Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 14 november 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/004 IT/Almaviva
 Mensenlevens redden: verbeteren van de veiligheid van voertuigen in de EU
 Territoriale typologieën ***I
 Erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart ***I
 Samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming ***I
 De inzet van cohesiebeleidsinstrumenten door regio's om demografische veranderingen aan te pakken
 Actieplan voor financiële retaildiensten

Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering: aanvraag EGF/2017/004 IT/Almaviva
PDF 261kWORD 53k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Italië – EGF/2017/004 IT/Almaviva) (COM(2017)0496 – C8-0322/2017 – 2017/2200(BUD))
P8_TA(2017)0422A8-0346/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0496 final – C8-0322/2017),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

–  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien de brief van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0346/2017),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te verlenen aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren;

B.  overwegende dat financiële steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld;

C.  overwegende dat Italië aanvraag EGF/2017/004 IT/Almaviva heeft ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG in het kader van de criteria voor steunverlening van artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening, naar aanleiding van 1 646 ontslagen bij Almaviva Contact S.p.A., actief in de economische sector die is ingedeeld in NACE Rev. 2-afdeling 82 (Administratieve en ondersteunende activiteiten ten behoeve van kantoren en overige zakelijke activiteiten) in de regio van NUTS-niveau 2 Lazio in Italië (ITI4); overwegende dat naar verwachting 1 610 ontslagen werknemers aan de maatregelen zullen deelnemen;

1.  is het met de Commissie eens dat is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), van de EFG-verordening en dat Italië recht heeft op een financiële bijdrage uit hoofde van die verordening ter hoogte van 3 347 370 EUR, wat neerkomt op 60 % van de totale kosten van 5 578 950 EUR;

2.  wijst erop dat de Italiaanse autoriteiten op 9 mei 2017 een aanvraag hebben ingediend en dat na ontvangst van aanvullende gegevens van Italië de beoordeling door de Commissie op 26 september 2017 is afgerond en het Parlement hiervan diezelfde dag nog in kennis is gesteld;

3.  brengt in herinnering dat de economische crisis aanzienlijke druk heeft uitgeoefend op de prijs van marketingdiensten en van bijstand voor kopers van goederen en diensten, wat heeft geleid tot een daling van de omzet en de winstgevendheid van dienstverleners; constateert dat aangezien in de callcentersector loonkosten verreweg het grootste deel van de productiekosten vormen, bedrijven op deze ongunstige omstandigheden hebben gereageerd door hun activiteiten te verplaatsen, door de loonkosten aan te passen of door te sluiten; betreurt dat tussen 2009 en het eerste kwartaal van 2014 een derde van alle Italiaanse ondernemingen in de sector de activiteiten heeft gestaakt;

4.  onderkent dat de huidige ontslagen rechtstreeks verband houden met een daling van de inkomsten met 45 % in de vestiging van Almaviva in Rome tussen 2011 en 2016; betreurt dat het niet mogelijk was om een overeenkomst met de verenigde vakbondsvertegenwoordiging (RSU) te bereiken over een plan om de loonkosten in Almaviva-Rome af te stemmen op de andere Italiaanse vestigingen van Almaviva, wat in feite zou neerkomen op loonsvermindering, en dat dit heeft geleid tot de sluiting van de vestiging in Rome;

5.  merkt op dat werknemers in de callcentersector beter moeten worden beschermd, wat met name inhoudt dat de overbrenging van personeel van een vestiging naar een andere, een specifieke strategie die wordt ingezet om massaontslagen af te dwingen, vermeden moet worden;

6.  wijst erop dat de regionale en lokale economie slechts langzaam haar vitaliteit herwint na de grote problemen ten gevolge van de economische en financiële crisis en dat de massaontslagen dit herstel dreigen stop te zetten of te onderbreken; benadrukt het cruciale belang van actieve arbeidsmarktmaatregelen, zoals die welke door het EFG worden medegefinancierd, om dit te vermijden;

7.  merkt op dat 79 % van de beoogde begunstigden vrouw is en dat de grote meerderheid van hen tussen de 30 en 55 jaar oud is; betreurt dat het niet mogelijk was tot een werkbare oplossing te komen om hun ontslag te vermijden, in het bijzonder omdat vrouwen in deze leeftijdscategorie al minder vaak op de arbeidsmarkt blijven en hogerop komen, doordat het vanwege hun verantwoordelijkheden als mantelzorgers moeilijk is om een evenwicht tussen werk en privéleven te vinden, en door het gebrek aan gelijke kansen op de werkplek;

8.  benadrukt dat bij de opleiding en andere individuele dienstverlening ten volle rekening moet worden gehouden met de kenmerken van deze groep werknemers, met name het hoge aandeel vrouwen; is ingenomen met de opname van naar schatting 680 000 EUR voor de vergoeding van kosten van verzorgers van afhankelijke personen;

9.  stelt op prijs dat de Italiaanse autoriteiten op 6 april 2017 zijn begonnen met het verlenen van de individuele diensten aan de beoogde begunstigden – vóór de aanvraag voor de toekenning van EFG-steun voor het voorgestelde gecoördineerde pakket;

10.  wijst erop dat Italië acht soorten maatregelen plant voor de ontslagen werknemers voor wie in deze aanvraag steun wordt aangevraagd: i) individuele oriëntatie, ii) hulp bij het zoeken naar werk, iii) opleiding, omscholing en beroepsopleiding, iv) weer-aan-het-werk-cheques, v) ondersteuning van ondernemerschap, vi) bijdrage aan het opstarten van een bedrijf, vii) terugbetaling van kosten voor verzorgers van afhankelijke personen, en viii) terugbetaling van mobiliteitskosten; wijst erop dat de maatregelen betreffende inkomenssteun 17,4 % van het totale pakket van individuele maatregelen zullen uitmaken, ruim onder het maximum van 35 % zoals vastgelegd in de EFG-verordening, en dat deze maatregelen afhankelijk zijn gesteld van de actieve deelname van de beoogde begunstigden aan activiteiten voor het vinden van werk of opleiding;

11.  is ingenomen met de oprichting van een comité dat bestaat uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Ontwikkeling (MiSE(4)), ANPAL(5), de regio Lazio en de vakbonden, om de strategie en tussenkomsten voor steunverlening aan voormalige werknemers van Almaviva te bepalen en het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening op te stellen;

12.  begrijpt dat het gebruik van weer-aan-het-werk-cheques nieuw is en slechts in één eerder dossier is toegepast; benadrukt dat het belangrijk is de doeltreffendheid van dergelijke maatregelen grondig te evalueren zodra voldoende tijd is verstreken en er gegevens ter zake beschikbaar zijn;

13.  benadrukt dat de Italiaanse autoriteiten hebben bevestigd dat voor de subsidiabele maatregelen geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie wordt ontvangen, maar dat de maatregelen een aanvulling zullen vormen op acties die met middelen uit het ESF worden gefinancierd of die enkel nationale financiering ontvangen;

14.  herinnert eraan dat bij het samenstellen van het door het EFG gesteunde gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening rekening moet worden gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden, en dat het gecoördineerde pakket gericht moet zijn op de overgang naar een grondstoffenefficiënte en duurzame economie;

15.  prijst de inzet van de Italiaanse regering om een nieuw rechtskader voor werknemers in de telecommunicatie vast te stellen om gevallen zoals dat waarop aanvraag EGF/2017/004 IT/Almaviva betrekking heeft in de toekomst te vermijden;

16.  herhaalt dat uit het EFG afkomstige steun niet in de plaats mag komen van maatregelen waartoe ondernemingen verplicht zijn krachtens de nationale wetgeving of collectieve overeenkomsten, noch van maatregelen voor de herstructurering van ondernemingen of sectoren;

17.  verzoekt de Commissie er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen om in toekomstige voorstellen meer details te geven over de sectoren met groeipotentieel, waarin dus waarschijnlijk mensen in dienst kunnen worden genomen, alsook onderbouwde gegevens over de impact van de EFG-financiering te verzamelen, onder meer over de kwaliteit van de banen en het herintredingspercentage dat dankzij het EFG bereikt is;

18.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie ervoor te zorgen dat alle documenten in verband met EFG-zaken openbaar toegankelijk zijn;

19.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

20.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE

BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Italië – EGF/2017/004 IT/Almaviva)

(De tekst van de bijlage wordt hier niet weergegeven, aangezien deze overeenkomt met de definitieve handeling: Besluit (EU) 2017/2192.)

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Ministero dello Sviluppo Economico (MiSE).
(5) Agenzia Nazionale per le Politiche Attive del Lavoro (ANPAL).


Mensenlevens redden: verbeteren van de veiligheid van voertuigen in de EU
PDF 201kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2017 over het thema "Mensenlevens redden: Verbeteren van de veiligheid van voertuigen in de EU" (2017/2085(INI))
P8_TA(2017)0423A8-0330/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Mensenlevens redden: Verbeteren van de veiligheid van voertuigen in de EU – Verslag over de monitoring en beoordeling van geavanceerde veiligheidsvoorzieningen voor voertuigen, de kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid daarvan, ten behoeve van een herziening van de verordeningen betreffende de algemene veiligheid van motorvoertuigen en de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers (COM(2016)0787) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016)0431),

–  gezien Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 78/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 2003/102/EG en Richtlijn 2005/66/EG(2),

–  gezien Richtlijn 2014/47/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in de Unie aan het verkeer deelnemen en tot intrekking van Richtlijn 2000/30/EG(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/413 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen(4),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/719 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten(5),

–  gezien Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112‑dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG(6),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over "De tenuitvoerlegging van het witboek over vervoer uit 2011: inventarisatie en te nemen maatregelen voor duurzame mobiliteit"(7),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over het wegvervoer in de Europese Unie(8),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 met de titel "Verkeersveiligheid 2011-2020 – Eerste stappen op weg naar een strategie inzake letsels"(9),

–  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over de verkeersveiligheid in Europa 2011‑2020(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2011 met de titel "Het stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem"(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een Europese strategie betreffende ITS, op weg naar de introductie van coöperatieve, communicerende en geautomatiseerde voertuigen" (COM(2016)0766),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een Europese verkeersveiligheidsruimte – Strategische beleidsoriëntaties inzake de verkeersveiligheid voor de periode 2011-2020" (COM(2010)0389),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "CARS 2020: actieplan voor een concurrerende en duurzame Europese automobielindustrie" (COM(2012)0636),

–  gezien het witboek van de Commissie getiteld "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011)0144),

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "Benefit and feasibility of a range of new technologies and unregulated measures in the field of vehicle occupant safety and protection of vulnerable road users", opgesteld door het Transport Research Laboratory en op 26 maart 2015 gepubliceerd,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "On the implementation of objective 6 of the European Commission’s policy orientations on road safety 2011-2020 – First milestone towards an injury strategy (SWD(2013)0094),

–  gezien de conclusies van de Raad van 8 juni 2017 over de veiligheid van het wegverkeer, ter ondersteuning van de verklaring van La Valletta van maart 2017,

–  gezien het pakket "Europa in beweging" dat door de Commissie op 31 mei 2017 is gepresenteerd en dat bestaat uit acht wetgevingsinitiatieven met speciale aandacht voor het wegvervoer,

–  gezien resolutie 70/260 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 15 april 2016 getiteld "Improving Global Road Safety",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8‑0330/2017),

A.  overwegende dat op de Europese wegen jaarlijks rond 25 500 mensen door een verkeersongeval om het leven komen en dat ca. 135 000 mensen zwaar gewond raken, hetgeen betekent dat er in overleg met de lidstaten meer en efficiëntere maatregelen moeten worden genomen om de doelstelling van het Vision Zero-project, nl. geen verkeersdoden meer, te naderen;

B.  overwegende dat de veiligheid van het wegvervoer afhankelijk is van drie factoren: het voertuig, de infrastructuur en het gedrag van de bestuurder, en dat er daarom maatregelen op alle drie de terreinen nodig zijn alsmede doeltreffende maatregelen op het gebied van actieve en passieve veiligheid;

C.  overwegende dat de gemiddelde leeftijd van personenwagens, lichte vrachtwagens en zware vrachtwagens in de EU voortdurend toeneemt en momenteel meer dan 10 jaar bedraagt; overwegende dat de leeftijd van een voertuig rechtstreeks van invloed is op de gevolgen van een verkeersongeval en de letsels die daarbij ontstaan;

D.  overwegende dat rijhulpsystemen voertuigen veiliger maken en daarnaast een veilige en actieve deelname van personen met verminderde mobiliteit en ouderen aan het wegverkeer mogelijk maken;

E.  overwegende dat slimme rijsystemen de congestie verminderen, de bestuurder waarschuwen voor gevaren op zijn route en aldus de kans op ongevallen helpen verminderen;

F.  overwegende dat de overgang naar autonoom rijdende voertuigen snel verloopt en dat de veiligheid van het wegverkeer in het algemeen een urgent vraagstuk is, zodat de Commissie uiterlijk in het eerste kwartaal van 2018 een herziening van de algemene veiligheidsverordening moet presenteren; overwegende dat ieder verder uitstel hoe dan ook niet acceptabel is;

G.  overwegende dat de lidstaten, gezien het feit dat 38 % van alle dodelijke ongevallen in stedelijke gebieden plaatsvindt en dat het daarbij vaak om kwetsbare weggebruikers gaat, bij de planning van stedelijk verkeer rekening moeten houden met kwetsbare weggebruikers en hun situatie ten opzichte van vervoermiddelen zoals auto's en bussen moeten verbeteren; overwegende dat de Commissie haar herziening van de verordening betreffende de bescherming van voetgangers zou moeten presenteren;

H.  overwegende dat er een duidelijk verband is tussen de veiligheid van het wegverkeer en de arbeidsomstandigheden van professionele weggebruikers;

Algemene eisen

1.  benadrukt dat de lidstaten doeltreffende en regelmatige verkeerscontroles onder bestuurders moeten uitvoeren, daar de belangrijkste oorzaken van ongevallen nog steeds een niet passende of te hoge snelheid ten opzichte van de verkeerssituatie, afleiding, alcohol of drugs achter het stuur of extreme vermoeidheid zijn, en dringt er dan ook op aan:

