Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 25 oktober 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: toezicht op producten en governancevereisten voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling : informatievereisten en gedragsregels die van toepassing zijn op de distributie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen inzake indirecte clearingregelingen (aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014)
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen betreffende indirecte clearingregelingen (wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013)
 Algemene begroting van de Europese Unie voor 2018 – alle afdelingen
 Kwijting 2015: algemene begroting van de EU – Europese Raad en Raad
 Bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia ***I
 Instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de EU overschrijden ***I
 Wijziging van de Schengengrenscode wat betreft het gebruik van het inreis-uitreissysteem ***I
 Grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat

Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: toezicht op producten en governancevereisten voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs
PDF 242kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad wat toezicht op producten en governancevereisten voor verzekeringsondernemingen en verzekeringsdistributeurs betreft (C(2017)06218 – 2017/2854(DEA))
P8_TA(2017)0404B8-0572/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)06218),

–  gezien de brief van de Commissie economische en monetaire zaken van 16 oktober 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie(1), en met name artikel 25, lid 2, en artikel 39, lid 5,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 24 oktober 2017 verstreek,

A.  overwegende dat de gedelegeerde verordening met ingang van 23 februari 2018, de datum van inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2016/97, van toepassing moet zijn en dat de sector, indien het Parlement de toetsingsperiode van drie maanden waarover het beschikt volledig zou benutten, niet voldoende tijd zou hebben om de noodzakelijke technische en organisatorische wijzigingen door te voeren;

B.  overwegende dat een snelle bekendmaking van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een tijdige tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake toezicht op producten en governancevereisten mogelijk maakt en de rechtszekerheid op dit gebied ten goede komt;

C.  overwegende dat het Parlement van mening is dat 23 februari 2018 de uiterste datum voor de omzetting van Richtlijn (EU) 2016/97 moet blijven, maar de Commissie verzoekt haar goedkeuring te hechten aan een wetgevingsvoorstel om de toepassingsdatum vast te stellen op 1 oktober 2018;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling : informatievereisten en gedragsregels die van toepassing zijn op de distributie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten
PDF 242kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 21 september 2017 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van informatievereisten en gedragsregels die van toepassing zijn op de distributie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (C(2017)06229 – (2017/2855(DEA))
P8_TA(2017)0405B8-0575/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)06229),

–  gezien de brief van de Commissie economische en monetaire zaken van 16 oktober 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie(1), en met name artikel 28, lid 4, artikel 29, lid 4, artikel 30, lid 6, en artikel 39, lid 5,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 24 oktober 2017 verstreek,

A.  overwegende dat de gedelegeerde verordening met ingang van 23 februari 2018, de datum van inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2016/97, van toepassing moet zijn en dat de sector, indien het Parlement de toetsingsperiode van drie maanden waarover het beschikt volledig zou benutten, niet voldoende tijd zou hebben om de noodzakelijke technische en organisatorische wijzigingen door te voeren;

B.  overwegende dat een spoedige publicatie van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een tijdige tenuitvoerlegging van en rechtszekerheid betreffende de bepalingen die van toepassing zijn op verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten mogelijk zou maken;

C.  overwegende dat het Parlement van mening is dat 23 februari 2018 de uiterste datum voor de omzetting van Richtlijn (EU) 2016/97 moet blijven, maar verzoekt de Commissie haar goedkeuring te hechten aan een wetgevingsvoorstel waarin de toepassingsdatum wordt vastgelegd op 1 oktober 2018;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen inzake indirecte clearingregelingen (aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014)
PDF 243kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 22 september 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake indirecte clearingregelingen (C(2017)06268 – (2017/2860(DEA))
P8_TA(2017)0406B8-0574/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)06268),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 28 september 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien de brief van de Commissie economische en monetaire zaken van 16 oktober 2017 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(1), en met name en artikel 30, lid 2,

–  gezien artikel 13 en artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie(2),

–  gezien de ontwerpen van technische reguleringsnormen voor "indirecte clearingregelingen in het kader van EMIR en MiFIR", door de ESMA ingediend op 26 mei 2016 overeenkomstig artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) nr. 600/2014,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 24 oktober 2017 verstreek,

A.  overwegende dat de Commissie het ontwerp van technische reguleringsnorm pas heeft bevestigd 16 maanden na het te hebben ontvangen van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) op 26 mei 2016; overwegende dat de Commissie de ESMA in de loop van deze periode niet formeel geraadpleegd heeft over haar wijzigingen van dit ontwerp van technische reguleringsnorm, en de medewetgevers of het bedrijfsleven niet op de hoogte heeft gebracht van de redenen voor de vertraging, die de in Verordening (EU) nr. 1095/2010 bepaalde termijn van drie maanden overschrijdt; overwegende dat het onaanvaardbaar is dat de Commissie de termijn voor de bevestiging van het ontwerp van technische reguleringsnorm met meer dan een jaar heeft overschreden zonder de medewetgevers hierover te informeren;

B.  overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de vastgestelde technische reguleringsnorm wegens de wijzigingen van de Commissie "niet hetzelfde" is als het ontwerp van technische reguleringsnorm dat door de ESMA is ingediend, en dat het Parlement van mening is dat het over een termijn van drie maanden beschikt om bezwaar aan te tekenen tegen de technische reguleringsnorm ("toetsingstermijn"); overwegende dat de Commissie in haar brief van 28 september 2017 deze toetsingstermijn van drie maanden heeft bevestigd;

C.  overwegende dat de gedelegeerde verordening met ingang van 3 januari 2018, de datum van inwerkingtreding van Richtlijn 2014/65/EU ("MiFID II") en Verordening (EU) nr. 600/2014 ("MiFIR"), van toepassing moet zijn en dat de sector, indien het Parlement de toetsingstermijn van drie maanden waarover het beschikt volledig zou benutten, niet voldoende tijd zou hebben om de wijzigingen door te voeren;

D.  overwegende dat een spoedige publicatie van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een tijdige tenuitvoerlegging van en rechtszekerheid betreffende de bepalingen met betrekking tot indirecte clearing mogelijk zou maken;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84.
(2) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen betreffende indirecte clearingregelingen (wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013)
PDF 247kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 22 september 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 149/2013 van de Commissie met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende indirecte clearingregelingen (C(2017)06270 – (2017/2859(DEA))
P8_TA(2017)0407B8-0573/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)06270),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 28 september 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters, van 16 oktober 2017,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), en met name artikel 4, lid 4,

–  gezien artikel 13 en artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie(2),

–  gezien de ontwerpen van technische reguleringsnormen betreffende "indirecte clearingregelingen in het kader van EMIR en MiFIR", ingediend op 26 mei 2016 door de ESMA uit hoofde van artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) nr. 648/2012,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepje, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 24 oktober 2017 verstreek,

A.  overwegende dat de Commissie het ontwerp van technische reguleringsnorm pas 16 maanden nadat zij dit op 26 mei 2016 van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) had ontvangen, heeft bevestigd; overwegende dat zij de ESMA in de loop van deze periode niet formeel geraadpleegd heeft over haar wijzigingen van dit ontwerp van technische reguleringsnorm, en de medewetgevers of het bedrijfsleven niet op de hoogte heeft gebracht van de redenen voor de vertraging bij de bevestiging, die de in Verordening (EU) nr. 1095/2010 bepaalde termijn van drie maanden overschrijdt; overwegende dat het onaanvaardbaar is dat de Commissie de termijn voor de vaststelling van het ontwerp van technische reguleringsnorm met meer dan een jaar heeft overschreden zonder de medewetgevers daarvan op de hoogte te brengen;

B.  overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de vastgestelde technische reguleringsnorm als gevolg van de wijzigingen van de Commissie niet "identiek" is aan het door de ESMA ingediende ontwerp van technische reguleringsnorm, en dat het Parlement van mening is dat het over een termijn van drie maanden beschikt om bezwaar aan te tekenen tegen de technische reguleringsnorm ("toetsingstermijn"); overwegende dat de Commissie in haar brief van 28 september 2017 deze toetsingstermijn van drie maanden heeft bevestigd;

C.  overwegende dat de gedelegeerde verordening met ingang van 3 januari 2018, de datum van inwerkingtreding van Richtlijn 2014/65/EU ("MiFID II") en Verordening (EU) nr. 600/2014 ("MiFIR"), van toepassing moet zijn en dat het bedrijfsleven niet meer voldoende tijd zou hebben om de wijzigingen door te voeren indien het Parlement de toetsingstermijn van drie maanden waarover het beschikt volledig zou benutten;

D.  overwegende dat een spoedige publicatie van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad een tijdige tenuitvoerlegging van en rechtszekerheid betreffende de bepalingen met betrekking tot indirecte clearing mogelijk zou maken;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


Algemene begroting van de Europese Unie voor 2018 – alle afdelingen
PDF 432kWORD 69k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018 (11815/2017 – C8-0313/2017 – 2017/2044(BUD))
P8_TA(2017)0408A8-0299/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4) (IIA van 2 december 2013),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2017 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting(5),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2017 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2018(6),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, goedgekeurd door de Commissie op 29 juni 2017 (COM(2017)0400),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, vastgesteld door de Raad op 4 september 2017 en toegezonden aan het Europees Parlement op 13 september 2017 (11815/2017 – C8‑0313/2017),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2017 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2018(7),

–  gezien artikel 88 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0299/2017),

Afdeling III

Algemeen overzicht

1.  benadrukt dat de lezing van de begroting 2018 door het Parlement volledig recht doet aan de politieke prioriteiten die met een overweldigende meerderheid zijn vastgesteld in zijn bovengenoemde resoluties van 15 maart 2017 en van 5 juli 2017; herinnert eraan dat duurzame groei, werkgelegenheid, in het bijzonder werkgelegenheid voor jongeren, veiligheid en klimaatverandering de kern vormen van deze prioriteiten;

2.  benadrukt dat de Unie nog steeds wordt geconfronteerd met tal van uitdagingen en is ervan overtuigd dat de begroting van de Unie, met inachtneming van de begrotingsdiscipline, de nodige financiële middelen moet aanreiken om tegemoet te komen aan de politieke prioriteiten en de Unie in staat te stellen concrete oplossingen te vinden voor en een doeltreffend antwoord te bieden op deze uitdagingen; benadrukt dat de uitgaven van de Unie gebaseerd moeten zijn op het beginsel van Europese meerwaarde en het subsidiariteitsbeginsel moeten eerbiedigen;

3.  herhaalt zijn toezegging om Uniebeleid ter bevordering van banen en groei in alle regio's te financieren via investeringen in onderzoek, onderwijs, infrastructuur, kmo's en werkgelegenheid, met name jeugdwerkloosheid; begrijpt niet hoe de Unie, gezien de door de Raad voorgestelde bezuinigingen in rubriek 1a, op deze gebieden vorderingen kan maken; besluit daarentegen extra middelen uit te trekken voor onderzoeks- en innovatieprogramma's met een zeer hoog uitvoeringspercentage die, als gevolg van te veel inschrijvingen, een bijzonder laag slaagpercentage kennen wat de aanvragen betreft;

4.  blijft vasthouden aan de toezeggingen die het Parlement tijdens de onderhandelingen over het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) heeft gedaan, namelijk om de impact van de EFSI-gerelateerde bezuinigingen op Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure tot een minimum te beperken; stelt daarom voor deze bezuinigingen te compenseren door het oorspronkelijke jaarlijkse profiel van deze twee programma's te herstellen, opdat zij de doelstellingen die bij de vaststelling van de desbetreffende wetgeving zijn overeengekomen volledig kunnen verwezenlijken;

5.  spreekt zijn politieke steun uit voor de oprichting van het Europees Solidariteitskorps (ESC) en is ingenomen met het wetgevingsvoorstel van de Commissie op dit gebied; is evenwel van mening dat, in afwachting van een besluit over de financiering van het Europees Solidariteitskorps en de aanneming van de desbetreffende verordening overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure, er hiervoor geen financiering mag worden opgenomen in de begroting 2018; besluit daarom dat de desbetreffende kredieten en herschikkingen, die de Commissie in de ontwerpbegroting (OB) 2018 heeft opgenomen, momenteel moeten worden teruggedraaid omdat het besluit over de begroting 2018 geenszins mag vooruitlopen op het resultaat van de wetgevingsonderhandelingen; blijft erbij het besluit betreffende de financiering van het Europees Solidariteitskorps onmiddellijk via een gewijzigde begroting in de begroting van volgend jaar te integreren indien de onderhandelingen over de desbetreffende verordening niet zijn afgerond vóór het einde van de begrotingsprocedure 2018;

6.  is bezorgd over het feit dat de werkloosheid onder jongeren ongezien hoog blijft en is ervan overtuigd dat aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de toekomst van een hele generatie jonge Europeanen niet op het spel te zetten; besluit daarom de kredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) op te trekken tot boven het niveau dat de Commissie voor 2018 voorstelt; benadrukt dat deze verhoging moet worden gezien als een aanvulling op de algemene toewijzing voor het YEI die politieke steun heeft gekregen in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK, en niet louter als het vervroegd ter beschikking stellen van deze middelen in de begroting 2018;

7.  herinnert eraan dat het cohesiebeleid een belangrijke rol speelt bij de totstandbrenging van economische en sociale convergentie in de Unie en dus bij het zorgen voor ontwikkeling en groei; benadrukt dat de cohesiebeleidsprogramma's in 2018 naar verwachting een inhaalslag zullen maken en op kruissnelheid zullen komen; benadrukt dat het Parlement vastbesloten is om te zorgen voor gepaste kredieten voor deze programma's die deel uitmaken van het kernbeleid van de Unie; maakt zich evenwel zorgen over de onaanvaardbare vertraging bij de tenuitvoerlegging van operationele programma's op nationaal niveau; vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat de aanwijzing van autoriteiten voor beheer, controle en certificering wordt afgerond en dat de tenuitvoerlegging wordt versneld; verzoekt de Commissie voorts door te gaan met de vereenvoudiging van de desbetreffende procedures;

8.  is uiterst bezorgd over de toename van de instabiliteit en de onzekerheid, zowel binnen als buiten de Unie; benadrukt dat er een volkomen nieuwe aanpak nodig is, waarbij de Unie zich opnieuw richt op samenhang, integratie, vrede, duurzame ontwikkeling en mensenrechten; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun inspanningen te bundelen en op te drijven om de vrede te bewaren en conflicten te voorkomen; herinnert aan de wereldwijde inspiratie waarvoor het Goede-Vrijdagakkoord heeft gezorgd, maar is zich bewust van de ongekende uitdagingen en druk als gevolg van het Britse referendum in 2016; roept de Commissie en de lidstaten op hun steun voor verzoening te vergroten om te zorgen voor vrede en stabiliteit in Ierland;

