten schaars zijn; overwegende dat deze mogelijkheden per regio en qua aard van de visserijactiviteiten en de grootte van de vaartuigen sterk uiteenlopen;

G.  overwegende dat visserijgerelateerd toerisme de impact op de visbestanden en het milieu kan helpen verkleinen en kan bijdragen tot meer kennis en besef van de noodzaak van milieu- en cultuurbescherming; overwegende dat met name vistochten en door vissers verleende toeristische diensten aan land in veel Europese regio's een reële vorm van integratie en diversificatie van de primaire activiteit kunnen betekenen;

H.  overwegende dat visserijgerelateerde toeristische activiteiten ertoe kunnen bijdragen dat vissers een hoger profiel krijgen en dat er meer waardering en begrip ontstaat voor hun complexe werkgebied; overwegende dat vistochten en andere met toerisme verbonden visserijactiviteiten (door vissers verleende toeristische diensten aan land, recreatievisserij, etc.) nog weinig bekendheid genieten bij het grote publiek, en dat het nodig is het bewustzijn van consumenten omtrent het belang van het consumeren van plaatselijke, van de korte keten afkomstige visproducten te vergroten;

I.  overwegende dat visserijgerelateerd toerisme een mogelijkheid kan bieden om toeristen te lokken met een breed aanbod van lokale producten, milieuvriendelijke ondernemingsvormen, enz.;

J.  overwegende dat de traditionele gastronomie in combinatie met visserijproducten en traditionele conserverings- en verwerkingssector een belangrijke troef zouden kunnen vormen voor het ontwikkelen van toerisme rond de visserij;

K.  overwegende dat de hengelsport meerdere maatschappelijke voordelen oplevert en goed is voor de menselijke gezondheid en het menselijk welbevinden;

L.  overwegende dat de sociaal-economische voordelen van visserijgerelateerd toerisme sterk seizoensgebonden zijn en dat dit toerisme vooral in de zomermaanden geconcentreerd is; overwegende dat de positieve effecten van de vaak vastgestelde sterkere klantenbinding gedurende het gehele jaar zichtbaar kunnen zijn;

M.  overwegende dat 2018 het Europees Jaar van het cultureel erfgoed zal zijn, dat als doel heeft de burgers bewust te maken van de Europese geschiedenis en de waarden van het Europees cultureel erfgoed dat zij delen; overwegende dat traditionele vormen van visserij deel uitmaken van het rijke Europese cultuurgoed en bijdragen aan de identiteit van de lokale gemeenschappen, onder meer door hun invloed op smaken, gerechten, tradities, geschiedenis en landschappen; overwegende dat dit aspect sterk wordt uitvergroot door contacten met toeristen;

N.  overwegende dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) steun verleent voor investeringen die bijdragen tot de diversificatie van de inkomsten van vissers door middel van de ontwikkeling van nevenactiviteiten, zoals investeringen in aanvullende veiligheidsuitrusting voor vaartuigen, vistochten, toeristische diensten aan land, restaurants, diensten op het gebied van recreatie- en sportvisserij en didactische activiteiten rond de visserij;

O.  overwegende dat er geen gemeenschappelijke definitie of rechtsgrond voor visserijgerelateerd toerisme bestaat; overwegende dat deze vorm van toerisme bijvoorbeeld in Italië als beroepsbezigheid wordt beschouwd, maar in Frankrijk als nevenactiviteit; overwegende dat er naargelang de rechtsstatus aanzienlijke verschillen kunnen bestaan op gebieden als belastingregelingen, vergunningsprocedures, kwalificatievereisten, veiligheidsuitrusting, enz.;

P.  overwegende dat de Europese kaderrichtlijn water en de richtlijn inzake de strategie voor het mariene milieu voorschrijven dat de lidstaten een goede staat van de kust- en zeewateren moeten waarborgen; overwegende dat de habitatrichtlijn de lidstaten verplicht om zee- en kusthabitats aan te wijzen en in stand te houden via de instelling en het beheer van Natura 2000-gebieden;

Q.  overwegende dat het toerisme in de meeste beschermde mariene zones en de Natura 2000-gebieden langs de kust bijzonder belangrijk is; overwegende dat er tal van positieve voorbeelden zijn van gedeeld beheer en partnerschappen tussen beheersorganen van beschermde mariene zones en kleinschalige vissers voor de bevordering van vistoerisme en andere middelen om de traditionele visserij te belichten voor toeristische en culturele doeleinden;

R.  overwegende dat de gegevens over visserijgerelateerd toerisme in en buiten Europa schaars zijn, weinig samenhang vertonen en moeilijk vergelijkbaar zijn;

S.  overwegende dat de EU in het kader van de strategie van 2012 voor blauwe groei het kust- en maritiem toerisme als sleutelsector voor de ontwikkeling van een duurzame en solidaire economie heeft aangemerkt;

T.  overwegende dat de Commissie in 2010 in het kader van haar mededeling getiteld "Europa, toeristische topbestemming in de wereld – een nieuw beleidskader voor het toerisme in Europa" gewezen heeft op de noodzaak van een strategie voor duurzaam kust- en maritiem toerisme;

U.  overwegende dat de Commissie in 2012 een openbare raadpleging heeft gehouden over de uitdagingen en kansen voor het kust- en maritiem toerisme in Europa en dat zij naar aanleiding daarvan op 20 februari 2014 een mededeling heeft gepubliceerd met als titel "Een Europese strategie voor meer groei en werkgelegenheid in kust- en maritiem toerisme";

V.  overwegende dat visserijgerelateerde toeristische activiteiten verricht worden door beroepsvissers om hun activiteiten te diversifiëren, hun beroep en hun sociaal-cultureel erfgoed te promoten en op te waarderen en het duurzaam gebruik van aquatische ecosystemen te verbeteren, doelen die zij soms nastreven door toeristen mee te nemen op hun vaartuigen; overwegende dat de toeristische en recreatieve doeleinden van bovengenoemde visserijactiviteiten weliswaar evident zijn, maar dat er geen duidelijke wettelijke definitie van bestaat;

W.  overwegende dat onder "vistoerisme" verstaan wordt de toeristisch-recreatieve activiteiten van commerciële vissers die toeristen meenemen op hun boten om ze kennis te laten maken met de wereld van de visserij;

X.  overwegende dat door vissers aangeboden toeristische diensten aan land onder meer door commerciële vissers beheerde gastronomische en horeca-initiatieven omvatten; overwegende dat een van de voornaamste verschillen tussen beide vormen van toerisme is dat deze laatste niet aan boord van vissersvaartuigen mogen worden verricht;

Y.  overwegende dat recreatievisserij de activiteit is die uitsluitend voor recreatieve en/of wedstrijddoeleinden wordt beoefend en in het kader waarvan levende aquatische rijkdommen worden geëxploiteerd waarvan de verkoop van de vangst in om het even welke vorm verboden is; overwegende dat recreatievisserij weliswaar niet bedoeld is om inkomsten te produceren, maar wel tot de toeristische activiteiten behoort die een parallelle economie genereren die beroepsvissers kunnen beheren door diensten, structuren en infrastructuurvoorzieningen aan te bieden aan de recreatievissers; overwegende dat ongecontroleerde en intensieve recreatievisserij in bepaalde gebieden echter negatieve gevolgen kan hebben voor de visbestanden;

Z.  overwegende dat er geen betrouwbare sociaaleconomische of milieustatistieken zijn over het effect van de recreatievisserij op de visbestanden, vooral in gebieden waar de recreatievisserij intensief is, en dat er geen duidelijke regels zijn inzake vangsten en de controles daarop, en nog minder over illegale verkoop van recreatieve vangst via informele kanalen, over het algemeen in verband met restaurants;

Visserijgerelateerd toerisme in Europese landen

AA.  overwegende dat uit een studie uit 2015 van de GAC (kustgroep) "Il mare delle Alpi"(6) over de gewoonten en meningen van de bewoners van dat kustgebied blijkt dat een derde van de ondervraagden meerdere malen per week vis eet en slechts vier soorten van de visserij afkomstige levensmiddelen, waarvan twee uit zoetwater en twee uit zee (vette vis, zalm, kabeljauw en forel); overwegende dat visserijgerelateerd toerisme meer bekendheid geeft aan de diversiteit aan soorten en de gastronomische tradities, die vaak onbekend zijn bij het merendeel van de consumenten; overwegende dat het effect op de diversificatie van de visserij-inspanning duidelijk is;

AB.  overwegende dat er in Italië steeds meer vergunningen worden aangevraagd voor het verrichten van visserijgerelateerde toeristische activiteiten; overwegende dat volgens een recent onderzoek het hoogste aantal vergunningen is afgegeven in Ligurië (290), gevolgd door Emilia-Romagna (229), Sardinië (218), Calabria (203), Campanië (200) en Sicilië (136); overwegende dat er tussen 2002 en 2012 in totaal 1 600 vergunningen zijn afgegeven; overwegende dat in 2003 het hoogste aantal vergunningen was afgegeven in Campanië (63), Ligurië (62), Sicilië (60) en Sardinië (59), op korte afstand gevolg door Apulië (46), Calabrië (39) en Toscane (37)(7);

AC.  overwegende dat een derde van de vloot die visserijgerelateerde toeristische activiteiten mag bedrijven niet meer dan 4 passagiers kan meenemen, dat 29 % tussen 5 en 8 personen en de overige 37 % tussen 9 en 12 toeristen aan boord kan nemen(8);

AD.  overwegende dat de meeste toeristische bezoeken in juli en augustus geconcentreerd zijn, wat betekent dat het visserijgerelateerde toerisme uitgesproken seizoensgebonden is en het belangrijk is diversificatie te stimuleren;

AE.  overwegende dat het scholingsniveau hetzelfde patroon te zien geeft als de leeftijdsklassen, namelijk dat degenen die visserijtoerisme bedrijven jonger en hoger opgeleid zijn dan degenen die zich tot professioneel vissen beperken; overwegende dat meer dan 30 % van de kapiteins een diploma of beroepskwalificatie bezit en ten minste een basiskennis heeft van het Engels (64 %), Frans (34 %), Spaans (16 %) of Duits (7 %)(9);

AF.  overwegende dat een enquête onder exploitanten van visserijtoerisme heeft uitgewezen dat het organiseren van vistochten goed kan zijn voor de instandhouding van visbestanden en mariene ecosystemen, vooral vanwege het feit dat er minder gevangen wordt, alsook, vanuit sociaal oogpunt, voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van vissers en hun gezinsleden omdat de vissers minder uren op zee doorbrengen(10);

AG.  overwegende dat vrouwen niet alleen meer betrokken zijn bij de nevenactiviteiten van vissers, maar ook zelf activiteiten ontwikkelen in het visserijgerelateerd toerisme;

AH.  overwegende dat jongeren als doelgroep kunnen worden beschouwd voor de ontwikkeling van toeristische-visserijbestemmingen;

AI.  overwegende dat traditionele visserij momenteel de primaire sector is waarover men het minst weet en die het minst bestudeerd wordt en gebruikt voor educatieve doeleinden in het lager en middelbaar onderwijs;

AJ.  overwegende dat er veel ruimte is voor de invoering van educatieve activiteiten rond de traditionele visserij op basis van modellen zoals dat van "boerderijscholen";

AK.  overwegende dat de ontwikkeling van de met toerisme verbonden visserijactiviteiten in doorslaggevende mate afhangt van partnerschappen, (FLAG's - plaatselijke actiegroepen voor de visserij), waarin de actoren van de visserijsector en andere lokale publieke en private spelers samen een bottom-upstrategie opzetten en uitvoeren die toegesneden is op en beantwoordt aan de economische, sociale en milieubehoeften van het betrokken gebied; overwegende dat die FLAG's in de EU weliswaar in heel verschillende omgevingen werken en heel verschillende strategieën volgen, maar bijna allemaal het toerisme als essentiële ontwikkelingsfactor zien;

AL.  overwegende dat de Commissie de ondersteuningseenheid FARNET (Europees Netwerk van visserijgebieden) heeft opgezet om bij te dragen aan de verwezenlijking van de vierde as van het Europees visserijfonds (EVF); overwegende dat FARNET een platform is voor netwerkvorming tussen visserijgebieden en de FLAG's steunt bij het opzetten van lokale strategieën, initiatieven en projecten;

AM.  overwegende dat de plaatselijke actoren dankzij de FLAG's hebben geleerd hoe het toeristisch aanbod van een visserijgebied zich kan ontwikkelen om een volledig activiteitenpakket te omvatten en zo ook in een uiterst competitief toeristisch segment aantrekkelijk te kunnen blijven; overwegende dat het toerisme op deze wijze een belangrijke bron van extra inkomsten kan worden voor de visserijgemeenschappen, hetgeen op termijn bijdraagt tot de algemene ontwikkeling van kust- en eilandgebieden;

AN.  overwegende dat er goede voorbeelden zijn van onschatbare hulp van FLAG's aan niet-industriële visserijgemeenschappen in Griekenland, Italië en Spanje; overwegende dat het FARNET-netwerk bovendien goede werkwijzen in Frankrijk, België, Spanje, Kroatië en Italië onder de aandacht heeft gebracht(11);

AO.  overwegende dat in Finland een model is opgesteld voor de beoordeling van het effect van visserijgerelateerde toeristische activiteiten op basis van het aantal bezoekers en de duur en de plaats van hun verblijf; overwegende dat uit de gegevens blijkt dat er problemen zijn met de definitie van "visserijtoerist" en met wijze waarop de bezoeken geteld moeten worden(12);

AP.  overwegende dat er festivals worden gehouden in diverse kustdorpen in lidstaten waar integratie van andere mogelijkheden om de toeristische aantrekkingskracht te vergroten van belang is, zoals door dergelijke festivals te combineren met ander kwaliteitsaanbod in de primaire sector: het verspreiden van kennis over kleinschalige visserij en het vissersleven, het bieden van contact met traditionele culturen, met inbegrip van regionale gerechten en wijnen en hoogwaardige producten van de verwerkings- en conservenindustrie, als afspiegeling van de verscheidenheid binnen de EU;

AQ.  overwegende dat er in Spanje gespecialiseerde bureaus zijn opgezet, zoals "Turismo marinero - Costa del Sol", om de traditionele visserijsector te promoten en de plaatselijke actoren te helpen bij het ontwikkelen van en reclame maken voor visserijgerelateerde toeristische activiteiten; overwegende dat "Turismo marinero - Costa del Sol" kookcursussen aan boord van de vaartuigen van lokale vissers, excursies om vissen te spotten en activiteiten op het gebied van de recreatievisserij organiseert; overwegende dat er tevens bezoeken worden georganiseerd aan het "Bioparc", een openluchtmuseum dat speciaal voor kinderen is opgezet om iets te leren over mariene biologie, traditionele visserij (traditioneel vistuig en traditionele technieken) en plaatselijke cultuur; dat het navolgen van dergelijke initiatieven en het delen van expertise op dit gebied tussen de lidstaten ten goede zou komen aan kust- en plattelandsgemeenschappen, met name in perifere regio's(13);

AR.  overwegende dat de Commissie, het Parlement en de lidstaten derhalve traditionele technieken van kleinschalige gezinsvisserij niet zo maar moeten verbieden, maar eerst een goede effectbeoordeling moeten verrichten om te voorkomen dat opkomende vormen van duurzaam, kleinschalig en authentiek vistoerisme met traditioneel vistuig onmogelijk worden gemaakt;

AS.  overwegende dat er gedurende de zomermaanden in Kroatië in de toeristische centra aan de kust en op eilanden visserijfestivals worden gehouden om visserijtradities, het cultureel en historisch erfgoed, de lokale gastronomie en de traditionele manier van leven te promoten;

1.  acht het van essentieel belang dat vissersvaartuigen worden omgebouwd en aangepast met het oog op het verrichten van toeristische activiteiten, aangezien die vaartuigen gerenoveerd moeten worden om de veiligheid van de toeristen te waarborgen en ervoor te zorgen dat er geen belemmeringen zijn voor het verrichten van visserij-activiteiten en dat tegelijkertijd de toeristen het nodige comfort wordt geboden voor een prettige ervaring, zonder dat de vangstcapaciteit vergroot wordt; wijst er echter op dat dergelijke aanpassingen niet mogen leiden tot beperkingen voor de commerciële visserij, met name wanneer deze buiten het toeristische seizoen wordt bedreven;

2.  benadrukt het nog onbenutte potentieel van het visserijgerelateerd toerisme, dat aanzienlijke voordelen kan opleveren voor de gemeenschappen in kustgebieden doordat het voor diversifiëring van de lokale inkomstenbronnen zorgt; is in dit verband van mening dat vistoerisme en door vissers verleende toeristische diensten aan land een aanvulling kunnen vormen op de commerciële visserij en een extra inkomstenbron kunnen vormen voor visserijgemeenschappen;

3.  is van mening dat het strategische doel van het initiatief van de Commissie moet zijn om vistoerisme, door vissers verleende toeristische diensten aan land en sportvisserijtoerisme te bevorderen en tot volledige ontplooiing te brengen in de gehele EU met behulp van een gedeeld netwerk en een gezamenlijk kader die met het oog daarop worden opgezet;

4.  verzoekt de Commissie om via de European Travel Commission en haar portaal visiteurope.com bestemmingen voor duurzame recreatievisserij in Europa te promoten en de visserijsector via een doelgerichte informatiecampagne te attenderen op het potentieel van deze nieuwe en duurzame bedrijfsmodellen en de groeimogelijkheden die zij bieden;

5.  verzoekt de Commissie de totstandbrenging en de ontwikkeling van visserijtoerisme te bevorderen met het oog op de toepassing van een gedifferentieerde commerciële strategie die aansluit op het potentieel van dit segment, en waarmee op effectievere wijze in de behoeften van deze sector kan worden voorzien en er wordt toegewerkt naar een nieuwe vorm van toerisme waarin onder meer kwaliteit, flexibiliteit, innovatie en de instandhouding van historisch en cultureel erfgoed van visserijgebieden centraal staan, evenals milieu en gezondheid; verzoekt de Commissie eveneens om investeringen in toeristische visserijactiviteiten te bevorderen en te steunen teneinde een gedifferentieerd toeristisch aanbod te ontwikkelen door gastronomie op basis van niet-industriële visproducten, hengelsporttoerisme, onderwater- en duiktoerisme enz. te promoten en op die manier bij te dragen tot een duurzame exploitatie van visserijtradities en de herkenbaarheid van een bepaald visgebied;

6.  verzoekt de Commissie in het belang van de totstandbrenging en ontwikkeling van visserijtoerisme investeringen in de diversificatie van visserij met benutting van de culturele en artistieke aspecten ervan en als onderdeel van het traditioneel erfgoed (ambachtelijke producten, muziek, dans, enz.) aan te moedigen en actief te ondersteunen en om investeringen in de bevordering van tradities, geschiedenis en algemeen erfgoed van de visserij (vistuig, technieken, historische documenten, enz.) te steunen door musea te openen en tentoonstellingen te organiseren die nauw verband houden met kustvisserij;

7.  verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de mogelijkheid van het gemengde gebruik van vaartuigen die bedoeld zijn voor de visvangst zodat deze, zonder hun vangstfunctie te verliezen, ook kunnen worden gebruikt voor andere activiteiten die verband houden met toerisme en recreatie, zoals informatiedagen over activiteiten op het water, of activiteiten in verband met de verwerking, didactische of gastronomische activiteiten, enz., volgens de formule die in de rurale sector al met succes wordt toegepast middels boerderijscholen en boerderijtoerisme;

8.  acht het daarom noodzakelijk dat er een Europees netwerk van met toerisme verbonden visserijactiviteiten wordt opgezet en een Europees netwerk voor toeristische diensten op het gebied van sport- en recreatievisserij, naar het voorbeeld van het uiterst succesvolle FARNET, dat de FLAG's aanzienlijke steun biedt;

9.  acht het dringend noodzakelijk dat het steunbeleid zorgvuldig gekanaliseerd wordt en dat de resultaten ervan naar behoren geëvalueerd worden, en dat het verzamelen van statistieken over deze activiteiten, die voor diversificatie van de inkomsten van de Europese visserijregio's zorgen, gesystematiseerd, gestandaardiseerd en verbeterd wordt; benadrukt eveneens dat het van belang is de reële impact van de recreatievisserij als economische activiteit te controleren, alsook de gevolgen ervan voor de visbestanden en de mogelijke concurrentie met de beroepsvisserij via informele verkoopkanalen; moedigt de Commissie aan erop toe te zien dat de visserijsector betrokken wordt bij het ontwerpen van die controlemaatregelen;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten door de beheersorganen van beschermde mariene zones georganiseerde partnerschappen met het visserijtoerisme in die zones en in Natura 2000-gebieden te ontwikkelen en te steunen teneinde de bescherming van natuurlijke rijkdommen te combineren met de bevordering en de ontwikkeling van cultuur door middel van verantwoord genieten;

11.  acht het cruciaal dat de definitie van met toerisme verbonden visserijactiviteiten op Unieniveau geharmoniseerd wordt en dat daarbij bijzondere nadruk wordt gelegd op vistoerisme, door vissers verleende toeristische diensten aan land, aquacultuurgerelateerd toerisme en toerisme in verband met sport- en recreatievisserij; wijst erop dat die definitie van dien aard moet zijn dat de talrijke vormen die deze activiteiten kunnen aannemen eronder vallen, dat de raadpleging van alle belanghebbenden verzekerd wordt en dat met toerisme verbonden visserijactiviteiten worden beschouwd als een nevenactiviteit die vissers de mogelijkheid biedt om hun hoofdactiviteit - het vissen - aan te vullen zonder over te stappen naar een andere bedrijfstak dan de visserij;

12.  onderstreept dat het belangrijk is een onderscheid te maken tussen de uiteenlopende vormen van visserijgerelateerd toerisme, waartoe vistoerisme en door vissers verleende diensten aan land behoren, activiteiten op zee en in de kustwateren, recreatievisserij (met inbegrip van hengelsporttoerisme) en binnenvisserij, en activiteiten op basis van tradities en cultuur om de totstandbrenging te bevorderen van synergieën met marketinginitiatieven voor hoogwaardige primaire producten, waarbij het natuurlijk erfgoed, de dierenbescherming en de biodiversiteit moeten worden gerespecteerd;

13.  verzoekt de Commissie om, gezien de enorme verschillen tussen visserij-exploitanten in de EU die zich met toerisme bezighouden, gemeenschappelijke regels vast te stellen inzake de veiligheid van de scheepvaart, gezondheids- en hygiënische omstandigheden aan boord van de vaartuigen waarop toeristische visserijactiviteiten worden bedreven, en eventuele fiscale prikkels, en wijst erop dat die maatregelen flexibel genoeg moeten zijn om grote verschillen tussen de verschillende visserij-activiteiten en vissersvaartuigen te kunnen dekken en onderscheidende regionale kenmerken toe te staan;

14.  beveelt aan het beginsel van decarbonisering en energie-efficiëntie van gemotoriseerde vaartuigen in aanmerking te nemen bij de aanpassingen die aan die vaartuigen moeten worden aangebracht om ze geschikt te maken voor zo'n activiteiten;

15.  acht het raadzaam dat er gezorgd wordt voor passende vervoers- en huisvestingsfaciliteiten voor de betrokken toeristen, alsook, indien nodig, voor het onderhoud en de verzorging van openbare ruimten, om het succes van toeristische activiteiten op de lange termijn te waarborgen;

16.  verzoekt de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van de Europese kaderrichtlijn water en de richtlijn inzake de strategie voor het mariene milieu na te komen en een goede toestand van kust- en zeewateren te waarborgen, met name dankzij een doeltreffender hulpbronnengebruik en een efficiënte preventie en aanpak van vervuiling en afval;

17.  verzoekt de lidstaten de administratieve lasten te verminderen door de procedures voor vergunningen en andere bureaucratische procedures te vereenvoudigen;

18.  benadrukt dat deze activiteiten verenigbaar moeten zijn met de bescherming van biodiversiteit, Natura 2000-gebieden en beschermde mariene gebieden (EU-biodiversiteitsstrategie, vogel- en habitatrichtlijnen), en dat er derhalve moet worden gezorgd voor meer overleg en meer synergie met andere betrokken lidstaten;

19.  acht het noodzakelijk dat er voor vissers en viskwekers, alsook voor hun gezinsleden en alle betrokken lokale actoren, opleidingscursussen worden opgezet om ervoor te zorgen dat zij over de talen- en andere kennis beschikken die noodzakelijk is om toeristen te kunnen ontvangen en hun veiligheid te waarborgen, en om informatie te kunnen geven over mariene biologie, lokale vissoorten, milieu en culturele tradities; verzoekt de Commissie en de Raad om de rol van vrouwen in het visserijtoerisme en hun bijdrage aan de duurzame ontwikkeling van gebieden die afhankelijk zijn van de visserij te erkennen, om zo hun participatie op gelijke voet te waarborgen;

20.  verzoekt de lidstaten en de regionale en plaatselijke autoriteiten om op grote schaal informatie te verspreiden over Eures, het Europees portaal voor beroepsmobiliteit van de Commissie, waar informatie wordt verstrekt voor werkzoekenden en werkgevers over banenkansen en de vereiste vaardigheden en opleiding in de "blauwebanensector", en om open onlinecursussen voor bij- of omscholing met betrekking tot toerismemanagement en innovatief vistoerisme te bevorderen;

21.  verzoekt de Commissie op het Europees portaal voor kleine en middelgrote ondernemingen een speciaal gedeelte op te nemen dat tot doel heeft om ondernemers/vissers te helpen financiering te krijgen voor activiteiten op het gebied van visserijgerelateerd toerisme;

22.  is van mening dat het verwerven van vaardigheden op gebieden als digitale marketing, het beheren en onderhouden van communicatie op de sociale media, socio-cultureel management en talenkennis een prioriteit is in visserijgebieden, opdat zowel het creëren als het verspreiden van visserijgerelateerd toeristisch aanbod bevorderd wordt;

23.  acht het van belang dat het toeristisch aanbod gedifferentieerd wordt dankzij een strategie die gebaseerd is op de specifieke lokale kenmerken en de daarmee verbonden specialisering en op de beschikbare middelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook duurzame vormen van toerisme en ecotoerisme te promoten, onder meer door middel van innoverende marketingstrategieën die met name gericht zijn op traditionele en duurzaamheidskenmerken en die voortdurend gemonitord moeten worden om het evenwicht tussen vraag en aanbod te waarborgen;

24.  dringt erop aan dat er geïntegreerde aanbiedingen worden ontworpen waarmee de klanten volledige ervaringen krijgen aangeboden op basis van een gestructureerde en synergetische combinatie van alles wat een gebied te bieden heeft, en dat er partnerschappen worden gevormd om klanten te trekken via bestaande toeristische bedrijvigheid in dichtbij traditionele visserijgebieden gelegen plaatsen, zoals toerisme in verband met conferenties of loopbaanontwikkeling;

25.  verzoekt de Commissie de inspraak van de visserijsector en de werknemers in die sector in projecten in verband met cultuur- en erfgoedtoerisme te steunen en te bevorderen, zoals bij het herontdekken van zeevaartactiviteiten, traditionele visgronden en oude visserijambachten;

26.  benadrukt het belang van de samenwerking tussen touroperators en vissers met het oog op een maximale benutting van visserijgerelateerd toerisme;

27.  wijst op het belang van toeristische activiteiten in verband met het spotten van wilde dieren, zoals met name het observeren van walvissen, waarbij de habitats en de biologische behoeften van de betrokken dieren moeten worden gerespecteerd; is van mening dat dit tal van educatieve, milieu-, wetenschappelijke en andere sociaaleconomische voordelen kan bieden en bewustwording en waardering voor deze unieke diersoorten en hun waardevolle leefmilieu helpt bij te brengen;

28.  verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale overheden innoverende en duurzame infrastructuur aan te bieden, zoals internetverbinding en informatietechnologieën, teneinde aan te moedigen tot de ontwikkeling van visserijgerelateerd toerisme en de renovatie van bestaande zee- en binnenwatereninfrastructuur;

29.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale overheden de reclame- en communicatiecampagnes te intensiveren, onder meer in de context van initiatieven zoals "Europese topbestemmingen" en "Europees jaar van het cultureel erfgoed 2018", en soortgelijke initiatieven die tot doel hebben de kennis en het besef van de traditionele visserijcultuur en aquacultuur te verbeteren; moedigt de belanghebbenden in dat verband aan om het potentieel van toeristen aan te boren, alsook dat van personen die in het laagseizoen kunnen reizen;

30.  is van oordeel dat verantwoorde en duurzame bedrijfsmodellen voor de diversificatie van de visserij moeten inhouden dat de cultuur van de plaatselijke visserijgemeenschappen wordt geëerbiedigd en ertoe wordt bijgedragen dat hun identiteit wordt behouden; onderstreept met name dat toerismegerelateerde recreatieve visserij verenigbaar moet zijn met de belangen van kleine, plaatselijke ambachtelijke visserijbedrijven;

31.  acht het van belang vistoerisme en door vissers verleende diensten aan land te ontwikkelen als vormen van actieve vakantie die belangrijke secundaire voordelen bieden, zoals de promotie van maritieme cultuur en visserijtradities en educatie inzake milieubewustheid en bescherming van soorten;

32.  wijst erop dat het nodig is verschillende ervaringen te bestuderen om de potentiële vraag naar omgebouwde schepen te verbreden, door het aanbod bijvoorbeeld open te stellen voor de onderwijsgemeenschap, die al ervaring heeft met het gebruiken van de landbouw voor onderwijsdoeleinden, zoals via de "boerderijschool"-programma's;

33.  onderstreept dat productdiversificatie naar behoren gepromoot moet worden en dat een zichtbaarheidsstrategie nodig is voor de doelgroep van vissers, met inbegrip van grensoverschrijdende bevorderingsmaatregelen;

34.  is bijgevolg van oordeel dat vissersplaatsen moeten overwegen gezamenlijke marketingcampagnes te starten met andere bestemmingen in dezelfde regio, zoals voorgesteld in de resolutie van het Parlement van 29 oktober 2015 over "Nieuwe uitdagingen en concepten voor de bevordering van toerisme in Europa"(14), en gezamenlijke marketingplatforms te bevorderen, waarbij in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan onlinereclame en -verkoop, op basis van internationale samenwerking;

35.  is van oordeel dat in deze marketingstrategie synergie tot stand moet worden gebracht tussen de marketinginitiatieven voor hoogwaardige verse of verwerkte producten, gastronomie en toerisme, en dat deze initiatieven moeten worden gebundeld in geografische gebieden die wat betreft cultuur, productie of milieu samenhang of synergieën vertonen;

36.  acht het noodzakelijk traditionele werkwijzen en technieken, zoals de almadraba en xeito, in stand te houden, aangezien die nauw verbonden zijn met de identiteit en de manier van leven van kustregio's, en ze ter erkennen als onderdeel van het cultureel erfgoed;

37.  wijst op het belang van investeringen in visserijdiversificatie om tradities, geschiedenis en het visserijpatrimonium als geheel te promoten (met inbegrip van traditioneel vismateriaal en traditionele vistechnieken);

38.  wijst op het belang van investeringen in de diversificatie van de visserij om de verwerking van lokale visserijproducten te bevorderen;

39.  verzoekt de lidstaten strategieën vast te stellen om het probleem van de seizoensgebondenheid van toeristische activiteiten aan te pakken door bijvoorbeeld festivals, culinaire evenementen, haven- en dorpsfeesten(15) te organiseren, themadorpen en musea op te zetten (zie Spanje en Cetara), zodat de activiteiten het hele jaar door en onafhankelijk zijn van het weer en de omstandigheden op zee kunnen plaatsvinden;

40.  is ervan overtuigd dat een evenwichtige combinatie van alternatieve en gerichte toeristische producten, indien deze op adequate wijze worden gepromoot en op de markt worden gebracht, een tegenwicht kan helpen bieden voor de problemen in verband met de seizoensgebondenheid;

41.  wijst erop dat er onvoldoende synergie is tussen ondernemingen in de zeegebieden van de EU, waardoor de initiatieven verbrokkeld en de economische voordelen beperkt blijven, en acht het daarom essentieel dat de lidstaten, regio's en belanghebbenden beste praktijken uitwisselen; constateert dat de samenwerking tussen onderzoeksinstellingen, musea, toeristische ondernemingen, beheerders van Natura 2000-gebieden en beschermde zeegebieden, de traditionele conserven- en verwerkingsindustrie en andere belanghebbenden gestimuleerd moet worden, opdat er innoverende en duurzame producten worden ontwikkeld niet alleen economische meerwaarde opleveren, maar ook beantwoorden aan de verwachtingen van de bezoekers; onderstreept de noodzaak om deze activiteiten op te nemen in een samenhangend algemeen kader voor de bevordering van duurzaam en verantwoord toerisme in de betreffende gebieden; is van mening dat FLAG's in deze context een belangrijke rol kunnen spelen en derhalve toereikende financiering dienen te ontvangen;

42.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de banden tussen plaatselijke, regionale, nationale en EU-autoriteiten te versterken, zodat er governancemodellen tot stand kunnen komen die de tenuitvoerlegging van horizontaal beleid vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen in verschillende beleidssectoren, waaronder duurzame en inclusieve groei;

43.  doet een beroep op de Commissie om in het kader van FARNET en de FLAG's een pan-Europese dialoog met havens, belanghebbenden in de toeristische sector en milieudeskundigen te bevorderen;

44.  roept de nationale autoriteiten en agentschappen nauwer samen te werken met reisbureaus en hoge prioriteit toe te kennen aan het diversifiëren van de blauwe economie, met bijzondere aandacht voor maritiem toerisme en de aanverwante sectoren; wijst erop dat dit in voorkomend geval ook betrekking moet hebben op de opname van zeehengelsport in toeristische pakketten en marketingcampagnes, vooral voor eilanden en kustgebieden; benadrukt dat het verlenen van vergunningen voor tweeledig gebruik van vissersvaartuigen - voor commerciële kleinschalige en ambachtelijke visserij en zeetoerisme, met inbegrip van hengelsport - als prioriteit moet worden beschouwd en dat het ombouwen van die vaartuigen moet worden gesubsidieerd;

45.  verzoekt de Commissie, de lidstaten, de regionale en plaatselijke instanties, de ondernemingen in de sector en de overige belanghebbenden doelgericht maatregelen te nemen die stroken met EU-beleid met gevolgen voor de visserij- en aquacultuursector; wijst erop dat er een handboek met beste praktijken moet worden opgesteld waarin de meest significante voorbeelden van deze activiteiten worden beschreven om andere ondernemingen aan te moedigen tot het volgen van eenzelfde aanpak; herinnert eraan dat het eveneens noodzakelijk is de plaatselijke wetenschappelijke gemeenschap bij het proces te betrekken om milieuproblemen te voorkomen;

46.  onderstreept het belang van milieuvriendelijke bedrijfsmodellen en beveelt derhalve aan dat milieudeskundigen altijd nauw samenwerken met plaatselijke actiegroepen (bijv. FLAG's en plaatselijke actiegroepen voor het platteland (LAG's));

47.  dringt erop aan dat de benodigde financiële middelen worden gereserveerd voor het opzetten van een Europees netwerk voor de uitwisseling van beste praktijken en het in kaart brengen van visserijactiviteiten, met informatie over de attracties en eigenschappen van elke visserijgemeenschap;

48.  hoopt dat er specifieke steunmechanismen zullen worden gebruikt (in het kader van het EFMZV en/of andere instrumenten), die kunnen worden geactiveerd in geval van noodsituaties (zoals natuurrampen) in gebieden waar visserij en vistoerisme vaak de enige bronnen van inkomsten zijn;

49.  acht het noodzakelijk aan te sporen tot financiering van die interventies uit hoofde van het EFMZV, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds, het kaderprogramma voor onderzoek en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), in nauwe samenwerking met adviseurs van de Europese Investeringsbank (EIB), en om mogelijkheden te creëren om leningen tegen lage rente te verstrekken die het mogelijk maken de specifieke problemen waarop vrouwen stuiten bij het vinden van financiering voor projecten die in aanmerking komen voor opname in nationale programma's, te verlichten;

50.  onderstreept dat in de programmeringsperiode 2007-2013 door het EVF 486 miljoen EUR aan de FLAG's beschikbaar is gesteld en dat er gedurende die programmeringsperiode circa 12 000 plaatselijke projecten zijn ondersteund;

51.  roept de lidstaten en de FLAG's op optimaal gebruik te maken van de beschikbare middelen en ook, waar mogelijk, van meerdere fondsen (samen met bijdragen uit het EFRO, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het ESF);

52.  verzoekt de lidstaten contactpunten op regionaal niveau op te zetten om adequate informatie en steun te bieden;

53.  beveelt aan dat de FLAG's nauw samenwerken met toerismedeskundigen teneinde middels as 4 van het EFMZV projecten en toereikende middelen te bepalen voor de diversificatie in visserijgebieden;

54.  wijst erop dat het EFMVZ specifieke financiële steun verleent aan initiatieven in visserijgemeenschappen die van vrouwen uitgaan;

55.  roept de lidstaten op er door middel van selectiecriteria voor activiteiten uit hoofde van het EFMVZ voor te zorgen dat gendergelijkheid doeltreffend wordt gemainstreamd en bevorderd in alle gefinancierde maatregelen (bijvoorbeeld door voorrang te geven aan acties die specifiek op vrouwen zijn gericht of door vrouwen worden ondernomen);

56.  verzoekt de Commissie een studie te maken van de verwachte sociaal-economische en milieugevolgen van deze activiteiten;

57.  doet een beroep op de Commissie om de sociale en economische weerslag van de recreatievisserij op het binnenlandse toerisme te analyseren, vooral in plattelandsgebieden, en eventuele maatregelen voor te stellen voor regio's waar het potentieel voor deze visserij onderbenut is;

58.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de verzameling en het beheer van gegevens over visserijgerelateerd toerisme te verbeteren;

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's, alsmede aan de regeringen van de lidstaten en de regionale adviesraden.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.
(3) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(4) PB C 419 van 16.12.2015, blz. 167.
(5) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 24.
(6) "Indagine sulle abitudini e opinioni dei cittadini nel comprensorio del GAC 'Il mare delle Alpi' – Analisi della pescaturismo in Italia come strumento di sviluppo sostenibile' (analyse van het vistoerisme in Italië als middel om duurzame ontwikkeling te verwezenlijken)(2015).
(7) "L’integrazione della pesca con altre attività produttive – La pescaturismo come modello sociale e culturale", Cenasca Cisl et al., (2005) (Integratie van het vistoerisme en andere productie-activiteiten - .Vistoerisme als socio-cultureel model).
(8) "Indagine sulle abitudini e opinioni dei cittadini nel comprensorio del GAC 'Il mare delle Alpi' – Analisi della pescaturismo in Italia come strumento di sviluppo sostenibile' (analyse van het vistoerisme in Italië als middel om duurzame ontwikkeling te verwezenlijken)(2015).
(9) "L’integrazione della pesca con altre attività produttive – La pescaturismo come modello sociale e culturale", Cenasca Cisl et al., (2005) (Integratie van het vistoerisme en andere productie-activiteiten - .Vistoerisme als socio-cultureel model).
(10) "Indagine sulle abitudini e opinioni dei cittadini nel comprensorio del GAC 'Il mare delle Alpi' – Analisi della pescaturismo in Italia come strumento di sviluppo sostenibile' (analyse van het vistoerisme in Italië als middel om duurzame ontwikkeling te verwezenlijken)(2015).
(11) Socio-economic analysis on fisheries-related tourism in EUSAIR – Nemo project 1M-MED14-11, WP2, Action 2.3.
(12) "Perspectives for the development of tourism activities related to fishing", Europees Parlement, IP/B/PECH/IC/2013-103 (2014).
(13) "Perspectives for the development of tourism activities related to fishing", Europees Parlement, IP/B/PECH/IC/2013-103 (2014).
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0391.
(15) Zoals de Vlaggetjesdagen en Havendagen in Nederland.