   (a) dat de Commissie een percentage vaststelt voor te controleren voertuigen van de voertuigklasse M1 en N1;
   (b) dat de Commissie strengere controles invoert op de correcte handhaving van verplichte rij- en rusttijden van chauffeurs die professionele weggebruikers zijn;
   (c) dat de lidstaten voor een intensievere uitwisseling van best practices zorgen, vooral ook op het gebied van slimme handhavingsstrategieën, en sancties invoeren die overtreders afschrikken;

2.  merkt op dat ca. 25 % van het totale aantal dodelijke verkeersongevallen per jaar in de EU terug te voeren is op alcoholgebruik; verzoekt de Commissie daarom na te gaan wat de mogelijke meerwaarde zou zijn van een geharmoniseerde EU-limiet van 0,0 % alcoholconcentratie in het bloed voor beginnende bestuurders gedurende de eerste twee jaar en voor beroepschauffeurs, en is ingenomen met het nultolerantiebeleid van sommige lidstaten voor rijden onder invloed van alcohol;

3.  dringt er, gezien de verklaring van La Valletta inzake de verbetering van de veiligheid van het wegverkeer die op 29 maart 2017 door het Maltese voorzitterschap is gepresenteerd, bij de Commissie op aan in haar nieuwe strategie inzake verkeersveiligheid voor het decennium 2020‑2030 nieuwe streefcijfers op te nemen om het aantal ernstig gewonden in het verkeer in de EU te halveren;

4.  roept de lidstaten op de toestand van hun wegeninfrastructuur, met inbegrip van verkeerstekens en signaalsystemen, significant te verbeteren door middel van regelmatig en doeltreffend onderhoud alsmede adequate aanpassingen aan het verkeersvolume, en innoverende maatregelen in te voeren die voorzien in volledige functionaliteit van rijhulpsystemen en de interoperabiliteit hiervan vergroten, zodat er een zogeheten slimme infrastructuur tot stand komt; spoort de Commissie aan een mechanisme in het leven te roepen dat waarborgt dat de Europese wegeninfrastructuur in goede staat blijft;

5.  wijst erop dat de inrichting van de infrastructuur (zoals sommige types vangrails of verkeersdrempels) ongevallen kan veroorzaken of verergeren, met name als het tweewielige motorvoertuigen betreft; verzoekt derhalve de Commissie alle standaardiseringsmaatregelen voor te stellen die de nadelen hiervan kunnen corrigeren;

6.  merkt op dat veel bestuurders niet weten waarom en hoe zij een doorgang voor hulpdiensten op snelwegen moeten maken en verzoekt de Commissie dan ook gemeenschappelijke normen vast te stellen voor het vormen van dergelijke doorgangen en een Europese bewustmakingscampagne te lanceren;

7.  stelt vast dat bijna de helft van de in het wegverkeer om het leven komende voetgangers en fietsers ouder dan 65 is en dat verkeersongevallen de belangrijkste doodsoorzaak onder jongeren vormen; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat ouderen en jonge bestuurders veilig kunnen deelnemen aan het verkeer door programma's te ontwikkelen die leeftijdsgebonden ongevallenrisico's helpen voorkomen en deze programma's goed onder de aandacht te brengen;

8.  stelt vast dat de slachtoffers van dodelijke verkeersongevallen in stedelijke gebieden voor 51 % uit voetgangers en fietsers bestaan, en moedigt steden dan ook aan in hun mobiliteitsplannen streefcijfers op te nemen om het aantal verkeersongevallen terug te dringen; dringt er voorts bij de lidstaten op aan meer rekening te houden met zwakkere verkeersdeelnemers door kritieke verkeersonveilige plaatsen aan te pakken en meer en veiligere voetgangers- en fietsinfrastructuur aan te leggen en te onderhouden, of bestaande infrastructuur uit te breiden en te moderniseren alsmede voor betere bewegwijzering te zorgen; verzoekt de Commissie meer maatregelen op EU‑niveau te treffen dan de huidige beschikbare financieringssystemen, teneinde een grootschalige verbetering van de fietsinfrastructuur te faciliteren en nieuwe actieve en passieve technologie voor de veiligheid van voertuigen die met name kwetsbare weggebruikers beschermt, verplicht te stellen;

9.  constateert dat gebrek aan kennis en/of niet-naleving van de verkeersregels door bepaalde fietsers soms tot situaties leidt waarin de veiligheid van de fietser zelf en die van andere weggebruikers gevaar loopt; verzoekt de Commissie na te denken over een voorstel waardoor een veiliger gebruik van de fiets mogelijk wordt en deze harmonieuzer met andere stedelijke vervoermiddelen kan samengaan;

10.  moedigt slimme vervoersystemen (ITS) en exploitanten van openbaar vervoer aan technologie voor voertuigen verder te ontwikkelen die bestuurders aanmoedigt over te stappen op veiligere vervoermiddelen als zij een stedelijke gebied binnenkomen;

11.  stelt vast dat nieuwe vervoermiddelen, zoals e‑bikes en andere elektrisch aangedreven vervoermiddelen, steeds populairder worden; roept de Commissie dan ook op de veiligheidseisen voor dergelijke vervoermiddelen onverwijld te onderzoeken en met eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel voorstellen te doen over een veilige deelname van deze vervoermiddelen aan het wegverkeer;

12.  merkt op dat de ontwikkeling en toepassing van veiligheidssystemen een garantie voor de verkeersveiligheid zouden moeten vormen en dat voor dit proces een zekere aanpassingsperiode nodig is; verzoekt de Commissie daarom rekening te houden met de tijd die nodig is om dergelijke systemen te ontwikkelen voordat de specifieke technische wetgeving van kracht wordt;

13.  herinnert eraan dat kilometerfraude met name op de markt voor tweedehandsauto's een onopgelost probleem blijft, zoals de Commissie in haar studie over de werking van de markt voor tweedehandsauto's vanuit het oogpunt van de consument heeft vastgesteld; spoort de Commissie en de lidstaten aan het manipuleren van of knoeien met kilometertellers door middel van doeltreffende maatregelen en wetgeving aan te pakken;

14.  merkt op dat hoe meer voertuigen er op de weg zijn, hoe groter de kans op ongevallen is; spoort de lidstaten en de Commissie dan ook aan collectief en gedeeld vervoer te stimuleren, met name in stedelijke gebieden, met het doel het aantal rijdende auto's te verminderen en maatregelen te nemen om het percentage fietsen en door beroepschauffeurs bestuurde voertuigen te vergroten;

15.  wijst erop dat de verplicht in een voertuig mee te voeren uitrusting van lidstaat tot lidstaat verschilt en roept de Commissie dan ook op om een EU-brede bindende lijst van voorwerpen op te stellen die onder de uitrustingsplicht zouden moeten vallen;

16.  stelt dat de EU en haar onderzoekscentra een leidende rol moeten spelen bij de ontwikkeling van autonome voertuigen, aangezien deze voor een omwenteling in de automobielsector zullen zorgen, vooral op het vlak van de verkeersveiligheid, met betrekking waartoe zij naar verwachting jaarlijks duizenden levens zullen redden en tegelijkertijd zullen bijgedragen tot de digitalisering van de interne markt;

Rijhulpsystemen om de verkeersveiligheid te verhogen

17.  merkt op dat ca. 92 % van alle ongevallen terug te voeren is op menselijk falen of een combinatie van menselijk falen en het voertuig en/of de infrastructuur, en dat alleen die rijhulpsystemen verplicht zouden moeten worden geïnstalleerd die een op wetenschappelijk bewijs berustende, essentiële bijdrage leveren aan de verbetering van de verkeersveiligheid, een positieve kosten-batenverhouding hebben en marktrijp zijn; is daarnaast van mening dat de prijs van voertuigen hierdoor niet zodanig mag stijgen dat zij onbetaalbaar worden voor de doelgroep en dat rijhulpsystemen, die van belang zijn voor de verkeersveiligheid, regelmatig moeten worden gecontroleerd;

18.  roept de Commissie op voornoemde veiligheidssystemen te testen als zij de voertuigmarkt onderzoekt;

19.  is van mening dat de voordelen van betere veiligheidsnormen en -uitrusting alleen werkelijkheid kunnen worden als de bestaande en toekomstige bepalingen daadwerkelijk worden toegepast en gehandhaafd; vraagt in dit verband om meer Europees toezicht op typegoedkeuringsinstanties en technische diensten in de Unie; vraagt bovendien om meer en onafhankelijkere post-market surveillance van voertuigen op wegen in de Unie om ervoor te zorgen dat zij aan de veiligheidscriteria blijven voldoen;

20.  benadrukt dat wanneer gevallen van niet-conformiteit worden vastgesteld, Europese consumenten moeten kunnen rekenen op snelle, passende en gecoördineerde correctiemaatregelen, waaronder indien nodig de terugroeping van voertuigen in heel de Unie; is van mening dat de marktdeelnemers aansprakelijk moeten worden gesteld voor alle schade die de eigenaars van voertuigen ten gevolge van de niet-conformiteit van deze voertuigen of door een terugroepactie hebben geleden;

21.  spoort de Commissie en de lidstaten aan het veiligheidsniveau van bestaande voertuigen te verbeteren en ontwikkelingen en vernieuwingen te steunen die de veiligheid van in gebruik zijnde voertuigen vergroten door stimulansen en steun te bieden voor het naderhand in voertuigen installeren van kosteneffectieve verkeersveiligheidssystemen die bestuurders helpen in een gevaarlijke situatie adequater te reageren;

22.  roept de fabrikanten en exploitanten op:

   (a) de activeringstoestand van elk rijhulpsysteem zichtbaar te maken voor de bestuurder;
   (b) bij systemen die uitgeschakeld kunnen worden, in een uitschakelmechanisme met twee fasen te voorzien, waarbij de bestuurder eerst het waarschuwingssignaal en daarna als tweede stap pas het systeem zelf kan uitschakelen;
   (c) ervoor te zorgen dat na elke nieuwe start van het voertuig de actieve toestand van het rijhulpsysteem wordt ingeschakeld; en
   (d) een prijsbeleid in te voeren dat de consumenten aanmoedigt te kiezen voor voertuigen die zijn uitgerust met veiligheids- en rijhulpsystemen;

23.  benadrukt dat waarschuwingssignalen voldoende van elkaar te onderscheiden moeten zijn om ervoor te zorgen dat vanzelf duidelijk is tot welk systeem de hulp behoort, en dat de waarschuwingssignalen ook door ouderen, personen met een handicap, zoals slechthorenden en slechtzienden, alsmede personen met verminderde mobiliteit gemakkelijk moeten kunnen worden waargenomen; dringt er dan ook bij de belanghebbenden op aan uniforme normen vast te stellen met de mogelijkheid dat elke marktdeelnemer zijn specifieke oplossingen behoudt;

24.  is ingenomen met het feit dat vrijwel alle auto's die in het kader van het consumententestprogramma European New Car Assessment Programme for consumers (Euro NCAP) worden getest, vijf sterren krijgen, en dat de meeste autofabrikanten erin zijn geslaagd om aan de nieuwe Euro NCAP-vereisten te voldoen; merkt evenwel op dat niet alle in Europa verkochte autotypes worden onderworpen aan de Euro NCAP-test en dat niet alle auto's van hetzelfde type met dezelfde specificatie worden verkocht, wat verwarrend kan zijn voor de consument en aanleiding kan geven tot een vals gevoel van vertrouwen in het voertuig wat betreft de werkelijke prestaties van het gekochte model; wijst daarom nogmaals op het belang van een solide onderliggende basis van verplichte veiligheidsvoorschriften, waarmee wordt gegarandeerd dat de in de EU gebruikte en verkochte voertuigen over alle nodige veiligheidsuitrusting beschikken;

25.  is van mening dat de Euro NCAP altijd de werkelijke veiligheid van een specifiek model zou moeten weergeven en dringt erop aan de test wat betreft de beoordeling van de veiligheid van nieuwe voertuigen ambitieuzer te maken dan de wettelijk voorgeschreven minimumregelingen, om de ontwikkeling van voertuigen die hoge verkeersveiligheidsnormen waarborgen, nog verder te bevorderen en ervoor te zorgen dat Europa ambitieus blijft en wereldwijd het voortouw neemt wat veiligheid van voertuigen aangaat;

26.  roept de Commissie op bij het vaststellen van normen in overleg met de Economische Commissie voor Europa van de VN (UNECE) te voorzien, zodat er op internationaal niveau coherentie is en de uitzonderingen op de verplichte installatie van rijhulpsystemen tot een minimum worden beperkt, om aldus op brede schaal voor een verbetering van de verkeersveiligheid te zorgen; merkt op dat de fabrikanten gemakkelijk leesbaar informatiemateriaal moeten opstellen om bestuurders te helpen de afzonderlijke rijhulpsystemen en de werking hiervan beter te begrijpen;

27.  dringt aan op een geharmoniseerde Europese benadering die rekening houdt met alle bestaande internationale en nationale wetgeving en zorgt voor onderlinge complementariteit;

28.  roept de Commissie op de betrokkenheid van voertuigen met een bijzondere bestemming bij ongevallen in steden te onderzoeken en zo nodig de bestaande uitzonderingen op de verplichte installatie van rijhulpsystemen te schrappen;

29.  benadrukt dat rijles periodieke en bijkomende scholing in het gebruik van verplichte rijhulpsystemen zou moeten omvatten, met bijzondere aandacht voor ouderen en personen met verminderde mobiliteit; dringt erop aan dat rijscholen enerzijds scholing betreffende de bediening van dergelijke systemen in hun opleiding van bestuurders opnemen en anderzijds het verkrijgen van een rijbewijs koppelen aan het volgen van professionele en praktische rijlessen op de weg;

30.  merkt op dat financiële stimulansen, bijvoorbeeld op basis van belasting of verzekering, voor maatregelen zoals de installatie van bijkomende, op de veiligheid gerichte rijhulpsystemen in nieuwe en reeds in gebruik zijnde auto's of de opname ervan in rijlessen, de invoering op de markt van voertuigen met geavanceerde veiligheidssystemen kunnen vergemakkelijken; verzoekt de lidstaten te overwegen om dergelijke mechanismen te introduceren;