9.  is van mening dat, hoewel de piek van de migratie- en vluchtelingencrisis momenteel afgezwakt lijkt, de Unie paraat moet zijn om in de toekomst te reageren op onvoorziene gebeurtenissen op dit gebied en een meer proactieve aanpak op het gebied van migratie aan de dag moet leggen; dringt er daarom bij de Commissie op aan permanent toezicht te houden op de geschiktheid van de toewijzingen in rubriek 3 en ten volle gebruik te maken van alle instrumenten die in het kader van het huidige MFK beschikbaar zijn om tijdig te reageren op onvoorziene gebeurtenissen die bijkomende financiering kunnen vergen; herinnert eraan dat, hoewel de Unie erin is geslaagd een aantal mechanismen in te voeren die helpen het hoofd te bieden aan deze situatie, er volgens de UNHCR in 2017 tot nu toe toch nog meer dan honderdduizend vluchtelingen en migranten over zee naar Europa zijn gekomen; besluit daarom tot een beperkte verhoging van de kredieten voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid, alsook voor de agentschappen met bevoegdheden op het gebied van asiel, zoals het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), die moeten worden voorzien van passende financiële en personele middelen; wijst er eens te meer op dat het maximum van rubriek 3 bij lange na niet toereikend is om te zorgen voor afdoende financiering voor de interne dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis, en evenmin voor andere prioritaire programma's, bijvoorbeeld op het gebied van cultuur en burgerschap;

10.  benadrukt dat de afgelopen jaren in ruime mate gebruik is gemaakt van rubriek 3 om de migratie- en vluchtelingencrisis aan te pakken en dat dergelijke acties moeten worden voortgezet zolang dit nodig is; merkt evenwel op dat de tot dusver verstrekte financiering ontoereikend is; besluit daarom de kredieten te verhogen voor de agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, die als gevolg van de toegenomen werklast en bijkomende taken de afgelopen jaren te kampen hadden met een tekort aan personeel en financiële middelen;

11.  benadrukt dat, gezien de recente bezorgdheid over de veiligheid in de hele Unie, de financiering uit rubriek 3 tevens oog moet hebben voor maatregelen die leiden tot meer veiligheid voor de burgers in de Unie;

12.  herhaalt dat een groot deel van de oplossing voor de migratie- en vluchtelingencrisis en voor het onveiligheidsgevoel van de burgers in de Unie ligt bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie en bij de toewijzing van voldoende financiële middelen voor de externe instrumenten die gericht zijn op het aanpakken van problemen zoals armoede, gebrek aan werkgelegenheid, onderwijs en economische kansen, instabiliteit, conflicten en klimaatverandering, die een van de onderliggende oorzaken is van de toenemende migratiestromen; is van mening dat de Unie optimaal gebruik moet maken van de financiële middelen in rubriek 4, die ontoereikend zijn gebleken om in dezelfde mate aandacht te besteden aan alle externe uitdagingen omdat de middelen duidelijk ontoereikend zijn en van nature moeten worden verhoogd;

13.  betreurt dat het Parlement bij het vaststellen van zijn standpunt onvoldoende is ingelicht over de budgettaire gevolgen van een eventueel politiek besluit om de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (FRT) uit te breiden; herhaalt zijn traditionele standpunt dat nieuwe initiatieven niet mogen worden gefinancierd ten koste van bestaande externe projecten van de EU; dringt er bijgevolg bij de Commissie op aan om, indien de FRT wordt verlengd, de financiering ervan via nieuwe middelen voor te stellen en meer lokale ngo's bij de uitvoering ervan te betrekken; wijst erop dat het maximum van rubriek 4 bij lange na niet toereikend is om een duurzaam en doeltreffend antwoord te bieden op de huidige externe uitdagingen, onder meer op het gebied van migratie en vluchtelingen;

14.  herinnert eraan dat de begroting van de Unie de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de klimaatdoelstellingen voor de lange termijn van de Unie zelf moet ondersteunen door te voldoen aan de doelstelling van 20 % uitgaven aan het klimaat in het MFK 2014-2020; betreurt dat de Commissie geen concrete en realistische voorstellen heeft gedaan om deze doelstellingen te bereiken; stelt daarom voor de kredieten voor aan het klimaat gerelateerde acties te verhogen boven het niveau van de OB; merkt evenwel op dat deze verhogingen niet toereikend zijn en roept de Commissie op alle nodige voorstellen in te dienen om de doelstellingen in de komende ontwerpbegrotingen te halen; merkt in dit verband op dat 8,2 % van de totale voorgestelde vastleggingskredieten in de OB verband houden met de bescherming van de biodiversiteit; wijst erop dat een jaarlijkse stijging van 0,1 % in schril contrast staat met de onrustwekkende en steeds snellere afname van soorten en habitats;

15.  waardeert het dat de nieuwe benadering van een resultaatgerichte begroting voor het eerst is opgenomen in de interne voorbereiding van de begroting van de Commissie om de uitgaven te toetsen op basis van de ervaringen die tot dusver zijn opgedaan en om mogelijke aanpassingen te identificeren;

16.  maakt de door de Raad voorgestelde verlagingen van de OB ongedaan; begrijpt de logica achter de voorgestelde verlagingen niet, bijvoorbeeld die bij Horizon 2020 en CEF, twee programma's die reeds zijn getroffen door herschikkingen ten behoeve van het EFSI, evenals die bij het extern beleid; betwist hoe dan ook het uitgesproken voornemen van de Raad om begrotingsonderdelen met een laag uitvoeringspercentage of een laag opnamevermogen te viseren, aangezien dit niet wordt gestaafd door de feitelijke uitvoeringscijfers en voorbijgaat aan de verschillende bestedingspatronen van bepaalde programma's;

17.  concludeert dat, met het oog op een adequate financiering van alle dringende behoeften en gezien de zeer krappe marges in het MFK in 2018, alle middelen die in de MFK-verordening voor flexibiliteit beschikbaar zijn zullen moeten worden ingezet; verwacht dat de Raad deze visie zal delen en dat tijdens het begrotingsoverleg vlot overeenstemming zal worden bereikt, waardoor de Unie tegen de situatie opgewassen moet zijn en doeltreffend moet kunnen reageren op de uitdagingen die zich zullen aandienen; benadrukt dat de elk begrotingsjaar terugkerende afwijking van de oorspronkelijke programmering in het kader van het huidige MFK pleit voor een opwaartse aanpassing van de maxima in het MFK voor de periode na 2020;

18.  stelt het totale bedrag van de kredieten voor 2018 vast op 162 597 930 901 EUR aan vastleggingskredieten en 146 712 004 932 EUR aan betalingskredieten;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

19.  verwerpt de onterechte verlaging door de Raad van 750 miljoen EUR in rubriek 1a, die op zich bijna twee derde uitmaakt van de totale bezuinigingen van de Raad op vastleggingskredieten in MFK-rubrieken; merkt op dat deze verlaging indruist tegen de door de Raad zelf aangekondigde politieke prioriteiten;

20.  benadrukt dat het met het oog op duurzame groei en het scheppen van banen in de Unie van cruciaal belang is investeringen in onderzoek, innovatie, onderwijs, infrastructuur en mkmo's te stimuleren; waarschuwt dat deze bezuinigingen die de Raad voorstelt een bedreiging vormen voor programma's met een echte Europese meerwaarde en met een rechtstreeks effect op het creëren van groei en banen, zoals Horizon 2020 of de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen; wijst er met name op dat voldoende financiering voor Horizon 2020 van essentieel belang is voor de ontwikkeling van onderzoek en innovatie, leiderschap op het gebied van digitalisering en de ondersteuning van kmo's in Europa; herinnert eraan dat uit dit programma een grote Europese meerwaarde is gebleken, waarbij 83 % van de door Horizon 2020 gefinancierde projecten niet zou zijn doorgegaan zonder steun van de Unie; wijst eens te meer op het belang van de CEF voor de voltooiing van het TEN-V-netwerk en voor de totstandbrenging van een interne Europese vervoersruimte; besluit daarom alle verlagingen van de Raad ongedaan te maken en bovendien het oorspronkelijke profiel van de begrotingsonderdelen voor Horizon 2020 en de CEF, die werden verlaagd om het EFSI-garantiefonds te financieren, volledig te herstellen;

21.  benadrukt verder dat de kredieten voor zowel het onderdeel onderwijs en opleiding als het onderdeel jeugd van Erasmus+ moeten worden verhoogd in het kader van strategische investeringen in Europese jongeren;

22.  benadrukt dat voldoende financiële steun voor micro-ondernemingen, ondernemers en kmo's een topprioriteit voor de Unie moet zijn, aangezien deze de voornaamste bron van nieuwe werkgelegenheid in heel Europa zijn; benadrukt dat het waarborgen van goede toegang tot financiering van cruciaal belang is om kmo's concurrentieel te houden en hen te helpen uitdagingen aan te pakken op het gebied van toegang tot de interne markt en de wereldmarkt;

23.  besluit daarom tot een verhoging van de kredieten boven het niveau van de ontwerpbegroting en van het pre-EFSI- en pre-ESC-profiel voor de programma's die van cruciaal belang zijn ter bevordering van groei en banen en een afspiegeling vormen van de algemeen overeengekomen EU-prioriteiten, met name Erasmus+, Horizon 2020 (Marie Curie, Europese Onderzoeksraad, kmo-instrument), Cosme en EaSI (Progress en Eures); dringt er bij de Commissie op aan te voorzien in toereikende financiering voor de begrotingsonderdelen met betrekking tot WiFi4EU en haar toezegging inzake investeringen tussen 2017 en 2020 na te komen;

24.  is ingenomen met de invoering van het begrotingsonderdeel voor specifieke jaarlijkse evenementen in de begroting 2018, wat ervoor moet zorgen dat burgers zich meer een deel van Europa voelen; merkt op dat deze evenementen duidelijk moeten zorgen voor een meerwaarde voor de Europese burgers in alle lidstaten;

25.  benadrukt het feit dat het belangrijk is coöperatief defensieonderzoek in Europa te stimuleren om essentiële capaciteitstekorten aan te pakken, nu de internationale ontwikkelingen en onzekerheden het steeds meer nodig maken dat Europa haar defensie-inspanningen opvoert; steunt de verhoging van de kredieten voor de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek; pleit voor een programma voor defensieonderzoek met een eigen begroting binnen het volgende meerjarig financieel kader; herhaalt evenwel zijn traditionele standpunt dat nieuwe initiatieven moeten worden gefinancierd met nieuwe middelen en niet ten koste van bestaande programma's van de Unie; benadrukt voorts dat het concurrentie- en innovatievermogen van de Europese defensie-industrie moet worden vergroot;

26.  is van mening dat in het kader van de begroting 2018 in meer middelen moet worden voorzien om een uitvoerige en objectieve beoordeling te verrichten van het risico dat derde landen vanwege hun strategische tekortkomingen veroorzaken op het gebied van de bestrijding van witwaspraktijken en terrorismefinanciering, aan de hand van de criteria die zijn vastgesteld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849(8), en om een lijst van rechtsgebieden met een "hoog risico" aan te leggen;

27.  verzoekt de Commissie een adequaat niveau van toewijzingen te waarborgen om het referentielaboratorium voor alternatieven voor dierproeven van de Europese Unie (EURL ECVAM) in staat te stellen zijn opdracht en taken uit te voeren zoals opgesomd in bijlage VII bij Richtlijn 2010/63/EU(9), met bijzondere aandacht voor de coördinatie en bevordering van de ontwikkeling en toepassing van alternatieven voor dierproeven, met inbegrip van fundamenteel en toegepast onderzoek en voorgeschreven proeven;

28.  verhoogt bijgevolg de vastleggingskredieten voor rubriek 1a ten opzichte van de OB met 143,9 miljoen EUR (pre-EFSI- en pre-ESC-herstel, proefprojecten en voorbereidende acties niet meegerekend), wat moet worden gefinancierd binnen de beschikbare marge en door een verdere beschikbaarstelling van de overkoepelende marge voor vastleggingen;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

29.  is het niet eens met de door de Raad voorgestelde verlaging van de betalingskredieten met 240 miljoen EUR voor rubriek 1b, onder meer op ondersteunende begrotingsonderdelen, en maakt deze ongedaan, in afwachting van geactualiseerde ramingen van de Commissie;

30.  merkt met toenemende bezorgdheid op dat de onaanvaardbare vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen de doeltreffendheid ervan hebben ondermijnd en de druk op de beheersautoriteiten en begunstigden hebben vergroot; wijst er eens te meer op dat de huidige vertragingen kunnen leiden tot de accumulatie van onbetaalde rekeningen in de tweede helft van het huidige MFK en aan het begin van het volgende MFK; herhaalt met klem zijn oproep aan de lidstaten om advies en hulp te vragen aan de Commissie om de vertragingen bij de aanwijzing van beheers-, certificerings- en controleautoriteiten aan te pakken; is tevens verontrust over de neerwaartse trend en het gebrek aan nauwkeurigheid van de ramingen van de lidstaten;

31.  herinnert eraan dat de jeugdwerkloosheid in de Unie onaanvaardbaar hoog blijft; benadrukt dat het voor de aanpak van dit probleem van belang is te zorgen voor de passende financiering van de jongerengarantie in het kader van het YEI en het ESF; is ingenomen met de overeenkomst over de vereiste nieuwe financiering voor het YEI, en met de opname van de overeenkomstige kredieten in de OB 2018; is evenwel van mening dat, gezien de uitdagingen en risico's van de werkloosheid onder jongeren, het YEI over meer kredieten moet beschikken en besluit bijgevolg de vastleggingskredieten voor het YEI in 2018 te verhogen tot 600 miljoen EUR; is verder van mening dat op jongeren gerichte beroepsopleidingsacties, en met name het leerlingstelsel, in aanmerking moeten komen voor financiering uit hoofde van het cohesiebeleid;

32.  is ingenomen met de 142,8 miljoen EUR aan nieuwe financiële middelen die werden vrijgemaakt om de tenuitvoerlegging van het steunprogramma voor structurele hervormingen in de periode 2017-2020 te vergemakkelijken;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

33.  herinnert eraan dat de door de Commissie voorgestelde kredietverhoging ter financiering van de behoeften van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) vooral het gevolg is van een aanzienlijk lager bedrag aan bestemmingsontvangsten dat naar verwachting in 2018 beschikbaar zal zijn; neemt kennis van de verlaging door de Raad met 275 miljoen EUR, maar is van mening dat de nota van wijzigingen van de Commissie de basis moet blijven voor een betrouwbare herziening van de ELGF-kredieten en voert bijgevolg de bedragen van de OB opnieuw op, in afwachting van de behandeling van deze nota van wijzigingen tijdens het begrotingsoverleg;

34.  benadrukt dat opslagprogramma's in tijden van crisis een nuttig instrument zijn gebleken en dat een beperking van de voorziene financiële middelen in het planningsproces contraproductief zou zijn;

35.  benadrukt dat een deel van de oplossing voor het probleem van de jeugdwerkloosheid ligt in het verlenen van passende steun aan jongeren in plattelandsgebieden; stelt daarom voor de betalingskredieten voor jonge landbouwers te verhogen met 50 miljoen EUR boven het niveau van de OB; wijst erop dat het noodzakelijk is de toegang van jongeren tot beroepen in de visserij te bevorderen met steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en andere financiering van de Unie;

36.  besluit, overeenkomstig zijn Europa 2020-doelstellingen en zijn internationale toezeggingen om de klimaatverandering aan te pakken, de kredieten voor klimaatgerelateerde acties te verhogen met 21,2 miljoen EUR boven het niveau van de OB; herhaalt dat zowel de Europese Rekenkamer (ERK) als Ecofin hebben vastgesteld dat de begroting van de Unie niet aansluit bij haar klimaatdoelstellingen;

