Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 16 november 2017 - StraatsburgDefinitieve uitgave
De vrijheid van meningsuiting in Sudan, met name het geval van Mohamed Zine al-Abidine
 Terroristische aanslagen in Somalië
 Madagaskar
 Partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de EU en Nieuw-Zeeland (goedkeuring) ***
 Partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de EU en Nieuw-Zeeland (resolutie)
 De strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling
 Werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2016
 Evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR)
 De bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren

De vrijheid van meningsuiting in Sudan, met name het geval van Mohamed Zine al-Abidine
PDF 171kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over de vrijheid van meningsuiting in Sudan, met name het geval van Mohamed Zine al-Abidine (2017/2961(RSP))
P8_TA(2017)0443RC-B8-0634/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in Sudan, met name die van 13 juni 2012(1), 10 oktober 2013(2), 18 december 2014(3) en 6 oktober 2016(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over de prioriteiten van de EU voor de UNHRC-zittingen in 2017(5),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volkeren,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Sudanese pers- en publicatiewet van 2009,

–  gezien de Sudanese wet inzake vrijheid van informatie van 2015,

–  gezien de in Kampala overeengekomen verklaring van de pan-Afrikaanse conferentie over de vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie van 26 maart 2017,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de EU, Noorwegen, de VS en Canada over politieke aanhoudingen en censuur op kranten in Sudan van 7 december 2016,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de vrijheid van meningsuiting online en offline,

–  gezien de verklaring van de onafhankelijke deskundige van de Verenigde Naties voor de mensenrechtensituatie in Sudan, Aristide Nononsi, naar aanleiding van zijn missie naar Sudan van 11 t/m 21 mei 2017,

–  gezien het bezoek van commissaris Stylianides aan Sudan op 22 en 23 oktober 2017,

–  gezien de verklaring van 2 november 2017 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) namens de EU ter gelegenheid van de internationale dag tegen de straffeloosheid van geweld tegen journalisten,

–  gezien de wereldindex voor persvrijheid van Verslaggevers zonder Grenzen van 2017,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een op 23 februari 2012 in de krant Al-Tayar gepubliceerd artikel van de hand van Mohamed Zine al-Abidine kritisch was over de vermeende corruptie binnen de familie van de Sudanese president Omar al-Bashir;

B.  overwegende dat de Sudanese nationale inlichtingen- en veiligheidsdienst (NISS) aangifte heeft gedaan tegen Mohamed Zine al-Abidine en zijn hoofdredacteur Osman Mirgani;

C.  overwegende dat een Sudanese rechter Mohamed Zine al-Abidine op 23 oktober 2017 heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van vijf jaar op beschuldiging van het schenden van de journalistieke gedragscode;

D.  overwegende dat de hoofdredacteur van de krant Al-Tayar, Osman Mirgani, op grond van dezelfde beschuldigingen werd veroordeeld tot betaling van een boete van 10 000 Sudanese pond of een gevangenisstraf van zes maanden, en werd vrijgelaten nadat de Sudanese journalistenbond de boete had betaald;

E.  overwegende dat de advocaat die Mohamed Zine al-Abidine en Osman Mirgani vertegenwoordigt heeft meegedeeld dat hij voornemens is beroep in te stellen tegen deze vonnissen;

F.  overwegende dat de NISS naar verluidt journalisten ondervraagt en vasthoudt, meerdere rechtszaken tegen Sudanese journalisten heeft aangespannen en op willekeurige wijze complete oplages van kranten in beslag heeft genomen, onder meer van Al-Tayar, Al-Jareeda Al-Watan, Al-Youm Al-Tali, Al-Ayam en Akhir Lahza, die kritische artikelen over de regering bevatten;

G.  overwegende dat in 2016 minstens 44 gevallen van in beslag genomen publicaties werden vastgesteld, waardoor twaalf kranten werden getroffen, waaronder vijf oplages van Al-Jareeda in één week; overwegende dat de Nationale Pers- en Publicatieraad de publicatie van de kranten Elaf, Al-Mustagilla, Al-Watan en Awal Al-Nahar op 14 augustus 2016 voor onbepaalde tijd heeft opgeschort;

H.  overwegende dat vrije, onafhankelijke en onpartijdige media tot de wezenlijke fundamenten van een democratische maatschappij behoren;

I.  overwegende dat Sudan op 8 januari 2017 als vierde partij na Palestina, Tunesië en Jordanië de Verklaring betreffende de vrijheid van de media in de Arabische wereld heeft ondertekend; overwegende dat de minister van Mediazaken heeft opgemerkt dat de regering zich ertoe heeft verbonden de persvrijheid in Sudan te zullen eerbiedigen;

J.  overwegende dat Sudan op plaats 174 van 180 staat in de wereldindex voor persvrijheid van Verslaggevers zonder Grenzen en dus tot de minst vrije landen wordt gerekend, vanwege "intimidatie van de media, censuur, inbeslagname van krantenoplages, sluiting van media en internetblokkades";

K.  overwegende dat in het verslag van de onafhankelijke VN-deskundige over de mensenrechtensituatie in Sudan van juli 2017 werd opgemerkt dat de door de NISS aan de krant Al-Jareeda opgelegde censuur in strijd was met de voorlopige nationale grondwet van Sudan;

L.  overwegende dat Sudan de in 2005 herziene versie van de Overeenkomst van Cotonou heeft ondertekend, maar niet geratificeerd;

M.  overwegende dat VV/HV Federica Mogherini op 14 november 2017 een verklaring heeft afgelegd over het bezoek van de Sudanese president Omar al-Bashir aan Uganda, waarin zij alle partijen bij het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof eraan herinnerde dat zij zich moeten houden en uitvoering dienen te geven aan hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht;

N.  overwegende dat de mensen-, burger- en politieke rechten in Sudan nog steeds worden onderdrukt;

1.  geeft uiting aan zijn diepe bezorgdheid over de veroordeling van Mohamed Zine al-Abidine door de persrechtbank in Khartoem op 23 oktober 2017 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van vijf jaar, en roept de Sudanese autoriteiten op alle aanklachten tegen hem onmiddellijk te herzien;

2.  maakt zich ernstige zorgen over de vrijheid van meningsuiting in Sudan, de aanhoudende censuur en inbeslagname van kranten, en de toegenomen beperkingen voor journalisten in Sudan op het vrijelijk uiten van hun mening; wijst erop dat het openlijk in twijfel trekken van regeringsbeleid en politici niet mag leiden tot onderdrukking van de persvrijheid; wijst voorts met bezorgdheid op de langdurige financiële beperkingen voor kranten als gevolg van routinematige inbeslagnames en opschortingen van hun werkzaamheden;

3.  betreurt het feit dat er sprake is van talrijke meldingen van herhaaldelijke schendingen van de mediavrijheid en aanhoudende intimidatie van journalisten door de NISS, en dringt er bij de Sudanese autoriteiten op aan de bevoegdheden en methoden van de NISS in overeenstemming te brengen met de internationale normen;

4.  is van mening dat vrije, onafhankelijke en onpartijdige media tot de wezenlijke fundamenten van een democratische maatschappij behoren, waarin open debatten een cruciale rol spelen; roept de EU op haar inspanningen ter bevordering van de vrijheid van meningsuiting te intensiveren via haar externe beleidsmaatregelen en -instrumenten;

5.  dringt er bij de Sudanese autoriteiten op aan om onmiddellijk een einde te maken aan alle vormen van intimidatie en aanvallen op journalisten en verdedigers van de vrijheid van meningsuiting online en offline, en om democratische hervormingen door te voeren als middel om de bescherming en bevordering van de mensenrechten in het land te waarborgen, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, overeenkomstig hun verplichtingen uit hoofde van de voorlopige nationale grondwet van Sudan en hun internationale verbintenissen, waaronder de Overeenkomst van Cotonou;

6.  benadrukt dat de staat in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als eerste verantwoordelijk is voor de bevordering en bescherming van alle mensenrechten; roept de Sudanese autoriteiten op de op het internationaal recht gegronde mensenrechten en fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van meningsuiting, in ere te herstellen en te eerbiedigen;

7.  erkent het belang van de recente missie van commissaris Stylianides en van de overbrenging van de reeds bekende bezorgdheden van de EU aan de Sudanese autoriteiten, onder meer wat de eerbiediging van de fundamentele vrijheden betreft;

8.  roept de EU en haar lidstaten op maatschappelijke organisaties te ondersteunen door middel van technische bijstand en programma's voor capaciteitsopbouw, teneinde hun capaciteiten op het gebied van de verdediging van de mensenrechten en de rechtsstaat te verbeteren en hen in staat te stellen doeltreffender bij te dragen aan de verbetering van de mensenrechtensituatie in Sudan;

9.  neemt met bezorgdheid kennis van de voorgestelde pers- en drukwerkwet van 2017 die nog meer controversiële beperkingen op onlinepublicaties bevat, alsook bepalingen voor een langer verschijningsverbod voor kranten en langere schorsingen van journalisten; spoort de regering van Sudan aan de pers- en publicatiewet van 2009 te wijzigen teneinde journalisten en uitgevers van kranten meer bescherming te bieden;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de Commissie van de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement en de regering van Sudan.

(1) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 49.
(2) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 87.
(3) PB C 294 van 12.8.2016, blz. 28.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0379.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0089.