31.  roept de Commissie op om van de marktdeelnemers te verlangen dat zij voor de toepassing van normen en interfaces zorgen die de interoperabiliteit verder verbeteren, zodat toegang tot de desbetreffende voertuig- en systeemgegevens, met inbegrip van hun updates, onafhankelijke controles door elke gekwalificeerde vakman mogelijk maakt, met eerbiediging van de eigendomsrechten en de intellectuele eigendom;

32.  benadrukt dat gezorgd moet worden voor een hoog niveau van gegevensbescherming en ‑bewaring in de zin van Verordening (EU) 2016/679 (de algemene verordening gegevensbescherming) en van het recht op bescherming van de privacy en van persoonsgegevens, alsmede voor een hoog niveau van IT‑veiligheid, om nieuwe ongevallenrisico's door manipulatie op afstand van boordsystemen of compatibiliteitsconflicten te voorkomen; beveelt aan het beginsel van de eigendom van gegevens te verkennen;

33.  benadrukt hoe belangrijk het is om gebruik te maken van betrouwbare positie- en tijdsinformatie afkomstig van op satellieten gebaseerde positioneringssystemen en om het EGNOS/GNSS-systeem in te zetten ten behoeve van de verkeersveiligheid; dringt aan op grotere inspanningen om te bewerkstelligen dat er een actieve-veiligheidsprecisie op de weg van EGNOS/GNSS van minder dan een meter wordt bereikt, zodat kan worden overgestapt van het vermogen van het systeem om de snelheid van het voertuig te verminderen naar het vermogen van het systeem om automatisch in te grijpen en de baan van het voertuig te wijzigen; dringt aan op verbetering van de verkeersveiligheid door middel van samenvoeging van EGNOS/GNSS-gegevens met controlesystemen aan boord;

Veiligheidsmaatregelen om ongevallen te voorkomen

34.  is ingenomen met het feit dat noodremsystemen sinds november 2015 al verplicht zijn voor alle nieuwe vrachtwagens en bussen in de EU, maar verzoekt de Commissie automatische noodremhulpsystemen met detectie van voetgangers, fietsers, lichte tweewielige voertuigen en motorfietsen ook verplicht te stellen voor auto's, lichte bedrijfsvoertuigen, bussen, reisbussen en met name zware vrachtwagens, daar deze systemen door hun autonome krachtige remwerking, waardoor de remweg korter wordt, grote mogelijkheden bieden om verkeersongevallen te voorkomen;

35.  dringt aan op een veiliger voorzijde-ontwerp voor zware vrachtwagens ten behoeve van beter zicht op voetgangers en fietsers, evenals op beugels die botsingen voorkomen en de gevolgen van botsingen verminderen;

36.  dringt aan op de verplichte installatie van uitschakelbare slimme snelheidshulpsystemen die snelheidslimieten, stoptekens en stoplichten aangeven en ingrijpen om bestuurders te helpen zich aan de snelheidslimiet te houden; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat verkeerstekens in goede staat zijn en dat wegmarkeringen goed leesbaar zijn; benadrukt dat er geactualiseerde online-landkaarten nodig zijn waarop de actuele snelheidslimieten zijn aangegeven, willen slimme hulpsystemen goed werken;

37.  onderstreept dat het voor de verbetering van de verkeersveiligheid nodig is dat het langzamer worden van een voertuig duidelijker wordt aangegeven door middel van onmiskenbare lichtsignalen van het voertuig in kwestie, en wacht op de verplichte toepassing van een noodremsignaal in de vorm van een knipperend remlicht of knipperende waarschuwingslichten;

38.  benadrukt dat, gezien het nut ervan voor de verkeersveiligheid, een uitschakelbare lane keeping-rijhulp die niet alleen waarschuwt maar ook adequaat ingrijpt, zonder de bestuurder de rechtstreekse controle te ontnemen, verplicht zou moeten worden gesteld; merkt op dat dit waarschuwingssysteem vereist dat wegmarkeringen in een zodanige staat worden gehouden dat zij goed te herkennen zijn;

39.  vestigt de aandacht op het feit dat de uitbreiding van het directe zicht van de bestuurder in vrachtwagens en autobussen en het verkleinen of wegnemen van de dode hoek essentieel zijn voor de verbetering van de verkeersveiligheid van deze voertuigen; verzoekt de Commissie dan ook ambitieuze en gedifferentieerde normen voor direct zicht verplicht te stellen en het installeren van camera's aan de voor-, zij- en achterkant alsmede sensors en rijhulp bij het afslaan voor te schrijven, waarbij deze maatregelen in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2015/719 moeten zijn en niet tot vertraging bij de daarin vastgestelde omzettingstermijnen mogen leiden;

40.  onderstreept dat moet worden voorzien in voorwaarden voor de installatie van alcoholsloten en systemen voor de herkenning van afgeleid zijn of slaperigheid bij de bestuurder, en beveelt aan alcoholsloten in te zetten voor beroepschauffeurs en als reïntegratiemaatregel voor bestuurders die onder invloed van alcohol een verkeersongeval hebben veroorzaakt en daarom zijn veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol;

41.  merkt op dat vrachtwagens bij 15 % van de dodelijke verkeersongevallen zijn betrokken, en dat er jaarlijks ca. 1 000 kwetsbare weggebruikers omkomen bij ongevallen die verband houden met vrachtwagens; verzoekt de Commissie dan ook de verplichte invoering bij vrachtwagens van ambitieuze gedifferentieerde normen voor direct zicht, intelligente snelheidsaanpassing en automatische noodremsystemen met fietsers- en voetgangersdetectie te bespoedigen;

Veiligheidsmaatregelen om de gevolgen van ongevallen te beperken

42.  wijst erop dat de bandenspanning van grote invloed is op de verkeersveiligheid, het brandstofverbruik en de emissies; dringt er daarom bij de Commissie op aan systemen voor rechtstreekse controle van de bandenspanning verplicht te stellen; verzoekt de Commissie tevens de in UNECE overeengekomen amendementen betreffende systemen voor de controle van de bandenspanning voor prestaties onder reële rijomstandigheden in EU-wetgeving om te zetten;

43.  acht de verplichte installatie van slimme gordelherinneringssystemen bij alle voertuigen voor alle voorstoelen en bij M1- en N1-voertuigen voor de achterbank noodzakelijk;

44.  acht het van belang dat de installatie van automatische gordelaanpassingssystemen die nekletsel voorkomen, verplicht wordt gesteld;

45.  roept de Commissie op de eCall-installatieplicht vanaf 2019 uit te breiden tot motorfietsen, zware bedrijfsvoertuigen en autobussen, en deze installatie tevens beschikbaar te maken voor latere aanpassing, zodat zoveel mogelijk voertuigen op de weg hiervoor in aanmerking komen;

46.  dringt aan op nauwkeurige en onderbouwde EU-brede ongevallenstatistieken, met inbegrip van statistieken over de oorzaken van ongevallen, blootstellingsgegevens en overzichten van de soorten letsel en van de personen die bij een ongeval betrokken waren, en wijst erop dat een "zwarte doos" op dit punt bijzonder nuttig kan zijn, waarbij van belang is dat de gegevens anoniem blijven en uitsluitend ten behoeve van het onderzoeken van ongevallen gebruikt worden;

47.  wenst dat in de gehele EU gegevens worden bijgehouden over inzittenden van voertuigen die door andere oorzaken dan een botsing om het leven zijn gekomen of gewond zijn geraakt; stelt vast dat er geen gegevens beschikbaar zijn over personen die in een voertuig zijn omgekomen door oververhitting;

48.  dringt aan op betere brandveiligheidsregels voor autobussen en reisbussen met verschillende soorten aandrijving, waaronder op gecomprimeerd aardgas rijdende bussen, teneinde de veiligheid van passagiers optimaal te beschermen;

49.  merkt op dat een wijziging van de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden (front underrun protection) van vrachtwagens het aantal dodelijke slachtoffers van frontale botsingen tussen personenwagens en vrachtwagens met 20 % zou kunnen verminderen; verzoekt de Commissie verbeterde energieabsorberende front underrun protection voor alle nieuwe vrachtwagens verplicht te stellen;

50.  dringt aan op verplichte crashtests voor voor-, zij- en achterkant van

   (a) terreinwagens (SUV) met een hoge zithouding en een maximumgewicht van meer dan 2 500 kg, en
   (b) voertuigen met elektrische aandrijving en voertuigen met andere nieuwe aandrijvingstechnologie;

51.  dringt er verder bij de Commissie op aan de testvereisten voor passieve veiligheidssystemen voor motorvoertuigen aan te passen door deze uit te breiden tot bescherming van alle kwetsbare weggebruikers, met inbegrip van voetgangers en fietsers, tegen botsingen aan voor- en achterzijde;

52.  dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de markt toereikende en realistische termijnen krijgt om zich aan deze maatregelen aan te passen;

53.  benadrukt dat Richtlijn (EU) 2015/719 inzake gewichten en afmetingen van zware vrachtwagens veel mogelijkheden biedt om de veiligheid van vrachtwagens te verbeteren; verzoekt de Commissie de werkzaamheden betreffende deze richtlijn te bespoedigen en haar evaluatie onverwijld te presenteren;

o
o   o

54.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1.
(2) PB L 35 van 4.2.2009, blz. 1.
(3) PB L 127 van 29.4.2014, blz. 134.
(4) PB L 68 van 13.3.2015, blz. 9.
(5) PB L 115 van 6.5.2015, blz. 1.
(6) PB L 123 van 19.5.2015, blz. 77.
(7) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 155.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0228.
(9) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 49.
(10) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 54.
(11) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 72.


Territoriale typologieën ***I
PDF 247kWORD 49k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1059/2003 wat betreft de territoriale typologieën (Tercet) (COM(2016)0788 – C8-0516/2016 – 2016/0393(COD))
P8_TA(2017)0424A8-0231/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0788),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0516/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 4 oktober 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0231/2017),

1.  stelt onderhavig standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1059/2003 wat betreft de territoriale typologieën (Tercet)

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2391.)

(1) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 71.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 74.


Erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart ***I
PDF 243kWORD 53k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2017 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van Richtlijn 96/50/EG van de Raad en Richtlijn 91/672/EEG van de Raad (COM(2016)0082 – C8-0061/2016 – 2016/0050(COD))
P8_TA(2017)0425A8-0338/2016

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0082),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0061/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 13 juli 2016(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 30 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie juridische zaken (A8-0338/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2017 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn (EU) 2017/2397.)

(1) PB C 389 van 21.10.2016, blz. 93.


Samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming ***I
PDF 246kWORD 54k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 november 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (COM(2016)0283 – C8-0194/2016 – 2016/0148(COD))
P8_TA(2017)0426A8-0077/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0283),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0194/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Bulgaarse Parlement, de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, de Oostenrijkse Bondsraad en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2016(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 30 juni 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0077/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 14 november 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2394.)

(1) PB C 34 van 2.2.2017, blz. 100.


De inzet van cohesiebeleidsinstrumenten door regio's om demografische veranderingen aan te pakken
PDF 233kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2017 over de inzet van cohesiebeleidsinstrumenten door regio's om demografische veranderingen aan te pakken (2016/2245(INI))
P8_TA(2017)0427A8-0329/2017

Het Europees Parlement,

—  gezien de artikelen 174 en 175 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2016 over de specifieke situatie van eilanden(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(7),

–  gezien zijn resolutie van 4 april 2017 over vrouwen en hun rol in plattelandsgebieden(8),

—  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over cohesiebeleid in de berggebieden van de EU(9),

—  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over het verslag over de uitvoering, resultaten en algehele beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012(10),

—  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)(11),

—  gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over demografische verandering en de gevolgen daarvan voor het toekomstig cohesiebeleid van de EU(12),

—  gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(13),

—  gezien zijn resolutie van 22 september 2010 over een Europese strategie voor de economische en sociale ontwikkeling van berggebieden, eilanden en dunbevolkte gebieden(14),

—  gezien zijn resolutie van 21 februari 2008 over de demografische toekomst van Europa(15),

—  gezien zijn resolutie van 23 maart 2006 over demografische vraagstukken en de solidariteit tussen de generaties(16),

—  gezien het verslag van de Commissie met als titel "The 2015 Ageing Report. Economic and budgetary projections for the 28 EU Member States (2013-2060)" (European Economy 3|2015),

—  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Investeren in groei en werkgelegenheid – Bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in regio's en steden van de EU" van 23 juli 2014,

—  gezien de mededeling van de Commissie van woensdag 26 april 2017 getiteld "Een initiatief om het evenwicht tussen werk en privéleven voor werkende ouders en mantelzorgers te ondersteunen" (COM(2017)0252),

—  gezien de mededeling van de Commissie 29 april 2009 getiteld "Opvangen van de gevolgen van de vergrijzing in de EU (Vergrijzingsverslag 2009)", (COM(2009)0180),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 10 mei 2007 getiteld "Meer solidariteit tussen de generaties" (COM(2007)0244),

—  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?" van 12 oktober 2006 (COM(2006)0571),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 16 maart 2005 getiteld "Actieplan: 'Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties'" (COM(2005)0094),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

—  gezien het advies van het Europees Comité van de regio's van 16 juni 2016 over de reactie van de EU op de demografische verandering(17),

—  gezien de studie van september 2013 van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid), getiteld "Hoe kunnen demografische problemen worden aangepakt met regionaal en cohesiebeleid?",

—  gezien de ESPON-publicatie getiteld "Revealing territorial potentials and shaping new policies in specific types of territories in Europe: islands, mountains, sparsely populated and coastal regions’(18),