Verjaringstermijnen bij verkeersongevallen
PDF 211kWORD 58k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende verjaringstermijnen bij verkeersongevallen (2015/2087(INL))
P8_TA(2017)0281A8-0206/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien op artikel 67, lid 4, en artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest"),

–  gezien artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de relevante jurisprudentie van het EVRM,

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de beginselen van nationale procesautonomie en doeltreffende rechterlijke bescherming(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)(2) (Rome II-verordening),

–  gezien het Verdrag van Den Haag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen (Verdrag van Den Haag van 1971 inzake verkeersongevallen),

–  gezien Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid(3) (richtlijn motorrijtuigenverzekering),

–  gezien het Europees Verdrag inzake de berekening van termijnen(4),

–  gezien het onderzoek naar de beoordeling van de Europese meerwaarde, uitgevoerd door de afdeling Europese meerwaarde van de onderzoeksdiensten van het Europees Parlement (EPRS) getiteld "Common minimum standards of civil procedure"(5),

–  gezien de studie van het directoraat-generaal Intern beleid getiteld "Cross-border traffic accidents in the EU – the potential impact of driverless cars"(6),

–  gezien de studie van de Commissie getiteld "Compensation of victims of cross-border road traffic accidents in the EU: Comparison of national practices, analysis of problems and evaluation of options for improving the position of cross-border victims"(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 april 2010 over een actieplan getiteld "Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa — Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm"(8),

–  gezien zijn resolutie van 1 februari 2007 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot letsel en dodelijke ongevallen(9),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2003 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven(10),

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0206/2017),

A.  overwegende dat in de Unie de regels inzake verjaring bij vorderingen betreffende schadevergoeding van lidstaat tot lidstaat sterk verschillen, waardoor er niet twee lidstaten zijn die precies dezelfde basisregels toepassen voor verjaring; overwegende dat de relevante verjaringstermijnen worden bepaald aan de hand van diverse factoren, bijvoorbeeld of er ook sprake is van een strafrechtelijk onderzoek en of de claim als vordering uit onrechtmatige daad of als contractuele vordering beschouwd wordt;

B.  overwegende dat nationale verjaringstermijnen dus extreem complex zijn en het vaak moeilijk te begrijpen is wat de toepasselijke algemene verjaringstermijn is, wanneer en hoe termijnen ingaan en hoe deze worden opgeschort, onderbroken of verlengd;

C.  overwegende dat onbekendheid met buitenlandse verjaringsregels ertoe kan leiden dat het recht om een verder geldige vordering in te dienen, verloren gaat, of dat er voor de slachtoffers hindernissen in de vorm van bijkomende kosten en vertraging ontstaan bij de toegang tot de rechter;

D.  overwegende dat er op dit moment slechts weinig statistieken beschikbaar zijn over de afwijzing van vorderingen inzake schadevergoeding bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter op grond van het feit dat de verjaringstermijn is verstreken;

E.  overwegende dat op het gebied van verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter de enige reeds op Unie-niveau geharmoniseerde grond de grond is die in artikel 18 van de richtlijn motorrijtuigenverzekering wordt genoemd en die slachtoffers in staat stelt in hun eigen woonland schadevergoeding te eisen via een schadeclaim bij een betrokken verzekeringsmaatschappij of schadevergoedingsinstantie in verband met de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven(11);

F.  overwegende dat verjaringstermijnen een belangrijk en integraal onderdeel vormen van de wettelijke-aansprakelijkheidsregels van de lidstaten die bij verkeersongevallen gelden, en wel in die zin dat tegenover een korte verjaringstermijn strenge aansprakelijkheidsregels of de toekenning van royale schadevergoedingen kunnen staan;

G.  overwegende dat regels inzake verjaring van vorderingen van essentieel belang zijn om rechtszekerheid en de definitieve regeling van geschillen te waarborgen; overwegende evenwel dat tegenover het recht van de verweerder op rechtszekerheid en definitieve regeling van geschillen het grondrecht van de eiser op een doeltreffende voorziening in rechte staat, en dat onnodige korte verjaringstermijnen een doeltreffende toegang tot de rechter in de EU in de weg zouden kunnen staan;

H.  overwegende dat, gezien de huidige verschillen wat betreft verjaringsregels en het soort problemen dat rechtstreeks verband houdt met de uiteenlopende nationale bepalingen betreffende transnationale gevallen van letsel en schade aan eigendom, een zekere mate van harmonisering de enige manier is om een adequaat niveau van zekerheid, voorspelbaarheid en eenvoud te waarborgen bij de toepassing van de regels van de lidstaten bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter;

I.  overwegende dat een dergelijke wetgevingsinitiatief voor een billijk evenwicht tussen de partijen zou moeten zorgen wat betreft kwesties aangaande verjaringsregels, en de berekening van en opschorting van termijnen zou moeten vergemakkelijken; overwegende dat daarom naar een gerichte benadering wordt gestreefd die rekening houdt met de toegenomen omvang van het grensoverschrijdende verkeer binnen de Unie, zonder het volledige rechtssysteem van de lidstaten op de schop te nemen;

1.  erkent dat de situatie van slachtoffers van verkeersongevallen de afgelopen decennia sterk is verbeterd, ook op het niveau van de internationale privaatrechtelijke rechtspraak, in die zin dat buitenlandse slachtoffers gebruik kunnen maken van de procedures in de lidstaat waar zij woonachtig zijn voor alle rechtstreekse vorderingen jegens de aansprakelijkheidsverzekeraar van het voertuig of de schadevergoedingsinstantie;

2.  stelt evenwel vast dat het voortbestaan in de Unie van twee parallelle regelingen voor de wet die van toepassing is bij verkeersongevallen naar gelang het land waar de vordering wordt ingediend, namelijk het Verdrag van Den Haag van 1971 inzake verkeersongevallen dan wel de Rome II-verordening, in combinatie met de keuzemogelijkheden volgens Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad(12), tot rechtsonzekerheid en onoverzichtelijkheid leidt en de gelegenheid biedt tot forum shopping;

3.  herhaalt dat er voor onderzoek en onderhandelingen bij grensoverschrijdende geschillen vaak veel meer tijd nodig is dan bij binnenlandse vorderingen; benadrukt in dit verband dat deze uitdagingen nog groter worden als er nieuwe technologieën in het spel komen, zoals in het geval van zelfrijdende auto's;

4.  herinnert in dit verband aan het feit dat het onderwerp verjaringstermijnen moet worden gezien als onderdeel van de maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in civielrechtelijke zaken in de zin van artikel 67, lid 4, en artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

5.  stelt vast dat de aanwezigheid van gemeenschappelijke minimumregels inzake verjaringstermijnen in grensoverschrijdende geschillen essentieel zijn om ervoor te zorgen dat er doeltreffende rechtsmiddelen beschikbaar zijn ter bescherming van de slachtoffers van verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter en dat de rechtszekerheid gewaarborgd is;

6.  benadrukt dat buitensporig korte verjaringstermijnen in nationale rechtssystemen een hinderpaal vormen bij de toegang tot de rechter in de lidstaten die mogelijk in strijd is met het recht op een eerlijk proces dat is verankerd in artikel 47 van het Handvest en in artikel 6 van het EVRM;

7.  wijst erop dat de grote verschillen tussen de regels van de lidstaten wat betreft de verjaringstermijnen voor ongevallen met een grensoverschrijdend karakter bijkomende hindernissen opwerpen voor slachtoffers die een schadeclaim indienen wegens letsel en schade aan eigendom welke zij hebben opgelopen in een andere dan hun eigen lidstaat;

8.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat er op het e-justitieportaal algemene informatie over de in de lidstaten geldende verjaringstermijnen voor vorderingen inzake schadevergoeding bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter beschikbaar komt die voortdurend wordt bijgewerkt;

9.  verzoekt de Commissie tevens een studie uit te voeren naar de bescherming in de lidstaten van minderjarigen en personen met een handicap wat betreft de verjaringstermijnen en naar de noodzaak om op Unieniveau minimumregels vast te stellen om te waarborgen dat deze personen hun recht op schadevergoeding naar aanleiding van hun betrokkenheid bij een verkeersongeval met grensoverschrijdend karakter niet verliezen en dat zij verzekerd zijn van doeltreffende toegang tot de rechter in de Unie;

10.  verzoekt de Commissie op basis van artikel 81, lid 2, VWEU een voorstel voor een wetgevingshandeling voor te leggen over verjaringstermijnen met betrekking tot letsel en schade aan eigendom bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter, aan de hand van de aanbevelingen in de bijlage bij deze resolutie;

11.  is van oordeel dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen heeft;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN VOOR EEN RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD INZAKE GEMEENSCHAPPELIJKE VERJARINGSTERMIJNEN VOOR VERKEERSONGEVALLEN MET EEN GRENSOVERSCHRIJDEND KARAKTER

A.  BEGINSELEN EN DOELSTELLINGEN VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

1.  In de Europese Unie blijft wetshandhaving voor de rechtbank in grote mate een kwestie van nationale procedurele regels en praktijken. Nationale rechtbanken zijn ook EU-rechtbanken. Het is dan ook de taak van deze rechtbanken om in de lopende procedures te zorgen voor billijkheid, rechtvaardigheid en efficiëntie alsmede een doeltreffende toepassing van het Unierecht, waarbij wordt gewaarborgd dat de rechten van de Europese burgers in de hele Europese Unie worden beschermd.

2.  De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te ontwikkelen. Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 38 daarvan, dienen er nieuwe procesrechtregels voor grensoverschrijdende zaken te komen, in het bijzonder betreffende de elementen die een soepele justitiële samenwerking en de toegang tot de rechter bevorderen, bijvoorbeeld voorlopige maatregelen, bewijsvergaring, betalingsbevelen en termijnen.

3.  Gemeenschappelijke minimumregels inzake verjaringstermijnen die van toepassing zijn bij transnationale geschillen betreffende letsel en schade aan eigendom als gevolg van verkeersongevallen worden noodzakelijk geacht om de hindernissen terug te dringen voor slachtoffers die gebruik willen maken van hun rechten in een andere dan hun eigen lidstaat.

4.  Zulke gemeenschappelijke minimumregels inzake verjaringstermijnen zouden grotere zekerheid en voorspelbaarheid meebrengen en het risico verminderen dat slachtoffers van verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter een te geringe schadevergoeding krijgen.

5.  Als zodanig is de voorgestelde richtlijn bedoeld om een speciale verjaringsregeling voor grensoverschrijdende gevallen in te voeren die voor doeltreffende toegang tot de rechter zorgt en een correcte werking van de interne markt faciliteert door hinderpalen voor het vrije verkeer van burgers op het hele grondgebied van de lidstaten weg te nemen.

6.  De voorgestelde richtlijn heeft niet tot doel nationale wettelijke-aansprakelijkheidsregelingen in hun geheel te vervangen maar om, met inachtneming van de nationale bijzonderheden, gemeenschappelijk minimumregels inzake verjaringstermijnen voor vorderingen met een grensoverschrijdend karakter vast te stellen die vallen onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/103/EG.

7.  Het huidige voorstel is in overeenstemming met het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, aangezien de lidstaten niet alleen kunnen handelen bij de opstelling van minimumregels inzake verjaringstermijnen en het voorstel niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is om daadwerkelijke toegang tot de rechter en rechtszekerheid in de EU te waarborgen.

B.  TEKST VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke verjaringstermijnen bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 67, lid 4, en artikel 81, lid 2,

Gezien het verzoek van het Europees Parlement aan de Commissie,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van die ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, in het bijzonder wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.

(2)  Krachtens artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten dergelijke maatregelen onder meer maatregelen omvatten ter waarborging van daadwerkelijke toegang tot de rechter en van het wegnemen van de hindernissen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, indien nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake burgerlijke rechtspleging.

(3)  Volgens de mededeling van de Commissie van 20 april 2010 getiteld "Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa — Actieplan voor de tenuitvoerlegging van het programma van Stockholm"(13), moeten burgers die naar een andere lidstaat rijden en helaas bij een ongeval betrokken raken, rechtszekerheid hebben over de verjaringstermijnen van verzekeringsclaims. Hiertoe werd aangekondigd dat er in 2011 een nieuwe verordening inzake verjaringstermijnen betreffende verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter zou worden vastgesteld.

(4)  Verjaringstermijnen hebben niet alleen een aanzienlijke impact op het recht van benadeelde partijen op toegang tot de rechter, maar ook op hun materiële rechten, daar er geen sprake van een doeltreffend recht kan zijn zonder goede en adequate bescherming ervan. Deze richtlijn heeft tot doel de toepassing te bevorderen van gemeenschappelijke verjaringstermijnen bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter om daadwerkelijke toegang tot de rechter in de Unie te verzekeren. Het algemeen erkende recht op toegang tot de rechter is ook neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest").

(5)  De eis van rechtszekerheid en de noodzaak om recht te doen in individuele gevallen zijn wezenlijke onderdelen van elke ruimte van rechtvaardigheid. Gemeenschappelijke verjaringstermijnen die de rechtszekerheid vergroten en bijdragen aan een daadwerkelijk handhavingsregime zijn dan ook nodig om de toepassing van dit beginsel te waarborgen.

(6)  De bepalingen van deze richtlijn zouden van toepassing moeten zijn op vorderingen die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad(14) vallen en een grensoverschrijdend karakter hebben.

(7)  Niets mag lidstaten ervan weerhouden de bepalingen van deze richtlijn waar passend ook toe te passen op louter binnenlandse verkeersongevallen.

(8)  Alle lidstaten zijn verdragsluitende partij bij het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De in deze richtlijn bedoelde zaken dienen te worden behandeld met inachtneming van dat Verdrag, in het bijzonder het recht op een eerlijk proces en op een doeltreffende voorziening in rechte.

(9)  Het beginsel van het lex loci damni vormt de algemene regel die is neergelegd in Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad(15) met betrekking tot het recht dat van toepassing is op gevallen van letsel of schade aan eigendom, en dat dus moet worden bepaald op basis van de vraag waar de schade zich heeft voorgedaan, ongeacht het land of de landen waar de onrechtstreekse gevolgen zich kunnen voordoen. Krachtens letter h) van artikel 15 van deze verordening regelt het recht dat op niet-contractuele verbintenissen van toepassing is met name de wijze van tenietgaan van de verbintenis, alsmede de verjaring en het verval, waaronder begrepen de aanvang, de stuiting, en de schorsing van de verjarings- of vervaltermijn.

(10)  Wat verkeersongevallen betreft kan het voor een buitenlands slachtoffer bijzonder moeilijk zijn op korte termijn basisinformatie over het ongeval te verkrijgen van de rechterlijke macht van het bezochte land, zoals de identiteit van de verweerder en eventuele aansprakelijkheid. Ook kan het enige tijd duren voordat is uitgezocht welke schaderegelaar of verzekeraar zich met de zaak moet bezighouden, er bewijsmateriaal omtrent het ongeval is verzameld en eventueel noodzakelijke documenten zijn vertaald.

(11)  Bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter is het niet ongebruikelijk dat termijnen voor de eiser al bijna verlopen zijn voordat de onderhandelingen met de verweerder kunnen beginnen. Dit gebeurt met name als de totale termijn bijzonder kort is of als er onduidelijkheid heerst omtrent de manier waarop de verjaringstermijn kan worden opgeschort of onderbroken. Het verzamelen van informatie over een ongeval dat in een ander land dan het land van vestiging van de eiser heeft plaatsgevonden, kan veel tijd in beslag nemen. Daarom dient de algemene termijn die in de richtlijn is vastgesteld, te worden opgeschort zodra er bij de verzekeraar of de schadevergoedingsinstantie een vordering wordt ingediend, om de eiser in staat te stellen over de afwikkeling van de vordering te onderhandelen.

(12)  Met deze richtlijn moeten minimumvoorschriften worden vastgesteld. De lidstaten moeten kunnen voorzien in een hoger beschermingsniveau. Een dergelijk hoger beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor de daadwerkelijke toegang tot de rechter die dergelijke minimumvoorschriften beogen te bevorderen. Het beschermingsniveau waarin het Handvest voorziet, zoals geïnterpreteerd door het Hof, en de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht mogen hierbij niet in het gedrang komen.

(13)  Deze richtlijn dient Verordening (EG) nr. 864/2007 en Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad(16) onverlet te laten.

(14)  Deze richtlijn heeft tot doel de grondrechten te bevorderen en houdt rekening met de beginselen en waarden die met name door het Handvest worden erkend, en is er tegelijk op gericht de Uniedoelstelling van behoud en ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te bereiken.

(15)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het tot stand brengen van gemeenschappelijke minimumnormen voor verjaringstermijnen bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(16)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, [hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze richtlijn]/[nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland, onverminderd artikel 4 van dat protocol, niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in deze landen].

(17)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in Denemarken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I:

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Doel van deze richtlijn is het vaststellen van minimumnormen betreffende de totale duur, het begin, de opschorting en de berekening van verjaringstermijnen voor vorderingen inzake schadevergoeding voor letsel en schade aan eigendom, verhaalbaar krachtens Richtlijn 2009/103/EG, bij verkeersongevallen met een grensoverschrijdend karakter.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze richtlijn is van toepassing op vorderingen inzake schadevergoeding voor verlies of letsel als gevolg van een door een voertuig veroorzaakt ongeval jegens:

a.  de verzekeringsmaatschappij die de verantwoordelijke persoon verzekert tegen wettelijke aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2009/103/EG; of

b.  de schadevergoedingsinstantie zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 van Richtlijn 2009/103/EG.

Artikel 3

Verkeersongeval met een grensoverschrijdend karakter

1.  In deze richtlijn wordt onder verkeersongeval met een grensoverschrijdend karakter verstaan een verkeersongeval dat wordt veroorzaakt door voertuigen die verzekerd en normaliter gevestigd zijn in een lidstaat en dat plaatsvindt in een andere lidstaat dan die van de gewone verblijfplaats van het slachtoffer of in een derde land waarvan het nationaal bureau van verzekeraars, zoals gedefinieerd in artikel 6 van Richtlijn 2009/103/EG, is aangesloten bij het groenekaartsysteem.

2.  In deze richtlijn wordt onder "lidstaat" verstaan: iedere lidstaat behalve [het Verenigd Koninkrijk, Ierland en] Denemarken.

HOOFDSTUK II:

MINIMUMNORMEN VOOR VERJARINGSTERMIJNEN

Artikel 4

Verjaringstermijn

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een verjaringstermijn van ten minste vier jaar van toepassing is bij maatregelen in verband met schadevergoeding voor letsel en schade aan eigendom als gevolg van een verkeersongeval met een grensoverschrijdend karakter zoals bepaald in artikel 2. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de eiser zich bewust wordt, of aannemelijke redenen had om zich bewust te worden, van de omvang van het letsel, het verlies of de schade, de oorzaak daarvan en de identiteit van de aansprakelijke persoon en de verzekeringsmaatschappij die deze persoon verzekert tegen wettelijke aansprakelijkheid of de schaderegelaar of schadevergoedingsinstantie die verantwoordelijk is voor het toekennen van schadevergoeding en jegens wie de vordering moet worden ingesteld.

2.  De lidstaten waarborgen dat wanneer de wet die ten grondslag ligt aan de vordering voorziet in een langere verjaringstermijn dan vier jaar, die verjaringstermijn van toepassing is.

3.  De lidstaten waarborgen dat zij de Commissie voorzien van actuele informatie over nationale regels inzake verjaring bij door verkeersongevallen veroorzaakte schade.

Artikel 5

Opschorting van termijnen

1.  De lidstaten waarborgen dat de in artikel 4 van onderhavige richtlijn genoemde verjaringstermijn wordt opgeschort gedurende de periode tussen het instellen van de vordering door de eiser bij:

a)  de verzekeringsmaatschappij van de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt, of zijn schaderegelaar zoals bedoeld in de artikelen 21 en 22 van Richtlijn 2009/103/EG, of

b)  de schadevergoedingsinstantie zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 van Richtlijn 2009/103/EG,

en de afwijzing van de vordering door de verweerder.

2.  Indien de resterende duur van de verjaringstermijn na afloop van de opschorting minder dan zes maanden bedraagt, zorgen de lidstaten ervoor dat de eiser een minimumtermijn van nog eens zes maanden wordt toegekend om een procedure aanhangig te maken.

Artikel 6

Automatische verlenging van termijnen

De lidstaten waarborgen dat indien een termijn op een zaterdag, zondag of een officiële feestdag eindigt, deze wordt verlengd tot het einde van de eerste daaropvolgende werkdag.

Artikel 7

Berekening van termijnen

De lidstaten waarborgen dat alle termijnen die bij deze richtlijn worden voorgeschreven, als volgt berekend:

a)  de berekening gaat in op de dag volgende op die waarop de betrokken gebeurtenis zich heeft voorgedaan;

b)  indien een termijn wordt uitgedrukt als een jaar of een aantal jaren, eindigt deze in het desbetreffende daaropvolgende jaar in de maand met dezelfde naam en op de dag met dezelfde datum als de maand waarin en de dag waarop genoemde gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Indien de desbetreffende daaropvolgende maand geen dag heeft met dezelfde datum, eindigt de termijn op de laatste dag van die maand;

c)  termijnen wordt niet opgeschort tijdens recessen van rechtbanken.

Artikel 8

Afwikkeling van vorderingen

De lidstaten waarborgen dat wanneer slachtoffers gebruik maken van de in artikel 22 van Richtlijn 2009/103/EC genoemde procedure voor de afwikkeling van vorderingen naar aanleiding van een ongeval dat is veroorzaakt door een verzekerd voertuig, dat niet het effect heeft dat slachtoffers ervan worden weerhouden een gerechtelijke of arbitrageprocedure met betrekking tot die vorderingen op te starten doordat de verjaringstermijn krachtens onderhavige richtlijn tijdens de procedure voor de afwikkeling van hun vordering eindigt.

HOOFDSTUK III:

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 9

Algemene informatie over verjaringstermijnen

De Commissie maakt door de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 3, meegedeelde algemene informatie over de nationale verjaringsregels voor vorderingen inzake schadevergoeding voor schade veroorzaakt door verkeersongevallen openbaar en gemakkelijk toegankelijk via passende kanalen en in alle talen van de Unie.

Artikel 10

Verhouding tot nationaal recht

Deze richtlijn belet de lidstaten niet om de in de richtlijn vastgestelde rechten uit te breiden om een hoger beschermingsniveau te bieden.

Artikel 11

Verhouding tot andere bepalingen van het Unierecht

Deze richtlijn laat Verordening (EG) nr. 864/2007 en Verordening (EU) nr. 1215/2012 onverlet.

HOOFDSTUK IV:

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.  Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

3.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

Evaluatie

De Commissie dient, ten laatste op 31 december 2025 en vervolgens om de vijf jaar, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn op basis van zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens. In deze context dient de Commissie in het bijzonder het effect van deze richtlijn op de toegang tot de rechter, op de rechtszekerheid en op het vrije verkeer van personen te beoordelen. Indien nodig worden bij het verslag wetgevingsvoorstellen gevoegd om deze richtlijn te herzien en te versterken.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15

Adressaten

Deze richtlijn is overeenkomstig de Verdragen gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, [datum]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) Zie onder meer: arrest van 18 september 2003, Peter Pflücke/Bundesanstalt für Arbeit, C-125/01, ECLI:EU:C:2003:477, arrest van 25 juli 1991, Theresa Emmott/Minister for Social Welfare and Attorney General, C-208/90, ECLI:EU:C:1991:333 en arrest van 13 juli 2006, Vincenzo Manfredi e.a /Lloyd Adriatico Assicurazioni SpA e.a., gevoegde zaken C-295/04 tot C-298/04, ECLI:EU:C:2006:461.
(2) PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.
(3) PB L 263 van 7.10.2009, blz. 11.
(4) CETS 076.
(5) PE 581.386, juli 2016.
(6) PE 571.362, juni 2016.
(7) Ook online te raadplegen via: http://ec.europa.eu/civiljustice/news/docs/study_compensation_road_victims_en.pdf (30 november 2008).
(8) PB C 121 van 19.4.2011, blz. 41.
(9) PB C 250 E van 25.10.2007, blz. 99.
(10) Aangenomen teksten, P5_TA(2003)0446.
(11) Zie ook: arrest van 13 december 2007, FBTO Schadeverzekeringen NV/Jack Odenbreit, C-463/06, ECLI:EU:C:2007:792.
(12) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).
(13) COM(2010)0171.
(14) Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 263 van 7.10.2009, blz. 11).
(15) Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PB L 199 van 31.7.2007, blz. 40.
(16) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).


Gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht
PDF 288kWORD 80k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in de Europese Unie (2015/2084(INL))
P8_TA(2017)0282A8-0210/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 67, lid 4, VWEU en artikel 81, lid 2, VWEU,

–  gezien artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest),

–  gezien artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) en de relevante rechtspraak van het EHRM,

–  gezien het werkdocument over invoering van gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in de Europese Unie – de rechtsgrondslag(1),

–  gezien het onderzoek naar de beoordeling van de Europese toegevoegde waarde, uitgevoerd door de afdeling Europese toegevoegde waarde van de onderzoeksdiensten van het Europees Parlement (EPRS) getiteld "Common minimum standards of civil procedure"(2),

–  gezien de diepgaande analyse door de Onderzoeksdienst van de leden van het EPRS getiteld "Europeanisation of civil procedure: towards common minimum standards?"(3),

–  gezien de diepgaande analyse van het directoraat-generaal Intern Beleid "Harmonized rules and minimum standards in the European law of civil procedure"(4),

–  gezien het ontwerp van het European Law Institute (ELI) en het Internationaal Instituut voor de eenmaking van het privaatrecht (Unidroit) getiteld "From Transnational Principles to European Rules of Civil Procedure",

–  gezien de "Principles of Transnational Civil Procedure" van het Amerikaans rechtsinstituut (ALI) en Unidroit(5),

–  gezien de "Study on the approximation of the laws and rules of the Member States concerning certain aspects of the procedure for civil litigation", het zogenoemde verslag-Storme(6),

–  gezien het ontwerpreglement van het eengemaakte octrooigerecht,

–  gezien het Unieacquis op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken,

–  gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) betreffende de beginselen van nationale procedurele autonomie en effectieve rechterlijke bescherming(7),

–  gezien het EU-scorebord voor justitie van 2016,

–  gezien CEPEJ Studies nr. 23 over "European judicial systems: efficiency and quality of justice" van 2016,

–  gezien de "beginselen inzake gerechtelijke opleiding" van het Europees netwerk voor justitiële opleiding van 2016(8),

–  gezien zijn resolutie van 2 april 2014 over de tussentijdse herziening van het programma van Stockholm(9),

–  gezien de artikelen 46 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0210/2017),

Rechtspraak van het HvJ betreffende nationale procedurele autonomie en doeltreffende rechterlijke bescherming

A.  overwegende dat het volgens de vaste rechtspraak van het HvJ betreffende het beginsel van procedurele autonomie aan de lidstaten is om, bij het ontbreken van een Unieregeling inzake de procedurele aspecten van een Unierechtelijk geschil, de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten;

B.  overwegende dat volgens dezelfde rechtspraak de toepassing van de nationale procesregels aan twee belangrijke voorwaarden moeten voldoen: nationale procesregels mogen niet ongunstiger zijn voor Unierechtelijke geschillen dan die voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht (het gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen niet zodanig zijn vormgegeven dat zij de uitoefening van Unierechtelijke rechten en verplichtingen onmogelijk of uiterst moeilijk maken (het doeltreffendheidsbeginsel);

C.  overwegende dat bij gebreke van Uniebepalingen ter harmonisatie van procesregels de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in procesregels voor de handhaving van door de Unie verleende rechten zich niet uitstrekt tot de invoering van nieuwe rechtsmiddelen in nationale rechtsorden om de toepasbaarheid van het Unierecht te waarborgen(10);

D.  overwegende dat de rechtspraak van het HvJ de samenwerking tussen deze instantie en de rechtbanken van de lidstaten vergemakkelijkt en het begrip van het Unierecht bij de burgers en bij deze rechtbanken verbetert;

Het Handvest

E.  overwegende dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, zoals vastgelegd in artikel 47 van het Handvest en in artikel 6 van het EVRM, een van de belangrijkste waarborgen vormt voor de eerbiediging van de rechtsstaat en de democratie en onlosmakelijk verbonden is met het burgerlijk procesrecht in zijn geheel;

F.  overwegende dat artikel 47 van het Handvest weliswaar bindend is en artikel 6 EVRM weliswaar een algemeen beginsel van het Unierecht vormt, maar dat het niveau van bescherming van het recht op een onpartijdig gerecht in burgerlijke procedures, en met name het evenwicht tussen het recht van de eiser op toegang tot de rechter en het recht van de verweerder op verdediging, in de Unie niet geharmoniseerd is;

G.  overwegende dat het recht op een onpartijdig gerecht als grondrecht evenwel wordt aangevuld door diverse procedurele secundaire wetgevingshandelingen van de Unie, zoals de verordening inzake geringe vorderingen(11), de richtlijn rechtsbijstand(12), de aanbeveling inzake collectieve vorderingen(13), de richtlijn inzake bescherming van de consumentenbelangen(14) en de richtlijn inbreuken op het mededingingsrecht(15);

Het acquis van de Unie inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken

H.  overwegende dat Unieburgers, vooral zij die zich grensoverschrijdend verplaatsen, tegenwoordig veel sneller te maken kunnen krijgen met het burgerlijk procesrecht van een andere lidstaat;

I.  overwegende dat minimumnormen voor burgerlijke procedures op Unieniveau kunnen bijdragen aan de modernisering van nationale procedures, aan een gelijk speelveld voor ondernemingen en aan economische groei door middel van doeltreffendere en efficiëntere rechtsstelsels, en tevens de toegang van burgers tot de rechter in de Unie kunnen verbeteren en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden van de Unie kunnen bevorderen;

J.  overwegende dat de Uniewetgever bij kwesties van burgerlijk procesrecht in toenemende mate niet uitsluitend meer kiest voor een horizontale aanpak, zoals in het geval van optionele instrumenten(16), maar ook - binnen verschillende beleidsgebieden, zoals intellectuele eigendom(17), consumentenbescherming(18) of, recentelijk, mededingingsrecht(19) - voor een sectorspecifieke benadering;

K.  overwegende dat de fragmentarische harmonisatie op Unieniveau van procesregels herhaaldelijk is bekritiseerd en dat de opkomst van een sectorspecifiek burgerlijk procesrecht in de Unie schadelijk is voor de coherentie van zowel de burgerlijke procesrechtsstelsels op lidstatelijk niveau als de diverse instrumenten van de Unie;

L.  overwegende dat de voorgestelde richtlijn ertoe strekt een kader voor de beslechting van burgerlijke geschillen op te stellen door bestaande regels van burgerlijk procesrecht van de Unie te systematiseren en het toepassingsgebied ervan uit te breiden naar alle kwesties die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen;

M.  overwegende dat de voorgestelde richtlijn beoogt een beter gecoördineerde, samenhangender en systematischer aanpak te verwezenlijken voor civielrechtelijke stelsels, die niet zijn belemmerd door grenzen en niet zijn beperkt door de belangen en middelen van de afzonderlijke lidstaten;

Rechtsgrondslag van het voorstel

N.  overwegende dat de Unie overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, VEU (het beginsel van bevoegdheidstoedeling) op een bepaald gebied uitsluitend wetgevingshandelingen mag vaststellen als zij daartoe de expliciete bevoegdheid heeft en slechts voor zover dit in overeenstemming is met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

O.  overwegende dat binnen het huidige verdragskader de belangrijkste rechtsgrondslag voor harmonisatie van burgerlijk procesrecht wordt geboden in Titel V VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht;

P.  overwegende dat het vereiste dat er voor bevoegdheid van de Unie sprake moet zijn van een grensoverschrijdend element in het kader van het Verdrag van Lissabon nog altijd geldt, met als gevolg dat optreden van de Unie op het gebied van het burgerlijk recht slechts dan mogelijk is als er aanknopingspunten zijn (bv. woonplaats, plaats van uitvoering enz.) met ten minste twee lidstaten;

Q.  overwegende dat de algemene bepaling van artikel 114 VWEU betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen, is gebruikt en nog altijd wordt gebruikt als rechtsgrondslag voor een breed scala aan sectorspecifieke richtlijnen strekkende tot harmonisering van bepaalde aspecten van het burgerlijk recht, zoals de richtlijn handhaving intellectuele-eigendomsrechten (IPRED) en de recente richtlijn betreffende schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht;

R.  overwegende dat de Unie op grond van artikel 67, lid 4, VWEU de toegang tot de rechter moet vergemakkelijken, met name door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken, zoals uitgewerkt in artikel 81 VWEU;

Wederzijds vertrouwen binnen de Europese justitiële ruimte

S.  overwegende dat het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen samenhangt met de noodzaak om een toereikend niveau van wederzijds vertrouwen te verwezenlijken tussen de justitiële autoriteiten van de verschillende lidstaten, vooral als het gaat om het niveau van bescherming van procedurele rechten;

T.  overwegende dat "wederzijds vertrouwen" in deze context moet worden beschouwd als het vertrouwen dat de lidstaten in elkaars rechtsstelsel en gerechtelijk apparaat moeten hebben en dat resulteert in een verbod op herziening van maatregelen van andere staten en besluiten van de rechterlijke macht van andere staten;

U.  overwegende dat het beginsel van wederzijds vertrouwen kan zorgen voor meer rechtszekerheid en voor voldoende stabiliteit en voorspelbaarheid voor burgers en ondernemingen in de Unie;

V.  overwegende dat de toepassing en eerbiediging van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, in combinatie met een onderlinge aanpassing van wetgeving, de samenwerking tussen de autoriteiten en de juridische bescherming van individuele rechten zal vergemakkelijken;

W.  overwegende dat een stelsel van gemeenschappelijke minimumnormen in de Unie in de vorm van beginselen en regels een eerste stap zou zijn naar convergentie van nationale regelgeving inzake burgerlijk procesrecht, waarmee een evenwicht kan worden bereikt tussen de fundamentele rechten van procespartijen, met het oog op vol wederzijds vertrouwen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten;

X.  overwegende dat het voor wederzijds vertrouwen wenselijk of zelfs noodzakelijk is dat er procedurele waarborgen zijn vastgesteld inzake de doeltreffendheid en efficiëntie van burgerrechtelijke procedures en inzake gelijke behandeling van partijen en dat deze procedurele waarborgen ook worden geëerbiedigd;

Y.  overwegende dat invoering van een dergelijk stelsel van gemeenschappelijke minimumnormen ook een minimaal kwaliteitsniveau voor burgerrechtelijke procedures binnen de hele Unie zou waarborgen, hetgeen niet alleen het wederzijds vertrouwen tussen rechtsstelsels zou versterken, maar ook een positieve invloed kan hebben op de werking van de interne markt, omdat wordt gedacht dat procedurele verschillen tussen de lidstaten onder meer de handel kunnen verstoren en ondernemingen en consumenten kunnen ontraden hun uit de interne markt voortvloeiende rechten uit te oefenen;

Andere overwegingen

Z.  overwegende dat de onderlinge aanpassing van procedurele stelsels in de Unie noodzakelijk is; overwegende dat de voorgestelde richtlijn bedoeld is als eerste stap in het proces van verdere harmonisatie en convergentie van de burgerrechtelijke stelsels van de lidstaten en de invoering, op de lange termijn, van een wetboek van burgerlijke rechtsvordering van de Unie;

AA.  overwegende dat de voorgestelde richtlijn geen afbreuk doet aan de rechterlijke organisatie van de lidstaten, noch aan de belangrijkste kenmerken van de wijze waarop burgerrechtelijke procedures worden gevoerd, maar efficiëntere nationale procesregels mogelijk maakt;

AB.  overwegende dat het derhalve van het allergrootste belang is dat wetgeving wordt vastgesteld die voorziet in de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in de Unie en dat deze wetgeving naar behoren ten uitvoer wordt gelegd;

Rechtspraak van het HvJ inzake nationale procedurele autonomie en doeltreffende rechterlijke bescherming

1.  neemt kennis van de centrale rol die het Hof van Justitie heeft gespeeld bij het leggen van de basis voor het burgerlijk procesrecht van de Unie, door invulling te geven aan de betekenis die het burgerlijk procesrecht heeft binnen het rechtsstelsel van de Unie;

2.  benadrukt evenwel dat diverse burgerlijke procesnormen die nu worden aanvaard als onderdeel van het procedurele stelsel van de Unie weliswaar in de rechtspraak van het HvJ zijn bevestigd, maar dat de bijdrage van het HvJ in de eerste plaats bestaat in de interpretatie en niet in het opstellen van normen;

3.  benadrukt dan ook dat de ruime ervaring van het HvJ op het gebied van de toetsing van rechtsmiddelen en procedureregels en de compromissen en de concurrerende waarden die het HvJ voorstaat bijzonder instructief zijn en moeten worden meegewogen bij de invoering van een horizontaal overkoepelend instrument van wetgevende aard met gemeenschappelijke normen voor burgerlijk procesrecht;

Het Handvest

4.  benadrukt dat, met het oog op een eerlijk proces en toegang tot de rechter, samenwerkingsnetwerken en databanken ter bevordering van justitiële samenwerking en uitwisseling van informatie behouden moeten blijven en verder moeten worden uitgebreid;

5.  is dan ook zeer ingenomen met de ontwikkelingen op het gebied van e-justitie, en meer bepaald met de oprichting van het Europees justitieel netwerk en het Europese e-justitieportaal, dat een centraal aanspreekpunt moet worden op het gebied van justitie in de Unie;

Het acquis van de Unie inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken

6.  verzoekt de Commissie voorts na te gaan of verdere maatregelen moeten worden voorgesteld voor de consolidatie en versterking van een horizontale aanpak van de privaatrechtelijke handhaving van Unierechtelijk toegekende rechten en of de hierbij voorgestelde gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht kunnen worden gezien als een stimulans voor en bijdrage aan een dergelijk horizontaal paradigma;

7.  herhaalt dat de systematische verzameling van statistische gegevens over de toepassing en prestatie van bestaande instrumenten van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken van het allergrootste belang is;

8.  nodigt de Commissie in dit verband uit te beoordelen of aanvullende uitvoeringsmaatregelen door de lidstaten kunnen bijdragen aan een doeltreffende toepassing van op zichzelf staande procedures van de Unie, en is van oordeel dat de Commissie met het oog hierop een robuust en systematisch toezichtssysteem moet realiseren;

Rechtsgrondslag van het voorstel

9.  stelt vast dat artikel 114 VWEU (harmonisatie van de interne markt) als rechtsgrondslag is gebruikt voor de vaststelling van diverse handelingen van de Unie met procedurele gevolgen; constateert dat artikel 114 VWEU betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen, is en nog steeds wordt gebruikt als rechtsgrondslag voor een breed scala aan sectorspecifieke richtlijnen strekkende tot harmonisering van bepaalde aspecten van het burgerlijk recht, zoals de richtlijn handhaving intellectuele-eigendomsrechten (IPRED);

10.  merkt evenwel op dat artikel 81 VWEU voorziet in de vaststelling van maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, waaronder maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt; is dan ook van mening dat artikel 81 VWEU de passende rechtsgrondslag is voor het voorgestelde wetgevingsinstrument;

11.  is van oordeel dat de term "grensoverschrijdende gevolgen" in de tekst van artikel 81, lid 1, VWEU betreffende de goedkeuring van maatregelen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken ruimer moet worden opgevat en dus niet moet worden opgevat als synoniem van "grensoverschrijdende procesvoering";

12.  benadrukt dat de huidige interpretatie van "zaken met grensoverschrijdende gevolgen" vrij beperkt is en leidt tot de opstelling van twee soorten wetgeving en twee categorieën procespartijen, hetgeen kan leiden tot meer problemen en onnodige complexiteit; pleit derhalve voor een ruimere interpretatie;

13.  benadrukt in dit verband dat de hierbij voorgestelde gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht kunnen leiden tot nog meer efficiëntie als de lidstaten deze normen niet alleen zouden toepassen bij onder het Unierecht vallende kwesties, maar ook bij grensoverschrijdende en zuiver nationale gevallen in het algemeen;

Wederzijds vertrouwen binnen de Europese justitiële ruimte

14.  merkt op dat de invoering van instrumenten betreffende rechtsbevoegdheid, litispendentie en grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van beslissingen de belangrijkste maatregelen zijn die de Unie op het gebied van het burgerlijk recht binnen de Europese rechtsruimte heeft genomen;

15.  herhaalt en benadrukt dat het vrije verkeer van beslissingen het wederzijds vertrouwen tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten heeft doen toenemen, en dat daardoor de rechtszekerheid is toegenomen en er voldoende stabiliteit en voorspelbaarheid is voor burgers en ondernemingen in de Unie;

16.  benadrukt in dit verband dat wederzijds vertrouwen een complex begrip is en dat er veel factoren meespelen bij het opbouwen van dat vertrouwen, zoals de gerechtelijke opleiding, grensoverschrijdende justitiële samenwerking en de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken tussen rechters;

17.  merkt op dat wederzijds vertrouwen ook kan worden bevorderd door methoden van niet wetgevende aard, bijvoorbeeld via samenwerking tussen rechters in het kader van het Europees justitieel netwerk of deelname aan scholing;

18.  is dan ook verheugd over de negen grondbeginselen inzake gerechtelijke opleiding die het Europees netwerk voor justitiële opleiding tijdens zijn algemene vergadering van 2016 heeft aangenomen, omdat deze grondbeginselen een gemeenschappelijk fundament en kader vormen voor zowel de rechterlijke macht als de gerechtelijke opleidingsinstituten in Europa;

19.  is evenwel van oordeel dat, strikt juridisch gezien, voorwaarde voor wederzijds vertrouwen is dat de rechterlijke instanties van de lidstaten elkaars procedures - zowel de theorie ervan als de praktijk - beschouwen als eerlijke burgerrechtelijke procedures;

20.  wijst er derhalve op dat de uitwerking van systematische minimumnormen voor het burgerlijk procesrecht in de Unie in de vorm van een algemene horizontale richtlijn kan leiden tot een groter wederzijds vertrouwen tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten en kan zorgen voor een gemeenschappelijk onderling afgestemd systeem van fundamentele procedurele rechten voor burgerlijke geschillen, dat het algemene gevoel van rechtvaardigheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid in de hele Unie kan versterken;

Gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht

21.  benadrukt dat doeltreffende stelsels van burgerlijk procesrecht van groot belang zijn voor de eerbiediging van de rechtsstaat en de fundamentele waarden van de Unie; benadrukt dat zij ook voorwaarde zijn voor duurzame investeringen en een klimaat dat gunstig is voor ondernemingen en consumenten;

22.  is van mening dat onduidelijkheid over verjaringstermijnen voor burgers, consumenten en ondernemingen die betrokken zijn bij een geschil met grensoverschrijdende gevolgen de toegang tot de rechter kan belemmeren; dringt er dus bij de Commissie en de lidstaten op aan te onderzoeken of het haalbaar en wenselijk is om de verjaringstermijnen voor burgerrechtelijke procedures te harmoniseren;

23.  is van mening dat er een duidelijke behoefte is aan wetgeving die voorziet in een geheel van procedurele normen die van toepassing zijn op burgerrechtelijke procedures en roept de Commissie op verder te gaan met de uitvoering van haar actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm dat de Raad op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht heeft vastgesteld;

24.  verzoekt de Commissie daarom overeenkomstig artikel 225 VWEU om uiterlijk op 30 juni 2018 op basis van artikel 81, lid 2, VWEU, een voorstel in te dienen voor een wetgevingshandeling betreffende gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht, een en ander in overeenstemming met de aanbevelingen in de bijlage bij deze resolutie;

25.  wijst erop dat in de bij deze resolutie gevoegde aanbevelingen de grondrechten en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden geëerbiedigd;

26.  is van mening dat het verlangde voorstel geen financiële implicaties heeft, aangezien de invoering van minimumnormen voor burgerlijk procesrecht zal leiden tot schaalvoordelen in de vorm van lagere kosten voor procespartijen en hun vertegenwoordigers die zich niet meer hoeven in te werken in het stelsel van burgerlijk procesrecht van een ander land;

o
o   o

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN VOOR EEN RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD BETREFFENDE GEMEENSCHAPPELIJKE MINIMUMNORMEN VOOR BURGERLIJK PROCESRECHT IN DE EU

A.  BEGINSELEN EN DOELSTELLINGEN VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

1.  In de Unie blijft rechtshandhaving voor rechtbanken in grote mate een kwestie van nationale procedurele regels en praktijken. Nationale rechtbanken zijn ook rechtbanken van de Unie. Het is dan ook zaak dat in de procedures voor deze rechtbanken eerlijkheid, rechtvaardigheid en doeltreffendheid, alsmede een doeltreffende toepassing van het Unierecht, worden gewaarborgd.