Terroristische aanslagen in Somalië
PDF 183kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over terreuraanslagen in Somalië (2017/2962(RSP))
P8_TA(2017)0444RC-B8-0600/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Somalië,

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over de situatie in het vluchtelingenkamp Dadaab(1),

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 15 oktober 2017 over de aanslagen in Mogadishu (Somalië), en de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV van 30 oktober 2017 over de aanslag in Somalië,

–  gezien de conclusies van de Raad van 3 april 2017 over Somalië,

–  gezien de verklaring die de EU op 27 september 2017 heeft afgelegd tijdens de 36e vergadering van de Mensenrechtenraad over de interactieve dialoog met de onafhankelijke deskundige over Somalië,

–  gezien resoluties 2372(2017) en 2383(2017) van de VN-Veiligheidsraad, die werden goedgekeurd op 30 augustus 2017, respectievelijk 7 november 2017,

–  gezien de algemene verslagen over Somalië van de secretaris-generaal van de VN aan de VN-Veiligheidsraad van 9 mei 2017 en 5 september 2017,

–  gezien de verklaring van de VN-Veiligheidsraad van 15 oktober 2017 over de terreuraanslag in Mogadishu,

–  gezien de verklaring van 15 oktober 2017 van de voorzitter van de Commissie van de Afrikaanse Unie over de aanslag in Mogadishu,

–  gezien de verklaringen van de Missie in Somalië van de Afrikaanse Unie (AMISOM), waarin de terreuraanslagen van 14 en 28 oktober 2017 worden veroordeeld,

–  gezien de slotverklaring van de Internationale Conferentie over Somalië, die op 11 mei 2017 in Londen heeft plaatsgevonden,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de EU en de Afrikaanse Unie van 1 juni 2017 over de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs,

–  gezien de verklaring van AMISOM van 8 november 2017, waarin AMISOM het voornemen aankondigt zijn troepen vanaf december 2017 geleidelijk uit Somalië terug te gaan trekken en deze terugtrekking tegen 2020 te willen afronden,

–  gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst van Cotonou,

–  gezien het mandaat van de Afrikaanse Commissie inzake de rechten van de mens en de volkeren om de rechten van de mens en de volkeren te bevorderen en te beschermen in het kader van het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het bijbehorende Facultatief Protocol inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten,

–  gezien het Verdrag van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid inzake preventie en bestrijding van terrorisme, dat is aangenomen in 1999,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 14 oktober 2017 bij een zeer grote aanslag met een bomvrachtauto in het centrum van Mogadishu ten minste 358 mensen om het leven zijn gekomen en 228 gewonden zijn gevallen, en dat 56 mensen nog altijd vermist zijn; overwegende dat de aanslag in het centrum van Mogadishu één van de dodelijkste terreurdaden van de afgelopen jaren in de hele wereld was; overwegende dat op 28 oktober 2017 30 mensen om het leven zijn gekomen bij een explosie van twee bommen vlakbij een hotel in de buurt van het presidentieel paleis in Mogadishu;

B.  overwegende dat, hoewel geen enkele groepering de verantwoordelijkheid voor deze laffe aanslagen heeft opgeëist, alles erop duidt dat zij het werk zijn van Al-Shabaab, een groepering die nu klaarblijkelijk zijn steun onder de bevolking niet op het spel wil zetten door haar naam met een zo groot aantal burgerslachtoffers in verbinding te brengen; overwegende dat de burgerbevolking van Somalië het geweld van Al-Shabaab herhaaldelijk heeft veroordeeld en met een vertoon van eenheid op de bomaanslagen van oktober 2017 heeft gereageerd, in de vorm van een mars tegen Al-Shabaab door Mogadishu waaraan door duizenden burgers werd deelgenomen;

C.  overwegende dat de afgelopen maanden in Mogadishu en de rest van het land een aantal dodelijke terreuraanslagen hebben plaatsgevonden, waaronder aanslagen met bomauto's, willekeurige schietpartijen, gerichte executies en ontvoeringen, die een illustratie vormen van de permanente dreiging uit gewelddadige extremistische hoek in het land;

D.  overwegende dat de meeste aanslagen aan de terreur van Al-Shabaab worden toegeschreven, hoewel bekend is dat ook Daesh in het land actief is;

E.  overwegende dat de president van Somalië, Mohamed Abdullahi Mohamed, na in februari 2017 aan de macht te zijn gekomen middels verkiezingen die als een belangrijke mijlpaal worden beschouwd op het pad van een geleidelijke terugkeer naar stabiliteit en welvaart van dit zwaar beproefde Oost-Afrikaanse land, beloofd heeft het land van Al-Shabaab te zullen verlossen;

F.  overwegende dat het, gezien de reeks aanslagen in 2017, en niet in de laatste plaats de vreselijke bomaanslag op 14 oktober 2017, zeer de vraag is of de Somalische veiligheidstroepen na het aangekondigde vertrek van AMISON in 2018 afdoende in staat zullen zijn terrorisme te bestrijden zonder hulp van buitenaf;

G.  overwegende dat de AMISOM-troepen herhaaldelijk zijn beschuldigd van ernstige schendingen van de mensenrechten, inclusief willekeurige moorden en enkele gevallen van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik; overwegende dat de hernieuwde inzet van buitenlandse troepen op Somalisch grondgebied buiten VN- en/of AU-mandaten om aanleiding vormt tot grote bezorgdheid, gezien de eerdere beschuldigingen van mensenrechtenschendingen door AMISON-troepen;

H.  overwegende dat, naast gewelddadig extremisme, ook droogte, conflicten tussen clans en gedwongen verdrijvingen alleen al het afgelopen jaar tot honderdduizenden ontheemden hebben geleid, waarbij velen een goed heenkomen hebben gezocht in door de regering gecontroleerde stedelijke gebieden; overwegende dat veel mensen in onveilige omstandigheden leven, en dat met name vrouwen en meisjes aan misbruik en seksueel geweld blootgesteld zijn;

I.  overwegende dat de kans op hongersnood in Somalië erg groot is, dat ongeveer 400 000 Somalische kinderen aan acute ondervoeding lijden en dat de voedselbevoorradingszekerheid van 3 miljoen mensen niet of nauwelijks gegarandeerd is; overwegende dat er in Somalië 1,1 miljoen intern verdreven personen zijn, en nog eens 900 000 Somalische vluchtelingen in de regio;

J.  overwegende dat er 420 000 Somalische vluchtelingen in kampen in Kenia zitten, waaronder 350 000 in het Dadaab-kamp, en overwegende dat de regeringen van Somalië en Kenia met de UNHCR overeengekomen zijn te werken aan de vrijwillige terugkeer van 10 000 vluchtelingen naar gebieden in Somalië die niet onder controle zijn van Al-Shabaab; overwegende dat mensen die terugkeren integratieproblemen hebben en nauwelijks werk kunnen vinden; overwegende dat veel vluchtelingen in het Dadaab-kamp oorspronkelijk uit Somalië komen, maar geen enkele ervaring hebben met leven buiten het kamp en in feite staatloos zijn, hetgeen betekent dat zij niet naar Somalië kunnen worden gestuurd;

K.  overwegende dat de EU haar jaarlijkse humanitaire hulp voor Somalië sinds 2016 steeds verder heeft vergroot, in het bijzonder in reactie op de ernstige droogte in het land, met een toewijzing van 120 miljoen EUR aan humanitaire partnerorganisaties in 2017 en de toekenning van noodhulp ten belope van 100 000 EUR voor inspanningen gericht op het snel reageren op medische behoeften in Mogadishu na de aanslag op 14 oktober 2017; overwegende dat de EU in eerste instantie ook twee schepen van de EU-marine-operatie ATALANTA heeft gemobiliseerd, naast vluchten met noodhulp, voor de levering van medische noodhulp aan ziekenhuizen in Mogadishu;

L.  overwegende dat de EU via het Europees Ontwikkelingsfonds (2014-2020) 486 miljoen EUR ter beschikking heeft gesteld, in het bijzonder voor de tenuitvoerlegging van de "Compact" en, met name, de opbouw van staatsstructuren, de totstandbrenging van vrede, voedselbevoorradingszekerheid, weerbaarheid en onderwijs; overwegende dat de EU heeft toegezegd AMISOM te ondersteunen via de Vredesfaciliteit voor Afrika;

M.  overwegende dat de Wereldbank in december 2016 heeft beloofd de strijd tegen extreme armoede te intensiveren, en aan heeft gegeven dat de ontwikkelde landen een recordbedrag van 75 miljard USD hebben toegezegd voor schenkingen en zachte leningen aan de International Development Association (IDA); overwegende dat Somalië evenwel niet voor IDA-steun in aanmerking komt omdat het land de Wereldbank en het IMF meer dan 300 miljoen USD schuldig is, als onderdeel van een schuldenberg van in totaal 5 miljard USD die nog aan multilaterale en bilaterale crediteuren moet worden terugbetaald;

N.  overwegende dat het klopt dat Al-Shabaab doorgaat met het doden, willekeurig vasthouden én aanwerven van kinderen, maar dat ook het Somalische leger kinderen rekruteert, hoewel het land in januari 2015 het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind heeft geratificeerd en in november 2015 de Verklaring inzake veilige scholen heeft bekrachtigd, waarmee het zich ertoe heeft verbonden concrete maatregelen te nemen voor de bescherming van studenten en onderwijsinstellingen;

O.  overwegende dat omdat de civiel-rechterlijke macht niet functioneert de Somalische regering haar toevlucht neemt tot militaire rechtbanken om burgers te berechten en te veroordelen, waardoor de rechten van beklaagden niet gewaarborgd zijn; overwegende dat het National Intelligence and Security Agency (NISA) ruime onderzoeksbevoegdheden heeft, maar geen handhavingsmandaat, hetgeen ertoe leidt dat de procesrechten van gedetineerden van het NISA veelvuldig worden geschonden;