—  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

—  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0329/2017),

A.  overwegende dat demografische verandering tegenwoordig een reëel probleem vormt in Europa en de rest van de wereld en een van de belangrijkste problemen is, niet alleen in het algemeen, maar ook voor de lokale ontwikkeling en het territoriale ontwikkelingsbeleid in de EU, samen met werkgelegenheidgerelateerde problemen, ongecontroleerde globalisering, klimaatverandering, de overgang naar een koolstofarme economie en de uitdagingen op het gebied van industriële en technologische ontwikkeling en sociale en economische inclusiviteit;

B.  overwegende dat, zoals in de meest postindustriële samenlevingen, de Europese bevolking al enkele decennia gekenmerkt wordt door een steeds langere levensduur en lage vruchtbaarheidscijfers, wat kan leiden tot een verandering in de bevolkingsopbouw en de leeftijdspiramide, met als bijeffect dat de actieve bevolking krimpt en de bevolking als geheel vergrijst; overwegende dat de economische crisis, die de hele Europese Unie heeft getroffen, voor veel gebieden en regio's ernstige gevolgen heeft gehad, vooral voor de plattelandsgebieden, waar ze met name armoede en ontvolking heeft veroorzaakt; overwegende dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt sterk wordt gehinderd door een hardnekkig loonverschil tussen vrouwen en mannen en een toenemende pensioenkloof;

C.  overwegende dat snelle bevolkingsgroei in ontwikkelingslanden en demografische neergang van de EU-bevolking er op termijn naar verwachting toe zal leiden dat het aandeel van de bevolking van de Europese Unie in de wereldbevolking zal afnemen van 6,9 % in 2015 tot 5,1 % in 2060(19);

D.  overwegende dat naar verwachting 132 van de 273 regio's van NUTS 2-niveau tussen 2015 en 2050 te maken zullen krijgen met een krimpende bevolking(20); overwegende voorts dat die afname vooral de lokale bestuurlijke eenheden (LBE’s) zal treffen;

E.  overwegende dat de belangrijkste doelstelling voor de Unie en de lidstaten erin bestaat groei in zijn drie dimensies – slim, duurzaam en inclusief – te bevorderen;

F.  overwegende dat geografische en demografische kenmerken de problemen op het gebied van ontwikkeling kunnen aanscherpen; overwegende dat, om die reden, territoriale samenhang eveneens als doelstelling is opgenomen in het Verdrag van Lissabon, naast economische en sociale samenhang;

G.  overwegende dat demografische verandering niet alle landen en regio’s op dezelfde manier treft, zowel door natuurlijke ontwikkelingen als migratiebewegingen, waarbij de meeste stedelijke gebieden en met name de grootstedelijke gebieden te maken krijgen met bevolkingsaanwas en de meeste plattelands- en afgelegen gebieden met bevolkingskrimp, met heel uiteenlopende situaties in de ultraperifere gebieden; overwegende dat deze disbalans zowel voor gebieden met bevolkingsgroei als gebieden met ontvolking grote problemen veroorzaakt; overwegende dat geïsoleerde gebieden en gebieden die moeilijk toegankelijk zijn, het meest ontvankelijk zijn voor bevolkingskrimp; overwegende dat, aan de andere kant, gewezen moet worden op de gevolgen van "suburbanisatie", die, ten gevolge van de massale verhuizing van mensen uit grote steden naar omliggende gebieden, druk legt op zowel de lokale als de regionale autoriteiten;

H.  overwegende dat de Europese regio's geen homogene gebieden zijn, dat ze soms zones met hoge werkloosheid of grote armoede tellen en aan bijzondere uitdagingen het hoofd moeten bieden, met name op het gebied van demografische verandering, waardoor het absoluut noodzakelijk is dat ze over doelgerichte instrumenten kunnen beschikken om de subregionale ongelijkheden te verkleinen en te zorgen voor een beter territoriaal evenwicht tussen stedelijke, peri-urbane en plattelandsgebieden;

I.  overwegende dat vrouwen, en met name alleenstaande moeders, meer te maken krijgen met armoede en uitsluiting;

J.  overwegende dat demografische verandering het moeilijker maakt om de sociale samenhang en het welzijn van de gehele bevolking te garanderen en om een evenwichtige economische groei te bevorderen; overwegende dat demografische verandering gevolgen heeft voor de infrastructuur en de toegankelijkheid en de kwaliteit van diensten, wat zich vertaalt in gebieden waar er geen connectiviteit of geen medisch zorgaanbod is en vaak het gevolg is van ontoereikende verbindingen tussen de stedelijke bevolking en de plattelandsbevolking;

K.  overwegende dat demografische verandering op verschillende gebieden beleidswijzigingen vergt die verband houden met een breed scala aan cohesiebeleidsterreinen; overwegende dat regionaal beleid en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI), waaronder het Cohesiefonds, cruciale beleidsinstrumenten zijn om deze verandering aan te pakken;

L.  overwegende dat de niet-stedelijke gebieden in de Europese Unie goed zijn voor 113 miljoen bewoners, 12 miljoen landbouwbedrijven en 172 miljoen hectare landbouwgrond, en dat zij een belangrijke bijdrage leveren aan de Europese economieën, culturen en ecosystemen;

M.  overwegende dat een adequate infrastructuur en een adequaat dienstenniveau bepalende factoren zijn voor de bevolkingsopbouw in regio's die dunbevolkt zijn of te kampen hebben met emigratie, en daardoor meer behoefte hebben aan investeringen en werkgelegenheid;

N.  overwegende dat een goede infrastructuur, de toegang tot openbare voorzieningen en hoogwaardige werkgelegenheid bepalende factoren zijn voor de beslissing om wel of niet in een bepaald gebied te blijven wonen;

O.  overwegende dat vrouwen meer te maken krijgen met armoede en sociale uitsluiting dan mannen – des te meer wanneer zij ouder zijn dan 60;

P.  overwegende dat demografische verandering een grotere impact heeft op regio's met een ontwikkelingsachterstand;

Q.  overwegende dat de demografische verandering waarmee landelijke gebieden worden geconfronteerd niet alleen ernstige demografische gevolgen heeft gehad, maar ook de economie, de samenleving, de levenskwaliteit en het milieu heeft aangetast en tot territoriale ontwrichting heeft geleid;

R.  overwegende dat gendergelijkheid een grondrecht, een gemeenschappelijke waarde van de EU en een noodzakelijke voorwaarde is voor de verwezenlijking van de EU-doelstellingen inzake groei, werkgelegenheid en sociale cohesie;

S.  overwegende dat gendergelijkheid een belangrijk instrument vormt voor economische ontwikkeling en sociale samenhang;

T.  overwegende dat negatieve demografische verandering de vraag naar sterkere solidariteit tussen generaties doet stijgen;

Algemene opmerkingen

1.  benadrukt dat demografische verandering sterke economische, sociale, fiscale en milieudruk met zich meebrengt voor de regeringen, de regionale en lokale autoriteiten van de lidstaten waar het gaat om het aanbieden van openbare diensten, met name welzijns- en sociale voorzieningen, de aanleg en het beheer van infrastructuur, en de instandhouding van ecosystemen door middel van duurzame ruimtelijke ordening; benadrukt dat die druk zal toenemen door een afnemende actieve bevolking en een hogere afhankelijkheidsratio; benadrukt de cruciale rol van hoogwaardige publieke en private diensten; benadrukt het belang van toegankelijke hoogwaardige publieke en private diensten als middel om gendergelijkheid te waarborgen;

2.  is van mening dat demografische verandering moet worden aangepakt door een gecoördineerd optreden van alle Europese, nationale, regionale en lokale overheden, en door aanpassingsstrategieën te volgen die zijn afgestemd op de lokale en regionale omstandigheden waarbij sprake moet zijn van een doeltreffende meerlagige bestuurlijke aanpak, zowel bij het ontwerpen van dit gerichte beleid voor specifieke regio's als bij de uitvoering daarvan; is van mening dat een dergelijke gecoördineerde en integrale aanpak gericht moet zijn op het verbeteren van de levenskwaliteit en het bieden van betere economische kansen aan burgers, alsook op het investeren in de kwaliteit, beschikbaarheid en betaalbaarheid van sociale en openbare voorzieningen in de betrokken regio's; is tevens van mening dat vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden erbij moeten worden betrokken; wijst erop dat bij een globale aanpak steeds rekening moet worden gehouden met de rol van steden, landelijke gebieden en visserij- en kustgebieden en van gebieden die met specifieke problemen kampen vanwege hun geografische of demografische situatie, wat betekent dat ook rekening moet worden gehouden met de specifieke uitdagingen waarmee ultraperifere gebieden, de meest noordelijk gelegen dunbevolkte gebieden, eilandgebieden, grensregio's en berggebieden worden geconfronteerd, zoals uitdrukkelijk erkend in het Verdrag van Lissabon; verzoekt de lidstaten en de Commissie rekening te houden met de effecten van verschillende beleidsmaatregelen op gendergelijkheid en demografische verandering;

3.  erkent dat demografische verandering, die voor allerlei nieuwe problemen zorgt, op lokaal niveau ook ontwikkelingskansen met zich meebrengt ten gevolge van de veranderingen in de vraag van stedelijke samenlevingen, vooral met betrekking tot voeding, recreatie en ontspanning, door het potentieel van de landbouw, de bosbouw en de visserij, in de vorm van kwaliteitsvolle, veilige en gedifferentieerde producten; is van mening dat het plattelandstoerisme in het algemeen, en ecotoerisme, e-handel, gemeenschapsdiensten en de zilveren economie meer in het bijzonder, eveneens kansen bieden voor lokale ontwikkeling, door de waarde te verhogen van lokale agrarische en niet-agrarische producten, zoals ambachtelijke producten, borduurwerk en aardewerk, via een Europees systeem voor de bescherming van geografische aanduidingen; benadrukt in dit opzicht het belang van slimme specialisatiestrategieën om regio's en lokale gebieden te helpen activiteiten te ontplooien met een hoge toegevoegde waarde en aantrekkelijke innoverende ecosystemen aan te leggen, vanuit een echte multifunctionele strategie voor plattelandsontwikkeling, waarbij de circulaire economie in de ruimtelijke ordening wordt opgenomen; wijst erop dat agro-toerisme ook een belangrijke sector vormt, aangezien deze bijdraagt aan het behoud van een dynamische levensstijl in plattelandsgebieden; benadrukt het belang van de sociale dialoog en de inbreng van sociale partners, samen met andere lokale belanghebbenden en autoriteiten in alle programmerings- en uitvoeringsfasen van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) om beter te kunnen anticiperen op de effecten van demografische verandering op lokale arbeidsmarkten en nieuwe strategieën te ontwikkelen om die uitdagingen het hoofd te bieden;

Kenmerken van demografische verandering in de EU

4.  merkt op dat veel EU-gebieden met betrekking tot demografische verandering nu vooral kampen met een verouderende bevolking wat wordt veroorzaakt door de ineenstortende bevolkingspiramide, dalende geboortecijfers en daardoor ook een drastische daling van het aantal kinderen en jongeren, een aanhoudende bevolkingskrimp, een tekort aan geschoolde werknemers, een gebrek aan banen, wegtrekkende jongeren op zoek naar banen en wijzigingen in de demografische structuur; erkent dat het huidige landbouwbeleid, de teloorgang van traditionele activiteiten, producten en productiesystemen, beroepsbevolking en lokale knowhow, de onzichtbaarheid van vrouwen op de arbeidsmarkt, het gebrek aan ondernemingszin, het beperkte of zelfs onbestaande territoriale concurrentievermogen vanwege een gebrek aan investeringen, het verlies van biodiversiteit, de omvorming van bos in maquis en het risico van bosbranden eveneens belangrijke problemen zijn die verband houden met demografische verandering; benadrukt dat de impact van deze trends van regio tot regio sterk verschilt, voor een deel vanwege de trek van mensen naar grote stedelijke centra op zoek naar banen;

5.  benadrukt dat een van de belangrijkste doelstellingen van een demografisch beleid van de EU zou moeten zijn rekening te houden met alle regio's die kampen met demografische disbalans en de specifieke kenmerken van die regio's, factoren waarop het cohesiebeleid al langer probeert in te spelen en die na 2020 nog veel meer aandacht dienen te krijgen; wijst erop dat demografische verandering alle gebieden treft, zowel landelijke als stedelijke gebieden, maar dat de gevolgen ervan verschillen naargelang van diverse factoren, zoals de intensiteit en de snelheid waarmee zij zich voordoet, of het feit dat het om regio's met een immigratieoverschot of regio's met een krimpende bevolking gaat;

6.  onderstreept de noodzaak om de kleine en middelgrote landbouwbedrijven in berggebieden en op het platteland te bevorderen en te steunen die, dankzij het gebruik van traditionele technieken en productiemethoden die op een geïntegreerde en duurzame wijze gebruikmaken van de natuurlijke rijkdommen – zoals de weides en verschillende soorten voedergewasteelt –, producten produceren met bijzondere kwalitatieve kenmerken en zouden kunnen bijdragen aan het keren of afremmen van de ontvolking in deze gebieden;

7.  benadrukt dat die demografische fenomenen die zich nu voordoen in de Unie niet nieuw zijn, maar zich wel veel sterker dan ooit tevoren manifesteren, met name als gevolg van sociale en economische druk; wijst op de gestage toename van het aantal ouderen – circa 2 miljoen mensen per jaar worden 60 – wat op termijn belangrijke gevolgen heeft voor ruimtelijke ordening, huisvesting en vervoer, alsook voor andere soorten infrastructuur en voorzieningen; constateert met bezorgdheid dat regio's die gekenmerkt worden door een sterke afname van de bevolking in de werkende leeftijd bijzonder hard getroffen zullen worden door demografische problemen; erkent dat gebrek aan investeringen, gebrekkige infrastructuur, slechte verbindingen, beperkte toegang tot sociale voorzieningen en ontoereikende werkgelegenheid bepalende factoren zijn voor ontvolking; benadrukt dat demografische veranderingen aanzienlijke effecten kunnen hebben op met name de pensioenen en op de milieuduurzaamheid, aangezien zowel de ontvolking van plattelandsgebieden als de toenemende verstedelijking gevolgen hebben voor ecosystemen, het natuurbehoud en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met specifieke repercussies voor het stedelijk grondgebruik, de infrastructuur, de huizenmarkt en groenvoorzieningen;

