Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 5 juli 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: Europese betalingsbevelprocedure
 Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: Europese procedure voor geringe vorderingen
 Raadpleging van vertrouwelijke informatie (interpretatie van artikel 5, lid 5, en artikel 210 bis van het Reglement)
 In Kigali goedgekeurde overeenkomst tot wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken ***
 Verdrag inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand ***
 Sluiting van de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba (goedkeuring) ***
 Sluiting van de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba
 Memorandum van overeenstemming tussen het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en Eurojust *
 De strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt ***II
 Het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en -sancties ***I
 Toename van het aantal besmettingen met hiv, tuberculose en HCV in Europa
 Begroting 2018 –- Mandaat voor de trialoog
 Een Europese strategie voor internationale culturele betrekkingen
 Aanbeveling aan de Raad betreffende de 72e zitting van de Algemene Vergadering van de VN
 Ontwerpen van een ambitieuze industriële strategie van de EU als strategische prioriteit voor groei, banen en innovatie in Europa

Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: Europese betalingsbevelprocedure
PDF 241kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 19 juni 2017 ter vervanging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (C(2017)03984 – 2017/2747(DEA))
P8_TA(2017)0291B8-0437/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)03984),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 19 juni 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie juridische zaken van 22 juni 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure(1), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van het Europees Parlement en de Raad(2), en met name artikel 30 en artikel 31, lid 5,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie juridische zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 4 juli 2017 verstreek,

A.  overwegende dat de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1896/2006 de formulieren bevatten die moeten worden gebruikt om de toepassing van de verordening te vergemakkelijken;

B.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1896/2006 is gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421, die met ingang van 14 juli 2017 van kracht wordt; overwegende dat de aangebrachte wijzigingen in de Europese betalingsbevelprocedure tot uiting moeten komen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1896/2006;

C.  overwegende dat het noodzakelijk is bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1896/2006 te vervangen en overwegende dat de nieuwe bijlage I op hetzelfde moment van kracht moet worden als Verordening (EU) 2015/2421;

D.  overwegende dat de wijzigingen aan Verordening (EG) nr. 1896/2006 met ingang van 14 juli 2017 van kracht zullen worden en dat de gedelegeerde verordening derhalve op 14 juli 2017 in werking moet treden;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 399 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) PB L 341 van 24.12.2015, blz. 1.


Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: Europese procedure voor geringe vorderingen
PDF 242kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde Verordening van de Commissie van 19 juni 2017 tot vervanging van de bijlagen I, II, III en IV bij Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (C(2017)03982 – 2017/2748(DEA))
P8_TA(2017)0292B8-0438/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)03982),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 19 juni 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien de brief van de Commissie juridische zaken van 22 juni 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen(1), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van het Europees Parlement en de Raad(2), en met name artikel 26 en artikel 27, lid 5,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie juridische zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 4 juli 2017 verstreek,

A.  overwegende dat in de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 861/2007 de formulieren zijn opgenomen die moeten worden gebruikt om de toepassing van de verordening te vergemakkelijken;

B.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 861/2007 is gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421, die met ingang van 14 juli 2017 van kracht wordt; overwegende dat de in de Europese procedure voor geringe vorderingen aangebrachte wijzigingen moeten worden weerspiegeld in bovengenoemde formulieren in de bijlagen;

C.  overwegende dat het noodzakelijk is de bijlagen I t/m IV bij Verordening (EG) nr. 861/2007 te vervangen en overwegende dat de nieuwe bijlagen I t/m IV op hetzelfde moment van kracht moet worden als Verordening (EU) 2015/2421;

D.  overwegende dat de wijzigingen van Verordening (EG) nr. 861/2007 met ingang van 14 juli 2017 van kracht zullen worden en dat de gedelegeerde verordening derhalve op 14 juli 2017 in werking moet treden;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 199 van 31.7.2007, blz. 1.
(2) PB L 341 van 24.12.2015, blz. 1.


Raadpleging van vertrouwelijke informatie (interpretatie van artikel 5, lid 5, en artikel 210 bis van het Reglement)
PDF 149kWORD 42k
Besluit van het Europees Parlement van 5 juli 2017 betreffende de raadpleging van vertrouwelijke informatie (interpretatie van artikel 5, lid 5, en artikel 210 bis van het Reglement) (2017/2095(REG))
P8_TA(2017)0293

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van 23 juni 2017 van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

–  gelet op artikel 226 van zijn Reglement,

1.  besluit de volgende interpretatie op te nemen in artikel 5, lid 5, van het Reglement:" "De toegang tot vertrouwelijke informatie is onderworpen aan de voorschriften die vervat liggen in interinstitutionele akkoorden die het Parlement heeft gesloten met betrekking tot de behandeling van vertrouwelijke informatie1 bis en aan de door de bevoegde organen van het Parlement vastgestelde interne regels voor de tenuitvoerlegging daarvan1 ter.____________________1 bis Interinstitutioneel akkoord van 20 november 2002 tussen het Europees Parlement en de Raad over de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid (PB C 298 van 30.11.2002, blz. 1).Kaderakkoord van 20 oktober 2010 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie (PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47).Interinstitutioneel Akkoord van 12 maart 2014 tussen het Europees Parlement en de Raad over het doorzenden aan en verwerken door het Europees Parlement van gerubriceerde informatie waarover de Raad beschikt met betrekking tot aangelegenheden die niet vallen onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (PB C 95 van 1.4.2014, blz. 1).1 ter Besluit van het Europees Parlement van 23 oktober 2002 inzake de tenuitvoerlegging van het interinstitutioneel akkoord over de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid (PB C 298 van 30.11.2002, blz. 4).Besluit van het Bureau van 15 april 2013 over de regels voor de behandeling van vertrouwelijke informatie door het Europees Parlement (PB C 96 van 1.4.2014, blz. 1).""

2.  besluit de volgende interpretatie op te nemen in artikel 210 bis van het Reglement:" "Dit artikel is van toepassing voor zover het toepasselijke rechtskader met betrekking tot de behandeling van vertrouwelijke informatie voorziet in de mogelijkheid om de vertrouwelijke informatie te raadplegen in een vergadering achter gesloten deuren buiten de beveiligde ruimten.""

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


In Kigali goedgekeurde overeenkomst tot wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken ***
PDF 241kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (07725/2017 – C8-0157/2017 – 2017/0016(NLE))
P8_TA(2017)0294A8-0237/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07725/2017),

–  gezien de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal, die is goedgekeurd tijdens de 28e vergadering van de Partijen bij het Protocol van Montreal, die is gehouden in Kigali, Rwanda, in oktober 2016,

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0157/2017),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en vierde alinea, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0237/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de wijziging;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Verdrag inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand ***
PDF 243kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de aanvaarding namens de Europese Unie van de wijziging van het Protocol van 1999 inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (07524/2017 – C8-0143/2017 – 2013/0448(NLE))
P8_TA(2017)0295A8-0241/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07524/2017),

–  gezien de wijziging van de tekst van het Protocol van 1999 inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau en van de bijlagen II tot en met IX daarbij en toevoeging van nieuwe bijlagen X en XI (07524/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0143/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0241/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de aanvaarding van een wijziging van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Sluiting van de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba (goedkeuring) ***
PDF 242kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Unie van de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Cuba, anderzijds (12502/2016 – C8-0517/2016 – 2016/0298(NLE))
P8_TA(2017)0296A8-0232/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12502/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Cuba, anderzijds (12504/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 209 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0517/2016),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 5 juli 2017(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie internationale handel (A8-0232/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Cuba.

(1) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0297.


Sluiting van de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba
PDF 291kWORD 54k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over het ontwerpbesluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van een overeenkomst betreffende politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Cuba, anderzijds (12502/2016 – C8-0517/2016 – 2016/0298(NLE)2017/2036(INI))
P8_TA(2017)0297A8-0233/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de in 1988 aangeknoopte diplomatieke betrekkingen tussen de EU en Cuba,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (12502/2016),

–  gezien de Ontwerpovereenkomst betreffende politieke dialoog en samenwerking (PDCA) tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Cuba, anderzijds (12504/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend in overeenstemming met de artikelen 207 en 209 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (C8-0517/2016),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name Titel V daarvan over het extern optreden van de Unie,

–  gezien het VWEU, en met name het vijfde deel, Titels I-III en V, daarvan,

–  gezien het Gemeenschappelijk Standpunt 96/697/GBVB van 2 december 1996 over Cuba, bepaald door de Raad op grond van artikel J.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie(1),

–  gezien Besluit (GBVB) 2016/2233 van de Raad van 6 december 2016 tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 96/697/GBVB over Cuba(2),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 oktober 2016 over de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2009 getiteld "De Europese Unie en Latijns-Amerika: een partnerschap van wereldspelers" (COM(2009)0495),

–  gezien de verklaringen van de tot op heden gehouden toppen van staatshoofden en regeringsleiders van Latijns-Amerika, het Caribisch gebied en de Europese Unie, met name de verklaring tijdens de tweede top van de EU en de gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische staten (Celac) in Brussel op 10 en 11 juni 2015 over het thema "Vorm geven aan onze gemeenschappelijke toekomst: werken aan welvarende, hechte en duurzame samenlevingen voor onze burgers", waarop de politieke verklaring getiteld "Een partnerschap voor de volgende generatie" werd aangenomen,

–  gezien de conclusies van de Raad over de gezamenlijke strategie EU-Caribisch gebied van 19 november 2012,

–  gezien de verklaringen van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten in de gezamenlijke vergadering van de Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie mensenrechten van dit Parlement op 12 oktober 2016 over de resultaten van de mensenrechtendialoog tussen Cuba en de EU,

–  gezien de rapporten van Cubaanse maatschappelijke organisaties,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 5 juli 2017(3) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Cuba, met name die van 17 november 2004 over Cuba(4), 2 februari 2006 over het EU-standpunt ten aanzien van de Cubaanse regering(5), 21 juni 2007 over Cuba(6) en 11 maart 2010 over gewetensgevangenen in Cuba(7),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere internationale mensenrechtenverdragen en -instrumenten,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie internationale handel (A8-0233/2017),

A.  overwegende dat Europa en Cuba verenigd zijn door een hechte historische, economische en culturele band;

B.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen breed en verscheiden zijn;

C.  overwegende dat de EU betrekkingen onderhoudt met de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten (Celac); overwegende dat de Celac verheugd is over de mogelijkheid om de betrekkingen tussen de EU en Cuba uit te breiden;

D.  overwegende dat Cuba het enige land is in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied waarmee de EU nog geen overeenkomst heeft gesloten, in welke vorm dan ook; overwegende dat 20 EU-lidstaten diverse soorten bilaterale overeenkomsten hebben gesloten en goede betrekkingen met het eiland onderhouden;

E.  overwegende dat Gemeenschappelijk Standpunt 96/697/GBVB werd ingetrokken door Besluit van de Raad (GBVB) 2016/2233 van 6 december 2016;

F.  overwegende dat in 2008 de dialoog op hoog niveau tussen de EU en Cuba werd hernomen en de bilaterale ontwikkelingssamenwerking opnieuw van start ging; overwegende dat de Raad in 2010 begonnen is met een beraadslaging over de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en Cuba, en in februari 2014 onderhandelingsrichtsnoeren heeft aangenomen, waarna de officiële onderhandelingen voor een PDCA in april 2014 van start zijn gegaan en op 11 maart 2016 zijn afgerond;

G.  overwegende dat in de PDCA de algemene beginselen en doelstellingen voor de betrekkingen tussen de EU en Cuba worden omschreven, onder meer in de drie grote hoofdstukken over politieke dialoog, samenwerking en sectoraal beleid, en handel en handelssamenwerking;

H.  overwegende dat de mensenrechten een onderdeel zijn van zowel het hoofdstuk over politieke dialoog als dat over samenwerking; overwegende dat beide partijen in de PDCA bevestigen dat zij de universele mensenrechten respecteren, zoals bepaald in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere relevante internationale instrumenten met betrekking tot de mensenrechten; overwegende dat beide partijen in de PDCA bevestigen dat zij de rol van de Verenigde Naties willen versterken, en alle beginselen en doelen van het Handvest van de Verenigde Naties respecteren; overwegende dat, krachtens artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het internationaal optreden van de Unie moet berusten op de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten – waaronder politieke, economische, sociale, culturele en burgerrechten – en de fundamentele vrijheden, eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het VN-Handvest en het internationaal recht; overwegende dat in dit verband de inachtneming van de mensenrechten en de verdediging van de democratie en de rechtsstaat essentiële doelstellingen van de PDCA moeten zijn;

I.  overwegende dat de PDCA een zogenaamde "mensenrechtenclausule" bevat, wat een essentieel element is dat internationale overeenkomsten van de EU standaard bevatten, zodat de overeenkomst geschorst kan worden bij schending van de bepalingen over mensenrechten;

J.  overwegende dat beide partijen een akkoord hebben bereikt over de brede modaliteiten en gebieden voor samenwerking in het hoofdstuk over samenwerking, onder meer over kwesties als de mensenrechten, governance, justitie en het maatschappelijk middenveld;

K.  overwegende dat Cuba bereid is om in het kader van het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) samenwerking met de EU te aanvaarden; overwegende dat de kerndoelstellingen van het EIDHR de ondersteuning, ontwikkeling en consolidatie van democratieën in derde landen, en de versterking van de eerbiediging en naleving van de mensenrechten en fundamentele vrijheden zijn; overwegende dat beide partijen in de PDCA erkennen dat democratie gebaseerd is op de vrijelijk uitgedrukte wil van het volk om hun eigen politieke, economische, sociale en culturele systemen te bepalen en hun volledige deelname aan alle aspecten van het leven;

L.  overwegende dat de mensrechtendialoog tussen de EU en Cuba, onder leiding van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, is ingesteld in 2015; overwegende dat de mensenrechtensituatie een punt van zorg blijft;

M.  overwegende dat in het kader van de mensenrechtendialoog in juni 2016 in Cuba een tweede vergadering plaatsvond met vakministeries en overheidsinstanties, waarbij onder meer de vrijheid van vereniging en mensenrechtenkwesties in een multilaterale context, bijvoorbeeld de doodstraf, werden besproken; overwegende dat de derde bijeenkomst in het kader van de mensenrechtendialoog plaatsvond in Brussel op 22 mei 2017;

N.  overwegende dat het Europees Parlement bij drie verschillende gelegenheden de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken aan Cubaanse activisten heeft uitgereikt, namelijk aan Oswaldo Payá in 2002, de Dames in het Wit in 2005 en Guillermo Fariñas in 2010;

O.  overwegende dat de EU de grootste buitenlandse investeerder in Cuba is geworden en de belangrijkste partner voor export en algemene handel, en dat de algemene handel en export van de EU naar Cuba tussen 2009 en 2015 verdubbeld zijn;

P.  overwegende dat in de PDCA een hoofdstuk is gewijd aan de beginselen van internationale handel, en aandacht wordt besteed aan de samenwerking inzake douane, handelsbevordering en diversifiëring, technische normen en standaarden, duurzame handel en de bevordering van stabiele, transparante en niet-discriminerende bedrijfs- en investeringsregels; overwegende dat liberalisering van de handel, economische en financiële investeringen, technologische innovatie en algemene vrijheden van de markt het eiland in staat kunnen stellen om zijn economie te moderniseren;

Q.  overwegende dat de "Richtsnoeren voor economisch en sociaal beleid" voor Cuba, die na een openbaar debat in 2011 zijn aangenomen, voorstellen voor hervorming, actualisering en modernisering bevatten;

R.  overwegende dat in 2016 twee nieuwe openbare debatten geopend werden in Cuba over "Conceptualisering van het economische en sociale model" en het "Nationaal plan voor economische en sociale ontwikkeling tegen 2030: Toekomstvisie voor het land, doelstellingen en strategische sectoren";

S.  overwegende dat de EU en Cuba overeen zijn gekomen alle gebieden van samenwerking te gendermainstreamen en in het bijzonder aandacht te besteden aan het voorkomen en bestrijden van alle vormen van geweld tegen vrouwen;

T.  overwegende dat Cuba elf van de achttien mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties heeft ondertekend en acht ervan heeft geratificeerd; overwegende dat Cuba het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten niet heeft geratificeerd;

U.  overwegende dat Cuba de acht fundamentele conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft geratificeerd;

V.  overwegende dat de Nationale Vergadering van Cuba sinds 1977 deel uitmaakt van de mondiale Interparlementaire Unie;

W.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN 26 opeenvolgende resoluties heeft goedgekeurd waarin gevraagd werd om het einde van het Amerikaanse embargo tegen Cuba, en dat de resolutie in oktober 2016 voor de eerste keer anoniem werd goedgekeurd;

X.  overwegende dat zijn vaste standpunt, dat het bij tal van gelegenheden naar voren heeft gebracht en dat binnen de Europese instellingen wordt gedeeld, ingaat tegen wetten van extraterritorialiteit die de Cubaanse bevolking rechtstreeks schade berokkenen en van invloed zijn op de activiteiten van Europese ondernemingen;

1.  is verheugd over de ondertekening van de PDCA tussen de EU en Cuba in Brussel op 12 december 2016, en verklaart dat dit een instrument is waardoor de betrekkingen tussen de EU en Cuba een nieuw kader zullen krijgen dat in overeenstemming is met de belangen van de EU, en dat in de plaats komt van het Gemeenschappelijk Standpunt van 1996; benadrukt dat het welslagen van deze overeenkomst afhangt van de tenuitvoerlegging en inachtneming ervan;

2.  wijst op de grote strategische waarde van de betrekkingen tussen de EU en Cuba;

3.  benadrukt dat de structuur, inhoud en dynamiek van de overeenkomst overeenstemmen met de beginselen en waarden van de EU-instellingen voor externe betrekkingen;

4.  onderstreept het feit dat de Raad van de EU heeft besloten een nieuw kader voor de betrekkingen met Cuba op te zetten en de beslissing heeft genomen om deze onderhandelingen aan te pakken en op redelijk korte termijn tot een goed einde te brengen;

5.  benadrukt de inzet van Cuba ten aanzien van de EU en de verantwoordelijkheid van beide partijen om de bepalingen van de overeenkomst na te leven, onder meer door politieke dialoog;

6.  wijst erop dat dit de eerste overeenkomst is tussen de EU en Cuba, en dus een keerpunt vormt in de bilaterale betrekkingen tussen beide partijen; verneemt met instemming dat beide partijen ermee akkoord gaan de betrekkingen op een gestructureerde manier te ontwikkelen, met een overeengekomen agenda en verplichtingen die bindend zijn voor beide partijen;

7.  benadrukt de relevantie van het hoofdstuk over politieke dialoog en de oprichting van een geïnstitutionaliseerde mensenrechtendialoog tussen de EU en Cuba; vraagt de EU om zich achter de standpunten van het Parlement over democratie, universele mensenrechten en fundamentele vrijheden zoals vrijheid van meningsuiting, vergadering en politieke vereniging, en vrijheid van informatie in alle vormen te scharen, en zijn mondiale beleid ter ondersteuning van mensenrechtenactivisten in deze dialoog te onderschrijven; moedigt beide partijen aan om garanties te creëren voor het werk van mensenrechtenactivisten en voor de onbeperkte actieve deelname van alle actoren uit het maatschappelijk middenveld en uit de politieke oppositie aan deze dialoog; constateert echter dat de mensenrechtendialoog tot dusverre geen einde heeft gemaakt aan de willekeurige politiek gemotiveerde arrestaties in Cuba en dat, volgens de Cubaanse Commissie voor Mensenrechten en Nationale Verzoening, de repressie daarentegen de laatste jaren gedurig toeneemt;

8.  benadrukt het belang van de mensenrechtendialoog tussen de EU en Cuba en verneemt met instemming dat de dialoog van start is gegaan voordat de onderhandelingen over de overeenkomst werden afgerond; herinnert eraan dat de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en de bevordering van economische en maatschappelijk modernisering gericht op de verbetering van de levensstandaard van de Cubaanse bevolking tot de doelstellingen van het beleid van de EU jegens Cuba behoren;

9.  erkent de inspanningen van Cuba om de fundamentele beginselen van de mensenrechten en arbeidsrechten van de VN in zijn rechtsstelsel te integreren, en dringt er bij Cuba op aan om ook de andere mensenrechtenverdragen van de VN te ratificeren, meer bepaald het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, en het Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen; neemt kennis van de werkzaamheden van het nationale centrum voor seksuele voorlichting van Cuba; verzoekt de Cubaanse regering om zich te blijven inspannen om elke vorm van discriminatie en uitsluiting van de LGBT-gemeenschap uit te bannen;

10.  dringt er bij de Cubaanse regering op aan haar mensenrechtenbeleid af te stemmen op de internationale normen die zijn vastgelegd in de handvesten, verklaringen en internationale instrumenten waarbij Cuba partij is; benadrukt dat de vervolging en opsluiting van personen om hun idealen en hun vreedzame politieke activiteiten in strijd is met de in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uiteengezette bepalingen, en roept daarom op tot de vrijlating van iedereen die in deze omstandigheden is gevangengezet;

11.  herinnert eraan dat de PDCA een bepaling bevat over schorsing in geval van schending van de bepalingen over mensenrechten; spoort de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) aan om te zorgen voor de instelling van een regelmatige uitwisseling met het Parlement over de tenuitvoerlegging van de PDCA, de naleving van de wederzijdse verplichting op grond van de PDCA, en vooral de inachtneming van alle in deze resolutie genoemde bepalingen over de milieu-, arbeids- en mensenrechten; roept de EDEO op om – met name via de EU-delegatie – alles in het werk te stellen om de situatie met betrekking tot de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Cuba nauw op te volgen bij de tenuitvoerlegging van de PDCA, en hierover verslag uit te brengen bij het Parlement;

12.  benadrukt dat de PDCA moet bijdragen tot betere leefomstandigheden en sociale rechten van de Cubaanse burgers, en bevestigt opnieuw dat het belangrijk is systematisch te werken aan de bevordering van de waarden inzake democratie en mensenrechten, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging;

13.  verneemt met instemming dat in de PDCA expliciet sprake is van maatschappelijke organisaties als samenwerkingspartners; geeft uitdrukking aan zijn diepe solidariteit met de Cubaanse bevolking en steunt haar bij de noodzakelijke vooruitgang op het vlak van democratie en eerbiediging en bevordering van de fundamentele vrijheden; spoort beide partijen in de overeenkomst aan een actieve rol van het Cubaans maatschappelijk middenveld in de fase van tenuitvoerlegging van de overeenkomst te bevorderen;

14.  benadrukt nogmaals de belangrijke rol van het maatschappelijk middenveld van Cuba in de economische en democratische ontwikkeling van het land; benadrukt dat het maatschappelijk middenveld een leidende rol moet spelen in alle onderdelen van deze overeenkomst, met inbegrip van de onderdelen die verband houden met ontwikkelingshulp; wijst nogmaals op de steun die het Parlement biedt, door het uitreiken van de Sacharovprijs, aan het maatschappelijk middenveld van Cuba voor zijn rol bij het bevorderen van de mensenrechten en democratie in Cuba;

15.  herinnert eraan dat Cuba een van de traagste internetverbindingen ter wereld heeft, internettoegang buitengewoon duur is en de inhoud nog steeds beperkt is; is verheugd over het feit dat steeds meer Cubanen toegang tot internet hebben, maar is van mening dat de regering verdere stappen moet ondernemen om ongecensureerde toegang te bevorderen en de digitale rechten van de bevolking te verbeteren;

16.  verzoekt de EDEO om het Parlement, met passende tussenpozen en in overeenstemming met het in de overeenkomst vastgelegde coördinatiesysteem, op de hoogte te houden van de voortgang bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van deze overeenkomst;

17.  merkt op dat Cuba en de Verenigde Staten zich inzetten om hun betrekkingen verder te normaliseren en dat de diplomatieke betrekkingen in 2015 zijn hersteld, en roept op tot verdere inspanningen;

18.  wijst nogmaals op zijn reeds lang bestaande, door de andere Europese instellingen gedeelde en bij tal van gelegenheden gehanteerde doctrine, en verzet zich tegen wetten en maatregelen met extraterritoriaal effect die de Cubaanse bevolking schade berokkenen en van invloed zijn op de normale ontwikkeling van Europese ondernemingen;

19.  erkent dat de PDCA kan bijdragen tot de procedures voor hervorming, aanpassing en modernisering die in Cuba al voorgesteld werden, met name met betrekking tot de diversifiëring van de internationale partners van het land en de opzet van een algemeen kader voor politieke en economische ontwikkeling; benadrukt dat politieke en economische betrekkingen met Cuba de politieke hervormingen in het land vooruit zouden kunnen helpen, overeenkomstig de aspiraties van de Cubaanse bevolking; dringt er bij de Europese instellingen en de lidstaten op aan de economische en politieke transitie in Cuba te ondersteunen en de overgang naar democratische en electorale standaarden die de grondrechten van alle burgers eerbiedigen, te bevorderen; steunt het gebruik van de diverse EU-instrumenten voor het buitenlands beleid, in het bijzonder het EIDHR, teneinde de dialoog van de EU met het maatschappelijk middenveld van Cuba en diegenen die een vreedzame transitie in Cuba ondersteunen, te versterken;

20.  merkt op dat de PDCA, als eerste overeenkomst tussen de EU en Cuba ooit, het nieuwe rechtskader vormt voor deze betrekkingen, met een hoofdstuk over handel en handelssamenwerking, dat een meer voorspelbare en transparante omgeving moet scheppen voor plaatselijke en Europese marktdeelnemers;

21.  onderstreept dat in de pijler handel en handelssamenwerking van de PDCA niet is voorzien in handelspreferenties voor Cuba; herinnert eraan dat deze pijler betrekking heeft op douanesamenwerking, handelsbevordering, intellectuele eigendom, sanitaire en fytosanitaire maatregelen, technische handelsbelemmeringen, traditionele en ambachtelijke goederen, handel en duurzame ontwikkeling, samenwerking op het gebied van handelsbescherming, oorsprongsregels en investeringen;

22.  verklaart dat de PDCA een platform vormt om de bilaterale handels- en investeringsbetrekkingen uit te breiden, en een grondslag is voor de commerciële en economische betrekkingen tussen de EU en Cuba;

23.  steunt de gevestigde praktijk, die tevens werd bevestigd door commissaris Cecilia Malmström in haar hoorzitting van 29 september 2014, om de handels- en investeringsbepalingen van politiek belangrijke overeenkomsten niet voorlopig toe te passen voor het Parlement er zijn goedkeuring aan heeft gehecht; vraagt de Raad, de Commissie en de EDEO om deze praktijk voort te zetten en uit te breiden naar alle internationale overeenkomsten met betrekking tot het externe optreden van de EU die handelsaspecten omvatten, zoals de PDCA;

24.  is van mening dat de overeenkomst de dialoog en de economische samenwerking zal bevorderen, waardoor het ondernemingsklimaat voorspelbaarder en transparanter kan worden en in de toekomst ook een sterker en stabieler kader ontwikkeld kan worden, waarbij wordt gewaarborgd dat Cubanen gezamenlijk met ondernemingen en individuen uit de EU aan investeringen kunnen deelnemen;

25.  verzoekt ook de Europese ondernemingen die actief zijn in Cuba om dezelfde arbeids- en ethische normen toe te passen als in hun land van oorsprong, in het bijzonder als zij kredieten of financiële bijstand van de overheid krijgen;

26.  is ingenomen met het feit dat Cuba alle acht kernverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft geratificeerd en verzoekt om bijkomende verbintenissen ten aanzien van de snelle tenuitvoerlegging van deze verdragen; verzoekt Cuba en alle landen waarmee het over overeenkomsten onderhandelt of heeft onderhandeld, met klem de bepalingen van de IAO en de agenda voor waardig werk te ratificeren en na te leven en alle vormen van arbeidsuitbuiting te verbannen; merkt op dat er gebieden zijn waar sociale en arbeidsrechten in het geding zijn, zoals de aanwervingen door Cubaanse staatsbedrijven en de confiscatiepraktijken in de toeristische sector; benadrukt in dat verband dat alle werknemers een reeks essentiële arbeidsrechten moeten genieten, naast passende sociale bescherming, in overeenstemming met de IAO-verdragen, en verzoekt beide partijen hieraan te werken in overeenstemming met artikel 38 van de PDCA;

27.  merkt op dat de EU de grootste exportpartner en de tweede grootste handelspartner van Cuba is, evenals de grootste buitenlandse investeerder; wijst erop dat het handelsbeleid van de EU geen handelspreferenties verstrekt aan Cuba en dat de door de Wereldhandelsorganisatie (WTO) meegedeelde douanetarieven van de EU van toepassing zijn; herinnert eraan dat Cuba, ten gevolge van de hervorming van het EU-stelsel van algemene preferenties (SAP), vanaf januari 2014 zijn handelspreferenties voor de uitvoer naar de EU is kwijtgeraakt, aangezien Cuba de categorie hogermiddeninkomensland heeft bereikt en niet langer voldeed aan de subsidiabiliteitscriteria; benadrukt bovendien dat handel slechts van matig belang is voor de Cubaanse economie, aangezien de uitvoer en de invoer samen 26,4 % van het bbp uitmaken;

28.  stelt voor om te onderzoeken hoe Cuba kan worden opgenomen in de EPO tussen de EU en het Cariforum, die talrijke specifieke en nuttige hoofdstukken inzake handelssamenwerking bevat en Cuba de mogelijkheid zou bieden tot verdere regionale integratie;

29.  neemt nota van het feit dat Cuba lid is van de WTO en benadrukt daarom dat de basisbeginselen van de WTO (zoals handelsbevordering, overeenkomsten over handelsbelemmeringen, sanitaire en fytosanitaire maatregelen en handelsbeschermingsinstrumenten) moeten worden nageleefd;

30.  verzoekt Cuba om de handelsbevorderingsovereenkomst van de WTO die in februari 2017 in werking is getreden, te ratificeren; is ingenomen met de oprichting van het Comité voor handelsbevordering in het land en verzoekt de Commissie en de EDEO in dat verband om technische bijstand te verlenen;

31.  wijst erop dat douanesamenwerking een cruciaal domein is dat moet worden ontwikkeld om belangrijke uitdagingen zoals, onder meer, grensbeveiliging, volksgezondheid, de bescherming van geografische aanduidingen, de strijd tegen namaakgoederen en de strijd tegen terrorisme aan te pakken; verzoekt de Commissie en de EDEO om technische en financiële bijstand te verlenen en in onderling overleg bilaterale instrumenten vast te stellen om Cuba te helpen bij de tenuitvoerlegging van de handelsbevorderingsmaatregelen en informatiediensten;

32.  wijst erop dat de uitvoer uit Cuba moet worden gediversifieerd en moet worden uitgebreid naar andere dan de traditionele producten en verzoekt de Commissie om ad‑hochandelskantoren te openen om beste praktijken uit te wisselen en Cubaanse exporteurs de nodige kennis te verstrekken om de toegang van goederen tot de EU-markt te verbeteren;

33.  is ingenomen met de rol van de Werelddouaneorganisatie (WDO), die in het kader van het Mercator-programma strategische ondersteuning biedt aan de Cubaanse Aduana General de la República (AGR) teneinde de paraatheid om de handelsbevorderingsovereenkomst van de WTO toe te passen te evalueren; wijst erop dat de AGR een proactieve rol moet spelen in de tenuitvoerlegging van de handelsbevorderingsovereenkomst en verzoekt de Commissie om Cuba bij te staan in dit proces;

34.  wijst op de maatregelen van de Cubaanse autoriteiten om vrije handel en economische liberalisering te stimuleren; benadrukt het belang van een geleidelijke versterking van de particuliere sector; benadrukt dat de ontwikkeling van sterke buitenlandse investeringen om de fysieke en technologische infrastructuur van het land te verbeteren en een concurrerend Cubaans productiestelsel op te bouwen aanvullende economische en financiële maatregelen zal vergen, naast regelgeving die het land rechtszekerheid en economische stabiliteit biedt, onder meer door onafhankelijke, transparante en onpartijdige instellingen; wijst erop dat Cuba in dit verband kan voortbouwen op de ervaring van de EU-lidstaten;

35.  vraagt om Cuba op te nemen in de lijst van in aanmerking komende landen onder het externe mandaat van de EIB voor zover het land aan de door de EIB gestelde vereisten voldoet;

36.  is verheugd dat er in de PDCA bepalingen zijn opgenomen om in Cuba een duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling tot stand te brengen, met name de toezegging om te streven naar de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de verwezenlijking van de hierin opgenomen duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, waarbij rekening wordt gehouden met de Addis Abeba-actieagenda voor financiering van ontwikkeling; verzoekt de partijen op om, zodra de PDCA is bekrachtigd, snel over te gaan tot een specifieke dialoog over de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030;

37.  herinnert eraan dat de EU en Cuba sinds 1988 diplomatieke betrekkingen onderhouden, dat Cuba sinds 1984 ontwikkelingshulp of humanitaire hulp van de EU krijgt en dat het land op dit moment 50 miljoen EUR aan bijstand van de EU ontvangt voor de periode 2014-2020 in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI);

38.  herinnert eraan dat de PDCA de betrokkenheid van Cuba in EU-programma's mogelijk zal maken, evenals de intensievere uitvoering van het meerjarig indicatief programma (MIP) voor de periode 2014-2020, teneinde de door de Cubaanse regering aangenomen strategie voor economische en sociale modernisering te faciliteren;

39.  maakt zich zorgen dat Cuba, dat door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO als een "hogere-middeninkomensland" wordt beschouwd, geleidelijk de steun voor ontwikkeling in het kader van de DCI-verordening dreigt te verliezen; is van mening dat Cuba's status van insulaire ontwikkelingsstaat en de economische situatie waarin het land verkeert, die nog verder verslechtert door de negatieve effecten van unilaterale dwangmaatregelen, rechtvaardigen dat er maatregelen worden genomen die verdere hulp van de Unie aan Cuba mogelijk maken en dat dit met name in het kader van de volgende tussentijdse evaluatie van de DCI-verordening moet worden overwogen;

40.  juicht het toe dat de partijen opnieuw hebben bevestigd dat alle ontwikkelde landen 0,7 % van hun bruto nationaal inkomen voor officiële ontwikkelingshulp moeten reserveren, en dat opkomende economieën en hogere-middeninkomenslanden doelstellingen moeten vaststellen om meer internationale publieke financiering ter beschikking te stellen;

41.  juicht het toe dat het genderperspectief wordt bevorderd op alle relevante samenwerkingsgebieden, met inbegrip van duurzame ontwikkeling;

42.  erkent en is ingenomen met de belangrijke rol die Cuba vervult binnen de kaders van de Zuid-Zuid-samenwerking, alsook zijn internationale engagement en solidariteit in de vorm van humanitaire hulpverlening, met name op het gebied van gezondheid en onderwijs;

43.  merkt op dat de PDCA Cuba de mogelijkheid biedt om meer betrokken te zijn in en te genieten van grotere toegang tot EU-programma's, bijvoorbeeld Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, en Erasmus+, het programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport, wat op zijn beurt meer academische en interpersoonlijke uitwisseling zou stimuleren;

44.  wijst erop dat de overeenkomst ook een instrument is dat in multilaterale fora gemeenschappelijke oplossingen zal bevorderen voor mondiale uitdagingen als migratie, de strijd tegen terrorisme en de klimaatverandering;

45.  bevestigt zijn beslissing om een officiële delegatie van de Commissie buitenlandse zaken van het Europees Parlement naar Cuba te sturen; vraagt de Cubaanse autoriteiten deze delegatie toe te laten en toegang tot haar gesprekspartners te verschaffen;

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Cuba.