P.  overwegende dat Somalië volgens Transparency International voor het tiende opeenvolgende jaar het meest corrupte land ter wereld is; overwegende dat de Somalische regering nog altijd met veel uitdagingen te kampen heeft, zoals corruptie en een gebrek aan brede steun vanuit de burgerbevolking, hetgeen onvermijdelijk tot weinig vertrouwen in de overheid heeft geleid en, in het verlengde daarvan, tot toenemende steun voor radicale islamistische en terroristische groepen;

1.  betuigt zijn innige deelneming aan de slachtoffers van de recente terreuraanslagen in Somalië en hun gezinnen, en betreurt ten zeerste dat er dodelijke slachtoffers zijn gevallen; veroordeelt tegelijkertijd in krachtige bewoordingen de daders van deze aanslagen, die worden toegeschreven aan Al-Shabaab;

2.  wijst erop dat duurzame stabiliteit en vrede alleen kunnen worden verwezenlijkt door sociale inclusie, duurzame ontwikkeling en goed bestuur, op basis van de democratische beginselen en de rechtsstaat, waarbij de waardigheid en de rechten van de bevolking volledig worden geëerbiedigd;

3.  juicht de snelle reactie van de Commissie na de terreuraanslag van 14 oktober 2017 toe; vraagt de EU en haar internationale partners zich te houden aan de beloften die zij aan Somalië hebben gedaan, in het bijzonder middels maatregelen voor het waarborgen van de voedselbevoorradingszekerheid, teneinde de structurele problemen te voorkomen die leiden tot hongersnood, voor het vergroten van de veiligheid en het vinden van oplossingen voor problemen tussen bevolkingsgroepen, voor het verbeteren van het beheer van de overheidsfinanciën en voor het ondersteunen van het proces van herziening van de grondwet, zonder dewelke stabiliteit op de lange termijn onmogelijk is;

4.  betreurt het dat Somalië ondanks de herhaalde waarschuwingen van humanitaire groeperingen, hulporganisaties en het Europees Parlement nog altijd op de rand van een hongersnood staat; brengt in herinnering dat het dodental als gevolg van de hongersnood van 2011 nog hoger uitviel door de onveiligheid en de acties van de extremistische militanten van Al-Shabaab, die voedselleveringen in gebieden in zuidelijk Centraal-Somalië die zich destijds onder hun controle bevonden, bemoeilijkten; vraagt alle partijen met humanitaire organisaties samen te werken, de humanitaire beginselen te eerbiedigen, en volledige en onbelemmerde toegang toe te staan tot al diegenen die onverminderd lijden en hulpbehoevend zijn, met name op het platteland;

5.  verwelkomt het in februari 2017 georganiseerde verkiezingsproces, dat resulteerde in de verkiezing van een nieuwe president, en spreekt de hoop uit dat de verkiezing zal uitmonden in meer politieke stabiliteit, de doorvoering van de noodzakelijke hervormingen en progressie ten aanzien van het federale project, in nauwe samenwerking en coördinatie met de federale lidstaten (Federal Member States (FMS)); beklemtoont het belang van het bestrijden van de endemische corruptie in het land en van het bieden van kansen aan de jeugd van het land, teneinde het risico te verkleinen dat ze door Al-Shabaab worden gerekruteerd;

6.  juicht het besluit van het Somalisch nationaal leiderschapsforum toe om - in de aanloop naar de verkiezingen van 2020, die gebaseerd zullen zijn op het principe van "één man één stem" - de oprichting en registratie van politieke partijen te bevorderen, evenals de poging om de overheidsinstellingen opnieuw op te bouwen, en de vaststelling van belangrijke nieuwe wetten met betrekking tot politieke partijen en de oprichting van een onafhankelijke nationale mensenrechtencommissie; geeft aan dat er maatregelen moeten worden genomen om de vertegenwoordiging van vrouwen te vergroten;

7.  beklemtoont het belang van de bijdrage die de Somalische diaspora en het maatschappelijk middenveld leveren aan niet alleen de wederopbouw van het bestuur, maar ook aan de sociale en economische ontwikkeling, en onderstreept het belang van de vertegenwoordiging en participatie van vrouwen in besluitvormingsprocessen; juicht in dit verband het grotere aantal vrouwelijke leden van het Somalische parlement (inmiddels 24 %) en kabinet toe, en wijst erop dat nog meer moet worden gedaan om zowel in de EU, als in Somalië tot een beter genderevenwicht te komen;

8.  neemt kennis van de verklaring van Nairobi van de Intergouvernementele Autoriteit voor Ontwikkeling (IGAD) over duurzame oplossingen voor de Somalische vluchtelingen en de herintegratie van gerepatrieerden in Somalië; verwelkomt de inzet die er is om een alomvattende regionale aanpak te realiseren en tegelijk de bescherming te handhaven en de zelfredzaamheid in de asielverlenende landen te bevorderen, een en ander met de steun van de internationale gemeenschap en in overeenstemming met het uitgangspunt van internationale gedeelde verantwoordelijkheid zoals vastgelegd in het alomvattend reactiekader voor vluchtelingen (Comprehensive Refugee Response Framework (CRRF)) van de Verklaring van New York;

9.  vraagt de Commissie de actoren in de regio, met inbegrip van de lokale bevolking, de regionale regering en ngo's, intensiever te raadplegen, teneinde zich te kunnen richten op lokaal geïdentificeerde problemen en behoeften, een positief klimaat in de hand te werken en voor meer capaciteit te zorgen voor de terugkeer van vluchtelingen naar hun eigen land;

10.  maakt zich zorgen over het brede mandaat van het NISA en over zijn gebruik van militaire rechtbanken voor het vervolgen van vermeende terreurgerelateerde misdaden, waarbij het herhaaldelijk de regels betreffende een eerlijke procesgang met voeten heeft getreden en de doodstraf heeft opgelegd zonder dat "accountability" was gewaarborgd;

11.  vraagt de Somalische regering en de EU, in het kader van haar activiteiten in Somalië met betrekking tot de rechtsstaat, ervoor te zorgen dat voor het NISA regels, inclusief effectieve controlemechanismen, worden vastgesteld, en de technische expertise van de Somalische criminele inlichtingendienst (Criminal Investigation Department (CID)) te verbeteren, zodat deze grondige en effectieve onderzoeken kan uitvoeren, met eerbiediging van de rechten van de burgers;

12.  juicht in het bijzonder het politieke akkoord toe dat de leiders van Somalië op 16 april 2017 hebben bereikt en dat erop gericht is de regionale en de federale troepen in een samenhangende nationale veiligheidsarchitectuur te integreren die op termijn de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid op zich kan nemen, alsook de snelle oprichting van de nationale veiligheidsraad en het nationale veiligheidsbureau;

13.  onderkent de rol van AMISOM bij het faciliteren van veiligheid en stabiliteit, waardoor Somalië politieke instituties kan oprichten en de autoriteit van de staat kan uitbreiden, in afwachting van de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid aan Somalische instituties en troepen; juicht het toe dat de Afrikaanse Unie onderzoeken instelt naar de beschuldigingen van seksueel geweld door AMISON-troepen; dringt aan op de volledige implementatie van de aanbevelingen in de algemene verslagen over Somalië van de secretaris-generaal van de VN, en vraagt de AU en de landen die troepen leveren overeenkomstig resolutie 2272(2018) van de VN-veiligheidsraad te waarborgen dat de beschuldigingen serieus worden onderzocht en de daders ter verantwoording worden geroepen; beklemtoont het belang van de mogelijkheid om het mandaat van AMISON tot na mei 2018 te verlengen, en waarschuwt dat een te vroege overdracht van verantwoordelijkheden naar Somalische troepen de stabiliteit op de lange termijn zou kunnen schaden;

14.  beklemtoont dat het belangrijk is straffeloosheid te bestrijden en de plegers van misdaden tegen de menselijkheid en van oorlogsmisdaden in Somalië ter verantwoording te roepen; neemt kennis van het aanbod van de president van Somalië om de plegers van bepaalde misdaden die terrorisme en geweld afzweren, en Al-Shabaab en andere terroristische groeperingen de rug willen toekeren, amnestie te verlenen, en dringt erop aan amnestiewetgeving te ontwikkelen;

15.  maakt zich zorgen over de rekrutering van kindsoldaten door Al-Shabaab en het gebruik van kinderen door de veiligheidstroepen als soldaten en informanten, met inbegrip van het gebruik van gevangengenomen of gedeserteerde kindsoldaten; brengt in herinnering dat de regering van Somalië beloofd heeft voormalige kindsoldaten op te vangen en opnieuw in de samenleving te integreren, en degenen die hen hebben gerekruteerd voor het gerecht te brengen; vraagt de internationale donoren, waaronder de EU, prioriteit toe te kennen aan deze "rehabilitatie"-diensten, alsook aan onderwijs en veilige scholingsmogelijkheden, omdat deze van essentieel belang zijn voor het doorbreken van de dodelijke cyclus van geweld; vraagt de autoriteiten met klem kinderen die ervan worden verdacht bij Al-Shabaab betrokken te zijn geweest hoofdzakelijk als slachtoffers te behandelen en uit te gaan van het belang van het kind, waarbij de internationale beschermingsnormen als leidende principes moeten gelden;

16.  maakt zich er grote zorgen over dat natuurlijke hulpbronnen, en met name houtskool, onverminderd een belangrijke bron van financiering voor terroristen zijn en in Somalië tot veel milieuschade leiden; vraagt de Commissie te bekijken op welke wijze de regels inzake traceerbaarheid en "due diligence" kunnen worden uitgebreid, teneinde ze ook van toepassing te maken op alle natuurlijke hulpbronnen die worden gebruikt om terroristische activiteiten en geweld te financieren; dringt er in dit verband bij alle partijen op aan zich te houden aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad houdende een verbod op de export van Somalische houtskool;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de president, de premier en het parlement van Somalië, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0229.


