Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 15 november 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Periode voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen ***I
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Karel Pinxten
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Pietro Russo
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Hannu Takkula
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Baudilio Tomé Muguruza
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Bettina Jakobsen
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - João Alexandre Tavares Gonçalves de Figueiredo
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Iliana Ivanova
 Beschermende maatregelen tegen invoer met dumping en invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie ***I
 De rechtsstaat in Malta
 Multilaterale onderhandelingen met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO
 Oostelijk Partnerschap: top in november 2017
 Een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie
 Rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken

Periode voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen ***I
PDF 243kWORD 42k
Resolutie
Tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/40/EU betreffende de periode voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen (COM(2017)0136 – C8-0116/2017 – 2017/0060(COD))
P8_TA(2017)0429A8-0332/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0136),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0116/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 juli 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 27 oktober 2017 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0332/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 november 2017 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/40/EU betreffende de periode voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit (EU) 2017/2380.)

(1) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 67.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Karel Pinxten
PDF 237kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 15 november 2017 over de voordracht van Karel Pinxten voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0328/2017 – 2017/0812(NLE))
P8_TA(2017)0430A8-0336/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0328/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0336/2017),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 19 oktober 2017 heeft gehoord;

1.  brengt negatief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Karel Pinxten tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Pietro Russo
PDF 234kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 15 november 2017 over de voordracht van Pietro Russo voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0329/2017 – 2017/0813(NLE))
P8_TA(2017)0431A8-0337/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0329/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0337/2017),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer tijdens haar vergadering op 19 oktober 2017 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Pietro Russo tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Hannu Takkula
PDF 235kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 15 november 2017 over de voordracht van Hannu Takkula voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0330/2017 – 2017/0814(NLE))
P8_TA(2017)0432A8-0338/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0330/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0338/2017),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 19 oktober 2017 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Hannu Takkula tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Baudilio Tomé Muguruza
PDF 235kWORD 46k
Besluit van het Europees Parlement van 15 november 2017 over de benoeming van Baudilio Tomé Muguruza als lid van de Rekenkamer (C8-0331/2017 – 2017/0815(NLE))
P8_TA(2017)0433A8-0342/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0331/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0342/2017),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 26 oktober 2017 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Baudilio Tomé Muguruza tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Bettina Jakobsen
PDF 234kWORD 46k
Besluit van het Europees Parlement van 15 november 2017 over de voordracht van Bettina Jakobsen voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0332/2017 – 2017/0816(NLE))
P8_TA(2017)0434A8-0341/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0332/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0341/2017),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 26 oktober 2017 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Bettina Jakobsen tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - João Alexandre Tavares Gonçalves de Figueiredo
PDF 241kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 15 november 2017 over de voordracht van João Alexandre Tavares Gonçalves de Figueiredo voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0333/2017 – 2017/0817(NLE))
P8_TA(2017)0435A8-0343/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0333/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0343/2017),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 26 oktober 2017 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van João Alexandre Tavares Gonçalves de Figueiredo tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Iliana Ivanova
PDF 234kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 15 november 2017 over de voordracht van Iliana Ivanova voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0334/2017 – 2017/0818(NLE))
P8_TA(2017)0436A8-0344/2017

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0334/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0344/2017),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 26 oktober 2017 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Iliana Ivanova tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Beschermende maatregelen tegen invoer met dumping en invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie ***I
PDF 248kWORD 45k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1036 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie en Verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (COM(2016)0721 – C8-0456/2016 – 2016/0351(COD))
P8_TA(2017)0437A8-0236/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0721),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0456/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 12 mei 2016 over de markteconomiestatus van China(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 11 oktober 2017 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0236/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 november 2017 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2017/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1036 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, en Verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2017/2321.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de overgang naar de nieuwe methode

De Commissie brengt in herinnering dat de nieuwe methode bedoeld is om te waarborgen dat de bedrijfstak van de Unie blijvende bescherming wordt geboden tegen oneerlijke handelspraktijken, in het bijzonder wanneer die het gevolg zijn van marktverstoringen van betekenis. In dat verband zal de Commissie erop toezien dat de bedrijfstak van de Unie geen bijkomende last wordt opgelegd wanneer deze uit hoofde van het antidumpinginstrument om bescherming verzoekt, met name bij eventuele verzoeken om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen die worden ingediend nadat de nieuwe methode van toepassing is geworden.

Verklaring van de Commissie betreffende artikel 23 en de interactie met het Europees Parlement en de Raad

Wanneer de Commissie voornemens is een rapport als bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening op te stellen of bij te werken, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis. Wanneer het Europees Parlement of de Raad de Commissie ervan in kennis stelt dat zij van oordeel zijn dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor het opstellen of bijwerken van een rapport als bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening, zal de Commissie de passende maatregelen nemen en het Europees Parlement en de Raad dienovereenkomstig op de hoogte brengen.

Verklaring van de Commissie betreffende de rapporten als bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening

De Commissie zal spoedig gebruikmaken van de in artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening voorziene mogelijkheid om rapporten over verstoringen van betekenis op te stellen, zodat belanghebbenden over die rapporten kunnen beschikken bij het voorbereiden van verzoeken waarop artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening van toepassing kan zijn. De Commissie zal de belanghebbenden een leidraad over het gebruik van die rapporten verschaffen.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0223.


De rechtsstaat in Malta
PDF 191kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over de rechtsstaat in Malta (2017/2935(RSP))
P8_TA(2017)0438B8-0597/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 4, 5, 6, 9 en 10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het verslag over het te koop aanbieden van het EU-burgerschap(1),

–  gezien de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens en de vele mensenrechtenverdragen van de VN, die bindend zijn voor alle lidstaten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 getiteld "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien het plenaire debat over de mediavrijheid in Malta van 24 oktober 2017,

–  gezien de onthullingen van het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten en het netwerk European Investigative Collaborations (EIC) over de Panama Papers en de Malta Files,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(2),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over legitieme maatregelen ter bescherming van klokkenluiders die handelen in het algemeen belang bij het onthullen van vertrouwelijke informatie van bedrijven en overheidsinstanties(3),

–  gezien het verslag en de aanbevelingen van de enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PANA-commissie) en de bijlage bij het verslag over het werkbezoek aan Malta,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie gevestigd is op de waarden van eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, en overwegende dat deze waarden universeel zijn en dat de lidstaten deze gemeen hebben;

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een deel is van het primaire EU-recht; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid en het pluralisme van de media zijn verankerd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten en artikel 10 van het EVRM; overwegende dat de Unie ingevolge de artikelen 2, 3, lid 1, en 7 VEU tot optreden kan overgaan ter bescherming van de gemeenschappelijke waarden waarop zij berust; overwegende dat het rechtsstaatmechanisme met evenveel kracht moet worden toegepast op alle lidstaten;

C.  overwegende dat de EU een constitutioneel systeem is dat voor zijn werking uitgaat van wederzijds vertrouwen, namelijk dat de lidstaten zullen handelen in overeenstemming met de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

D.  overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is verankerd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 6 van het EVRM en dat zij een essentiële vereiste is van het democratische beginsel van de scheiding der machten;

E.  overwegende dat Daphne Caruana Galizia, de Maltese onderzoeksjournaliste en blogster gespecialiseerd in corruptiebestrijding, op 16 oktober 2017 vermoord is in een autobomaanslag;

F.  overwegende dat deze moord heeft geleid tot straatdemonstraties en protesten van de maatschappelijke organisaties in Malta die aandringen op gerechtigheid, verantwoordingsplicht en eerbied voor de rechtsstaat;

G.  overwegende dat in het landenrapport over Malta van 2016 van de monitor voor mediapluralisme werd vastgesteld dat er een gemiddeld (tot hoog) risico bestaat met betrekking tot de pluraliteit en de politieke onafhankelijkheid van de media en dat er factoren zijn die dit risico versterken, namelijk het gebrek aan gegevens over de mediamarkt, het gebrek aan bescherming en zelfregulering van journalisten en aan redactionele autonomie, de directe afhankelijkheid van bepaalde mediakanalen ten aanzien van politieke groepen en een gebrek aan mediageletterdheid(4);

H.  overwegende dat in de wereldindex voor persvrijheid 2017 (gepubliceerd door Verslaggevers zonder Grenzen) gesteld wordt dat de Maltese wetten inzake laster, op grond waarvan boetes of gevangenisstraffen kunnen worden opgelegd en die vaak worden gebruikt, met name door politici tegen journalisten, een cruciaal element zijn in de beperking van de vrijheid van meningsuiting in Malta(5);

I.  overwegende dat in het Maltese Parlement momenteel een debat aan de gang is over een wetsvoorstel van de Maltese regering waarin laster als strafbaar feit wordt geschrapt en een ad-hocverbod wordt geïntroduceerd op het gebruik van eender welke vorm van voorlopige maatregelen of gerechtelijke bevelen in smaad of lasterprocedures, ongeacht de rechtsgrondslag(6);

J.  overwegende dat tegen Daphne Caruana Galizia een groot aantal vervolgingen wegens smaad waren ingesteld door politieke vertegenwoordigers uit het hele politieke spectrum in Malta;

K.  overwegende dat de bankrekeningen van mevrouw Caruana Galizia dit jaar waren bevroren op grond van een voorlopig gerechtelijk bevel in verband met een zaak wegens laster die tegen haar was aangespannen door een minister van de regering, voordat de zaak was beslecht;

L.  overwegende dat mediakanalen in Malta gemeld hebben dat zij door de Pilatus Bank, de bank die het mikpunt is van de beschuldigingen over witwassen van geld, fors onder druk zijn gezet om de berichten over deze bank in te trekken of te verwijderen; overwegende dat de Pilatus Bank in de VS gerechtelijke stappen heeft ondernomen tegen de Maltese media omdat zij haar imago hebben aangetast; overwegende dat uit een uitgelekt nalevingsverslag van de Financial Intelligence Unit (FIU) blijkt dat de klanten van de Pilatus Bank vooral politiek prominente personen uit Azerbeidzjan zijn, maar dat de bank voor deze klanten niet de verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen heeft toegepast zoals vereist door de antiwitwasrichtlijn; overwegende dat een regerings- en parlementslid heeft gevraagd een onderzoek in te stellen naar de klokkenluider binnen het FIU;

M.  overwegende dat voorafgaand aan de moord op Daphne Caruana Galizia een klokkenluider die zich bezighield met klachten inzake corruptie en witwassen van geld waarbij politiek prominente personen in Malta waren betrokken, het land is ontvlucht;

N.  overwegende dat de Maltese regering de wet inzake de bescherming van klokkenluiders van 2013(7) heeft geïmplementeerd en dat Malta een van de weinige EU-lidstaten is die specifieke regels ter bescherming van klokkenluiders heeft verankerd in de wet;

O.  overwegende dat volgens de grondwet en de nationale wet van Malta, de commissaris van de politie door de premier wordt benoemd, de advocaat-generaal door de president op advies van de premier wordt benoemd en de magistraten met ingang van 2017 worden benoemd na een controle van de kandidaten door een commissie voorafgaand aan hun benoeming(8); overwegende dat de onafhankelijkheid van de ordehandhavingsdiensten en de magistraten in Malta in het gedrang kan komen door het feit dat de regering bevoegd is om de commissaris van de politie, het hoofd van de FIU en de advocaat-generaal te benoemen;

P.  overwegende dat volgens diverse mediaberichten in de weken voor de verkiezingen van juni 2017 een groot aantal arbeidsplaatsen zijn gecreëerd in Maltese overheidsbedrijven, wat de vraag doet rijzen of dit uit electorale overwegingen is gebeurd;

Q.  overwegende dat Malta zich niet wil aansluiten bij het Europees Openbaar Ministerie (EOM), het onafhankelijke orgaan van de Unie dat bevoegd is tot het opsporen en vervolgen van EU-fraude en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden;

R.  overwegende dat uit de onthullingen inzake de Panama Papers van april 2016 is gebleken dat in het totaal 714 met Malta verbonden bedrijven zijn opgenomen in de gegevensbank van de Panama Papers van het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten; overwegende dat deze documenten ook onthullingen bevatten betreffende een huidige minister en een voormalige minister uit de vorige regering, alsook hoge functionarissen;

S.  overwegende dat het Europees Parlement een werkbezoek aan Malta heeft georganiseerd in februari 2017 in het kader van zijn onderzoek naar de Panama Papers; overwegende dat deze delegatie in haar verslag van het werkbezoek tot de conclusie is gekomen dat er redenen zijn om aan te nemen dat de Maltese politiediensten niet goed zijn uitgerust om hun taak optimaal uit te voeren en dat er mogelijk sprake is van wanbeheer; overwegende dat deze delegatie heeft vastgesteld dat het aantal veroordelingen en inbeslagnames met betrekking tot witwassen van geld in Malta kennelijk uitzonderlijk laag is in vergelijking met het gemiddeld aantal verslagen dat door de FIU naar de politie wordt gestuurd; overwegende dat een overheidsfunctionaris en een voormalig minister geweigerd hebben in te gaan op een verzoek van de PANA-commissie om tijdens dit bezoek bijeen te komen;

T.  overwegende dat twee vertrouwelijke rapporten van de FIU in Malta uit 2016 in mei 2017 openbaar zijn gemaakt en dat de conclusie van deze rapporten was dat er een redelijk vermoeden van witwassen van geld bestond tegen een overheidsfunctionaris; overwegende dat in een derde rapport dat op hetzelfde ogenblik werd gepubliceerd, details werden gegeven over de inspectie die de FIU ter plaatse in de Pilatus Bank had uitgevoerd en dat het vermoeden werd geuit dat de bank de Maltese wetgeving inzake witwassen van geld zou schenden; overwegende dat de vergunningsprocedure van de Pilatus Bank zeer snel is verlopen in vergelijking met de gemiddelde tijd die nodig is om vast te stellen dat de normen zoals neergelegd in de richtlijn kapitaalvereisten, zijn nageleefd;

U.  overwegende dat het hoofd van de FIU en de commissaris van de politie, posten die beide rechtstreeks door de regering worden opgevuld, kort na de bekendmaking van deze rapporten ontslag hebben genomen; overwegende dat er geen politieonderzoek is ingesteld naar deze ernstige beschuldigingen van witwassen van geld door politiek prominente personen, waaronder een lid van de regering; overwegende dat de magistraten in de hoger genoemde gevallen, benoemd waren; overwegende dat twee personeelsleden van de FIU ontslagen zijn nadat de FIU-rapporten in de pers waren gelekt;