2.  De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerrechtelijke zaken heeft het wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars burgerrechtelijke stelsels vergroot. Daarnaast kunnen maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten de samenwerking tussen de autoriteiten vergemakkelijken en de rechterlijke bescherming van individuele rechten versterken. De mate van wederzijds vertrouwen hangt sterk samen met een aantal parameters, zoals mechanismen voor het waarborgen van de rechten van de eiser of verweerder bij de toegang tot de rechter en tot rechtspleging.

3.  De lidstaten zijn partij bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar de ervaring heeft geleerd dat dit op zich niet altijd zorgt voor voldoende vertrouwen in de burgerrechtelijke stelsels van andere lidstaten. Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de nationale regels voor burgerlijk procesrecht van de lidstaten. Hierbij gaat het vaak om verschillen met betrekking tot fundamentele procedurele beginselen en waarborgen, die in de weg kunnen staan aan wederzijds vertrouwen tussen gerechtelijke autoriteiten.

4.  Om de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers van de Unie te beschermen, nationale procedures te helpen moderniseren, te zorgen voor een eerlijk speelveld voor ondernemingen en groei te stimuleren door middel van doeltreffende en efficiënte rechtsstelsels, moet er dan ook een richtlijn worden vastgesteld waarin de minimumnormen van het Handvest en het EVRM nader zijn uitgewerkt. De passende rechtsgrondslag voor een dergelijk voorstel is artikel 81, lid 2, VWEU, dat betrekking heeft op maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken. De richtlijn moet volgens de gewone wetgevingsprocedure worden vastgesteld.

5.  Gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht worden noodzakelijk geacht als stevige basis voor de onderlinge aanpassing en verbetering van nationale wetgeving, waarbij de lidstaten flexibiliteit wordt geboden bij de voorbereiding van nieuwe wetgeving inzake burgerlijk procesrecht, maar tegelijkertijd een algemene consensus over de beginselen van burgerlijk procesrecht wordt weerspiegeld.

6.  Gemeenschappelijke minimumnormen kunnen het vertrouwen in de burgerrechtelijke stelsels van alle lidstaten vergroten, wat dan weer kan leiden tot een doeltreffender, snellere en flexibelere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen. Deze gemeenschappelijke minimumnormen kunnen ook een einde maken aan belemmeringen voor het vrije verkeer van burgers op het gehele grondgebied van de lidstaten, in die zin dat met name burgers die naar het buitenland reizen niet meer terughoudend zijn om in contact te komen met het burgerrechtelijke systeem van een andere lidstaat.

7.  De voorgestelde richtlijn heeft niet tot doel nationale burgerrechtelijke stelsels in hun geheel te vervangen. De richtlijn eerbiedigt nationale bijzonderheden en het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, in het kader waarvan de daadwerkelijke en doeltreffende toegang tot de rechter is gewaarborgd, en heeft ten doel gemeenschappelijke minimumnormen in te voeren voor de werking en het verloop van burgerrechtelijke procedures in de lidstaten met betrekking tot alle kwesties die onder het Unierecht vallen. De richtlijn is ook bedoeld als basis voor de geleidelijke verdieping van de onderlinge afstemming van de stelsels van burgerlijk procesrecht van de lidstaten.

8.  Het voorstel heeft geen invloed op de bepalingen van de lidstaten inzake de organisatie van hun rechtbanken en hun regels betreffende de benoeming van rechters.

9.  Het huidige voorstel strookt met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, aangezien de lidstaten afzonderlijk niet in staat zijn om minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in te voeren en het voorstel niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter en het wederzijds vertrouwen in de Unie te waarborgen.

B.  TEKST VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht in de Europese Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 81, lid 2,

Gezien het verzoek van het Europees Parlement aan de Europese Commissie,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen waarin het vrije verkeer van personen is gewaarborgd. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van die ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.

(2)  Krachtens artikel 81, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten dergelijke maatregelen onder meer het volgende beogen: de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en de tenuitvoerlegging daarvan, de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van stukken, samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen, daadwerkelijke toegang tot de rechter en het wegnemen van hindernissen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake burgerlijke rechtsvordering.

(3)  Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, zouden een versterkte wederzijdse erkenning en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgevingen de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en de rechtsbescherming van het individu ten goede komen. Het beginsel van wederzijdse erkenning moet dan ook de hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken binnen de Unie worden.

(4)  Overeenkomstig het actieplan van de Commissie ter uitvoering van het programma van Stockholm dat de Raad op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht heeft vastgesteld, zijn de Europese justitiële ruimte en de goede werking van de interne markt gegrond op het fundamentele beginsel van de wederzijdse erkenning, dat op zijn beurt is gestoeld op het idee dat lidstaten elkaars rechtstelsels vertrouwen. Dit beginsel kan alleen effectief werken op basis van wederzijds vertrouwen tussen rechters, beoefenaars van juridische beroepen, ondernemingen en burgers. De omvang van dit vertrouwen hangt af van een aantal parameters, zoals het bestaan van mechanismen om de procedurele rechten van procespartijen in burgerrechtelijke procedures te vrijwaren. Gemeenschappelijke minimumnormen die het recht op een onpartijdig gerecht en de doeltreffendheid van rechtsstelsels vergroten en bijdragen aan een daadwerkelijk handhavingsregime zijn dan ook nodig om de toepassing van dit beginsel te waarborgen.

(5)  Door minimumregels voor de bescherming van procedurele rechten van procespartijen op te stellen en de toegang tot de rechter voor burgers gemakkelijker te maken, moet deze richtlijn het vertrouwen van lidstaten in de burgerrechtelijke stelsels van andere lidstaten versterken en zo bijdragen aan de bevordering van een cultuur van grondrechten in de Unie en aan een doeltreffender interne markt, waarbij de fundamentele vrijheden van de Unie worden geëerbiedigd, door middel van de ontwikkeling van een dieper algemeen gevoel van rechtvaardigheid, zekerheid en voorspelbaarheid in de hele Unie.

(6)  De bepalingen van deze richtlijn moeten van toepassing zijn op burgerrechtelijke geschillen met grensoverschrijdende gevolgen, waaronder geschillen die voortvloeien uit de schending van de rechten en vrijheden die door het Unierecht worden gewaarborgd. Wanneer deze richtlijn verwijst naar een schending van aan het Unierecht ontleende rechten, vallen daaronder alle situaties waarin de schending van op het niveau van de Unie vastgestelde voorschriften schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Niets mag lidstaten ervan weerhouden de bepalingen van deze richtlijn ook toe te passen op louter nationale burgerlijke geschillen.

(7)  Alle lidstaten zijn verdragsluitende partij bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950. De in deze richtlijn bedoelde zaken dienen te worden behandeld met inachtneming van dat Verdrag, in het bijzonder het recht op een eerlijk proces en op een doeltreffende voorziening in rechte.

(8)  Deze richtlijn strekt ertoe de toepassing te bevorderen van gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht om de daadwerkelijke toegang tot de rechter in de Unie te verzekeren. Het algemeen erkende recht op toegang tot de rechter wordt bekrachtigd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

(9)  Burgerrechtelijke procedures moeten verder worden verbeterd door gebruik te maken van de technologische ontwikkelingen op het gebied van justitie en van nieuwe aan de gerechten ter beschikking staande instrumenten die ertoe kunnen bijdragen de geografische afstand te overbruggen en de daaruit voortvloeiende gevolgen als hoge kosten en lange procedures te ondervangen. Om de proceskosten en de duur van procedures verder te verminderen, moet het gebruik van moderne communicatietechnologie door partijen en gerechten verder worden aangemoedigd.

(10)  Om personen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord zonder dat zij naar het gerecht hoeven te reizen, moeten lidstaten ervoor zorgen dat mondelinge behandeling en bewijsverkrijging door het horen van getuigen, deskundigen of partijen kunnen plaatsvinden met behulp van passende technieken voor communicatie op afstand, tenzij het gebruik van dergelijke technologieën vanwege de specifieke omstandigheden van de zaak niet passend zou zijn met het oog op een eerlijke rechtspleging. Deze bepaling is van toepassing onverminderd de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad(20).

(11)  De rechtbanken van de lidstaten moeten voor technische, juridische of andere bewijskwesties kunnen vertrouwen op de adviezen van deskundigen. Behalve wanneer dwangmiddelen nodig zijn en overeenkomstig de vrijheid van dienstverlening en de rechtspraak van het Hof van Justitie, moeten rechters in de ene lidstaat deskundigen kunnen aanwijzen om onderzoeken uit te voeren in een andere lidstaat zonder dat hiervoor een voorafgaande goedkeuring nodig is. Om het inschakelen van juridische deskundigen te vergemakkelijken, rekening houdend met het feit dat het moeilijk kan zijn om in het rechtsgebied van een lidstaat voldoende gekwalificeerde deskundigen aan te wijzen, bijvoorbeeld omdat de zaak technisch ingewikkeld is of omdat er directe of indirecte banden bestaan tussen deskundigen en partijen, moet als onderdeel van het Europese e-justitieportaal een Europees register van alle nationale lijsten van deskundigen worden opgesteld en bijgehouden.

(12)  Bij voorlopige en bewarende maatregelen moet een passend evenwicht worden gevonden tussen het belang van de verzoeker om voorlopige bescherming geboden te krijgen en het belang van de verweerder dat geen misbruik wordt gemaakt van deze bescherming. Wanneer voorafgaand aan een rechterlijke beslissing om voorlopige maatregelen wordt verzocht, moet de verzoeker ten genoegen van het gerecht waar het verzoek is ingediend kunnen aantonen dat hij de procedure betreffende het bodemgeschil tegen de verweerder waarschijnlijk zal winnen. Bovendien moet van de verzoeker in alle omstandigheden worden gevraagd ten genoegen van de rechtbank aan te tonen dat zijn eis dringende rechtsbescherming vereist en dat zonder de voorlopige maatregelen de tenuitvoerlegging van de bestaande of toekomstige rechterlijke beslissing in het gedrang kan komen of aanzienlijk kan worden bemoeilijkt.

(13)  De bepalingen van deze richtlijn mogen geen afbreuk doen aan de bijzondere bepalingen voor de handhaving van rechten op het gebied van intellectuele eigendom zoals vastgelegd in Unie-instrumenten en meer bepaald de bepalingen in Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad(21). Zij mogen evenmin afbreuk doen aan de bijzondere bepalingen voor de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen zoals vastgelegd in het Europees bevel tot conservatoir beslag(22).

(14)  Rechtbanken moeten een sleutelrol spelen bij de bescherming van de rechten en belangen van alle partijen en bij het effectieve en daadwerkelijke beheer van de burgerrechtelijke procedures.

(15)  De doelstelling om te zorgen voor een eerlijk proces, betere toegang tot de rechter en wederzijds vertrouwen, als onderdeel van het Uniebeleid ter verwezenlijking van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, moet de toegang tot gerechtelijke en buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmethoden omvatten. Teneinde partijen aan te moedigen gebruik te maken van bemiddeling moeten de lidstaten ervoor zorgen dat hun regels inzake verjaring partijen niet beletten beroep te doen op de rechter of een arbitrage-instantie indien hun bemiddelingspoging geen resultaat heeft.

(16)  Wegens verschillen tussen de lidstaten in de regels van burgerlijk procesrecht, en met name die welke betrekking hebben op de betekening en kennisgeving van stukken, moeten minimumnormen worden vastgesteld die in het kader van onder het Unierecht vallende burgerrechtelijke procedures van toepassing dienen te zijn. Betekenings- en kennisgevingsmethoden die onmiddellijke en veilige ontvangst van de betekende stukken verzekeren, bevestigd door een ontvangstbewijs, moeten prioriteit krijgen. Het gebruik van moderne communicatietechnologieën moet dan ook op grote schaal worden bevorderd. Voor stukken die aan partijen moeten worden betekend of ter kennis gebracht, moet de elektronische betekening of kennisgeving op gelijke voet staan met betekening of kennisgeving per post. De beschikbare elektronische middelen moeten verzekeren dat de inhoud van de ontvangen stukken en andere schriftelijke communicatie overeenstemt met die van de verzonden stukken en andere schriftelijke communicatie en dat de gevolgde ontvangstbevestigingsmethode een bewijs levert van de ontvangst door de geadresseerde en van de datum van ontvangst.

(17)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de partijen bij burgerrechtelijke procedures het recht hebben op een advocaat naar keuze. In grensoverschrijdende geschillen moeten partijen recht hebben op een advocaat in de lidstaat van herkomst voor voorafgaand advies en op een andere advocaat in de ontvangende lidstaat om het proces te voeren. Vertrouwelijkheid van communicatie tussen de partijen en hun advocaat is van essentieel belang om daadwerkelijke uitoefening van het recht op een onpartijdig gerecht te verzekeren. De lidstaten dienen derhalve het vertrouwelijke karakter van ontmoetingen en andere vormen van communicatie tussen advocaten en partijen in het kader van de uitoefening van het recht op een advocaat waarin deze richtlijn voorziet, te waarborgen. De partijen bij een proces moeten de mogelijkheid hebben om afstand te doen van een uit hoofde van deze richtlijn verleend recht, op voorwaarde dat hun informatie is gegeven om met kennis van zaken te oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van dat recht.

(18)  De betaling van de gerechtskosten mag niet vereisen dat de eiser naar de lidstaat van het aangezochte gerecht reist of daartoe een advocaat in de arm neemt. Om de effectieve uitoefening van toegang van de eiser tot de procedure te verzekeren, moeten de lidstaten minstens een van de methoden voor betaling op afstand aanbieden waarin in deze richtlijn is voorzien. De informatie over gerechtskosten en betalingswijzen alsmede over de autoriteiten of organisaties die bevoegd zijn om praktische bijstand in de lidstaten te verlenen, moet transparant en gemakkelijk op het internet te vinden zijn via nationale websites.

(19)  De lidstaten moeten de eerbiediging van het grondrecht op rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 47, derde lid, van het Handvest, waarborgen. Alle natuurlijke of rechtspersonen die betrokken zijn bij burgerrechtelijke geschillen binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, ongeacht of zij als eiser dan wel als verweerder optreden, moeten hun rechten in rechte kunnen doen gelden, ook indien hun persoonlijke financiële toestand hen niet in staat stelt de proceskosten te dragen. Rechtsbijstand dient zich uit te strekken tot advies in de precontentieuze fase met het oog op het vinden van een oplossing voordat er een gerechtelijke procedure wordt ingeleid, juridische bijstand bij het aanhangig maken van een zaak bij de rechter en vertegenwoordiging in rechte, alsook een tegemoetkoming in de proceskosten. Deze bepaling geldt onverminderd Richtlijn 2003/8/EG van de Raad(23).

(20)  De Europese justitiële ruimte kan slechts goed werken als er een Europese justitiële cultuur tot stand wordt gebracht waarin de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht volledig worden geëerbiedigd. Gerechtelijke opleiding is een cruciaal onderdeel van dit proces, omdat er daardoor meer wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, de beoefenaars van juridische beroepen en de burgers ontstaat. In dit verband moeten de lidstaten samenwerken, beroepsopleidingen steunen en de uitwisseling van beste praktijken tussen juridische beroepsbeoefenaren bevorderen.

(21)  Deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften. De lidstaten kunnen de in deze richtlijn vastgestelde rechten uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Een dergelijk hoger beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor het wederzijdse vertrouwen en de daadwerkelijke toegang tot de rechter die deze minimumvoorschriften beogen te bevorderen. Het beschermingsniveau waarin het Handvest voorziet, zoals uitgelegd door het Hof, en de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht mogen hierbij niet in het gedrang komen.

(22)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het tot stand brengen van gemeenschappelijke minimumnormen voor burgerlijk procesrecht, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(23)  Overeenkomstig [artikel 3]/[artikelen 1 en 2] van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, [hebben deze lidstaten laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze richtlijn]/[nemen deze lidstaten, onverminderd artikel 4 van dat protocol, niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is dan ook niet bindend voor noch van toepassing in deze landen].

(24)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze richtlijn, die derhalve niet bindend voor, noch van toepassing is op Denemarken.

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I:

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

De doelstelling van deze richtlijn is de onderlinge aanpassing van de stelsels van burgerlijk procesrecht om volledige eerbiediging van het recht op doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, zoals erkend in artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM, te waarborgen door minimumnormen vast te stellen betreffende de instelling, het verloop en de afronding van burgerrechtelijke procedures voor gerechten in de lidstaten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Onverminderd normen van burgerlijk procesrecht waarin is voorzien in Uniewetgeving of nationale wetgeving, voor zover deze normen gunstiger zijn voor de procespartijen, is deze richtlijn van toepassing op burgerlijke en handelszaken in geschillen met grensoverschrijdende gevolgen, ongeacht de aard van het gerecht, behalve inzake rechten en verplichtingen waarover partijen niet beschikken uit hoofde van het toepasselijke recht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en bestuursrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).

2.  In deze richtlijn wordt onder "lidstaat" verstaan: een andere lidstaat dan [het Verenigd Koninkrijk, Ierland en] Denemarken.

Artikel 3

Geschillen met grensoverschrijdende gevolgen

1.  Voor de toepassing van deze richtlijn heeft een geschil grensoverschrijdende gevolgen wanneer:

(a)  ten minste een van de partijen haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, of

(b)  beide partijen hun woonplaats hebben in dezelfde lidstaat als die van het aangezochte gerecht, op voorwaarde dat de plaats van uitvoering van de overeenkomst, de plaats waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan of de plaats van tenuitvoerlegging van de beslissing in een andere lidstaat gelegen is, of

(c)  beide partijen hun woonplaats hebben in dezelfde lidstaat als die van het aangezochte gerecht, op voorwaarde dat het onderwerp van het geschil onder het Unierecht valt.

2.  Voor de toepassing van lid 1 wordt de woonplaats bepaald overeenkomstig de artikelen 62 en 63 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad(24).

HOOFDSTUK II:

MINIMUMNORMEN VOOR BURGERLIJKE RECHTSVORDERING

Afdeling 1

Eerlijke en doeltreffende resultaten

Artikel 4

Algemene verplichting inzake doeltreffende rechterlijke bescherming

De lidstaten voorzien in de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn om de handhaving van de rechten die door het Unierecht in burgerlijke zaken worden toegekend te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn eerlijk en billijk, zijn niet onnodig ingewikkeld of kostbaar en houden geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen in en respecteren de nationale bijzonderheden en grondrechten.

Die maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn doeltreffend en evenredig en worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor daadwerkelijke toegang tot de rechter wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.

Artikel 5

Mondelinge behandeling

1.  De lidstaten waarborgen een eerlijk verloop van de procedure. Indien partijen niet fysiek aanwezig kunnen zijn of indien partijen, met goedkeuring van het gerecht, zijn overeengekomen gebruik te maken van snelle communicatiemiddelen, waarborgen de lidstaten dat de mondelinge behandeling kan plaatsvinden met gebruikmaking van passende technologie voor communicatie op afstand, zoals videoconferentie of teleconferentie, waarover het gerecht beschikt.

2.  Als de te horen persoon zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht, wordt de aanwezigheid van die persoon bij een mondelinge behandeling via videoconferentie, teleconferentie of een andere passende technologie voor communicatie op afstand georganiseerd door gebruik te maken van de procedures van Verordening (EG) nr. 1206/2001. Met betrekking tot videoconferentie wordt rekening gehouden met de op 15 en 16 juni 2015 door de Raad aangenomen aanbevelingen van de Raad over grensoverschrijdende videoconferenties(25) en met de in het kader van het Europese e-justitieportaal verrichte werkzaamheden.

Artikel 6

Voorlopige en bewarende maatregelen

1.  De lidstaten waarborgen dat voorlopige maatregelen voor het behoud van een feitelijke of wettelijke situatie worden ingevoerd om vóór het begin van de bodemprocedure of op enig ogenblik tijdens deze procedure de volledige doeltreffendheid van een latere rechterlijke beslissing over het bodemgeschil te waarborgen.

De in lid 1 bedoelde maatregelen omvatten ook maatregelen om dreigende inbreuken te voorkomen of om onmiddellijk een einde te maken aan een vermeende inbreuk en alsook voor het behoud van middelen die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat de inning van de vordering niet in het gedrang komt of aanzienlijk wordt bemoeilijkt.

2.  Bij dergelijke maatregelen worden de rechten van de verdediging geëerbiedigd en deze maatregelen moeten in verhouding staan tot de kenmerken en de ernst van de vermeende schending. Waar passend worden waarborgen geboden voor de kosten en de schade bij de verweerder ten gevolge van een ongerechtvaardigd verzoek. De gerechten hebben de bevoegdheid van de eiser te verlangen dat hij redelijkerwijs beschikbaar te achten bewijsmateriaal overlegt, opdat zij zich er met een voldoende mate van zekerheid van kunnen vergewissen dat de gevraagde voorlopige maatregel noodzakelijk en evenredig is.

3.  De lidstaten waarborgen dat in naar behoren gemotiveerde gevallen voorlopige maatregelen kunnen worden genomen zonder dat de verweerder is gehoord, wanneer uitstel onherstelbare schade voor de eiser zou veroorzaken, of wanneer er een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd. In een dergelijk geval worden de maatregelen onverwijld, en ten laatste onmiddellijk nadat zij zijn uitgevoerd, ter kennis van partijen gebracht.

Op verzoek van de verweerder vindt een toetsing plaats, waarbij de verweerder het recht heeft te worden gehoord, teneinde binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de maatregelen te beslissen of die maatregelen dienen te worden gewijzigd, herroepen of bevestigd.

Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen worden herroepen of wanneer daarna wordt vastgesteld dat er geen inbreuk of gevaar van inbreuk is geweest, kan het gerecht de verzoeker, op verzoek van de verweerder, bevelen de verweerder passende schadevergoeding te verstrekken voor de door de maatregelen veroorzaakte schade.

4.  Dit artikel geldt onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2004/48/EG en Verordening (EU) nr. 655/2014.

Afdeling 2

Efficiëntie van de procedure

Artikel 7

Procedurele efficiëntie

1.  De gerechten van de lidstaten eerbiedigen het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, dat de daadwerkelijke toegang tot de rechter waarborgt, en het beginsel van hoor en wederhoor, met name bij beslissingen over de noodzaak van een mondelinge behandeling, de bewijsmiddelen en de omvang van de bewijslast.

2.  De gerechten van de lidstaten handelen zo vroeg mogelijk, ongeacht of er al dan niet voorgeschreven termijnen bestaan voor bepaalde handelingen tijdens de verschillende fasen van de procedure.

Artikel 8

Gemotiveerde besluiten

De lidstaten waarborgen dat gerechten binnen een redelijke termijn voldoende gedetailleerde gemotiveerde besluiten verstrekken, zodat partijen in staat zijn om doeltreffend gebruik te maken van hun recht op herziening van besluiten of het recht om in beroep te gaan.

Artikel 9

Algemene beginselen voor het verloop van de procedure

1.  De lidstaten waarborgen dat de gerechten de zaken die zij behandelen actief beheren, om een eerlijke en doeltreffende afhandeling van geschillen binnen een redelijke termijn en tegen redelijke kosten te garanderen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de vrijheid van partijen om het onderwerp van en het ondersteunende bewijs voor hun zaak te bepalen.

2.  Voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, beheert het gerecht de zaak in overleg met partijen. Meer specifiek kan actief beheer van een zaak het volgende omvatten:

(a)  het aanmoedigen van partijen om met elkaar samen te werken tijdens de procedure;

(b)  het in een vroeg stadium in kaart brengen van geschilpunten;

(c)  het onmiddellijk beslissen welke geschillen volledig moeten worden onderzocht en welke beknopt kunnen worden behandeld;

(d)  het vastleggen van de volgorde waarin geschillen moeten worden opgelost;

(e)  het helpen van partijen om de zaak geheel of gedeeltelijk te schikken;

(f)  het vastleggen van tijdschema's om de voortgang van de zaak te controleren;

(g)  het in één keer behandelen van zo veel aspecten van de zaak als het gerecht aankan;

(h)  het behandelen van de zaak zonder dat partijen persoonlijk aanwezig hoeven te zijn;

(i)  het gebruikmaken van beschikbare technische middelen.

Artikel 10

Bewijsverkrijging

1.  De lidstaten waarborgen dat doeltreffende middelen voor overlegging, verkrijging en bewaring van bewijsstukken beschikbaar zijn, rekening houdend met de rechten van de verdediging en de noodzaak om vertrouwelijke informatie te beschermen.

2.  De lidstaten moedigen het gebruik van moderne communicatietechnologie bij bewijsverkrijging aan. Het aangezochte gerecht maakt gebruik van de eenvoudigste en goedkoopste wijze van bewijsverkrijging.

Artikel 11

Gerechtsdeskundigen

1.  Onverminderd de mogelijkheid dat partijen bewijsmateriaal van deskundigen overleggen, zorgen de lidstaten ervoor dat het gerecht te allen tijde gerechtsdeskundigen kan aanwijzen die advies geven over bepaalde aspecten van het geschil. Het gerecht verstrekt dergelijke deskundigen alle informatie die noodzakelijk is voor het verstrekken van het deskundigenadvies.

2.  In grensoverschrijdende geschillen, behalve wanneer dwangmiddelen nodig zijn of wanneer een onderzoek wordt uitgevoerd op plaatsen die verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag van een lidstaat of op plaatsen die volgens het recht van de lidstaat waar het onderzoek wordt uitgevoerd niet of slechts door bevoegde personen mogen worden betreden of waar enkel die personen bepaalde handelingen mogen verrichten, waarborgen de lidstaten dat een gerecht een gerechtsdeskundige kan aanstellen om onderzoeken uit te voeren buiten het rechtsgebied van het gerecht zonder dat hiervoor enig voorafgaand verzoek bij de betreffende overheid van de andere lidstaat nodig is.

3.  Voor de toepassing van de leden 1 en 2 voert de Commissie een Europees register van deskundigen in door bestaande nationale lijsten van deskundigen samen te voegen en beschikbaar te maken via het Europees e-justitieportaal.

4.  De gerechtsdeskundigen stellen zich onafhankelijk en onpartijdig op, overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op rechters als bedoeld in artikel 22.

5.  Aan het gerecht uitgebracht deskundigenadvies wordt ter beschikking van partijen gesteld, die de mogelijkheid hebben hierop te reageren.

Afdeling 3

Toegang tot de rechter en tot justitie

Artikel 12

Beslechting van geschillen

1.  De lidstaten waarborgen dat het gerecht, als het van oordeel is dat het geschil kan worden opgelost, in elk stadium van de procedure en gelet op alle omstandigheden van de zaak, kan voorstellen dat partijen gebruikmaken van bemiddeling om het geschil te schikken of schikking ervan te onderzoeken.

2.  Lid 1 doet geen afbreuk aan het recht van partijen die voor bemiddeling kiezen om een gerechtelijke procedure of arbitrage met betrekking tot hun geschil in te leiden voor het verstrijken van verjaringstermijnen tijdens het bemiddelingsproces.

Artikel 13

Proceskosten

1.  De lidstaten waarborgen dat de gerechtskosten die in de lidstaten voor burgerlijke geschillen worden aangerekend, in verhouding staan tot de waarde van de vordering en procesvoering niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

2.  De gerechtskosten die in de lidstaten voor burgerlijke geschillen worden aangerekend, mogen de burgers niet ontmoedigen hun zaak bij een gerecht aanhangig te maken en mogen de toegang tot de rechter op geen enkele manier belemmeren.

3.  De partijen moeten de gerechtskosten kunnen betalen door betalingsmethoden op afstand, ook vanuit een andere lidstaat dan de lidstaat waarin het gerecht is gevestigd, via bankoverschrijving of via betaling met krediet- of debetkaart.

4.  De lidstaten waarborgen dat de informatie over gerechtskosten en betalingswijzen, alsmede over de autoriteiten of organisaties die bevoegd zijn om praktische bijstand in de lidstaten te verlenen, transparanter wordt gemaakt en gemakkelijk op het internet te vinden is. Daartoe delen de lidstaten deze informatie mee aan de Commissie, die er op haar beurt voor zorgt dat de informatie openbaar wordt gemaakt en op grote schaal via passende middelen wordt verspreid, in het bijzonder via het Europees e-justitieportaal.

Artikel 14

Het beginsel dat de verliezer betaalt

1.  De lidstaten waarborgen dat de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten draagt, waaronder, maar niet uitsluitend de eventuele kosten van de vertegenwoordiging van de tegenpartij door een advocaat of andere rechtsbeoefenaar en de kosten van de betekening of kennisgeving dan wel van de vertaling van stukken, voor zover deze in verhouding staan tot de waarde van de vordering en mits zij noodzakelijk waren.

2.  Indien een partij slechts gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld of in uitzonderlijke omstandigheden, kan het gerecht gelasten dat de kosten op billijke wijze worden toegerekend of dat elke partij haar eigen kosten draagt.

3.  Een partij draagt alle onnodige kosten die zij voor het gerecht of een andere partij heeft veroorzaakt door onnodige kwesties aan te halen of door een onredelijke strijdbaarheid aan de dag te leggen.

4.  Het gerecht kan bij de toewijzing van de kosten laten meewegen of een partij op onredelijke wijze heeft geweigerd mee te werken of niet te goeder trouw heeft meegewerkt aan inspanningen om de zaak te schikken, overeenkomstig artikel 20.

Artikel 15

Rechtsbijstand

1.  Om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen, zorgen de lidstaten ervoor dat gerechten rechtsbijstand kunnen toekennen aan een partij.

2.  Rechtsbijstand kan, geheel of gedeeltelijk, de volgende kosten dekken:

(a)  gerechtskosten, door middel van een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding of een betalingsregeling;

(b)  kosten voor rechtsbijstand en vertegenwoordiging met betrekking tot:

(i)  advies in de precontentieuze fase met het oog op het vinden van een oplossing voordat er gerechtelijke procedures worden ingeleid overeenkomstig artikel 12, lid 1;

(ii)  het inleiden en voeren van een procedure voor het gerecht;

(iii)  alle proceskosten met inbegrip van de aanvraag voor rechtsbijstand;

(iv)  tenuitvoerlegging van beslissingen;

(c)  andere noodzakelijke proceskosten die een partij moet dragen, met inbegrip van kosten voor getuigen, deskundigen, tolken en vertalers en de noodzakelijke reis-, verblijfs- en onderhoudskosten van die partij en haar vertegenwoordiger;

(d)  de kosten die aan de in het gelijk gestelde partij worden toegewezen, indien de eiser de zaak verliest overeenkomstig artikel 14.

3.  De lidstaten waarborgen dat natuurlijke personen die ingezetenen zijn van de Europese Unie of ingezetenen van een derde land die wettig in een lidstaat van de Europese Unie verblijven, rechtsbijstand kunnen aanvragen wanneer:

(a)  zij wegens hun economische situatie geheel of ten dele niet in staat zijn de in lid 2 van dit artikel bedoelde proceskosten te dragen, en

(b)  de zaak waarvoor de rechtsbijstand wordt gevraagd een redelijke kans op succes heeft, gezien de procedurele positie van de aanvrager, en

(c)  de eiser die rechtsbijstand aanvraagt gemachtigd is om vorderingen in te stellen krachtens de relevante nationale bepalingen.

4.  Rechtspersonen kunnen rechtsbijstand aanvragen in de vorm van vrijstelling van voorafbetaling van de proceskosten en/of bijstand van een advocaat. Bij de beslissing over de toekenning van deze bijstand kunnen de gerechten onder meer rekening houden met:

(a)  de rechtsvorm van de betrokken rechtspersoon en het feit of deze al dan niet winst maakt;

(b)  de financiële draagkracht van de vennoten of aandeelhouders;

(c)  de mogelijkheid van deze vennoten of aandeelhouders om het nodige bedrag voor het inleiden van gerechtelijke procedures te verzamelen.

5.  De lidstaten waarborgen dat de burgers en rechtspersonen van de Unie worden ingelicht over de procedure voor het aanvragen van rechtsbijstand als bedoeld in de leden 1 tot en met 4, zodat deze mogelijkheid daadwerkelijk wordt benut en rechtsbijstand toegankelijk is.

6.  Dit artikel is van toepassing onverminderd Richtlijn 2003/8/EG.

Artikel 16

Financiering

1.  De lidstaten waarborgen dat wanneer een rechtsvordering door een private derde partij wordt gefinancierd, de derde partij zich ervan onthoudt:

(a)  invloed uit te oefenen op de procedurele beslissingen van de eisende partij, met inbegrip van schikkingen;

(b)  een vordering te financieren tegen een verweerder die een concurrent is van de financier of tegen een verweerder waarvan de financier afhankelijk is;

(c)  buitensporige rente te berekenen over de ter beschikking gestelde financiële middelen.

2.  De lidstaten waarborgen dat bij rechtsvorderingen die door private derde partijen worden gefinancierd, de vergoeding die wordt gegeven aan of de rente die wordt berekend door de financier niet gebaseerd is op het bedrag van de bereikte schikking of de toegekende vergoeding, tenzij de financieringsregeling wordt gereguleerd door een overheidsinstantie die de belangen van partijen waarborgt.

Afdeling 4

Eerlijke rechtsprocedure

Artikel 17

Betekening of kennisgeving van stukken

1.  De lidstaten waarborgen dat in beginsel methoden worden gebruikt die ontvangst van de betekende of in kennis gebrachte stukken waarborgen.

2.  De lidstaten waarborgen dat de stukken waarmee de procedure wordt ingeleid of gelijkwaardige stukken en dagvaardingen voor een terechtzitting overeenkomstig het nationaal recht worden betekend of ter kennis worden gebracht op een van de hierna vermelde wijzen:

(a)  persoonlijk;

(b)  via postdiensten;

(c)  met elektronische middelen, zoals fax of e-mail.

De betekening of kennisgeving moet blijken uit een door de geadresseerde ondertekende ontvangstbevestiging met de datum van ontvangst.

Ten behoeve van betekening of kennisgeving met elektronische middelen als vermeld in de eerste alinea, onder c), van dit lid moet worden gebruikgemaakt van voldoende hoge technische normen die de identiteit van de verzender en de veilige verzending van de betekende of ter kennis gebrachte stukken waarborgen.