(1) PB L 322 van 12.12.1996, blz. 1.
(2) OJ L 337 I, 13.12.2016, p. 41.
(3) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0296.
(4) PB C 201 E van 18.8.2005, blz. 83.
(5) PB C 288 E van 25.11.2006, blz. 81.
(6) PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 377.
(7) PB C 349 E van 22.12.2010, blz. 82.


Memorandum van overeenstemming tussen het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en Eurojust *
PDF 242kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad houdende goedkeuring van de sluiting door Eurojust van het memorandum van overeenstemming tussen het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en Eurojust (07536/2017 – C8-0136/2017 – 2017/0804(CNS))
P8_TA(2017)0298A8-0215/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (07536/2017),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0136/2017),

–  gezien Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken(1), en met name artikel 26, lid 2,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0215/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1) PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1.


De strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt ***II
PDF 257kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (06182/1/2017 – C8-0150/2017 – 2012/0193(COD))
P8_TA(2017)0299A8-0230/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (06182/1/2017 – C8-0150/2017),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2012)0363),

—  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

—  gezien artikel 67 bis van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijk overleg van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0230/2017),

1.  keurt het standpunt van de Raad in eerste lezing goed;

2.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

3.  Verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad, overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

4.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen, nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) Aangenomen teksten van 16.4.2014, P7_TA(2014)0427.


Het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en -sancties ***I
PDF 605kWORD 68k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 betreffende het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rechtskader van de EU inzake douaneovertredingen en sancties (COM(2013)0884 – C8-0033/2014 – 2013/0432(COD))
P8_TA(2017)0300A8-0239/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2013)0884),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 33 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0033/2014),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, en de artikelen 33 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn ingediend door het Litouwse en het Zweedse parlement, en waarin het ontwerp van wetgevingshandeling in strijd met het subsidiariteitsbeginsel wordt geacht,

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016(1),

–   gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie internationale handel (A8-0239/2016),

1.  stelt als zijn standpunt in eerste lezing de tekst vast die is vastgesteld op 25 oktober 2016(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en sancties

P8_TC1-COD(2013)0432


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 33 en 114, [Am. 1]

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De bepalingen op het gebied van de douane-unie zijn geharmoniseerd op grond van het recht van de Unie. De handhaving ervan behoort echter tot het toepassingsgebied van het nationale recht van de lidstaten.

(1 bis)   Deze richtlijn dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad(5).("het douanewetboek") [Am. 2]

(2)  Als gevolg daarvan is de De omgang met douaneovertredingen en -sancties is op 28 verschillende soorten rechtsregels gebaseerd. Dientengevolge wordt een schending van de douanewetgeving in de Unie niet op dezelfde manier aangepakt en verschillen de sancties die kunnen worden opgelegd per geval in aard en ernst, al naar gelang de lidstaat die de sanctie oplegt, met als gevolg een verlies voor de staatskas van de lidstaten en een verstoring van de handelsstromen. [Am. 3]

(3)  Dit verschil in rechtsstelsels van de lidstaten is niet alleen van nadelige invloed op het optimale beheer van de douane-unie en de noodzakelijke transparantie die nodig is om het correct functioneren van de interne markt te garanderen met betrekking tot de wijze waarop overtredingen door de verschillende douaneautoriteiten worden afgehandeld, maar voorkomt ook dat het realiseren van een gelijk speelveld wordt gerealiseerd voor marktdeelnemers in de douane-unie, die reeds te maken krijgen met verschillende stelsels en regels in de Unie, omdat het gevolgen heeft voor hun toegang tot douanevereenvoudigingen en ‑faciliteiten. [Am. 4]

(4)  Het douanewetboek is ontworpen voor een multinationale elektronische omgeving waar sprake is van realtime communicatie tussen de douaneautoriteiten en waar een door de lidstaten genomen beslissing in alle andere lidstaten van toepassing is. Dit rechtskader vereist om die reden een geharmoniseerde handhaving. Het douanewetboek bevat tevens een bepaling waarin van lidstaten wordt vereist te voorzien in effectieve, afschrikkende en evenredige sancties.

(5)  Het in deze richtlijn voorziene rechtskader voor de handhaving van de Unie-douanewetgeving is in overeenstemming met de geldende wetgeving inzake de financiële belangen van de Unie, en met name Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad(6). Tot de douaneovertredingen binnen het door deze richtlijn vastgestelde kader behoren douaneovertredingen die gevolgen hebben voor deze financiële belangen terwijl zij op basis van het strafrecht niet onder het toepassingsgebied van de wetgeving vallen die deze belangen moet beschermen, en douaneovertredingen die in het geheel geen invloed hebben op de financiële belangen van de Unie.

(6)  Er dient middels deze richtlijn een lijst te worden vastgesteld met gedragingen die beschouwd moeten worden als schendingen van de Unie-douanewetgeving en waarop sancties zouden moeten staan. Deze douaneovertredingen dienen volledig te zijn gebaseerd op de verplichtingen die voortvloeien uit de douanewetgeving en rechtstreeks betrekking te hebben op het douanewetboek. Met deze richtlijn moet worden niet bepaald wanneer dat lidstaten voor deze douaneovertredingen een administratieve of niet-strafrechtelijke sancties moeten opleggen. Lidstaten moeten eveneens de mogelijkheid hebben te voorzien in de oplegging van strafrechtelijke sancties, in overeenstemming met het nationale en het Unierecht, in plaats van niet-strafrechtelijke sancties, wanneer de aard en ernst van de desbetreffende overtredingen dit vereisen teneinde de opgelegde sanctie afschrikkend, doeltreffend en evenredig te laten zijn. [Am. 5]

(7)  De eerste categorie gedragingen zou douaneovertredingen op basis van objectieve aansprakelijkheid moeten bevatten, waarvoor geen enkele vorm van schuld is vereist gezien de objectieve aard van de daarmee verbonden verplichtingen en het feit dat de personen die verantwoordelijk zijn om aan deze verplichtingen voldoen, het bestaansrecht en bindende karakter ervan niet kunnen negeren. [Am. 6]

(8)  De tweede en derde categorie gedragingen zouden douaneovertredingen moeten bevatten die uit nalatigheid of met opzet zijn begaan, met andere woorden waar het subjectieve element voor de verschuldigheid bepalend is. [Am. 7]

(9)  Het aanmoedigen, mede mogelijk maken en uitlokken van een gedraging die kan worden aangemerkt als een met opzet gepleegde douaneovertreding, evenals een poging om bepaalde douaneovertredingen met opzet te begaan, dient als douaneovertreding te worden beschouwd.

(10)  Met het oog op de rechtszekerheid dient te worden bepaald dat een handeling of nalatigheid als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten als bedoeld in het douanewetboek niet als een douaneovertreding dient te worden aangemerkt. [Am. 8]

(11)  De lidstaten moeten waarborgen dat de aansprakelijkheid voor eenzelfde douaneovertreding zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen geldt indien de douaneovertreding ten bate van een rechtspersoon is begaan.

(12)  Om de nationale sanctiesystemen van de lidstaten onderling aan te passen, dienen sanctieschalen te worden vastgesteld die een weerspiegeling vormen de ernst van de verschillende categorieën douaneovertredingen en de ernst ervan weerspiegelen. Om effectieve, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen, dienen de lidstaten eveneens te waarborgen dat hun bevoegde autoriteiten rekening houden met specifieke verzwarende of verzachtende omstandigheden bij het bepalen van de soort en de hoogte van de toe te passen sancties. [Am. 9]

(12 bis)   Uitsluitend wanneer ernstige overtredingen geen verband houden met de ontdoken douanerechten, maar met de waarde van de desbetreffende goederen, bijvoorbeeld in geval van overtredingen in verband met intellectuele-eigendomsrechten of goederen waarvoor een verbod of een beperking geldt, dienen douaneautoriteiten de opgelegde sanctie te baseren op de waarde van de goederen. [Am. 10]

(13)  De verjaringstermijn voor de vervolging van een douaneovertreding dient op vier jaar te worden vastgesteld met ingang van de dag waarop de douaneovertreding is begaan of, in het geval van voortdurende of herhaalde overtredingen, met ingang van de dag waarop het gedrag dat een overtreding vormt, is beëindigd. De lidstaten dienen te waarborgen dat de verjaringstermijn wordt onderbroken door een handeling met betrekking tot onderzoeken of gerechtelijke procedures die verband houden met dezelfde douaneovertreding, of door een handeling van de douaneovertreding voor de overtreding verantwoordelijke persoon. De lidstaten kunnen moeten de mogelijkheid hebben de gevallen vastleggen vast te leggen waarvoor deze verjaring wordt gestuit. De aanvang of voortzetting van deze procedures dient Alle procedures dienen, ongeacht een eventuele onderbreking van de verjaringstermijn, te verjaren na het verstrijken van de een termijn van acht jaar te worden uitgesloten en de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van een sanctie dient op drie jaar te worden gesteld. [Am. 11]

(14)  De administratieve procedure met betrekking tot douaneovertredingen dient te worden opgeschort indien een strafrechtelijke procedure is ingeleid tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten. De voortzetting van de administratieve procedure na voltooiing van de strafrechtelijke procedure is alleen mogelijk indien het ne bis in idem-beginsel strikt in acht wordt genomen, wat betekent dat dezelfde overtreding niet twee keer mag worden bestraft. [Am. 12]

(15)  Om positieve jurisdictieverschillen te voorkomen, moet in voorschriften worden opgenomen welke lidstaat met jurisdictie de zaak dient te onderzoeken.

(15 bis)   De algemene doelstelling van deze richtlijn is het garanderen van de doeltreffende tenuitvoerlegging van de wetgeving in de EU-douane-unie. Het wettelijke kader waarbinnen deze richtlijn valt, staat echter geen geïntegreerde aanpak toe van de handhaving, met inbegrip van toezicht, controle en onderzoek. De Commissie moet daarom het Europees Parlement en de Raad een verslag voorleggen over die aspecten, inclusief de uitvoering van het gemeenschappelijk kader voor risicobeheer, teneinde te beoordelen of er verdere wetgeving nodig is. [Am. 13]

(16)  Deze richtlijn dient te voorzien in de samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie om een doeltreffend optreden tegen douaneovertredingen te waarborgen.

(17)  Om het onderzoek naar douaneovertredingen te vergemakkelijken, dienen de bevoegde autoriteiten in de gelegenheid te worden gesteld bij de gepleegde overtreding gebruikte goederen, transportmiddelen of andere instrumenten tijdelijk in beslag te nemen.

(18)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(7) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van deze stukken gerechtvaardigd.

(18 bis)   Deze richtlijn heeft tot doel de douanesamenwerking te versterken door de nationale wetgevingen inzake douanesancties onderling aan te passen. Aangezien de gerechtelijke tradities van de lidstaten momenteel sterk van elkaar verschillen, is een totale harmonisering echter niet mogelijk. [Am. 14]

(19)  Aangezien deze richtlijn tot doel heeft te voorzien in een lijst douaneovertredingen die in alle lidstaten plaatsvinden, alsmede in een basis zodat lidstaten effectieve, afschrikkende en evenredige sancties op kunnen leggen op het - volledig geharmoniseerde - gebied van de douane-unie, kunnen deze doelstellingen onvoldoende worden gerealiseerd door de lidstaten op basis van hun verschillende gerechtelijke tradities en kunnen zij door de schaal en de gevolgen ervan beter op het niveau van de Unie worden gerealiseerd. De Unie kan overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie uiteengezette subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Krachtens het evenredigheidsbeginsel in dat artikel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Met deze Deze richtlijn wordt een heeft tot doel bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en het kader vastgesteld vast te stellen met betrekking tot de schendingen van de Unie-douanewetgeving, en voorzien voorziet in het opleggen van niet-strafrechtelijke sancties voor deze schendingen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten onderling aan te passen. [Am. 15]

2.  De richtlijn is van toepassing op de schending van de verplichtingen die zijn neergelegd in Verordening (EU) nr. 952/2013 (hierna "het douanewetboek" genoemd) en van identieke verplichtingen die zijn neergelegd in andere delen van de Unie-douanewetgeving als omschreven in artikel 5, lid 2, van het douanewetboek.

2 bis.   Deze richtlijn heeft betrekking op de verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van de handelspartners van de Europese Unie, alsook de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Werelddouaneorganisatie, met het oog op de totstandbrenging van een homogene en efficiënte interne markt die de handel faciliteert en waarbij tegelijk zekerheid geboden wordt. [Am. 16]

Artikel 2

Douaneovertredingen en -sancties Algemene beginselen

1.  De lidstaten stellen regels vast met betrekking tot de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde sancties, met strikte inachtneming van het ne bis in idem-beginsel.

De lidstaten zorgen ervoor dat handelingen of nalatigheden zoals uiteengezet in de artikelen 3 en 6 gelden voor douaneovertredingen die door nalatigheid of opzettelijk worden begaan.

Lidstaten kunnen voorzien in het, in overeenstemming met het nationale en Unierecht, opleggen van strafrechtelijke sancties in plaats van niet-strafrechtelijke sancties, wanneer de aard en ernst van de desbetreffende overtredingen dit vereisen teneinde de opgelegde sanctie afschrikkend, doeltreffend en evenredig te laten zijn.

2.   Voor de toepassing van deze richtlijn:

a)   bepalen de douneautoriteiten of de overtreding is begaan door nalatigheid, hetgeen betekent dat de persoon die verantwoordelijk is heeft nagelaten om redelijke zorgvuldigheid met betrekking tot de controle over zijn activiteiten in acht te nemen, of dat die persoon maatregelen heeft genomen die onmiskenbaar ontoereikend waren om het optreden van omstandigheden die tot de overtreding leidden, te voorkomen, in het geval het risico van het optreden ervan redelijkerwijs te voorzien was;

b)   bepalen de douaneautoriteiten of de overtreding opzettelijk is gepleegd, hetgeen betekent dat de persoon die verantwoordelijk is heeft gehandeld of heeft nagelaten te handelen in de wetenschap dat de handeling of nalatigheid een overtreding vormde, of met de vrije en doelbewuste wens om de douanewetgeving te overtreden;

c)  vormen administratieve fouten of vergissingen geen douaneovertredingen, tenzij uit alle omstandigheden blijkt dat zij opzettelijk zijn gepleegd of begaan als gevolg van nalatigheid. [Am. 17]

Artikel 2 bis

Facilitatie van de handel

Om te voldoen aan de verplichtingen van de Unie in het kader van de handelsfacilitatieovereenkomst van de WTO plegen de lidstaten overleg om een samenwerkingssysteem in te stellen waaraan alle lidstaten deelnemen. Dit systeem is bedoeld voor de coördinatie van de sleutelindicatoren inzake de doeltreffendheid van de douanesancties (analyse van het aantal beroepen, recidivecijfers, enz.), de verspreiding van de beste praktijken tussen de douanediensten (doeltreffendheid van de controles en de sancties, verminderen van de administratieve kosten, enz.), het doorgeven van de ervaringen van de marktdeelnemers en onderlinge banden creëren, de monitoring van de wijze waarop de douanediensten hun werkzaamheden uitvoeren, en het opstellen van statistieken over de overtredingen die begaan worden door ondernemingen uit derde landen. Binnen het samenwerkingssysteem worden alle lidstaten onverwijld in kennis gesteld van onderzoeken naar douaneovertredingen en vastgestelde overtredingen, teneinde de handelstransacties te faciliteren, de plaatsing van illegale goederen op de gemeenschappelijke markt te voorkomen en de doeltreffendheid van de controles te verbeteren. [Am. 18]

Artikel 3

Douaneovertredingen met objectieve aansprakelijkheid

De lidstaten garanderen dat bij de volgende handelingen of nalatigheden sprake is van een douaneovertreding, ongeacht enige vorm van schuld:

a)  verzuim van eenieder die een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer bij de douaneautoriteiten indient om de juistheid en volledigheid van de in de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag verstrekte inlichtingen te garanderen overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder a), van het douanewetboek;

b)  verzuim van eenieder die een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer bij de douaneautoriteiten indient om de echtheid, juistheid en geldigheid van het bewijsstuk te garanderen overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder b), van het douanewetboek;

c)  verzuim van eenieder om een summiere aangifte bij binnenbrengen overeenkomstig artikel 127 van het douanewetboek, een kennisgeving van aankomst van een zeeschip of luchtvaartuig over zee of door de lucht overeenkomstig artikel 133 van het douanewetboek, een aangifte tot tijdelijke opslag overeenkomstig artikel 145 van het douanewetboek, een douaneaangifte overeenkomstig artikel 158 van het douanewetboek, een kennisgeving van activiteiten in vrije zones overeenkomstig artikel 244, lid 2, van het douanewetboek, een aangifte vóór vertrek overeenkomstig artikel 263 van het douanewetboek, een aangifte tot wederuitvoer overeenkomstig artikel 270 van het douanewetboek, een summiere aangifte bij uitgaan overeenkomstig artikel 271 van het douanewetboek of een kennisgeving van wederuitvoer overeenkomstig artikel 274 van het douanewetboek in te dienen;

d)  verzuim van een marktdeelnemer om met de vervulling van de douaneformaliteiten verband houdende bescheiden en gegevens te bewaren op een wijze die toegankelijk is voor de in de douanewetgeving vereiste termijn overeenkomstig artikel 51 van het douanewetboek;

e)  de onttrekking van in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen aan douanetoezicht zonder toestemming van de douaneautoriteiten, in strijd met de eerste en tweede alinea van artikel 134, lid 1, van het douanewetboek;

f)  de onttrekking van goederen aan douanetoezicht, in strijd met artikel 134, lid 1, vierde alinea, artikel 158, lid 3, en artikel 242, van het douanewetboek;

g)  verzuim van eenieder die goederen in het douanegebied van de Unie binnenbrengt om te voldoen aan de verplichtingen in verband met het vervoer van de goederen naar de plaats van bestemming overeenkomstig artikel 135, lid 1, van het douanewetboek, of om de douaneautoriteiten onverwijld in kennis te stellen wanneer de verplichtingen niet kunnen worden nagekomen overeenkomstig artikel 137, leden 1 en 2, van het douanewetboek, alsmede de plaats bekend te maken waar zich de goederen bevinden;

h)  verzuim van eenieder die goederen naar een vrije zone brengt, waar de vrije zone grenst aan de landgrens tussen een lidstaat en een derde land, om deze goederen rechtstreeks naar die vrije zone te brengen zonder gebruik te maken van een ander deel van het douanegebied van de Unie, overeenkomstig artikel 135, lid 2, van het douanewetboek;

i)  verzuim van de aangever van een tijdelijke opslag of een douaneregeling om aan de douaneautoriteiten van documenten te voorzien indien de Uniewetgeving dit vereist of indien dat met het oog op douanecontroles noodzakelijk is overeenkomstig artikel 145, lid 2, en artikel 163, lid 2, van het douanewetboek;

j)  verzuim van de marktdeelnemer aangever van een tijdelijke opslag of de persoon die de goederen beheert in geval deze zijn opgeslagen in een andere door de douaneautoriteiten toegestane plaats beheert, die verantwoordelijk is voor niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag om deze goederen onder een douaneregeling te plaatsen of weder uit te voeren binnen de termijn overeenkomstig artikel 149 van het douanewetboek;

k)  verzuim van de aangever van een douaneregeling om de bewijsstukken die nodig zijn voor de toepassing van de betreffende regeling, in diens bezit en ter beschikking te hebben voor de douaneautoriteiten op het tijdstip waarop de douaneaangifte of een aanvullende aangifte wordt ingediend overeenkomstig artikel 163, lid 1, en de tweede alinea van artikel 167, lid 1, van het douanewetboek;

l)  verzuim van de aangever van een douaneregeling, in geval van een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 van het douanewetboek of een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182 van het douanewetboek, om een aanvullende aangifte in te dienen bij het bevoegde douanekantoor en binnen de specifieke termijn overeenkomstig artikel 167, lid 1, van het douanewetboek;

m)  het verwijderen of vernietigen van de identificatiemiddelen die door de douaneautoriteiten op de goederen, verpakking of vervoermiddelen zijn aangebracht zonder dat hiervoor door de douaneautoriteiten voorafgaande toestemming is verleend overeenkomstig artikel 192, lid 2, van het douanewetboek;

n)  verzuim van de houder van de regeling actieve veredeling om een douaneregeling te zuiveren binnen de vastgestelde termijn overeenkomstig artikel 257 van het douanewetboek;

o)  verzuim van de houder van de regeling passieve veredeling om de gebrekkige goederen uit te voeren binnen de vastgestelde termijn overeenkomstig artikel 262 van het douanewetboek;

p)  het oprichten van gebouwen in een vrije zone zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 244, lid 1, van het douanewetboek;

q)  niet-betaling van invoer- of uitvoerrechten door de persoon die betaling is verschuldigd binnen de voorgeschreven termijn overeenkomstig artikel 108 van het douanewetboek;

(q bis)   verzuim van een marktdeelnemer om op verzoek van de douaneautoriteiten hen op passende wijze en binnen een redelijke termijn van alle vereiste documenten en informatie te voorzien en alle nodige bijstand te verlenen voor het vervullen van de douaneformaliteiten of -controles overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het douanewetboek;

(q ter)   verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om te voldoen aan de uit deze beschikking voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig artikel 23, lid 1, van het douanewetboek;

(q quater)   verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om de douaneautoriteit onverwijld in kennis te stellen van alle voorvallen die zich voordoen na vaststelling van de beschikking door deze autoriteit en die van invloed zijn op de continuïteit of de inhoud ervan overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het douanewetboek;

(q quinquies)  verzuim van de houder van de regeling Uniedouanevervoer om de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij het douanekantoor van bestemming aan te geven overeenkomstig artikel 233, lid 1, onder a), van het douanewetboek;

(q sexies)   het lossen of overladen van goederen uit het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, zonder toestemming van de douaneautoriteiten of op plaatsen die niet door deze autoriteiten zijn aangewezen of goedgekeurd overeenkomstig artikel 140 van het douanewetboek;

(q septies)   de opslag van goederen in ruimten voor tijdelijke opslag of douane-entrepots zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig de artikelen 147 en 148 van het douanewetboek;

(q octies)   verzuim van de houder van de vergunning of de houder van de regeling om de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de opslag van goederen onder de regeling douane-entrepot overeenkomstig artikel 242, lid 1, onder a) en b), van het douanewetboek.

(q nonies)  het verstrekken van onjuiste gegevens of documenten aan de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 15 of 163 van het douanewetboek betreffende de door deze douaneautoriteiten vereiste gegevens of documenten;

(q decies)   het gebruikmaken door een marktdeelnemer van onjuiste of onvolledige gegevens of valse, onjuiste of ongeldige gegevens om een vergunning van de douaneautoriteiten te verwerven:

(i)   om een geautoriseerde marktdeelnemer te worden overeenkomstig artikel 38 van het douanewetboek;

(ii)   om gebruik te maken van een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 van het douanewetboek;

(iii)   om gebruik te maken van andere douanevereenvoudigingen overeenkomstig artikel 177, 179, 182 of 185 van het douanewetboek; of

(iv)   om goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen overeenkomstig artikel 211 van het douanewetboek;

(q undecies)   de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie zonder dat deze bij de douaneautoriteiten zijn aangebracht overeenkomstig artikel 139, artikel 245 of artikel 267, lid 2, van het douanewetboek;

(q duodecies)   de veredeling van goederen in een douane-entrepot zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 241 van het douanewetboek;

(q terdecies)   het verwerven of onder zich houden van goederen die bij een van de onder q quinquies) en q undecies) van dit artikel genoemde douaneovertredingen zijn betrokken. [Am. 19]

Artikel 4

Douaneovertredingen die uit nalatigheid zijn begaan

De lidstaten garanderen dat bij de volgende handelingen of nalatigheden sprake is van een douaneovertreding indien de overtreding uit nalatigheid is begaan:

a)  verzuim van de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor niet-Uniegoederen in tijdelijke opslag om deze goederen onder een douaneregeling te plaatsen of weder uit te voeren binnen de termijn overeenkomstig artikel 149 van het douanewetboek;

b)  verzuim van de marktdeelnemer om de douaneautoriteiten alle nodige bijstand te verlenen voor het vervullen van de douaneformaliteiten of ‑controles overeenkomstig artikel 15, lid 1, van het douanewetboek;

c)  verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om te voldoen aan de uit deze beschikking voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig artikel 23, lid 1, van het douanewetboek;

d)  verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om de douaneautoriteit onverwijld in kennis te stellen van alle voorvallen die zich voordoen na vaststelling van de beschikking door deze autoriteit en die van invloed zijn op de continuïteit of de inhoud ervan overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het douanewetboek;

e)  verzuim van een marktdeelnemer om de in het douanegebied van de Unie gebrachte goederen bij de douaneautoriteiten aan te brengen overeenkomstig artikel 139 van het douanewetboek;

f)  verzuim van de houder van de regeling Uniedouanevervoer om de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij het douanekantoor van bestemming aan te brengen overeenkomstig artikel 233, lid 1, onder a), van het douanewetboek;

g)  verzuim van een marktdeelnemer om de in de vrije zone gebrachte goederen bij de douaneautoriteiten aan te brengen overeenkomstig artikel 245 van het douanewetboek;

h)  verzuim van een marktdeelnemer om de goederen die het douanegebied van de Unie verlaten bij de douaneautoriteiten aan te brengen overeenkomstig artikel 267, lid 2, van het douanewetboek;

i)  het lossen of overladen van goederen uit het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, zonder toestemming van de douaneautoriteiten of op plaatsen die niet door deze autoriteiten zijn aangewezen of goedgekeurd overeenkomstig artikel 140 van het douanewetboek;

j)  de opslag van goederen in ruimten voor tijdelijke opslag zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig de artikelen 147 en 148 van het douanewetboek;

k)  verzuim van de houder van de vergunning of de houder van de regeling om de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de opslag van goederen onder de regeling douane-entrepot overeenkomstig artikel 242, lid 1, onder a) en b), van het douanewetboek. [Am. 20]

Artikel 5

Douaneovertredingen die met opzet zijn begaan

De lidstaten garanderen dat bij de volgende handelingen of nalatigheden sprake is van een douaneovertreding indien de overtreding met opzet is begaan:

a)  het verstrekken van onjuiste gegevens of documenten aan de douaneautoriteiten overeenkomstig de artikelen 15 of 163 van het douanewetboek betreffende de door deze douaneautoriteiten vereiste gegevens of documenten;

b)  het gebruikmaken door een marktdeelnemer van valse verklaringen of een andere onregelmatige wijze om een vergunning van de douaneautoriteiten te verwerven;

i)  om een geautoriseerde marktdeelnemer te worden overeenkomstig artikel 38 van het douanewetboek;

ii)  om gebruik te maken van een vereenvoudigde aangifte overeenkomstig artikel 166 van het douanewetboek;

iii)  om gebruik te maken van andere douanevereenvoudigingen overeenkomstig de artikelen 177, 179, 182 en 185 van het douanewetboek;

iv)  om goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen overeenkomstig artikel 211 van het douanewetboek;

c)  de binnenkomst in of het doen uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie zonder dat deze bij de douaneautoriteiten zijn aangebracht overeenkomstig artikel 139, artikel 245 of artikel 267, lid 2, van het douanewetboek;

d)  verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om te voldoen aan de uit deze beschikking voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig artikel 23, lid 1, van het douanewetboek;

e)  verzuim van een houder van een beschikking in verband met de toepassing van douanewetgeving om de douaneautoriteit onverwijld in kennis te stellen van alle voorvallen die zich voordoen na vaststelling van de beschikking door deze autoriteit en die van invloed zijn op de continuïteit of de inhoud ervan overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het douanewetboek;

f)  de veredeling van goederen in een douane-entrepot zonder toestemming van de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 241 van het douanewetboek;

g)  het verwerven of onder zich houden van goederen die bij een van de in artikel 4, onder f), en in dit artikel, onder c) genoemde douaneovertredingen zijn betrokken. [Am. 21]

Artikel 6

Aanmoedigen, mede mogelijk maken, uitlokken en pogen

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat het aanmoedigen of mede mogelijk maken en het uitlokken van een in artikel 5 8 ter, lid 2, vermelde handeling of nalatigheid een douaneovertreding betreft vormt.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat een poging om een in artikel 5 3, onder bq decies) of cq undecies), vermelde nalatigheid of een handeling te begaan een douaneovertreding betreft vormt. [Am. 22]

Artikel 7

Vergissing van de douaneautoriteiten

Er is bij de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde handelingen of nalatigheden geen sprake van een douaneovertreding indien zij het gevolg zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten, overeenkomstig met artikel 119 van het douanewetboek. De douaneautoriteiten zijn aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door dergelijke vergissingen. [Am. 23]

Artikel 8

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.  De lidstaten waarborgen dat rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld voor de in de artikelen 3 en 6 vermelde overtredingen die in hun voordeel zijn gepleegd door eenieder die ofwel individueel of als lid van een orgaan van de rechtspersoon optrad en die een leidende positie bekleedde binnen de rechtspersoon, op grond van:

a)  de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, of

b)  de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

c)  de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon toezicht uit te oefenen. [Am. 24]

2.  De lidstaten waarborgen eveneens dat rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld indien het gebrek aan toezicht of controle door een in lid 1 genoemd persoon het begaan van een douaneovertreding ten gunste van die rechtspersoon door een persoon onder toezicht van de in lid 1 vermelde persoon mogelijk heeft gemaakt.