V.  overwegende dat de Europese Commissie ten laatste in juni 2017 op de hoogte is gesteld van deze beschuldigingen en dat zij verzocht is verder onderzoek in te stellen naar Malta en de naleving en correcte uitvoering van de derde antiwitwasrichtlijn en de richtlijn kapitaalvereisten door dit land;

W.  overwegende dat het EU-burgerschap een van de voornaamste verworvenheden van de EU vormt en dat verblijfsrecht en burgerschap onderwerpen zijn die volgens de Verdragen onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten vallen; overwegende dat de EU de bevoegdheid heeft om op de corruptiebestrijdingsmaatregelen van de lidstaten toe te zien;

X.  overwegende dat volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie elke lidstaat afzonderlijk, met inachtneming van het recht van de Unie, de voorwaarden voor verwerving en verlies van nationaliteit mag vaststellen; overwegende dat het verlenen van de nationaliteit van een lidstaat sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht ook inhoudt dat het EU-burgerschap en bijgevolg sterke aanvullende rechten worden verleend, wat betekent dat naturalisatiebesluiten van een lidstaat niet neutraal zijn ten aanzien van de andere lidstaten en van de EU;

Y.  overwegende dat de Maltese regering in 2014 een programma voor individuele beleggers in het leven heeft geroepen dat het Maltese en EU-burgerschap aan onderdanen van derde landen verkoopt tegen een prijs van 650 000 EUR; overwegende dat het onduidelijk blijft wie op deze wijze dit burgerschap heeft verkregen aangezien deze personen niet op de gepubliceerde lijst van genaturaliseerde burgers staan; overwegende dat in een gelekt FIU-rapport uit 2016 bezorgdheid wordt geuit over mogelijke corruptie in de administratie van dit programma;

Z.  overwegende dat het beheer van dit programma voor individuele beleggers door de regering was gegund aan Nexia BT, een intermediair bedrijf dat in de Panama Papers wordt genoemd als de initiator van trusts en offshorebedrijven voor Maltese politiek prominente personen, onder meer een lid van de regering; overwegende dat in de Panama Papers wordt gesuggereerd dat Nexia BT bij het verstrekken van de informatie die nodig is om feitelijke eigendom in kaart te brengen, heeft gehandeld met een gebrek aan zorgvuldigheid;

AA.  overwegende dat in het rapport van de financiële-inlichtingeneenheid van Europol, getiteld "From suspicion to action – converting financial intelligence into greater operational impact" onderstreept wordt dat bepaalde partijen, waaronder criminele organisaties, misbruik hebben gemaakt van Maltese internetbedrijven om opbrengsten van misdrijven wit te wassen; overwegende dat dit niet mag worden geïnterpreteerd als een weerspiegeling van de industrie in haar geheel;

1.  veroordeelt krachtig de moord op Daphne Caruana Galizia en verzoekt de Maltese regering alle nodige middelen te gebruiken om haar moordenaars te berechten;

2.  dringt aan op een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de moord op Daphne Caruana Galizia; erkent dat de Maltese autoriteiten stappen hebben ondernomen om de medewerking te vragen van internationale rechtshandhavingsdiensten, waaronder het Amerikaanse Federal Bureau of Investigation (FBI) en forensische experts uit Nederland; vraagt dat Europol volledig wordt betrokken bij het onderzoek zolang dit duurt;

3.  merkt op dat de bescherming van onderzoeksjournalisten en klokkenluiders van cruciaal belang is voor de samenleving; verzoekt de Maltese autoriteiten en alle EU-lidstaten om te zorgen voor de bescherming van de persoonlijke veiligheid en de bestaansmiddelen van journalisten en klokkenluiders;

4.  verzoekt de Conferentie van voorzitter een "Europese Daphne Caruana Galizia-prijs voor onderzoeksjournalistiek" in het leven te roepen, die jaarlijks wordt uitgereikt voor uitzonderlijke prestaties in de onderzoeksjournalistiek in Europa;

5.  betreurt dat de ontwikkeling in Malta de afgelopen jaren ernstige bezorgdheid hebben doen rijzen over de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten, met inbegrip van de mediavrijheid en de onafhankelijkheid van de politie en het gerechtelijk apparaat;

6.  verzoekt de Commissie een dialoog aan te knopen met de Maltese regering over de werking van de rechtsstaat in Malta en te zorgen voor respect voor de Europese waarden; wenst dat de Commissie het Parlement volledig op de hoogte houdt van haar bevindingen; herhaalt dat een regelmatig monitoringproces en een regelmatige dialoog waarbij alle lidstaten worden betrokken, noodzakelijk zijn om de fundamentele waarden van de EU, zijnde democratie, de grondrechten en de rechtsstaat, te vrijwaren en stelt dat de Raad, de Commissie en het Parlement hierbij moeten worden betrokken, zoals tot uiting gebracht in zijn resolutie van 25 oktober 2016 betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten (DRG-pact);

7.  vindt het jammer dat verscheidene ernstige aantijgingen van corruptie en schending van de verplichtingen inzake bestrijding van witwassen van geld en bankentoezicht niet zijn onderzocht door de politie in Malta, wat een bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat vormt; erkent dat er verscheidene administratieve onderzoeken lopen in verband met een aantal van deze aantijgingen; betreurt het met name dat er in Malta tot op heden geen politieonderzoek is ingesteld naar de onthullingen over de Panama Papers en politiek prominente personen in de gelekte FIU-rapporten en merkt op dat sommige in de FIU-rapporten genoemde personen deel blijven uitmaken van de regering; roept de Maltese commissaris van de politie op een dergelijk onderzoek in te stellen;

8.  wijst op de opmerkingen van de Maltese opperrechter in verband met de rechtsstaat en onderschrijft zijn stelling dat de rechtsstaat in Malta niet kan worden gewaarborgd zonder correcte rechtshandhaving(9);

9.  uit zijn bezorgdheid over het verslag dat de PANA-commissie heeft opgesteld na haar bezoek aan Malta en waarin wordt gesteld dat de openbare instellingen die bevoegd zijn voor de naleving van voorschriften, fraude en financiële misdaden sterk gepolitiseerd zijn;

10.  verzoekt de Commissie na te gaan of Malta de derde antiwitwasrichtlijn en de richtlijn kapitaalvereisten naleeft; stelt vast dat Malta een van de lidstaten is waartegen de Commissie een inbreukprocedure heeft ingeleid wegens het niet omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn tegen de termijn van 26 juni 2017; erkent dat deze omzetting aan de gang is;

11.  verzoekt de Maltese autoriteiten om zich aan te sluiten bij het EOM, om zich samen met andere deelnemende lidstaten in te zetten voor de bestrijding van fraude en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden;

12.  verzoekt de Maltese toezichthoudende en gerechtelijke autoriteiten om de vergunningsprocedure van de Pilatus Bank te onderzoeken, met name wat betreft het vervullen van de deskundigheids- en betrouwbaarheidsvereisten van het bestuursorgaan van financiële instellingen, zoals vermeld in de richtlijn kapitaalvereisten, alsmede te onderzoeken of Nexia BT de antiwitwasrichtlijn naleeft;

13.  herhaalt de bezorgdheid die vaak is geuit door leden van dit Huis over regelingen waarbij burgerschap via beleggingen wordt verkregen in het algemeen, onder meer in Malta en andere EU-lidstaten; verzoekt Malta duidelijkheid te scheppen over wie een Maltees paspoort en alle rechten die daarbij horen heeft gekocht en welke waarborgen er zijn om ervoor te zorgen dat deze nieuwe burgers effectief een jaar in Malta hebben gewoond voor de aankoop van dit paspoort; verzoekt de Commissie toe te zien op dergelijke burgerschapsregelingen in de lidstaten, aangezien deze laatste het EU-recht moeten eerbiedigen wanneer zij hun bevoegdheid op het gebied van nationaliteit uitoefenen;

14.  verzoekt Malta en alle andere lidstaten om ervoor te zorgen dat de bestrijding van belastingontduiking voorrang krijgt en dat alle nodige middelen worden uitgetrokken voor dit doel;

15.  vindt het jammer dat de Commissie besloten heeft het EU-corruptiebestrijdingsverslag 2017 niet te publiceren;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa en de president van de Republiek Malta.

(1) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 117.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0402.
(4) Nenadic, Iva, 2016. 'Media Pluralism Monitor 2016 – Monitoring Risks for Media Pluralism in the EU and Beyond. Country report: Malta'. Centrum voor pluriformiteit en vrijheid van de media. Kan worden gedownload op http://cmpf.eui.eu/media-pluralism-monitor/mpm-2016-results/malta/
(5) Zie https://rsf.org/en/malta
(6) Regering van Malta, 'A Bill entitled "AN ACT to provide for the updating of the regulation of media and defamation matters and for matters consequential or ancillary thereto"', Article 26(6). Zie http://justiceservices.gov.mt/DownloadDocument.aspx?app=lp&itemid=28292&l=1
(7) Zie http://www.justiceservices.gov.mt/DownloadDocument.aspx?app=lp&itemid=25151&l=1
(8) Wet nr. XLIV van 2016, Article 5 (96A) http://www.justiceservices.gov.mt/DownloadDocument.aspx?app=lp&itemid=27835&l=1
(9) http://www.independent.com.mt/articles/2017-10-02/local-news/Chief-Justice-boldly-speaks-out-about-rule-of-law-need-for-proper-law-enforcement-6736179695


Multilaterale onderhandelingen met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO
PDF 181kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over multilaterale onderhandelingen met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO in Buenos Aires van 10 t/m 13 december 2017 (2017/2861(RSP))
P8_TA(2017)0439B8-0593/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de ministeriële verklaring van Doha van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van 14 november 2001(1),

–  gezien de ministeriële verklaring van Hongkong van de WTO van 18 december 2005(2),

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Doha-ontwikkelingsagenda (DDA), met name die van 9 oktober 2008(3), 16 december 2009(4), 14 september 2011(5), 21 november 2013(6) en 26 november 2015(7),

–  gezien de resultaten van de negende Ministeriële Conferentie die in december 2013 op Bali werd gehouden, en met name de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie die daar is bereikt(8),

–  gezien de resultaten van de tiende Ministeriële Conferentie die in december 2015 in Nairobi werd gehouden, en de ministeriële verklaring die op 19 december 2015 werd aangenomen(9),

–  gezien het slotdocument dat op 14 juni 2016 bij consensus werd goedgekeurd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Parlementaire Conferentie over de WTO in Genève(10),

–  gezien de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN(11),

–  gezien de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel"), die van 11 t/m 13 juli 2017 plaatsvond in Genève(12),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de WTO sinds haar oprichting een cruciale rol speelt bij het versterken van het multilaterale kader, het bevorderen van een inclusieve economische wereldorde en het stimuleren van een open, op regels gebaseerd, niet-discriminerend multilateraal handelssysteem; overwegende dat de Doha-ronde in 2001 van start is gegaan met als doel nieuwe kansen voor de handel te creëren, de multilaterale handelsregels te versterken en de bestaande onevenwichtigheden van het handelssysteem aan te pakken door de behoeften en belangen van de ontwikkelingslanden, en dan met name de minst ontwikkelde landen (MOL's), centraal te stellen in de onderhandelingen;

B.  overwegende dat de EU voortdurend heeft gepleit voor een sterke en multilaterale op regels gebaseerde benadering van handel, waarbij altijd werd erkend dat aanvullende benaderingen zoals bilaterale, regionale en multilaterale overeenkomsten ertoe kunnen bijdragen dat markten worden ontsloten en dat economieën worden ontwikkeld, met name door liberalisering te bewerkstelligen en de regels en disciplines aan te scherpen in beleidssectoren die minder uitgebreid aan bod komen in de WTO, en het multilaterale systeem kunnen ondersteunen, mits dergelijke overeenkomsten in overeenstemming zijn met de WTO, gebaseerd zijn op gedeelde regels en de voorwaarden creëren voor een mogelijke toekomstige multilateralisering;

C.  overwegende dat de resultaten van de negende Ministeriële Conferentie van 2013 van systemisch belang waren, in het bijzonder de ondertekening van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie, de belangrijkste multilaterale handelsovereenkomst sinds de oprichting van de WTO in 1995;

D.  overwegende dat bepaalde WTO-leden het huidige model voor de beslechting van geschillen inzake internationale handel trachten te ondermijnen; overwegende dat het aantal rechters van de Beroepsinstantie van de WTO nog maar net boven het minimumaantal ligt dat nodig is voor de werking ervan; overwegende dat de VS onlangs voorstellen van de EU en enkele Latijns-Amerikaanse landen, om een selectieprocedure te starten voor het invullen van het toenemende aantal vacante posten, hebben verworpen; overwegende dat deze impasse, waardoor al twee van de zeven zetels van de Beroepsinstantie vacant zijn gebleven, zou kunnen leiden tot de ineenstorting van een systeem dat essentieel is voor het beheer van geschillen tussen de belangrijkste handelsnaties ter wereld;

E.  overwegende dat de resultaten van de tiende Ministeriële Conferentie van 2015 ook uitermate belangrijk waren, met zes ministeriële besluiten over landbouw, katoen en kwesties met betrekking tot de MOL's, waaronder de toezegging om een einde te maken aan exportsubsidies voor landbouwproducten, allicht een van de belangrijkste resultaten die de WTO ooit op landbouwgebied heeft bereikt;

F.  overwegende dat tijdens recente discussies over verdere stappen met betrekking tot de ontwikkelingsagenda van Doha duidelijk is gebleken dat de WTO-leden van mening verschillen over de manier waarop de onderhandelingen moeten worden voortgezet, wat erop wijst dat het ambitieniveau moet worden bijgesteld om daadwerkelijk resultaat te boeken in alle pijlers van de onderhandelingen; voorts overwegende dat daarbij ten volle rekening moet worden gehouden met de realiteit van het huidige handelsklimaat;

G.  overwegende dat de digitale transformatie van de economie nieuwe handelsmogelijkheden biedt, waarbij de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) aan de wereldhandel wordt vergemakkelijkt door de elektronische handel; overwegende dat dit steeds meer wordt gezien als een kwestie waarin de WTO een belangrijke rol zou kunnen spelen;

H.  overwegende dat de elfde Ministeriële Conferentie van de WTO van 10 tot en met 13 december 2017 zal plaatsvinden in Buenos Aires, Argentinië;

1.  schaart zich andermaal volledig achter het multilaterale handelssysteem en pleit voor een handelsagenda gebaseerd op vrije, eerlijke en op regels gebaseerde handel die eenieder ten goede komt, en die de agenda voor duurzame ontwikkeling steunt door in de eerste plaats belang te hechten aan sociale, milieu- en mensenrechten en door ervoor te zorgen dat multilateraal overeengekomen en geharmoniseerde voorschriften zonder onderscheid worden toegepast;