Deze documenten mogen ook persoonlijk worden betekend of ter kennis worden gebracht, blijkens een document ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of kennisgeving heeft verricht, en waarin wordt verklaard dat de geadresseerde de stukken in ontvangst heeft genomen of zonder wettige grond heeft geweigerd, en waarin de datum van betekening of kennisgeving is vermeld.

3.  Indien betekening of kennisgeving overeenkomstig lid 2 niet mogelijk is, en wanneer het adres van de verweerder niet met zekerheid bekend is, mag de betekening of kennisgeving worden uitgevoerd op een van de hierna vermelde wijzen:

(a)  in persoon op het persoonlijke adres van de verweerder, aan een persoon die als huisgenoot van de verweerder dezelfde woonplaats heeft of aldaar in dienst is;

(b)  wanneer de verweerder een zelfstandige of een rechtspersoon is, in persoon op het zakenadres van de verweerder, aan een persoon die bij de verweerder in dienst is;

(c)  door deponering van de stukken in de brievenbus van de verweerder;

(d)  door deponering van de stukken op een postkantoor of bij de bevoegde autoriteiten, en schriftelijke mededeling daarvan in de brievenbus van de verweerder, mits de schriftelijke mededeling duidelijk vermeldt dat het om gerechtelijke stukken gaat of dat deze schriftelijke mededeling rechtsgeldig is als betekening of kennisgeving en de toepasselijke termijnen doet ingaan;

(e)  per post zonder bewijs overeenkomstig lid 4 indien de verweerder zijn adres in de lidstaat van oorsprong heeft;

(f)  op elektronische wijze, blijkens een automatische ontvangstbevestiging, op voorwaarde dat de verweerder vooraf uitdrukkelijk met deze wijze van betekening of kennisgeving heeft ingestemd.

Betekening of kennisgeving als bedoeld in de eerste alinea, onder a) tot en met d), van dit lid moet worden aangetoond door:

(a)  een document dat is ondertekend door de bevoegde persoon die de betekening of de kennisgeving heeft verricht, en waarin het volgende wordt vermeld:

(i)  de volledige naam van de persoon die de kennisgeving of de mededeling heeft gedaan;

(ii)  de wijze van betekening of kennisgeving;

(iii)  de datum van betekening of kennisgeving;

(iv)  indien de stukken ter betekening of kennisgeving zijn aangeboden aan een andere persoon dan de verweerder, de naam van die persoon en zijn relatie tot de verweerder, en

(v)  andere informatie die verplicht verstrekt moet worden krachtens het nationale recht.

(b)  voor de toepassing van punten a) en b) van de eerste alinea van dit lid, een ontvangstbevestiging van de persoon aan wie betekening of kennisgeving is geschied.

4.  Betekening of kennisgeving overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel kan ook aan een wettige of gemachtigde vertegenwoordiger van de verweerder geschieden.

5.  Wanneer de stukken die het geding inleiden of gelijkwaardige stukken en enigerlei dagvaarding voor een terechtzitting moeten worden betekend of ter kennis worden gebracht buiten de lidstaten, mag de betekening of kennisgeving op een andere wijze geschieden zoals beschreven in:

(a)  Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad(26) indien zij van toepassing is op de naleving van de rechten van de ontvanger die krachtens de verordening zijn toegekend, of

(b)  het Verdrag van 's Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken of enige ander verdrag of andere overeenkomst dat/die van toepassing is.

6.  Deze richtlijn laat de toepassing van Verordening (EG) nr. 1393/2007 onverlet en doet geen afbreuk aan Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad(27) en Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad(28).

Artikel 18

Recht op een advocaat in een burgerrechtelijke procedure

1.  De lidstaten waarborgen dat de partijen in een burgerrechtelijke procedure recht hebben op een advocaat naar hun keuze om hen in staat te stellen hun rechten op praktische en doeltreffende wijze uit te oefenen.

In grensoverschrijdende geschillen waarborgen de lidstaten dat de partijen in een burgerrechtelijke procedure recht hebben op een advocaat in hun lidstaat van herkomst voor voorafgaand advies en op een advocaat in de ontvangende lidstaat om het proces te voeren.

2.  De lidstaten eerbiedigen de vertrouwelijkheid van communicatie tussen de partijen in een procedure en hun advocaat. Deze communicatie omvat ontmoetingen, briefwisseling, telefoongesprekken en elke andere vorm van communicatie die krachtens het nationale recht is toegestaan.

3.  Onverminderd de door het nationale recht voorgeschreven aanwezigheid of bijstand van een advocaat, kunnen de partijen in een burgerrechtelijke procedure afstand doen van een recht als bedoeld in lid 1 van dit artikel, wanneer

a)  mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen is gegeven over de mogelijke gevolgen van het afstand doen van dit recht, en

b)  op vrijwillige en ondubbelzinnige wijze afstand van dit recht wordt gedaan.

De lidstaten waarborgen dat deze afstand later op elk moment tijdens de burgerrechtelijke procedure door partijen kan worden herroepen en dat partijen van die mogelijkheid op de hoogte worden gebracht.

4.  Deze bepaling is onverminderd de specifieke bepalingen met betrekking tot juridische vertegenwoordiging waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad(29), Verordening (EG) nr. 1896/2006 en Verordening (EU) nr. 655/2014.

Artikel 19

Toegang tot informatie

De lidstaten spannen zich in om burgers transparante en gemakkelijk toegankelijke informatie te verstrekken over het inleiden van diverse procedures, verjaringstermijnen, de voor diverse geschillen bevoegde gerechten en de nodige formulieren die hiervoor moeten worden ingevuld. Niets in dit artikel verplicht de lidstaten tot het verlenen van rechtsbijstand in de vorm van een juridische beoordeling van een specifieke zaak.

Artikel 20

Vertolking en vertaling van essentiële documenten

De lidstaten spannen zich in om te waarborgen dat alle partijen bij een geschil een volledig begrip hebben van de gerechtelijke procedure. In het kader van deze doelstelling waarborgen zij dat vertolking beschikbaar is tijdens burgerlijke procedures en dat een schriftelijke vertaling beschikbaar is van alle essentiële documenten, om de eerlijkheid van de procedure te garanderen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 15 van deze richtlijn.

Artikel 21

Verplichtingen van partijen en hun vertegenwoordigers

De lidstaten waarborgen dat de partijen in een geschil en hun vertegenwoordigers zich bij de omgang met het gerecht en andere partijen te goeder trouw gedragen, en voor de gerechten geen verkeerde voorstelling geven van zaken of feiten als zij zich daarvan bewust zijn of dat redelijkerwijs behoren te zijn.

Artikel 22

Openbare procesvoering

De lidstaten waarborgen dat de procesvoering openbaar is, tenzij het gerecht besluit de zaak, voor zover nodig, in het belang van een der partijen of van andere betrokkenen, dan wel in het algemene belang van de rechtsbedeling of de openbare orde, vertrouwelijk te behandelen.

Artikel 23

Rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid

1.  De lidstaten waarborgen dat gerechten en hun rechters onafhankelijk zijn. De samenstelling van de gerechten moet voldoende waarborgen bieden om elke gerechtvaardigde twijfel over onpartijdigheid uit te sluiten.

2.  Bij de uitvoering van hun taken zijn de rechters niet gebonden door enige instructies en zijn zij vrij van invloed of druk en van enig persoonlijk vooroordeel of vooringenomenheid in een zaak.

Artikel 24

Opleiding

1.  Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de verschillen in de organisatie van de rechterlijke macht binnen de Unie waarborgen de lidstaten dat de rechterlijke macht, justitiële opleidingsinstellingen en juridische beroepen hun gerechtelijke opleidingsprogramma's verbeteren om ervoor te zorgen dat het recht en de procedures van de Unie in nationale opleidingsactiviteiten worden geïntegreerd.

2.  De opleidingsprogramma's moeten praktijkgericht zijn, relevant voor het dagelijkse werk van beoefenaars van juridische beroepen, plaatsvinden gedurende korte periodes, gebruikmaken van actieve en moderne leertechnieken en mogelijkheden bieden voor initiële opleiding en levenslang leren. De opleidingsprogramma's moeten in het bijzonder zijn toegespitst op:

(a)  de verwerving van voldoende kennis van de instrumenten voor justitiële samenwerking van de Unie en de ontwikkeling van de reflex om regelmatig te verwijzen naar de rechtspraak van de Unie, de omzetting op nationaal niveau te controleren en gebruik te maken van de mogelijkheid om bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële procedure aanhangig te maken;

(b)  de verspreiding van kennis en ervaring in het recht en de procedures van de Unie en in andere rechtstelsels;

(c)  de vergemakkelijking van kortstondige uitwisseling van nieuwe rechters;

(d)  de beheersing van een vreemde taal en de rechtsterminologie in die taal.

HOOFDSTUK III:

SLOTBEPALINGEN

Artikel 25

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ... [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.  Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De methoden voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

3.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 26

Evaluatie

De Commissie dient, uiterlijk op 31 december 2025 en vervolgens om de vijf jaar, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn op basis van zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens. In dit verband beoordeelt de Commissie in het bijzonder de gevolgen ervan voor de toegang tot de rechter, voor het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, voor de samenwerking in burgerrechtelijke zaken en voor de werking van de interne markt, kmo's, het concurrentievermogen van de economie van de Europese Unie en het consumentenvertrouwen. Indien nodig gaat het verslag vergezeld van wetgevingsvoorstellen ter herziening en versterking van deze richtlijn.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 28

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te, [datum]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PE 572.853, december 2015.
(2) PE 581.385, juni 2016.
(3) PE 559.499, juni 2015.
(4) PE 556.971, juni 2016.
(5) Uniform Law Review, 2004(4).
(6) M. Storme, Study on the approximation of the laws and rules of the Member States concerning certain aspects of the procedure for civil litigation (eindverslag, Dordrecht, 1994).
(7) Zie onder meer het arrest van 16 december 1976, Comet BV/Produktschap voor Siergewassen, 45/76, ECLI:EU:C:1976:191 en het arrest van 15 mei 1986, Marguerite Johnston/Chief Constable of the Royal Ulster Constabulary, 222/84, ECLI:EU:C:1986:206.
(8) Ook online toegankelijk op: http://www.ejtn.eu/PageFiles/15756/Judicial%20Training%20Principles_NL.pdf
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0276.
(10) Zie o.a.: arrest van 13 maart 2007, Unibet (London) Ltd en Unibet (International) Ltd/Justitiekanslern, C-432/05, ECLI:EU:C:2007:163.
(11) Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1).
(12) Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41).
(13) Aanbeveling van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten, PB L 201 van 26.7.2013, blz. 60.
(14) Richtlijn 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (PB L 110 van 1.5.2009, blz. 30).
(15) Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB L 349 van 5.12.2014, blz. 1).
(16) Zie bijvoorbeeld de Europese procedure voor geringe vorderingen (zie tweede voetnoot in overweging G hierboven) en de verordening betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen (Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 59)).
(17) Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45).
(18) Zie vierde voetnoot bij overweging G hierboven.
(19) Zie vijfde voetnoot bij overweging G hierboven.
(20) Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1).
(21) Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, PB L 157 van 30.4.2004, blz. 45.
(22) Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 59).
(23) Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41).
(24) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1).
(25) Aanbevelingen van de Raad – "Bevordering van het gebruik en de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van grensoverschrijdende videoconferenties binnen het justitieel apparaat op lidstaat- en EU-niveau" (PB C 250 van 31.7.2015, blz. 1).
(26) Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ("de betekening en de kennisgeving van stukken"), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79).
(27) Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 15).
(28) Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399 van 30.12.2006, blz. 1).
(29) Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1).


Macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië ***I
PDF 251kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië (COM(2017)0014 – C8-0016/2017 – 2017/0007(COD))
P8_TA(2017)0283A8-0185/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0014),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0016/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die is aangenomen samen met Besluit nr. 778/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan Georgië(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie (A8-0185/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 juli 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Moldavië

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2017/1565.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

GEZAMENLIJKE VERKLARING van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

In het licht van de initiatieven in verband met de veranderingen van het kiesstelsel in de Republiek Moldavië benadrukken het Europees Parlement, de Raad en de Commissie dat voor toekenning van macrofinanciële bijstand als randvoorwaarde geldt dat het begunstigde land doeltreffende democratische mechanismen, waaronder een parlementair meerpartijenstelsel en de rechtsstaat, eerbiedigt, en de eerbiediging van de mensenrechten waarborgt. De Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden controleren of tijdens de volledige duur van de macrofinanciële bijstand aan die randvoorwaarde is voldaan en houden in dat verband nauwlettend in het oog of de autoriteiten van de Republiek Moldavië uitvoering geven aan de aanbevelingen van de relevante internationale partners (in het bijzonder de Commissie van Venetië en de OVSE/het ODIHR).

(1) PB L 218 van 14.8.2013, blz. 15.


Openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren ***I
PDF 486kWORD 64k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 4 juli 2017 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (COM(2016)0198 – C8-0146/2016 – 2016/0107(COD))(1)
P8_TA(2017)0284A8-0227/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 (nieuw)
(-1)   Een gelijke fiscale behandeling voor iedereen, en met name voor alle ondernemingen, is een conditio sine qua non voor de eengemaakte markt. Een gecoördineerde en geharmoniseerde benadering van de tenuitvoerlegging van nationale belastingstelsels is van vitaal belang om ervoor te zorgen dat de eengemaakte markt naar behoren functioneert en zou ertoe bijdragen dat belastingontwijking en winstverschuiving worden voorkomen.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging –1 bis (nieuw)
(-1 bis)   Belastingontduiking en belastingontwijking hebben er samen met regelingen inzake winstverschuiving toe geleid dat regeringen en bevolkingen zijn beroofd van de middelen die nodig zijn om, onder andere, universele vrije toegang tot openbare onderwijs- en gezondheidsdiensten en sociale diensten van de overheid te waarborgen, en hebben landen de mogelijkheid ontnomen om te zorgen voor een aanbod van betaalbare woningen en betaalbaar openbaar vervoer en de noodzakelijke infrastructuur aan te leggen om sociale ontwikkeling en economische groei tot stand te brengen. Kortom, dergelijke regelingen hebben bijgedragen aan onrechtvaardigheid, ongelijkheid en economische, sociale en territoriale verschillen.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 ter (nieuw)
(-1 ter)   Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel moet tegemoetkomen aan de dringende behoefte om een progressief en eerlijk mondiaal belastingbeleid tot stand te brengen, moet de herverdeling van de welvaart bevorderen en ongelijkheden wegwerken.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Ontwijking van vennootschapsbelasting is de afgelopen jaren een almaar grotere uitdaging geworden en vormt in de Unie en wereldwijd een grote reden tot bezorgdheid. De Europese Raad erkende in zijn conclusies van 18 december 2014 dat de inspanningen voor de bestrijding van belastingontwijking dringend moeten worden opgevoerd, zowel wereldwijd als op EU-niveau. De Commissie heeft in haar mededelingen "Het werkprogramma van de Commissie voor 2016. Tijd voor verandering"16 en "Het werkprogramma van de Commissie voor 2015. Een nieuwe start"17 de noodzaak om over te stappen op een systeem waarin het land waar winst wordt gemaakt, ook het land is waar belasting wordt geheven, als prioriteit aangeduid. De Commissie heeft ook de noodzaak om tegemoet te komen aan de roep vanuit de samenleving om rechtvaardigheid en fiscale transparantie als een prioriteit aangegeven.
(1)  Transparantie is van essentieel belang voor een goede werking van de eengemaakte markt. Ontwijking van vennootschapsbelasting is de afgelopen jaren een almaar grotere uitdaging geworden en vormt in de Unie en wereldwijd een grote reden tot bezorgdheid. De Europese Raad erkende in zijn conclusies van 18 december 2014 dat de inspanningen voor de bestrijding van belastingontwijking dringend moeten worden opgevoerd, zowel wereldwijd als op EU-niveau. De Commissie heeft in haar mededelingen "Het werkprogramma van de Commissie voor 2016. Tijd voor verandering"16 en "Het werkprogramma van de Commissie voor 2015. Een nieuwe start"17 de noodzaak om over te stappen op een systeem waarin het land waar winst wordt gemaakt, ook het land is waar belasting wordt geheven, als prioriteit aangeduid. De Commissie heeft ook de noodzaak om tegemoet te komen aan de roep om transparantie van de Europese burgers en de noodzaak om als referentiemodel voor andere landen op te treden als een prioriteit aangegeven. Het is van essentieel belang dat er bij transparantie sprake is van wederkerigheid tussen concurrenten.
__________________
__________________
16 COM(2015)0610 van 27 oktober 2015.
16 COM(2015)0610 van 27 oktober 2015.
17 COM(2014)0910 van 16 december 2014.
17 COM(2014)0910 van 16 december 2014.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 16 december 2015 over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie18 erkend dat meer transparantie op het gebied van de vennootschapsbelasting de belastinginning kan verbeteren, de werkzaamheden van de belastinginstanties efficiënter kan maken en het vertrouwen van de burger in belastingstelsels en regeringen kan vergroten.
(2)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 16 december 2015 over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie18 erkend dat een benadering met meer transparantie, samenwerking en convergentie op het gebied van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie de belastinginning kan verbeteren, de werkzaamheden van de belastinginstanties efficiënter kan maken, beleidsmakers kan ondersteunen bij de beoordeling van het huidige belastingstelsel met het oog op de ontwikkeling van toekomstige wetgeving, het vertrouwen van de burger in belastingstelsels en regeringen kan vergroten en voor een betere besluitvorming betreffende investeringen op basis van nauwkeurigere risicoprofielen van ondernemingen kan zorgen.
__________________
__________________
18 2015/2010(INL).
18 2015/2010(INL).
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Openbare rapportage per land vormt een doeltreffend en passend instrument om de transparantie met betrekking tot de activiteiten van multinationale ondernemingen te vergroten en de bevolking in staat te stellen het effect van deze activiteiten op de reële economie te beoordelen. Ook is het geschikt om aandeelhouders beter in staat te stellen de door ondernemingen genomen risico's naar behoren te evalueren, zal het zorgen voor investeringsstrategieën op basis van nauwkeurige informatie en zal het besluitvormers meer mogelijkheden geven om de doeltreffendheid en de effecten van nationale wetgeving te beoordelen.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)  Rapportage per land zal ook positieve gevolgen hebben voor het recht van werknemers op informatie en raadpleging, zoals bedoeld in Richtlijn 2002/14/EG en, doordat er meer kennis over de activiteiten van ondernemingen beschikbaar wordt, voor de kwaliteit van de intensieve dialoog binnen ondernemingen.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  In november 2015 pleitte de G20 voor een wereldwijd eerlijk en modern internationaal belastingstelsel en bekrachtigde ze het "actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving" (Base Erosion and Profit Shifing, hierna "BEPS" genoemd) van de OESO, dat erop gericht was overheden duidelijke internationale oplossingen aan te reiken voor het aanpakken van de leemtes en mismatches in de bestaande regels waardoor bedrijfswinsten kunnen worden verplaatst naar plaatsen waar geen of een lage belasting wordt geheven, maar waar mogelijk geen reële waarde wordt gecreëerd. Met name BEPS-actie 13 voorziet in de invoering voor bepaalde multinationale ondernemingen van een rapportage per land die op vertrouwelijke basis aan de nationale belastingautoriteiten moet worden verstrekt. Op 27 januari 2016 heeft de Commissie het "pakket anti-ontgaansmaatregelen" goedgekeurd. Een van de doelstellingen van dat pakket is om BEPS-actie 13 in het recht van de Unie om te zetten door Richtlijn 2011/16/EU van de Raad20 te wijzigen.
(4)  In november 2015 pleitte de G20 voor een wereldwijd eerlijk en modern internationaal belastingstelsel en bekrachtigde ze het "actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving" (Base Erosion and Profit Shifting, hierna "BEPS" genoemd) van de OESO, dat erop gericht was overheden duidelijke internationale oplossingen aan te reiken voor het aanpakken van de leemtes en mismatches in de bestaande regels waardoor bedrijfswinsten kunnen worden verplaatst naar plaatsen waar geen of een lage belasting wordt geheven, maar waar mogelijk geen reële waarde wordt gecreëerd. Met name BEPS-actie 13 voorziet in de invoering voor bepaalde multinationale ondernemingen van een rapportage per land die op vertrouwelijke basis aan de nationale belastingautoriteiten moet worden verstrekt. Op 27 januari 2016 heeft de Commissie het "pakket anti-ontgaansmaatregelen" goedgekeurd. Een van de doelstellingen van dat pakket is om BEPS-actie 13 in het recht van de Unie om te zetten door Richtlijn 2011/16/EU van de Raad20 te wijzigen. Voor het belasten van winsten waar de waarde wordt gecreëerd, is er echter een bredere benadering van rapportage per land nodig die is gebaseerd op openbare rapportage.
__________________
__________________
20 Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).
20 Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  De International Accounting Standards Board (IASB) moet de desbetreffende internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS) en de internationale standaard voor jaarrekeningen (IAS) verbeteren om de invoering van verplichtingen inzake openbare rapportage per land te vergemakkelijken.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  Openbare rapportage per land werd in de Unie al ingevoerd in de bankensector door Richtlijn 2013/36/EU, alsook in de winningsindustrie en in de houtkap door Richtlijn 2013/34/EU.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quater (nieuw)
(4 quater)  De Unie heeft met een nooit eerder vertoonde invoering van openbare rapportage per land aangetoond dat zij een wereldspeler is geworden in de strijd tegen belastingontwijking.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies)  Aangezien de strijd tegen belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve belastingplanning enkel succesvol kan zijn door middel van een gemeenschappelijk optreden op internationaal niveau, is het absoluut noodzakelijk dat de Unie niet alleen een positie als wereldleider blijft innemen in deze strijd, maar dat ze haar acties ook coördineert met internationale actoren, bijvoorbeeld in het kader van de OESO. Unilaterale acties, hoe ambitieus ze ook zijn, hebben geen echte kans van slagen, brengen bovendien het concurrentievermogen van Europese ondernemingen in gevaar en schaden het investeringsklimaat in de Unie.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 sexies (nieuw)
(4 sexies)  Grotere transparantie inzake financiële openbaarmaking leidt tot een win-winsituatie, omdat belastingautoriteiten doeltreffender zullen zijn, het maatschappelijk middenveld meer betrokken zal zijn, werknemers over een betere kennis van zaken zullen beschikken en investeerders minder risicomijdend gedrag zullen vertonen. Bovendien zullen ondernemingen voordeel halen uit betere relaties met belanghebbende partijen, wat op zijn beurt zal leiden tot meer stabiliteit en een gemakkelijkere toegang tot financiering vanwege een duidelijker risicoprofiel en een betere reputatie.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Een beter publiek toezicht op de vennootschapsbelasting ten laste van multinationale ondernemingen die activiteiten in de Unie verrichten, is een essentieel element om maatschappelijk verantwoord ondernemen verder te bevorderen, tot de welvaart bij te dragen door belastingen te betalen, een eerlijkere belastingconcurrentie binnen de Unie te stimuleren door middel van een beter onderbouwd openbaar debat en het publieke vertrouwen in de billijkheid van de nationale belastingstelsels te herstellen. Dit publiek toezicht kan worden bereikt door middel van een verslag met informatie over de winstbelasting, ongeacht waar de uiteindelijke moederonderneming van de multinationale groep is gevestigd.
(5)  Naast een verhoogde transparantie door middel van rapportage per land aan nationale belastingautoriteiten, vormt een beter publiek toezicht op de vennootschapsbelasting ten laste van multinationale ondernemingen die activiteiten in de Unie verrichten een essentieel element om de verantwoordingsplicht van bedrijven te stimuleren en maatschappelijk verantwoord ondernemen verder te bevorderen, om tot de welvaart bij te dragen door belastingen te betalen, een eerlijkere belastingconcurrentie binnen de Unie te stimuleren door middel van een beter onderbouwd openbaar debat en het publieke vertrouwen in de billijkheid van de nationale belastingstelsels te herstellen. Dit publiek toezicht kan worden bereikt door middel van een verslag met informatie over de winstbelasting, ongeacht waar de uiteindelijke moederonderneming van de multinationale groep is gevestigd. Publiek toezicht moet echter worden uitgeoefend zonder schade toe te brengen aan het investeringsklimaat in de Unie of aan het concurrentievermogen van ondernemingen in de Unie, met name kmo's als gedefinieerd in deze richtlijn en midcap-ondernemingen als gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/10171 bis, die moeten worden uitgezonderd van de op grond van deze richtlijn ingestelde rapportageverplichting.
__________________
1 bis Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1).
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   De Commissie heeft maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) gedefinieerd als de verantwoordelijkheid die ondernemingen dragen voor de effecten van hun activiteiten op de samenleving. MVO moet door ondernemingen worden aangestuurd. De overheid kan een ondersteunende rol spelen door middel van een slimme mix van vrijwillige beleidsmaatregelen en, waar nodig, aanvullende regelgeving. Ondernemingen kunnen maatschappelijk verantwoord worden door zich aan de wet te houden of door sociale, ecologische, ethische, consument- of mensenrechtengerelateerde aspecten te integreren in hun bedrijfsstrategie en -activiteiten, of door beide te doen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Het publiek moet alle activiteiten van een groep nauwlettend kunnen volgen als die groep vestigingen heeft in de Unie. Voor groepen die alleen via dochterondernemingen of bijkantoren activiteiten in de Unie uitoefenen, moeten de dochterondernemingen en bijkantoren het verslag van de uiteindelijke moederonderneming publiceren en toegankelijk maken. Omwille van de evenredigheid en doeltreffendheid moet de verplichting om het verslag te publiceren en toegankelijk te maken beperkt blijven tot middelgrote of grote in de Unie gevestigde dochterondernemingen of in een lidstaat opgerichte bijkantoren van een vergelijkbare grootte. Het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/34/EU moet daarom dienovereenkomstig worden uitgebreid tot bijkantoren die in een lidstaat zijn opgericht door een onderneming die buiten de Unie is gevestigd.
(6)  Het publiek moet alle activiteiten van een groep nauwlettend kunnen volgen als die groep vestigingen heeft in en buiten de Unie. Groepen met vestigingen in de Unie moeten de EU-beginselen van goed fiscaal bestuur naleven. Multinationale ondernemingen zijn wereldwijd actief en hun ondernemingsgedrag heeft een aanzienlijke impact op ontwikkelingslanden. Door toegang te krijgen tot bedrijfsinformatie per land zouden burgers en belastingautoriteiten in deze landen toezicht kunnen houden op deze bedrijven, ze kunnen beoordelen en ter verantwoording kunnen roepen. Door de informatie openbaar te maken voor elk fiscaal rechtsgebied waar de multinationale onderneming actief is, zou de Unie haar beleidscoherentie voor ontwikkeling kunnen verhogen en potentiële constructies om belastingen te ontwijken aan banden kunnen leggen in landen waar de mobilisering van binnenlandse middelen is aangemerkt als een centraal onderdeel van het ontwikkelingsbeleid van de Unie.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Het verslag met informatie over de winstbelasting moet informatie verschaffen over alle activiteiten van een onderneming of van alle verbonden ondernemingen van een groep waarover een uiteindelijke moederonderneming zeggenschap uitoefent. Deze informatie moet gebaseerd zijn op de specificaties voor de rapportage in BEPS-actie 13 en moet beperkt zijn tot wat nodig is om een doeltreffend publiek toezicht mogelijk te maken, teneinde te voorkomen dat de openbaarmaking tot onevenredige risico's of nadelen leidt. Het verslag moet ook een korte beschrijving van de aard van de activiteiten bevatten. Die beschrijving kan gebaseerd zijn op de indeling in tabel 2 van bijlage III bij hoofdstuk V van de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen op het gebied van documentatie. Het verslag moet een algemene commentaar met uitleg bevatten als er op groepsniveau grote discrepanties bestaan tussen de toerekenbare belastingen en de betaalde belastingen, rekening houdend met de overeenkomstige bedragen in vorige boekjaren.
(8)  Het verslag met informatie over de winstbelasting moet informatie verschaffen over alle activiteiten van een onderneming of van alle verbonden ondernemingen van een groep waarover een uiteindelijke moederonderneming zeggenschap uitoefent. Deze informatie moet rekening houden met de specificaties voor de rapportage in BEPS-actie 13 en moet beperkt zijn tot wat nodig is om een doeltreffend publiek toezicht mogelijk te maken, teneinde te voorkomen dat de openbaarmaking voor de ondernemingen in kwestie tot onevenredige risico's of nadelen leidt op het vlak van concurrentievermogen of verkeerde interpretaties. Het verslag moet ook een korte beschrijving van de aard van de activiteiten bevatten. Die beschrijving kan gebaseerd zijn op de indeling in tabel 2 van bijlage III bij hoofdstuk V van de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen op het gebied van documentatie. Het verslag moet een algemene commentaar met uitleg bevatten, ook als er op groepsniveau grote discrepanties bestaan tussen de toerekenbare belastingen en de betaalde belastingen, rekening houdend met de overeenkomstige bedragen in vorige boekjaren.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Om te zorgen voor een mate van detail waardoor burgers beter kunnen beoordelen hoe multinationale ondernemingen in elke lidstaat tot de welvaart bijdragen, moet de informatie per lidstaat worden uitgesplitst. Bovendien moet de informatie over de activiteiten van multinationale ondernemingen ook sterk in detail worden weergegeven voor bepaalde fiscale rechtsgebieden die een specifieke uitdaging vormen. Voor de activiteiten in alle andere derde landen moet de informatie in geaggregeerde cijfers worden weergegeven.
(9)  Om te zorgen voor een mate van detail waardoor burgers beter kunnen beoordelen hoe multinationale ondernemingen tot de welvaart bijdragen in elk rechtsgebied waar zij actief zijn, zowel binnen als buiten de Unie, zonder dat het concurrentievermogen van de ondernemingen schade ondervindt, moet de informatie per rechtsgebied worden uitgesplitst. Verslagen met informatie over de winstbelasting kunnen pas op zinvolle wijze worden begrepen en gebruikt indien de gegevens worden uitgesplitst voor elk fiscaal rechtsgebied.
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Indien de informatie die openbaar moet worden gemaakt, door de onderneming als commercieel gevoelige informatie kan worden beschouwd, moet de onderneming de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij gevestigd is, toestemming kunnen vragen om de informatie niet volledig openbaar te maken. Ingeval de nationale bevoegde autoriteit geen belastingautoriteit is, moet de bevoegde belastingautoriteit bij het besluit worden betrokken.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Om ervoor te zorgen dat gevallen van niet-naleving openbaar worden gemaakt, moet(en) de wettelijke auditor(s) of het auditkantoor (de auditkantoren) nagaan of het verslag met informatie over de winstbelasting overeenkomstig deze richtlijn is ingediend en gepresenteerd en op de website van de betrokken onderneming of op de website van een verbonden onderneming beschikbaar is.
(11)  Om ervoor te zorgen dat gevallen van niet-naleving openbaar worden gemaakt, moet(en) de wettelijke auditor(s) of het auditkantoor (de auditkantoren) nagaan of het verslag met informatie over de winstbelasting overeenkomstig deze richtlijn is ingediend en gepresenteerd en op de website van de betrokken onderneming of op de website van een verbonden onderneming beschikbaar is, alsook of openbaar gemaakte informatie overeenstemt met de gecontroleerde financiële informatie van de onderneming, binnen de termijnen als bepaald in deze richtlijn.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  Gevallen van inbreuk door ondernemingen en bijkantoren met betrekking tot de vereisten inzake de rapportage van informatie over de winstbelasting die leiden tot sancties van lidstaten in het kader van Richtlijn 2013/34/EU, moeten worden gemeld in een openbaar register dat door de Commissie wordt beheerd. Deze sancties kunnen onder meer bestaan uit administratieve boetes of uitsluiting van openbare aanbestedingen en van de toekenning van financiering uit de structuurfondsen van de Unie.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Om vast te stellen voor welke fiscale rechtsgebieden sterk in detail moet worden getreden, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU de bevoegdheid om handelingen vast te stellen aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot het opstellen van een gemeenschappelijke Unielijst met die fiscale rechtsgebieden. Die lijst moet worden opgesteld op basis van een aantal criteria, die zijn vastgesteld op basis van bijlage 1 bij de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over een externe strategie voor effectieve belastingheffing (COM(2016) 24 final). Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat deze raadplegingen worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven, zoals goedgekeurd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en waarvan de formele ondertekening wordt verwacht. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Schrappen
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de tenuitvoerlegging van artikel 48 ter, leden 1, 3, 4, en 6, en artikel 48 quater, lid 5, van Richtlijn 2013/34/EU moeten er ook aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad1 bis.
________________
1 bis Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  Daar de doelstelling van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(14)  Daar de doelstelling van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Een optreden van de Unie is dus gerechtvaardigd om de grensoverschrijdende dimensie bij agressieve fiscale planning of verrekenprijsregelingen aan te pakken. Dit initiatief komt tegemoet aan de bezorgdheid die de belanghebbende partijen uitspreken in verband met de noodzaak om iets te doen aan verstoringen op de eengemaakte markt zonder afbreuk te doen aan het concurrentievermogen van de Unie. Het mag geen onnodige administratieve lasten voor ondernemingen veroorzaken, niet tot verdere fiscale disputen leiden of geen risico van dubbele belasting doen ontstaan. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken, althans wat grotere transparantie betreft.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
(15)  In het kader van deze richtlijn staat de omvang van de openbaar gemaakte informatie in het algemeen in verhouding tot de doelstellingen om grotere openbare transparantie en meer publiek toezicht tot stand te brengen. Deze richtlijn wordt derhalve geacht de grondrechten te eerbiedigen en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken24 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.
(16)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken24 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht, bijvoorbeeld in de vorm van een vergelijkende grafiek. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd om de doelstelling van deze richtlijn te verwezenlijken en mogelijke weglatingen en inconsistenties te voorkomen in verband met de tenuitvoerlegging door de lidstaten krachtens hun nationale wetgeving.
__________________
__________________
24 PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
24 PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter– lid 1 – alinea 1
De lidstaten schrijven voor dat onder hun nationale recht vallende uiteindelijke moederondernemingen met een geconsolideerde netto-omzet van meer dan 750 000 000 EUR en onder hun nationale recht vallende ondernemingen die geen verbonden ondernemingen zijn en een netto-omzet van meer dan 750 000 000 EUR realiseren, jaarlijks een verslag met informatie over de winstbelasting moeten opstellen en publiceren.
De lidstaten schrijven voor dat onder hun nationale recht vallende uiteindelijke moederondernemingen met een geconsolideerde netto-omzet van 750 000 000 EUR of meer en onder hun nationale recht vallende ondernemingen die geen verbonden ondernemingen zijn en een netto-omzet van 750 000 000 EUR of meer realiseren, jaarlijks een verslag met informatie over de winstbelasting moeten opstellen en gratis beschikbaar moeten stellen voor het publiek.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter– lid 1 – alinea 2
Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van de onderneming.
Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt gepubliceerd in een gemeenschappelijk model dat gratis beschikbaar is in een opendata-formaat en wordt in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van de onderneming. Op dezelfde datum laat de onderneming het verslag ook opnemen in een openbaar register dat wordt beheerd door de Commissie.
De lidstaten passen de in dit lid bedoelde regels niet toe indien deze ondernemingen enkel gevestigd zijn op het grondgebied van één enkele lidstaat en in geen enkel ander fiscaal rechtsgebied.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter – lid 3 – alinea 1
De lidstaten schrijven voor dat de in artikel 3, leden 3 en 4, bedoelde middelgrote en grote dochterondernemingen die onder hun nationale recht vallen en waarover een uiteindelijke moederonderneming die een geconsolideerde netto-omzet van meer dan 750 000 000 EUR realiseert en niet onder het recht van een lidstaat valt, zeggenschap uitoefent, jaarlijks het verslag met informatie over de winstbelasting van die uiteindelijke moederonderneming moeten publiceren.
De lidstaten schrijven voor dat dochterondernemingen die onder hun nationale recht vallen en waarover een uiteindelijke moederonderneming die op de balans van een boekjaar een geconsolideerde netto-omzet van 750 000 000 EUR of meer heeft en niet onder het recht van een lidstaat valt, zeggenschap uitoefent, jaarlijks het verslag met informatie over de winstbelasting van die uiteindelijke moederonderneming moeten publiceren.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter – lid 3 – alinea 2
Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van de dochteronderneming of op de website van een verbonden onderneming.
Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt gepubliceerd in een gemeenschappelijk model dat gratis beschikbaar is in een opendata-formaat en wordt in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van de dochteronderneming of op de website van een verbonden onderneming. Op dezelfde datum laat de onderneming het verslag ook opnemen in een openbaar register dat wordt beheerd door de Commissie.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter – lid 4 – alinea 1
De lidstaten schrijven voor dat bijkantoren die op hun grondgebied zijn opgericht door een onderneming die niet onder het recht van een lidstaat valt, jaarlijks het verslag met informatie over de winstbelasting van de in lid 5, onder a), van dit artikel bedoelde uiteindelijke moederonderneming moeten publiceren.
De lidstaten schrijven voor dat bijkantoren die op hun grondgebied zijn opgericht door een onderneming die niet onder het recht van een lidstaat valt, jaarlijks het verslag met informatie over de winstbelasting van de in lid 5, onder a), van dit artikel bedoelde uiteindelijke moederonderneming moeten publiceren en gratis beschikbaar moeten stellen voor het publiek.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter – lid 4 – alinea 2
Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van het bijkantoor of op de website van een verbonden onderneming.
Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt gepubliceerd in een gemeenschappelijk model dat beschikbaar is in een opendata-formaat en in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van het bijkantoor of op de website van een verbonden onderneming. Op dezelfde datum laat de onderneming het verslag ook opnemen in een openbaar register dat wordt beheerd door de Commissie.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter – lid 5 – letter a
(a)  de onderneming die het bijkantoor heeft opgericht is ofwel een verbonden onderneming van een groep waarover een uiteindelijke moederonderneming die niet onder het recht van een lidstaat valt en een geconsolideerde netto-omzet van meer dan 750 000 000 EUR realiseert, zeggenschap uitoefent, ofwel een onderneming die geen verbonden onderneming is en een netto-omzet van meer dan 750 000 000 EUR realiseert;
(a)  de onderneming die het bijkantoor heeft opgericht is ofwel een verbonden onderneming van een groep waarover een uiteindelijke moederonderneming die niet onder het recht van een lidstaat valt en op haar balans een geconsolideerde netto-omzet van 750 000 000 EUR of meer heeft, zeggenschap uitoefent, ofwel een onderneming die geen verbonden onderneming is en een netto-omzet van 750 000 000 EUR of meer realiseert;
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter – lid 5 – letter b
(b)  de onder a) bedoelde uiteindelijke moederonderneming heeft geen middelgrote of grote dochteronderneming als bedoeld in lid 3.
(b)  de onder a) bedoelde uiteindelijke moederonderneming heeft geen middelgrote of grote dochteronderneming als bedoeld in lid 3 die reeds onder de rapportageverplichtingen valt.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 ter – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.  Voor de lidstaten die de euro niet hebben ingevoerd, wordt de tegenwaarde van de in de leden 1, 3 en 5 vastgestelde bedragen in de nationale munteenheid verkregen door toepassing van de wisselkoers die wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en die van kracht is met ingang van de datum waarop dit hoofdstuk in werking treedt.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 2 – inleidende formule
2.  De in lid 1 bedoelde informatie omvat het volgende:
2.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt gepresenteerd in een gemeenschappelijk model en omvat de volgende gegevens, uitgesplitst per fiscaal rechtsgebied:
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 2 – letter a
(a)  een korte beschrijving van de aard van de activiteiten;
(a)  de naam van de uiteindelijke onderneming en, in voorkomend geval, de lijst van alle dochterondernemingen, een korte beschrijving van de aard van hun activiteiten en hun respectieve geografische ligging;
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 2 – letter b
(b)  het aantal werknemers;
(b)  het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdequivalenten;
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 2 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  vaste activa, andere dan geldmiddelen of kasequivalenten;
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 2 – letter c
(c)  het bedrag van de netto-omzet, met inbegrip van de met verbonden partijen gerealiseerde omzet;
(c)  het bedrag van de netto-omzet, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de met verbonden partijen gerealiseerde omzet en de met niet-verbonden partijen gerealiseerde omzet;
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 2 – letter g bis (nieuw)
(g bis)  maatschappelijk kapitaal;
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 2 – letter g ter (nieuw)
(g ter)   ontvangen overheidssubsidies en eventuele donaties aan politici, aan politieke partijen en stichtingen met een politiek doel;
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 2 – letter g quater (nieuw)
(g quater)  of ondernemingen, dochterondernemingen of bijkantoren een preferentiële fiscale behandeling genieten in het kader van een octrooibox of equivalente regelingen.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 1
In het verslag wordt de in lid 2 bedoelde informatie voor elke lidstaat afzonderlijk weergegeven. Wanneer een lidstaat meerdere fiscale rechtsgebieden omvat, wordt de informatie op het niveau van de lidstaat samengevoegd.
In het verslag wordt de in lid 2 bedoelde informatie voor elke lidstaat afzonderlijk weergegeven. Wanneer een lidstaat meerdere fiscale rechtsgebieden omvat, wordt de informatie voor elk fiscaal rechtsgebied afzonderlijk weergegeven.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 2
Het verslag bevat ook de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie afzonderlijk voor elk fiscaal rechtsgebied dat aan het einde van het vorige boekjaar was opgenomen in de overeenkomstig artikel 48 octies opgestelde gemeenschappelijke Unielijst met bepaalde fiscale rechtsgebieden, tenzij in het verslag, onder de in artikel 48 sexies bedoelde verantwoordelijkheid, uitdrukkelijk wordt bevestigd dat de verbonden ondernemingen van een groep die onder het recht van dat fiscaal rechtsgebied vallen, niet rechtstreeks transacties uitvoeren met een verbonden onderneming van dezelfde groep die onder het recht van een lidstaat valt.
Het verslag bevat ook de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie afzonderlijk voor elk fiscaal rechtsgebied buiten de Unie.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 3
In het verslag wordt de in lid 2 bedoelde informatie voor andere fiscale rechtsgebieden op geaggregeerde basis weergegeven.
Schrappen
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 3 bis (nieuw)
Om commercieel gevoelige informatie te beschermen en eerlijke concurrentie te waarborgen, kunnen de lidstaten toestaan dat een of meerdere specifieke gegevens als vermeld in dit artikel tijdelijk worden weggelaten uit het verslag wat activiteiten in een of meerdere specifieke fiscale rechtsgebieden betreft, indien deze van dien aard zijn dat de openbaarmaking ervan ernstige schade zou toebrengen aan de commerciële positie van de ondernemingen als bedoeld in artikel 48 ter, lid 1, en artikel 48 ter, lid 3, waarmee deze gegevens verband houden. Het weglaten van gegevens mag een eerlijk en evenwichtig inzicht in de fiscale positie van de onderneming niet in de weg staan. In het verslag wordt aangegeven dat er gegevens zijn weggelaten, vergezeld van een naar behoren gemotiveerde uitleg voor elk fiscaal rechtsgebied en met verwijzing naar het fiscale rechtsgebied of de fiscale rechtsgebieden in kwestie.
Amendement 69/rev
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 3 ter (nieuw)
De lidstaten zorgen ervoor dat het weglaten van gegevens enkel mogelijk is met voorafgaande toestemming van de nationale bevoegde autoriteit. De onderneming verzoekt elk jaar opnieuw om toestemming van de bevoegde autoriteit, die haar besluit baseert op een nieuwe beoordeling van de situatie. Indien de weggelaten informatie niet langer voldoet aan de voorwaarde als vastgesteld in alinea 3 bis, wordt ze onmiddellijk openbaar gemaakt. Na afloop van de periode gedurende welke de informatie niet openbaar hoeft te worden gemaakt, maakt de onderneming ook de krachtens dit artikel vereiste informatie over de voorgaande jaren waarin de informatie niet openbaar hoefde te worden gemaakt, openbaar in de vorm van een rekenkundig gemiddelde.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 3 quater (nieuw)
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de verlening van een dergelijke tijdelijke afwijking en bezorgen haar de weggelaten gegevens op vertrouwelijke wijze, vergezeld van een uitvoerige motivering van de toegekende afwijking. Elk jaar publiceert de Commissie de kennisgevingen van de lidstaten op haar website, samen met de motiveringen die zijn verstrekt overeenkomstig alinea 3 bis.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 3 quinquies (nieuw)
De Commissie gaat na of de voorwaarde als vastgesteld in alinea 3 bis naar behoren is vervuld en ziet toe op het gebruik van een dergelijke door nationale instanties verleende tijdelijke afwijking.
Amendement 70/rev
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 3 sexies (nieuw)
Indien de Commissie na beoordeling van de ontvangen informatie als bedoeld in alinea 3 quater tot de vaststelling komt dat de voorwaarde als vastgesteld in alinea 3 bis niet is vervuld, maakt de onderneming in kwestie de informatie onmiddellijk openbaar. Na afloop van de periode gedurende welke de informatie niet openbaar hoeft te worden gemaakt, maakt de onderneming ook de krachtens dit artikel vereiste informatie over de voorgaande jaren waarin de informatie niet openbaar hoefde te worden gemaakt, openbaar in de vorm van een rekenkundig gemiddelde.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 3 – alinea 3 septies (nieuw)
De Commissie stelt door middel van een gedelegeerde handeling richtsnoeren vast die de lidstaten kunnen hanteren bij het omschrijven van gevallen waarin de openbaarmaking van gegevens wordt geacht erg schadelijk te zijn voor de commerciële positie van de ondernemingen waarop de informatie betrekking heeft.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 quater – lid 5
5.  Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de website gepubliceerd en toegankelijk gemaakt.
5.  Het verslag met informatie over de winstbelasting wordt gepubliceerd in een gemeenschappelijk model dat gratis beschikbaar is in een opendata-formaat en wordt in ten minste één van de officiële talen van de Unie op de datum van publicatie publiek toegankelijk gemaakt op de website van de dochteronderneming of op de website van een verbonden onderneming. Op dezelfde datum laat de onderneming het verslag opnemen in een openbaar register dat wordt beheerd door de Commissie.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 sexies – lid 1
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van de administratieve, leidinggevende en toezichthoudende organen van de in artikel 48 ter, lid 1, bedoelde uiteindelijke moederonderneming, handelend binnen het kader van de hun krachtens het nationaal recht toegewezen bevoegdheden, collectief verantwoordelijk zijn om ervoor te zorgen dat het verslag met informatie over de winstbelasting wordt opgesteld, gepubliceerd en toegankelijk gemaakt overeenkomstig de artikelen 48 ter, 48 quater en 48 quinquies.
1.  Om de verantwoordingsplicht ten opzichte van derden te versterken en behoorlijk bestuur te garanderen, zorgen de lidstaten ervoor dat de leden van de administratieve, leidinggevende en toezichthoudende organen van de in artikel 48 ter, lid 1, bedoelde uiteindelijke moederonderneming, handelend binnen het kader van de hun krachtens het nationaal recht toegewezen bevoegdheden, collectief verantwoordelijk zijn om ervoor te zorgen dat het verslag met informatie over de winstbelasting wordt opgesteld, gepubliceerd en toegankelijk gemaakt overeenkomstig de artikelen 48 ter, 48 quater en 48 quinquies.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 octies
Artikel 48 octies
Schrappen
Gemeenschappelijke Unielijst met bepaalde fiscale rechtsgebieden
De Commissie is overeenkomstig artikel 49 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het opstellen van een gemeenschappelijke Unielijst met bepaalde fiscale rechtsgebieden. Die lijst is gebaseerd op de beoordeling van de fiscale rechtsgebieden die niet voldoen aan de volgende criteria:
(1)  transparantie en uitwisseling van inlichtingen, met inbegrip van uitwisseling van inlichtingen op verzoek en automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen;
(2)  eerlijke belastingconcurrentie;
(3)  door de G20 en/of de OESO opgestelde normen;
(4)  andere relevante normen, met inbegrip van door de Financial Action Task Force opgestelde internationale normen.
De Commissie evalueert de lijst regelmatig en wijzigt ze, indien nodig, om rekening te houden met nieuwe omstandigheden.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 decies – alinea 1
De Commissie brengt verslag uit over de naleving en de effecten van de in de artikelen 48 bis tot en met 48 septies vastgestelde rapportageverplichtingen. In dat verslag wordt nagegaan of het verslag met informatie over de winstbelasting passende en evenredige resultaten oplevert, rekening houdend met de noodzaak om te zorgen voor voldoende transparantie en de behoefte van ondernemingen aan een concurrerende omgeving.
De Commissie brengt verslag uit over de naleving en de effecten van de in de artikelen 48 bis tot en met 48 septies vastgestelde rapportageverplichtingen. In dat verslag wordt nagegaan of het verslag met informatie over de winstbelasting passende en evenredige resultaten oplevert en wordt beoordeeld wat de kosten en baten zijn van een verlaging van de drempelwaarde voor de geconsolideerde netto-omzet waarboven ondernemingen en bijkantoren verplicht zijn informatie over de winstbelasting te rapporteren. Daarnaast wordt in het verslag geëvalueerd of het eventueel nodig is verdere aanvullende maatregelen te nemen, rekening houdend met de noodzaak om te zorgen voor voldoende transparantie en de behoefte om voor ondernemingen en particuliere investeringen een concurrerende omgeving in stand te houden en te waarborgen.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 decies bis (nieuw)
(2 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 48 decies bis
Uiterlijk vier jaar na de aanneming van deze richtlijn en rekening houdend met de situatie op het niveau van de OESO, zorgt de Commissie voor een evaluatie, beoordeling en rapportage in verband met de bepalingen van dit hoofdstuk, met name wat betreft:
—  ondernemingen en bijkantoren die verplicht zijn een verslag met informatie over de winstbelasting op te stellen, met name om na te gaan of het wenselijk is het toepassingsgebied van dit hoofdstuk uit te breiden naar grote ondernemingen als omschreven in artikel 3, lid 4, en grote groepen als gedefinieerd in artikel 3, lid 7, van deze richtlijn;
—  de inhoud van het verslag met informatie over de winstbelasting overeenkomstig artikel 48 quater;
—  de tijdelijke afwijking als bedoeld in artikel 48 quater, lid 3, alinea's 3 bis tot en met 3 septies.
De Commissie brengt hierover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel."
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 ter (nieuw)
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 48 decies ter (nieuw)
(2 ter)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 48 decies ter
Gemeenschappelijk model voor het verslag
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het gemeenschappelijk model vast als bedoeld in artikel 48 ter, leden 1, 3, 4 en 6, en in artikel 48 quater, lid 5. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 50, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure."
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 49 – lid 3 bis
3 bis.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van [date]."
3 bis.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in het interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven*, met bijzondere inachtneming van de bepalingen van de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
________________
* PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1."
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Richtlijn 2013/34/EU
Artikel 51 – alinea 1
(3 bis)  in artikel 51 wordt lid 1 vervangen door:
De lidstaten voorzien in sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden gehandhaafd. De sancties waarin wordt voorzien, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend."
"De lidstaten stellen regels vast voor sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ze worden toegepast. De sancties waarin wordt voorzien, zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.
De lidstaten voorzien ten minste in administratieve maatregelen en sancties voor inbreuken van ondernemingen op overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen.
De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op ... [gelieve de datum van inwerkingtreding in te voegen] in kennis van deze bepalingen en stellen de Commissie tevens onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen die gevolgen hebben voor de bepalingen.
Uiterlijk op ... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie een lijst op van de maatregelen en sancties die elke lidstaat overeenkomstig deze richtlijn heeft vastgesteld."