8.  is van mening dat er ook op horizontale wijze rekening gehouden moet worden met de genderdimensie van demografische verandering, omdat regio's die kampen met demografische neergang ook last hebben van disbalans op gender- en leeftijdsgebied door wegtrekkende bevolking; meent dat de uitdagingen die voortvloeien uit demografische verandering kunnen en moeten worden aangepakt binnen een beleidskader dat gericht is op gendergelijkheid en dat gender dan ook onderdeel moet uitmaken van alle debatten over kwesties die verband houden met demografische ontwikkelingen; is daarom van mening dat de uitvoering van gendermainstreaming binnen alle Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) in de toekomst verder moet worden versterkt;

9.   herinnert eraan dat de Europa 2020-strategie de demografische uitdagingen aanpakt in de meeste van haar zeven vlaggenschipinitiatieven, die zijn opgezet om de problemen van de Unie te overwinnen en haar fundamentele prioriteiten op het gebied van werkgelegenheid, innovatie, onderwijs, armoedebestrijding en klimaat en energie te bepalen, en onderstreept dat de toepassing van die strategie en de bijbehorende vlaggenschipinitiatieven voor een wezenlijk deel gebaseerd is op financiële steun uit de instrumenten van het cohesiebeleid, met inbegrip van de bepalingen om demografische veranderingen en vergrijzing tegen te gaan; wijst erop dat die dimensies nadruk moeten krijgen in alle instrumenten van de Europese Unie;

10.  is van mening dat de uitdagingen die voortvloeien uit de afname en vergrijzing van de bevolking een objectieve, grondige en allesomvattende herbeoordelingen zullen vergen van veel economische, sociale en politieke beleidsmaatregelen en -programma's, waarin een langetermijnvisie zal moeten worden opgenomen;

Coördinatie van EU-beleid

11.  dringt aan op sterkere coördinatie van de EU-beleidsinstrumenten, in het bijzonder van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI), inclusief het Cohesiefonds, de Europese territoriale samenwerking, het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), om te zorgen voor een gecoördineerdere aanpak van demografische verandering; acht het zinvol dat, aangezien de tot nu toe gehanteerde instrumenten niet hebben kunnen verhinderen dat de demografische onevenwichtigheden toenemen, het huidige beleid en de werking van al de genoemde mechanismen grondig worden herzien; verheugt zich in dit verband over de gedane pogingen om de synergieën tussen de Europese structuur- en investeringsfondsen en het EFSI te maximaliseren; dringt er nogmaals bij de Commissie op aan een strategie voor demografische verandering voor te stellen waarin de volgende domeinen prioriteit krijgen: waardig werk en kwaliteitsvolle arbeidsbetrekkingen, met bijzondere aandacht voor het nieuwe werken en de sociale functie ervan; het territoriale aspect van het beleid ter bevordering van de economische activiteit en de werkgelegenheid; het stimuleren van infrastructuur om gebieden met demografische uitdagingen toegankelijk te maken en hun concurrentievermogen te versterken, als factor in de keuze van de vestigingsplaats van ondernemingen; het uitbreiden van de dekking van ICT, die zowel in prijs als kwaliteit concurrerend moet zijn, naar dunner bevolkte gebieden; de verlening van basisdiensten van een welvaartsstaat in gebieden met demografische uitdagingen; plaatselijk openbaar vervoer om te zorgen voor toegankelijkheid van openbare diensten; beleid dat is opgesteld om te zorgen voor een betere evenwicht tussen werk- en privéleven, duurzame generatievernieuwing en passende zorg voor afhankelijke personen; beleid inzake de opvang, integratie en terugkeer van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten; en een uitgebreid gebruik van nieuwe, aantrekkelijkere kaders om informatie over het leven op het platteland te verspreiden; onderstreept het belang van bestaande initiatieven als het Europees innovatiepartnerschap inzake actief en gezond ouder worden, Ambient Assisted Living en de kennis- en innovatiegemeenschappen Digital en Health van het EIT; roept de Commissie op om bij de aanpak van de demografische problemen waarmee Europese regio's te kampen hebben rekening te houden met de oplossingen die al in het kader van deze initiatieven zijn ontwikkeld; wijst op het belang van het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren ter ondersteuning van onderwijs en opleiding in gebieden waar ontvolking dreigt; is van mening dat in het initiatief "Beter wetgeven" moet worden bepaald dat in de effectbeoordeling die aan elk Europees wetgevingsinitiatief voorafgaat, ook moet worden gekeken naar eventuele effecten op demografisch gebied;

12.  benadrukt dat de EU demografische overwegingen moet meenemen in het gehele beleidsspectrum, en in haar begroting rubrieken moet opnemen die de ontwikkeling van dit beleid mogelijk moeten maken, in het bijzonder op het gebied van cohesie, werkgelegenheid, landbouw, milieu, de informatiemaatschappij, O&O&i (onderzoek, ontwikkeling en innovatie), werkgelegenheid, onderwijs, sociaal beleid en vervoer; acht het noodzakelijk dat de Unie in het ontwerp van haar beleid de bevindingen van demografische effectbeoordelingen meeneemt en in de evaluatie van de resultaten en ongewenste effecten ervan rekening houdt met demografische criteria om een benadering van demografische verandering te stimuleren, waarbij de regionale en lokale autoriteiten worden betrokken; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan plattelandsgebieden, waar deze demografische problemen bijzonder acuut zijn; wijst in dit verband op het potentieel van het Smart Villages-initiatief, waarbij plattelandsgemeenschappen met innovatie en moderne technologieën als 5G kunnen worden gerevitaliseerd; benadrukt verder het belang van een intensievere samenwerking tussen landelijke en stedelijke gebieden; benadrukt het belang van het verschaffen van universele toegang tot hoogwaardige en betaalbare openbare voorzieningen en infrastructuur, met name voor kinderen, jongeren en ouderen, met het oog op de bevordering van sociale inclusie, het garanderen van gendergelijkheid, en het verzachten van de effecten van demografische verandering; benadrukt dat, om de gemeenschappen in stand te houden en met name in gebieden waar ontvolking dreigt, nieuwe kansen voor betaalde werkgelegenheid moeten worden gecreëerd en dat de juiste voorwaarden moeten worden geschapen om een goed evenwicht tussen werk en privéleven mogelijk te maken; acht het belangrijk aan te dringen op een holistische geografische kijk op stedelijke en landelijke gebieden als elkaar aanvullende functionele ruimten; onderstreept dat de verschillende fondsen verder moeten worden geïntegreerd om voor een werkelijk participatieve en duurzame lokale ontwikkeling te zorgen; wijst erop dat het demografische beleid van de EU ernaar zou moeten streven vollediger te zijn, en meer met de lidstaten en horizontaal afgestemd zou moeten worden; herinnert eraan dat de Europese Unie niet alleen middelen voor territoriale ontwikkeling verstrekt, maar ook in grote mate bepaalt in hoeverre lokale en regionale overheden hun eigen middelen kunnen gebruiken om socio-territoriale ongelijkheden aan te pakken; wijst erop dat, hoewel de uitzonderingen waarvoor geen kennisgeving nodig is – door de modernisering van de overheidssteun – geleidelijk aan zijn vereenvoudigd en uitgebreid, het huidige kader nog steeds te complex en te belastend is voor de kleinste lokale en regionale overheden; is van mening dat, hoewel de regels voor overheidsopdrachten in 2014 zijn vereenvoudigd, er nog steeds te veel belemmeringen bestaan voor kleine lokale en regionale overheden om de economie in deze gevoelige zones te kunnen verbeteren;

13.  is van mening dat de EU het migratie- en integratiebeleid in de lidstaten zou moeten ondersteunen, door de rechten en bevoegdheden van die lidstaten te eerbiedigen, alsmede het subsidiariteitsbeginsel, om de negatieve demografische trends te remmen; benadrukt de belangrijke rol van beleid dat gericht is op de vorming en ondersteuning van gezinnen; is van mening dat lokale en regionale instanties in staat moeten worden gesteld om het integratiebeleid met succes toe te passen op het terrein; is van mening dat lokale en regionale autoriteiten actief moeten deelnemen aan maatregelen die getroffen worden om demografische problemen aan te pakken; vraagt om in de jaarlijkse groeianalyse en de landspecifieke aanbevelingen rekening te houden met regionale verschillen en met onevenwichtigheden tussen de regio's in de lidstaten; is van mening dat samenwerking in grensregio's zowel de eisen als de reikwijdte van grensoverschrijdende initiatieven tot uitdrukking moet brengen; stelt voor om op dit gebied opleidingsprogramma's te ontwikkelen om tot een beter begrip en groter bewustzijn te komen van de relevante aspecten; is van mening dat demografische problemen een integrale aanpak in heel Europa vergen en dat het oplossen van het probleem in één deel van het continent niet mag leiden tot negatieve gevolgen voor andere gebieden in Europa; roept op tot de totstandbrenging, op pan-Europees niveau, van netwerken voor de uitwisseling van goede praktijken en ervaringen waarmee lokale en regionale autoriteiten, alsook betrokken maatschappelijke organisaties elkaar kunnen adviseren over de aanpak van de problemen die voortvloeien uit demografische verandering;

De effectiviteit van Europese fondsen verhogen

14.  benadrukt dat de effectiviteit van ESI-fondsen om de demografische verandering aan te pakken gedurende de komende programmeringsperiode moet worden verhoogd door: meer en specifiekere aandacht voor demografische verandering als prioritair gebied in de definitieve verordeningen en in de richtsnoeren ter ondersteuning van de lidstaten, de regio's en de lokale overheden, waarbij moet worden nagegaan wat het potentieel is van de ESI-fondsen bij de aanpak van demografische verandering en bij de vaststelling en uitvoering van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's; een pro-actievere benadering van demografische beleidsvorming en de uitwisseling van goede praktijken en ervaringen in het kader van de verwerving van institutionele kennis; de verlening van technische ondersteuning aan de beheerinstanties en de lokale belanghebbenden bij de uitvoering van doeltreffend beleid waarmee demografische verandering nationaal en regionaal wordt aangepakt; de verplichte actieve deelname van lokale overheden aan het ontwerp, het beheer en de interne evaluatie van de programma's voor de uitvoering van de fondsen en de noodzakelijke vaststelling van zones die met demografische uitdagingen worden geconfronteerd op NUTS 3-niveau en op LBE-niveau; pleit voor het bieden van technische bijstand en opleiding aan lokale belanghebbenden en de beheerinstanties met het oog op de tenuitvoerlegging van effectieve beleidsmaatregelen waarmee demografische verandering op nationaal, regionaal en lokaal niveau het hoofd wordt geboden; is van mening dat regionale subsidies op NUTS 2-niveau in sommige lidstaten vaak socio-territoriale, intra-regionale en zelfs supra-regionale ongelijkheden verhullen; vraagt om in de EU-kaarten een passende schaal te hanteren om territoriale problemen correct weer te geven, om er zo toe bij te dragen dat de steun wordt toegespitst op de meest achtergestelde regio's;

15.  vraagt dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) een grotere bijdrage levert en meer steun biedt om ervoor te zorgen dat gebieden die sterk te lijden hebben onder vergrijzing, landelijkheid en ontvolking hun infrastructuur voor vervoer en telecommunicatie kunnen verbeteren, de digitale kloof (ook tussen generaties) kunnen verkleinen en over betere openbare diensten kunnen beschikken; benadrukt in dit verband het belang van e-gezondheid; roept de lidstaten en regio's op om beschikbare middelen gerichter te investeren om demografische veranderingen en de gevolgen ervan het hoofd te bieden;

16.  dringt er bij de Commissie op aan cohesiebeleidsmaatregelen te gebruiken om de toenemende migratie uit dunbevolkte regio's af te remmen, waar gepaste infrastructuur en een adequaat dienstenniveau essentiële voorwaarden zijn om vooral gezinnen met kinderen daar te houden;

17.  benadrukt dat het Europees Sociaal Fonds meer werk moet maken van het opleiden van jongeren, dat het de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt moet stimuleren, het evenwicht tussen werk en gezin moet bevorderen en de digitale uitsluiting van ouderen moet tegengaan; benadrukt verder dat het fonds door bijscholingsprogramma's de werkgelegenheidsvooruitzichten voor de inwoners van krimpende gebieden moet verbeteren, en door de sociale en digitale inclusie van vrouwen, jongeren en ouderen in die gebieden te verbeteren; wijst er in dat verband op dat wanneer het ESF wordt gebruikt om ultraperifere regio's te steunen, ernaar wordt gestreefd een beter evenwicht tussen werk en privéleven te bewerkstelligen; verzoekt de Commissie te overwegen om een specifiek fonds op te zetten, binnen de bestaande fondsen, voor gebieden met ernstige en permanente demografische belemmeringen; vraagt om de middelen te verdelen op basis van regelingen waarin prioriteiten worden vastgesteld voor de korte, middellange en lange termijn; benadrukt het belang om het Cohesiefonds een rol te geven in de toekomstige strategieën voor de aanpak van demografische verandering; herinnert eraan dat het fonds is opgericht ter versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie; meent dat het belangrijk is om door middel van het ESF veel meer steun te verlenen aan kleine organisaties die innovatieve maatschappelijke projecten ontwikkelen en uitvoeren, alsook aan pan-Europese transnationale proefprojecten gericht op de aanpak van sociale en werkgelegenheidsproblemen, met het oog op de bevordering van innovatieve regionale, grensoverschrijdende, transnationale en macro-regionale samenwerking waarmee het hoofd kan worden geboden aan de uitdagingen die voortvloeien uit demografische verandering;

18.  betreurt het feit dat, zoals in Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer wordt onderstreept, de EU-jongerengarantie, die erop gericht zou moeten zijn jonge mensen zonder werk, opleiding of scholing te helpen, matige vooruitgang heeft geboekt, en de resultaten ervan niet voldoen aan de initiële verwachtingen;