37.  herinnert eraan dat het geld van de belastingbetalers niet moet worden gebruikt ter ondersteuning van het fokken van stieren die worden gebruikt voor stierengevechten; is van mening dat het fokken voor deze doeleinden niet voor basisbetalingen in aanmerking mag komen en verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen tot wijziging van de huidige wetgeving op dit gebied;

38.  verhoogt daarom de vastleggingskredieten met 78,1 miljoen EUR, waarbij er een marge blijft van 619,7 miljoen EUR onder het maximum voor de vastleggingen in rubriek 2 na aftrek van de proefprojecten en voorbereidende acties;

39.  merkt met spijt op dat rampen doorgaans diegenen treffen die zichzelf minder goed kunnen beschermen, ongeacht of het gaat om personen of landen; is van mening dat zo snel mogelijk moet worden gereageerd op natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen zodat de schade minimaal blijft en mensen en goederen kunnen worden gered; vestigt de aandacht op de noodzakelijke extra verhoging van de kredieten, met name voor de begrotingsonderdelen die verband houden met de preventie van en paraatheid voor rampen binnen de Unie, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de bosbranden in Spanje en Portugal (met het tragische verlies van mensenlevens tot gevolg), die dramatische en enorme gevolgen hebben voor de bevolking;

40.  vestigt de aandacht op de factoren die een bedreiging vormen voor tal van bosecosystemen, zoals onder meer bosbranden en de verspreiding van invasieve uitheemse soorten, plagen en ziekten (zoals het dennenaaltje); is van mening dat er via communautaire steunprogramma's en -maatregelen voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor de beoordeling van de ecologische en fytosanitaire gezondheid van de bossen en het herstel hiervan, inclusief herbebossing; wijst erop dat deze middelen bijzonder belangrijk en urgent zijn voor een aantal lidstaten, met name Portugal en Spanje vanwege de eerdere opeenvolgende branden op hun gehele grondgebied;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

41.  benadrukt dat het aanpakken van migratie en veiligheid voor het Parlement bovenaan de prioriteitenlijst van de Unie moet staan, en herhaalt zijn overtuiging dat het maximum van rubriek 3 absoluut onvoldoende is gebleken om de interne dimensie van deze uitdagingen te financieren;

42.  merkt op dat, waar het aantal migranten dat via de route door het centrale en oostelijke Middellandse Zeegebied de Unie binnenkomt in de eerste negen maanden van 2017 is gedaald, de druk op de route door het westelijke Middellandse Zeegebied blijft bestaan; merkt op dat meer dan honderdduizend migranten en vluchtelingen in de eerste negen maanden van 2017 over zee Europa zijn binnengekomen, waarvan ruim 75 % in Italië aankomt en de rest verspreid over Griekenland, Cyprus en Spanje; is van mening dat er meer middelen nodig zijn om de behoeften van de Unie op het gebied van migratie volledig te dekken, met name via het Fonds voor asiel, migratie en integratie, om de lidstaten te helpen de integratiemaatregelen en -praktijken te verbeteren voor personen die internationale bescherming nodig hebben, in het bijzonder niet-begeleide minderjarigen, en, indien nodig, om terugkeeroperaties uit te voeren voor personen die geen recht hebben op bescherming, met volledige inachtneming van het beginsel van non-refoulement; benadrukt in dit verband ook dat het EASO over passende financiële en personele middelen moet beschikken opdat het agentschap zijn opgedragen taken kan uitvoeren;

43.  is voorstander van de invoering van een nieuw begrotingsonderdeel voor een opsporings- en reddingsfonds om de lidstaten te ondersteunen bij hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal zeerecht; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor de oprichting van zo'n opsporings- en reddingsfonds van de EU;

44.  is ervan overtuigd dat, met het oog op een doeltreffende aanpak van het onveiligheidsgevoel van de burgers van de Unie, de begroting van het Fonds voor interne veiligheid moet worden opgetrokken om de lidstaten beter uit te rusten voor de strijd tegen terrorisme, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, radicalisering en cybercriminaliteit; benadrukt met name dat er voldoende middelen moeten worden vrijgemaakt om de beveiligingsinfrastructuur te versterken en de uitwisseling van informatie tussen rechtshandhavingsinstanties en nationale autoriteiten te bevorderen, onder meer via een betere interoperabiliteit van de informatiesystemen, waarbij de individuele rechten en vrijheden altijd moeten worden geëerbiedigd;

45.  benadrukt de cruciale rol van de agentschappen van de Unie op het gebied van justitie en binnenlandse zaken bij het aanpakken van belangrijke zorgpunten van burgers van de Unie; besluit daarom de kredieten en het personeelsbestand te verhogen voor het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), met inbegrip van 7 nieuwe posten voor de nieuwe operationele afdeling onder de naam "Operationele afdeling van Europol voor vermiste kinderen", alsook voor de Europese Eenheid voor justitiële samenwerking (Eurojust), het EASO en het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol); wijst nogmaals op de bijdrage van deze organen aan de versterking van de samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied;

46.  verzoekt de Commissie, in het licht van de werkelijke vooruitgang die is geboekt bij de lopende interinstitutionele onderhandelingen, geactualiseerde informatie te verstrekken over de financiële gevolgen in 2018 van hangende wetgevingsvoorstellen in het kader van de Europese migratieagenda, met name de hervorming van het Dublinsysteem, het inreis-uitreissysteem, het EU-Systeem voor reisinformatie en -autorisatie en het EASO, zodat hiermee tijdens het begrotingsoverleg rekening kan worden gehouden;

47.  betreurt de willekeurige bezuinigingen van de Raad van meer dan 30 miljoen EUR aan vastleggingskredieten bij tal van programma's op het gebied van cultuur, burgerschap, justitie, volksgezondheid, consumentenrechten en civiele bescherming, niettegenstaande de uitstekende uitvoeringspercentages van deze programma's en ondanks een reeds ontoereikend financieringsniveau waardoor veel projecten van hoge kwaliteit niet kunnen worden gefinancierd; voert voor alle begrotingsonderdelen opnieuw de bedragen van de OB op en stelt voor een aantal onderdelen bijkomende kredieten voor;

48.  herhaalt zijn overtuiging dat het tijd is om te zorgen voor een betere financiering voor belangrijke programma's van de Unie op het gebied van cultuur en burgerschap, met name Creatief Europa en Europa voor de burger, die van fundamenteel belang zijn voor het ondersteunen van de culturele en creatieve sector, alsook voor actief burgerschap, met name in het licht van de Europese verkiezingen in 2019; wijst er nogmaals op dat alle instellingen zich moeten houden aan het politieke akkoord over de financiering in 2018 voor het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed door hiervoor te voorzien in voldoende kredieten via het subprogramma Cultuur van Creatief Europa, bij gebrek aan een afzonderlijk begrotingsonderdeel voor het Jaar; verzoekt de Commissie initiatieven in het kader van het begrotingsonderdeel "multimedia-acties" aan een beoordeling te onderwerpen om ervoor te zorgen dat de begroting daadwerkelijk een kwalitatief hoogwaardige en onafhankelijke berichtgeving over de Unie ten goede komt;

49.  is voorstander van meer transparantie en een grotere zichtbaarheid van de Daphne-doelstelling van het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap, omdat dit een belangrijk instrument van de Unie is bij de bestrijding van alle vormen van geweld tegen kinderen, jongeren, vrouwen, LGBTI en andere risicogroepen; steunt de oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld binnen het Europees Instituut voor gendergelijkheid;

50.  verhoogt de vastleggingskredieten voor rubriek 3 met 108,8 miljoen EUR boven de OB (proefprojecten en voorbereidende acties niet meegerekend), en stelt voor deze verhoging te financieren door een verdere beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

51.  benadrukt eens te meer dat het extern optreden van de Unie wordt geconfronteerd met steeds grotere financieringsbehoeften die aanzienlijk hoger liggen dan de huidige omvang van rubriek 4; is van mening dat het vrijmaken van middelen uit de begroting van de Unie om de migratie-uitdaging het hoofd te bieden de komende jaren dynamische antwoorden zal blijven vergen; benadrukt het feit dat een ad-hocverhoging voor één jaar, zoals in 2017, niet als voldoende kan worden beschouwd gezien de complexe uitdagingen waaraan de Unie het hoofd moet bieden en de dringende behoefte aan een sterkere externe aanwezigheid van de Unie in de huidige geglobaliseerde wereld;

52.  is van mening dat prioriteit moet worden gegeven aan de onmiddellijke buurlanden van de Unie en aan maatregelen die de belangrijkste problemen aanpakken waarmee zij worden geconfronteerd, namelijk de migratie- en vluchtelingencrisis en de daarmee samenhangende humanitaire uitdagingen in de buurlanden in het zuiden, en de Russische agressie in de buurlanden in het oosten; is van mening dat stabiliteit en welvaart in de buurlanden van de Unie bevorderlijk zijn voor zowel de betrokken regio's als voor de Unie in haar geheel; herhaalt zijn oproep voor meer steun aan het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en de UNRWA om het hoofd te kunnen bieden aan de toenemende behoeften en de uitdrukkelijke doelstelling van de Unie te verwezenlijken, namelijk de ontwikkeling en de stabiliteit in de regio bevorderen en de veerkracht van de Palestijnen ondersteunen; herhaalt dat het steunen van landen die associatieovereenkomsten met de Unie uitvoeren van cruciaal belang is voor het bevorderen van politieke en economische hervormingen, maar benadrukt dat deze steun enkel mag worden verleend zolang deze landen voldoen aan de daarvoor geldende criteria, met name op het gebied van de rechtsstaat en het tot stand brengen van democratische instellingen; besluit bijgevolg de middelen voor het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) en voor macrofinanciële bijstand (MFA) te verhogen;

53.  benadrukt het belang van de rol die Europa op wereldniveau speelt bij de uitbanning van armoede en bij de ontwikkeling van de meest achtergestelde regio's, in overeenstemming met de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; wijst daarom extra financiële middelen toe aan het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) en humanitaire hulpverlening; herinnert eraan dat een aanzienlijk deel van de migranten die de Middellandse Zee oversteken uit Sub-Saharaans Afrika komen en dat de steun van de Unie in deze regio bijgevolg van cruciaal belang is om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken;

54.  is gekant tegen de drastische verlaging van de financiële bijdragen uit de financieringsinstrumenten voor het externe optreden (ENI, IPA, PI en DCI) aan Erasmus+, niettegenstaande het feit dat uitwisselingsprogramma's voor jongeren een van de meest succesvolle langetermijninvesteringen in culturele diplomatie en wederzijds begrip zijn, en besluit daarom deze bijdragen te verhogen;

55.  besluit, gezien de zorgwekkende verslechtering van de situatie op het gebied van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, de steun voor politieke hervormingen in Turkije te verlagen; besluit een deel van de resterende kredieten in de reserve te plaatsen en wijst erop dat deze middelen kunnen worden vrijgemaakt wanneer Turkije zorgt voor meetbare verbeteringen wat betreft de rechtsstaat, de democratie, de mensenrechten en de persvrijheid, met als doel dat deze middelen ten goede komen aan actoren in het maatschappelijk middenveld voor de tenuitvoerlegging van maatregelen om deze doelen te ondersteunen;

56.  is van mening dat er bijkomende financiële middelen nodig zijn om desinformatiecampagnes adequaat aan te pakken en om een objectief beeld van de Unie buiten haar grenzen te bevorderen; dringt daarom aan op meer financiering om desinformatiecampagnes en cyberaanvallen tegen te gaan; besluit daarom meer middelen uit te trekken voor strategische communicatieacties in de buurlanden en in de Westelijke Balkan; herinnert eraan dat het belangrijk is te investeren in de zichtbaarheid van het extern optreden van de Unie om de impact van de financiering op dit gebied te vergroten en de publieke diplomatie te intensiveren overeenkomstig de ambities in het kader van de integrale Uniestrategie;

57.  acht het noodzakelijk de kredieten op het begrotingsonderdeel voor de Turks-Cypriotische gemeenschap te verhogen om een beslissende bijdrage te leveren aan de voortzetting en intensivering van de missie van het Comité inzake vermiste personen op Cyprus, aan het welzijn van de Maronieten die willen terugkeren alsook aan het welzijn van alle personen in de enclave, zoals overeengekomen in de Derde Overeenkomst van Wenen, en om het door de twee gemeenschappen opgezette technische comité voor cultureel erfgoed te ondersteunen, en zo het vertrouwen en de verzoening tussen de twee gemeenschappen te bevorderen;

58.  benadrukt dat de tendens van de Commissie om haar toevlucht te zoeken tot satellietmechanismen op het gebied van begroting, zoals trustfondsen en andere soortgelijke instrumenten, niet altijd een succes is gebleken; is bezorgd dat de vaststelling van financiële instrumenten buiten de begroting van de Unie een bedreiging kan vormen voor de eenheid ervan en de begrotingsprocedure kan omzeilen, en tegelijkertijd het transparante beheer van de begroting ondermijnt en het recht van het Parlement belemmert om de uitgaven doeltreffend te kunnen controleren; is daarom van mening dat de externe instrumenten die de afgelopen jaren in het leven zijn geroepen, in de begroting van de Unie moeten worden opgenomen, en dat het Parlement de tenuitvoerlegging van deze instrumenten volledig moet kunnen toetsen; merkt op dat eind september 2017 in totaal 795,4 miljoen EUR in de begroting 2017 was vastgelegd voor de trustfondsen van de EU; verzoekt de Commissie de het Europees Parlement en de Raad mee te delen welk bedrag zij in 2018 voor de trustfondsen denkt vast te leggen; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat de bijdragen van de lidstaten aan deze trustfondsen neigen achter te blijven op hun toezeggingen; neemt kennis van Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Europese Rekenkamer over het EU-Trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek; is bezorgd over de door de Rekenkamer geconstateerde tekortkomingen, zoals het ontbreken van een omvattende behoeftenanalyse en de slecht functionerende mechanismen voor coördinatie met andere donoren; spreekt zijn voornemen uit om na te gaan welke meerwaarde trustfondsen van de EU bieden als instrument van het extern beleid van de Unie;

59.  herinnert eraan dat alle uitgaven en ontvangsten van de Unie en Euratom krachtens artikel 24 van de MFK-verordening moeten worden opgenomen in de algemene begroting van de Unie overeenkomstig artikel 7 van het Financieel Reglement; vraagt de Commissie de eenheid van de begroting te waarborgen en dit beginsel als leidend te beschouwen wanneer zij nieuwe initiatieven voorstelt;

60.  benadrukt het belang van verkiezingswaarnemingsmissies om de democratische instellingen te versterken en het vertrouwen van de bevolking in verkiezingsprocessen te vergroten, wat op zijn beurt vrede en stabiliteit bevordert; benadrukt dat voor dit doel in voldoende financiële middelen moet worden voorzien;

61.  wijst erop dat de kredieten van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) niet mogen worden herschikt om het nieuwe initiatief inzake capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling (CBSD) in het kader van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) te financieren; betreurt dat in het voorstel van OB wordt voorgesteld 7,5 miljoen EUR over te hevelen van het DCI naar de CBSD, en benadrukt dat er dringend alternatieve oplossingen moeten worden gevonden om deze leemte op te vullen;