Madagaskar
PDF 178kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over Madagaskar (2017/2963(RSP))
P8_TA(2017)0445RC-B8-0641/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Madagaskar, met name die van 7 mei 2009(1), 11 februari 2010(2) en 9 juni 2011(3), en de onderzoeksmissie die de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU op 10 en 11 juli 2010 naar Madagaskar heeft gezonden,

–  gezien de informatie die de WHO op 2 november 2017 heeft verstrekt over de recente uitbraak van de pest,

–  gezien de slotopmerkingen van het Comité voor de rechten van de mens van 22 augustus 2017 over het vierde periodieke verslag van Madagaskar,

–  gezien de verklaring van speciaal VN-rapporteur John H. Knox na afloop van zijn bezoek aan Madagaskar in oktober 2016,

–  gezien de buitengewone top van de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika (SADC) over Madagaskar van 20 mei 2011 en de routekaart die het bemiddelingsteam van de SADC heeft voorgesteld na de opheffing van de sancties van de EU, de Afrikaanse Unie en de SADC tegen Madagaskar,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur inzake mensenrechtenverplichtingen met betrekking tot het genot van een veilig, schoon, gezond en duurzaam milieu van 26 april 2017 over zijn bezoek aan Madagaskar,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van de herziene Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de grondwet van Madagaskar,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers en de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), dat Madagaskar in 1969 heeft ondertekend en in 1971 heeft geratificeerd,

–  gezien het Afrikaans Handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien het Afrikaanse Handvest inzake de rechten van mensen en volkeren,

–  gezien de 120e zitting van het Comité voor de rechten van de mens in Genève, waar op 10 en 11 juli 2017 het vierde periodieke verslag van Madagaskar over de tenuitvoerlegging van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is besproken,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Madagaskar, na een periode van vijf jaar van politieke onrust tijdens welke de donoren hun ontwikkelingshulpprogramma's hadden opgeschort, in oktober 2013 geloofwaardige en democratische parlementsverkiezingen heeft gehouden en in december 2013 presidentsverkiezingen heeft gehouden, waarbij Hery Rajaonarimampianina tot president is verkozen; overwegende dat de politieke situatie onstabiel is gebleven, maar dat door de hervatting van de betrekkingen met de donorlanden alle beperkingen op samenwerking met de nieuwe regering zijn opgeheven;

B.  overwegende dat er een nieuwe communicatiewet is gekomen, die door Malagassische journalisten sterk is bekritiseerd omdat voor uitspraken over persmisdrijven naar het wetboek van strafrecht wordt verwezen, waardoor het beroep van journalist mogelijk zou kunnen worden gecriminaliseerd; overwegende dat de situatie rustiger is geworden, maar niet de goede richting lijkt uit te gaan;

C.  overwegende dat er in principe volgend jaar presidentsverkiezingen zullen worden gehouden, maar dat er nog geen vaste datum is vastgesteld; overwegende dat de Malagassische president heeft verklaard voorstander te zijn van een grondwetswijziging waardoor hij tijdens de verkiezingsperiode aan de macht zou kunnen blijven, en dat hij de door de nationale onafhankelijke kiescommissie, deskundigen, het maatschappelijk middenveld en de oppositie voorgestelde wijzigingen in de kieswet naar zijn hand blijkt te willen te zetten; overwegende dat zijn politieke tegenstanders en delen van het maatschappelijk middenveld tegen deze verklaringen hebben geprotesteerd en vrezen dat dit een poging zou kunnen zijn om de verkiezingen uit te stellen en langer aan de macht te blijven dan de grondwet toelaat; overwegende dat dit de spanningen in een reeds delicate politieke context waarschijnlijk nog zal doen toenemen;

D.  overwegende dat de regionale directeur van Amnesty International voor zuidelijk Afrika op 10 juli 2017 heeft verklaard dat de mensenrechtensituatie in Madagaskar sterk achteruitgaat als gevolg van de flagrante veronachtzaming van de rechtsstaat; overwegende dat meer dan de helft van alle gevangenen zonder proces preventief gevangen wordt gehouden en dat er schendingen zoals buitengerechtelijke executies door de politie en de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers plaatsvinden omdat er geen vrije en eerlijke toegang tot de rechter bestaat;

E.  overwegende dat Amnesty International ook beschikt over gedocumenteerde meldingen dat wetshandhavers hebben geprobeerd wraak te nemen na gevallen van volksgericht; overwegende dat politieagenten in februari 2017 naar verluidt vijf dorpen in Antsakabary hebben platgebrand nadat twee van hun collega's naar verluidt door dorpsbewoners waren gedood, en dat een oudere vrouw bij de aanval aan brandwonden is gestorven omdat zij niet kon ontsnappen; overwegende dat de politie de brandstichting nu onderzoekt, hoewel zij erbij betrokken was;

F.  overwegende dat journalisten en mensenrechtenverdedigers worden geconfronteerd met intimidatie en pesterijen vanwege de autoriteiten, die proberen hun het zwijgen op te leggen en hun onderzoeks- of mensenrechtenwerkzaamheden te belemmeren; overwegende dat tal van media sinds de verkiezingen van 2013 zijn gesloten en gecensureerd met het oog op de "eerbiediging van de rechtsstaat" en de volgens het ministerie van Communicatie noodzakelijke "sanering van het audiovisuele landschap";

G.  overwegende dat de Conferentie van de partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) in 2013 een actieplan voor Madagaskar heeft aangenomen, waarin wordt geëist dat het land zijn handhavingsinspanningen opvoert en een embargo op de uitvoer van alle houtvoorraden instelt; overwegende dat het secretariaat en het permanent comité van de Cites sindsdien herhaaldelijk hebben verklaard dat Madagaskar het actieplan niet naleeft; overwegende dat illegale houtkap en inbreuken op de milieuwetgeving volgens het Cites-secretariaat veelal onbestraft blijven; overwegende dat personen die zich tegen illegale houtkap verzetten, daarentegen zijn veroordeeld door de rechtbanken, die een ernstig risico op corruptie lopen;

H.  overwegende dat Madagaskar uit milieuoogpunt een van de meest uitzonderlijke plekken op aarde is, maar ook het armste niet-conflictland ter wereld is; overwegende dat 92 % van de bevolking met minder dan 2 USD per dag moet rondkomen en dat Madagaskar in de Human Development Index op de 154e plaats (van 188) staat;

I.  overwegende dat de illegale handel in hout en diersoorten een ernstige bedreiging vormt voor het milieu en de biodiversiteit in Madagaskar en voor de milieurechten van zijn bevolking; overwegende dat het milieueffect en het ondoorzichtige beheer van de winningsindustrieën vaak schade toebrengen aan lokale gemeenschappen en hun duurzame ontwikkeling; overwegende dat de smokkelnetwerken naar verluidt banden hebben met de georganiseerde misdaad, wat een bedreiging vormt voor het democratisch bestuur in het land; overwegende dat illegale houtkap, illegale handel in kostbare houtsoorten en mijnbouwconcessies volgens de speciale rapporteur voor mensenrechten en milieu nauw verband houden met geweld tegen de lokale bevolking;

J.  overwegende dat de milieuactivist Clovis Razafimalala, die de illegale handel in en exploitatie van rozenhout en andere houtsoorten aan de kaak stelde, sinds 16 september 2016 wordt vastgehouden op valse beschuldigingen van rebellie, vernietiging van openbare documenten en goederen en brandstichting, ondanks een flagrant gebrek aan bewijs; overwegende dat de milieu- en mensenrechtenactivist Raleva op 27 september 2017 is gearresteerd wegens "gebruik van een valse titel" toen hij de activiteiten van een goudmijnbedrijf ter discussie stelde nadat mijnbouw was verboden wegens aantasting van het milieu; overwegende dat Raleva op 26 oktober 2017 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar is veroordeeld; overwegende dat Augustin Sarovy, directeur van een ngo die de handel in rozenhout bestrijdt, zich na doodsbedreigingen gedwongen zag naar Europa te vluchten;

K.  overwegende dat Fernand Cello, een radiodirecteur die bekend staat om zijn onderzoeken naar gevoelige onderwerpen zoals illegale saffiermijnen, op 6 mei 2017 werd vervolgd wegens "valsheid in geschrifte"; overwegende dat Reporters Sans Frontières (reporters zonder grenzen) heeft geprotesteerd tegen de harde behandeling van de directeur van Radio Jupiter door de autoriteiten in de regio op basis van valse beschuldigingen van mensen die betrokken waren bij zijn onderzoeken;

L.  overwegende dat de arrestatie van Claudine Razaimamonjy op initiatief van het Bianco (Bureau Indépendant Anti-Corruption – onafhankelijk bureau voor corruptiebestrijding) wegens verduistering van overheidsgeld in verscheidene gemeenten een staatszaak is geworden omdat zij een nauwe bondgenoot en adviseur is van het staatshoofd, Hery Rajaonarimampianina; overwegende dat de gendarmerie vóór haar arrestatie een verzoek had ingediend om mevrouw Jacqueline Raharimanantsoa Saholiniaina, mevrouw Sylvie Randriantsara Linah en mevrouw Claudine Razaimamonjy voor verhoor op te brengen; overwegende dat dat deze drie vrouwen in feite één en dezelfde persoon zijn, namelijk Claudine Razaimamonjy, die nooit gehoor heeft gegeven aan de oproepen om zich voor verhoor te melden;