3.  De aansprakelijkheid van een rechtspersoon op grond van de leden 1 en 2 doet geen afbreuk aan de aansprakelijkheid van natuurlijke personen die de douaneovertreding hebben gepleegd.

3 bis.   In deze richtlijn wordt onder "rechtspersoon" verstaan, ieder lichaam dat krachtens het toepasselijke recht rechtspersoonlijkheid bezit, met uitzondering van staten en andere overheidslichamen in de uitoefening van het openbaar gezag, en publiekrechtelijke internationale organisaties. [Am. 26]

Artikel 8 bis

Factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen of het al dan niet om een kleine overtreding gaat

1.   De lidstaten garanderen dat hun bevoegde autoriteiten bij het bepalen of een overtreding als bedoeld in artikel 3 klein is, vanaf het begin van het proces ter bepaling of een douaneovertreding is begaan, rekening houden met alle relevante omstandigheden die van toepassing zijn, inclusief, de volgende omstandigheden:

a)   de overtreding is uit nalatigheid begaan;

b)   de betrokken goederen zijn niet onderworpen aan de verboden of beperkingen in artikel 134, lid 1, tweede zin, van het douanewetboek en in artikel 267, lid 3, onder e), van het douanewetboek;

c)   de overtreding heeft een geringe of geen invloed op het te betalen bedrag aan douanerechten.

d)   de voor de overtreding verantwoordelijke persoon werkt doeltreffend mee met de bevoegde autoriteit;

e)   de voor de overtreding verantwoordelijke persoon maakt de overtreding vrijwillig openbaar, op voorwaarde dat de overtreding nog geen voorwerp is van een onderzoek, waarvan de persoon die verantwoordelijk is voor de overtreding kennis heeft;

f)   de persoon die verantwoordelijk is voor de overtreding, toont aan dat hij of zij aanzienlijke inspanning levert om te voldoen aan de EU-douanewetgeving door een hoge mate van controle over zijn activiteiten te tonen, bijvoorbeeld door middel van een compliance-systeem;

g)   de persoon die verantwoordelijk is voor de overtreding is een kleine of middelgrote onderneming die geen eerdere ervaring heeft met douanegerelateerde zaken.

2.   De bevoegde autoriteiten beschouwen een overtreding alleen als klein wanneer er geen sprake is van een verzwarende omstandigheid ten aanzien van de overtreding als bedoeld in artikel 8 ter. [Am. 27]

Artikel 8 ter

Factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen of het al dan niet om een ernstige overtreding gaat

1.   De lidstaten garanderen dat hun bevoegde autoriteiten bij het bepalen of een overtreding als bedoeld in artikel 3 of 6 ernstig is, vanaf het begin van het proces ter bepaling of een douaneovertreding is begaan, rekening houden met de volgende omstandigheden die van toepassing zijn:

(a)   de overtreding is opzettelijk begaan;

(b)   de overtreding duurde gedurende een lange periode voort, hetgeen duidt op de intentie haar in stand te houden;

(c)   een soortgelijke of gerelateerde overtreding duurt voort of wordt herhaaldelijk begaan, dat wil zeggen, vaker dan een keer;

(d)   de overtreding heeft een aanzienlijke invloed op het te betalen bedrag aan ontdoken invoer- of uitvoerrechten;

(e)   de betrokken goederen zijn onderworpen aan de verboden of beperkingen in artikel 134, lid 1, tweede zin, van het douanewetboek en in artikel 267, lid 3, onder e), van het douanewetboek;

(f)   de voor de overtreding verantwoordelijke persoon weigert om mee te werken of volledig mee te werken met de bevoegde autoriteit;

(g)   de voor de overtreding verantwoordelijke persoon heeft eerdere overtredingen begaan;

2.   De onder f), g), p), q decies) en q undecies) van artikel 3 begane overtredingen vormen, vanwege hun aard, ernstige overtredingen. [Am. 28]

Artikel 9

Niet-strafrechtelijke Ssancties voor de in artikel 3 vermelde kleine douaneovertredingen

1.  De lidstaten waarborgen dat er, naast de invordering van de ontdoken rechten, effectieve, evenredige, en afschrikkende en niet-strafrechtelijke sancties worden opgelegd, aan de in artikel 3 vermelde douaneovertredingen die overeenkomstig artikel 8 bis als kleine overtredingen worden beschouwd, binnen de volgende grenzen:

a)  een geldboete van 1 % tot 570 % van de waarde van de goederen ontdoken rechten indien de douaneovertreding betrekking heeft op specifieke goederen verband houdt met de ontdoken rechten;

b)  een geldboete van 150 EUR tot 7 500 EUR indien de douaneovertreding geen betrekking heeft op specifieke goederen verband houdt met de ontdoken rechten.

2.   Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen sancties binnen de in lid 1 van dit artikel vastgelegde grenzen, zorgen de lidstaten ervoor dat rekening wordt gehouden met alle in artikel 8 bis beschreven relevante omstandigheden. [Am. 29]

Artikel 10

Sancties voor de in artikel 4 vermelde douaneovertredingen

De lidstaten waarborgen dat er effectieve, evenredige en afschrikkende sancties worden opgelegd aan de in artikel 4 vermelde douaneovertredingen, binnen de volgende grenzen:

a)  een geldboete tot 15 % van de waarde van de goederen indien de douaneovertreding betrekking heeft op specifieke goederen,

b)  een geldboete tot 22 500 EUR indien de douaneovertreding geen betrekking heeft op specifieke goederen. [Am. 30]

Artikel 11

Niet-strafrechtelijke Ssancties voor de in de artikelen 5 en 6 vermelde ernstige douaneovertredingen

1.  De lidstaten waarborgen dat er, naast de invordering van de ontdoken rechten, effectieve, evenredige en afschrikkende en niet-strafrechtelijke sancties worden opgelegd, aan voor de in de artikelen 5 3 en 6 vermelde douaneovertredingen die overeenkomstig artikel 8 ter als ernstige overtredingen worden beschouwd, binnen de volgende grenzen:

a)  een geldboete tot 30 % van de waarde van tussen 40 % en 70 % van de goederen ontdoken rechten indien de douaneovertreding betrekking heeft op specifieke goederen, verband houdt met de ontdoken rechten;

(a bis)   een geldboete van tussen 15 % and 30 % van de waarde van de goederen indien de douaneovertreding geen verband houdt met de ontdoken rechten, maar met de waarde van de goederen;

b)  een geldboete tot van tussen 7 500 EUR en 45 000 EUR indien de douaneovertreding geen betrekking heeft op specifieke goederen. verband houdt met de ontdoken rechten noch met de waarde van de goederen de 15 % en 30 % van de ontdoken rechten;

2.   Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen sancties binnen de in lid 1 van dit artikel vastgelegde grenzen, zorgen de lidstaten ervoor dat rekening wordt gehouden met alle in artikel 8 bis en artikel 8 ter, lid 1, beschreven relevante omstandigheden. [Am. 31]

Artikel 11 bis

Andere niet-strafrechtelijke sancties voor ernstige overtredingen

1.   Naast de in artikel 11 vermelde sancties kunnen lidstaten, overeenkomstig het douanewetboek de volgende niet-geldelijke sancties opleggen indien een ernstige overtreding is begaan:

a)   permanente of tijdelijke inbeslagname van de goederen;

b)   schorsing van de vergunning die is verleend.

2.   Overeenkomstig het douanewetboek zorgen de lidstaten ervoor dat besluiten inzake de verlening van de status van geautoriseerde marktdeelnemer worden ingetrokken in geval van een ernstige of herhaaldelijke overtreding van de douanewetgeving. [Am. 32]

Artikel 11 ter

Evaluatie

1.   De bedragen van de overeenkomstig artikelen 9 en 11 toepasselijke geldboetes worden vanaf … [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] herzien door de Commissie, samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Deze procedure voor een nieuw onderzoek is bedoeld om de bedragen van geldboetes die worden toegepast in het kader van de douane-unie, beter te laten samenvallen, teneinde de werking ervan te harmoniseren.

2.   De Commissie publiceert jaarlijks gegevens over de sancties die de lidstaten hebben opgelegd voor de in de artikelen 3 en 6 bedoelde douaneovertredingen.

3.   De lidstaten zorgen voor de naleving van de douanewetgeving in de zin van punt 2 van artikel 5 van het douanewetboek, alsook Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad(8). [Am. 33]

Artikel 11 quarter

Schikking

De lidstaten voorzien in een schikkingsprocedure, waarbij de bevoegde autoriteiten een overeenkomst kunnen sluiten met de voor de overtreding verantwoordelijke persoon teneinde de zaak van een douaneovertreding af te handelen, als alternatief voor het initiëren of doorzetten van een gerechtelijke procedure, in ruil voor aanvaarding door die persoon van een onmiddellijk afdwingbare sanctie.

Wanneer juridische stappen zijn ondernomen, kunnen de bevoegde autoriteiten evenwel alleen een schikking treffen wanneer de gerechtelijke autoriteit hiermee akkoord gaat.

De Commissie stelt richtsnoeren op voor schikkingsprocedures om ervoor te zorgen dat een voor een overtreding verantwoordelijke persoon de mogelijkheid krijgt om op transparante wijze tot een schikking te komen in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling, en dat iedere overeengekomen schikking voorziet in openbaarmaking van de uitkomst van de procedure. [Am. 34]

Artikel 12

Effectieve toepassing van sancties en uitoefening van bevoegdheden om sancties op te leggen door bevoegde autoriteiten

De lidstaten garanderen dat de bevoegde autoriteiten bij het bepalen van het soort en de hoogte van de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde douaneovertredingen rekening houden met alle relevante omstandigheden, inclusief, in voorkomend geval:

a)  de ernst en de duur van de overtreding;

b)  het feit dat de voor de overtreding verantwoordelijke persoon een geautoriseerde marktdeelnemer is;

c)  het bedrag aan ontdoken invoer- of uitvoerrechten;

d)  het feit dat de betrokken goederen onderworpen zijn aan de verboden of beperkingen in artikel 134, lid 1, tweede zin, van het douanewetboek en in artikel 267, lid 3, onder e), van het douanewetboek, of een gevaar vormen voor de openbare veiligheid;

e)  de mate waarin de voor de overtreding verantwoordelijke persoon met de bevoegde autoriteit samenwerkte;

f)  eerdere overtredingen van de voor de overtreding verantwoordelijke persoon. [Am. 35]

Artikel 12 bis

Naleving

De lidstaten zorgen ervoor dat de richtsnoeren en publicaties over hoe aan de douanewetgeving van de Unie kan worden voldaan, in een gemakkelijk toegankelijke, begrijpelijke en actuele vorm aan belanghebbende partijen beschikbaar worden gesteld. [Am. 36]

Artikel 13

Verjaring

1.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn voor het initiëren van de procedures die verband houden met de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde douaneovertredingen vier drie jaar bedraagt en dat deze begint op de dag dat de douaneovertreding is begaan gepleegd.

2.  De lidstaten garanderen dat, in het geval van voortdurende of herhaalde overtredingen, de verjaringstermijn begint op de dag waarop de handeling of nalatigheid die een douaneovertreding vormt, is beëindigd.

3.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn wordt onderbroken door elke aan de betrokken persoon gemelde onderzoekshandeling of gerechtelijke procedure van de bevoegde autoriteit met betrekking tot dezelfde douaneovertreding, of door een handeling van de voor de overtreding verantwoordelijke persoon. De verjaringstermijn begint loopt door op de dag dat de onderbrekende handeling is onderbroken tot een einde komt.

4.  De lidstaten garanderen, dat de aanvang of voortzetting van onverminderd artikel 14, lid 2, dat de in artikel 3 tot en met of 6 vermelde procedure procedures met betrekking tot een douaneovertreding, wordt uitgesloten ongeacht een eventuele onderbreking van de in lid 3 van dit artikel vermelde verjaringstermijn, verjaren na het verstrijken van de termijn van acht jaar vanaf de in lid 1 of 2 van dit artikel vermelde dag.

5.  De lidstaten garanderen dat de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van een beslissing over het opleggen van een sanctie drie jaar bedraagt. Deze termijn begint op de dag waarop die beslissing definitief is.

6.  De lidstaten stellen de gevallen vast waarvoor de in de leden 1, 4 en 5 vermelde verjaringstermijnen worden gestuit. [Am. 37]

Artikel 14

Opschorting van de procedure

1.  De lidstaten garanderen dat de administratieve procedure met betrekking tot een in de artikelen 3 en 6 vermelde douaneovertreding wordt opgeschort indien een strafrechtelijke procedure is ingeleid tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten.

2.  De lidstaten garanderen dat de opgeschorte administratieve procedure met betrekking tot een in de artikelen 3 en 6 vermelde douaneovertreding wordt stopgezet indien de in lid 1 van dit artikel vermelde strafrechtelijke procedure definitief is afgehandeld. In andere gevallen kan de opgeschorte administratieve procedure met betrekking tot een in de artikelen 3 en 6 vermelde douaneovertreding worden hervat.

Artikel 15

Jurisdictie

1.  De lidstaten garanderen dat zij jurisdictie uitoefenen over de in de artikelen 3 en 6 vermelde douaneovertredingen overeenkomstig de volgende criteria:

a)  de douaneovertreding is geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van deze lidstaat begaan;

b)  de persoon die de douaneovertreding heeft begaan, is een onderdaan van deze lidstaat;

c)  de goederen waarop de douaneovertreding betrekking heeft, bevinden zich op het grondgebied van deze lidstaat.

2.  De lidstaten garanderen dat in het geval dat meer dan één lidstaat de jurisdictie opeist voor dezelfde douaneovertreding, de lidstaat waarin een strafrechtprocedure tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten aanhangig is, de jurisdictie uitoefent. Indien de jurisdictie op grond van lid 1 niet kan worden vastgesteld, garanderen de lidstaten dat de lidstaat waarin de bevoegde autoriteit als eerste de procedure start met betrekking tot de douaneovertreding tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten, de jurisdictie uitoefent.

Artikel 16

Samenwerking tussen de lidstaten

De lidstaten werken samen en wisselen inlichtingen uit die nodig zijn voor de procedure met betrekking tot een handeling of nalatigheid die een in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde douaneovertreding vormt, in het bijzonder in het geval gevallen waarin meer dan een lidstaat een procedure is begonnen tegen dezelfde persoon in verband met dezelfde feiten. De samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten heeft als doel de doeltreffendheid van de controles van de douanegoederen te versterken en de procedures binnen de Unie te harmoniseren. [Am. 38]

De Commissie oefent toezicht uit op de samenwerking tussen de lidstaten om sleutelindicatoren inzake de doeltreffendheid van douanecontroles en -sancties vast te leggen, om beste praktijken te verspreiden en de opleiding van douaneambtenaren te coördineren. [Am. 39]

Artikel 17

Inbeslagneming

De lidstaten garanderen dat de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid hebben goederen, transportmiddelen of andere instrumenten tijdelijk in beslag te nemen die bij het plegen van de in de artikelen 3 tot en met 6 vermelde douaneovertredingen zijn gebruikt. Indien een lidstaat na het opleggen van een sanctie permanent beslag legt op de desbetreffende goederen, kan de lidstaat ervoor kiezen de goederen te vernietigen, hergebruiken of recyclen, al naargelang het geval. [Am. 40]

Artikel 18

Verslaglegging door de Commissie en toetsing

De Commissie dient uiterlijk op 1 mei 2019 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze richtlijn en de mate waarin de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen.

Uiterlijk op 31 december 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de andere elementen van de handhaving van de EU-douanewetgeving, zoals toezicht, controle en onderzoek, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel om deze richtlijn aan te vullen. [Am. 41]

Artikel 18 bis

Verslaglegging door de lidstaten

De lidstaten voorzien de Commissie van statistieken betreffende overtredingen en geven daarbij aan welke sancties zijn opgelegd als gevolg van deze overtredingen, teneinde de Commissie in staat te stellen de toepassing van deze richtlijn te beoordelen. Na de inwerkingtreding van deze richtlijn dienen deze gegevens elk jaar te worden verstrekt. De Commissie kan bij het herzien van deze richtlijn gebruikmaken van deze gegevens om de nationale sanctiesystemen onderling beter aan te passen. [Am. 42]

Artikel 19

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 mei 2017 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 21

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 57.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0400.
(3) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 57.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 5 juli 2017.
(5) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
(6)Richtlijn (EU) 2017/… van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de EU schaadt (PB L …).
(7)PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(8) Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).


Toename van het aantal besmettingen met hiv, tuberculose en HCV in Europa
PDF 196kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over de reactie van de EU op hiv/aids, tuberculose en hepatitis C (2017/2576(RSP))
P8_TA(2017)0301B8-0436/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG(1),

–  gezien het actieplan van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor de aanpak van hiv door de gezondheidssector in de Europese regio van de WHO, waarin aandacht wordt besteed aan de mondiale strategie voor de gezondheidssector inzake hiv voor de periode 2016-2021,

–  gezien het jaarlijks epidemiologisch verslag 2014 van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) over seksueel overdraagbare infecties, waaronder hiv en door bloed overgedragen virussen,

–  gezien het rapport van het ECDC over de prevalentie van hepatitis B en C in de EU/EER (2016),

–  gezien zijn schriftelijke verklaring over hepatitis C van 29 maart 2007(2),

–  gezien de richtsnoeren van het ECDC voor de bestrijding van tuberculose onder kwetsbare en moeilijk bereikbare bevolkingsgroepen,

–  gezien het actieplan van de WHO voor de Europese regio van de WHO ter bestrijding van tuberculose 2016-2020(3),

–  gezien de resultaten van de informele bijeenkomst van de Europese ministers van Volksgezondheid in Bratislava op 3-4 oktober 2016, waarop de lidstaten overeenstemming bereikten over steun voor de ontwikkeling van een geïntegreerd Europees beleidskader voor hiv, tuberculose en virale hepatitis,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016, getiteld "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst - Europese duurzaamheidsmaatregelen", waarin de economische, de maatschappelijke en de milieudimensie van duurzame ontwikkeling onder de aandacht worden gebracht, alsmede governance, zowel binnen de EU als in de rest van de wereld, en waarin de Commissie aangeeft een bijdrage te zullen leveren "door middel van toezicht op, verslaglegging over en evaluatie van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen in EU-verband" (COM(2016)0739),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van Riga inzake tuberculose en multiresistente tuberculose, afgelegd tijdens de eerste ministeriële conferentie van het oostelijk partnerschap die op 30-31 maart 2015 in Riga werd gehouden,

–  gezien de eerste mondiale strategie voor de gezondheidssector inzake virale hepatitis van de WHO voor 2016-2021, die in mei 2016 door de Wereldgezondheidsorganisatie is aangenomen, waarin de cruciale rol van universele gezondheidszorg wordt benadrukt en die als doelstellingen heeft om het aantal nieuwe gevallen van hepatitis met 90 % terug te dringen, het aantal sterfgevallen ten gevolge van virale hepatitis met 65 % terug te dringen, en uiteindelijk virale hepatitis als bedreiging voor de volksgezondheid volledig uit te bannen (in lijn met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling),

–  gezien het actieplan van de WHO voor de aanpak van virale hepatitis door de gezondheidssector in de Europese regio van de WHO, dat als overkoepelende doelstelling heeft virale hepatitis uiterlijk 2030 uit te bannen als bedreiging voor de volksgezondheid in de Europese regio, door de ziekte- en sterftecijfers in verband met virale hepatitis en de complicaties van die ziekte omlaag te brengen en door ervoor te zorgen dat iedereen billijke toegang heeft tot de aanbevolen preventieve maatregelen, tests, zorg en behandeling,

–  gezien het Europees actieplan inzake hiv/aids 2012-2015 van de WHO,

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over EU-opties voor een betere toegang tot geneesmiddelen(4), waarin de Commissie en de lidstaten wordt gevraagd een beleidsplan aan te nemen om de toegang tot levensreddende geneesmiddelen te verzekeren en wordt gepleit voor een gecoördineerd plan om hepatitis C in de EU uit te bannen, met gebruikmaking van instrumenten zoals gezamenlijke Europese aanbestedingen,

–  gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG) van de VN, in het bijzonder SDG 3, die onder andere betrekking heeft op het beëindigen van de hiv- en de tuberculose-epidemieën tegen 2030, en op het bestrijden van hepatitis,

–  gezien de verklaring van Berlijn over tuberculose getiteld "All Against Tuberculosis" (EUR/07/5061622/5, WHO European Ministerial Forum, 74415) van 22 oktober 2007,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de reactie van de EU op hiv/aids, tuberculose en hepatitis C (O-000045/2017 – B8‑0321/2017),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens het ECDC één op de zeven mensen met hiv niet op de hoogte is van zijn/haar serostatus en dat er naar schatting gemiddeld vier jaren verstrijken tussen de infectie met hiv en de diagnose; overwegende dat het hiv-overdrachtsrisico bij niet-gediagnosticeerde patiënten 3,5 maal hoger ligt dan bij personen die wel zijn gediagnosticeerd;

B.  overwegende dat de verklaring van Dublin inzake het partnerschap ter bestrijding van hiv/aids in Europa en Centraal-Azië belangrijk is geweest voor de vaststelling van een geharmoniseerd toezichtskader in de EU en de buurlanden, waardoor de vorderingen in de strijd tegen hiv kunnen worden gevolgd;

C.  overwegende dat er sterke bewijzen zijn dat het gebruik van profylaxe vóór blootstelling daadwerkelijk helpt om infectie te voorkomen en dat antiretrovirale behandelingen het risico op overdracht nagenoeg volledig elimineren, aangezien zij de virusbelasting reduceren tot een niet-detecteerbaar niveau(5);

D.  overwegende dat het aantal nieuwe hiv-infecties onder intraveneuze drugsgebruikers in de meeste landen van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte (EU/EER) blijft afnemen, maar dat een kwart van alle nieuwe gediagnosticeerde en gemelde hiv-gevallen in vier landen toe te schrijven was aan intraveneus drugsgebruik;

E.  overwegende dat nieuwe hiv-infecties als gevolg van besmetting van kinderen door hun ouders of via bloedtransfusie praktisch niet meer voorkomen in de EU/EER;

F.  overwegende dat tuberculose en multiresistente tuberculose ziekten zijn die via de lucht worden overgedragen en dus in een wereld die gekenmerkt wordt door mondialisering, met een steeds mobielere bevolking, grensoverschrijdende bedreigingen voor de gezondheid vormen;

G.  overwegende dat de epidemiologie van tuberculose in de EU/EER van land tot land verschilt, en onder meer afhangt van de maatregelen die het desbetreffende land neemt ter bestrijding van tuberculose;

H.  overwegende dat van de in totaal tien miljoen sterfgevallen die tussen nu en 2050 mogelijkerwijs zullen kunnen worden toegeschreven aan geneesmiddelenresistentie rond een kwart verband zal houden met geneesmiddelenresistente tbc-stammen, en dat de kosten daarvan voor de wereldeconomie ten minste op 16,7 miljard dollar zullen liggen en de kosten voor Europa ten minste op 1,1 miljard dollar;

I.  overwegende dat aandacht moet worden besteed aan co-infectie, met name met tuberculose en virale hepatitis B en C; overwegende dat tuberculose en virale hepatitis heel veel voorkomen, een sneller verloop kennen en een belangrijke oorzaak van ziekte en overlijden vormen onder seropositieve patiënten;

J.  overwegende dat er dringend behoefte is aan grensoverschrijdende en interdisciplinaire samenwerking bij de bestrijding van deze epidemieën;

K.  overwegende dat virale hepatitis mondiaal één van de grootste bedreigingen voor de volksgezondheid is en dat 240 miljoen mensen aan chronische hepatitis B lijden(6) en ongeveer 150 miljoen mensen aan chronische hepatitis C; overwegende dat in de Europese regio van de WHO naar schatting 13,3 mensen aan chronische hepatitis B lijden en ongeveer 15 miljoen mensen aan hepatitis C; voorts overwegende dat in de Europese regio van de WHO jaarlijks ongeveer 36 000 mensen overlijden aan hepatitis B en ongeveer 86 000 aan hepatitis C;

L.  overwegende dat de WHO heeft vastgesteld dat intraveneus druggebruik een belangrijke oorzaak van de hepatitis C-epidemie in de Europese regio is en dat de meeste nieuwe gevallen worden vastgesteld bij injecterende drugsgebruikers;

M.  overwegende dat, als gevolg van de over de hele linie stijgende nationale inkomensniveaus en de wijzigingen in de voorwaarden voor het in aanmerking komen voor financiering door externe donoren, de beschikbaarheid van financiële steun voor gezondheidsprogramma's in de Europese regio snel minder wordt; overwegende dat dit vooral de landen in Oost-Europa en Centraal-Azië treft, waar de prevalentie van hiv, tuberculose en hepatitis C het hoogst is, en dat het derhalve steeds moeilijker wordt deze ziekten daar doeltreffend te bestrijden; overwegende dat veel landen in de Europese regio van de WHO voor hun gezondheidsprogramma's – en in het bijzonder voor hun programma's voor de kwetsbare en zwaarst getroffen bevolkingsgroepen – nog steeds sterk afhankelijk zijn van externe financiering;

N.  overwegende dat het voor de Commissie moeilijk zal zijn om te controleren of er vooruitgang wordt geboekt bij de verwezenlijking van de SDG's met betrekking tot virale hepatitis, aangezien gegevens hierover in de lidstaten vaak ontbreken of onvolledig zijn;

O.  overwegende dat de aanpak van de bestrijding van virale hepatitis in de EU nog niet coherent is en dat sommige lidstaten helemaal geen nationaal plan hebben, terwijl andere lidstaten aanzienlijke financieringstoezeggingen hebben gedaan, strategieën hebben ingevoerd en nationale plannen hebben ontwikkeld om een omvattend antwoord te bieden op de problemen op het gebied van virale hepatitis;

P.  overwegende dat tussen de 130 en 150 miljoen mensen lijden aan chronische hepatitis C; overwegende dat er naar schatting jaarlijks 700 000 mensen overlijden aan leveraandoeningen ten gevolge van hepatitis C;

Q.  overwegende dat in 2014 in 28 lidstaten van de EU/EER 35 321 gevallen van hepatitis C werden gemeld, wat ruwweg overeenkomt met 8,8 gevallen per 100 000 inwoners(7);

R.  overwegende dat het aantal gediagnosticeerde en gemelde gevallen in alle EU/EER-lidstaten tussen 2006 en 2014 met 28,7 % is gestegen, en dat die stijging zich grotendeels voordeed na 2010(8);

S.  overwegende dat de interpretatie van de gegevens over hepatitis C uit verschillende landen gehinderd wordt door verschillen in de monitoringsystemen, testpraktijken en programma's en doordat een verschillend onderscheid gemaakt wordt tussen acute en chronische gevallen(9);

Een omvattend en geïntegreerd EU-beleidskader

1.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een omvattend EU-beleidskader voor de bestrijding van hiv/aids, tuberculose en virale hepatitis te ontwikkelen, en daarbij rekening te houden met de verschillende situaties en uitdagingen in de lidstaten en buurlanden waar de problemen op het gebied van hiv en multiresistente tuberculose het grootst zijn;

2.  verzoekt de lidstaten en de Commissie voldoende geld en middelen ter beschikking te stellen voor het verwezenlijken van SDG 3;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de samenwerking met gemeenschappen en kwetsbare groepen te versterken door in te zetten op multisectorale samenwerking, door middel van participatie van non-gouvernementele organisaties en het verstrekken van diensten aan getroffen bevolkingsgroepen;

4.  verzoekt de Commissie en de Raad een prominente politieke rol te spelen in de dialoog met de buurlanden in Oost-Europa en Centraal-Azië en erop toe zien dat voorbereidingen worden getroffen om over te stappen op duurzame binnenlandse financiering, zodat de programma's voor de bestrijding van virale hepatitis, hiv en tuberculose ook na stopzetting van de steun van de internationale donoren doeltreffend blijven en worden voortgezet en opgevoerd; verzoekt de Commissie en de Raad om nauw met die landen te blijven samenwerken om te bewerkstelligen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en zich sterk maken voor de bestrijding van virale hepatitis, hiv en tuberculose;