62.  herhaalt zijn verzoek om het begrotingsonderdeel voor de speciale vertegenwoordigers van de EU op een begrotingsneutrale manier over te hevelen van de GBVB-begroting naar de administratieve begroting van de EDEO om de diplomatieke activiteiten van de Unie verder te consolideren;

63.  besluit daarom bijna alle verlagingen van de Raad ongedaan te maken en de vastleggingskredieten voor rubriek 4 te verhogen met 299,7 miljoen EUR boven de OB (proefprojecten en voorbereidende acties, de overheveling van de speciale vertegenwoordigers van de EU en de goedgekeurde verlagingen niet meegerekend);

Rubriek 5 – Administratie; Overige rubrieken – administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek

64.  is van mening dat de verlagingen van de Raad niet overeenstemmen met de reële behoeften en bijgevolg de reeds aanzienlijk gerationaliseerde administratieve uitgaven in het gedrang brengen; voert daarom de bedragen van de OB opnieuw op voor alle administratieve uitgaven van de Commissie, met inbegrip van de administratieve uitgaven en ondersteunende uitgaven voor onderzoek in de rubrieken 1 tot en met 4;

65.  besluit, overeenkomstig de conclusie van het gezamenlijk advies van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie inzake de drie aspecten van de betrekkingen tussen het OLAF en het comité van toezicht van 12 september 2016, om 10 % van de kredieten van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in te houden totdat het comité van toezicht toegang wordt verleend tot de dossiers van het OLAF, terwijl zijn begroting lichtjes wordt verhoogd, in overeenstemming met de toegenomen taken;

66.  neemt kennis van het feit dat het OLAF begin 2017 een onderzoek heeft ingesteld naar een ernstig geval van douanefraude in het Verenigd Koninkrijk waarbij ingevoerde producten te laag werden getaxeerd, wat heeft geleid tot een inkomstenderving voor de begroting van de Unie van bijna 2 miljard EUR in de periode 2013-2016; vreest dat er nog steeds geen einde is gemaakt aan deze fraude en dat de verliezen voor de begroting van de Unie blijven oplopen; verzoekt de Commissie bij de onderhandelingen over de brexit rekening te houden met de trage reactie van de Britse overheid op haar aanbevelingen ter zake; verzoekt de lidstaten die bezwaar hebben gemaakt tegen het rechtskader van de Unie voor douaneovertredingen en -sancties hun standpunt te herzien om dit probleem spoedig te kunnen oplossen;

Gedecentraliseerde agentschappen

67.  steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de agentschappen; is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van de agentschappen in gevaar zouden brengen en hen zouden beletten de taken uit te voeren die hun zijn toegewezen; is van mening dat de nieuwe posten die het in zijn standpunt heeft goedgekeurd, noodzakelijk zijn om bijkomende taken te verrichten die voortvloeien uit nieuwe beleidsontwikkelingen en nieuwe regelgeving; herhaalt zijn toezegging om de nodige middelen te vrijwaren en indien nodig in extra middelen te voorzien om de goede werking van de agentschappen te waarborgen;

68.  besluit, gezien de uitdagingen die de Unie nog steeds het hoofd moet bieden op het vlak van migratie en veiligheid, en rekening houdend met het feit dat een gecoördineerde Europese respons vereist is, de kredieten te verhogen voor Europol, Eurojust, Cepol, het EASO en het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa);

69.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat de Unie zich met name richt op concurrentievermogen voor groei en banen; herinnert aan de strategische prioriteit van de Unie om haar projecten inzake Galileo en Egnos, waarvoor het Europees GNSS-Agentschap (GSA) gedeeltelijk verantwoordelijk is, volledig te ontwikkelen en uit te voeren; herinnert eraan dat het GSA op het gebied van cyberbeveiliging en de publiek gereguleerde dienst over te weinig middelen beschikt en besluit daarom zijn kredieten te verhogen;

70.  is van mening dat het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) extra kredieten en personeel nodig heeft voor zijn uitgebreide taken inzake de tenuitvoerlegging van de netcodes en richtsnoeren voor elektriciteit en gas en het toezicht daarop;

71.  brengt met name in herinnering dat het Europees Milieuagentschap (EMA) de Unie bijstaat bij het nemen van geïnformeerde beslissingen met betrekking tot de verbetering van het milieu, waarbij milieuoverwegingen in economisch beleid worden geïntegreerd en wordt toegewerkt naar duurzaamheid, en dat de Commissie in het licht van het klimaat- en energiebeleid van de Unie voor 2030 heeft voorgesteld de werkzaamheden van het EMA uit te breiden met nieuwe taken in verband met het beheer van de energie-unie, zonder het personeelsbestand dienovereenkomstig uit te breiden;

72.  benadrukt dat de begrotingsmiddelen en het aantal posten waarover de Europese grens- en kustwacht beschikt momenteel weliswaar toereikend lijken, maar dat zorgvuldig in de gaten moet worden gehouden hoe de behoeften van het agentschap inzake operationele middelen en personeel zich ontwikkelen;

73.  is ingenomen met het feit dat in de begroting 2018 passende middelen zijn opgenomen ter ondersteuning van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's); benadrukt dat de rol van de ETA's van essentieel belang is voor het bevorderen van de consistente toepassing van het recht van de Unie en een betere coördinatie tussen de nationale instanties, en voor het waarborgen van financiële stabiliteit, beter geïntegreerde financiële markten, consumentenbescherming en toezichtsconvergentie; benadrukt dat de ETA's zich in het belang van het zorgvuldig gebruik van hun begroting strikt moeten houden aan de hun door de Uniewetgever toegekende taken;

74.  herhaalt dat, zoals in het IIA van 2 december 2013 is overeengekomen, 2018 het laatste jaar is waarin de personeelsinkrimping met 5 % en de herindelingspool op het personeelsbestand van de agentschappen worden toegepast; herhaalt dat het gekant is tegen elke voortzetting van een globale benadering voor de middelen van de agentschappen na 2018; bevestigt dat het wil komen tot meer efficiëntie, dit via meer administratieve samenwerking tussen agentschappen of in voorkomend geval zelfs via fusies, alsook via het delen van bepaalde functies met de Commissie of een ander agentschap; is in dit verband ingenomen met het initiatief om de activiteiten van de agentschappen verder te coördineren via de oprichting van een vast secretariaat van het netwerk van EU-agentschappen (momenteel Shared Support Office genoemd), en steunt de toekenning van een extra post aan het organigram van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, waarvan de kosten gezamenlijk zullen worden gedragen door de begrotingen van de agentschappen van de Unie onder de vorm van detachering naar dat agentschap;

Proefprojecten en voorbereidende acties (PP's en VA's)

75.  besluit na een grondige analyse van de ingediende PP's en VA's, tegen de achtergrond van de mate van succes van de lopende projecten en acties, de initiatieven die al gedekt zijn door bestaande rechtsgronden buiten beschouwing latend en ten volle rekening houdend met de beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de projecten, een compromispakket goed te keuren met een beperkt aantal PP's en VA's, mede gelet op de beperkte marges die beschikbaar zijn en de maxima voor PP's en VA's;

76.  vestigt daarom de aandacht op de inspanningen die het Parlement in dit verband heeft gedaan en verzoekt de Commissie bij de uitvoering van de PP's en VA's die aan het eind van de begrotingsprocedure worden goedgekeurd, ongeacht haar uitvoerbaarheidsbeoordeling haar goede wil te tonen ten aanzien van alle besluiten van het Europees Parlement en de Raad;

Speciale instrumenten

77.  herinnert aan het nut van speciale instrumenten die voorzien in flexibiliteit die verder gaat dan de zeer krappe maxima van het huidige MFK en is ingenomen met de verbeteringen die tot stand zijn gekomen dankzij de tussentijdse herziening van de MFK-verordening; pleit voor een uitgebreid gebruik van het flexibiliteitsinstrument, de overkoepelende marge voor vastleggingen en de marge voor onvoorziene uitgaven ter financiering van het brede scala aan nieuwe uitdagingen en bijkomende verantwoordelijkheden waarmee de begroting van de Unie wordt geconfronteerd;

78.  dringt aan op een verhoging van de kredieten voor de reserve voor noodhulp (EAR) en het Solidariteitsfonds van de EU (SFEU) naar aanleiding van de recentste tragische rampen, met name de bosbranden en de extreme droogte in Portugal en Spanje;

79.  herinnert tevens aan het belang van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), de EAR en het SFEU; steunt het voornemen van de Commissie om te zorgen voor een snellere beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU door het grootste deel van zijn jaarlijkse bedrag in een reserve in de begroting van de Unie te plaatsen, bovenop het reeds in de begroting opgenomen bedrag voor voorschotten; betreurt de verlaging ter zake door de Raad en voert de bedragen van de OB gedeeltelijk opnieuw op, met uitzondering van het bedrag dat is vooruitgeschoven naar 2017 via gewijzigde begroting nr. 4/2017 en de beschikbaarstelling van middelen uit het SFEU voor Italië; dringt aan op de uitbreiding van het toepassingsgebied van het SFEU om bijstand te verlenen aan slachtoffers van terroristische daden en hun familie;

Betalingen

80.  is bezorgd over de huidige trend van weinig betalingen in de gehele begroting van de Unie, niet alleen in rubriek 1b maar ook in de rubrieken 3 en 4, ondanks het feit dat de Unie het hoofd moet bieden aan tal van nieuwe uitdagingen en flexibele financieringsmechanismen moet invoeren; herinnert eraan dat de betalingen in het kader van de begroting van de Unie de afgelopen twee jaar aanzienlijk zijn gedaald, in combinatie met een groot begrotingsoverschot; spreekt dan ook zijn bezorgdheid uit over het feit dat er in de OB sprake is van een ongekende marge van 10 miljard EUR onder het maximum voor de betalingskredieten, wat wijst op een lage uitvoeringstrend die kan leiden tot een acute druk op de betalingskredieten aan het eind van het huidige MFK;

81.  benadrukt dat het noodzakelijk is de betalingskredieten van de OB opnieuw op te voeren voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd, en de betalingskredieten op gerichte wijze te verhogen, vooral voor de begrotingsonderdelen waarvan de vastleggingskredieten zijn gewijzigd;

Overige afdelingen

82.  betreurt de terugkerende praktijk van de Raad om de forfaitaire verlaging voor de instellingen van de Unie te vergroten; is van mening dat dit een zeer verstorend effect heeft op de begroting van instellingen met een historisch correcte forfaitaire verlaging; is van mening dat er bij deze aanpak geen sprake is van een gerichte verlaging en evenmin van goed financieel beheer; voert daarom de forfaitaire verlaging van de OB opnieuw op;

Afdeling I – Europees Parlement

83.  behoudt zijn totale begroting voor 2018, zoals goedgekeurd in zijn bovengenoemde resolutie van 5 april 2017, op 1 953 483 373 EUR; neemt begrotingsneutrale technische aanpassingen op die rekening houden met geactualiseerde informatie die eerder dit jaar niet beschikbaar was;

84.  wijst erop dat de raming voor 2018 neerkomt op 18,88 %, wat lager is dan het in 2017 verwezenlijkte niveau (19,25 %) en het laagste aandeel van rubriek 5 vormt in de afgelopen vijftien jaar; benadrukt evenwel dat het streven naar zo laag mogelijke uitgaven voor het Europees Parlement niet ten koste mag gaan van een beperking van het vermogen van het Parlement om zijn gewone wetgevingswerkzaamheden te verrichten;

85.  herhaalt de prioriteiten van het Parlement voor het komende begrotingsjaar, namelijk de reeds genomen veiligheidsmaatregelen consolideren en de weerbaarheid tegen cyberaanvallen verbeteren, de eigen interne begrotingsprocedure transparanter maken, en de begroting van het Parlement richten op zijn kerntaken die bestaan uit wetgeven, optreden als één tak van de begrotingsautoriteit, de burgers vertegenwoordigen en toezicht uitoefenen op de werkzaamheden van de andere instellingen;

86.  is ingenomen met de oprichting van de werkgroep van het Bureau inzake de algemene kostenvergoeding; herinnert eraan dat er meer transparantie wordt verwacht ten aanzien van de algemene kostenvergoeding en dat werk moet worden gemaakt van de vaststelling van preciezere regels inzake verantwoording van de uitgaven die met deze vergoeding kunnen worden gedaan, zonder dat hierdoor voor het Parlement extra kosten ontstaan;

87.  vraagt het Bureau om de volgende concrete wijzigingen betreffende de vergoeding voor algemene uitgaven door te voeren:

   de vergoeding voor algemene uitgaven moet in elk geval worden behandeld op een afzonderlijke bankrekening;
   alle ontvangstbewijzen in verband met de vergoeding voor algemene uitgaven moeten door de leden bewaard worden;
   het niet-bestede deel van de vergoeding voor algemene uitgaven moet aan het eind van het mandaat worden teruggegeven;

88.  vermindert de personeelsformatie van zijn secretariaat-generaal voor 2018 met 60 posten (doelstelling tot vermindering met 1 %), overeenkomstig het akkoord van 14 november 2015 met de Raad over de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016; herinnert aan de 35 posten die het Parlement in 2016 heeft gekregen in verband met nieuwe activiteiten om de veiligheid te vergroten en die als zodanig buiten de doelstelling tot vermindering van het personeelsbestand vallen, zoals bevestigd bij de vaststelling van de gewijzigde begroting nr. 3/2016 en de algemene begroting 2017(10); verzoekt de Commissie haar monitoringtabellen dienovereenkomstig aan te passen om ervoor te zorgen dat het Europees Parlement en de Raad in alle fasen van de procedure over nauwkeurige informatie beschikt;

89.  is ingenomen met de gedachtewisseling over het gebouwenbeleid van het Parlement die op 11 juli 2017 heeft plaatsgevonden tussen de Begrotingscommissie, de secretaris-generaal en de vicevoorzitters die bevoegd zijn voor het gebouwenbeleid van het Parlement; is van mening dat deze dialoog een continu proces moet zijn, met name in het licht van het komende debat in het Bureau over de renovatie van het Paul Henri Spaakgebouw;

90.  herhaalt zijn standpunt zoals verwoord in zijn bovengenoemde resolutie van 5 april 2017 dat er nog ruimte is voor verbetering van de controlemechanismen met betrekking tot de Europese politieke partijen en politieke stichtingen; wijst in dit verband op het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014(11) en juicht alle inspanningen toe ter verbetering van de verantwoording en de transparantie van de uitgaven;

91.  herinnert aan de analyse die de Europese Rekenkamer in 2014 heeft verricht, waarin de kosten van de geografische spreiding van het Parlement worden geraamd op 114 miljoen EUR per jaar; wijst tevens op de bevinding in zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Europese Unie(12), dat 78 % van alle dienstreizen van statutair personeel van het Parlement een direct gevolg zijn van zijn geografische spreiding; beklemtoont verder dat de milieugevolgen van de geografische spreiding in het verslag worden geraamd op tussen de 11 000 en 19 000 ton aan CO2-emissies; benadrukt het negatieve beeld dat deze spreiding bij het publiek opwekt en roept daarom op tot de vaststelling van een stappenplan om te komen tot één enkele vestigingsplaats en een verlaging van de desbetreffende begrotingsonderdelen;