M.  overwegende dat de "zaak-Claudine" een openlijk conflict tussen de regering en de rechterlijke macht heeft uitgelokt en dat de minister van Justitie er persoonlijk en publiekelijk toe heeft opgeroepen Claudine Razaimamonjy vrij te laten om een verlenging van haar aanhouding te voorkomen; overwegende dat de magistratenvereniging heeft verklaard zich beledigd te voelen door het standpunt en de rechtstreekse betrokkenheid van de regering in deze zaak, het heeft opgenomen voor de scheiding der machten en heeft benadrukt deze zaak geen verband houdt met politiek; overwegende dat de magistraten dit jaar drie keer in staking zijn gegaan om de herhaalde intimidaties en overheidsinmenging bij hun activiteiten te veroordelen en hun onafhankelijkheid te bevestigen;

N.  overwegende dat Madagaskar sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw elk jaar te maken heeft gehad met pestepidemieën, maar dat de laatste uitbraak, die in augustus 2017 begon, bijzonder hevig was en grote steden en niet-endemische gebieden heeft getroffen; overwegende dat er meer dan 1 800 gevallen en 127 sterfgevallen zijn gemeld; overwegende dat de ongewone aard en de snelle verspreiding dit jaar volgens de WHO te wijten zijn aan een verslechtering van het gezondheidsstelsel als gevolg van de sociaal-politieke crisis die het land de afgelopen jaren heeft getroffen; overwegende dat er volgens de WHO nog steeds een groot risico is op een mogelijke verdere verspreiding van de pestepidemie op nationaal niveau;

O.  overwegende dat het overwicht van het gewoonterecht in het land schadelijke traditionele praktijken in de hand heeft gewerkt, zoals gearrangeerde en gedwongen huwelijken en huwelijken op jonge leeftijd; overwegende dat vrouwen en meisjes nog steeds te lijden hebben onder seksueel geweld of ander lichamelijk geweld, dat niet vaak wordt aangegeven en zelden wordt bestraft; overwegende dat abortus in Madagaskar nog steeds verboden is door een wet uit 1920; overwegende dat ongeveer tien vrouwen per dag sterven bij de bevalling; overwegende dat het verbod op abortus kan leiden tot clandestiene en gevaarlijke zwangerschapsonderbrekingen door mensen die niet medisch gekwalificeerd zijn;

1.  is verheugd over het herstel van de rechtsstaat met de verkiezingen van oktober en december 2013; herinnert de autoriteiten, en in de eerste plaats de president, van Madagaskar aan hun verantwoordelijkheid om de rechten van hun burgers in het hele land te handhaven en te beschermen, alle misbruik en misdrijven te voorkomen, en hun taak te vervullen met strikte eerbiediging van de rechtsstaat; dringt erop aan dat zij alle nodige maatregelen nemen om de uitoefening van de fundamentele vrijheden van hun burgers, waaronder de vrijheid van meningsuiting, te waarborgen;

2.  hoopt dat de komende verkiezingen in een vreedzaam en sereen klimaat zullen worden gehouden, zodat ze democratisch en transparant zijn; benadrukt dat de grondwettelijke orde en de politieke stabiliteit in stand moeten worden gehouden en dat alleen overleg en consensusvorming tussen alle politieke actoren in 2018 tijdige en geloofwaardige verkiezingen kunnen garanderen; vraagt de internationale gemeenschap alles in het werk te stellen om bij de presidentsverkiezingen van 2018 een eerlijk en vrij verkiezingsproces te waarborgen;

3.  uit zijn bezorgdheid over de vele gevallen van volksgericht en de betrokkenheid van wetshandhavers bij buitengerechtelijke executies; vraagt om een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar het platbranden van vijf dorpen in Antsakabary, waarbij de veiligheid van de slachtoffers wordt gevrijwaard tegen eventuele represailles als zij in deze zaak bewijzen aanleveren; vraagt de Malgassische autoriteiten buitengerechtelijke executies stelselmatig aan een onpartijdig onderzoek te onderwerpen, de daders te vervolgen en ervoor te zorgen dat de nabestaanden van de slachtoffers een passende schadevergoeding ontvangen;

4.  vraagt de Malgassische autoriteiten hun verplichtingen uit hoofde van Cites na te komen, onder andere door veel strenger de hand te houden aan de wetten tegen illegale houtkap en illegale handel;

5.  is ingenomen met de aan de gang zijnde herziening van de wet op de mijnbouw en vraagt de regering ervoor te zorgen dat de herziene wet voldoet aan de internationale vereisten, zoals voorafgaande beoordeling en overleg met de zwaarst getroffen mensen, toegang tot rechtsmiddelen en minimalisering van milieuschade; vraagt de regering de door de overgangsregering afgegeven mijnbouwvergunningen opnieuw te bekijken en vergunningen die in strijd zijn met het MECIE-decreet op te schorten;

6.  hekelt de willekeurige detentie van journalisten, mensenrechtenverdedigers en milieuactivisten op grond van valse beschuldigingen; vraagt dat er definitief een einde wordt gemaakt aan intimidatie en pesterijen tegen de media, laakt de maatregelen die in de aanloop naar de recentste verkiezingen tegen de media zijn genomen en vraagt dat alle individuele en collectieve vrijheden volledig worden hersteld; vraagt de Malgassische regering de beperkende onderdelen van de communicatiewet in te trekken;

7.  vraagt de Malgassische regering in de zaak-Claudine en in alle gevallen van actieve en passieve corruptie het recht onafhankelijk zijn gewone gang te laten gaan; benadrukt dat politici zich niet met de rechterlijke macht mogen bemoeien en dat het Bianco vrijelijk onderzoeken naar corruptie moet kunnen uitvoeren; benadrukt dat het beginsel van de scheiding der machten strikt moet worden nageleefd en dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht onder alle omstandigheden moet worden gewaarborgd; vraagt dat de Malgassische autoriteiten meer inspanningen leveren om corruptie en straffeloosheid in het land aan te pakken en ervoor te zorgen dat alle gevallen van corruptie worden berecht;

8.  uit zijn bezorgdheid over de toenemende activiteiten van buitenlandse predikers die leerlingen dwingen zich te bekeren tot een extremistische vorm van de islam;

9.  benadrukt dat de EU en haar lidstaten moeten investeren in het verlenen van steun en bescherming aan mensenrechtenverdedigers, die belangrijke actoren zijn bij duurzame ontwikkeling, onder meer door middel van dringende subsidies uit het noodfonds voor mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR);

10.  vraagt internationale bedrijven de mensenrechten en het zorgvuldigheidsbeginsel te eerbiedigen, zoals vastgelegd in de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

11.  vraagt de EU erop toe te zien dat de voorbereidingen voor de komende presidentsverkiezingen inclusief en transparant zijn en door iedereen worden aanvaard, onder meer door middel van een tweejarig pakket steunmaatregelen voor de organisatie van de verkiezingen;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de Raad, de ACS-EU-Raad van ministers, de regering van Madagaskar, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika en de Commissie van de Afrikaanse Unie.

(1) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 111.
(2) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 72.
(3) PB C 380 E van 11.12.2012, blz. 129.


Partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de EU en Nieuw-Zeeland (goedkeuring) ***
PDF 242kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Unie van de partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Nieuw-Zeeland, anderzijds (15470/2016 – C8-0027/2017 – 2016/0366(NLE))
P8_TA(2017)0446A8-0327/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15470/2016),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Nieuw-Zeeland, anderzijds (09787/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 207, artikel 212, lid 1, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0027/2017),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 16 november 2017 over het ontwerp van besluit(1),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0327/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Nieuw-Zeeland.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0447.


Partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de EU en Nieuw-Zeeland (resolutie)
PDF 269kWORD 55k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Unie van de partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Nieuw-Zeeland, anderzijds (15470/2016 – C8-0027/2017 – 2016/0366(NLE)2017/2050(INI))
P8_TA(2017)0447A8-0333/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15470/2016),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Nieuw-Zeeland, anderzijds(1) (09787/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 207, artikel 212, lid 1, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0027/2017),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring betreffende de onderlinge betrekkingen en samenwerking tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland(2), die in 2007 in Lissabon werd goedgekeurd,

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over de opening van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Australië en Nieuw-Zeeland(3),

–  gezien de in 2012 ondertekende overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland tot vaststelling van een kader voor de deelname van Nieuw-Zeeland aan crisisbeheersingsoperaties van de Europese Unie(4),

–  gezien de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Nieuw-Zeeland(5), die in 2009 in werking trad,

–  gezien de 22e interparlementaire vergadering EU-Nieuw-Zeeland, die op 23 maart 2017 werd gehouden in Brussel,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 16 november 2017 over het ontwerp van besluit(6),

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0333/2017),

A.  overwegende dat Nieuw-Zeeland met de Europese Unie en haar lidstaten een hecht partnerschap onderhoudt, dat een lange geschiedenis kent;

B.  overwegende dat de Europese Unie en Nieuw-Zeeland gemeenschappelijke waarden en beginselen delen, met inbegrip van de eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, de regels van de rechtsstaat, alsook van het internationale recht, en vrede en veiligheid;

C.  overwegende dat de Europese Unie nog steeds de op twee na grootste handelspartner van Nieuw-Zeeland is en dat beide partijen een breed scala aan economische en commerciële belangen hebben;

D.  overwegende dat de eerste residerend EU-ambassadeur in Nieuw-Zeeland in september 2016 is aangetreden, hetgeen de volledige overgang naar een autonome delegatie van de Europese Unie in Nieuw-Zeeland markeerde;

E.  overwegende dat Nieuw-Zeeland goede betrekkingen onderhoudt met een aantal van de meest naaste partners van de EU, in het bijzonder Australië en de Verenigde Staten, gezien bijvoorbeeld de Verklaring van Wellington van 2010 tot vaststelling van een strategisch partnerschapskader tussen Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten en de in 1983 ondertekende Overeenkomst inzake nauwere economische betrekkingen (ANZERTA) met Australië;