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissies op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0227/2017).


Invoering van tijdelijke autonome handelsmaatregelen voor Oekraïne ***I
PDF 250kWORD 50k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van tijdelijke autonome handelsmaatregelen voor Oekraïne ter aanvulling van de handelsconcessies uit hoofde van de Associatieovereenkomst (COM(2016)0631 – C8-0392/2016 – 2016/0308(COD))
P8_TA(2017)0285A8-0193/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0631),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0392/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 29 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0193/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(1);

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd, die samen met de definitieve wetgevingstekst in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 juli 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van tijdelijke autonome handelsmaatregelen voor Oekraïne ter aanvulling van de handelsconcessies uit hoofde van de associatieovereenkomst

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling:Verordening (EU) 2017/1566.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie met betrekking tot artikel 3 van de verordening inzake de tijdelijke autonome handelsmaatregelen voor Oekraïne

Voor gevallen waarin het niet mogelijk is de opschorting van preferentiële regelingen van kracht te laten worden voordat de jaarlijkse tariefcontingenten tegen nultarief voor landbouwproducten volledig zijn benut, merkt de Commissie op dat zij ernaar zal streven een beperking of opschorting van deze concessies in de jaren daarna voor te stellen.

(1) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 1 juni 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0236).


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2 bij de algemene begroting 2017 om het overschot van het begrotingsjaar 2016 erin op te nemen
PDF 250kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2017 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017: Boeking van het overschot van het begrotingsjaar 2016 (09437/2017 – C8-0190/2017 – 2017/2061(BUD))
P8_TA(2017)0286A8-0229/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, definitief vastgesteld op 1 december 2016(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2017, goedgekeurd door de Commissie op 12 april 2017 (COM(2017)0188),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2017, vastgesteld door de Raad op 8 juni 2017 en toegezonden aan het Europees Parlement op 9 juni 2017 (09437/2017 – C8-0190/2017),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0229/2017),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2017 dient om het overschot van het begrotingsjaar 2016, te weten 6 405 miljoen EUR, op te nemen in de begroting voor 2017;

B.  overwegende dat dit overschot hoofdzakelijk bestaat uit hogere ontvangsten ten belope van 1 688 miljoen EUR, onderbestedingen van 4 889 miljoen EUR en wisselkoersverschillen van - 173 miljoen EUR;

C.  overwegende dat aan de inkomstenzijde de rente op late betalingen en boetes (3 052 miljoen EUR) en een negatief resultaat voor de eigen middelen (1 511 miljoen EUR) de twee belangrijkste componenten zijn;

D.  overwegende dat aan de uitgavenzijde de onderbestedingen 4 825 miljoen EUR bedragen voor 2016 en 28 miljoen EUR aan onderbestede van 2015 overgedragen kredieten in afdeling III (Commissie), alsmede 35 miljoen EUR voor andere instellingen;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2017, zoals ingediend door de Commissie, dat uitsluitend tot doel heeft het overschot van 2016, ter hoogte van 6 405 miljoen EUR, in de begroting op te nemen, overeenkomstig artikel 18 van het Financieel Reglement, en neemt kennis van het standpunt van de Raad hierover;

2.  stelt met grote bezorgdheid vast dat voor 2016 de aanzienlijke onderbesteding 4 889 miljoen EUR bedroeg, ondanks het feit dat gewijzigde begroting nr. 4/2016 het niveau van de betalingskredieten reeds met 7 284,3 miljoen EUR had verlaagd; wijst erop dat de uiterst lage uitvoering van de betalingskredieten op het gebied van cohesie (rubriek 1b) deels voortvloeit uit de onjuiste ramingen van de lidstaten en uit vertragingen met de aanwijzing van beheers- en certificeringsautoriteiten door de lidstaten;

3.  wijst op de negatieve effecten van de waardedaling van het Britse pond ten opzichte van de euro, hetgeen de hoofdoorzaak is van het tekort aan ontvangsten ter hoogte van 1 511 miljoen EUR van de eigen middelen; wijst erop dat dat tekort ernstige problemen voor de financiering van de Uniebegroting had kunnen opleveren; merkt op dat dat tekort aan ontvangsten te wijten is aan het eenzijdige Britse besluit om de Unie te verlaten, maar dat de correctie door de Unie als geheel moet worden gedragen; benadrukt dat die kosten in aanmerking moeten worden genomen bij de onderhandelingen over de afwikkeling van de financiële verplichtingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie;

4.  wijst in het bijzonder op het relatief hoge niveau aan boetes in 2016, voor in totaal 4 159 miljoen EUR, waarvan 2 861 miljoen EUR worden meegeteld in het overschot van 2016;

5.  dringt erop aan dat, in plaats van de bni-bijdrage aan te passen, overschotten op de begroting van de Unie die het resultaat zijn van de onderbesteding van kredieten of van boetes die aan bedrijven zijn opgelegd wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie kunnen worden gebruikt om tegemoet te komen aan de financieringsbehoeften van de Unie;

6.  wijst erop dat de goedkeuring van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2017 het aandeel van de bni-bijdragen van de lidstaten in de begroting van de Unie in 2017 met 6 405 miljoen EUR zal verminderen; dringt er eens te meer op aan dat de lidstaten deze terugvloeiende middelen gebruiken om hun toezeggingen met betrekking tot de vluchtelingencrisis na te komen en hun bijdrage aan het trustfonds van de Unie en het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling met die van de Unie in overeenstemming te brengen(6);

7.  verzoekt de Unie-instellingen de lopende en geplande ontwerpen van gewijzigde begroting voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling snel te behandelen, overeenkomstig de uitgesproken voornemens in het kader van de resultaten van de bemiddeling inzake de begroting 2017;

8.  betreurt in het kader van dit ontwerp van gewijzigde begroting dat de goedkeuring van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) in de Raad meerdere maanden werd geblokkeerd; is opgelucht dat de Britse regering haar woord heeft gehouden en haar blokkade op de herziening van het MFK spoedig na de parlementsverkiezingen in het VK heeft opgeheven; hoopt dat het terugvloeien van financiële middelen naar de lidstaten de komende onderhandelingen over de verrekening van de financiële verplichtingen tussen het VK en de Unie zal versoepelen;

9.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2017 goed;

10.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 2/2017 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 28.2.2017, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(6) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) en tot instelling van de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds (COM(2016)0586).


Een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven
PDF 205kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven (2016/2272(INI))
P8_TA(2017)0287A8-0214/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 114,

–  gezien de artikelen 191, 192 en 193 van het VWEU, en de verwijzing naar de doelstelling inzake een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 juli 2008 over het actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid (COM(2008)0397),

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten(1),

–  gezien het werkplan Ecologisch ontwerp 2016-2019 van de Commissie (COM(2016)0773), met name de doelstelling om productspecifiekere en horizontalere eisen vast te stellen op terreinen zoals duurzaamheid, herstelbaarheid, opwaardeerbaarheid, demontagevriendelijk ontwerp, gemakkelijke herbruikbaarheid en recycleerbaarheid,

–  gezien Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energieverbruikende producten(2),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 over een algemeen milieuactieprogramma voor de Unie voor de periode tot 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(3) (ook bekend als het zevende milieuactieprogramma),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2013 getiteld “Duurzamere consumptie: de levensduur van industrieproducten en herstel van het consumentenvertrouwen via voorlichting”(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2011 getiteld "Efficiënt gebruik van hulpbronnen – Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0021),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 april 2013 getiteld "Bouwen aan de interne markt voor groene producten – Bevordering van betere informatieverstrekking over de milieuprestatie van producten en organisaties" (COM(2013)0196),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2014 getiteld "Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa" (COM(2014)0398),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614) en het pakket inzake circulaire economie dat met name voorziet in de herziening van de afvalrichtlijn (Richtlijn 2008/98/EG, de ‘kaderrichtlijn afvalstoffen’), de richtlijn betreffende verpakking en verpakkingsafval (Richtlijn 94/62/EG), de richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen (Richtlijn 1999/31/EG), de richtlijn betreffende autowrakken (Richtlijn 2000/53/EG), de richtlijn inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's (Richtlijn 2006/66/EG) en de richtlijn betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (Richtlijn 2012/19/EU),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 getiteld "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst, Europese duurzaamheidsmaatregelen" (COM(2016)0739),

–  gezien het Commissievoorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2015 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de online-verkoop en andere verkoop op afstand van goederen (COM(2015)0635),

–  gezien Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten(5),

–  gezien Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt(6),

–  gezien het verslag van het BEUC van 18 augustus 2015 getiteld "Durable goods: More sustainable products, better consumer rights. Consumer expectations from the EU’s resource efficiency and circular economy agenda’,

–  gezien de studie van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2016 getiteld "The Influence of Lifespan Labelling on Consumers",

–  gezien de studie die in juli 2016 werd verricht op verzoek van zijn Commissie interne markt en consumentenbescherming met als titel "Een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven’,

–  gezien het overzichtsartikel van het Europees Centrum voor de consument van 18 april 2016 getiteld "Geplande veroudering of de neveneffecten voor de consumptiemaatschappij",

–  gezien de Oostenrijkse norm ONR 192102 getiteld "Label of excellence for durable, repair-friendly designed electrical and electronic appliances",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0214/2017),

A.  overwegende dat het werkplan Ecologisch ontwerp 2016-2019 van de Commissie een verwijzing bevat naar de circulaire economie en de noodzaak om de problemen van duurzaamheid en recycleerbaarheid aan te pakken;

B.  overwegende dat de goedkeuring van een advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) over de levensduur van producten aantoont dat de marktdeelnemers en de maatschappelijke organisaties belangstelling hebben voor dit onderwerp;

C.  overwegende dat er moet worden gezorgd voor een passend evenwicht tussen de verlenging van de levensduur van producten enerzijds en innovatie, onderzoek en ontwikkeling anderzijds;

D.  overwegende dat de studie waar de Commissie interne markt en consumentenbescherming om heeft verzocht, aantoont dat breed opgezette beleidsmaatregelen nodig zijn om een langere productlevensduur te bevorderen;

E.  overwegende dat er diverse economische en businessmodellen naast elkaar bestaan, waaronder het economisch model dat op het gebruiksrecht gegrondvest is, waardoor de negatieve externe effecten voor het milieu kunnen worden beperkt;

F.  overwegende dat een verlenging van de levensduur van producten moet worden bevorderd door met name geplande veroudering aan te pakken;

G.  overwegende dat de Europese reparatiesector, die hoofdzakelijk uit micro-, kleine en middelgrote ondernemingen bestaat, ondersteuning moet krijgen;

H.  overwegende dat door een sterkere harmonisatie van het hergebruik van producten een impuls kan worden gegeven aan de lokale economie, aangezien daardoor op lokaal niveau nieuwe banen kunnen worden gecreëerd en de tweedehandsmarkt wordt gestimuleerd;

I.  overwegende dat het zowel vanuit economisch als vanuit ecologisch oogpunt noodzakelijk is grondstoffen te behouden en de afvalproductie te beperken, hetgeen met het begrip "uitgebreide producentenverantwoordelijkheid" wordt nagestreefd;

J.  overwegende dat 77 % van de consumenten in de EU liever goederen zou willen trachten te repareren dan er nieuwe te kopen, zoals blijkt uit de Eurobarometer van juni 2014; overwegende dat aan de consumenten nog betere informatie moet worden verstrekt over de duurzaamheid en de herstelbaarheid van producten;

K.  overwegende dat betrouwbare en duurzame producten consumenten waar voor hun geld bieden en overmatig hulpbronnengebruik en afval voorkomen; overwegende dat het daarom van belang is dat de gebruiksduur van consumptiegoederen wordt verlengd door middel van ontwerpen waarin duurzaamheid, herstelbaarheid, opwaardeerbaarheid, demonteerbaarheid en recycleerbaarheid van producten centraal staan;

L.  overwegende dat het dalende consumentenvertrouwen ten aanzien van de productkwaliteit de Europese ondernemingen schade toebrengt; overwegende dat de wettelijke garantie van 24 maanden momenteel de minimumdrempel in de EU is en dat sommige lidstaten overeenkomstig Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen strengere beschermingsbepalingen voor consumenten hebben vastgelegd;

M.  overwegende dat het recht van consumenten om te kiezen op basis van hun behoeften, verwachtingen en voorkeuren moet worden geëerbiedigd;

N.  overwegende dat de informatie over de levensduur van producten die aan de consument wordt verstrekt ontoereikend is, terwijl de studie van het EESC van maart 2016 een positief verband heeft vastgesteld tussen de vermelding van de levensduur van producten en het consumentengedrag;

O.  overwegende dat de levensduur en de veroudering van een product afhankelijk is van verschillende natuurlijke of kunstmatige factoren, zoals de materiaalsamenstelling, de functionaliteit, reparatiekosten en consumptiepatronen;

P.  overwegende dat reparaties gemakkelijker moeten kunnen worden uitgevoerd en dat onderdelen sneller beschikbaar gesteld moeten worden;

Q.  overwegende dat naast een lange levensduur ook de kwaliteit van producten gedurende de hele levenscyclus een cruciale bijdrage kan leveren aan het duurzaam gebruik van hulpbronnen;

R.  overwegende dat het aantal nationale initiatieven om een oplossing te vinden voor het probleem van de voortijdige veroudering van goederen en software toeneemt en dat het nodig is om in dit opzicht een gezamenlijke strategie voor de interne markt te ontwikkelen;

S.  overwegende dat de levensduur van digitale dragers van cruciaal belang is voor de levensduur van elektronische apparatuur en overwegende dat software steeds sneller verouderd raakt en dat elektronische apparatuur aanpasbaar moet zijn om gelijke tred te houden met de markt;

T.  overwegende dat producten met ingebouwde defecten die zijn ontworpen om kapot te gaan en uiteindelijk in het geheel niet meer functioneren nadat ze een bepaald aantal keren zijn gebruikt, consumenten alleen maar wantrouwen inboezemen en niet in de handel zouden mogen worden gebracht;

U.  overwegende dat uit de Eurobarometer blijkt dat 90 % van de Europese burgers vindt dat de gebruiksduur duidelijk op de producten moet worden vermeld;

V.  overwegende dat alle economische actoren, ook MKB's, baat kunnen hebben bij producten met een langere levensduur;

W.  overwegende dat in het zevende milieuactieprogramma wordt opgeroepen tot het nemen van specifieke maatregelen om ervoor te zorgen dat producten duurzamer zijn, makkelijker gerepareerd en hergebruikt kunnen worden, en langer meegaan;

X.  overwegende dat uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in dit verband een belangrijke rol speelt;

Y.  overwegende dat om te komen tot een circulaire economie de betrokkenheid van politieke besluitvormers, burgers en ondernemingen nodig is, en niet alleen veranderingen in het ontwerp en de verkoop van producten en diensten vereist zijn, maar ook een verandering van de mentaliteit en verwachtingen van consumenten en van de activiteiten van ondernemingen, door het creëren van nieuwe markten die inspelen op de veranderingen in consumptiepatronen, waarbij een ontwikkeling plaatsvindt naar het gebruik, het hergebruik en het delen van producten, om bij te dragen aan de verlenging van de levensduur daarvan en aan het vervaardigen van concurrerende en duurzame producten;

Z.  overwegende dat van veel lampen de gloeilampen niet meer vervangen kunnen worden, wat lastig is als de gloeilamp stuk gaat en er nieuwe, efficiëntere gloeilampen op de markt komen of als de consument bijvoorbeeld een andere kleur licht wenst, omdat in dat geval een compleet nieuwe lamp aangeschaft moet worden;

AA.  overwegende dat het de voorkeur verdient dat leds niet vast in lampen zijn ingebouwd, maar verwisseld kunnen worden;

AB.  overwegende dat, naarmate de circulaire economie zich verder ontwikkelt, verdere stappen moeten worden ondernomen om producten gemakkelijker te kunnen repareren, aanpassen en moderniseren en hun duurzaamheid en recycleerbaarheid te vergroten, teneinde de levensduur van producten en/of onderdelen van producten te verlengen;

AC.  overwegende dat een voortdurend toenemende diversiteit aan producten, steeds kortere innovatiecycli en voortdurend veranderende modes ervoor zorgen dat er steeds vaker nieuwe producten worden gekocht en daardoor de levensduur van producten korter wordt;

AD.  overwegende dat een enorm potentieel bestaat in de reparatie-, tweedehands- en ruilsector, de sector die gericht is op het verlengen van de levensduur van producten;

AE.  overwegende dat een evenwicht moet worden gevonden tussen het streven naar een langere levensduur van producten en het waarborgen van een omgeving waarin innovatie en verdere ontwikkeling worden gestimuleerd;

Robuuste, duurzame en hoogwaardige producten ontwerpen

1.  verzoekt de Commissie om aan te moedigen, waar dit haalbaar is, minimale sterktecriteria vast te stellen per productcategorie, vanaf het ontwerp, die onder meer de robuustheid, de herstelbaarheid en opwaarderingsmogelijkheden integreren, geholpen door normen die alle drie Europese normalisatie-instanties (CEN, CENELEC en ETSI) hebben uitgewerkt;

2.  benadrukt dat er in alle fasen van de productcyclus een balans moet worden gevonden tussen het verlengen van de levensduur van producten, de omzetting van afval in hulpbronnen (secundaire grondstoffen), industriële symbiose, innovatie, consumentenvraag, milieu- en groeibeleid en is van mening dat de ontwikkeling van producten die in steeds grotere mate hulpbronnenefficiënt zijn, niet een korte levensduur of vroegtijdige verwijdering van producten in de hand moet werken;

3.  wijst erop dat zaken als duurzaamheid van producten, verlengde garanties, de beschikbaarheid van onderdelen, reparatievriendelijkheid en de uitwisselbaarheid van onderdelen deel moeten uitmaken van het commerciële aanbod van de fabrikant om te beantwoorden aan de verschillende behoeften, verwachtingen en voorkeuren van consumenten en een belangrijk aspect van vrije concurrentie zijn;

4.  merkt de rol op van commerciële strategieën, zoals productleasing, bij het ontwerp van duurzame producten, waarbij leasebedrijven eigenaar blijven van het geleaste product en er belang bij hebben om producten opnieuw op de markt te brengen en te investeren in het ontwerpen van duurzamere producten, zodat er minder nieuwe producten worden vervaardigd en minder producten worden weggegooid;

5.  herinnert aan het standpunt van het Parlement over de herziening van het pakket inzake circulaire economie tot wijziging van de richtlijn afvalstoffen, waardoor het beginsel van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is versterkt zodat prikkels zijn geboden voor een duurzamer productontwerp;

6.  vraagt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan producenten die modulaire ontwerpen maken die gemakkelijk kunnen worden gedemonteerd en omgewisseld;

7.  verklaart dat het streven naar duurzaamheid en herstelbaarheid van producten gepaard moet gaan met de doelstelling van duurzaamheid door bijvoorbeeld het gebruik van milieuvriendelijke materialen;

8.  wijst met bezorgdheid op de hoeveelheid elektronisch afval die wordt gegenereerd door modems, routers en tv-decoders of satellietontvangers vanwege het feit dat consumenten geregeld overstappen naar een andere aanbieder van telecomdiensten; herinnert consumenten en aanbieders van telecomdiensten eraan dat consumenten krachtens Verordening (EU) 2015/2120 het recht hebben om zelf te bepalen welke ontvangstapparatuur zij wensen te gebruiken wanneer zij overstappen naar een andere aanbieder van telecomdiensten;

Herstelbaarheid en lange levensduur van producten bevorderen

9.  verzoekt de Commissie de herstelbaarheid van producten te bevorderen:

   door maatregelen aan te moedigen en te bevorderen die de keuze om producten te herstellen aantrekkelijk maken voor de consument,
   door constructietechnieken en materialen te gebruiken die het herstel van het product of de vervanging van zijn onderdelen gemakkelijker en goedkoper maken; consumenten mogen niet aan het lijntje worden gehouden met een eindeloze reeks reparaties en onderhoud bij gebrekkige producten,
   door, in geval van een terugkerend gebrek aan overeenstemming van de goederen of een reparatieperiode van langer dan een maand, aan te moedigen dat de garantieperiode met de duur van de reparatieperiode wordt verlengd,
   door erop aan te dringen dat onderdelen die essentieel zijn voor de goede werking van een product vervangbaar en herstelbaar moeten zijn, door de herstelbaarheid van het product een van de "essentiële kenmerken" ervan te maken en door de onverwijderbaarheid van essentiële onderdelen zoals batterijen en leds te ontmoedigen, tenzij dit om veiligheidsredenen gerechtvaardigd is,
   door producenten aan te sporen om bij aankoop onderhoudshandleidingen en reparatie-instructies te verstrekken, met name voor producten waarvoor onderhoud en reparatie belangrijk zijn om de mogelijkheid te vergroten de levensduur ervan te verlengen,
   door ervoor te zorgen dat het mogelijk is vervangende onderdelen van gelijkwaardige kwaliteit met dezelfde prestatie te gebruiken voor originele onderdelen, om alle producten te herstellen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving,
   door, waar dit haalbaar is, te streven naar normalisatie van reserveonderdelen en het voor reparaties nodige gereedschap teneinde het rendement van reparatiediensten te verhogen,
   door producenten aan te sporen op verzoek reparatie- en onderhoudshandleidingen in verschillende talen ter beschikking te stellen aan reparatiewerkplaatsen,
   door producenten aan te sporen batterijtechnologie te ontwikkelen waardoor de levensduur van de batterij en de accu beter op de verwachte levensduur van het product is afgestemd, of door de vervanging van batterijen toegankelijker te maken tegen een redelijkere prijs;

10.  meent dat het zinvol is om de beschikbaarheid van reserveonderdelen die essentieel zijn voor de goede en veilige werking van goederen te garanderen door:

   de toegankelijkheid van reserveonderdelen aan te moedigen naast geassembleerde producten,
   de economische operatoren aan te moedigen een toereikende technische dienstverlening te bieden voor de consumptiegoederen die zij produceren of invoeren, en om onderdelen te leveren die essentieel zijn voor het goed en veilig functioneren van de goederen voor een prijs die in verhouding staat tot de aard en de levensduur van het product,
   duidelijk aan te geven of reserveonderdelen beschikbaar zijn of niet, op welke voorwaarden en gedurende welke termijn en, waar dit haalbaar is, via de oprichting van een digitaal platform;

11.  spoort de lidstaten na te gaan welke passende prikkels er kunnen worden gegeven ten gunste van duurzame en herstelbare kwaliteitsproducten, reparaties en tweedehandsverkoop te stimuleren, en reparatieopleidingen te organiseren;

12.  benadrukt dat het altijd mogelijk moet zijn een beroep te doen op een zelfstandige reparateur, bijvoorbeeld door oplossingen voor hardware, veiligheid of software die reparatie buiten erkende circuits om verhinderen, te ontmoedigen;

13.  spoort aan tot hergebruik van onderdelen voor de tweedehandsmarkt;

14.  erkent de mogelijkheid om gebruik te maken van 3D-printing voor het maken van onderdelen voor professionele reparateurs en consumenten; dringt er in dit kader op aan dat voldoende aandacht wordt besteed aan productveiligheid, namaak en auteursrechtelijke bescherming;

15.  herinnert eraan dat de beschikbaarheid van genormaliseerde en modulaire componenten, de planning van demontage, duurzaam productontwerp en efficiënte productieprocessen een belangrijke rol spelen voor een geslaagde overgang naar een circulaire economie;

Een gebruiksgericht economisch model hanteren en het MKB en de werkgelegenheid in de EU ondersteunen

16.  wijst erop dat de overgang naar nieuwe bedrijfsmodellen, zoals “producten als diensten” de potentie heeft de duurzaamheid van productie- en consumptiepatronen te verbeteren, op voorwaarde dat product-dienstcombinaties niet tot een kortere levensduur van producten leiden, en benadrukt dat dergelijke bedrijfsmodellen geen mogelijkheden moeten bieden voor belastingontwijking;

17.  benadrukt dat de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsmodellen, zoals internetdiensten, nieuwe vormen van marketing, warenhuizen die uitsluitend gebruikte goederen verkopen en de bredere beschikbaarheid van informele reparatiediensten (reparatiecafés, werkplaatsen waar mensen hun producten zelf kunnen repareren) kunnen bijdragen aan een langere levensduur van producten en tegelijkertijd de kennis van en het vertrouwen van consumenten in producten met een lange levensduur kunnen vergroten;

18.  roept de lidstaten op om:

   overleg te organiseren tussen alle betrokken actoren om de ontwikkeling van een gebruiksgericht verkoopmodel dat gunstig is voor iedereen aan te moedigen,
   sterkere inspanningen te leveren met maatregelen om de ontwikkeling van de functionele economie te bevorderen en de huur, het inruilen en het lenen van voorwerpen aantrekkelijk te maken,
   lokale en regionale overheden aan te moedigen de ontwikkeling van economische modellen actief te bevorderen, zoals de deeleconomie en de ruileconomie, die een efficiënter gebruik van middelen en de duurzaamheid van goederen aanmoedigen en die reparatie, hergebruik en recyclage stimuleren;

19.  moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat bij openbare aanbestedingen rekening wordt gehouden met de bepaling inzake de kosten van de levenscyclus van Richtlijn 2014/24/EU en het hergebruik van apparatuur en uitrusting door de overheid te verhogen;

20.  spoort de lidstaten en de Commissie aan de deel- en ruileconomie in hun overheidsbeleid te steunen gezien de voordelen die zij biedt door het gebruik van reservemiddelen en -capaciteit, bijvoorbeeld in de vervoer- en accommodatiesector;

21.  vraagt de Commissie het belang van de duurzaamheid van producten te bevestigen in het kader van de bevordering van de circulaire economie;

22.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de in de EU-wetgeving vastgelegde afvalhiërarchie (kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG)) volledig toe te passen en in het bijzonder optimaal gebruik te maken van het nut en de waarde van elektrische en elektronische apparaten en ze niet te beschouwen als afvalstoffen, bijvoorbeeld door personeel van recyclagecentra die gebruik kunnen maken van dergelijke goederen en hun onderdelen toegang te verlenen tot inzamelpunten voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA);

23.  is van mening dat de maatregelen in deze resolutie met name moeten worden toegepast op het MKB en micro-ondernemingen, als gedefinieerd in Aanbeveling van de Commissie 2003/361/EG op een wijze die passend en evenredig is met de omvang en de capaciteit van MKB's en micro-ondernemingen, om hun ontwikkeling te stimuleren en de werkgelegenheid en opleiding voor nieuwe beroepen in de EU aan te moedigen;

24.  roept de Commissie op te bestuderen hoe de vervangbaarheid van leds kan worden gestimuleerd en vergemakkelijkt en daarbij, naast maatregelen inzake ecologisch ontwerp, ook minder strenge maatregelen te overwegen, zoals etikettering, stimulerende regelingen, openbare aanbestedingen of een verlengde garantie voor het geval dat leds vast ingebouwd zijn;

25.  spoort de lidstaten aan te zorgen voor doeltreffend markttoezicht om te waarborgen dat zowel Europese als geïmporteerde producten aan de voorschriften inzake productbeleid en ecologisch ontwerp voldoen;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om samen te werken met lokale en regionale autoriteiten en hun bevoegdheden te respecteren;

De consument betere informatie verstrekken

27.  verzoekt de Commissie de informatie over de duurzaamheid van producten te verbeteren door:

   een vrijwillig Europees keurmerk te overwegen dat met name betrekking heeft op: de duurzaamheid van een product, het ecologisch ontwerp en de mogelijkheid om het product op te waarderen in overeenstemming met de technische vooruitgang en de herstelbaarheid,
   op EU-niveau vrijwillige experimenten uit te voeren met bedrijven en andere belanghebbenden om de verwachte gebruiksduur van een product te bepalen aan de hand van gestandaardiseerde criteria, die door alle lidstaten kunnen worden gebruikt,
   een gebruiksteller te creëren voor de relevantste consumptiegoederen, met name witgoed,
   een effectbeoordeling uit te voeren van de afstemming tussen de vermelding van de levensduur en de wettelijke garantieperiode,
   digitale toepassingen te gebruiken of sociale media,
   de informatie in handleidingen over de duurzaamheid, opwaardeerbaarheid en –herstelbaarheid van een product te standaardiseren om ervoor te zorgen dat die informatie duidelijk, toegankelijk en gemakkelijk te begrijpen is,
   informatie te gebruiken die gebaseerd is op gestandaardiseerde criteria wanneer de verwachte levensduur van een product wordt vermeld;

28.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan:

   de lokale en regionale overheden, ondernemingen en verenigingen te helpen bewustmakingscampagnes op te zetten waarin de consument gewezen wordt op de mogelijke verlenging van de levensduur van producten, met name door informatie te verstrekken over onderhouds- en reparatietips, tips voor hergebruik enz.,
   de consument bewust te maken van producten die voortijdig stukgaan en niet kunnen worden gerepareerd, o.a. door meldingsplatformen voor consumenten op te richten;

29.  verzoekt de Commissie reguliere en gestructureerde uitwisseling van informatie en beste praktijken in de hele Unie tussen de Commissie en de lidstaten, waaronder regionale en gemeentelijke autoriteiten, aan te moedigen;

Maatregelen inzake geplande veroudering

30.  dringt er bij de Commissie op aan, in overleg met consumentenorganisaties, producenten en andere belanghebbenden, op EU-niveau een definitie van geplande veroudering voor hardware of software, voor te stellen; dringt er voorts bij de Commissie op aan in samenwerking met de markttoezichtsautoriteiten de mogelijkheid te onderzoeken om een onafhankelijk systeem op te zetten dat ingebouwde veroudering in producten kan testen en opsporen; roept in dit verband op om klokkenluiders een betere juridische bescherming te geven en afschrikkende maatregelen voor producenten in te voeren;

31.  wijst op de voortrekkersrol die sommige lidstaten op dit gebied vervullen, zoals het initiatief van de Beneluxlanden ter bestrijding van geplande veroudering en ter verlenging van de levensduur van (elektrische) huishoudelijke apparaten; benadrukt dat het belangrijk is op dit terrein beste praktijken uit te wisselen;

32.  wijst erop dat de mogelijkheid om producten te upgraden het verouderd raken van producten kan tegengaan en de milieueffecten en de kosten voor de consumenten kan beperken;

Het recht op een wettelijke conformiteitsgarantie versterken

33.  acht het van essentieel belang dat consumenten beter op de hoogte worden gebracht van de wijze waarop de wettelijke conformiteitsgarantie functioneert; vraagt dat een referentie naar de garantie op de aankoopfactuur van het product in woorden wordt vermeld;

34.  roept de Commissie op tot wetgevingsinitiatieven en acties om het consumentenvertrouwen te verbeteren:

   door de consumentenbescherming te versterken, met name voor die producten waarvoor de redelijke gebruikstermijn langer is, en door rekening te houden met de krachtige consumentenbeschermingsmaatregelen die sommige lidstaten al hebben genomen,
   door rekening te houden met de effecten van zowel wetgeving inzake ecologisch ontwerp als overeenkomstenrecht inzake energieverbruikende producten, om een holistische benadering te ontwikkelen voor productregulering,
   door te garanderen dat de consument in de verkoopovereenkomst formele informatie krijgt over zijn recht op wettelijke garantie en door voorlichtingscampagnes over dit recht te bevorderen,
   door de overlegging van het aankoopbewijs te vereenvoudigen voor de consument door de garantie niet aan de koper, maar aan het voorwerp te koppelen en door de invoering van elektronische ontvangstbewijzen en digitale garantiebewijsregelingen verder aan te moedigen;

35.  vraagt op EU-niveau een klachtenregeling in te voeren voor gevallen waarin de garantierechten niet worden nageleefd zodat de relevante overheden de toepassing van de Europese normen gemakkelijker kunnen controleren;

36.  wijst erop dat het versterken van het beginsel van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en het vastleggen van minimumvereisten zorgen voor een stimulans voor een duurzamer productontwerp;

De consument beschermen tegen de veroudering van software

37.  dringt aan op grotere transparantie voor wat betreft de opwaardeerbaarheid, beveiligingsupdates en duurzaamheid die nodig zijn voor de werking van zowel software als hardware; dringt er bij de Commissie op aan de behoefte te onderzoeken om meer samenwerking binnen B2B-relaties mogelijk te maken;

38.  moedigt leveranciers en producenten aan transparanter te zijn door productcontractbepalingen over de minimumtermijn waarbinnen beveiligingsupdates voor besturingssystemen beschikbaar zijn; stelt voor een redelijke gebruikstermijn vast te stellen; beklemtoont daarnaast dat de leverancier van het product, in geval van ingebedde besturingssystemen, de levering van die beveiligingsupdates moet garanderen; dringt er bij producenten op aan duidelijke informatie te verstrekken over de verenigbaarheid van de software-updates en -upgrades met de ingebedde besturingssystemen die aan de consument worden geleverd;

39.  meent dat software-updates omkeerbaar moeten zijn en dat er informatie moet worden verstrekt over de gevolgen ervan voor de werking van het apparaat en dat nieuwe essentiële software verenigbaar moet zijn met de software van de vorige generatie;

40.  moedigt de modulariteit van onderdelen, ook van de processor, aan door normalisatie zodat het product kan worden geüpdatet;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(2) PB L 153 van 18.6.2010, blz. 1.
(3) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(4) PB C 67 van 6.3.2014, blz. 23.
(5) PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64.
(6) PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.


