Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 4 oktober 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Overeenkomst tot oprichting van de internationale EU-LAC-Stichting ***
 Bepalingen van het Schengenacquis inzake het Visuminformatiesysteem in Bulgarije en Roemenië *
 Geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in de Tsjechische Republiek *
 Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Portugal *
 Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Griekenland *
 Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen ***I
 Registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten varen ***I
 Inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten ***I
 Bezwaar tegen een uitvoeringshandeling: wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen
 Genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127
 Genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6
 Uitbanning van kindhuwelijken
 VN-Klimaatconferentie 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)

Overeenkomst tot oprichting van de internationale EU-LAC-Stichting ***
PDF 240kWORD 46k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de overeenkomst tot oprichting van de internationale EU-LAC-Stichting (11342/2016 – C8-0458/2016 – 2016/0217(NLE))
P8_TA(2017)0368A8-0279/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (11342/2016),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tot oprichting van de internationale EU‑LAC-Stichting (11356/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend in overeenstemming met artikel 209, lid 2, artikel 212, lid 1, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0458/2016),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0279/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de landen van de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten (CELAC).


Bepalingen van het Schengenacquis inzake het Visuminformatiesysteem in Bulgarije en Roemenië *
PDF 242kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de inwerkingstelling van bepaalde bepalingen van het Schengenaquis inzake het Visuminformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en in Roemenië (10161/2017 – C8-0224/2017 – 2017/0808(CNS))
P8_TA(2017)0369A8-0286/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (10161/2017),

–  gelet op artikel 4, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0224/2017),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0286/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


Geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens in de Tsjechische Republiek *
PDF 243kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van voertuigregistratiegegevens met de Tsjechische Republiek (09893/2017 – C8-0197/2017 – 2017/0806(CNS))
P8_TA(2017)0370A8-0288/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (09893/2017),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0197/2017),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0288/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Portugal *
PDF 242kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Portugal (09898/2017 – C8-0213/2017 – 2017/0807(CNS))
P8_TA(2017)0371A8-0289/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (09898/2017),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0213/2017),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0289/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Griekenland *
PDF 242kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Griekenland (10476/2017 – C8-0230/2017 – 2017/0809(CNS))
P8_TA(2017)0372A8-0287/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (10476/2017),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0230/2017),

–  gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit(1), en met name artikel 33,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0287/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.


Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen ***I
PDF 244kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/45/EG inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (COM(2016)0369 – C8-0208/2016 – 2016/0170(COD))
P8_TA(2017)0373A8-0167/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0369),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0208/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie juridische zaken (A8‑0167/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/45/EG inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2108.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 167.


Registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten varen ***I
PDF 245kWORD 43k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/41/EG van de Raad inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen en tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten (COM(2016)0370 – C8-0209/2016 – 2016/0171(COD))
P8_TA(2017)0374A8-0168/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0370),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0209/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0168/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/41/EG van de Raad inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen en Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2109.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 172.


Inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten ***I
PDF 246kWORD 56k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende havenstaatcontrole en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad (COM(2016)0371 – C8-0210/2016 – 2016/0172(COD))
P8_TA(2017)0375A8-0165/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0371),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0210/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 21 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0165/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2110.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 176.


Bezwaar tegen een uitvoeringshandeling: wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen
PDF 267kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen (D048947/06 – 2017/2801(RPS))
P8_TA(2017)0376B8-0542/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen (D048947/06) (de 'ontwerpverordening'),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(1), en met name de artikelen 4, lid 1, en 78, lid 1, onder a), en de tweede alinea van de punten 3.6.5. en 3.8.2. van bijlage II daarbij,

–  gezien het arrest van het Gerecht, de rechtsprekende instantie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 16 december 2015(2), en met name de punten 71 en 72 daarvan,

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2016 over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015(3),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 15 juni 2016 inzake hormoonontregelaars en de ontwerphandelingen van de Commissie tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de identificatie daarvan in het kader van de EU-wetgeving betreffende gewasbeschermingsmiddelen en biociden COM(2016)0350),

–  gezien het samenvattend verslag van de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 28 februari 2017,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over bescherming van de volksgezondheid tegen hormoonontregelaars(4),

–  gezien artikel 5 bis, lid 3, onder b), van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(5),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3 en lid 4, onder c), van zijn Reglement,

A.  overwegende dat, overeenkomstig punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, een werkzame stof slechts wordt goedgekeurd wanneer deze niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor niet-doelwit organismen, tenzij de blootstelling van niet-doelwit organismen aan die werkzame stof in realistisch voorgestelde gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is (het 'cut-off'-criterium voor het milieu);

B.  overwegende dat, overeenkomstig de tweede alinea van punt 3.6.5. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, de Commissie uiterlijk op 14 december 2013 een ontwerp van de maatregelen met betrekking tot specifieke wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen voorlegt aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid;

C.  overwegende dat het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders op 4 juli 2017 een positief advies over de ontwerpverordening heeft uitgebracht, met drie lidstaten tégen, en vier lidstaten die zich van stemming hebben onthouden;

D.  overwegende dat het laatste lid van de ontwerpverordening luidt "wanneer de beoogde gewasbeschermende werking van de onderzochte werkzame stof bestaat uit het beheersen van ongewervelde doelorganismen via hun hormoonsysteem worden de effecten op organismen van dezelfde taxonomische stam als de doelorganismen niet in aanmerking genomen bij de identificatie van de stof als een stof met hormoonontregelende eigenschappen met betrekking tot niet-doelorganismen";

E.  overwegende dat het Gerecht in zijn arrest in zaak T-521/14 duidelijk heeft aangegeven dat "la spécification des critères scientifiques pour la détermination des propriétés perturbant le système endocrinien ne peut se faire que de manière objective, au regard de données scientifiques relatives audit système, indépendamment de toute autre considération, en particulier économique"(6) (punt 71);

F.  overwegende dat verhinderen dat een stof met een beoogde hormoonontregelende werking als een hormoonontregelende stof voor niet-doelwit organismen wordt geïdentificeerd niet wetenschappelijk is;

G.  overwegende dat de ontwerpverordening derhalve niet kan worden beschouwd als een tekst die stoelt op objectieve wetenschappelijke gegevens met betrekking tot het hormoonstelsel zoals bedoeld door het Gerecht; overwegende dat de Commissie daarmee haar uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

H.  overwegende dat hetgeen met dit laatste lid wordt beoogd duidelijk wordt aangegeven in het samenvattend verslag van de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 28 februari 2017, waarin staat "daarnaast werd de redenering achter de bepaling betreffende actieve stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking ('groeiregulatoren') uitgelegd. [...] De bepaling betreffende groeiregulatoren staat toe dat de 'cut-off'-criteria niet worden toegepast op stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking [...]";

I.  overwegende dat dit laatste lid een afwijking creëert van het 'cut-off'-criterium zoals bedoeld in punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009;

J.  overwegende dat uit de overwegingen 6 t/m 10 en artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 blijkt dat de wetgever bij de ingewikkelde kwestie van het vaststellen van regels voor de goedkeuring van actieve stoffen een wankel evenwicht heeft moeten vinden tussen meerdere, potentieel conflicterende doelstellingen, te weten de landbouwproductie en de interne markt enerzijds, en de bescherming van de gezondheid en het milieu anderzijds;

K.  overwegende dat het Gerecht in het hierboven reeds aangehaalde arrest het volgende heeft aangegeven: "Dans ce contexte, il importe de relever que, en adoptant le règlement n° 528/2012, le législateur a procédé à une mise en balance de l’objectif d’amélioration du marché intérieur et de celui de la préservation de la santé humaine, de la santé animale et de l’environnement, que la Commission se doit de respecter et ne saurait remettre en cause [...]. Or, dans le cadre de la mise en œuvre des pouvoirs qui lui sont délégués par le législateur, la Commission ne saurait remettre en cause cet équilibre, ce que cette institution a d’ailleurs en substance admis lors de l’audience"(7) (punt 72);

L.  overwegende dat dit wordt weerspiegeld in de resolutie van het Parlement van 8 juni 2016, waarin wordt beklemtoond dat "het Gerecht heeft bepaald dat de vaststelling van wetenschappelijke criteria uitsluitend op objectieve wijze kan worden gerealiseerd op basis van wetenschappelijke gegevens met betrekking tot het hormoonstelsel, onafhankelijk van andere overwegingen, in het bijzonder economische, en dat de Commissie niet bevoegd is het in een basishandeling vastgelegde regelgevende evenwicht te wijzigen via de toepassing van aan haar toegewezen bevoegdheden overeenkomstig artikel 290 [van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU)]";

M.  overwegende dat dezelfde beperking van bevoegdheden op de Commissie van toepassing is in de context van een uitvoeringshandeling in het kader van de regelgevingsprocedure met toetsing;

N.  overwegende dat het, volgens de Mededeling van de Commissie van 15 juni 2016, voor haar "de uitdaging is criteria vast te stellen om te bepalen welke stoffen al dan niet hormoonontregelaars zijn voor de toepassing van de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en niet hoe de stoffen worden gereguleerd. De wetgever heeft de regelgevingsimplicaties al vastgelegd in de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen (2009) en biociden (2012)";

O.  overwegende dat het 'cut-off'-criterium zoals bedoeld in punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 een essentieel onderdeel van de verordening vormt;

P.  overwegende dat, overeenkomstig de vaste jurisprudentie, de vaststelling van regelgevingselementen die voor een bepaalde zaak essentieel zijn, is voorbehouden aan de wetgevingsautoriteit van de EU en niet aan de Commissie kan worden gedelegeerd;

Q.  overwegende dat de Commissie haar uitvoeringsbevoegdheden heeft overschreden door een essentieel regelgevingselement van Verordening (EG) nr. 1107/2009 te wijzigen, in weerwil van de erkenning van de beperking van haar bevoegdheden tijdens de behandeling van zaak T-521/14, in weerwil van hetgeen zij verklaart in haar mededeling van 15 juni 2016, en in weerwil van het fundamentele Uniebeginsel van de rechtsstaat;

R.  overwegende dat, zelfs indien de ontwikkelingen op het gebied van de wetenschappelijke en technische kennis steekhoudende gronden zouden zijn voor de introductie van een afwijking met betrekking tot de voorwaarden voor de goedkeuring van stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking, een dergelijke afwijking uitsluitend mogelijk is middels een wetgevingsprocedure tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zoals bedoeld in artikel 294 VWEU;

1.  maakt bezwaar tegen de vaststelling van het ontwerp van verordening van de Commissie;

2.  is van mening dat dit ontwerp van verordening van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van verordening in te trekken en onverwijld een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van verordening te wijzigen middels schrapping van het laatste lid;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) Arrest van het Gerecht van 16 december 2015, Zweden/Commissie, T-521/14, ECLI:EU:T:2015:976.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0270.
(4)4 PB C 36 van 29.1.2016, blz. 85.
(5) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(6) Gezien het feit dat het arrest van zaak T-521/14 uitsluitend in het Frans en het Zweeds beschikbaar is, heeft de vertaaldienst van het Parlement het in het Engels vertaald: "the specification of scientific criteria for the determination of endocrine-disrupting properties may only be performed objectively, in the light of scientific data relating to that system, independently of all other considerations, in particular economic ones". (Nederlandse versie: "de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de identificatie van hormoonontregelende eigenschappen mag uitsluitend op objectieve wijze geschieden, met inachtneming van specifieke wetenschappelijke gegevens met betrekking tot dat systeem, los van alle andere overwegingen, met name overwegingen van economische aard.").
(7) Gezien het feit dat het arrest van zaak T-521/14 uitsluitend in het Frans en het Zweeds beschikbaar is, heeft de vertaaldienst van het Parlement het in het Engels vertaald: "In this context, it is important to note that, when adopting Regulation (EU) No 528/2012, the legislature weighed up the objective of improving the internal market and that of protecting human health, animal health and the environment, arriving at conclusions which the Commission must respect and cannot call into question [...]. In the context of the exercise of the powers delegated to it by the legislator, the Commission cannot call that balance into question, a fact which, moreover, that institution has in essence accepted during the hearing". (Nederlandse versie: "In dit verband is het belangrijk erop te wijzen dat de wetgever twee doelstellingen tegen elkaar heeft afgewogen, te weten die van het verbeteren van de interne markt en die van het beschermen van de gezondheid van mens en dier, en van het milieu, en daarbij tot conclusies is gekomen die de Commissie moet eerbiedigen en niet in twijfel kan trekken [...]. In het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die de wetgever haar heeft gegeven, kan de Commissie dat evenwicht niet in twijfel trekken, een feit dat die instelling tijdens de behandeling van deze zaak bovendien in wezen heeft aanvaard.").


Genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127
PDF 286kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051972 – 2017/2879(RSP))
P8_TA(2017)0377B8-0540/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051972),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 19, lid 3, en artikel 21, lid 2,

–  gezien de stemming van 17 juli 2017 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 1 maart 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 6 april 2017 werd gepubliceerd(3),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, COD(2017)0035),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Bayer Crop Science LP en M.S. Technologies LLC op 10 december 2013 bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag hebben ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde soja FG72 × A5547-127 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan en bestemd zijn voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere sojasoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 1 maart 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 6 april 2017 is gepubliceerd(5);

C.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

D.  overwegende dat soja FG72 × A5547-127 is ontwikkeld om tolerantie te geven voor herbiciden op basis van isoxaflutool (5-cyclopropylisoxazol-4-yl 2-mesyl-4-trifluoromethylfenylketon), glyfosaat (N-(fosfonomethyl)glycine) en glufosinaat (l-fosfinotricine)-ammonium; overwegende dat tolerantie voor deze herbiciden wordt bereikt door respectievelijk de eiwitten HPPD W336 (4-hydroxyl fenylpyruvaatdioxygenase), 2mEPSPS (5-enolpyruvylshikimaat-3-fosfaatsynthase) en PAT (fosfinotricineacetyltransferase) tot expressie te brengen;

E.  overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden talrijke kritische opmerkingen hebben ingediend(6); overwegende dat in de meest kritische opmerkingen onder meer wordt vastgesteld dat er wegens het ontbreken van een onderzoek naar subchronische toxiciteit van 90 dagen geen conclusies kunnen worden getrokken over de risico's in verband met gebruik van dit ggo in levensmiddelen voor menselijke consumptie en diervoeders, dat er onvoldoende gegevens worden verstrekt over samenstelling, fenotypische evaluatie en toxicologie, dat conclusies die op basis van deze gegevens tot stand zijn gekomen over de gelijkwaardigheid tussen het ggo en de conventionele soja en over de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders voorbarig zijn, en dat deze genetisch gemodificeerde soja niet is getest met de wetenschappelijke kracht die vereist is om de veiligheid ervan vast te stellen;

F.  overwegende dat in een onafhankelijke studie wordt geconcludeerd dat de risicobeoordeling van de EFSA onaanvaardbaar is in de huidige vorm, aangezien hierin nergens sprake is van kennislacunes en -onzekerheden en er is nagelaten een beoordeling te verrichten van de toxiciteit of de effecten op het immuunsysteem en het voortplantingssysteem(7);

G.  overwegende dat de huidige vergunning van glyfosaat uiterlijk op 31 december 2017 afloopt; overwegende dat de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat nog steeds vragen doen rijzen; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor Onderzoek naar Kanker (IARC) van de WHO daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

H.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld bij de stoffen die toxisch zijn ten aanzien van de voortplanting en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(8); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 afloopt(9);

I.  overwegende dat isoxaflutool waarschijnlijk kankerverwekkend is voor de mens(10), giftig is voor bepaalde aquatische organismen en niet tot de doelsoorten behorende planten, en dat waterverontreiniging door deze stof en zijn afbraakproducten en metabolieten gemakkelijk tot stand komt; overwegende dat dergelijke bezorgdheden hebben geleid tot beperkingen in het gebruik van deze stof(11);

J.  overwegende dat de toepassing van de complementaire herbiciden tot de gangbare landbouwpraktijken behoort bij de teelt van herbicideresistente gewassen en dat daarom kan worden verwacht dat de oogst steeds sporen zal bevatten van residuen die afkomstig zijn van besproeiing en dat deze hiervan een onvermijdelijk bestanddeel zullen uitmaken; overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente ggo's meer van dit soort complementaire herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers(12);

K.  overwegende dat de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden niet zijn opgenomen in de beoordeling van de EFSA; overwegende dat derhalve niet kan worden geconcludeerd dat genetisch gemanipuleerde soja die wordt besproeid met isoxaflutool, glyfosaat en glufosinaat veilig is voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders;

L.  overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat in wetenschappelijke publicaties meer dan 20 verschillende varianten van glyfosaatresistent onkruid zijn gedocumenteerd(13); overwegende dat glufosinaatresistent onkruid sinds 2009 wordt waargenomen;

M.  overwegende dat de stemming op 17 juli 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 "geen advies" heeft opgeleverd; overwegende dat 15 lidstaten tegen stemden en slechts 10 lidstaten, die nauwelijks 38,43 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl drie lidstaten zich van stemming onthielden;

N.  overwegende dat bij de stemming op 14 september 2017 van het comité van beroep evenmin een advies is uitgebracht; overwegende dat 15 lidstaten tegen stemden en slechts 11 lidstaten, die nauwelijks 38,69 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl twee lidstaten zich van stemming onthielden;

O.  overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit – bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel – de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld(14);

P.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing heeft verworpen(15) en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

Q.  overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, omdat het niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(16) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

6.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten die resistent zijn gemaakt tegen een combinatie van herbiciden, zoals in het geval van soja FG72 × A5547-127, zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de specifieke cumulatieve effecten van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de combinatie van complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.  verzoekt de Commissie ervoor te pleiten dat er veel nauwkeuriger wordt getest welke gezondheidsrisico's modificaties met meerdere transformatiestappen zoals soja FG72 × A5547-127 met zich meebrengen;

8.  verzoekt de Commissie strategieën uit te werken voor de beoordeling van gezondheidsrisico's en voor toxicologie, alsook voor toezicht na het in de handel brengen, gericht op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen;

9.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van de complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten, ongeacht of de genetisch gemodificeerde plant bestemd is voor teelt in de Unie of voor invoer als levensmiddelen en diervoeders;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4744
(4)––––––––––––––– – Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × T25 (P8_TA(2015)0456).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).Resolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde maïs DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).
(5) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4744
(6) Bijlage G – Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-01032
(7) http://www.testbiotech.org/en/node/1975
(8) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/404 van de Commissie van 11 maart 2015 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen beflubutamide, captan, dimethoaat, dimethomorf, ethoprofos, fipronil, folpet, formetanaat, glufosinaat, methiocarb, metribuzin, fosmet, pirimifos-methyl en propamocarb (PB L 67 van 12.3.2015, blz. 6).
(10) https://a816-healthpsi.nyc.gov/ll37/pdf/carcclassJuly2004_1.pdf
(11) Bijlage G – Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 27. http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2013-01032
(12) https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7
(13) https://link.springer.com/chapter/10.1007/978-94-007-7796-5_12
(14) Zie onder meer zijn openingstoespraak voor de plenaire vergadering van het Parlement, opgenomen in de beleidslijnen voor de volgende Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.
(16) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6
PDF 294kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051971 – 2017/2878(RSP))
P8_TA(2017)0378B8-0541/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (D051971),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(1), en met name artikel 7, lid 3, artikel 9, lid 2, artikel 19, lid 3, en artikel 21, lid 2,

–  gezien de stemming van 17 juli 2017 in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003, die geen advies heeft opgeleverd,

–  gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(2),

–  gezien het advies dat op 17 februari 2017 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) werd goedgekeurd en op 21 maart 2017 werd gepubliceerd(3),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (COM(2017)0085, 2017/0035(COD)),

–  gezien zijn eerdere resoluties waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het verlenen van vergunningen voor genetisch gemanipuleerde organismen(4),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Dow Agrosciences LLC en MS Technologies LLC op 16 februari 2012 bij de nationale bevoegde instantie van Nederland een aanvraag hebben ingediend om levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6 in de handel te brengen, overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003; overwegende dat deze aanvraag ook betrekking had op het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde soja DAS-44406-6 in producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan en bestemd zijn voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder die ook voor andere sojasoorten zijn toegelaten, met uitzondering van de teelt;

B.  overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 17 februari 2017 overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies heeft uitgebracht, dat op 21 maart 2017 is gepubliceerd(5);

C.  overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1829/2003 wordt bepaald dat genetisch gemodificeerde levensmiddelen of diervoeders geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu mogen hebben en wordt vereist dat de Commissie bij het opstellen van haar besluit alle desbetreffende bepalingen van het Unierecht en andere ter zake dienende factoren in aanmerking neemt;

D.  overwegende dat de lidstaten gedurende de overlegperiode van drie maanden talrijke kritische commentaren hebben ingediend(6); overwegende dat in de meest kritische commentaren onder meer wordt opgemerkt dat "de huidige aanvraag en de in het kader van de risicobeoordeling voorgelegde gegevens onvoldoende informatie bevatten om negatieve effecten op de diergezondheid en de menselijke gezondheid zonder meer uit te sluiten"(7), dat "de informatie over fenotypische evaluatie, samenstelling en toxicologie niet volstaat"(8) en dat de bevoegde autoriteit "het noodzakelijk acht de concentratie van glyfosaat, 2,4-D, glufosinaat en hun afbraakproducten in zaden en gewassen die zowel voor menselijke voeding als voor diervoeding zullen worden gebruikt, te evalueren, teneinde eventuele schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mensen en dieren uit te sluiten"(9);

E.  overwegende dat in een onafhankelijke studie wordt geconcludeerd dat "de risicobeoordeling van de EFSA onaanvaardbaar is in de huidige hoedanigheid, aangezien er nergens sprake is van kennislacunes en -onzekerheden en wordt nagelaten een beoordeling te verrichten van de toxiciteit of de effecten op het immuunsysteem en het voortplantingssysteem"; overwegende dat er in dezelfde studie voor gepleit wordt het monitoringplan af te wijzen "omdat het geen essentiële gegevens beschikbaar zal maken"(10);

F.  overwegende dat soja DAS-44406-6 5-enolpyruvylshikimaat-3-fosfaatsynthase (2mEPSPS) tot expressie brengt, dat tolerantie geeft voor glyfosaatherbiciden, alsook aryloxyalkanoaat dioxygenase (AAD-12), dat tolerantie geeft voor 2,4-dichlorofenoxyazijnzuur (2,4-D) en andere gerelateerde fenoxyherbiciden, en fosfinotricineacetyltransferase (PAT), dat tolerantie geeft voor glufosinaat-ammoniumherbiciden;

G.  overwegende dat de huidige vergunning van glyfosaat ten laatste op 31 december 2017 afloopt; overwegende dat er nog geen uitsluitsel bestaat over de carcinogeniteit van glyfosaat; overwegende dat de EFSA in november 2015 tot de conclusie is gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat deze stof kankerverwekkend zou zijn en dat het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in maart 2017 heeft besloten dat het niet gerechtvaardigd is de stof als zodanig in te delen; overwegende dat het Internationaal Agentschap voor Onderzoek naar Kanker (IARC) van de WHO daarentegen glyfosaat in 2015 heeft ingedeeld als waarschijnlijk kankerverwekkend voor mensen;

H.  overwegende dat in onafhankelijk onderzoek bezorgdheid wordt geuit over de risico's van de werkzame stof van 2,4-D in verband met embryo-ontwikkeling, geboorteafwijkingen en hormoonontregeling(11); overwegende dat de goedkeuring voor de werkzame stof 2,4-D in 2015 weliswaar is verlengd, maar dat de aanvrager nog geen gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de potentiële endocriene eigenschappen van de stof(12);