2.  benadrukt dat moet worden voortgebouwd op de resultaten van de negende en tiende Ministeriële Conferentie van de WTO om tijdens de elfde Ministeriële Conferentie in Buenos Aires in december 2017 concrete stappen voorwaarts te kunnen nemen met het oog op het behoud en de versterking van de multilaterale handelsstructuur; wijst erop dat de partijen desalniettemin nieuwe beleidsdoelstellingen moeten nastreven op gebieden zoals digitale handel en de bevordering van investeringen;

3.  dringt er bij alle WTO-leden op aan het momentum van de recente vooruitgang te benutten, en daarbij niet alleen rekening te houden met de strategische doelstelling om het multilaterale handelssysteem te versterken en met de noodzaak om de WTO te consolideren als centrale instantie voor handelsgesprekken, maar tegelijkertijd ook te erkennen dat er nieuwe benaderingen nodig zijn om bestaande uitdagingen het hoofd te bieden; erkent dat flexibiliteit, openheid, inclusiviteit en politieke inzet van doorslaggevend belang zijn om op alomvattende, evenwichtige en realistische wijze vooruitgang te boeken op alle overblijvende punten op de Doha-agenda; is van mening dat de wereld sinds het begin van de Doha-ronde in 2001 zowel op economisch en politiek gebied als op technologisch gebied drastisch is veranderd, en dat nieuwe uitdagingen zoals elektronische handel, digitale handel, transparantie van investeringen, subsidies en overcapaciteit, mondiale waardeketens, overheidsopdrachten, nationale wetgeving inzake diensten, micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en betere afstemming tussen andere handels-, arbeids- en milieuagenda's moeten worden besproken zonder af te doen aan de hangende kwesties op de Doha-agenda; benadrukt dat ontwikkelingslanden op eigen wijze moeten kunnen ontdekken op welke manier ze in deze nieuwe sectoren voor gelijke kansen kunnen zorgen;

4.  onderstreept het belang van de WTO als efficiënt en effectief onderhandelingsforum over alle kwesties van belang voor zijn leden en als platform voor een open discussie over kwesties die verband houden met internationale handel;

5.  benadrukt dat men, om transparantere en inclusievere handelsbesprekingen te garanderen, met goed uitgewerkte voorstellen naar Buenos Aires moet komen, daar de Ministeriële Conferentie grondig moet zijn voorbereid middels onderhandelingen op commissieniveau; is in dit verband ingenomen met de vergevorderde onderhandelingen over kwesties zoals visserijsubsidies als middel om overbevissing alsook illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij tegen te gaan;

6.  neemt kennis van de voorstellen die naar voren zijn gebracht in verband met de interne ondersteuning van de landbouw, waaronder het gezamenlijke voorstel van de EU en Brazilië ter zake; meent dat het bevorderen van het debat op dit gebied een belangrijk resultaat van de elfde Ministeriële Conferentie kan worden; herhaalt in dit verband dat er, in overeenstemming met de ministeriële besluiten van Nairobi, een permanente oplossing moet worden gevonden voor overheidsvoorraden met het oog op de continuïteit van de voedselvoorziening, subsidies en de steunregeling voor katoen; onderstreept dat de onderhandelingen over dit onderwerp alsook het mogelijke resultaat ervan niet mogen vooruitlopen op de besprekingen over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

7.  herhaalt hoe belangrijk het is dat de onderhandelingen vorderen en dat er resultaat wordt geboekt ten aanzien van andere door de leden opgeworpen kwesties, waaronder: nationale regelgeving inzake diensten, elektronische handel, bevordering van investeringen, horizontale subsidies en verbetering van de transparantie en goede regelgevingspraktijken ten gunste van kmo's;

8.  meent dat in de conclusies van de Ministeriële Conferentie duidelijk moet worden erkend dat de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen voor 2030 en de toezeggingen van de Overeenkomst van Parijs van belang zijn voor de strijd tegen de klimaatverandering, dat handel een sleutelrol kan spelen bij de verwezenlijking ervan en dat in dit verband concrete acties ter zake moeten worden vastgesteld, aangezien internationale normen en een multilateraal speelveld de internationale handel ten goede komen;

9.  wijst opnieuw op het verband tussen gendergelijkheid en inclusieve ontwikkeling, beklemtoont dat de versterking van de positie van vrouwen essentieel is voor het uitbannen van armoede en benadrukt dat het slechten van barrières voor de participatie van vrouwen in het handelsverkeer van cruciaal belang is voor economische ontwikkeling; erkent dat er maatregelen moeten worden ontwikkeld om de barrières aan te pakken die een beperking vormen voor de economische kansen van vrouwen; roept de WTO-leden op met een werkprogramma te komen om ervoor te zorgen dat de besluiten van de Ministeriële Conferentie van 2017 onder meer een genderbewust handelsbeleid omvatten;

10.  vestigt de aandacht op de zesde mondiale evaluatie van Aid for Trade ("hulp voor handel"), die in juli 2017 in Genève plaatsvond rond het thema "bevordering van handel, inclusiviteit en connectiviteit voor duurzame ontwikkeling" en onder meer gericht was op de noodzaak om de digitale kloof te dichten;

11.  onderschrijft het standpunt dat dit moet worden vertaald in concrete acties om e-handel te bevorderen en digitale kansen om te zetten in daadwerkelijke handelsvoorwaarden; onderstreept dat betere connectiviteit meer ondernemingsmogelijkheden biedt, omdat het, ook voor zakenlieden met mkmo's in ontwikkelingslanden, gemakkelijker en goedkoper wordt om toegang te krijgen tot de markten; merkt in dit opzicht op dat investeringen in infrastructuur nog steeds een belangrijke uitdaging vormen en dat het van essentieel belang is vooruitgang te boeken op dit gebied; roept de WTO-leden daarom op investeringen in infrastructuur te bevorderen en daarbij, naast andere initiatieven, publiek-private partnerschappen te stimuleren;

12.  benadrukt het belang van het bespreken van de manieren waarop in het kader van het handelsbeleid kan worden gereageerd op servitisering ("modus 5"), een verschijnsel dat zich steeds vaker voordoet bij de handel in goederen;

13.  wenst dat de Commissie zich ervoor blijft inzetten om een reeks bindende multilaterale regels op te stellen inzake elektronische handel in de WTO; steunt de in juni 2017 aan de leden van de Raad voor de Handel in Diensten voorgelegde mededeling van de EU getiteld "An Enabling Environment to Facilitate Online Transactions" die voorziet in een belangrijke en geschikte reeks gemeenschappelijke beginselen inzake consumentenbescherming, ongevraagde berichten, authenticatie- en vertrouwensdiensten en elektronische contracten, die het vertrouwen van consumenten online zouden vergroten en een gunstig klimaat voor digitale handel zouden creëren;

14.  moedigt ertoe aan de plurilaterale handelsbesprekingen over de overeenkomst inzake milieugoederen te hervatten;

15.  verwelkomt de inwerkingtreding van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie op 22 februari 2017; meent dat deze overeenkomst aanzienlijke voordelen biedt voor alle WTO-leden, met name voor ontwikkelingslanden en betrokken marktdeelnemers, dankzij een grotere transparantie en rechtszekerheid en een vermindering van de administratieve kosten en de duur van douaneprocedures;

16.  beklemtoont dat alle WTO-leden de in de besluiten van Nairobi en Bali gedane toezeggingen moeten nakomen, met inbegrip van het creëren van nieuwe exportmogelijkheden voor dienstverrichters in de MOL's uit hoofde van de ontheffing voor diensten voor deze landen en het vereenvoudigen van de voorschriften inzake de regels van oorsprong; stelt vast dat onder de WTO-leden in toenemende mate belangstelling wordt getoond voor een overeenkomst voor dienstenfacilitatie; wenst dat op multilateraal niveau meer inspanningen worden geleverd om de regels van oorsprong aanzienlijk te vereenvoudigen en te harmoniseren;

17.  benadrukt dat de WTO een doorslaggevende rol speelt in het op regels gebaseerde handelssysteem, acht het absoluut noodzakelijk om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van haar besluiten, de uitvoering van bindende toezeggingen en de beslechting van handelsgeschillen en wijst op haar unieke bijdrage aan de bevordering van transparantie en onderlinge evaluatie, met name door middel van de regeling inzake toetsing van het handelsbeleid (TPRM); vindt het zeer zorgwekkend dat verschillende vacante posten bij de Beroepsinstantie nog niet zijn ingevuld, waardoor de werkzaamheden van dit uiterst belangrijke orgaan in het gedrang komen doordat het bestaande en goed functionerende systeem voor geschillenbeslechting dreigt te worden ondermijnd, en dringt erop aan spoedig een besluit te nemen over de invulling ervan;

18.  wijst op de noodzaak van een definitieve verklaring van de elfde Ministeriële Conferentie waarin de leden de nieuwe en bestaande punten van de ontwikkelingsagenda van Doha kunnen vermelden op het gebied waarvan zij onderhandelingen zullen aanvatten dan wel voortzetten;

19.  roept de Commissie en de Raad op ervoor te zorgen dat het Parlement nauw betrokken blijft bij de voorbereidingen van de elfde Ministeriële Conferentie, en voortdurend op de hoogte wordt gehouden en wordt geraadpleegd tijdens de Ministeriële Conferentie 2017; verzoekt de Commissie andere WTO-leden te blijven wijzen op het belang van een sterkere parlementaire dimensie van de WTO;

20.  roept de WTO-leden op de democratische legitimiteit en transparantie te waarborgen door de parlementaire dimensie van de WTO te versterken; benadrukt in dit verband dat parlementsleden betere toegang moeten krijgen tot handelsbesprekingen en moeten worden betrokken bij de formulering en uitvoering van WTO-besluiten, en dat handelsbeleid naar behoren moet worden getoetst, dit in het belang van de burgers;

21.  betreurt dat tijdens de ministeriële miniconferentie van 9 en 10 oktober 2017 in Marrakesh geen beduidende vooruitgang is geboekt met het oog op de elfde Ministeriële Conferentie; vraagt alle partijen om volledig hun verantwoordelijkheid te nemen en om de bereidheid die in de politieke verklaringen aan de dag wordt gelegd tijdens de onderhandelingen te vertalen in concrete acties, teneinde tot een positieve uitkomst van de elfde Ministeriële Conferentie in Buenos Aires te komen en een solide basis te leggen voor verdere acties en besluiten nadien;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de directeur-generaal van de WTO.

(1) Ministeriële verklaring van Doha (WT/MIN(01)/DEC/1) van 14 november 2001 – https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/min01_e/mindecl_e.htm
(2) Ministeriële verklaring van Hongkong (WT/MIN(05)/DEC) van 18 december 2005 – https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/min05_e/final_text_e.htm
(3) PB C 9 E van 15.1.2010, blz. 31.
(4) PB C 286 E van 22.10.2010, blz. 1.
(5) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 84.
(6) PB C 436 van 24.11.2016, blz. 6.
(7) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 140.
(8) Ministeriële verklaring van Bali (WT/MIN(13)/DEC) van 7 december 2013 – https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/mc9_e/balideclaration_e.htm
(9) Ministeriële verklaring van Nairobi (WT/MIN(15)/DEC) van 19 december 2015 – https://www.wto.org/english/thewto_e/minist_e/mc10_e/nairobipackage_e.htm
(10) http://www.ipu.org/splz-e/trade16/outcome.pdf
(11) http://www.un.org/sustainabledevelopment/sustainable-development-goals/
(12) https://www.wto.org/english/tratop_e/devel_e/a4t_e/gr17_e/gr17programme_e.htm


Oostelijk Partnerschap: top in november 2017
PDF 203kWORD 61k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017 (2017/2130(INI))
P8_TA(2017)0440A8-0308/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2,3 en 8, en gezien Titel V, met name de artikelen 21, 22, 36 en 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), evenals deel vijf van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de oprichting van het Oostelijk Partnerschap in Praag op 7 mei 2009 als een gemeenschappelijk initiatief van de EU en haar Oostelijke partners Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, Moldavië en Oekraïne,

–  gezien de gezamenlijke verklaringen van de toppen van het Oostelijk Partnerschap van 2011 in Warschau, van 2013 in Vlinius en van 2015 in Riga,

–  gezien de Verklaring van de leiders van 27 lidstaten en van de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie die op 25 maart 2017 in Rome werd aangenomen,

–  gezien de aanbevelingen door en de activiteiten van de Parlementaire Vergadering Euronest, het Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap, het Comité van de Regio's en de Conferentie van Regionale en Lokale overheden voor het Oostelijk partnerschap (CORLEAP),

–  gezien de mededelingen van de Europese Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) inzake het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), met name het verslag van 2017 betreffende de evaluatie van het ENB(JOIN(2017)0018) en het in 2017 herziene werkdocument getiteld "Oostelijk Partnerschap - 20 resultaten voor 2020": aandacht voor kernprioriteiten en concrete resultaten" (SWD(2017)0300), evenals de mededeling van 2016 over de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over het ENB en het Oostelijk Partnerschap,

–  gezien zijn aanbeveling van 5 juli 2017 aan de Raad over de 72e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(1), zijn resoluties met name die van 15 juni 2017 over de zaak van Afgan Mukhtarli en de situatie van de media in Azerbeidzjan(2), van 6 april 2017(3) en 24 november 2016(4) over de situatie in Belarus, van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2017(5), van 13 december 2016 over de rechten van vrouwen in de landen van het Oostelijk Partnerschap(6), van 21 januari 2016 over de associatieovereenkomsten / diepe en brede vrijhandelsruimten met Georgië, Moldavië en Oekraïne(7), en van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(8),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de parlementen van Georgië, Moldavië en Oekraïne van 3 juli 2017,

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0308/2017),

A.  overwegende dat het Oostelijk Partnerschap is gebaseerd op een gedeelde verplichting tussen Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, Moldavië, Oekraïne en de Europese Unie met betrekking tot de verdieping van hun betrekkingen en de naleving van het internationaal recht en fundamentele vrijheden, met inbegrip van de democratie, de rechtsstaat, de eerbiediging van mensenrechten, fundamentele vrijheden en gendergelijkheid, evenals de markteconomie, duurzame ontwikkeling en goed bestuur;

B.  overwegende dat het Oostelijk Partnerschap zich inzet voor de gemeenschappelijke doelstellingen, namelijk de bevordering van stabiliteit, het opbouwen van vertrouwen en samenwerking, ondersteuning van democratische hervormingen, goede nabuurschapsbetrekkingen, vreedzame conflictoplossing en regionale samenwerking, versterking van betrekkingen tussen mensen en de bevordering van handel, teneinde de politieke dialoog en associatie te intensiveren en de economische samenwerking en integratie te versterken;