Afdeling IV – Hof van Justitie

92.  neemt de bedragen van de OB opnieuw op voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd en die essentieel zijn voor de werking van het Hof, en herstelt de raming voor twee begrotingsonderdelen die het Hof in staat moeten stellen beter het hoofd te bieden aan de almaar toenemende vraag naar vertaling;

93.  uit zijn ongeloof over de unilaterale verklaring van de Raad en de bijbehorende bijlage inzake de vermindering van het personeelsbestand met 5 % in het standpunt van de Raad over de OB 2018, met name dat het Hof zijn personeelsformatie met nog eens 19 posten moet inkrimpen; benadrukt dat het bij deze 19 posten gaat om de 12 en 7 posten die het Parlement en de Raad tijdens de begrotingsprocedures van respectievelijk 2015 en 2016 hebben toegekend met het oog op bijkomende behoeften, en dringt er daarom op aan dat deze 19 posten niet moeten worden teruggegeven, te meer omdat het Hof de vermindering van het personeel met 5 % reeds heeft verwezenlijkt door 98 posten in te leveren in de periode 2013-2017;

Afdeling V – Rekenkamer

94.  neemt de bedragen van de OB opnieuw op voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd, opdat de Rekenkamer haar werkprogramma kan uitvoeren en de geplande auditverslagen kan opstellen;

95.  plaatst de kredieten voor het onderdeel "beperkte studies, enquêtes en adviezen" in de reserve in afwachting van de uitkomst van de lopende onderhandelingen over de herziening van het Financieel Reglement en de inwerkingtreding ervan in 2018;

Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité

96.  neemt de bedragen van de OB opnieuw op voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd;

97.  verhoogt de kredieten op twee begrotingsonderdelen boven het bedrag van de OB met betrekking tot de werkzaamheden van interne adviesgroepen voor handelsovereenkomsten;

Afdeling VII – Comité van de Regio's

98.  neemt de bedragen van de OB opnieuw op voor alle begrotingsonderdelen die de Raad heeft verlaagd;

99.  verhoogt de kredieten op een aantal begrotingsonderdelen boven het bedrag van de OB overeenkomstig de eigen raming van het Comité van de Regio's;

Afdeling VIII – Europese Ombudsman

100.  is ingenomen met het werk van de Ombudsman om in de eigen begroting efficiëntieverbeteringen ten opzichte van het voorgaande jaar te vinden;

Afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

101.  vraagt zich af waarom de Raad de begroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming wil verlagen, gezien de bijkomende taken die het Parlement en de Raad aan de instelling hebben toegekend; maakt daarom alle verlagingen van de Raad ongedaan om de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling X – Europese Dienst voor extern optreden

102.  maakt alle verlagingen van de Raad ongedaan;

103.  voert een begrotingsonderdeel voor een strategische communicatiecapaciteit in, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van maart 2015, om de EDEO te voorzien van afdoende personeel en instrumenten om het hoofd te bieden aan de uitdaging van desinformatie van derde landen en niet-statelijke actoren;

104.  besluit verder het begrotingsonderdeel voor speciale vertegenwoordigers van de EU over te hevelen van de GBVB-begroting naar de EDEO-begroting om het externe optreden van de Unie coherenter te maken;

105.  voorziet in een extra bedrag boven de raming van de EDEO voor stagiairs in delegaties van de Unie, als reactie op de bevindingen van het onderzoek van de Europese Ombudsman inzake onbetaalde stages(13);

o
o   o

106.  neemt kennis van de unilaterale verklaring van Frankrijk en Luxemburg, gehecht aan het op 4 september 2017 door de Raad vastgestelde standpunt betreffende het ontwerp van algemene begroting voor het begrotingsjaar 2018; herinnert eraan dat de vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie tijdens de voorjaarsbegrotingstrialoog van 27 maart 2017 overeenstemming hebben bereikt over het pragmatisch tijdschema voor het verloop van de begrotingsprocedure, met inbegrip van de data voor de bemiddelingsperiode; herinnert eraan dat de Raad Algemene Zaken dit pragmatisch tijdschema heeft goedgekeurd op zijn vergadering van 25 april 2017, en daarbij volledig op de hoogte was van het vergaderrooster van het Parlement voor 2017; wijst er bijgevolg op dat de begrotingsprocedure verder verloopt volgens het pragmatisch tijdschema dat door de drie instellingen is overeengekomen;

107.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(2) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0085.
(6) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0114.
(7) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0302.
(8) Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
(9) Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0401 / P8_TA(2016)0411.
(11) COM(2017)0481.
(12) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 2.
(13) Europese Ombudsman, 454.2014/PMC.


Kwijting 2015: algemene begroting van de EU – Europese Raad en Raad
PDF 263kWORD 53k
Besluit
Resolutie
1. Besluit van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling II - Europese Raad en Raad (2016/2153(DEC))
P8_TA(2017)0409A8-0291/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (COM(2016)0475 – C8-0271/2016)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2015, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2015 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van 27 april 2017(5) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2015, alsmede de bijbehorende resolutie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0291/2017),

1.  verleent de secretaris-generaal van de Raad geen kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2015;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling II – Europese Raad en Raad (2016/2153(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling II – Europese Raad en Raad,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het tweede verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0291/2017),

A.  overwegende dat alle instellingen van de Unie transparant moeten zijn en dat zij ten volle verantwoording verschuldigd zijn aan de burgers van de Unie voor de hun als instelling van de Unie toevertrouwde middelen;

B.  overwegende dat het gecombineerde effect van een open en transparant bestuur van de Unie en de noodzaak om de financiële belangen van de Unie te beschermen een open en transparante kwijtingsprocedure vergt, waarbij elke instelling van de Unie verantwoordelijk is voor de begroting die zij uitvoert;

C.  overwegende dat de Europese Raad en de Raad, als instellingen van de Unie, een democratische verantwoordingsplicht hebben tegenover de burgers van de Unie voor zover zij begunstigden zijn van middelen uit de algemene begroting van de Europese Unie;

1.  wijst op de rol die het Parlement overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (het "Financieel Reglement") vervult bij het verlenen van kwijting voor de begroting;

2.  wijst erop dat de Unie, ingevolge artikel 335 VWEU, wordt vertegenwoordigd "door elk van de instellingen [...], uit hoofde van hun administratieve autonomie, voor de aangelegenheden die verband houden met hun respectieve werking", en dat zij derhalve, met inachtneming van artikel 55 van het Financieel Reglement, individueel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van hun begroting;

3.  wijst op de rol van het Parlement en de andere instellingen in de kwijtingsprocedure, zoals die geregeld is in het Financieel Reglement en met name in de artikelen 162 t/m 166 daarvan;

4.  wijst erop dat, ingevolge artikel 94 van het Reglement van het Parlement, "de bepalingen inzake de verlening van kwijting aan de Commissie voor de uitvoering van de begroting, overeenkomstig artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, eveneens van toepassing zijn voor de procedure voor de verlening van kwijting aan [...] de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de begrotingen van de overige instellingen en organen van de Europese Unie, zoals de Raad [...]";

5.  betreurt het dat de Raad nog steeds niet heeft gereageerd op de opmerkingen die het Parlement in zijn kwijtingsresolutie van 27 april 2017(7) heeft gemaakt over de trend van de vorige jaren;

6.  stelt met voldoening vast dat de Raad het Parlement voor het eerst de jaarlijkse activiteitenverslagen over 2015 heeft bezorgd van het directoraat-generaal Administratie, de Juridische dienst en het directoraat-generaal Communicatie en documentbeheer; merkt op dat de overige directoraten geen gedelegeerde ordonnateurs hebben voor de uitvoering van afdeling II – Europese Raad en Raad – van de algemene begroting van de Europese Unie;

7.  merkt op dat in maart 2017 de coördinatoren van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement hebben besloten een werkgroep op te richten, waarin alle fracties van het Parlement zijn vertegenwoordigd, om een voorstel betreffende de kwijtingsprocedure van de Raad op te stellen; benadrukt dat het voorstel nu is goedgekeurd door de Commissie begrotingscontrole en is toegezonden aan de Conferentie van voorzitters, het orgaan dat bevoegd is voor interinstitutionele betrekkingen;

Hangende zaken

8.  bekritiseert het feit dat de begrotingen van de Europese Raad en van de Raad nog niet gescheiden zijn, zoals het Parlement heeft aanbevolen in meerdere recente kwijtingsresoluties;

9.  merkt op dat de informatie over het gebouwenbeleid van de Raad die op zijn website beschikbaar is, geen nadere bijzonderheden bevat over de kosten in verband met de gebouwen van de Raad; weet dat af en toe informatie wordt uitgewisseld tussen de gebouwendiensten van het Parlement en de Raad; stelt voor dat deze uitwisseling een stelselmatig karakter krijgt en dat aan het Parlement gedetailleerde informatie wordt verstrekt in het jaarlijks financieel verslag van de Raad;

10.  herhaalt zijn verzoek om voortgangsverslagen over bouwprojecten en een gedetailleerd overzicht van de tot dusver gemaakte kosten; vraagt om informatie over de kosten die verband houden met de vertragingen bij de voltooiing van het Europagebouw;

11.  merkt op dat in 2015 nieuwe ethische richtsnoeren voor de Raad werden gepubliceerd en dat deze moeten worden opgevolgd door bewustmakingsactiviteiten inzake ethiek en integriteit; bekritiseert het feit dat de regels van de Raad inzake klokkenluiders nog steeds niet openbaar zijn;

12.  is ingenomen met de verbeteringen die de Raad heeft ingevoerd met betrekking tot het bedrijfsbeleid, in het bijzonder inzake transparantie; betreurt het evenwel dat de Raad nog steeds niet is toegetreden tot het transparantieregister van de Unie;

13.  verzoekt de Raad met klem binnen zijn structuur gedetailleerde richtsnoeren en onafhankelijke beleidsmaatregelen inzake anticorruptie te ontwikkelen;

14.  betreurt de moeilijkheden die tot op heden herhaaldelijk zijn ondervonden in de kwijtingsprocedures als gevolg van een gebrek aan samenwerkingsbereidheid van de Raad; wijst erop dat het Parlement de secretaris-generaal van de Raad geen kwijting heeft verleend voor de begrotingsjaren 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 vanwege de redenen die zijn uiteengezet in zijn resoluties van 10 mei 2011(8), 25 oktober 2011(9), 10 mei 2012(10), 23 oktober 2012(11), 17 april 2013(12), 9 oktober 2013(13), 3 april 2014(14), 23 oktober 2014(15), 29 april 2015(16), 27 oktober 2015(17), 28 april 2016(18) en 27 oktober 2016(19), en zijn besluit om de secretaris-generaal van de Raad kwijting te verlenen voor het begrotingsjaar 2015 heeft uitgesteld wegens de redenen die zijn uiteengezet in zijn resolutie van 27 april 2017;

15.  merkt op dat de weigering kwijting te verlenen geen enkel gevolg heeft gehad; is evenwel van mening dat deze situatie zo snel mogelijk moet worden opgelost, vooral in het belang van de burgers van de Unie;

16.  herhaalt dat een effectieve begrotingscontrole alleen mogelijk is indien het Parlement en de Raad samenwerken, zoals uiteengezet in zijn resolutie van 27 april 2017; bevestigt dat het Parlement niet in staat is met kennis van zaken een besluit te nemen over het verlenen van kwijting;

17.  herinnert de Raad aan het in januari 2014 geformuleerde standpunt van de Commissie, dat alle instellingen volledig deel uitmaken van het follow-upproces ten aanzien van de opmerkingen die het Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure formuleert, en dat alle instellingen moeten samenwerken teneinde het soepele verloop van de kwijtingsprocedure te waarborgen;

18.  wijst erop dat de Commissie heeft verklaard dat zij geen toezicht zal houden op de tenuitvoerlegging van de begrotingen van de andere instellingen en dat beantwoording van de vragen die aan een andere instelling zijn gericht, een schending zou betekenen van de autonomie van die instelling om haar eigen afdeling van de begroting ten uitvoer te leggen;

19.  betreurt dat de Raad blijft verzuimen de vragen van het Parlement te beantwoorden;

20.  benadrukt nogmaals dat de uitgaven van de Raad op dezelfde wijze moeten worden gecontroleerd als de uitgaven van andere instellingen en dat de fundamentele onderdelen van een dergelijke controle zijn vastgelegd in zijn kwijtingsresoluties van de afgelopen jaren;

21.  onderstreept de bevoegdheid van het Parlement om kwijting te verlenen krachtens de artikelen 316, 317 en 319 van het VWEU, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk verlening van kwijting voor elk onderdeel van de begroting afzonderlijk, teneinde de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen;

22.  is van mening dat het gebrek aan samenwerking van de kant van de Europese Raad en de Raad met de kwijtingsautoriteit een negatief signaal is aan de burgers van de Unie.

(1) PB L 69 van 13.3.2015.
(2) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 1.
(3) PB C 375 van 13.10.2016, blz. 1.
(4) PB C 380 van 14.10.2016, blz. 147.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0147.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2017)0147.
(8) PB L 250 van 27.9.2011, blz. 25.
(9) PB L 313 van 26.11.2011, blz. 13.
(10) PB L 286 van 17.10.2012, blz. 23.
(11) PB L 350 van 20.12.2012, blz. 71.
(12) PB L 308 van 16.11.2013, blz. 22.
(13) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 97.
(14) PB L 266 van 5.9.2014, blz. 26.
(15) PB L 334 van 21.11.2014, blz. 95.
(16) PB L 255 van 30.9.2015, blz. 22.
(17) PB L 314 van 1.12.2015, blz. 49.
(18) PB L 246 van 14.9.2016, blz. 21.
(19) PB L 333 van 8.12.2016, blz. 51.


Bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia ***I
PDF 245kWORD 44k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (COM(2016)0248 – C8-0181/2016 – 2016/0130(COD))
P8_TA(2017)0410A8-0064/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0248),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 153, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0181/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 11 juli 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0064/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2398.)

(1) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 113.


Instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de EU overschrijden ***I
PDF 243kWORD 53k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de Europese Unie overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008 en Verordening (EU) nr. 1077/2011 (COM(2016)0194 – C8-0135/2016 – 2016/0106(COD))
P8_TA(2017)0411A8-0057/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2016)0194),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 77, lid 2, onder b) en d), artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0135/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, artikel 77, lid 2, onder b) en d), artikel 87, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 12 juli 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0057/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de Overeenkomst ter Uitvoering van het te Schengen gesloten Akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2226.)

(1) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 66.


Wijziging van de Schengengrenscode wat betreft het gebruik van het inreis-uitreissysteem ***I
PDF 245kWORD 47k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 in verband met het gebruik van het inreis-uitreissysteem (EES) (COM(2016)0196 – C8-0134/2016 – 2016/0105(COD))
P8_TA(2017)0412A8-0059/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0196),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0134/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 september 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 12 juli 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0059/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 25 oktober 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 in verband met het gebruik van het inreis-uitreissysteem (EES)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2225.)

(1) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 66.


Grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat
PDF 303kWORD 66k
Resolutie van het Europees Parlement van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat (2017/2038(INI))
P8_TA(2017)0413A8-0294/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de preambule bij het VEU, in het bijzonder streepje 2 en streepje 4 tot en met 7,

–  gezien onder meer artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en artikel 6 van het VEU,

–  gezien onder meer artikel 10 en artikel 19, lid 1, van het VWEU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna "het Handvest"), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind dat op 20 november 1989 te New York werd aangenomen, met name artikel 3,

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering aangenomen VN-resolutie A/70/L.1 getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development",

–  gezien de op 1 november 2005 door de Algemene Vergadering aangenomen VN-resolutie A/RES/60/7 over de herdenking van de Holocaust,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de Kaderovereenkomst van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden,

–  gezien de op 1 februari 2012 aangenomen verklaring van het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de toename van zigeunerhaat en racistisch geweld tegenover Roma in Europa,

–  gezien algemene beleidsaanbeveling nr. 13 van de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI) over de bestrijding van zigeunerhaat en discriminatie van Roma,

–  gezien het Handvest van de politieke partijen voor een maatschappij zonder racisme, goedgekeurd door het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa tijdens zijn 32e zitting in maart 2017,

–  gezien resolutie 1985 (2014) over de situatie en rechten van nationale minderheden in Europa en resolutie 2153 (2017) over de bevordering van de inclusie van Roma en Travellers van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa,

–  gezien de verklaring van Thorbjørn Jagland, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, van 11 april 2017 over tien doelstellingen voor de komende tien jaar,

–  gezien het IAO-verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep, 1958 (nr. 111),

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(4),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(5),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten en de conclusies van de Raad van 8 december 2016 over de versnelling van het proces van de integratie van de Roma en van 13 oktober 2016 over speciaal verslag nr. 14/2016 van de Europese Rekenkamer,

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 juni 2011 over opvang en onderwijs voor jonge kinderen,

–  gezien de mededelingen van de Commissie over de integratie van Roma (COM(2010)0133, COM(2012)0226, COM(2013)0454, COM(2015)0299, COM(2016)0424), met inbegrip van de mededeling over een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 (COM(2011)0173),

–  gezien de mededeling van de Commissie over drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (COM(2016)0646),

–  gezien Aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 over "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken",

–  gezien zijn eerdere resoluties over Roma(6),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma – zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II(7),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2015(8), met name de leden 117-122 over de rechten van de Roma,

–  gezien het verslag 2016 over de grondrechten, opgesteld door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–  gezien de EU-MIDIS-enquêtes I en II van het Bureau voor de grondrechten en diverse andere enquêtes en verslagen over Roma,

–  gezien speciaal verslag nr. 14/2016 van de Rekenkamer over EU-beleidsinitiatieven en financiële steun voor de integratie van de Roma: het afgelopen decennium is er aanzienlijke vooruitgang geboekt, maar ter plaatse zijn extra inspanningen nodig,

–  gezien de Eurobarometerenquête "Discriminatie in de EU in 2015",

–  gezien de verslagen en aanbevelingen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), waaronder het actieplan ter verbetering van de situatie van de Roma en Sinti in het OVSE-gebied,

–  gezien de verslagen en aanbevelingen van organisaties die als waakhond fungeren en maatschappelijke organisaties, met name die van het Europees Centrum voor de rechten van Roma, Fundación Secretariado Gitano, OSF, ERGO en Amnesty International,

–  gezien het referentiedocument over zigeunerhaat van de Alliantie tegen zigeunerhaat (Alliance against Antigypsyism),

–  gezien het verslag van het Centrum voor Europese Beleidsstudies over de bestrijding van institutionele zigeunerhaat: reacties en veelbelovende praktijken in de EU en een aantal lidstaten,

–  gezien het onlangs opgerichte Europese Roma-instituut voor kunst en cultuur (Eriac) in Berlijn, dat de vaststelling van de artistieke en culturele aanwezigheid van de 12 miljoen Roma in Europa ten doel heeft, hun zelfexpressie mogelijk maakt en hiermee bijdraagt aan de bestrijding van zigeunerhaat,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0294/2017),

A.  overwegende dat de Roma in Europa nog steeds hun mensenrechten worden ontzegd;

B.  overwegende dat de Roma deel uitmaken van de Europese cultuur en waarden en dat zij een bijdrage hebben geleverd aan de culturele rijkdom, verscheidenheid, economie en gemeenschappelijke geschiedenis van de EU;

C.  overwegende dat zigeunerhaat een specifieke vorm van racisme is, een ideologie die stoelt op rassuperioriteit, een vorm van ontmenselijking en op historische discriminatie gebaseerd institutioneel racisme, die onder meer tot uiting komt in geweld, haatpropaganda, uitbuiting, stigmatisering en schaamteloze discriminatie(9);

D.  overwegende dat ondanks inspanningen op nationaal, Europees en internationaal niveau dagelijks hardnekkige en structurele zigeunerhaat(10) kan worden waargenomen op alle niveaus van de Europese samenleving, die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in individuele en institutionele veronachtzaming, discriminatie, ongelijkheid, kleinering, othering, stigmatisering, haatpropaganda en doordat Roma monddood, tot zondebok of tot slachtoffer van geweld, extreme armoede en verregaande sociale uitsluiting worden gemaakt; overwegende dat de zigeunerhaat toeneemt en politieke partijen zich populairder maken met flagrante stemmingmakerij tegen Roma;

E.  overwegende dat verschillende vormen van zigeunerhaat kunnen worden waargenomen in de werkzaamheden en het functioneren van overheidsinstanties en -instellingen op bijna alle terreinen en op alle niveaus in de lidstaten, aangezien Roma meestal geen (gelijke) toegang tot overheidsvoorzieningen en -diensten hebben, hun gelijke rechten en gelijke behandeling wordt onthouden, zij niet participeren in besluitvormings- en kennisontwikkelingsprocessen, zij ondervertegenwoordigd zijn in officiële organen op alle niveaus van de samenleving, er discriminerende programma's worden opgezet en financieringsmogelijkheden ter verbetering van het leven van Roma worden misbruikt;

F.  overwegende dat er zelfs onopzettelijke zigeunerhaat kan worden waargenomen in het functioneren van EU-instellingen, aangezien talrijke EU-programma's en -fondsen die de leefomstandigheden en vooruitzichten van Roma positief zouden kunnen beïnvloeden hen niet bereiken of de Roma symbolisch aanwijzen als begunstigden, zonder rekening te houden met hun omstandigheden en de discriminatie waarmee ze te maken hebben;

G.  overwegende dat er, hoewel onbewust, zigeunerhaat te vinden is in het EU-acquis, aangezien hierin vaak geen rekening wordt gehouden met de omstandigheden en problemen van de Roma die, omdat ze al eeuwenlang met meervoudige discriminatie te maken hebben, niet dezelfde rechten en kansen hebben en niet hetzelfde beschermingsniveau genieten als andere EU-burgers;

H.  overwegende dat de paternalistische behandeling van de Roma, die tot uitdrukking komt in zowel de taal als daden in onze samenleving, blijft voortduren en dat alleen de nadruk wordt gelegd op "inclusie" en "integratie" van de Roma, terwijl er eigenlijk een fundamenteel andere aanpak nodig is; overwegende dat hun toegang tot en volledige uitoefening van hun grondrechten en burgerschap in onze samenleving moeten worden gewaarborgd;

I.  overwegende dat de Roma voortdurend worden aangeduid als een kwetsbaar volk, terwijl het feit dat de Roma hun onvervreemdbare mensenrechten, een gelijke behandeling en toegang tot sociale zekerheid, diensten, informatie, rechtspraak, onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid enz. worden ontzegd in feite doet vermoeden dat de door de politieke leiders opgezette en in stand gehouden discriminerende structuren de Roma kwetsbaar maken; overwegende dat dit aantoont dat de betrokken autoriteiten hun verantwoordelijkheid op het gebied van mensenrechten hebben veronachtzaamd;

Verbondenheid en participatie

1.  benadrukt dat het van essentieel belang is reguliere samenlevingen voor te lichten over de verscheidenheid binnen de Romabevolking, hun geschiedenis, cultuur en de vormen, mate en ernst van zigeunerhaat waar ze in hun dagelijks leven mee te maken hebben, teneinde de onbewuste maatschappelijke consensus om Roma uit te sluiten tegen te gaan, discriminatie en sociale uitsluiting van Roma te bestrijden en stereotypen weg te werken die in de loop der eeuwen via volksliteratuur, de media, kunst en taal zijn ontstaan en versterkt; roept de lidstaten in dit verband op volledige verantwoordelijkheid te nemen voor hun Romaburgers en langetermijncampagnes voor bewustmaking en intersectionele sensibilisering op te starten;

2.  is van mening dat actieve en zinvolle sociale, economische, politieke en culturele participatie van Roma van essentieel belang is voor een effectieve bestrijding van zigeunerhaat en de totstandbrenging van het hoognodige wederzijdse vertrouwen dat de hele samenleving ten goede komt; wijst in dit verband op de gedeelde verantwoordelijkheid van de Commissie en de lidstaten; roept de Commissie en de lidstaten daarom op strategieën uit te werken waarin zowel proactieve als reactieve maatregelen worden opgenomen op grond van reële, systematische raadpleging van Romavertegenwoordigers en ngo's, en ze te betrekken bij het leiden, controleren en evalueren van reguliere programma's en projecten op alle niveaus, ook op lokaal niveau; roept de Commissie en de lidstaten op de oprichting van onafhankelijke maatschappelijke organisaties en overheidsinstellingen voor Roma en een versterking van de positie van een jonge progressieve Romaleiding te bevorderen;

Verzoening en opbouw van vertrouwen

3.  dringt er, met het oog op de totstandbrenging van essentieel wederzijds vertrouwen, bij de Commissie op aan een waarheids- en verzoeningscommissie op EU-niveau in te stellen (binnen de bestaande structuren dan wel als een afzonderlijke instantie) om de vervolging, uitsluiting en verstoting van Roma door de eeuwen heen te erkennen, dit in een officieel witboek te documenteren en met het Europees Parlement en Romadeskundigen samen te werken bij de uitvoering van deze taken;

4.  verzoekt de lidstaten nationale waarheids- en verzoeningscommissies in te stellen (binnen de bestaande structuren dan wel als afzonderlijke instanties), in overleg parlementsleden, regeringsambtenaren, advocaten, Romavertegenwoordigers, ngo's en basisorganisaties, om de vervolging, uitsluiting en verstoting van Roma door de eeuwen heen te erkennen en dit in een officieel witboek te documenteren, en moedigt de lidstaten aan de geschiedenis van de Roma op te nemen in de onderwijsprogramma's van scholen;

5.  verzoekt de lidstaten de slachtoffers van de holocaust van de Roma te herdenken, 2 augustus aan te wijzen als herdenkingsdag van de holocaust van de Roma en levende overlevenden van de holocaust onmiddellijk een passende restitutie toe te kennen via een vereenvoudigde procedure die vergezeld gaat van een bewustmakingscampagne; roept de Commissie en de lidstaten op de Romaslachtoffers op te nemen in hun herdenkingen van de Holocaust op 27 januari van elk jaar, en cursussen over de holocaust van de Roma te organiseren waaraan ambtenaren vrijwillig kunnen deelnemen;

Uitvoering van prestatiecontroles

6.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat, ondanks de uitvoering van verschillende doelgerichte programma's in de lidstaten, de meeste reguliere programma's – onder meer de door de structuurfondsen gefinancierde programma's – niet openstaan voor de meest benadeelde groepen, met name de Roma; verzoekt de Rekenkamer daarom de prestaties van EU-programma's, bijvoorbeeld de EU-programma's voor werkgelegenheid en onderwijs zoals Erasmus+ en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, grondiger en regelmatig te controleren;

7.  verzoekt de Commissie:

   te beoordelen of de EU-programma's en -financieringsmogelijkheden voldoen aan de eis van non-discriminatie en participatie en zo nodig onverwijld corrigerende maatregelen te nemen,
   een solide, op kwaliteit gerichte langetermijnregeling voor toezicht en financiële boekhouding toe te passen om de prestaties van de lidstaten wat betreft het gebruik van EU-programma's te controleren,
   de Roma op wie de projecten gericht zijn op doeltreffende, transparante wijze actief te betrekken bij het toezicht op en de evaluatie van de projecten,
   ervoor te zorgen dat het bestaande klachtenmechanisme toegankelijker en transparanter wordt voor inwoners, ngo's en autoriteiten, zodat zij melding kunnen maken van discriminerende EU-fondsen en -programma's;
   financiering op te schorten in geval van misbruik van EU-middelen;
   de ESI-fondsen zodanig te hervormen dat zij op proactievere wijze financiële ondersteuning kunnen bieden aan de bestrijding van zigeunerhaat, en
   de financieringsprogramma's "Europa voor de burger" en "Rechten, gelijkheid en burgerschap" uit te breiden en aldus de belangrijke rol van maatschappelijke organisaties die als waakhond fungeren en andere relevante belanghebbenden bij het toezicht op zigeunerhaat te erkennen en de inachtneming van de grondrechten te waarborgen;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten:

   ervoor te zorgen dat de relevante door de EU gefinancierde maatregelen met mogelijke gevolgen voor de Romagemeenschap inclusief zijn en dat hiermee segregatie wordt tegengegaan,
   te waarborgen dat segregatiepraktijken duidelijk worden omschreven en expliciet van financiering worden uitgesloten,
   financieringsmogelijkheden te verbeteren om ervoor te zorgen dat de gecreëerde onderwijs- en werkgelegenheidskansen een daadwerkelijke en duurzame ontsnapping uit langdurige werkloosheid mogelijk maken, wat een vereiste is voor een waardig leven,
   ervoor te zorgen dat alle beschikbare middelen effectief worden gebruikt, en
   de absorptiegraad van EU-middelen te verhogen, overeenkomstig de in de nationale strategieën voor integratie van de Roma uiteengezette prioriteiten;

9.  verzoekt de lidstaten de coördinatie tussen lokale en nationale autoriteiten te versterken om administratieve en politieke belemmeringen weg te nemen en effectief gebruik te maken van de EU-fondsen, met het oog op het verbeteren van de situatie van de Romabevolking, in het bijzonder de kinderen;

10.  herinnert aan de aanbeveling van de Raad van 2013 waarin wordt gesteld dat het bevorderen van sociale integratie en het bestrijden van armoede en discriminatie, met inbegrip van onder meer de sociaal-economische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen als de Roma, moeten worden vergemakkelijkt door ten minste 20 % van de totale ESF-middelen in elke lidstaat toe te wijzen voor investeringen in mensen;

Waarborging van gelijke rechten en bestrijding van zigeunerhaat door middel van opleiding

11.  wijst erop dat minderheidsrechten en het verbod op discriminatie integraal deel uitmaken van de grondrechten en als zodanig binnen het bereik van de overeenkomstig artikel 2 VEU in acht te nemen EU-waarden vallen; herinnert eraan dat de EU in overeenstemming met artikel 7 VEU maatregelen kan nemen in het geval van een duidelijk risico op een ernstige schending van die waarden door een lidstaat;