I.  overwegende dat glufosinaat is ingedeeld bij de stoffen die toxisch zijn ten aanzien van de voortplanting en dus onder de uitsluitingscriteria valt van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(13); overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat op 31 juli 2018 afloopt(14);

J.  overwegende dat enkele deskundigen hun bezorgdheid hebben uitgesproken over 2,4-dichloorfenol, een afbraakproduct van 2,4-D, dat mogelijk aanwezig is op ingevoerde soja DAS-44406-4; overwegende dat 2,4-dichloorfenol een gekende hormoonontregelaar met voortplantingstoxiciteit is;

K.  overwegende dat 2,4-dichloorfenol, een directe metaboliet van 2,4-D, mogelijk toxischer is dan de herbicide zelf; overwegende dat 2,4-dichloorfenol ingedeeld wordt bij de carcinogenen van groep 2B van de IARC, en opgenomen is op de lijst van chemische producten die werd uitgewerkt met het oog op herziening in het kader van de EU-strategie tegen hormoonontregelaars(15);

L.  overwegende dat 2,4-dichloorfenol gemakkelijk oplosbaar is in vetten en oliën en dat de stof zich daarom naar verwachting zal ophopen in sojaolie bij de verwerking van sojabonen; overwegende dat sojaolie het meest door mensen gebruikte sojaproduct is en onder meer deel uitmaakt van een aantal soorten volledige zuigelingenvoeding(16);

M.  overwegende dat de hoeveelheid 2,4-dichloorfenol in een product groter kan zijn dan de hoeveelheid 2,4-D-residu; overwegende dat er voor 2,4-dichloorfenol geen door de Unie vastgesteld maximumresidugehalte (MRL) bestaat;

N.  overwegende dat de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden niet zijn opgenomen in de beoordeling; overwegende dat derhalve niet kan worden geconcludeerd dat genetisch gemanipuleerde soja die wordt besproeid met 2,4-D, glyfosaat en glufosinaat veilig is voor gebruik in levensmiddelen en diervoeders;

O.  overwegende dat de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen die tolerantie geven voor verschillende selectieve herbiciden vooral te wijten is aan de snelle ontwikkeling van onkruidresistentie tegen glyfosaat in landen die sterk hebben ingezet op genetisch gemodificeerde gewassen; overwegende dat in wetenschappelijke publicaties meer dan twintig verschillende varianten van glyfosaatresistent onkruid zijn gedocumenteerd(17); overwegende dat glufosinaatresistent onkruid sinds 2009 wordt waargenomen;

P.  overwegende dat een vergunning voor het invoeren van soja DAS-44406-6 in de Unie ongetwijfeld zal leiden tot een toename van de teelt van dit gewas in derde landen, en als gevolg daarvan tot een toename van het gebruik van herbiciden op basis van 2,4-D en glufosinaat; overwegende dat soja DAS-44406-6 momenteel geteeld wordt in Argentinië, Brazilië, de VS en Canada;

Q.  overwegende dat de Unie de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) heeft onderschreven, die onder meer een engagement inhouden om het aantal overlijdens en ziekten als gevolg van gevaarlijke chemische stoffen en lucht-, water- en bodemverontreiniging en -vervuiling tegen 2030 aanzienlijk terug te dringen (SDG 3, doelstelling 3.9)(18); overwegende dat is aangetoond dat voor herbicideresistente ggo's meer van dit soort herbiciden worden gebruikt dan voor hun conventionele tegenhangers(19);

R.  overwegende dat de Unie vasthoudt aan het concept van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat erop gericht is tegenstrijdigheden in het Uniebeleid tot een minimum te beperken en synergieën te creëren tussen de verschillende beleidsdomeinen van de Unie, onder meer op het gebied van handel, milieu en landbouw(20), zodat het beleid ten goede komt aan ontwikkelingslanden en de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking vergroot(21);

S.  overwegende dat de stemming op 17 juli 2017 van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 "geen advies" heeft opgeleverd; overwegende dat 15 lidstaten tegen stemden en slechts 10 lidstaten, die nauwelijks 38,43 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl drie lidstaten zich van stemming onthielden;

T.  overwegende dat bij de stemming op 14 september 2017 van het comité van beroep evenmin een advies is uitgebracht; overwegende dat 14 lidstaten tegen stemden en slechts 12 lidstaten, die nauwelijks 38,78 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, vóór stemden, terwijl twee lidstaten zich van stemming onthielden;

U.  overwegende dat de Commissie meermaals haar ongenoegen heeft laten blijken over het feit dat ze sinds de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1829/2003 vergunningsbesluiten heeft moeten vaststellen die niet werden gesteund door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en dat de terugzending van het dossier naar de Commissie voor het nemen van een definitief besluit – bedoeld als uitzondering voor de procedure in zijn geheel – de norm is geworden bij de besluitvorming over vergunningen betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; overwegende dat ook Commissievoorzitter Juncker deze praktijk heeft afgekeurd en als ondemocratisch heeft bestempeld(22);

V.  overwegende dat het Parlement het wetgevingsvoorstel van 22 april 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1829/2003 op 28 oktober 2015 in eerste lezing(23) heeft verworpen en de Commissie heeft verzocht het voorstel in te trekken en een nieuw voorstel in te dienen;

W.  overwegende dat in overweging 14 van Verordening (EU) nr. 182/2011 wordt gesteld dat de Commissie zoveel mogelijk dusdanig moet handelen dat wordt voorkomen dat wordt ingegaan tegen een eventueel meerderheidsstandpunt binnen het comité van beroep dat afwijzend staat tegenover de gepastheid van een uitvoeringshandeling, met name op gevoelige terreinen zoals gezondheid van de consument, voedselveiligheid en het milieu;

1.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1829/2003;

2.  is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie niet in overeenstemming is met het recht van de Unie, en niet verenigbaar is met het doel van Verordening (EG) nr. 1829/2003 om overeenkomstig de algemene beginselen die in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(24) zijn vastgesteld de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken;

4.  verzoekt de Commissie elk uitvoeringsbesluit met betrekking tot vergunningsaanvragen voor genetisch gemodificeerde organismen op te schorten totdat de vergunningsprocedure zodanig is herzien dat de tekortkomingen van de huidige procedure, die inadequaat is gebleken, zijn weggewerkt;

5.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

6.  verzoekt de Commissie geen enkele vergunning te verlenen voor herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten die resistent zijn gemaakt tegen een combinatie van herbiciden, zoals in het geval van soja DAS-44406-6, zonder dat er een volledige beoordeling is verricht van de specifieke cumulatieve effecten van de residuen die afkomstig zijn van besproeiing met de combinatie van complementaire herbiciden en hun commerciële toepassingen in de landen waar ze worden geteeld;

7.  verzoekt de Commissie strategieën uit te werken voor de beoordeling van gezondheidsrisico's en voor toxicologie, alsook voor toezicht na het in de handel brengen, gericht op de volledige levensmiddelen- en diervoederketen;

8.  verzoekt de Commissie de risicobeoordeling van de toepassing van de complementaire herbiciden en hun residuen volledig op te nemen in de risicobeoordeling van herbicideresistente genetisch gemodificeerde planten, ongeacht of de genetisch gemodificeerde plant bestemd is voor teelt in de Unie of voor invoer als levensmiddelen en diervoeders;

9.  verzoekt de Commissie te voldoen aan de verplichting inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling die voortvloeit uit artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(2) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(3) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4738
(4)––––––––––––––– – Resolutie van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (PB C 482 van 23.12.2016, blz. 110).Resolutie van 16 december 2015 over Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2279 van de Commissie van 4 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde maïs NK603 × T25 (P8_TA(2015)0456).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87705 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0040).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja MON 87708 × MON 89788 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0039).Resolutie van 3 februari 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja FG72 (MST-FGØ72-2) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0038).Resolutie van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × MIR604 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee of drie van de "events" Bt11, MIR162, MIR604 en GA21 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0271).Resolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen van een genetisch gemodificeerde anjer (Dianthus caryophyllus L., lijn SHD-27531-4) (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0272).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit betreffende de verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0388).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten van genetisch gemodificeerde maïs MON 810 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0389).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor aanplanting van zaad van genetisch gemodificeerde mais Bt11 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0386).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt van zaden van genetisch gemodificeerde mais 1507 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0387).Resolutie van 6 oktober 2016 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen 281-24-236 × 3006-210-23 × MON 88913 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0390).Resolutie van 5 april 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais Bt11 × 59122 × MIR604 × 1507 × GA21, en genetisch gemodificeerde maissoorten die bestaan uit een combinatie van twee, drie of vier van de events Bt11, 59122, MIR604, 1507 en GA21, ingevolge Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0123).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde maïs DAS-40278-9, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0215).Resolutie van 17 mei 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerd katoen GHB119 (BCS-GHØØ5-8) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0214).Resolutie van 13 september 2017 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja DAS-68416-4, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0341).
(5) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/4738
(6) Bijlage G – Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel: http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2012-00368
(7) Bijlage G - Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 1.
(8) Bijlage G - Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 52.
(9) Bijlage G - Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 87.
(10) http://www.testbiotech.org/node/1946
(11) http://www.pan-europe.info/sites/pan-europe.info/files/public/resources/reports/pane-2014-risks-of-herbicide-2-4-d.pdf
(12) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2033 van de Commissie van 13 november 2015 tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof 2,4-D overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB L 298 van 14.11.2015, blz. 8).
(13) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(14) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/404 van de Commissie van 11 maart 2015 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen beflubutamide, captan, dimethoaat, dimethomorf, ethoprofos, fipronil, folpet, formetanaat, glufosinaat, methiocarb, metribuzin, fosmet, pirimifos-methyl en propamocarb (PB L 67 van 12.3.2015, blz. 6).
(15) Bijlage G - Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel, blz. 5. http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2012-00368
(16) Opmerkingen van de lidstaten en antwoorden van het ggo-panel in reactie op de aanvraag tot een vergunning voor ggo-soja DAS-68416-4, blz. 31. http://registerofquestions.efsa.europa.eu/roqFrontend/questionLoader?question=EFSA-Q-2011-00052
(17) https://link.springer.com/chapter/10.1007/978-94-007-7796-5_12
(18) https://sustainabledevelopment.un.org/sdg3
(19) https://link.springer.com/article/10.1007%2Fs00267-015-0589-7
(20) Mededeling van de Commissie van 12 april 2005 getiteld "Samenhang in het ontwikkelingsbeleid – Sneller vorderingen boeken om de millenniumdoelstellingen voor de ontwikkeling te bereiken" (COM(2005)0134).
(21) https://ec.europa.eu/europeaid/policies/policy-coherence-development_en
(22) Zie onder meer zijn openingstoespraak voor de plenaire vergadering van het Parlement, opgenomen in de beleidslijnen voor de volgende Commissie (Straatsburg, 15 juli 2014) of zijn State of the Union van 2016 (Straatsburg, 14 september 2016).
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0379.
(24) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.