C.  overwegende dat de EU er, door middel van haar integrale strategie en het herziene ENB, naar streeft haar partners dichter bij te brengen via versnelde politieke associatie en economische integratie met de EU, terwijl zij er tegelijkertijd naar streeft in haar nabuurschap politieke stabilisatie, maatschappelijke veerkracht en economische welvaart te bevorderen, en mogelijkheden te bieden voor geprivilegieerde politieke en economische betrekkingen overeenkomstig de mate van ambitie van ieder partnerland;

D.  overwegende dat aangezien de EU samenwerking als een op zichzelf staande waarde beschouwt die naar haar stellige overtuiging leidt tot win-winsituaties voor alle betrokken partijen, de EU zich ertoe verplicht samen te werken met alle landen van het Oostelijk Partnerschap zolang de Europese kernwaarden niet in twijfel worden getrokken of worden ondermijnd;

E.  overwegende dat de EU en haar partners middelen en instrumenten op de aangegane verplichtingen moeten afstemmen en overwegende dat de partners meer nadruk moeten leggen op de tenuitvoerlegging van bestaande overeenkomsten;

F.  overwegende dat de deelnemers aan de Riga-top in 2015 erop hebben aangedrongen vóór de volgende top voortgang te boeken op de volgende terreinen: 1) versterking van instellingen en goed bestuur, 2) mobiliteit en contacten tussen mensen, 3) economische ontwikkeling en marktmogelijkheden, en 4) connectiviteit, energie-efficiëntie, het milieu en klimaatverandering;

G.  overwegende dat sinds de laatste top aanzienlijke vorderingen zijn geboekt, met name met de sluiting en inwerkingtreding van drie associatieovereenkomsten, met inbegrip van een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) met Georgië en Oekraïne sinds 2017 (en met Moldavië sinds 2014), de afronding van de onderhandelingen over een brede en versterkte partnerschapsovereenkomst met Armenië (waarmee wordt aangetoond hoe het lidmaatschap van de Euraziatische Economische Unie kan worden gecombineerd met deelname aan Europese initiatieven op het gebied van nabuurschap), de start van onderhandelingen over een nieuwe brede overeenkomst met Azerbeidzjan, de vaststelling van grootschalige hervormingen in een aantal van deze landen met de politieke, technische en financiële steun van de Europese Unie, en de voortzetting van het beleid van kritische betrokkenheid ten aanzien van Belarus;

H.  overwegende dat sinds de oprichting van het Oostelijk Partnerschap in Praag sommige oprichtende leden een algemene verslechtering van de mensenrechtensituatie en een omkering van democratiseringstrends hebben ondervonden; overwegende dat een van de grootste uitdaging zal zijn de huidige overgang naar inclusieve, verantwoordingsplichtige, stabiele en levensvatbare democratieën te vergemakkelijken;

I.  overwegende dat meer mobiliteit en de versterking van betrekkingen tussen mensen tussen de partnerlanden en de EU een essentieel instrument blijven voor de bevordering van Europese waarden;

J.  overwegende dat een door de Commissie en de EDEO voorgesteld nieuw strategisch werkplan waarin bilaterale en regionale samenwerking worden gecombineerd, bedoeld is als leidraad voor de toekomstige werkzaamheden van de EU en de zes partnerlanden door de aandacht te richten op de voor 2020 te behalen resultaten;

K.  overwegende dat de onafhankelijkheid, soevereiniteit en territoriale integriteit van de Oostelijke partners van de EU nog altijd bedreigd worden door onopgeloste regionale conflicten, inclusief enkele conflicten die werden begonnen en nog steeds actief in stand worden gehouden door de Russische Federatie, in strijd met haar internationale toezeggingen om de internationale rechtsorde te handhaven; overwegende dat de EU een actievere rol zou moeten spelen bij de vreedzame oplossing van conflicten in haar nabuurschap; overwegende dat de Russische agressie jegens Oekraïne, de annexatie van de Krim en de voortdurende bezetting van twee Georgische regio's, evenals Russische hybride bedreigingen, waaronder destabiliserende activiteiten en propaganda, de Europese veiligheid in haar geheel in gevaar brengen;

L.  overwegende dat het Oostelijk Partnerschap is gebaseerd op het soevereine recht van iedere partner om het ambitieniveau te kiezen dat hij in zijn betrekkingen met de EU nastreeft; overwegende dat partners die nauwere betrekkingen met de EU nastreven, overeenkomstig het "meer voor meer"-beginsel op meer steun en bijstand bij het behalen van onderling overeengekomen doelstellingen moeten kunnen rekenen, indien zij aan bestaande hervormingsverplichtingen voldoen;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden het volgende aan:

Inzake de toekomst van het Oostelijk partnerschap

Inzake de tenuitvoerlegging van het Oostelijk Partnerschap

   (a) te waarborgen dat de top in november 2017 toekomstgericht zal zijn, aanleiding zal geven tot een nieuwe dynamiek en zal resulteren in een duidelijke politieke visie op de toekomst van het Oostelijk Partnerschap als beleid voor de lange termijn; ervoor te zorgen dat de uitkomsten van deze top, als eerste prioriteit, een basis bieden voor de handhaving van de kernwaarden van de Europese Unie, in het bijzonder de eerbiediging van democratie, mensenrechten, fundamentele vrijheden, de rechtsstaat, non-discriminatie en gendergelijkheid, waar het Oostelijk Partnerschap op is gebaseerd, waarbij moet worden onderstreept dat deze waarden de kern van de associatieovereenkomsten vormen en moet worden erkend dat de desbetreffende partners zich ertoe verplichten deze waarden ten uitvoer te leggen en te bevorderen;
   (b) de hoge verwachtingen van burgers in alle partnerlanden waar te maken ten aanzien van de uitroeiing van corruptie, de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en de versterking van de rechtsstaat en goed bestuur; daarom te streven naar een nieuwe toezegging van de partners om hervormingen met betrekking tot de rechtelijke macht, het openbaar bestuur en de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit vast te stellen en volledig ten uitvoer te leggen, op basis van adequate stappenplannen met duidelijk omschreven doelstellingen en termijnen;
   (c) het maatschappelijk middenveld in de partnerlanden en de cruciale rol ervan binnen het Oostelijk Partnerschap als onmisbare speler in het proces van consolidering van de democratie en als een platform voor regionale samenwerking te versterken door onvoorwaardelijk alle wetgeving en maatregelen af te wijzen die gericht zijn op de inperking van de legitieme activiteiten van het maatschappelijk middenveld en door een grotere rol van het maatschappelijk middenveld te bevorderen in de controle en het toezicht op de tenuitvoerlegging van aan het Partnerschap gerelateerde hervormingen, alsook door de transparantie en verantwoordingsplicht van publieke instellingen te vergroten;
   (d) aan te sporen tot hervormingen van het kiesrecht die waarborgen dat rechtskaders in overeenstemming zijn met internationale normen, de aanbevelingen van de door de OVSE geleide internationale waarnemingsmissies en de adviezen van de Commissie van Venetië, en die worden verwezenlijkt middels een transparant proces met een brede raadpleging en waarover, voor zover mogelijk consensus bestaat met de oppositie en het maatschappelijk middenveld, teneinde de kieswetten te verbeteren zonder vooringenomenheid in het voordeel van de regerende partijen; ervoor te zorgen dat de EU bestaande voorwaarden in verband met hervormingen van het kiesrecht strikt toepast;
   (e) ervoor te zorgen dat in de uitkomsten van de top van november 2017 de balans wordt opgemaakt van wat reeds is gerealiseerd, de noodzaak wordt benadrukt om alle reeds gedane toezeggingen na te komen en een nieuwe aanzet wordt gegeven voor de toekomst van het partnerschap, met inbegrip van de verwezenlijking van concrete resultaten voor burgers, met name in termen van werkgelegenheid, verkleining van de sociaaleconomische ongelijkheden, vervoer, connectiviteit, energieonafhankelijkheid, mobiliteit en onderwijs, waarbij moet worden opgemerkt dat een nieuw plan voor externe investeringen in dit verband een belangrijk instrument is;
   (f) maatregelen te nemen die zijn gericht op de aanpak van werkloosheid, met name jeugdwerkloosheid, onder meer door middel van een pakket aan steunmaatregelen voor jonge mensen, zoals het EU4Youth-programma, alsook op de ontwikkeling van vaardigheden die aansluiten op de veranderende behoeften op de arbeidsmarkt, onder meer door middel van beroepsopleidingen en trainingen, de bevordering van ondernemerschap en het lokale bedrijfsleven, de ondersteuning van duurzame landbouw, de ontwikkeling van toerisme en de digitale economie en de uitbreiding van de sociale infrastructuur en de publieke en private dienstensector in onder meer de gezondheids- en welzijnszorg;
   (g) de tenuitvoerlegging van antidiscriminatiebeleid in alle maatschappelijke sectoren te bevorderen en actief te ondersteunen; te zorgen voor gendergelijkheid in al het overheidsbeleid, en de inzetbaarheid en het ondernemerschap van vrouwen te ondersteunen, waarbij ook na de streefdatum van 2020 beleidscontinuïteit moet worden gegarandeerd;
   (h) zich ertoe te verplichten om gezamenlijk te werken aan een betere mobiliteit tussen de EU en de partnerlanden; Moldavië, Georgië en Oekraïne te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van de visumliberaliseringsovereenkomst en ervoor te zorgen dat opschortingsmechanismen in de toekomst niet in gang worden gezet, onder meer door nauwe samenwerking van politie en douane bij de bescherming tegen veiligheidsdreigingen, criminaliteit en overschrijding van de toegestane verblijfsduur; visumdialogen te openen met Armenië, Azerbeidzjan aan te sporen tot voortgang bij de tenuitvoerlegging van de visumversoepelings- en overnameovereenkomsten teneinde in de toekomst een visumdialoog te openen, en de onderhandelingen over een visumversoepelings- en overnameovereenkomst met Belarus af te ronden in het belang van de burgers van het land, mits deze landen aanzienlijke vorderingen boeken op het gebied van fundamentele waarden en precies aan de voorwaarden voldoen die zijn vastgelegd in de actieplannen voor visumliberalisering;
   (i) meer kansen te creëren voor nauwere samenwerking op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie, met name door middel van het vergemakkelijken van deelname aan programma's als Erasmus+, "Topkwaliteit verspreiden en deelname verbreden" en EU4Innovation, evenals de verstrekking van leninggaranties door de Europese Investeringsbank Groep als onderdeel van haar InnovFin-programma; steun te verlenen voor het hervormen van het onderwijs en de onderzoeks- en innovatiekloof aan te pakken;
   (j) te waarborgen dat de uitkomsten van de top van november 2017 eveneens een nieuwe impuls zullen geven aan duurzame economische groei, de modernisering van bestaande sectoren, handel en investeringsmogelijkheden, met inbegrip van intraregionale mogelijkheden voor grensoverschrijdende samenwerking en met bijzondere aandacht voor ondernemerschap en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's);
   (k) aan te dringen op aangepaste EU-steun voor de associatieagenda's en voor de daaraan verbonden structurele hervormingen, met name de hervormingen die zorgen voor een beter concurrentievermogen, een gunstiger ondernemingsklimaat en voldoende toegang tot financieringsbronnen, onder meer via het EU4Business-initiatief; de uitvoering van DCFTA's nauwlettend te volgen, teneinde sociale en milieudumping te vermijden; gerichte bijstand voor kmo's op te zetten om hen te helpen het potentieel van de DCFTA's volledig te benutten; een echte hervorming van het economische stelsel te bevorderen en te ondersteunen die is gericht op het afschaffen van monopolies en waarbij de rol van oligarchen wordt beperkt middels de invoering van adequate wetgeving evenals een diepgaande hervorming van het bankwezen en de financiële sector die is gericht op de bestrijding van het witwassen van geld en belastingontduiking;
   (l) de ontwikkeling te ondersteunen van de noodzakelijke vervoers- en connectiviteitsinfrastructuur, onder meer door middel van een ambitieus investeringsplan voor het TEN-V-kernnetwerk, en daarnaast intraregionale handel te ondersteunen; infrastructuurprojecten te ondersteunen die nieuwe kansen voor handel zullen bieden en meer communicatie en uitwisseling tussen de EU en de partnerlanden, alsook tussen de partnerlanden onderling, mogelijk zullen maken;
   (m) zowel de energieonafhankelijkheid als de energie-efficiëntie te verbeteren door middel van gerichte investeringen, evenals de diversifiëring van energiebronnen, in het bijzonder wat betreft hernieuwbare energie en de vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, door middel van intensievere samenwerking op alle onder de energie-unie van de EU vallende prioriteitsterreinen en nauwere integratie van de energiemarkten van de partnerlanden met de Europese energiemarkt, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan interconnectiviteit en infrastructuur; ervoor te zorgen dat offshore- en onshoredelen van pijpleidinginfrastructuur in de regio, inclusief de Nord Stream 2-gaspijpleiding, volledig in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving en de strategie voor de energie-unie en de regionale energiezekerheid niet ondermijnen; samen met de oostelijke partners de huishoudens te ondersteunen die het meest geraakt worden door de stijging van de energieprijzen;
   (n) te zorgen voor volledige naleving van internationale overeenkomsten en verplichtingen inzake nucleaire veiligheid en milieubescherming; zich intensiever in te zetten voor de naleving van verplichtingen op het gebied van klimaatverandering, onder meer door het bewustzijn onder het publiek te vergroten, en voor de geleidelijke en duurzame sluiting van verouderde energiecentrales in Armenië en Oekraïne; de ontwikkeling van nieuwe projecten zoals de Wit-Russische kerncentrale in Ostrovets nauwlettend te volgen;
   (o) ervoor te zorgen dat in de uitkomsten van de top van november 2017 ook aandacht wordt besteed aan de veiligheidsdreigingen en conflicten die betrekking hebben op de onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit, fundamentele mensenrechten en politieke, sociale en economische stabiliteit en ontwikkeling van de partners en van de regio als geheel;
   (p) te streven naar eendrachtig optreden van de EU-lidstaten om de collectieve druk op Rusland te handhaven, wiens militaire aanwezigheid in de regio de afgelopen jaren niettemin is toegenomen, met name door middel van gerichte restrictieve maatregelen, naar een oplossing voor het conflict in het oosten van Oekraïne middels de volledige en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de Minsk-akkoorden en voortzetting van de waarnemingsmissie van de OVSE, naar een oplossing voor het conflict tussen Rusland en Georgië middels concrete resultaten in het internationaal overleg van Genève en de volledige tenuitvoerlegging door Rusland van de staakt-het-vuren-overeenkomst van 2008, naar het herstel van de volledige soevereiniteit van Oekraïne over de Krim, van Georgië over zijn bezette regio's Abchazië en Zuid-Ossetië en van Moldavië over Transnistrië, naar voldoende aandacht voor de gevaarlijke ecologische situatie in Oost-Oekraïne, naar ondersteuning van onze partners bij de versterking van hun weerbaarheid en naar de beëindiging van bijkomende dreigingen van door de staat gesponsorde moorden, cyberoorlogsvoering, desinformatie en andere destabiliserende activiteiten;
   (q) te onderstrepen dat de deelname van een oostelijke partner aan militaire oefeningen die gericht zijn tegen de EU en sommige van haar partners, zoals de door Rusland geleide Zapad 2017-oefening in Belarus, onaanvaardbaar is; te waarborgen dat in de toekomst geen van de partners aan dergelijke oefeningen deelneemt;
   (r) aan te dringen op een onmiddellijke beëindiging van de militaire vijandigheden tussen Armeense en Azerbeidzjaanse strijdkrachten waarbij onnodig burgers en soldaten om het leven komen, terwijl zij een belemmering voor de sociaaleconomische ontwikkeling vormen; opnieuw steun uit te spreken voor de inspanningen van de covoorzitters van de Minsk-groep van de OVSE om het conflict in Nagorno-Karabach op te lossen en voor hun basisbeginselen uit 2009, die onder meer betrekking hebben op territoriale integriteit, zelfbeschikking en het niet gebruiken van geweld; er bij Armenië en Azerbeidzjan op aan te dringen in goed vertrouwen de onderhandelingen te hervatten teneinde deze beginselen ten uitvoer te leggen en een oplossing voor het conflict, dat niet via de militaire weg kan worden opgelost, te bewerkstelligen; aan te dringen bij de regeringen van Armenië en Azerbeidzjan op hoog niveau besprekingen te houden en zich te verbinden tot echte vertrouwenwekkende maatregelen en tot een dialoog tussen het Armeense en Azerbeidzjaanse maatschappelijk middenveld; de ratificatie van nieuwe overeenkomsten tussen de EU en elk van beide partijen afhankelijk te maken van wezenlijke afspraken en aanzienlijke voortgang om het conflict op te lossen, bijvoorbeeld door het staakt-het-vuren te handhaven en de tenuitvoerlegging van de basisbeginselen van 2009 te ondersteunen;
   (s) aan te dringen op voortzetting van de steun voor de werkzaamheden van de EU- en OVSE-missies in Georgië, Moldavië en het oosten van Oekraïne, aangezien dit essentiële operaties zijn om vrede en veiligheid te waarborgen, eerst en vooral voor de burgers ter plaatse; te zorgen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van het mandaat van deze missies en bij Rusland aan te dringen op het waarborgen van onbelemmerde toegang; te overwegen steun te bieden bij de totstandbrenging van een gewapende OVSE-politiemissie in het oosten van Oekraïne; samen met de partnerlanden na te denken over een grotere rol van de EU bij het oplossen van deze conflicten, onder meer door ambitieuze, volledig uitgeruste missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) op te zetten die als taak hebben de veiligheid en stabiliteit te versterken;
   (t) er bij de partners van de EU op aan te dringen volledig met de EU samen te werken bij de aanpak van uitdagingen zoals illegale migratie, terrorisme, cybercriminaliteit, mensenhandel en -smokkel en illegale handel;
   (u) na te denken, in het kader van het EaP-beleid, over een aantrekkelijk "EaP+"-model op langere termijn voor geassocieerde landen die aanzienlijke vorderingen hebben geboekt bij het uitvoeren van aan de associatieovereenkomst of aan de diepe en brede vrijhandelsruimte gerelateerde hervormingen, die eventueel zouden kunnen leiden tot toetreding tot de douane-unie, de energie-unie, de digitale unie en de Schengenzone, meer toegang tot de interne markt van de EU, integratie in Europese vervoersnetten, industriële partnerschappen, intensievere deelname aan andere EU-programma's en -agentschappen, verdere samenwerking op het gebied van het GVDB en acutere maatregelen zoals aanvullende unilaterale tariefpreferenties, een concreet tijdschema voor de afschaffing van roamingtarieven tussen de partners en de EU en de ontwikkeling van breedbandnetwerken met zeer hoge capaciteit; het "EaP+"-model open te stellen voor andere landen van het Oostelijk Partnerschap zodra zij klaar zijn voor dergelijke extra verplichtingen en aanzienlijke vorderingen hebben geboekt bij het uitvoeren van onderling overeengekomen hervormingen;
   (v) wat betreft niet-geassocieerde landen na te denken over nieuwe manieren om het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven, de academische gemeenschap, onafhankelijke media en jongeren te ondersteunen, onder meer door middel van extra financiering en mobiliteitspartnerschappen;
   (w) in beide gevallen te waarborgen dat de gemeenschappelijke doelstellingen zowel voor de middellange als, indien nodig, de lange termijn gelden, om zo enkele van de partnerlanden aan te sporen om de logica van verkiezingscycli te doorbreken en over te stappen op een strategischere visie;
   (x) opnieuw te wijzen op het beginsel van differentiatie en op het feit dat de reikwijdte en diepte van de samenwerking met de EU wordt bepaald door de ambities van de EU en die van de partners, alsook door het tempo en de kwaliteit van de hervormingen die moeten worden geëvalueerd op grond van de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan, met name wat betreft de eerbiediging van democratie, mensenrechten, fundamentele vrijheden, de rechtsstaat en goed bestuur;
   (y) te benadrukken dat het Oostelijk Partnerschap erop is gericht de noodzakelijke omstandigheden te scheppen voor nauwe politieke associatie en economische integratie, met inbegrip van deelname aan EU-programma's; er nogmaals op te wijzen dat associatieovereenkomsten met Georgië, Moldavië en Oekraïne niet het einddoel vormen in hun betrekkingen met de EU; de Europese aspiraties van deze landen nogmaals te erkennen; erop te wijzen dat, uit hoofde van artikel 49 VEU en in overeenstemming met de Verklaring van Rome van 25 maart 2017, elke Europese staat een aanvraag kan indienen om lid te worden van de EU, op voorwaarde dat hij de criteria van Kopenhagen en de democratische beginselen in acht neemt, de fundamentele vrijheden en de mensenrechten inclusief de rechten van minderheden eerbiedigt, en het functioneren van de rechtsstaat garandeert; de lidstaten in dit opzicht aan te sporen op de top in 2017 overeenstemming te bereiken over een ambitieuze verklaring waarin relevante langetermijndoelstellingen worden vastgesteld;
   (z) Georgië, Moldavië en Oekraïne te verzoeken zich te richten op de tenuitvoerlegging van de associatieagenda's, teneinde alle beschikbare mogelijkheden die de associatieovereenkomsten bieden te ontsluiten, en eveneens deel te nemen aan de gezamenlijke discussies over de voortgang, mogelijkheden en uitdagingen die samenhangen met de aan de associatieovereenkomst/de diepe en brede vrijhandelsruimte gerelateerde hervormingen; nogmaals te wijzen op het belang van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van bovengenoemde hervormingen voor de toekomstige stabiliteit en de ontwikkeling van de landen en het welzijn van hun samenlevingen; opnieuw te benadrukken dat voor het versterken van betrekkingen binnen het EaP+-model alsook voor een perspectief op EU-lidmaatschap aanzienlijke vorderingen nodig zijn ten aanzien van de tenuitvoerlegging van deze hervormingen, met name wat betreft de rechtsstaat, de eerbiediging van mensenrechten en goed bestuur;
   (aa) te waarborgen dat de huidige en verdere niveaus van samenwerking met en steun aan de partners altijd aan strikte voorwaarden verbonden zijn en dat deze voorwaarden ook worden nageleefd; te onderstrepen dat de financiële steun van de EU aan haar partners afhankelijk zal zijn van concrete hervormingsstappen en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan en dat de op stimulansen gebaseerde benadering het meeste voordelen blijft bieden aan de partners die zich het meeste inzetten voor ambitieuze hervormingen; te overwegen subsidies in kortere termijnen uit te betalen, teneinde de EU in staat te stellen beter in te springen op onverwachte crises of een gebrek aan hervormingen; in het bijzonder te benadrukken dat er geen brede overeenkomst wordt geratificeerd met een land dat de EU-waarden niet eerbiedigt, onder meer door besluiten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet ten uitvoer te leggen en mensenrechtenactivisten, ngo's en journalisten te treiteren, te intimideren en te vervolgen; er eveneens op te wijzen dat aan duidelijke criteria moet worden voldaan alvorens een nieuwe dialoog over regelingen inzake visumvrij verkeer kan worden geopend en voltooid; te herhalen dat een terugval ten aanzien van eerder bereikte resultaten systematisch zal leiden tot de opschorting van overeenkomsten, ook op het gebied van regelingen inzake visumvrij verkeer en EU-financiering;
   (ab) de multilaterale dimensie van het Oostelijk Partnerschap te ondersteunen als een manier om in toenemende mate multilateraal vertrouwen op te bouwen, met name in door conflicten getroffen gebieden, en kansen voor regionale samenwerking te creëren, onder meer door middel van transnationale platforms van het maatschappelijk middenveld, samenwerking tussen lokale en regionale autoriteiten, en grensoverschrijdende projecten zoals programma's voor contacten tussen mensen waarbij interculturele dialoog en de jongere generatie factoren voor verandering vormen;
   (ac) te benadrukken dat het belangrijk is om beleid in verband met het Oostelijk Partnerschap op coherente en effectieve wijze zowel intern als extern te communiceren, en om te voorzien in communicatieactiviteiten die zijn aangepast aan specifieke regio's, met name om het gebrek aan kennis over de EU en de betrekkingen met haar partners te verhelpen; te erkennen dat de East StratCom Task Force tot nog toe uitstekend werk heeft verricht en de activiteiten van de taskforce te steunen met aanvullende financiering; zich in te zetten voor betere informatie over de concrete voordelen en doelstellingen van het Oostelijk Partnerschap, de desinformatie aan te pakken door te voorzien in op feiten gebaseerde en toegankelijke kwalitatief hoogwaardige voorlichting in alle talen van de partnerlanden en de volledige eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting te waarborgen;
   (ad) te blijven pleiten voor EU-steun op maat zodat deze past bij het gedeelde ambitieniveau van samenwerking met iedere partner, volgens de "meer voor meer"- en "minder voor minder"-beginselen; er in het bijzonder bij de EU op aan te dringen begrotingsinstrumenten, zoals het Europees nabuurschapsinstrument en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, af te stemmen op politieke taakomschrijvingen en uitvoeringsstrategieën, met name binnen haar jaarlijkse en meerjarige begrotingsprocedures;
   (ae) zich te verheugen over de voorstellen van de Commissie om macrofinanciële steun aan de partners te verlenen, maar te blijven benadrukken dat aan deze voorstellen strikte en effectieve voorwaarden moeten worden verbonden, met name wat betreft de eerbiediging van de rechtsstaat (inclusief een onafhankelijke rechtelijke macht en een parlementair stelsel met meerdere partijen), het waarborgen van goed bestuur (inclusief effectieve corruptiebestrijding) en verdediging van de mensenrechten en de vrijheid van de media; iedere zes maanden een gedetailleerd schriftelijk verslag aan het Parlement en de Raad te zenden over de voortgang die op deze drie terreinen is geboekt door de partners die reeds dergelijke steun ontvangen; er bij de Commissie op aan te dringen nieuwe programma's voor macrofinanciële steun op te stellen voor partnerlanden die de eerdere programma'ssuccesvol hebben afgerond, systematisch te voorzien in bovengenoemde voorwaarden bij toekomstige voorstellen voor dergelijke steun en ervoor te zorgen dat deze strikt worden toegepast, met name in het geval van Moldavië;
   (af) de Commissie, de Europese Investeringsbank en andere multilaterale financiële instellingen te verzoeken zich in te zetten voor de succesvolle tenuitvoerlegging van het investeringsplan voor Europa en van een speciaal steunmechanisme voor landen van het Oostelijk Partnerschap gericht op de tenuitvoerlegging van de associatieverdragen; aan te dringen op de oprichting van een trustfonds voor Oekraïne, Georgië en Moldavië gebaseerd op de beste praktijken van multidonorinstrumenten, waarbij moet worden benadrukt dat dit trustfonds zich moet concentreren op private en publieke investeringen, in het bijzonder investeringen in sociale en economische infrastructuur en investeringen die zijn gericht op versterking van de investeringsabsorptiecapaciteit, en op de coördinatie van internationale financiële instellingen en internationale donorsteun ter plaatse; te overwegen een donorconferentie voor Oekraïne te organiseren om te helpen te voorzien in de humanitaire behoeften van het land die het gevolg zijn van het conflict in Oost-Oekraïne en de annexatie van de Krim; ervoor te zorgen dat het gebruik van alle deze fondsen eveneens streng wordt gecontroleerd om iedere vorm van misbruik te voorkomen;
   (ag) nogmaals krachtige steun uit te spreken voor parlementaire inbreng over en parlementaire controle op het beleid inzake het Oostelijk Partnerschap, met name wat betreft het effect van het beleid op het leven van burgers; in dit verband de rol van de Parlementaire Vergadering Euronest te versterken binnen de nieuwe multilaterale structuur van het Oostelijk Partnerschap, en eveneens te zorgen voor een grotere rol van de Parlementaire associatie- en samenwerkingscommissies binnen de associatie- of samenwerkingsraden; de programma's van de alomvattende democratieondersteunende aanpak te verwelkomen die ten uitvoer worden gelegd; parlementariërs uit de partnerlanden te verzoeken samen te werken bij de controle op de tenuitvoerlegging en uitwisseling van beste praktijken; de betrokkenheid van het Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap bij dit proces te vergroten;
   (ah) nota te nemen van het besluit van het Parlement om meer toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten met de oostelijke partners en de controle op EU-steun in dit verband te vergroten; te voldoen aan de oproep van het Parlement aan de partners en de Commissie om de transparantie ten aanzien van alle begunstigden van EU-financiering te vergroten; er bij de Commissie en de EDEO op aan te dringen het Parlement en de Raad iedere zes maanden een gedetailleerd schriftelijk verslag over de tenuitvoerlegging van deze overeenkomsten te doen toekomen;
   (ai) nota te nemen van het besluit van het Parlement om meer toezicht te houden op de onderhandelingen over toekomstige internationale overeenkomsten met de oostelijke partners; er bij de Raad op aan te dringen het Parlement onverwijld alle relevante onderhandelingsmandaten te doen toekomen, overeenkomstig het desbetreffende Interinstitutioneel Akkoord(9); zich te verheugen over de effectieve samenwerking van de Commissie en de EDEO met het Parlement wat betreft het verstrekken van informatie over deze onderhandelingen, maar er bij hen op aan te dringen eveneens onverwijld de ontwerponderhandelingsteksten en geparafeerde overeenkomsten over te leggen, in overeenstemming met de desbetreffende kaderovereenkomst(10);

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Europese Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden en, ter informatie, aan de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië, de Parlementaire Assemblee van de OVSE, de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en de regeringen en parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0304.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0267.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0126.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0456.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0089.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0487.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0018.
(8) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 110.
(9) PB C 95 van 1.4.2014, blz. 1.
(10) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47.