19.  is van mening dat het EFSI, om territoriale breuken te vermijden, ten goede moet komen aan gebieden met een beperktere demografische dynamiek door een verhoging van de investeringen in prioritaire domeinen voor de EU, zoals energie, vervoer, onderwijs, bedrijfsleven, innoverend onderzoek, mkb, onderwijs of sociale infrastructuur; is van mening dat het idee om demografisch achtergestelde regio's een speciale status te geven moet worden besproken bij de ontwikkeling van het cohesiebeleid na 2020;

De toekomst van het cohesiebeleid om demografische verandering aan te pakken

20.  is van mening dat het cohesiebeleid over passende instrumenten moet beschikken om demografische verandering het hoofd te helpen bieden, met name in verband met ander Europees, nationaal en regionaal beleid, zowel wat de vergrijzing als wat de ontvolking betreft, en dat het bijgevolg een prominentere rol moet spelen om regio's te ondersteunen bij de aanpassing aan demografische verandering; is van mening dat dit ook tot uitdrukking moet komen in de fondsspecifieke verordeningen die de demografische verandering aanpakken, in overeenstemming met artikel 174 VWEU; vraagt om een nauwkeurige definitie van het concept "ernstige en permanente demografische belemmeringen" uit artikel 174 VWEU en artikel 121 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, waarmee de demografische uitdagingen in statistische termen kunnen worden uitgedrukt; onderstreept het belang van het verband tussen stad en platteland, en verzoekt de Commissie om na te denken over de mogelijkheid om integrale strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling aan te vullen met partnerschappen voor duurzame stedelijk-landelijke ontwikkeling; is van mening dat de Commissie proactieve maatregelen moet nemen om de negatieve effecten van demografische verandering te ondervangen en technische bijstand moet verlenen aan de regio's die het meest door ontvolking worden getroffen;

21.  benadrukt dat het cohesiebeleid de inzetbaarheid en inclusie van vrouwen moet bevorderen, met name van moeders die moeite hebben om werk te vinden; pleit er daarom voor vrouwen toegang te geven tot opleidings- en leerprogramma's; wijst er echter op dat de verkregen kwalificaties moeten aansluiten op de vraag op de arbeidsmarkt; benadrukt het belang om jonge moeders te helpen weer aan het werk te gaan door betrouwbare dagopvangfaciliteiten te bieden voor kinderen van alle leeftijden, met inbegrip van voorschoolse leervoorzieningen, om ontvolking tegen te gaan;

22.  meent dat de regio's, om de demografische problemen aan te pakken, de Europese structuur- en investeringsfondsen proactiever zouden moeten gebruiken om de werkloosheid onder de jeugd te bestrijden en jongeren de mogelijkheid te bieden een behoorlijke loopbaan te starten; merkt op dat dit zou kunnen worden bereikt door opleidingsprogramma's en het ondernemerschap bij jongeren te ondersteunen;

23.  dringt aan op een wettelijk kader in de toekomstige verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GBV) om gebieden met ernstige en permanente demografische belemmeringen specifiek te erkennen; pleit voor een proactievere en gerichtere aanpak bij de demografische beleidsvorming, aangezien de belangrijke regionale verschillen in demografische patronen waarschijnlijk zullen leiden tot aanzienlijke asymmetrische sociaal-economische effecten op gebieden in Europa, waardoor de regionale verschillen nog verder zouden kunnen toenemen; vraagt om de nieuwe instrumenten die een bottom-upaanpak en meerlagig bestuur moeten stimuleren, bijvoorbeeld via door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI), te versterken en te stroomlijnen, teneinde het lokale en regionale niveau nog verder te integreren in een geïntegreerde en holistische aanpak van regionale ontwikkeling; pleit voor het ontstaan van portaaldiensten, zodat bedrijven op het platteland beter met stedelijke bedrijven verbindingen kunnen leggen; benadrukt dat, in het kader van het toekomstige cohesiebeleid, meer rekening moet worden gehouden met de specifieke territoriale kenmerken die op subregionaal niveau tot uiting komen; onderstreept dat het gebrek aan capaciteit en krachtige governance bij veel regionale en lokale overheden een van de belangrijkste belemmeringen vormt voor het welslagen van de ESI-fondsen en dringt in dit verband aan op instrumenten voor capaciteitsopbouw;

24.  verzoekt de Commissie te overwegen nieuwe criteria vast te stellen om regio's die kampen met demografische verandering te identificeren aan de hand van demografische en economische variabelen, milieueffecten en toegankelijkheid van de regio's, en onderzoek te verrichten naar mogelijke sociaal-economische en milieu-indicatoren in aanvulling op de bbp-indicator, waaronder criteria als sociaal kapitaal, levensverwachting en milieukwaliteit; is van mening dat het bbp en bevolkingsdichtheid niet volstaan als criteria om regio's met ernstige en permanente demografische belemmeringen te identificeren; verzoekt de Commissie te overwegen om naast de bbp-indicator nieuwe dynamische indicatoren vast te stellen, zoals een demografische indicator, en in het bijzonder de regionale index voor sociale vooruitgang van de EU, die een vollediger beeld geven van de specifieke uitdagingen waarmee deze gebieden worden geconfronteerd, of een aanvullende speciale toewijzing te overwegen voor deze regio's, vergelijkbaar met de toewijzing voor dunbevolkte gebieden voorzien in de huidige programmeringsperiode (GBV, bijlage VII, punt 9); benadrukt het belang van specifieke instrumenten voor het toezicht op en de evaluatie van het potentieel en de werkelijke effecten van de ESI-fondsen in de aanpak van de demografische verandering, door richtsnoeren te verstrekken voor de ontwikkeling van de nodige demografische indicatoren; benadrukt het belang van de beschikbaarheid van betrouwbare, actuele, uitgesplitste statistieken voor een doeltreffender en objectiever politiek bestuur, en met name voor een nauwkeuriger begrip van de intrinsieke kenmerken van de verschillende dunbevolkte gebieden in de Unie; roept Eurostat daarom op de relevante statistieken gedetailleerder te maken om een gepast Europees demografisch beleid te kunnen vormgeven, met name wat betreft demografische, gezinsgerelateerde, sociale en economische indicatoren; dringt er daarom op aan de statistieken ten minste op subregionaal niveau (d.w.z. NUTS 3 – niveau) uit te splitsen;

25.  is van mening dat het toekomstige cohesiebeleid ook specifieke beleidsmaatregelen moet bevatten voor gebieden die het sterkst te lijden hebben van demografische uitdagingen en meer flexibiliteit moet bieden bij de keuze van de thematische doelstellingen of bij de medefinancieringspercentages, om zo intra-regionale of inter-regionale strategieën op te zetten binnen eenzelfde lidstaat, met lokale participatie; roept de Commissie op om het bestaan van een nationale strategie voor demografische ontwikkeling als een nieuwe ex-antevoorwaarde te overwegen;

26.  dringt er bij de Commissie op aan een vlaggenschipinitiatief inzake demografie in de Europa 2020-strategie op te nemen, dat wordt gefinancierd door de bestaande ESI-fondsen en een reeks maatregelen omvat binnen drie categorieën: slimme groei, door middel van maatregelen die regio's met demografische uitdagingen helpen op het gebied van ICT, O&O&i en mkb; inclusieve groei, met specifieke maatregelen om jongeren aan te moedigen in hun regio te blijven, door te zorgen voor duurzame generatievernieuwing, zelfstandig ondernemerschap en sociale inclusie van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten; en duurzame groei, door middel van maatregelen die die regio's helpen om te investeren in een "groene economie", met duurzame vervoerssystemen; is verheugd over de EU-actie voor "slimme dorpen", waarin wordt gepleit voor beleid waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan het overbruggen van de digitale kloof tussen landelijke en stedelijke gebieden en gebruik te maken van het potentieel dat worden geboden door connectiviteit en digitaliseren van plattelandsgebieden en dat het slimme-eiland-initiatief steunt als een lokale poging van de Europese eilandautoriteiten en -gemeenschappen die het leven op eilanden willen verbeteren door middel van duurzame en geïntegreerde oplossingen;

27.  is van mening dat in het post-2020 Meerjarig Financieel Kader een sterke en duidelijke impuls gegeven moet worden aan de demografische uitdagingen, rekening houdend met de huidige demografische situatie en trends, en dat het ruimte moet bieden aan de bevordering van oplossingen waarin gebruik wordt gemaakt van gerichte maatregelen zoals een begrotingspost met middelen, in voorkomend geval; verzoekt om de diensten en infrastructuur die de sociale inclusie bevorderen te versterken in het GLB, via de tweede pijler daarvan, die gericht is op plattelandsontwikkeling en wordt gefinancierd uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo), en om de trends van sociale en economische achteruitgang en ontvolking in gebieden met ernstige en permanente demografische belemmeringen te keren; verzoekt de nationale, regionale en lokale autoriteiten om ervaringen, beste praktijken en nieuwe methoden uit te wisselen met betrekking tot het voorkomen van de negatieve gevolgen van een demografisch veranderingsproces; is van mening dat de trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-V) en de snelwegen op zee (SoZ) zich ook dienen uit te strekken tot gebieden met ernstige en permanente demografische belemmeringen;

28.  onderstreept de toegevoegde waarde van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD) als één methodiek voor alle Europese structuur- en investeringsfondsen ten behoeve van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde en op maat gesneden bottom-up-oplossingen; betreurt echter dat de CLLD alleen verplicht is voor het Elfpo en dat lokale en participatieve benaderingen bij EFRO, ESF en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) steeds minder worden gebruikt; roept de Commissie daarom op het gebruik van CLLD verplicht te stellen voor alle ESI-fondsen;

o
o   o

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0049.
(7) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0099.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0213.
(10) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 145.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0211.
(12) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 9.
(13) PB C 74 E van 13.3.2012, blz. 19.
(14) PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 55.
(15) PB C 184 E van 6.8.2009, blz. 75.
(16) PB C 292 E van 1.12.2006, blz. 131.
(17) PB C 17 van 18.1.2017, blz. 40.
(18) Werkdocument van EPSON. Luxemburg, ESPON EGTC, maart 2017.
(19) Eurostat, ‘De EU in de wereld’, editie 2016.
(20) Eurostat, "Eurostat regionaal jaarboek", editie 2016.


Actieplan voor financiële retaildiensten
PDF 292kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2017 over het actieplan over financiële diensten voor consumenten (2017/2066(INI))
P8_TA(2017)0428A8-0326/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 30 april 2007 over financiële diensten voor consumenten in de interne markt (COM(2007)0226),

–  gezien Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad(1) (richtlijn consumentenkrediet),

–  gezien Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid(2) (richtlijn motorrijtuigenverzekering),

–  gezien Verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001(3),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 11 januari 2012 met als titel 'Naar een geïntegreerde Europese markt voor kaart-, internet- en mobiele betalingen' (COM(2011)0941),

–  gezien het verslag "Goede praktijken bij vergelijkingswebsites" van 2014 van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen,

–  gezien het in april 2016 aan de EU-instellingen gerichte advies "Een gemeenschappelijk kader voor risicobeoordeling en transparantie voor IBPV's" van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen,

–  gezien Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010(4) (richtlijn hypothecair krediet),

–  gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG(6),

–  gezien Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties(7) (richtlijn betaalrekeningen),

–  gezien het verslag van de Commissie van 8 augustus 2014 betreffende de werking van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) en het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS) (COM(2014)0509),

–  gezien Verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties(8),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG(9),

–  gezien Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie(10) (richtlijn verzekeringsdistributie),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 10 december 2015 over financiële retaildiensten – betere producten, meer keuze en meer mogelijkheden voor consumenten en bedrijven (COM(2015)0630),

–  gezien de reactie van de Europese Bankenautoriteit van 21 maart 2016 op het Groenboek van de Commissie over financiële retaildiensten,

–  gezien de "Special Eurobarometer 446: Financial Products and Services" van juli 2016,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het Groenboek over financiële retaildiensten(11),

–  gezien het rapport van 2016 van Better Finance getiteld "Pension Savings: The Real Return",

–  gezien zijn resolutie van 17 mei 2017 over FinTech: de invloed van technologie op de toekomst van de financiële sector(12),

–  gezien het raadplegingsdocument van de Commissie inzake de herziening van de ETA's van 21 maart 2017,

–  gezien het Actieplan van de Commissie van 23 maart 2017 getiteld "Actieplan inzake financiële diensten voor de consument: Beter producten, meer keuze" (COM(2017)0139),

–   gezien het onderzoek naar de markt voor vermogensbeheer van juni 2017 van de Financial Conduct Authority in het Verenigd Koninkrijk,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8‑0326/2017),

A.  overwegende dat de EU-markt voor financiële retaildiensten nog altijd vrij onderontwikkeld en sterk gefragmenteerd is, terwijl er in verschillende lidstaten maatregelen worden genomen; overwegende dat er dan ook snel doeltreffende actie moet worden ondernomen om innovatie te stimuleren die eindgebruikers ten goede komt, en het volledige potentieel van de interne markt voor financiële retaildiensten te gebruiken, en die bevorderlijk zou zijn voor de concurrentie, waardoor de prijzen zouden dalen, en het aanbod en de verscheidenheid aan producten zou toenemen;

B.  overwegende dat we ambitieus moeten blijven bij het wegnemen van nationale obstakels en het beteugelen van bestaande tendensen, die innovatie bij financiële retaildiensten tegenhouden; vraagt de Commissie en de Raad ambitieuzer te zijn op het gebied van grensoverschrijdende retailbeleggingen in het kader van de kapitaalmarktenunie door niet alleen betrekkelijk eenvoudige problemen, maar ook de belangrijkste obstakels op deze markt aan te pakken, waaronder taalverschillen, zorgen in verband met fraude en criminaliteit, onzekerheid over de fiscale gevolgen, verschillen in effecten- en ondernemingsrecht, onbekendheid met schadeloosstellings- en insolventieprocedures, alsook onvoldoende vertrouwen in consumentenbeschermingsregelingen;

C.  overwegende dat een Europese markt voor financiële retaildiensten slechts denkbaar is als deze een echte meerwaarde voor de consument en aanbieders van financiële diensten biedt, door voor effectieve concurrentie en consumentenbescherming te zorgen, met name in verband met producten die nodig zijn voor deelname aan het economische leven en voor kwetsbare consumenten;

