Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 13 september 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: Middelen onder direct beheer in het geïntegreerd maritiem beleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid
 Multilaterale overeenkomst tot instelling van een gemeenschappelijk Europees luchtruim (CEAS) ***
 Het onderwerpen van acryloylfentanyl aan controlemaatregelen *
 De politieke betrekkingen van de EU met India
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU voor bijstand aan Italië
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU voor bijstand aan Italië
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/002 FI/Microsoft 2
 Emissiehandelssysteem van de EU (EU-ETS): voorzetting van de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten en voorbereiding van de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 ***I
 Opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 ***I
 Uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen ***I
 Genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4
 Invoer van diervoeders en levensmiddelen welke afkomstig of verzonden zijn uit Japan na het ongeval met de kerncentrale in Fukushima
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3: begrotingsmiddelen voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; personeelsformaties van ACER en SESAR2
 Wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB
 De politieke betrekkingen van de EU met Latijns-Amerika
 Corruptie en mensenrechten in derde landen

Besluit om geen bezwaar te maken tegen een gedelegeerde handeling: Middelen onder direct beheer in het geïntegreerd maritiem beleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid
PDF 243kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de Gedelegeerde Verordening van de Commissie van 12 juni 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de verdeling van de middelen onder direct beheer over de doelstellingen van het geïntegreerd maritiem beleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid (C(2017)03881 – 2017/2743(DEA))
P8_TA(2017)0331B8-0496/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)03881),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 1 september 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien de brief van de Commissie visserij van 5 september 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad(1), met name artikel 14, lid 4, en artikel 126, lid 5,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad(2),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie visserij,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 12 september 2017 verstreek,

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.
(2) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.


Multilaterale overeenkomst tot instelling van een gemeenschappelijk Europees luchtruim (CEAS) ***
PDF 264kWORD 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 inzake het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Unie, van de Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interim-bestuur in Kosovo(1) betreffende de totstandbrenging van een Europese gemeenschappelijke luchtvaartruimte (ECAA) (15654/2016 – C8-0098/2017 – 2006/0036(NLE))
P8_TA(2017)0332A8-0260/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15654/2016),

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad inzake de ondertekening en voorlopige toepassing van de Multilaterale Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interim-bestuur in Kosovo(2) betreffende de totstandbrenging van een Europese gemeenschappelijke luchtvaartruimte (08823/2/2006),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0098/2017),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0260/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, de Republiek Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Servië, Roemenië en de Missie van de Verenigde Naties voor interim-bestuur in Kosovo.

(1)* Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
(2)* Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


Het onderwerpen van acryloylfentanyl aan controlemaatregelen *
PDF 242kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over het ontwerpuitvoeringsbesluit van de Raad betreffende het onderwerpen van N-(1-fenethylpiperidine-4-yl)-N-fenylacrylamide (acryloylfentanyl) aan controlemaatregelen (08858/2017 – C8-0179/2017 – 2017/0073(NLE))
P8_TA(2017)0333A8-0284/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (08858/2017),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (Nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0179/2017),

–  gezien Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen(1), en met name artikel 8, lid 3,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0284/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.


De politieke betrekkingen van de EU met India
PDF 195kWORD 57k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over de politieke betrekkingen van de EU met India (2017/2025(INI))
P8_TA(2017)0334A8-0242/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het strategisch partnerschap EU-India, dat in 2004 is gesloten, en het gezamenlijk actieplan voor de uitvoering van het strategisch partnerschap EU-India van 7 september 2005,

–  gezien de actieagenda EU-India 2020, die tijdens de 13e top EU-India werd aangenomen, en de gezamenlijke verklaring na deze top,

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van juni 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 september 2001 getiteld "Europa en Azië: een strategisch kader voor versterkte partnerschappen" (COM(2001)0469),

–  gezien Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen(1),

–  gezien zijn aanbeveling van 28 oktober 2004 aan de Raad betreffende de betrekkingen tussen de Europese Unie en India(2),

–  gezien zijn resolutie van 29 september 2005 over de betrekkingen tussen de EU en India: een strategisch partnerschap(3),

–  gezien zijn resolutie van 24 september 2008 over de voorbereiding van de Top EU-India (Marseille, 29 september 2008)(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties over India, waaronder de resoluties over schendingen van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2012 over het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van de BRICS-landen en andere opkomende wereldmachten: doelstellingen en strategieën(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over zeepiraterij(7),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over nucleaire veiligheid en non-proliferatie(8),

–  gezien het werkbezoek van zijn Commissie buitenlandse zaken aan India op 21 en 22 februari 2017,

–  gezien de 11e top Azië-Europa (ASEM), die op 15-16 juli 2016 in Ulaanbaatar gehouden werd, de 9e vergadering van het Parlementair Samenwerkingsverband Azië-Europa (ASEP), die op 21-22 april 2016 in Ulaanbaatar gehouden werd en de verklaringen die tijdens beide bijeenkomsten werden aangenomen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0242/2017),

A.  overwegende dat de EU en India de twee grootste democratieën in de wereld zijn, allebei een rijke culturele geschiedenis hebben en zich beide inzetten voor de bevordering van vrede, stabiliteit en veiligheid, welvaart, duurzame ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid en tevens voor de eerbiediging van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, de rechtsstaat en behoorlijk bestuur;

B.  overwegende dat de EU en India de afgelopen twee decennia een strategisch partnerschap hebben verwezenlijkt dat gebaseerd is op gedeelde waarden en belangen en dat zij natuurlijke partners zijn en een stabiliserende invloed hebben in de huidige multipolaire wereld; overwegende dat dit strategisch partnerschap versterkt moet worden omdat het grote mogelijkheden biedt voor een nieuwe dynamiek op internationaal niveau, onder meer op VN-niveau, en voor de aanpak van onderwerpen zoals de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling of interpersoonlijke contacten;

C.  overwegende dat op de 13e top EU-India, die na een pauze van vier jaar gehouden werd op 30 maart 2016, een nieuw stappenplan voor de komende vijf jaar is aangenomen, dat moet worden uitgevoerd in het kader van het strategisch partnerschap;

D.  overwegende dat op de 13e top EU-India diverse gezamenlijke verklaringen zijn aangenomen: over een gemeenschappelijke agenda voor migratie en mobiliteit, over een waterpartnerschap tussen India en de EU, over een partnerschap voor schone energie en klimaat, en over terrorismebestrijding;

E.  overwegende dat de EU en India belangrijke economische, handels- en investeringspartners zijn en dat de EU de belangrijkste handelspartner van India is en dat de EU en India al sinds 2007 onderhandelen over een ambitieus vrijhandels- en investeringsakkoord, dat zo snel mogelijk moet worden gesloten; overwegende dat beide partijen in de actieagenda EU-India 2020 nogmaals verklaren zich in te zullen zetten voor een stabiel economisch klimaat dat gunstig is voor de uitbreiding van de handel en economische samenwerking;

F.  overwegende dat een betere coördinatie tussen de EU en de lidstaten op het gebied van hun betrekkingen met India het strategisch partnerschap zou versterken;

G.  overwegende dat India een land is met een levendige democratie en een open samenleving, waarin persvrijheid heerst en het maatschappelijk middenveld actief is; overwegende dat de EU en India regelmatig beste praktijken uitwisselen op het gebied van mensenrechten en democratie, onder meer inzake onderwerpen als de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en de beginselen van de rechtsstaat, alsook de behandeling van migranten, eerbiediging van minderheden en de bevordering van gelijkheid van vrouwen en mannen, onderwerpen die de EU hoog in het vaandel draagt;

De solide basis van een waardevol partnerschap

1.  spreekt zijn volledige steun uit voor een sterker en nauwer partnerschap tussen de EU en India, geworteld in de bestaande krachtige politieke, economische, sociale en culturele banden en op basis van de gedeelde waarden democratie, eerbiediging van de mensenrechten en pluralisme en op basis van wederzijds respect en gemeenschappelijke belangen;

2.  verwacht dat nauwere politieke betrekkingen tussen de beide partners een positieve bijdrage kunnen leveren aan de bevordering van regionale en internationale samenwerking in een wereld die op veel gebieden voor uitdagingen staat, zoals spanningen op veiligheidsgebied, schendingen van het internationale recht, terrorisme, extremisme en radicalisering, transnationale georganiseerde misdaad en corruptie, irreguliere migratie en mensenhandel, de gevolgen van klimaatverandering, armoede, ongelijkheid, niet-naleving van de mensenrechten en toenemend populisme;

3.  wijst erop dat de EU en India als de twee grootste democratieën ter wereld de gedeelde verantwoordelijkheid hebben om op te komen voor de vrede, de rechtsstaat en de mensenrechten overal ter wereld, onder meer door middel van nauwere samenwerking op VN-niveau;

4.  is van oordeel dat de betrekkingen tussen de EU en India sinds de gezamenlijke politieke verklaring van 1993 aanzienlijk zijn verbeterd en geïntensiveerd; wijst op het belang van het strategisch partnerschap EU-India dat in 2004 tot stand werd gebracht en dat ten doel heeft de nauwe banden tussen de partners te bekrachtigen en de onderlinge betrekkingen naar een hoger plan te tillen;

5.  wijst erop dat het potentieel van het partnerschap tussen de EU en India nog niet ten volle wordt benut; is van oordeel dat beide partners een groter politiek engagement aan de dag moeten leggen, om dynamischer betrekkingen te realiseren op basis waarvan de uitdagingen waar beide op regionaal en internationaal niveau mee te maken hebben beter kunnen worden aangepakt; pleit voor meer inspanningen die erop gericht zijn om de banden tussen de EU27 en India te versterken; wijst op het belang van een volledige evaluatie van de werking van het strategisch partnerschap, omdat aan de hand daarvan ideeën ontwikkeld kunnen worden om de werking ervan verder te verbeteren;

Een sterker partnerschap ten behoeve van zowel de EU als India

6.  is ingenomen met het feit dat op 30 maart 2016 in Brussel de 13e top EU-India werd gehouden; dringt er bij de EU en India op aan om, zoals zij zich ook hadden voorgenomen, jaarlijks een top te organiseren, gelet op het feit dat dergelijke bijeenkomsten op hoog niveau een belangrijke bijdrage leveren aan het versterken van de samenwerking en wederzijds begrip en zichtbaarheid;

7.  is ingenomen met de goedkeuring van de actieagenda EU-India 2020, een stappenplan voor de komende vijf jaar, dat bedoeld is om het strategisch partnerschap te versterken; neemt met tevredenheid kennis van het feit dat in 2016 besloten is de samenwerking op diverse gebieden een nieuwe impuls te geven, bijvoorbeeld op het gebied van terrorismebestrijding, migratie en mobiliteit, handel, overdracht van technologie en cultuur, klimaatverandering, ontwikkeling, energie en water; dringt erop aan dat aan alle onderwerpen op deze agenda ook daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven, en dat er duidelijke stappen worden gezet en termijnen worden vastgesteld;

8.  benadrukt nogmaals voorstander te zijn van de totstandbrenging van een omvattend en ambitieus vrijhandelsakkoord (VHO) tussen de EU en India, dat beide partijen economische, sociale en politieke voordelen biedt; herinnert eraan dat de EU het grootste handelsblok ter wereld is en dat de groei van het bbp van India tot een van de hoogste ter wereld behoort; wijst er tevens op dat de EU de belangrijkste handels- en investeringspartner van India is en dat de invoer- en uitvoervolumes tussen de twee partners redelijk in evenwicht zijn;

9.  stelt met tevredenheid vast dat de EU en India opnieuw in gesprek zijn gegaan over de wijze waarop de onderhandelingen over een VHO, ook wel bekend als een breed handels- en investeringsakkoord (BTIA), kunnen worden voortgezet; roept beide partijen op de onderhandelingen voort te zetten in een geest van wederkerigheid en met het oog op wederzijds voordeel, opdat er zo snel mogelijk een BTIA kan worden gesloten, en daarbij rekening te houden met de internationale normen waartoe beide partners zich hebben verbonden, waaronder de normen die zijn vastgesteld in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Internationale Arbeidsorganisatie, en met het beginsel van maatschappelijk verantwoord ondernemen; is van oordeel dat een dergelijk akkoord, dat de belangen van beide partijen in gelijke mate behartigt, ervoor kan zorgen dat maatregelen zowel Europese als Indiase burgers ten goede komen, onder meer doordat zij gericht zijn op de bestrijding van armoede en de bevordering van de eerbiediging van de mensenrechten;

10.  pleit voor de vaststelling op EU-niveau van een consistente strategie voor de betrekkingen tussen de EU en India, met daarin duidelijke prioriteiten; wijst erop dat zowel de EU-instellingen als de lidstaten een dergelijke strategie op coherente en gecoördineerde wijze moeten uitvoeren; is van oordeel dat de EU-prioriteiten voor India ook vastgesteld kunnen worden in een geactualiseerde strategie voor de betrekkingen tussen de EU en Azië;

11.  is ingenomen met de toezegging van de Europese Investeringsbank (EIB) om langetermijninvesteringen ten behoeve van infrastructuur in India te stimuleren, omdat infrastructuur van groot belang is voor duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieugebied; roept de EIB op deze toezegging gestand te doen en haar steun voor duurzame investeringen in India te versterken;

12.  wijst erop dat voor het functioneren van het strategisch partnerschap een interparlementaire gestructureerde dialoog van groot belang is; spoort de voorzitter van het Indiaas parlement aan een vriendschapsgroep India-Europa op te richten, bestaande uit leden van de Lok Sabha (het Indiaas lagerhuis) en de Rajya Sabha (het Indiaas hogerhuis), als tegenhanger van de delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met India;

Een brede agenda voor samenwerking op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid

13.  wijst er nogmaals op dat zowel de EU als India zich in de huidige internationale situatie gesteld ziet voor dringende veiligheidsvraagstukken, die een diplomatiek antwoord vergen, gecombineerd met versterkte afschrikking, eerbiediging van het internationaal recht en samenwerking tussen democratische landen;

14.  wijst op de grote mogelijkheden die er zijn voor synergieën tussen de EU en India op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid; is ervan overtuigd dat een regelmatige en consistente dialoog kan leiden tot wederzijds begrip en daarmee ook tot een betere coördinatie tussen de agenda's voor buitenlandse zaken van de EU en India op regionaal en internationaal niveau, onder meer met betrekking tot onderwerpen ten aanzien waarvan in het verleden een verschillende aanpak werd gehanteerd;

15.  is ingenomen met de toezegging die in de actieagenda EU-India 2020 is gedaan om overlegfora op te zetten voor buitenlands en veiligheidsbeleid; benadrukt dat het opvoeren van de frequentie en het gewicht van overleg op hoog niveau op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid een meerwaarde creëert;

16.  verzoekt de EU, de lidstaten en India te blijven werken aan de bevordering van een doeltreffend en op regels gebaseerd multilateralisme op mondiaal niveau, en de inspanningen op dit gebied te versterken; dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid en de Raad op aan de hervorming van de VN-Veiligheidsraad en het verzoek om permanent lidmaatschap van India te steunen; spoort de EU en India aan om hun standpunten en initiatieven op VN-niveau met betrekking tot onderwerpen waarop samenwerking verschil kan maken zo veel mogelijk te coördineren, en hetzelfde te doen op andere internationale fora, zoals de WTO;

17.  neemt kennis van de waardevolle en intensieve gedachtewisselingen over onderwerpen van mondiaal belang die plaatsvinden in het kader van de Aziatisch-Europese Vergadering (Asia-Europe Meeting), waaraan zowel de EU als India deelneemt; spreekt zijn steun uit voor de regionale integratieprocessen in Azië, op politiek en economisch niveau, aangezien deze een positieve bijdrage kunnen leveren aan de vermindering van het aantal conflicten en aan de welvaart in de regio;

18.  wijst op de grote toegevoegde waarde van de samenwerking tussen de EU en India voor de bevordering van democratische processen in Azië; benadrukt voorts dat het belangrijk is dat de EU en India hun humanitaire hulp en hun ontwikkelingsbeleid, in het licht van de omvangrijke ontwikkelingsactiviteiten die beide partijen met name in Azië ontplooien, coördineren, om een positieve bijdrage te leveren aan de politieke, economische en sociale vooruitgang van onder meer minderheden en staatlozen, zoals de Rohingya, in de betrokken landen; pleit met het oog hierop voor intensivering van de dialoog;

19.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring van India en de EU inzake terrorismebestrijding van 30 maart 2016, die tot doel heeft de samenwerking op het gebied van de preventie en bestrijding van radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme te versterken; wijst op het belang van samenwerking tussen de veiligheidsdiensten en rechtshandhavingsinstanties van de EU en India in het kader van de bestaande regeling binnen Europol; pleit ervoor dat de uitwisseling van beste praktijken en informatie tussen India, de EU en de EU-lidstaten bevorderd wordt; spoort beide partijen aan om zich gezamenlijk in te zetten voor de goedkeuring van het alomvattend verdrag inzake internationaal terrorisme op VN-niveau en voor een grotere doeltreffendheid van de VN-terreurlijst;

20.  wijst op het belang van nauwere samenwerking tussen de EU en India met betrekking tot Afghanistan, die erop gericht is om een bijdrage te leveren aan een door Afghanistan geleid en vormgegeven vredes- en verzoeningsproces, de verwezenlijking van stabiele instellingen en een functionerende overheid, en aan de totstandbrenging van een politiek en economisch milieu waarbinnen consolidatie van vrede en veiligheid mogelijk is; pleit met name voor versterkte politieke samenwerking op het gebied van veiligheids- en militaire vraagstukken, ontwikkelingssteun en maatregelen die zijn toegespitst op de regionale context; benadrukt dat het "Heart of Asia"-proces een belangrijk forum is voor het opbouwen van regionaal vertrouwen en politieke samenwerking;

21.  dringt aan op nieuwe toenaderingspogingen en herstel van de goede nabuurschapsbetrekkingen tussen India en Pakistan door middel van een brede dialoog en, indien mogelijk, een stapsgewijze benadering, waarbij eerst technische kwesties besproken worden en vertrouwenwekkende maatregelen genomen worden en uiteindelijk politieke bijeenkomsten worden gehouden op hoog niveau; wijst erop dat duurzame vrede en samenwerking tussen India en Pakistan, waarmee een positieve bijdrage kan worden geleverd aan de veiligheidssituatie en de economische ontwikkeling in de regio, uitsluitend bereikt kunnen worden door bilaterale inzet; benadrukt daarnaast dat op beide staten een zware verantwoordelijkheid rust om de vrede te garanderen, aangezien het beide kernmachten zijn; dringt er bij de EU op aan het verzoeningsproces tussen India en Pakistan te bevorderen en te steunen; wijst erop dat het van het allergrootste belang is dat alle vormen en uitingen van terrorisme, ook door de staat gesteund terrorisme, bestreden worden;

22.  pleit voor meer samenwerking op het gebied van algehele ontwapening, non-proliferatie van massavernietigingswapens en nucleaire veiligheid, doelstellingen waarvoor de EU en India zich beide inzetten; roept in dit verband alle lidstaten op om het verzoek van India om aansluiting bij exportcontroleregimes, zoals de Nuclear Suppliers Group, het Missile Technology Control Regime, het Wassenaar Arrangement en de Australia Group, te steunen; is ingenomen met de ratificering door India van het aanvullend protocol bij de internationale overeenkomst inzake de niet-verspreiding van kernwapens;

23.  is ingenomen met het krachtige standpunt dat India en de EU innemen ten aanzien van de illegale kernwapenprogramma's en ballistische raketprogramma's van de Democratische Volksrepubliek Korea (DPRK), die een bedreiging vormen voor de regionale en internationale vrede, en pleit voor verdere samenwerking om te waarborgen dat op grote schaal uitvoering wordt gegeven aan de sancties van de VN tegen de DPRK;

24.  neemt kennis van de bezorgdheid van India met betrekking tot China, met name vanwege het assertieve beleid van dit land in de Zuid-Chinese Zee, de omvangrijke modernisering van het Chinese leger, de strategische relatie van China met Pakistan en de onopgeloste grensgeschillen; is van oordeel dat deze verschillen van inzicht alleen kunnen worden overbrugd en dat er alleen vertrouwen kan worden opgebouwd door middel van een daadwerkelijke dialoog op basis van de beginselen van het internationaal recht;

25.  neemt met tevredenheid kennis van het feit dat beide partijen tijdens de 13e top EU-India hun steun hebben uitgesproken voor de volledige uitvoering door alle partijen van het akkoord van Minsk inzake het conflict in Oost-Oekraïne; herinnert eraan dat de EU het agressieve optreden van Rusland ten strengste heeft veroordeeld en een beleid van niet-erkenning voert ten aanzien van de illegale annexatie van de Krim en Sebastopol; hoopt dat de EU en India via dialoog hun standpunten verder op één lijn kunnen brengen;

26.  verzoekt de EU en India om tijdens topbijeenkomsten en tijdens hun reguliere overleg over buitenlands en veiligheidsbeleid door te gaan met het uitwisselen van hun standpunten ten aanzien van de situatie in het Midden-Oosten en mogelijke samenwerkingsgebieden die kunnen bijdragen aan de stabilisatie in de regio, onder meer via maatregelen op internationaal niveau; wijst in het bijzonder op het belang van samenwerking voor het vinden van een duurzame politieke oplossing voor Syrië binnen het bestaande op VN-niveau overeengekomen kader, in overeenstemming met het communiqué van Genève van 30 juni 2012, en het ondersteunen van de wederopbouw en verzoening nadat er een akkoord tot stand is gebracht, zodra er een geloofwaardige politieke transitie is ingezet die door Syrië wordt geleid en vormgegeven;

27.  benadrukt dat de EU en India hun samenwerking en uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot de Afrikaanse landen kunnen versterken om ervoor te zorgen dat hun ontwikkelingsinspanningen elkaar aanvullen;

28.  wijst erop dat intensivering van de samenwerking op gebieden zoals maritieme veiligheid, cyberveiligheid en gegevensbescherming, alsook migratie en mobiliteit, aanzienlijke voordelen kan opleveren voor zowel de EU als India;

29.  merkt op dat de EU en India wezenlijke belangen delen en benadrukt dat zij hun samenwerking op het gebied van maritieme veiligheid moeten intensiveren, met name op het gebied van de bestrijding van piraterij, maar ook op het gebied van de handhaving van vrede en stabiliteit en het waarborgen van de zeeverbindingen in de Zuid-Chinese Zee en de Indische Oceaan; pleit daarom voor de ontwikkeling van gezamenlijke operationele standaardprocedures op het gebied van de maritieme veiligheid en de bestrijding van piraterij en voor de totstandbrenging van een gezamenlijk akkoord met betrekking tot het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, dat de vrijheid van scheepvaart eerbiedigt, dat oplossingen biedt voor alle bestaande problemen en dat passende maatregelen bevat voor samenwerking in het kader van het verdrag;

30.  is ingenomen met de aanneming van een gemeenschappelijke verklaring van de EU en India over een partnerschap inzake schone energie en klimaat, tijdens de 13e top EU-India in maart 2016; wijst op de positieve rol die India en de EU hebben gespeeld tijdens onderhandelingen over de Klimaatovereenkomst van Parijs en hun leidersrol in de wereld; moedigt beide partijen aan hun inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat alle ondertekenaars deze overeenkomst uitvoeren; dringt in dit kader aan op intensievere samenwerking tussen de EU en India op het gebied van energie, en met name op het gebied van duurzame energie;

31.  neemt met belangstelling kennis van de aanneming van een gemeenschappelijke verklaring van de EU en India over een waterpartnerschap, tijdens de 13e top EU-India in maart 2016; vraagt de EU in dit verband haar samenwerking met India te versterken en haar steun voor Indiase projecten voor duurzaam waterbeheer, zoals "Clean Ganga", uit te breiden;

32.  neemt met instemming kennis van de gezamenlijke verklaring over een gemeenschappelijke agenda inzake migratie en mobiliteit die is bedoeld als kader voor samenwerking bij het bevorderen van reguliere migratie, het voorkomen van irreguliere migratie en mensenhandel, alsmede bij het maximaliseren van de ontwikkelingseffecten van mobiliteit;

33.  is van oordeel dat interpersoonlijke contacten een belangrijke rol moeten spelen in het strategische partnerschap tussen de EU en India; benadrukt in het bijzonder het belang van het bevorderen van uitwisselingen op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschappelijk onderzoek, onder meer op het gebied van IT, en is daarom ingenomen met de toename van het aantal studentenuitwisselingen in het kader van het programma Erasmus+, dat verder moet worden uitgebreid; neemt tevens verheugd kennis van de vooruitzichten voor samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van vaardigheden en in het kader van het initiatief "Make in India", zoals vermeld in de actieagenda 2020, en wijst op het belang daarvan voor de intensivering van de handel en de sociale betrekkingen; dringt erop aan dat vrouwelijke studenten, wetenschappers, onderzoekers en beroepsbeoefenaren in gelijke mate tot deze programma's worden toegelaten;

Verbeterde uitwisseling op het gebied van de mensenrechtenaspecten van het partnerschap

34.  is ingenomen met het feit dat het streven naar intensivering van de uitwisseling op het gebied van de mensenrechtenaspecten van het strategisch partnerschap EU-India is bekrachtigd, aangezien burgers van beide partijen profijt kunnen trekken uit verbeterde samenwerking inzake diverse mensenrechtenkwesties; benadrukt in het bijzonder de noodzaak van versterking van de uitwisseling en coördinatie tussen de beide partners in het kader van de VN, bijvoorbeeld als het gaat om de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen die zijn opgesteld in het kader van de universele periodieke doorlichting betreffende de mensenrechten; wijst tevens op het belang van de mensenrechtendialogen; stelt vast dat er sinds 2013 geen uitwisseling meer heeft plaatsgevonden en is van oordeel dat er zo spoedig mogelijk een dialoog in gang moet worden gezet;

35.  verklaart nogmaals de doodstraf in alle gevallen en onder alle omstandigheden te veroordelen; verzoekt nogmaals om de onmiddellijke instelling van een moratorium op terechtstellingen in India;

36.  benadrukt nogmaals dat vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging onlosmakelijk deel uitmaken van een democratische samenleving; begrijpt de noodzaak van maatregelen om de transparantie van door buitenlandse actoren gefinancierde activiteiten die de vrede en de stabiliteit of de binnenlandse veiligheid in gevaar kunnen brengen, te vergroten of om dergelijke activiteiten aan banden te leggen; is echter bezorgd over de gevolgen van de huidige Indiase wetgeving inzake buitenlandse deelname in de financiering van ngo's (de wet ter regulering van buitenlandse bijdragen) voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging;

37.  waardeert de grote inspanningen die de Indiase autoriteiten hebben geleverd om alle vormen van discriminatie, waaronder discriminatie op grond van kaste, te bestrijden; stelt echter met bezorgdheid vast dat discriminatie op grond van kaste nog altijd een bron van misbruik is, en spoort de Indiase autoriteiten daarom aan om zich nog meer in te spannen om een einde te maken aan deze vorm van schending van de mensenrechten; spoort India voorts aan om de volledige bescherming van minderheden, met name religieuze en etnische minderheden, te waarborgen, en onderstreept het belang van de bevordering van verdraagzaamheid ten aanzien van diversiteit bij het voorkomen van geweld tussen de verschillende gemeenschappen; stelt verheugd vast dat het Indiase Hooggerechtshof opdracht heeft gegeven het onderzoek in de rechtszaken naar aanleiding van het geweld tegen christenen in 2008 te heropenen en de slachtoffers naar behoren schadeloos te stellen;

38.  dringt er bij India op aan het Verdrag tegen foltering en het bijbehorende optionele protocol alsook het Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning te ratificeren;

39.  is van oordeel dat, gelet op het feit dat de EU en India hebben toegezegd hun samenwerking op het gebied van de mensenrechten te zullen versterken, het onderwerp vrouwenrechten moet worden opgenomen op de agenda van de mensenrechtendialoog tussen de twee partners; is ingenomen met de toezegging van de regering van India om de rechten van vrouwen te versterken en bij de opstelling van beleid aandacht te besteden aan de gelijkheid van mannen en vrouwen, en spoort de Indiase autoriteiten aan verdere stappen te nemen om onderzoek te doen naar gendergerelateerd geweld, te werken aan de bestrijding daarvan, en gendergelijkheid te bevorderen; is voorts verheugd over het feit dat de EU financiering beschikbaar stelt voor projecten ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en kinderen in India en is er voorstander van dat deze financiering wordt voortgezet; dringt aan op versterking van de rechten van LGBTIQ's en op intrekking van artikel 377 van het Indiase wetboek van strafrecht;

o
o   o

40.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, en de regering en het parlement van India.

(1) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 77.
(2) PB C 174 E van 14.7.2005, blz. 179.
(3) PB C 227 E van 21.09.2006, blz. 589.
(4) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 69.
(5) PB C 239 E van 20.8.2013, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0120.
(7) PB C 261 E van 10.09.2013, blz. 34.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0424.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU voor bijstand aan Italië
PDF 249kWORD 49k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Italië (COM(2017)0540 – C8-0199/2017 – 2017/2101(BUD))
P8_TA(2017)0335A8-0280/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0540 – C8-0199/2017),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0280/2017),

1.  wijst erop dat het besluit de omvangrijkste beschikbaarstelling ooit van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie vertegenwoordigt;

2.  wijst erop dat het maximumbedrag van het voorschot als bedoeld in artikel 4 bis van de Verordening (EG) nr. 2012/2002 als gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 661/2014 van het Europees Parlement en de Raad(4) vaak ontoereikend zou kunnen zijn als hulpmaatregel voor rampen die worden geclassificeerd als "grote natuurramp"; benadrukt dat overwogen moet worden een hoger maximumbedrag vast te stellen voor deze specifieke eerste financiële bijdragen, om de schade als gevolg van dit soort rampen efficiënt en snel te kunnen herstellen;

3.  verwelkomt het besluit als een teken van solidariteit van de Unie met de burgers en regio's van de Unie die worden getroffen door natuurrampen;

4.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

5.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Italië

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2017/1599.)

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Verordening (EU) nr. 661/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 143).


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU voor bijstand aan Italië
PDF 253kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2017 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 in samenhang met het voorstel voor de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Italië (11813/2017 – C8-0304/2017 – 2017/2109(BUD))
P8_TA(2017)0336A8-0281/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(1), en met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, definitief vastgesteld op 1 december 2016(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2017, goedgekeurd door de Commissie op 26 juni 2017 (COM(2017)0541),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2017, vastgesteld door de Raad op 4 september 2017 en op dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (11813/2017 – C8-0304/2017),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0281/2017),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting (OGB) nr. 4/2017 betrekking heeft op de beschikbaarstelling van een bedrag van 1 196 797 579 EUR uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) voor het verlenen van bijstand aan Italië naar aanleiding van een reeks aardbevingen die zich tussen augustus 2016 en januari 2017 in de regio's Abruzzen, Lazio, Marche en Umbrië hebben voorgedaan;

B.  overwegende dat voor dit SFEU-dossier reeds een bedrag van 30 000 000 EUR is betaald door middel van een voorschot van de EU-begroting 2016;

C.  overwegende dat het hier gaat om de omvangrijkste beschikbaarstelling van middelen van het SFEU;

D.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2017 tot doel heeft deze begrotingsaanpassing formeel in de begroting van de Unie voor 2017 op te nemen;

E.  overwegende dat de Commissie derhalve voorstelt de begroting van de Unie voor 2017 te wijzigen en begrotingsartikel 13 06 01 "Bijstand aan lidstaten in het geval van een grote natuurramp die ernstige gevolgen heeft voor de levensomstandigheden van de burgers, het natuurlijke milieu of de economie" te verhogen met 1 166 797 579 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten;

F.  overwegende dat het totaalbedrag dat op dit moment van het jaar beschikbaar is voor de beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU 293 971 080 EUR bedraagt, oftewel minder dan het voorgestelde bedrag, en dat de Commissie voorstelt het verschil te financieren uit de bedragen die beschikbaar zijn voor 2018, overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de MFK-verordening; overwegende dat nog nooit eerder van die mogelijkheid gebruik is gemaakt;

G.  overwegende dat het SFEU een speciaal instrument is in de zin van de MFK-verordening en dat de desbetreffende vastleggings- en betalingskredieten buiten de plafonds van het meerjarig financieel kader om moeten worden gebudgetteerd;

H.  overwegende dat de Commissie voorstelt de benodigde betalingskredieten volledig te herschikken binnen de begroting 2017 en om de in de gewijzigde begroting nr. 1/2017 geboekte negatieve reserve (70 402 434 EUR) aan te vullen uit de begrotingsonderdelen voor de programma's van de structuurfondsen 2007-2013;

1.  benadrukt dat de financiële steun uit hoofde van het SFEU voor de regio's die door de natuurrampen zijn getroffen dringend beschikbaar moet worden gesteld; wijst erop dat het verwezenlijken van synergieën tussen alle beschikbare instrumenten van de Unie van het allergrootste belang is, om te waarborgen dat de middelen op doeltreffende wijze worden ingezet voor wederopbouwactiviteiten en alle nodige acties;

2.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2017, zoals ingediend door de Commissie;

3.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2017 goed;

4.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 4/2017 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Rekenkamer en de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 28.2.2017.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/002 FI/Microsoft 2
PDF 316kWORD 51k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Finland – EGF/2017/002/Microsoft 2) (COM(2017)0322 – C8-0193/2017 – 2017/2098(BUD))
P8_TA(2017)0337A8-0278/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0322 – C8-0193/2017),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12 daarvan,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (het IIA van 2 december 2013), en met name punt 13 daarvan,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0278/2017),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat de bijstand van de Europese Unie aan ontslagen werknemers dynamisch van aard moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk beschikbaar moet worden gesteld;

C.  overwegende dat Finland aanvraag EGF/2017/002 FI/Microsoft 2 heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG overeenkomstig de interventiecriteria van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, naar aanleiding van 1 248 ontslagen bij Microsoft Mobile Oy en elf leveranciers en downstreamproducenten in Finland, actief in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2 - Afdeling 62 (Computerprogrammering, consultancy en aanverwante activiteiten);

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Finland recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 3 520 080 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 5 559 300 EUR;

2.  wijst erop dat Finland op 1 februari 2017 een aanvraag heeft ingediend en dat na ontvangst van aanvullende informatie van Finland de beoordeling door de Commissie op 21 juni 2017 is afgerond;

3.  herinnert eraan dat Microsoft de activiteiten van Nokia op het gebied van mobiele telefonie heeft overgenomen en dat Microsoft Mobile Oy in 2014 werd opgericht; merkt op dat ongeveer 4 700 werknemers van Nokia zijn overgenomen door Microsoft Mobile Oy in Finland;

4.  merkt op dat de voornaamste reden voor de ontslagen de wereldwijde concurrentie is in de sector van de mobiele telefonie en de daaruit voortvloeiende daling van het marktaandeel van Microsoft Mobile Oy en zijn op Windows gebaseerde besturingssysteem; merkt op dat de daling plaatsvond ondanks het feit dat Microsoft Mobile Oy nieuwe mobiele toestellen lanceerde en investeerde in het design, de onderdelen en de marketing ervan;

5.  betreurt kennis te moeten nemen van de problemen waarmee Europese fabrikanten van mobiele telefoons worden geconfronteerd; is van oordeel dat er passende ondersteuning moet worden geboden, zodat de getroffen werknemers zich kunnen bij- of omscholen en meer kans maken op banen in verwante industriële sectoren of groeisectoren;

6.  is van mening dat de ontslagen te wijten zijn aan de verschuiving van de productie van mobiele toestellen naar lagelonenlanden; merkt op dat de winnaars van deze concurrentieslag de in Azië en de VS gevestigde producenten waren, die de besturingssoftware Android en iOS gebruiken;

7.  stelt vast dat er bij ondernemingen in de elektronica- en de softwaresector in de getroffen regio's Helsinki-Uusimaa, Länsi-Suomi en Etelä-Suomi ook reeds sprake is geweest van massaontslagen en dat de regionale werkloosheidspercentages in Länsi-Suomi en Etelä-Suomi hoog liggen (14,6 %, resp. 17,5 % van de beroepsbevolking); merkt op dat 1 000 van de 1 248 ontslagen werknemers die voor de EFG-bijdrage in aanmerking komen naar verwachting gebruik zullen maken van de maatregelen;

8.  merkt op dat 92,5 % van de beoogde begunstigden ouder is dan 30-54 jaar en dat een groot deel van de ontslagen werknemers hoogopgeleid is; merkt op dat de werkloosheid onder hoogopgeleiden in alle drie de regio's aanzienlijk gestegen is; is bezorgd over de reeds moeilijke werkloosheidssituatie van hooggekwalificeerde en hoogopgeleide mensen die onder andere omstandigheden doorgaans gunstige perspectieven zouden hebben;

9.  merkt op dat Finland zes soorten maatregelen plant: coaching en andere voorbereidende maatregelen, (ii) arbeidsvoorzienings- en bedrijfsdiensten, (iii) opleiding, (iv) subsidie voor start-ups, (v) loonsubsidie en (vi) vergoedingen voor reis- en verblijfskosten; wijst erop dat het bij deze acties gaat om actieve arbeidsmarktmaatregelen; wijst erop dat afdoende middelen zijn toegewezen voor controle en rapportage;

10.  wijst erop dat de maatregelen inzake inkomenssteun 26,74 % van het totale pakket aan individuele maatregelen bedragen, wat ver onder het maximum van 35 % ligt dat in de EFG-verordening wordt genoemd, en dat deze maatregelen afhankelijk zijn gesteld van de actieve deelname van de beoogde begunstigden aan activiteiten voor het vinden van werk of opleiding;

11.  benadrukt het belang van door het EFG gesteunde actieve arbeidsmarktmaatregelen; wijst erop dat bij eerdere EFG-aanvragen persoonlijke dienstverlening voor ontslagen werknemers bijzonder nuttig is gebleken;

12.  is ingenomen met het gebruik van het Eures-netwerk om werkzoekenden te informeren over vacatures in het buitenland; noemt het verheugend dat de Finse autoriteiten de ontslagen werknemers aansporen volledig gebruik te maken van hun recht op vrij verkeer;

13.  begrijpt dat de door het EFG gefinancierde opleidingsmaatregelen een aanvulling zullen vormen op opleidingsmaatregelen die gefinancierd worden uit een fonds dat door het bedrijf is ingesteld om voormalige werknemers te helpen bij het opzetten van kleine ondernemingen in de IT-sector en andere sectoren; is verheugd over dit initiatief;

14.  is ingenomen met het feit dat de Finse autoriteiten op dinsdag 12 juli 2016 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de beoogde begunstigden – ruimschoots vóór de aanvraag voor de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

15.  is verheugd dat er is overlegd met belanghebbende partijen, waaronder vertegenwoordigers van de centra voor economische ontwikkeling (ELY-centra), de diensten voor werkgelegenheid en economische ontwikkeling (TE-diensten) van de betrokken regio's, Microsoft, Technology Industries of Finland, Trade Union Pro, de Union of Professional Engineers in Finland en het Finnish Funding Agency for Innovation;

16.  herinnert eraan dat bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van door het EFG gesteunde individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het pakket moet aansluiten bij de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

17.  merkt op dat de huidige aanvraag een voortzetting is van een aantal eerdere aanvragen van Finland, volgend op de neergang van Nokia (EGF/2007/003 FI/Perlos, EGF/2012/006 FI/Nokia Salo, EGF/2013/001 FI/Nokia, EGF/2015/001 FI/Broadcom, EGF/2015/005 FI/Computer Programming, EGF/2016/001 FI/Microsoft en EGF/2016/008 FI/Nokia Network Systems);

18.  merkt op dat er momenteel reeds steun wordt verleend uit het EFG (EGF/2016/001 FI/Microsoft) ten behoeve van eerder door Microsoft ontslagen werknemers; wijst er echter op dat het nu voorliggende voorstel zich richt op een andere doelgroep;

19.  wijst erop dat de Finse autoriteiten hebben verzekerd dat voor de voorgestelde maatregelen geen financiële steun uit andere fondsen of financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen, dat dubbele financiering zal worden voorkomen en dat de voorgestelde maatregelen complementair zijn met maatregelen die vanuit de structuurfondsen worden gefinancierd;

20.  herinnert eraan dat de inzetbaarheid van alle werknemers moet worden verbeterd door middel van aangepaste opleidingen en de erkenning van de in de loop van het beroepsleven opgedane vaardigheden en bekwaamheden; verwacht dat de opleiding die in het gecoördineerde pakket wordt aangeboden, niet alleen is afgestemd op de behoeften van de ontslagen werknemers, maar ook op het huidige ondernemingsklimaat;

21.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren; wijst erop dat Finland heeft bevestigd dat dit ook niet het geval zal zijn;

22.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

23.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

24.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering ingevolge een aanvraag van Finland – EGF/2017/002 FI/Microsoft 2

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2017/1600.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.