De bestrijding van mensenrechtenschendingen in de context van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, met inbegrip van genocide
PDF 220kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over de bestrijding van mensenrechtenschendingen in de context van oorlogsmisdrijven, en misdrijven tegen de menselijkheid, met inbegrip van genocide (2016/2239(INI))
P8_TA(2017)0288A8-0222/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 9 december 1948,

–  gezien hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties over optreden met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984,

–  gezien artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van onverdraagzaamheid en van discriminatie op grond van religie of overtuiging en de EU-richtsnoeren tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, van 31 oktober 2000,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC) van 17 juli 1998, dat op 1 juli 2002 in werking is getreden,

–  gezien de wijzigingen van Kampala van het Statuut van Rome, goedgekeurd door de herzieningsconferentie in Kampala, Uganda, in juni 2010,

–  gezien het VN-analysekader voor gruweldaden, opgesteld door de speciale VN-adviseur voor de preventie van genocide en de speciale VN-adviseur inzake de verantwoordelijkheid tot bescherming,

–  gezien het rapport van 15 maart 2015 van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over de mensenrechtensituatie in Irak in het licht van de wandaden begaan door de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en de Levant en daaraan gelieerde groeperingen,

–  gezien Resolutie A/71/L.48 van de Algemene Vergadering van de VN van december 2016 tot instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning bij het onderzoek naar en de vervolging van de personen die verantwoordelijk zijn voor de meest ernstige misdrijven op grond van internationale wetgeving die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 (IIIM),

–  gezien het bijzondere onderzoek naar de gebeurtenissen in Aleppo door de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië, dat is gepubliceerd op 1 maart 2017,

–  gezien het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/443/GBVB van de Raad van 11 juni 2001 betreffende het Internationaal Strafhof(1),

–  gezien Besluit 2002/494/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 tot instelling van een Europees netwerk van aanspreekpunten inzake personen die verantwoordelijk zijn voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven(2),

–  gezien Besluit 2003/335/JBZ van de Raad van 8 mei 2003 inzake opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven(3),

–  gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB van de Raad van 16 juni 2003 betreffende het Internationaal Strafhof(4),

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Unie inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht,

–  gezien de overeenkomst tussen het Internationaal Strafhof en de Europese Unie inzake samenwerking en bijstand(5),

–  gezien Besluit 2011/168/GBVB van de Raad van 21 maart 2011 betreffende het Internationaal Strafhof en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB(6),

–  gezien het gezamenlijk werkdocument van de Commissie en de hoge vertegenwoodiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het bevorderen van het complementariteitsbeginsel (SWD(2013)0026),

–  gezien de conclusies van de Raad over de brede aanpak van de EU van 12 mei 2014,

–  gezien de Strategie van het EU-genocidenetwerk ter bestrijding van straffeloosheid voor het misdrijf genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven binnen de Europese Unie en haar lidstaten, vastgesteld op 30 oktober 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 november 2015 over de steun van de EU voor overgangsrechtspraak,

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 mei 2016 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die van Da'esh uitgaat,

–  gezien de verklaring van 9 december 2016 door de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) ter gelegenheid van de Internationale dag voor herdenking en waardigheid van slachtoffers van genocide en voor de voorkoming van deze misdaad,

–  gezien het actieplan van de Europese Unie inzake mensenrechten en democratie 2015-2019,

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over steun van de EU voor het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden(7),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over het misdrijf agressie(8),

–  gezien zijn resoluties van 8 oktober 2015 over de massale ontheemding van kinderen in Nigeria als gevolg van aanvallen van Boko Haram(9) en van 17 juli 2014 over Nigeria – recente aanslagen door Boko Haram(10),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 inzake voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp(11),

–  gezien zijn resoluties van 24 november 2016 over de situatie in Syrië(12), van 27 oktober 2016 over de situatie in Noord-Irak/Mosul(13), van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(14) en van 11 juni 2015 over Syrië, de situatie in Palmyra en de zaak van Mazen Darwish(15),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0222/2017),

A.  overwegende dat genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, ook wel bekend als "gruweldaden", de meest ernstige misdrijven tegen de mensheid zijn en een reden tot bezorgdheid zijn voor de hele internationale gemeenschap; overwegende dat de mensheid door dergelijke misdrijven in hevige beroering is gebracht;

B.  overwegende dat de internationale gemeenschap de plicht heeft te voorkomen dat gruweldaden plaatsvinden; overwegende dat wanneer zulke misdrijven plaatsvinden, zij niet ongestraft mogen blijven en de doeltreffende, eerlijke en snelle vervolging daarvan volgens het complementariteitsbeginsel op nationaal of internationaal niveau gewaarborgd dient te worden;

C.  overwegende dat verantwoordingsplicht, rechtvaardigheid, de rechtsstaat en de bestrijding van straffeloosheid essentiële elementen zijn ter ondersteuning van inspanningen met het oog op vrede, conflictoplossing, verzoening en heropbouw;

D.  overwegende dat echte verzoening alleen op waarheid en gerechtigheid kan worden gestoeld;

E.  overwegende dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven het recht hebben op voorziening in rechte en schadevergoeding en dat vluchtelingen die het slachtoffer zijn geworden van gruweldaden de volledige steun van de internationale gemeenschap moeten krijgen; overwegende dat het in dit verband belangrijk is om oog te hebben voor genderkwesties door rekening te houden met de specifieke behoeften van vrouwen en meisjes in vluchtelingenkampen, tijdens repatriëring en hervestiging, bij re-integratie en tijdens wederopbouw na een conflict;

F.  overwegende dat het ICC een sleutelrol speelt bij de bestrijding van straffeloosheid en het herstel van de vrede en het voorzien in gerechtigheid voor slachtoffers;

G.  overwegende dat de regeling voor herstelbetalingen aan slachtoffers van de misdrijven die onder de bevoegdheid van het Strafhof vallen, het ICC tot een unieke gerechtelijke instelling op internationaal niveau maakt;

H.  overwegende dat universele toetreding tot het Statuut van Rome essentieel is voor de optimale effectiviteit van het ICC; overwegende dat 124 landen, waaronder alle EU-lidstaten, het Statuut van Rome inzake het ICC hebben geratificeerd;

I.  overwegende dat de wijzigingen van Kampala van het Statuut van Rome inzake het misdrijf agressie, dat beschouwd wordt als de ernstigste en gevaarlijkste vorm van onrechtmatig gebruik van geweld, door 34 landen zijn geratificeerd, waarmee de dertig akten van aanvaarding voor de inwerkingtreding ervan zijn behaald en de mogelijkheid is gecreëerd voor de Vergadering van Staten die Partij zijn om, na 1 januari 2017, te besluiten tot de activering van de op het Verdrag gebaseerde aan agressie gerelateerde rechtsmacht van het Strafhof;

J.  overwegende dat Rusland in november 2016 besloten heeft zijn ondertekening van het Statuut van Rome ongedaan te maken; overwegende dat in oktober 2016 Zuid-Afrika, Gambia en Burundi ook hebben aangekondigd zich terug te trekken; overwegende dat op 31 januari 2017 de Afrikaanse Unie (AU) een niet-bindende resolutie inclusief een strategie voor terugtrekking uit het Statuut van Rome inzake het ICC heeft aangenomen en AU-lidstaten heeft opgeroepen de uitvoering van de aanbevelingen ervan te overwegen; overwegende dat in februari en maart 2017 respectievelijk Gambia en Zuid-Afrika hebben laten weten dat zij hun besluit tot terugtrekking uit het Statuut van Rome intrekken;

K.  overwegende dat samenwerking tussen de staten die partij zijn bij het Statuut van Rome en met regionale organisaties van het hoogste belang is, met name in gevallen waarin de rechtsmacht van het ICC wordt betwist;

L.  overwegende dat het ICC momenteel bezig is met tien onderzoeken in negen landen (Georgië, Mali, Ivoorkust, Libië, Kenia, Sudan (Darfur), Uganda, Democratische Republiek Congo en (twee onderzoeken) in de Centraal-Afrikaanse Republiek);

M.  overwegende dat, overeenkomstig het complementariteitsbeginsel, zoals vastgelegd in het Statuut van Rome, het ICC alleen optreedt indien de nationale rechtbanken niet daadwerkelijk kunnen of willen onderzoeken en vervolgen, zodat de staten die partij zijn, als eerste verantwoordelijk blijven om de vermeende daders van de meest ernstige misdrijven die de internationale gemeenschap aangaan voor de rechter te brengen;

N.  overwegende dat de lidstaten in het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/443/CFSP van de Raad van 11 juni 2001 betreffende het Internationaal Strafhof hebben verklaard dat de misdrijven waarover het hof rechtsmacht heeft, een bron van zorg zijn voor alle lidstaten, die vastberaden zijn samen te werken om die misdrijven te voorkomen en om een eind te maken aan de straffeloosheid van de daders daarvan;

O.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten sinds de oprichting van het ICC trouwe bondgenoten van het ICC zijn en voortdurende politieke, diplomatieke, financiële en logistieke steun hebben geboden, waaronder de bevordering van de universaliteit en de verdediging van de integriteit van het stelsel van het Statuut van Rome;

P.  overwegende dat de EU en haar lidstaten zich er ten opzichte van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) toe hebben verbonden intensieve steun te verlenen aan de totstandbrenging van een doeltreffend mechanisme ter versterking van de naleving van het internationale humanitaire recht; overwegende dat het Parlement de VV/HV heeft verzocht verslag uit te brengen over de vastgestelde doelstellingen en strategie teneinde deze verbintenis na te komen;

Q.  overwegende dat tal van gruweldaden werden begaan op het grondgebied van landen van het voormalige Joegoslavië in de oorlogen die hebben plaatsgevonden tussen 1991 en 1995;

R.  overwegende dat strafprocessen voor de op het grondgebied van landen van het voormalige Joegoslavië in de oorlogen tussen 1991 en 1995 begane gruweldaden, zeer langzaam vorderen;

S.  overwegende dat Syrië in 1955 tot het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide is toegetreden, en in 2004 tot het Verdrag tegen foltering;

T.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 27 oktober 2016 eraan heeft herinnerd dat de mensenrechtenschendingen door ISIS/Da'esh ook genocide omvatten;

U.  overwegende dat in meerdere VN-rapporten, zoals van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie inzake de Arabische Republiek Syrië, de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de preventie van genocide, de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de verantwoordelijkheid om te beschermen, de speciale rapporteur over minderheidskwesties en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens, alsook door ngo's, wordt gesteld dat daden die door alle partijen begaan zijn mogelijkerwijs gruweldaden vormen, en alle partijen in de gevechten om Aleppo in december 2016 oorlogsmisdrijven hebben begaan;

V.  overwegende dat het ICC heeft verklaard dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat Boko Haram in Nigeria misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7 van het Statuut heeft begaan, waaronder moord en vervolging;

W.  overwegende dat naar aanleiding van honderden executies in Burundi sinds april 2015 in een rapport van het onafhankelijk VN-onderzoek inzake Burundi is geconcludeerd dat meerdere personen in Burundi zouden moeten worden vervolgd op verdenking van misdaden tegen de menselijkheid;

X.  overwegende dat maatschappelijke organisaties, internationale advocaten en ngo's hebben gewaarschuwd dat gebeurtenissen die eind 2016 in Burundi hebben plaatsvonden als genocide bestempeld zouden kunnen worden;

Y.  overwegende dat de internationale regels over oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid tevens bindend zijn voor niet-statelijke actoren of personen die namens of in het kader van niet-statelijke organisaties optreden; overwegende dat dit vandaag nog meer moet worden benadrukt, nu niet-statelijke actoren een steeds grotere rol spelen in oorlogssituaties en dergelijke ernstige misdrijven bevorderen en begaan;

Z.  overwegende dat onder bepaalde voorwaarden landen ook verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor niet-nakoming van verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen en overeenkomsten waarover het Internationaal Gerechtshof rechtsmacht heeft, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 1948;

AA.  overwegende dat het Internationaal Gerechtshof de aansprakelijkheid van staten kan vaststellen;

AB.  overwegende dat verkrachting en seksueel geweld door alle bij het conflict betrokken partijen als een oorlogsstrategie worden gebruikt, met de bedoeling de vijand te intimideren en te vernederen; voorts overwegende dat bij conflicten gendergerelateerd geweld en seksueel misbruik eveneens drastisch toenemen;

AC.  overwegende dat geweld tegen vrouwen tijdens zowel conflict- als postconflictsituaties kan worden gezien als een voortzetting van de discriminatie die vrouwen tijdens conflictloze situaties ervaren; overwegende dat conflicten vooraf bestaande patronen van discriminatie op grond van geslacht en historisch ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen verergeren en een verhoogd risico van seksueel, fysiek en psychologisch geweld voor vrouwen en meisjes meebrengen;

1.  herinnert aan de verbintenis van de EU om op het internationale toneel te handelen volgens de beginselen die haar oprichting hebben geïnspireerd, zoals democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en ten faveure van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht; benadrukt in deze context nogmaals dat het van cruciaal belang moet zijn voor de EU om hen die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen die voldoen aan de omschrijving van misdrijven tegen de menselijkheid en genocide en voor ernstige inbreuken op het internationale humanitaire recht op het niveau van oorlogsmisdaden, aan te pakken en ter verantwoording te roepen;

2.  roept de EU en haar lidstaten op om al hun politieke gewicht in de schaal te leggen om elke handeling die gezien kan worden als een gruweldaad te voorkomen, op een effectieve en gecoördineerde wijze te reageren wanneer dergelijke misdrijven plaatsvinden en alle nodige middelen te mobiliseren om alle verantwoordelijken te berechten, de slachtoffers bij te staan en stabilisatie- en verzoeningsprocessen te ondersteunen;

Over de noodzaak zich te richten op de preventie van gruweldaden

3.  verzoekt de verdragsluitende partijen bij het VN-Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide van 1948, de vier Verdragen van Genève van 1949, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en andere relevante internationale verdragen, waaronder de EU-lidstaten, al het nodige te doen om gruweldaden op hun grondgebied, binnen hun jurisdictie of door hun burgers te voorkomen, zoals zij zich ertoe hebben verbonden te doen; roept alle staten die genoemde verdragen nog niet hebben geratificeerd, dit alsnog te doen;

4.  wijst op de dringende behoefte voor de internationale gemeenschap om haar inspanningen te vergroten om elk conflict of potentieel conflict dat tot handelingen zou kunnen leiden die als gruweldaad kunnen worden gezien, te monitoren en daar op te reageren;

5.  roept de internationale gemeenschap op om instrumenten op te zetten die de kloof tussen waarschuwing en respons kunnen verkleinen, zoals het systeem voor vroegtijdige waarschuwing van de EU, ter voorkoming van het ontstaan, het opnieuw oplaaien en de escalatie van gewelddadige conflicten;

6.  verzoekt de EU haar inspanningen te vergroten om een coherente en efficiënte benadering te ontwikkelen om crisis- of conflictsituaties die ertoe kunnen leiden dat een gruweldaad wordt begaan, te herkennen en er tijdig op te reageren; onderstreept in het bijzonder het belang en de noodzaak van uitwisseling van informatie en van coördinatie van preventieve acties tussen EU-instellingen, waaronder EU-delegaties, missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en lidstaten, samen met hun diplomatieke vertegenwoordigingen; is in dit verband ingenomen met het nieuwe initiatief van een witboek van de Europese Commissie dat tot doeltreffender extern optreden van de EU zou leiden; onderstreept het belang van voortzetting en intensivering van de civiele missies en operaties in het kader van het GBVB die na conflicten worden uitgevoerd ter ondersteuning van de verzoening in derde landen, met name landen waar misdrijven tegen de menselijkheid hebben plaatsgevonden;

7.  is van mening dat de EU de noodzakelijke instrumenten om gruweldaden in een vroeg stadium te identificeren en te voorkomen, moet integreren in haar omvattende benadering met betrekking tot externe conflicten en crises; vraagt in dit verband aandacht voor het VN-analysekader voor gruweldaden, opgesteld door het VN-bureau van speciale adviseurs inzake de preventie van genocide en inzake de verantwoordelijkheid om te beschermen; is van mening dat de EU en haar lidstaten altijd krachtig stelling moeten nemen in gevallen waarin misdrijven dreigen te worden begaan en alle vreedzame instrumenten die hun ter beschikking staan zouden moeten gebruiken, zoals bilaterale betrekkingen, multilaterale fora en publieksdiplomatie;

8.  spoort de VV/HV aan: de samenwerking met en opleiding voort te zetten van de medewerkers van de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten, alsook van civiele en militaire missies, op het gebied van internationale mensenrechten, humanitair recht en strafrecht, waaronder de capaciteit om potentiële situaties te herkennen waarin sprake is van oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid, genocide en ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, onder meer aan de hand van regelmatige uitwisselingen met het lokale maatschappelijke middenveld; er voor te zorgen dat de speciale vertegenwoordigers van de EU het beginsel van de verantwoordelijkheid om te beschermen (R2P) handhaven telkens als dit nodig is en het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten naar R2P-vraagstukken uit te breiden; binnen de bestaande structuren en middelen van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) een R2P-contactpunt te steunen, dat met name moet worden belast met het verhogen van het besef van de implicaties van R2P en ervoor moet zorgen dat informatie over zorgwekkende situaties tijdig tussen alle betrokkenen wordt uitgewisseld, terwijl ook de oprichting van nationale R2P-contactpunten in de EU-lidstaten wordt aangemoedigd; de preventieve diplomatie en bemiddeling verder te professionaliseren en te versterken;

9.  benadrukt dat landen en regio's waar de kans op een conflict bestaat over bekwame en betrouwbare veiligheidstroepen moeten beschikken; roept op tot verdere inspanningen van de EU en de lidstaten met het oog op de ontwikkeling van programma's voor capaciteitsopbouw voor de veiligheidssector en platforms ter bevordering van een cultuur van eerbiediging van de mensenrechten en de grondwet, alsook van integriteit en openbare dienstverlening onder lokale veiligheidstroepen en strijdkrachten;

10.  benadrukt dat het aanpakken van de achterliggende oorzaken van geweld en conflicten, het bijdragen aan vreedzame en democratische omstandigheden, het waarborgen van de eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de bescherming van vrouwen, jongeren en minderjarigen, minderheden en de LGBTI-gemeenschap, samen met het bevorderen van een interreligieuze en interculturele dialoog, van cruciaal belang zijn voor de preventie van genocide en misdaden tegen de menselijkheid;

11.  roept op tot de ontwikkeling op internationaal, regionaal en nationaal niveau van onderwijs- en culturele programma's die het begrip van de oorzaken en gevolgen van gruweldaden voor de mensheid bevorderen en die wijzen op de noodzaak en het belang om vrede te stichten, de mensenrechten en tolerantie tussen geloofsgemeenschappen te bevorderen en om al deze misdaden te onderzoeken en te vervolgen; is in deze context ingenomen met de organisatie van de eerste jaarlijkse EU-dag tegen straffeloosheid van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden;

Over de steun aan onderzoek naar en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven

12.  betuigt nogmaals zijn volledige steun aan het ICC, het Statuut van Rome, het Parket van de Aanklager, zijn bevoegdheden om eigener beweging onderzoeken te openen en de vorderingen die het maakt bij het instellen van nieuwe onderzoeken, die een essentieel middel zijn om de straffeloosheid van gruweldaden te bestrijden;

13.  is ingenomen over de bijeenkomst tussen vertegenwoordigers van de EU en het ICC op 6 juli 2016 in Brussel ter voorbereiding van de tweede rondetafelconferentie tussen de EU en het ICC, die werd georganiseerd om het betrokken personeel van het ICC en de Europese instellingen in staat te stellen gebieden van gemeenschappelijk belang te identificeren, informatie over relevante activiteiten uit te wisselen en voor een betere samenwerking tussen de twee organisaties te zorgen;

14.  benadrukt nogmaals dat het behoud van de onafhankelijkheid van het ICC van doorslaggevend belang is voor niet alleen diens volledige effectiviteit maar ook de bevordering van het universele karakter van het Statuut van Rome;

15.  waarschuwt dat de rechtsbedeling niet kan berusten op een evenwichtsoefening tussen rechtvaardigheid en enige politieke overweging, aangezien een dergelijk evenwicht de verzoeningsinspanningen niet zou bevorderen maar juist in de weg zou staan;

16.  wijst nogmaals op het cruciale belang van de universele toetreding tot het Statuut van Rome inzake het ICC; verzoekt de staten die dit nog niet hebben gedaan, het Statuut van Rome en het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof en de in Kampala overeengekomen wijzigingen van het Statuut van Rome te ratificeren teneinde de verantwoordingsplicht en verzoening te ondersteunen, die sleutelelementen zijn bij de voorkoming van toekomstige wreedheden; bevestigt evenzeer het cruciale belang van de integriteit van het Statuut van Rome;

17.  betreurt ten zeerste de recent aangekondigde terugtrekkingen uit het Statuut van Rome, die een belemmering vormen voor de toegang tot de rechter van slachtoffers, en krachtig dienen te worden veroordeeld; is ingenomen met het feit dat zowel Gambia als Zuid-Afrika zijn kennisgeving van terugtrekking heeft herroepen; roept het betreffende resterende land op zijn beslissing te heroverwegen; dringt er voorts bij de EU op aan alles in het werk te stellen om terugtrekkingen te voorkomen, onder meer door samenwerking met de Afrikaanse Unie; is ingenomen met het feit dat de Vergadering van Staten die Partij zijn bij het ICC zich bereid heeft getoond voorgestelde wijzigingen van het Statuut van Rome te overwegen om aan de tijdens de bijzondere topbijeenkomst geformuleerde bezwaren van de Afrikaanse Unie tegemoet te komen;

18.  verzoekt de vier ondertekenende staten die de secretaris-generaal van de VN hebben meegedeeld niet langer van plan te zijn partij bij het Statuut van Rome te worden, hun beslissingen te herzien; merkt bovendien op dat drie van de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad geen partij zijn bij het Statuut van Rome;

19.  roept bovendien alle staten die partij zijn bij het ICC op om hun inspanningen ter bevordering van universele toetreding tot het ICC en het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof te vergroten; is van mening dat de Commissie en de EDEO, samen met de lidstaten, derde landen moeten blijven aanmoedigen het Statuut van Rome en het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof te ratificeren en ten uitvoer te leggen, en de resultaten van de EU op dit gebied ook moeten toetsen;

20.  wijst op het belang van voldoende financiële bijdragen aan het Hof voor de goede werking daarvan, hetzij in de vorm van bijdragen van de staten die partij zijn of door middel van de financieringsmechanismen van de EU, zoals het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) of het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan steun voor maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met het bevorderen van het internationaal strafrechtelijk systeem en het ICC gerelateerde kwesties;

21.  is ingenomen met de onschatbare bijdragen van maatschappelijke organisaties aan het Strafhof; is bezorgd over meldingen van bedreigingen en intimidatie jegens enkele maatschappelijke organisaties die met het Strafhof samenwerken; verzoekt alle nodige maatregelen te nemen om een veilige omgeving te waarborgen voor maatschappelijke organisaties om te opereren en samen te werken met het Strafhof en om bedreigingen en intimidatie jegens hen in dat opzicht aan te pakken;

22.  neemt kennis van de geboekte vooruitgang in de toepassing van het actieplan van 12 juli 2011 om gevolg te geven aan het besluit van de Raad van 21 maart 2011 betreffende het ICC; roept op tot een evaluatie van de uitvoering van het actieplan teneinde mogelijke gebieden te identificeren waar de effectiviteit van EU-actie kan worden verhoogd, ook als het gaat om het bevorderen van de integriteit en onafhankelijkheid van het Strafhof;

23.  dringt er bij alle staten die het Statuut van Rome hebben geratificeerd op aan volledig samen te werken met het ICC bij zijn inspanningen om de personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige internationale misdrijven te onderzoeken en te berechten, het gezag van het ICC te eerbiedigen en zijn besluiten volledig ten uitvoer te leggen;

24.  spoort de EU en haar lidstaten aan alle politieke en diplomatieke instrumenten waarover zij beschikken aan te wenden om een effectieve samenwerking met het ICC te steunen, met name ten aanzien van getuigenbeschermingsprogramma's en de uitvoering van lopende aanhoudingsbevelen, in het bijzonder met betrekking tot de dertien verdachten die voortvluchtig zijn; verzoekt de Commissie, de EDEO en de Raad tot overeenstemming te komen over de vaststelling van concrete maatregelen om te reageren op niet-medewerking met het ICC in aanvulling op politieke verklaringen;

25.  roept de EU en haar lidstaten op om alle beschikbare middelen in te zetten, waaronder eventuele sancties ten aanzien van derde landen, met name in geval van landen met omstandigheden die voorwerp zijn van een onderzoek door het ICC en landen die voorwerp zijn van een voorlopig onderzoek van het ICC, teneinde hun politieke wil te versterken en hun capaciteit om nationale procedures in verband met gruweldaden in te leiden, te vergroten; verzoekt tevens de EU en haar lidstaten die landen volledige ondersteuning aan te bieden, teneinde hen te helpen te voldoen aan de vereisten van het ICC; verzoekt de lidstaten volledig te voldoen aan het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/CFSP van de Raad van 8 december 2008;

26.  is van mening dat slachtoffers van gruweldaden toegang moeten krijgen tot doeltreffende en uitvoerbare rechtsmiddelen en herstelbetalingen; benadrukt de speciale rol van slachtoffers en getuigen in procedures bij het Strafhof en de noodzaak van specifieke maatregelen om hun veiligheid en effectieve deelname overeenkomstig het Statuut van Rome te waarborgen; roept de EU en haar lidstaten op de rechten van slachtoffers centraal te blijven stellen in alle maatregelen ter bestrijding van straffeloosheid en op vrijwillige basis deel te nemen aan het ICC-fonds voor slachtoffers;

27.  roept de EDEO op ervoor te zorgen dat de verantwoordingsplicht voor gruweldaden en steun voor het ICC in de prioriteiten van het buitenlands beleid van de EU is geïntegreerd, ook in het uitbreidingsproces, door stelselmatig rekening te houden met de bestrijding van straffeloosheid; onderstreept in deze context de belangrijke rol van parlementsleden in het bevorderen van het ICC en de bestrijding van straffeloosheid, onder meer door interparlementaire samenwerking;

28.  verzoekt de EU-lidstaten erop toe te zien dat coördinatie en samenwerking met het ICC in de taakbeschrijving van de betreffende speciale vertegenwoordigers van de EU (SVEU's) worden opgenomen; verzoekt de VV/HV een SVEU voor internationaal humanitair recht en internationale justitie te benoemen die wordt belast met het bevorderen, integreren en uitdragen van de steun die de EU biedt aan de bestrijding van straffeloosheid en aan het ICC, in het buitenlands beleid van de EU;

29.  wijst op de essentiële rol van het Europees Parlement in het toezicht op EU-maatregelen op dit vlak; is verheugd over de opname van een hoofdstuk over de bestrijding van straffeloosheid en het ICC in het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld van het Parlement en stelt voorts voor dat het Europees Parlement een meer proactieve rol speelt in het bevorderen en integreren van de bestrijding van straffeloosheid en het ICC in alle EU-beleidsmaatregelen en -instellingen, in het bijzonder in de werkzaamheden van de parlementaire commissies die verantwoordelijk zijn voor het externe optreden van de Unie en de EP-delegaties voor de betrekkingen met derde landen;

30.  benadrukt dat het complementariteitsbeginsel van het ICC inhoudt dat de staten die partij zijn bij het ICC als eerste verantwoordelijk zijn om gruweldaden te onderzoeken en te vervolgen; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat niet alle EU-lidstaten wetgeving hebben ingevoerd waarin deze misdrijven in het kader van het nationale recht worden gedefinieerd als misdrijven ten aanzien waarvan hun nationale rechtbanken rechtsmacht hebben; roept de EU en haar lidstaten op volledig gebruik te maken van het instrumentarium "Advancing the principle of complementarity" (ter bevordering van het beginsel van complementariteit);

31.  moedigt de lidstaten aan om artikel 83 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te wijzigen door "gruweldaden" toe te voegen aan de lijst van misdrijven waarvoor de EU bevoegd is;

32.  spoort de EU er nadrukkelijk toe aan middelen te reserveren en te verstrekken ter voorbereiding van een actieplan inzake de bestrijding van straffeloosheid in Europa voor misdrijven naar internationaal recht met duidelijke ijkpunten voor de EU-instellingen en de lidstaten, teneinde nationale onderzoeken en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te verbeteren;

33.  herinnert eraan dat landen, met inbegrip van de EU-lidstaten, bij het Internationaal Gerechtshof afzonderlijk procedures tegen andere staten kunnen instellen wegens niet-nakoming van statelijke verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen en overeenkomsten, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide van 1948;

34.  herinnert aan zijn scherpe veroordeling van de in Syrië door het regime van Assad begane gruweldaden, die als ernstige oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid kunnen worden beschouwd, en betreurt het klimaat van straffeloosheid voor daders van dergelijke misdrijven in Syrië;

35.  betreurt het wijdverbreide gebrek aan eerbiediging van het internationale humanitaire recht en het zorgwekkende aantal burgerdoden en aanslagen op burgerinfrastructuren in gewapende conflicten over de hele wereld; dringt er bij de internationale gemeenschap op aan een internationale conferentie te beleggen om een nieuw internationaal mechanisme op te zetten voor het volgen en verzamelen van gegevens en voor openbare verslaglegging over schendingen tijdens gewapende conflicten; verzoekt de VV/HV opnieuw om jaarlijks een openbare lijst van vermeende daders van aanvallen op scholen en ziekenhuizen te presenteren, zodat passende EU-maatregelen kunnen worden geformuleerd om dergelijke aanvallen een halt toe te roepen;

36.  roept de lidstaten op de belangrijkste instrumenten van internationaal humanitair recht (IHR) en andere relevante rechtsinstrumenten te ratificeren; erkent het belang van de richtsnoeren van de Europese Unie inzake bevordering van de naleving van het IHR en verzoekt de VV/HV en de EDEO opnieuw de tenuitvoerlegging ervan aan te scherpen, met name met betrekking tot oorlogsmisdrijven in het Midden-Oosten; verzoekt de EU steun te bieden aan initiatieven voor het verspreiden van kennis over het IHR en van goede praktijken wat de toepassing ervan betreft, en roept de EU op alle beschikbare bilaterale instrumenten op doeltreffende wijze in te zetten om de naleving van het IHR door haar partners te bevorderen, onder meer door politieke dialoog;

37.  beklemtoont dat de lidstaten moeten weigeren wapens, uitrusting of financiële of politieke steun te verstrekken aan regeringen of niet-statelijke actoren die het internationaal humanitair recht schenden, onder meer door verkrachting of ander seksueel geweld tegen vrouwen en kinderen;

38.  roept bovendien de EU en haar lidstaten op om hervormingsprocessen en nationale inspanningen te ondersteunen op het vlak van capaciteitsopbouw ter versterking van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de rechtshandhavingssector, het gevangeniswezen en herstelprogramma's in derde landen die direct door de vermeende misdrijven worden getroffen, waartoe zij zich hebben verbonden in het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie (2015-2019); is in deze context ingenomen met het EU-kader inzake steun aan overgangsjustitie 2015 en ziet uit naar de effectieve tenuitvoerlegging ervan;

Over bestrijding van straffeloosheid van niet-statelijke actoren

39.  merkt op dat internationaal strafrecht en met name het mandaat en de jurisprudentie van de internationale straftribunalen de verantwoordelijkheid van individuen die tot niet-statelijke groeperingen behoren die betrokken zijn bij internationale misdrijven duidelijk hebben gedefinieerd; benadrukt dat deze verantwoordelijkheid niet alleen betrekking heeft op dergelijke individuen maar ook op indirecte mededaders van internationale misdrijven; moedigt alle EU-lidstaten aan om statelijke, niet-statelijke actoren en personen die verantwoordelijk zijn voor oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide voor de rechter te brengen;

40.  benadrukt dat het plegen van gewelddadige misdrijven door ISIS/Da'esh of andere niet-statelijke actoren tegen vrouwen en meisjes veelvuldig door relevante internationale organen is gerapporteerd en merkt op dat de internationale rechtsgemeenschap moeite heeft om die misdrijven binnen het internationaal strafrechtelijk kader vast te stellen;

41.  benadrukt in deze context nogmaals zijn krachtige veroordeling van de gruwelijke misdaden en mensenrechtenschendingen, die zijn begaan door niet-statelijke actoren, zoals Boko Haram in Nigeria en ISIS/Da'esh in Syrië en Irak; is geschokt door het brede scala aan begane misdaden, waaronder moord, marteling, verkrachting, seksuele slavernij, het ronselen van kindsoldaten, gedwongen bekeringen en de systematische moord op religieuze minderheden, waaronder christenen, jezidi's en andere minderheden; herinnert eraan dat seksueel geweld, volgens het ICC, aangemerkt kan worden als een oorlogsmisdrijf en een misdrijf tegen de menselijkheid; is van mening dat de vervolging van de daders een prioriteit van de internationale gemeenschap moet zijn;

42.  spoort de EU en haar lidstaten aan straffeloosheid te bestrijden en actieve steun te verlenen aan de inspanningen van de internationale gemeenschap om niet-statelijke groeperingen als Boko Haram, ISIS/Da'esh en alle andere actoren die oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid begaan voor de rechter te brengen; roept op tot het vaststellen van een duidelijke aanpak voor de vervolging van ISIS/Da'esh-strijders en hun medeplichtigen, onder meer door gebruik te maken van de expertise van het EU-netwerk voor onderzoek en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven;

43.  benadrukt dat de EU en haar lidstaten de vervolging van leden van niet-statelijke groeperingen als ISIS/Da'esh moeten steunen door te trachten een consensus te bereiken binnen de VN-Veiligheidsraad om het ICC hiervoor rechtsmacht toe te kennen, aangezien Syrië en Irak geen partij zijn bij het Statuut van Rome; onderstreept dat de EU alle opties op internationaal niveau om de misdrijven van alle bij het Syrische conflict betrokken partijen, waaronder ISIS/Daesh, te onderzoeken en te vervolgen, moet verkennen en steunen, waaronder de mogelijkheid een internationaal strafhof voor Irak en Syrië op te richten;