Uitbanning van kindhuwelijken
PDF 180kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over de uitbanning van kindhuwelijken (2017/2663(RSP))
P8_TA(2017)0379B8-0535/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en met name artikel 16 daarvan, en alle andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de Verenigde Naties (VN),

–  gezien het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 door de Algemene Vergadering van de VN werd aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(1),

–  gezien artikel 16 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien artikel 10, punt 1, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name artikel 9,

–  gezien het gezamenlijk werkdocument, getiteld "Gender Equality and Women’s Empowerment: Transforming the Lives of Girls and Women through EU External Relations 2016-2020",

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 inzake het genderactieplan 2016‑2020,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019,

–  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind (2017) - Geen kind aan zijn lot overlaten,

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling, waarin het voornemen van de EU om de mensenrechten en gendergelijkheid in haar beleid centraal te stellen, in overeenstemming met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, wordt benadrukt,

–  gezien artikel 32, artikel 37 en artikel 59, lid 4, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien het rapport van het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA), getiteld "Marrying Too Young - End Child Marriage", uit 2012,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de rechten van het kind te beschermen en dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken een schending zijn van deze rechten; overwegende dat de EU zich ertoe heeft verbonden de rechten van het kind in haar buitenlands beleid in volle omvang te beschermen en te bevorderen, in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de facultatieve protocollen daarbij en andere internationale normen en verdragen op dit gebied;

B.  overwegende dat in het internationaal recht inzake de mensenrechten erkend wordt dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken schadelijke praktijken zijn, die vaak gepaard gaan met ernstige vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, waaronder geweld binnen het gezin;

C.  overwegende dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken desastreuze gevolgen hebben voor de mogelijkheden van vrouwen en meisjes om hun rechten uit te oefenen en voor de gezondheid van meisjes, en dat bijvoorbeeld het gevaar van zwangerschappen met complicaties of besmetting met hiv groot is; overwegende dat meisjes die in deze situatie verkeren een groot gevaar lopen het slachtoffer te worden van seksueel misbruik, huiselijk geweld of zelfs eermoord;

D.  overwegende dat de herinvoering en uitbreiding van de werkingssfeer van de zogeheten "global gag rule", die financiering verbiedt van organisaties, zoals het Bevolkingsfonds van de VN, die anticonceptie verstrekken en voorlichting geven aan vrouwelijke slachtoffers van kindhuwelijken om de kans op hiv-besmetting en complicaties bij zwangerschappen op jonge leeftijd te verminderen, reden is tot grote zorg;

E.  overwegende dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken fundamenteel in strijd zijn met het recht van vrouwen en meisjes op zeggenschap over het eigen lichaam en lichamelijke integriteit;

F.  overwegende dat kindhuwelijken een vorm van gedwongen huwelijken zijn, omdat kinderen vanwege hun leeftijd per definitie niet in staat zijn om volledig, vrij en geïnformeerd met hun huwelijk en het tijdstip waarop dat voltrokken wordt in te stemmen;

G.  overwegende dat één op de drie meisjes in ontwikkelingslanden voor haar achttiende verjaardag in het huwelijk treedt, en één op de negen zelfs voor haar vijftiende verjaardag; overwegende dat meisjes het grootste risico lopen (82 % van de slachtoffers van kindhuwelijken is een meisje);

H.  overwegende dat de sociale druk op kindbruiden om hun vruchtbaarheid te bewijzen enorm is, waardoor het gevaar groot is dat zij jong en frequent zwanger raken; overwegende dat complicaties tijdens de zwangerschap of bij de bevalling in landen met lage en middellage inkomens de belangrijkste doodsoorzaak is bij meisjes in de leeftijdscategorie 15-19 jaar;

I.  overwegende dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken samengaan met hoge moedersterftecijfers, ongewenste zwangerschappen en een geringer gebruik van anticonceptie, en meestal het einde betekenen van de schoolcarrière van meisjes; overwegende dat het uitbannen van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken expliciet genoemd wordt in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 5 - doelstelling 5.3) en dat duidelijk gesteld wordt dat dergelijke huwelijken in de weg staan aan gendergelijkheid en emancipatie van vrouwen;

J.  overwegende dat de uitbanning van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken een van de prioriteiten is van het buitenlands beleid van de EU op het gebied van de bevordering van vrouwenrechten en mensenrechten;

K.  overwegende dat meer dan 60 % van de kindbruiden in ontwikkelingslanden geen formeel onderwijs heeft genoten, hetgeen een vorm van genderdiscriminatie is, en dat kinderen in de schoolleeftijd door kindhuwelijken niet het onderwijs kunnen volgen dat zij nodig hebben voor hun persoonlijke ontwikkeling, als voorbereiding op volwassenheid en om een rol te kunnen spelen binnen hun eigen gemeenschap;

L.  overwegende dat dit probleem zich niet alleen voordoet in derde landen, maar ook in EU-lidstaten;

M.  overwegende dat de EU onlangs heeft besloten het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) te ondertekenen;

N.  overwegende dat gedwongen huwelijken in het Verdrag van Istanbul worden aangemerkt als vorm van geweld tegen vrouwen en dat dit verdrag verlangt dat het dwingen van een kind tot het aangaan van een huwelijk en het lokken van een kind naar het buitenland met het oogmerk dat kind te dwingen tot het aangaan van een huwelijk strafbaar worden gesteld;

O.  overwegende dat er op nationaal, Europees en internationaal niveau weinig statistische gegevens beschikbaar zijn om de omvang van het probleem van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken in de EU aan te tonen(2);

P.  overwegende dat in de huidige migratiecrisis nieuwe gevallen van in het buitenland gesloten kindhuwelijken aan het licht zijn gekomen, waarbij het in sommige gevallen ging om kinderen onder de 14 jaar;

Q.  overwegende dat kinderen die trouwen voordat ze 18 zijn veel vaker hun opleiding afbreken en in armoede vervallen;

R.  overwegende dat kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken vaker voorkomen in landen waar gewapende conflicten zijn of de situatie instabiel is;

1.  wijst nogmaals op het belang van een benadering waarbij prioriteit wordt verleend aan alle mensenrechten en gendergelijkheid, en herinnert eraan dat de EU in dit kader voorvechter blijft van de bevordering, bescherming en volledige ontplooiing van alle mensenrechten en van de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van het actieprogramma van Peking, het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), het Verdrag van Istanbul en het EU-actieplan over gendergelijkheid en versterking van de positie van vrouwen;

2.  wijst erop dat het dwingen van een kind tot het aangaan van een huwelijk in strijd is met de rechten van het kind en aangemerkt moet worden als vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes; benadrukt dat kindhuwelijken derhalve veroordeeld moeten worden;

3.  verlangt dat de EU en de lidstaten de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling verwezenlijken, zich actiever inzetten voor de bestrijding van schadelijke praktijken en de personen die zich schuldig maken aan dergelijke handelingen ter verantwoording roepen; verzoekt de EU en de lidstaten om, in samenwerking met VN-Vrouwen, het Kinderfonds van de Verenigde Naties, het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties en andere partners, het onderwerp kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken onder de aandacht te brengen door meer aandacht te vragen voor de positie van vrouwen, onder meer door middel van onderwijs, versterking van de economische positie van vrouwen en een grotere deelname van vrouwen aan besluitvormingsprocessen, en voor de bescherming en bevordering van de fundamentele rechten van alle vrouwen en meisjes, waaronder het recht op seksuele en reproductieve gezondheid;

4.  verzoekt de EU en de lidstaten om de toegang van vrouwen en kindbruiden tot gezondheidsdiensten, waaronder diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, te verbeteren;

5.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid om het verschijnsel kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken aan te pakken en terug te dringen en daarvoor gebruik te maken van alle beschikbare middelen en door beleid, programma's en wetgeving te ontwikkelen, bijvoorbeeld in de vorm van een politieke dialoog, mensenrechtendialogen, bilaterale en multilaterale samenwerking en gebruikmaking van de strategie "handel voor iedereen", GSP+ en andere instrumenten;

6.  verzoekt de EU en de lidstaten om, onder meer met het oog op de ratificering van het Verdrag van Istanbul door de EU, met betrekking tot de aanpak van kindhuwelijken uniforme juridische normen toe te passen;

7.  verzoekt de EU en de lidstaten om samen te werken met rechtshandhavingsinstanties en het gerechtelijk apparaat in derde landen, en scholing en technische ondersteuning te bieden om deze landen te helpen wetgeving vast te stellen en te handhaven waarin het aangaan van een huwelijk op jonge leeftijd en het dwingen van personen tot het aangaan van een huwelijk wordt verboden en waarin een minimumleeftijd is opgenomen waarop een huwelijk mag worden aangegaan;

8.  benadrukt dat het belangrijk is dat er bijzondere maatregelen worden genomen, gericht op de rehabilitatie en ondersteuning van kindbruiden, om ervoor te zorgen dat kindbruiden weer onderwijs of scholing kunnen gaan volgen en de druk van het gezin of de maatschappelijke druk ten gevolge van het feit dat zij jong getrouwd zijn kunnen weerstaan;

9.  benadrukt dat er financiële middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor programma's ter preventie van kindhuwelijken, die erop gericht zijn een omgeving te creëren waarin meisjes zich volledig kunnen ontplooien, onder meer door middel van scholing, maatschappelijke en economische programma's voor niet-schoolgaande meisjes, kinderbeschermingsregelingen, opvanghuizen voor meisjes en vrouwen, juridisch advies en psychologische ondersteuning;

10.  is ingenomen met de projecten die ontwikkeld zijn in het kader van het Daphne-programma en die gericht zijn op de ondersteuning van slachtoffers en de preventie van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken; is van oordeel dat deze projecten versterkt moeten worden en passende financiering moeten krijgen;

11.  vindt dat er bijzondere aandacht moet uitgaan naar kinderen uit achtergestelde gemeenschappen en wijst erop het probleem bij deze groep kinderen aangepakt kan worden door middel van voorlichting en onderwijs en versterking van de economische positie;

12.  benadrukt dat er bijzondere procedures moeten worden ontwikkeld en ingevoerd om de bescherming van minderjarige vluchtelingen en asielzoekers te waarborgen, in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind; dringt er bij de landen die vluchtelingen opvangen op aan de toegang van minderjarige vluchtelingen tot onderwijs te garanderen en hun integratie en opname in nationale onderwijsstelsels zo veel mogelijk te bevorderen;

13.  dringt aan op de invoering van speciale procedures in opvangcentra voor vluchtelingen en asielzoekers, om kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken op te sporen en de slachtoffers ervan ondersteuning te bieden;

14.  pleit voor goede en geharmoniseerde monitoring op het gebied van kindhuwelijken in de lidstaten van de EU, en wijst erop dat het verzamelen van naar geslacht uitgesplitste gegevens belangrijk is om de omvang van het probleem beter te kunnen beoordelen;

15.  wijst op de grote discrepantie tussen het aantal officieel geregistreerde gevallen en het aantal potentiële slachtoffers dat om hulp vraagt, en dat erop wijst dat veel kindhuwelijken door de autoriteiten niet worden opgemerkt; dringt erop aan dat maatschappelijk werkers, leraren en andere personen die contact hebben met potentiële slachtoffers speciale training en richtsnoeren krijgen, om slachtoffers te kunnen herkennen en de procedures in gang te zetten om ze hulp te bieden;

16.  dringt aan op versterking van speciale projecten en campagnes die deel uit maken van het extern beleid van de EU ter bestrijding van kindhuwelijken, huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken; benadrukt dat er speciale aandacht moet uitgaan naar bewustmakingscampagnes en campagnes die gericht zijn op onderwijs en verbetering van de positie van vrouwen en meisjes in de uitbreidingslanden en de nabuurschapslanden;

17.  wijst erop dat de EU derde landen moet steunen en aansporen om ervoor te zorgen dat het maatschappelijk middenveld een rol kan spelen en dat kinderen die het slachtoffer zijn van een kindhuwelijk, huwelijk op jonge leeftijd of een gedwongen huwelijk en de personen die namens deze kinderen optreden op kindvriendelijke wijze toegang hebben tot de rechter;

18.  benadrukt dat er in het kader van humanitaire hulpprogramma's projecten gefinancierd moeten worden die gericht zijn op de bestrijding van gendergerelateerd geweld en onderwijs in noodsituaties, om de druk op kinderen die het slachtoffer zijn van een kindhuwelijk, huwelijk op jonge leeftijd of een gedwongen huwelijk te verlichten;

19.  wijst erop dat de risicofactoren voor kindhuwelijken in humanitaire crises in kaart gebracht moeten worden en dat adolescente meisjes daarbij betrokken moeten worden en dat steunverlening aan getrouwde meisjes al bij het ontstaan van een crisissituatie deel moet uitmaken van de humanitaire hulp;