Emissiehandelssysteem van de EU (EU-ETS): voorzetting van de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten en voorbereiding van de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 ***I
PDF 453kWORD 63k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 september 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG om de huidige beperkingen van het toepassingsgebied voor luchtvaartactiviteiten voort te zetten en de tenuitvoerlegging van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 voor te bereiden (COM(2017)0054 – C8-0028/2017 – 2017/0017(COD))(1)
P8_TA(2017)0338A8-0258/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Milieubescherming is één van de belangrijkste uitdagingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Wat de reductie van de door de hele economie uitgestoten broeikasgassen betreft, heeft de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 een bindend streefcijfer van ten minste 40 % eigen reductie van de broeikasgasemissies tegen 2030 vastgesteld ten opzichte van 1990. Tijdens de zitting van de Raad op 6 maart 2015 is deze bijdrage van de Unie en haar lidstaten formeel goedgekeurd als hun voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage krachtens de Overeenkomst van Parijs. Volgens de conclusies van de Europese Raad van oktober 2014 moet het streefcijfer collectief door de EU op de meest kosteneffectieve manier worden behaald, waarbij de reducties door de sectoren die wel en niet onder de regeling voor de handel in emissierechten (ETS) vallen, tegen 2030 respectievelijk 43 % en 30 % moeten bedragen ten opzichte van 2005. Alle economische sectoren moeten een bijdrage leveren om die emissiereductie te verwezenlijken.
(3)  Wat de reductie van de door de hele economie uitgestoten broeikasgassen betreft, heeft de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 een bindend streefcijfer van ten minste 40 % eigen reductie van de broeikasgasemissies tegen 2030 vastgesteld ten opzichte van 1990. Tijdens de zitting van de Raad op 6 maart 2015 is deze bijdrage van de Unie en haar lidstaten formeel goedgekeurd als hun voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage krachtens de Overeenkomst van Parijs. Volgens de conclusies van de Europese Raad van oktober 2014 moet het streefcijfer collectief door de EU op de meest kosteneffectieve manier worden behaald, waarbij de reducties door de sectoren die wel en niet onder de regeling voor de handel in emissierechten (ETS) vallen, tegen 2030 respectievelijk 43 % en 30 % moeten bedragen ten opzichte van 2005. Alle economische sectoren moeten een bijdrage leveren om die emissiereductie te verwezenlijken en daartoe moet de Commissie onder andere een platform opzetten voor de uitwisseling tussen de lidstaten van beste praktijken en de geleerde lessen in de sector emissiearme mobiliteit.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Een goed functionerende, hervormde EU-ETS met een verbeterd instrument voor de stabilisatie van de markt zal het belangrijkste Europese instrument zijn voor de verwezenlijking van het streefcijfer van 40 % reductie, met een lineaire factor en kosteloze toewijzing na 2020. Om de planningszekerheid met betrekking tot investeringsbeslissingen te verhogen, de transparantie te vergroten, koolstoflekkage te minimaliseren en het systeem in zijn geheel eenvoudiger en gemakkelijker te begrijpen te maken, moet in de wetgevingshandeling het te veilen aandeel als een percentage worden uitgedrukt. Die bepalingen moeten verenigbaar zijn met de klimaatdoelstellingen van de Unie en haar verplichtingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, en in overeenstemming worden gebracht met de faciliterende dialoog in 2018, de eerste algemene wereldwijde inventarisatie in 2023, en de algemene inventarisaties elke vijf jaar daarna, om informatie te bieden voor opeenvolgende nationaal bepaalde bijdragen (NDC's).
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De Unie en haar lidstaten hebben er sinds 1997 naar gestreefd voortgang te maken met een internationale overeenkomst om de gevolgen van de broeikasgasemissies van de luchtvaart te beperken en sinds 2008 beschikken zij over wetgeving om de gevolgen van luchtvaartactiviteiten voor de klimaatverandering te beperken door middel van de EU-regeling voor de handel in emissierechten (EU-ETS), die sinds 2005 operationeel is. Om bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) sneller vooruitgang te kunnen maken, heeft de Unie tweemaal tijdgebonden afwijkingen van de EU-ETS goedgekeurd teneinde de nalevingsverplichtingen te beperken tot de emissies van vluchten tussen luchtvaartterreinen binnen de Europese Economische Ruimte (EER), met gelijke behandeling op de routes van de vliegtuigexploitanten, waar ze ook zijn gevestigd. De meest recente afwijking van de EU-ETS-Verordening (EU) nr. 421/2014 van het Europees Parlement en de Raad beperkte de nalevingsverplichtingen tot vluchten binnen de EER tussen 2013 en 2016 en beoogde mogelijke wijzigingen in het toepassingsgebied van de regeling voor activiteiten van en naar luchtvaartterreinen buiten de EER met ingang van 1 januari 2017, na de in die verordening bedoelde herziening.
(4)  De Unie en haar lidstaten hebben er sinds 1997 naar gestreefd voortgang te maken met een internationale overeenkomst om de gevolgen van de broeikasgasemissies van de luchtvaart te beperken en sinds 2008 beschikken zij over wetgeving om de gevolgen van luchtvaartactiviteiten voor de klimaatverandering te beperken door middel van de EU-regeling voor de handel in emissierechten (EU-ETS), die sinds 2005 operationeel is. In zijn arrest van 21 december 20111 bis heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat het opnemen van vluchten buiten de EER in de EU-ETS-regeling geen schending van het internationaal recht inhoudt. Bovendien hebben de lidstaten zich er sinds 2004 en 2008 opnieuw toe verplicht het concept van het gemeenschappelijk Europees luchtruim ten uitvoer te leggen, rekening houdend met een toename van het luchtverkeer in de komende jaren. Om vooruitgang te boeken met het luchtverkeersbeheer moet de tenuitvoerlegging van Sesar (ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim) worden bespoedigd en moeten innovatieve technologieën worden bevorderd in het kader van het Clean Sky-project. De invoering via de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel moet bijdragen tot verdere vooruitgang met betrekking tot de emissiereductie van het luchtverkeer. Om bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) sneller vooruitgang te kunnen maken, heeft de Unie tweemaal tijdgebonden afwijkingen van de EU-ETS goedgekeurd teneinde de nalevingsverplichtingen te beperken tot de emissies van vluchten tussen luchtvaartterreinen binnen de Europese Economische Ruimte (EER), met gelijke behandeling op de routes van de vliegtuigexploitanten, waar ze ook zijn gevestigd. De meest recente afwijking van de EU-ETS-Verordening (EU) nr. 421/2014 van het Europees Parlement en de Raad beperkte de nalevingsverplichtingen tot vluchten binnen de EER tussen 2013 en 2016 en beoogde mogelijke wijzigingen in het toepassingsgebied van de regeling voor activiteiten van en naar luchtvaartterreinen buiten de EER met ingang van 1 januari 2017, na de in die verordening bedoelde herziening.
_________________
1 bis Arrest van het Hof van Justitie van 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a./Secretary of State for Energy and Climate Change, C-366/10, ECLI:EU:C:2011:864.

Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  In het licht van de op de 39e Algemene Vergadering van de ICAO in oktober 2016 aangenomen resolutie over de uitvoering van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 ter compensatie van de emissies van de internationale luchtvaart boven de niveaus van 2020, wordt het passend geacht de bestaande uitzondering voort te zetten in afwachting van verdere vooruitgang met het ontwerp en de tenuitvoerlegging van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel. In dit verband is de vaststelling van normen en aanbevolen praktijken door de ICAO ter completering van die resolutie en ter uitvoering van de mondiale regeling gepland voor 2018. Voor de concrete toepassing ervan zullen de ICAO-partijen echter actie moeten ondernemen op nationaal niveau. Ook governanceregelingen moeten door de ICAO worden uitgewerkt, zoals bijvoorbeeld een registratiesysteem. In deze context moet de huidige afwijking van de EU-ETS-verplichtingen voor vluchten naar en uit derde landen worden verlengd, onder voorbehoud van de herziening van de toepassing van de ICAO-regeling, teneinde de ICAO een nieuwe impuls te geven en de uitvoering van de regeling te vergemakkelijken. Als gevolg van de verlenging van de afwijking zou de hoeveelheid te veilen en kosteloos te verlenen emissierechten, met inbegrip van de speciale reserve, dezelfde moeten zijn als voor 2016 en evenredig moeten zijn met de reductie van de verplichting om emissierechten in te leveren.
(5)  In het licht van de op de 39e Algemene Vergadering van de ICAO in oktober 2016 aangenomen resolutie over de uitvoering van een wereldwijde marktgebaseerde maatregel vanaf 2021 ter compensatie van de emissies van de internationale luchtvaart boven de niveaus van 2020, is de vaststelling van normen en aanbevolen praktijken door de ICAO ter completering van die resolutie en ter uitvoering van de mondiale regeling gepland voor 2018. Voor de concrete toepassing ervan zullen de ICAO-partijen echter actie moeten ondernemen op nationaal niveau. Ook governanceregelingen moeten door de ICAO worden uitgewerkt, zoals bijvoorbeeld een registratiesysteem. In deze context moet de huidige afwijking van de EU-ETS-verplichtingen voor vluchten naar en uit derde landen worden verlengd tot 2021, teneinde de ICAO een nieuwe impuls te geven en de uitvoering van de regeling te vergemakkelijken. Als gevolg van de verlenging van de afwijking zou de hoeveelheid te veilen en kosteloos te verlenen emissierechten, met inbegrip van de speciale reserve, dezelfde moeten zijn als voor 2016 en evenredig moeten zijn met de reductie van de verplichting om emissierechten in te leveren.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Vanaf 1 januari 2021 moet 50 % van de emissierechten worden geveild, en op de totale hoeveelheid toegewezen emissierechten moet de lineaire reductiefactor, zoals voorzien in artikel 9 van Richtlijn 2003/87/EG, worden toegepast.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)  Opbrengsten van de veiling van emissierechten, of het financiële waarde-equivalent ervan, dienen te worden gebruikt om de klimaatverandering in de Unie en in derde landen aan te pakken, onder meer om de emissie van broeikasgassen terug te dringen, om de aanpassing aan het effect van de klimaatverandering in de Unie en derde landen, met name ontwikkelingslanden, te bevorderen, om onderzoek en ontwikkeling te financieren op het gebied van beperking en aanpassing, waaronder in de luchtvaart, het luchtvervoer en duurzame alternatieve brandstoffen voor de luchtvaart, om de emissies terug te dringen via transport met een lage emissie en om de beheerskosten van de EU-ETS te dekken. Speciale aandacht moet worden besteed aan lidstaten die deze opbrengsten gebruiken voor de cofinanciering van onderzoeks- en innovatieprogramma's of initiatieven op grond van het negende kaderprogramma voor onderzoek. Transparantie over het gebruik van de opbrengsten uit de veiling van emissierechten krachtens Richtlijn 2003/87/EG is essentieel ter ondersteuning van de verplichtingen van de Unie.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 quater (nieuw)
(5 quater)  Emissiecompensaties onder de wereldwijde marktgebaseerde maatregel vormen één element van het pakket aan maatregelen van de ICAO ter verwezenlijking van het ambitieuze doel van koolstofneutrale groei vanaf 2020 (CNG 2020) en moeten worden aangevuld met ontwikkelingen op het gebied van casco- en aandrijvingstechnologieën. Voortzetting van de financiering voor onderzoeksstrategieën en -programma's zoals de gezamenlijke technologie-initiatieven Clean Sky, Galileo, Sesar en Horizon 2020 is van essentieel belang voor technologische innovatie en operationele verbeteringen, om verder te gaan dan CNG 2020 en sectorbrede absolute emissiereducties te realiseren. Het is daarnaast belangrijk dat de lidstaten Uniewetgeving, zoals die inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim, die erop gericht is fragmentering van het Europese luchtruim en bijgevolg een toename van de CO2-emissies van de luchtvaart te verhinderen, snel en volledig ten uitvoer leggen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)   Aangezien essentiële elementen van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel nog moeten worden uitgewerkt en de uitvoering ervan afhankelijk is van de eigen wetgeving van de staten en regio’s, wordt het passend geacht om, zodra er duidelijkheid is over de aard en omvang van deze wettelijke instrumenten vóór de start van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel van de ICAO, een onderzoek in te stellen en daar bij het Europees Parlement en de Raad verslag over uit te brengen. In dat verslag moet aandacht worden besteed aan alle via de ICAO goedgekeurde normen of andere instrumenten, aan de acties die door derde landen zijn ondernomen om de wereldwijde marktgebaseerde maatregel uit te voeren zodat deze vanaf 2021 van toepassing is op de emissies, en aan andere internationale ontwikkelingen op dit gebied (bv. regels krachtens het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs inzake koolstofmarkten en boekhouding). In dat verslag moet worden onderzocht hoe deze instrumenten door middel van een herziening van de EU-ETS in de wetgeving van de Unie kunnen worden opgenomen. Ook moet daarin worden nagegaan of de regels die voor vluchten binnen de EER gelden, adequaat zijn. Dat verslag dient zo nodig vergezeld te gaan van een voorstel aan het Europees Parlement en de Raad om erop toe te zien dat de luchtvaart bijdraagt aan de verbintenis tot reductie van de broeikasgasemissies die de Unie voor 2030 voor de hele economie is aangegaan.
(6)   Aangezien essentiële elementen van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel nog moeten worden uitgewerkt en de uitvoering ervan afhankelijk is van de eigen wetgeving van de deelnemende staten en regio’s, dient de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad over de in de ICAO-onderhandelingen geboekte vooruitgang, met name over de via de ICAO goedgekeurde relevante instrumenten, de acties die door derde landen zijn ondernomen om de wereldwijde marktgebaseerde maatregel uit te voeren zodat deze voor de periode 2021-2035 van toepassing is op de emissies, inspanningen voor het instellen van ambitieuze en bindende maatregelen ter verwezenlijking van de langetermijndoelen van de luchtvaartsector om de CO2-emissies in die sector tegen 2050 te halveren ten opzichte van de niveaus van 2005, en andere internationale ontwikkelingen en toepasselijke instrumenten op dit gebied (bv. regels krachtens het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs inzake koolstofmarkten en boekhouding). Zodra er duidelijkheid is over de aard en inhoud van de ICAO-instrumenten, en vóór de start van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel van de ICAO, dient de Commissie een verslag uit te brengen waarin wordt onderzocht hoe deze instrumenten door middel van een herziening van de EU-ETS-richtlijn kunnen worden toegepast en in overeenstemming gebracht met de wetgeving van de Unie. In dat verslag moet tevens worden nagegaan of de regels die voor vluchten binnen de EER gelden, adequaat zijn. Dat verslag dient zo nodig vergezeld te gaan van een voorstel aan het Europees Parlement en de Raad om erop toe te zien dat de luchtvaart bijdraagt aan de verbintenis tot reductie van de broeikasgasemissies die de Unie voor 2030 voor de hele economie is aangegaan.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Om ervoor te zorgen dat de bestaande en toekomstige klimaatnormen van de Unie worden geëerbiedigd, en onverminderd de herziening als bedoeld in artikel 28 ter van Richtlijn 2003/87/EG, moet de Corsia worden geïmplementeerd in en verenigd worden met het Unierecht via de EU-ETS.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  Op het niveau van de Unie zijn diverse wetgevingshandelingen vastgesteld die erop gericht zijn de versnippering van het Europese luchtruim te voorkomen, om de doorstroming van het luchtverkeer en de controle van het luchtruimgebruik te verbeteren en zo de emissies te verminderen. Binnen de Unie moet de Corsia-regeling worden beschouwd als onderdeel van het zogeheten ICAO-pakket van maatregelen, naast volledige tenuitvoerlegging door de lidstaten van de wetgeving inzake het gemeenschappelijk Europees luchtruim, Sesar, het gebruik van GNSS voor satellietnavigatie en gezamenlijke technologie-initiatieven als Clean Sky I en Clean Sky II. De Commissie moet aan het Europees Parlement en de Raad ook verslag uitbrengen over maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel, die door de lidstaten zijn genomen om de broeikasgasemissies van de luchtvaart te verminderen, met inbegrip van informatie in verband met het gebruik van de opbrengsten, die door de lidstaten is ingediend overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 525/2013.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)  Hoewel de technische regels voor de wereldwijde marktgebaseerde maatregel van de ICAO nog door de ICAO-raad moeten worden goedgekeurd, is het van belang dat regelgevende autoriteiten en vliegtuigexploitanten zo vroeg mogelijk informatie krijgen over de monitoring-, rapportage- en verificatievereisten en emissie-eenheden die krachtens de ICAO-regeling in aanmerking komen, om de voorbereiding voor de tenuitvoerlegging van de ICAO-regeling en de monitoring van CO2-emissies vanaf 1 januari 2019 te vergemakkelijken. Dergelijke monitoring-, rapportage- en verificatievereisten moeten net zo strikt zijn als de vereisten voor de monitoring en rapportage van broeikasgasemissies vervat in Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie, en moeten waarborgen dat de ingediende emissieverslagen in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie worden geverifieerd.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quinquies (nieuw)
(6 quinquies)  Hoewel het vertrouwelijke karakter van het technische werk in de ICAO moet worden erkend, is het ook van belang dat ICAO-lidstaten, vliegtuigexploitanten en het maatschappelijk middenveld betrokken blijven bij de werkzaamheden van de ICAO met betrekking tot de uitvoering van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel en dat de ICAO alle belanghebbenden tijdig op de hoogte stelt van vorderingen en besluiten. Om dit alles te bereiken, kan het nodig zijn de niet-openbaarmakingsprotocollen voor leden en waarnemers van het Comité Milieubescherming en Luchtvaart (CAEP) van de ICAO te herzien.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Teneinde niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van sommige niet-essentiële elementen van een wetgevingshandeling, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan de Commissie worden overgedragen om maatregelen te nemen voor de monitoring, rapportage en verificatie van de emissies die op vliegtuigexploitanten van toepassing zijn met het oog op de wereldwijde marktgebaseerde maatregel die in het kader van de ICAO wordt uitgewerkt. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.
(7)  Teneinde niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking vast te stellen ter aanvulling of wijziging van sommige niet-essentiële elementen van een wetgevingshandeling, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag aan de Commissie worden overgedragen om maatregelen te nemen voor de monitoring, rapportage en verificatie van de emissies die op vliegtuigexploitanten van toepassing zijn met het oog op de wereldwijde marktgebaseerde maatregel die in het kader van de ICAO wordt uitgewerkt. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, in het bijzonder op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, teneinde zo de transparantie en doelmatigheid van het besluitvormingsproces te vergroten.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Hoewel het langetermijndoel moet zijn dat er in de tweede fase van de ICAO-regeling in 2024 één enkele wereldwijde reductieregeling voor de aanpak van koolstofemissies van de luchtvaart is, moeten er ook andere mogelijkheden voor koolstofvermindering worden onderzocht, voor het geval dat de wereldwijde marktgebaseerde maatregel van de ICAO onvoldoende bijdraagt aan het verwezenlijken van de Uniale klimaatdoelstellingen en verplichtingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  De luchtvaart oefent ook invloed uit op het klimaat door middel van het vrijkomen van stikstofoxiden, waterdamp en sulfaat- en roetdeeltjes op grote hoogten. De Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) heeft geschat dat het totale klimaateffect van de luchtvaart momenteel zo'n twee tot vier maal groter is dan het effect van haar eerdere kooldioxide-uitstoot alleen. In afwachting van de wetenschappelijke vooruitgang moeten alle gevolgen van de luchtvaart zo veel mogelijk worden aangepakt. Onderzoek naar de vorming van condensatiesporen, ook wel condensstrepen genoemd, de ontwikkeling hiervan tot cirruswolken, naar de kleinere directe effecten van sulfaat-aerosolen, roet, condensstrepen van waterdamp en cirruswolken en naar doeltreffende maatregelen daartegen, inclusief operationele en technische maatregelen, moet ook worden bevorderd.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Het staat buiten kijf dat het klimaat niet alleen schade ondervindt van de CO2-emissies van het luchtverkeer. In Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis heeft de Commissie toegezegd in 2008 een gepast voorstel in te dienen op het gebied van stikstofoxiden. Ondanks de technische en politieke moeilijkheden op dit gebied dient de Commissie spoed te zetten achter de hierop betrekking hebbende werkzaamheden.
__________________
1 bis Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PB L 8 van 13.1.2009, blz. 3).
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quater – lid 3 bis (nieuw)
(-1)  In artikel 3 quater wordt het volgende lid toegevoegd:
“3 bis. De totale hoeveelheid rechten die in 2021 wordt toegewezen aan vliegtuigexploitanten moet 10 % lager liggen dan de gemiddelde toewijzing voor de periode van 1 januari 2014 t/m 31 december 2016, en daarna afnemen met hetzelfde jaarlijkse percentage als voor het totale plafond van de EU-ETS als bedoeld in artikel 9, tweede alinea, zodat het plafond voor de luchtvaartsector uiterlijk in 2030 beter overeenstemt met het plafond voor de andere bedrijfstakken die onder de EU-ETS vallen.
Voor luchtvaartactiviteiten van en naar luchtvaartterreinen in landen buiten de EER kan de hoeveelheid vanaf 2021 toe te wijzen rechten worden aangepast met inachtneming van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel van de ICAO die vanaf 2021 moet worden uitgevoerd ter compensatie van internationale luchtvaartemissies boven de niveaus van 2020.”
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quinquies – lid 2
(-1 bis) Artikel 3 quinquies, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Vanaf 1 januari 2013 wordt 15 % van de rechten geveild. Dit percentage kan worden verhoogd, als onderdeel van de algehele evaluatie van deze richtlijn.
"2. Vanaf 1 januari 2021 wordt 50 % van de rechten geveild. Dit percentage kan worden verhoogd, als onderdeel van de algehele evaluatie van deze richtlijn."
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 ter (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quinquies – lid 3 – alinea 1
(-1 ter) In artikel 3 quinquies, lid 3, wordt de eerste alinea vervangen door:
Er wordt een verordening vastgesteld met gedetailleerde voorschriften voor de veiling door lidstaten van emissierechten die niet kosteloos behoeven te worden verleend in overeenstemming met de leden 1 en 2 van dit artikel of artikel 3 septies, lid 8. Voor alle lidstaten geldt dat het aantal in elke periode te veilen emissierechten evenredig is met het aandeel van de betreffende lidstaat in de totale hoeveelheid aan de luchtvaart toegewezen emissies voor de referentiejaren, als gerapporteerd ingevolge artikel 14, lid 3, en geverifieerd ingevolge artikel 15. Voor de in artikel 3 quater, lid 1, bedoelde periode is het referentiejaar 2010; voor elke volgende in artikel 3 quater bedoelde periode is het referentiejaar het kalenderjaar dat 24 maanden voor het begin van de periode waarop de veiling betrekking heeft, afloopt.”
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel [23], om deze richtlijn aan te vullen door gedetailleerde regelingen vast te leggen voor de veiling door lidstaten van emissierechten die niet kosteloos behoeven te worden verleend in overeenstemming met de leden 1 en 2 van dit artikel of artikel 3 septies, lid 8. Voor alle lidstaten geldt dat het aantal in elke periode te veilen emissierechten evenredig is met het aandeel van de betreffende lidstaat in de totale hoeveelheid aan de luchtvaart toegewezen emissies voor de referentiejaren, als gerapporteerd ingevolge artikel 14, lid 3, en geverifieerd ingevolge artikel 15. Voor de in artikel 3 quater, lid 1, bedoelde periode is het referentiejaar 2010; voor elke volgende in artikel 3 quater bedoelde periode is het referentiejaar het kalenderjaar dat 24 maanden voor het begin van de periode waarop de veiling betrekking heeft, afloopt.”
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 quater (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quinquies – lid 3 – alinea 2
(-1 quater) In artikel 3 quinquies, lid 3, wordt de tweede alinea geschrapt.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 quinquies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 3 quinquies – lid 4 – alinea 1
(-1 quinquies) In artikel 3 quinquies, lid 4, wordt de eerste alinea vervangen door:
"De lidstaten bepalen hoe de opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt. De opbrengsten zouden moeten worden gebruikt om de klimaatverandering in de Europese Unie en in derde landen aan te pakken, onder meer om de emissie van broeikasgassen terug te dringen, om de aanpassing aan het effect van de klimaatverandering in de Europese Unie en derde landen, met name ontwikkelingslanden te bevorderen, om onderzoek en ontwikkeling te financieren op het gebied van beperking en aanpassing, inclusief met name in de luchtvaart en het luchtvervoer, om de emissies terug te dringen via transport met een lage emissie en om de beheerskosten van de Gemeenschapsregeling te dekken. De veilingopbrengsten moeten ook worden gebruikt voor de financiering van bijdragen aan het wereldfonds voor energie-efficiency en hernieuwbare energie, alsmede van maatregelen ter voorkoming van ontbossing."
"Alle opbrengsten van de veiling van emissierechten worden gebruikt om de klimaatverandering in de Europese Unie en in derde landen aan te pakken, onder meer om de emissie van broeikasgassen terug te dringen, om de aanpassing aan het effect van de klimaatverandering in de Europese Unie en derde landen, met name ontwikkelingslanden te bevorderen, om met name onderzoek en ontwikkeling te financieren op het gebied van beperking en aanpassing, met name in de luchtvaart en het luchtvervoer, om de emissies terug te dringen via transport met een lage emissie en om de beheerskosten van de Unieregeling te dekken, en voor de financiering van onderzoek en gemeenschappelijke projecten om de broeikasgasemissies van de luchtvaartsector te verminderen, bijvoorbeeld de gemeenschappelijke onderneming Sesar, de gezamenlijke technologie-initiatieven Clean Sky en alle initiatieven die de brede verspreiding mogelijk maken van GNSS voor satellietnavigatie en interoperabele capaciteiten in alle lidstaten, met name de capaciteiten die de infrastructuur voor de luchtvaartnavigatie, de verlening van luchtvaartnavigatiediensten en het gebruik van het luchtruim verbeteren. De veilingopbrengsten kunnen ook worden gebruikt voor de financiering van bijdragen aan het wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, alsmede van maatregelen ter voorkoming van ontbossing. Speciale aandacht wordt besteed aan lidstaten die de opbrengsten gebruiken voor de cofinanciering van onderzoeks- en innovatieprogramma's of initiatieven in het kader van het negende kaderprogramma voor onderzoek. Transparantie over het gebruik van de opbrengsten uit de veiling van emissierechten krachtens deze richtlijn is essentieel ter ondersteuning van de verplichtingen van de Unie."
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 - punt -1 sexies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 12 – lid 3
(-1 sexies) In artikel 12 wordt lid 3 vervangen door:
3.  De lidstaten dragen er zorg voor dat de exploitant van iedere installatie uiterlijk 30 april van ieder jaar een hoeveelheid emissierechten die niet zijn verleend krachtens hoofdstuk II, inlevert die gelijk is aan de totale emissies van die installatie gedurende het voorgaande kalenderjaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15, en dat die rechten vervolgens worden geannuleerd.
"3. De lidstaten dragen er zorg voor dat de exploitant van iedere installatie uiterlijk 30 april van ieder jaar een hoeveelheid emissierechten inlevert die gelijk is aan de totale emissies van die installatie gedurende het voorgaande kalenderjaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15, en dat die rechten vervolgens worden geannuleerd.”
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 septies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 12 – lid –3 bis (nieuw)
(-1 septies) In artikel 12 wordt het volgende lid voor lid 3 bis ingevoegd:
-3 bis. Om de milieu-integriteit van het EU-ETS te beschermen, mogen luchtvaartexploitanten en andere exploitanten binnen het EU-ETS geen gebruik maken van emissierechten die zijn uitgegeven op 1 januari 2018 of daarna door een lidstaat ten aanzien waarvan er sprake is van verplichtingen voor luchtvaartexploitanten of andere exploitanten die zijn komen te vervallen. Dit lid wordt toegepast door middel van de in artikel 19 genoemde rechtshandeling.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 octies (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)
(-1 octies) Aan artikel 21 wordt het volgende lid toegevoegd:
“2 bis. In het in lid 2 bedoelde verslag wordt, aan de hand van de gegevens die worden verstrekt via de in artikel 18 ter bedoelde samenwerking, een lijst opgenomen van vliegtuigexploitanten die aan de voorschriften van deze richtlijn zijn onderworpen en geen rekening in het register hebben geopend.”
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a – punt i
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis – lid 1 – letter a
a)  alle emissies van vluchten naar of van luchtvaartterreinen gelegen in landen buiten de Europese Economische Ruimte (EER) in elk kalenderjaar met ingang van 1 januari 2013, behoudens de in artikel 28 ter bedoelde herziening;
a)  alle emissies van vluchten naar of van luchtvaartterreinen gelegen in landen buiten de Europese Economische Ruimte (EER) in elk kalenderjaar van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020, behoudens de in artikel 28 ter bedoelde herziening;
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a – punt i
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis – lid 1 – letter b
b)  alle emissies van vluchten tussen een luchtvaartterrein dat gelegen is in een ultraperifere regio in de zin van artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en een luchtvaartterrein dat gelegen is in een andere regio van de EER in elk kalenderjaar met ingang van 1 januari 2013, behoudens de in artikel 28 ter bedoelde herziening.
b)  alle emissies van vluchten tussen een luchtvaartterrein dat gelegen is in een ultraperifere regio in de zin van artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en een luchtvaartterrein dat gelegen is in een andere regio van de EER in elk kalenderjaar met ingang van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020, behoudens de in artikel 28 ter bedoelde herziening.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a – punt i bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis – lid 1 – letter b bis (nieuw)
i bis.  De volgende letter wordt ingevoegd:
"b bis) alle emissies van vluchten tussen luchtvaartterreinen die gelegen zijn in de EER en uitgevoerd worden als gevolg van de afleiding van een vlucht als bedoeld onder a) of b) van dit lid naar een luchtvaartterrein dat gelegen is in de EER in elk kalenderjaar met ingang van 1 januari 2017, behoudens de in artikel 28 ter bedoelde evaluatie."
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b – punt i
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis – lid 2 – alinea 1
In afwijking van de artikelen 3 quinquies tot en met 3 septies en totdat de wijzigingen als gevolg van de in artikel 28 ter bedoelde herziening in werking zijn getreden, wordt met ingang van 1 januari 2017 aan vliegtuigexploitanten jaarlijks het aantal emissierechten toegewezen dat overeenkomt met het jaar 2016. Vanaf 2021 zal op dat aantal emissierechten de lineaire factor van artikel 9 worden toegepast.
In afwijking van de artikelen 3 quinquies tot en met 3 septies en totdat de wijzigingen als gevolg van de in artikel 28 ter bedoelde herziening in werking zijn getreden, wordt met ingang van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 aan vliegtuigexploitanten jaarlijks het aantal emissierechten toegewezen dat overeenkomt met het jaar 2016. Vanaf 2021 zal op dat aantal emissierechten de lineaire factor van artikel 9 worden toegepast.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b – punt ii
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis – lid 2 – alinea 3
ii.  de derde alinea wordt geschrapt.
ii.  de derde alinea wordt vervangen door:
"Wat de activiteiten in de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020 betreft, publiceren de lidstaten uiterlijk op 1 september 2018 het aantal luchtvaartemissierechten dat zij aan elke vliegtuigexploitant hebben toegewezen."
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter c
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis – lid 4
4.  In afwijking van artikel 3 quinquies, lid 3, wordt het aantal emissierechten dat elke lidstaat vanaf 1 januari 2013 veilt, zo gereduceerd dat het overeenstemt met haar aandeel in de toegewezen emissierechten voor vluchten die niet vallen onder de afwijkingen in lid 1, onder a) en b), van dit artikel.
4.  In afwijking van artikel 3 quinquies, lid 3, wordt het aantal emissierechten dat elke lidstaat voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020 veilt, zo gereduceerd dat het overeenstemt met haar aandeel in de toegewezen emissierechten voor vluchten die niet vallen onder de afwijkingen in lid 1, onder a) en b), van dit artikel.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 bis – lid 8
d bis)  lid 8 wordt geschrapt.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 ter – lid 1
1.   De Commissie brengt aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de desbetreffende ICAO-normen of andere wettelijke instrumenten, alsook over binnenlandse maatregelen die door derde landen zijn genomen met het oog op de uitvoering van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel die vanaf 2021 op de emissies moet worden toegepast, en over andere relevante internationale ontwikkelingen.
1.   Uiterlijk op 1 januari 2019 en vervolgens op geregelde tijdstippen brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de desbetreffende ICAO-normen en aanbevolen praktijken, door de ICAO-raad goedgekeurde aanbevelingen in verband met de wereldwijde marktgebaseerde maatregel of andere wettelijke instrumenten, alsook over binnenlandse maatregelen die door derde landen zijn genomen met het oog op de uitvoering van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel die vanaf 2021 op de emissies moet worden toegepast, de gevolgen van de bedenkingen van derde landen en over andere relevante internationale ontwikkelingen. Daarnaast houdt de Commissie het Europees Parlement en de Raad regelmatig op de hoogte over de opstelling van een mondiaal register en de ontwikkeling van de normen en aanbevolen praktijken in overeenstemming met de normalisatieprocedures van de ICAO. In overeenstemming met de ‘algemene inventarisatie’ van het UNFCCC brengt zij ook verslag uit over de inspanningen om het ambitieuze langetermijndoel van de luchtvaartsector om de CO2-emissies van de luchtvaart tegen 2050 te halveren ten opzichte van het niveau van 2005.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 ter – lid 2
2.   In het verslag moet worden onderzocht hoe die ICAO-instrumenten door middel van een herziening van deze richtlijn in het recht van de Unie kunnen worden opgenomen. In het verslag moet ook worden nagegaan of de regels die voor vluchten binnen de Europese Economische Ruimte (EER) gelden, adequaat zijn.
2.   De Commissie brengt uiterlijk op 1 maart 2020 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de geschiktheid van die ICAO-instrumenten en over mogelijkheden om die ICAO-instrumenten door middel van een herziening van deze richtlijn in het recht van de Unie op te nemen. In het verslag moet ook worden nagegaan of de regels die voor vluchten binnen de Europese Economische Ruimte (EER) gelden, adequaat zijn. In het verslag wordt tevens de ambitie en de algemene milieu-integriteit van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel onderzocht, met inbegrip van de mate van algemene ambitie met betrekking tot de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, het participatieniveau, de uitvoerbaarheid, de transparantie, de sancties voor niet-naleving, de processen voor inbreng van het publiek, de kwaliteit van de compensatiecredits, de monitoring, rapportage en verificatie van de emissies, de registers, de verantwoordingsplicht en de regels voor het gebruik van biobrandstoffen. Bovendien moet in het verslag de afweging worden gemaakt of de overeenkomstig artikel 28 quater, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling moet worden herzien.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 ter – lid 3
3.   Het verslag mag zo nodig vergezeld gaan van voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad tot wijziging, schrapping, verlenging of vervanging van de afwijkingen waarin artikel 28 bis voorziet, zulks in overeenstemming met de verbintenis inzake reductie van broeikasgasemissies die de Unie voor 2030 voor de hele economie is aangegaan.
3.   Het in lid 2 van dit artikel genoemde verslag gaat zo nodig vergezeld van voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad tot wijziging, schrapping, verlenging of vervanging van de afwijkingen waarin artikel 28 bis voorziet, zulks in overeenstemming met de verbintenis inzake reductie van broeikasgasemissies die de Unie voor 2030 voor de hele economie is aangegaan met het doel om volledige milieu-integriteit en doeltreffendheid van klimaatactie van de Unie te garanderen en om tegenstrijdigheden tegen te gaan voordat de Corsia in werking treedt.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 28 quater – lid 1
1.   De Commissie stelt bepalingen vast voor de passende monitoring, rapportage en verificatie van de emissies met het oog op de tenuitvoerlegging van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel die in de ICAO wordt uitgewerkt. Die bepalingen steunen op dezelfde beginselen als de in artikel 14, lid 1, bedoelde verordening en zorgen ervoor dat de ingediende emissieverslagen worden geverifieerd overeenkomstig artikel 15.
1.   De Commissie stelt bepalingen vast voor de passende monitoring, rapportage en verificatie van de emissies met het oog op de tenuitvoerlegging van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel die in de ICAO wordt uitgewerkt. Die bepalingen zijn geheel in overeenstemming met de beginselen van de in artikel 14, lid 1, bedoelde verordening en zorgen ervoor dat de ingediende emissieverslagen worden geverifieerd overeenkomstig artikel 15.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2003/87/EG
Artikel 30 – lid 4 bis (nieuw)
(2 bis)  In artikel 30 wordt het volgende lid toegevoegd:
"4 bis. Uiterlijk op 1 januari 2020 dient de Commissie een bijgewerkte analyse te presenteren van de niet-CO2-effecten van de luchtvaart, zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel over de wijze waarop die effecten het best worden aangepakt."