12.  verzoekt de lidstaten op grond van de alarmerende rapporten van ngo's en organisaties die als waakhond fungeren:

   Richtlijn 2000/43/EG ten uitvoer te leggen en te handhaven, teneinde alle vormen van discriminatie van Roma effectief te voorkomen en uit te bannen en ervoor te zorgen dat nationale, regionale en lokale bestuursrechtelijke bepalingen niet-discriminerend zijn en niet leiden tot segregatiepraktijken,
   Kaderbesluit 2008/913/JBZ ten uitvoer te leggen en te handhaven, aangezien dit de middelen biedt voor een succesvolle bestrijding van uitingen van zigeunerhaat en geweld tegen Roma;

13.  verzoekt de Commissie de lidstaten steun te verlenen bij de omzetting en tenuitvoerlegging van de richtlijnen inzake gelijke behandeling en inbreukprocedures te blijven inleiden tegen alle lidstaten, geen enkele uitgezonderd, die richtlijnen inzake gelijke behandeling schenden, niet omzetten of niet ten uitvoer leggen, zoals de richtlijn inzake rassengelijkheid (2000/43/EG), de richtlijn betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf (2004/38/EG)(11), de richtlijn voor de rechten van slachtoffers (2012/29/EU), het kaderbesluit inzake racisme en vreemdelingenhaat (2008/913/JBZ), de richtlijn audiovisuele mediadiensten (2010/13/EU)(12) en de richtlijnen van de Raad over gelijke behandeling van mannen en vrouwen (2004/113/EG)(13) en gelijke behandeling in arbeid en beroep (2000/78/EG);

14.  verzoekt de Commissie en de Raad de impasse te doorbreken en opnieuw onderhandelingen te starten over de antidiscriminatierichtlijn;

15.  veroordeelt het feit dat bepaalde lidstaten ontkennen dat hun Romaburgers ongelijk worden behandeld, niet de politieke wil tonen om een oplossing te zoeken voor het feit dat zij er niet in slagen de toegang van Roma tot en de uitoefening door Roma van hun grondrechten te waarborgen, en de schuld voor de door structureel racisme veroorzaakte sociale uitsluiting van de Roma bij de Roma zelf leggen;

16.  verzoekt de lidstaten:

   verzoekt de lidstaten de ontkenning van de holocaust van de Roma, haatpropaganda en het tot zondebok maken van Roma door politici en overheidsfunctionarissen op alle niveaus en in alle soorten media duidelijk te veroordelen en te bestraffen, omdat hierdoor de zigeunerhaat in de samenleving wordt aangewakkerd,
   verdere maatregelen te treffen om haatpropaganda tegen Roma te voorkomen, te veroordelen en tegen te gaan, ook door de culturele dialoog toe te passen;

17.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan intensiever samen te werken met ngo's om scholing te bieden op het gebied van beste praktijken voor de bestrijding van vooroordelen en voor effectieve campagnes om haatpropaganda tegen te gaan, door de specifieke behoeften en eisen in dit verband van de ngo-partners in kaart te brengen; verzoekt de Commissie het maatschappelijk middenveld op te roepen toe te zien op haatpropaganda, haatmisdrijven en ontkenning van de holocaust in de lidstaten en hiervan melding te maken;

18.  verzoekt zijn Voorzitter de EP-leden die in het Parlement beledigende, racistische of xenofobe taal bezigen of dergelijk gedrag vertonen te veroordelen en te bestraffen;

19.  betreurt de schending van het recht van Roma op vrij verkeer; verzoekt de lidstaten te erkennen dat de grondbeginselen van de EU van toepassing moeten zijn op alle burgers en dat de richtlijn inzake vrij verkeer geen collectieve uitwijzing noch enige vorm van raciale profilering toestaat; verzoekt de lidstaten van herkomst om hun verantwoordelijkheid te nemen voor de bestrijding van armoede en uitsluiting onder al hun burgers en de lidstaten van aankomst om nauwer grensoverschrijdend samen te werken bij de bestrijding van discriminatie en uitbuiting en te voorkomen dat uitsluiting in het land van aankomst blijft voortbestaan;

20.  verzoekt de lidstaten de vooroordelen ten aanzien van Romavluchtelingen en -asielzoekers in de context van migratie te bestrijden; wijst erop dat de lidstaten asielzoekers uit de landen van de Westelijke Balkan ontvangen onder wie zich veel Roma uit Servië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië bevinden, en dat dit in verband kan worden gebracht met de bijzondere factoren die van invloed zijn op de Romagemeenschap aldaar; verzoekt om de opneming van een specifiek hoofdstuk over vervolging als gevolg van zigeunerhaat in de relevante informatie betreffende de landen van herkomst;

21.  is ernstig bezorgd over het aantal staatloze Roma in Europa, aangezien hun de toegang tot sociale, onderwijs- en gezondheidszorgdiensten volledig wordt ontzegd en zij naar de uiterste rand van de samenleving worden gedrongen; verzoekt de lidstaten een einde te maken aan staatloosheid en ervoor te zorgen dat iedereen de fundamentele mensenrechten kan uitoefenen;

22.  verzoekt de lidstaten niet-discriminerend geboorteregistratiebeleid te voeren en erop toe te zien dat al hun burgers worden geïdentificeerd om te voorkomen dat Roma de toegang tot essentiële basisvoorzieningen wordt ontzegd; verzoekt de lidstaten onmiddellijk corrigerende maatregelen te treffen om discriminerende geboorteregistratie een halt toe te roepen en via hun lokale autoriteiten actieve stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat elk kind wordt geregistreerd; verzoekt de Commissie de situatie in de lidstaten te beoordelen en te controleren, beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot de identificatie en bescherming van personen wier nationaliteit niet is erkend en die geen toegang tot identiteitsdocumenten hebben, en bewustmakingscampagnes over het belang van geboorteregistratie te lanceren;

23.  is zeer verontrust over de ongelijke toegang van Roma tot gezondheidsinformatie, -diensten en -zorg, het ernstige gebrek aan zorgverzekeringen onder hen en het racistische geweld jegens Roma; verzoekt de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen om alle obstakels voor de toegang tot het gezondheidszorgstelsel weg te nemen; verzoekt de lidstaten waar nodig te zorgen voor middelen voor zorgbemiddelingsprogramma's voor Roma, een beter besef van de gezondheidszorg en betere toegang tot vaccinaties en preventieve gezondheidszorg in Romagemeenschappen;

24.  maakt zich ernstige zorgen over de discriminatie van Romavrouwen, die vaak op afgescheiden kraamafdelingen van inferieure kwaliteit worden geplaatst en bij hun pogingen om toegang te krijgen tot seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten worden geconfronteerd met lichamelijk geweld, verwaarlozing en ontoereikende en slechte behandeling door medisch personeel en vaak geen toegang hebben tot mobiele gezondheidsonderzoeken; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan onmiddellijk een controlerend en corrigerend mechanisme in te stellen en ervoor te zorgen dat medisch personeel dat ethische normen schendt aansprakelijk wordt gesteld; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om duurzame en omvattende capaciteitsopbouw voor Romavrouwen te bevorderen, gespecialiseerde structuren in het leven te roepen zoals informatieposten om toegesneden gezondheidsinformatiemateriaal te verstrekken, en te voorzien in de nodige steun voor gemeenschapsinitiatieven op het gebied van de gezondheidszorg;

25.  verzoekt de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale Romastrategieën prioriteit te verlenen aan kinderen, vooral waar het gaat om toegang tot gezondheidszorg, waardige leefomstandigheden en toegang tot onderwijs voor Romakinderen; benadrukt dat bestrijding van analfabetisme onder Romakinderen van essentieel belang is voor een betere integratie en inclusie van de Roma, en dat de toegang van de volgende generaties tot werkgelegenheid hierdoor kan verbeteren;

26.  dringt er bij de lidstaten op aan gedwongen sterilisatie te veroordelen en Romavrouwen te compenseren die zijn onderworpen aan stelselmatige en door de staat gesteunde sterilisatie, en in het openbaar verontschuldigingen aan te bieden aan de slachtoffers van deze misdaad tegen de menselijkheid;

27.  is ernstig bezorgd over het verschijnsel dat Romakinderen onrechtmatig worden weggehaald bij hun ouders; verzoekt de lidstaten onverwijld een onderzoek in te stellen naar dergelijke gevallen en de nodige maatregelen te nemen om ze te voorkomen;

28.  veroordeelt het feit dat de lidstaten de gelijke toegang van Roma tot justitie en hun gelijkheid voor de wet niet waarborgen, wat blijkt uit:

   het falen bij of de onaanvaardbaar trage procedures voor het garanderen van gerechtigheid voor de slachtoffers van haatmisdrijven, vooral als die zijn gepleegd door politieagenten,
   de onevenredige criminalisering van Roma,
   te vergaand politieoptreden (etnische profilering, buitensporige arrestatie- en zoekprocedures, ongegronde invallen in Romaverblijfplaatsen, willekeurige inbeslagneming en vernieling van eigendommen, buitensporig gebruik van geweld bij arrestaties, mishandeling, bedreiging, vernederende behandeling, lichamelijk geweld en ontzegging van rechten tijdens politieverhoren en hechtenis),
   en te zwak politieoptreden bij misdrijven tegen Roma, aangezien bij door Roma gemelde misdrijven weinig tot geen bijstand en bescherming wordt verleend (zoals in geval van mensenhandel of huiselijk geweld) of onderzoek wordt verricht;

29.  verzoekt de lidstaten:

   te garanderen dat alle burgers voor de wet gelijk zijn en ervoor te zorgen dat iedereen gelijke toegang tot justitie en procedurele rechten heeft,
   te voorzien in verplichte, op mensenrechten gebaseerde en op dienstverlening gerichte opleidingen tijdens het werk voor rechtshandhavingsambtenaren en ambtenaren in het justitiële stelsel op alle niveaus,
   haatmisdrijven te onderzoeken en te vervolgen en beste praktijken aan te reiken voor het opsporen en onderzoeken van haatmisdrijven, ook die welke specifiek voortkomen uit zigeunerhaat,
   eenheden voor de bestrijding van haatmisdrijven met kennis over zigeunerhaat in te stellen bij de politie,
   gepast politieoptreden aan te moedigen en sancties toe te passen in geval van wangedrag van de politie,
   professionals op het gebied van geschillenbeslechting aan te werven bij de politie,
   de actieve aanwerving van Roma als leden van het politiekorps aan te moedigen,
   ervoor te zorgen dat de programma's voor slachtofferhulp beantwoorden aan de specifieke behoeften van Roma en dat zij hulp krijgen bij het melden van misdrijven en het indienen van klachten,
   het programma Justrom – een gezamenlijk programma van de Commissie en de Raad van Europa betreffende de toegang van Romavrouwen tot justitie – voort te zetten en de geografische reikwijdte ervan uit te breiden,
   de EU-richtlijn voor de bestrijding van mensenhandel volledig ten uitvoer te leggen en hun politiële en justitiële samenwerking bij de bestrijding van mensenhandel te intensiveren, en
   Richtlijn 2011/93/EU(14) volledig ten uitvoer te leggen om seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen te voorkomen en te bestrijden en slachtoffers te beschermen;

30.  verzoekt de Europese Politieacademie (Cepol) om opleidingscursussen te blijven aanbieden op het gebied van de grondrechten en de daaraan gekoppelde intersectionele bewustmaking van de politie;

31.  is zeer bezorgd over de wijdverspreide discriminatie van Roma op het gebied van huisvesting die wordt gekenmerkt door een discriminerende huur- en onroerendgoedmarkt en sociale huisvesting, gedwongen uitzettingen en afbraak van woningen van Roma zonder dat in behoorlijke alternatieve huisvesting wordt voorzien, de plaatsing van Roma in afgezonderde kampen en noodopvangkampen zonder basisvoorzieningen, de plaatsing van muren rond Romanederzettingen en de nalatigheid van de overheid wat betreft het bieden van volledige toegang van Roma tot dagelijks drinkbaar kraanwater en rioolstelsels;

32.  roept de lidstaten op doeltreffende maatregelen te nemen om te zorgen voor gelijke behandeling van Roma bij de toegang tot huisvesting en ten volle gebruik te maken van de EU-middelen voor de verbetering van de huisvestingssituatie van Roma, met name door bevordering van desegregatie, uitbanning van ruimtelijke segregatie, stimulering van door de gemeenschap geleide lokale ontwikkelingen en geïntegreerde territoriale investeringen die door de ESI-fondsen worden ondersteund, alsook door middel van een consequent beleid voor volkshuisvesting; dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor toegang tot openbare voorzieningen, zoals water, elektriciteit en gas, en infrastructuur voor huisvesting overeenkomstig nationale wettelijke voorschriften;

33.  verzoekt de Commissie haar bevoegdheid bij door rassenhaat ingegeven gedwongen uitzettingen te erkennen; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat gedwongen uitzettingen volledig stroken met het recht van de Unie en andere internationale verplichtingen op het vlak van de mensenrechten, zoals die welke voortvloeien uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; roept voorts op tot een verhoging van het aantal en de beschikbaarheid van desegregatiedeskundigen in de lidstaten die het meest met deze problematiek te maken hebben, teneinde de autoriteiten te ondersteunen bij het waarborgen van een doeltreffende bevordering van desegregatie door de Europese structuur- en investeringsfondsen, en roept ertoe op het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (ESF-EFRO) te reserveren voor ruimtelijke desegregatiemaatregelen;

34.  verwelkomt proactieve initiatieven waarmee wordt beoogd de huisvestingssituatie van Roma in steden te verbeteren; is ingenomen met het initiatief van Eurocities in het kader waarvan bewijs wordt verzameld door de kenmerken van stedelijke Romagemeenschappen, de uitdagingen waarmee ze worden geconfronteerd en de reacties hierop van de steden in kaart te brengen;

35.  betreurt de voortdurende segregatie in het onderwijs, waaronder de oververtegenwoordiging van Romakinderen op "speciale scholen", scholen alleen voor Roma, afzonderlijke klassen, "containerscholen" enz.; verzoekt de lidstaten specifieke schooldesegregatiemaatregelen en andere effectieve maatregelen op te stellen en toe te passen, teneinde gelijke behandeling en de volledige toegang van Romakinderen tot regulier onderwijs van hoge kwaliteit te waarborgen en ervoor te zorgen dat alle Romakinderen ten minste het verplichte onderwijs afmaken; benadrukt in dit verband dat er een onderzoek moet worden ingesteld naar de redenen voor vroegtijdig schoolverlaten, waarbij vooral moet worden bestudeerd welke rol zigeunerhaat hierbij speelt; moedigt de lidstaten bovendien aan onderzoek te doen naar nieuwe manieren om de bestaande onderwijskloof dichten door middel van volwasseneneducatie, beroepsonderwijs en -opleiding en informeel en niet-formeel leren; dringt erop aan hierbij ook aandacht te besteden aan intersectionele discriminatie, in samenwerking met Romadeskundigen en schoolbemiddelaars, en te zorgen voor voldoende middelen voor dergelijke maatregelen;