5.  verzoekt de Commissie om met de lidstaten en toekomstige voorzitterschappen van de Raad te bespreken of de verklaring van Dublin kan worden geactualiseerd, in die zin dat virale hepatitis en tuberculose daarin een zelfde plaats wordt toebedeeld als hiv;

Hiv/aids

6.  benadrukt dat hiv onverminderd de overdraagbare ziekte is waarop het grootste maatschappelijk stigma rust, en dat dit stigma een enorme invloed kan hebben op de kwaliteit van leven van personen met hiv; wijst erop dat er in 2015 in de 31 EU/EER-landen bijna 30 000 nieuwe gediagnosticeerde gevallen van hiv-infectie zijn gemeld, hetgeen inhoudt dat er geen sprake is van een algehele daling;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de toegang tot innovatieve behandelingen te vergemakkelijken, onder meer voor kwetsbare groepen, en iets te doen aan het maatschappelijk stigma dat op hiv rust;

8.  benadrukt dat in de landen van de EU/EER geslachtsgemeenschap nog altijd de belangrijkste wijze van overdracht van hiv is, gevolgd door intraveneus gebruik van verdovende middelen; wijst op de kwetsbaarheid van vrouwen en kinderen voor infectie;

9.  verzoekt de Commissie en de Raad niet alleen méér te investeren in onderzoek met het oog op de ontwikkeling van werkzame geneeswijzen en nieuwe instrumenten en innovatieve en patiëntgerichte benaderingen voor het bestrijden van deze ziekten, maar ook te garanderen dat deze instrumenten beschikbaar en betaalbaar zijn, en co-infecties – en met name van tuberculose en virale hepatitis B en C en de complicaties daarvan – doeltreffender aan te pakken;

10.  benadrukt dat preventie het belangrijkste instrument voor het bestrijden van hiv/aids blijft, maar stelt vast dat twee van de drie EU/EER-landen aangeven dat de financiële middelen voor preventie niet volstaan om het aantal nieuwe hiv-infecties omlaag te brengen;

11.  verzoekt de lidstaten, de Commissie en de Raad middels gemeenschappelijke acties en projecten in het kader van het EU-gezondheidsprogramma steun te blijven geven aan hiv-/aidspreventie en -koppeling aan zorg, en succesvolle volksgezondheidsmaatregelen voor de preventie van hiv, zoals alomvattende diensten ter reductie van de nadelige gevolgen voor drugsgebruikers, behandeling als preventie, condoomgebruik, pre-blootstellingsprofylaxe en goede voorlichting op het gebied van seksuele gezondheid, te bevorderen;

12.  verzoekt de lidstaten het aanbod van hiv-tests overeenkomstig de aanbevelingen van de WHO met name te richten op die groepen van de bevolking waar de prevalentie van hiv het grootste is;

13.  verzoekt de lidstaten effectief de strijd aan te binden met de seksueel overdraagbare infecties die het risico op besmetting met hiv vergroten;

14.  verzoekt de lidstaten kosteloos hiv-tests ter beschikbaar te stellen (met name voor kwetsbare groepen), ervoor te zorgen dat infecties in een vroeg stadium worden onderkend, en de rapportage van het aantal infecties te verbeteren, hetgeen belangrijk is met het oog op het bieden van passende voorlichting over en waarschuwingen voor de ziekte;

Tuberculose

15.  benadrukt dat de prevalentie van tuberculose in de Europese Unie tot de laagste in de wereld behoort; benadrukt evenwel dat ongeveer 95 % van alle sterfgevallen ten gevolge van tuberculose voorkomt in landen met een laag of een middeninkomen: beklemtoont verder dat in de Europese regio van de WHO, en met name in de landen van Oost-Europa en Centraal-Azië, multiresistente tuberculose veel voorkomt (ongeveer een kwart van het totale aantal gevallen in de hele wereld); stelt vast dat 15 van de 27 landen op de WHO-lijst met een grote prevalentie van multiresistente tuberculose zich in de Europese regio bevinden;

16.  wijst erop dat tuberculose de belangrijkste doodsoorzaak is onder mensen met hiv, en dat ongeveer een op de drie sterfgevallen van mensen met hiv te wijten is aan tuberculose(10); beklemtoont dat het aantal mensen met tuberculose in de wereld voor het derde achtereenvolgende jaar is gestegen (van 9 miljoen in 2013 naar 9,6 miljoen in 2014); wijst erop dat slechts één op de vier gevallen van multiresistente tuberculose wordt gediagnosticeerd, hetgeen duidt op belangrijke tekortkomingen bij detectie en diagnose;

17.  wijst erop dat antimicrobiële resistentie een steeds grotere medische uitdaging vormt bij de behandeling van infecties en ziektes zoals tuberculose;

18.  herinnert eraan dat onderbreking van de behandeling tot resistentie bijdraagt, de overdracht van tuberculose in de hand werkt, en negatieve gevolgen voor patiënten met zich meebrengt;

19.  beklemtoont dat de Commissie en de lidstaten, teneinde de preventie, detectie en ononderbroken behandeling van tuberculose te verbeteren, specifiek op deze ziekte gerichte programma's moeten ontwikkelen en financiële steun moeten toekennen om de samenwerking met gemeenschappen en kwetsbare groepen te versterken door middel van multisectorale samenwerking, met de participatie van non-gouvernementele organisaties, in het bijzonder in ontwikkelingslanden; beklemtoont daarnaast dat de financiële betrokkenheid van alle actoren bij de financiering van de behandeling van tuberculose cruciaal is om deze zorg op de langere termijn te waarborgen, aangezien de kosten van dergelijke behandelingen buitensporig hoog kunnen zijn;

20.  beklemtoont dat het belangrijk is de om zich heen grijpende antimicrobiële resistentie te bestrijden, onder meer door financiële middelen vrij te maken voor het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe vaccins, innovatieve en op de patiënt gerichte benaderingen, en de diagnosticering en behandeling van tuberculose;

21.  verzoekt de Commissie en de Raad zich er hard voor te maken dat het verband tussen antimicrobiële resistentie en multiresistente tuberculose tot uitdrukking komt in zowel de resultaten van de G20-top in juli 2017 in Duitsland, als in het nieuwe Actieplan inzake antimicrobiële resistentie van de EU, dat naar verwachting in 2017 zal worden gepresenteerd;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken bij het ontwikkelen van grensoverschrijdende maatregelen voor het voorkomen van de verspreiding van tuberculose, in concreto middels bilaterale afspraken tussen landen en gemeenschappelijke acties;

23.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten de regionale samenwerking met betrekking tot tuberculose en multiresistente tuberculose op het hoogste politieke niveau en sectoroverschrijdend te formaliseren en te versterken, en met de aankomende voorzitterschappen partnerschappen overeen te komen om dit werk voort te zetten;

Hepatitis C

24.  wijst erop dat in de Europese Unie besmetting met virale hepatitis meestal plaatsvindt door intraveneus drugsgebruik, door het gebruik van besmette naalden of het gebruik van niet-steriel materiaal; benadrukt dat er nog steeds bovengemiddeld veel gezondheidswerkers met hepatitis worden besmet ten gevolge van prikaccidenten; benadrukt dat het aanbieden van diensten ter reductie van de nadelige gevolgen, waaronder opiaatsubstitutietherapie en omruilprogramma’s voor naalden en spuiten, een essentiële strategie is om virale hepatitis te voorkomen, samen met maatregelen om stigmatisering en discriminatie aan te pakken; benadrukt dat anti-HBc- en HBsAg-tests in het kader van medische controles veelal niet voor vergoeding in aanmerking komen; beklemtoont dat de overdracht daarnaast ook (in zeldzame gevallen) geschiedt door geslachtsverkeer, bij gezondheids- en cosmetische zorg als gevolg van ontoereikende praktijken ter voorkoming van infecties, en perinataal (d.w.z. overdracht van moeder op kind);

25.  wijst erop dat meer dan 90 % van de patiënten na besmetting met de ziekte geen symptomen vertoont en dat de ziekte gewoonlijk bij toeval wordt ontdekt bij een analyse of wanneer ze symptomen begint te geven, waardoor er in 55-85 % van de gevallen chronische hepatitis optreedt, en dat het risico om binnen 20 jaar levercirrose te ontwikkelen in die gevallen 15-30 % bedraagt, en dat deze aandoening op haar beurt de belangrijkste oorzaak van hepatocarcinoom is;

26.  onderstreept dat in 75 % van de gevallen van hepatocarcinoom, patiënten een positieve hepatitis C-serologie vertonen;

27.  onderstreept dat er in de lidstaten geen uniform screeningprotocol bestaat voor hepatitis C en dat het aantal getroffen personen mogelijk wordt onderschat;

28.  onderstreept dat de WHO in april 2016 haar richtsnoeren voor de screening, zorg en behandeling van personen met chronische hepatitis C heeft bijgewerkt, als aanvulling op de bestaande richtsnoeren van de organisatie met betrekking tot het voorkomen van de overdracht van virussen zoals hepatitis C via het bloed; wijst erop dat die richtsnoeren essentiële aanbevelingen bevatten op deze gebieden en ook aanwijzingen bevatten omtrent de uitvoering;

29.  beklemtoont dat de infectie met hepatitis C kan worden genezen, met name indien voor een behandeling met een passende combinatie van antivirale geneesmiddelen wordt gekozen; wijst erop dat ongeveer 90 % van de mensen met hepatitis C die een antivirale behandeling ondergaan nu daadwerkelijk geneest; wijst erop dat virale hepatitis B kan worden voorkomen door vaccinatie en onder controle gehouden kan worden; wijst er echter tevens op dat minder dan 50 % van de mensen met chronische virale hepatitis pas tientallen jaren na de infectie een diagnose krijgt;

30.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor duurzame financiering voor nationale plannen ter uitbanning van virale hepatitis en om ook de structuurfondsen van de EU en andere beschikbare EU-financiering te benutten;

31.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om een EU-breed geharmoniseerd programma voor de monitoring van infecties in te voeren om uitbraken van virale hepatitis, tuberculose en hiv tijdig op te sporen, trends in de incidentie te beoordelen, geïnformeerde ramingen te maken van de lasten en de doorstroming van diagnose naar behandeling en zorg effectief in realtime te volgen, ook bij specifieke kwetsbare groepen;

32.  verzoekt de Commissie om de leiding te nemen in gesprekken met de lidstaten over hoe eerstelijnszorgverleners het beste kunnen worden toegerust (bijvoorbeeld via de opname van anti-HCV en HBsAg-tests in medische controles, anamnese, follow-uptests, doorverwijzingstrajecten), om zo het diagnosepercentage te verhogen en zorg te waarborgen die strookt met de richtsnoeren;

33.  betreurt dat er momenteel geen vaccin bestaat tegen hepatitis C en wijst erop dat primaire en secundaire preventie daarom van cruciaal belang zijn; onderstreept evenwel dat de ziekte vanwege de kenmerken van de infectie en het gebrek aan screeningprotocollen vaak moeilijk te bestrijden is;

34.  verzoekt de Commissie om onder leiding van het ECDC en in overleg met de lidstaten een multidisciplinair plan in werking te stellen waarin de protocollen voor screening, testen en behandeling worden geharmoniseerd met als doel hepatitis C tegen 2030 in de hele EU uit te bannen;

o
o   o

35.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de Wereldgezondheidsorganisatie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1.
(2) PB C 27 E van 31.1.2008, blz. 247.
(3) "http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0007/283804/65wd17e_Rev1_TBActionPlan_150588_withCover.pdf"
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0061.
(5) https://thinkprogress.org/massive-hiv-treatment-study-found-zero-transmissions-between-mixed-status-couples-73d4a497f77b
(6) http://www.euro.who.int/en/health-topics/communicable-diseases/hepatitis/data-and-statistics
(7) Jaarlijks epidemiologisch verslag – ECDC : http://ecdc.europa.eu/en/healthtopics/hepatitis_C/Documents/aer2016/AER-hepatitis-C.pdf
(8) Ibid.
(9) Ibid.
(10) Mondiaal tuberculoserapport 2015 van de WHO.


Begroting 2018 –- Mandaat voor de trialoog
PDF 386kWORD 60k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018 (2017/2043(BUD))
P8_TA(2017)0302A8-0249/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, goedgekeurd door de Commissie op 30 mei 2017 (COM(2017)0400),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2017 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2018, afdeling III – Commissie(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 februari 2017 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2018 (06522/2017),

–  gezien artikel 86 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8‑0249/2017),

Ontwerpbegroting 2018: resultaten behalen op het vlak van groei, banen en veiligheid

1.  brengt in herinnering dat het Parlement in zijn resolutie van 15 maart 2017 heeft bevestigd dat duurzame groei, fatsoenlijke, hoogwaardige en stabiele banen, sociaaleconomische cohesie, veiligheid, migratie en de klimaatverandering de voornaamste onderwerpen en prioriteiten zijn voor de EU-begroting 2018;

2.  is van mening dat het voorstel van de Commissie in het algemeen een goed uitgangspunt is voor de onderhandelingen die dit jaar worden gevoerd, aangezien de EU-begroting voor 2018 de EU in staat moet stellen voor duurzame groei en banen te blijven zorgen en tegelijk de veiligheid van haar inwoners te garanderen en de migratieproblemen aan te pakken; betreurt dat het voorstel van de Commissie niet volledig aansluit bij het verzoek van het Parlement om te voorzien in maatregelen om de klimaatverandering tegen te gaan;

3.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om de resultaten van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014‑2020 in de ontwerpbegroting op te nemen nog voordat deze officieel door de Raad is goedgekeurd, en zo een duidelijk signaal te geven omtrent het belang van deze herziening van het MFK en de noodzaak van meer flexibiliteit in de EU-begroting, waarmee de Unie efficiënt zou kunnen reageren op nieuwe noodgevallen en haar politieke prioriteiten doeltreffend zou kunnen financieren;

4.  herhaalt zijn vaste overtuiging dat het stimuleren van investeringen in onderzoek, innovatie, infrastructuur, onderwijs en kmo's essentieel is om duurzame groei en nieuwe, stabiele en hoogwaardige werkgelegenheid te creëren in de EU; verheugt zich in dit verband over de voorgestelde versterkingen van Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF: Connecting Europe Facility) en Erasmus+, aangezien deze programma's rechtstreeks zullen bijdragen tot het verwezenlijken van de gestelde doelen; is echter van mening dat verdere versterkingen noodzakelijk zullen zijn, met name gezien de bezuinigingen op de financiering van deze beleidslijnen, die ten goede komen aan de EFSI-financiering;

5.  herinnert aan de sleutelrol die kmo's spelen op het gebied van nieuwe werkgelegenheid en het verkleinen van de investeringskloof, en benadrukt dat de passende financiering van kmo's een van de belangrijkste prioriteiten van de EU-begroting moet blijven vormen; betreurt in dit opzicht dat de voorgestelde toewijzing van middelen aan COSME 2,9 % lager is dan in de begroting 2017 en is voornemens het programma verder te versterken in de begroting 2018; wijst op de noodzaak van verdere ondersteuning van kmo's, en roept op tot de volledige naleving van de financiële verplichtingen van het programma in het kader van het resterende deel van de huidige MFK-periode; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om de financiering van kmo's te stroomlijnen binnen Horizon 2020;

6.  looft de rol van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) bij het dichten van de investeringskloof in de EU en tussen de EU-regio's onderling, en bij het helpen bij de uitvoering van strategische investeringen met een hoge economische, milieugerelateerde en maatschappelijke toegevoegde waarde; is daarom voorstander van de verlenging van het EFSI tot 2020; wijst op het hoge tempo waarin gebruik is gemaakt van middelen in het kader van het venster kmo's van het EFSI en is verheugd over de voorgenomen schaalvergroting; betreurt het ontbreken van een holistische benadering van kmo-financiering op basis waarvan een duidelijk overzicht van alle beschikbare middelen zou kunnen worden verkregen; onderstreept zijn standpunt in de lopende wetgevingsonderhandelingen, volgens welke de middelen voor de bestaande EU-programma's niet opnieuw mogen worden verlaagd om deze verlenging te financieren; is van mening dat het EFSI, met een garantiefonds dat grotendeels wordt gefinancierd vanuit de EU-begroting, niet mag worden ingezet ter ondersteuning van entiteiten die zijn opgericht of een rechtspersoonlijkheid hebben in rechtsgebieden die zijn opgenomen in de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden of waar de Europese of internationale belastingnormen inzake transparantie en uitwisseling van informatie niet worden nageleefd;

7.  neemt kennis van en is ingenomen met de EU-initiatieven op het vlak van defensieonderzoek en ontwikkeling en verwerving van technologie, die zullen bijdragen tot schaalvoordelen in de sector en tot meer coördinatie tussen de lidstaten, en, mits op de juiste manier ontwikkeld, tot rationelere defensie-uitgaven en besparingen op nationaal niveau; benadrukt voorts dat het concurrentie- en innovatievermogen van de Europese defensie-industrie moet worden vergroot; verwijst naar zijn eerdere standpunt dat nieuwe initiatieven op dit gebied met bijkomende middelen moeten worden gefinancierd en niet ten koste mogen gaan van bestaande programma's, waaronder de CEF;

8.  constateert dat de Commissie niet is ingegaan op het verzoek van het Parlement om een beoordeling uit te voeren van en aangepaste voorstellen te doen voor een "Interrailpas voor Europa op de achttiende verjaardag"; is van mening dat dergelijke voorstellen het Europese bewustzijn en de Europese identiteit kunnen versterken; benadrukt evenwel dat nieuwe projecten moeten worden gefinancierd met nieuwe financiële middelen, zonder dat dit gevolgen heeft voor bestaande programma's, en dat nieuwe projecten zo sociaal inclusief mogelijk moeten zijn; dringt bij de Commissie nogmaals aan op gepaste voorstellen hieromtrent;

9.  is verheugd dat in de ontwerpbegroting 2018 bijkomende middelen worden toegekend aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), waarmee gehoor wordt gegeven aan eerdere oproepen van het Parlement om dit programma voort te zetten; neemt tegelijk kennis van het voorstel voor het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, waarin aan het YEI 500 miljoen EUR aan vastleggingen wordt toegekend, zoals overeengekomen door het Parlement en de Raad tijdens het begrotingsoverleg 2017; is ervan overtuigd dat de voorgestelde bedragen verre van voldoende zijn om de doelstellingen van het YEI te verwezenlijken en is van mening dat het YEI, om de jongerenwerkloosheid doeltreffend aan te pakken, zal moeten blijven bijdragen tot de prioritaire doelstelling van de Unie inzake groei en werkgelegenheid; benadrukt dat de jongerenwerkloosheid in de Unie doeltreffend moet worden aangepakt en beklemtoont dat het YEI verder kan worden verbeterd en efficiënter kan worden gemaakt, onder meer door ervoor te zorgen dat het initiatief daadwerkelijke Europese toegevoegde waarde oplevert ten aanzien van het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren in de lidstaten en niet wordt ingezet ter vervanging van voormalig nationaal beleid;

10.  brengt in herinnering dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling en groei van de EU; benadrukt dat de cohesiebeleidsprogramma's in 2018 naar verwachting een inhaalslag zullen maken en op kruissnelheid zullen komen; benadrukt dat het Parlement vast voornemens is om voor gepaste kredieten te zorgen voor deze programma's die deel uitmaken van het kernbeleid van de EU; maakt zich evenwel zorgen over de onaanvaardbare vertraging bij de tenuitvoerlegging van operationele programma's op nationaal niveau; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de aanwijzing van autoriteiten voor beheer, controle en certificering wordt afgerond en dat de tenuitvoerlegging wordt versneld; erkent dat de langdurige onderhandelingen over de rechtsgronden ertoe hebben geleid dat de betrokken EU-instellingen mede verantwoordelijk zijn voor de lage uitvoeringsgraad; merkt op dat enkele lidstaten cohesiefondsen beschouwen als een instrument waarmee de solidariteit in alle beleidsmaatregelen van de Unie kan worden gewaarborgd;

11.  is met name bezorgd over een mogelijke nieuwe ophoping van onbetaalde rekeningen aan het eind van de huidige MFK-periode en wijst erop dat de achterstallige betalingen eind 2014 waren opgelopen tot een ongekend bedrag van 24,7 miljard EUR; is ingenomen met het feit dat de Commissie, ter gelegenheid van de tussentijdse herziening van het MFK, voor het eerst in een prognose tot 2020 heeft voorzien, maar benadrukt dat die elk jaar naar behoren moet worden bijgewerkt om de begrotingsautoriteit de mogelijkheid te geven de noodzakelijke maatregelen tijdig te treffen; waarschuwt voor de nadelige gevolgen die een nieuwe betalingscrisis zou hebben, met name voor begunstigden van de EU-begroting; is ervan overtuigd dat de geloofwaardigheid van de EU voor een deel afhangt van haar capaciteit om voor een niveau van betalingskredieten in de EU-begroting te zorgen dat hoog genoeg is om haar verbintenissen na te kunnen komen; wijst op de schadelijke gevolgen die late betalingen hebben voor de private sector, en met name voor kmo's die overeenkomsten hebben met overheidsinstellingen;

12.  benadrukt hoe belangrijk het is om uitvoering te geven aan de toezegging van de EU tot verwezenlijking van de doelstellingen van COP21, met name in het licht van het recente besluit van de Amerikaanse overheid om zich uit de overeenkomst terug te trekken; onderstreept in dit verband dat de kans groot is dat de doelstelling om ten minste 20 % van de EU-begroting in het kader van het MFK 2014-2020 te bestemmen voor klimaatgerelateerde maatregelen, niet zal worden gehaald; stelt bezorgd vast dat de begroting voor biodiversiteit met slechts 0,1 % is gestegen; wijst op het belang dat in de EU-begroting moet worden gehecht aan de bescherming van de biodiversiteit, en herhaalt zijn eerdere oproep tot een traceringssysteem waarin rekening wordt gehouden met alle aan biodiversiteit gerelateerde uitgaven en de doeltreffendheid hiervan; benadrukt bovendien dat door de EU gefinancierde projecten geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de mitigatie van de klimaatverandering of voor de overgang naar een circulaire, koolstofarme economie;

13.  onderstreept dat de ongekende toevlucht tot bijzondere instrumenten bewijst dat de EU‑begroting oorspronkelijk niet berekend was op vraagstukken zoals de huidige migratie- en vluchtelingencrisis; meent dat het voorbarig is om over te schakelen op een post-crisisbenadering; is derhalve gekant tegen de voorgestelde verlagingen in rubriek 3 ten opzichte van de begroting 2017, die niet in overeenstemming zijn met de verbintenis van de EU om de migratie- en vluchtelingencrisis op doeltreffende wijze het hoofd te bieden; benadrukt echter dat een eerste reactie op een dringende en niet eerder voorgekomen situatie, gevolgd moet worden door een meer systematische en proactieve aanpak met effectieve gebruikmaking van de EU-begroting; herhaalt dat de beveiliging en veiligheid van burgers een prioriteit is van de EU;

14.  herhaalt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratie- en vluchtelingencrisis in combinatie met de stabilisering van de toestand in de buurlanden van de EU een langetermijnoplossing betreft en dat investeringen in de landen van oorsprong van migranten en vluchtelingen hiertoe essentieel zijn; is in dit opzicht ingenomen met het plan voor externe investeringen (EIP) en met de overeenstemming die de instellingen bereikt hebben over het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), en wenst dat het fonds op korte termijn ten uitvoer wordt gelegd; is dan ook verrast over de verlagingen in rubriek 4, die niet geheel kunnen worden gerechtvaardigd door begrotingsverhogingen uit het verleden of een lage uitvoeringsgraad; herhaalt dat het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking heeft op kwesties als armoede, werkloosheid, onderwijs en economische kansen, alsook op instabiliteit, conflicten en de klimaatverandering;

15.  is ingenomen met de voorgestelde verhoging voor de oostelijke component van het instrument voor het Europees nabuurschapsbeleid, waarmee gehoor wordt gegeven aan eerdere verzoeken van het Parlement; is van mening dat de steun van de EU, met name in landen die associatieovereenkomsten hebben ondertekend, van cruciaal belang is om de economische integratie en convergentie met de EU te bevorderen, evenals de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten in de oostelijke buurlanden van de EU; benadrukt dat dergelijke steun van toepassing moet zijn zolang de betrokken landen aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, met name met betrekking tot de rechtsstaat, de bestrijding van corruptie en de versterking van de democratische instellingen;

16.  onderstreept het belang van het solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) dat is opgezet om de EU in staat te stellen te reageren op grote natuurrampen en solidariteit te betonen met de rampgebieden in Europa, en neemt kennis van de voorgenomen vastleggings- en betalingskredieten voor het SFEU; verzoekt de Commissie zonder verdere vertraging te beoordelen of een aanvullende verhoging nodig is, met name rekening houdend met de aardbevingen in Italië en de branden in Spanje en Portugal, waar een tragisch verlies van mensenlevens heeft plaatsgehad en die een dramatische en grote impact hebben gehad op de bevolking in buitengewoon achtergestelde regio's; roept op tot het aanpassen van de regels met betrekking tot de toewijzing van middelen uit dit fonds voor een flexibelere en snellere inzet van deze middelen ten behoeve van een ruim scala van rampen met grote gevolgen teneinde de tijd tussen de ramp en de beschikbaarheid van de middelen in te korten;

17.  merkt op dat in de rubrieken 1, 3 en 4 van de ontwerpbegroting 2018 bijzonder weinig of zelfs geen enkele marge beschikbaar is onder de MFK-maxima; beschouwt dit als een gevolg van de belangrijke nieuwe initiatieven die sinds 2014 zijn genomen (het EFSI, migratiegerelateerde voorstellen, en recentelijk defensieonderzoek en het Europees Solidariteitskorps) en die zijn ingepast binnen de in 2013 overeengekomen MFK-maxima; brengt in herinnering dat het MFK, met name na de tussentijdse herziening ervan, voorziet in bepalingen – weliswaar beperkt – voor flexibiliteit, die zo veel mogelijk moeten worden benut om het ambitieniveau van succesvolle programma's te handhaven en nieuwe en onvoorziene uitdagingen het hoofd te bieden; geeft uiting aan het voornemen van het Parlement om deze flexibiliteitsbepalingen te blijven gebruiken tijdens de amenderingsprocedure; verzoekt nogmaals om de invoering van een systeem van nieuwe echte en eigen middelen in de EU-begroting;

18.  wijst in dit verband op de talrijke verwijzingen in de ontwerpbegroting naar de noodzaak van een nota van wijzigingen die het standpunt van het Parlement in de begrotingsprocedure deels kan vervangen; stelt vast dat de Commissie heeft aangekondigd dat eventuele nieuwe initiatieven op het vlak van veiligheid en migratie en een mogelijke uitbreiding van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT) kunnen worden voorgesteld in de vorm van een nota van wijzigingen, en betreurt dat zij deze voorstellen niet meteen in de ontwerpbegroting heeft opgenomen; vraagt de Commissie met klem om tijdig details over deze verwachte voorstellen te verstrekken, zodat de begrotingsautoriteit ze naar behoren kan bestuderen; benadrukt dat deze eventuele voorstellen de in de context van deze begrotingsprocedure door het Parlement gedane verzoeken en amendementen niet buiten beschouwing mogen laten en zeker niet mogen vervangen;

19.  herhaalt zijn steun voor de tenuitvoerlegging van de "resultaatgerichte EU-begroting" van de Commissie en dringt aan op aanhoudende verbetering van de kwaliteit en aanlevering van prestatiegegevens teneinde nauwkeurige, duidelijke en begrijpelijke informatie te verkrijgen inzake de resultaten van de EU-programma's;

Subrubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

20.  merkt op dat het voorstel van de Commissie voor 2018 in vergelijking met 2017 overeenkomt met een verhoging van de vastleggingskredieten onder rubriek 1a met 2,5 %, naar 21 841,3 miljoen EUR; is verheugd dat een groot deel van deze verhoging betrekking heeft op Horizon 2020, de CEF en Erasmus+, waarvoor de vastleggingskredieten namelijk met respectievelijk 7,3 %, 8,7 % en 9,5 % worden verhoogd, maar stelt vast dat de bedragen in kwestie toch nog enigszins lager liggen dan de financiële programmering van Horizon 2020, de CEF en Erasmus+; wijst in het bijzonder op de zeer lage succespercentages waar het aanvragen voor Horizon 2020 betreft;

21.  toont zich evenwel verbaasd over de verlaging van de vastleggings- en betalingskredieten voor COSME met respectievelijk 2,9 % en 31,3 %, hoewel steun aan kmo's als één van de topprioriteiten van de EU wordt beschouwd;

22.  herhaalt, voor wat de verlenging van het EFSI betreft, dat het Parlement gekant is tegen verdere besparingen op de CEF, en is van mening dat de aan de EU-garantie toegewezen aanvullende 1,1 miljard EUR uitsluitend afkomstig mag zijn uit niet-toegewezen marges (voor een bedrag van 650 miljoen EUR) en verwachte positieve netto-inkomsten (voor een bedrag van 450 miljoen EUR); wijst erop dat de enveloppe voor de CEF (onderdeel ICT) ook de middelen voor het nieuwe initiatief Wifi4EU omvat; wijst erop dat de CEF-begroting een hoge mate van structurele overintekening kent als gevolg van onvoldoende kredieten, met name ten aanzien van het onderdeel infrastructuur;

23.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europees Solidariteitskorps (ESK); stelt evenwel bezorgd vast dat in het op 30 mei 2017 goedgekeurde wetgevingsvoorstel ondanks de waarschuwingen van het Parlement wordt overwogen om drie vierde van de begroting van het ESK te financieren met middelen uit bestaande programma's, voornamelijk Erasmus+ (197,7 miljoen EUR); vreest dat dit negatieve gevolgen zal hebben voor de EU-programma's in kwestie en is voornemens Erasmus+ verder te versterken in de begroting voor 2018; herhaalt dat eventuele nieuwe politieke toezeggingen gefinancierd moeten worden uit nieuwe kredieten en niet door middel van de herschikking van bestaande programma's;

24.  is ingenomen met de voorgestelde uitbreiding van de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek en met het door de Commissie gepresenteerde wetgevingsvoorstel voor een ontwikkelingsprogramma voor de defensie-industrie;

Subrubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

25.  stelt vast dat de totale vastleggingskredieten voor subrubriek 1b 55 407,9 miljoen EUR bedragen (als het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3 wordt meegerekend), wat neerkomt op een verhoging van 2,4 % in vergelijking met de begroting voor 2017;

26.  stelt vast dat het voorgestelde bedrag van 46 763,5 miljoen EUR aan betalingskredieten 25,7 % hoger is dan in 2017, wat vooral te wijten is aan de daling die in 2017 heeft plaatsgevonden als gevolg van de vertraging bij het daadwerkelijke lanceren van de nieuwe operationele programma's; wijst erop dat onjuiste ramingen van de lidstaten in 2016 tot een aanzienlijke onderbenutting van de betalingskredieten in subrubriek 1b hebben geleid, in een grootteorde van ruim 11 miljard EUR, en stelt vast dat de voorgestelde niveaus voor 2018 sinds de vorige ramingen al met 1,6 miljard EUR naar beneden zijn bijgesteld;