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissies op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0258/2017).


Opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 ***I
PDF 381kWORD 74k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 september 2017 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en overige informatie met betrekking tot klimaatverandering (COM(2016)0479 – C8-0330/2016 – 2016/0230(COD))(1)
P8_TA(2017)0339A8-0262/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging -1 (nieuw)
(-1)  Er dient rekening te worden gehouden met Protocol Nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging –1 bis (nieuw)
(-1 bis) Er dient rekening te worden gehouden met Protocol Nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Op 10 juni 2016 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs door de EU. Dit wetgevingsvoorstel maakt deel uit van de uitvoering van de verbintenis van de Unie tot emissiereductie in de gehele economie, zoals bevestigd in de voorgenomen nationaal vastgestelde reductieverbintenis van de Unie en haar lidstaten, die op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) is ingediend10.
(3)  Op 5 oktober 2016 heeft de Raad namens de Unie de Overeenkomst van Parijs geratificeerd, nadat het Europees Parlement hiermee op 4 oktober 2016 had ingestemd. De overeenkomst van Parijs is op 4 november 2016 in werking getreden. Deze verordening maakt, in dat verband, deel uit van de uitvoering van de verbintenis van de Unie tot emissiereductie in de gehele economie, zoals vastgelegd in de voorgenomen nationaal vastgestelde reductieverbintenis van de Unie en haar lidstaten, die op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) is ingediend. De Unie moet een voorbeeldfunctie blijven uitoefenen en moet haar inspanningen voor het klimaat intensiveren, in overeenstemming met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs.
__________________
__________________
10 http://www4.unfccc.int/submissions/indc/Submission%20Pages/submissions.aspx
10 http://www4.unfccc.int/ndcregistry/pages/Party.aspx?party=EUU
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De Overeenkomst van Parijs bevat onder meer een streefcijfer op lange termijn dat strookt met de doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging ruim beneden 2 °C boven de pre-industriële niveaus te houden, en om in te zetten op een maximale stijging van 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus. Om dit doel te bereiken, moeten de partijen opeenvolgende nationaal vastgestelde bijdragen voorbereiden, bekendmaken en aanhouden. De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden voortgezet. In de Overeenkomst van Parijs wordt ook opgeroepen om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken, en worden de partijen verzocht maatregelen te treffen om, indien van toepassing, putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden.
(4)  De Overeenkomst van Parijs bevat onder meer een streefcijfer op lange termijn dat strookt met de doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging ruim beneden 2 °C boven de pre-industriële niveaus te houden, en om in te zetten op een maximale stijging van 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus; daartoe zal de wereld een periode van negatieve emissieniveaus moeten aanvatten, waarin bossen, landbouwgrond en wetlands, met inbegrip van veengrond, een centrale rol zullen spelen. In de overeenkomst van Parijs wordt ook ernaar gestreefd de wereldwijde reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, in het kader van de duurzame ontwikkeling en de inspanningen om armoede uit te bannen, mede door het vermogen om zich aan te passen aan de negatieve gevolgen van de klimaatverandering te vergroten, en de klimaatbestendigheid en de ontwikkeling naar een lage uitstoot van broeikasgassen te bevorderen, op een manier die geen bedreiging vormt voor de productie van levensmiddelen. In de Overeenkomst van Parijs wordt door de partijen eveneens erkend dat het waarborgen van voedselzekerheid en het beëindigen van honger fundamentele prioriteiten zijn en dat voedselproductiesystemen bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering. Om het doel van de Overeenkomst van Parijs te bereiken, moeten de partijen meer collectieve inspanningen leveren om de klimaatverandering te bestrijden en de opwarming van de aarde te beperken. De partijen moeten opeenvolgende nationaal vastgestelde bijdragen voorbereiden, bekendmaken en aanhouden. De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is aangenomen en die na 2020 niet zal worden voortgezet. In de Overeenkomst van Parijs wordt ook opgeroepen om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken, en worden de partijen verzocht maatregelen te treffen om, indien van toepassing, putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden. In de Overeenkomst van Parijs erkennen de partijen ook dat voor adaptatiemaatregelen een volledig transparante aanpak moet worden gevolgd, dat er rekening moet worden gehouden met ecosystemen, en dat deze maatregelen moeten worden gebaseerd op en aangestuurd door de best beschikbare wetenschappelijke kennis.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Het is van essentieel belang dat bossen op duurzame wijze worden beheerd, overeenkomstig de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn uitgewerkt in het kader van het Forest Europe-proces. In dat proces wordt duurzaam bosbeheer gedefinieerd als het beheer en het gebruik van bossen en bosgronden op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit, vitaliteit en vermogen behouden om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen en op een wijze die geen schade aan andere ecosystemen toebrengt. Voor een dergelijk beheer moet in dit verband ook de rol van herbebossing worden erkend.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  Om de negatieve emissieniveaus te bereiken die nodig zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs moet het boekhoudsysteem voor landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) robuust zijn. Aangezien verwijderingen door LULUCF omkeerbaar zijn, moeten ze als een afzonderlijke pijler van het klimaatbeleid van de Unie worden behandeld.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 werden ook de verschillende doelstellingen van de sectoren landbouw en landgebruik, waarvan het mitigatiepotentieel lager is, onderkend, evenals de noodzaak om voor coherentie tussen de doelstellingen van de Unie inzake voedselzekerheid en die inzake klimaatverandering te zorgen. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht te bekijken wat de beste manier is om een duurzame intensivering van de voedselproductie aan te moedigen en tegelijkertijd de bijdrage die de sector levert aan mitigatie en vastlegging van broeikasgassen, ook via bebossing, te optimaliseren en om zodra de technische voorwaarden dat mogelijk maken, en in ieder geval vóór 2020, een beleid te bepalen over de wijze waarop landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) in het kader voor broeikasgasmitigatie 2030 moeten worden opgenomen.
(5)  Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 werden ook de verschillende doelstellingen van de sectoren landbouw en landgebruik, waarvan het mitigatiepotentieel lager is, onderkend, evenals de noodzaak om voor coherentie tussen de doelstellingen van de Unie inzake voedselzekerheid en die inzake klimaatverandering te zorgen. Bovendien draagt de invoering van technologische oplossingen in de landbouw en bosbouw bij tot productieverhoging en vermindering van de ecologische voetafdruk. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht te bekijken wat de beste manier is om een duurzame intensivering van de voedselproductie aan te moedigen en tegelijkertijd de bijdrage die de sector levert aan mitigatie en vastlegging van broeikasgassen, ook via bebossing, te optimaliseren en om zodra de technische voorwaarden dat mogelijk maken, en in ieder geval vóór 2020, een beleid te bepalen over de wijze waarop landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) in het kader voor broeikasgasmitigatie 2030 moeten worden opgenomen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  De LULUCF-sector kan op verschillende manieren tot mitigatie van klimaatverandering bijdragen, met name door emissiereducties te verwezenlijken en putten en koolstofvoorraden in stand te houden en uit te breiden. Voor de doeltreffendheid van maatregelen die in het bijzonder gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging, is het van essentieel belang dat koolstofreservoirs voor lange termijn stabiel en aanpasbaar zijn.
(6)  De LULUCF-sector is sterk blootgesteld aan en zeer kwetsbaar voor de klimaatverandering. Tegelijkertijd beschikt de sector over een enorm potentieel om voor klimaatvoordelen op de lange termijn te zorgen en een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de internationale en Uniale klimaatdoelstellingen op de lange termijn. De LULUCF-sector draagt op verschillende manieren bij tot mitigatie van klimaatverandering, met name door emissiereducties te verwezenlijken en door putten en koolstofvoorraden in stand te houden en uit te breiden. De sector kan tot op zekere hoogte ook biomaterialen leveren waarmee fossiele en koolstofintensieve materialen kunnen worden vervangen door hernieuwbare, koolstofarme biomassa uit bossen. Ten aanzien van een dergelijke vervanging moet rekening worden gehouden met de volledige levenscyclus van die materialen, van de grondstoffenproductie tot de verschillende verwerkings- en productiefasen. De bio-economie, met inbegrip van materiaalvervanging, zoals in de bouw, en bio-energie, vervullen een belangrijke rol bij de overgang naar een economie zonder fossiele brandstoffen. Voor de doeltreffendheid van maatregelen die in het bijzonder gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging en in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, zijn het duurzame beheer van bossen en hulpbronnen en de stabiliteit en aanpasbaarheid van koolstofreservoirs op de lange termijn van essentieel belang. Aangezien de LULUCF-sector wordt gekenmerkt door lange termijnen, zijn er strategieën op de lange termijn nodig om duurzame investeringen op de lange termijn mogelijk te maken.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   De Unie moet een wereldleider worden in het bevorderen en exporteren van onderzoek en investeringen in duurzame, geavanceerde en innoverende praktijken, technieken en ideeën in de LULUCF-sector, alsook in het verspreiden van groene technologieën, teneinde de broeikasgasemissies te reduceren en tegelijk de voedselproductie te handhaven, waardoor zij een voorbeeld zal zijn voor haar internationale partners, waaronder ook ontwikkelingslanden. In dit verband moet worden gezorgd voor effectievere samenwerking en partnerschap met actoren in de particuliere sector, met name kleine en middelgrote ondernemingen.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  Het prioriteren van de financiering voor onderzoek naar klimaatverandering zou de rol van de LULUCF-sector in de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering vergroten. Met name het stimuleren van het onderzoeks- en innovatieprogramma van de Unie, voor de periode 2021-2028, in de LULUCF-sector zou onder meer bijdragen tot de uitbreiding en verdeling van de kennis over de prestaties van de sector onder de wetenschappelijke en plaatselijke gemeenschappen, de versnelling van duurzame innovatie, de bevordering van de overgang naar het digitale tijdperk, de modernisering van opleidingen en onderwijs, de vergroting van de weerbaarheid van de sector en de monitoring van biodiversiteit en menselijke activiteiten.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)  Er moet meer onderzoek worden verricht naar de rol van dood hout, vooral bovengrondse grove houtresten en dood ondergronds hout in zowel beheerde als onbeheerde bossen, om de boekhouding van koolstof in bossen en de berekening van de nettokoolstofbalans van het ecosysteem nauwkeuriger te maken. Het weinige bewijs dat beschikbaar is wijst erop dat dood hout een groot koolstofreservoir kan vormen en dat het achterlaten van dood hout onder meer een aanzienlijke rol kan spelen voor de biodiversiteit en dat dit moet worden erkend als een belangrijk onderdeel in een strategie voor broeikasgasmitigatie. Dit is van belang als we bedenken dat bosbeheer kan aansturen op het verwijderen van dood hout, bijvoorbeeld voor energiedoeleinden, en dat elke beslissing over een juiste mitigatie en adaptatie moet berusten op degelijke wetenschappelijke kennis. Voor de periode 2017-2020 moeten de benodigde middelen voor dit onderzoek worden uitgetrokken.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quinquies (nieuw)
(6 quinquies)   Met het oog op de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties is de Unie verbintenissen aangegaan die alleen kunnen worden verwezenlijkt met een adequaat bosbeheer en de wil de ontbossing te stoppen en terug te draaien en werk te maken van herbebossing.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 sexies (nieuw)
(6 sexies)   Er moet worden gezorgd voor een holistische aanpak van ontbossing in de tropen, rekening houdend met alle factoren die ontbossing in de hand werken alsook met de doelstelling die de Commissie in het kader van de UNFCCC-onderhandelingen heeft geformuleerd, namelijk dat uiterlijk tegen 2030 op wereldschaal geen bosareaal meer verloren mag gaan en dat tussen nu en 2020 de bruto-ontbossing in de tropen met ten minste 50 % moet worden verminderd ten opzichte van de huidige niveaus.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 septies (nieuw)
(6 septies)   Bosbouw en bossen moeten op een verantwoorde wijze worden beheerd, moeten daadwerkelijk bijdragen tot de economische ontwikkeling van een land en haalbare economische kansen bieden aan boeren, mits hiervoor geen ontbossing van gevoelige ecosystemen plaatsvindt, geen aanplantingen op veengronden geschieden, aanplantingen worden beheerd door middel van moderne agro-ecologische technologieën om negatieve sociale en milieugevolgen tot een minimum te beperken, en mits de landrechten, de rechten van autochtone bevolkingsgroepen, de mensenrechten en de arbeidersrechten worden geëerbiedigd.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 octies (nieuw)
(6 octies)  Geavanceerde en duurzame beheerspraktijken kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren tot het terugdringen van de broeikasgasemissies in de LULUCF-sector. De ontwikkeling van innovatieve praktijken en het gebruik door landeigenaren van geavanceerde beheerspraktijken, zoals precisielandbouw, precisiebosbouw en agro-digitalisering moeten worden bevorderd. Monitoring via geo-informatie en aardobservatie, alsmede het delen van optimale praktijken zijn potentiële middelen om de lidstaten te helpen hun streefcijfers te halen en moeten dus worden aangemoedigd.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 nonies (nieuw)
(6 nonies)  De agro-ecologie bevordert een verschuiving van lineaire naar circulaire voedselsystemen waarmee natuurlijke cycli worden nagebootst, en zou de koolstof- en ecologische voetafdruk van voedsel en landbouw kunnen verminderen. Het is belangrijk de agro-ecologie en de agro-bosbouw te bevorderen gezien hun bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  In Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad11 zijn als eerste stap boekhoudregels voor broeikasgasemissies en -verwijderingen door de LULUCF-sector vastgesteld en is aldus bijgedragen tot de ontwikkeling van een beleid om de LULUCF-sector in de emissiereductieverbintenis van de Unie op te nemen. Deze verordening moet voortbouwen op de bestaande boekhoudregels en deze bijwerken en verbeteren met het oog op gebruik voor de periode 2021-2030. In deze verordening moeten de verplichtingen van de lidstaten inzake de toepassing van deze boekhoudregels en de verplichting om ervoor te zorgen dat de LULUCF-sector in zijn geheel geen netto-emissies veroorzaakt, worden vastgesteld. Er mogen geen boekhoud- of rapportageverplichtingen worden vastgesteld ten aanzien van private partijen.
(7)  In Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad11 zijn als eerste stap boekhoudregels voor broeikasgasemissies en -verwijderingen door de LULUCF-sector vastgesteld en is aldus bijgedragen tot de ontwikkeling van een beleid om de LULUCF-sector in de emissiereductieverbintenis van de Unie op te nemen. Deze verordening moet voortbouwen op de bestaande boekhoudregels en deze bijwerken en verbeteren met het oog op gebruik voor de periode 2021-2030. In deze verordening moeten de verplichtingen van de lidstaten inzake de toepassing van deze boekhoudregels en de verplichting om ervoor te zorgen dat de LULUCF-sector in zijn geheel geen netto-emissies veroorzaakt, in alle omstandigheden worden vastgesteld. Er mogen geen boekhoud- of rapportageverplichtingen worden vastgesteld ten aanzien van private partijen, waaronder landbouwers en bosbouwers en bij de tenuitvoerlegging van deze verordening moeten dergelijke verplichtingen door de lidstaten vermeden worden.
__________________
__________________
11 Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 80).
11 Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 80).
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Landbouw en landgebruik zijn sectoren die rechtstreekse en aanzienlijke effecten hebben op de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Unie. Derhalve bestaat een belangrijke doelstelling van beleidsmaatregelen die op de sector van invloed zijn, erin te zorgen voor samenhang met de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie van de Unie. Bovendien bestaan er andere beleidsterreinen van de Unie waarmee praktijken kunnen worden gestimuleerd die verder gaan dan de wettelijke minimumvereisten en goede standaardpraktijken, en die bijdragen tot een daadwerkelijke adaptatie aan en mitigatie van klimaatverandering en tot het behoud van de koolstofput, als voorziening in collectieve goederen. Er moeten maatregelen worden getroffen om activiteiten uit te voeren en te ondersteunen met betrekking tot mitigatie- en adaptatiemaatregelen voor het integrale en duurzame beheer van bossen en landbouwgrond. Ondanks zijn beperkte potentieel ten aanzien van de reductie van koolstofvrije emissies moet de landbouw een eerlijke bijdrage leveren aan de mitigatie van klimaatverandering. Dit kan worden verwezenlijkt door onder andere een verbeterde teelt gericht op een verhoging van de hoeveelheid organische koolstof in de bodem. De lidstaten en de Commissie dienen te zorgen voor samenhang tussen het GLB en deze verordening.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  Wetlands zijn de doeltreffendste ecosystemen voor de opslag van CO2. De degradatie van wetlands in de Unie vormt dus niet alleen een probleem voor de biodiversiteit, maar ook een groot klimaatprobleem. Bescherming en herstel van wetlands zouden daarentegen de inspanningen voor het behoud kunnen bevorderen en bovendien de broeikasgasemissies in de LULUCF-sector kunnen terugdringen. In dit verband moet ook de voor 2019 geplande verfijning van het IPCC van de richtsnoeren uit 2006 in aanmerking worden genomen.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Om overeenkomstig de door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006 ("IPCC-richtsnoeren") een nauwkeurige boekhouding van emissies en verwijderingen bij te houden, moeten de krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013 jaarlijks gerapporteerde waarden voor de categorieën landgebruik en omzetting tussen categorieën landgebruik worden gebruikt, waarbij de aanpak in het kader van de UNFCCC en die in het kader van het Protocol van Kyoto moeten worden gestroomlijnd. Land dat wordt omgezet tot land in een andere categorie landgebruik moet worden beschouwd als zijnde in overgang naar die categorie gedurende de in de IPCC-richtsnoeren aangegeven standaardperiode van twintig jaar.
(8)  Om overeenkomstig de door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006 ("IPCC-richtsnoeren") een nauwkeurige boekhouding van emissies en verwijderingen bij te houden, moeten de krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013 jaarlijks gerapporteerde waarden voor de categorieën landgebruik en omzetting tussen categorieën landgebruik worden gebruikt, waarbij de aanpak in het kader van de UNFCCC en die in het kader van het Protocol van Kyoto moeten worden gestroomlijnd. Land dat wordt omgezet tot land in een andere categorie landgebruik moet worden beschouwd als zijnde in overgang naar die categorie gedurende de in de IPCC-richtsnoeren aangegeven standaardperiode van twintig jaar. Gezien de positie van de Unie als voortrekker op klimaatgebied zouden de lidstaten slechts voor bebost land en alleen in zeer beperkte, door de IPCC-richtsnoeren gerechtvaardigde omstandigheden van deze standaardperiode moeten afwijken. Bij een mogelijke afwijking wordt rekening gehouden met de uiteenlopende natuurlijke en ecologische omstandigheden in de lidstaten en dus met de uiteenlopende kenmerken van hun bosgrond.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Emissies en verwijderingen door bosgrond hangen af van een aantal natuurlijke omstandigheden, van de structuur van de leeftijdsklassen en van de vroegere en huidige beheerspraktijken. Die factoren, en de cyclische effecten ervan op emissies en verwijderingen, alsmede de jaarlijkse schommelingen ervan, zouden niet tot uiting kunnen worden gebracht door een referentiejaar te hanteren. De desbetreffende boekhoudregels moeten in plaats daarvan voorzien in het gebruik van referentieniveaus, teneinde de gevolgen van natuurlijke en landspecifieke eigenschappen uit te sluiten. Bij gebrek aan internationale evaluatie in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, moet een evaluatieprocedure worden vastgesteld om transparantie te verzekeren en de kwaliteit van de boekhouding betreffende deze categorie te verbeteren.
(9)  Emissies en verwijderingen door bosgrond hangen af van een aantal natuurlijke omstandigheden, van de structuur van de leeftijdsklassen en van de vroegere en huidige beheerspraktijken, die per lidstaat aanzienlijk verschillen. Die factoren, en de cyclische effecten ervan op emissies en verwijderingen, alsmede de jaarlijkse schommelingen ervan, zouden niet tot uiting kunnen worden gebracht door een referentiejaar te hanteren. De desbetreffende boekhoudregels moeten in plaats daarvan voorzien in het gebruik van referentieniveaus, teneinde de gevolgen van natuurlijke en landspecifieke eigenschappen aan te pakken, zoals het feit dat de bossen in Kroatië niet konden worden beheerd ten gevolge van de bezetting van zijn grondgebied, de Kroatische onafhankelijkheidsoorlog en de omstandigheden voor en na de oorlog. De desbetreffende boekhoudregels moeten ook zorgen voor samenhang en vereisten voor duurzaam bosbeheer van Forest Europe (ministersconferentie over de bescherming van de bossen in Europa). Bij gebrek aan internationale evaluatie in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, moet een transparante procedure worden vastgesteld voor de lidstaten om de controleerbaarheid en de kwaliteit van de boekhouding betreffende deze categorie te verbeteren.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Emissies van geoogst hout in de LULUCF-sector kunnen emissies op de gebieden van ETS en het delen van de inspanningen vervangen, en deze verordening kan dit benadrukken en verantwoorden.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Wanneer de Commissie ervoor kiest om bij de beoordeling van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw te worden bijgestaan door een beoordelingsteam van deskundigen overeenkomstig Besluit C(2016)3301 van de Commissie, moet hierbij worden voortgebouwd op de goede praktijken en ervaring van de beoordelingen door deskundigen in het kader van het UNFCCC, onder andere wat betreft deelname van nationale deskundigen en aanbevelingen, en moet een voldoende groot aantal deskundigen uit de lidstaten worden gekozen.
(10)  Voor de beoordeling van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw moet overeenkomstig Besluit C(2016)3301 van de Commissie een beoordelingsteam van deskundigen worden aangesteld. Het beoordelingsteam van deskundigen moet voortbouwen op de goede praktijken en ervaring van de beoordelingen door deskundigen in het kader van het UNFCCC, onder andere wat betreft deelname van nationale deskundigen en aanbevelingen, en er moet een voldoende groot aantal deskundigen uit de lidstaten worden gekozen. Het beoordelingsteam van deskundigen moet het Permanent Comité voor de bosbouw dat is opgericht bij Beschikking 89/367/EEG, alsmede de belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld raadplegen over de beoordeling van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Door méér in te zetten op duurzaam gebruik van geoogste houtproducten kunnen emissies van broeikasgassen in de atmosfeer fors worden beperkt en meer broeikasgassen uit de atmosfeer worden verwijderd. De boekhoudregels moeten ervoor zorgen dat lidstaten nauwkeurig in de boekhouding de wijzigingen in de voorraden geoogste houtproducten weergeven wanneer zij zich voordoen, om stimulansen te bieden voor het gebruik van geoogste houtproducten met lange levenscycli. De Commissie moet richtsnoeren bieden voor methodologische kwesties met betrekking tot boekhouding voor geoogste houtproducten.
(12)  Door méér in te zetten op duurzaam gebruik van geoogste houtproducten kunnen emissies van broeikasgassen fors worden beperkt dankzij het vervangingseffect (rekening houdend met de energie- en CO2-intensiteit van andere sectoren, de cementproductie is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor ongeveer 8 % van de wereldwijde CO2-emissies), en kunnen meer broeikasgassen uit de atmosfeer worden verwijderd. De boekhoudregels moeten ervoor zorgen dat lidstaten nauwkeurig in de boekhouding de wijzigingen in de voorraden geoogste houtproducten weergeven wanneer zij zich voordoen, om veeleer het toegenomen gebruik van geoogste houtproducten met lange levenscycli dan het gebruik van geoogste houtproducten voor energiedoeleinden te erkennen en te stimuleren. Om het positieve vervangingseffect verder te bevorderen en te integreren, moet de Commissie via een gedelegeerde handeling meer producten opnemen in de berekeningen met betrekking tot geoogste houtproducten. De Commissie moet richtsnoeren bieden voor methodologische kwesties met betrekking tot boekhouding voor geoogste houtproducten.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Natuurlijke verstoringen, zoals ongecontroleerde bosbranden, insecten- en ziekteplagen, extreme weersomstandigheden en geologische verstoringen die buiten de controle van een lidstaat vallen of niet door deze wezenlijk beïnvloed worden, kunnen in de LULUCF-sector leiden tot broeikasgasemissies van tijdelijke aard of kunnen eerdere verwijderingen ongedaan maken. Aangezien een ongedaanmaking ook het resultaat kan zijn van beheersbesluiten, zoals besluiten om bomen te kappen of te planten, moet deze verordening ervoor zorgen dat een door de mens veroorzaakte ongedaanmaking van verwijderingen altijd nauwkeurig wordt weerspiegeld in de LULUCF-boekhouding. Bovendien moet deze verordening de lidstaten een beperkte mogelijkheid bieden om emissies die het gevolg zijn van verstoringen waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen, uit de LULUCF-boekhouding uit te sluiten. Echter, de manier waarop de lidstaten die bepalingen toepassen, mag niet leiden tot onnodige onderschattingen in de boekhouding.
(13)  Natuurlijke verstoringen, zoals ongecontroleerde bosbranden, insecten- en ziekteplagen, extreme weersomstandigheden en geologische verstoringen die buiten de controle van een lidstaat vallen of niet door deze wezenlijk beïnvloed worden, kunnen in de LULUCF-sector leiden tot broeikasgasemissies van tijdelijke aard of kunnen eerdere verwijderingen ongedaan maken. Aangezien een ongedaanmaking ook het resultaat kan zijn van beheersbesluiten, zoals besluiten om bomen te kappen of te planten, moet deze verordening ervoor zorgen dat een door de mens veroorzaakte ongedaanmaking van verwijderingen altijd nauwkeurig wordt weerspiegeld in de LULUCF-boekhouding. De lidstaten moeten ertoe worden aangespoord in preventieve maatregelen te investeren, zoals praktijken inzake duurzaam beheer, om de met natuurlijke verstoringen verband houdende risico's te beperken, waardoor negatieve effecten op de boskoolstofputten worden voorkomen. Bovendien moet deze verordening de lidstaten een beperkte mogelijkheid bieden om emissies die het gevolg zijn van verstoringen waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen, uit de LULUCF-boekhouding uit te sluiten. Echter, de manier waarop de lidstaten die bepalingen toepassen, mag niet leiden tot onnodige onderschattingen in de boekhouding.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Afhankelijk van de nationale voorkeuren moeten de lidstaten adequate nationale beleidskeuzes kunnen maken voor de nakoming van hun verbintenissen voor LULUCF, met inbegrip van de mogelijkheid om emissies door een categorie land te compenseren met verwijderingen door een andere categorie land. Zij moeten ook de nettoverwijderingen gedurende de periode 2021-2030 kunnen samenvoegen. De handel tussen de lidstaten moet worden voorgezet als aanvullende mogelijkheid tot naleving. Gezien de praktijk in de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, moet een lidstaat eveneens de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van zijn extra prestaties krachtens Verordening [] betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de unie met betrekking tot klimaatverandering, teneinde de naleving van zijn verbintenis krachtens deze verordening te garanderen.
(14)  Afhankelijk van de nationale voorkeuren moeten de lidstaten adequate nationale beleidskeuzes kunnen maken voor de nakoming van hun verbintenissen voor LULUCF, met inbegrip van de mogelijkheid om emissies door een categorie land te compenseren met verwijderingen door een andere categorie land. Zij moeten ook de nettoverwijderingen gedurende de periode 2021-2030 kunnen samenvoegen. De handel tussen de lidstaten moet worden voorgezet als aanvullende mogelijkheid tot naleving. Gezien de praktijk in de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, moet een lidstaat eveneens de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van zijn extra prestaties krachtens Verordening [] betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de unie met betrekking tot klimaatverandering, teneinde de naleving van zijn verbintenis krachtens deze verordening te garanderen, zonder het algemene ambitieniveau van de doelstellingen van de Unie met betrekking tot de reductie van broeikasgassen in gevaar te brengen. De lidstaten zouden tot 280 miljoen ton aan totale nettoverwijderingen moeten kunnen gebruiken, afkomstig van de gecombineerde boekhoudkundige categorieën ontbost land, bebost land, beheerd bouwland, beheerd grasland en, in voorkomend geval, beheerde wetlands, alsmede, overeenkomstig de gedelegeerde handeling, die wordt vastgesteld uit hoofde van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) [2017/...] betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030, beheerde bosgrond, teneinde te zorgen voor de naleving van hun verbintenissen uit hoofde van Verordening (EU) [2017/...].
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Met het oog op efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en -verwijderingen en van andere informatie die nodig is om de nakoming van de verbintenissen door de lidstaten te beoordelen, moeten bij deze verordening rapportagevoorschriften worden opgenomen in Verordening (EU) nr. 525/2013 en moet bij nalevingscontroles krachtens deze verordening rekening worden gehouden met deze rapporten. Verordening (EU) nr. 525/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Deze bepalingen kunnen verder worden gestroomlijnd om relevante wijzigingen met betrekking tot geïntegreerde governance van de energie-unie, waarvoor overeenkomstig het werkprogramma van de Commissie eind 2016 een voorstel is voorzien, in aanmerking te nemen.
(15)  Met het oog op efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en -verwijderingen en van andere informatie die nodig is om de nakoming van de verbintenissen door de lidstaten te beoordelen, moeten bij deze verordening rapportagevoorschriften worden opgenomen in Verordening (EU) nr. 525/2013 en moet bij nalevingscontroles krachtens deze verordening rekening worden gehouden met deze rapporten. Verordening (EU) nr. 525/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Deze bepalingen kunnen verder worden gestroomlijnd om relevante wijzigingen met betrekking tot het voorstel voor een verordening inzake de governance van de energie-unie dat de Commissie op 30 november 2016 heeft ingediend, in aanmerking te nemen.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Uit hoofde van het UNFCCC zijn de Unie en haar lidstaten verplicht om, op basis van vergelijkbare methoden die zijn overeengekomen door de Conferentie van de Partijen, nationale inventarislijsten van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van alle broeikasgassen op te stellen, regelmatig te actualiseren, te publiceren en in te dienen bij de Conferentie van de Partijen. De broeikasgasinventarissen zijn essentieel om de tenuitvoerlegging van de decarbonisatie te monitoren en de naleving van de klimaatwetgeving te beoordelen. De verplichtingen van de lidstaten om nationale inventarislijsten op te stellen en bij te houden zijn opgenomen in het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de governance van de energie-unie.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Met het oog op eenvoudigere gegevensverzameling en verdere verbetering van de methoden, moet het landgebruik worden geïnventariseerd en gerapporteerd aan de hand van geografische traceerbaarheid van elk gebied, overeenkomstig de nationale en EU-systemen voor gegevensverzameling. Er moet optimaal gebruik worden gemaakt van bestaande EU- en nationale programma's en onderzoeken, waaronder LUCAS (Land Use Cover Area Frame Survey) en het Europees programma voor aardobservatie Copernicus met het oog op gegevensverzameling. Gegevensbeheer, met inbegrip van het delen van gegevens voor rapportage, alsook het hergebruik en de verspreiding ervan, moet voldoen aan Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap.
(17)  Met het oog op eenvoudigere gegevensverzameling en verdere verbetering van de methoden, moet het landgebruik expliciet worden geïnventariseerd en gerapporteerd aan de hand van geografische traceerbaarheid van elk gebied, overeenkomstig de nationale en EU-systemen voor gegevensverzameling. Er moet optimaal gebruik worden gemaakt van bestaande EU- en nationale programma's en onderzoeken, waaronder LUCAS (Land Use Cover Area Frame Survey), het Europees programma voor aardobservatie Copernicus, met name via Sentinel-2, met het oog op gegevensverzameling en de Europese satellietnavigatiesystemen Galileo en EGNOS, die gebruikt kunnen worden ter ondersteuning van onderzoek naar grondgebruik. Gegevensbeheer, met inbegrip van het delen van gegevens voor rapportage, alsook het hergebruik en de verspreiding ervan, moet voldoen aan Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Om te zorgen voor een passende boeking van de transacties in het kader van deze verordening, met inbegrip van gebruikmaking van de flexibiliteit en naleving van de traceerbaarheid, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de technische aanpassing van definities, waarden, lijsten van broeikasgassen en koolstofreservoirs, de bijwerking van referentieniveaus, de boeking van transacties en de revisie van de voorschriften inzake methodologie en informatie. Bij deze maatregelen moet rekening worden gehouden met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie tot instelling van een EU-register. De nodige bepalingen moeten worden opgenomen in één enkel rechtsinstrument waarin de boekhoudkundige bepalingen van Richtlijn 2003/87/EG, Verordening (EU) nr. 525/2013, Verordening [] betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en deze verordening worden gecombineerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(18)  Om te zorgen voor een passende boeking van de transacties in het kader van deze verordening, met inbegrip van gebruikmaking van de flexibiliteit en naleving van de traceerbaarheid, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de technische aanpassing van definities, waarden, lijsten van broeikasgassen en koolstofreservoirs, de bijwerking van referentieniveaus, de boeking van transacties en de revisie van de voorschriften inzake methodologie op grond van de meest recente, goedgekeurde IPCC-richtsnoeren, met inbegrip van de aanvullende IPCC-richtsnoeren inzake wetlands uit 2013 voor nationale broeikasgasinventarissen en de richtsnoeren van het UNFCCC en de voorschriften inzake informatie. Bij deze maatregelen moet rekening worden gehouden met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie tot instelling van een EU-register. De nodige bepalingen moeten worden opgenomen in één enkel rechtsinstrument waarin de boekhoudkundige bepalingen van Richtlijn 2003/87/EG, Verordening (EU) nr. 525/2013, Verordening (EU) nr. .../... betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en deze verordening worden gecombineerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Deze verordening moet in 2024 en daarna om de 5 jaar worden geëvalueerd om de algehele werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie kan ook rekening worden gehouden met de resultaten van de algemene inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
(19)  Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling met daarin een evaluatie van de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie aansluiten bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Deze verordening moet in 2024 en daarna om de 5 jaar worden geëvalueerd om de algehele werking ervan te beoordelen. Bij een dergelijke evaluatie kan ook rekening worden gehouden met de resultaten van de algemene inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 bis (nieuw)
In deze verordening worden geen boekhoud- of rapportageverplichtingen vastgelegd voor private partijen, waaronder landbouwers en bosbouwers.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 ter (nieuw)
Deze verordening draagt ertoe bij dat de Unie de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs kan verwezenlijken.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
e bis)  vanaf 2026, beheerde wetlands: land dat is aangegeven als wetlands die wetlands blijven, en woongebied, overig land omgezet in wetlands en wetlands omgezet in woongebied of overig land.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 2
2.  In het kader van zijn verbintenis krachtens artikel 4 mag een lidstaat ervoor kiezen om beheerde wetlands op te nemen, gedefinieerd als land dat is aangegeven als wetlands die wetlands blijven, woongebied of overig land omgezet in wetlands, of wetlands omgezet in woongebied of overig land. Wanneer een lidstaat hiervoor kiest, boekt hij de emissies en verwijderingen door beheerde wetlands overeenkomstig deze verordening.
2.  Gedurende de periode van 2021 tot 2025 mag een lidstaat ervoor kiezen om beheerde wetlands op te nemen in de werkingssfeer van zijn verbintenis krachtens artikel 4. Wanneer een lidstaat hiervoor kiest, boekt hij de emissies en verwijderingen door beheerde wetlands overeenkomstig deze verordening.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter f bis (nieuw)
f bis)  "referentieniveau voor bossen": een raming van de gemiddelde jaarlijkse netto-emissies of -verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond op het grondgebied van een lidstaat tijdens de perioden 2021-2025 en 2026-2030;
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 bis (nieuw)
Voor de periode na 2030 spannen de lidstaten zich in om hun verwijderingen op te voeren, zodat die hun emissies overstijgen. De Commissie stelt een kader voor doelstellingen na 2030 voor waarin deze toegenomen verwijderingen worden opgenomen, overeenkomstig de klimaatdoelstellingen van de Unie op lange termijn en de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  Iedere lidstaat zorgt voor het opstellen en bijhouden van een boekhouding waarin de emissies en verwijderingen afkomstig van de in artikel 2 genoemde boekhoudkundige categorieën land correct worden weerspiegeld. De lidstaten garanderen de nauwkeurigheid, volledigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en transparantie van de boekhouding en van andere gegevens die in het kader van deze verordening worden verstrekt. De lidstaten geven emissies met een plusteken (+) en verwijderingen met een minteken (-) aan.
1.  Iedere lidstaat zorgt voor het opstellen en bijhouden van een boekhouding waarin de emissies en verwijderingen afkomstig van de in artikel 2 genoemde boekhoudkundige categorieën land correct worden weerspiegeld, overeenkomstig de door de instanties van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs vastgestelde rapportagerichtsnoeren voor de periode 2021-2030. De lidstaten garanderen de nauwkeurigheid, volledigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en transparantie van de boekhouding en van andere gegevens die in het kader van deze verordening worden verstrekt. De lidstaten geven emissies met een plusteken (+) en verwijderingen met een minteken (-) aan.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 4
4.  De lidstaten nemen in hun boekhoudingen voor elke boekhoudkundige categorie land alle wijzigingen in de koolstofvoorraad van de in bijlage I, deel B, opgesomde koolstofreservoirs op. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om wijzigingen in de koolstofvoorraad van koolstofreservoirs niet in hun boekhoudingen op te nemen wanneer het koolstofreservoir geen bron is, behalve bij bovengrondse biomassa en geoogste houtproducten op beheerde bosgrond.
4.  De lidstaten nemen in hun boekhoudingen voor elke boekhoudkundige categorie land alle wijzigingen in de koolstofvoorraad van de in bijlage I, deel B, opgesomde koolstofreservoirs op. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om wijzigingen in de koolstofvoorraad van koolstofreservoirs niet in hun boekhoudingen op te nemen wanneer het koolstofreservoir geen bron is, behalve bij bovengrondse biomassa, dood hout (bovengronds en ondergronds dood hout) op beheerde bosgrond en geoogste houtproducten op beheerde bosgrond.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  In afwijking van het voorschrift om de in artikel 5, lid 3, vastgestelde standaardperiode toe te passen, mag een lidstaat dertig jaar na de datum van omzetting van bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land in bosgrond, dergelijk land overdragen van de overeenkomstige categorie land omgezet in bosgrond naar de categorie bosgrond die bosgrond blijft.
2.  In afwijking van het voorschrift om de in artikel 5, lid 3, vastgestelde standaardperiode toe te passen, mag een lidstaat dertig jaar na de datum van omzetting van bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land in bosgrond, dergelijk land overdragen van de overeenkomstige categorie land omgezet in bosgrond naar de categorie bosgrond die bosgrond blijft, indien naar behoren gemotiveerd op basis van de IPCC-richtsnoeren.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Bebossingsacties die in de periode 2017-2030 plaatsvinden in wetlands met inbegrip van veengebieden, het Natura 2000-netwerk en habitats vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG, in het bijzonder natuurlijke en halfnatuurlijke grasformaties en hoog- en laagveen, en andere wetlands, met inbegrip van veengebieden, volgens toegepaste bruto-nettoboekregels, verschijnen niet in de nationale boekhouding van de lidstaat. Dergelijke gebieden tellen alleen, indien van toepassing, als verwijderingen of emissies in de categorie bosgrond na de overgang hiervan naar beheerde bosgrond overeenkomstig artikel 5, lid 3.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
3.  Wanneer een lidstaat ervoor kiest beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van zijn verbintenis, stelt hij de Commissie voor de periode 2021-2025 uiterlijk 31 december 2020 en voor de periode 2026-2030 uiterlijk 31 december 2025 hiervan in kennis.
3.  Wanneer een lidstaat ervoor kiest beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van zijn verbintenis tijdens de periode 2021-2025, stelt hij de Commissie uiterlijk 31 december 2020 hiervan in kennis.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4
4.  De lidstaten die ervoor hebben gekozen beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van hun verbintenissen, geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de periode 2021-2025 en/of de periode 2026-2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland tijdens de basisperiode 2005-2007 met vijf te vermenigvuldigen.
4.  De lidstaten geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de periode 2026-2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland tijdens de basisperiode 2005-2007 met vijf te vermenigvuldigen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten die ervoor hebben gekozen beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van hun verbintenissen tijdens de periode 2021-2025, geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetlands weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de periode 2021-2025 de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd wetland tijdens de basisperiode 2005-2007 met vijf te vermenigvuldigen.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Lidstaten die niet ervoor hebben gekozen beheerde wetlands overeenkomstig artikel 2 op te nemen in de werkingssfeer van hun verbintenissen, brengen tijdens de periode 2021-2025 niettemin aan de Commissie verslag uit van de emissies en verwijderingen van beheerde wetlands.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  De lidstaten geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de perioden 2021-2025 en 2026-2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door het toepasselijke referentieniveau voor bossen met vijf te vermenigvuldigen. Het referentieniveau voor bossen is de raming van de gemiddelde jaarlijkse netto-emissies of -verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond op het grondgebied van een lidstaat tijdens de perioden 2021-2025 en 2026-2030.
1.  De lidstaten geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de perioden 2021-2025 en 2026-2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door het toepasselijke referentieniveau voor bossen met vijf te vermenigvuldigen.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  Wanneer het resultaat van de in lid 1 bedoelde berekening negatief is ten opzichte van het referentieniveau voor bossen, neemt de lidstaat in zijn boekhouding voor beheerde bosgrond maximaal het equivalent van 3,5 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf, op als totale nettoverwijderingen.
2.  Wanneer het resultaat van de in lid 1 bedoelde berekening negatief is ten opzichte van het referentieniveau voor bossen, neemt de lidstaat in zijn boekhouding voor beheerde bosgrond maximaal het equivalent van 3,5 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf, op als totale nettoverwijderingen. Lidstaten kunnen bij dit percentage van 3,5 % de hoeveelheid nettoverwijderingen voor de boekhouding voor beheerde bosgrond van houten panelen, gezaagd hout en dood hout optellen onder de voorwaarden, zoals vastgesteld in de tweede, derde en vierde alinea van dit lid.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Nettoverwijderingen van houten panelen, zoals vermeld in artikel 9, onder b), en gezaagd hout, zoals vermeld in artikel 9, onder c), kunnen apart worden geboekt, buiten en als aanvulling op het cijfer van nettoverwijderingen in de boekhouding voor beheerde bosgrond, tot een niveau van 3 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 ter (nieuw)
Nettoverwijderingen van de koolstofreservoircategorie dood hout kunnen apart worden geboekt, buiten en als aanvulling op het cijfer van nettoverwijderingen in de boekhouding voor beheerde bosgrond, tot een niveau van 3 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – alinea 1 quater (nieuw)
Het cijfer van de nettoverwijderingen van 3,5 % in de eerste alinea plus de nettoverwijderingen voor de boekhouding voor beheerde bosgrond van houten panelen, gezaagd hout en dood hout bij elkaar genomen mag niet hoger zijn dan 7 % van de emissies van de lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 – alinea 2
Het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw bevat alle in bijlage IV, deel B, opgesomde elementen en omvat een voorstel voor een nieuw referentieniveau voor bossen, gebaseerd op de voortzetting van de huidige praktijk en intensiteit van het bosbeheer, zoals voor de periode 1990-2009 per type bos en per leeftijdsklasse in nationale bossen gedocumenteerd, en uitgedrukt in ton CO2-equivalent per jaar.
Het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw bevat alle in bijlage IV, deel B, opgesomde elementen en omvat een nieuw referentieniveau voor bossen, gebaseerd op de voortzetting van de huidige praktijk van het bosbeheer overeenkomstig de beste beschikbare gegevens, zoals voor de periode 2000-2012 per type bos en per leeftijdsklasse in nationale bossen gedocumenteerd, en uitgedrukt in ton CO2-equivalent per jaar.
Een toename van de oogst in een lidstaat, gebaseerd op duurzame bosbeheerpraktijken en nationaal beleid dat is aangenomen tot de datum van indiening van het referentieniveau voor bossen, is gebonden aan de volgende voorwaarden:
(a)  dat de beheerde bosgrond een broeikasgasput blijft; en
(b)  dat manieren om broeikasgasputten en -reservoirs tot 2050 te behouden of te versterken, met het oog op de doelstelling uit artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van deze eeuw opnieuw een balans tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken, worden omschreven in een strategie voor lage emissies op de lange termijn.
De Commissie kan een afwijking van de basisperiode 2000-2012 toestaan op basis van een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat waarin wordt gemotiveerd dat deze afwijking absoluut noodzakelijk is om redenen van de beschikbaarheid van gegevens, zoals de timing van bosinventarissen.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 – alinea 2 bis (nieuw)
In afwijking van alinea 2 mag het referentieniveau voor bossen in het geval van Kroatië worden berekend met inachtneming van de bezetting van een deel van zijn grondgebied van 1991 tot 1998, en van de gevolgen en nasleep van de oorlog voor de praktijken inzake bosbeheer op zijn grondgebied, met uitzondering van de gevolgen van beleidsmaatregelen voor de ontwikkeling van koolstofvastlegging door bossen.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 – alinea 3
Het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw wordt openbaar gemaakt en wordt aan een openbare raadpleging onderworpen.
Het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw wordt openbaar gemaakt, onder meer door het op internet beschikbaar te stellen, en wordt aan een openbare raadpleging onderworpen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 4
4.  De lidstaten tonen de consistentie aan tussen enerzijds de methoden en gegevens die in het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw bij de opstelling van het referentieniveau voor bossen zijn gebruikt en anderzijds de methoden en gegevens die voor de rapportage over beheerde bosgrond zijn gebruikt. Een lidstaat dient uiterlijk aan het einde van de periode 2021-2025 of van de periode 2026-2030 bij de Commissie een technische correctie van zijn referentieniveau in indien nodig om de consistentie te bewaren.
4.  De lidstaten tonen de consistentie aan tussen enerzijds de methoden en gegevens die in het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw bij de opstelling van het referentieniveau voor bossen zijn gebruikt en anderzijds de methoden en gegevens die voor de rapportage over beheerde bosgrond zijn gebruikt. De gebruikte gegevens moeten de meest recente en geverifieerde geboekte gegevens zijn over de toestand van landgebruik en bossen. Een lidstaat dient uiterlijk aan het einde van de periode 2021-2025 of van de periode 2026-2030 bij de Commissie een technische correctie van zijn referentieniveau in indien nodig om de consistentie te bewaren, alsook om verslag uit te brengen van positieve input ten gevolge van een beleid voor duurzaam bosbeheer dat in werking was op het moment dat het niveau werd bepaald.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5
5.  De Commissie evalueert het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw en de technische correcties, en beoordeelt in welke mate de voorgestelde nieuwe of gecorrigeerde referentieniveaus voor bossen volgens de in de leden 3 en 4 en in artikel 5, lid 1, vastgestelde beginselen en voorschriften zijn bepaald. Voor zover nodig om naleving van de in de leden 3 en 4 en in artikel 5, lid 1, vastgestelde beginselen en voorschriften te verzekeren, kan de Commissie de voorgestelde nieuwe of gecorrigeerde referentieniveaus voor bossen herberekenen.
5.  Een beoordelingsteam van deskundigen, dat is opgezet overeenkomstig Besluit C(2016)3301 van de Commissie en dat vertegenwoordigers van de Commissie en de lidstaten omvat, evalueert, in overleg met het Permanent Comité voor de bosbouw en de Groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk, het nationale boekhoudkundige plan voor bosbouw en de technische correcties, en beoordeelt in welke mate de door de lidstaten vastgestelde nieuwe of gecorrigeerde referentieniveaus voor bossen volgens de in de leden 3 en 4 van dit artikel en in artikel 5, lid 1, vastgestelde beginselen en voorschriften zijn bepaald. De Commissie kan de nieuwe of gecorrigeerde referentieniveaus voor bossen slechts herberekenen, indien niet is voldaan aan de in de leden 3 en 4 van dit artikel en in artikel 5, lid 1, vastgestelde beginselen en voorschriften. De Commissie stelt een syntheseverslag op en maakt dat openbaar.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten verstrekken de Commissie alle gevraagde gegevens en informatie voor het uitvoeren van de in de eerste alinea bedoelde evaluatie en beoordeling.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 6
6.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast om bijlage II te wijzigen in het licht van de krachtens lid 5 uitgevoerde evaluatie, teneinde de referentieniveaus voor bossen van de lidstaten bij te werken op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw of de ingediende technische correcties, en eventuele herberekeningen die in het kader van de evaluatie zijn gemaakt. Tot de inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling blijven de in bijlage II gespecificeerde referentieniveaus voor bossen van de lidstaat van toepassing voor de periode 2021-2025 en/of de periode 2026-2030.
6.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast om bijlage II te wijzigen in het licht van de krachtens lid 5 van dit artikel door het beoordelingsteam van deskundigen uitgevoerde evaluatie en beoordeling, teneinde de referentieniveaus voor bossen van de lidstaten bij te werken op basis van de nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw of de ingediende technische correcties, en eventuele herberekeningen die in het kader van de evaluatie zijn gemaakt.
Tot de inwerkingtreding van de gedelegeerde handelingen blijven de in bijlage II gespecificeerde referentieniveaus voor bossen van de lidstaat van toepassing voor de periode 2021-2025 en/of de periode 2026-2030.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 bis (nieuw)
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van deze verordening door de categorieën van geoogste houtproducten bij te werken met bijkomende producten die een koolstofvastleggingseffect hebben, op basis van de IPCC-richtsnoeren en met het oog op de milieu-integriteit, en door de in bijlage V gespecificeerde standaardhalfwaardetijden bij te werken ter aanpassing ervan aan de technische vooruitgang.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1
1.  Aan het einde van de perioden 2021-2025 en 2026-2030 mogen de lidstaten uit hun boekhouding voor bebost land en beheerde bosgrond broeikasgasemissies die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen en die de gemiddelde door natuurlijke verstoringen in de periode 2001-2020 veroorzaakte emissies overstijgen, uitsluiten; hierbij wordt geen rekening gehouden met statistische uitschieters ("het achtergrondniveau") die overeenkomstig dit artikel en bijlage VI worden berekend.
1.  Aan het einde van de perioden 2021-2025 en 2026-2030 mogen de lidstaten uit hun boekhouding voor beheerde bosgrond broeikasgasemissies die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen en die de gemiddelde door natuurlijke verstoringen in de periode 2001-2020 veroorzaakte emissies overstijgen, uitsluiten; hierbij wordt geen rekening gehouden met statistische uitschieters ("het achtergrondniveau") die overeenkomstig dit artikel en bijlage VI worden berekend.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Een beoordeling van de invloed van het flexibiliteitsmechanisme, zoals bepaald in dit artikel, wordt opgenomen in het in artikel 15 bedoelde verslag.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis
De Commissie brengt in 2027 en 2032 verslag uit over het cumulatief saldo van de emissies en verwijderingen van beheerde bosgrond in de Unie onder verwijzing naar de gemiddelde emissies en verwijderingen in de periode 1990-2009. Indien het cumulatief saldo negatief is, komt de Commissie met een voorstel om de respectieve hoeveelheid emissieruimte van de lidstaten uit hoofde van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad1bis te compenseren en te verwijderen.
__________________
1 bis Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering (PB L ... van ..., blz. ...).
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2
2.  De in de artikelen 3, 5, 8, 10 en 13 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding].
2.  De in de artikelen 3, 5, 8, 9, 10 en 13 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [de datum van inwerkingtreding].
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – alinea -1 (nieuw)
Binnen zes maanden na de faciliterende dialoog in het kader van het UNFCCC in 2018 publiceert de Commissie een mededeling met daarin een evaluatie van de mate waarin de wetgevingshandelingen van de Unie inzake klimaat en energie aansluiten bij de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – alinea 1
De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende EU-doelstelling voor de reductie van broeikasgasemissies tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en kan passende voorstellen indienen.
De Commissie brengt uiterlijk 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, haar bijdrage aan de overkoepelende doelstelling van de EU voor broeikasgasreductie tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Indien nodig worden er wetgevingsvoorstellen bij de verslagen gevoegd.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0262/2017).


Uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen ***I
PDF 242kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1030/2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (COM(2016)0434 – C8-0247/2016 – 2016/0198(COD))
P8_TA(2017)0340A8-0065/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0434),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 79, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0247/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0065/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 september 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1030/2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/1954.)


Genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4
PDF 397kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051451 – 2017/2780(RSP))
P8_TA(2017)0341B8-0498/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051451),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, en met name artikel 7, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 19, lid 3, en artikel 21, lid 2(1),

–  gezien de stemming van 12 juni 2017 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 26 januari 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is goedgekeurd en op 16 maart 2017 is gepubliceerd(3),

–  gezien het voorstel van 14 februari 2017 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Dow AgroSciences Europe op 25 januari 2011 bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag heeft ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan en bestemd zijn voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere sojasoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 26 januari 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat vervolgens op 16 maart 2017 is gepubliceerd(5);

C.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking moet nemen;

D.  overwegende dat de lidstaten gedurende de raadplegingsperiode van drie maanden talrijke kritische opmerkingen hebben ingediend(6); overwegende dat in de meest zorgwekkende beoordelingen onder meer wordt vastgesteld dat de huidige aanvraag en de in het kader van de risicobeoordeling voorgelegde gegevens onvoldoende informatie bevatten om negatieve effecten op de diergezondheid en de menselijke gezondheid zonder meer uit te sluiten, dat de gegevens die de aanvrager tot nu toe heeft verstrekt niet volstaan om de beoordeling van de aanvraag af te ronden en dat het niet evident is om op basis van beperkte studies een volledige risicobeoordeling uit te voeren;

E.  overwegende dat de kritiek van de lidstaten onder meer de volgende aspecten betreft: het gebrek aan studies over de effecten van genetisch gemodificeerde soja op de menselijke gezondheid en de diergezondheid, waardoor de milieurisicobeoordeling niet kan worden afgerond; de keuze en plaats van de veldlocatie voor de vergelijkende evaluatie; het feit dat de toxicologische risicobeoordeling niet kan worden afgerond wegens het ontbreken van een geschikte toxiciteitstest met plantenmateriaal van soja DAS-68416-4; het gebrek aan informatie over de complementaire herbiciden die kunnen worden gebruikt voor de genetisch gemodificeerde gewassen en hun metabolieten; het feit dat de beoordeling van de voedingswaarde stoelt op een studie van de industrie op basis waarvan geen wetenschappelijke conclusies kunnen worden getrokken; en het feit dat het voorstel van de aanvrager om een monitoringplan voor de milieueffecten op te stellen niet voldoet aan de doelstellingen als bepaald in bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu(7);

F.  overwegende dat soja DAS-68416-4 het eiwit aryloxyalkanoaat dioxygenase-12 (AAD‑12) tot expressie brengt, dat tolerantie geeft voor herbiciden op basis van 2,4‑dichloorfenoxyazijnzuur (2,4-D) en andere verwante fenoxy-herbiciden; overwegende dat deze soja tevens het eiwit fosfinotricineacetyltransferase (PAT) tot expressie brengt, dat tolerantie geeft voor glufosinaat-ammoniumherbiciden;

G.  overwegende dat in onafhankelijk onderzoek bezorgdheid wordt geuit over de risico's van de werkzame stof van 2,4-D in verband met embryo-ontwikkeling, geboorteafwijkingen en hormoonontregeling(8); overwegende dat de goedkeuring voor de werkzame stof 2,4-D in 2015 weliswaar is verlengd, maar dat de aanvrager nog geen gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de potentiële endocriene eigenschappen van de stof(9);

H.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld bij de stoffen die toxisch zijn ten aanzien van de voortplanting en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(10); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 afloopt(11);

I.  overwegende dat enkele deskundigen hun bezorgdheid hebben uitgesproken over 2,4‑dichloorfenol, een afbraakproduct van 2,4-D, dat mogelijk aanwezig is op ingevoerde DAS-68416-4 soja; overwegende dat 2,4-dichloorfenol een gekende hormoonontregelaar met voortplantingstoxiciteit is;

J.  overwegende dat 2,4-dichloorfenol gemakkelijk oplosbaar is in vetten en oliën en dat de stof zich daarom naar verwachting zal ophopen in sojaolie bij de verwerking van sojabonen; overwegende dat sojaolie het meest door mensen gebruikte sojaproduct is en onder meer deel uitmaakt van een aantal soorten volledige zuigelingenvoeding(12);

K.  overwegende dat de hoeveelheid 2,4-dichloorfenol in een product groter kan zijn dan de hoeveelheid 2,4-D-residu; overwegende dat er voor 2,4-dichloorfenol geen door de Unie vastgesteld maximumresidugehalte (MRL) bestaat;

L.  overwegende dat uit een recent VN-rapport blijkt dat pesticiden naar schatting 200 000 acute overlijdens door vergiftiging per jaar veroorzaken, voor 99 % in ontwikkelingslanden; overwegende dat de Unie de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) heeft onderschreven, die onder meer een engagement inhouden om het aantal overlijdens en ziekten als gevolg van gevaarlijke chemische stoffen en lucht-, water- en bodemverontreiniging en -vervuiling tegen 2030 aanzienlijk terug te dringen (SDG 3, doelstelling 3.9) en dat het sterftecijfer dat wordt toegeschreven aan onopzettelijke vergiftiging behoort tot de indicatoren in verband met deze doelstelling(13); overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente ggo's meer van dit soort herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers(14);

M.  overwegende dat de Unie vasthoudt aan het concept van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat erop gericht is tegenstrijdigheden in het Uniebeleid tot een minimum te beperken en synergieën te creëren tussen de verschillende beleidsdomeinen van de Unie, onder meer op het gebied van handel, milieu en landbouw(15), zodat het beleid ten goede komt aan ontwikkelingslanden en de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking vergroot(16);

N.  overwegende dat een vergunning voor het invoeren van soja DAS-68416-4 in de Unie ongetwijfeld zal leiden tot een toename van de teelt van dit gewas in derde landen, waaronder in ontwikkelingslanden, en als gevolg daarvan tot een toename van het gebruik van herbiciden op basis van 2,4-D en glufosinaat;

O.  overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen;

P.  overwegende dat de stemming op 12 juni 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 geen advies heeft opgeleverd; overwegende dat 15 lidstaten tegen stemden, terwijl slechts 11 lidstaten, die nauwelijks 36,57 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden en twee lidstaten zich van stemming onthielden;

Q.  overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit – bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel – de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook voorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld(17);

R.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing(18) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

S.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie verder reikt dan het toepassingsgebied van de in Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002(19) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

6.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten die resistent zijn gemaakt tegen een combinatie van herbiciden, zoals in het geval van soja DAS-68416-4, zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de specifieke cumulatieve effecten van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de combinatie van complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.  verzoekt de Commissie ervoor te pleiten dat er veel nauwkeuriger wordt getest welke gezondheidsrisico's modificaties met meerdere transformatiestappen zoals DAS‑68416‑4 met zich meebrengen;

8.  verzoekt de Commissie strategieën voor de beoordeling van gezondheidsrisico's en voor toxicologie uit te werken, alsook voor toezicht na het in de handel brengen, gericht op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen en hun mengsels zoals die in de praktijk aanwezig zijn in de levensmiddelen- en diervoederketen;

9.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van de complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten, ongeacht of de genetisch gemodificeerde plant bestemd is voor teelt in de Unie of voor invoer als levensmiddelen en diervoeders;

10.  verzoekt de Commissie te voldoen aan de verplichting inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling die voortvloeit uit artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4719
(4)–––––––––––––– – Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).Resolutie van het Europees Parlement van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0456).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).Resolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde maïs DAS-40278-9 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde katoen GHB119 (BCS‑GHØØ5-8) (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).
(5) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4719
(6) Bijlage G – Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2011-00052
(7) PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.
(8) http://www.pan-europe.info/sites/pan-europe.info/files/public/resources/reports/pane-2014-risks-of-herbicide-2-4-d.pdf
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2033 van de Commissie van 13 november 2015 tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof 2,4-D overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB L 298 van 14.11.2015, blz. 8).
(10) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(11) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/HTML/?uri=CELEX:32015R0404&from=nl
(12) Document betreffende de raadpleging van de lidstaten, blz. 31-32. http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2011-00052
(13) https://sustainabledevelopment.un.org/sdg3
(14) https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7
(15) Mededeling van de Commissie van 12 april 2005 getiteld "Samenhang in het ontwikkelingsbeleid – Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor de ontwikkeling te bereiken" (COM(2005)0134).
(16) https://ec.europa.eu/europeaid/policies/policy-coherence-development_en
(17) Zie onder meer zijn openingstoespraak voor de plenaire vergadering van het Europees Parlement, opgenomen in de beleidslijnen voor de volgende Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.
(19) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Invoer van diervoeders en levensmiddelen welke afkomstig of verzonden zijn uit Japan na het ongeval met de kerncentrale in Fukushima
PDF 267kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 van de Commissie wat betreft diervoeders en levensmiddelen die vallen onder bijzondere voorwaarden voor de invoer van diervoeders en levensmiddelen welke afkomstig of verzonden zijn uit Japan na het ongeval met de kerncentrale in Fukushima (D051561/01 – 2017/2837(RSP))
P8_TA(2017)0342B8-0502/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 van de Commissie wat betreft diervoeders en levensmiddelen die vallen onder bijzondere voorwaarden voor de invoer van diervoeders en levensmiddelen welke afkomstig of verzonden zijn uit Japan na het ongeval met de kerncentrale in Fukushima (D051561/01),

–  gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(1), en met name artikel 53, lid 1, onder b), punt ii),

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

Algemene opmerkingen

A.  overwegende dat in Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 momenteel wordt voorgeschreven dat zendingen van een aantal levensmiddelen, waaronder paddenstoelen, vis en visserijproducten, rijst en sojabonen, welke afkomstig of verzonden zijn uit welk deel van Japan dan ook, vergezeld gaan van een geldige verklaring van de Japanse autoriteiten, waarin wordt bevestigd dat de producten in overeenstemming zijn met de in japan geldende besmettingslimieten (artikel 5, leden 1 en 2); overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie (het "ontwerpvoorstel") nu slechts wordt voorgeschreven dat een beperkte lijst van levensmiddelen en diervoeders uit twaalf prefecturen, als vermeld in bijlage II, vergezeld gaat van een dergelijke verklaring; overwegende dat in het ontwerpvoorstel ook een aantal levensmiddel- en diervoedercategorieën wordt geschrapt uit bijlage II;

B.  overwegende dat uit hoofde van artikel 10 van het ontwerpvoorstel officiële controles, d.w.z. de verificatie van documenten voor alle zendingen en steekproefsgewijze identiteits- en fysieke controles, met inbegrip van een laboratoriumanalyse, op de aanwezigheid van cesium-134 en cesium-137, nu uitsluitend vereist zouden zijn voor de in bijlage II opgesomde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat in het ontwerpvoorstel wordt vastgehouden aan een lage frequentie van invoercontroles (overweging 12);

C.  overwegende dat als Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 eenmaal gewijzigd is op grond van het voorstel van de Commissie, de lidstaten de Commissie niet meer elke drie maanden op de hoogte hoeven te stellen, via het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders, van alle analyseresultaten;

D.  overwegende dat in het ontwerpvoorstel geen wijzigingen worden aangebracht in de bestaande bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 waarin de maximaal toegestane niveaus krachtens de Japanse wetgeving voor de verschillende categorieën levensmiddelen en diervoeders zijn vastgelegd(3); overwegende dat de controle op de inachtneming van de grenswaarden voor categorieën levensmiddelen en diervoeders in bijlage I niet vereist is krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 of het ontwerpvoorstel voor de wijziging daarvan, noch in de vorm van door de Japanse autoriteiten verstrekte documentatie, noch door middel van controles of steekproeven aan de EU-grenzen; overwegende dat er dan ook geen garantie is dat die levensmiddelen en diervoeders voldoen aan de grenswaarden voor radioactieve besmetting;

E.  overwegende dat het ontwerpvoorstel gebaseerd is op door de Japanse autoriteiten verstrekte gegevens over de aanwezigheid van radioactiviteit voor 2014, 2015 en 2016 (meer dan 132 000 gegevens over radioactiviteit in diervoeders en levensmiddelen anders dan rundvlees, en meer dan 527 000 gegevens over radioactiviteit in rundvlees); overwegende dat de wijzigingen in het ontwerpvoorstel weliswaar gebaseerd zijn op een gedetailleerde analyse van bovengenoemde gegevens, maar dat noch deze analyse noch een verwijzing naar de gegevens zelf zijn opgenomen in de tekst;

F.  overwegende dat het dan ook erg moeilijk is om na te gaan of de voorgestelde maatregelen afdoende zijn om de gezondheid van burgers in de Unie te beschermen;

G.  overwegende dat er echter zelfs zonder de analyse waarop de Commissie haar voorstel heeft gebaseerd voldoende redenen zijn om aan te nemen dat dit voorstel kan leiden tot een toename van de blootstelling aan met radioactiviteit besmette levensmiddelen, met alle gevolgen voor de volksgezondheid van dien;

H.  overwegende dat de voorzitter van de Tokyo Electric Power Company (TEPCO) officieel toestemming heeft gevraagd van de Japanse regering om bijna één miljoen ton zeer radioactief water, dat was gebruikt om de beschadigde reactoren van de kerncentrale te koelen, in de Stille Oceaan te lozen; overwegende dat als de toestemming wordt verleend dit zeer nadelige gevolgen kan hebben voor de voedselveiligheid van visserijproducten die net buiten de kust van Japan wordt geoogst;

Specifieke opmerkingen in verband met bijlage II

I.  overwegende dat de Japanse prefecturen die momenteel onder bijlage II vallen (Fukushima, Miyagi, Akita, Yamagata, Nagano, Gunma, Ibaraki, Tochigi, Chiba, Iwate, Yamanashi, Shizuoka en Niigata) stuk voor stuk blootgesteld zijn aan radioactieve neerslag van de kernramp die in 2011 plaatsvond in de kerncentrale van Fukushima;

J.  overwegende dat in het ontwerpvoorstel rijst en daarvan afgeleide producten uit de prefectuur Fukushima zonder motivering worden geschrapt uit bijlage II; overwegende dat dit betekent dat de producten die de Unie binnenkomen niet meer hoeven te worden bemonsterd en geanalyseerd en dat de Japanse autoriteiten geen verplichting meer hebben om te bewijzen dat ze voldoen aan de maximale radioactieve besmettingsniveaus; overwegende dat één van de van rijst afgeleide producten die geschrapt zijn uit bijlage II, rijst is die wordt gebruikt voor babyvoeding of voeding voor peuters(4); overwegende dat voor de categorieën in kwestie, gezien hun bijzondere risico op blootstelling aan straling, geen enkel besmettingsniveau acceptabel zou zijn; overwegende dat uit hoofde van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Japan de rijstexport uit Japan nog kan toenemen; overwegende dat, nu het evacuatiebevel is opgeheven, de rijstteelt naar alle waarschijnlijkheid zal worden hervat in besmette rijstvelden;

K.  overwegende dat er in overweging 7 van het ontwerpvoorstel weliswaar wordt gesteld dat alleen rijst en daarvan afgeleide producten uit de prefectuur Fukushima zullen worden geschrapt uit bijlage II, maar dat bijlage II ook wordt gewijzigd in de zin dat zeven vissoorten (waaronder de Atlantische en Pacifische blauwvintonijn en makreel) alsmede kreeftachtigen en weekdieren, die worden gevangen of geoogst in de wateren van Fukushima voortaan zonder controle, bemonstering of analyse in de Unie kunnen worden ingevoerd;

L.  overwegende dat op grond van het voorstel zeven vissoorten (waaronder de Atlantische en Pacifische blauwvintonijn en makreel), kreeftachtigen (zoals kreeften en garnalen) en weekdieren (zoals tweekleppigen en mosselen) ook worden geschrapt uit bijlage II voor zes andere prefecturen, te weten Miyagi, Iwate, Gunma, Ibaraki, Chiba en Tochigi; overwegende dat er geen motivering of uitleg is gegeven voor deze beperking van de controles, en dat er geen redenen zijn opgegeven voor het feit dat bijvoorbeeld die soorten nu veilig genoeg worden geacht om ingevoerd te worden in de Unie zonder controles, terwijl dat voor andere soorten niet het geval is;

M.  overwegende dat er uit hoofde van het voorstel in bijlage II geen producten uit de prefectuur Akita meer zullen voorkomen (op dit moment komen er vijf producten uit Akita in voor: paddenstoelen, Aralia, bamboescheuten, Japanse koningsvaren en koshiabura (een eetbare wilde plant) en alle afgeleide producten daarvan); overwegende dat er geen motivering of uitleg is gegeven voor deze beperking van de controles;

N.  overwegende dat er in bijlage II geen Aralia, bamboe en Japanse koningsvaren uit de prefectuur Yamagata meer zullen voorkomen; overwegende dat er geen motivering of uitleg is gegeven voor deze beperking van de controles;

O.  overwegende dat er in bijlage II geen Japanse koningsvaren, adelaarsvaren en struisvaren uit de vijf prefecturen Iwate, Gunma, Ibaraki, Chiba en Tochigi meer zullen voorkomen; overwegende dat er geen motivering of uitleg is gegeven voor deze beperking van de controles;

P.  overwegende dat de enige toevoeging aan bijlage II "vis en visserijproducten" uit de prefectuur Nagano zijn; overwegende dat er geen motivering voor deze strengere controles is gegeven; overwegende dat systematische controles voor deze prefectuur in december 2011 zijn opgeheven; overwegende dat in maart 2014 bepaalde wilde eetbare planten opnieuw zijn toegevoegd aan bijlage II;

Specifieke opmerkingen in verband met bijlage I

Q.  overwegende dat in het ontwerpvoorstel geen wijzigingen worden aangebracht in de bestaande bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 waarin de maximaal toegestane niveaus krachtens de Japanse wetgeving zijn vastgelegd; overwegende dat de controle op de inachtneming van de grenswaarden voor categorieën levensmiddelen en diervoeders in bijlage I niet vereist is krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 of het ontwerpvoorstel voor de wijziging daarvan, noch in de vorm van door de Japanse autoriteiten verstrekte documentatie, noch door middel van controles of steekproeven aan de EU-grenzen; overwegende dat er dus ook geen garantie is dat die levensmiddelen en diervoeders de grenswaarden voor radioactieve besmetting niet overschrijden;

R.  overwegende dat sinds 1 april 2012 de in Japan geldende grenswaarden, en dus ook de in bijlage I genoemde grenswaarden, niet naar beneden zijn bijgesteld; overwegende dat deze grenswaarden moeten worden verlaagd, vooral in verband met levensmiddelen voor kwetsbare groepen, zoals melk en voeding voor zuigelingen en baby's;

S.  overwegende dat het zes jaar na de ramp nog maar zeer de vraag is of de Unie wel producten moet toelaten in haar voedselketen (zelfs in theorie, aangezien er geen wettelijke verplichting is om controles uit te voeren aan de grenzen van de Unie) met de volgende maximale niveaus aan cesium-134 en cesium-137: 50Bq/kg voor levensmiddelen bedoeld voor baby's en zuigelingen (zoals zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en babyvoeding) evenals voor melk en dranken op basis van melk, 10 Bq/kg voor mineraalwater en soortgelijke dranken en thee bereid uit ongefermenteerde bladeren, en 100 Bq/kg voor alle andere levensmiddelen;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 178/2002 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie niet strookt met het Unierecht aangezien het niet overeenkomt met het doel en de algemene beginselen die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 178/2002, namelijk de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsverordening in te trekken en uiterlijk aan het eind van 2017 een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

4.  verzoekt de Commissie om bij het opstellen van haar nieuwe voorstel onder andere:

   te garanderen dat alle levensmiddelen en diervoeders die vanuit Japan worden ingevoerd in de Unie, zo ook de in bijlage I genoemde categorieën, worden onderworpen aan controles en inspecties;
   de in bijlage I genoemde grenswaarden naar beneden bij te stellen; en
   rekening te houden met het onlangs opgeheven evacuatiebevel in de prefecturen in kwestie, en erop toe te zien dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders die in de Unie worden ingevoerd;

5.  verzoekt de Commissie tot aan de opstelling van haar nieuwe voorstel noodmaatregelen te nemen krachtens artikel 53 van Verordening (EG) nr. 178/2002 om een zo hoog mogelijk beschermingsniveau voor de gezondheid van de mens te waarborgen;

6.  verzoekt de Commissie onmiddellijk de analyse waarop zij haar ontwerpvoorstel heeft gebaseerd te publiceren, zo ook in het systeem van de Unie voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders, alsmede details over het controlesysteem waarvan de Japanse autoriteiten gebruikmaken, met argumenten voor de relevantie en doeltreffendheid daarvan;

7.  verzoekt de Commissie een actueel beeld te schetsen van de radiologische situatie in Japan sinds 2011, en uitvoerige jaaroverzichten te verstrekken voor de periode 2011-2017 over het radioactieve materiaal dat afkomstig is van de kerncentrale in Fukushima en dat is vrijgekomen in de atmosfeer en de Stille Oceaan, zodat er een grondige analyse kan worden uitgevoerd met betrekking tot voedselveiligheid;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) "Levensmiddelen voor zuigelingen en peuters", "Melk en dranken op basis van melk", "Mineraalwater en soortgelijke dranken en thee bereid uit ongefermenteerde bladeren" en "Andere levensmiddelen", alsmede diervoeders bestemd voor vee, paarden, varkens, pluimvee en vis.
(4) Behorende tot CN-code 1901.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3: begrotingsmiddelen voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; personeelsformaties van ACER en SESAR2
PDF 255kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 om de begrotingsmiddelen voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te verhogen en de jongerenwerkloosheid in de Europese Unie verder terug te dringen, alsmede om de personeelsformaties van het gedecentraliseerde agentschap ACER en de gemeenschappelijke onderneming SESAR2 te actualiseren (11812/2017 – C8-0303/2017 – 2017/2078(BUD))
P8_TA(2017)0343A8-0282/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), met name artikel 41,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, definitief vastgesteld op 1 december 2016(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien het speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer getiteld "Jeugdwerkloosheid – hebben het EU-beleid een verschil heeft gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, goedgekeurd door de Commissie op 30 mei 2017 (COM(2017)0288),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, vastgesteld door de Raad en toegezonden aan het Europees Parlement op 4 september 2017 (11812/2017 – C8-0303/2017),

–  gezien de artikelen 88 en 91 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0282/2017),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017 betrekking heeft op de voorziening in 500 miljoen EUR aan aanvullende vastleggingskredieten voor het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (Youth Employment Initiative – YEI), zoals het Europees Parlement en de Raad in hun akkoord over de begroting 2017 zijn overeengekomen, en een aanpassing van de personeelsformatie van het gedecentraliseerd agentschap ACER en de gemeenschappelijke onderneming Sesar2, zonder de totale begroting of het totaal aantal ambten te veranderen;

B.  overwegende dat de Raad en het Europees Parlement de Commissie hebben verzocht in 2017 een gewijzigde begroting in te dienen om te voorzien in 500 miljoen EUR voor het (YEI in 2017, gefinancierd uit de overkoepelende marge voor vastleggingen zodra de technische aanpassing overeenkomstig artikel 6 van de MFK-verordening is verricht;

C.  overwegende dat, na de verrichting van de technische aanpassing, de Commissie vervolgens voorstelt de begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2017 te wijzigen en artikel 04 02 64 "Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief" te verhogen;

D.  overwegende dat, in de context van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK), het Europees Parlement en de Raad overeenstemming hebben bereikt over een verhoging van 1,2 miljard EUR voor het YEI voor de jaren 2017-2020 en het Europees Parlement in zijn verklaring in verband met de tussentijdse herziening van het MFK heeft onderstreept dat die limiet van politieke aard is en geen juridische gevolgen heeft;

E.  overwegende dat in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK, de Commissie er in haar verklaring tevens op heeft gewezen dat moet worden overwogen om de financiering van het YEI met meer dan het afgesproken bedrag van 1,2 miljard EUR te verhogen door gebruik te maken van beschikbare marges binnen de overkoepelende marge voor vastleggingen overeenkomstig artikel 14 van de MFK-verordening;

F.  overwegende dat de voorgeschreven herclassificatieprocedure 2017 voor zowel het gedecentraliseerde agentschap ACER als de gemeenschappelijke onderneming Sesar2 nodig is;

1.  benadrukt de dringende behoefte om zo spoedig mogelijk de financiële steun van de Unie te verhogen ten behoeve van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid door middel van aanvullende financiering van het YEI;

2.  betreurt de vertraging bij de wijziging van de begroting van de Unie voor 2017 ter verhoging van de bedragen voor het YEI zoals overeengekomen tijdens de begrotingsprocedure 2017, als gevolg van het blokkeren en de late goedkeuring door de Raad van de tussentijdse herziening van het MFK;

3.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, zoals ingediend door de Commissie;

4.  verzoekt de Commissie en lidstaten te zorgen voor de snelle herprogrammering van de desbetreffende operationele programma's teneinde te waarborgen dat het totale bedrag van 500 miljoen EUR voor het YEI volledig en doeltreffend wordt vastgelegd voor het einde van 2017;

5.  neemt nota van de wijzigingen in de personeelsformaties van het gedecentraliseerde agentschap ACER en de gemeenschappelijke onderneming Sesar2; merkt op dat deze wijzigingen het totaal aantal ambten niet veranderen en kunnen worden gefinancierd binnen de begrotingen voor dit jaar van deze organen; gaat ermee akkoord dat de herclassificatie van het AD15-ambt voor de gemeenschappelijke onderneming Sesar2 ad personam gebeurt en samen met het mandaat van de huidige uitvoerend directeur afloopt;

6.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017 goed;