44.  betreurt het veto dat Rusland en China als permanente leden van de VN-Veiligheidsraad hebben uitgesproken over de verwijzing van de situatie in Syrië naar de aanklager van het ICC op grond van hoofdstuk VII van het VN-Handvest en over de vaststelling van een maatregel ter bestraffing van Syrië voor het gebruik van chemische wapens; dringt er bij de EU op aan om snel optreden te steunen dat gericht is op de hervorming van de werking van de VN-Veiligheidsraad, met name wat het gebruik van het vetorecht betreft, en, in het bijzonder, het Franse initiatief om af te zien van het gebruik van het vetorecht in geval van genocide, oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid;

45.  spoort aan tot een eventuele oproep tot de toepassing van de in hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties vastgestelde beginselen teneinde te voldoen aan het R2P-beginsel (de verantwoordelijkheid om te beschermen), altijd onder toezicht van de internationale gemeenschap en met toestemming van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

46.  is ingenomen met de onderzoekscommissie voor Syrië, die door de Mensenrechtenraad is opgezet, en het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme (IIIM), dat door de Algemene Vergadering van de VN is opgezet ter ondersteuning bij het onderzoek naar ernstige misdrijven die in Syrië zijn begaan; benadrukt de noodzaak om een soortgelijk onafhankelijk mechanisme in Irak op te zetten, en verzoekt alle EU-lidstaten, alle partijen in het conflict in Syrië, het maatschappelijk middenveld en het VN-systeem als geheel, volledige medewerking te verlenen aan het IIIM en dit te voorzien van de informatie en documentatie waarover zij mogelijkerwijs beschikken, om het bij te staan in de uitvoering van zijn mandaat; bedankt die EU-lidstaten welke financieel hebben bijgedragen aan het IIIM en roept lidstaten die dit niet hebben gedaan op dit te doen;

47.  roept de EU op voldoende financiële middelen toe te kennen aan organisaties die werken aan openbronnenonderzoek en digitale verzameling van bewijsmateriaal van oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid om voor verantwoordingsplicht te zorgen en daders te berechten;

48.  is verheugd over de inspanningen van de EU om de werkzaamheden te ondersteunen van de Commissie voor internationaal recht en verantwoordingsplicht en van andere ngo's die gruweldaden documenteren; roept de EU op om directe steun te verlenen aan het maatschappelijk middenveld in Irak en Syrië om bewijzen te verzamelen, te bewaren en te beschermen van de misdrijven die door alle bij deze conflicten betrokken partijen, met inbegrip van ISIS/Da'esh, in Irak en Syrië zijn begaan; roept op bewijsmateriaal, al dan niet in digitale vorm, van door alle partijen bij het conflict begane oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid, als een belangrijke stap in de strijd tegen straffeloosheid en als absolute prioriteit, te verzamelen en te bewaren; is ingenomen met het Britse, Belgische en Iraakse initiatief op VN-niveau ("Bringing Daesh to Justice Coalition") om bewijs van de door ISIS/Da'esh in Syrië en Irak begane misdrijven te verzamelen, teneinde de internationale vervolging van ISIS/Da'esh mogelijk te maken en roept de EU-lidstaten zich aan te sluiten bij de coalitie of deze te steunen; is daarnaast voorstander van de activiteiten van het initiatief op het gebied van cultureel erfgoed en het bijbehorende feitenonderzoek in Syrië en Irak ten aanzien van de vernietiging van archeologisch en cultureel erfgoed;

49.  moedigt de EU en haar lidstaten aan alle nodige maatregelen te treffen om de toestroom van middelen naar ISIS/Da'esh, variërend van wapens, voertuigen en geldelijke inkomsten tot vele andere middelen, metterdaad te stoppen;

50.  dringt er bij de EU op aan sancties op te leggen aan landen of autoriteiten die direct of indirect de toestroom van middelen naar ISIS/Da'esh faciliteren en bijgevolg aan de ontwikkeling van hun terroristische criminele activiteiten bijdragen;

51.  beklemtoont dat de lidstaten van de EU alle beschuldigingen moeten onderzoeken en onderdanen, of personen die binnen hun rechtsmacht vallen, die in Irak en Syrië gruweldaden hebben begaan of daartoe een poging hebben ondernomen, te vervolgen, of voor het ICC te brengen; herinnert er echter aan dat de vervolging van leden van ISIS/Da'esh in de lidstaten slechts een aanvulling op internationale justitie kan zijn;

52.  wijst op het belang van de Overeenkomst tussen het Internationaal Strafhof en de Europese Unie inzake samenwerking en bijstand; verzoekt de lidstaten om het beginsel van universele rechtsmacht toe te passen ter bestrijding van straffeloosheid en wijst op het belang hiervan voor de doeltreffendheid en goede werking van het internationale strafrechtsysteem; verzoekt tevens alle lidstaten oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid onder hun nationale jurisdictie te vervolgen, met inbegrip van die misdrijven die in derde landen of door onderdanen daarvan worden begaan;

53.  dringt er bij alle landen van de internationale gemeenschap, inclusief de EU-lidstaten, op aan actief te werken aan de voorkoming en bestrijding van radicalisering en hun rechtsstelsels en rechtsmachtregelingen te verbeteren, teneinde te vermijden dat hun onderdanen en burgers zich bij ISIS/Da'esh aansluiten;

Genderdimensie in de aanpak van mensenrechtenschendingen in de context van oorlogsmisdaden

54.  wijst op de absolute noodzaak seksueel en op gender gebaseerd geweld uit te bannen door het wijdverbreide en systematische gebruik ervan als een oorlogswapen tegen vrouwen en meisjes aan te pakken; dringt er bij alle landen op aan nationale actieplannen voor adaptatie (NAPA's) te ontwikkelen overeenkomstig resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad, in combinatie met strategieën ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en roept op tot een alomvattend engagement om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van die resolutie; roept op tot een wereldwijd engagement om de veiligheid van vrouwen en meisjes te garanderen vanaf het begin van elke noodsituatie of crisis en in situaties na conflicten, met alle beschikbare middelen, zoals toegang tot seksuele en reproductieve diensten, inclusief veilige en legale abortus voor slachtoffers van verkrachting in een oorlogscontext; benadrukt dat zelfs na het einde van een conflict vrouwen vaak blijven lijden onder de fysieke, psychologische en sociaaleconomische gevolgen van het geweld;

55.  is van mening dat vrouwen een grotere rol moeten spelen in conflictpreventie, de bevordering van de mensenrechten en democratische hervormingen, en benadrukt het belang van de systematische deelname van vrouwen als essentieel element van elk vredesproces en de wederopbouw na een conflict; spoort de EU en haar lidstaten aan de betrokkenheid van vrouwen bij vredesprocessen en nationale verzoeningsprocessen te bevorderen;

56.  vraagt de Europese Commissie, de lidstaten en de bevoegde internationale autoriteiten passende maatregelen te treffen zoals het toepassen van militaire disciplinaire maatregelen, het handhaven van het beginsel van bevelsverantwoordelijkheid en het opleiden van troepen, vredestroepen en humanitaire hulpverleners inzake het verbod op alle vormen van seksueel geweld;

o
o   o

57.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN en de regeringen van de VN-lidstaten.

(1) PB L 155 van 12.6.2001, blz. 19.
(2) PB L 167 van 26.6.2002, blz. 1.
(3) PB L 118 van 14.5.2003, blz. 12.
(4) PB L 150 van 18.6.2003, blz. 67.
(5) PB L 115 van 28.4.2006, blz. 49.
(6) PB L 76 van 22.3.2011, blz. 56.
(7) PB C 153E van 31.5.2013, blz. 115.
(8) PB C 224 van 21.6.2016, blz. 31.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0344.
(10) PB C 224 van 21.6.2016, blz. 10.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0459.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0449.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0422.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.
(15) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 61.


Particuliere beveiligingsondernemingen
PDF 273kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over particuliere beveiligingsondernemingen (2016/2238(INI))
P8_TA(2017)0289A8-0191/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het document van Montreux over relevante internationale juridische verplichtingen en goede praktijken voor staten in verband met de operaties van particuliere militaire en beveiligingsbedrijven tijdens gewapende conflicten,

–  gezien de resoluties 15/26, 22/33, 28/7 en 30/6 van de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de in juli 2005 opgerichte VN-werkgroep inzake het gebruik van huurlingen als een middel om de mensenrechten te schenden en de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht door volkeren te belemmeren,

–  gezien de verslagen van de open intergouvernementele werkgroep waarin wordt onderzocht of het mogelijk is een internationaal regelgevingskader te ontwikkelen inzake de regulering van en de controle en het toezicht op de activiteiten van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen,

–  gezien de VN-richtsnoeren inzake het gebruik van de diensten voor gewapende beveiliging van particuliere beveiligingsondernemingen, die sinds kort ook op de diensten voor ongewapende beveiliging van toepassing zijn,

–  gezien de VN-gedragscode voor wetshandhavers,

–  gezien het ontwerp van een eventueel verdrag inzake particuliere militaire en beveiligingsdiensten, te bespreken en te behandelen door de Mensenrechtenraad,

–  gezien de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven (ICoC), opgesteld door de Vereniging voor de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven, een zelfregulerend sectoraal mechanisme waarbij naleving van de normen op vrijwillige basis geschiedt,

–  gezien de gedragscode van de Vereniging voor internationale stabilisatieoperaties, een zelfregulerend sectoraal mechanisme,

–  gezien de gedragscode voor de particuliere beveiligingssector van CoESS (Confederation of European Security Services) en UNI Europa,

–  gezien het ISO 18788-managementsysteem voor particuliere beveiligingsoperaties, waarin parameters zijn vastgelegd voor het beheer van particuliere beveiligingsondernemingen,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de samenwerking tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de particuliere beveiligingssector,

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG(1),

–  gezien Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG(2),

–  gezien het EU-concept voor logistieke steun aan door de EU geleide militaire operaties en het EU-concept voor steun van contractanten aan door de EU geleide militaire operaties,

–  gezien de "Priv-War"-aanbevelingen voor EU-regelgeving op het gebied van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen en hun diensten,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector: het effect op de mensenrechten in derde landen(3) en zijn resolutie van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel(4),

–  gezien de vele uiteenlopende risico's, uitdagingen en bedreigingen binnen en buiten de Europese Unie,

–  gezien de voorlopige richtsnoeren van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van mei 2012 inzake gewapend beveiligingspersoneel aan boord van schepen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0191/2017),

A.  overwegende dat veiligheid en defensie publieke goederen zijn die moeten worden beheerd op basis van de criteria van doelmatigheid, efficiëntie, verantwoordingsplicht en de rechtsstaat, en die niet alleen afhankelijk zijn van financiële middelen maar ook van kennis; overwegende dat het overheidsdiensten in sommige gebieden aan de nodige capaciteiten en vermogens kan ontbreken;

B.   overwegende dat het in de eerste plaats de overheid is die moet instaan voor veiligheid en defensie;

C.  overwegende dat de burgers van de Unie, volgens Eurobarometer-enquêtes, actiever willen zijn op het gebied van veiligheid en defensie;

D.  overwegende dat door circa 40 000 particuliere beveiligingsondernemingen in Europa in 2013 meer dan 1,5 miljoen particuliere beveiligingscontractanten zijn aangesteld; overwegende dat deze aantallen blijven stijgen; overwegende dat de omzet van deze ondernemingen dat jaar ongeveer 35 miljard EUR bedroeg; overwegende dat de waarde van de particuliere beveiligingssector in 2016 wereldwijd op 200 miljard USD werd geschat en dat de sector circa 100 000 particuliere beveiligingsondernemingen en 3,5 miljoen werknemers telde;

E.  overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen, een term die in de context van deze resolutie ook particuliere militaire ondernemingen omvat, de afgelopen decennia in toenemende mate worden ingeschakeld door nationale overheden alsook door strijdkrachten en civiele agentschappen, zowel om binnenlandse diensten te verrichten als voor ondersteuning overzee;

F.  overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen een zeer breed scala aan diensten aanbieden, van logistieke diensten tot daadwerkelijke gevechtsondersteuning, levering van militaire technologie en hulp bij wederopbouw na een conflict; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen ook essentiële diensten verlenen binnen de lidstaten, zoals gevangenisbeheer en de leverring van patrouilles voor infrastructuurterreinen; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen bij civiele en militaire missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) worden ingezet om EU-delegaties te begeleiden, veldkampen op te zetten, opleiding te geven, luchtbruggen tot stand te brengen en activiteiten op het gebied van humanitaire hulp te ondersteunen;

G.  overwegende dat binnen de EU sprake is van grote verschillen tussen de lidstaten voor wat betreft het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen, de procedures voor het contracteren ervan en de kwaliteit van regelgevingssystemen; voorts overwegende dat dergelijke ondernemingen door veel lidstaten worden ingezet om hun contingenten te ondersteunen bij multilaterale operaties;

H.  overwegende dat militaire activiteiten, voorheen een integrerend deel van de activiteiten van gewapende strijdkrachten, onder meer worden uitbesteed om de kostenefficiëntie van de dienstverlening te verbeteren, maar ook om te compenseren voor het feit dat de krimpende krijgsmacht een capaciteitstekort vertoont terwijl het aantal multilaterale missies in het buitenland toeneemt en terwijl op de begrotingen wordt bespaard omdat besluitvormers niet bereid zijn toereikende middelen ter beschikking te stellen; overwegende dat dit alleen in uitzonderingssituaties mag gebeuren; overwegende dat de tekortkomingen moeten worden aangepakt; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen ook kunnen voorzien in capaciteit waar het nationale gewapende strijdkrachten volledig aan ontbreekt, vaak op korte termijn en complementaire wijze; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen ook voor politieke doeleinden worden gebruikt, teneinde beperkingen op het inzetten van troepen te voorkomen en voornamelijk het eventuele gebrek aan draagvlak voor de inzet van eigen strijdkrachten te ondervangen; overwegende dat het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen als een instrument van buitenlands beleid moet worden onderworpen aan doeltreffende parlementaire controle;

I.  overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen zijn beschuldigd van betrokkenheid bij zowel tal van schendingen van de mensenrechten als incidenten waarbij mensen om het leven zijn gekomen; overwegende dat die incidenten in de tijd en naargelang van het land verschillen en in sommige gevallen ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht inhouden, waaronder oorlogsmisdaden; overwegende dat in een aantal van deze gevallen tot vervolging is overgegaan; overwegende dat hun ondoorzichtige gedrag en hun gebrek aan transparantie gevolgen hebben gehad voor de inspanningen van de internationale gemeenschap in de desbetreffende landen en aanzienlijke tekortkomingen aan het licht hebben gebracht ten aanzien van de structuren voor het afleggen van verantwoording, onder meer in verband met de ontwikkeling, in verschillende landen, van meerdere lagen van dochterondernemingen of onderaannemers, met name op lokaal niveau, waardoor de basisveiligheid van de burgerbevolking in de ontvangende landen in sommige gevallen niet kan worden gegarandeerd;

J.  overwegende dat de EU en haar lidstaten dergelijke situaties in de toekomst moeten proberen te vermijden en geen militaire operaties mogen uitbesteden waarbij geweld en wapens moeten worden gebruikt, waarbij moet worden deelgenomen aan vijandelijkheden of anderszins strijd moet worden geleverd of oorlogsgebieden moeten worden betreden, met uitzondering van wettelijke zelfverdediging; overwegende dat de aan particuliere beveiligingsondernemingen uitbestede operaties en activiteiten in conflictgebieden moeten worden beperkt tot het bieden van logistieke ondersteuning en het beschermen van installaties, zonder dat de particuliere beveiligingsondernemingen daadwerkelijk aanwezig zijn in de gebieden waar strijd wordt geleverd; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen in geen geval mogen worden gebruikt als vervanging voor nationale strijdkrachten; overwegende dat het bij de tenuitvoerlegging van defensiebeleid de absolute prioriteit moet zijn dat de strijdkrachten van de lidstaten beschikken over het materieel en de instrumenten, opleiding, kennis en middelen die ze nodig hebben om hun taken naar behoren uit te voeren;

K.  overwegende dat er op internationaal niveau een rechtskader met bindende regulerings- en toezichtmechanismen moet worden ingevoerd om het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen te reguleren en toereikende controle over hun activiteiten te bieden, zodat landen kunnen profiteren van de voordelen die dergelijke ondernemingen bieden en ervoor wordt gezorgd dat de ondernemingen ter verantwoording kunnen worden geroepen; overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen deel uitmaken van een sector die zeer internationaal is en nauw verweven is met gouvernementele en intergouvernementele instanties, en derhalve een mondiale regelgevingsaanpak vergt; overwegende dat de huidige regelgeving voor deze sector een reeks onsamenhangende regels omvat die van lidstaat tot lidstaat enorm verschillen; overwegende dat de niet-homogene nationale wetgeving en de zelfregulering die sommige particuliere beveiligingsondernemingen zich opleggen, een zwak afschrikmiddel vormen om misbruik te voorkomen – aangezien sancties ontbreken – en een grote invloed kunnen hebben op de manier waarop particuliere beveiligingsondernemingen te werk gaan bij multilaterale interventies en in conflictgebieden;

L.  overwegende dat er geen overeengekomen definities van particuliere beveiligingsondernemingen, particuliere militaire ondernemingen en hun diensten bestaan; overwegende dat een particuliere beveiligingsonderneming, volgens het ontwerpverdrag dat is opgesteld door de VN-werkgroep inzake huurlingen, kan worden gedefinieerd als een vennootschapsrechtelijke entiteit die bij wijze van compensatie natuurlijke personen en/of rechtspersonen militaire en/of beveiligingsdiensten laat leveren; overwegende dat militaire diensten in deze context kunnen worden gedefinieerd als gespecialiseerde diensten die verband houden met militaire acties, waaronder strategische planning, inlichtingen, onderzoek, land-, zee- of luchtverkenning, vluchtuitvoeringen van welke soort dan ook, bemand of onbemand, satelliettoezicht en -verkenning, elke vorm van kennisoverdracht voor militaire doeleinden, materiële en technische steun aan gewapende strijdkrachten, en andere gerelateerde activiteiten; overwegende dat beveiligingsdiensten kunnen worden gedefinieerd als gewapende bewaking of bescherming van gebouwen, installaties, eigendommen en mensen, elke vorm van kennisoverdracht voor beveiligings- en politiedoeleinden, de ontwikkeling en de uitvoering van maatregelen met betrekking tot informatiebeveiliging, en andere gerelateerde activiteiten;

M.  overwegende dat het document van Montreux het eerste belangrijke document is waarin wordt gedefinieerd op welke manier het internationaal recht van toepassing is op particuliere beveiligingsondernemingen; overwegende dat de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven (ICoC) niet alleen voorziet in sectorale normen, maar ook steeds meer een instrument blijkt te zijn waarmee gemeenschappelijke basisnormen worden gewaarborgd binnen een internationale sector; overwegende dat de Vereniging voor de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven (ICoCA) tot doel heeft om de tenuitvoerlegging van de ICoC te bevorderen, te sturen en te controleren, alsook om de betrokken bedrijven aan te moedigen beveiligingsdiensten op een verantwoorde manier te verlenen en de mensenrechten en het nationaal en internationaal recht te eerbiedigen; overwegende dat lidmaatschap van de ICoCA vrijwillig en niet gratis is en dat de lidmaatschapstarieven voor sommige particuliere beveiligingsondernemingen zo hoog zijn dat een lidmaatschap voor hen niet tot de mogelijkheden behoort;

N.  overwegende dat tal van internationale fora regelgeving inzake particuliere beveiligingsondernemingen uitwerken, waaronder het forum inzake het document van Montreux, waarvoor de EU is verkozen tot lid van de Groep vrienden van het voorzitterschap, de open intergouvernementele werkgroep die onderzoekt of het mogelijk is een internationaal regelgevingskader te ontwikkelen inzake de regulering van en de controle en het toezicht op de activiteiten van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen, en de Vereniging voor de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven;

O.  overwegende dat de EU en 23 lidstaten zich achter het document van Montreux hebben geschaard en dat de EU lid is van de werkgroep inzake de internationale gedragscode voor particuliere beveiligingsbedrijven; overwegende dat de EU in het kader van de Mensrechtenraad een bijdrage levert aan de eventuele ontwikkeling van een internationaal regelgevingskader; overwegende dat de EU een cruciale rol speelt bij het bevorderen van nationale en regionale controle over de verlening en uitvoer van diverse militaire en beveiligingsdiensten;

P.  overwegende dat de Europese Unie niet over een eigen regelgevingskader beschikt, ondanks het grote aantal particuliere beveiligingsondernemingen dat uit Europa afkomstig is en/of in het kader van GVDB-missies en -operaties of EU-delegaties wordt ingezet; overwegende dat de bestaande normatieve kaders vrijwel uitsluitend zijn gebaseerd op het Amerikaanse model dat is ingevoerd tijdens het conflict in Irak ten behoeve van militaire ondernemingen die gevechtsmissies uitvoeren; overwegende dat deze referenties niet overeenstemmen met de aard en de missies van de Europese particuliere beveiligingsondernemingen;

Q.  overwegende dat het van essentieel belang is dat prioriteit wordt gegeven aan de vaststelling van duidelijke regels voor interactie, samenwerking en bijstand tussen rechtshandhavingsinstanties en particuliere beveiligingsondernemingen;

R.  overwegende dat particuliere beveiligingsondernemingen een grotere rol zouden kunnen spelen in de strijd tegen piraterij en bij de verbetering van de maritieme veiligheid, missies waarbij gebruik wordt gemaakt van honden, cyberdefensie, onderzoek en ontwikkeling van beveiligingsinstrumenten, gemengde toezichtmissies en opleidingen in samenwerking met en onder toezicht van overheidsinstanties; overwegende dat het inzetten van gewapende particuliere beveiligingsondernemingen specifieke uitdagingen heeft gecreëerd voor de maritieme sector, en tot tal van incidenten heeft geleid, waarbij mensen om het leven zijn gekomen en diplomatieke conflicten zijn ontstaan;

Het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen voor de ondersteuning van militairen in het buitenland

1.  stelt vast dat particuliere beveiligingsondernemingen een belangrijke aanvullende rol spelen bij de ondersteuning van nationale militaire en civiele agentschappen, doordat ze tekorten aan mankracht en capaciteit aanvullen die voortvloeien uit de toegenomen vraag naar de inzet van strijdkrachten in het buitenland, en doordat ze daarnaast, incidenteel en voor zover de omstandigheden dat toelaten, voorzien in piekcapaciteit; benadrukt dat door middel van de diensten van particuliere beveiligingsondernemingen in uitzonderlijke gevallen bepaalde capaciteitstekorten worden aangevuld, maar dat de lidstaten hiertoe in eerste instantie nationale strijdkrachten of politiemensen zouden moeten mobiliseren; benadrukt dat particuliere beveiligingsondernemingen worden gebruikt als instrument om het buitenlands beleid van die landen uit te voeren;

2.  onderstreept dat particuliere beveiligingsondernemingen, wanneer ze in ontvangende landen actief zijn, en met name in landen met een heel andere cultuur en godsdienst, aandacht moeten hebben voor de lokale gebruiken en gewoonten, teneinde de doeltreffendheid van hun missie te waarborgen en de lokale bevolking niet van hen te vervreemden;

3.  wijst erop dat particuliere beveiligingsondernemingen, met name als zij in het ontvangende land zijn gevestigd, in vergelijking met nationale troepen kostenbesparingen met zich mee kunnen brengen, evenals waardevolle lokale kennis; benadrukt evenwel dat ervoor moet worden gezorgd dat de kwaliteit niet wordt ondermijnd; onderstreept echter dat het negatieve gevolgen kan hebben voor de doelstellingen van het buitenlands beleid van de Unie als in kwetsbare landen en crisisgevoelige regio's gebruik wordt gemaakt van de diensten van lokale particuliere beveiligingsondernemingen en dit tot de versterking leidt van de positie van bepaalde gewapende lokale actoren die partij bij het conflict kunnen worden; benadrukt dat er een duidelijk juridisch onderscheid moet worden gemaakt tussen de operaties van particuliere beveiligingsondernemingen en de activiteiten van particuliere spelers die rechtstreeks voor militaire activiteiten worden ingezet;

4.  beklemtoont dat aan particuliere beveiligingsondernemingen geen activiteiten mogen worden uitbesteed waarbij geweld moet worden gebruikt en/of sprake is van deelname aan vijandelijkheden, met uitzondering van zelfverdediging; en particuliere beveiligingsondernemingen moeten in elk geval het recht hebben deel te nemen aan verhoren of deze te leiden; benadrukt dat er, wat de veiligheid en defensie van de EU betreft, prioriteit moet worden toegekend aan de versterking van nationale gewapende strijdkrachten, waarop particuliere beveiligingsondernemingen – zonder enige bevoegdheid tot het nemen van strategische beslissingen – slechts een aanvulling kunnen vormen; benadrukt dat de deelname van particuliere beveiligingsondernemingen aan militaire operaties moet kunnen worden gerechtvaardigd, dat hiervoor verifieerbare doelstellingen moeten worden geformuleerd met concrete indicatoren, een gedetailleerde en uitgebreide begroting moet worden opgesteld en een begin- en einddatum moeten worden vastgesteld en dat hierbij een strenge ethische code van toepassing moet zijn; wijst erop dat het werk van de strijdkrachten en veiligheidstroepen in het buitenland fundamenteel is voor het behoud van de vrede en het voorkomen van conflicten, en ook voor de sociale wederopbouw en de nationale verzoening na conflicten;

5.  beklemtoont dat de kostenefficiëntie van het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen hoofdzakelijk op korte termijn vruchten afwerpt, vooral als geen rekening wordt gehouden met een aantal sociaaleconomische variabelen, en daarom in de aanpak van veiligheidskwesties niet het belangrijkste criterium mag worden; wijst erop dat verantwoordings- en toezichtmechanismen van cruciaal belang zijn om ervoor te zorgen dat de legitimiteit en de mogelijke voordelen van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen ten volle worden benut;

6.  wijst op het belang van parlementaire controle op het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen door lidstaten;

Het inzetten van particuliere beveiligingsondernemingen door de EU

7.  wijst erop dat de EU in het buitenland gebruikmaakt van particuliere beveiligingsondernemingen om haar delegaties en personeel te begeleiden en haar civiele en militaire GVDB-missies te ondersteunen; merkt op dat het inzetten ervan de reputatie van de EU en de indruk die derde landen van haar hebben dus rechtstreeks beïnvloedt, waardoor particuliere beveiligingsondernemingen in belangrijke mate bijdragen tot de lokale aanwezigheid van de EU en invloed hebben op de mate van vertrouwen in de EU; wenst dat de Commissie en de Raad een overzicht opstellen waaruit kan worden opgemaakt waar, wanneer en om welke reden er particuliere beveiligingsondernemingen zijn ingezet ter ondersteuning van EU-missies; is van mening dat het niet onlogisch zou zijn als de Europese Unie bij haar aanbestedingen voor de beveiliging van haar delegaties de voorkeur gaf aan particuliere beveiligingsondernemingen die daadwerkelijk in Europa zijn gevestigd, en die de Europese regelgeving naleven en aan Europese belasting zijn onderworpen;

8.  onderstreept echter dat het, in het bijzonder in conflictgevoelige gebieden, voor de EU, en met name voor haar legitimiteit, negatieve neveneffecten met zich mee kan brengen wanneer er een particuliere beveiligingsonderneming in dienst wordt genomen voor bepaalde taken, namelijk als de onderneming onbedoeld in verband wordt gebracht met gewapende actoren in het conflictgebied, wat negatieve gevolgen heeft in het geval van gewapende incidenten, of als inspanningen op het gebied van ontwapening, demobilisatie en re-integratie (DDR) en de hervorming van de veiligheidssector (SSR) in gevaar worden gebracht door de onopzettelijke versterking van lokale actoren; wijst in het bijzonder op de risico's van ongecontroleerde onderaanbesteding, bijvoorbeeld aan lokale particuliere beveiligingsondernemingen;

9.  wijst op de diverse ernstige juridische en politieke problemen in verband met de actuele praktijk om militaire en beveiligingsdiensten uit te besteden aan onderaannemers, en dan met name aan lokale onderaannemers in derde landen; is van mening dat de lidstaten, de EDEO en de Commissie moeten afspreken het voorbeeld van de NAVO te volgen en alleen diensten uit te besteden aan particuliere beveiligingsondernemingen die in EU-lidstaten zijn gevestigd;

10.  beveelt derhalve aan dat de Commissie, ter vervanging van de huidige wirwar van benaderingen, gemeenschappelijke aanbestedingsrichtsnoeren opstelt voor particuliere beveiligingsondernemingen voor het inhuren, inzetten en beheren van militaire en beveiligingscontractanten, waarin duidelijk wordt omschreven aan welke vereisten particuliere beveiligingsondernemingen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor EU-contracten; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan bij alle buitenlandse acties, missies en operaties, voor EU-delegaties in alle landen en regio's en voor alle diensten van een herziene gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, dezelfde richtsnoeren te hanteren voor het inhuren, inzetten en beheren van militaire en beveiligingscontractanten; is van mening dat deze richtsnoeren moeten worden gebaseerd op internationale beste praktijken inzake de uitvoering en het beheer van particuliere beveiligingsondernemingen, zoals het document van Montreux en de ICoC, en in aanmerking moeten nemen dat particuliere beveiligingsondernemingen in een complexe context na afloop van een conflict met bijzondere zorg moeten worden geselecteerd; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan alleen gebruik te maken van ICoC-gecertificeerde aanbieders, zoals de VN, waarvoor ICoC-certificering een vereiste is, nu al doen; vestigt de aandacht op de aanpak van de Amerikaanse overheid die gedetailleerde normen en eisen opneemt in elk individueel contract, en dringt er bij de EU op aan dit voorbeeld te volgen; benadrukt dat contracten met particuliere beveiligingsondernemingen onder andere clausules moeten bevatten betreffende het bezit van licenties en vergunningen, gegevens inzake personeel en eigendommen, opleiding, rechtmatige aankoop en aanwending van wapens en interne organisatie;

11.  vraagt dat er een beveiligingstoezichthouder uit de EU van een in de EU gevestigde beveiligingsonderneming aanwezig is op door de EU gefinancierde locaties en bij EU-delegaties en dat hem de taak wordt toevertrouwd om de kwaliteit van de verleende diensten te waarborgen, lokaal ingehuurde beveiligers te keuren en op te leiden, goede contacten tot stand te brengen en te onderhouden met de lokale veiligheidsdiensten, de risico's te beoordelen en het eerste aanspreekpunt van de delegatie te zijn voor veiligheidskwesties;

12.  beveelt aan dat de Commissie een niet-uitputtende lijst opstelt van contractanten die voldoen aan EU-normen zoals blanco strafregisters, financiële en economische draagkracht, bezit van licenties en vergunningen, en de screening van personeel; stelt vast dat de normen inzake particuliere beveiligingsondernemingen binnen de EU grote verschillen vertonen en is van mening dat de lidstaten naar vergelijkbare normen moeten streven; is van mening dat deze lijst ten minste om de twee jaar moet worden bijgewerkt;

13.  benadrukt dat, wanneer de EU een beroep doet op particuliere beveiligingsondernemingen in derde landen waarmee ze een overeenkomst inzake de status van de strijdkrachten (SOFA) heeft afgesloten, deze overeenkomsten altijd moeten vermelden welke particuliere beveiligingsondernemingen er worden ingezet en specifiek moeten verduidelijken dat de ondernemingen overeenkomstig het Unierecht ter verantwoording kunnen worden geroepen;

14.  benadrukt dat het EU-concept voor steun van contractanten moet worden versterkt en bindend moet worden gemaakt voor de lidstaten en EU-instellingen; is van mening dat in het kader hiervan in het bijzonder strengere normen moeten worden vastgesteld die in contracten moeten worden opgenomen, bijvoorbeeld op basis van Amerikaanse normen, en moet worden bepaald dat in conflictgebieden geen lokale particuliere beveiligingsondernemingen mogen worden ingezet, ook niet in de vorm van onderaanbesteding; beklemtoont dat internationale particuliere beveiligingsondernemingen plaatselijk personeel moeten kunnen inhuren, maar alleen op individuele basis en met als direct doel om doeltreffende selectie te waarborgen en te voorkomen dat in conflictgebieden lokale beveiligingssectoren ontstaan;

De regelgeving inzake particuliere beveiligingsondernemingen

15.  beveelt aan dat de Commissie een groenboek opstelt, teneinde alle belanghebbenden uit de sectoren voor publieke en particuliere beveiliging te betrekken bij een brede raadpleging en discussie over procedures om de mogelijkheden voor directe samenwerking op een efficiëntere wijze in kaart te brengen en een reeks basisregels vast te stellen inzake inzet en goede praktijken; raadt aan sectorspecifieke EU-kwaliteitsnormen te ontwikkelen; beveelt daarom aan dat de definitie van particuliere beveiligingsonderneming wordt verduidelijkt voordat wordt overgegaan tot effectieve regulering van hun activiteiten, omdat het ontbreken ervan kan leiden tot leemten in de wetgeving;

16.  is van mening dat de EU als een eerste stap met een precieze definitie van de relevante militaire en beveiligingsdiensten moet komen; dringt er in dit kader bij de Raad op aan militaire en beveiligingsdiensten door particuliere beveiligingsondernemingen onverwijld toe te voegen aan de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen;

17.  wenst dat de Commissie een doeltreffend Europees regelgevingsmodel ontwikkelt, dat:

   middels een richtlijn de juridische verschillen tussen de lidstaten zal helpen harmoniseren;
   de hedendaagse samenwerkingsstrategieën tussen de publieke en de particuliere sector opnieuw zal evalueren en definiëren;
   ondernemingen met één of meerdere gebruiksdoeleinden in kaart zal brengen;
   de precieze aard en rol van particuliere militaire en beveiligingsondernemingen in de juiste context zal plaatsen;
   strenge normen zal vastleggen voor particuliere beveiligingsondernemingen die binnen de Unie of in het buitenland actief zijn, onder meer om te waarborgen dat beveiligingspersoneel aan passende veiligheidsonderzoeken wordt onderworpen en een billijke vergoeding ontvangt;
   zal waarborgen dat verslag wordt uitgebracht over onregelmatigheden en onwettige handelingen door particuliere beveiligingsondernemingen en het mogelijk zal maken particuliere beveiligingsondernemingen aansprakelijk te stellen voor schendingen van onder andere de mensenrechten tijdens hun activiteiten in het buitenland;
   een specifiek maritiem perspectief zal omvatten, waarbij rekening wordt gehouden met de leidende rol van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO);

18.  merkt op dat opkomende mondiale regelgevingskaders, zoals het document van Montreux, de ICoC en andere regelgevingsinitiatieven binnen het VN-kader, een duidelijke vooruitgang betekenen in vergelijking met het gebrek aan zinvolle regelgeving dat slechts tien jaar geleden zo kenmerkend was;

19.  waardeert voorts dat tal van EU-lidstaten, naar aanleiding van de goede praktijken die in het document van Montreux worden beschreven, zich ervoor inzetten om doeltreffende nationale regelgeving voor particuliere beveiligingsondernemingen in te voeren;

20.  merkt echter op dat het gebrek aan consequente verslaglegging over de mate waarin zowel de EU-instellingen als de regeringen van de lidstaten gebruikmaken van dergelijke ondernemingen, een belemmering vormt voor de beoordeling van de prestaties van particuliere beveiligingsondernemingen; moedigt de lidstaten en de EU-instellingen aan deze informatie op een consequentere basis en op een transparante manier te verstrekken, zodat er een deugdelijke beoordeling van het gebruik van particuliere beveiligingsondernemingen kan worden uitgevoerd door hun respectieve begrotingsautoriteiten en onafhankelijke accountants; beveelt aan dat niet-overheidsactoren en ngo's actief worden betrokken bij de noodzakelijke beoordelingsprocessen die van cruciaal belang zijn voor de regulering en controle van deze sector;

21.  raadt de Commissie en de Raad aan een rechtskader vast te stellen waarin wordt bepaald dat de uitvoer van militaire en beveiligingsdiensten op grond van nationale wetgeving moet worden gecontroleerd, en adviseert hen om in het jaarverslag van de EU over wapenuitvoer verslag uit te brengen over de vergunningen die de lidstaten voor de uitvoer van militaire en beveiligingsdiensten hebben verleend, teneinde de transparantie en verantwoordingsplicht te vergroten;

22.  benadrukt dat de transnationale aard van particuliere beveiligingsondernemingen, en met name hun activiteiten in door crises getroffen regio's, soms aanleiding kan geven tot leemten in de jurisdictie, met name waar de lokale rechtsstructuur zwak is, waardoor het moeilijk zou kunnen worden om de ondernemingen of hun werknemers ter verantwoording te roepen voor hun daden; merkt op dat bij nationale regelgeving inzake particuliere beveiligingsondernemingen van extraterritoriale toepassing dikwijls geen sprake is; onderstreept dat particuliere beveiligingsondernemingen altijd onderworpen moeten zijn aan wetgeving en aan doeltreffend toezicht door zowel het ontvangende als het contracterende land; merkt op dat er dikwijls een juridisch vacuüm bestaat wat betreft eventuele geschillen of incidenten tussen particuliere beveiligingsondernemingen en functionarissen van de Europese Unie in risicogebieden; beveelt derhalve aan dat er uniforme en duidelijke regels worden vastgesteld voor de Europese instellingen die een beroep doen op particuliere beveiligingsondernemingen om EU-personeel te beschermen, waarin de verantwoordelijkheid om straffeloosheid en leemten in de bescherming te vermijden duidelijk wordt vastgelegd en rekening wordt gehouden met het rechtskader van het ontvangende land; dringt er tevens bij de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan alleen in de EU gevestigde particuliere militaire en beveiligingsondernemingen te contracteren en hen te verplichten hun diensten rechtstreeks te verrichten, zonder een beroep te doen op lokale onderaannemers in vaak fragiele derde landen;

23.  wenst derhalve dat de EU en haar lidstaten hun positie binnen het forum inzake het document van Montreux aanwenden om aan te dringen op regelmatige evaluaties van de staat van tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het document van Montreux inzake de toepassing van goede praktijken door zijn deelnemers; verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, zich zo spoedig mogelijk achter het document van Montreux te scharen; spoort de lidstaten aan beste praktijken uit te wisselen;

24.  roept de EU en haar lidstaten op aan te dringen op een internationaal wettelijk bindend instrument met een grotere reikwijdte dan het document van Montreux, door de activiteiten van particuliere beveiligingsondernemingen te reguleren en een gelijk speelveld tot stand te brengen om ervoor te zorgen dat ontvangende landen de bevoegdheid hebben particuliere beveiligingsondernemingen te reguleren en dat contracterende landen hun invloed kunnen aanwenden om de mensenrechten te beschermen en corruptie te voorkomen; benadrukt dat een dergelijk kader afschrikkende sancties voor overtredingen, verantwoordingsplicht voor overtreders en effectieve toegang tot rechtsmiddelen voor slachtoffers moet omvatten, naast een vergunningen- en controlesysteem op grond waarvan alle particuliere beveiligingsondernemingen moeten worden onderworpen aan onafhankelijke controles en hun personeel moet deelnemen aan verplichte opleidingen op het gebied van de mensenrechten;

25.  dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten, de EDEO en de Commissie op aan alle steun te verlenen aan de opstelling van een internationaal verdrag dat een internationaal wettelijk stelsel wil instellen om de door particuliere beveiligingsondernemingen verleende diensten te reguleren;

26.  verwelkomt de inspanningen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) om richtsnoeren aan te reiken voor het inzetten van particuliere gewapende beveiligingsteams; spoort de Commissie en de lidstaten aan met de IMO te blijven toewerken naar de wereldwijde toepassing van de richtsnoeren;

27.  benadrukt dat het nemen van besluiten over overheidsopdrachten een van de meest doeltreffende manieren is om invloed uit te oefenen op particuliere beveiligingsondernemingen; onderstreept derhalve hoe belangrijk het is om de vaststelling van beste praktijken, zoals transparantie, en hun deelname aan de ICoC, die sommige lidstaten al ten uitvoer hebben gelegd, als voorwaarde te stellen voor de gunning van contracten aan particuliere beveiligingsondernemingen; merkt echter op dat het ICoC-nalevingsmechanisme moet worden versterkt en dat de volledige onafhankelijkheid van het mechanisme moet worden gewaarborgd om het tot een geloofwaardige nalevingsstimulans te maken; merkt op dat van de lidstaten enkel Zweden en het Verenigd Koninkrijk zich bij de ICoC hebben aangesloten en is van mening dat de EU er vooral voor moet zorgen dat andere lidstaten zich bij haar aansluiten;

28.  merkt op dat particuliere beveiligingsondernemingen een aansprakelijkheidsverzekering zouden moeten hebben, aangezien dit de beveiligingsmarkt stabieler en betrouwbaarder zou maken en ook ruimte zou creëren voor kleinere en middelgrote particuliere beveiligingsondernemingen;

29.  benadrukt dat bij de gunning van contracten aan particuliere beveiligingsondernemingen rekening moet worden gehouden met en moet worden beoordeeld op basis van de ervaring van de particuliere beveiligingsondernemingen en de tijd die ze in vijandige omgevingen hebben gewerkt, veeleer dan met de omzet van een vergelijkbaar contract;

30.  vestigt de aandacht op het feit dat particuliere beveiligingsondernemingen niet alleen beveiligingsdiensten verlenen, maar ook inlichtingenactiviteiten verrichten, die gezien de mogelijke implicaties ervan doeltreffend moeten worden gereguleerd en gecontroleerd;

31.  wijst erop dat de EU en haar lidstaten aanzienlijke invloed hebben op de internationale beveiligingsindustrie, aangezien de hoofdkantoren van tal van belangrijke spelers in de EU zijn gevestigd; legt daarom bijzondere nadruk op de aanstaande herziening van de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen als een kans om deze lijst aan te vullen met bepaalde diensten die door particuliere beveiligingsondernemingen worden geleverd, waardoor ze worden onderworpen aan uitvoerregelingen en er basisnormen van toepassing worden op hun activiteiten in het buitenland;

o
o   o

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de nationale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.
(2) PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.
(3) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 2.
(4) PB C 24 van 22.1.2016, blz. 33.