27.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de programma's 2014-2020 op kruissnelheid moet komen en is er stellig van overtuigd dat een "abnormale" ophoping van onbetaalde rekeningen in de toekomst moet worden voorkomen; doet in dit verband een beroep op de Commissie en de lidstaten om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor hangende kwesties die verband houden met de vertraagde aanwijzing van nationale autoriteiten voor beheer en certificering, alsook voor andere knelpunten inzake de indiening van betalingsaanvragen; hoopt ten zeerste dat zowel de nationale autoriteiten als de Commissie hun ramingen voor de betalingsbehoeften in de begroting 2018 hebben verbeterd en dat het voorgestelde niveau van de betalingskredieten volledig ten uitvoer zal worden gelegd; erkent dat de huidige lage uitvoeringsgraad mede te wijten is aan de lange duur van de door de EU-instellingen gevoerde onderhandelingen over de rechtsgronden;

28.  verheugt zich over het voorstel van de Commissie om het YEI te blijven financieren en neemt kennis van de voorgestelde beschikbaarstelling van 233,3 miljoen EUR uit de overkoepelende marge voor vastleggingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten gevolg te geven aan de aanwijzingen in het recente verslag van de Europese Rekenkamer; herinnert eraan dat elke verhoging in de specifieke toewijzing voor het YEI aan het overeenstemmende bedrag uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) moet worden gekoppeld; is voornemens alle mogelijkheden te onderzoeken om in de begroting voor 2018 meer middelen toe te kennen aan dit programma;

29.  benadrukt het belang van het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en dringt erop aan dat er in de begroting 2018 voldoende middelen worden uitgetrokken om adequaat te kunnen voldoen aan de behoeften van de doelgroepen en aan de doelstellingen van het Fonds;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

30.  neemt kennis van de voorgestelde 59 553,5 miljoen EUR aan vastleggingen (+1,7 % in vergelijking met 2017) en 56 359,8 miljoen EUR aan betalingen (+2,6 %) voor rubriek 2, met als resultaat een marge van 713,5 miljoen EUR onder het maximum voor vastleggingen; stelt vast dat de kredietverhoging ter financiering van de behoeften van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) voor 2018 (+2,1 %) vooral het gevolg is van een aanzienlijk lager bedrag aan bestemmingsontvangsten dat naar verwachting in 2018 beschikbaar zal zijn;

31.  merkt op dat de Commissie een marge van 713,5 miljoen EUR heeft voorzien onder de maxima voor rubriek 2; wijst erop dat deze marge gezien de toegenomen volatiliteit van de landbouwmarkten misschien zal moeten worden aangesproken, zoals is gebeurd ten tijde van de crisis in de zuivelsector; vraagt de Commissie zich ervan te vergewissen dat de onder de maxima voorziene marge volstaat om eventuele crisissen het hoofd te bieden;

32.  neemt kennis van de verlenging van buitengewone steunmaatregelen voor bepaalde soorten fruit waarvoor de marktsituatie moeilijk blijft; betreurt echter dat de Commissie geen maatregelen ter ondersteuning van de veeteeltsector heeft voorgesteld, in het bijzonder in de zuivelsector, in verband met het Russische verbod op de invoer van producten uit de EU en verwacht in dit opzicht derhalve een koerswijziging; verwacht dan ook dat als de marge in rubriek 2 wordt aangesproken een deel hiervan wordt toegewezen aan melkveehouders in de landen die het meest te lijden hebben onder het Russische embargo; kijkt uit naar de nota van wijzigingen van de Commissie, die in oktober 2017 wordt verwacht en moet gebaseerd zijn op geactualiseerde informatie over financiering uit het ELGF ter identificatie van de werkelijke behoeften in de landbouwsector, rekening houdend met de gevolgen van het Russische embargo en andere vormen van marktvolatiliteit;

33.  is ingenomen met de verhoging van de vastleggingen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) (+2,4 %) van het LIFE+-programma (+5,9 %), overeenkomstig de financiële programmering, maar betreurt dat de aanzienlijk verlaagde betalingskredieten erop lijken te wijzen dat beide programma's in de periode 2014-2020 nog altijd maar traag op gang komen;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

34.  neemt kennis van het voorgestelde bedrag van 3,4731 miljard EUR aan vastleggingskredieten voor rubriek 3; benadrukt de noodzaak van gemeenschappelijke, veelomvattende en duurzame oplossingen voor de migratie- en vluchtelingensituatie en de daarmee samenhangende uitdagingen;

35.  is dan ook ingenomen met het voorstel van de Commissie om een aanvullend bedrag van 800 miljoen EUR uit te trekken om veiligheidskwesties aan te pakken, met name naar aanleiding van de reeks terroristische aanslagen in de EU;

36.  is van mening dat het belang en de dringendheid van deze kwesties niet in verhouding is met de aanzienlijke voor rubriek 3 voorgestelde verlagingen van de vastleggings- en betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2017 (respectievelijk -18,9 % en -21,7 %), in het bijzonder wat betreft het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het programma Justitie; vraagt dat er voor deze fondsen adequate begrotingsmiddelen worden uitgetrokken; is van mening dat deze verlagingen niet kunnen worden gerechtvaardigd door de vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de overeengekomen maatregelen en de vaststelling van de nieuwe wetgevingsvoorstellen; vraagt de Commissie daarom ervoor te zorgen dat er voldoende begrotingsmiddelen worden uitgetrokken en dat eventuele extra behoeften snel in aanmerking worden genomen;

37.  betreurt dat er nog geen doeltreffend systeem is voor de herverdeling van migranten, ten gevolge waarvan bepaalde lidstaten, met name Italië en Griekenland, onevenredig zwaar belast worden; wijst erop dat het aantal vluchtelingen en migranten dat in 2016 in de EU arriveerde 361 678 bedroeg, en dat 181 405 daarvan in Italië aankwamen en 173 447 in Griekenland, en dat Italië 85% van alle vluchtelingen en migranten die tot nu toe in 2017 zijn aangekomen heeft ontvangen; betreurt dat Italië tot nu toe slechts 147,6 miljoen EUR uit het AMIF heeft ontvangen, waarmee slechts 3 % van de totale uitgaven van het land in verband met de migratiecrisis wordt gedekt;

38.  is er voorts van overtuigd dat de samenwerking tussen de lidstaten in veiligheidsgerelateerde kwesties middels meer steun uit de EU-begroting nog kan worden verbeterd; vraagt zich af hoe deze doelstelling kan worden bereikt als de middelen voor de betreffende begrotingslijnen van het ISF aanzienlijk lager zijn dan in 2017; benadrukt dat de nodige middelen moeten worden vrijgemaakt voor de invoering van de voorgestelde nieuwe informatie- en grenssystemen, zoals het Europese Systeem voor reisinformatie en ‑autorisatie (Etias) en het inreis- en uitreissysteem;

39.  meent dat 2018 een spiljaar wordt voor de totstandkoming van de Europese migratieagenda, waarvan verscheidene essentiële onderdelen momenteel worden uitgewerkt; benadrukt dat de begrotingsimpact van een aantal op tafel liggende wetgevingsvoorstellen, zoals de hervorming van het gemeenschappelijk asielstelsel van Dublin, het nieuwe inreis- en uitreissysteem en het Etias-systeem, alsook de mogelijke vertraagde goedkeuring van deze voorstellen, zorgvuldig moeten worden onderzocht; benadrukt hoe belangrijk het is adequate financiering uit te trekken om de ambitie van de Unie in dit verband waar te maken en snel een doeltreffend Europees asiel- en migratiebeleid in te voeren, met volledige inachtneming van het internationaal recht en op basis van solidariteit tussen de lidstaten;

40.  wijst erop dat in het voorstel van de Commissie voor het derde opeenvolgende jaar in geen enkele marge is voorzien onder het maximum voor rubriek 3, hetgeen aantoont dat de omvang van de kleinste MFK-rubriek niet meer aan de realiteit beantwoordt, zoals het Parlement bij de tussentijdse herziening van het MFK aanvoerde; verheugt zich in deze context over het voorstel van de Commissie om een bedrag van 817 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar te stellen uit het flexibiliteitsinstrument, wat alleen mogelijk is dankzij de aanvullende flexibiliteit waarin met de herziene MFK-verordening wordt voorzien; wijst erop dat het uitgavenniveau nog altijd ontoereikend is en betreurt dat de Commissie een eventueel nieuw voorstel heeft uitgesteld tot een toekomstige nota van wijzigingen;

41.  herinnert eraan dat het Parlement cultuur- en mediaprogramma's altijd sterk heeft gesteund; is ingenomen met de voorgestelde verhogingen in vergelijking met de begroting 2017 voor het programma Creatief Europa, inclusief het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed onder "Multimedia-acties"; dringt voorts aan op voldoende financiering voor het programma "Europa voor de burger"; verzoekt de Commissie initiatieven in het kader van de begrotingslijn "multimedia-acties" aan een beoordeling te onderwerpen om ervoor te zorgen dat de begroting daadwerkelijk een kwalitatief hoogwaardige en onafhankelijke berichtgeving over de EU ten goede komt; spreekt nogmaals zijn steun uit voor een duurzame meerjarige financieringsregeling voor Euranet+; waardeert tevens de verhoging van de vastleggingskredieten voor het programma Levensmiddelen en diervoeders en het Consumentenprogramma ten opzichte van de begroting 2017; benadrukt tot slot het belang van een solide Gezondheidsprogramma en een passend budget ten behoeve van Europese samenwerking op gezondheidsgebied, met inbegrip van aspecten als nieuwe innovaties in de gezondheidszorg, ongelijkheid op gezondheidsniveau, het hoge aantal chronisch zieken, antimicrobiële resistentie, grensoverschrijdende gezondheidszorg en toegang tot gezondheidszorg;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

42.  betreurt de algemene verlaging van de financiering voor rubriek 4 ten bedrage van 9,6 miljard EUR aan vastleggingskredieten (-5,6 % in vergelijking met de begroting 2017); stelt vast dat de verlagingen in de belangrijkste instrumenten in rubriek 4 grotendeels verband houden met in de begroting 2017 goedgekeurde verhogingen voor de FRT en het nieuwe partnerschapskader in het kader van de Europese migratieagenda;

43.  is van mening dat de omvang van de besparingen voor het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), in het bijzonder de zuidelijke component daarvan, niet gerechtvaardigd is in het licht van het op langere termijn noodzakelijke EU-optreden inzake migratie, dat verder gaat dan de migratieakkoorden uit hoofde van het partnerschapskader en de inspanningen van de EU op het vlak van internationale ontwikkeling; vraagt in dit verband dat er meer financiële middelen worden uitgetrokken voor het vredesproces en financiële bijstand aan Palestina en de UNRWA; herinnert eraan hoe belangrijk het is voldoende middelen uit te trekken voor de zuidelijke buurlanden van de EU, aangezien stabiliteit in het Midden-Oosten van cruciaal belang is voor het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie;

44.  is niettemin ingenomen met de voorgestelde verhogingen voor de oostelijke component van het ENI, die zullen bijdragen tot de ondersteuning van democratische hervormingen en economische integratie met de EU, met name in de landen die associatieovereenkomsten met de EU hebben gesloten;

45.  neemt nota van de verhoogde steun voor politieke hervormingen in Turkije (IPA II), in het bijzonder in de context van de achteruitgang op het vlak van de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en de grondrechten in het land; vraagt dat de Commissie de pretoetredingssteun op te schorten indien de toetredingsonderhandelingen worden opgeschort, en dat die middelen in dat geval worden gebruikt om het maatschappelijk middenveld in Turkije rechtstreeks te steunen en meer te investeren in uitwisselingsprogramma's voor studenten, academici en journalisten, zoals Erasmus+; verwacht dat er voldoende financiële middelen worden vrijgemaakt voor IPA-begunstigden in de Westelijke Balkan, waar dringend financiële ondersteuning voor hervormingen nodig is;

46.  is, gezien het belang van hoger onderwijs voor de hervormingsprocessen in partnerlanden, van mening dat mobiliteit van studenten en academische samenwerking tussen de EU en haar buurlanden aanhoudend gesteund moet worden; betreurt derhalve de verlaging van de kredieten voor technische en financiële bijstand in het kader van de drie externe financiële instrumenten (IPA, ENI en DCI) ter bevordering van de internationale dimensie van het hoger onderwijs bij de uitvoering van het programma Erasmus+;

47.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om te voorzien in een marge van 232 miljoen EUR onder het maximum; is ervan overtuigd dat de uitdagingen waarmee de EU in haar buitenlands optreden wordt geconfronteerd, langdurige financiering noodzakelijk maken, op een niveau dat de huidige omvang van rubriek 4 overschrijdt; brengt in herinnering dat de marge voor onvoorziene uitgaven in de begroting 2017 is gebruikt om financiering boven het maximum mogelijk te maken; blijft erbij dat nieuwe initiatieven met nieuwe kredieten moeten worden gefinancierd en dat alle mogelijkheden voor flexibiliteit binnen de in het kader van de MFK-herziening vastgelegde grenzen ten volle moeten worden gebruikt;

48.  vraagt de Commissie, die herhaaldelijk verwijst naar een mogelijke verlenging van de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, een echt voorstel voor de verlenging ervan voor te leggen indien zij van plan is dit te doen; herhaalt dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verbonden ervoor te zorgen dat de oprichting van de FRT en van de trustfondsen op transparante en duidelijke wijze gebeurt en in overeenstemming is met het beginsel van eenheid van de begroting van de Unie, met inachtneming van de prerogatieven van de begrotingsautoriteit, met inbegrip van parlementaire controle; roept de lidstaten nogmaals met klem op hun verbintenissen ten aanzien van de financiering van de FRT en de trustfondsen tijdig na te komen;

49.  sluit zich onvoorwaardelijk aan bij de toezeggingen die de EU tijdens de conferentie over Syrië in Brussel heeft gedaan, die een bevestiging vormen van haar eerdere toezeggingen in Londen; stemt in met de versterking van het ENI en van de humanitaire hulpverlening met telkens 120 miljoen EUR om deze toezeggingen te kunnen nakomen;

Rubriek 5 – Administratie

50.  stelt vast dat de uitgaven van rubriek 5 ten opzichte van de begroting 2017 met 3,1 % zijn verhoogd, tot 9,6824 miljard EUR (+ 287,9 miljoen EUR); stelt vast dat ruim een derde van deze nominale stijging het gevolg is van aanvullende kredieten voor pensioenen (+108,5 miljoen EUR); stelt vast dat de aanvullende kredieten grotendeels overeenstemmen met een verwachte toename van het aantal gepensioneerden (+4,2 %); neemt er nota van dat het aantal gepensioneerden de komende jaren naar verwachting verder zal stijgen; neemt kennis van de rigoureuze benadering van de administratieve uitgaven en de nominale bevriezing van alle niet-salarisgerelateerde uitgaven;

51.  stelt vast dat de feitelijke marge, na verrekening van 570 miljoen EUR voor het gebruik in 2017 van de marge voor onvoorziene uitgaven voor rubriek 3, 93,6 miljoen EUR onder het maximum bedraagt; onderstreept dat het aandeel van rubriek 5 in de EU‑begroting als gevolg van de pensioenlast licht is gestegen, tot 6 % (in vastleggingskredieten);

Proefprojecten – voorbereidende acties

52.  onderstreept hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties en ‑programma's; is van plan een evenwichtig pakket van proefprojecten en voorbereidende acties vast te stellen; merkt op dat de marge voor sommige rubrieken in het huidige voorstel vrij beperkt of zelfs onbestaand is, en is van plan mogelijkheden te onderzoeken om ruimte te maken voor eventuele proefprojecten en voorbereidende acties zonder de middelen voor andere politieke prioriteiten te verlagen; is van mening dat de Commissie bij de uitvoering van de proefprojecten en voorbereidende acties de leden van het Parlement stap die eraan ten grondslag liggen, stap voor stap op de hoogte moet houden, zodat recht wordt gedaan aan de geest van hun voorstellen;

Agentschappen

53.  neemt kennis van de algemene verhoging in de ontwerpbegroting 2018 voor gedecentraliseerde agentschappen met 3,1 % (bestemmingsontvangsten buiten beschouwing gelaten) en de toevoeging van 146 posten, maar wijst op de grote verschillen tussen "agentschappen op kruissnelheid" (-11,2 %) en "agentschappen met nieuwe taken" (+10,5 %); gaat ervan uit dat deze cijfers een getrouwe weergave vormen van het feit dat de meeste agentschappen hun personeelsbestand sedert 2013 met 5 % of zelfs meer hebben verkleind (sommige agentschappen zullen deze doelstelling van 5 % pas in 2018 bereiken), en dat aanwervingen in diezelfde periode voorbehouden waren voor agentschappen die met migratie en veiligheid te maken hebben (+183 posten), agentschappen voor financieel toezicht (+28 posten) en een aantal agentschappen met nieuwe bevoegdheden (ERA, EASA, GSA) (+18 posten); hernieuwt zijn oproep, zoals al verwoord in het kwijtingsprocedure voor 2015(5), om ervoor te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn, en zo nodig aanvullende middelen ter beschikking te stellen, voor een goede werking van de agentschappen en van het permanent secretariaat van het netwerk van EU-agentschappen (tegenwoordig Shared Support Office genoemd);

54.  herhaalt zijn overtuiging dat de EU-agentschappen die werkzaam zijn op het vlak van justitie en binnenlandse zaken met spoed over de nodige operationele middelen en werknemers moeten beschikken om de taken en verantwoordelijkheden die zij er de voorbije jaren hebben bij gekregen, te kunnen uitvoeren; verheugt zich in dit verband over de personeelstoename die wordt voorgesteld voor het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), en beschouwt deze toename als het minimum om te waarborgen dat deze agentschappen hun werkzaamheden naar behoren kunnen verrichten; onderstreept dat de voorgestelde begroting en het voorgestelde personeelsbestand voor Europol onvoldoende zijn voor het uitvoeren van de toegewezen taken nu de Commissie en de lidstaten in de afgelopen jaren hebben besloten de samenwerking tussen de lidstaten te intensiveren, met name op het gebied van de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad, cybercriminaliteit en mensensmokkel en de bescherming van niet-begeleide kinderen; onderstreept de geconstateerde lacunes in het bestaande systeem voor informatie-uitwisseling en verzoekt de Commissie eu‑LISA van passende menselijke en financiële middelen te voorzien voor het uitvoeren van de recentelijk aan dit agentschap toegewezen aanvullende taken en verantwoordelijkheden; wijst erop dat het EASO een belangrijke rol speelt door de lidstaten te ondersteunen bij het beheer van asielaanvragen, zeker wanneer het erom gaat een toegenomen aantal asielzoekers het hoofd te bieden; betreurt de verlaging van de operationele middelen (-23,6 % ten opzichte van 2017) en het personeelsbestand (-4 %) voor Eurojust, dat momenteel te maken heeft met een hogere werkdruk;

55.  stelt met bezorgdheid vast dat vooral de EU-agentschappen op het gebied van werkgelegenheid en opleidingen (Cedefop, ETF, EU-OSHA, Eurofound) op het gebied van milieumaatregelen (ECDC, ECHA, EFSA, EMA) te maken hebben met personeelsinkrimping (met respectievelijk -5 posten en -12 posten); is van mening dat dit in strijd is met het algehele EU-beleid, dat gericht is op het creëren van fatsoenlijke, hoogwaardige en stabiele banen en het tegengaan van klimaatverandering; is verheugd over de verhoging van het personeelsbestand en de begroting voor ACER en GSA, maar benadrukt dat deze verhogingen niet voldoende zijn om de agentschappen hun taken adequaat te laten uitvoeren;

56.  neemt kennis van het feit dat de derde REACH-registratietermijn in 2018 valt, hetgeen gevolgen zal hebben voor een groot aantal bedrijven in Europa en het grootste aantal kmo's tot dusver, hetgeen op zijn beurt aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de werkdruk van ECHA; verzoekt de Commissie derhalve af te zien van de geplande inkrimping met zes tijdelijke functionarissen in 2018 en deze inkrimping uit te stellen tot 2019, zodat ECHA in 2018 zijn hele werkprogramma naar behoren kan uitvoeren; constateert in dit opzicht dat ECHA sinds 2012 al een personeelsinkrimping van 10 % heeft doorgevoerd in het kader van REACH;

o
o   o

57.  wijst erop dat gendermainstreaming een wettelijke verplichting is die rechtstreeks voortvloeit uit de Verdragen; roept op tot verplichte genderbewuste budgettering in de begrotingsprocedure en het aanwenden van begrotingsuitgaven als doeltreffend middel om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen; beveelt aan om een begrotingsplan te ontwikkelen voor de toepassing van gendermainstreaming in de EU-instellingen, overeenkomstig het goedgekeurde proefproject, en in de toekomst een specifieke begrotingslijn in te voeren voor het coördineren van gendermainstreaming in alle instellingen;

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2018

A.  Overeenkomstig deel A van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voor de begrotingsprocedure voor 2018 de volgende belangrijke data overeen:

1.  op 13 juli wordt in de ochtend, voorafgaand aan de vaststelling van het standpunt van de Raad, een trialoogvergadering belegd;

2.  de Commissie streeft ernaar de ontwerpraming 2018 tegen eind mei te presenteren;

3.  de Raad tracht voor week 37 (derde week van september) zijn standpunt vast te stellen en aan het Europees Parlement toe te zenden, opdat tijdig een akkoord met het Europees Parlement kan worden bereikt;

4.  de Begrotingscommissie van het Europees Parlement tracht uiterlijk aan het eind van week 41 (medio oktober) amendementen op het standpunt van de Raad aan te nemen;

5.  op 18 oktober wordt na de middag, voorafgaand aan de lezing door het Europees Parlement, een trialoogvergadering belegd;

6.  het Europees Parlement stelt in week 43 (plenaire vergadering van 23-26 oktober) zijn lezing vast;

7.  de bemiddelingsperiode begint op 31 oktober. Overeenkomstig artikel 314, punt 4, letter c), van het VWEU verstrijkt de voor bemiddeling voorziene periode op 20 november 2017;

8.  het bemiddelingscomité vergadert op 6 november, na de middag, in het Europees Parlement, op 17 november in de Raad en kan, indien nodig, ook nadien nog bijeenkomen; de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité worden voorbereid tijdens één of meerdere trialogen. Een eerste trialoog staat gepland op 9 november, voor de middag. Aanvullende trialogen kunnen plaatsvinden tijdens de bemiddelingsperiode van 21 dagen, bijvoorbeeld op 13 en 14 november (in Straatsburg).

B.  De regels voor de werking van het bemiddelingscomité staan in deel E van de bijlage bij bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0085.
(5) Zie de resolutie van het Europees Parlement van 27 april 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de agentschappen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015: prestaties, financieel beheer en controle (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0155).


Een Europese strategie voor internationale culturele betrekkingen
PDF 234kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over een Europese strategie voor internationale culturele betrekkingen (2016/2240(INI))
P8_TA(2017)0303A8-0220/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 167, leden 3 en 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

‒  gezien het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen,

–  gezien resolutie 2347 van 24 maart 2017 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, met name de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen 4 en 17,

‒  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) aan het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 – "Naar een Europese strategie ten aanzien van internationale culturele betrekkingen" (JOIN(2016)0029),

‒  gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2007 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering (COM(2007)0242),

–  gezien de voorbereidende handeling voor cultuur in de externe betrekkingen van de EU en de daarin vervatte aanbevelingen(1),

–  gezien het document "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa – Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid", dat door de VV/HV is gepresenteerd op 28 juni 2016,

‒  gezien de resolutie van de Raad van 16 november 2007 over een Europese agenda voor cultuur(2),

‒  gezien het verslag van de Commissie over de uitvoering van de Europese agenda voor cultuur (COM(2010)0390),

‒  gezien zijn resolutie van 23 november 2016 over de strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden(3),

‒  gezien de Kaderconventie van de Raad van Europa van 2005 over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Conventie van Faro)(4),

‒  gezien de conclusies van de Raad van 16 december 2008 over de bevordering van de culturele diversiteit en van de interculturele dialoog in de externe betrekkingen van de Unie en de lidstaten(5),

‒  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de culturele dimensies van het externe optreden van de EU(6),

‒  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de rol van interculturele dialoog, culturele diversiteit en onderwijs bij het uitdragen van de fundamentele waarden van de EU(7),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over de rol van de EU binnen de VN – hoe kunnen de doelstellingen van het buitenlands beleid van de EU beter worden verwezenlijkt?(8),

‒  gezien de conclusies van de Raad van 23 december 2014 over een werkplan voor cultuur 2015-2018(9),

‒  gezien het Unesco-Verdrag van 1972 inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld,

‒  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa"(10),

–  gezien resolutie CM/Res(2010)53 van de Raad van Europa over de vaststelling van een uitgebreid partieel akkoord inzake culturele routes,

‒  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector(11),

‒  gezien de conclusies van de Raad van 24 november 2015 over cultuur in de externe betrekkingen van de EU, met de nadruk op cultuur in ontwikkelingssamenwerking(12),

‒  gezien zijn resolutie van 30 april 2015 over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da'esh(13), en met name paragraaf 3, waarin "de VV/HV wordt opgeroepen culturele diplomatie en interculturele dialoog in te zetten als een hulpmiddel om de verschillende gemeenschappen met elkaar te verzoenen en vernielde monumenten opnieuw op te bouwen",

‒  gezien zijn resolutie van 10 april 2008 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering(14),

‒  gezien de uitkomsten van de 3502e zitting van de Raad Onderwijs, Jeugdzaken, Cultuur en Sport van 21 en 22 november 2016,

‒  gezien de studie "Research for CULT Committee – European Cultural Institutes Abroad"(15) voorbereid op verzoek van de Commissie cultuur en onderwijs van het Parlement,

‒  gezien de studie "Research for CULT Committee – European capitals of culture: success strategies and long-term effects"(16) voorbereid op verzoek van de Commissie cultuur en onderwijs van het Parlement,

‒  gezien de in 2015 in opdracht van de Dienst instrumenten buitenlands beleid (FPI) van de Commissie verrichte studie "Analysis of the perception of the EU and EU’s policies abroad"(17),

‒  gezien het advies van het Comité van de Regio's met betrekking tot "Naar een Europese strategie ten aanzien van internationale culturele betrekkingen",

‒  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité met betrekking tot "Naar een Europese strategie ten aanzien van internationale culturele betrekkingen",

‒  gezien het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Europees jaar van het cultureel erfgoed (2018) (COM(2016)0543),

‒  gezien de mededeling van de Commissie over een Europees solidariteitskorps (COM(2016)0942),

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 december 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid,

–  gezien het vonnis van het Internationaal Strafhof (ISH) van 27 september 2016 waarin Ahmad Al Faqi Al Mahdi schuldig is bevonden aan de verwoesting van verschillende mausolea in Timboektoe en waarin het voor de eerste keer, in overeenstemming met het Statuut van Rome, oordeelde dat de verwoesting van cultureel erfgoed kan worden gezien als een oorlogsmisdaad,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie cultuur en onderwijs overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0220/2017),

A.  overwegende dat de EU een prominentere actor wordt in de internationale betrekkingen en op basis van artikel 167 VWEU aanvullende middelen en energie moet steken in de bevordering van haar gemeenschappelijke cultuur, gemeenschappelijk cultureel erfgoed, artistieke creaties en innovatie binnen regionale diversiteit;

B.  overwegende dat de EU een belangrijke actor in de internationale politiek is en een steeds grotere rol op het wereldtoneel speelt, onder meer door de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit in de internationale betrekkingen;

C.  overwegende dat cultuur van intrinsieke waarde is en dat uit de ervaring van de EU blijkt dat culturele uitwisseling haar externe doelstellingen kan dienen en kan fungeren als sterke brug tussen mensen met een verschillende etnische, religieuze en maatschappelijke achtergrond, niet het minst door de interculturele en interreligieuze dialoog en het wederzijds begrip te versterken, o.a. via de activiteiten van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO); is in dit verband van mening dat cultuur een essentieel deel van de politieke dialoog met derde landen moet gaan uitmaken, en dat cultuur stelselmatig in projecten en programma's moet worden opgenomen;

D.  overwegende dat de EU voor de bevordering van intercultureel begrip gemeenschappelijke communicatiemiddelen moet uitbreiden in de vorm van daadwerkelijk Europese media, zoals Arte, Euronews en Euranet;

E.  overwegende dat cultuur en de bescherming van cultuur onlosmakelijk verbonden zijn met de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

F.  overwegende dat samenwerking op wetenschappelijk gebied een essentieel element van het buitenlands beleid vormt door bruggen te slaan tussen landen, waardoor de kwaliteit van internationaal onderzoek wordt verbeterd en het aanzien van wetenschapsdiplomatie wordt vergroot;

G.  overwegende dat de EU en haar lidstaten allerlei gemeenschappelijke culturele, taalkundige, historische en religieuze wortels hebben en dat zij er, door inspiratie te putten uit het culturele, religieuze en humanistische erfgoed van Europa, in zijn geslaagd eenheid in verscheidenheid tot stand te brengen; overwegende dat de Europese cultuur en het Europese cultureel erfgoed, zowel het materiële als het immateriële, de verscheidenheid van de Europese samenlevingen en regio's belichamen, van de meerderheden in de samenleving en evenzeer van de cultuur van minderheden;

H.  overwegende dat in de "Verklaring over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs", die in maart 2015 in Parijs is aangenomen, wordt benadrukt dat een actieve dialoog tussen culturen, wereldwijde solidariteit en wederzijds respect moeten worden gestimuleerd;

I.  overwegende dat al zolang de EU bestaat, culturele betrekkingen fundamentele drijvende krachten zijn achter sociale cohesie en duurzame economische en menselijke ontwikkeling, en daarbij wezenlijk bijdragen aan de capaciteitsopbouw van het maatschappelijk middenveld, intermenselijke contacten en de preventie van radicalisering, met het oog op de bescherming van cultureel erfgoed, de bevordering van democratiseringsprocessen en het engagement voor conflictpreventie, conflictbijlegging en veerkracht;

J.  overwegende dat culturele diplomatie culturele en taalkundige diversiteit moet bevorderen, waaronder het behoud van minderheidstalen, aangezien deze intrinsieke waarde hebben en bijdragen aan het cultureel erfgoed van Europa;

K.  overwegende dat culturele rechten eveneens deel uitmaken van de mensenrechten en dat daarom evenveel aandacht moet worden geschonken aan het recht van elke persoon op participatie in het culturele leven en deelname aan zijn of haar eigen cultuur, terwijl tegelijkertijd de grondrechten van iedereen volledig moeten worden gewaarborgd;

L.  overwegende dat in december 2014 beperkende maatregelen zijn ingevoerd om de handel in culturele voorwerpen uit Syrië tegen te gaan; overwegende dat er duidelijk behoefte is aan de instelling van een noodmechanisme voor het opsporen en voorkomen van de vernieling van cultureel erfgoed en de verwijdering van culturele objecten, o.a. in conflictgebieden en ‑landen, omdat dit in conflictsituaties kan worden gebruikt om te intimideren en te choqueren en in sommige gevallen neerkomt op "culturele zuivering";