7.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 3/2017 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de Rekenkamer en de nationale parlementen.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 51 van 28.2.2017.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB
PDF 209kWORD 61k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB (2017/2029(INI))
P8_TA(2017)0344A8-0264/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vastgelegde beginselen, met name de bevordering van de democratie en de rechtsstaat, de handhaving van de vrede, de voorkoming van conflicten en de versterking van de internationale veiligheid,

–  gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(1) (hierna "het Gemeenschappelijk Standpunt" genoemd),

–  gezien het 17e(2) en 18e(3) jaarverslag van de EU, opgesteld volgens artikel 8, lid 2, van het Gemeenschappelijk Standpunt,

–  gezien Besluit nr. 2015/2309/GBVB van de Raad van 10 december 2015 betreffende het bevorderen van doeltreffende controle op de wapenuitvoer(4) en Besluit nr. 2017/915 van de Raad van 29 mei 2017 over activiteiten van de Unie ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag(5),

–  gezien de bijgewerkte gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen die door de Raad is goedgekeurd op 6 maart 2017(6),

–  gezien de gids voor de gebruiker bij het Gemeenschappelijk Standpunt tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie,

–  gezien punt 11, onder e), van het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie van 25 juni 2012 en punt 21, onder d), van het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) van 20 juli 2015,

–  gezien het Wapenhandelsverdrag (WHV), dat op 2 april 2013 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen(7) en op 24 december 2014 in werking trad,

–  gezien Besluit 2013/768/GBVB van de Raad van 16 december 2013 betreffende EU-activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag, in het kader van de Europese veiligheidsstrategie(8),

–  gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(9),

–  gezien Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(10), als gewijzigd in Verordening (EU) nr. 599/2014 van 16 april 2014 en gezien de lijst van goederen en technologie voor tweeërlei gebruik in bijlage I (hierna de "verordening over tweeërlei gebruik" genoemd),

–  gezien Verordening (EU) 2016/2134 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing(11),

–  gezien zijn eerdere resoluties over dit onderwerp, met name zijn resoluties van 17 december 2015(12) over de tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, van 25 februari 2016 over de humanitaire situatie in Jemen(13), van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015(14) en van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones(15),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over particuliere beveiligingsondernemingen(16),

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0264/2017),

A.  overwegende dat in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties wordt voorzien in het natuurlijke recht tot individuele of collectieve zelfverdediging;

B.  overwegende dat uit de meest recente gegevens(17) blijkt dat de internationale handel in zware wapens in 2012-2016 een record bereikte sinds het einde van de Koude Oorlog (gerekend in perioden van vijf jaar), wat een stijging van 8,4 % inhoudt ten opzichte van 2007-2011;

C.  overwegende dat wapenuitvoer en -overdracht gevolgen hebben voor de veiligheid van mensen, de mensenrechten, de democratie, goed bestuur en sociaal-economische ontwikkeling; overwegende dat wapenuitvoer bijdraagt tot situaties waarin mensen worden gedwongen hun land te ontvluchten; overwegende dat om deze redenen een streng, transparant, doeltreffend en gemeenschappelijk aanvaard en vastgesteld systeem ter controle van de wapenuitvoer noodzakelijk is;

D.  overwegende dat uit de meest recente cijfers(18) blijkt dat de EU28 in 2012-2016 verantwoordelijk was voor 26 % van de totale wereldwijde wapenuitvoer, wat inhoudt dat de EU28 de op een na grootste wapenleverancier ter wereld is, met als grootste leverancier de Verenigde Staten (33 %) en op de derde plek Rusland (23 %); overwegende dat volgens het meest recente rapport van de Groep export van conventionele wapens (COARM) de EU-landen in 2014 wapenuitvoervergunningen ter waarde van in totaal 94,4 miljard EUR hebben verleend;

E.  overwegende dat uit de meest recente cijfers(19) blijkt dat de wapenuitvoer naar het Midden-Oosten in 2012-2016 met 86 % toenam en daarmee 29 % van de wereldwijde uitvoer bedroeg;

F.  overwegende dat uit de meest recente officiële EU-gegevens blijkt dat het Midden-Oosten in 2015 de belangrijkste regio was voor de wapenuitvoer uit de EU28 en dat voor de wapenuitvoer naar die regio vergunningen zijn verleend voor een totaalbedrag van 78,8 miljard EUR;

G.  overwegende dat een deel van de wapens die door de lidstaten zijn uitgevoerd naar instabiele en crisisgevoelige gebieden en landen gebruikt is bij gewapende conflicten of voor binnenlandse onderdrukking; overwegende dat een deel van de uitgevoerde wapens volgens berichten in de handen van terroristische groeperingen, waaronder groeperingen in Syrië en Irak, is terechtgekomen; overwegende dat de wapens die naar sommige landen, bijvoorbeeld Saudi-Arabië, zijn uitgevoerd, in enkele gevallen in conflicten zoals dat in Jemen zijn gebruikt; overwegende dat die uitvoer een duidelijke schending inhoudt van het Gemeenschappelijk Standpunt en dus bewijst dat betere controle en meer transparantie nodig is;

H.  overwegende dat er geen gestandaardiseerd controle- en meldsysteem bestaat dat uitsluitsel geeft over de vraag of en in welke mate uitvoer van afzonderlijke lidstaten in strijd is met de acht criteria, en dat er ook geen sanctiemaatregelen bestaan voor het geval een lidstaat uitvoer toestaat die duidelijk in strijd is met deze criteria;

I.  overwegende dat uit onderzoek door het Bonn International Conversion Centre (BICC) is gebleken dat alleen al in Duitsland in 2015, bijvoorbeeld, 4 256 wapenuitvoervergunningen zijn verleend voor uitvoer naar 83 landen, die met het oog op het Gemeenschappelijk Standpunt als problematisch worden beschouwd(20);

J.  overwegende dat zowel de internationale als de regionale veiligheidssituatie ingrijpend is veranderd, met name wat de buurlanden ten zuiden en ten oosten van de Unie betreft, waaruit blijkt dat de methodieken voor het samenstellen van informatie ten behoeve van het maken van risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen dringend moeten worden verbeterd en veiliger moeten worden gemaakt;

K.  overwegende dat sommige lidstaten onlangs strategische overeenkomsten over militaire samenwerking hebben ondertekend met niet-democratische landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika die ook de levering van grote hoeveelheden kwalitatief hoogstaande militaire technologie omvatten;

L.  overwegende dat uitbanning van armoede, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon, het prioritaire doel van het EU-ontwikkelingsbeleid is, en tevens een van de prioriteiten van haar externe optreden in haar streven naar een meer stabiele en welvarende wereld, en dat de levering van wapens aan landen die verwikkeld zijn in een conflict het plegen van gewelddaden op grote schaal in de hand werkt en een negatief effect heeft op de ontwikkeling van die landen;

M.  overwegende dat het industriële defensielandschap in Europa een sector van cruciaal belang is en tegelijk wordt gekenmerkt door overcapaciteit, duplicatie en fragmentatie, wat afbreuk doet aan het concurrentievermogen van de sector en heeft aangezet tot uitbreiding van het exportbeleid;

N.  overwegende dat het Europees Parlement op 25 februari 2016 de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) in een resolutie over de humanitaire situatie in Jemen heeft verzocht een initiatief te ontplooien voor een EU-embargo op de uitvoer van wapens naar Saudi-Arabië;

O.  overwegende dat de situatie in Jemen sindsdien nog verder is verslechterd, mede door militaire acties door de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië; overwegende dat enkele lidstaten wegens de betrokkenheid van Saudi-Arabië bij de acties in Jemen geen wapens meer uitvoeren naar het land, maar andere lidstaten er nog altijd militaire technologie leveren, wat in strijd is met de criteria 2, 4, 6, 7 en 8 van het Gemeenschappelijk Standpunt;

P.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 14 december 2016 met betrekking tot het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015 heeft benadrukt dat de mensenrechten voorop zouden moeten worden gesteld en de lidstaten heeft verzocht in te stemmen met de ontwikkeling van een moderner, flexibeler uitvoerbeleid met als basis de mensenrechten, met name in het geval van landen waarvan is bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan gewelddadige binnenlandse onderdrukking en mensenrechtenschendingen;

Q.  overwegende dat de mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid de samenhang van de beleidsmaatregelen met betrekking tot de controle op de wapenuitvoer moet verbeteren;

1.  merkt op dat landen het legitieme recht hebben om ter zelfverdediging militaire technologie te verwerven; beklemtoont dat het behoud van de defensiesector bijdraagt tot de zelfverdediging van de lidstaten; herinnert eraan dat het Gemeenschappelijk Standpunt mede is vastgesteld om te voorkomen dat Europese wapens worden gebruikt tegen de strijdkrachten van de lidstaten, dat de mensenrechten worden geschonden en dat gewapende conflicten blijven aanslepen; wijst er nogmaals op dat het Gemeenschappelijk Standpunt een wettelijk bindend kader is waarin minimumvoorschriften zijn vastgelegd die de lidstaten worden geacht toe te passen op de controle op de uitvoer van wapens, en dat de lidstaten tevens verplicht zijn vergunningsaanvragen te beoordelen aan de hand van alle acht in het Gemeenschappelijk Standpunt genoemde criteria;

2.  merkt op dat de ontwikkeling van defensiemateriaal essentieel is voor de defensiesector en dat de nog te ontwikkelen concurrerende en innovatieve Europese technologische en industriële defensiebasis als instrument moet dienen om de veiligheid en de verdediging van de lidstaten en EU-burgers te waarborgen en bij moet dragen aan de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en, in het bijzonder, van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); verzoekt de lidstaten het huidige gebrek aan doeltreffendheid in de defensie-uitgaven ten gevolge van duplicatie, fragmentatie en een gebrek aan interoperabiliteit te verhelpen en er zorg voor te dragen dat de EU een verschaffer van veiligheid wordt door betere controle over de wapenuitvoer uit te oefenen; herhaalt dat overeenkomstig artikel 10 van het Gemeenschappelijk Standpunt de lidstaten rekening mogen houden met het effect van de uitvoer op hun economische, sociale, commerciële en industriële belangen, maar dat deze factoren niet van invloed mogen zijn op de toepassing van de acht criteria die de wapenuitvoer reguleren;

3.  merkt desalniettemin op dat er soms toch militaire technologie terechtkomt op bestemmingen en in de handen van eindgebruikers die niet aan de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt voldoen; is bezorgd dat de verspreiding van wapensystemen in oorlogstijd en in situaties met aanzienlijke politieke spanning burgers onevenredig sterk kan treffen; is zeer verontrust over wapenwedlopen en over het feit dat in het geval van politieke conflicten en onrust vaak gekozen wordt voor militaire interventie; benadrukt dat conflicten bij voorkeur op diplomatieke wijze moeten worden opgelost;

4.  dringt er bij de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op aan het Gemeenschappelijk Standpunt consistenter toe te passen om de veiligheid van burgers in derde landen die onder conflicten en mensenrechtenschendingen lijden, alsook de veiligheid van de Unie en haar burgers, te vergroten en gelijke concurrentievoorwaarden te creëren voor ondernemingen in de EU; beklemtoont in dit verband dat een consistente toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt van essentieel belang is voor de geloofwaardigheid van de EU als een mondiale, op waarden gebaseerde speler;

5.  spoort landen die de procedure doorlopen om de status van kandidaat-lidstaat te verwerven of op enige andere manier toetreding tot de EU nastreven, aan de bepalingen van het Gemeenschappelijk Standpunt toe te passen; is verheugd over het feit dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, Canada, Georgië, IJsland, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Noorwegen de criteria en beginselen van het Gemeenschappelijk Standpunt hebben onderschreven en daarmee ook werken aan een verdere aanpassing aan het GBVB en GVDB; verzoekt de lidstaten nauw samen te werken met derde landen die officieel de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt hebben onderschreven, met name om de uitwisseling van informatie en de transparantie bij de verlening van vergunningen te verbeteren; verzoekt daarnaast de EDEO om met name Europese landen aan te sporen om het Gemeenschappelijk Standpunt te onderschrijven om een groter deel van Europa veiliger te maken;

6.  verzoekt de lidstaten en de EDEO om nauw samen te werken om risico's die voortvloeien uit de onttrekking en opslag van wapens, zoals illegale wapenhandel en -smokkel, te voorkomen; onderstreept het risico dat naar derde landen uitgevoerde wapens opnieuw worden ingevoerd in de EU, juist door middel van illegale wapenhandel en -smokkel;

7.  wijst op het hoge veiligheidsrisico voor de Unie ten gevolge van de geringe steun en inspanningen van de EU om de vele wapenvoorraden te ontmantelen die nog steeds aanwezig zijn in Bosnië en Herzegovina, Albanië en Oekraïne;

8.  is van mening dat de methodieken voor risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen een voorzorgsbeginsel zouden moeten bevatten en dat lidstaten naast het beoordelen of bepaalde militaire technologie wordt gebruikt voor binnenlandse onderdrukking of andere ongewenste doeleinden (functionele benadering), tevens de risico's moeten beoordelen op basis van de algehele situatie in het desbetreffende land (principiële benadering);

9.  merkt op dat het in het kader van de brexit van belang is dat het Verenigd Koninkrijk gebonden blijft aan het Gemeenschappelijk Standpunt en, zoals andere Europese derde landen, de uitvoeringsbepalingen daarvan blijft toepassen;

10.  verzoekt de lidstaten en de EDEO een specifieke strategie te ontwikkelen voor het bieden van officiële bescherming aan klokkenluiders die melding maken van praktijken van entiteiten en bedrijven in de wapenindustrie die indruisen tegen de criteria en beginselen van het Gemeenschappelijk Standpunt;

11.  wijst op het belang van samenhang tussen alle EU-regelingen voor de controle van wapenuitvoer, met name voor wat betreft de interpretatie van de controlecriteria; wijst er daarnaast nogmaals op dat er samenhang moet zijn tussen de uitvoercontrole en andere instrumenten voor buitenlands beleid en handelsinstrumenten, zoals het stelsel van algemene preferenties en de verordening inzake conflictmineralen;

12.  wijst nogmaals op het nadelige effect dat de ongecontroleerde uitvoer van technologieën voor cybertoezicht door EU-ondernemingen kan hebben op de veiligheid van de digitale infrastructuur van de Unie en op de mensenrechten; benadrukt in dit verband dat de verordening inzake producten voor tweeërlei gebruik snel, doeltreffend en uitgebreid moet worden herzien en verzoekt de Raad hiervoor een ambitieus tijdsschema vast te stellen;

13.  beklemtoont dat de uitvoer van wapens aan particuliere beveiligingsondernemingen als eindgebruikers doeltreffend moet worden beperkt en dat vergunningen hiervoor alleen mogen worden verleend als na grondige controles op de inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht is vastgesteld dat de desbetreffende ondernemingen zich niet schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen; benadrukt dat verantwoordingsmechanismen moeten worden ingevoerd om te garanderen dat de particuliere beveiligingsondernemingen de wapens op verantwoorde wijze gebruiken;

Het toepassen van de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt

14.  merkt op dat er volgens de jaarverslagen in 2014 81 keer en in 2015 109 keer een uitvoervergunning is geweigerd op grond van criterium 1;

15.  herhaalt zijn oproep aan de VV/HV om een initiatief te lanceren om een EU-wapenembargo op te leggen aan landen waartegen ernstige beschuldigingen van schendingen van het internationaal humanitair recht zijn geuit, met name het opzettelijk treffen van civiele infrastructuur; beklemtoont nogmaals dat het verder verlenen van vergunningen voor de verkoop van wapens aan dergelijke landen in strijd is met het Gemeenschappelijk Standpunt;

16.  merkt op dat er volgens de jaarverslagen in 2014 72 keer en in 2015 89 keer een uitvoervergunning is geweigerd op grond van criterium 2; betreurt dat de gegevens geen gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot de situatie in met name Syrië, Irak en Jemen tonen; spoort de lidstaten en de EDEO aan de discussie over de uitbreiding van criterium 2 aan te wakkeren om ervoor te zorgen dat hierin democratische bestuursindicatoren worden opgenomen, die als beoordelingscriteria kunnen worden gebruikt om betere bescherming te bieden tegen de onbedoelde, negatieve effecten van uitvoer; is bovendien van mening dat een principiëlere benadering van risicoanalyse ervoor zou kunnen zorgen dat de nadruk meer komt te liggen op naleving van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten door de ontvanger;

17.  is van mening dat de uitvoer naar Saudi-Arabië ten minste in strijd is met criterium 2, gezien de betrokkenheid van het land bij ernstige schendingen van het humanitair recht zoals vastgesteld door bevoegde VN-instanties; herhaalt zijn oproep van 26 februari 2016 om dringend een wapenembargo in te stellen tegen Saudi-Arabië;

18.  merkt op dat er volgens de jaarverslagen in 2014 99 keer en in 2015 139 keer een uitvoervergunning is geweigerd op grond van criterium 3; benadrukt de noodzaak om, in het kader van criterium 3, recente wapentransacties tussen lidstaten en niet-statelijke actoren, waaronder het bieden van technische ondersteuning en opleiding, te beoordelen in het licht van Gemeenschappelijk Optreden 2002/589/GBVB van 2002 inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (SALW);

19.  merkt op dat er volgens de jaarverslagen in 2014 57 keer en in 2015 85 keer een uitvoervergunning is geweigerd op grond van criterium 4; betreurt dat militaire technologie die door de lidstaten is uitgevoerd momenteel wordt gebruikt in het conflict in Jemen; dringt er bij de lidstaten op aan de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt consequent na te leven aan de hand van een grondige langetermijnrisicoanalyse;

20.  merkt op dat er volgens de jaarverslagen in 2014 7 keer en in 2015 16 keer een uitvoervergunning is geweigerd op grond van criterium 5; herinnert eraan dat dit criterium verwijst naar de veiligheidsbelangen van de lidstaten en hun bondgenoten en beseft dat deze belangen geen effect hebben op overwegingen in het kader van de criteria met betrekking tot regionale vrede, veiligheid en stabiliteit en eerbiediging van de mensenrechten;

21.  merkt op dat er volgens de jaarverslagen in 2014 6 keer en in 2015 16 keer een uitvoervergunning is geweigerd op grond van criterium 6; uit zijn bezorgdheid over berichten dat SALW die door lidstaten worden uitgevoerd uiteindelijk in de handen van niet-statelijke actoren, waaronder terroristische groeperingen, terechtkomen en waarschuwt ervoor dat zowel binnen als buiten de EU het gevaar bestaat dat de uitgevoerde wapens tegen burgers worden gebruikt; wijst op het belang van strengere controles op deze uitvoer met het oog op de naleving van de internationale verplichtingen in de strijd tegen terrorisme en georganiseerde misdaad;

22.  is bezorgd dat wapens die naar Saudi-Arabië en Qatar worden uitgevoerd, bij gewapende niet-statelijke actoren terechtkomen in Syrië, die de mensenrechten en het humanitaire recht ernstig schenden, en verzoekt de Groep export van conventionele wapens (COARM) om deze kwestie dringend aan te pakken; merkt op dat de wapens die momenteel in handen van rebellen en terroristische groeperingen zijn, grotendeels van niet-Europese bronnen afkomstig zijn;

23.  merkt op dat er volgens de jaarverslagen in 2014 117 keer en in 2015 149 keer een uitvoervergunning is geweigerd op grond van criterium 7; uit onder meer zijn bezorgdheid over beweringen dat SALW die door Europese landen worden uitgevoerd naar bepaalde bestemmingen, worden omgeleid om uiteindelijk, in strijd met het Gemeenschappelijk Standpunt, terecht te komen bij niet-statelijke actoren en andere eindgebruikers in landen als Syrië, Irak, Jemen en Zuid-Soedan; wijst erop dat bij het beoordelen van het risico op omleiding van wapens meer in aanmerking moet worden genomen dan alleen een eindgebruikerscertificaat waarin de toezegging van het desbetreffende ontvangende land is vastgelegd; benadrukt de noodzaak van de invoering van doeltreffende mechanismen voor controle na verzending om er zorg voor te dragen dat de uitgevoerde wapens niet worden doorverhandeld aan niet-gemachtigde eindgebruikers; benadrukt de potentiële rol van de EDEO bij het ondersteunen van de inspanningen van de lidstaten op dit gebied;

24.  merkt op dat er volgens de jaarverslagen in 2014 1 keer een uitvoervergunning is geweigerd op grond van criterium 8 en dat er in 2015 geen weigering is meegedeeld; is van oordeel dat het beter toepassen van criterium 8 een doorslaggevende bijdrage zou kunnen leveren aan de EU-doelstellingen voor beleidscoherentie ten aanzien van ontwikkeling en aan de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's), in het bijzonder SDG 16.4; roept de lidstaten en de EDEO in verband hiermee op de gids voor de gebruiker bij Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad bij te werken en daarbij de nadruk te leggen op het feit dat het gebruik van wapens nadelige gevolgen kan hebben op de ontwikkeling;

25.  verzoekt de lidstaten en de EDEO een nieuw criterium toe te voegen aan het Gemeenschappelijk Standpunt om te waarborgen dat er bij het verlenen van uitvoervergunningen voldoende rekening wordt gehouden met het risico van corruptie in verband met wapenuitvoer;

Bevordering van de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten

26.  roept de lidstaten en de EDEO op het Gemeenschappelijk Standpunt consistenter toe te passen en de mechanismen voor de uitwisseling van informatie te versterken door zowel kwalitatief als kwantitatief betere informatie ter beschikking te stellen voor het maken van risicoanalyses met betrekking tot uitvoervergunningen via een veilige, digitale versie van het huidige systeem, en wel op de volgende wijze:

   a) door tijdig en systematisch meer informatie ter beschikking te stellen over uitvoervergunningen en de daadwerkelijke uitvoer, onder andere over eindgebruikers die een potentieel risico vormen, gevallen van omleiding, vervalste of onbetrouwbare eindgebruikerscertificaten en verdachte makelaars of transportbedrijven, in overeenstemming met het nationaal recht;
   b) door een lijst van entiteiten en individuen bij te houden die veroordeeld zijn wegens schending van de wetgeving inzake wapenuitvoer, van gevallen waarbij omleiding is vastgesteld en van personen van wie is vastgesteld of wordt vermoed dat ze betrokken zijn bij illegale wapenhandel of activiteiten die een bedreiging vormen voor de internationale en nationale veiligheid;
   c) door de aangenomen beste praktijken met betrekking tot de toepassing van de acht criteria te delen;
   d) door de huidige gids voor de gebruiker online beschikbaar te stellen als interactieve gids;
   e) door de EU-jaarverslagen vóór eind 2018 om te zetten in een doorzoekbare onlinedatabank (met daarin de gegevens vanaf 2016);
   f) door duidelijke en stevig verankerde procedures voor samenwerking tussen de ordediensten en de grensautoriteiten op basis van informatie-uitwisseling aan te sporen om de samenwerking op het gebied van veiligheid te versterken en de illegale wapenhandel, die een bedreiging vormt voor de veiligheid van de EU en haar burgers, uit te bannen;

27.  is ingenomen met het voornemen van COARM om de EDEO systematischer te betrekken bij de voorbereidingen van de besprekingen over de situatie in de landen waarnaar wapens worden uitgevoerd en de potentiële eindgebruikers van deze wapens; wijst met klem op het belang van regelmatig overleg met de Groep rechten van de mens (COHOM) in de loop van dit proces;

28.  merkt op dat het voor effectieve informatie-uitwisseling en samenwerking noodzakelijk is dat beleidsmedewerkers en voor vergunningen en handhaving bevoegde ambtenaren samen vergaderen en roept op om hiervoor voldoende middelen te voorzien; is van oordeel dat een uitbreiding van de relevante capaciteiten van de lidstaten van cruciaal belang is om de toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt te versterken; verzoekt de lidstaten en de EDEO om zowel op nationaal als op EU-niveau het aantal personeelsleden dat zich bezighoudt met kwesties met betrekking tot uitvoer, te verhogen; roept op tot de oprichting van EU-fondsen voor capaciteitsopbouw bij de in de lidstaten voor vergunningen en handhaving bevoegde ambtenaren;

29.  benadrukt dat er een aanpak moet worden uitgewerkt om situaties waarin lidstaten een andere invulling geven aan de acht criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt voor de uitvoer van producten die in wezen dezelfde zijn, naar vergelijkbare bestemmingen en eindgebruikers, aan de orde te stellen, zodat er een gelijk speelveld blijft bestaan en de geloofwaardigheid van de EU in het buitenland niet in het gedrang komt; is van oordeel dat het tijd is om een sterkere rol voor de EU-instellingen in het vergunningsproces op lidstaatniveau te overwegen, met name in dergelijke situaties; verzoekt de lidstaten om de oprichting van een toezichthoudend orgaan voor wapentoezicht onder auspiciën van de VV/HV te steunen; is van mening dat advies moet worden verstrekt aan lidstaten die van plan zijn een vergunning te verlenen die door een andere lidstaat of andere lidstaten is geweigerd;

30.  benadrukt dat de rol van de EU-delegaties in het bijstaan van de lidstaten en de EDEO bij hun risicobeoordelingen van uitvoervergunningen, hun eindgebruikercontroles, controles na verzending en inspecties ter plaatse dringend moet worden versterkt;

31.  dringt er bij de lidstaten op aan een bepaling in het Gemeenschappelijk Standpunt op te nemen om te waarborgen dat bij een EU-embargo tegen een derde land alle eerder verleende vergunningen voor goederen die onder het embargo vallen, automatisch worden ingetrokken;

32.  dringt er bij de lidstaten op aan om landen die geen lid van de Unie zijn te blijven ondersteunen bij het ontwerpen, actualiseren en toepassen, naar gelang van toepassing, van wettelijke en administratieve maatregelen die in het leven zijn geroepen om een systeem voor controle op de uitvoer van wapens en militaire technologie te waarborgen;

Het stimuleren van de naleving van de rapportageverplichtingen

33.  betreurt de uiterst late publicatie van het 17e EU-jaarverslag, die ten minste 17 maanden nadat de vergunningen waren afgegeven en de wapens waren uitgevoerd, plaatsvond; betreurt tevens dat het 18e EU-jaarverslag pas in maart 2017 is gepubliceerd;

34.  uit kritiek op de schendingen van de acht criteria door de lidstaten; meent dat er gestreefd moet worden naar een homogene en consequente toepassing van de acht criteria; wijst op het gebrek aan sanctiemaatregelen voor lidstaten die bij de verlening van vergunningen de acht criteria niet naleven en raadt lidstaten aan te voorzien in manieren om onafhankelijke controles te verrichten; is van mening dat er een proces moet worden opgestart om een mechanisme in te voeren dat lidstaten bestraft als ze in strijd met het Gemeenschappelijk Standpunt handelen;

35.  herinnert eraan dat alle lidstaten volgens artikel 8, lid 2, van het Gemeenschappelijk Standpunt verplicht zijn verslag te doen van hun wapenuitvoerpraktijken en verzoekt de lidstaten deze verplichting dan ook na te leven; betreurt het dat maar 21 lidstaten een volledige bijdrage met opgesplitste gegevens over vergunningen en de daadwerkelijke uitvoer hebben ingediend voor het 17e EU-jaarverslag en maar 20 voor het 18e; verzoekt met het oog op het volgende jaarverslag alle lidstaten, met inbegrip van de drie grootste wapenleveranciers in de EU, namelijk Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, die geen volledige bijdrage hebben ingediend, om volledige gegevens te verstrekken over hun uitvoer;

36.  vraagt dat er een actuelere en meer gestandaardiseerde rapportageprocedure wordt gewaarborgd, waarin de maand januari volgend op het jaar waarin de uitvoer plaatsvond, wordt vastgesteld als strikte termijn voor het indienen van bijdragen en de maand maart volgend op het jaar waarin de uitvoer plaatsvond als vaste publicatiedatum;

37.  is van mening dat het Gemeenschappelijk Standpunt moet worden aangevuld met een regelmatig te actualiseren, openbaar toegankelijke, zorgvuldig onderbouwde lijst waarin uitsluitsel wordt gegeven over de vraag in hoeverre wapenuitvoer naar bepaalde ontvangende landen in overeenstemming is met de acht criteria;

38.  acht het noodzakelijk dat er een controle- en meldsysteem komt dat uitsluitsel geeft over de vraag of en in welke mate uitvoer van afzonderlijke EU-lidstaten in strijd is met de acht criteria;

39.  dringt er bij alle lidstaten op aan hun rapportageverplichtingen zoals uiteengezet in het Gemeenschappelijk Standpunt, volledig na te leven; benadrukt dat kwalitatief hoogstaande gegevens met betrekking tot de daadwerkelijke uitvoer cruciaal zijn om inzicht te krijgen in de toepassing van de acht criteria; roept de lidstaten en de EDEO op zich te verdiepen in het gebruik van de gegevens van douaneautoriteiten, onder andere door speciale douanecodes te ontwikkelen voor militaire goederen;

40.  bevestigt dat alle EU-lidstaten het Wapenhandelsverdrag (WHV) hebben ondertekend; roept op tot een universalisering van het WHV en om de aandacht meer te richten op die landen die het niet hebben ondertekend, waaronder Rusland en China; prijst tevens de inspanningen met betrekking tot het WHV en steunt de effectieve tenuitvoerlegging ervan;

Het moderniseren van relevante hulpmiddelen

41.  dringt erop aan dat de gemeenschappelijke lijst van militair materieel en de aan de verordening over tweeërlei gebruik gehechte lijsten moeten worden herzien, zodat hierin tevens alle relevante onbemande systemen zijn opgenomen; herinnert aan zijn resolutie van 27 februari 2014 inzake gewapende drones, en met name paragraaf 2, onder c), daarvan, waarin wordt opgeroepen tot opneming van gewapende drones in alle relevante wapenbeheersingsregelingen;

42.  spoort de lidstaten aan uitvoeriger onderzoek te doen naar productie onder licentie in derde landen en extra beschermingsmaatregelen te treffen tegen ongewenst gebruik; eist een strikte toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt voor wat betreft productie onder licentie in derde landen; spoort de lidstaten aan de houding en status van deze derde landen ten opzichte van het WHV in aanmerking te nemen wanneer zij transacties aangaan die de positie van de desbetreffende landen met betrekking tot de productie en uitvoer van militaire uitrusting mogelijk versterken;

43.  meent dat de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/43/EG betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap in overeenstemming moet zijn met de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het Gemeenschappelijk Standpunt, ook waar het (reserve)onderdelen betreft; merkt op dat het Gemeenschappelijk Standpunt een onbeperkt toepassingsgebied heeft en dat de acht criteria derhalve ook gelden voor wapenuitvoer binnen de EU;

44.  uit zijn bezorgdheid over uitdagingen met betrekking tot cyberbeveiliging en met name over doorbraken op het gebied van hackmethoden die gebruikt kunnen worden om toegang te krijgen tot informatie en gegevens van nationale vergunningverlenende instanties; verzoekt de lidstaten en de Commissie met klem om voldoende financiële middelen te investeren in zowel technologische als personele middelen om personen voor te lichten over specifieke cyberbeveiligingsprogramma's en -methoden, zodat deze uitdagingen voorkomen kunnen worden en kunnen worden aangepakt;

De rol van de parlementen en de publieke opinie

45.  merkt op dat niet alle nationale parlementen van de EU door de overheid verleende vergunningen controleren door onder andere jaarlijkse wapenhandelrapporten op te stellen en verzoekt in dit verband in het algemeen om meer parlementair en openbaar toezicht; wijst op het Reglement van het Europees Parlement, waarin de mogelijkheid van regelmatige evaluatie van de jaarlijkse wapenhandelrapporten wordt geboden;

46.  is voorstander van regelmatig overleg met de nationale parlementen, controle-instanties voor wapenuitvoer, sectorale organisaties en de burgermaatschappij ter bevordering van de daadwerkelijke transparantie; roept COARM, alle lidstaten en de EDEO op de dialoog met het maatschappelijk middenveld en het overleg met de nationale parlementen en de controle-instanties voor wapenuitvoer te versterken; spoort de nationale parlementen, het maatschappelijk middenveld en de academische wereld aan de wapenhandel aan een onafhankelijke toetsing te onderwerpen en roept de lidstaten en de EDEO op dergelijke activiteiten, waar nodig financieel, te ondersteunen;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.
(2) PB C 163 van 4.5.2016, blz. 1.
(3) PB C 153 van 16.5.2016, blz. 1.
(4) PB L 326 van 11.12.2015, blz. 56.
(5) PB L 139 van 30.5.2017, blz. 38.
(6) PB C 97 van 28.3.2017, blz. 1.
(7) Wapenhandelsverdrag, VN, 13-27217.
(8) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 56.
(9) PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.
(10) PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.
(11) PB L 338 van 13.12.2016, blz. 1.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0472.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0066.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0502.
(15) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 110.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0289.
(17) "Trends in de internationale wapenhandel, 2016" (informatieblad van SIPRI, februari 2017).
(18) Ibidem.
(19) Ibidem.
(20) Verslag wapenexport 2016, Gemeinsame Konferenz Kirche und Entwicklung (GKKE) (Gezamenlijke Conferentie Kerk en Ontwikkeling), blz. 54.