D.  overwegende dat Special Eurobarometer 446 tot de slotsom komt dat Europeanen financiële producten of diensten nog steeds overwegend in eigen land afnemen en vaak niet eens behoefte zeggen te hebben aan toegang tot deze diensten in het buitenland, hoewel er wel degelijk ook sprake is van obstakels op dit gebied; overwegende dat er maar weinig mensen zijn die zelfs in hun eigen lidstaat op zoek gaan naar aantrekkelijker aanbiedingen en van aanbieder veranderen; overwegende dat het hieruit voortvloeiende gebrek aan (grensoverschrijdende) concurrentie erin kan resulteren dat consumenten en kleine beleggers bij het afnemen van financiële producten en diensten niet de beste deal krijgen;

E.  overwegende dat overeenkomstig de resolutie van het Parlement van 17 mei 2017 onder fintech financiering moet worden verstaan die mogelijk wordt gemaakt door of wordt verstrekt door middel van nieuwe technologieën, met een effect op de gehele financiële sector in al zijn onderdelen, van het bank- en verzekeringswezen tot pensioenfondsen, beleggingsadvies, betalingsdiensten en marktinfrastructuur; overwegende dat de toepassing van technologieën voor de levering van financiële retaildiensten kan helpen om een aantal obstakels voor de interne markt te overkomen en om de operationele efficiëntie van de sector te verbeteren; overwegende dat digitalisering an sich niet volstaat om deze obstakels te overwinnen; overwegende dat een betere integratie van de grensoverschrijdende financiële retaildiensten en een betere communicatie van de kansen die deze markt biedt, kunnen bijdragen aan de versterking van een "bewuste vraag" die bevorderlijk is voor het bewerkstelligen van betere kwaliteitsnormen op dit gebied;

1.  stelt vast dat in het Actieplan van de Commissie inzake financiële diensten voor de consument in wordt gegaan op een aantal van de uitdagingen die werden genoemd in het verslag van het Parlement over het Groenboek over financiële retaildiensten, met als doel het waarborgen van consumentenbescherming in het kader van het streven van het tot stand brengen van een daadwerkelijke op technologie gebaseerde interne markt voor financiële retaildiensten, in combinatie met consumentenbescherming, het bevorderen van de mededinging, het waarborgen van gegevensbescherming, lagere prijzen, en bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking, belastingontwijking en het witwassen van geld; is desalniettemin van oordeel dat het actieplan achterblijft bij de ambitie om regelgeving in te voeren die bevorderlijk is voor transparantie, groei en innovatie, waarbij bedrijven en consumenten een grote mate van vertrouwen hebben in financiële retailproducten; wijst erop dat de provisies en commissies in verband met particuliere pensioenen, beleggingsfondsen en andere retailproducten nog steeds hoog en weinig transparant zijn, wat zeer nadelig is voor het rendement van retailbeleggers; deelt overigens de zienswijze van de Commissie dat de omzetting en implementatie van wetgevingshandelingen die de afgelopen jaren op het gebied van financiële diensten zijn ontwikkeld, waaronder MiFID 2 en IDD, moet worden voortgezet en prioriteit moet krijgen, met – indien noodzakelijk – nieuwe wetgevingsinitiatieven;

2.  verwelkomt de ontwikkeling van nieuwe financiële diensten en instellingen, hetgeen bijdraagt aan de concurrentie op de financiële markten en nieuwe mogelijkheden voor consumenten; stelt overigens vast dat het volume van de fintech-financiering in Europa in 2016 slechts 2,2 miljard USD bedroeg, in vergelijking met 12,8 miljard USD in de VS en 8,6 miljard USD in China, hetgeen duidelijk maakt dat de technologische ontwikkelingen een snelle mentaliteitsverandering en een passend regelgevingsantwoord behoeven, wil Europa op het gebied van innovatie een voortrekkersrol innemen; benadrukt dat een daadwerkelijke interne markt voor financiële retaildiensten die een hoog niveau van consumentenbescherming en een gelijk speelveld voor nieuwkomers garandeert, de EU aantrekkelijk zal maken als knooppunt voor innovatieve financiële diensten en consumenten een grotere keuze en betere kwaliteit tegen lagere prijzen zal verschaffen; beklemtoont dat nieuwe technologieën wat regelgeving betreft weliswaar een uitdaging vormen, maar ook grote kansen inhouden voor innovatie, ten gunste van de eindgebruiker, en economische groei en werkgelegenheid bevorderen;

3.  acht het onontbeerlijk dat de mogelijkheid om grensoverschrijdend alle soorten financiële diensten af te nemen, met inbegrip van, maar niet uitsluitend, betaal- en spaarrekeningen, betaal- en creditkaarten, consumenten- en hypothecaire leningen, verzekeringen en staatsschuldinstrumenten, wordt zekergesteld;

4.  acht dat het niet strookt met de interne markt voor financiële retaildiensten om een woonadres in de lidstaat waar het financiële product, zoals een staatsschuldinstrument, wordt aangeboden, of een nationaal identiteitsdocument dat is afgegeven door die lidstaat, te vereisen om dergelijke diensten te kunnen afnemen;

5.  vindt het een positieve zaak dat het grensoverschrijdend afnemen van staatsschuldinstrumenten op retailniveau wordt vergemakkelijkt;

6.  is, overeenkomstig punt 135 van zijn resolutie van 14 februari 2017 over het jaarverslag over het mededingingsbeleid van de EU(13), van mening dat gebruikers geen commissielonen horen te betalen voor giro-/zichtrekeningen en spaarrekeningen tenzij daar specifieke diensten aan verbonden zijn;

7.  benadrukt dat de toegang tot contanten via geldautomaten een essentiële dienst is die zonder discriminatie en wanpraktijken moet worden verleend en bijgevolg niet buitensporig veel mag kosten;

8.  wijst de Commissie erop dat het nog altijd gangbaar is dat betaalkaarten buiten gebruik worden gesteld wanneer de houder naar een andere lidstaat verhuist, en vraagt dat er op dit vlak maatregelen worden getroffen, waaronder waarschuwing van de nationale autoriteiten;

9.  juicht het toe dat het Actieplan een aantal belangrijke kwesties beoogt aan te pakken en dat het ten aanzien van een aantal kwesties specifieke, door de Commissie te nemen maatregelen bevat, mét een duidelijk tijdschema;

10.  is van oordeel dat de Commissie zich proactiever moet opstellen bij het gebruiken van de kapitaalmarktenunie, en het Parlement nauw moet betrekken bij de tenuitvoerlegging van de overeenkomst van Parijs inzake ondersteuning van de groeiende markt voor duurzame en verantwoorde investeringen door duurzame investeringen te bevorderen, door ervoor te zorgen dat beursgenoteerde vennootschappen en financiële tussenpersonen doeltreffende en gestandaardiseerde milieu-, sociale en governance-informatie verschaffen en dat dergelijke criteria op passende wijze worden verwerkt in beleggingsbeheersystemen en informatienormen; vraagt de Commissie daarnaast met klem milieu-, sociale en governance-ratingdiensten te bevorderen en te werken aan een consistent kader voor de markt voor groene obligaties, voortbouwend op de desbetreffende studie van de Commissie en het werk van de studiegroep van de G20 over groene financiering; vraagt de Commissie met een voorstel te komen voor de ontwikkeling van een EU‑spaarrekening, teneinde de langetermijnfinanciering aan te zwengelen en ter ondersteuning van een ecologische transformatie in Europa;

11.  onderstreept dat het van groot belang is dat de belangrijke financiële centra uitgroeien tot dynamische markten voor retaildiensten;

12.  is van oordeel dat een hoog niveau van consumentenbescherming en transparantie essentieel zijn voor de ontwikkeling van een interne markt voor financiële retaildiensten; wijst met klem op de noodzaak de bescherming van kwetsbare consumenten te waarborgen door de richtlijn inzake de basisbetaalrekening doeltreffend uit te voeren en op het feit dat aanvullende maatregelen moeten worden getroffen, bijvoorbeeld in de vorm van beleid op het gebied van financiële educatie; is van oordeel dat de Europese en de nationale wetgeving inzake de bescherming van de consument op financieel gebied in alle lidstaten moet worden versterkt en goed gehandhaafd en, waar nodig, verder geharmoniseerd;

13.  verzoekt de Commissie toe te zien op de toepassing van het beginsel van de gelijkheid van diensten, risico's, regels en toezicht, teneinde verstoringen van de mededinging, met name als gevolg van de opkomst van nieuwe spelers, te voorkomen; benadrukt dat deze regels geen belemmering voor de innovatie mogen vormen; vraagt de Commissie om verduidelijking van het concept "algemeen belang", dat op dit moment door de lidstaten oneigenlijk kan worden gebruikt om nieuwe producten van hun markten te weren, en de ETA's de bevoegdheid te geven actief te bemiddelen tussen de lidstaten in het geval van verschillen van interpretatie van dit concept;

14.  onderstreept dat een Europese markt voor financiële retaildiensten kmo's aan zowel de aanbod- als de vraagzijde ten goede moet komen; verduidelijkt dat dit aan de aanbodzijde betekent dat kmo's beter toegang moeten krijgen tot financiering, en aan de vraagzijde dat ze in staat moeten worden gesteld gemakkelijk te opereren op grensoverschrijdende markten; onderstreept dat meer mededinging niet ten koste mag gaan van de kmo's die financiële retaildiensten aanbieden en vooral plaatselijk gevestigd zijn;

15.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de Europese financiële toezichthouders (EBA, ESMA en EIOPA) van de passende middelen en bevoegdheden worden voorzien om al hun regelgevende en toezichthoudende taken te vervullen in het belang van de consumentenbescherming;

16.  vraagt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is om een 29e regeling voor financiële retailproducten te ontwikkelen; vraagt de Commissie eveneens zich te buigen over de mogelijkheid van de uitwerking van een geharmoniseerd wetgevingskader voor uniforme standaardopties voor de financiële producten die in de EU het meest worden gebruikt, naar analogie met de basisbankrekening en de pan-Europese pensioenproducten (PEPP);

Actie 1 – Lagere kosten voor niet-eurotransacties

17.  wijst erop dat vergoedingen voor grensoverschrijdende betalingen buiten de eurozone nog altijd hoog zijn; verzoekt de Commissie daarom snel te komen met een voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 teneinde de kosten voor grensoverschrijdende transacties in alle lidstaten te verlagen; betreurt in dit verband het gebrek aan een gemeenschappelijk Europees instrument voor onlinebetalingen, zoals een EU-brede krediet- of betaalkaart in Europese handen;

Actie 2 – Transparantie bij valuta-omrekening

18.  beklemtoont dat het handhaven van de bestaande wetgeving cruciaal is voor het aanpakken van het gebrek aan transparantie in verband met het verschijnsel ″dynamische valuta-omrekening″; herinnert eraan dat Richtlijn (EU) 2015/2366 (RBD2) handelaars verplicht duidelijk aan te geven wat voor de consument de uiteindelijke kosten van de dynamische valuta-omrekening zijn, waaronder in situaties waarin de consument geld opneemt uit een geldautomaat waarbij ook valuta-omrekening plaatsvindt; benadrukt evenwel dat consumenten in staat moeten zijn te kiezen voor de beste tarieven, en in het geval van transacties in/met of betalingen naar het buitenland en het gebruik van geldautomaten, ook wanneer daarbij sprake is van dynamische valuta-omrekening, moeten worden geïnformeerd over de vergoedingen en de bijkomende kosten; vraagt de Commissie te waarborgen dat aanbieders een eventuele opslag ten opzichte van de wisselkoersen in het kader van de openbaarmaking van de kosten en lasten krachtens de RBD2 openbaar maken, en dat de door de diverse aanbieders van financiële diensten gehanteerde tarieven op transparante wijze worden aangeboden; wijst erop dat vergroting van de financiële kennis van de consument hiervoor van het allergrootste belang is; beveelt aan op EU-niveau "mysteryshoppingactiviteiten" uit te voeren, teneinde de obstakels voor grensoverschrijdende toegang, de kwaliteit van de dienstverlening en de naleving van EU-wetgeving te beoordelen en daarover verslag uit te brengen, alsook de ontwikkelingen op het gebied van producten en diensten te volgen;

Actie 3 – Gemakkelijker veranderen van product

19.  vestigt er de aandacht op dat slechts weinig consumenten van aanbieder veranderen voor de meeste bancaire en niet-levensverzekeringsproducten, hetgeen een belemmering is voor het betreden van grensoverschrijdende retailmarkten, en verzoekt de Commissie dan ook het voor consumenten eenvoudiger te maken grensoverschrijdend van aanbieder van financiële retaildiensten te veranderen en financiële contracten op te zeggen, en leningen en andere financiële producten over grenzen heen aan te bieden; wijst met nadruk op het grote potentieel voor het verstrekken van grensoverschrijdende verzekeringsproducten, zoals motorrijtuigenverzekeringen; wijst evenwel op het beginsel van contractvrijheid, hetgeen inhoudt dat het financiële instellingen vrijstaat zelf te beslissen met wie zij een contract wensen af te sluiten; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan het belang te erkennen van de controle op wurg- en flitskredieten, die hebben geleid tot de uitbuiting van kwetsbare consumenten en kmo's;

20.  juicht het voornemen van de Commissie toe om de verworvenheden van de richtlijn betaalrekeningen te integreren, teneinde het eenvoudiger te maken van aanbieder van financiële diensten en van producten te veranderen; vraagt de Commissie specifiek op de financiële sector gerichte wetgevingsinitiatieven te ontplooien om een eind te maken aan ongerechtvaardigde geoblocking, teneinde de consument in staat te stellen eenvoudiger over te stappen op gunstiger financiële retaildiensten in andere lidstaten; wijst erop dat adequate informatie en consumentenbescherming hierbij een belangrijke rol spelen;