20.  veroordeelt krachtig de herinvoering en uitbreiding van de werkingssfeer van de zogeheten "global gag rule" en betreurt de gevolgen daarvan voor de algehele gezondheidszorg voor en de rechten van vrouwen en meisjes; herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om het financieringstekort op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten ten gevolge van deze maatregel van de VS te verhelpen en daarvoor zowel nationale middelen als EU-ontwikkelingsfinanciering vrij te maken;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 289 van 9.8.2016, blz. 57.
(2) http://fileserver.wave-network.org/home/ForceEarlyMarriageRoadmap.pdf


VN-Klimaatconferentie 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)
PDF 332kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) (2017/2620(RSP))
P8_TA(2017)0380B8-0534/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, Besluit 1/CP.21 en de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het UNFCCC, en de 11e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs hebben plaatsgevonden,

–  gezien de 18e Conferentie van de Partijen (COP18) bij het UNFCCC en de 8e Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP8), die van 26 november t/m 8 december 2012 in Doha, Qatar, hebben plaatsgevonden, en de goedkeuring van een amendement op het protocol met daarin een tweede verbintenisperiode in het kader van dat protocol, die is ingegaan op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020,

–  gezien de openstelling voor ondertekening van de Overeenkomst van Parijs in het VN-hoofdkwartier in New York op 22 april 2016, en gezien het feit dat deze openstelling op 21 april 2017 is beëindigd, dat 195 landen de Overeenkomst van Parijs hebben ondertekend en dat 160 landen akten van bekrachtiging hebben neergelegd,

–  gezien de 22e Conferentie van de Partijen (COP22) bij het UNFCCC en de 1e Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert (CMA1), die van 15 november t/m 18 november 2016 in Marrakesh, Marokko, hebben plaatsgevonden,

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP22)(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 getiteld "Een snellere overgang van Europa naar een koolstofarme economie" (COM(2016)0500),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "EUROPA 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 15 februari 2016, 30 september 2016 en 23 juni 2017,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017,

–  gezien de voorgenomen nationaal bepaalde bijdrage (INDC) van de EU en haar lidstaten, die op 6 maart 2015 door Letland en de Europese Commissie namens de Europese Unie en haar lidstaten bij het UFCCC is ingediend,

–  gezien het vijfde evaluatierapport (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag hiervan,

–  gezien het samenvattend verslag van het Milieuprogramma van de VN (UNEP) van november 2016 getiteld "The Emissions Gap Report 2016" (Rapport over de emissiekloof 2016) en het UNEP-rapport van 2016 over de aanpassingskloof,

–  gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 7 tot en met 8 juni 2015 in Schloss Elmau, Duitsland, getiteld "Think ahead. Act together" (Vooruitdenken. Samen handelen), waarin zij herhaalden zich te willen houden aan hun verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 40 à 70 % te verminderen ten opzichte van 2010, waarbij de reductie eerder in de richting van 70 % dan 40 % moet gaan,

–  gezien het communiqué van de G7-leiders van 2017 en met name het communiqué van de ministers van Milieu van de G7 van Bologna,

–  gezien de mededeling van de president van de Verenigde Staten over de uitstap uit de Overeenkomst van Parijs,

–  gezien de encycliek van paus Franciscus getiteld Laudato Si',

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de Conferentie van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23) (O‑000068/2017 – B8‑0329/2017 en O‑000069/2017 – B8-0330/2017),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden en dat 160 van de 197 partijen bij het UNFCCC hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hebben ingediend (per vrijdag 8 september 2017);

B.  overwegende dat het voorstel van juli 2015 over de hervorming van het emissiehandelssysteem (ETS) en het klimaatpakket van juli 2016 (waarin voorstellen inzake verdeling van de inspanningen, inzake landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) en een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit aan bod komen) de belangrijkste instrumenten zijn om deze verbintenissen na te komen en de positie van de EU als wereldleider in de strijd tegen de klimaatverandering opnieuw te bekrachtigen;

C.  overwegende dat de inspanningen om de opwarming van de aarde te beperken niet mogen worden gezien als een obstakel voor het streven naar economische groei, maar integendeel moeten worden gezien als een hefboom voor het realiseren van nieuwe en duurzame groei en werkgelegenheid;

D.  overwegende dat de gevolgen van de klimaatverandering harder zullen worden gevoeld in ontwikkelingslanden, in het bijzonder in de minst ontwikkelde landen en in kleine insulaire ontwikkelingslanden die niet voldoende middelen hebben om zich voor te bereiden op en zich aan te passen aan de veranderingen die plaatsvinden; overwegende dat Afrika volgens de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) bijzonder kwetsbaar is ten aanzien van deze uitdaging en in het bijzonder wordt blootgesteld aan waterstress, uiterst gewelddadige meteorologische fenomenen en voedselonzekerheid ten gevolge van droogte en woestijnvorming;

E.  overwegende dat klimaatverandering de concurrentie met betrekking tot hulpbronnen zoals voedsel, water en weilanden kan vergroten, economische tegenspoed en politieke instabiliteit in de hand kan werken en in de niet al te verre toekomst zou kunnen uitgroeien tot de grootste drijfveer voor volksverhuizingen, zowel binnen als buiten nationale grenzen; overwegende dat het in dit verband belangrijk is de kwestie van klimaatgedreven migratie bovenaan op de internationale agenda te plaatsen;

F.  overwegende dat de EU op 6 maart 2015 de INDC van de EU en haar lidstaten heeft ingediend bij het UNFCCC en hierin verklaart zich te willen inzetten voor een bindend streefcijfer van ten minste 40 % interne reductie van de broeikasgasemissies tegen 2030 ten opzichte van het niveau van 1990;

G.  overwegende dat een ambitieus beleid inzake beperking van klimaatverandering kansen biedt voor groei en werkgelegenheid; overwegende dat er in specifieke sectoren met een hoge koolstofintensiteit en een hoge handelsintensiteit echter sprake kan zijn van koolstoflekkage als op andere markten geen vergelijkbare ambitie aan de dag wordt gelegd; overwegende dat een passende bescherming tegen koolstoflekkage dan ook noodzakelijk is om de werkgelegenheid in deze specifieke sectoren veilig te stellen;

1.  herinnert eraan dat de klimaatverandering een van de belangrijkste uitdagingen voor de mensheid is en dat alle landen en alle actoren wereldwijd hun uiterste best moeten doen om de problemen die hieruit voortvloeien te beperken; onderstreept dat de Overeenkomst van Parijs een belangrijke stap in die richting is, hoewel het werk hiermee verre van af is;

Wetenschappelijke basis voor klimaatactie

2.  herinnert eraan dat in het AR5 van de IPCC van 2014 wetenschappelijk is aangetoond dat de opwarming van het klimaatsysteem onmiskenbaar is, dat klimaatverandering plaatsvindt en dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn geweest van de opwarming die sinds het midden van de 20e eeuw is waargenomen; toont zich bezorgd over het feit dat wijdverspreide en aanzienlijke effecten van de klimaatverandering reeds duidelijk waarneembaar zijn in natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in alle oceanen;

3.  neemt nota van de wereldwijde koolstofbudgetten die in het AR5 van de IPCC naar voren worden geschoven en stelt vast dat als het huidige niveau van wereldwijde broeikasgasemissies wordt voortgezet, het resterende koolstofbudget dat overeenkomt met de beperking van de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging tot 1,5 °C binnen de komende vier jaar zal worden opgebruikt; benadrukt dat alle landen de in de overeenkomst van Parijs overeengekomen transitie naar een nulniveau van broeikasgasemissies en naar klimaatbestendigheid moeten versnellen om de ergste gevolgen van de opwarming van de aarde te voorkomen;

4.  wijst er nogmaals op hoe belangrijk het is wereldwijde klimaatactie te baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, en is ingenomen met de faciliterende dialoog in 2018, die plaatsvindt voor het verstrijken van de in het UNFCCC bepaalde uiterste termijn van 2020 voor de herindiening van de nationaal bepaalde bijdragen (NDC's) voor 2030, en met de eerste algemene inventarisatie in 2023, als gelegenheden om dit beginsel in de praktijk te brengen;

5.  pleit voor dialoog tussen deskundigen van de IPCC en partijen bij het opstellen en publiceren van de resultaten van de zesde evaluatiecyclus; is in dit verband verheugd over het besluit om in 2018 een speciaal IPCC-verslag te publiceren over de gevolgen van de opwarming van de aarde met 1,5 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus en de daarmee verband houdende mondiale broeikasgasemissietrajecten;

Ratificatie van de Overeenkomst van Parijs en uitvoering van de toezeggingen

6.  is verheugd over de ongekend snelle ratificatie en de snelle inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs en over de in de "Marrakesh Action Proclamation" geuite wereldwijde vastberadenheid om de overeenkomst volledig en spoedig ten uitvoer te leggen; dringt er bij alle partijen op aan de overeenkomst zo snel mogelijk te ratificeren;

7.  spreekt zijn tevredenheid uit over het feit dat alle partijen op de COP22 in Marrakesh hebben beloofd zich aan de toezeggingen van Parijs te blijven houden, ongeacht veranderende politieke omstandigheden;

8.  toont zich teleurgesteld over de mededeling van de Amerikaanse president Donald Trump over zijn intentie om de Verenigde Staten terug te trekken uit de Overeenkomst van Parijs; betreurt de beslissing en beschouwt deze als een stap achterwaarts; wijst erop dat de formele terugtrekking ten vroegste van kracht kan worden na de volgende presidentsverkiezingen in de VS in 2020; is verheugd over de krachtige reacties van regeringen overal ter wereld en hun aanhoudende en versterkte steun voor de volledige tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs; stelt met tevredenheid vast dat een aantal Amerikaanse staten, steden en bedrijven heeft beloofd zich te zullen blijven houden aan de toezeggingen die de VS heeft gedaan in het kader van de Overeenkomst van Parijs;

9.  is ingenomen met het feit dat alle grote partijen na de mededeling van president Trump hebben bevestigd de Overeenkomst van Parijs te zullen nakomen;

10.  benadrukt dat Europa nu het initiatief moet nemen bij de verdediging van de Overeenkomst van Parijs, zodat de toekomst van ons milieu en onze bedrijfstakken kan worden veiliggesteld; is verheugd dat de EU bestaande partnerschappen zal versterken en nieuwe partnerschappen zal aangaan;

11.  wijst op de snelle vooruitgang die tot nu toe werd geboekt bij de omzetting van de internationale toezeggingen van de EU in EU-wetgeving, waardoor een stevig beleidskader voor energie en klimaat voor 2030 tot stand wordt gebracht, en benadrukt zijn intentie om dat wetgevingsproces tegen eind 2017 af te ronden;

12.  benadrukt dat het belangrijk is – met name na de mededeling van president Trump – om passende maatregelen voorhanden te hebben tegen koolstoflekkage en ervoor te zorgen dat bedrijven die qua prestaties tot de beste behoren en een hoge koolstofintensiteit en hoge handelsintensiteit hebben gratis de nodige rechten krijgen; verzoekt de Commissie de doeltreffendheid en wettelijkheid te onderzoeken van bijkomende maatregelen die bedrijfstakken beschermen tegen het risico op koolstoflekkage, zoals koolstofbelastingaanpassingen aan de grens en heffingen op koolstofverbruik, met name voor producten die komen uit landen die hun verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs niet nakomen;

13.  benadrukt dat de toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur te beperken tot ruim onder 2 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus en ernaar te streven om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C, alsook het doel om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies door bronnen en verwijdering van broeikasgassen door putten ("CO2-neutraliteit"), op basis van billijkheid, een beslissende doorbraak vormen in de collectieve wereldwijde inspanningen met het oog op een overgang naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale wereldeconomie;