De politieke betrekkingen van de EU met Latijns-Amerika
PDF 235kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over de politieke betrekkingen van de EU met Latijns-Amerika (2017/2027(INI))
P8_TA(2017)0345A8-0268/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name titel V inzake het extern optreden van de EU,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name het vijfde deel, titels I tot en met III en V (De gemeenschappelijke handelspolitiek, Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire hulp, en Internationale overeenkomsten),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 oktober 2016 over de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 30 september 2009 getiteld "De Europese Unie en Latijns-Amerika: een partnerschap van wereldspelers" (COM(2009)0495),

–  gezien de sterke culturele, taalkundige, politieke en historische banden die mede het gevolg zijn van de intensieve migratiestromen in de afgelopen decennia tussen de EU-lidstaten en de landen van Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied (de LAC-landen),

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2015 (landen en regio’s),

–  gezien de verklaringen van de tot op heden gehouden toppen van staatshoofden en regeringsleiders van Latijns-Amerika, het Caribisch gebied en de Europese Unie, met name de verklaring tijdens de tweede top van de EU en de gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische staten (Celac) in Brussel op 10 en 11 juni 2015 over het thema "Vorm geven aan onze gemeenschappelijke toekomst: werken aan welvarende, hechte en duurzame samenlevingen voor onze burgers", waarop de politieke verklaring getiteld "Een partnerschap voor de volgende generatie" werd aangenomen,

–  gezien de verklaring van het EU-Celac-forum voor het maatschappelijk middenveld van 11 mei 2015 getiteld "Equality, rights and democratic participation for the peoples of Europe and Latin America and the Caribbean",

–  gezien de gezamenlijke persverklaring van de eerste tussentijdse ministeriële top van de EU en de Celac, die werd gehouden in Santo Domingo (Dominicaanse Republiek) op 25 en 26 oktober 2016,

–  gezien de verklaring die werd aangenomen tijdens de 25e Ibero-Amerikaanse top van staatshoofden en regeringsleiders, die plaats had in Cartagena de Indias (Colombia) op 28 en 29 oktober 2016 getiteld "Youth, Entrepreneurship and Education",

–  gezien de politieke verklaring van de vijfde top van de staatshoofden en regeringsleiders van de Celac, die op 25 januari 2017 in Punta Cana (Dominicaanse Republiek) werd gehouden,

–  gezien zijn resolutie van 20 januari 2016 ter ondersteuning van het vredesproces in Colombia(1),

–  gezien zijn resoluties over Venezuela, met name die van 8 juni 2016(2) en 27 april 2017(3) over de situatie in Venezuela,

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 5 juli 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van een overeenkomst betreffende politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Cuba, anderzijds(4),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2014 over de verdwijning van 43 studenten in Mexico(5),

–  gezien de resoluties van de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering (EuroLat), met name de resoluties van 22 september 2016 over handelsaspecten van de verschillende lopende onderhandelingen tussen de EU en de LAC(6), over armoedebestrijding in het kader van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling(7), over de financiering van politieke partijen in de Europese Unie en Latijns-Amerika(8), en over de economische en financiële betrekkingen met de Volksrepubliek China vanuit het oogpunt van het strategisch partnerschap tussen de EU en de LAC(9), en van 29 maart 2014 over feminicide in de Europese Unie en Latijns-Amerika(10),

–  gezien de aanbevelingen van EuroLat van 22 september 2016 over migratie, ontwikkeling en de economische crisis(11),

–  gezien zijn resolutie van 5 mei 2010 over de strategie van de EU voor de betrekkingen met Latijns-Amerika(12),

–  gezien de Verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende artikel 5, lid 2, onder b), punt ii), van Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020,

–  gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020,

–  gezien IAO-Verdrag nr. 169 betreffende inheemse en in stamverband levende volken, met name artikel 14 inzake de eigendoms- en bezitsrechten van de betrokken volken ter zake van het land dat zij van oudsher bewonen,

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over de rol van de EU bij de bevordering van een breder trans-Atlantisch partnerschap(13),

–  gezien de aanbevelingen in het Speciaal Verslag van de Europese Rekenkamer over 'de doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de EU',

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0268/2017),

A.  overwegende dat de Latijns-Amerikaanse en Caribische regio (LAC) een belangrijke partner vormt voor de EU om samen het hoofd bieden aan de huidige mondiale uitdagingen, zoals de uitbanning van armoede, toegang tot drinkwater, eerbiediging van de mensenrechten, vrede en veiligheid, sociaaleconomische ontwikkeling, gebrekkig bestuur, duurzaamheid, de strijd tegen klimaatverandering, de digitale transformatie en migratiebeheer;

B.  overwegende dat het partnerschap tussen de EU en de LAC gebaseerd is op nauwe historische en culturele banden, veelomvattende uitwisselingen tussen volken, sterke en groeiende handels- en investeringsstromen en gedeelde waarden zoals democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat;

C.  overwegende dat de 33 LAC-landen uiteenlopende politieke, economische en culturele achtergronden hebben, die verschillende benaderingen vereisen binnen een coherent en consistent kader van extern optreden van de EU en waarin de EU-waarden van democratie en mensenrechten altijd moeten worden verdedigd;

D.  overwegende dat het reeds lang bestaande partnerschap tussen de EU en de LAC-landen is gebaseerd op historische, menselijke en economische banden, die niet als vanzelfsprekend mogen worden beschouwd en meer horizontaal georiënteerd moeten worden, met als gemeenschappelijke beginselen en waarden eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de rechtsstaat, internationale vrede en veiligheid, en gedeelde steun voor een multilateraal stelsel van mondiaal bestuur op basis van gemeenschappelijke normen en dialoog;

E.  overwegende dat de EU en de LAC-landen samen een derde van de totale bevolking van de leden van de Verenigde Naties herbergen en goed zijn voor circa 25 % van het mondiale bbp;

F.  overwegende dat het opvoeren van de politieke dialoog en de samenwerking op het gebied van migratie, klimaatverandering, energie en het tegengaan van georganiseerde criminaliteit, evenals het investeren in hechtere sociaaleconomische banden door middel van visumversoepeling, studentenuitwisselingen en samenwerking op het gebied van onderzoek, prioriteiten zijn in het externe optreden van de EU ten aanzien van de LAC-regio;

G.  overwegende dat het strategische partnerschap tussen de Europese Unie en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, die in 1999 is aangegaan om de betrekkingen tussen beide regio's te versterken, nog niet is geconsolideerd;

H.  C. overwegende dat in de LAC-regio in het afgelopen decennium belangrijke veranderingen hebben plaatsgehad, zoals de verheffing van een groot deel van de bevolking tot de middenklasse door middel van economische hervormingen en sociaal beleid, een grotere herverdeling van de rijkdom die in de landen in de regio is gegenereerd, resulterend in betere toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en fatsoenlijke huisvesting, en de algemene consolidering van de democratie, maar ook het einde van de grondstofsupercyclus, waardoor miljoenen mensen kwetsbaar werden voor een terugval in armoede;

I.  overwegende dat er na een decennium van indrukwekkende economische groei sprake is van economische stagnatie en zelfs recessie in verschillende landen in de regio, omdat er een einde is gekomen aan de hoge grondstoffenprijzen, waar de meerderheid van de LAC-landen van afhankelijk is, en omdat de Chinese economie, die inmiddels de tweede handelspartner is geworden na de VS, is vertraagd, waardoor een belangrijk deel van de geboekte vooruitgang in gevaar komt en miljoenen mensen weer in armoede dreigen terug te vallen;

J.  overwegende dat de publieke opinie in een aantal Latijns-Amerikaanse landen sterk verlangt naar meer democratie, participatie en duurzaam economisch beleid;

K.  overwegende dat de rechtsstaat, zoals die tot uiting komt in een stabiel wettelijk kader met de garantie van rechtszekerheid, een cruciaal element is voor het aantrekken van de investeringen die nodig zijn om het economisch herstel te bevorderen;

L.  overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat en een stabiel wettelijk en politiek kader beide regio's in staat stellen het vrije ondernemerschap tot bloei te laten komen en een gunstig investeringsklimaat te scheppen, met waarborgen voor de inachtneming van het beginsel van rechtszekerheid;

M.  overwegende dat hoge inflatie de groei belemmert en daarom onmiddellijk moet worden aangepakt; overwegende dat een betrouwbare wisselkoers een essentieel element voor de economische ontwikkeling van een land is; overwegende dat het voor het verhogen van de productiviteit, het diversifiëren van de economie en het aantrekken van investeringen uitermate essentieel is om industriebeleid te voeren;

N.  overwegende dat de associatieovereenkomsten tussen de EU en de LAC-landen de politieke en handelsdialoog bevorderen en het investeringsklimaat verbeteren door de dienstensector en de markten voor overheidsopdrachten open te stellen, waardoor meer infrastructuurprojecten kunnen worden uitgevoerd;

O.  overwegende dat het van groot belang is dat Latijns-Amerika en de EU een gemeenschappelijke agenda formuleren;

P.  overwegende dat in de EU in de afgelopen jaren belangrijke verschuivingen te merken waren, zoals de economische crisis, de uitdagingen van de brexit en de vluchtelingencrisis;

Q.  overwegende dat de belangrijkste geopolitieke verschuivingen die op dit moment plaatsvinden in de LAC-landen, die gekenmerkt worden door - onder andere - de toenemende aanwezigheid van Aziatische staten die een economisch partnerschap in de regio nastreven, vereisen dat de EU haar positie van oprechte bondgenoot van haar partners in de LAC-regio versterkt, niet alleen in de vorm van economische uitwisselingen, maar ook als partner bij het bevorderen van sociale vooruitgang en bij de verdediging van gemeenschappelijke waarden;

R.  overwegende dat de Algemene Overeenkomst EU-Mexico, de associatieovereenkomst tussen de EU en Chili en de kaderovereenkomst voor samenwerking tussen de EU en de Mercosur respectievelijk in 1997, 2003 en 1999 in werking zijn getreden; overwegende dat de lopende onderhandelingen over de actualisering van deze overeenkomsten, vanwege het belang ervan voor zowel de EU als de LAC-landen, een ambitieuze insteek moeten hebben om tot zo modern en progressief mogelijke overeenkomsten te komen;

S.  overwegende dat de EU de voornaamste bron van ontwikkelingshulp in de LAC-regio is, getuige het instrument voor ontwikkelingssamenwerking 2014-2020, alsook de voornaamste investeerder en één van de belangrijkste handelspartners van de LAC-regio, en overwegende dat de Europese samenwerking sterk is als resultaat van financiële en driehoekssamenwerking;

T.  overwegende dat de Europese Commissie werkt aan een nieuwe agenda voor ontwikkeling in het kader van de Agenda 2030 en dat het concept duurzame ontwikkeling moet worden toegepast op en in alle landen van Latijns-Amerika (waaronder ook de middeninkomenslanden), en dat in deze nieuwe benadering ook andere criteria dan het inkomen per hoofd in aanmerking moeten worden genomen;

U.  overwegende dat de LAC-landend stelselmatig de tweede keus zijn bij de vaststelling van de kernprioriteiten van het extern beleid van de EU, ondanks de duidelijke culturele en taalkundige banden die de EU historisch heeft met de LAC-landen, en ondanks de noodzaak om nieuwe bondgenoten te vinden in het licht van haar tanende geopolitieke invloed in de wereld;

V.  overwegende de relevantie van het Atlantische bekken in zijn geheel en de noodzaak dat de regio's en landen die ertoe behoren, te weten de Europese Unie, Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en de landen langs de Atlantische kust van Afrika, samenwerken om de gemeenschappelijke uitdagingen in deze uitgebreide ruimte gezamenlijk te kunnen aangaan;

W.  overwegende dat de eerstvolgende ministeriële conferentie van de WTO in december 2017 wordt gehouden in Buenos Aires en dat daar ook ontmoetingen tussen parlementaire delegaties van de lidstaten zullen plaatsvinden;

X.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling zal zorgen voor universele toegang tot informatie en bescherming van de vrijheid van meningsuiting;

Y.  overwegende dat de tien best presterende landen op het gebied van energiegovernance in Latijns-Amerika liggen en Latijns-Amerika over 20 % van de mondiale oliereserves beschikt;

Z.  overwegende dat twee landen in Latijns-Amerika, te weten Mexico en Brazilië, zijn geïdentificeerd als strategische partners van de Europese Unie;

1.  benadrukt dat het partnerschap tussen de EU en de LAC-landen stoelt op gedeelde beginselen, waarden en belangen, zoals democratie, de mensenrechten, vrede en solidariteit, de rechtsstaat en een onafhankelijke rechterlijke macht, alsook op de toezegging deze in een horizontale relatie gestand te doen, en cruciaal zijn geworden voor de ontwikkeling van de bi-regionale en samenwerkingsuitwisseling; benadrukt dat de EU en de LAC-landen zich in de nasleep van de economische crisis voor gedeelde uitdagingen gesteld zien op het gebied van duurzame economische groei en de strijd tegen werkloosheid, digitale transformatie, sociale inclusie en gendergelijkheid, terwijl zij tegelijkertijd gedeelde waarden hebben;

2.  wijst op het feit dat het nieuwe geopolitieke scenario de LAC-regio versterkt als strategische prioriteit en kans voor het buitenlands beleid van de EU, aangezien beide regio's een gemeenschappelijke visie op de wereld delen, gebaseerd op multilateralisme, dialoog, duurzaamheid, de rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten en inclusieve open samenlevingen; onderkent de positieve en rijke diversiteit aan actoren in de betrekkingen tussen de EU- en de LAC-landen, waaronder staten, steden en plaatselijke entiteiten, alsook universiteiten, het maatschappelijk middenveld, bedrijven en het Europees Economisch en Sociaal Comité; vraagt om nadere coördinatie van de overeenkomsten, samenwerkingsacties en politieke contacten op hoog niveau;

3.  is van oordeel dat de uitbreiding van de politieke en economische samenwerking en het bouwen van sterkere partnerschappen met LAC-landen cruciaal is, als aanvullende acties op bi-regionaal, subregionaal en bilateraal niveau; benadrukt de noodzaak van deze samenwerking om doeltreffend te kunnen bijdragen aan de consolidatie van de economische groei via beleid voor duurzame sociaaleconomische ontwikkeling en om daarbij sociale inclusie, de burgerlijke vrijheden en de mensenrechten te bevorderen en armoede te bestrijden; is van mening dat in het EU-LAC-partnerschap en de associatie-akkoorden rekening moet worden gehouden met de economische verschillen tussen de regio's en asymmetrieën niet mogen worden vergroot; wijst erop dat de aanwezigheid van Europese bedrijven erg belangrijk is voor de economieën van de landen van latijns-Amerika, en beklemtoont dat de bedrijven in kwestie zich aan de bestaande regels moeten houden, respectievelijk zich aan de geldende monitoringprocessen moeten onderwerpen;

4.  onderstreept het belang van de EU-Celac-toppen als een instrument van het strategisch bi-regionaal partnerschap in een nieuw kader voor politieke dialoog; verzoekt de EU en Celac dit partnerschap en deze politieke dialoog ook binnen het kader voor zijn thematische dialogen en belangrijkste initiatieven te versterken, zoals het gezamenlijk initiatief inzake onderzoek en innovatie, de gestructureerde dialoog over migratie en het coördinatie- en samenwerkingsmechanisme inzake drugs, en door samen te werken inzake duidelijk omschreven gedeelde belangen teneinde samen de belangrijke mondiale uitdagingen op de gebieden goed bestuur, economische groei, sociale cohesie, cultuur, innovatie en het milieu aan te pakken in multilaterale fora zoals de Verenigde Naties, de G20 en de WTO;

5.  wijst nog eens op de toezegging van de EU en de LAC-landen om de samenwerking bij de uitvoering van de mondiale agenda te versterken, en pleit voor een multilaterale aanpak binnen de WTO, als basis voor een open handelssysteem, gebaseerd op voorspelbare, inclusievere, transparante en democratische normen, met een versterkte parlementaire dimensie, die op doeltreffende wijze de doelstellingen van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling helpen verwezenlijken;

6.  spreekt nogmaals zijn steun uit aan regionale integratie binnen de LAC-regio, en benadrukt de noodzaak van meer coördinatie tussen de verschillende regionale integratieregelingen in de regio, terwijl het de verschillen qua integratietempo respecteert; beveelt aan de dialoog, de samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken met Celac, de Mercosur, de Andesgemeenschap (ACN), het Midden-Amerikaans Integratiesysteem (SICA) en de Pacifische Alliantie te versterken, de dialoog over kwesties met een gedeeld belang op te schroeven en het institutioneel kader daarvoor te verstevigen; beveelt aan de regionale initiatieven voor een politieke dialoog, samenwerking en de uitwisseling van goede praktijken, zoals de Unie van Zuid-Amerikaanse naties (Unasur), de Organisatie van Amerikaanse staten (OAS) en de Caribische Gemeenschap (Caricom), te versterken; benadrukt hoe belangrijk het is de interparlementaire samenwerking tussen de EU en de LAC te stimuleren, met name tussen het Europees Parlement en de verschillende regionale parlementen, en om daarbij politieke en institutionele ervaring en kennis uit te wisselen; is ingenomen met de recent gelanceerde dialoog tussen de Mercosur en de Pacifische Alliantie met het oog op geleidelijke convergentie en nauwer overleg over de toekomstige regionale en mondiale uitdagingen;

7.  benadrukt dat politieke stabiliteit, economische regels en institutionele kracht die een waarborg vormen voor eerbiediging van de rechtsstaat en transparantie, hoekstenen zijn van een klimaat van rechtszekerheid dat langetermijninvesteringen aantrekt; beklemtoont dat een dergelijk wettelijk kader sterke democratische instituties en verantwoorde economische planning vereist, evenals inspanningen om de politieke dialoog en economische partnerschappen binnen de regio en met externe partners te versterken; wijst er in dit verband op dat het partnerschap met de EU een centrale rol speelt;

8.  wijst op de dynamiek van de Pacifische Alliantie – bestaande uit Chili, Colombia, Mexico en Peru – en verzoekt de vicevoorzitter / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid te onderzoeken of het mogelijk is dat de EU als waarnemer aan deze alliantie deelneemt, zoals een aantal EU-lidstaten reeds doet;

9.  benadrukt dat de huidige mondiale uitdagingen, waaronder de mensenrechten, vrede, veiligheid, de bestrijding van corruptie en straffeloosheid, gebrekkig bestuur, een duurzame sociaaleconomische ontwikkeling, de uitroeiing van armoede, de digitale transformatie, massamigratie, gendergelijkheid, cyberveiligheid, georganiseerde misdaad en terrorisme, drugshandel, klimaatverandering, geopolitieke verschuivingen, ongelijkheid binnen en tussen landen, informeel werk en toenemende werkloosheid, nieuwe kansen en samenwerkingskanalen bieden voor het strategisch EU-LAC-partnerschap op basis van een gemeenschappelijke visie en agenda;

10.  wijst erop dat ongelijkheid, ondanks een belangrijke economische groei waardoor het niveau van armoede en ongelijkheid is afgenomen, een belangrijke hinderpaal blijft voor de ontwikkeling van de LAC-regio, waar 175 miljoen mensen, met name vrouwen en minderjarigen, in armoede en uitsluiting leven; onderstreept dat economische groei, inclusieve sociale ontwikkeling, de eerlijke verdeling van de welvaart en universele verlening van openbare basisdiensten essentieel zijn om aan deze situatie het hoofd te bieden;

11.  brengt in herinnering dat het doel van de uitbanning van armoede en de vermindering van ongelijkheid moet worden nagestreefd door middel van beleid op de gebieden economie, sociale cohesie en integratie, en meer kansen op werk en toegang tot onderwijs, en wijst met klem op de noodzaak om alle burgers te beschermen en de middenklasse te verbreden, los van de gevolgen van economische cycli, de verbeterde levensomstandigheden te consolideren, waaronder middels de vaststelling van ondergrenzen van sociale bescherming, en de democratische waarden en de mensenrechten te eerbiedigen;

12.  onderstreept de noodzaak economieën te integreren in mondiale waardeketens, gebaseerd op een circulair economisch model, en het belang te erkennen van het ontwikkelen van bilaterale en multilaterale commerciële overeenkomsten als een doeltreffend middel dat kan bijdragen tot het aanpakken van de gemeenschappelijke mondiale uitdagingen, en fatsoenlijk werk en sociale dialoog te bevorderen als drijvende krachten achter duurzame ontwikkeling; benadrukt dat het belangrijk is om de omstandigheden te scheppen waarin beide regio's kunnen diversifiëren, waardoor ze minder afhankelijk worden van grondstoffen en van mondiale cyclische veranderingen; wijst erop hoe belangrijk het is de uitwisseling van wetenschappelijke en technologische kennis te bevorderen, het menselijk kapitaal te versterken en de werkgelegenheid te diversifiëren, waartoe het essentieel is om de investeringen in onderwijs, opleiding en vaardigheden op te schroeven;

13.  verwelkomt het protocol van 11 november 2016 tussen de EU, haar lidstaten, Ecuador, Colombia en Peru betreffende de toetreding van Ecuador tot de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU, Colombia en Peru; herinnert eraan dat deze overeenkomst hoge douanetarieven afschaft en technische barrières voor handel wegneemt, dienstenmarkten liberaliseert, markten voor overheidsopdrachten openstelt en verplichtingen ten aanzien van snelle en doelmatige geschillenbeslechtingsmechanismen oplegt;

14.  merkt op dat de EU de grootste buitenlandse investeerder in en de op een na grootste handelspartner van de LAC-regio is, waardoor er een bidirectionele economische relatie bestaat die is gebaseerd op de waarden kwaliteit, maatschappelijke verantwoordelijkheid, werkgelegenheidscreatie, technologieoverdracht en onderzoek en innovatie;

15.  maakt zich sterk voor een uitbreiding van het aantal publieke en private partnerschappen om economische ontwikkeling, ondernemerschap, groei en buitenlandse investeringen te bevorderen; benadrukt de noodzaak om de informele economie terug te dringen, onderontwikkeling te bestrijden en het lage concurrentievermogen van kmo's aan te pakken; roept op tot het vergemakkelijken en verbeteren van de mobiliteit tussen beide regio's, en daarbij de wederzijdse consistentie van arbeidsrechten te waarborgen en de coördinatie van socialezekerheidsstelsels te verbeteren;

16.  benadrukt de noodzaak in beide regio's duurzame en effectieve belastingsystemen te ontwikkelen, samen met een passende belastingcultuur, inclusief de oprichting van doeltreffende algemene rekenkamers die economische groei kunnen stimuleren, alsook de ontwikkeling van verzorgingsstaten die publieke goederen en diensten zoals openbaar onderwijs, gezondheidszorg, socialebeschermingsinfrastructuur en veiligheid leveren en veilig stellen voor alle burgers, en herhaalt dat belastingparadijzen en belastingontwijking nadelig zijn voor economische en sociale ontwikkeling, vooruitgang en welvaart, en een goed werkend economisch sociaal herverdelingsbeleid;

17.  onderstreept dat economische groei en handel essentiële factoren zijn voor de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling, maar niet volstaan om armoede, ongelijkheid en uitsluiting weg te werken; dringt aan op beleid dat bijdraagt tot het wegwerken van deze problemen door gediversifieerde, duurzame en inclusieve groei, waarin sterk de nadruk ligt op sociale kwesties, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten;

18.  meent dat de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) het belangrijkste doel moet zijn van de samenwerking tussen Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en de EU; dringt er bij de Unie op aan de programma's voor begrotingssteun te versterken;

19.   steunt de nieuwe agenda voor ontwikkeling van de Commissie in het kader van de Agenda 2030; herhaalt dat de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen daarvan de belangrijkste instrumenten voor samenwerking tussen de EU en de LAC moeten zijn, met inbegrip van alle dimensies van economische, sociale en duurzame ontwikkeling, en niet alleen de uitbanning van armoede; onderstreept dat de EU officiële ontwikkelingshulp moet blijven bieden aan LAC-landen, met inbegrip van midden- en hogere-inkomenslanden die volgens het differentiatiebeginsel niet langer in aanmerking komen voor bilaterale ontwikkelingssamenwerking, en dat op basis van een nieuwe benadering die niet uitsluitend rekening houdt met het inkomen per hoofd van de bevolking; dringt er met klem bij de Commissie op aan om, uitzonderingsgewijs en in overeenstemming met de verordening betreffende het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, gedurende de volledige looptijd van het instrument in kwestie voor de periode 2014-2020, en ook daarna, door te gaan met de bilaterale samenwerking met en ondersteuning van landen met een laag en een middeninkomen, teneinde hen in staat te stellen de huidige uitdagingen het hoofd te bieden;

20.  dringt aan op een betere coördinatie van de steunmaatregelen en -programma's ten behoeve van de LAC-landen, alsook de ultraperifere gebieden en de in de regio gelegen landen en gebieden overzee; dringt erop aan dat de politieke beloften die zijn gedaan op de regionale topbijeenkomsten EU-LAC worden nagekomen en dat daarvoor de nodige financiële middelen worden uitgetrokken;

21.  verzoekt de Commissie de beschikbare instrumenten aan te wijzen en daaraan voldoende middelen toe te wijzen onder inachtneming van de beginselen inzake doeltreffendheid, doelgerichte benutting van middelen, harmonisatie, wederzijdse verantwoording, rekenschap en afstemming op de ontwikkelingsstrategieën van de LAC-landen, om de LAC-landen te helpen hun doelstellingen te bereiken en zich aan een hypothetische beperking van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) aan te passen; dringt erop aan dat deze instrumenten de overdracht van knowhow en opleiding omvatten en de hervorming van het beheer van de belastingen en de overheidsfinanciën ondersteunen, met het oog op de bevordering van groei en hoogwaardige overheidsdiensten;

22.  verzoekt de Commissie op haar gemengde steunprogramma's afdwingbare criteria toe te passen betreffende de doeltreffendheid van ontwikkelingssteun, met name wat betreft de eigen verantwoording, de coördinatie met partnerlanden en de additionaliteit, transparantie en controleerbaarheid van de ontwikkelingssteun;

23.  herinnert eraan dat de LAC-landen als gevolg van hun geografische en geologische ligging erg kwetsbaar zijn voor natuurrampen, een situatie die nog wordt verergerd door de klimaatverandering, die internationaal moet worden aangepakt in overeenstemming met het beginsel van gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid; verzoekt de Commissie en de LAC-landen om de onderliggende oorzaken van de klimaatverandering aan te pakken en weerbaarheidsmaatregelen en risicopreventiestrategieën en -protocollen vast te stellen, om in noodgevallen snel humanitaire hulp te kunnen mobiliseren;

24.  dringt aan op de toepassing in de praktijk van het beginsel van gendergelijkheid, de empowerment van vrouwen en beleid voor de inclusie van vrouwen in alle aspecten van het politieke, economische en maatschappelijke leven, teneinde hun actieve participatie in de samenleving te vergroten, krachtig feminicide te bestrijden, hun fysieke en psychologische veiligheid te waarborgen, gelijke toegang tot de arbeidsmarkt, de eigendom van grond en de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, en hun seksuele en reproductieve rechten te waarborgen; onderstreept dat het belangrijk is om de levens van meisjes en vrouwen te verbeteren; wijst erop dat toegang tot onderwijs derhalve van cruciaal belang is en kan leiden tot een sociale en economische transformatie; is ingenomen met het Inter-Amerikaanse Verdrag inzake de voorkoming, bestraffing en uitbanning van geweld tegen vrouwen (Verdrag van Belém do Para) van 1994, en dringt erop aan het secretariaat een belangrijkere rol te geven in het monitoringmechanisme (Mesecvi) voor dit verdrag; juicht de inwerkingtreding - in 2016 - van het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa toe, en verzoekt de landen in beide regio's die dit verdrag nog niet hebben ondertekend dit alsnog te doen;

25.  wijst op het fundamentele belang van overheidsmaatregelen, met name op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en opleiding, alsook particuliere initiatieven, die mogelijkheden scheppen voor de bijna 30 miljoen jongeren die noch studeren, noch werken; onderstreept dat ontwikkelingsprogramma's ook de problematiek van de vele conflicten, geweld, georganiseerde misdaad en moorden moeten aanpakken, waardoor met name jongeren en adolescenten worden getroffen en die een van de grootste uitdagingen voor de LAC-landen vormen;

26.  herinnert nog eens aan het belang van kansen op hoogwaardige banen en onderwijs voor jongeren, aangezien zij de hoop op de toekomstige politieke stabiliteit op de lange termijn van het continent belichamen en hierin een essentiële factor zijn; moedigt verdere samenwerking met economische fondsen aan in de vorm van bilaterale universiteitsdeelname, beurzen, kennisuitwisseling en internationale mobiliteit tussen studenten uit de EU en de LAC, in het bijzonder door het Erasmus+-programma te stimuleren als onderdeel van het in 2015 gelanceerde partnerschap met de Celac op het gebied van hoger onderwijs; merkt met tevredenheid op dat in 2015 het Erasmus+-programma met succes van start is gegaan, met 6 200 mobiliteits- en 3 500 studiebeurzen tot 2020, waarvan de meeste voor Celac-studenten; wijst op de noodzaak de volledige en wederzijdse erkenning van universitaire diploma's te steunen en bi-regionale samenwerking in de kwaliteits- en accreditatiesystemen te versterken;

27.  wijst op de belangrijke rol van de samenwerking tussen de EU en Celac op het gebied van wetenschap, technologie en innovatie, en op het belang van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke onderzoeksruimte van de EU en Celac voor het versterken van de samenwerking ten behoeve van de mobiliteit van onderzoekers en docerende academici;

28.  onderstreept het cruciale belang van de rechten van kinderen en de noodzaak van strikte naleving door alle EU- en LAC-landen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind;

29.  spoort aan tot verdere samenwerking bij het bevorderen van technologische ontwikkeling en het verbeteren van de toegang van de bevolking tot informatie- en communicatietechnologieën met het oog op de aanpassing van onze samenlevingen aan de digitale transformatie;

30.  wijst op de algemene trend en de gemeenschappelijke uitdagingen van het afgelopen decennium op het vlak van het promoten van vrijheden en sociale rechten, en op de grote inspanningen die geleverd zijn teneinde inclusief beleid te formuleren voor het beschermen van kwetsbare groepen en het billijk verdelen van welvaart en economische groei, waarmee in de afgelopen 15 jaar een doorslaggevende bijdrage is geleverd om bijna 60 miljoen Latijns-Amerikanen uit de armoede te halen; verzoekt de autoriteiten de democratische beginselen, de grondrechten, en de vrijheden en de veiligheid van alle burgers, met inbegrip van religieuze minderheden, inheemse bevolkingsgroepen, milieu-activisten, de LGBTI-gemeenschap, mensen met een handicap, gedwongen ontheemde en staatloze personen, en de bevolking in plattelandsgebieden, te eerbiedigen en te waarborgen; onderstreept het belang van het waarborgen van de vrijheid van vergadering, van vereniging en van meningsuiting, zowel online als offline;

31.  onderstreept de noodzaak om de rechten en veiligheid van religieuze minderheden en de LGBTI-gemeenschap te garanderen; dringt er bij de LAC-regeringen op aan wetten aan te nemen en maatregelen te treffen om mensenrechtenactivisten en journalisten te beschermen tegen vervolging, bedreiging, lastercampagnes, willekeurige arrestatie, foltering, gedwongen verdwijning en moord, waar zij vaak het doelwit van zijn; roept ertoe op de rechten en belangen van inheemse burgers en bevolkingsgroepen in plattelandsgebieden te waarborgen in het licht van ontwikkelingsprojecten met grote milieueffecten en de werkzaamheden van winningsindustrieën, door in dergelijke gevallen voorafgaande raadplegings- en goedkeuringsmechanismen ten uitvoer te leggen;

32.  betreurt de aanvallen op democratisch gekozen oppositieleiders, journalisten, mensenrechtenverdedigers, met name op het gebied van milieu, en hun advocaten; verzoekt de autoriteiten alle nodige maatregelen te nemen om hun fysieke en psychische integriteit te garanderen en onmiddellijk grondig en onpartijdig onderzoek in te stellen teneinde de verantwoordelijken te berechten overeenkomstig internationale normen;

33.  herinnert eraan dat de actieve betrokkenheid en raadpleging van maatschappelijke organisaties en ngo's tijdens de onderhandelingen over en de uitvoering van handels- of associatieovereenkomsten moeten worden gewaarborgd;

34.  wijst erop dat in overeenkomsten moet worden verwezen naar het recht op vrijheid van meningsuiting en van vergadering in de LAC-landen;

35.  spoort de EU-lidstaten aan om te overwegen wetten aan te nemen die voorzien in de mogelijkheid om activa te bevriezen van en visumbeperkingen in te voeren voor personen die betrokken zijn geweest bij ernstige schendingen van de mensenrechten;

36.  herhaalt dat beleid en praktijken inzake migratie de eerbiediging van de mensenrechten moeten garanderen, met bijzondere aandacht voor vrouwen en kwetsbare groepen, zoals minderjarigen, ouderen en mensen met een handicap, waarbij de uitdagingen wat betreft de bescherming van de grenzen en niet-criminalisering van migranten in aanmerking moet worden genomen; onderstreept de noodzaak van een alomvattende aanpak die is gericht op erkenning van de economische en sociale bijdrage die migrerende werknemers leveren aan de gastlanden, het belang van landen van doorreis en de relevantie van het vaststellen van wettelijke manieren om het burgerschap van het gastland te verkrijgen, in het bijzonder rekening houdend met ontheemde personen die asiel behoeven; roept op tot maatregelen om de mobiliteit tussen de landen te vergemakkelijken en te verbeteren, in combinatie met waarborgen met betrekking tot de onderlinge afstemming van arbeidsrechten en betere coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;

37.  dringt er bij de LAC-landen op aan ervoor te zorgen dat de sociale, milieu- en arbeidsrechten ten volle worden geëerbiedigd; vraagt om de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van de IAO-verdragen en de eerbiediging van de fundamentele arbeidsnormen, die onder meer de vrijheid van vereniging en het recht op collectief onderhandelen omvatten; wijst voorts op de noodzaak om alle vormen van gedwongen en verplichte arbeid uit te bannen;

38.  wijst op de uitdagingen waarvoor beide regio's zich gesteld zien wat betreft defensie en veiligheid, waaronder terrorisme en de strijd tegen drugssmokkel en georganiseerde misdaad, en moedigt aan dat er aanhoudend inspanningen geleverd worden om de defensie- en veiligheidssamenwerking te versterken door middel van politie- en militaire coördinatie, met bijzondere aandacht voor het delen van informatie; spoort de Latijns-Amerikaanse landen aan deel te nemen aan crisisbeheersings- en vredesmissies van de EU, zoals in Colombia en Chili reeds het geval is; stimuleert intensievere militaire samenwerking ten behoeve van de ontwikkeling van speciale noodhulpkorpsen voor humanitaire en natuurrampen; dringt ook aan op intensievere samenwerking op het gebied van maritieme veiligheid, ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing;

39.  roept op tot de ondubbelzinnige eerbiediging van het beginsel van territoriale integriteit van staten;

40.  betreurt dat de humanitaire hulp is verminderd en verwerpt de verdere beknotting van de hulp in gebieden die deze het meeste nodig hebben (het noordelijke deel van Midden-Amerika, Haïti, Colombia), alsook in gebieden die bijzonder zwaar getroffen zijn door klimaatverandering en natuurrampen;

41.  veroordeelt de opstelling van de regeringen in bepaalde landen, die weigeren internationale humanitaire hulp te ontvangen, waardoor zij het in die landen onmogelijk maken in de meest elementaire behoeften te voorzien; verzoekt de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter om bij de bevoegde autoriteiten aan te dringen op het toelaten van deze hulp en om voor ieder land een steunplan voor te stellen;

42.  verzoekt de EU zich in te spannen voor de ondersteuning van de LAC-landen die te maken hebben met endemisch geweld en met onacceptabele moordcijfers, standrechtelijke executies en gedwongen verdwijningen, aangezien daadwerkelijke welvaart, waardigheid en geluk niet kunnen bestaan zonder veiligheid; dringt er bij de LAC-landen op aan stappen te nemen om een einde te maken aan de overbevolking in de gevangenissen en om de omstandigheden in de gevangenissen te verbeteren, de fysieke en geestelijke integriteit van de gedetineerden te waarborgen, onderzoek te doen naar foltering en mishandeling en een menselijker behandeling van de gevangenen te bevorderen om de gevangenisopstanden te voorkomen die zich regelmatig voordoen en doden tot gevolg hebben;

43.  wijst op de noodzaak om de samenwerking tussen alle landen van het Atlantische bekken bij de bestrijding van drugssmokkel te versterken en daarbij ook de landen van West-Afrika te betrekken, die een belangrijke schakel vormen in de smokkelroutes voor verdovende middelen tussen Latijns-Amerika en Europa;

44.  verzoekt de EU om de Midden-Amerikaanse landen die ernstig te kampen hebben met georganiseerde misdaad, die hun sociale en politieke structuren bedreigt, steun te verlenen;

45.  onderstreept dat de Europese Unie de veiligheidsstrategieën van Midden-Amerika en het Caribisch gebied moet blijven ondersteunen;

46.  wijst op de dringende noodzaak om de strijd tegen corruptie, belastingfraude en straffeloosheid op te voeren, aangezien die tot de voornaamste hinderpalen behoren die ontwikkeling tegengaan, de eerbiediging van de rechtsstaat, vrije en transparante verkiezingen, de scheiding van de machten en gelijke toegang tot een onafhankelijk, onpartijdig en professioneel rechtsstelsel te verzekeren, goed bestuur te ondersteunen, institutionele tekortkomingen aan te pakken en de administratie te versterken; waardeert het werk dat EUROsociAL op dit gebied heeft verricht;

47.  roept de EU en de LAC-landen op om het corruptieprobleem aan te pakken en te bestrijden door middel van maatregelen die variëren van preventie tot rechtshandhaving en strafrechtelijke vervolging en de effectieve tenuitvoerlegging van multilaterale en internationale anticorruptieverdragen, en wijst erop dat het bestaan van corruptie niet alleen het maatschappelijk en economisch welzijn en de sociale gelijkheid ondermijnt, maar ook de politieke legitimiteit en de kwaliteit van het bestuur; benadrukt dat het ontbreken van een onafhankelijke rechterlijke macht en overheid het wantrouwen in publieke instituties voedt, waardoor de rechtsstaat wordt ondergraven en geweld wordt aangewakkerd; onderstreept dat transparantie, vrije media en burgerparticipatie een 'must' zijn om de bestrijding van corruptie te versterken; is van mening dat er nieuwe internationale maatregelen moeten worden genomen om te komen tot afschaffing van belastingparadijzen, zoals de automatische uitwisseling van fiscale informatie en de opheffing van het bankgeheim;

48.  roept op tot verdere samenwerking inzake milieuaangelegenheden, die een belangrijk wederzijds belang vormen, met een speciale nadruk op het proces van energietransitie en decarbonisatie, dat gevolgen zal hebben voor de economieën van beide regio's; wijst op de noodzaak van het steunen van onderzoek naar en de inzet van hernieuwbare energie, natuurbescherming, bosbeheer en beleid om de oorzaken en gevolgen van klimaatverandering aan te pakken in een regio die sterk getroffen is door de gevolgen ervan, daarbij rekening houdend met de rechten van lokale en inheemse gemeenschappen in gebieden waar natuurlijke hulpbronnen worden gewonnen; benadrukt de noodzaak om initiatieven als Euroclima of het Latijns-Amerikaanse filialennetwerk voor klimaatverandering (Red Iberoamericana de Oficinas de Cambio Climático – RIOCC), in overeenstemming met de agenda van Lima inzake duurzame ontwikkeling, milieu, klimaatverandering en energie, te blijven steunen; onderkent de gemeenschappelijke noodzaak van een energietransitie om de akkoorden van Parijs met succes te kunnen uitvoeren; onderstreept verder de noodzaak van meer investeringen en samenwerking tussen EU- en LAC-instellingen en -bedrijven om gezamenlijk de energietransitie en decarbonisatie van de economie tot stand te brengen en de basisinfrastructuur te verbeteren; benadrukt het belang van verbetering van het bestuur en de gerechtelijke procedures, teneinde bossen te beschermen en ecologische landbouwpraktijken uitte breiden;

49.  acht het van fundamenteel belang de onderhandelingen tussen de EU en Mercosur te versnellen teneinde een volledige, evenwichtige en voor beide partijen voordelige associatieovereenkomst te sluiten, zoals de Europese Raad heeft verklaard in zijn conclusies van 9 maart 2017, zodat het bestaande netwerk van overeenkomsten tussen de EU en Latijns-Amerika kan worden voltooid; beklemtoont dat de onderhandelingen moeten worden afgerond en dat voor het eind van de lopende termijn een door het Parlement te ratificeren overeenkomst moet worden gesloten, hetgeen positief zal bijdragen aan de economische groei en de werkgelegenheid in beide economische gebieden, en daarnaast ook onze historische, culturele, politieke betrekkingen en samenwerkingsverbanden alsook het vertrouwen tussen onze volken zal verbeteren;

50.  wijst op het belang van het versnellen van de lopende onderhandelingen voor de actualisering van de Algemene Overeenkomst EU-Mexico, en dringt erop aan deze onderhandelingen tegen het eind van 2017 af te ronden; wijst op het belang van het tot stand brengen van de actualisering van de Algemene Overeenkomst EU-Chili voor het eerste trimester van 2018; verzoekt de nationale parlementen van de lidstaten van de EU die dat nog niet hebben gedaan om de Associatieovereenkomst EU-Midden-Amerika te ratificeren;

51.  benadrukt het belang van de recente toetreding van Ecuador tot de multisectorale overeenkomst met Colombia en Peru, en herinnert eraan dat de deur ook openstaat voor Bolivia mocht dat land overwegen tot de overeenkomst toe te treden; is verheugd over de toepassing van de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf in de Schengenlanden voor Peru en Colombia; dringt er in dit verband op aan dezelfde vrijstelling ook voor Ecuador te laten gelden; geeft aan dat deze vrijstellingen bijdragen tot verbetering van de economische en culturele banden van de EU met de landen in kwestie;

52.  benadrukt dat het van essentieel belang is om stelselmatig regels inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en clausules ter waarborging van de sociale en de mensenrechten op te nemen in associatie-, handels- en investeringsovereenkomsten tussen de EU en de LAC-landen;

53.  wijst erop dat Mexico en Brazilië als strategische partners van de EU zijn aangemerkt, en dringt erop aan ook Argentinië - als hoofdrolspeler in de regio, en als lid van Mercosur en de G20 - deze status toe te kennen, en vindt het kader voor institutionele betrekkingen moet worden vernieuwd;

54.  erkent de betekenis van de Ibero-Amerikaanse toppen – die de afgelopen jaren beter zijn gaan functioneren – en wijst op de ondersteunende rol van het tijdelijke voorzitterschap dat wordt uitgeoefend door het Ibero-Amerikaans secretariaat-generaal; onderstreept de toegevoegde waarde van de toppen voor het algemene partnerschap tussen de twee regio's als forum voor dialoog, coördinatie en samenwerking; vraagt in dit verband om een samenwerkingsmechanisme, dat de vorm van een memorandum van overeenstemming of een kadersamenwerkingsovereenkomst tussen de Commissie en/of de EDEO en het Ibero-Amerikaans secretariaat-generaal zou kunnen aannemen, om de betrekkingen tussen beide instanties te optimaliseren en beter te structureren, te ordenen en te systematiseren; is verheugd dat op de jongste Ibero-Amerikaanse top bijzondere aandacht is besteed aan relevante gebieden als jeugd, onderwijs en ondernemerschap;

55.  herhaalt dat de EuroLat-Vergadering en de parlementaire delegaties zeer succesvolle en nuttige fora zijn voor de parlementaire dimensie van het strategisch partnerschap, en voor de politieke dialoog tussen de EU en de LAC-landen, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, waarvan de rol moet worden versterkt, en ook belangrijk zijn voor het overbrengen van de eisen van de burgers aan de EU-Celac-toppen; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de discussies en conclusies van de EuroLat-Vergadering zichtbaar zijn en verspreid worden, zowel door middel van interactie met de EU-Celac-toppen als via nationale en regionale institutionele kanalen;

56.  onderstreept de rol van de Stichting EU-Latijns-Amerika/Cariben als internationale organisatie, en dringt erop aan dat de overeenkomst houdende de oprichting ervan door alle 62 leden snel wordt geratificeerd, hetgeen een belangrijke rol zou spelen bij de ondersteuning van het bi-regionale partnerschap, en vraagt om de oprichting van permanente samenwerkingsverbanden tussen de stichting en de EuroLat-Vergadering;