M.  overwegende dat cultuur een algemeen goed is en dat het ontwerpen van een nieuwe consensus over ontwikkeling een reflectie moet bevatten over het terugvorderen van algemene openbare goederen, ook via cultuur;

N.  overwegende dat de EU en de afzonderlijke lidstaten meer dan de helft van de ontwikkelingssteun in de wereld verstrekken en dat dit feit meer erkenning verdient;

O.  overwegende dat cultureel erfgoed een universele nalatenschap is en de bescherming ervan derhalve een voorwaarde is voor de opbouw van vrede en veerkracht;

P.  overwegende dat de gezamenlijke mededeling "Naar een Europese strategie ten aanzien van internationale culturele betrekkingen" een kader biedt voor de internationale culturele betrekkingen van de EU; overwegende dat in de mededeling evenwel geen thematische en geografische prioriteiten, concrete doelstellingen en uitkomsten, doelgroepen, gemeenschappelijke belangen en initiatieven, financiële bepalingen, gedegen financieel beheer, lokaal en regionaal perspectief en uitdagingen, en uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld;

Q.  overwegende dat contacten tussen mensen, zoals jongerenuitwisselingen, stedenbanden en partnerschappen op professioneel gebied belangrijke middelen zijn geweest voor de bevordering van intercultureel begrip en door de EU moeten worden gestimuleerd in het kader van haar buitenlandse betrekkingen;

R.  overwegende dat mobiliteit van essentieel belang is voor de internationale culturele betrekkingen van de EU en de invoering van een regeling vereist die het verkrijgen van een visum voor reizen van en naar derde landen vergemakkelijkt voor vakmensen uit de culturele sector, onderzoekers, academici, docenten, studenten en medewerkers en voor alumninetwerken van voormalige deelnemers aan EU-programma's(18);

S.  overwegende dat er tussen de EU en de landen uit het nabuurschap een historische wisselwerking op cultureel gebied bestaat;

T.  overwegende dat samenwerking, scholing en mobiliteit van kunstenaars en in de culturele sector werkzame personen, en van hun werken, onder meer via Europese en internationale netwerken en verblijven in kunstenaarsresidenties, cruciaal zijn voor de verspreiding en uitwisseling van zowel Europese als niet-Europese culturen en kunsten en bevorderd en uitgebreid moeten worden;

U.  overwegende dat een visumbeleid voor artiesten en in de culturele sector werkzame personen essentieel is voor een succesvolle samenwerking en een vrije circulatie van werken via Europese en internationale netwerken en tevens voor programma's voor levendige kunstenaarsresidenties met betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld in de verschillende landen en regio's van de wereld;

V.  overwegende dat het nuttig kan zijn om eerst de balans op te maken van de resultaten van de EU-agenda voor cultuur, zodat de strategie verder ontwikkeld en verbeterd kan worden, duidelijke en meetbare doelen die zijn afgestemd op de afzonderlijke landenspecificaties, prioriteiten en realistische uitkomsten kunnen worden gesteld, en lering kan worden getrokken uit optimale praktijken;

W.  overwegende dat de EU, als belangrijke partner van de Verenigde Naties, nauw met de Unesco dient samen te werken met het oog op de bescherming van het culturele werelderfgoed;

X.  overwegende dat coördinatie tussen de programma's en de financiële middelen van de EU de culturele dimensie van de internationale betrekkingen van de EU moet versterken om een gedeelde dialoogruimte te creëren voor intercultureel begrip en vertrouwen;

Y.  overwegende dat de initiatieven en maatregelen van de EU zichtbaarder moeten worden in derde landen, waaronder de landen die vallen onder het Europees nabuurschapsbeleid, en dat de resultaten ervan beter toebedeeld, beoordeeld en verspreid moeten worden(19);

Z.  overwegende dat het aantal producten en diensten uit de audiovisuele, culturele en creatieve sector toeneemt, alsook hun bijdrage aan het bbp en hun wereldwijde circulatie;

AA.  overwegende dat veel van de door de Raad van Europa gecertificeerde Europese culturele routes lopen door oostelijke en zuidelijke buurlanden van de EU, evenals door kandidaat-landen, en dat dit bijdraagt aan de versterking van de banden tussen de EU en haar buurlanden;

AB.  overwegende dat de inspanningen van de Unie om maatschappelijke veerkracht te stimuleren door het verdiepen van de werkzaamheden op het gebied van cultuur, onderwijs en jeugd bevorderlijk zijn voor pluralisme, co‑existentie en respect;

Doelstellingen

1.  is ingenomen met de gezamenlijke mededeling, die een overzicht biedt van alle instrumenten, maatregelen, initiatieven, programma's en projecten die worden ondersteund of uitgevoerd door de EU en haar lidstaten en die cultuur als gemeenschappelijke noemer hebben; roept op tot ontwikkeling van een effectieve EU‑strategie voor internationale culturele betrekkingen;

2.  onderkent dat de gezamenlijke mededeling tot doel heeft om de culturele samenwerking binnen de EU en met haar partnerlanden te stimuleren en een internationale orde te ondersteunen die is gebaseerd op vrede, op de bestrijding van extremisme en radicalisering met behulp van een interculturele en interreligieuze dialoog en op conflictpreventie, waarbij tegelijkertijd de democratie, de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting, de artistieke vrijheid, wederzijds begrip, de mensenrechten, de culturele en taalkundige diversiteit en de fundamentele waarden geëerbiedigd worden; benadrukt voorts de belangrijke rol van culturele diplomatie, onderwijs en culturele uitwisseling bij het versterken van een gemeenschappelijke kern van universele waarden;

3.  onderkent de inspanningen van de EDEO samen met de Commissie om de externe dimensie van het wetenschaps- en onderzoeksbeleid te verbeteren, en dringt er bij de Commissie op aan de ontwikkeling van een ambitieuze wetenschapsdiplomatie te bevorderen;

4.  verlangt dat culturele rechten als integrale fundamentele mensenrechten meer ingang vinden, en dat cultuur vanwege haar intrinsieke waarde als een vierde op zichzelf staande, transversale pijler van duurzame ontwikkeling wordt beschouwd, parallel aan de sociale, economische en ecologische dimensies die duurzame ontwikkeling heeft;

5.  is ingenomen met de benadering in de gezamenlijke mededeling, waarin drie werkterreinen worden geïdentificeerd: cultuur ondersteunen als motor voor sociale en economische ontwikkeling; cultuur en de interculturele dialoog bevorderen voor vreedzame betrekkingen tussen gemeenschappen; en de samenwerking op het gebied van cultureel erfgoed versterken;

6.  dringt erop aan artistieke vrijheid van meningsuiting te bevorderen als een waarde en streven van de Europese Unie, en daarbij de vrije dialoog en de uitwisseling van goede praktijken op internationaal niveau te bevorderen;

7.  onderstreept dat de EU veel en uiteenlopende ervaringen heeft met integratief bestuur, dat haar kracht ligt in eenheid in verscheidenheid, en dat de EU juist op dit punt meerwaarde biedt;

8.  onderkent dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid geëerbiedigd moeten worden op het gebied van cultuur, maar dat – ook gezien de gemeenschappelijke culturele wortels en het gemeenschappelijk cultureel erfgoed van de EU en de lidstaten en het resultaat van langdurige artistieke en culturele contacten – de ontstane gewoonte om samen te werken en te creëren heeft geleid tot een fundament van respect voor en begrip van andere culturen;

9.  benadrukt dat de EU een forum is waarbinnen alle lidstaten hun krachten bundelen om een grotere rol te spelen op het gebied van internationale culturele betrekkingen, waarbij zij de wederzijdse voordelen van samenwerking plukken;

10.  stelt voor dat elke lidstaat samen met de EU gezamenlijke acties opzet om elk jaar een ander EU-land te presenteren, bijv. door middel van tentoonstellingen en coproducties, waarbij het roulerend voorzitterschap een bijzondere rol krijgt, teneinde extra intrinsieke waarde voor de EU en de lidstaten te realiseren en de zichtbaarheid van hun acties en initiatieven in het buitenland te vergroten, onder meer via EU-delegaties met specifieke personele en financiële middelen die hiervoor beschikbaar worden gesteld;

11.  de lidstaten en met name de kleinere lidstaten en hun culturele instellingen en actoren kunnen meerwaarde aan hun culturele prestaties geven door de EU te gebruiken voor het promoten en het delen ervan in het buitenland;

12.  culturele diplomatie kan fungeren als gezant van de EU en haar lidstaten;

13.  herinnert met betrekking tot het materiële en immateriële culturele erfgoed aan het belang van samenwerking tussen de lidstaten en de EU-instellingen op het gebied van toegankelijkheidsonderzoek, promotie, behoud en beheer, en bij de bestrijding van illegale handel, kunstroof en verwoesting, o.a. door middel van specifieke regionale gelden en bijstand en grensoverschrijdende politiesamenwerking, zowel binnen als buiten de EU;

14.  benadrukt de rol van onafhankelijke media bij de bevordering van culturele diversiteit en interculturele bekwaamheden en de noodzaak om deze media te versterken als bron van geloofwaardige informatie, met name in de buurlanden van de EU;

15.  is verheugd over het feit dat in de gezamenlijke mededeling de culturele en de creatieve sector worden genoemd als belangrijk element van de strategie van de EU voor internationale culturele betrekkingen; is van mening dat deze sectoren als ambassadeur van Europese waarden bijdragen tot de "soft power" van Europa, met name waar het gaat om regionale creatieve centra en culturele netwerken, en beveelt aan deze centra te identificeren en te stimuleren en hun vaardigheden verder te ontwikkelen; verzoekt de Commissie om de positie te versterken van de netwerken van culturele en creatieve agenten en actoren, met speciale aandacht voor kmo's, Europese creatieve districten en creatieve platforms, die voor multiplicatoreffecten en innovatie zorgen, ook op andere gebieden;

16.  verzoekt de Commissie en de VV/HV "culturele actoren" te beschouwen als een integraal onderdeel van de tenuitvoerlegging van de gezamenlijke mededeling, en duidelijk te maken dat onder deze term o.a. moeten vallen: kunstenaars, vakmensen uit de culturele en creatieve sector, culturele instellingen, private en publieke stichtingen, universiteiten, ondernemingen in de culturele en creatieve sector;

Governance en instrumenten

17.  verzoekt de Commissie en de VV/HV om jaarlijkse en meerjarige actieplannen op dit gebied te presenteren met maatregelen, strategische, thematische en geografische prioriteiten en gemeenschappelijke doelen, en om regelmatig de tenuitvoerlegging van de gezamenlijke mededeling te evalueren en hierover verslag uit te brengen aan het EP;

18.  benadrukt dat het beleid en de maatregelen van de EU waarbij derde landen betrokken zijn coherenter moeten worden; benadrukt dat gebruik moet worden gemaakt van bestaande onderzoeksresultaten, beste praktijken en andere door de EU gefinancierde initiatieven en instrumenten inzake de bescherming van het cultureel erfgoed die positief kunnen zijn voor de samenwerking met derde landen; dringt aan op een grotere synergie tussen alle betrokkenen en tussen andere door de EU gefinancierde initiatieven die gunstig kunnen zijn voor het bereiken van de doelstellingen van de strategie, teneinde een efficiënt gebruik van de middelen, geoptimaliseerde resultaten en een grotere impact van acties en initiatieven van de EU te garanderen; beveelt aan een inventarisatie door te voeren, zodat een effectieve aanpak kan worden gegarandeerd;

19.  verzoekt de Commissie nadrukkelijk om in het volgende meerjarig financieel kader te voorzien in een specifieke begrotingslijn voor de ondersteuning van de internationale culturele betrekkingen binnen de bestaande programma's en in toekomstige initiatieven, met name in de volgende generatie programma's voor cultuur en onderwijs, zodat in dat kader internationale acties op passende wijze kunnen worden ontwikkeld;

20.  stelt voor een speciaal EU-programma te ontwikkelingen en middelen uit te trekken voor internationale mobiliteit en internationale uitwisselingen, bijvoorbeeld verblijfprogramma's, met name voor jonge vakmensen uit de culturele en creatieve sector en kunstenaars;

21.  stelt in dit kader voor om alumni en eerdere begunstigden van Erasmus en andere mobiliteitsprogramma's op het gebied van onderwijs en vrijwilligerswerk te stimuleren om gebruik te maken van hun interculturele vaardigheden en bekwaamheden ten gunste van anderen en invloedrijke actoren te worden bij de ontwikkeling van partnerschappen op het gebied van culturele externe betrekkingen;

22.  verzoekt de Commissie het cultureel toerisme te ontwikkelen, bijvoorbeeld door het opstellen en uitwisselen van thematische programma's en beste praktijken om de internationale mobiliteit, de uitwisseling met burgers uit derde landen en de toegang tot cultuurgoederen te vergemakkelijken;

23.  verzoekt de Commissie en de EDEO om internationale culturele betrekkingen op horizontale wijze op te nemen in instrumenten en programma's voor internationale samenwerking en in de maatregelen in het kader van de tussentijdse evaluatie, zodat coherentie is gewaarborgd en internationale culturele betrekkingen een efficiënt instrument worden;

24.  verzoekt de Commissie de impact van de culturele dimensie in internationale betrekkingen te versterken door deze dimensie stelselmatig mee te nemen in onderhandelingen en associatieovereenkomsten; benadrukt dat de EU gedragsbeginselen moet vaststellen voor samenwerkende partners in transnationale projecten en een flexibel kader vast moet stellen om de transnationale culturele samenwerking te faciliteren door obstakels weg te nemen;

25.  verzoekt de Commissie de culturele betrekkingen met de landen van het Europees nabuurschap verder te ondersteunen door middel van programma's voor technische bijstand en capaciteitsopbouw, opleidingen, ontwikkeling van vaardigheden en kennisoverdracht – ook op het gebied van de media –, het bestuur te verbeteren en nieuwe partnerschappen op nationaal, regionaal, lokaal en grensoverschrijdend niveau te stimuleren, en tegelijkertijd ook vervolgmaatregelen voor regionale programma's in de zuidelijke en oostelijke nabuurschapslanden, met inbegrip van de Westelijke Balkan, aan te bieden;

26.  benadrukt dat de externe culturele financieringsactiviteiten van de EU om redenen van duurzaamheid moeten voortvloeien uit een sterkere betrokkenheid van lokale partners, aanpassing van programma's aan de lokale realiteit en adequate aandacht voor de periode na de projectfinanciering, waaronder de overgang naar nationale financiering of andere inkomstenmodellen;

27.  benadrukt het belang van initiatieven op het gebied van cultuur en mensenrechten, die zich moeten richten op de ondersteuning van vakmensen uit de culturele sector in landen of regio's waar hun rechten worden bedreigd; dringt erop aan dat dergelijke programma's gezamenlijk worden gefinancierd uit het Europees Fonds voor democratie en het Europees nabuurschapsinstrument;

28.  benadrukt dat een actief maatschappelijk middenveld in partnerlanden aanzienlijk kan helpen bij de verspreiding van de door de EU uitgedragen waarden en dat het derhalve van essentieel belang is dat de EU bij het opbouwen van bilaterale betrekkingen de steun aan maatschappelijke organisaties in de culturele sector van partnerlanden vergroot;

29.  verzoekt de Commissie om cultuur op te nemen in alle bestaande en toekomstige bilaterale en multilaterale overeenkomsten, met een adequate begroting en met inachtneming van de toezeggingen die zijn gedaan in het kader van het Unesco-Verdrag betreffende culturele diversiteit, om daarmee nog sterker het accent te leggen op het economisch potentieel dat cultureel erfgoed en de creatieve en culturele sector hebben bij de bevordering van een duurzame ontwikkeling, inclusief groei en banen, alsmede op hun effect op het maatschappelijk welzijn; stelt dat dit bijvoorbeeld kan gebeuren in het volgende onderhandelingsmandaat voor het nieuwe partnerschap met de ACS-landen na 2020; wenst dat er op dat gebied EU-indicatoren worden ontwikkeld die kunnen bijdragen aan het debat over het cultuurbeleid;

30.  benadrukt het belang van regelingen voor de mobiliteit van jongeren en de samenwerking tussen universiteiten, die zeer waardevol zijn voor het opbouwen van langdurige academische en culturele betrekkingen;

31.  verzoekt de Commissie om versterking van de internationale dimensie van Erasmus+, Creatief Europa, Europa voor de burger en Horizon 2020; herinnert in dit verband aan de cruciale rol van EU-programma's op het gebied van cultuur, onderwijs, jongeren en sport als kernelement bij de aanpak van intolerantie en vooroordelen, en bij de bevordering van het gevoel van saamhorigheid en respect voor culturele diversiteit; verzoekt de Commissie om bevordering, met name in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid, van de deelname aan die programma's door de partnerlanden die het dichtst bij de Unie staan;

32.  onderkent de inspanningen van de Commissie om de rol van wetenschap, onderzoek, onderwijs en culturele samenwerking te bevorderen als "soft power"-instrument in de Europese externe betrekkingen; benadrukt dat wetenschappelijke en culturele uitwisselingen bijdragen aan capaciteitsopbouw en conflictoplossing, met name in de betrekkingen met buurlanden;

33.  verzoekt de Commissie om COSME (EU-programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen) te versterken en uit te breiden naar de strategie voor internationale culturele betrekkingen, en kmo's die in derde landen in de culturele sector werkzaam zijn te ondersteunen vanuit de thematische programma's van de EU;

34.  benadrukt de rol van het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité en de rol van regionale en lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld bij de formulering van de strategie;

35.  onderstreept dat het Parlement een actieve rol moet spelen bij het bevorderen van cultuur in het extern optreden van de EU, onder meer via zijn voorlichtingsbureaus en verbindingskantoren;

36.  verzoekt de Commissie en de EDEO om binnen elke EU-delegatie een contactpunt op te richten dat contact onderhoudt met nationale culturele instellingen, vertegenwoordigers, het plaatselijke maatschappelijk middenveld, actoren en autoriteiten in de lidstaten, in een gestructureerde dialoog die is gericht op het gezamenlijk vaststellen van gemeenschappelijke prioriteitsgebieden, de behoefte aan en methodes voor samenwerking, en daarvoor voldoende middelen uit te trekken en opleidingen te verzorgen; verzoekt de Commissie en de EDEO om de twee jaar verslag uit te brengen aan het Parlement over de stand van de tenuitvoerlegging en de behaalde resultaten;

37.  verlangt dat in de EDEO voldoende personele en financiële middelen worden toegewezen aan internationale culturele betrekkingen, zodat de EDEO binnen de verschillende, met internationale culturele betrekkingen belaste EU-diensten als katalysator kan fungeren en een leidende rol kan vervullen;

38.  pleit ervoor om internationale culturele betrekkingen een plaats te geven in onderwijs, opleiding en onderzoek teneinde de op dit gebied werkzame actoren beter toe te rusten en de culturele participatie door middel van opleiding te verbeteren, o.a. door het personeel van de EU relevante cursussen aan te bieden op het gebied van culturele competenties;

39.  verlangt dat de rol van de culturele instellingen in de lidstaten ten aanzien van de culturele invloed van de EU buiten haar grenzen wordt verduidelijkt, en wel binnen een inclusief en gedeeld Europees verhaal, via het Europese netwerk van nationale instituten voor cultuur (EUNIC) en andere netwerken, en pleit voor een integratieve en gelijke benadering van alle belanghebbenden, waaronder het maatschappelijk middenveld; prijst in dit verband de werkzaamheden die tot op heden zijn uitgevoerd door de culturele instellingen van de lidstaten; moedigt verdere samenwerking in het buitenland aan, met het oog op een optimale behartiging van de belangen van de lidstaten, waarbij speciale aandacht wordt geschonken aan de kleinere lidstaten en lidstaten zonder culturele instituten in het buitenland en aan hun behoefte aan culturele representatie;

40.  dringt aan op een versterking van het strategische partnerschap met de Unesco bij de tenuitvoerlegging van de gezamenlijke mededeling, waarbij gebruikgemaakt wordt van zijn geloofwaardigheid in Europa en het wereldwijde bereik om het effect van gezamenlijke acties met alle belanghebbenden uit de EU en daarbuiten te vergroten, en wenst dat wordt nagegaan of de Unesco kan worden betrokken bij de toekomstige werkgroepen of adviesraden om te helpen bij de tenuitvoerlegging van de mededeling;

41.  benadrukt dat de belangrijke rol van nationale culturele instellingen bij interculturele uitwisselingen opnieuw moet worden gedefinieerd, rekening houdend met het feit dat sommige instellingen een lange traditie hebben met veel contacten in derde landen, waardoor zij als solide basis kunnen dienen voor samenwerking en communicatie tussen verschillende Europese spelers; wijst verder op hun mogelijkheden om bilaterale betrekkingen tussen landen te bevorderen en te faciliteren en bij de ontwikkeling en uitvoering van een Europese strategie voor culturele diplomatie te helpen;

42.  verzoekt de Commissie en de VV/HV de ontwikkeling van het op individuele behoefte afgestemde EUVP-studieprogramma (Bezoekersprogramma Europese Unie) verder te ondersteunen als belangrijk middel voor verbetering van de dialoog en bevordering van de democratie en als permanent platform voor jonge en toekomstige leiders en opiniemakers uit derde landen en belangrijke gesprekspartners binnen Europese instellingen en maatschappelijke organisaties;

43.  is verheugd over de instelling van het platform voor culturele diplomatie, en wenst dat het platform duurzaam wordt gemaakt, met een regelmatige evaluatie van de doelstellingen, resultaten en governance; onderkent dat er veel verschillende institutionele en niet-institutionele belanghebbenden(20) actief zijn op het gebied van internationale culturele betrekkingen, en verzoekt de Commissie een gestructureerde dialoog tussen alle belanghebbenden te stimuleren, onder meer door middel van de open coördinatiemethode;

44.  verlangt dat er onverwijld een voorziening wordt ingesteld voor het voorkomen, beoordelen en wederopbouwen van erfgoed dat gevaar loopt, en voor het evalueren van verliezen, waaronder een snel inzetbaar noodmechanisme om het erfgoed in conflictgebieden te beschermen, waarbij wordt voortgebouwd op de ervaringen met het initiatief "Blauwhelmen voor cultuur" van de VN, zulks in nauwe en gestructureerde samenwerking met de Unesco en met technologische ondersteuning van het Europees programma voor aardobservatie Copernicus; verheugt zich in dit verband over de aanneming van resolutie 2347 door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waarin wordt bevestigd dat de vernieling van cultureel erfgoed als oorlogsmisdrijf kan worden beschouwd, en verzoekt de EU en de EDEO om samen te werken met alle partners en bij te dragen aan conflictpreventie, vredesopbouw, herstel en verzoening in alle conflictgebieden;

45.  verzoekt om coördinatie op EU-niveau in de strijd tegen de illegale handel in cultuurgoederen die zijn ontvreemd tijdens gewapende conflicten en oorlogen, en bij de teruggave van dergelijke goederen, in het besef dat een dergelijke coördinatie een cruciale rol speelt bij de pogingen om terreurgroepen van financiering af te snijden;

46.  benadrukt dat het strategische partnerschap tussen de EU en de Unesco moet worden versterkt door een duurzaam platform op te richten voor samenwerking en communicatie over gedeelde prioriteiten om zo op doeltreffende wijze gemeenschappelijke uitdagingen op het gebied van cultuur en onderwijs aan te pakken;

47.  stelt voor dat op het Europees cultuurforum en tijdens de Europese ontwikkelingsdagen speciale aandacht wordt geschonken aan de gestructureerde dialoog met het maatschappelijk middenveld en belanghebbenden over het thema internationale culturele betrekkingen van de EU;

48.  verzoekt de Commissie, uitgaande van de EU-ACS-verklaring van Brussel uit april 2009, een specifiek colloquium/forum voor culturele actoren te organiseren over cultuur en ontwikkeling, en deze bijeenkomst open te stellen voor actoren uit het nabuurschap van de EU en andere strategische partnerlanden;

49.  is van mening dat het Europees jaar van cultureel erfgoed 2018 een kans is om bij te dragen aan de promotie van cultureel erfgoed, met een geïntegreerde aanpak, als belangrijk element van de internationale dimensie van de EU, waarbij wordt voortgebouwd op de belangstelling van partnerlanden voor het erfgoed en de expertise van Europa;

50.  roept op tot een efficiënte tenuitvoerlegging van reeds bestaande wettelijke instrumenten om cultureel erfgoed, auteursrechten en de intellectuele eigendom beter te beschermen; verzoekt de Commissie het beoogde wetsvoorstel te presenteren voor de regulering van de invoer van cultuurgoederen in de EU, met name uit conflictgebieden, om daarmee de illegale handel tegen te gaan;

51.  verlangt van de EU en de lidstaten – die het Unesco-Verdrag uit 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen hebben ondertekend en geratificeerd en zich daarmee hebben verbonden aan de uitvoering ervan – dat zij gemeenschappelijke acties voor de tenuitvoerlegging van het verdrag ondersteunen;

Een mensgerichte aanpak

52.  stemt in met het voorstel in de gezamenlijke mededeling om van een van boven naar onder gerichte aanpak over te gaan op een mensgerichte aanpak (people-to-people – P2P), waarbij de nadruk wordt gelegd op processen van cocreatie en coproductie in de culturele en creatieve sector; is van mening dat cultuur alle burgers moet bereiken;

53.  stelt vast dat jongeren één van de belangrijkste doelgroepen zijn in de EU en haar partnerlanden en dat de blootstelling aan andere culturen en talen ervaringen oplevert die vaak leiden tot een levenslange affiniteit, en onderkent dat de podiumkunsten, beeldende kunst, straatkunst, muziek, film, literatuur, sociale media en digitale platformen in het algemeen de beste kanalen zijn om hen te bereiken en mee te nemen;

54.  verzoekt om de valorisatie van gezamenlijke projecten tussen de EU en derde landen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling van de digitalisering van cultureel erfgoed, om zo ook de toegang tot kennis, de ontwikkeling van nieuwe diensten en producten en de promotie van een nieuw soort cultuurtoerisme te faciliteren;

55.  pleit voor de integratie van de waarde en de rol van culturele inhoud, waarvan Europa een van de grootste producenten is, in het Europese beleid, en ook in de digitale omgeving om wereldwijde virtuele netwerken van burgers tot stand te brengen en zo de culturele participatie en uitwisseling te bevorderen;

56.  verzoekt om een initiatief van de EU op het gebied van connectiviteit om jongeren te ondersteunen die geografisch benadeeld zijn, zodat zij actiever kunnen deelnemen;

57.  is verheugd over de initiatieven van de Commissie om jonge culturele ondernemers met en van elkaar te laten leren, bijvoorbeeld door middel van het Med Culture-programma, of om steun te verlenen aan initiatieven gericht op opleiding in interculturele betrekkingen, zoals More Europe;

58.  pleit ervoor om verdere deelname van derde landen aan grensoverschrijdende en gezamenlijke projecten als de culturele routes van de Raad van Europa zo gemakkelijk mogelijk te maken, en hen tevens als spelers te betrekken bij de toekomstige strategie die wordt voorgesteld voor de EU-delegaties in derde landen, zodat zij voor hun werk in derde landen volop kunnen profiteren van de culturele activiteiten van de EU, zoals de Europese culturele hoofdstad en de Lux-Filmprijs; herinnert eraan dat digitale instrumenten, technologische platforms zoals Europeana en culturele netwerken een cruciale rol kunnen spelen bij het bereiken van een groter publiek en het verbreiden van optimale praktijken;

59.  verzoekt om de invoering van een cultureel visumprogramma, geënt op het bestaande wetenschappelijke visumprogramma, voor onderdanen van derde landen, kunstenaars en andere vakmensen uit de culturele sector om zo de culturele betrekkingen te bevorderen en belemmeringen voor de mobiliteit in de culturele sector weg te nemen;

60.  verzoekt de Commissie de samenwerkingsverbanden met de Raad van Europa te versterken, vooral voor programma's waarbij cultuur wordt benadrukt als een factor voor democratie, voor de interculturele dialoog en voor het culturele en audiovisuele erfgoed;

61.  stelt vast dat een grondige kennis van het gebied, de plaatselijke actoren en het maatschappelijk middenveld nodig is, zodat deze actoren gemakkelijker toegang krijgen tot programma's en financiering en gegarandeerd kan worden dat het multiplicatoreffect van hun deelname aan EU-programma's en ‑initiatieven wordt benut; adviseert om lokale actoren, waaronder lokale overheden, te raadplegen met het oog op de gemeenschappelijke ontwikkeling van programma's; roept op tot de ontwikkeling van innovatieve, op samenwerking gerichte benaderingen die berusten op reeds bestaande instrumenten en netwerken (subsidies, getrapte subsidies)(21), en verlangt dat deze een vervolg krijgen, waarbij rekening wordt gehouden met het genderevenwicht;

62.  onderkent dat bij ontwikkelingsstrategieën en ‑programma's materiële en sociaal-culturele deprivatie op de voorgrond staat; dringt erop aan om meer betrokkenheid van kwetsbare gemeenschappen tot stand te brengen, o.a. in plattelandsgebieden en afgelegen gebieden, met het oog op sterkere maatschappelijke cohesie;

63.  dringt erop aan dat de activiteiten van de EU en de lidstaten op cultuurgebied internationaal zichtbaarder en beter verspreid worden, onder meer door het opstellen van gemeenschappelijke richtsnoeren(22) en het aanspreken van doelgroepen in hun lokale taal;

64.  roept op tot een paradigmaverschuiving bij de berichtgeving door de media, door meer informatie over cultuur in Europa aan te reiken en daartoe een EU-cultuurportaal en festivals in het leven te roepen en het concept van Europese Cultuurhuizen uit te werken, en daarbij structureel ook lokale media en de sociale media te betrekken en onder meer samen te werken met de EBU, Euronews en Euranet;

65.  stimuleert de EU om volop gebruik te maken van de mogelijkheden die multimedia-onderzoek biedt voor het verkrijgen van inzicht in de huidige uitdagingen en kansen in de ontwikkelingslanden, o.a. met betrekking tot zaken die verband houden met cultuur en met de beoordeling van de rol van cultuur bij ontwikkeling en internationale samenwerking;

De mondiale EU-strategie

66.  benadrukt dat cultuur in het externe beleid van de EU een belangrijke rol speelt als soft‑power-instrument, als katalysator van vredeshandhaving, stabiliteit en verzoening en als drijvende kracht achter een duurzame sociaal-economische en menselijke ontwikkeling;

67.  benadrukt dat onderwijs en cultuur een essentiële rol spelen bij het bevorderen van burgerzin en interculturele vaardigheden, evenals bij het creëren van betere sociale, menselijke en economische vooruitzichten;

68.  is ingenomen met het feit dat in de mondiale EU-strategie wordt benadrukt dat een interculturele en interreligieuze dialoog van belang is voor een beter wederzijds begrip; betreurt het evenwel dat niet wordt vermeld dat kunst en cultuur een intrinsieke waarde hebben omdat zij radicalisme en terrorisme kunnen indammen; verzoekt derhalve om verbetering van de instrumenten die specifiek zijn bedoeld voor de versterking van en de samenwerking met de culturele sector;