Een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie
PDF 190kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie (2017/2819(RSP))
P8_TA(2017)0441B8-0589/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie" (COM(2017)0198),

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU(1),

–  gezien de geschiktheidscontrole van de natuurwetgeving van de EU (de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn) (SWD(2016)0472),

–  gezien Speciaal verslag nr. 1/2017 van de Europese Rekenkamer, getiteld "Meer inspanningen nodig om het Natura 2000-netwerk zo te ontwikkelen dat het volledige potentieel ervan wordt gerealiseerd",

–  gezien het verslag van de Commissie getiteld "De stand van de natuur in de EU. Rapportering in het kader van de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn van de EU 2007-2012",

–  gezien de statistieken van Eurostat over biodiversiteit van november 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over het EU-actieplan voor natuur, mens en economie(2);

–  gezien de vraag aan de Commissie over een actieplan voor natuur, mens en economie (O-000067/2017 – B8‑0608/2017),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat slechts ongeveer de helft van de beschermde vogelsoorten en een nog kleiner gedeelte van de andere beschermde soorten en habitats in de Unie momenteel een goede staat van instandhouding kennen, en overwegende dat slechts 50 % van alle Natura 2000-gebieden een beheersplan met instandhoudingsdoelstellingen en ‑maatregelen heeft;

B.  overwegende dat de natuurrichtlijnen een belangrijke rol spelen bij het helpen verwezenlijken van de doelstellingen van het strategisch plan voor biodiversiteit 2011-2020 in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit, van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering;

C.  overwegende dat in het verslag van het Europees Milieuagentschap van 2015 over de stand van de natuur in de EU wordt vermeld dat de lidstaten voor terrestrische ecosystemen de landbouw en de wijziging van de natuurlijke omstandigheden als de belangrijkste gevaren en bedreigingen signaleren, en voor mariene ecosystemen het gebruik van levende rijkdommen (visserij) en vervuiling; overwegende dat al deze activiteiten door mensen worden ontplooid en verregaande en schadelijke gevolgen voor de natuur hebben;

D.  overwegende dat de statistieken van Eurostat over biodiversiteit van 2016 voor alle 167 veel voorkomende vogelsoorten in de EU een algemene achteruitgang te zien geven in de periode 1990-2014(3);

Algemene opmerkingen

1.  verwelkomt het actieplan voor de natuur, de mensen en de economie als een stap in de goede richting om de doelstellingen van de natuurrichtlijnen te halen;

2.  stelt echter met bezorgdheid vast dat de streefdoelen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 en het Verdrag inzake biologische diversiteit niet zullen worden verwezenlijkt zonder onmiddellijke en aanzienlijke aanvullende inspanningen; onderstreept dat de doelstellingen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2010 niet zijn behaald;

3.  wijst erop dat gezonde en veerkrachtige ecosystemen betere mogelijkheden bieden voor afzwakking van de gevolgen van en aanpassing aan de klimaatverandering en dus voor het beperken van de opwarming van de aarde; merkt op dat zij beter bestand zijn tegen en zich makkelijker herstellen van extreme weersomstandigheden en talrijke voordelen opleveren die onmisbaar zijn voor de bevolking;

4.  wijst erop dat in Europa momenteel bijna een op de vier wilde soorten met uitsterven bedreigd is en dat veel ecosystemen zo sterk verontreinigd zijn dat zij hun waardevolle rol niet langer kunnen spelen; merkt op dat deze verslechtering de EU enorme sociale en economische schade berokkent; wijst erop dat er ten aanzien van de hoofdoorzaken van het biodiversiteitsverlies, zoals veranderingen in habitats, de overexploitatie van natuurlijke rijkdommen, de binnenkomst en verspreiding van invasieve exotische soorten en de klimaatverandering, een verslechtering van de situatie is geconstateerd, waardoor de positieve effecten van de maatregelen om het biodiversiteitsverlies in te dammen teniet worden gedaan;

5.  merkt op dat het actieplan streeft naar "de versnelde vooruitgang richting de EU 2020-doelstelling om het verlies aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten te stoppen en om te keren"; vindt het echter jammer dat het geen andere verwijzing bevat naar de biodiversiteitsstrategie 2020 of de conclusies van de tussentijdse evaluatie;

6.  herhaalt dat er aanzienlijke en aanhoudende extra inspanningen moeten worden geleverd om de doelstellingen voor 2020 te halen, en roept de Commissie en de lidstaten op om dit tot een grotere politieke prioriteit te verheffen;

7.  benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de natuurwetgeving van de Unie volledig en nauwgezet wordt uitgevoerd;

8.  benadrukt dat de aanzienlijke vooruitgang inzake de vermindering van broeikasgasemissies, luchtverontreining en andere verontreinigende stoffen en inzake de verhoging van energie- en materiaalefficiëntie moet worden aangevuld met verdere acties van de lidstaten om het overeengekomen beleid met het oog op een betere bescherming van de biodiversiteit, de natuurlijke hulpbronnen en de volksgezondheid volledig toe te passen;

9.  wijst erop dat beleid en kennis verder moeten worden geïntegreerd ter verwezenlijking van de doelstelling "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet", de langetermijnvisie van het zevende milieuactieprogramma;

10.  betreurt het beperkte tijdskader van het actieplan en verzoekt de Commissie om onmiddellijk te beginnen aan de volgende biodiversiteitsstrategie voor de periode na 2020;

Betrokkenheid van alle actoren

11.  is ingenomen met de vier prioriteitsgroepen die in het actieplan zijn vastgesteld, en benadrukt dat alle relevante actoren op nationaal, regionaal en lokaal niveau actief moeten worden betrokken zodat de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de vogel- en de habitatrichtlijn doeltreffend kunnen worden aangepakt met concrete maatregelen;

12.  herinnert eraan dat de Europese Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 1/2017 heeft gesteld dat de coördinatie tussen de verantwoordelijke autoriteiten en andere belanghebbenden in de lidstaten onvoldoende ontwikkeld is;

13.  verzoekt de Commissie nationale en regionale actoren doeltreffende ondersteuning te bieden bij de tenuitvoerlegging van de natuurwetgeving en de verbetering van milieu-inspecties, onder meer door competentie- en capaciteitsopbouw en een betere toewijzing van middelen;

14.  is verheugd dat de Commissie van plan is in alle officiële EU-talen richtsnoeren te ontwikkelen en bij te werken om het begrip van de wetgeving in het veld te bevorderen en overheden te helpen de regels correct toe te passen, en verzoekt de Commissie in dit verband alle belanghebbenden bij dit proces te betrekken en te raadplegen;

15.  onderstreept de rol van het maatschappelijk middenveld bij het verbeteren van de tenuitvoerlegging van de EU-natuurwetgeving, en benadrukt het belang van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus in dit verband;

16.  verzoekt de Commissie een nieuw wetgevingsvoorstel over minimumnormen voor toegang tot rechterlijke toetsing te formuleren en de Aarhus-verordening betreffende de toepassing van het Verdrag op de actie van de Unie te herzien om rekening te houden met de recente aanbeveling van het comité van toezicht op de naleving van het Verdrag van Aarhus;

17.  is verheugd dat een flexibele uitvoeringsaanpak die rekening houdt met specifieke nationale omstandigheden zonder de instandhoudingsdoelstellingen en voorschriften van de natuurrichtlijnen in het gedrang te brengen, bijdraagt tot het verminderen en geleidelijk uit de wereld helpen van onnodige conflicten en problemen die tussen natuurbescherming en sociaal-economische activiteiten gerezen zijn, en meehelpt de praktische uitdagingen aan te gaan die voortvloeien uit de toepassing van de bijlagen bij de richtlijnen;

18.  verzoekt de Commissie om verduidelijking van de rol van het Comité van de Regio's bij het bevorderen van de bewustwording en het stimuleren van de lokale betrokkenheid en uitwisselingen van kennis;

Beschermde soorten en habitats

19.  onderstreept dat de lidstaten de verslechtering van Natura 2000-gebieden moeten voorkomen en instandhoudingsmaatregelen moeten treffen om beschermde soorten en habitats in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen;

20.  dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van de natuurrichtlijnen om te waarborgen dat instandhoudingsacties die worden ondernomen, stroken met de meest recente technische en wetenschappelijke vooruitgang;

21.  betreurt dat het actieplan geen prioriteitsstrategie of concrete maatregelen omvat ter verbetering van de bescherming van bestuivers, met name inzake bestrijding van gezondheidsrisico's en parasietensoorten (in het bijzonder de varroamijt), de onderzoekscoördinatie, de harmonisatie van analysemethoden en het delen van wetenschappelijke gegevens over bestuivers op Europees niveau, zoals het Parlement in een eerdere resolutie had gevraagd;

22.  verzoekt de Commissie nogmaals een EU-strategie voor de bescherming en instandhouding van bedreigde bestuivers uit te stippelen om over de verschillende beleidsgebieden heen een omvattend antwoord te bieden op het fundamentele probleem van de hoge sterfte van bestuivers in Europa, met name bijen, die het milieu en de economie onschatbare diensten verlenen;

23.  stelt voor om de bestrijding van de varroamijt op het niveau van de Unie verplicht te stellen, de opleiding van imkers inzake de bescherming van bijen te ondersteunen en lokale en regionale autoriteiten, landbouwers en alle andere burgers aan te moedigen de ontwikkeling van plantensoorten en met name bloeiende soorten in landelijke en stedelijke gebieden te stimuleren, om de beschikbaarheid van honingdragende planten te vergroten;

24.  herhaalt dat het illegaal doden van vogels, met name migrerende soorten in het Middellandse Zeegebied, alsook roofvolgels in bepaalde lidstaten, een punt van zorg blijft; benadrukt de behoefte aan een op Europees niveau gecoördineerd plan op basis van wetenschappelijke gegevens voor het beheer van migrerende vogelsoorten die door meer dan een lidstaat trekken;

25.  roept op tot de volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van de verordening inzake invasieve uitheemse soorten en tot adequate financiering van de EU-begroting hiervoor; benadrukt dat de opname van een soort op de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten gebaseerd moet zijn op een gestandaardiseerde en geharmoniseerde risicobeoordeling; is van oordeel dat het beheer van invasieve uitheemse soorten een dringende prioriteit is, in het bijzonder in Natura 2000-gebieden; verwelkomt het Europees Netwerk voor informatie over uitheemse soorten (EASIN), een onlineplatform dat de toegang tot gegevens over uitheemse soorten faciliteert;

26.  benadrukt dat de bescherming van onze gemeenschappelijke natuurlijke omgeving in Europa essentieel is voor zowel onze economieën als ons welzijn, dat het Natura 2000-netwerk naar schatting een economische waarde van 200-300 miljard EUR per jaar oplevert en inkomsten voor lokale gemeenschappen kan genereren door middel van toerisme en recreatie en dat gezonde ecosystemen essentiële diensten leveren zoals zoet water, koolstofopslag, bestuivende insecten en bescherming tegen overstromingen, lawines en kusterosie(4); wijst er daarom op dat investeringen in het Natura 2000-netwerk economisch zinvol zijn;

27.  stipt aan dat de vaststelling van de mariene gebieden in het Natura 2000-netwerk aanzienlijk minder vergevorderd is dan die van de gebieden op het land; verzoekt de betrokken lidstaten dit te verhelpen en doet een beroep op de Commissie om de nodige samenwerking met derde landen te bevorderen om de milieubescherming in mariene gebieden te verbeteren;

28.  verwelkomt de maatregel om ecosysteemdiensten in de besluitvorming te integreren; betreurt evenwel dat in het actieplan geen concreet initiatief is opgenomen om ervoor te zorgen dat er geen nettoverlies van biodiversiteit wordt geleden;

Raakvlakken met andere beleidsgebieden

29.  benadrukt dat het dringend nodig is actie te ondernemen om de belangrijkste oorzaken van het verlies van biodiversiteit aan te pakken, namelijk de vernietiging en aantasting van habitats, vooral als gevolg van overmatig bodemgebruik, vervuiling, intensieve landbouw, het gebruik van synthetische chemische pesticiden, de verspreiding van uitheemse soorten en de klimaatverandering, en beklemtoont dat moet worden gezorgd voor samenhang tussen de verschillende beleidsgebieden van de EU;

30.  onderstreept dat de geschiktheidscontrole uitgewezen heeft dat er behoefte is aan meer samenhang met het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), en wijst op de zorgwekkende achteruitgang van landbouwgerelateerde soorten en habitats; verzoekt de Commissie de impact van het GLB op de biodiversiteit te evalueren;

31.  herhaalt dat het herstel, de instandhouding en de versterking van land- en bosbouwgerelateerde ecosystemen, ook in Natura 2000-gebieden, behoren tot de zes grootste prioriteiten voor plattelandsontwikkeling in de EU; herinnert aan de talrijke inspanningen die de actoren in de landbouwsector hebben geleverd, met name in het kader van de uitvoering van de vergroeningsmaatregelen die bij de herziening van het GLB in 2013 zijn ingevoerd;

32.  roept de Commissie en de lidstaten nogmaals op ervoor te zorgen dat de financiële middelen die in het kader van het GLB zijn toegewezen aan activiteiten die met een achteruitgang van de biodiversiteit gepaard gaan, worden herschikt ten behoeve van de financiering van ecologisch duurzame landbouwpraktijken en, in het verlengde daarvan, het behoud van de biodiversiteit;

33.  roept de Commissie en de lidstaten voorts op om in samenwerking met grondeigenaren en -gebruikers de mogelijkheid van zogenaamde "groene en blauwe diensten" (landschaps-, natuur- en waterbeheer) tegen een marktconforme vergoeding te onderzoeken;

34.  wijst erop dat soorten die in de habitatrichtlijn worden aangemerkt als soorten die speciale bescherming behoeven in sommige regio's van Europa een goede instandhoudingsstatus hebben bereikt, waardoor zij een bedreiging zouden kunnen vormen voor andere wilde soorten en huisdieren en zo het natuurlijk evenwicht van het ecosysteem zouden kunnen verstoren; verzoekt de Commissie een beoordelingsprocedure te ontwikkelen om het mogelijk te maken de beschermingsstatus van soorten in bepaalde regio's te wijzigen zodra de gewenste instandhoudingsstatus is bereikt;