57.  is voorstander van een uitbreiding van het mandaat voor externe leningen van de Europese Investeringsbank voor Latijns-Amerika om activiteiten te ondersteunen en te ontwikkelen in respons op de financieringsbehoeften voor prioritaire gebieden, zoals beperking van de klimaatverandering, ontwikkeling van sociale, economische en milieu-infrastructuur, en ondersteuning van kmo's;

58.  vraagt om betere en multilaterale coördinatie tussen de EU-lidstaten in de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) en de Ontwikkelingsbank van Latijns-Amerika (CAF), teneinde hun economische impact op de ontwikkelingsprogramma's voor LAC-landen te maximaliseren;

59.  betuigt opnieuw zijn steun aan het vredesproces in Colombia, dat doorslaggevend is voor de toekomst van de Colombianen en voor de stabilisering van de regio waar Colombia deel van uitmaakt, en verbindt zich ertoe de Colombiaanse regering te steunen bij de uitvoering ervan; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is dat de gehele Colombiaanse samenleving hierbij betrokken wordt, met name slachtoffers en maatschappelijke organisaties, evenals gedwongen ontheemde personen, alsook leden van de regering, en dat de veiligheid en bescherming van mensenrechtenactivisten en gemeenschapsleiders wordt gegarandeerd; verzoekt de EU en haar lidstaten met klem door te gaan met het geven van politieke en financiële steun, waaronder middels de verordening tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, en in het bijzonder artikel 5, lid 2, daarvan, en het EU-trustfonds voor Colombia, en steunt de rol van de speciale gezant voor Colombia van de VV/HV; spreekt de wens uit dat ook het Nationaal Bevrijdingsleger zich aan het lopende vredesproces committeert; is ingenomen met het feit dat de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC) onder auspiciën van de VN de inlevering van individuele wapens hebben afgerond; steunt de nieuwe door de VN-Veiligheidsraad vastgestelde missie die als doel heeft de FARC-leden te helpen om te re-integreren in de samenleving; is ingenomen met de bilaterale staakt-het-vuren-overeenkomst tussen het Nationaal Bevrijdingsleger en de regering van Colombia;

60.  maakt zich ernstige zorgen over de sterk verslechterende situatie met betrekking tot de democratie, de mensenrechten en de sociaaleconomische omstandigheden in Venezuela, in een klimaat van toenemende politieke en maatschappelijke instabiliteit; verzoekt de Venezolaanse regering de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van instituties te waarborgen, en de volledige grondwettelijke autoriteit van de Nationale Vergadering te herstellen; verzoekt de Venezolaanse regering daarnaast alle politieke gevangen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en zo spoedig mogelijk een kalender voor vrije en transparante verkiezingen vast te stellen; verzoekt de internationale gemeenschap, de regionale actoren en de VV/HV een brede nationale regering te bevorderen en te steunen, als de enig mogelijke oplossing; verzoekt de VV/HV actief te onderzoeken welke andere mogelijkheden er nog zijn om op constructieve wijze een bijdrage te levere aan de politieke stabilisering van het land; verwerpt in dit verband elke poging om de grondwettelijk erkende bevoegdheden van de Nationale Vergadering over te dragen aan een ander orgaan; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering van 30 juli 2017 die een inbreuk vormden op de scheiding der machten en op de eerbiediging van het recht van burgers om hun politieke opvattingen vrijelijk te uiten door middel van democratisch gekozen en legitieme instituties; herinnert eraan dat het Europees Parlement, net als vele andere internationale actoren, deze verkiezingen en eventuele door deze nieuw opgerichte vergadering genomen maatregelen en besluiten, niet erkent vanwege het gebrek aan legitimiteit, en betreurt de gewelddadige omstandigheden die ertoe hebben geleid dat vele mensen om het leven zijn gekomen of gewond zijn geraakt; speekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de illegale vervolging en onderdrukking van democratisch gekozen leden van de Nationale Vergadering; spreekt zijn afkeuring uit over het ontslag en de politieke vervolging van openbaar aanklager Luisa Ortega Diaz alsook over het ontslag van alle leden van de Hoge Raad die door de legitieme Nationale Vergadering van Venezuela zijn benoemd; staat volledig achter het onderzoek van het Internationaal Strafhof naar de talrijke misdaden en gevallen van onderdrukking door het Venezolaanse regime, en dringt er bij de EU op aan in dit verband een actieve rol te spelen; dringt er bij de VV/HV en de Europese Raad op aan na te denken over de bevriezing van activa, alsook over het beperken van de toegang tot het EU-grondgebied van al degenen die betrokken zijn bij de ernstige mensenrechtenschendingen in Venezuela, met inbegrip van de leden van de niet-erkende grondwetgevende vergadering;

61.   is ingenomen met de ondertekening van de overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en Cuba in december 2016; benadrukt het belang van de versnelling van de toepassing ervan, die een positief effect kan hebben op het hele partnerschap tussen de EU en de Celac; benadrukt dat de politieke dialoog en de samenwerkingsovereenkomst moeten bijdragen tot betere leefomstandigheden en sociale rechten van de Cubaanse burgers, tot progressie in de richting van democratie, en respect voor en bevordering van fundamentele vrijheden; beklemtoont dat de geldigheid van de overeenkomst zal afhangen van de tenuitvoerlegging in de praktijk - door de Cubaanse regering - van de mensenrechtenbepalingen in de overeenkomst in overeenstemming met de resoluties van het Europees Parlement;

62.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de Celac-landen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0016.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0269.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0200.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0297.
(5) PB C 274 van 27.7.2016, blz. 28.
(6) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/eurolat/assembly/plenary_sessions/montevideo_2016/adopted_docs/trade_en.pdf
(7) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/eurolat/assembly/plenary_sessions/montevideo_2016/adopted_docs/poverty_en.pdf
(8) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/eurolat/assembly/plenary_sessions/montevideo_2016/adopted_docs/pparties_en.pdf
(9) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/eurolat/assembly/plenary_sessions/montevideo_2016/adopted_docs/china_en.pdf
(10) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/eurolat/assembly/plenary_sessions/athens2014/adopted_docs/femicide/1026102en.pdf
(11) http://www.europarl.europa.eu/intcoop/eurolat/assembly/plenary_sessions/montevideo_2016/adopted_docs/migration_en.pdf
(12) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 54.
(13) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 120.


Corruptie en mensenrechten in derde landen
PDF 267kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over corruptie en het effect op de mensenrechten in derde landen (2017/2028(INI))
P8_TA(2017)0346A8-0246/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC), dat in werking is getreden op 14 december 2005(1),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de VN-verklaring over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake sociale, economische en culturele rechten,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag inzake de bestrijding van corruptie van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties van de Organisatie voor Economische Samenwerking (OESO) en de Aanbeveling van de Raad van 2009 voor de verdere bestrijding van omkoping, de Aanbevelingen van 2009 inzake de aftrekbaarheid van belastingen van steekpenningen voor buitenlandse ambtenaren en aanverwante instrumenten(2),

–  gezien het strategisch kader van de EU voor mensenrechten en democratie dat in 2012 is goedgekeurd, en het actieplan voor mensenrechten en democratie 2015-2019 dat op 20 juli 2015 door de Raad Buitenlandse Zaken is goedgekeurd,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers, aangenomen tijdens de 2914e zitting van de Raad Algemene Zaken van 8 december 2008(3),

–  gezien de resolutie van de Verenigde Naties over Agenda 2030, getiteld "Onze wereld transformeren: de agenda voor duurzame ontwikkeling tot 2030", die op 25 september 2015 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(4),

–  gezien het verslag van de Europese Investeringsbank (EIB) getiteld "Beleid inzake het voorkomen en bestrijden van verboden gedrag bij activiteiten van de Europese Investeringsbank" ("Antifraudebeleid van de EIB") dat is vastgesteld op 8 november 2013(5),

–  gezien het verslag van de VN "Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations 'Protect, Respect and Remedy' Framework"(6),

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over het bedrijfsleven en mensenrechten(7),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over de bestrijding van corruptie en de opvolging van de resolutie van de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM)(9),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(10),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(11),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 inzake belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(12),

–  gezien zijn resolutie van 11 juni 2015 over recente onthullingen over corruptiezaken op hoog niveau bij de FIFA(13),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven(14),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector: het effect op de mensenrechten in derde landen(15),

–  gezien het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie en het Verdrag inzake de civielrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa, en de resoluties (98) 7 en (99) 5 tot oprichting van de Groep van staten tegen corruptie (GRECO), die het Comité van ministers van de Raad van Europa respectievelijk op 5 mei 1998 en 1 mei 1999 heeft aangenomen,

–  gezien de verklaring van Jakarta over de beginselen voor agentschappen voor corruptiebestrijding, aangenomen op 26-27 november 2012(16),

–  gezien de Verklaring van Panama tijdens de Zevende jaarlijkse conferentie en algemene vergadering van de International Association of Anti-Corruption Authorities (IAACA), die werd aangenomen op 22-24 november 2013,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, die werd aangenomen op 17 december 2015 en de resolutie van de Raad voor de mensenrechten inzake nationale instellingen voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, die werd aangenomen op 29 september 2016(17),

–  gezien het eindverslag van 5 januari 2015 van het Raadgevend comité van de VN voor de mensenrechten over de kwestie van de negatieve effecten van corruptie op de mensenrechten(18),

–  gezien het Afrikaanse Unie Verdrag inzake de voorkoming en bestrijding van corruptie (AUCPCC)(19),

–  gezien het UN Global Compact initiatief om strategieën en maatregelen af te stemmen op universele principes over mensenrechten, arbeid, milieu en anti-corruptie(20),

–  gezien de jaarlijkse corruptieperceptie-index van Transparancy International,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie internationale handel (A8-0246/2017),

A.  overwegende dat corruptie een complex mondiaal probleem is dat zowel het Noorden als het Zuiden betreft, en kan worden gedefinieerd als machtsmisbruik met het oog op individueel, collectief, direct of indirect privégewin, dat een ernstige bedreiging vormt voor het openbaar belang, en de maatschappelijke, politieke en economische stabiliteit en veiligheid aangezien het het publieke vertrouwen en de efficiëntie en effectiviteit van instellingen ondermijnt en de waarden van democratie en mensenrechten, ethiek, justitie, duurzame ontwikkeling en goed bestuur ondergraaft;

B.  overwegende dat corruptie kan variëren van kleinschalige inspanningen om personen, ambtenaren of de uitvoering van overheidsdiensten te beïnvloeden tot grootschalige pogingen om politieke, economische en/of rechtsstelsels te ontwrichten en om terrorisme te promoten en financieren, extremisme te stimuleren, belastinginkomsten te verlagen en georganiseerde-misdaadnetwerken te ondersteunen;

C.  overwegende dat corruptie wordt veroorzaakt doordat politieke, economische en rechtsstelsels niet voorzien in solide en onafhankelijk toezicht en verantwoordingsplicht;

D.  overwegende dat het verminderen van corruptie van cruciaal belang is voor economische groei, armoedebestrijding, het creëren van rijkdom, onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, de ontwikkeling van infrastructuur en conflictbeslechting, evenals voor het opbouwen van vertrouwen in instellingen, het bedrijfsleven en de politiek;

E.  overwegende dat corruptie in tal van landen niet alleen een beduidende systemische belemmering vormt voor de verwezenlijking van democratie, de eerbiediging van de rechtsstaat, politieke vrijheid en duurzame ontwikkeling, en voor alle civiele, politieke, economische, sociale en culturele mensenrechten, maar ook mensenrechtenschendingen kan veroorzaken; overwegende dat corruptie een van de meest verwaarloosde mensenrechtenschendingen is aangezien zij onrecht, ongelijkheid, onder meer wat betreft financiële en economische bronnen, straffeloosheid, willekeur, politiek en religieus extremisme en conflicten voedt;

F.  overwegende dat corruptie, aangezien zij een bedreiging vormt voor de bestendiging van de democratie en de handhaving van mensenrechten, en aangezien zij de overheidsinstellingen ondermijnt, kan leiden tot sociale onrust, inclusief geweld, burgerprotesten en ernstige politieke instabiliteit; overwegende dat corruptie nog altijd een fundamentele doch systematisch over het hoofd geziene oorzaak en katalysator vormt van conflicten, wijdverbreide schendingen van het internationaal humanitair recht en straffeloosheid in ontwikkelingslanden; overwegende dat de status quo van corruptie en illegale verrijking in machtige overheidsfuncties leidt tot graaien naar macht en de bestendiging van kleptocraten die aan de macht zijn;

G.  overwegende dat grootschalige corruptie in veel landen leidt tot lage menselijke, sociale en economische ontwikkeling, een laag niveau van onderwijs en andere openbare diensten, beperkte politieke en burgerrechten, weinig of geen politieke concurrentie of vrijheid van de media zowel online als offline, en tot tekortkomingen met betrekking tot de rechtsstaat;

H.  overwegende dat corruptie gevolgen heeft voor de uitoefening van mensenrechten en specifieke negatieve en buitenproportionele consequenties heeft voor de meest achtergestelde, gemarginaliseerde en kwetsbare groepen in de samenleving, zoals vrouwen, kinderen, personen met een handicap, ouderen, armen, inheemse volkeren of personen die tot een minderheid behoren, met name omdat corruptie hen de gelijke toegang ontzegt tot politieke participatie, publieke en sociale programma's en diensten, justitie, veiligheid, natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van land, banen, onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting; overwegende dat corruptie eveneens invloed heeft op de vorderingen inzake het beëindigen van discriminatie, gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen, aangezien zij de mogelijkheden van vrouwen om hun rechten op te eisen beperkt; overwegende dat corruptie de omvang en samenstelling van de overheidsuitgaven ontwricht en zo het vermogen van de staat ondermijnen om volledig gebruik te maken van alle beschikbare hulpbronnen teneinde economische, sociale en culturele rechten, de functionering van de democratie en de rechtsstaat en de totstandbrenging van een gezamenlijke moraal te realiseren;

I.  overwegende dat duurzameontwikkelingsdoelstelling 16 van de VN (SDG 16) gericht is op vrede, justitie, het uitbouwen van sterke instellingen en de strijd tegen corruptie; overwegende dat de EU voor de universele verwezenlijking van SDG 16 de aandacht dringend en rechtstreeks moet richten op tal van zaken waarin corruptie een belangrijke rol speelt, gaande van schendingen van de mensenrechten tot armoede, honger en onrecht;

J.  overwegende dat voor de aanpak van corruptie gecoördineerde inspanningen nodig zijn om corruptie op zowel hoog als laag niveau aan te pakken in derde landen en in de EU, gezien de, per geval verschillende, hiërarchische steun, beloningsstelsels en cliëntelisme in de machtsstructuren, die corruptiemisdrijven en straffeloosheid op het hoogste niveau vaak combineren met corruptie op laag niveau die van invloed is op het leven van de bevolking en hun toegang tot basisdiensten;

K.  overwegende dat corruptie niet kan worden aangepakt zonder sterke politieke toezeggingen op het hoogste niveau, ongeacht de bekwaamheid, vaardigheden en bereidwilligheid van nationale toezichthoudende en wetshandhavingsinstanties;

L.  overwegende dat de economische gevolgen van corruptie uiterst negatief zijn, vooral vanwege het effect op de toename van armoede en ongelijkheid onder de bevolking, de kwaliteit van de openbaredienstverlening, veiligheid, toegang tot uitgebreide gezondheidszorg en hoogwaardig onderwijs, infrastructuur, sociaaleconomische mogelijkheden voor individuele en collectieve emancipatie, met name economische groei, het scheppen van banen en arbeidskansen, en wat betreft het ontmoedigen van ondernemerschap en het verlies van investeringen;

M.  overwegende dat corruptie de EU in termen van het bbp bijvoorbeeld tussen de 179 miljard EUR en 990 miljard EUR per jaar kost(21);

N.  overwegende dat volgens de Wereldbank jaarlijks ongeveer één biljoen dollar aan steekpenningen wordt betaald en dat het totale economische verlies als gevolg van corruptie wordt geschat op vele malen dat bedrag;

O.  overwegende dat de georganiseerde misdaad, die in veel landen een ernstig probleem vormt en een grensoverschrijdende dimensie heeft, vaak is gekoppeld aan corruptie;

P.  overwegende dat het bij corruptie en mensenrechtenschendingen meestal gaat om machtsmisbruik, gebrek aan verantwoordingsplicht, de obstructie van de rechtsgang, het gebruik van ongepaste invloed en de institutionalisering van verschillende vormen van discriminatie, cliëntelisme en de verstoring van marktmechanismen; overwegende dat corruptie een sterk verband laat zien met tekortkomingen in de rechtsstaat en goed bestuur, en overwegende dat het de doeltreffendheid van instellingen en entiteiten die belast zijn met het uitvoeren van checks-and-balances en eerbiediging van democratische beginselen en mensenrechten, zoals parlementen, rechtshandhavingsinstanties, de rechtsprekende macht en het maatschappelijk middenveld, vaak ondermijnt; overwegende dat in landen waar de rechtsstaat wordt ondermijnd door corruptie, zowel de tenuitvoerlegging als de versterking van juridische kaders worden belet door corrupte rechters, advocaten, openbaar aanklagers, politiefunctionarissen, onderzoekers en auditors;

Q.  overwegende dat corruptie en mensenrechtenschendingen een fenomeen zijn van niet-integer gedrag en falende overheden en overwegende dat de geloofwaardigheid en de legitimiteit van publieke en private organisaties enkel wordt gewaarborgd als hun dagelijkse bedrijfsvoering gebaseerd is op een cultuur van strikte integriteit;

R.  overwegende dat praktijken zoals verkiezingsfraude, de illegale financiering van politieke partijen, vriendjespolitiek of de indruk van onevenredige invloed van geld in de politiek het vertrouwen in politieke partijen en gekozen vertegenwoordigers, het verkiezingsproces en regeringen ondermijnen, de democratische legitimiteit en het vertrouwen van burgers in de politiek ondergraven en de politieke en burgerrechten beduidend kunnen verzwakken; overwegende dat ontoereikende regelgeving en een gebrek aan transparantie van en toezicht op politieke financiering ruimte kunnen creëren voor oneigenlijke invloed op en bemoeienissen met de gang van openbare zaken; overwegende dat beschuldigingen van corruptie ook kunnen worden gebruikt als politiek instrument om de reputatie van politici in diskrediet te brengen;

S.  overwegende dat corruptie in het gerechtelijk apparaat een inbreuk vormt op de beginselen van gelijkheid, non-discriminatie, toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces en een doeltreffende voorziening in rechte, die van cruciaal belang zijn bij de handhaving van alle andere mensenrechten en het voorkomen van straffeloosheid; overwegende dat de afwezigheid van een onafhankelijke rechtelijke macht en overheid leidt tot wantrouwen jegens overheidsinstellingen, waardoor de eerbiediging van de rechtsstaat wordt ondermijnd en geweld in sommige gevallen wordt gevoed;

T.  overwegende dat het moeilijk is om corruptie te meten, aangezien er meestal sprake is van illegale praktijken die bewust in de doofpot worden gestopt, hoewel er enkele mechanismen zijn ontwikkeld en ingevoerd om corruptie te identificeren, monitoren, meten en bestrijden;

U.  overwegende dat nieuwe technologieën, zoals gedistribueerde grootboeken of opensourceonderzoekstechnologieën en -methoden, nieuwe kansen bieden voor vergroting van de transparantie van overheidsactiviteiten;

V.  overwegende dat een sterkere bescherming van de mensenrechten, en van het beginsel van non-discriminatie in het bijzonder, een waardevol instrument is voor de corruptiebestrijding; overwegende dat corruptiebestrijding met behulp van het strafrecht en het civiel recht inhoudt dat er repressieve en corrigerende maatregelen moeten worden genomen; overwegende dat de bevordering en versterking van de mensenrechten, de rechtsstaat en goed bestuur essentiële onderdelen van succesvolle en duurzame corruptiebestrijdingsstrategieën vormen;

W.  overwegende dat de totstandkoming van synergieën tussen een strafrechtelijke benadering en een op mensenrechten gebaseerde benadering van corruptie zou kunnen uitmonden in een aanpak van de collectieve en algemene effecten van corruptie en dat dit de systemische uitholling van de mensenrechten als direct of indirect effect van corruptie zou kunnen voorkomen;

X.  overwegende dat internationale inspanningen voor de bestrijding van corruptie verlopen in een evoluerend institutioneel en rechtskader maar dat er een grote kloof gaapt met de toepassing van dat kader door een gebrek aan politieke wil of een robuust handhavingsmechanisme; overwegende dat een op mensenrechten gebaseerde benadering van inspanningen ter bestrijding van corruptie een paradigmaverschuiving zou veroorzaken en zou kunnen bijdragen tot het overbruggen van die kloof door de aanwending van regionale, nationale en internationale mechanismen waarmee toezicht wordt uitgeoefend op de naleving van de verplichting tot eerbiediging van de mensenrechten;

Y.  overwegende dat het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie het enige bindende universele fraudebestrijdingsinstrument is en vijf hoofdgebieden beslaat: preventieve maatregelen, strafbaarstelling en rechtshandhaving, internationale samenwerking, het terugkrijgen van activa, en technische bijstand en uitwisseling van informatie;

Z.  overwegende dat bestaande internationale verplichtingen goede mechanismen zijn om passende en redelijke maatregelen te nemen om corruptie in overheids- en private sectoren te voorkomen of te bestraffen, met name op grond van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake sociale, economische en culturele rechten en andere toepasselijke mensenrechteninstrumenten;

AA.  overwegende dat het gerechtelijk apparaat, ombudsmannen en nationale instellingen voor de mensenrechten evenals maatschappelijke organisaties een cruciale rol vervullen bij de aanpak van corruptie en dat hun mogelijkheden kunnen worden versterkt door nauwe samenwerking met nationale en internationale corruptiebestrijdingsinstanties;

AB.  overwegende dat er corruptiebestrijdingsmaatregelen moeten worden getroffen door de transparantie, verantwoordingsplicht en de maatregelen ter bestrijding van straffeloosheid in bepaalde landen te verbeteren en door voorrang te verlenen aan de ontwikkeling van strategieën en specifieke beleidsmaatregelen die niet alleen gericht zijn op de bestrijding van corruptie, maar ook helpen bij de ontwikkeling en/of uitbouw van het overheidsbeleid op dit gebied;

AC.  overwegende dat zowel het maatschappelijk middenveld als de private sector een beslissende rol kunnen spelen bij de invulling van de institutionele hervorming om transparantie en verantwoordelijkheid te versterken; overwegende dat er lessen kunnen worden getrokken uit de ervaring van mensenrechtenbewegingen wat betreft het verhogen van het maatschappelijk bewustzijn van de negatieve gevolgen van corruptie en het bouwen van allianties met overheidsinstellingen en de private sector ter ondersteuning van inspanningen om corruptie te bestrijden;

AD.  overwegende dat het gebrek aan vrije media, on- en offline, niet alleen het grondrecht op vrijheid van meningsuiting beperkt, maar ook gunstige voorwaarden schept waarin duistere praktijken, corruptie en wangedrag welig kunnen tieren; overwegende dat onafhankelijke media en een divers en pluralistisch medialandschap een belangrijke rol vervullen bij het waarborgen van transparantie en controle, door berichtgeving, het onderzoeken en aan de kaak stellen van corruptie en het publiek bewuster maken van het verband tussen corruptie en mensenrechtenschendingen; overwegende dat er in meerdere landen lasterwetgeving, zoals de criminalisering van handelingen die worden beschouwd als "laster", is ingevoerd, waaronder in EU-lidstaten, die mogelijk de vrijheid van meningsuiting en van de media ondermijnen en die klokkenluiders en journalisten ervan weerhoudt corrupte activiteiten aan de kaak te stellen;

AE.  overwegende dat veel maatschappelijke organisaties, waaronder corruptiebestrijdings- en mensenrechtenverenigingen, vakbonden, onderzoeksjournalisten, bloggers en klokkenluiders, corruptie, fraude, wanbeheer en mensenrechtenschendingen aan de kaak stellen ondanks het feit dat ze zichzelf daarmee blootstellen aan het risico op vergeldingsmaatregelen, onder meer op de werkplek, aanklachten op grond van laster of belediging alsook aan persoonlijk gevaar; overwegende dat een gebrek aan bescherming tegen wraakacties, aanklachten tegen smaad en belediging en het ontbreken van een onafhankelijk en geloofwaardig onderzoek mensen kunnen ontmoedigen om hun stem te laten horen; overwegende dat de EU de plicht heeft om hen te beschermen door met name optimaal overheidssteun aan te bieden, onder meer door het bijwonen van en waarnemen bij processen van mensenrechtenactivisten, en zo doeltreffend mogelijk gebruik te maken van haar instrumenten, in het bijzonder het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR); overwegende dat naleving en een deugdelijke tenuitvoerlegging van de huidige wetgeving absoluut noodzakelijk zijn; overwegende dat degenen die corruptie aan het licht brengen het recht moeten hebben om hun identiteit geheim te houden, waarbij garanties inzake een eerlijk proces moeten gelden; overwegende dat klokkenluiders internationale bescherming tegen vervolging moeten krijgen;

AF.  overwegende dat de strijd tegen corruptie ook maatregelen moet omvatten om georganiseerde misdaad, belastingparadijzen, het witwassen van geld, belastingontduiking en illegale kapitaalstromen uit te bannen, evenals de regelingen die ze mogelijk maken, aangezien ze de duurzame ontwikkeling, vooruitgang, welvaart en verantwoordingsplicht van landen verhinderen;

AG.  overwegende dat veel derde landen nog niet de capaciteit hebben om belastinggegevens uit te wisselen met EU-lidstaten en zij daarom van de EU-lidstaten geen informatie ontvangen over hun burgers die mogelijk belastingen ontwijken;

AH.  overwegende dat er voldoende toezicht moet worden gehouden op EU-fondsen aan derde landen, waaronder in noodsituaties, waarbij duidelijke checks-and-balances worden doorgevoerd in de begunstigde landen om eventuele mogelijkheden voor corruptie te voorkomen, wangedrag aan het licht te brengen en corrupte ambtenaren te ontmaskeren;

AI.  overwegende dat het beheersen van corruptie en illegale financiële geldstromen een politieke aangelegenheid is die globaal, wereldwijd en grensoverschrijdend moet worden aangepakt (G20, UN, OECD, WB, IMF);

AJ.  overwegende dat het Internationaal Forum voor integriteit in de sport (IFSI) dat in februari 2017 is gehouden in Lausanne, Zwitserland, de samenwerking tussen regeringen, internationale sportorganen en andere organisaties heeft gestimuleerd om zo corruptie in de sport aan te pakken;

1.  dringt erop aan op nationaal en internationaal niveau collectieve maatregelen te treffen ter voorkoming en bestrijding van corruptie, aangezien corruptie zich over de grenzen heen verspreidt, waarbij naast de werkzaamheden van maatschappelijke organisaties ter bestrijding van corruptie, nauwere samenwerking tussen landen en regio's moet worden aangemoedigd; roept landen op actief deel te nemen aan internationale fora om goede praktijken en beleid dat past bij de specifieke situatie in elke regio te bespreken en hier gezamenlijke besluiten over te nemen, zodat corruptie wordt aangepakt als een onderling verbonden, complex, multidimensionaal fenomeen dat politieke, economische en sociale ontwikkeling belemmert en internationale criminaliteit, inclusief aan terrorisme gerelateerde activiteiten bevordert;

2.  is voornemens gedurende iedere zittingsperiode een voortgangsverslag over corruptie en mensenrechten op te stellen;

3.  is van mening dat corruptiebestrijding gepaard moet gaan met een aanpak in de vorm van een partnerschap tussen private en overheidssectoren en waarschuwt dat, indien dit wordt nagelaten, armoede, ongelijkheid en reputatieschade zich zullen verankeren, externe investeringen zullen afnemen, de levenskansen van jongeren zullen worden ondergraven, terwijl het verband tussen corrupte praktijken en terrorisme niet zal worden verbroken;

4.  is bezorgd over de gebrekkige toepassing en handhaving van de bestaande nationale en internationale corruptiebestrijdingsinstrumenten, zoals het VN-Verdrag tegen omkoping, de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten (Ruggie-richtsnoeren), het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa en het OESO-Verdrag tegen omkoping; verzoekt de ondertekenende landen deze volledig toe te passen teneinde hun burgers beter te beschermen; zegt toe samen te werken met internationale partners om ervoor te zorgen dat een toenemend aantal landen ervoor kiest democratische processen te versterken en verantwoordelijke instellingen op te bouwen;

5.  is bezorgd over de pesterijen, bedreigingen, intimidatie en vergeldingen jegens leden van maatschappelijke organisaties, waaronder anticorruptieverenigingen en mensenrechtenbewegingen, journalisten, bloggers en klokkenluiders die gevallen van corruptie aan het licht brengen en aan de kaak stellen; roept de autoriteiten op alle noodzakelijke maatregelen te nemen om hun fysieke en mentale integriteit te waarborgen en om onmiddellijk, uitgebreid en onpartijdig onderzoek te laten doen om de verantwoordelijken voor het gerecht te brengen, in overeenstemming met internationale normen;

6.  dringt erop aan dat de deelnemers aan de anticorruptietop in Londen in 2016 de gedane toezeggingen nakomen om de oorzaken van corruptie aan te pakken en de methoden toepassen die nodig zijn om transparantie te bevorderen, en tevens ondersteuning bieden aan degenen die er het meest onder lijden;

7.  herinnert eraan dat de ontwikkeling van een externe EU-strategie inzake corruptiebestrijding van wezenlijk belang is om corruptie en financiële misdrijven doeltreffend te bestrijden;

8.  beklemtoont dat staten hun mensenrechtenverplichtingen moeten nakomen uit hoofde van de bepalingen in het VN-Verdrag tegen corruptie en spoort de landen die dit nog niet hebben gedaan, aan het verdrag te ondertekenen; onderstreept dat staten verantwoordelijk zijn voor het voorkomen van corruptie en uiteindelijk verplicht zijn om negatieve effecten ervan binnen hun rechtsgebied aan te pakken;

9.  erkent de verantwoordelijkheid van politieke belanghebbenden alsook van het bedrijfsleven om de mensenrechten te eerbiedigen en corruptie aan te pakken; benadrukt dat in de strategieën voor corruptiebestrijding een mensenrechtenperspectief moet worden opgenomen teneinde een verplicht en effectief preventief beleid ten uitvoer te leggen dat verband houdt met zaken als transparantie, wetgeving inzake toegang tot openbare informatie, de bescherming van klokkenluiders en externe controle;

10.  beveelt aan dat de EU de steun aan internationale instrumenten uitbreidt om zo de transparantie te verhogen in economische sectoren waar het grootste risico op mensenrechtenschendingen en corruptie bestaat;

11.  steunt de vaststelling van modern, transparant en doeltreffend beleid en rechtskaders voor het beheer van natuurlijke hulpbronnen en is van mening dat dergelijke maatregelen kunnen dienen als krachtig wapen tegen corruptie; is in dit verband ingenomen met het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën, en roept de EU op meer steun te verlenen aan grondstoffenrijke landen bij de tenuitvoerlegging ervan, als krachtig wereldwijd hulpmiddel bij de bevordering van openheid en verantwoordingsplicht ten aanzien van het beheer van inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen; is van mening dat de invoering van een doeltreffend rechtskader voor de waarborging van de juiste toepassing van de EITI-beginselen door ondernemingen en andere belanghebbenden die betrokken zijn bij de toeleveringsketens van de olie-, gas- en mijnbouwsectoren een cruciale maatregel is die door de EU moet worden bevorderd;

12.  beveelt aan om bij de aanpak en beteugeling van illegale financiële kapitaalstromen vanuit Afrika bijzondere aandacht te besteden aan die kapitaalstromen die het resultaat zijn van de winning van ertsen en mineralen afkomstig van mijnbouwsites in conflictgebieden;

13.  stelt vast dat corruptie een complex fenomeen is met wortels in tal van economische, politieke, administratieve, sociale en culturele factoren en machtsrelaties, en wijst er dan ook op dat ontwikkelingsbeleid om bij te dragen aan de strijd tegen corruptie niet alleen aandacht moet schenken aan de terugdringing van armoede en ongelijkheid en aan betere integratie, maar ook bevorderend moet zijn voor de mensenrechten, de democratie, de rechtsstaat en openbare sociale voorzieningen, teneinde goed bestuur te stimuleren en sociaal kapitaal, sociale inclusie en sociale cohesie op te bouwen, rekening houdend met specifieke culturele en regionale kenmerken;

14.  benadrukt dat een van de meest doeltreffende manieren om corruptie te voorkomen de beperking van overheidsingrijpen en bureaucratische bemiddeling is, evenals het invoeren van eenvoudigere regelgeving;

Overwegingen over corruptie en mensenrechten in bilaterale betrekkingen van de EU

15.  onderstreept dat het beginsel van lokale en democratische verantwoordelijkheid moet worden geïntegreerd in alle projecten die door bijstandsprogramma's van de EU worden gefinancierd om een minimale transparantienorm te waarborgen; wijst er uitdrukkelijk op dat de externe financiële instrumenten van de EU moeten zijn gebaseerd op corruptiebestrijdingsnormen, op resultaten gebaseerde voorwaardelijkheid, inclusief duidelijke mijlpalen, indicatoren en jaarlijkse voortgangsrapportages, en op toezeggingen van de partnerlanden om zo de absorptie van de financiële EU-steun te verbeteren;

16.  herinnert aan de noodzaak van permanent toezicht op door de EU gefinancierde projecten en de verantwoordingsplicht van de autoriteiten in het begunstigde land wanneer EU-fondsen niet op de juiste wijze worden gebruikt en benadrukt de noodzaak om lokale maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten te betrekken bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de contracten; benadrukt voorts dat het noodzakelijk is dat elke contractant die EU-fondsen ontvangt alle vereiste informatie, onder meer inzake economische eigendom en de bedrijfsstructuur, volledig openbaar maakt;

17.  raadt aan dat de EU en andere internationale verstrekkers van subsidies en leningen audits uitvoeren met betrekking tot subsidie-, lenings- en bijstandspakketten en uitgebreid, zorgvuldig onderzoek verrichten bij ontvangende regeringen en organisaties om te voorkomen dat er "huur" wordt betaald aan kleptocratische autoriteiten en organisaties die door hen en hun partners worden gecontroleerd; is in dit verband van mening dat collegiale toetsing moet worden gestimuleerd;

18.  benadrukt het cruciale belang van een corruptiebestrijdingsagenda tijdens het proces van toetredingsonderhandelingen met de EU;

19.  verzoekt de EU om naast mensenrechtenclausules ook een corruptiebestrijdingsclausule op te nemen in overeenkomsten met derde landen, die toezicht, raadpleging en, in laatste instantie, het opleggen van sancties of de opschorting van die overeenkomst vereist in het geval van ernstige en/of systemische corruptie die tot ernstige mensenrechtenschendingen leidt;

20.  roept de EU op beginselen te ontwikkelen voor de bestrijding van grootschalige corruptie als misdrijf in nationale en internationale wetgeving, lopende zaken van straffeloosheid met betrekking tot grootschalige corruptie aan te pakken door strengere handhaving van anticorruptiewetgeving en hervormingen door te voeren om systemische hiaten in nationale rechtskaders te dichten die het mogelijk maken dat de inkomsten van grootschalige corruptie grenzen overschrijden, en aan het toezicht van financiële regelgevers en belastingautoriteiten onttrokken worden;

21.  benadrukt dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan voortdurend en gestructureerd toezicht en beoordeling van de doeltreffende toepassing van het UNCAC in de lidstaten van de EU en landen waarmee de EU een overeenkomst heeft gesloten of voornemens is dat te doen;

22.  vraagt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de lidstaten, gezien het Europese acquis op het gebied van corruptiebestrijding, op internationaal niveau het voortouw te nemen en de strijd tegen corruptie bij partnerlanden van de Unie aan te moedigen;

23.  vraagt de EU om anticorruptiemaatregelen en doeltreffende mechanismen voor publieke deelname en publieke verantwoording te bevorderen, waaronder het recht op toegang tot informatie en de tenuitvoerlegging van open-databeginselen, in alle relevante mensenrechtendialogen en raadplegingen met derde landen en om projecten te financieren die zijn gericht op de invoering, uitvoering en handhaving van deze maatregelen;

24.  benadrukt het belang van opensourceonderzoek met betrekking tot onderzoek in het kader van corruptiebestrijding; verzoekt de EU om organisaties die werken aan opensourceonderzoek en de digitale verzameling van bewijs voor corruptie voldoende te financieren, om zo corrupte functionarissen op te sporen en verantwoordingsplicht te waarborgen;

25.  vraagt de EU onderzoek naar toepassingen voor gedistribueerde grootboeken te financieren, dat kan worden gebruikt voor de transparantie van de verkoop van regeringsactiva, het traceren en volgen van donorgelden in de buitenlandse hulp van de EU en de aanpak van stemfraude;

26.  is ingenomen met de aanhoudende inspanningen in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument voor de oprichting en consolidatie van onafhankelijke en doeltreffende instellingen voor de bestrijding van corruptie;

27.  vraagt de EDEO en de Commissie gezamenlijke programma's voor mensenrechten en corruptiebestrijding op te zetten, met name initiatieven voor de bevordering van de transparantie, de bestrijding van straffeloosheid en de versterking van corruptiebestrijdingsinstanties; is van mening dat deze inspanningen ook de capaciteit van nationale instellingen voor de mensenrechten met een aantoonbare reputatie van onafhankelijkheid en onpartijdigheid om op te treden in corruptiezaken dienen te ondersteunen, onder meer aan de hand van onderzoekscapaciteit om verbanden te leggen tussen corruptie en mensenrechtenschendingen, samenwerking met corruptiebestrijdingsinstanties en doorverwijzingen naar parketten of wetshandhavingsinstanties; verzoekt de Unie en de lidstaten tevens hun programma's voor justitiële samenwerking met derde landen te versterken, teneinde de uitwisseling van goede praktijken en doeltreffende instrumenten in de bestrijding van corruptie te bevorderen;

28.  dringt er bij de EU op aan corruptiebestrijdingsinstellingen die zijn opgericht in derde landen en die beschikken over een aantoonbare reputatie van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zoals de Guatemalteekse Internationale Commissie tegen straffeloosheid (CICIG), te blijven ondersteunen, alsook steun te blijven verlenen aan initiatieven voor het delen van informatie, het uitwisselen van beste praktijken en het verbeteren van capaciteitsopbouw; spoort deze landen aan de instellingen te voorzien van alle noodzakelijke hulpmiddelen, waaronder onderzoeksbevoegdheid, om hun werkzaamheden doeltreffend te kunnen uitvoeren;