36.  acht de discriminatie van Roma op het gebied van werkgelegenheid, meestal gekenmerkt door langdurige werkloosheid, nulurencontracten, onzekere arbeidsomstandigheden zonder ziektekosten- en sociale verzekering of pensioenvoorziening, arbeidsmarktbelemmeringen (die zelfs bestaan voor Roma die hoger onderwijs hebben genoten) en het gebrek aan omscholingsmogelijkheden verontrustend en onaanvaardbaar; dringt er daarom bij de lidstaten op aan doeltreffende maatregelen te nemen om de gelijke behandeling van Roma wat betreft toegang tot de arbeidsmarkt en werkgelegenheidskansen te waarborgen en directe en indirecte belemmeringen weg te nemen, met inbegrip van discriminatie;

37.  roept de lidstaten op samen te werken met de private sector om opleidings-, werkgelegenheids- en zakelijke mogelijkheden voor Roma te ondersteunen, met name in de groeiende technologiesectoren; verzoekt de lidstaten grondig te onderzoeken op welke manier nieuwe technologieën kunnen helpen bij en bijdragen aan de sociale en economische inclusie van Roma en de bestrijding van zigeunerhaat; benadrukt het belang van regionale ontwikkeling voor het scheppen van duurzame werkgelegenheid in de minst ontwikkelde gebieden;

38.  roept de lidstaten op beleidsmaatregelen te bevorderen waarvan is bewezen dat zij een aanzienlijk positief effect hebben, zoals beroeps- en praktijkopleidingen, diensten voor persoonlijk advies, activiteiten als zelfstandige, sociaal ondernemerschap en programma's voor eerste werkervaringen, met het oog op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van Roma en het voorkomen van de intergenerationele overdracht van armoede in Romagemeenschappen;

39.  veroordeelt de meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie van Roma, die vaak verkapt of verborgen zijn; benadrukt dat bij beleid ter bestrijding van één discriminatiegrond rekening moet worden gehouden met de situatie van specifieke groepen die het slachtoffer zouden kunnen zijn van meervoudige discriminatie; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bijzondere aandacht te besteden aan de verbetering van het opleidingsniveau, de participatie, de toegang tot werkgelegenheid, de huisvesting, de gezondheidszorg en de preventie van discriminatie van Roma die te maken hebben met meervoudige en intersectionele discriminatie en ongelijkheid, en speciale programma's voor hen op te nemen in het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma na 2020;

40.  stelt met bezorgdheid vast dat Romavrouwen worden blootgesteld aan meervoudige en intersectionele discriminatie omdat ze vrouw zijn en tot de etnische minderheidsgroep van de Roma behoren, en dat zij daarom in een ongunstige positie verkeren als het gaat om de participatie in de samenleving op alle niveaus en de toegang tot elementaire diensten en hulpbronnen; benadrukt dat discriminatie nog schrijnender is voor Romavrouwen en -meisjes zonder identiteitsdocumenten; benadrukt dat voor de verbetering van de situatie van Romavrouwen en -meisjes een specifiek en gericht antidiscriminatiebeleid vereist is, dat zorgt voor gelijke toegang tot werk en onderwijs, met inbegrip van een leven lang leren, alsook voor hoogwaardige huisvesting, wat een belangrijke factor is voor de verbetering van hun leefomstandigheden en de bestrijding van armoede en uitsluiting;

41.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat in hun nationale strategieën voor integratie van de Roma een specifiek hoofdstuk over vrouwenrechten en gendergelijkheid wordt opgenomen en dat in elke sectie daarvan gendermainstreamingmaatregelen worden toegepast die gericht zijn op het bevorderen van vrouwenrechten en het gendergelijkheidsperspectief, met name voor wat de toewijzing van middelen betreft, in overeenstemming met de conclusies van de Raad met betrekking tot een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma, waarin erop wordt aangedrongen dat in alle beleidsmaatregelen en acties ter bevordering van de integratie van Roma een genderperspectief wordt opgenomen; verzoekt de regeringen en lokale autoriteiten van de lidstaten Romavrouwen te betrekken bij de voorbereiding, tenuitvoerlegging, evaluatie en monitoring van de nationale strategieën voor integratie van de Roma; benadrukt dat er systematisch naar geslacht uitgesplitste gegevens moeten worden verzameld en dat deze regelmatig moeten worden geanalyseerd, en verzoekt de Commissie en de lidstaten te beoordelen of beleidsmaatregelen leiden tot de gewenste verbeteringen voor Romavrouwen en -meisjes en actie te ondernemen indien er te weinig vooruitgang wordt geboekt; verzoekt de Commissie de bevordering van gendergelijkheid bij de tenuitvoerlegging van alle aspecten van de Europa 2020-strategie te ondersteunen, in overeenstemming met de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015;

42.  verzoekt de lidstaten aandacht te besteden aan de specifieke problemen van Romavrouwen en -meisjes in verband met kindhuwelijken en gedwongen huwelijken en aanvallen op hun fysieke integriteit, en spoort de lidstaten aan tot bevordering en ondersteuning van het verzamelen en verspreiden van gegevens over juridische en andere maatregelen op nationaal niveau ter preventie en bestrijding van geweld tegen Romavrouwen en -meisjes;

43.  moedigt bedrijven en lokale autoriteiten aan opleidingsregelingen en arbeidskansen voor Romavrouwen te creëren;

44.  verzoekt regeringen de daadwerkelijke participatie van Romavrouwen in het openbare en politieke leven aan te moedigen en te ondersteunen;

45.  acht instanties voor de bevordering van gelijkheid van essentieel belang om Roma voor te lichten over hun rechten, hen bij te staan bij de uitoefening van hun rechten en discriminatie te melden; verzoekt de Commissie en de lidstaten normen vast te stellen om te waarborgen dat instanties voor de bevordering van gelijkheid over voldoende bevoegdheden en middelen beschikken om toezicht te houden op gevallen van zigeunerhaat en in voorkomend geval actie te ondernemen; verzoekt de lidstaten het werk en de institutionele capaciteit van instanties die ijveren voor gelijke behandeling te ondersteunen door hen passende middelen toe te kennen, zodat zij effectieve rechtsbijstand kunnen verlenen en juridisch advies kunnen geven, en hun samenwerking met juridische adviseurs van Roma te versterken om het melden van misbruik te vergemakkelijken;

46.  is bezorgd over de geringe participatie van de Romabevolking als gesprekspartners of zittende vertegenwoordigers van lokale, regionale en nationale overheden, en over het feit dat overheden er niet voor zorgen dat zij het volledige burgerschap kunnen uitoefenen; erkent de cruciale rol van het maatschappelijk middenveld in dit verband; verzoekt om bredere samenwerking tussen de betrokken nationale en lokale autoriteiten, de EU, de Raad van Europa en ngo's; moedigt de instellingen en politieke partijen van de EU en de lidstaten aan de politieke participatie en versterking van de positie van Roma en de aanwerving van Roma voor overheidsdiensten actief te bevorderen; verzoekt om empowermentprogramma's voor Roma, met inbegrip van programma's gericht op het verbeteren en waarborgen van de langdurige participatie van Roma vanuit een intersectioneel perspectief als vertegenwoordigers van lokale, regionale en nationale overheden; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de participatie van Romavrouwen in beleids- en besluitvorming wordt versterkt;

47.  verzoekt de lidstaten te voorzien in verplichte, praktische en intersectionele opleidingen op het gebied van de grondrechten en non-discriminatie voor alle overheidsfunctionarissen, die garant moeten staan voor de mensenrechten en van essentieel belang zijn voor de juiste tenuitvoerlegging van EU- en nationale wetgeving, teneinde hen uit te rusten met de vereiste kennis en vaardigheden om alle burgers te kunnen dienen vanuit een op mensenrechten gebaseerde benadering;

48.  verzoekt de lidstaten, gezien de invloed die de media kan uitoefenen op de publieke perceptie van etnische minderheden:

   te voorzien in verplichte opleidingen voor werknemers van de publieke omroep en openbare media om ze bewust te maken van de moeilijkheden en discriminatie waarmee Roma te kampen hebben en van schadelijke stereotypen,
   de aanwerving van Roma in de openbare media te bevorderen, en
   de vertegenwoordiging van Roma in de bestuurslichamen van openbare media te bevorderen;

49.  moedigt de lidstaten aan verplichte opleidingen op het gebied van mensenrechten, democratisch burgerschap en politiek bewustzijn op te nemen in hun schoolprogramma's op alle niveaus, teneinde zigeunerhaat eens en voor altijd een halt toe te roepen en zo een einde te maken aan de onzekerheid over de identiteit van Roma, hun zelfvertrouwen te versterken en hun mogelijkheden om hun gelijke rechten uit te oefenen en op te eisen te vergroten;

50.  is zeer bezorgd over de bezuinigingen in de publieke sector, die dramatische effecten hebben gehad op de activiteiten van de staat en door de staat gefinancierde ngo's ter bevordering van de gelijkheid van de Roma en die het bereik van deze projecten hebben verkleind; benadrukt dat de staat en zijn instellingen een fundamentele rol moeten spelen in de bevordering van gelijkheid en dat deze rol door niemand anders kan worden vervuld;

Nationale strategieën voor integratie van de Roma

51.  merkt bezorgd op dat de inspanningen en geïnvesteerde financiële middelen, alsook de talrijke op de Romagemeenschap gerichte Europese en nationale programma's en fondsen, niet aanzienlijk hebben bijgedragen tot de verbetering van hun leefomstandigheden en evenmin de integratie van de Roma, met name op lokaal niveau, hebben bevorderd; verzoekt de lidstaten daarom, met het oog op de strijd tegen de marginalisatie, discriminatie en uitsluiting van Roma en de bevordering van het integratieproces van Roma en de bestrijding van zigeunerhaat:

   ambitieuze doelen na te streven bij de vaststelling van hun nationale strategieën voor integratie van de Roma, meer onderzoek te doen naar succesvolle lokale praktijken en programma's met actieve betrokkenheid van Roma teneinde hun situatie, omstandigheden en problemen aan het licht te brengen, en bijzondere aandacht te besteden aan zigeunerhaat en de gevolgen daarvan om een verbeterde, omvattende en holistische aanpak te ontwikkelen waarbij niet alleen de sociale en economische aspecten aan bod komen, maar ook de strijd tegen racisme en de opbouw van wederzijds vertrouwen;
   hun nationale strategieën voor integratie van de Roma volledig ten uitvoer te leggen,
   de doeltreffendheid ervan te beoordelen en ze regelmatig bij te werken, duidelijke acties en op maat gemaakte maatregelen te formuleren en meetbare doelen en mijlpalen vast te stellen,
   nauw samen te werken met alle belanghebbenden, onder meer regionale en lokale entiteiten, de academische wereld, de private sector, basisorganisaties en ngo's, en Roma er actief bij te betrekken,
   de gegevensverzameling, het op veldwerk gebaseerde, financiële en kwaliteitsgerichte toezicht en de verslagleggingsmethoden verder te ontwikkelen, aangezien die de basis vormen voor doeltreffend, wetenschappelijk onderbouwd beleid en kunnen bijdragen tot het verbeteren van de doeltreffendheid van strategieën, acties en maatregelen en het bepalen waarom de programma's en strategieën niet tot de langverwachte resultaten leiden,
   de positie van hun nationale Romacontactpunten te versterken door hun een passend mandaat, de nodige middelen en geschikte arbeidsomstandigheden te bieden voor de uitoefening van hun coördinatietaken;

Prioritering van zigeunerhaat in een verbeterde strategie voor de periode na 2020

52.  is ingenomen met de geleverde inspanningen en het brede scala aan door de Commissie ontwikkelde nuttige mechanismen en fondsen ter bevordering van de sociale en economische inclusie van Roma en het feit dat zij een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 in het leven heeft geroepen, waarin de lidstaten worden verzocht nationale strategieën vast te stellen;

53.  verzoekt de Commissie:

   het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma na 2020 op te waarderen, voortbouwend op de resultaten en aanbevelingen van de Rekenkamer, het Bureau voor de grondrechten (FRA), ngo's, organisaties die als waakhond fungeren en alle relevante betrokkenen, teneinde te beschikken over een verbeterde, bijgewerkte en nog bredere aanpak,
   in het EU-kader voor de periode na 2020 niet alleen bijzondere aandacht te besteden aan sociale inclusie, maar ook aan zigeunerhaat, en indicatoren ter bestrijding van discriminatie in te voeren op de gebieden onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting, gezondheid, enz., aangezien zigeunerhaat de tenuitvoerlegging van de nationale strategieën voor integratie van de Roma ondermijnt,
   zigeunerhaat als een horizontale kwestie te beschouwen en een inventaris van praktische stappen voor de lidstaten ter bestrijding van zigeunerhaat te ontwikkelen – samen met de lidstaten, het FRA en ngo's,
   de taskforce voor de Roma van de desbetreffende diensten van de Commissie aan te vullen door een projectteam op het niveau van commissarissen inzake Romavraagstukken op te richten, waarin alle betrokken commissarissen die werkzaam zijn op het gebied van gelijke rechten en non-discriminatie, burgerschap, sociale rechten, werkgelegenheid, onderwijs en cultuur, gezondheid, huisvesting en de externe dimensie daarvan worden bijeengebracht, teneinde de opzet van niet-discriminerende en aanvullende EU-fondsen en -programma's te waarborgen,
   het werk van de coördinatie-eenheid voor non-discriminatie en de Roma van de Commissie te intensiveren en aan te vullen door het team te versterken, voldoende middelen beschikbaar te stellen en meer personeel in dienst te nemen, teneinde over voldoende capaciteit te beschikken om zigeunerhaat te bestrijden, bewustzijn te creëren omtrent de holocaust van de Roma en de herdenking van de holocaust te bevorderen;

54.  roept de EU-instellingen op de rechten van de Roma te integreren in het kader van de externe betrekkingen; wijst er met klem op dat in de (potentiële) kandidaat-lidstaten zigeunerhaat moet worden bestreden en de rechten van de Roma moeten worden bevorderd;

55.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de door de ECRI vastgestelde werkdefinitie van zigeunerhaat toe te passen en actief te verspreiden om de autoriteiten van de lidstaten duidelijke richtsnoeren te verstrekken;

56.  verzoekt alle fracties in het Parlement en de politieke partijen in de lidstaten het herziene handvest van de politieke partijen voor een maatschappij zonder racisme te eerbiedigen, en vraagt ze hun engagement regelmatig te hernieuwen en haatpropaganda te veroordelen en te bestraffen;

57.  verzoekt het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten een studie te verrichten naar zigeunerhaat in de EU en de kandidaat-lidstaten, bij zijn werkzaamheden op het gebied van Romavraagstukken aandacht te besteden aan zigeunerhaat en er op alle relevante terreinen toezicht op te houden;

o
o   o

58.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(4) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.
(5) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(6) PB C 4 E van 7.1.2011, blz. 7; PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 73; PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 112; PB C 468 van 15.12.2016, blz. 36; PB C 468 van 15.12.2016, blz. 157.
(7) PB C 328 van 6.9.2016, blz. 4.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0485.
(9) Algemene beleidsaanbeveling nr. 13 van de ECRI over de bestrijding van zigeunerhaat en discriminatie van Roma.
(10) Voor het woord "zigeunerhaat" worden in de verschillende lidstaten soms enigszins verschillende termen gebruikt.
(11) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(12) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(13) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(14) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

Juridische mededeling