14.  herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur tot ruim onder 2 °C geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve gevolgen voor het klimaat zullen worden voorkomen; is zich ervan bewust dat de huidige toezeggingen onvoldoende zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken; benadrukt in dit verband dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo snel mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken en dat alle partijen, en vooral alle G20-landen, hun inspanningen moeten opvoeren en hun NDC's tegen 2020 moeten bijwerken, na de faciliterende dialoog van 2018; herinnert eraan dat de wereldwijde CO2-emissies tegen 2050 geleidelijk moeten worden afgebouwd; is van mening dat de invoering van beleid en maatregelen om de NDC's te verwezenlijken en uiteindelijk te overschrijden voor alle landen een centrale nationale prioriteit moet zijn en dat de NDC's om de vijf jaar opnieuw moeten worden beoordeeld overeenkomstig het ambitiemechanisme van de Overeenkomst van Parijs; erkent echter dat de striktheid en het ambitieniveau van nationale strategieën voor emissiereductie niet afhangen van de indiening van een bijgewerkte NDC;

15.  roept alle partijen op ervoor te zorgen dat hun eigen NDC's aansluiten op de langetermijndoelen inzake temperatuur in het kader van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt dat werkzaamheden in de context van het speciale IPCC-verslag betreffende het effect van en het traject naar de doelstelling van 1,5 °C en de conclusies van de faciliterende dialoog van 2018 in aanmerking moeten worden genomen; herinnert tegen deze achtergrond aan de verbintenis van de G7 om ruim voor de overeengekomen uiterste termijn van 2020 ontwikkelingsstrategieën voor lage broeikasgasemissies voor het midden van deze eeuw te presenteren; toont zich bereid ten volle mee te werken aan de ontwikkeling van de EU-strategie op basis van de analyse van de Commissie als aangekondigd in de mededeling "Wat na Parijs?" van 2 maart 2016 (COM(2016)0110);

16.  benadrukt de bijzondere verantwoordelijkheid van alle grote economieën, die samen goed zijn voor driekwart van de wereldwijde emissies, en meent dat klimaatactie hoog op de agenda van de G7 en de G20 moet blijven staan, vooral op gebieden zoals de tenuitvoerlegging van NDC's, strategieën voor het midden van deze eeuw, de hervorming van subsidies voor fossiele brandstoffen, openbaarmaking van koolstofgegevens, schone energie, en andere; benadrukt dat de ministers van grote economieën zich moeten blijven inzetten in fora zoals het ministerieel overleg over schone energie;

17.  dringt er bij de EU op aan om zich na de faciliterende dialoog in 2018 in haar NDC voor 2030 tot verdere emissiereducties te verbinden;

18.  benadrukt dat het belangrijk is dat de EU toont dat zij zich aan de Overeenkomst van Parijs houdt, onder meer door de overeenkomst via EU-wetgeving ten uitvoer te leggen, met inbegrip van een snelle goedkeuring door de medewetgevers van de EU-verordening inzake klimaatactie en de herziening van de EU-ETS-richtlijn, en door de doelstellingen en beleidsinstrumenten van de EU tijdig aan te scherpen; herinnert eraan dat alle partijen wordt verzocht uiterlijk in 2020 hun langetermijnontwikkelingsstrategieën voor lage broeikasgasemissies voor het midden van deze eeuw mee te delen aan het secretariaat van het UNFCCC; dringt er daarom bij de Commissie op aan zich te houden aan de verplichting uit hoofde van de overeenkomst om tegen de COP24 voor de EU een op CO2-neutraliteit gerichte strategie voor het midden van de eeuw op te stellen, met een kostenefficiënt traject voor het behalen van de doelstelling inzake CO2-neutraliteit als vastgesteld in de Overeenkomst van Parijs, met als doel de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur tot ruim onder 2 °C te houden en ernaar te streven deze tot 1,5 °C te beperken; is van mening dat dit proces zo snel mogelijk moet worden opgestart om een uitgebreid debat mogelijk te maken waarin het Europees Parlement een cruciale rol moet krijgen, samen met vertegenwoordigers van nationale, regionale en lokale autoriteiten, alsook het maatschappelijk middenveld en de bedrijfswereld; wijst erop dat maatregelen in de EU alleen echter niet zullen volstaan, en verzoekt de Commissie en de Raad daarom hun activiteiten te intensiveren om andere partners ertoe aan te sporen hetzelfde te doen;

19.  toont zich verheugd over het engagement in het kader van de Overeenkomst van Parijs om de wereldwijde broeikasgasemissies tot nul te reduceren in de tweede helft van de eeuw; ziet in dat dit betekent dat de meeste sectoren in de EU aanzienlijk vroeger hun emissies tot nul zullen moeten herleiden;

20.  is van mening dat er in de onderhandelingen vooruitgang moet worden geboekt op de centrale punten van de Overeenkomst van Parijs, waaronder een verbeterd transparantiekader, bijzonderheden van de algemene inventarisatie, nadere richtsnoeren inzake INDC's, een interpretatie van differentiëring, verlies en schade, klimaatfinanciering en capaciteitsondersteuning, inclusieve multi-level governance, alsook een mechanisme om de uitvoering te faciliteren en de naleving te bevorderen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de verplichtingen na te komen die werden vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs, en dan met name de verplichtingen inzake de bijdrage van de EU aan de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering en inzake de steun van de EU op het gebied van financiering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw;

21.  beklemtoont dat de tijd dringt om de klimaatverandering met vereende krachten te bestrijden en de Overeenkomst van Parijs na te komen; onderstreept dat de EU zowel de capaciteit als de verantwoordelijkheid heeft om hierin het voortouw te nemen en onmiddellijk moet beginnen haar streefdoelen inzake klimaat en energie af te stemmen op de internationaal overeengekomen doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot minder dan 2 °C, met het streven om deze stijging tot 1,5 °C te beperken;

22.  wijst erop dat snel moet worden begonnen met decarbonisatie als we dit streefdoel voor de wereldwijde gemiddelde temperatuur willen halen, en dat de wereldwijde broeikasgasemissies zo snel mogelijk hun hoogste niveau moeten bereiken; herinnert eraan dat de wereldwijde CO2-emissies tegen 2050 of kort daarna moeten worden afgebouwd, zodat wereldwijd een kosteneffectief emissietraject kan worden aangehouden dat strookt met de temperatuurstreefdoelen die zijn vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs; vraagt alle partijen die in de gelegenheid zijn dit te doen alles in het werk te stellen om hun nationale streefdoelen en strategieën inzake decarbonisatie te verwezenlijken door prioriteit te geven aan het afbouwen van emissies van steenkool als meest vervuilende energiebron en vraagt de EU daartoe met haar internationale partners samen te werken en voorbeelden van goede praktijken te verstrekken;

23.  is verheugd over de inclusiviteit van het UNFCCC-proces; meent dat de kwestie van gevestigde of conflicterende belangen moet worden aangepakt om een effectieve en transparante deelname te verzekeren; roept tegen die achtergrond alle deelnemers aan het proces op richtsnoeren of procedures vast te stellen die voor meer openheid, transparantie en inclusiviteit zorgen zonder de bedoelingen en doelstellingen van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs in het gedrang te brengen;

24.  roept alle lidstaten ertoe op de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto te ratificeren;

De COP23 in Bonn

25.  is verheugd dat in Marrakesh is toegezegd dat het werkprogramma voor de opstelling van gedetailleerde uitvoeringsregels voor de Overeenkomst van Parijs tegen 2018 zal worden afgerond; is van mening dat de COP23 een belangrijke mijlpaal is in deze technische werkzaamheden;

26.  hoopt dat er tijdens de COP23 duidelijkheid zal worden verschaft omtrent de structuur van de faciliterende dialoog in 2018, die een belangrijke gelegenheid vormt om de vorderingen met de in de overeenkomst opgenomen mitigatiedoelstelling te inventariseren en deze resultaten mee te nemen bij de opstelling en actualisering van de NDC's voor 2030 die de partijen tegen 2020 moeten indienen, om zo de doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken; is van mening dat de EU een proactieve rol moet spelen in deze eerste faciliterende dialoog om een stand van zaken op te maken van de gezamenlijke ambitie en de vooruitgang bij het nakomen van de toezeggingen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ruim voor aanvang van de faciliterende dialoog bijkomende broeikasgasemissiereducties voor te leggen die verder gaan dan de huidige toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs en die op adequate wijze bijdragen aan het dichten van de mitigatiekloof in overeenstemming met de capaciteiten van de EU;

27.  herinnert eraan dat het intensiveren van mitigatiemaatregelen in de periode voor 2020 een absolute voorwaarde is voor de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en roept de EU op ervoor te zorgen dat maatregelen op korte termijn op de agenda van de COP23 blijven staan;

Klimaatfinanciering en andere uitvoeringsmiddelen

28.  is ingenomen met het "stappenplan voor 100 miljard USD", dat tot doel heeft tegen 2020 100 miljard USD bijeen te brengen voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden; onderstreept dat op de COP21 is besloten de doelstelling voor het bijeenbrengen van middelen is verlengd tot 2025;

29.  is ingenomen met de verbintenis van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs om alle geldstromen consistent te houden met een traject naar lage broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling; is daarom van mening dat de EU geldstromen naar fossiele brandstoffen en koolstofrijke infrastructuur hoogdringend moet aanpakken;

30.  beseft dat het van belang is aandacht te besteden aan de regeling voor schade en verlies die is opgenomen in de Overeenkomst van Parijs en pleit er sterk voor de regeling te bespreken tijdens de COP23 in Bonn;

31.  benadrukt dat het belangrijk is erover te waken dat de mensenrechten centraal blijven staan in klimaatactie, en vraagt de Commissie en de lidstaten met klem ervoor te zorgen dat in de onderhandelingen over aanpassingsmaatregelen expliciet wordt gesteld dat de mensenrechten moeten worden geëerbiedigd, beschermd en bevorderd, onder andere op het gebied van gendergelijkheid, volledige en gelijke deelname van vrouwen en de actieve bevordering van een rechtvaardige transitie voor arbeidskrachten, met fatsoenlijk werk en hoogwaardige banen voor iedereen;

32.  is verheugd dat de klimaatfinanciering van de EU gestaag toeneemt, maar benadrukt dat er verdere inspanningen moeten worden gedaan; benadrukt hoe belangrijk het is dat ook andere ontwikkelde partijen hun bijdrage leveren aan de doelstelling van 100 miljard USD; vraagt om concrete toezeggingen op internationaal en EU-niveau om in aanvullende financieringsbronnen te voorzien;

33.  vraagt om een ambitieuze toezegging van regeringen en openbare en particuliere financiële instellingen, zoals banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, om hun leningen en investeringen op de "ruim onder 2 °C"-doelstelling af te stemmen, overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c), van de Overeenkomst van Parijs, en niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, onder meer door uitvoerkredieten voor investeringen in fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen; dringt aan op specifieke overheidsgaranties om groene investeringen en groene keurmerken te bevorderen en fiscale voordelen te bieden voor groene investeringsfondsen en de uitgifte van groene obligaties;

34.  erkent dat veranderingen in nationale en internationale belastingstelsels, zoals een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar kapitaal, toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt, het niet langer investeren in fossiele brandstoffen en de instelling van een juiste koolstofprijs, van cruciaal belang zijn om een economisch klimaat te scheppen dat gunstig is voor het aantrekken van openbare en particuliere investeringen, aan de hand waarvan de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling kunnen worden verwezenlijkt in het kader van industrieel beleid;

35.  pleit voor nauwere samenwerking tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, onder meer in het kader van het NDC-partnerschap, zodat landen betere toegang krijgen tot de nodige technische kennis en financiële ondersteuning om een beleid uit te stippelen waarmee ze kunnen voldoen aan hun NDC's en deze kunnen overschrijden;

36.  verzoekt de Commissie een volledige evaluatie te maken van de mogelijke gevolgen van de Overeenkomst van Parijs voor de EU-begroting en een specifiek, automatisch EU-financieringsmechanisme te ontwikkelen dat aanvullende en voldoende middelen moet bieden om ervoor te zorgen dat de EU haar duit in het zakje doet wat de beoogde internationale klimaatfinanciering van 100 miljard USD betreft;