35.  herhaalt dat de co-existentie van mensen en grote carnivoren, met name wolven, in bepaalde gebieden of regio's negatieve gevolgen kan hebben voor de duurzame ontwikkeling van ecosystemen en bewoonde plattelandsgebieden, vooral in verband met traditionele landbouw en duurzaam toerisme, en voor andere sociaal-economische activiteiten; roept de Commissie en de lidstaten op concrete maatregelen te treffen om deze problemen aan te pakken, zodat de duurzame ontwikkeling van het platteland niet in gevaar komt, en daarbij de in het kader van de habitatrichtlijn geboden flexibiliteit te erkennen;

36.  verzoekt de Commissie maatregelen te ondersteunen zoals opleiding voor landbouwers met betrekking tot bescherming van vee tegen grote carnivoren en uitwisseling van goede praktijken inzake veebescherming tussen de lidstaten;

37.  betreurt dat het GLB niet is ontwikkeld met het oog op de bescherming van de verdwijnende traditionele landbouwpraktijk van nomadische veeteelt, een belangrijk historisch instrument voor het beheer van habitats en natuurbehoud; dringt erop aan dat het actieplan een ontwikkelingskader voor nomadische veeteelt in het Natura 2000-netwerk ondersteunt;

38.  verzoekt de Commissie om adaptief populatiebeheer bij uitstek in aanmerking te nemen als goede praktijkmethode voor het duurzaam beheer van populaties watervogels die voldoende voorkomen in de EU, en voor de instandhouding van in omvang afnemende populaties;

39.  onderstreept dat in mariene gebieden een aanzienlijk verlies van biodiversiteit plaatsvindt en is van mening dat het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) de biodiversiteit en duurzame consumptie- en productiepatronen moet bevorderen; dringt aan op een evaluatie van de impact van het GVB op de biodiversiteit;

Financiering

40.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer over het Natura 2000-netwerk en kan zich vinden in de beoordeling dat de EU-fondsen onvoldoende benut zijn om het beheer van het netwerk te ondersteunen;

41.  benadrukt dat de financiering van de Natura 2000-gebieden hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de lidstaten is, en benadrukt dat een gebrek aan financiering waarschijnlijk doorslaggevend is geweest voor de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de natuurrichtlijnen, zoals bij de geschiktheidscontrole werd opgemerkt;

42.  benadrukt dat het onwaarschijnlijk is dat er nieuwe financiële mechanismen voor de instandhouding van de biodiversiteit kunnen worden opgezet om de doelstellingen tegen 2020 te halen, gezien het tijdskader van het huidige meerjarig financieel kader (MFK); roept op om de bestaande middelen, met inbegrip van het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE), het GLB en de structuurfondsen, maximaal te benutten;

43.  verwelkomt het geplande voorstel van de Commissie om de voor natuur en biodiversiteit geoormerkte bedragen in het LIFE-programma met 10 % te verhogen;

44.  merkt op dat meer voorbereiding nodig is met het oog op het volgende MFK, zowel qua herziening als qua voorspelling, teneinde voldoende financiering voor natuurbehoud, biodiversiteit en duurzame landbouw in Natura 2000-gebieden te verzekeren; is van oordeel dat een brede evaluatie van de in het verleden gedane uitgaven, met nadruk op de lessen die geleerd zijn met betrekking tot de resultaten van eerdere maatregelen, in dit opzicht cruciaal is;

45.  vraagt om in het volgende MFK nieuwe financiële mechanismen voor de instandhouding van de biodiversiteit op te nemen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat toekomstige financiële instrumenten voor landbouw, regionale en plattelandsontwikkeling specifieke enveloppes bevatten voor biodiversiteit en voor het gezamenlijk beheer van het Natura 2000-netwerk door nationale en regionale milieu-autoriteiten;

46.  vraagt de Commissie om de financieringsstelsels doeltreffender toe te spitsen op de Natura 2000-doelstellingen, en horizontale Natura 2000-prestatie-indicatoren vast te stellen voor alle relevante EU-fondsen; roept de Commissie op om ook een traceringsmechanisme voor Natura 2000-uitgaven in te voeren, teneinde de transparantie, verantwoordingsplicht en doeltreffendheid te verbeteren, en dit in het volgende MFK op te nemen;

47.  herhaalt dat het Natura 2000-programma in de regel gecofinancierd wordt; verzoekt de lidstaten hun Natura 2000-financiering aanzienlijk te verhogen, zodat aantrekkelijker cofinancieringspercentages kunnen worden vastgesteld en het fonds bijgevolg meer wordt benut, en maatregelen te treffen om de administratieve last voor de aanvragers en projectbegunstigden te verminderen;

48.  wijst op het potentieel van publiek-private financiering voor de ontwikkeling van ecosysteemdiensten, groene infrastructuur en andere domeinen in verband met natuurlijk kapitaal, en stelt op prijs dat biodiversiteitsprojecten nog steeds worden ondersteund in het kader van de faciliteit voor de financiering van natuurlijk kapitaal (NCFF) tijdens de uitvoeringsperiode 2017-2019;

49.  roept de Commissie op tot het bevorderen van en tot het nemen van maatregelen voor de financiering en de ontwikkeling van plannen voor grensoverschrijdend beheer van grote soorten carnivoren, en dringt ook aan op een gedetailleerd onderzoek naar de rol van grote carnivoren en de eventuele invoering van aanpassingsmaatregelen, om de biodiversiteit, het cultuurlandschap en de al eeuwenlang beoefende praktijk van de beweiding van graasdieren in berggebieden in stand te houden;

Groene infrastructuur

50.  is ingenomen met de belofte in het actieplan om richtsnoeren te verschaffen om de ontwikkeling van groene infrastructuur te ondersteunen voor een betere onderlinge verbinding van Natura 2000-gebieden, maar roept nogmaals op tot een echt voorstel voor de ontwikkeling van een trans-Europees netwerk voor groene infrastructuur (TEN-G);

51.  merkt op dat het belangrijk is dat de bevoegde autoriteiten in de lidstaten, met betrokkenheid van alle relevante belanghebbenden, meer gebruik maken van geïntegreerde processen voor ruimtelijke ordening, een horizontaal begrip van TEN-G met sectorspecifieke kennis verbeteren, en de financiering van een grotere connectiviteit en groene infrastructuur in het algemeen mogelijk maken aan de hand van fondsen voor regionale en plattelandsontwikkeling; merkt op dat deze criteria in het MFK voor de periode na 2020 richtinggevend zouden moeten zijn voor de planning van infrastructuurwerken; wijst erop dat het concept van groene infrastructuur ook bijdraagt tot het ontstaan van een duurzame economie doordat ecosysteemdiensten in stand worden gehouden en de negatieve gevolgen van vervoer- en energie-infrastructuur worden afgezwakt;

52.  wijst erop dat er ook onderzoek moet worden gedaan naar de rol van groene infrastructuur in het afzwakken van de gevolgen van natuurrampen als gevolg van weers- en klimaatveranderingen, aangezien die infrastructuur bijdraagt tot het afzwakken van de funeste gevolgen van extreme meteorologische en klimaatverschijnselen, die in Europa en elders in de wereld sommige van de ernstigste natuurrampen veroorzaken, die de meeste schade berokkenen en de meeste mensenlevens eisen;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0034.
(2) http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2017/06/19/conclusions-eu-action-plan-nature/pdf
(3) http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Biodiversity_statistics
(4) http://ec.europa.eu/environment/nature/pdf/state_of_nature_en.pdf


Rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken
PDF 187kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken (2017/2931(RSP))
P8_TA(2017)0442B8-0595/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de EU-Verdragen, en in het bijzonder de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de grondwet van de Republiek Polen,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014: "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 over de situatie in Polen(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over de recente ontwikkelingen in Polen en hun impact op de grondrechten als vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(2),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie inzake de rechtsstaat van 21 december 2016(3) ter aanvulling op haar aanbeveling van 27 juli 2016, waarin rekening wordt gehouden met de jongste ontwikkelingen in Polen in het licht van de benoeming van een nieuwe voorzitter van het Constitutioneel Hof,

–  gezien de derde aanbeveling van de Commissie inzake de rechtsstaat van 26 juli 2017(4), waarin zij uiting geeft aan haar ernstige bezorgdheid over de geplande hervorming van de rechterlijke macht in Polen, die naar het oordeel van de Commissie de systematische bedreiging van de rechtsstaat in Polen die al geconstateerd was in de rechtsstaatprocedure die de Commissie in januari 2016 had ingeleid, nog verder vergroot,

–  gezien het antwoord van de Poolse regering van 20 februari 2017, waarin zij tegenspreekt dat er sprake is van een systematische bedreiging van de rechtsstaat in Polen, en het antwoord van de Poolse regering van 29 augustus 2017, waarin zij de bezwaren van de Commissie tegen hervormingen van de rechterlijke macht van de hand wijst en verklaart dat de Commissie niet bevoegd is om het rechtsstelsel te beoordelen,

–  gezien de inbreukprocedures die de Commissie heeft ingeleid tegen Polen, waaronder de procedure van 29 juli 2017 en het met redenen omkleed advies van 12 september 2017 inzake de wet op de organisatie van de gewone rechtbanken, waarin verklaard werd dat het Poolse recht onverenigbaar is met het EU-recht, met name met artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep en artikel 19, lid 1, van het VEU in samenhang met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten,

–  gezien de gedachtewisselingen die op 22 maart, 31 augustus en 6 november 2017 in zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken hebben plaatsgevonden met de eerste vicevoorzitter van de Commissie, Frans Timmermans,

–  gezien de gedachtewisselingen over de rechtsstaat in Polen die op de vergaderingen van de Raad algemene zaken van 16 mei 2017 en 25 september 2017 hebben plaatsgevonden,

–  gezien het advies van 14 oktober 2016 van de Commissie van Venetië over de wet op het Constitutioneel Hof en de verklaring van 24 januari 2017 van de voorzitter van de Commissie van Venetië, waarin hij uiting geeft aan zien ernstige bezorgdheid over de "verslechterende situatie" in Polen,

–  gezien het feit dat op 18 mei 2017 de uitspraken in de volgende zaken verwijderd werden van de website van het Constitutioneel Hof en uit diens databank op internet: K 47/15 van 9 maart 2016 (waarin verklaard wordt dat de wijzigingen die het Poolse parlement heeft aangebracht in de wet op het Constitutioneel Hof ongrondwettig zijn), K 39/16 van 11 augustus 2016 (waarin de wettigheid van de voornaamste bepalingen van de tweede wet houdende wijziging van de werking van het Constitutioneel Hof wordt aangevochten) en K 44/16 van 7 november 2016 (betreffende de wettigheid van de benoeming van de voorzitter en de vicevoorzitter van het Constitutioneel Hof),

–  gezien het feit dat het Poolse parlement in juni en juli 2017 vier wetten tot hervorming van de rechterlijke macht heeft goedgekeurd, te weten de wet tot wijziging van de wet inzake de Nationale School voor de magistratuur en het Openbaar Ministerie, de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken en diverse andere wetten ("wet inzake de Nationale School voor de magistratuur"), de wet tot wijziging van de wet inzake de Nationale Raad voor Justitie en bepaalde andere wetten ("wet inzake de Nationale Raad voor Justitie"), de wet tot wijziging van de organisatie van de gewone rechtbanken ("wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken"), en de wet inzake het Hooggerechtshof, wat tot ernstige bezorgdheid leidde met betrekking tot schending van de scheiding der machten en het einde van de onafhankelijkheid van de rechtspraak,

–  gezien het schrijven d.d. 18 juli 2017 van de Voorzitter van het Europees Parlement waarin hij uiting geeft aan de bezorgdheid van de grote meerderheid van de fractieleiders in het Parlement over de aangenomen wetten tot hervorming van de rechterlijke macht,

–  gezien het besluit van de Poolse president van 27 juli 2017 om zijn veto uit te spreken over twee controversiële wetten die het Poolse parlement eerder die maand had aangenomen en die een ernstige bedreiging vormden voor de onafhankelijke rechtspraak in Polen,

–  gezien de twee voorstellen van de Poolse president inzake de Nationale Raad voor Justitie en het Hooggerechtshof, waarvan gevreesd wordt dat zij niet stroken met de Poolse grondwet en waarin de problemen in verband met de scheiding der machten of de onafhankelijkheid van de rechtspraak niet aan de order worden gesteld,

–  gezien de uitspraak van het Poolse Constitutioneel Hof van 24 oktober 2017 dat de regels voor de verkiezing van de voorzitters van het Hooggerechtshof en de Algemene vergadering van de rechters van het Hooggerechtshof ongrondwettelijk zijn,

–  gezien de voorlopige beschikking van het Hof van Justitie van de EU van 27 juli 2017 in de zaak C-441/17 waarin stopzetting van de grootschalige houtkap in het oerbos van Bialowieza wordt gelast maar waaraan de Poolse regering geen gevolg heeft gegeven, en de vrees dat voortzetting van de kap het bos ernstig en onherstelbaar zal beschadigen terwijl het Hof aan de zaak werkt,

–  gezien de voorlopige arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 juni 2017 waarin beëindiging van onmiddellijke uitzettingen naar Wit-Rusland wordt gelast; gezien de voorstellen die in januari 2017 door de Poolse minister van binnenlandse zaken zijn gedaan tot wijziging van de vreemdelingenwet, die vragen oproepen omtrent de verenigbaarheid met het Europees en het internationaal recht,

–  gezien de wet betreffende publieke bijeenkomsten als gewijzigd in december 2016, die het mogelijk maakt het recht van vergadering op buitensporige wijze te beperken en prioriteit te geven aan zogenaamde "regelmatige/cyclische bijeenkomsten" die gewijd zijn aan patriottische, religieuze en historische evenementen, en die de autoriteiten de mogelijkheid geeft om tegendemonstraties te verbieden,

–  gezien de wet op het Nationaal Instituut voor Vrijheid – Centrum voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld van 15 september 2017, waarmee de toegang tot overheidsfinanciering voor maatschappelijke organisaties, ook uit EU-fondsen, onder de controle van de regering wordt gebracht, wat doet vrezen voor een adequate financiering van ngo's, en onder andere van vrouwenrechtenorganisaties,

–  gezien de verslagen van internationale ngo's over de rechtsstaat en de grondrechten in Polen, zoals het verslag van Amnesty International van 19 oktober 2017 getiteld "Poland: On the streets to defend human rights" en het verslag van Human Rights Watch van 24 oktober 2017 getiteld "Eroding Checks and Balances – Rule of Law and Human Rights Under Attack in Poland",