Actie 4 – Kwaliteitvergelijkingswebsites

21.  beklemtoont het nut van een goed georganiseerd en gebruiksvriendelijk EU-portal waarop alle Europese financiële retailmarkten met elkaar kunnen worden vergeleken; moedigt de Commissie aan te onderzoeken wat er in de lidstaten reeds bestaat aan onafhankelijke portals zoals hierboven bedoeld; beklemtoont dat vergelijkingsinstrumenten nauwkeurig en relevant voor de consument moeten zijn en niet alleen gericht moeten zijn op de prijs, maar ook op de kwaliteit van producten, met inachtneming van andere criteria, zoals de beschikbaarheid van netwerken van filialen, de mogelijkheid van persoonlijk contact en de duurzaamheid van de bedrijfsvoering, en zonder uit het oog te verliezen dat alleen vergelijkbare producten met elkaar mogen worden vergeleken; wijst erop dat alleen gelijksoortige producten met elkaar mogen worden vergeleken om te voorkomen dat er verwarring ontstaat bij consumenten;

22.  vraagt de Commissie met klem instrumenten als éénloketten te stimuleren, die bevorderlijk zijn voor de concurrentie en hulp bieden aan bedrijven die financiële retaildiensten aanbieden;

Actie 5 – Betere motorrijtuigenverzekering

23.  is van oordeel dat na de toetsing van de richtlijn motorrijtuigbelasting in het kader van Refit wijzigingen aan de tekst in kwestie essentieel zijn om te garanderen dat verkeersslachtoffers worden gecompenseerd, alsook om ervoor te zorgen dat no‑claim bonussen grensoverschrijdend meegenomen en erkend (kunnen) worden, mede gezien de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het toepassingsgebied van de richtlijn motorrijtuigbelasting zo snel mogelijk moet worden herzien teneinde het niet erkennen van no‑claim bonussen aan te pakken en ervoor te zorgen dat deze richtlijn betrekking heeft op de door de medewetgevers bedoelde gevallen;

Actie 6 – Transparante prijsstelling voor autoverhuur

24.  vraagt de Commissie te bekijken of er aanvullende wetgevingsvoorstellen nodig zijn met betrekking tot autoverhuurbedrijven die verzekeringen verkopen, teneinde ten aanzien van alle autoverhuurbedrijven in de hele EU tot transparantie met betrekking tot hun prijzen te komen;

Actie 7 – Een diepere eengemaakte markt voor consumentenkrediet

25.  beklemtoont dat indien de Commissie de grensoverschrijdende toegang tot leningen wil vereenvoudigen, prioriteit moet worden toegekend aan maatregelen voor het aanpakken van het probleem van consumenten met te hoge schulden; dringt erop aan te onderzoeken hoe de informatievoorziening omtrent schulden, met volledige inachtneming van de Europese wetgeving, waaronder de gegevens- en de consumententenbeschermingswetgeving, zo kan worden gecoördineerd dat elke kredietgever kan weten hoeveel schulden een klant heeft alvorens nieuw krediet te verlenen, hetgeen leidt tot een efficiëntere markt waarop kredietaanbieders met elkaar kunnen concurreren; vraagt in dit verband een algemeen onderzoek in te stellen naar de oorzaken van de overmatige schuldenlast van consumenten; wijst erop dat financiële educatie een doeltreffende methode is om consumenten te beschermen tegen het risico van te grote schulden; vraagt de Commissie dan ook met klem financiële educatie te bevorderen en samenwerking tussen groepen van belanghebbenden op dit belangrijke gebied te stimuleren; herinnert, nu financiële instellingen steeds vaker consumentengegevens of big data gebruiken, aan de algemene verordening gegevensbescherming, die de betrokkene het recht geeft om uitleg te krijgen over een op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit en dat besluit aan te vechten; benadrukt dat er moet worden gegarandeerd dat onjuiste gegevens kunnen worden gewijzigd en dat alleen verifieerbare en relevante gegevens worden gebruikt; vraagt alle belanghebbenden meer te doen om de handhaving van deze rechten te garanderen; is van mening dat toestemming voor het gebruik van persoonsgegevens dynamisch moet zijn en dat de betrokkenen hun toestemming moeten kunnen wijzigen en aanpassen;

Actie 8 – Rechtvaardige consumentenbeschermingsregels

26.  vraagt de Commissie goed te onderzoeken of nationale regels en praktijken inzake consumentenbescherming niet fungeren als oneerlijke obstakels voor grensoverschrijdende investeringen en of deze, overeenkomstig bestaande internemarktwetgeving en jurisprudentie, wel hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang en noodzakelijk zijn en in verhouding staan tot de doelstellingen; beklemtoont dat de desbetreffende consumentenbeschermingsregels in het Europees recht de landen vaak met opzet een zekere flexibiliteit bieden bij de tenuitvoerlegging op nationaal niveau, zodat Europees recht in bestaande nationale regels kan worden ingebed; beklemtoont niettemin dat het ontmantelen van nationale obstakels niet ten koste mag gaan van de consumentenbescherming en dat de consumentenbescherming een leidende prioriteit moet blijven bij het opstellen van wetgeving; is bezorgd dat veel van het papierwerk dat naar aanleiding van EU-wetgeving door aanbieders van financiële producten en diensten voor particulieren wordt opgesteld, strikt genomen niet bij wet vereist is en weinig of geen nut oplevert voor de consument, maar wel kan leiden tot onnodige extra kosten voor diezelfde consument; vraagt de Commissie dergelijke documentatie tegen het licht te houden, teneinde deze te vereenvoudigen zonder af te doen aan de voordelen die consumentenbescherming oplevert; beklemtoont dat consumenten alleen met kennis van zaken financiële besluiten kunnen nemen als zij toegang hebben tot relevante en begrijpelijk opgestelde informatie; wijst er tegelijkertijd op dat de kwaliteit en niet de kwantiteit van de aangeboden informatie de doorslaggevende factor is; beklemtoont dat de in de Europese wetgeving vervatte verplichtingen inzake de informatieverstrekking aan de klant zo goed mogelijk in overeenstemming met elkaar moeten worden gebracht; beklemtoont dat dubbele of conflicterende openbaarmakingsverplichtingen vermeden moeten worden, teneinde onnodige bureaucratie en kosten te voorkomen en klanten niet te verwarren;

27.  vraagt de Commissie zich te beraden op omnibuswetgeving om van de huidige lappendeken op basis van verschillende regelingen, zoals de MiFID-richtlijn, de IDD-richtlijn, de AIFM-richtlijn, enz., over te stappen op een robuust en coherent kader voor transparantie voor consumenten, met inbegrip van convergentie tussen de lidstaten op het gebied van toezicht, en onnodige complexiteit voor aanbieders van financiële diensten weg te nemen; vraagt de Commissie te bevorderen dat er in de sectorale wetgeving meer gebruikgemaakt wordt van de bevoegdheid op het gebied van consumentenbescherming van de ETA's en deze in acht te nemen in het kader van de aanstaande herziening van de financiering en governance van de ETA's; vraagt de Commissie de ETA's opdracht te geven het initiatief te nemen bij de werkzaamheden in verband met het op elkaar afstemmen van de praktijken op het gebied van gedragstoezicht tussen de lidstaten;

28.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie een campagne voor te bereiden om het bewustzijn te vergroten omtrent FIN-NET, een netwerk dat consumenten helpt hun rechten te handhaven, zonder de tussenkomst van een rechter, door het vinden van een bevoegde instantie voor alternatieve geschillenbeslechting; is van mening dat FIN-NET zijn diensten verder moet uitbreiden, zijn rol moet verduidelijken en zijn website moet verbeteren;

Actie 9 – Betere kredietwaardigheidsbeoordeling

29.  vraagt de Commissie verplichte, geharmoniseerde normen en beginselen inzake beoordeling van de grensoverschrijdende kredietwaardigheid in te voeren, teneinde het risico van te hoge schulden bij het faciliteren van pan-Europese onlinekredieten beter in te dammen, en daarbij terdege rekening te houden met de conclusies van gepubliceerde verslagen over de tenuitvoerlegging van de richtlijn hypothecair krediet en de richtlijn consumentenkrediet;

Actie 10 – Fintech voor financiële retaildiensten

30.  erkent dat consumenten het recht hebben software te gebruiken om betalingsopdrachten te geven en informatie over zichzelf te delen;

31.  juicht het voornemen van de Commissie toe om in het kader van haar strategieën voor de kapitaalmarktenunie en de digitale interne markt een alomvattend actieplan voor fintech op te stellen en aldus een bijdrage te leveren aan een efficiënte en goed functionerende, geïntegreerde en op technologie stoelende interne markt voor financiële diensten ten bate van alle Europese eindgebruikers tot stand te brengen, mét waarborgen betreffende gelijke randvoorwaarden; is voorstander van de oprichting door de Europese Commissie van een taskforce fintech; wijst erop dat de nieuwe situatie die ontstaat als gevolg van de opkomst van fintech-bedrijven vraagt om de ontwikkeling van verschillende passende nieuwe waarborgen, waaronder consumenteneducatie over nieuwe producten of regels in verband met het witwassen van geld en hefboomeffecten op fintech-kredietplatforms;

32.  verzoekt de Commissie goed te kijken naar zijn resolutie "FinTech: de invloed van technologie op de toekomst van de financiële sectoren", en consumentenbescherming, veiligheid, innovatie en eerlijke concurrentie te bevorderen, en ervoor te zorgen dat het beginsel van "dezelfde diensten, dezelfde risico's, dezelfde regels en hetzelfde toezicht" geldt voor alle bedrijven, ongeacht de sector of plaats van vestiging; beklemtoont dat onder FinTech financiering moet worden verstaan die mogelijk wordt gemaakt door of wordt verstrekt door middel van nieuwe technologieën, met een effect op de gehele financiële sector in al zijn onderdelen, van het bank- en verzekeringswezen tot pensioenfondsen, beleggingsadvies, betalingsdiensten en marktinfrastructuur;

33.  vraagt de Commissie met klem een omgeving tot stand te brengen die bevorderlijk is voor innovatieve oplossingen; merkt op dat innovatieve bedrijven uit de fintech-sector zorgen voor de concurrentie waar een effectieve markt voor financiële retaildiensten bij gebaat is;

34.  benadrukt dat de verschillende nieuwe financiële instellingen onder de naam fintech dezelfde verantwoordelijkheden jegens consumenten en voor de financiële stabiliteit hebben als andere, traditionele instellingen en diensten op dit gebied;

Actie 11 – Digitale identiteitscontroles

35.  beklemtoont het potentieel van de e‑handtekening en e‑identificatie voor de vereenvoudiging van transacties, en verzoekt de Commissie voort te bouwen op de werkzaamheden betreffende de eIDAS-verordening; onderstreept dat het belangrijk is rekening te houden met personen die de e‑handtekening niet kunnen of willen gebruiken; steunt de interoperabiliteit van grensoverschrijdende e‑identificatie in de sector van de financiële diensten, en dringt aan op een gelijk speelveld in alle lidstaten (en mogelijk ook daarbuiten, namelijk in de EER-landen en Zwitserland); vraagt de Commissie voorts dringend de huidige belemmeringen in de regelgeving voor e‑identificatietechnieken te evalueren, en beklemtoont dat elk initiatief op dit vlak technologieneutraal moet zijn;

36.  herhaalt dat de Commissie de obstakels op regelgevingsgebied voor het gebruik van pan-Europese elektronische handtekeningsystemen voor toegang tot financiële diensten in kaart moet brengen en elimineren, teneinde EU-brede grensoverschrijdende digitale aanmeldingsprocessen te bevorderen, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van de bestaande systemen of aan hun vermogen te voldoen aan het bepaalde in de vierde antiwitwasrichtlijn;

Actie 12 – Online verkoop van financiële diensten

37.  beklemtoont dat het belangrijk is het bestaande Europese wettelijke kader voor de digitale wereld aan te passen om een tegengewicht te bieden tegen de consumentenbeschermingsrisico's in verband met onlineverkopen op afstand, waarmee nieuwe kansen worden gecreëerd voor Europese start‑ups en fintech-bedrijven; wijst op de risico's voor de consument in verband met online gokdiensten die in de vorm van financiële producten worden aangeboden, de zogeheten binaire opties; meent dat sterk en geharmoniseerd Europees toezicht noodzakelijk is om de consument te beschermen en mazen in de regelgeving te voorkomen; beklemtoont dat Europese normen op het vlak van de consumentenbescherming gelden, ongeacht of het traditionele of moderne distributiekanalen betreft;

38.  beklemtoont het belang van cyberveiligheid en betreurt het dat de Commissie in haar actieplan niet op cyberveiligheidsaspecten ingaat; verzoekt de Commissie dan ook te waarborgen dat de taskforce ook aandacht besteed aan dit aspect;

39.  beklemtoont dat het mogelijk moet blijven om een beroep te doen op reële bankkantoren, die een essentiële openbare dienst verlenen en vooral van nut zijn voor kmo's, bejaarde en kwetsbare consumenten, die minder geneigd zijn e‑banking te gebruiken en liever persoonlijk contact hebben; erkent dat de sluiting van bankkantoren de financiële infrastructuur op lokaal niveau aantast en uiterst schadelijk kan zijn voor gemeenschappen;

40.  merkt op dat het toenemende gebruik van consumentengegevens of big data door financiële instellingen voordelen voor de consument kan opleveren, zoals de ontwikkeling van een meer op maat gemaakt, gesegmenteerd en goedkoper aanbod op basis van een efficiëntere verdeling van risico en kapitaal; maakt zich anderzijds zorgen over de ontwikkeling van dynamische prijsstelling en is bevreesd dat dit voor de consument slechter kan uitpakken wat betreft de vergelijkbaarheid van aanbiedingen en daarmee de effectiviteit van de mededinging, de onderlinge verdeling van risico's en verliezen in de krediet- en verzekeringssector;

o
o   o

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.
(2) PB L 263 van 7.10.2009, blz. 11.
(3) PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11.
(4) PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34.
(5) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.
(6) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73.
(7) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214.
(8) PB L 123 van 19.5.2015, blz. 1.
(9) PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35.
(10) PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0434.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0211.
(13) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0027.

Juridische mededeling