Arbeidsomstandigheden en onzeker werk
PDF 299kWORD 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk (2016/2221(INI))
P8_TA(2017)0290A8-0224/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 151 en 153,

–  gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name hoofdstuk IV (solidariteit),

–  gezien Richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk(1),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(2),

–  gezien Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid(3) ("de richtlijn uitzendarbeid"),

–  gezien de gerichte herziening van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(4) ("de detacheringsrichtlijn") en van Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(5) ("de handhavingsrichtlijn"),

–  gezien Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)(6),

–  gezien zijn resolutie van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband(7),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende EU-arbeidsmarkt voor de 21e eeuw: afstemming van vaardigheden en kwalificaties op de vraag en kansen voor werk als manier om de crisis te overwinnen(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse(9),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over sociale dumping in de Europese Unie(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over de toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(11),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(12),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de veranderende aard van arbeidsverhoudingen en de impact ervan op het behoud van een fatsoenlijk salaris en de impact van technologische ontwikkelingen op het socialezekerheidsstelsel en de arbeidswetgeving(13),

–  gezien het Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij de aanpak van zwartwerk,

–  gezien de studie van 2016 opgesteld op verzoek van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Parlement over onzeker werk in Europa ("Precarious Employment in Europe: Patterns, trends and policy strategies")(14),

–  gezien het Europees Handvest inzake de kwaliteit van stages, dat op 14 december 2011 is gepubliceerd,

–  gezien het driemaandelijkse verslag van de Commissie over werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa voor het najaar van 2016 ("Employment and Social Developments in Europe Quarterly Review Autumn 2016"),

–  gezien het "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" van de Commissie,

–  gezien het Eurofound-verslag van 2010 over flexibele arbeidsvormen: "zeer atypische" arbeidsovereenkomsten,

–  gezien het Eurofound-verslag van 2014 over de gevolgen van de crisis voor de arbeidsverhoudingen en ‑omstandigheden in Europa(15),

–  gezien het Eurofound-verslag van 2015 over nieuwe vormen van werk(16),

–  gezien het Eurofound-verslag van 2016 over onderzoek naar frauduleus contracteren voor werk in de Europese Unie(17),

–  gezien de Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden (EWCS) van Eurofound en het overzichtsverslag over de zesde EWCS(18),

–  gezien het woordenboek van de arbeidsverhoudingen ("European Industrial Relations Dictionary") van Eurofound(19),

–  gezien de fundamentele arbeidsnormen die zijn vastgesteld door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), alsook de verdragen en aanbevelingen van de IAO inzake arbeidsvoorwaarden,

–  gezien aanbeveling R198 van de IAO van 2006 inzake arbeidsverhoudingen(20) en de daarin vervatte bepalingen betreffende de vaststelling van een arbeidsverhouding,

–  gezien het IAO-verslag van 2011 over beleid en regelgeving ter bestrijding van onzeker werk ("Policies and regulations to combat precarious employment")(21),

–  gezien het IAO-verslag van 2016 over atypisch werk wereldwijd ("Non-standard employment around the world: Understanding challenges, shaping prospects")(22),

–  gezien het IAO-verslag van 2016 over de totstandbrenging van een sociale pijler ten behoeve van Europese convergentie ("Building a social pillar for European convergence")(23),

–  gezien algemene ontwerpaanbeveling nr. 28 van de VN van 2010 inzake de kernverplichtingen van de staten die partij uit hoofde van artikel 2 van het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien de Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2014-2017 van de Raad van Europa,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0224/2017),

A.  overwegende dat er "niet-standaardvormen" of "atypische vormen" van werk verschijnen; overwegende dat in de EU het aantal werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en deeltijdovereenkomsten de afgelopen vijftien jaar is gestegen; overwegende dat er efficiënt beleid nodig is om de verschillende vormen van werk te bestrijken en werknemers voldoende te beschermen;

B.  overwegende dat het percentage "standaardvormen" van werk de afgelopen tien jaar is gedaald van 62 % tot 59 %(24); overwegende dat het, als deze ontwikkeling zich voortzet, wel eens zover zou kunnen komen dat slechts een minderheid van de werknemers nog een standaardarbeidsovereenkomst heeft;

C.  overwegende dat voltijdse overeenkomsten voor onbepaalde tijd nog steeds het merendeel van de arbeidsovereenkomsten in de EU uitmaken en dat atypische vormen van werk in sommige sectoren ook naast standaardvormen van werk voorkomen; overwegende dat atypisch werk ook een negatieve invloed kan hebben op het evenwicht tussen werk en privéleven, als gevolg van atypische werktijden en onregelmatige lonen en pensioenpremies;

D.  overwegende dat de grens tussen werk in loondienst en werk als zelfstandige door de opkomst van nieuwe vormen van werk, vooral als gevolg van de digitalisering en nieuwe technologieën, aan het vervagen is(25), wat ook nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het werk;

E.  overwegende dat sommige nieuwe vormen van werk in een aantal opzichten verschillen van traditionele standaardvormen van werk; overwegende dat sommige de verhouding tussen werkgever en werknemer wijzigen, dat andere het arbeidspatroon en de organisatie van het werk wijzigen en dat nog weer andere beide doen; overwegende dat dit tot meer schijnzelfstandigheid, slechtere arbeidsvoorwaarden en minder sociale bescherming kan leiden, maar ook voordelen met zich kan meebrengen; overwegende dat de toepassing van de bestaande wetgeving daarom van het grootste belang is;

F.  overwegende dat de stijgende arbeidsparticipatie in Unie sinds de economische crisis toe te juichen is, maar deels kan worden toegeschreven aan een toename van het aantal atypische arbeidsovereenkomsten, die in sommige gevallen leiden tot een groter risico op onzekerheid dan standaardvormen van werk; overwegende dat bij het scheppen van banen meer nadruk moet worden gelegd op kwaliteit;

G.  overwegende dat het aantal deeltijdbanen sinds de crisis op geen enkel moment is verminderd en dat het aantal voltijdbanen in de EU nog steeds onder het niveau van vóór de crisis van 2008 ligt; overwegende dat de arbeidsparticipatie, ondanks de stijging in de afgelopen jaren, nog altijd onder het Europa 2020-streefcijfervan 75 % ligt en sterk verschilt van de ene lidstaat tot de andere;

H.  overwegende dat het belangrijk is een onderscheid te maken tussen de opkomst van nieuwe vormen van werk en het bestaan van onzeker werk;

I.  overwegende dat de EU en de lidstaten een gedeelde bevoegdheid hebben voor het sociaal beleid; overwegende dat de EU de lidstaten op dit gebied alleen kan aanvullen en ondersteunen;

J.  overwegende dat de EU slechts minimumeisen voor arbeidsomstandigheden kan vaststellen, zonder de wet- en regelgeving van de lidstaten te harmoniseren;

K.  overwegende dat er reeds een Europees platform ter bestrijding van zwartwerk is opgericht, dat een nauwere grensoverschrijdende samenwerking tussen en gezamenlijke maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en andere actoren mogelijk maakt om zwartwerk doelmatig en doeltreffend te bestrijden;

L.  overwegende dat onzeker werk tot marktversnippering leidt en de loonverschillen verscherpt;

M.  overwegende dat er tot dusver geen gemeenschappelijke definitie van het begrip "onzeker werk" bestaat; overwegende dat deze definitie moet worden opgesteld in nauw overleg met de sociale partners; overwegende dat het type overeenkomst op zich het risico van onzeker werk niet kan voorspellen, maar dat dit risico integendeel van een hele reeks factoren afhangt;

N.  overwegende dat onder standaardvormen van werk voltijds en vrijwillig deeltijds regulier werk op basis van overeenkomsten voor onbepaalde tijd kunnen worden verstaan; overwegende dat elke lidstaat zijn eigen wetten en praktijk heeft voor de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op verschillende soorten arbeidsovereenkomsten en stages; overwegende dat er geen universeel aanvaarde definitie van "standaardvormen van werk" bestaat;

O.  overwegende dat de recentste kwesties in verband met vertegenwoordiging, die toe te schrijven zijn aan tekortkomingen in de organisaties van de sociale partners in bepaalde sectoren of aan hervormingen in verschillende Europese landen waarbij de rol van de sociale partners wordt ingeperkt, van invloed zijn op alle arbeidsrelaties;

P.  overwegende dat sommige sectoren, zoals de landbouw, de bouwnijverheid en de kunstensector, onevenredig getroffen worden door onzeker werk; overwegende dat onzeker werk zich de afgelopen jaren ook heeft verbreid in andere sectoren, zoals de luchtvaart en het hotelwezen(26);

Q.  overwegende dat uit recente studies blijkt dat handarbeiders met een gemiddelde scholing en laaggeschoolde werknemers er minder goed aan toe zijn qua inkomen, vooruitzichten en intrinsieke werkkwaliteit; overwegende dat deze groep volgens die studies vaker wordt blootgesteld aan milieu- en houdingsrisico's, en dat zowel hun fysieke als hun mentale welzijnsniveau lager is(27);

R.  overwegende dat vrouwen 46 % van de actieve beroepsbevolking op de EU-arbeidsmarkt uitmaken en bijzonder kwetsbaar zijn voor baanonzekerheid als gevolg van discriminatie, ook wat loon betreft, en overwegende dat vrouwen ongeveer 16 % minder verdienen dan mannen; overwegende dat vrouwen vaker deeltijds, met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor een laag loon werken, en daardoor meer risico lopen op onzekerheid; overwegende dat dergelijke arbeidsvoorwaarden leiden tot levenslange verliezen aan inkomen en bescherming, of het nu gaat om loon, pensioen of socialezekerheidsuitkeringen; overwegende dat mannen vaker voltijds en met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werken dan vrouwen; overwegende dat vooral vrouwen getroffen worden door onvrijwillig deeltijdwerk, schijnzelfstandigheid en zwartwerk(28);

S.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in de EU hoger is bij mannen dan bij vrouwen; overwegende dat de belangrijkste redenen waarom vrouwen de arbeidsmarkt verlaten, zijn dat ze voor kinderen of ouderen moeten zorgen, zelf ziek of arbeidsongeschikt zijn of andere persoonlijke of gezinsverantwoordelijkheden hebben; overwegende dat vrouwen vaak worden geconfronteerd met discriminatie en hinderpalen omdat ze moeder zijn of zouden kunnen worden; overwegende dat alleenstaande vrouwen met afhankelijke kinderen een bijzonder hoog risico op onzekerheid lopen;

T.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een grondrecht is dat veronderstelt dat gelijke kansen en een gelijke behandeling op alle gebieden van het leven moeten worden gegarandeerd, en overwegende dat beleid om deze gelijkheid te waarborgen, slimme en duurzame groei helpt bevorderen;

U.  overwegende dat veel werknemers die zich in een onzekere arbeidssituatie bevinden of werkloos zijn, geen recht hebben op ouderschapsverlof;

V.  overwegende dat jonge werknemers een hoger risico lopen om in een onzekere baan terecht te komen; overwegende dat het risico om in een positie met meerdere nadelen terecht te komen, bij werknemers jonger dan 25 jaar dubbel zo hoog is als bij werknemers van 50 jaar of ouder(29);

I.Naar fatsoenlijk werk – arbeidsvoorwaarden en onzeker werk aanpakken

1.  vraagt de lidstaten rekening te houden met de volgende IAO-indicatoren om te bepalen of er sprake is van een dienstverband:

   het werk wordt verricht volgens de instructies en onder het gezag van een andere partij;
   het houdt in dat de werkende in de organisatie van het bedrijf wordt opgenomen;
   het wordt uitsluitend of voornamelijk ten voordele van een andere persoon verricht;
   het moet door de werkende persoonlijk worden verricht;
   het wordt verricht binnen welbepaalde werkuren of op een werkplek die wordt bepaald of overeengekomen door de partij die om het werk verzoekt;
   het werk heeft een bepaalde duur en een zekere continuïteit;
   het vereist dat de werkende beschikbaar is of omvat de verstrekking van gereedschap, materiaal en machines door de partij die om het werk verzoekt;
   de werkende krijgt een periodieke beloning die zij enige of voornaamste bron van inkomsten is, en er kan ook sprake zijn van betaling in natura, zoals eten, huisvesting of vervoer;
   de werkende heeft rechten zoals wekelijkse rusttijden en jaarlijks verlof;

2.  neemt nota van de Eurofound-definitie van atypisch werk, namelijk arbeidsverhoudingen die niet overeenstemmen met het standaard- of typische model van voltijdse, reguliere en langdurige tewerkstelling van onbepaalde duur bij één werkgever(30); benadrukt dat de termen "atypisch" en "onzeker" niet als synoniemen kunnen worden gebruikt;

3.  verstaat onder onzeker werk vormen van werk die niet aan de Europese en nationale normen, met name op het vlak van gezondheid en veiligheid op het werk, voldoen en/of onvoldoende middelen opleveren om fatsoenlijk van te kunnen leven, of ontoereikende sociale bescherming bieden;

4.  stelt vast dat sommige atypische vormen van werk grotere risico's op onzekerheid met zich meebrengen, onvrijwillig deeltijdwerk, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, nulurencontracten en onbetaalde stages;

5.  is er vast van overtuigd dat flexibiliteit op de arbeidsmarkt niet gaat over de uitholling van de werknemersrechten in ruil voor productiviteit en concurrentie, maar dat het erom gaat een geslaagd evenwicht tot stand te brengen tussen de bescherming van de werknemers en de mogelijkheid om individuele werknemers en werkgevers afspraken te laten maken over manieren van werken die aan de behoeften van beide partijen beantwoorden;

6.  merkt op dat het risico van bestaansonzekerheid afhangt van het type overeenkomst maar ook van de volgende indicatoren:

   weinig of geen baanzekerheid als gevolg van de niet-vaste aard van het werk, zoals het geval is bij onvrijwillige en vaak marginale deeltijdovereenkomsten en, in sommige lidstaten, onduidelijke werktijden en veranderlijke taken als gevolg van werk op aanvraag;
   rudimentaire bescherming tegen ontslag en onvoldoende sociale bescherming bij ontslag;
   onvoldoende beloning om fatsoenlijk van te kunnen leven;
   geen of beperkte socialezekerheidsrechten of -uitkeringen;
   geen of beperkte bescherming tegen discriminatie;
   geen of geringe vooruitzichten op een betere positie op de arbeidsmarkt of loopbaanontwikkeling en opleiding;
   weinig collectieve rechten en beperkt recht op collectieve vertegenwoordiging van werknemers;
   arbeidsomstandigheden die niet aan de minimumregels voor veiligheid en gezondheid beantwoorden(31);

7.  herinnert aan de definitie van "fatsoenlijk werk" van de IAO, namelijk werk dat productief is en een billijk inkomen oplevert, een veilige werkplek en sociale bescherming biedt, betere vooruitzichten op persoonlijke ontwikkeling en sociale integratie biedt, mensen de vrijheid geeft om voor hun belangen op te komen, zich te organiseren en deel te nemen aan de besluitvorming die van invloed is op hun leven, en waarbij alle vrouwen en mannen gelijke kansen krijgen en gelijk worden behandeld(32); moedigt de IAO aan om aan die definitie een leefbaar loon toe te voegen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om deze definitie te onderschrijven wanneer zij het arbeidsrecht herzien of verder ontwikkelen;

8.  herinnert aan de succesfactoren voor good practices ter bestrijding van onzeker werk, namelijk: een sterke juridische basis, betrokkenheid van de sociale partners en de ondernemingsraden op de werkplek, samenwerking met de belanghebbenden, evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid, sectorgerichtheid, lage administratieve lasten voor de werkgevers, handhaving door de arbeidsinspectie, en bewustmakingscampagnes;

9.  merkt op dat het IAO-agenda voor fatsoenlijk werk specifiek bedoeld is om banencreatie, rechten op het werk, sociale bescherming en sociale dialoog alsook en gendergelijkheid te garanderen; benadrukt dat fatsoenlijk werk met name het volgende moet bieden:

   een fatsoenlijk loon, en ook het recht op vrijheid van vereniging moet garanderen;
   collectieve overeenkomsten in overeenstemming met de praktijk van de lidstaten;
   participatie van de werknemers in bedrijfsaangelegenheden, in overeenstemming met de praktijk van de lidstaten;
   eerbiediging van het collectieve onderhandelingen;
   gelijke behandeling van werknemers op dezelfde werkplek;
   gezondheid en veiligheid op het werk;
   sociale zekerheid voor werknemers en hun personen ten laste;
   bepalingen inzake werk- en rusttijden;
   bescherming tegen ontslag;
   toegang tot opleiding en een leven lang leren;
   steun voor evenwicht tussen werk en privéleven voor alle werknemers; beklemtoont dat deze rechten slechts kunnen worden gegarandeerd als de toepassing van de arbeids- en sociale wetgeving wordt verbeterd;

10.  merkt op dat talloze factoren, zoals digitalisering en automatisering, bijdragen tot de verandering van de aard van werk, waaronder de opkomst van nieuwe vormen van werk; merkt in dit verband op dat nieuwe vormen van werk wellicht nieuwe, responsieve en evenredige regelgeving vereisen om ervoor te zorgen dat alle vormen van werk eronder vallen;

11.  herhaalt in verband met digitale banen dat mensen die voor digitale platforms werken en andere tussenpersonen recht moeten hebben op toereikende sociale bescherming en gezondheidszorg;

12.  onderstreept dat digitalisering niet louter mag worden beschouwd als iets dat banen doet sneuvelen, maar integendeel kansen biedt voor de ontwikkeling en verbetering van individuele vaardigheden;

13.  onderstreept dat er in 2020 naar verwachting 756 000 niet-ingevulde vacatures in de ICT-sector zullen zijn, waaruit blijkt dat de digitale vaardigheden van de Europese werknemers moeten worden verbeterd;

14.  benadrukt dat de economische crisis heeft geleid tot migratiebewegingen binnen de EU die duidelijk hebben gemaakt dat er barrières bestaan die het vrije verkeer van personen tussen de lidstaten belemmeren en dat er wordt gediscrimineerd op grond van nationaliteit, waardoor EU-burgers weinig baanzekerheid hebben;

15.  benadrukt dat onzekere arbeidssituaties zoals zwartwerk en schijnzelfstandigheid op lange termijn gevolgen hebben voor de geestelijke gezondheid en het lichamelijke welzijn, en ertoe kunnen leiden dat werknemers een groter risico lopen op armoede, sociale uitsluiting en aantasting van hun grondrechten;

16.  benadrukt dat werknemers met zeer korte contracten het meest te lijden hebben onder slechte omstandigheden wat het fysieke aspect van hun werk betreft; benadrukt dat de combinatie van baanonzekerheid en gebrek aan controle over de arbeidstijden vaak wordt veroorzaakt door stressgerelateerde beroepsrisico's;

17.  benadrukt dat in bepaalde sectoren van de economie zoveel gebruik wordt gemaakt van flexibele en atypische arbeidsverhoudingen dat er van misbruik kan worden gesproken;

18.  vraagt de Commissie en de lidstaten beleid te bevorderen dat de positie van werknemers, stagiairs en leerlingen versterkt door het sociaal overleg te versterken en collectieve onderhandelingen te bevorderen, zodat alle werknemers, ongeacht hun statuut, kunnen gebruikmaken van hun recht om zich te verenigen en collectief, vrij en zonder vrees voor directe of indirecte straffen vanwege de werkgever te onderhandelen;

19.  benadrukt de belangrijke rol die voor de sociale partners is weggelegd bij het beschermen van de rechten van de werknemers, het vaststellen van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en fatsoenlijke lonen en inkomens overeenkomstig de wetten en praktijk van de lidstaten, en het raadplegen en adviseren van werkgevers en werknemers;

20.  verzoekt de lidstaten om, in nauwe samenwerking met de sociale partners, loopbaantrajecten te ondersteunen zodat mensen zich gemakkelijker kunnen aanpassen aan de verschillende situaties die zij in de loop van hun leven kan meemaken, met name aan de hand van beroepsopleiding tijdens de hele loopbaan, toereikende werkloosheidsuitkeringen, overdraagbaarheid van sociale rechten en een actief en doeltreffend arbeidsmarktbeleid;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten doeltreffende bescherming te bevorderen en te garanderen, alsook een gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers die in dienstverband werken, door een integrale beleidsrespons om onzeker werk tegen te gaan en loopbaantrajecten en een degelijke socialezekerheidsdekking te garanderen;

22.  benadrukt hoe belangrijk de arbeidsinspecties van de lidstaten zijn, en onderstreept dat zij zich moeten concentreren op toezicht, handhaving en verbetering van de arbeidsvoorwaarden, gezondheid en veiligheid op het werk en de bestrijding van illegale arbeid en zwartwerk, en in geen geval mogen worden misbruikt als instrument om migratie te beheersen; wijst op het risico van discriminatie van de meest kwetsbare werknemers en veroordeelt ten stelligste bedrijven die migranten in dienst nemen zonder hun rechten en voordelen ten volle te beschermen en zonder hen daarover te informeren; vraagt de lidstaten daarom de arbeidsinspectie uit te rusten met voldoende middelen om een doeltreffend toezicht te kunnen garanderen;

II.Voorstellen

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten onzekere vormen van werk, met inbegrip van zwartwerk en schijnzelfstandigheid, tegen te gaan om ervoor te zorgen dat in alle soorten arbeidsovereenkomsten sprake is van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden met een passende socialezekerheidsdekking, in overeenstemming met de agenda voor fatsoenlijk werk van de IAO, artikel 9 VWEU, het Handvest van de grondrechten van de EU en het Europees Sociaal Handvest;

24.  vraagt de Commissie en de lidstaten alle praktijken die tot meer onzeker werk kunnen leiden, te bestrijden en zo bij te dragen tot de Europa 2020-doelstelling om de armoede te verminderen;

25.  verzoekt de lidstaten de kwaliteit van atypische banen te verbeteren door ten minste een reeks minimumnormen vast te stellen inzake sociale bescherming, minimumlonen en toegang tot opleiding en ontwikkeling; benadrukt dat dit moet geschieden met behoud van de kansen voor toegang tot de arbeidsmarkt;

26.  vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de nationale socialezekerheidsstelsels geschikt zijn voor nieuwe vormen van werk;

27.  verzoekt de Commissie nieuwe vormen van werk die uit de digitalisering voortvloeien, te beoordelen; vraagt met name om een beoordeling van de juridische status en de aansprakelijkheid van arbeidsmarktintermediairs en onlineplatformen; vraagt de Commissie Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding(33) ("de richtlijn schriftelijke verklaringen") te herzien om rekening te houden met nieuwe vormen van werk;

28.  benadrukt dat de deeleconomie veel mogelijkheden biedt, in het bijzonder wat nieuwe banen betreft; verzoekt de Commissie en de lidstaten de potentiële nieuwe arbeidsregels die door de deeleconomie tot stand komen, te beoordelen; dringt erop aan dat de werknemers in die sector beter worden beschermd door meer transparantie ten aanzien van hun statuut, de informatie die hun wordt verstrekt en non-discriminatie;

29.  vraagt de Commissie haar gerichte herziening van de detacheringsrichtlijn voort te zetten en de richtlijn uitzendarbeid te herzien om de sociale grondrechten van alle werknemers te garanderen, onder meer gelijke beloning voor gelijk werk op dezelfde werkplek;

30.  onderstreept dat er openbare en particuliere investeringen nodig zijn ter bevordering van met name die sectoren van de economie die een maximaal multiplicatoreffect hebben, teneinde opwaartse sociale convergentie en cohesie in de Unie in de hand te werken en het scheppen van fatsoenlijke banen te bevorderen; benadrukt in dit verband dat kmo's en start-ups steun moeten krijgen;

31.  beklemtoont dat zwartwerk moet worden aangepakt omdat het de belasting- en socialezekerheidsinkomsten doet dalen en zorgt voor onzekere en slechte arbeidsomstandigheden en oneerlijke concurrentie tussen werkenden; is ingenomen met de oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het tegengaan van zwartwerk;

32.  merkt op dat het, gezien het aantal werkenden, met name jongeren, die thans hun land van herkomst verlaten en naar andere lidstaten verhuizen op zoek naar werk, dringend nodig is passende maatregelen vast te stellen om ervoor te zorgen dat geen enkele werkende zonder bescherming van sociale en arbeidsrechten komt te zitten; vraagt de Commissie en de lidstaten in dit verband de arbeidsmobiliteit in de EU verder te verbeteren, het beginsel van gelijke behandeling te handhaven, de lonen en sociale normen te vrijwaren en de volledige meeneembaarheid van sociale rechten te garanderen; verzoekt elke lidstaat sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid vast te stellen met gelijke beloning voor gelijk werk op dezelfde werkplek;

33.  stelt met bezorgdheid de verzwakking van collectieve onderhandelingen en van de dekking van collectieve overeenkomsten vast; verzoekt de Commissie en de lidstaten strategisch beleid te bevorderen om ervoor te zorgen dat alle werknemers onder collectieve overeenkomsten vallen en dat de rol van vakbonden en werkgeversorganisaties wordt veiliggesteld en versterkt;

34.  erkent dat de sociale partners een belangrijke rol vervullen in verband met de EU-richtlijnen inzake deeltijdwerk, overeenkomsten voor bepaalde tijd en uitzendwerk, en moedigt de Commissie aan om, in samenwerking met de sociale partners, nieuwe vormen van werk waar nodig te reguleren; vraagt Eurofound te onderzoeken hoe de sociale partners strategieën ontwikkelen om de kwaliteit van de banen te garanderen en onzeker werk tegen te gaan;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten er, binnen hun respectieve bevoegdheden, voor te zorgen dat individuele zelfstandigen die wettelijk als eenmansbedrijf worden beschouwd, het recht hebben om collectief te onderhandelen en zich vrij te verenigen;

36.  herinnert eraan dat iedere werkende krachtens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd(34) ("de arbeidstijdenrichtlijn") recht heeft op een beperking van de arbeidstijden tot een bepaald maximum, op dagelijkse en wekelijkse rusttijden en op een betaald jaarlijks verlof; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat die rechten van toepassing zijn op alle werkenden, dus ook mensen die werk op aanvraag verrichten, werknemers met marginale deeltijdovereenkomsten en "crowd workers" (opdrachtnemers van crowdsourcingplatforms); herinnert eraan dat de arbeidstijdenrichtlijn een maatregel inzake gezondheid en veiligheid is; vraagt om afdwinging van de arresten van het Hof van Justitie waarin wordt bevestigd dat de tijd waarin iemand op het werk op afroep beschikbaar is, arbeidstijd is en moet worden gevolgd door compensatierust;

37.  herinnert eraan dat marginaal deeltijdwerk gepaard gaat met minder baanzekerheid, minder carrièremogelijkheden en minder investeringen in opleiding door de werkgevers, en dat lage lonen er vaker voorkomen; vraagt de lidstaten en de Commissie maatregelen aan te moedigen ter ondersteuning van langere werktijden voor wie meer wil werken;

38.  herinnert eraan dat, volgens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, iedereen het recht heeft op toegang tot beroepsopleiding en een leven lang leren; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat beroepsopleiding en bijscholing ook beschikbaar zijn voor werknemers in een atypisch dienstverband; herinnert eraan dat bijscholingsmaatregelen bijzonder belangrijk zijn in een snel evoluerende digitale economie; wijst erop dat een tekort aan of een mismatch in vaardigheden bijdraagt tot hoge werkloosheidscijfers; is ingenomen met de recente initiatieven om tekorten aan vaardigheden aan te pakken;

39.  vraagt om een vaardighedengarantie, die een nieuw recht moet zijn voor iedereen, in elke levensfase, om fundamentele vaardigheden voor de 21e eeuw te verwerven, onder meer geletterdheid en rekenkundige onderlegdheid, digitale en mediageletterdheid, kritisch denken, sociale vaardigheden en de nodige vaardigheden voor de groene economie en de deeleconomie, rekening houdend met opkomende bedrijfstakken en belangrijke groeisectoren, en die ervoor zorgen dat ook kansarme groepen, onder meer personen met een handicap, asielzoekers, langdurig werklozen en andere ondervertegenwoordigde groepen, volledig worden bereikt; benadrukt dat de onderwijsstelsels inclusief moeten zijn, onderwijs van goede kwaliteit moeten verstrekken aan de hele bevolking, zodat mensen actieve Europese burgers kunnen zijn en worden voorbereid op een leven lang leren en aanpassen, en moeten inspelen op de behoeften van de samenleving en de arbeidsmarkt;

40.  benadrukt dat het beleid van de lidstaten moet worden ontwikkeld en uitgevoerd in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk, in nauwe samenwerking met werkgevers- en werknemersorganisaties;

41.  herinnert eraan dat onzeker werk niet alleen het individu schade toebrengt, maar ook de maatschappij veel kost door verlies aan belastinginkomsten, hogere overheidsuitgaven op lange termijn en de kosten van steun voor mensen die lijden onder de langdurige gevolgen van inkomensverlies en moeilijke arbeidsomstandigheden; vraagt de Commissie en de lidstaten het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd en de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten aan te moedigen om onzeker werk tegen te gaan;

42.  herinnert eraan dat mensen die in de informele economie werken, met veel onzekerheid worden geconfronteerd; vraagt de Commissie en de lidstaten beleid te voeren dat op deze mensen afgestemd is en hen beschermt door hun problemen ongeacht hun verblijfsstatus aan te pakken;

43.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zwartwerk, schijnzelfstandigheid en alle vormen van onwettige arbeidspraktijken te bestrijden die de rechten van werkenden en de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten ondermijnen; herhaalt zijn standpunt dat in alle toekomstige werkgelegenheidsbeleid moet worden overwogen om nulurencontracten te voorkomen;

44.  benadrukt dat onzeker werk voornamelijk wordt verricht door de meest kwetsbare werkenden, die risico lopen op discriminatie, armoede en uitsluiting; herinnert er in het bijzonder aan dat een handicap, een andere etnische oorsprong, een andere religie of overtuiging, of vrouw zijn het risico verhoogt dat een werkende te maken krijgt met onzekere arbeidsvoorwaarden; veroordeelt alle vormen van onzekerheid, ongeacht de contractuele situatie;

45.  vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat kwetsbare werkenden effectief worden beschermd; vraagt de Commissie en de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bestrijden, met bijzondere nadruk op het evenwicht tussen werk en privéleven en het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen; verzoekt de Commissie te beoordelen of Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep geschikt is voor nieuwe vormen van werk;

46.  vraagt de Commissie en de lidstaten alle wetgeving die aspecten van onzeker werk betreft, te beoordelen op het gendereffect ervan; meent dat het nodig is om wetgevende en niet-wetgevende maatregelen af te stemmen op de behoeften van vrouwen in onzeker werk, omdat een reeds oververtegenwoordigde groep anders te zeer de gevolgen daarvan zal moeten blijven dragen;

47.  is van mening dat de toegenomen vraag naar flexibiliteit op de arbeidsmarkt er in geen geval toe mag leiden dat vrouwen oververtegenwoordigd blijven in atypische vormen van werk met onzekere arbeidsvoorwaarden;

48.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het fenomeen van pesterijen op de werkvloer in de gaten te houden en tegen te gaan, met inbegrip van pesterijen tegen zwangere werkneemsters of eventuele nadelen die zij ondervinden wanneer zij na een zwangerschapsverlof terugkomen; vraagt de lidstaten met aandrang de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten na te leven en te handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen; benadrukt dat moederschapsverlof gepaard moet gaan met doeltreffende maatregelen ter bescherming van de rechten van zwangere vrouwen en jonge moeders, moeders die borstvoeding geven en alleenstaande moeders, in overeenstemming met de aanbevelingen van de IAO en de Wereldgezondheidsorganisatie;

49.  vraagt nogmaals dat mensen in alle soorten dienstverbanden en zelfstandigen rechten moeten kunnen accumuleren die inkomenszekerheid bieden in situaties als werkloosheid, gezondheidsproblemen, ouderdom, loopbaanonderbreking voor ouders of mantelzorgers, of om redenen van opleiding;

50.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden bij alle eerste kansen die jongeren krijgen om werkervaring op te doen, zoals stages, leerlingschap of kansen uit hoofde van de jongerengarantie; moedigt de lidstaten aan om kwaliteitskaders voor stages en leerlingschap vast te stellen en toe te passen om ervoor te zorgen dat de werknemersrechten worden geëerbiedigd en dat kansen op werkervaring voor jongeren vooral educatief zijn;

51.  verzoekt vooral de Commissie en ook de lidstaten maatregelen te treffen om werkonzekerheid bij jongeren tegen te gaan; onderstreept hoe belangrijk het is dat de Commissie in dat verband de jongerengarantie moet toepassen;

52.  beveelt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat jongeren van alle leeftijdsgroepen toegang krijgen tot gratis openbaar onderwijs van hoge kwaliteit, in het bijzonder in de hogere niveaus van onderwijs en opleiding, aangezien aangetoond is dat een hoger opleidingsniveau arbeidsgerelateerde ongelijkheden tussen mannen en vrouwen helpt verminderen;

53.  benadrukt dat het voor een betere toepassing en een beter begrip van de grondbeginselen en grondrechten op het werk nuttig zou zijn dat de Commissie en de lidstaten de term "werkende" ("worker") zoals die door de IAO wordt gedefinieerd, zouden gebruiken in plaats het enger gedefinieerde begrip "werknemer" ("employee");

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ondernemerschap en de oprichting van coöperaties van werknemers te bevorderen in multiservicebedrijven en in de opkomende sector van de deeleconomie en digitale platformen, om zo de risico's van bedrijfsmodellenmodellen voor de rechten en arbeidsvoorwaarden van de werknemers te beperken;

55.  onderstreept dat kortlopende arbeidsovereenkomsten in de landbouw verband houden met seizoensgebonden landbouwactiviteiten; vraagt dat met deze sterke, door de natuur opgelegde beperking rekening wordt gehouden door landbouwers de mogelijkheid te blijven bieden werknemers in dienst te nemen volgens het ritme van de seizoenen en door hun geen extra administratieve rompslomp in verband met aanwerving en personeelsbeheer op te leggen;

56.  verzoekt de Commissie de bescherming van de rechten van seizoenarbeiders te bevorderen en aan bewustmaking hierover te doen, en verzoekt de lidstaten de sociale en rechtspositie van seizoenarbeiders te regelen, hun hygiënische, gezondheids- en veiligheidsomstandigheden op het werk te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij sociale bescherming genieten, overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider(35), inclusief gelijk loon en gelijke sociale bescherming; benadrukt dat alle seizoenarbeiders uitgebreide informatie moeten krijgen over hun arbeidsrechten en rsocialezekerheidsrechten, met inbegrip van pensioenrechten, waarbij ook rekening moet worden gehouden met het grensoverschrijdende aspect van seizoenarbeid;

o
o   o

57.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 216 van 20.8.1994, blz. 12.
(2) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(3) PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9.
(4) PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.
(5) PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11.
(6) PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6.
(7) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 1.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0059.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0346.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0360.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.
(13) OPB C 303 van 19.8.2016, blz. 54.
(14) www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/.../IPOL_STU(2016)587285_EN.pdf.
(15) http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1398en.pdf
(16) https://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1461en.pdf
(17) http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1639en.pdf
(18) http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1634en.pdf
(19) https://www.eurofound.europa.eu/observatories/eurwork/industrial-relations-dictionary
(20) http://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO::P12100_INSTRUMENT_ID:312535.
(21) http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_dialogue/---actrav/documents/meetingdocument/wcms_164286.pdf.
(22) http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---dgreports/---dcomm/---publ/documents/publication/wcms_534496.pdf.
(23) http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---dgreports/---dcomm/---publ/documents/publication/wcms_490959.pdf.
(24) Voltijdse arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd maken 59 % van de totale werkgelegenheid in de EU uit, zelfstandig ondernemerschap met werknemers 4 %, freelancewerk 11 %, uitzendwerk 1 %, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd 7 % en leer- of stageovereenkomsten 2 %, marginale deeltijdarbeid (minder dan 20 uur per week) 9 % en deeltijdwerk voor onbepaalde tijd 7 %.
(25) IAO-verslag van 2016 over de totstandbrenging van een sociale pijler ten behoeve van de Europese convergentie.
(26) Zie de studie van 2016 over "Precarious Employment in Europe: Patterns, trends and policy strategies".
(27) Eurofound (2014), "Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages".
(28) Zie de studie van 2016 over "Precarious Employment in Europe: Patterns, trends and policy strategies".
(29) Eurofound (2014), "Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages".
(30) Zie: https://www.eurofound.europa.eu/observatories/eurwork/industrial-relations-dictionary/atypical-work
(31) Zie de resolutie van het Parlement van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband.
(32) IAO-verslag van 14 november 2016 over atypisch werk wereldwijd.
(33) PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32.
(34) PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9.
(35) PB L 94 van 28.3.2014, blz. 375.

Juridische mededeling