F.  overwegende dat Nieuw-Zeeland, als lid van de Commissie voor ontwikkelingshulp (DAC) van de OESO, een gewaardeerde ontwikkelingspartner en een belangrijke bijstandsverlener is in termen van het percentage van het bruto nationaal inkomen (bni) dat aan officiële ontwikkelingshulp (ODA) wordt besteed, en op deze manier bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding in ontwikkelingslanden en daarmee aan meer eerlijkheid, veiligheid en welvaart op onze planeet;

G.  overwegende dat Nieuw-Zeeland lid is van de inlichtingenalliantie "Five Eyes", naast de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Canada en Australië; overwegende dat andere EU-lidstaten (Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, België, Zweden, Denemarken en Spanje) deel uitmaken van een lossere regeling die bekendstaat als de "Fourteen Eyes";

H.  overwegende dat Nieuw-Zeeland bijzondere aandacht besteedt aan de ontwikkeling van de betrekkingen in de regio Azië-Stille Oceaan, met name met China, Zuidoost-Azië en Japan, en een bijdrage levert aan de regionale stabiliteit van Zuidoost-Azië en het zuidwestelijke deel van de Stille Oceaan;

I.  overwegende dat een geïntegreerde regio Azië-Stille Oceaan waarin Nieuw-Zeeland een belangrijke rol speelt, bijdraagt aan een mondiaal, op waarden en regels gebaseerd stelsel en daarmee aan de veiligheid van de Unie zelf;

J.  overwegende dat Nieuw-Zeeland medeoprichter is van het regionale Pacific Islands Forum (PIF) en een strategisch partnerschap met de ASEAN heeft;

K.  overwegende dat Nieuw-Zeeland bilaterale vrijhandelsovereenkomsten heeft gesloten met Australië, Singapore, Thailand, China, Hongkong, Taiwan, Maleisië en Zuid-Korea, alsook partij is bij multilaterale handelsovereenkomsten zoals de trans-Pacifische strategische economische partnerschapsovereenkomst met Singapore, Chili en Brunei, de vrijhandelsovereenkomst ASEAN-Australië-Nieuw-Zeeland en de vrijhandelsovereenkomst met de Samenwerkingsraad van de Golf (GCC); overwegende dat China en Nieuw-Zeeland hun handelsovereenkomsten willen uitbreiden;

L.  overwegende dat Nieuw-Zeeland tevens partij is bij de overeenkomst die in het kader van het trans-Pacifisch partnerschap (TPP) werd gesloten en deze heeft geratificeerd en daarnaast een actieve rol speelt in de onderhandelingen over het regionale alomvattende economische partnerschap (RCEP);

M.  overwegende dat Nieuw-Zeeland gedurende twee jaar (2015‑2016) een niet‑permanent lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties was, een periode waarin het twee keer met sterk leiderschap en visie het voorzitterschap van de Veiligheidsraad bekleedde;

N.  overwegende dat Nieuw-Zeeland al lange tijd lid is van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB), en lid is van de onlangs opgerichte, in Shanghai gevestigde Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur (AIIB);

O.  overwegende dat Nieuw-Zeeland ook heeft bijgedragen aan de vredeshandhavingsoperaties van de VN, onder meer in Bosnië, Kosovo, Sierra Leone en Afghanistan; overwegende dat Nieuw-Zeeland een wederopbouwteam leidde in de provincie Bamyan in Afghanistan, opleidingsmissies uitvoerde om bij te dragen aan de ontwikkeling van het Afghaanse nationale leger en daarnaast tot en met het jaar 2012 een bijdrage leverde aan de EUPOL-missie;

P.  overwegende dat Nieuw-Zeeland sinds 2015 een vreedzame opleidingsmissie uitvoert in Irak om daar, als onderdeel van de strijd tegen IS/Da'esh, Iraakse ordestrijdkrachten op te leiden;

Q.  overwegende dat Nieuw-Zeeland in 1893 als eerste land ter wereld het algemeen kiesrecht heeft ingevoerd;

R.  overwegende dat Nieuw-Zeeland voorstander is van groene productie, met name op het gebied van voedsel, en steun geeft aan alomvattende mondiale klimaatovereenkomsten in het kader van het VN-Raamverdrag inzake klimaatverandering, de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Parijs van de COP 21 en doeltreffende mitigatiemaatregelen van alle ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden met een hoge uitstoot, onder andere door als eerste een nationaal emissiehandelssysteem in te stellen;

S.  overwegende dat Nieuw-Zeeland en de Europese Unie samenwerken om duurzame ontwikkeling, weerbaarheid tegen de klimaatverandering en beperking van de gevolgen ervan te bevorderen om zo de gevolgen van klimaatverandering in de regio Azië-Stille Oceaan aan te pakken, met name door het systematisch gebruik van hernieuwbare energie te stimuleren;

T.  overwegende dat Nieuw-Zeeland en de Europese Unie samenwerken om duurzame ontwikkeling te bevorderen en de gevolgen van klimaatverandering in het gebied van de Stille Oceaan te beperken, met bijzondere aandacht voor de rol die hernieuwbare energie hierin speelt;

U.  overwegende dat Nieuw-Zeeland bijdraagt aan het Internationaal Fonds voor Ierland, een organisatie die zich richt op het bevorderen van economische en sociale vooruitgang en het mogelijk maken en aanmoedigen van de gemeenschapsdialoog en verzoening;

1.  is ingenomen met de sluiting van de partnerschapsovereenkomst op het gebied van betrekkingen en samenwerking, die de komende jaren zal voorzien in een toekomstgericht politiek kader waarbinnen de betrekkingen en de samenwerking tussen de EU en Nieuw-Zeeland op het gebied van duurzame ontwikkeling en een breed scala aan andere gebieden de komende jaren alleen nog maar verder zullen worden ontwikkeld, met als doel om te beantwoorden aan nieuwe ambities en wensen;

2.  steunt de opening van de onderhandelingen tussen de EU en Nieuw-Zeeland over een vrijhandelsovereenkomst, die moeten plaatsvinden in een geest van wederkerigheid en met oog voor de wederzijdse voordelen, waarbij rekening wordt gehouden met de gevoeligheid van bepaalde landbouw- en andere producten; benadrukt dat dit van belang is voor het verdiepen van de politieke dialoog en het bevorderen van de samenwerking op het gebied van economische groei, het scheppen van werkgelegenheid, de handel en investeringen;

3.  waardeert het gebaar van premier Bill English om het streven naar bijzondere betrekkingen met Europa te benadrukken en nogmaals te bevestigen met zijn eerste formele bezoek aan de Europese Unie, het Europees Parlement, Londen en Berlijn in januari 2017, slechts een maand na zijn benoeming tot premier;

4.  erkent de nauwe en historische bilaterale betrekkingen tussen Nieuw-Zeeland en de EU‑lidstaten, waaronder culturele, economische en intermenselijke banden;

5.  wijst op de samenwerking tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland op het gebied van vrede, veiligheid, regionale stabiliteit in de regio Azië-Stille Oceaan, landbouw, duurzame ontwikkeling, maritieme zaken en visserij, vervoer, humanitaire hulp, sanitaire maatregelen, energie, milieu en klimaatverandering;

6.  wijst op de samenwerking tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland om het milieu- en oceaanbeheer te versterken, hetgeen noodzakelijk is met het oog op het behoud en duurzaam gebruik van hulpbronnen;

7.  neemt kennis van de routekaart voor onderzoek en innovatie van de EU en Nieuw-Zeeland, die betrekking heeft op wetenschappelijke en technologische samenwerking; pleit voor meer investeringen en nieuwe kansen in wetenschappelijke, academische en technologische samenwerking;

8.  is ingenomen met de artikelen van de partnerschapsovereenkomst inzake samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding, met name de toezeggingen betreffende de uitwisseling van informatie over terroristische groeperingen en netwerken en de uitwisseling van ideeën over het voorkomen, tegengaan en bestrijden van terrorisme en hiermee gepaard gaande propaganda, radicalisering en cybercriminaliteit, waarbij tegelijk de bescherming van de mensenrechten wordt gewaarborgd en de rechtsstaat wordt geëerbiedigd;

9.  wijst op de deelname van Nieuw-Zeeland aan de crisisbeheersingsoperaties van de EU ter bevordering van de internationale vrede en veiligheid en op zijn bijdrage aan EUNAVFOR Atalanta (acties ter bestrijding van piraterij voor de kust van de Hoorn van Afrika), EUPOL Afghanistan en EUFOR Althea in Bosnië en Herzegovina;

10.  looft de reeds lang bestaande betrokkenheid van Nieuw-Zeeland bij de internationale coalitie tegen terrorisme; herinnert eraan dat Nieuw-Zeeland een belangrijke rol kan vervullen in de strijd tegen internationaal terrorisme in de regio Azië-Stille Oceaan; is verheugd dat het land reeds steun verleent aan regeringen en ngo's in Zuidoost-Aziatische landen die tegen gewelddadig extremisme en radicalisering zijn;

11.  erkent de rol die Nieuw-Zeeland eind 2016 heeft gespeeld bij de ondersteuning van de resoluties over Syrië en het vredesproces in het Midden-Oosten van de VN-Veiligheidsraad, toen het land lid was van de VN-Veiligheidsraad;

12.  is ingenomen met het reeds lang bestaande engagement van Nieuw-Zeeland voor het Internationaal Strafhof (ICC) en looft zijn inspanningen ter bevordering van en zijn constructieve bijdragen aan de ontwikkeling en doeltreffendheid van het ICC als middel om de vrede en internationale gerechtigheid te bevorderen;

13.  is ingenomen met de ratificatie van de klimaatovereenkomst van de COP 21 door Nieuw-Zeeland en stelt verheugd vast dat ruim 80 % van de elektriciteit in Nieuw-Zeeland afkomstig is van hernieuwbare energiebronnen;

14.  neemt kennis van het Pacifisch energiepartnerschap tussen de EU en Nieuw-Zeeland; roept beide partijen op de samenwerking op het gebied van duurzame energie te intensiveren overeenkomstig het VN-initiatief "Duurzame energie voor iedereen";

15.  erkent de bijdrage van Nieuw-Zeeland aan de bescherming, het behoud en het duurzame gebruik van zeerijkdommen en aan zeeonderzoek;

16.  is van mening dat Nieuw-Zeeland een belangrijke partner is als het gaat om de bescherming van en de samenwerking op het gebied van het milieu in de regio van de Stille Oceaan en Antarctica;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Nieuw‑Zeeland.