37.  dringt aan op concrete toezeggingen om bijkomende bronnen van klimaatfinanciering ter beschikking te stellen, onder meer door het invoeren van een belasting op financiële transacties, het reserveren van bepaalde EU-ETS-emissierechten in de periode 2021-2030 en het toewijzen van opbrengsten uit EU- en internationale maatregelen inzake luchtvaart- en scheepvaartemissies aan internationale klimaatfinanciering en het Groen Klimaatfonds;

De rol van niet-overheidsactoren

38.  wijst op de inspanningen die door een steeds bredere waaier aan niet-overheidsactoren worden gedaan om koolstofvrij te worden en beter bestand te zijn tegen klimaatverandering; benadrukt dan ook het belang van een structurele en constructieve dialoog tussen overheden, het bedrijfsleven, steden, regio's, internationale organisaties, het maatschappelijk middenveld en academische instellingen, en van hun betrokkenheid bij de planning en uitvoering van schaalbare klimaatacties met het oog op de bevordering van krachtige, wereldwijde maatregelen om samenlevingen koolstofarm en veerkrachtig te maken en te tonen dat er vooruitgang wordt geboekt met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

39.  dringt er bij de EU, haar lidstaten en andere partijen bij het UNFCCC op aan ervoor te ijveren niet-overheidsactoren actief te betrekken bij onderhandelingen over de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs, hen te steunen in hun inspanningen om bij te dragen aan de verwezenlijking van de NDC van een land ondanks veranderingen in de nationale politiek, en hen in staat te stellen op zoek te gaan naar nieuwe vormen van deelname en samenwerking in het kader van het UNFCCC;

40.  benadrukt de belangrijke rol van het platform van niet-overheidsactoren voor klimaatactie (Non-State Actors Zone for Climate Action, NAZCA) bij het bevorderen en opvolgen van acties door niet-overheidsactoren, zoals het wereldwijde Convenant van burgemeesters, de initiatieven "Mission Innovation", "InsuResilience" en "Duurzame energie voor iedereen" en het NDC-partnerschap;

41.  is verheugd over de inspanningen van de "Climate Champions" in het kader van het partnerschap van Marrakesh voor klimaatactie;

42.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan samen te werken met alle actoren van het maatschappelijk middenveld (instellingen, de particuliere sector, ngo's en lokale gemeenschappen) om reductie-initiatieven te ontwikkelen in belangrijke sectoren (energie, technologie, steden, vervoer), alsook initiatieven op te starten met betrekking tot aanpassing en veerkracht om in te spelen op problemen op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering, met name wat betreft toegang tot water, voedselzekerheid en risicopreventie; verzoekt alle overheden en alle actoren van het maatschappelijk middenveld om deze actieagenda te ondersteunen en te versterken;

43.  herinnert de partijen bij het UNFCCC en de VN zelf eraan dat individuele maatregelen even belangrijk zijn als maatregelen van overheden en instellingen; dringt er daarom op aan meer bewustmakings- en informatiecampagnes en -activiteiten te organiseren voor de bevolking over de kleine en grote handelingen die kunnen bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden;

Een alomvattende inspanning van alle sectoren

44.  is verheugd dat er wereldwijd regelingen worden uitgewerkt voor de handel in emissierechten, met 18 emissiehandelssystemen die operationeel zijn in vier continenten, samen goed voor 40 % van het mondiale bnp; spoort de Commissie ertoe aan koppelingen tussen de EU-ETS en andere emissiehandelssystemen te bevorderen om internationale koolstofmarktmechanismen tot stand te brengen, met als doel de klimaatambities te vergroten en tegelijk het risico van koolstoflekkage te helpen beperken door een gelijk speelveld te creëren; verzoekt de Commissie waarborgen in te bouwen om ervoor te zorgen dat de koppeling van de EU-ETS aan andere regelingen permanente mitigatiebijdragen oplevert en de interne EU-doelstelling inzake broeikasgasemissies niet ondermijnt;

45.  benadrukt dat er meer ambitie en meer maatregelen nodig zijn om voldoende stimulansen te behouden voor de reductie van broeikasgasemissies die vereist is om de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor 2050 te halen; onderstreept dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt inzake het verminderen van de broeikasgasemissies in de vervoers- en landbouwsector wat de doelstellingen voor 2020 betreft en dat er extra inspanningen moeten worden geleverd om deze sectoren te laten voldoen aan hun bijdrage op het gebied van emissiereducties tegen 2030;

46.  benadrukt hoe belangrijk het is de milieu-integriteit van elke toekomstige marktbenadering te waarborgen, zowel binnen als buiten het kader van de Overeenkomst van Parijs, door na te denken over risico's zoals achterdeurtjes die tot dubbele telling kunnen leiden, problemen met betrekking tot de continuïteit en additionaliteit van emissiereducties, potentiële negatieve effecten voor duurzame ontwikkeling en averechtse prikkels om de ambitie van NDC's af te zwakken;

47.  benadrukt dat de 20-20-20-streefcijfers voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparingen drijvende krachten zijn gebleken voor deze vooruitgang en voor de instandhouding van de werkgelegenheid voor meer dan 4,2 miljoen mensen in diverse bedrijfstakken van de eco-industrie, waarvoor een gestage groei werd opgetekend tijdens de economische crisis;

48.  neemt kennis van het besluit van de Algemene Vergadering van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) van 2016 betreffende de instelling van een koolstofcompensatie- en ‑verminderingsregeling voor de internationale luchtvaart (Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation – Corsia);

49.  uit echter zijn teleurstelling over het feit dat de ICAO bij de invoering van Corsia geen overeenstemming heeft bereikt over emissiereducties en zich voornamelijk op compensaties heeft gericht; betreurt dat de kwaliteit van de compensaties helemaal niet gegarandeerd is, dat de toepassing van Corsia pas vanaf 2027 wettelijk bindend wordt en dat een aantal belangrijke leden van de ICAO hun deelname aan de vrijwillige fase nog niet hebben toegezegd, terwijl andere grote uitstoters zich nog niet hebben verbonden tot koolstofneutrale groei, hetgeen veel vragen doet rijzen over de werkelijke effecten op het klimaat, aangezien het resultaat niet beantwoordt aan de verwachtingen van de EU toen zij besloot met betrekking tot de EU-ETS "de klok stil te zetten"; vraagt dat spoedig de laatste hand wordt gelegd aan een degelijke set regels voor de operationalisering van Corsia, de tijdige toepassing ervan op nationaal en regionaal niveau en een behoorlijke handhaving door alle partijen; dringt er bovendien op aan dat er werk wordt gemaakt van alle technologische innovaties die verband houden met motorprestaties en brandstofkwaliteit;

50.  herinnert eraan dat vluchten binnen Europa ondertussen onder de EU-ETS blijven vallen en dat wijzigingen van de bestaande wetgeving en het tijdschema voor de operationalisering van Corsia slechts kunnen worden overwogen in het licht van het ambitieniveau van het systeem en de uitvoeringsmaatregelen die nog moeten worden ontwikkeld;

51.  neemt kennis van de routekaart voor de ontwikkeling van een "alomvattende IMO-strategie ter vermindering van de broeikasgasemissies van schepen" die tijdens de 70e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is goedgekeurd; dringt er bij de IMO op aan een wereldwijde regeling te ontwikkelen die overeenstemt met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs door een ambitieus streefdoel inzake emissiereducties en een concreet tijdschema vast te stellen in het kader van de initiële broeikasgasstrategie van de IMO die in het voorjaar van 2018 zal worden goedgekeurd;

52.  is ingenomen met de wijziging van Kigali betreffende een wereldwijde stapsgewijze verlaging van de productie en het gebruik van fluorkoolwaterstoffen (HFK's) met een klimaatopwarmend effect; beschouwt dit als een concrete stap in de verwezenlijking van de Overeenkomst van Parijs, waardoor tegen 2050 emissies van ruim 70 miljard ton CO2-equivalent kunnen worden vermeden, wat overeenkomt met elfmaal de jaarlijkse emissies van de VS, en moedigt alle partijen bij het Protocol van Montreal dan ook aan om al het nodige te doen met het oog op een spoedige ratificatie; herinnert eraan dat de EU ambitieuze wetgeving heeft vastgesteld om het gebruik van HFK's tegen 2030 met 79 % af te bouwen, aangezien klimaatvriendelijke alternatieven op grote schaal beschikbaar zijn en het potentieel daarvan volledig moet worden benut;

Klimaatbestendigheid door aanpassing

53.  stelt vast dat de prioriteiten van het voorzitterschap van Fiji voor de COP23 gebieden omvatten waar maatregelen inzake aanpassing en klimaatbestendigheid een prominente plaats innemen; wijst erop dat aanpassingsmaatregelen voor alle landen een onvermijdelijke noodzaak zijn als zij de negatieve gevolgen tot een minimum willen beperken en ten volle gebruik willen maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling;

54.  dringt er dan ook op aan dat er langetermijndoelstellingen inzake aanpassing worden vastgesteld; herinnert eraan dat ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden, het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar wel het kwetsbaarst zijn voor de nadelige gevolgen ervan en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen;

55.  benadrukt dat aanpassing aan de klimaatverandering daarom echt moet worden geïntegreerd in nationale ontwikkelingsstrategieën, met inbegrip van financiële planning, en dat de coördinatiekanalen tussen verschillende bestuursniveaus en belanghebbenden moeten worden verbeterd; is van mening dat samenhang met strategieën en plannen voor rampenrisicovermindering eveneens belangrijk is;

56.  benadrukt dat het belangrijk is een beoordeling te maken van de effecten van de klimaatverandering op steden en hun unieke uitdagingen en kansen op het gebied van aanpassing en mitigatie; meent dat het versterken van het vermogen van steden en lokale autoriteiten om te beginnen werken aan de veerkracht van hun gemeenschap van cruciaal belang is om de lokale dimensie van de effecten van de klimaatverandering aan te pakken;

57.  meent dat klimaatbeleid een voldoende groot draagvlak kan krijgen, op voorwaarde dat het beleid gepaard gaat met sociale maatregelen, zoals een fonds voor een rechtvaardige transitie, zodat de huidige uitdagingen op het gebied van de strijd tegen de klimaatverandering worden gekoppeld aan inspanningen in de strijd tegen werkloosheid en onzeker werk;

58.  vraagt de Commissie de aanpassingsstrategie van de EU van 2013 opnieuw te beoordelen, met als doel de aanpassingswerkzaamheden op het niveau van de hele EU gerichter te maken en een grotere meerwaarde te geven door de banden met de Overeenkomst van Parijs te versterken en de verdere ontwikkeling van een doeltreffende uitwisseling van goede praktijken, voorbeelden en informatie inzake aanpassingswerkzaamheden te ondersteunen; benadrukt dat er structuren en instrumenten moeten worden ontwikkeld om op de hoogte te blijven van de voortgang en de doeltreffendheid van de nationale plannen en maatregelen;

59.  herinnert eraan dat landbouwgronden, waterrijke gebieden en bossen, die meer dan 90 % van de landoppervlakte van de EU beslaan, hard zullen worden getroffen door de klimaatverandering; benadrukt dat deze sector – bekend als landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) – zowel een emissieput als een emissiebron vormt en essentieel is voor mitigatie en een betere klimaatbestendigheid;

60.  herinnert eraan dat de Overeenkomst van Parijs van 4 november 2016 luidens zijn artikel 2 onder meer tot doel heeft het vermogen te vergroten om zich aan de negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te passen en klimaatbestendigheid en ontwikkeling met geringe broeikasgasemissies te bevorderen op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt, en verzoekt de Commissie en de lidstaten de geldstromen te doen sporen met dat doel;

61.  onderstreept dat niets doen ernstige negatieve en vaak onomkeerbare gevolgen heeft, omdat de klimaatverandering alle regio's van de wereld op een andere manier treft maar altijd zware schade aanricht, met migratiestromen, verlies van mensenlevens en economische, ecologische en maatschappelijke schade als gevolg; onderstreept dat een gezamenlijke wereldwijde politieke en financiële stimulans voor innovatie op het gebied van schone en hernieuwbare energie van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken en groei te bevorderen;