29.  vraagt de Commissie en de EDEO meer middelen vrij te maken voor bijstand aan het opzetten en uitvoeren van beschermingsprogramma's ten behoeve van de leden van maatschappelijke organisaties, onder meer corruptiebestrijdingsverenigingen en mensenrechtenbewegingen, journalisten, bloggers en klokkenluiders die corruptiezaken en mensenrechtenschendingen aan het licht brengen en aanklagen; herhaalt eens te meer dat toekomstige actualiseringen van de EU-richtsnoeren inzake mensenrechtenverdedigers, ontwikkelingssteun of richtsnoeren met betrekking tot de toepassing daarvan uitdrukkelijk moeten verwijzen naar en maatregelen moeten bevatten voor de bevordering van de bescherming van mensenrechten en voor corruptiebestrijding, teneinde het voor mensen makkelijker te maken om, zonder bang te hoeven zijn voor wraakacties, verdachte corruptiepraktijken te melden en steun te verlenen aan gemeenschappen die hier het slachtoffer van zijn; is ingenomen met de onlangs door de Commissie opgestarte raadplegingsprocedure in verband met de bescherming van klokkenluiders; benadrukt dat de focuspunten op het gebied van de mensenrechten in EU-delegaties tevens speciale aandacht moeten besteden aan deze doelgroepen en nauw contact moeten onderhouden met lokale maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers, zodat internationale zichtbaarheid en bescherming worden gewaarborgd en zo tevens veilige kanalen tot stand worden gebracht voor het rapporteren van misstanden;

30.  benadrukt dat toezichthoudende instanties, lokale wetshandhavers en aanklagers met een aantoonbare reputatie van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, evenals klokkenluiders en getuigen van specifieke gevallen, allemaal bijstand en steun van de EU moeten kunnen krijgen door middel van vertegenwoordiging ter plaatse en door hen uit te nodigen om deel te nemen aan opleidingsprogramma's in Europa; benadrukt dat deze steun, indien gepast, openbaar moet worden gemaakt;

31.  vraagt de EU-delegaties gebruik te maken van demarches en openbare diplomatie op lokaal en internationaal niveau om gevallen van corruptie en straffeloosheid aan het licht te brengen, met name wanneer deze leiden tot ernstige mensenrechtenschendingen; vraagt de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten voorts om verslagen over corruptie (in de vorm van systemische analyse of specifieke gevallen) op te nemen in hun briefings aan de EDEO en de lidstaten;

32.  beveelt aan dat de EDEO- en EU-delegaties, waar nodig, een specifieke benchmark opnemen over het verband tussen corruptie en mensenrechten in de landenstrategiedocumenten betreffende mensenrechten en democratie en beveelt bovendien aan dat deze kwestie wordt behandeld als één van de prioriteiten voor de speciale vertegenwoordigers van de EU bij de uitvoering van hun taken; dringt er met name bij de EU op aan om corruptie rechtstreeks aan te pakken in de programmering en in landenspecifieke nota's en om eventuele begrotingsondersteuning aan derde landen te koppelen aan concrete hervormingen in de richting van transparantie en andere corruptiebestrijdingsmaatregelen;

33.  beveelt aan dat het Europees Fonds voor democratie en het uitgebreide mechanisme voor mensenrechtenverdedigers van de EU (protectdefenders.eu) zich moeten richten op specifieke programma's om activisten op het gebied van corruptiebestrijding te beschermen die tevens bijdragen aan de bescherming van de mensenrechten;

34.  roept de EU op om klachtenmechanismen in te stellen, zodat personen die door haar externe acties worden getroffen een klacht kunnen indienen over schendingen van mensenrechten en gevallen van corruptie;

35.  herhaalt zijn oproep uit eerdere resoluties dat de EU de sanctielijst in verband met Magnitsky tegen de 32 Russische overheidsfunctionarissen die verantwoordelijk zijn voor de dood van de Russische klokkenluider Sergei Magnitsky zo snel mogelijk moet voorleggen aam de Raad, zodat deze kan worden vastgesteld en er gerichte sancties aan deze functionarissen kunnen worden opgelegd, zoals een EU-breed visumverbod en het bevriezen van de financiële activa die zij bezitten in de Europese Unie;

36.  spoort de EU-lidstaten aan te overwegen wetgeving aan te nemen waarmee duidelijke criteria worden ingevoerd voor het op de zwarte lijst zetten van en het opleggen van soortgelijke sancties aan onderdanen van derde landen en hun gezinsleden die verantwoordelijk zijn voor, medeplichtig zijn aan, verantwoordelijk zijn voor het opdracht geven tot, controleren van of anderszins opdragen van, het plegen van grootschalige corruptiehandelingen, waaronder de onteigening van private of overheidsactiva voor persoonlijk gewin, corruptie in verband met overheidsopdrachten of de winning van natuurlijke hulpbronnen, omkoping of het faciliteren of overdragen van onrechtmatig verkregen activa naar buitenlandse rechtsgebieden; benadrukt dat criteria voor de opname op de lijst moeten zijn opgebouwd op basis van goed gedocumenteerde, convergerende en onafhankelijke bronnen en overtuigend bewijs, waarin ruimte is voor verhaalmechanismen voor de personen waartegen deze gericht zijn; benadrukt dat de lijst openbaar moet zijn zodat zij een bijdrage levert aan de informatie die entiteiten nodig hebben die, op grond van de antiwitwasrichtlijn van de EU(22), onder meer verplicht cliëntenonderzoek moeten verrichten;

37.  roept de EU op om het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling na te leven (artikel 208 VWEU), om actief bij te dragen aan de terugdringing van corruptie, en om rechtstreeks en uitdrukkelijk de strijd aan te binden met straffeloosheid via het extern beleid van de Unie;

38.  verzoekt de EU de transparantie en verantwoordingsplicht van haar officiële ontwikkelingshulp te vergroten, teneinde daadwerkelijk te voldoen aan de normen als vastgelegd in het Internationaal Initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp (IATI) en aan internationaal overeengekomen beginselen inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp; roept de EU tevens op een sterk holistisch risicobeheersysteem te ontwikkelen om te voorkomen dat ontwikkelingshulp bijdraagt aan corruptie in ontvangende landen, namelijk door begrotingssteun te koppelen aan duidelijke doelstellingen op het vlak van corruptiebestrijding; benadrukt met het oog hierop dat er stevige mechanismen moeten worden ingevoerd om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van begrotingssteun;

39.  verzoekt de Commissie om in het kader van begrotingssteun, met het oog op de uitbanning van corruptie op hoog niveau, aandacht te besteden aan de transparantie van operaties waarbij sprake is van privatisering en transacties van publieke goederen, met name grond, en om deel te nemen aan OESO-steunprogramma's voor ontwikkelingslanden inzake corporate governance van staatsbedrijven;

40.  verzoekt de Commissie ontwikkelingslanden te ondersteunen in hun strijd tegen belastingontduiking en -ontwijking door hen te helpen evenwichtige, efficiënte, billijke en transparante belastingstelsels tot stand te brengen;

41.  blijft erbij dat de EU, als grootste donor ter wereld, methoden moet bevorderen om de verlening van externe hulp door de EU te koppelen aan belastinghervormingen die gericht zijn op meer transparantie, een grotere toegankelijkheid van gegevens en het bevorderen van een gemeenschappelijke aanpak met andere donoren.

42.  benadrukt met name de ingrijpende negatieve gevolgen van corruptie voor de handel en de voordelen daarvan, economische ontwikkeling, investeringen en openbare-aanbestedingsprocedures en dringt er bij de Commissie op aan dit verband in aanmerking te nemen in alle handelsovereenkomsten en daarin afdwingbare mensenrechten- en anticorruptiebepalingen op te nemen;

43.  herinnert eraan dat het handelsbeleid de waarden van de EU als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, namelijk democratie, de rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten, vrijheden en grondrechten of nog gelijkheid, helpt te beschermen en te bevorderen; onderstreept dat er samenhang moet bestaan tussen het externe en het interne beleid van de Europese Unie, met name op het gebied van corruptiebestrijding; onderstreept dat de Europese wetgevers in dit verband een belangrijke rol te spelen hebben bij het bevorderen van de handelsbetrekkingen, omdat zij moeten vermijden dat die betrekkingen de deur openzetten voor corruptie;

44.  beschouwt handelsovereenkomsten als een essentieel instrument voor de bevordering van anticorruptiemaatregelen en goed bestuur; is ingenomen met de maatregelen die de EU reeds heeft genomen om corruptie te bestrijden in haar handelsbeleid, bijvoorbeeld aan de hand van SAP+, de opneming van hoofdstukken over duurzame ontwikkeling en de opneming van toezeggingen om internationale anticorruptieovereenkomsten met handelspartners te ratificeren; herbevestigt het in de "handel voor iedereen"-strategie genoemde doel om ambitieuze anticorruptiebepalingen op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten; pleit er in dit verband voor dat in toekomstige handelsovereenkomsten toezeggingen worden opgenomen voor multilaterale anticorruptieovereenkomsten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie en het OESO-verdrag tegen omkoping, en dat bij de herziening van bestaande handelsovereenkomsten in het kader van een alomvattende benadering horizontale bepalingen worden opgenomen;

45.  onderstreept dat de partijen bij handelsovereenkomsten maatregelen moeten nemen om de actieve participatie van de particuliere sector, maatschappelijke organisaties en binnenlandse adviesgroepen bij de tenuitvoerlegging van programma's en bepalingen ter bestrijding van corruptie in internationale handels- en investeringsovereenkomsten te bevorderen; meent dat, zodra een EU-brede regeling van kracht is, de opneming van bepalingen ter bescherming van klokkenluiders in toekomstige handelsovereenkomsten moet worden overwogen;

46.  herinnert eraan hoe belangrijk het is om heldere richtsnoeren en ondersteuning te verstrekken aan bedrijven om doeltreffende anticorruptieprocedures op te zetten met betrekking tot hun verrichtingen, met name voor kmo's, waarvoor speciale bepalingen in handelsovereenkomsten moeten worden opgenomen om hen in staat te stellen corruptie te bestrijden; benadrukt dat er geen pasklare oplossing is voor de naleving van de anticorruptiebepalingen; verzoekt de Commissie om de ontwikkeling van bijstandsprojecten te overwegen voor capaciteitsopbouw op het gebied van corruptiebestrijding, zoals de uitwisseling van beste praktijken en opleidingen om staten en de bedrijfswereld te helpen het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarmee zij inzake corruptiebestrijding worden geconfronteerd;

47.  is ingenomen met de inwerkingtreding in februari 2017 van de WTO-overeenkomst inzake handelsbevordering, die voorziet in maatregelen ter bestrijding van corruptie in de mondiale handel; meent evenwel dat de vaststelling of hervorming van wetgeving alleen ontoereikend is en dat de daadwerkelijke toepassing ervan het belangrijkste is; wijst erop dat een herziening van de wetgeving vergezeld moet gaan van opleidingsmaatregelen voor de gerechtelijke diensten, toegang tot informatie voor het publiek en transparantiemaatregelen, en roept de EU-lidstaten op om in hun strijd tegen corruptie samen te werken op deze gebieden; wijst er tevens op dat handelsovereenkomsten kunnen helpen bij het monitoren van binnenlandse hervormingen met betrekking tot het anticorruptiebeleid;

48.  roept de Commissie op te onderhandelen over handhaafbare anticorruptie- en antiwitwasbepalingen in alle toekomstige handelsovereenkomsten, met inbegrip van doeltreffend toezicht op de tenuitvoerlegging van de anticorruptiebepalingen; verzoekt de lidstaten in dit verband de opneming van anticorruptiemaatregelen in de onderhandelingsmandaten te ondersteunen, zoals de Commissie voorstelt in de ontwerpmandaten die zij aan de lidstaten voorlegt; is verheugd dat in het onderhandelingsmandaat voor de vernieuwing van de overeenkomst tussen de EU en Mexico anticorruptiebepalingen zijn opgenomen; verzoekt de Commissie om corruptie te blijven bestrijden door de onderhandelingen over handelsovereenkomsten transparanter te maken en bepalingen op te nemen om de samenwerking op regelgevingsgebied en de integratie van douaneprocedures en mondiale waardeketens te vergroten; meent dat er samenwerkingsclausules moeten worden opgenomen om corruptie aan te pakken, bijvoorbeeld via de uitwisseling van informatie, en dat er administratieve en technische bijstand moet worden verleend met het oog op het delen en bevorderen van beste praktijken die de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten helpen te versterken; moedigt de Commissie aan om duidelijke en relevante voorwaarden en prestatie-indicatoren vast te stellen die een betere beoordeling en demonstratie van de resultaten mogelijk maken;

49.  brengt in herinnering dat het belangrijk is om tijdens de uitvoering van een overeenkomst een voortdurende en regelmatige dialoog met de handelspartners op gang te houden met het oog op de follow-up en degelijke tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de anticorruptiebepalingen; herinnert aan het voorstel dat de Commissie in haar "handel voor iedereen"-strategie heeft geformuleerd, om overlegmechanismen in te voeren in gevallen van systematische corruptie en zwak bestuur, en verzoekt de Commissie de opschorting van de voordelen van een overeenkomst te overwegen in dergelijke gevallen van systematische corruptie en niet-naleving van anticorruptiebepalingen of van de internationale normen wat betreft de bestrijding van corruptie, zoals de gemeenschappelijke verslagleggingsnorm en het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving van de OESO, het centrale register van economische eigendom en de FATF-aanbevelingen; verzoekt de Commissie duidelijke en relevante voorwaarden en prestatie-indicatoren vast te stellen die een betere beoordeling en demonstratie van de resultaten mogelijk maken; verzoekt de Commissie verder vastberaden, evenredig en snel te reageren wanneer de begunstigde regering tekortschiet in de nakoming van de aangegane verplichtingen; verzoekt de Commissie om raadplegingsmechanismen met handelspartners op te zetten in gevallen van systeemcorruptie en om te zorgen voor de uitwisseling van expertise om landen te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van anticorruptiemaatregelen.

50.  merkt op dat handelsovereenkomsten bindende en afdwingbare clausules inzake mensenrechten moeten omvatten die waarborgen dat particuliere bedrijven en overheidsinstanties de mensenrechten en de hoogste sociale en milieunormen eerbiedigen, wat van essentieel belang is in de strijd tegen corruptie;

Ontwikkeling van EU-inlichtingen over corruptienetwerken en tussenpersonen

51.  vraagt de EDEO het voortouw te nemen bij de oprichting van taskforces tussen de ambassades van de lidstaten en EU-delegaties in derde landen in het kader waarvan diplomaten gegevens kunnen analyseren en delen over de structuur en werking van lokale corrupte netwerken tot het hoogste machtsniveau en genoeg inlichtingen kunnen verzamelen om te voorkomen dat de EU samenspant met kleptocratische regimes; is van mening dat dergelijke informatie aan EU-instellingen moet worden overgebracht door middel van diplomatieke en veilige kanalen; stelt daarnaast voor dat EU-delegaties en ambassades van de lidstaten nauwe contacten stimuleren met de lokale bevolking, met name door middel van een regelmatige dialoog met daadwerkelijke en onafhankelijke maatschappelijke organisaties, journalisten en mensenrechtenverdedigers, om zo betrouwbare informatie te verzamelen over lokale corruptie, cruciale essentiële personen en gevangen functionarissen;

52.  is van mening dat bedrijven ook aan EU-organen moeten rapporteren wanneer hen wordt gevraagd om steekpenningen en/of wanneer zij verplicht moeten investeren in derde landen via lokale tussenpersonen of met lege vennootschappen als partner;

53.  benadrukt dat, gezien de verzamelde informatie, landenspecifieke richtsnoeren moeten worden gedeeld met de civiele en militaire inzet en EU-donoragentschappen om het bewustzijn te vergroten over de risico's die gepaard gaan met de omgang met lokale contractanten, particuliere beveiligingsbedrijven en dienstverleners, wiens gerechtigden in verband kunnen worden gebracht met mensenrechtenschendingen en corrupte netwerken;

Samenhang tussen intern en extern optreden

54.  is van mening dat de EU uitsluitend een geloofwaardige en invloedrijke leider kan worden op het gebied van corruptiebestrijding als zij de problemen in verband met georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen binnen haar eigen grenzen op adequate wijze aanpakt; betreurt in dit verband dat de Commissie beslist heeft om geen vervolg te geven aan haar EU-corruptiebestrijdingsverslag van 2014 en zo een nieuwe analyse te verstrekken van corruptie in de EU-lidstaten, hetgeen ook het voornemen van de EU om een ambitieuze corruptiebestrijdingsagenda in haar buitenlands beleid te bevorderen geloofwaardiger zou hebben gemaakt; benadrukt dat de Commissie en andere EU-instellingen regelmatige, ambitieuze en grondige verslaglegging en zelfbeoordeling moeten uitvoeren overeenkomstig de bepalingen in het VN-Verdrag tegen corruptie en de bijbehorende beoordelingsmechanismen en nodigt de Commissie uit nader beleid en nadere wetgevingsinitiatieven te presenteren om corruptie te bestrijden en aan te dringen op meer integriteit en transparantie in de lidstaten;

55.  merkt op dat de decriminalisering van corruptie in eender welke lidstaat de geloofwaardigheid van het overheidsbeleid zou verkleinen en bovendien het vermogen van de EU om aan te dringen op een wereldwijde ambitieuze corruptiebestrijdingsagenda zou uithollen; ondersteunt nauwere samenwerking tussen de EU-lidstaten en de Europese Rekenkamer;

56.  herhaalt zijn verzoek aan de EU-lidstaten om hun strafwetgeving waar nodig te wijzigen, om rechtsbevoegdheid in te stellen voor nationale aanklagers en rechtbanken om de misdrijven omkoping of verduistering van publieke middelen te onderzoeken en voor de rechter te brengen, ongeacht de plaats waar het misdrijf is gepleegd, zolang als de opbrengsten van deze criminele activiteiten zich in de betreffende lidstaat bevinden of daar zijn witgewassen, of de persoon een "nauwe band" heeft met de lidstaat, namelijk via staatsburgerschap, verblijf of economische eigendom van een bedrijf met een hoofdzetel of met dochterondernemingen in de lidstaat;

Bijdrage van de EU aan een op mensenrechten gebaseerde benadering van de corruptiebestrijding op multilaterale fora

57.  verzoekt de lidstaten in de VN een discussie op gang te brengen over de versterking van de normen inzake onafhankelijkheid en de mandaten van corruptiebestrijdingsinstanties, en daarbij gebruik te maken van de ervaring van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, het Internationaal coördinatiecomité van nationale mensenrechteninstellingen en VN-organen, meer bepaald het Mensenrechtencomité, met betrekking tot nationale instellingen voor de mensenrechten (beginselen van Parijs);

58.  benadrukt dat de verbanden tussen corruptiebestrijdingsinstanties en nationale instellingen voor de mensenrechten moeten worden versterkt, op basis van het mandaat van laatstgenoemden om corruptie aan te pakken als een mogelijke oorzaak van directe en indirecte mensenrechtenschendingen;

59.  herinnert aan zijn verzoek aan de EU-lidstaten om de instelling van een speciale VN-rapporteur voor financiële criminaliteit, corruptie en mensenrechten met een uitgebreid mandaat te steunen, met inbegrip van een doelstellingsgericht plan en een periodieke beoordeling van de door de lidstaten genomen corruptiebestrijdingsmaatregelen; vraagt de lidstaten om het voortouw te nemen bij de mobilisatie van steun bij de lidstaten van het HRC, en om gezamenlijk een resolutie in te dienen die dit mandaat tot stand brengt;

60.  dringt erop aan dat de VN een normatief instrument inzake illegale geldstromen instelt met het oog op grotere doeltreffendheid;

61.  beklemtoont dat de nationale en internationale communicatie- en bewustmakingscampagnes inzake corruptie om de deelname van burgers te vergroten een extra impuls moeten krijgen om te benadrukken dat corruptie negatieve gevolgen heeft voor de mensenrechten en onder andere leidt tot sociale ongelijkheid, een gebrek aan sociale rechtvaardigheid en toegenomen armoede; spoort de EU aan te zorgen voor de ontwikkeling en uitvoering van specifieke programma's inzake het bestaande straf- en procesrecht en verhaalmechanismen; benadrukt dat het onderwijs en onpartijdige, onafhankelijke openbare informatie een cruciale rol vervullen in het bijbrengen van sociale vaardigheden en integriteitsbeginselen die het algemeen belang dienen en bijdragen aan de rechtsstaat en de sociale en economische ontwikkeling van een samenleving;

62.  beveelt aan om het onderzoek van corruptie als oorzaak van mensenrechtenschendingen, en als gevolg van mensenrechtenschendingen en een zwakke rechtsstaat, op te nemen in de universele periodieke doorlichting als manier om corruptie aan te pakken en transparantie en beste praktijken te bevorderen; benadrukt de rol die het maatschappelijk middenveld kan vervullen door aan dit proces bij te dragen;

63.  dringt aan op een verdieping van de internationale afspraken om de aanpak van corruptie tot prominent onderdeel te maken van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN als mechanisme voor de bestrijding van armoede wereldwijd;

Corruptie en mensenhandel

64.  is bezorgd dat mensensmokkel kan worden gefaciliteerd door de corruptie van actoren die beschikken over verschillende toevertrouwde bevoegdheidsniveaus, zoals de politie, douanebeambten, grensbewakingsautoriteiten en immigratiediensten die mensenhandel kunnen negeren, tolereren, daaraan kunnen deelnemen of dit kunnen organiseren;

65.  benadrukt in dit verband het belang van corruptiebestrijdingsmaatregelen, zoals het bevorderen van transparantie en verantwoordingsplicht binnen overheden, door het invoeren van een algemeen mechanisme om corruptie te bestrijden en een betere coördinatie te waarborgen van strategieën voor de bestrijding van mensenhandel;

66.  onderstreept de prominente rol die kan worden gespeeld door een gendergevoelige aanpak wanneer beleid voor de bestrijding van corruptie binnen mensenhandel wordt ontwikkeld;

Bedrijfsleven en mensenrechten

67.  spoort alle lidstaten van de VN en met name de EU-lidstaten aan om de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten volledig toe te passen en daarbij specifieke toezeggingen te doen betreffende corruptiebestrijdingsmaatregelen in hun nationale actieplan voor de mensenrechten (zoals vereist in het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie) of om specifieke wetgeving inzake de bestrijding van omkoping vast te stellen;

68.  is verheugd over het feit dat enkele nationale actieplannen van EU-lidstaten verwijzen naar corruptie, en stelt in dit verband specifieke maatregelen voor ter voorkoming en bestraffing van corrupte praktijken en omkopingen die kunnen leiden tot mensenrechtenschendingen; beveelt aan dat de EU aanvullende maatregelen steunt om de vaststelling en tenuitvoerlegging van codes en normen op het gebied van naleving en omkopings- en corruptiebestrijding binnen afzonderlijke bedrijven te bevorderen, en dat dat ondernemingen die inschrijven op overheidsopdrachten een solide code voor omkopings- en corruptiebestrijding moeten hebben ingevoerd, evenals beginselen voor goed bestuur op het gebied van belastingen; is van mening dat misbruik van overheidsfondsen, onrechtmatige verrijking of omkoping moeten worden bestraft met specifieke aanvullende sancties in het kader van het strafrecht, in het bijzonder wanneer zij rechtstreeks leiden tot mensenrechtenschendingen die worden veroorzaakt door corrupte handelingen;

69.  is ingenomen met de herziene jaarrekeningrichtlijn met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit(23) door bepaalde grote ondernemingen en groepen, onder meer over hun inspanningen in verband met de mensenrechten en corruptiebestrijding; spoort bedrijven aan om alle desbetreffende informatie bekend te maken in overeenstemming met de richtsnoeren die binnenkort door de Commissie worden uitgegeven;

70.  hernieuwt zijn oproep aan alle staten en de EU, om op actieve en constructieve wijze betrokken te zijn bij de lopende werkzaamheden van de intergouvernementele werkgroep van de VN inzake transnationale ondernemingen en andere zakelijke bedrijven met betrekking tot de mensenrechten teneinde zo een juridisch bindend instrument te kunnen vaststellen om wanneer zich mensenrechtenschendingen, waaronder schendingen als gevolg van corruptie, voordoen deze te kunnen voorkomen, te onderzoeken, schadeloosstelling te eisen en te beschikken over toegang tot verhaalsmogelijkheden; roept staten al het nodige te doen om civiele rechtsvorderingen voor geleden schade mogelijk te maken jegens degenen die corrupte handelingen uitvoeren, in overeenstemming met artikel 35 van het VN-Verdrag tegen corruptie;

71.  verzoekt de EU en haar lidstaten de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen te hanteren;

Landroof en corruptie

72.  blijft bezorgd over de situatie ten aanzien van landroof als gevolg van corrupte praktijken door ondernemingen, buitenlandse investeerders, nationale en internationale actoren van de staat, functionarissen en autoriteiten; benadrukt dat corruptie landroof vaak mogelijk maakt door middel van gedwongen uitzetting door, onder andere, derden de onrechtmatige controle over land te verlenen zonder toestemming van de mensen die op dat land wonen;

73.  benadrukt dat onderzoek uitwijst dat corruptie wijdverspreid is bij landbeheer en in toenemende mate alle fases van landtransacties aantast, met een uitgebreide reeks nadelige effecten op de mensenrechten tot gevolg, variërend van gedwongen ontheemding van gemeenschappen zonder toereikende vergoeding tot het vermoorden van landbeschermers(24); stelt bovendien met bezorgdheid vast dat er een risico bestaat dat mensenrechtenschendingen zullen toenemen, gezien de stijgende vraag naar voedsel, brandstoffen en grondstoffen en steeds grootschaligere investeringen in grond in ontwikkelingslanden;

74.  wijst erop dat er een cruciale rol is weggelegd voor de financiële sector om corrupte praktijken te voorkomen die met name landroof in de hand werken; wijst er nogmaals op dat banken en financiële instellingen moeten instaan voor "cliëntenonderzoek" ter bestrijding van witwaspraktijken die verband houden met corruptie, en erop moeten toezien dat de investeerders die ze ondersteunen doeltreffende zorgvuldigheidsmaatregelen op het vlak van mensenrechten nemen; verzoekt de EU en haar lidstaten te eisen dat nadere gegevens over grondaankopen van bedrijven in derde landen worden bekendgemaakt, en meer steun te geven aan ontwikkelingslanden om te zorgen voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van de vrijwillige richtsnoeren voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw (VGGT) als een manier om corruptie in grondtransacties aan te pakken;

Verkiezing en werking van democratisch verkozen organen

75.  beklemtoont dat een einde maken aan ernstig misbruik dat de democratie en politieke processen verstoort een van de doelstellingen van de corruptiebestrijding moet zijn en dat de bevordering van een onafhankelijk, onpartijdig en doeltreffend gerechtelijk apparaat een andere doelstelling is; roept op tot de versterking van politieke partijen in hun rol als kanalen van democratische vertegenwoordiging en politieke participatie door op efficiënte wijze te worden toegerust; wijst erop dat in dit verband de regulering van politieke financiering, waaronder de identificatie van donoren en andere financieringsbronnen centraal staan in het behoud van de democratie;

76.  merkt bezorgd op dat verkiezingsfraude en corruptie in verband met verkiezingsprocessen en de werking van verkozen representatieve instanties en vergaderingen het vertrouwen in de democratische instellingen sterk ondermijnen en de politieke en burgerrechten verzwakken aangezien zij een gelijke en billijke vertegenwoordiging onmogelijk maken en doordat zij de aard van de rechtsstaat ter discussie stellen; wijst op de positieve rol van waarnemingsmissies bij verkiezingen en de bijdrage die zij leveren aan het deugdelijke verloop van verkiezingen en de hervorming van kieswetten; stimuleert verdere samenwerking met gespecialiseerde internationale organen, zoals de Raad van Europa of de OVSE op dit gebied;

77.  wijst uitdrukkelijk op de specifieke noodzaak om de hoogst mogelijke ethische en transparantienormen te betrachten bij de werking van internationale organisaties en regionale vergaderingen die belast zijn met de bescherming en bevordering van de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat, door instellingen en beroepen over de hele wereld aan elkaar te koppelen en zo capaciteit op te bouwen en een gedeelde cultuur van integriteit te bevorderen; benadrukt de noodzaak van de bevordering van transparante praktijken door gedragscodes en specifieke transparantiemaatregelen uit te werken om eventuele fraude of eventueel wangedrag te voorkomen en te onderzoeken;

78.  benadrukt hoe noodzakelijk het is om lobbyen streng te reguleren in overeenstemming met de beginselen van openheid en transparantie, om zo te waarborgen dat alle belangengroepen gelijke toegang hebben tot besluitvormers en om een eind te maken corruptie en het risico op mensenrechtenschendingen; verzoekt de EU en de lidstaten om alle vormen van verborgen, onethisch en illegaal lobbyen te identificeren en veroordelen; verzoekt de EU om transparante processen voor besluitvorming en wetgeving te bevorderen, zowel in de lidstaten als in betrekkingen met derde landen;

79.  spreekt, naar aanleiding van de recente "Azerbaijani Laundromat"-onthullingen, zijn krachtige afkeuring uit over pogingen van Azerbeidzjan en andere autocratische regimes in derde landen om Europese besluitvormers via illegale middelen te beïnvloeden; dringt aan op een alomvattend parlementair onderzoek naar bovengenoemde aantijgingen en, in bredere zin, naar de invloed die deze regimes uitoefenen; dringt erop aan dat het Parlement robuuste maatregelen treft ter voorkoming van dergelijke corruptiegevallen, die de geloofwaardigheid en legitimiteit van de werkzaamheden van het Parlement, onder meer op het gebied van mensenrechten, ondermijnen;

Grote sportevenementen en verbanden met mensenrechtenschendingen en corruptie

80.  blijft zich zorgen maken over ernstige mensenrechtenschendingen, onder meer van het arbeidsrecht, en corruptie op hoog niveau in verband met grote internationale sportevenementen en de bijbehorende grootschalige infrastructuurprojecten; moedigt samenwerking aan tussen sportbestuurslichamen en internationale corruptiebestrijdingsinstanties en ngo's teneinde te komen tot transparante en controleerbare toezeggingen inzake de mensenrechten door de organisatoren van grote sportevenementen en degenen die zich inschrijven om gastheer te zijn; benadrukt dat deze criteria deel moeten uitmaken van de gunningscriteria voor het optreden als gastheer van dergelijke evenementen;

81.  is van mening dat ook grote niet-gouvernementele internationale sportfederaties inspanningen ter bestrijding van corruptie moeten leveren en deze inspanningen moeten intensiveren, en meent dat niet-gouvernementele internationale sportfederaties moeten erkennen dat zij verantwoordelijkheid dragen voor de naleving van de mensenrechten; pleit er daarom voor dat de met corruptiebestrijding belaste overheidsinstanties meer bevoegdheden krijgen voor het onderzoeken en bestraffen van gevallen van corruptie bij grote niet-gouvernementele sportfederaties;

82.  is van mening dat corruptie op hoog niveau in sportbesturen, matchfixing, verwerving, goedkeuringsdeals, de selectie van locaties, illegaal gokken en doping, evenals de betrokkenheid van de georganiseerde misdaad, de geloofwaardigheid van sportorganen heeft beschadigd;

83.  is van mening dat integriteit in de sport kan bijdragen aan de wereldwijde ontwikkelingsagenda en internationaal goed bestuur;

Belastingparadijzen

84.  dringt aan op de toepassing van een nultolerantiebeleid ten aanzien van belastingparadijzen en het witwassen van geld, op het verscherpen van de internationale transparantienormen en spoort aan tot nauwere internationale samenwerking om de economische eigendom van geheimzinnige lege vennootschappen en trusts vast te stellen die worden gebruikt als kanalen voor belastingontduiking, fraude, illegale handel, kapitaalstromen en witwassen, en die profiteren van corruptie;

85.  is groot voorstander van de uitvoering van openbare verslagleggingsnormen per land in Europa en in derde landen, waarbij multinationals verplicht moeten worden om verslagen in te dienen met financiële basisgegevens voor elk rechtsgebied waarin zij actief zijn om corruptie en belastingontduiking te voorkomen;

86.  herinnert aan de verantwoordelijkheid van de EU bij de bestrijding van belastingontduiking door transnationale ondernemingen en personen en bij de aanpak van de illegale geldstromen uit ontwikkelingslanden die hun mogelijkheden om gebruik te maken van voldoende hulpbronnen om te voldoen aan mensenrechtenverplichtingen belemmeren;

87.  is verheugd over initiatieven onder leiding van Europa om een wereldwijde uitwisseling te ontwikkelen van informatie over economisch eigendom om de doeltreffendheid van de Common Reporting Standards te verhogen die kunnen helpen bij het aan het licht brengen van financiële vergrijpen;

88.  stimuleert wereldwijde samenwerking om gestolen activa op te sporen en deze veilig terug te bezorgen aan de rechtmatige eigenaren; herhaalt dat de EU de plicht heeft om derde landen te helpen onrechtmatig verkregen activa terug te krijgen die zijn verborgen in de financiële systemen van de EU-lidstaten en in vastgoed en om de daders, essentiële personen en tussenpersonen te vervolgen; dringt er bij de EU op aan deze kwestie die zeer relevant is in derde landen die door een democratiseringsproces gaan, voorrang te verlenen, met name door juridische belemmeringen en het gebrek aan bereidheid van financiële centra om samen te werken, aan te pakken; benadrukt in dit verband het belang van het loskoppelen van de inbeslagname van activa afkomstig van veroordelingen in de verzoekende staat ten behoeve van de verstrekking van wederzijdse juridische bijstand en de voortzetting van vervolging, indien er sprake is van voldoende bewijs van vergrijpen;

89.  herinnert eraan dat corruptie sterk verband houdt met activiteiten als witwaspraktijken, belastingontduiking en illegale handel; benadrukt in dit verband dat transparantie de hoeksteen moet vormen van alle corruptiebestrijdingsstrategieën;

90.  benadrukt dat de EU in alle relevante internationale fora prioriteit moet geven aan de bevordering van de strijd tegen belastingparadijzen, het bankgeheim en witwassen, van de opheffing van excessief beroepsgeheim, en van de verwezenlijking van openbare verslaglegging per land door alle multinationals en openbare registers van de begunstigde eigenaren van ondernemingen; wijst erop dat de meeste van de hulpmiddelen voor de bestrijding van belastingontduiking en -ontwijking geschikt zijn om corruptie en het witwassen van geld te bestrijden;

Vrijheid van de media

91.  onderstreept het grote belang van onafhankelijke media, online zowel als offline, bij de bestrijding van corruptie en het aanklagen van mensenrechtenschendingen; verzoekt de Commissie om de mogelijke negatieve effecten van wetten inzake laster in derde landen aan te pakken en tegen te gaan en herhaalt zijn oproep aan alle lidstaten om te overwegen laster niet langer strafbaar te stellen en uitsluitend civiele procedures te gebruiken om de reputatie van personen te beschermen; onderstreept dat digitale veiligheid een belangrijk onderdeel is van de bescherming van activisten; beveelt ten sterkste aan dat de transparantie in verband met de eigenaren en sponsors van media moet worden gegarandeerd aan de hand van nationale wetgeving;

92.  verlangt dat in de internationale betrekkingen tussen de EU en derde landen meer nadruk wordt gelegd op de eerbiediging van de vrijheid van de media; is van mening dat politieke dialoog die de EU voert, alsook de samenwerking die zij onderhoudt met derde landen teneinde mediahervormingen te waarborgen open, transparant en onderworpen aan toezicht moeten zijn; dringt er in dit verband bij de EU op aan te waarborgen dat EU-projecten in derde landen onder meer gericht zijn op de instandhouding van de vrijheid van de media en de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties; verzoekt de EU om openlijk de invoering van wetgeving waarmee beperkingen worden opgelegd aan de vrijheid van de media en de activiteiten van maatschappelijke organisaties, te veroordelen;

93.  stimuleert de waarden van een open en veilig internet bij het verhogen van het bewustzijn van corrupte praktijken van personen, organisaties en regeringen en uit zijn bezorgdheid dat degenen die trachten online vrijheden te beperken dat doen om verantwoordingsplicht te voorkomen;

94.  dringt erop aan dat openbare aanbestedingen eerlijk, verantwoordelijk, open en transparant verlopen om diefstal en misbruik van het geld van de belastingbetaler te voorkomen en aan het licht te brengen;

95.  wijst erop dat de EU in alle fora voor dialoog met derde landen, waaronder bilaterale fora, moet benadrukken hoe belangrijk het is om het recht op toegang tot openbare informatie in stand te houden; benadrukt met name de noodzaak om normen vast te stellen die zowel de meest volledige als de snelst mogelijke openbare toegang waarborgen tot dergelijke informatie, aangezien de snelheid van de toegang van groot belang is bij inspanningen om mensenrechten in stand te houden en corruptie te bestrijden; verzoekt de EU om de toegang tot openbare informatie zowel in de lidstaten als in derde landen te bevorderen;

o
o   o

96.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Europese Centrale Bank.

(1) https://www.unodc.org/unodc/en/treaties/CAC/
(2) http://www.oecd.org/daf/anti-bribery/ConvCombatBribery_ENG.pdf
(3) http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=LEGISSUM:l33601&from=NL
(4) http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E
(5) http://www.eib.org/attachments/strategies/anti_fraud_policy_20130917_en.pdf
(6) http://www.ohchr.org/Documents/Publications/GuidingPrinciplesBusinessHR_EN.pdf
(7) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2016/06/20-fac-business-human-rights-conclusions/
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0405.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0403.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0310.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408.
(12) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 59.
(13) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 81.
(14) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 89.
(15) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 2.
(16) https://www.unodc.org/documents/corruption/WG-Prevention/Art_6_Preventive_anti-corruption_bodies/JAKARTA_STATEMENT_en.pdf
(17) http://nhri.ohchr.org/EN/AboutUs/Governance/Resolutions/A.HRC.RES.33.15%20EN.pdf
(18) http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRC/RegularSessions/Session28/Documents/A_HRC_28_73_ENG.doc
(19) http://www.eods.eu/library/AU_Convention%20on%20Combating%20Corruption_2003_EN.pdf
(20) https://www.unglobalcompact.org/what-is-gc/mission/principles
(21) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2016/579319/EPRS_STU%282016%29579319_EN.pdf
(22) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(23) PB L 330 van 15.11.2014, blz. 1.
(24) Olivier De Schutter, ‘Tainted Lands: "Tainted Lands. Corruption in Large-Scale Land Deals", in opdracht van International Corporate Accountability Roundtable en Global Witness (november 2016). https://www.globalwitness.org/en/campaigns/land-deals/tainted-lands-corruption-large-scale-land-deals/

Juridische mededeling