69.  verzoekt de Commissie de samenwerking met internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, de Unesco, Interpol, de Werelddouaneorganisatie en de Internationale Raad van Musea te versterken, teneinde de bestrijding van de illegale handel in cultuurgoederen, waarmee criminele activiteiten en terroristische organisaties kunnen worden gefinancierd, te intensiveren;

70.  verzoekt de VV/HV aan culturele vraagstukken een specifieke plaats toe te kennen in de routekaart voor de tenuitvoerlegging van de mondiale EU-strategie;

71.  onderstreept dat de EU, die gegrondvest is op de waarden eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, rechtsstatelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten, bij de vormgeving van haar extern beleid moet voortbouwen op haar ervaringen en inzichten, wat weer tot uitdrukking moet komen in de ontwikkeling van de betrekkingen met derde landen door middel van cultuur en cultureel erfgoed, waarbij in dit verband moet worden aangetekend dat dit de EU ook een kans biedt om haar culturele waarden te tonen en uit te voeren;

72.  dringt aan op gericht cultuur- en onderwijsbeleid dat belangrijke doelstellingen van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU kan ondersteunen en kan bijdragen tot het versterken van de democratie, de rechtsstaat en de bescherming van de mensenrechten; herinnert eraan dat in 2018 de zeventigste verjaardag plaatsvindt van de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

73.  erkent dat de culturele invloed van de EU haar in staat stelt zichtbaarheid te bereiken in internationale zaken via de kanalen van haar rijk geschakeerde culturele identiteit;

74.  herinnert eraan dat onderwijs en cultuur fundamentele aanjagers zijn bij het bereiken van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen in 2030, met speciale aandacht voor stadsvernieuwing en steden in Europa en de wereld; verzoekt derhalve om benadrukking van de rol van cultuur en de bescherming en bevordering van culturele uitingen in het voorstel voor een nieuwe Europese consensus voor ontwikkeling;

75.  verlangt dat de internationale culturele betrekkingen sterker tot uitdrukking komen in de discussies over "migratie" en het vluchtelingenbeleid; dringt erop aan dat de EU, wier sterke punt eenheid in diversiteit is, een evenwichtige aanpak volgt waarbinnen culturele verschillen geëerbiedigd worden en de diaspora een cruciale rol speelt; benadrukt dat cultuur als brug moet fungeren voor wederzijds begrip, zodat mensen in betere harmonie met elkaar kunnen samenleven;

76.  erkent dat de EU ook actief is in specifieke omgevingen waarin de politieke context en de juridische kaders om te profiteren van culturele betrekkingen vijandig en repressief zijn; beseft dat de EU in derde landen vaak last heeft van de gevolgen van onnauwkeurige, partijdige en subjectieve informatie en het doelwit is van regelrechte propaganda; verzoekt in dit verband om speciale maatregelen en passende acties;

77.  verzoekt de EU en de lidstaten om de middelen voor toegang tot onderwijs en cultuur te versterken, met name voor minderjarige migranten en vluchtelingen in de EU en in derde landen; vraagt om steun voor "onderwijscorridors" voor studenten aan universiteiten in de EU (ook in samenwerking met telematische universiteiten), waarbij de taalkundige en culturele diversiteit altijd in acht moet worden genomen;

78.  verzoekt de Commissie en de EDEO om de culturele betrekkingen met de directe buurlanden van de EU te stimuleren, zodat concrete maatregelen worden genomen die stimulansen bieden voor de interculturele dialoog(23) en voor het aanpakken van kwesties als migratie, veiligheid en radicalisering waarvoor de EU zich geplaatst ziet;

79.  adviseert de EU samen te werken met alle relevante, op dit gebied actieve instellingen en lokale partners met het oog op het bereiken van haar doelen op het gebied van internationale culturele betrekkingen, zowel door middel van multilaterale samenwerking binnen internationale organisaties als via partnerschappen met belangrijke actoren ter plaatse;

80.  verzoekt de Commissie en de EDEO sterker samen te werken in het kader van het uitgebreide partiële akkoord van de Raad van Europa inzake culturele routes, een institutioneel hulpmiddel voor versterking van de culturele betrekkingen aan de basis, ook met derde landen, met het oog op de bevordering van de fundamentele waarden culturele diversiteit, interculturele dialoog en duurzame territoriale ontwikkeling van minder bekende culturele bestemmingen, met behoud van het gedeelde culturele erfgoed;

81.  moedigt de EU aan om nauw samen te werken met alle landen die haar doelen en waarden delen, en die bereid zijn zich daarvoor in te zetten; benadrukt dat dit met name belangrijk is om tot een legitieme en stabiele aanpak te komen, zodat de EU erkend wordt als "mondiale speler";

o
o   o

82.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) http://ec.europa.eu/culture/library/publications/global-cultural-citizenship_en.pdf
(2) PB C 287 van 29.11.2007, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0441.
(4) http://www.coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/treaty/199
(5) PB C 320 van 16.12.2008, blz. 10.
(6) PB C 377E van 7.12.2012, blz. 135.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0005.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0403.
(9) PB C 463 van 23.12.2014, blz. 4.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0293.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0486.
(12) PB C 417 van 15.12.2015, blz. 41.
(13) PB C 346 van 21.9.2016, blz. 55.
(14) PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 32.
(15)  http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/563418/IPOL_STU(2016)563418_EN.pdf
(16) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/etudes/join/2013/513985/IPOL-CULT_ET(2013)513985_EN.pdf
(17) http://ec.europa.eu/dgs/fpi/showcases/eu_perceptions_study_en.htm
(18) Bijvoorbeeld Erasmus, Horizon 2020 en Creatief Europa.
(19) Zo is het in 1974 door het Parlement en de Commissie ingestelde bezoekersprogramma van de Europese Unie (EUVP) een individueel studieprogramma voor veelbelovende jonge leidinggevenden en opiniemakers uit landen van buiten de Europese Unie, met als motto ″Gemeenschappelijke EU‑waarden wereldwijd sinds 1974″.
(20) Directoraten-generaal van de Commissie (met name Onderwijs en Cultuur (EAC), Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DEVCO), Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen (NEAR), Onderzoek en Innovatie (RTD) en Communicatienetwerken, Inhoud en Technologie (CONNECT)), de EDEO, de Dienst instrumenten buitenlands beleid (FPI), EU‑delegaties, delegaties van de lidstaten, culturele instellingen van de lidstaten in het buitenland, de Raad van Europa, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, het EU‑netwerk van nationale instituten voor cultuur (EUNIC), de Internationale Raad van Musea (ICOM), het Internationaal Centrum voor de Studie tot het behoud en de restauratie van culturele goederen (ICCROM), de Unesco, internationale organisaties, organisaties van het maatschappelijk middenveld, non‑gouvernementele organisaties, plaatselijke culturele actoren, straatkunstenaars en andere platformen en netwerken.
(21) Bijvoorbeeld het door de EU gefinancierde programma Med Culture, dat tot doel heeft het cultuurbeleid en met de culturele sector verbonden praktijken te ontwikkelen en te verbeteren. Vanuit een participatieve benadering wordt samengewerkt door actoren uit het maatschappelijk middenveld, ministeries en publieke en private instellingen die werkzaam zijn op het gebied van cultuur en andere daarmee verbonden sectoren.
(22) Een suggestie is bijvoorbeeld de instelling van "ambassadeurs voor cultuur", die zich inzetten voor Europese integratie en internationale betrekkingen en deze ondersteunen (naar het voorbeeld van de ambassadeurs van goodwill van de VN). Dit kunnen kunstenaars, musici, schrijvers, enz. zijn.
(23) Bijvoorbeeld het door de EU gefinancierde project Young Arab Voice.


Aanbeveling aan de Raad betreffende de 72e zitting van de Algemene Vergadering van de VN
PDF 219kWORD 64k
Aanbeveling van 5 juli 2017 van het Europees Parlement aan de Raad betreffende de 72e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (2017/2041(INI))
P8_TA(2017)0304A8-0216/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de mensenrechtenverdragen van de VN alsmede de facultatieve protocollen daarbij,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name de artikelen 21, 34 en 36,

–  gezien de 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

–  gezien resoluties 1325 (2000), 1820 (2009), 1888 (2009), 1889 (2010), 1960 (2011), 2106 (2013), 2122 (2013) en 2242 (2015) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2017(1),

–  gezien het Jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie ter zake,

–  gezien zijn resolutie van 28 april 2016 over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)(2),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 7 juli 2016 over de 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 18 juli 2016 over de prioriteiten van de EU voor de 71e Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de herziene EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de deelname van de Europese Unie aan de werkzaamheden van de Verenigde Naties, waarin de EU het recht is verleend om te interveniëren in de Algemene Vergadering van de VN, mondeling voorstellen en amendementen in te dienen die op verzoek van een lidstaat in stemming zullen worden gebracht, en het recht op weerwoord uit te oefenen,

–  gezien de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten van 19 september 2016,

–  gezien resolutie A/71/L.48 van de Algemene Vergadering van de VN van 21 december 2016 tot instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door "ISIS/Da'esh"(4),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over de situatie in Noord-Irak/Mosul(5),

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0216/2017),

A.  overwegende dat het streven van de EU naar een effectief multilateralisme en een goed mondiaal bestuur, met de VN als kernelement, een integraal onderdeel vormt van het externe beleid van de EU en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem gebaseerd op universele regels en waarden de beste wijze is om wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden;

B.  overwegende dat verschillende nationalistische en protectionistische bewegingen in de wereld vraagtekens zetten bij de internationale orde die is gebaseerd op samenwerking, dialoog, vrije en eerlijke handel en mensenrechten;

C.  overwegende dat de EU een proactieve rol zou moeten spelen in de totstandbrenging van een VN die doeltreffend kunnen bijdragen aan mondiale oplossingen, vrede, veiligheid, mensenrechten, ontwikkeling, democratie en een internationale orde die gebaseerd is op de beginselen van de rechtsstaat; overwegende dat de EU-lidstaten zich moeten inspannen om hun optreden in de organen en instanties van het stelsel van de Verenigde Naties meer te coördineren en op elkaar af te stemmen overeenkomstig het in artikel 34, lid 1, VEU vastgestelde mandaat;

D.  overwegende dat de EU en haar lidstaten gezamenlijk nog altijd de grootste financiële bijdrage leveren aan het VN-bestel, in totaal bijna 50 % van alle bijdragen aan de VN, terwijl de EU-lidstaten ongeveer 40 % bijdragen aan de gewone begroting van de VN; overwegende dat de EU-bijdragen aan de VN meer zichtbaarheid moeten krijgen;

E.  overwegende dat de EU werkt aan de duurzaamheid van het milieu, met name in de strijd tegen de klimaatverandering, door zich in te zetten voor internationale maatregelen en acties voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en voor het duurzame beheer van natuurlijke rijkdommen;

F.  overwegende dat de EU een van de meest toegewijde beschermers en bevorderaars is van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, culturele waarden en diversiteit, democratie en de rechtsstaat;

G.  overwegende dat de veiligheidssituatie van de EU steeds instabieler en onzekerder wordt vanwege een groot aantal langdurige of nieuwe bedreigingen, waaronder gewelddadige conflicten, terrorisme, georganiseerde misdaad, propaganda en cyberoorlog, nooit geziene golven van vluchtelingen en migratiedruk en de gevolgen van klimaatverandering, die niet op nationaal niveau kunnen worden aangepakt en regionale en mondiale oplossingen en actieve en constructieve samenwerking vereisen;

H.  overwegende dat de EU en de VN een cruciale rol moeten spelen in de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 voor ontwikkeling om armoede uit te bannen en collectieve welvaart te creëren, ongelijkheden aan te pakken, een veiligere en meer rechtvaardige wereld te creëren, klimaatverandering te bestrijden en het milieu te beschermen; overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN heeft besloten dat de organisatie zich extra zal gaan inspannen om de nieuwe ontwikkelingsagenda uit te voeren;

1.  beveelt de Raad het volgende aan:

Vrede en veiligheid

Bestrijding van terrorisme

Non-proliferatie en ontwapening

Migratie

Mensenrechten, democratie en de rechtsstaat

Ontwikkeling

Klimaatverandering

De EU en de hervorming van het VN-bestel

   (a) te blijven oproepen tot de volledige eerbiediging van de soevereiniteit, internationaal overeengekomen grenzen en de territoriale integriteit van Oost-Europese landen en landen van de zuidelijke Kaukasus, met name Georgië, Moldavië en Oekraïne, gezien de schendingen van het internationaal recht in deze gebieden; de diplomatieke inspanningen voor een vreedzame en duurzame oplossing van deze lopende en zich voortslepende conflicten, evenals het conflict in de regio Nagorno-Karabach, te steunen en nieuw leven in te blazen evenals de inspanningen voor de inachtneming van de mensenrechten en territoriale integriteit, geweldloosheid, en gelijke rechten en zelfbeschikking voor de bevolking; de internationale gemeenschap ertoe aan te sporen het beleid om de illegale annexatie van de Krim niet te erkennen, volledig uit te voeren; actief druk uit te oefenen op Rusland, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, om in overeenstemming met de Minsk-akkoorden een oplossing te vinden voor het conflict in Oekraïne en de bezetting van de Georgische regio's Abchazië en Zuid-Ossetië; een geopolitieke balans na te streven waarin alle ambities van exclusieve invloedssferen worden verworpen;
   (b) steun te blijven verlenen aan de inspanningen van de VN om een alomvattende oplossing voor het beëindigen van de deling van Cyprus te bevorderen; benadrukt dat een oplossing van de Cypriotische kwestie een positief effect op de gehele regio en op zowel de Grieks-Cyprioten als de Turks-Cyprioten zou hebben; dringt er bij de Raad op aan al zijn middelen te benutten om de succesvolle afronding van het herenigingsproces te bevorderen en om de rol van de VN te ondersteunen;
   (c) steun te verlenen aan de door de VN geleide inspanningen om door middel van een overeenkomst tussen Skopje en Athene tot een oplossing te komen voor de kwestie van de naam van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;
   (d) alle lidstaten van de VN op te roepen alle noodzakelijke financiële en personele middelen beschikbaar te stellen om de lokale bevolking in gewapende conflicten, evenals vluchtelingen, te helpen en alle lidstaten van de VN op te roepen de financiële toezeggingen die zij aan de VN hebben gedaan, na te komen;
   (e) het nucleaire akkoord tussen Iran en de leden van de VN-Veiligheidsraad plus Duitsland te bekrachtigen als een belangrijk succes van de internationale, en in het bijzonder de EU-diplomatie en bij de Verenigde Staten te blijven aandringen op de praktische uitvoering van het akkoord;
   (f) alle instrumenten te gebruiken die de Raad tot zijn beschikking heeft om ervoor te zorgen dat het optreden van statelijke en niet-statelijke actoren in overeenstemming is met het internationaal humanitair recht (IHR); de inspanningen te ondersteunen die worden geleid door het Internationaal Comité van het Rode Kruis teneinde een effectief mechanisme tot stand te brengen voor een betere naleving van het IHR;
   (g) aan te dringen op krachtigere multilaterale toezeggingen om duurzame, blijvende politieke en vreedzame oplossingen te vinden voor de huidige conflicten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, met name in Syrië, Irak, Jemen en Libië; en om diplomatieke inspanningen nieuw leven in te blazen om bevroren conflicten in de wereld op te lossen; het werk, de acties en de initiatieven van de speciale gezanten van de VN gericht op het oplossen van deze conflicten te blijven ondersteunen; de internationale gemeenschap op te roepen humanitaire, financiële en politieke hulp te blijven geven om de humanitaire situatie te verbeteren, en zich in te spannen voor de onmiddellijke beëindiging van het geweld; elke schending van het internationaal humanitair recht en de internationale mensenrechtenrecht te voorkomen, met inbegrip van directe aanvallen op civiele infrastructuur en de burgerbevolking, en deze schendingen in Syrië ten strengste te veroordelen; er bij alle VN-lidstaten op aan te dringen alle noodzakelijke financiële en personele middelen vrij te maken om de bevolking in de conflictgebieden te helpen; de inspanningen van de VN om te komen tot een duurzame oplossing voor het conflict in Syrië en Irak te ondersteunen en de rol van de EU op humanitair gebied en het regionaal initiatief van de EU te steunen; de internationale gemeenschap aan te sporen te doen wat in haar macht ligt om de personen die verantwoordelijk zijn voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide tijdens het conflict in Syrië streng te veroordelen, op grond van nationale rechtsstelsels, in internationale rechtbanken of in ad-hoctribunalen; het initiatief van de VN tot een vredesplan in Jemen te ondersteunen en de aanhoudende humanitaire crisis met spoed aan te pakken; alle partijen op te roepen de mensenrechten en vrijheden van alle burgers van Jemen te eerbiedigen en het belang te onderstrepen van een grotere veiligheid van iedereen die deelneemt aan vredes- en humanitaire missies in het land; een beleid van toenadering tussen Iran en Saudi-Arabië aan te moedigen, hetgeen essentieel is om de regionale spanningen te verminderen en als stap op weg naar conflictoplossing in Jemen en elders; dergelijke acties verder aan te moedigen om de onderliggende oorzaken van terrorisme en extremisme, die een bedreiging vormen voor de internationale veiligheid en regionale stabiliteit, aan te pakken; op te roepen tot krachtigere ondersteuning van de door de VN gesteunde regering in Libië en een centrale rol te spelen in de stabilisering en het behoud van de eenheid en territoriale integriteit van Libië in het kader van het politieke akkoord over Libië; wederom te benadrukken dat het dringend noodzakelijk is alle strijdkrachten te verenigen onder het gezag van de legitieme civiele autoriteiten overeenkomstig het politieke akkoord over Libië; opnieuw zijn steun uit te spreken voor de inspanningen van de speciale VN-coördinator voor het vredesproces in het Midden-Oosten en de speciale vertegenwoordiger van de VN-secretaris-generaal voor de Westelijke Sahara om deze langdurige conflicten op te lossen; op te roepen tot de tenuitvoerlegging van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over het Midden-Oosten;
   (h) de interne Syrische onderhandelingen op basis van Resolutie 2254 (2015) van de VN-Veiligheidsraad te steunen; te benadrukken dat de partijen een kaderovereenkomst moeten nastreven waarin een politiek pakket is opgenomen, zodat een onderhandeld politiek overgangsproces kan worden uitgevoerd in overeenstemming met de duidelijke volgorde en doeltermijnen die worden uiteengezet in Resolutie 2254 (2015); te onderstrepen dat een duidelijke agenda is geformuleerd om dit doel te verwezenlijken, en dat deze agenda op vier pijlers is gebaseerd; zijn bezorgdheid uit te drukken over het feit dat de aanhoudende gevechten in Syrië de staakt-het-vurenovereenkomst ondermijnen die op 30 december 2016 in werking is getreden, met aanzienlijk negatieve gevolgen voor de veiligheid van Syrische burgers, de humanitaire toegang en het momentum van het politieke proces; zich achter de oproep te scharen van de speciale vertegenwoordiger van de VN-secretaris-generaal voor Syrië aan de staten die het staakt-het-vuren in Syrië moeten waarborgen, om onmiddellijk pogingen te doen de staakt-het-vurenovereenkomst te handhaven;
   (i) opvolging te geven aan het arrest van het Europees Hof van Justitie over de Westelijke Sahara;
   (j) ervoor te zorgen dat de Algemene Vergadering van de VN, in samenwerking met de EU en de VS, voorziet in alle instrumenten om te waarborgen dat een tweestatenoplossing, op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, waarbij een veilige staat Israël met veilige en erkende grenzen en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid, duurzaam en doeltreffend is;
   (k) te pleiten voor meer steun aan en zelfbeschikking van de Iraakse instellingen en te wijzen op de noodzaak om te streven naar een inclusievere samenleving en de herintegratie van alle etnische en religieuze minderheden die zijn ontheemd, onder meer in Noord-Irak, en na afloop van de militaire operatie in en rondom Mosul waar een vreedzame en inclusieve post-conflictoplossing moet worden gevonden; opnieuw te benadrukken hoe ontzettend belangrijk het is de bescherming van de burgers en de eerbiediging van het internationaal humanitair recht tijdens militaire operaties in Irak constant te waarborgen;
   (l) te blijven werken aan de grote veiligheidsbedreigingen in de Sahel, de Sahara, de Hoorn van Afrika, de Grote Meren en de regio rond het Tsjaadmeer, met als doel de terroristische dreiging van groeperingen die gelieerd zijn aan ISIL/Da'esh en Al Qaida, alsmede van Boko Haram en overige aanverwante terroristische groeperingen uit te roeien;
   (m) met de internationale gemeenschap als geheel te werken aan een oplossing voor de humanitaire en veiligheidscrises die het Afrikaanse continent bedreigen, met name in Somalië, Zuid-Sudan, Sudan, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Mali, Nigeria, Burundi en de regio van de Grote Meren in het algemeen; de VN-lidstaten aan te sporen meer steun te verlenen aan de steeds grotere rol en eigen capaciteiten van de Afrikaanse Unie op het vlak van bemiddeling en crisisbeheer en tegelijkertijd te streven naar complementariteit met de inspanningen van het VN-Bureau voor de ondersteuning van de vredesopbouw; te zorgen voor een snelle aanpassing van Monusco aan haar nieuwe mandaat en in het bijzonder voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst van 31 december 2016;
   (n) de internationale gemeenschap op te roepen de inspanningen te bundelen om de huidige crisis in de Democratische Republiek Congo te beheersen en een ineenstorting van het staatsapparaat in het land te voorkomen;
   (o) aan te dringen op het belang van een grotere investering in conflictpreventie, rekening houdend met factoren als politieke of religieuze radicalisering, verkiezingsgeweld, bevolkingsverschuivingen of de klimaatverandering;
   (p) de aandacht van de VN-leden, en in het bijzonder de leden van de VN-Veiligheidsraad, te vestigen op de toegenomen spanningen tussen bepaalde landen in de westelijke Balkan; er bij hun leiders op aan te dringen terughoudend te zijn in hun regionaal beleid en de EU en de VN met klem te vragen volledig betrokken te blijven bij de zoektocht naar blijvende oplossingen voor bilaterale verschillen, en waar nodig op te treden als bemiddelaar; de acties van Rusland in de Westelijke Balkan te veroordelen, aangezien deze het fragiele hervormingsproces in de landen van de regio destabiliseren en hun ambities om zich aan te sluiten bij de Europese Unie en de NAVO ondermijnen;
   (q) de VN verder aan te moedigen om zich in te spannen voor het vredesproces in Afghanistan, zodat het fragiele veiligheidsklimaat in het land kan worden overwonnen;
   (r) de acties van het Noord-Koreaanse regime scherp te veroordelen omdat die acties een bedreiging vormen voor de vrede en de veiligheid op het Koreaans schiereiland en daarbuiten; China, als permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, aan te moedigen verdere druk uit te oefenen op het Noord-Koreaanse regime om zijn agressieve acties, die een bedreiging vormen voor de regionale en internationale veiligheid, te de-escaleren; een krachtig antwoord te formuleren en uit te voeren, ondersteund door brede en voldoende robuuste internationale consensus, teneinde het Noord-Koreaanse regime ervan te weerhouden verder te gaan met het ontwikkelen van vijandige kernwapens en het verrichten van liquidaties, aanslagen en ontvoeringen buiten zijn grondgebied;
   (s) er bij de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de VN op aan te dringen de spanningen in de Zuid-Chinese Zee te bespreken, met de intentie alle betrokken partijen samen te brengen om de onderhandelingen over een gedragscode te beëindigen;
   (t) verheugd te zijn over Resolutie 2307 (2016) die is aangenomen door de VN-Veiligheidsraad en de regering en de bevolking van Colombia te feliciteren met hun inspanningen voor vrede;
   (u) de steun van de lidstaten voor VN-vredeshandhavings- en vredesopbouwoperaties die een mensenrechtencomponent en duidelijke exitstrategieën omvatten te vergroten, met name door personeel en uitrusting te leveren, en de rol van de EU als facilitator in dit verband te versterken; te zorgen voor grotere zichtbaarheid van deze steun en bijdrage; nadere procedures uit te werken om het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU in te schakelen ter ondersteuning van VN-operaties en tegelijkertijd aandacht te besteden aan de verschillende dimensies van complexe crisisbeheersing, zoals mensenrechten, duurzame ontwikkeling en de onderliggende oorzaken van massale migratie; zich te scharen achter de hervorming van het gebruik van het vetorecht door de VN-Veiligheidsraad in gevallen waarin er bewijs is dat er oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid plaatsvinden;
   (v) de SGVN te ondersteunen bij zijn inspanningen om de betrokkenheid van de VN bij vredesonderhandelingen te vergroten;
   (w) de volledige tenuitvoerlegging van de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid te steunen; op te roepen tot de bevordering van de gelijke en volledige deelname van vrouwen als actieve spelers; een actieve deelname van vrouwen aan conflictpreventie en -oplossing en in de strijd tegen gewelddadig extremisme te bevorderen; eraan te herinneren dat seksueel geweld, zoals verkrachting, als oorlogstactiek wordt gebruikt en derhalve een oorlogsmisdaad is; ervoor te zorgen dat er veilige medische bijstand is voor gevallen van verkrachting tijdens een oorlog; aan te dringen op versterking van de bescherming van vrouwen en meisjes in conflictsituaties, vooral wat betreft seksueel geweld, ter ondersteuning en versterking van de internationale inspanningen in het kader van de VN om een einde te maken aan de inzet van kinderen in gewapende conflicten en om ervoor te zorgen dat genderanalyse en gender en mensenrechten worden geïntegreerd in alle activiteiten van de VN; op te roepen tot de ontwikkeling van indicatoren om vorderingen te meten met betrekking tot de deelname van vrouwen aan de opbouw van vrede en veiligheid;
   (x) urgent en onverwijld aandacht te besteden aan alle aspecten van het evaluatierapport van de VN van 15 mei 2015 over handhavings- en bijstandsinspanningen ter bestrijding en voorkoming van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik door VN- en aanverwant personeel bij vredeshandhavingsoperaties, en functionerende en transparante mechanismen voor overzicht en verantwoording in te voeren voor vermeende misbruiken; onderzoek te voeren naar al het militaire en civiele personeel dat zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel geweld en hen te vervolgen en veroordelen;
   (y) de rol van R2P te versterken als belangrijk beginsel bij de werkzaamheden van de VN-lidstaten op het gebied van conflictoplossing, mensenrechten en ontwikkeling; steun te blijven verlenen aan de inspanningen om het R2P-concept in de praktijk te brengen en de VN te ondersteunen om een cruciale rol te blijven spelen inzake het bijstaan van landen bij de toepassing van dat beginsel teneinde ervoor te zorgen dat de rechtsstaat en het internationaal humanitair recht worden geëerbiedigd; een brede definitie van het begrip menselijke veiligheid en het beginsel van de verantwoordelijkheid tot bescherming te bevorderen;
   (z) alle VN-lidstaten aan te sporen om het Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens te ondertekenen en te ratificeren;
   (aa) publiekelijk en uitgebreid in debat te treden met alle leden van de Algemene Vergadering van de VN over het belang van het eerbiedigen van de grondwettelijke grenzen aan de presidentiële mandaten in de wereld;
   (ab) terrorisme nogmaals ondubbelzinnig te veroordelen en opnieuw zijn volledige steun uit te spreken voor maatregelen die gericht zijn op het verslaan en uitroeien van terroristische organisaties, met name ISIL/Da'esh, die een onmiskenbare bedreiging voor de regionale en internationale veiligheid vormt; benadrukt dat alle maatregelen die in de strijd tegen het terrorisme worden genomen, volledig in lijn moeten zijn met het internationaal humanitair recht en het internationale recht inzake de mensenrechten;
   (ac) de VN te ondersteunen in hun inspanningen om terrorismebestrijding een kernelement van hun preventieagenda te maken, overeenkomstig de inspanningen van de EU ten aanzien van preventieve maatregelen om terrorisme te bestrijden en gewelddadig extremisme tegen te gaan; de gezamenlijke inspanningen van de EU en de VN in de strijd tegen de oorzaken van extreem geweld en terrorisme, de bestrijding van hybride dreigingen en ontwikkeling van onderzoek en capaciteitsopbouw op het gebied van cyberdefensie, kracht bij te zetten; onderwijs te bevorderen als een belangrijk instrument om gewelddadig extremisme te voorkomen en uit te gaan van de bestaande initiatieven voor vredesopbouw die zijn opgezet door de lokale actoren om benaderingen voor de bestrijding van radicalisering en de rekrutering van terroristen te bedenken, uit te voeren en te ontwikkelen, en tegelijkertijd internationale acties te bevorderen die geweldplegers voor de rechter brengen; steun te verlenen aan een grotere bijdrage van de EU aan de initiatieven van de VN voor capaciteitsopbouw in het kader van de strijd tegen buitenlandse strijders en gewelddadig extremisme;
   (ad) meer inspanningen te leveren om rekrutering tegen te gaan en terroristische propaganda te bestrijden, die niet alleen plaatsvindt op socialemediaplatforms, maar ook via netwerken van geradicaliseerde haatpredikers; acties te ondersteunen ter versterking van de spankracht van gemeenschappen die het doelwit zijn van extremistische propaganda en vatbaar zijn voor radicalisering, onder meer door de economische, sociale, culturele en politieke oorzaken ervan aan te pakken; beleid ter bestrijding van radicalisering en met het oog op deradicalisering te ondersteunen in overeenstemming met het VN-actieplan ter voorkoming van gewelddadig extremisme; eraan te herinneren dat de bevordering en bescherming van mensenrechten en de eerbiediging van de rechtsstaat belangrijke elementen zijn in het beleid voor de bestrijding van terrorisme;
   (ae) met de Algemene Vergadering van de VN samen te werken inzake de bestrijding van terrorismefinanciering, mechanismen voor het aanwijzen van terroristische personen en organisaties op te zetten en mechanismen voor de bevriezing van tegoeden op wereldschaal te versterken en hierbij de internationale normen voor een eerlijk proces en de rechtsstaat te handhaven;
   (af) de doeltreffendheid van de internationale politie-, juridische en justitiële samenwerking in de strijd tegen terrorisme en grensoverschrijdende misdaad te vergroten; is in dit opzicht verheugd over Resolutie 2322 (2016) van de VN-Veiligheidsraad en benadrukt dat het noodzakelijk is het proces van internationale justitiële samenwerking te versnellen, de bestaande mechanismen voor internationale politiesamenwerking te versterken en het netwerk van contacten tussen centrale en justitiële autoriteiten bij te werken;
   (ag) steun te verlenen aan de inspanningen van de VN om te voorkomen dat niet-overheidsactoren en terroristische groeperingen massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor ontwikkelen, produceren, verwerven of overdragen; aan te dringen op de volledige naleving van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV), het Verdrag inzake chemische wapens en het Verdrag inzake biologische wapens en actief stappen te ondernemen ten behoeve van de wereldwijde ontwapening;
   (ah) zich in te zetten voor de volledige tenuitvoerlegging van het Wapenhandelsverdrag (WHV) en alle VN-lidstaten ertoe aan te sporen dit verdrag te ondertekenen en te bekrachtigen;
   (ai) werk te maken van doeltreffender optreden tegen het doorsluizen van en de illegale handel in wapens en munitie, met inbegrip van handvuurwapens en lichte wapens, met name door een wapentraceringssysteem te ontwikkelen; de VN-leden te vragen om actief stappen te ondernemen ten behoeve van de wereldwijde ontwapening;
   (aj) speciale aandacht te besteden aan de technologische vooruitgang op het gebied van de militarisering van de robotica en in het bijzonder bewapende robots en drones en de mate waarin zij in overeenstemming zijn met het internationaal recht; een juridisch kader te creëren voor drones en bewapende robots in overeenstemming met het bestaande internationaal humanitair recht, om te voorkomen dat deze technologie door statelijke en niet-statelijke actoren wordt misbruikt voor illegale activiteiten;
   (ak) op te roepen tot versterking van de mondiale reactie op migratie, door voort te bouwen op de succesvolle bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de aanpak van grootschalige bewegingen van vluchtelingen en migranten van 19 september 2016 en in te gaan op de uitdagingen en veiligheidskwesties die samenhangen met aspecten van illegale migratie, zoals mensensmokkel en mensenhandel, alsmede door inspanningen te leveren voor het scheppen van legale migratiemogelijkheden; benadrukt het belang van een doeltreffende en dringende toezegging om de onderliggende oorzaken van de humanitaire crisis en ongekende migratie- en vluchtelingenstromen aan te pakken;
   (al) zich in te zetten voor meer steun voor het werk van het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) bij de tenuitvoerlegging van zijn internationaal mandaat om vluchtelingen, met inbegrip van kwetsbare groepen als vrouwen, kinderen en mensen met een handicap, te beschermen; de aanzienlijke financieringskloof tussen de budgettaire behoeften van het UNHCR en de ontvangen middelen te benadrukken en aan te dringen op meer wereldwijde solidariteit; te pleiten voor de toewijzing van meer middelen uit de reguliere begroting van de VN voor de kerntaken van het UNHCR, teneinde zijn werking te waarborgen; op te roepen tot politiek engagement, financiering en concrete daden van solidariteit ter ondersteuning van de Verklaring van New York inzake vluchtelingen en migranten;
   (am) te pleiten voor de rechten van lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender- en interseksuele (LGBTI) mensen en deze te beschermen; op te roepen tot intrekking van wetgeving in VN-lidstaten waarin mensen op grond van seksualiteit of genderidentiteit strafbaar worden gesteld en internationale actie te bevorderen om homofobe en transfobe haatmisdrijven te bestrijden;
   (an) de beginselen van vrijheid van mening en meningsuiting, zoals genoemd in artikel 19 van de Universele verklaring van de rechten van de mens, te bevorderen en eerbiedigen en te benadrukken hoe belangrijk persvrijheid is voor een gezonde maatschappij en de rol van elke burger daarbij;
   (ao) op te roepen tot een versterking van de stelsels voor de bescherming van het kind en concrete maatregelen te steunen in het belang van minderjarige vluchtelingen en migranten, op basis van het Verdrag inzake de rechten van het kind;
   (ap) te vragen dat er meer inspanningen worden geleverd ter voorkoming van irreguliere migratie en ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, in het bijzonder door de strijd tegen criminele netwerken via de snelle en doeltreffende uitwisseling van relevante inlichtingen; de methoden te verbeteren om slachtoffers te identificeren en te beschermen en de samenwerking met derde landen te versterken om de opbrengsten van criminele activiteiten in deze sector op te sporen, in beslag te nemen en in te vorderen; op VN-niveau te hameren op het belang van de ratificatie en volledige uitvoering van het VN-Verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de bijbehorende protocollen tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, en inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel;
   (aq) er bij alle landen, met inbegrip van de EU-lidstaten, op aan te dringen het facultatieve protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten houdende de vaststelling van klachten- en onderzoeksmechanismen snel te ratificeren;
   (ar) alle landen, en in het bijzonder alle EU-lidstaten, op te roepen om actief deel te nemen aan de onderhandelingen bij de UNHCR in Genève voor een internationaal bindend verdrag over grensoverschrijdende ondernemingen en mensenrechten;
   (as) klaar en duidelijk te herhalen dat alle door VN-verdragen beschermde mensenrechten universeel, ondeelbaar, van elkaar afhankelijk en met elkaar verbonden zijn en dat de eerbiediging ervan moet worden afgedwongen; betere bescherming te eisen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden op alle gebieden, onder meer in de context van nieuwe technologieën; door te gaan met het aanmoedigen van alle VN-lidstaten om de verschillende mensenrechtenverdragen te ondertekenen, ratificeren en ten uitvoer te leggen en te voldoen aan hun rapportageverplichtingen uit hoofde van deze instrumenten; te pleiten voor de bescherming van de vrijheid van mening en meningsuiting; het belang van vrije media te benadrukken;
   (at) alle VN-lidstaten te verzoeken de aanbevelingen van de speciale rapporteur van de VN voor hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante onverdraagzaamheid uit te voeren; activiteiten ter ondersteuning van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen, versterken en mainstreamen; op te roepen tot verdere versterking van de positie van vrouwen en meisjes, versterking van het leiderschap en de deelname van vrouwen op alle niveaus van de besluitvorming, met een bijzondere aandacht voor de inclusie van vrouwen uit minderheidsgroepen; op te roepen tot de uitbanning van alle vormen van geweld en discriminatie tegen vrouwen en meisjes, door ook rekening te houden met discriminatie op basis van genderidentiteit en genderexpressie; de rechten van het kind te bevorderen, met name door ervoor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot onderwijs en door te zorgen voor de rehabilitatie en re-integratie van kinderen die ingelijfd zijn bij gewapende groeperingen, door kinderarbeid, foltering, het probleem van kinderen die van hekserij worden beschuldigd, kinderhandel, kindhuwelijken en seksuele uitbuiting uit te bannen; verdere maatregelen tegen de schending van LGBTI-rechten actief te steunen; nauwkeurige monitoring te steunen van de situatie van LGBTI en LGBTI-mensenrechtenverdedigers in landen met anti-LGBTI-wetten;
   (au) te blijven ijveren voor de vrijheid van godsdienst en overtuiging; te pleiten voor meer inspanningen voor de bescherming van de rechten van religieuze en andere minderheden; aan te dringen op een betere bescherming van religieuze en etnische minderheden tegen vervolging en geweld; op te roepen tot de intrekking van wetten waarin godslastering of geloofsafval strafbaar wordt gesteld en die als voorwendsel dienen voor de vervolging van religieuze minderheden en niet-gelovigen; steun te verlenen aan de werkzaamheden van de speciale rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; er actief naar te streven dat de door ISIL/Da'esh gepleegde genocide tegen religieuze, etnische en overige minderheden door de VN wordt erkend en dat zaken van vermoedelijke misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en volkerenmoord naar het Internationaal Strafhof (ICC) worden verwezen; steun te verlenen aan het werk van de VN tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, massa-executies en executies voor onder andere drugsgerelateerde misdrijven;
   (av) nogmaals duidelijk te maken dat elke vorm van geweld, pesterij, intimidatie of vervolging van mensenrechtenverdedigers, klokkenluiders, journalisten of bloggers ondubbelzinnig wordt veroordeeld; te pleiten voor de benoeming van een speciaal vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor de veiligheid van journalisten;
   (aw) te herinneren aan de verplichting van de Algemene Vergadering van de VN om bij de verkiezing van de leden van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) rekening te houden met de eerbied van de kandidaten voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie; te verzoeken om de vaststelling van duidelijke criteria op basis van de prestatie op het gebied van de mensenrechten voor lidmaatschap van de UNHRC;
   (ax) de rol van het ICC en de internationale strafrechtspraak te versterken om de verantwoordingsplicht te bevorderen en een einde te maken aan straffeloosheid; alle VN-lidstaten op te roepen zich bij het ICC aan te sluiten door zo spoedig mogelijk het Statuut van Rome te ratificeren, en aan te sporen tot ratificatie van de in Kampala overeengekomen wijzigingen; het Strafhof te voorzien van een krachtige diplomatieke, politieke en financiële ondersteuning;
   (ay) te verwijzen naar het onverbiddelijk afwijzende standpunt van de EU ten aanzien van de doodstraf; vast te houden aan zijn grote toewijding ten aanzien van de bevordering van de afschaffing van de doodstraf wereldwijd; op te roepen tot een moratorium op het gebruik van de doodstraf en zich verder in te spannen voor de algehele afschaffing ervan; een initiatief te lanceren voor de bevordering van een internationaal kader ter bestrijding van martelinstrumenten en de doodstraf, en hierbij voort te borduren op de met Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad opgedane ervaring op dit gebied;
   (az) aan te dringen op meer engagement bij de bevordering van de rechtsstaat, een transversale kwestie die het cement vormt tussen de drie pijlers van de VN: vrede en veiligheid, mensenrechten en ontwikkeling; samen te werken met de hoge commissaris voor de mensenrechten van de VN om de Venezolaanse autoriteiten met klem te verzoeken alle politieke gevangenen vrij te laten en de scheiding van de machten te eerbiedigen;
   (ba) steun te verlenen aan de inspanningen van de VN om een internationaal kader voor sport en mensenrechten in het leven te roepen, om de preventie en monitoring van en de beschikbaarstelling van rechtsmiddelen voor mensenrechtenschendingen in verband met massieve sportevenementen te faciliteren;
   (bb) het werk van de hoge commissaris voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties voor het verbeteren van de verantwoording en toegang tot rechtsmiddelen voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen door ondernemingen verder te steunen, om zo bij te dragen aan een eerlijk en effectiever stelsel van nationale rechtsmiddelen, met name in gevallen van grove mensenrechtenschendingen in de zakelijke sector; alle regeringen te verzoeken hun plicht te doen met betrekking tot het waarborgen van de eerbiediging van mensenrechten en toegang tot de rechter voor slachtoffers die bij die toegang op nationaal en internationaal niveau praktische en juridische problemen ondervinden in het geval van mensenrechtenschendingen door bedrijven;
   (bc) de leidende rol te benadrukken die de EU heeft gespeeld in het proces dat heeft geleid tot goedkeuring van de agenda voor duurzame ontwikkeling voor 2030 (Agenda 2030) en de zeventien doelstellingen voor duurzame ontwikkeling door de algemene vergadering van de VN in september 2015; concrete stappen te nemen om te zorgen voor een doelmatige tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 en de 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling als belangrijke instrumenten voor preventie en duurzame ontwikkeling; te werken aan het verbeteren van het leven van toekomstige generaties en landen aan te sporen en te ondersteunen om zelf verantwoordelijkheid te nemen en nationale kaders vast te stellen om de 17 doelstellingen te bereiken; de VN-lidstaten aan te sporen om hun toezeggingen op het gebied van uitgaven voor ontwikkelingshulp na te komen en aan te dringen op de vaststelling van een solide kader van indicatoren en het gebruik van statistische gegevens om de vooruitgang te volgen en de verantwoordingsplicht te waarborgen voor de beoordeling van de situatie van de ontwikkelingslanden, de vooruitgang te monitoren en de verantwoordingsplicht te waarborgen; dringt erop aan dat, om de realiteit in ontwikkelingslanden preciezer te evalueren, op doeltreffende wijze te strijden tegen armoede en duurzame ontwikkeling te bevorderen, in het bijzonder in het geval van middeninkomenslanden, niet alleen aandacht moet worden besteed aan het bbp, maar ook aan andere indicatoren; grensoverschrijdende initiatieven na te streven voor de bevordering en bescherming van de rechten van vrouwen; op te roepen tot de volledige tenuitvoerlegging van het actieprogramma van Peking en het actieprogramma van de ICPD en de beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling (PCSD);
   (bd) inspanningen te blijven leveren om beleidscoherentie voor ontwikkeling te bewerkstelligen voor al het EU-beleid, aangezien dit cruciaal is voor het realiseren van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en op VN-niveau aan te dringen op grotere beleidscoherentie in overeenstemming met doel 17.14; zich te scharen achter het initiatief van de VN om zich meer in te spannen om geïntegreerde en gecoördineerde beleidsondersteuning te bieden voor de uitvoering van de Agenda 2030 en dientengevolge een VN-ontwikkelingssysteem te bevorderen dat op meer geïntegreerde wijze werkt, door middel van een betere samenwerking tussen agentschappen en de gezamenlijke uitvoering van projecten, in het bijzonder om de koppeling tussen veiligheid en ontwikkeling te versterken; een beroep te doen op de VN om capaciteitsopbouw en behoorlijk bestuur systematisch in ontwikkelingsstrategieën voor de lange termijn te integreren met het oog op de uitroeiing van armoede en honger, het voorkomen van conflicten en het doeltreffend opbouwen van weerbaarheid teneinde een ecologisch, economisch en sociaal duurzame ontwikkeling te bevorderen, sociale ongelijkheden te bestrijden en humanitaire hulp te verlenen aan bevolkingen; te benadrukken dat toegang tot een veilige, betrouwbare en betaalbare watervoorziening en adequate sanitaire diensten de levensstandaard verhoogt, lokale economieën doet groeien en het scheppen van waardigere banen bevordert;
   (be) erop aan te dringen dat het politiek forum op hoog niveau inzake duurzame ontwikkeling het belangrijkste besluitvormingsorgaan voor het samenhangend, efficiënt en inclusief proces voor follow-up en evaluatie van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling moet worden; de aanzienlijke rol te erkennen die de organisaties van het maatschappelijk middenveld en lokale actoren spelen in de geslaagde uitvoering van de Agenda 2030 en het realiseren van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; de instrumentele rol en impact te erkennen van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling voor de internationale vrede en veiligheid;
   (bf) ervoor te zorgen dat de EU het voortouw blijft nemen in de strijd tegen de klimaatverandering, en op dit gebied met de VN blijft samenwerken; een beroep te doen op alle VN-leden om het Verdrag van Parijs te bekrachtigen en te zorgen voor een snelle tenuitvoerlegging van de besluiten die zijn genomen op de VN-conferentie over klimaatverandering in 2015;
   (bg) nauw samen te werken met kleine eilandstaten en andere landen die het meest worden geconfronteerd met de ernstigste gevolgen van klimaatverandering om te garanderen dat hun stem in de verschillende VN-fora wordt gehoord en er rekening wordt gehouden met hun behoeften;
   (bh) de EU-lidstaten te vragen hun handelen binnen de organen en instellingen van het bestel van de Verenigde Naties te coördineren en verder samen te werken om meer te halen uit de status van waarnemer die de EU heeft bij bepaalde suborganisaties van de VN; de communicatie te verbeteren en te waarborgen dat de standpunten van de lidstaten op EU-niveau nog beter worden gecoördineerd; te streven naar de afstemming van standpunten met kandidaatlidstaten, partnerlanden en andere gelijkgestemde staten;
   (bi) werk te maken van een verbeterde internationale samenwerking op fiscaal gebied door steun te verlenen aan de oprichting van een internationaal belastingorgaan binnen het VN-bestel; belastingontduiking en het witwassen van geld tegen te gaan door middel van de wereldwijde automatische uitwisseling van fiscale informatie en de opstelling van een gemeenschappelijke mondiale zwarte lijst van belastingparadijzen;
   (bj) actief ondersteuning te bieden bij een grondige hervorming van de VN-Veiligheidsraad op basis van een brede consensus om de nieuwe werkelijkheid in de wereld beter te weerspiegelen en op doeltreffender wijze een antwoord te bieden op de huidige en toekomstige uitdagingen op het gebied van de veiligheid; de langetermijndoelstelling dat de EU een zetel krijgt in een hervormde VN-Veiligheidsraad, te steunen; er bij de leden van de VN-Veiligheidsraad op aan te dringen hun vetorecht niet te gebruiken in gevallen waarin misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd; zich in te spannen om het werk van de Algemene Vergadering van de VN nieuw leven in te blazen en een betere coördinatie en samenhang van het optreden van alle instellingen van de VN te bevorderen, wat voor meer efficiëntie, doeltreffendheid, legitimiteit, transparantie, verantwoording, capaciteit en representativiteit van het systeem moet zorgen, teneinde sneller te kunnen reageren op mondiale uitdagingen;
   (bk) de hervormingsagenda van de recentelijk verkozen secretaris-generaal van de VN sterk te steunen; een hervorming aan te moedigen van de VN-architectuur voor vrede en veiligheid en van de werking van de architectuur van het secretariaat door middel van vereenvoudiging, decentralisatie en flexibiliteit en het stroomlijnen van de financiële organisatie; een doeltreffend systeem op te richten voor de bescherming van VN-klokkenluiders;
   (bl) de inspanningen te ondersteunen van de secretaris-generaal om meer vrouwen te benoemen in seniormanagementfuncties op het hoofdkantoor van de VN;
   (bm) een debat aan te moedigen over de rol van parlementen en regionale vergaderingen in het VN-bestel en over het instellen van een parlementaire vergadering van de Verenigde Naties om het democratische profiel en het interne democratische proces van de organisatie te versterken en het wereldwijde maatschappelijk middenveld de kans te geven rechtstreeks betrokken te zijn bij het besluitvormingsproces;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en, ter informatie, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0089.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0201.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0317.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0051.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0422.