–  gezien de adviezen van de OVSE/ODIHR van 5 mei 2017 over ontwerpwijzigingen in de wet op de Nationale Raad voor Justitie en diverse andere Poolse wetten, van 22 augustus 2017 over het Poolse wetsontwerp inzake het Nationaal Instituut voor vrijheid – Centrum voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld, en van 30 augustus 2017 over bepaalde bepalingen uit de ontwerpwet betreffende het Hooggerechtshof van Polen, waarin erop wordt gewezen dat de voorgestelde bepalingen inherent onverenigbaar zijn met internationale normen en OVSE-verbintenissen,

–  gezien de slotopmerkingen over het zevende periodiek verslag over Polen, op 31 oktober 2016 aangenomen door de VN-Commissie voor de rechten van de mens, waarin Polen wordt opgeroepen stappen te ondernemen om de onafhankelijkheid van het Constitutioneel Hof en de rechterlijke macht te beschermen en om het misdrijf "terrorisme" nauwkeuriger te definiëren teneinde het te vrijwaren van misbruik,

–  gezien de interventie van Canada van 9 mei 2017 in de VN-Raad voor de rechten van de mens in de context van de universele periodieke doorlichting van Polen en het schrijven dat de hoge VN-commissaris voor de rechten van de mens op 23 oktober 2017 aan Polen heeft gericht,

–  gezien de preliminaire bevindingen van 27 oktober 2017 van het officiële bezoek aan Polen van de speciaal rapporteur van de VN over de onafhankelijkheid van rechters en advocaten, waarin bezorgdheid wordt geuit over de situatie op het gebied van de onafhankelijke rechtspraak in Polen,

–  gezien Resolutie 2188 (2017) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 11 oktober 2017 getiteld "New threats to the rule of law in Council of Europe member States: selected examples",

–  gezien de herhaalde massale protesten tegen het regeringsbeleid en de wetgeving, waaronder het "Zwarte protest" van oktober 2016, waarmee een wijziging van de huidige abortuswetgeving werd voorkomen, de "Vrijheidsmars" van 6 mei 2017, en de protesten in juli 2017 naar aanleiding van de goedkeuring van de wetten tot hervorming van de rechterlijke macht,

–  gezien de wet van juni 2017 die de toegang tot de morning-afterpil voor vrouwen en meisjes beperkt; gezien het WHO factsheet van juni 2017 waarin de morning-afterpil als veilig wordt beschouwd en de beschikbaarheid ervan wordt aanbevolen als onmisbaar onderdeel van de reproductieve gezondheidszorg; gezien het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 januari 2015 tot wijziging van de bij Beschikking C(2009)4049 verleende vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel voor menselijk gebruik "ellaOne - ulipristalacetaat";

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU berust op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat deze waarden door alle lidstaten gedragen worden in een samenleving waarin pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, gerechtigheid, solidariteit en gelijkheid van mannen en vrouwen prevaleren; overwegende dat de naleving van deze waarden door het Poolse volk werd goedgekeurd bij het in 2003 gehouden referendum;

B.  overwegende dat in artikel 9 van de Poolse grondwet wordt bepaald dat de Republiek Polen het internationaal recht waaraan zij gehouden is, dient te eerbiedigen;

C.  overwegende dat de EU functioneert op grond van de veronderstelling van wederzijds vertrouwen, d.w.z. dat de lidstaten handelen in overeenstemming met de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het EVRM en het Handvest van de grondrechten;

D.  overwegende dat de rechtsstaat een van de gemeenschappelijke waarden is waarop de EU is gegrondvest en dat de Commissie, samen met het Parlement en de Raad, krachtens de Verdragen verantwoordelijk is om ervoor te zorgen dat de rechtsstaat wordt geëerbiedigd als fundamentele waarde van de Unie en dat de EU-wetgeving, -waarden en -beginselen worden geëerbiedigd;

E.  overwegende dat deze beginselen het volgende inhouden: wettigheid, wat een transparant, controleerbaar, democratisch en pluriform wetgevingsproces impliceert, rechtszekerheid, een verbod op willekeur van de uitvoerende macht, onafhankelijke en onpartijdige rechters, effectieve rechterlijke toetsing, met inbegrip van de volledige eerbiediging van de grondrechten, en gelijkheid voor de wet;

F.  overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is verankerd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 6 van het EVRM, en een essentiële vereiste is van het democratische beginsel van de scheiding der machten, dat ook in artikel 10 van de Poolse grondwet tot uiting komt;

G.  overwegende dat de vrijheid van vereniging beschermd moet worden; overwegende dat een levendig maatschappelijk middenveld en pluralistische media een vitale rol spelen bij de bevordering van een open en pluralistische samenleving, inspraak in het democratische proces en versterking van de verantwoordingsplicht van regeringen; overwegende dat ngo's naar behoren moeten worden gefinancierd;

H.  overwegende dat de weigering van de Poolse regering om gevolg te geven aan de beschikking van het Hof van Justitie van de EU inzake de houtkap in het oerbos van Bialowieza en aan de voorlopige arresten van het EHRM inzake uitzettingen naar Belarus een duidelijk teken is dat Polen zich niet aan de EU-Verdragen houdt;

I.  overwegende dat tientallen demonstranten zijn gedagvaard op grond van de wet op lichte vergrijpen en in sommige gevallen strafrechtelijk zijn vervolgd; overwegende dat volgens berichten meer dan 300 mensen door de politie zijn opgeroepen in verband met hun deelname aan protesten in oktober 2017;

J.  overwegende dat, volgens het Handvest van de grondrechten, het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM, de seksuele en reproductieve gezondheid van vrouwen verband houdt met meerdere mensenrechten, inclusief het recht op leven en waardigheid, de vrijheid om niet te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling, het recht op toegang tot gezondheidszorg, en het verbod op discriminatie, zoals dat verwoord is in de Poolse grondwet;

K.  overwegende dat het weigeren van toegang tot dienstverlening op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, met inbegrip van veilige en legale abortus, een schending is van de grondrechten van vrouwen; overwegende dat de VN-Mensenrechtencommissie Polen heeft opgeroepen om af te zien van elke wetswijziging die zou neerkomen op een verslechtering van de reeds restrictieve wetgeving inzake de toegang van vrouwen tot veilige en legale abortus; overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich in verschillende zaken tegen Polen heeft uitgesproken wegens de restrictieve interpretatie van dit recht;

1.  benadrukt dat het van fundamenteel belang is dat de gemeenschappelijke waarden die zijn opgenomen in artikel 2 van het VEU en in de Poolse grondwet worden geëerbiedigd en dat de grondrechten als vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden gewaarborgd;

2.  herhaalt het standpunt dat het in zijn resoluties van 13 april 2016 en 14 september 2016 heeft verwoord; uit met name opnieuw zijn bezorgdheid over de snelle wetgevingsontwikkelingen die zich op veel gebieden voltrekken zonder behoorlijk overleg of de mogelijkheid van een onafhankelijke en gewettigde toetsing aan de grondwet, waardoor het gevaar bestaat van systematische ondergraving van de grondrechten, de democratische controlemechanismen en de rechtsstaat; geeft in het bijzonder nogmaals uiting aan zijn bezorgdheid over de veranderingen op het gebied van de openbare media, het strafrecht, de politiewet, de ambtenarenwet, de wet terrorismebestrijding, de ngo-wet, de asielwet, de vrijheid van vergadering en de rechten van vrouwen;

3.  betreurt het ten zeerste en met toenemende bezorgdheid dat er geen compromis is gevonden voor het fundamentele probleem van de goede werking van het Constitutioneel Hof (de onafhankelijkheid en legitimiteit ervan en de publicatie en tenuitvoerlegging van al zijn uitspraken), waardoor de Poolse grondwet en democratie en de rechtsstaat in Polen ernstig aangetast worden; betreurt het ten zeerste dat de Poolse regering weigert rekening te houden met opbouwende kritiek van de Poolse burgers en van nationale, internationale en EU-instellingen en dat er geen maatregelen zijn aangekondigd om hun bezorgdheid weg te nemen;

4.  maakt zich ernstig zorgen over de herziene wetgeving inzake de Poolse rechterlijke macht, met name omdat die kan leiden tot structurele ondergraving van de onafhankelijkheid van de rechtspraak en tot verzwakking van de rechtsstaat in Polen;

5.  wijst erop dat president Duda op 27 juli 2017 zijn veto heeft uitgesproken over twee controversiële, door het Poolse parlement goedgekeurde wetten wegens onverenigbaarheid met de Poolse grondwet, betogend dat ze een serieuze bedreiging vormden voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen; roept op tot een uitvoerig debat op nationaal niveau met alle belanghebbenden over de hervorming van de rechterlijke macht, dat ertoe moet leiden dat de rechtsstaat geëerbiedigd wordt en dat het Europees recht en de Europese normen inzake onafhankelijke rechtspraak worden nageleefd; roept de Poolse president op om geen nieuwe wetten te ondertekenen als die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet volledig waarborgen;

6.  schaart zich achter de aanbevelingen van de Commissie inzake de rechtsstaat en steunt de inbreukprocedures die de Commissie tegen Polen heeft ingeleid wegens inbreuken op het EU-recht; onderkent de vastberadenheid waarmee de Commissie, als hoedster van de Verdragen, toeziet op de situatie in Polen en het gevolg dat de Poolse autoriteiten aan haar aanbevelingen geven, terwijl zij Polen volledige steun blijft aanbieden bij het zoeken naar passende oplossingen om de rechtsstaat te versterken;

7.  verzoekt het Poolse parlement en de Poolse regering met klem alle aanbevelingen van de Commissie en de Commissie van Venetië onverkort op te volgen en zich te onthouden van hervormingen die de eerbiediging van de rechtsstaat, en in het bijzonder de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in gevaar kunnen brengen; verzoekt in dit verband de vaststelling van wetten uit te stellen totdat ze naar behoren geëvalueerd zijn door de Commissie en de Commissie van Venetië;

8.  verzoekt de Poolse regering zich te houden aan de voorlopige beschikking van het Hof van Justitie van de EU van 27 juli 2017 in Zaak C-441/17 en de grootscheepse houtkap in het oerbos van Bialowieza, die tot ernstige en onomkeerbare schade aan dit Unesco-werelderfgoed dreigt te leiden, onmiddellijk op te schorten; verzoekt de Poolse regering een eind te maken aan de onmiddellijke uitzettingen naar Belarus en zo gevolg te geven aan de bindende voorlopige arresten van het EHRM van 8 juni 2017, en ervoor te zorgen dat eenieder die voornemens is asiel aan te vragen of om internationale bescherming te verzoeken aan de Poolse grenzen volledige toegang geniet tot de Poolse asielprocedure, in overeenstemming met internationale verplichtingen en het EU-recht;

9.  verzoekt de Poolse regering het recht van vrijheid van vergadering te eerbiedigen door de bepalingen op grond waarvan door de regering goedgekeurde "cyclische" vergaderingen geprioriteerd worden, uit de huidige wet te schrappen; verzoekt de autoriteiten met klem geen strafrechtelijke sancties op te leggen aan personen die deelnemen aan vreedzame bijeenkomsten of tegendemonstraties en aanklachten tegen vreedzame betogers te laten vallen;

10.  verzoekt de Poolse regering de wet tot oprichting van een Nationaal Instituut voor Vrijheid – Centrum voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld in te trekken, omdat die een belemmering vormt voor het verlenen van subsidie aan kritische maatschappelijke organisaties, en ervoor te zorgen dat overheidsgeld op eerlijke, onpartijdige en transparante wijze verdeeld wordt over maatschappelijke organisaties, zodat pluralistische vertegenwoordiging gewaarborgd wordt;

11.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over berichten in de media over politietoezicht op leiders van de oppositie en maatschappelijke organisaties en verzoekt de Poolse autoriteiten met klem deze berichten na te trekken en de privacy van alle burgers volledig te eerbiedigen;

12.  dringt er bij de Poolse regering op aan om een krachtig standpunt in te nemen ten aanzien van de rechten van vrouwen en meisjes door gratis en toegankelijke anticonceptie zonder discriminatie te bieden, en om de morning-afterpil zonder medisch recept beschikbaar te stellen; roept in dit verband op tot intrekking van de wet die de toegang tot de morning-afterpil voor vrouwen en meisjes beperkt;

13.  is sterk gekant tegen elk wetgevingsvoorstel dat abortus verbiedt in geval van ernstige of dodelijke aantasting van de foetus; benadrukt dat universele toegang tot gezondheidzorg, waaronder tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en tot de daarmee verband houdende rechten, een fundamenteel mensenrecht is; bevestigt nogmaals nadrukkelijk zijn steun aan vrouwenrechtenorganisaties, aangezien zij onlangs het doelwit zijn geweest van gerechtelijke vervolging;

14.  verzoekt de Poolse regering zich te houden aan alle bepalingen inzake de rechtsstaat en de grondrechten die vervat zijn in de Verdragen, het Handvest van de grondrechten, het EVRM en de internationale mensenrechtennormen, en rechtstreeks in overleg te treden met de Commissie;

15.  verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig en nauwgezet op transparante wijze te informeren over geboekte vorderingen en ondernomen actie;

16.  is van mening dat er momenteel in Polen een duidelijk risico bestaat van ernstige inbreuk op de waarden als bedoeld in artikel 2 VEU; verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een specifiek verslag op te stellen overeenkomstig artikel 83, lid 1, onder a), van zijn Reglement, met het oog op een stemming in de plenaire vergadering over een met redenen omkleed voorstel waarin de Raad wordt verzocht om overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie op te treden;

17.  herhaalt dat een regelmatig monitoringproces en een regelmatige dialoog waarbij alle lidstaten worden betrokken noodzakelijk zijn om de fundamentele waarden van de EU, zijnde democratie, de grondrechten en de rechtsstaat, te vrijwaren, en stelt dat de Raad, de Commissie en het Parlement hierbij moeten worden betrokken, zoals verwoord in zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(5) (DRG-pact);

18.  verzoekt de Poolse regering passende maatregelen te nemen en de xenofobe en fascistische betoging die op zaterdag 11 november 2017 in Warschau plaatsvond scherp te veroordelen;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, aan de president, de regering en het parlement van Polen, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa en de OVSE.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0123.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0344.
(3) Aanbeveling (EU) 2017/146 van de Commissie van 21 december 2016 over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van Aanbeveling (EU) 2016/1374 (PB L 22 van 27.1.2017, blz. 65).
(4) Aanbeveling (EU) 2017/1520 van de Commissie van 26 juli 2017 over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van de Aanbevelingen (EU) 2016/1374 en (EU) 2017/146 (PB L 228 van 2.9.2017, blz. 19).
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.

Juridische mededeling