(1) PB L 321 van 29.11.2016, blz. 3.
(2) PB C 32 van 6.2.2008, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0064.
(4) PB L 160 van 21.6.2012, blz. 2.
(5) PB L 171 van 1.7.2009, blz. 28.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)446.


De strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling
PDF 224kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over de strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling (2017/2083(INI))
P8_TA(2017)0448A8-0334/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het document getiteld "Een mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid – gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa", dat op zijn vergadering van 28 en 29 juni 2016 werd ingediend bij de Europese Raad,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van 7 juni 2017 van het Parlement, de Raad, de regeringsvertegenwoordigers van de lidstaten, die waren bijeengekomen in het kader van de Raad, en de Commissie, betreffende de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling: "Onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst",

–  gezien de VN-top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", en de 17 doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's),

–  gezien de Beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen (CFS‑RAI), die werden ontwikkeld in de Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid om bij te dragen aan de verwezenlijking van SDG's 1 en 2,

–  gezien het actieprogramma van Addis Abeba betreffende de financiering van ontwikkeling van 2015,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering van 2015,

–  gezien de Afrikaanse top van de actie, die op 16 november 2016 gehouden werd en gewijd was aan de Afrikaanse dimensie van de COP 22,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 februari 2016 over het actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten (COM(2016)0087),

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(1) (de Overeenkomst van Cotonou), en de herzieningen daarvan van 2005 en 2010,

–  gezien de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU (JAES), die op de top van Lissabon van 9 december 2007 werd aangenomen door de Afrikaanse en Europese staatshoofden en regeringsleiders, en de twee actieplannen die in oktober 2007 werden aangenomen in Accra (voor de periode 2008‑2010) en in november 2010 in Tripoli (voor de periode 2011‑2013),

–  gezien de conclusies van de vierde top EU-Afrika, gehouden te Brussel op 2 en 3 april 2014, en de routekaart voor het format van de vergaderingen (het format van Caïro) en de hoofdlijnen van de samenwerking tussen de twee continenten voor de periode 2014‑2017, en de verklaring EU‑Afrika over migratie en mobiliteit,

–  gezien de agenda 2063 van de Afrikaanse Unie (AU), die werd aangenomen in mei 2014,

–  gezien het door president Paul Kagamé opgestelde verslag over de voorstellen voor aanbevelingen met betrekking tot de hervorming van de instellingen van de AU met als titel "L'impératif de renforcer notre Union",

–  gezien de verklaring van het derde intercontinentale forum van het maatschappelijk middenveld, dat van 11 tot 13 juli 2017 in Tunis heeft plaatsgevonden, waarin ertoe wordt opgeroepen de deelname van maatschappelijke organisaties te versterken en mensen uit het maatschappelijk middenveld centraal te plaatsen in de strategie EU‑Afrika,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 7 juni 2017 met als titel "Een strategische aanpak van weerbaarheid in het externe optreden van de EU" (JOIN(2017)0021),

–  gezien Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds(2),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 5 juli 2016 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (COM(2016)0447),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 november 2016 met als titel "Een hernieuwd partnerschap met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan" (JOIN(2016)0052),

–  gezien de verschillende mededelingen van de Commissie voor de betrekkingen tussen de EU en Afrika, met name die van 27 juni 2007 met als titel "Van Caïro naar Lissabon – Het strategische partnerschap tussen de EU en Afrika" (COM(2007)0357), die van 17 oktober 2008 met als titel "Eén jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk" (COM(2008)0617) en die van 10 november 2010 "over de consolidatie van de betrekkingen tussen de EU en Afrika: 1,5 miljard mensen, 80 landen, twee continenten, één toekomst" (COM(2010)0634),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad van 4 mei 2017 getiteld "Voor een vernieuwde impuls voor het partnerschap Afrika‑EU" (JOIN(2017)0017), en de conclusies van de Raad over het onderwerp van 19 juni 2017,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de betrekkingen tussen de Unie en Afrika en de ACS-landen, in het bijzonder de resolutie van 4 oktober 2016 over de toekomst van de betrekkingen tussen de ACS-landen en de EU na 2020(3),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het Trustfonds voor Afrika van de EU: de gevolgen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp(4),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over het EU-verslag 2015 over beleidscoherentie voor ontwikkeling(5),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(6),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0334/2017),

A.  overwegende dat de Europese Unie en de Afrikaanse landen historische banden met elkaar onderhouden en dat hun lot nauw met elkaar is verbonden; overwegende dat de EU de belangrijkste partner is van Afrika op het gebied van economische activiteit, handel, ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en veiligheid;

B.  overwegende dat het partnerschap Afrika-EU moet worden voorzien van een nieuwe visie waarin de ontwikkeling van de politieke, economische, sociale en milieusituatie van beide continenten tot uiting komt; overwegende dat rekening moet worden gehouden met nieuwe spelers op het internationale podium – waaronder China – en dat moet worden geëvolueerd naar een versterkt, gemoderniseerd en meer politiek partnerschap met de nadruk op de verdediging van onze essentiële gemeenschappelijke belangen;

C.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Afrika moeten worden gebaseerd op de beginselen van wederzijdse belangen en begrip en op gedeelde, gemeenschappelijke waarden in het kader van een wederzijds partnerschap;

D.  overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en het Afrikaanse continent steunen op verschillende rechtsinstrumenten en beleidsstrategieën, en dat de synergieën en de samenhang tussenbeide moeten worden versterkt om het partnerschap efficiënter en duurzamer te maken;

E.  overwegende dat de overeenkomst van Cotonou, waarbij 79 ACS‑landen partij zijn, met inbegrip van 48 landen uit Sub‑Saharaans Afrika, het belangrijkste partnerschap tussen de EU en Afrika regelt; overwegende dat de EU ook betrekkingen is aangegaan met Afrikaanse landen die geen partij zijn bij de overeenkomst van Cotonou; overwegende dat het partnerschap tussen de EU en de ACS-landen al was gevormd voordat de ACS-landen hun huidige regionale of continentale samenwerkingsstructuren hadden opgezet; overwegende dat het, gezien het ontstaan van de AU in 2003 en van de JAES in 2007, van essentieel belang is de verschillende beleidskaders tussen de EU en Afrika te stroomlijnen; overwegende dat de doelstelling om "Afrika als één geheel te behandelen" duidelijk in de preambule van de JAES staat;

F.  overwegende dat de EU een politieke institutionele dialoog met de Afrikaanse landen voert via de topontmoetingen EU-Afrika, de intergouvernementele organisatie "Unie voor het Middellandse Zeegebied" (UMZ) en de samenwerkingsinstanties ACS-EU, waaronder op parlementair niveau via de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de EU-delegatie in de Parlementaire Vergadering UMZ en met het Pan-Afrikaanse Parlement;

G.  overwegende dat het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) over een begroting van 30,5 miljard EUR beschikt, waarvan 900 miljoen EUR is uitgetrokken voor de Vredesfaciliteit voor Afrika, en dat 1,4 miljard EUR van de EOF-reserve zal worden gebruikt voor het Trustfonds van de EU voor Afrika; overwegende dat meer dan 5 miljard EUR is afgestemd op de behoeften van Afrikaanse landen in het kader van het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI) en dat 845 miljoen EUR wordt toegewezen aan het pan-Afrikaanse programma in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) voor de tenuitvoerlegging van de JAES;

H.  overwegende dat de volgende top AU-EU, die op 29 en 30 november 2017 in Abidjan zal plaatsvinden met als thema "investeren in de jeugd", een gelegenheid zal zijn voor het scheppen, ondersteunen en ontwikkelen van economische omstandigheden van echte gelijkheid tussen partners die essentiële gemeenschappelijke belangen willen verdedigen;

I.  overwegende dat de JAES zal moeten worden ingepast in de toekomstige overeenkomst na Cotonou;

J.  overwegende dat de EU een historische partner en een belangrijke waarborg is voor de veiligheid van het Afrikaanse continent – een uiterst belangrijke kwestie; overwegende dat de veiligheid en de duurzame groei van het Europese continent nauw en rechtstreeks afhankelijk zijn van de stabiliteit en de ontwikkeling van het Afrikaanse continent en vice versa;

K.  overwegende dat een constante steun voor de tenuitvoerlegging van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsstructuren noodzakelijk is, en dat het engagement van de Europese Unie, de Afrikaanse Unie en andere in Afrika aanwezige internationale actoren cruciaal zijn voor de ontwikkeling en de stabiliteit van het Afrikaanse continent;