Ontwerpen van een ambitieuze industriële strategie van de EU als strategische prioriteit voor groei, banen en innovatie in Europa
PDF 180kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2017 over het ontwikkelen van een ambitieuze industriestrategie van de EU als strategische prioriteit voor groei, banen en innovatie in Europa (2017/2732(RSP))
P8_TA(2017)0305RC-B8-0440/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 9, 151, 152, 153, leden 1 en 2, en 173,

–  gezien de artikelen 14, 27 en 30 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het VWEU en het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name artikel 5, lid 3, VEU en Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2010 getiteld "Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid" (COM(2010)0682),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld "Voor een heropleving van de Europese industrie" (COM(2014)0014),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 getiteld "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

–  gezien de politieke beleidslijnen van voorzitter Juncker "Een nieuwe start voor Europa: mijn agenda voor banen, groei, billijkheid en democratische verandering",

–  gezien zijn resolutie van 5 oktober 2016 over de behoefte aan een Europees herindustrialiseringsbeleid in het licht van de recente Caterpillar- en Alstom-zaken(2),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 december 2016 en van 23 juni 2017,

–  gezien de conclusies van de Raad over de agenda voor het concurrentievermogen van de industrie, over de digitale transformatie van het Europese bedrijfsleven en over het pakket "Technologieën van de digitale eengemaakte markt en modernisering van overheidsdiensten",

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over een industriebeleid in een tijd van mondialisering(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 april 2016 getiteld "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven – De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten" (COM(2016)0180),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over de digitalisering van de Europese industrie(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 29 mei 2017 over een toekomstige EU-strategie voor het industriebeleid,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, die het Europees Parlement op 4 oktober 2016 heeft bekrachtigd,

–  gezien de vraag aan de Commissie over "Werken aan een ambitieuze industriestrategie voor de EU als een strategische prioriteit voor groei, werkgelegenheid en innovatie in Europa" (O-000047/2017 – B8-0319/2017),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese industrie wereldleider is in tal van industriële sectoren, goed is voor meer dan de helft van de uitvoer van de EU, ongeveer 65 % van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling en meer dan 50 miljoen arbeidsplaatsen (zowel direct als indirect, in totaal 20 % van alle banen in de Unie);

B.  overwegende dat de bijdrage van de Europese verwerkende industrie aan het bbp van EU de afgelopen 20 jaar echter is geslonken van 19 % tot minder dan 15,5 %, terwijl ook haar bijdrage aan banen en investeringen in onderzoek en ontwikkeling gedurende diezelfde periode is afgenomen;

C.  overwegende dat de versterking van de industriële basis van de EU dan ook essentieel is om deskundigheid en knowhow in de EU te houden;

D.  overwegende dat het beleid van de EU de Europese industrie in staat moet stellen haar concurrentievermogen en capaciteit te handhaven om te investeren in Europa en om sociale en milieu-gerelateerde uitdagingen, inclusief klimaatverandering, aan te pakken en een leider te blijven op het vlak van sociale en milieuverantwoordelijkheid;

E.  overwegende dat de circulaire economie een grote positieve weerslag kan hebben op de herindustrialisering van Europa, het verminderen van het energieverbruik en het verkleinen van de afhankelijkheid van grondstoffen uit derde landen, en overwegende dat investeringen in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie een sterke aanjager zijn van industriële vernieuwing die een positieve spiraal teweeg kan brengen;

F.  overwegende dat een ambitieus innovatiebeleid, dat de productie van kwalitatief hoogwaardige, innovatieve, energie-efficiënte producten stimuleert en dat duurzame productieprocessen bevordert, de EU in staat zal stellen haar mondiale concurrentiepositie te versterken; overwegende dat innovatie en investeringen in O&O, banen en vernieuwing van vaardigheden essentieel zijn voor duurzame groei; overwegende dat een innovatieve industrie sterk afhankelijk is van de onderzoekscapaciteit van de EU, vooruitgang op onderzoeksgebied en onderzoek in samenwerkingsverband in het bijzonder;

G.  overwegende dat de Europese zowel grootschalige als kleinschalige industrie te maken heeft met mondiale concurrentie en overwegende dat een geïntegreerde en goed functionerende interne markt en open en eerlijke handel met derde landen van essentieel belang zijn voor de EU-industrie, waarbij eerlijke handel in industriële producten in overeenstemming met de normen van de EU moet plaatsvinden;

H.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), die het overgrote deel van alle Europese bedrijven uitmaken en de ruggengraat van het Europese bedrijfsleven vormen, met grote uitdagingen kampen vanwege mondiale veranderingen in de economie en financiële en administratieve obstakels;

I.  overwegende dat vrouwelijke ondernemers slechts 31 % van de Europese zelfstandigen vertegenwoordigen en 30 % van de startende ondernemers, en momenteel ondervertegenwoordigd zijn in de industrie, met name wat betreft wetenschappelijke, technische en managementfuncties;

J.  overwegende dat meer dan 60 % van alle ondernemingen vandaag de dag familiebedrijven zijn en tot 50 % van alle banen in de particuliere sector in de Europese Unie leveren;

K.  overwegende dat de strategie ter ondersteuning van de digitalisering van de industrie van essentieel belang is voor het concurrentievermogen van de Europese economie;

L.  overwegende dat EU-financieringsinstrumenten en -programma's een strategische rol spelen bij het bevorderen van het concurrentievermogen en het aantrekken van investeringen in de EU, alsook bij het voorkomen van het wegvloeien van investeringen;

1.  onderstreept de essentiële rol van de industrie als katalysator van duurzame groei, werkgelegenheid en innovatie in Europa;

2.  benadrukt het belang om de industriële basis van de EU te moderniseren en herinnert aan het streefdoel van de EU, namelijk dat 20 % van het bbp van de Unie tegen 2020 gebaseerd moet zijn op industrie;

3.  dringt er bij de Commissie op aan om begin 2018 samen met de lidstaten een Uniestrategie en een actieplan te ontwikkelen voor een samenhangend en alomvattend industriebeleid dat gericht is op de herindustrialisering van Europa, met streefdoelen, indicatoren, maatregelen en tijdschema’s; dringt er bij de Commissie op aan deze strategie te baseren op een beoordeling van de gevolgen van het mainstreamen van het industriebeleid in de strategische beleidsinitiatieven van de EU en een uitvoerige dialoog met de belanghebbenden, en in al haar grote beleidsinitiatieven rekening te houden met het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de industrie; wijst erop dat deze Uniestrategie onder meer gebaseerd moet zijn op digitalisering, op een energie- en hulpbronnenefficiënte economie en op een benadering die uitgaat van de hele levenscyclus en de circulaire economie;

4.  is van mening dat het Europees regelgevingskader en publieke en private investeringen het bedrijfsleven in staat moeten stellen zich aan te passen aan en vooruit te lopen op deze veranderingen, teneinde bij te dragen aan nieuwe banen, groei, regionale convergentie en territoriale cohesie;

5.  onderstreept de rol van kmo's als ruggengraat van de EU-industrie en benadrukt de noodzaak om sterke waardeketens tussen kmo's, midcap-bedrijven en grotere ondernemingen te bevorderen, en de noodzaak om te streven naar een EU-industriebeleid dat aangepast is aan kmo's en de problemen aanpakt waarmee kmo's te kampen hebben; benadrukt de noodzaak om steun te verlenen aan de totstandbrenging van een ondernemingsvriendelijk klimaat door in de EU een gelijk speelveld te creëren voor alle kmo's, start-ups en scale-ups, jong ondernemerschap, in het bijzonder op de meest innovatieve gebieden, en ondernemingen van de sociale economie;

6.  benadrukt dat concurrentievermogensclusters, bedrijfsnetwerken en digitale-innovatiehubs een zeer nuttige oplossing zijn om belanghebbenden samen te brengen; dringt er bij de EU op aan overheidsinvesteringen in innovatie te ondersteunen, aangezien deze een strategisch belang dienen; verzoekt de Commissie deze clusters en hun samenwerking op Europees niveau te ondersteunen en daarbij de betrokkenheid van kmo's, onderzoekscentra en universiteiten op regionaal en lokaal niveau te waarborgen; dringt er bij de Commissie op aan platforms voor slimme specialisatie te ontwikkelen en daarbij intersectorale en interdisciplinaire contacten te bevorderen; benadrukt dat het noodzakelijk is de interregionale samenwerking te versterken om grensoverschrijdende mogelijkheden en transversale innovatie-allianties te ontwikkelen;

7.  verzoekt de Commissie aan te geven met welke uitdagingen en belemmeringen vrouwen geconfronteerd worden als zij ondernemer willen worden en vrouwelijk leiderschap, evenals manieren om ongelijkheid op het gebied van salaris en toegang tot functies aan te pakken, te bevorderen en te steunen;

8.  is ervan overtuigd dat de Europese industrie moet worden gezien als een strategische troef voor het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de EU; benadrukt dat alleen een sterke en veerkrachtige industrie en een toekomstgericht industriebeleid de EU in staat zullen stellen de verschillende uitdagingen die in het verschiet liggen het hoofd te bieden, zoals de duurzame herindustrialisering, mondiale concurrentie, snelle technologische vooruitgang, en het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid;

9.  benadrukt het belang van de energie-unie, de digitale eengemaakte markt, de digitale agenda en de connectiviteit van Europa door middel van een adequate, toekomstbestendige en efficiënte infrastructuur;

10.  benadrukt dat het voor de EU belangrijk is via herindustrialiseringsprocessen, en in het bijzonder onderzoek en digitalisering, de kwaliteit van Europese producten te bevorderen en daarmee het concurrentievermogen in Europa te vergroten;

11.  benadrukt dat, om de industrie van de Unie te steunen bij de uitdagingen van de snelle economische en regelgevende veranderingen in de geglobaliseerde wereld van vandaag, het van essentieel belang is om de Europese industrie aantrekkelijker te maken voor Europese en buitenlandse directe investeringen;

12.  wijst erop dat het belangrijk is tijdig een industriestrategie van de Unie vast te stellen en herinnert er in dit verband aan dat het noodzakelijk is in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) voldoende financiële middelen voor de industriesector te waarborgen, met name in de vorm van specifieke instrumenten en fondsen zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020, het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de Connecting Europe facility (CEF), en Cosme);

13.  herinnert aan de toezeggingen van de EU in het kader van de klimaatovereenkomst van Parijs; pleit ervoor in de industriestrategie van de EU doeltreffende financieringsinstrumenten en maatregelen op te nemen om het koolstofrisico te helpen verminderen en de risico's van koolstoflekkage aan te pakken;

14.  wijst erop dat het potentieel van de industrie, in het bijzonder op het vlak van milieutechnologieën, ten volle moet worden benut en dat ervoor moet worden gezorgd dat de bedrijven de beste beschikbare technieken en innovaties constant ontwikkelen en verspreiden;

15.  benadrukt dat het noodzakelijk is de administratieve lasten en nalevingskosten voor bedrijven, inclusief familiebedrijven, te beperken, waarbij de doeltreffendheid van de EU-wetgeving inzake de bescherming van consumenten, de volksgezondheid, de veiligheid en het milieu wordt gewaarborgd;

16.  benadrukt het belang voor de EU-industrie van vrije en eerlijke internationale handel, op basis van gemeenschappelijke regels en gelijke randvoorwaarden; dringt aan op meer consistentie tussen het handelsbeleid en het industriebeleid, teneinde incoherentie, die kan leiden tot bedrijfsverplaatsingen en een verdere de-industrialisatie in de EU, te voorkomen;

17.  benadrukt dat moet worden verhinderd dat het EU-handelsbeleid concurrentieverstorende activiteiten in de hand werkt; benadrukt dat een coherente, met de WTO-regels verenigbare en doeltreffende antidumping- en antisubsidiestrategie voor de EU noodzakelijk is;

18.  beklemtoont dat de Europese industrie wordt geconfronteerd met mondiale concurrentie en verzoekt de Commissie daarom de geschiktheid van de marktbepalingen en de huidige EU-mededingingsregels te evalueren in het licht van de respectievelijke mondiale marktontwikkelingen en de opkomst van de rol van belangrijke nationale spelers in derde landen;

19.  verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de rol van in het buitenland gevestigde staatsbedrijven die door hun regeringen worden gesteund en gesubsidieerd op een manier die de EU-internemarktregels verbieden voor entiteiten in de EU;

20.  verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten een screening uit te voeren van directe buitenlandse investeringen in de EU in strategische bedrijfstakken, infrastructuur en belangrijke technologieën van de toekomst, of andere activa die belangrijk zijn voor de veiligheid en de bescherming van de toegang hiertoe, waarbij in het achterhoofd moet worden gehouden dat Europa in hoge mate afhankelijk is van directe buitenlandse investeringen;

21.  benadrukt dat er gecoördineerde EU-inspanningen nodig zijn, waarbij alle belanghebbenden, inclusief de sociale partners en academici, moeten worden geraadpleegd, ter bevordering van nieuwe vaardigheden alsook omscholing, bijscholing en een leven lang leren, zoals bepleit door de Commissie in haar Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen;

22.  herinnert aan de belangrijke rol van het normalisatiebeleid van de EU en pleit voor meer aandacht voor de leidersrol van de EU in internationale normalisatie-instellingen;

23.  wijst erop dat de Europese inspanningen om minder afhankelijk te worden van de hulpbronnen van derde landen moeten worden gecoördineerd door een viersporenaanpak:

   (a) eerlijke internationale markttoegang tot hulpbronnen
   (b) duurzame mijnbouw
   (c) innovaties op het vlak van technologische efficiëntie
   (d) de circulaire economie

24.  onderstreept dat een nieuwe strategie voor het industriebeleid moet zorgen voor een afstemming tussen verschillende beleidsterreinen en het industriebeleid – in de eerste plaats handel, milieu, onderzoek, gezondheid, investeringen, mededinging, energie, klimaat en de creatieve sector – zodat er één enkele samenhangende benadering tot stand komt;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 89.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0377.
(3) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 131.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0240.

Juridische mededeling