62.  erkent dat het bijzonder moeilijk is een universeel aanvaarde definitie van het begrip "klimaatvluchteling" vast te stellen, maar vraagt dat klimaatgedreven ontheemding en migratie ten gevolge van rampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde ernstig worden genomen; merkt met bezorgdheid op dat tussen 2008 en 2013 zo'n 166 miljoen mensen hun huis hebben moeten verlaten als gevolg van natuurrampen, de stijging van de zeespiegel, extreme meteorologische verschijnselen, woestijnvorming, watertekort en de verspreiding van tropische aandoeningen en vectorziekten; wijst er met name op dat klimaatgerelateerde ontwikkelingen in delen van Afrika en het Midden-Oosten politieke instabiliteit, economische tegenspoed en een escalatie van de vluchtelingencrisis in het Middellandse Zeegebied in de hand kunnen werken;

63.  merkt op dat ontbossing en bosdegradatie verantwoordelijk zijn voor 20 % van de mondiale broeikasgasemissies, en benadrukt het belang van bossen en actief duurzaam bosbeheer voor de mitigatie van klimaatverandering en de noodzaak om het aanpassingsvermogen en de veerkracht van bossen ten aanzien van klimaatverandering te verbeteren; benadrukt dat er mitigatie-inspanningen moeten worden geleverd gericht op de tropische bosbouwsector (REDD+); onderstreept dat het verwezenlijken van de doelstelling om de opwarming van de aarde onder de 2 °C te houden zonder deze mitigatie-inspanningen wellicht onmogelijk zal blijken; vraagt de EU voorts om de internationale financiering voor het tegengaan van ontbossing in ontwikkelingslanden te verhogen;

Steun voor ontwikkelingslanden

64.  benadrukt dat ook de ontwikkelingslanden een belangrijke rol spelen om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken en dat deze landen geholpen moeten worden om hun klimaatplannen uit te voeren door ten volle gebruik te maken van de synergieën met de desbetreffende duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de uitgevoerde klimaatmaatregelen, het actieprogramma van Addis Abeba en de Agenda 2030;

65.  onderstreept dat de universele toegang tot duurzame energie in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, moet worden bevorderd door op grotere schaal hernieuwbare energie in te zetten; merkt op dat Afrika over enorme hoeveelheden natuurlijke hulpbronnen beschikt die de energiezekerheid van het continent kunnen waarborgen; onderstreept dat Europa, indien men erin slaagt interconnecties voor elektriciteit tot stand te brengen, op termijn een deel van haar energie uit Afrika zou kunnen halen;

66.  benadrukt dat de EU de ervaring, de capaciteit en de mondiale reikwijdte heeft om het voortouw te nemen bij het aanleggen van de slimmere, schonere en meer klimaatbestendige infrastructuur die nodig is om de mondiale transitie die in gang is gezet door de Overeenkomst van Parijs waar te maken; verzoekt de EU met klem steun te verlenen aan de inspanningen van ontwikkelingslanden om over te schakelen naar koolstofarme samenlevingen die inclusiever, sociaal en ecologisch duurzamer, welvarender en veiliger zijn;

Industrie en concurrentievermogen

67.  is ingenomen met de aanhoudende inspanningen van de Europese industrie en met de vooruitgang die deze boekt met betrekking tot het nakomen van haar verplichtingen en het ten volle benutten van de kansen die de Overeenkomst van Parijs met zich meebrengt, hetgeen kan leiden tot geslaagde en kosteneffectieve klimaatactie;

68.  onderstreept dat de strijd tegen de klimaatverandering een wereldwijde prioriteit vormt en moet worden nagestreefd als een werkelijk mondiale inspanning, met waarborging van energiezekerheid en een duurzame economie;

69.  benadrukt dat een stabiel en voorspelbaar juridisch kader en duidelijke beleidssignalen op mondiaal en EU-niveau een bevorderend en gunstig effect zouden hebben op klimaatgerelateerde investeringen;

70.  onderstreept dat aanhoudende inzet, met name van de kant van 's werelds grootste uitstoters, van cruciaal belang is voor klimaatactie en de Overeenkomst van Parijs; betreurt de aankondiging van de Amerikaanse regering betreffende haar standpunt ten aanzien van de Overeenkomst van Parijs ten zeerste; is echter bijzonder blij met de voortgezette steun van belangrijke Amerikaanse sectoren die duidelijk inzien welke risico's de klimaatverandering met zich meebrengt en welke kansen klimaatactie biedt;

71.  is van mening dat het bij een eventueel verzuim van andere grote economieën om op het vlak van de vermindering van broeikasgasemissies toezeggingen te doen die vergelijkbaar zijn met die van de EU noodzakelijk zal zijn om de bepalingen inzake koolstoflekkage in stand te houden, met name de bepalingen die gericht zijn op sectoren die gekenmerkt worden door zowel een hoge handelsintensiteit als een groot aandeel koolstofkosten bij de productie, zodat het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrie gegarandeerd blijft;

72.  is verheugd dat China en andere grote concurrenten van de energie-intensieve sectoren van de EU een emissiehandelssysteem of andere prijsstellingsmechanismen invoeren; meent dat de EU in afwachting van de totstandbrenging van gelijke concurrentievoorwaarden passende en evenredige maatregelen moet handhaven om het concurrentievermogen van haar industrie te garanderen en, waar nodig, koolstoflekkage te voorkomen, vanuit de overweging dat energie-, industrie- en klimaatbeleid hand in hand gaan;

73.  onderstreept hoe belangrijk het is het aantal geschoolde werknemers in de industrie te verhogen en inzake het stimuleren van kwaliteitsvolle werkgelegenheid kennis en beste praktijken uit te wisselen, terwijl waar nodig steun wordt verleend aan een rechtvaardige transitie van de werknemers;

Energiebeleid

74.  dringt er bij de EU op aan de internationale gemeenschap aan te sporen onverwijld concrete maatregelen te nemen, met inbegrip van een tijdschema, voor het geleidelijk afbouwen van voor het milieu schadelijke subsidies, onder meer voor fossiele brandstoffen, aangezien deze concurrentieverstorend werken, een belemmering vormen voor internationale samenwerking en innovatie in de weg staan;

75.  benadrukt het belang van energiebesparingen, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie voor de beperking van emissies, alsook voor financiële besparingen, energiezekerheid en het voorkomen en verminderen van energiearmoede, zodat kwetsbare en arme huishoudens worden beschermd en geholpen; dringt aan op een wereldwijde bevordering van maatregelen voor energie-efficiëntie en energiebesparingen en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen (bijvoorbeeld via stimulansen voor het zelf opwekken van hernieuwbare energie voor eigen gebruik) en voor de doeltreffende invoering hiervan; wijst erop dat de prioritaire behandeling van energie-efficiëntie en wereldwijd leiderschap op het gebied van hernieuwbare energiebronnen tot de belangrijkste doelstellingen van de energie-unie van de EU behoren;

76.  onderstreept hoe belangrijk het is technologie voor energieopslag, slimme energienetten en vraagsturing te ontwikkelen om er mee voor te zorgen dat hernieuwbare energiebronnen daadwerkelijk worden ingezet bij de opwekking van elektriciteit en in de sector van verwarming en koeling voor particuliere huishoudens;

Onderzoek, innovatie en digitale technologieën

77.  onderstreept dat de voortzetting en intensivering van onderzoek en innovatie op het gebied van klimaatmitigatie, aanpassingsmaatregelen, hulpbronnenefficiëntie, emissiearme technologie en een duurzaam gebruik van secundaire grondstoffen ("circulaire economie") van cruciaal belang zijn om de klimaatverandering op kostenefficiënte wijze te bestrijden en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen; dringt daarom aan op wereldwijde toezeggingen om investeringen op dit gebied te bevorderen en hierop toe te spitsen;

78.  benadrukt dat voor de vereiste technologische vooruitgang met het oog op decarbonisatie duidelijke beleidssignalen nodig zijn, waaronder de beperking van markt- en regelgevingsbelemmeringen voor nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen, alsook doelgerichte overheidsuitgaven;

79.  herinnert eraan dat onderzoek, innovatie en concurrentievermogen tot de vijf pijlers van de EU-strategie voor de energie-unie behoren; stelt vast dat de EU vastbesloten is een wereldleider te blijven op deze domeinen en tegelijk nauwe wetenschappelijke samenwerking met internationale partners ontwikkelt; wijst erop hoe belangrijk het is dat zowel in de ontwikkelde als in de opkomende landen een sterke innovatiecapaciteit voor het inzetten van technologieën voor schone en duurzame energie wordt opgebouwd en gehandhaafd;

80.  wijst op de fundamentele rol van digitale technologieën bij het faciliteren van de energietransitie, aangezien deze zorgen voor nieuwe duurzame bedrijfsmodellen, een grotere energie-efficiëntie en meer energiebesparingen; benadrukt de milieuvoordelen die de digitalisering van de Europese industrie kan opleveren via een efficiënt gebruik van hulpbronnen en een lagere materiaalintensiteit;

81.  onderstreept hoe belangrijk het is ten volle gebruik te maken van de bestaande EU-programma's en -instrumenten zoals Horizon 2020, die openstaan voor deelname van derde landen, met name op het gebied van energie, klimaatverandering en duurzame ontwikkeling;

82.  pleit voor een beter gebruik van technologieën zoals ruimtesatellieten voor het accuraat verzamelen van gegevens over emissies, temperatuur en klimaatverandering; wijst met name op de bijdrage van het Copernicusprogramma; dringt tevens aan op transparante samenwerking en uitwisseling van informatie tussen landen en op de openstelling van gegevens voor de wetenschappelijke wereld;

Klimaatdiplomatie

83.  is er een sterke voorstander van dat de EU aandacht blijft besteden aan klimaatdiplomatie, wat van essentieel belang is om klimaatactie in partnerlanden en in de publieke opinie overal ter wereld meer zichtbaarheid te geven; benadrukt dat de klimaatverandering in het diplomatiek overleg een strategische prioriteit moet blijven, rekening houdend met de recentste ontwikkelingen en het veranderende geopolitieke landschap; onderstreept dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten een enorme capaciteit op het vlak van buitenlands beleid hebben en in klimaatfora het voortouw moeten nemen; benadrukt dat ambitieuze en dringende klimaatmaatregelen en de uitvoering van de toezeggingen in het kader van de COP21 een van de prioriteiten van de EU moeten blijven in bilaterale en biregionale dialogen op hoog niveau met partnerlanden, de G7, de G20, de VN en andere internationale fora;

84.  herhaalt dat klimaatbeleidsdoelstellingen centraal moeten staan bij het buitenlands beleid van de EU en op de mondiale agenda; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan leiderschap aan de dag te leggen op het vlak van wereldwijde klimaatactie door zich voortdurend in te zetten voor de Overeenkomst van Parijs en door actief op zoek te gaan naar strategische partners, zowel op nationaal als op subnationaal niveau, om klimaatallianties te vormen of te versterken, teneinde het momentum te behouden om de weg in te slaan naar een ambitieuze regeling ter bescherming van het klimaat;

85.  vraagt de EU en de lidstaten werk te maken van een betere bewustmaking, analyse en beheersing van klimaatrisico's en de partners van de EU in de wereld te helpen om een beter inzicht te krijgen in de effecten van de klimaatverandering op de binnenlandse stabiliteit, de internationale veiligheid en ontheemding, en deze als geheel te bekijken, erop te anticiperen en ermee om te gaan;

86.  belooft zijn internationale rol en zijn lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken te gebruiken om consequent te streven naar vooruitgang in de richting van een snelle tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs;

Rol van het Europees Parlement

87.  merkt op dat het Parlement zijn goedkeuring moet geven aan internationale overeenkomsten en als medewetgever een centrale rol speelt bij de nationale tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs, en is van mening dat het Parlement daarom goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd; rekent er dan ook op dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Bonn mag bijwonen en dat het vanaf het begin van de onderhandelingen gewaarborgde toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten;

o
o   o

88.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0383.

Juridische mededeling