L.  overwegende dat migratie een prominente plaats heeft in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en een prioriteit vormt voor de externe betrekkingen van de EU, met inbegrip van de betrekkingen met Afrika; is van mening dat Afrika en Europa een gedeeld belang en gedeelde verantwoordelijkheid hebben op het gebied van migratie en mobiliteit, ook ten aanzien van de strijd tegen mensenhandel en ‑smokkel, en overwegende dat het beheer van migratie vraagt om mondiale oplossingen gebaseerd op solidariteit, het delen van verantwoordelijkheden, eerbiediging van migrantenrechten en het internationaal recht, evenals het doeltreffend gebruik van instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking;

M.  overwegende dat meer dan 218 miljoen mensen in Afrika in extreme armoede leven; overwegende dat het aandeel van de bevolking in Sub-Saharaans Afrika dat in extreme armoede leeft, gedaald is van 56 % in 1990 tot 43 % in 2012; overwegende dat 33 van de 47 minst ontwikkelde landen zich op het Afrikaanse continent bevinden, wat van het partnerschap tussen de EU en Afrika een onmisbaar instrument maakt voor de realisatie van het programma voor duurzame ontwikkeling tot 2030 en van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, in het bijzonder het uitbannen van armoede;

N.  overwegende dat Afrika infrastructurele behoeften heeft van naar schatting 75 miljard EUR per jaar en een consumptiemarkt die waarschijnlijk zal oplopen tot 1 000 miljard USD in 2020, dat de buitenlandse directe investeringen (BDI) er voortdurend toenemen en in 2020 naar verwachting 144 miljard USD zullen bedragen, en dat Afrika momenteel een bevolking heeft van 1 miljard inwoners;

O.  overwegende dat uit Afrika nog steeds voornamelijk ruwe en niet‑verwerkte producten worden uitgevoerd en dat een groot deel van deze uitvoer onder handelspreferentieregelingen valt; overwegende dat vrije markttoegang voor de meeste Afrikaanse producten de capaciteiten van Afrikaanse landen kan verbeteren en hun concurrentievermogen en deelname aan internationale markten kan vergroten, indien deze vrije markttoegang gepaard gaat met een beleid waarin duurzame industrialisering en productiviteit op het platteland als essentiële factoren voor ontwikkeling worden beschouwd;

P.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met de demografische dynamiek, in de wetenschap dat tegen 2050 Afrika volgens sommige voorspellingen 2,5 miljard personen kan tellen, hoofdzakelijk jongeren, terwijl de Europese bevolking naar verwachting aanzienlijk ouder zal zijn; overwegende dat het daarom van essentieel belang is miljoenen banen te scheppen en de emancipatie van vrouwen en jongeren te ondersteunen, meer bepaald via het onderwijs en toegang tot gezondheidszorg en scholing op het Afrikaanse continent;

Intensivering van de politieke dialoog tussen de EU en Afrika: een randvoorwaarde voor een hernieuwd strategisch partnerschap

1.  neemt kennis van deze nieuwe mededeling met als titel "Een vernieuwde impuls voor het partnerschap Afrika-EU", die een nieuw elan moet geven aan het partnerschap tussen Afrika en de EU en het moet versterken en verdiepen, door het te richten op de welvaart en de stabiliteit op de twee continenten, overeenkomstig de verbintenissen die werden aangegaan in het kader van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, de nieuwe Europese consensus voor ontwikkeling, die dienstdoet als een reeks richtsnoeren voor het Europees ontwikkelingsbeleid, de algemene strategie voor het buitenlands en het veiligheidsbeleid van de Unie, en de agenda 2063;

2.  brengt in herinnering dat Afrika een belangrijke strategische partner is voor de EU en meent dat het essentieel is de betrekkingen tussen de EU en de AU te versterken via een herziene en uitgebreide dialoog, waar de beginselen van transparantie en goed beheer deel van uitmaken, om een win-winsituatie en gelijke en duurzame samenwerking tot stand te brengen met het oog op de aanpak van gedeelde uitdagingen en het behalen van gemeenschappelijke voordelen; meent dat hierbij het beginsel van eigen inbreng moet worden gewaarborgd en rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden en het ontwikkelingsniveau van ieder partnerland;

3.  wenst dat in het toekomstige partnerschap de nadruk komt te liggen op de zowel door de AU als de EU vastgestelde prioritaire kwesties, zoals:

   economische ontwikkeling (via handel, economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's), meer regionale integratie, economische diversificatie, duurzame industrialisering en het scheppen van hoogwaardige werkgelegenheid),
   goed bestuur, met inbegrip van de mensenrechten,
   menselijke ontwikkeling via openbare diensten die voorzien in basisbehoeften, zoals onderwijs, gezondheid, toegang tot water en sanitaire voorzieningen, gendergelijkheid, wetenschap, technologie en innovatie,
   veiligheid en terrorismebestrijding,
   migratie en mobiliteit,
   milieu – inclusief klimaatverandering;

4.  herinnert eraan dat begrotingssteun de beste manier is om voor eigen inbreng te zorgen, aangezien regeringen de middelen worden gegeven om over hun eigen behoeften en prioriteiten te beslissen; herinnert eraan dat door middel van algemene of sectorale begrotingssteun ontwikkelingsbeleid kan worden ondersteund en een maximale absorptiecapaciteit kan worden gegarandeerd;

5.  is verheugd dat de vijfde top AU-EU, die in november 2017 in Ivoorkust zal plaatsvinden, de jeugd als centraal thema heeft, gezien het belang ervan voor de toekomst van beide continenten;

6.  wijst op het belang en de efficiëntie van de samenwerking tussen de ACS-landen en de EU en de behaalde resultaten op het gebied van ontwikkeling; benadrukt dat dit juridisch bindend kader na 2020 moet worden behouden; onderstreept dat deze samenwerking moet worden versterkt, en tegelijkertijd de regionale dimensie ervan moet worden ontwikkeld, onder meer via intensievere samenwerking met de AU, de regionale economische gemeenschappen en andere regionale organisaties; pleit voor een meer gestructureerde, pragmatische, alomvattende en strategische benadering van de politieke dialoog in het kader van de onderhandelingen over de overeenkomst na Cotonou;

7.  pleit voor het versterken van de parlementaire dimensie van de ACS-EU-samenwerking; benadrukt dat de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU een uniek platform is voor interactie en een cruciale rol speelt voor het versterken van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten;

8.  onderstreept dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) kansen biedt om het nabuurschapsbeleid en het beleid dat is gericht op de overige Afrikaanse landen beter op elkaar af te stemmen door ruimere kaders vast te stellen voor samenwerking op het gebied van regionale kwesties zoals veiligheid, energie en zelfs migratie;

9.  bevestigt dat, in het kader van het partnerschap tussen Afrika en de EU, een gecoördineerde aanpak nodig is tussen de EU-lidstaten onderling en tussen de EU en haar lidstaten, zoals voorzien in artikel 210 van het VWEU; wijst er evenzo op dat het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in zowel Europese als Afrikaanse beleidsmaatregelen en initiatieven moet worden geëerbiedigd om de SDG's te verwezenlijken;

10.  wenst dat de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling volledig worden opgenomen in de handelsbetrekkingen van de EU met Afrika, hetgeen inhoudt dat afdwingbare clausules inzake handel en duurzame ontwikkeling in alle handelsovereenkomsten van de EU met Afrikaanse landen worden opgenomen, in overeenstemming met de verbintenissen van de Europese Commissie in de strategie "Handel voor iedereen";

11.  herhaalt hoe belangrijk het is dat de lidstaten hun belofte nakomen om 0,7 % van hun bnp beschikbaar te stellen voor officiële ontwikkelingshulp om de samenwerking met Afrika te versterken;

12.  deelt de geuite wens om de banden tussen de EU en Afrika te versterken teneinde het hoofd te bieden aan mondiale bestuurskwesties; benadrukt in dit verband dat de dialoog met de AU moet worden versterkt en dat haar financiële autonomie moet worden verzekerd overeenkomstig het besluit van Kigali over financiering, door de afhankelijkheid van externe financiering te verminderen; neemt kennis van de voorstellen in het door president Paul Kagamé opgestelde verslag, dat gericht is op het versterken van de AU om het proces van politieke integratie in Afrika te stimuleren;

13.  onderstreept de rol van het maatschappelijk middenveld – met inbegrip van ngo's, religieuze organisaties, jongeren- en vrouwenrechtenorganisaties, de privésector, vakbonden, parlementen, lokale overheden en migrantengemeenschappen, elk met hun eigen specifieke kenmerken – bij het versterken van de politieke dialoog tussen de EU en Afrika om een op de bevolking gericht partnerschap te waarborgen;

14.  benadrukt dat de deelname van het maatschappelijk middenveld aan het partnerschap tussen Afrika en de EU moet worden verbeterd door de competenties ervan te versterken, met name door kennis over te dragen en ervoor te zorgen dat het betrokken wordt bij het ontwerp en de uitvoering van relevante hervormingen en beleidslijnen; meent dat het engagement van maatschappelijke organisaties essentieel is voor de publieke verantwoording; steunt de verschillende platformen die zijn opgericht om van het maatschappelijk middenveld een belangrijke speler in het partnerschap te maken, met name het jaarlijkse gezamenlijke forum voor de tenuitvoerlegging van de routekaart EU-Afrika; betreurt niettemin dat het jaarlijkse gezamenlijke forum nooit is bijeengeroepen en verzoekt de EU en de AU onmiddellijk te voorzien in de nodige financiële en politieke middelen om te zorgen voor zinvolle deelname van alle belanghebbenden aan het partnerschap, eveneens in het kader van de vijfde top AU‑EU;

Weerbaardere staten en maatschappijen voor alle mensen, in het bijzonder jongeren, om de SDG's te verwezenlijken

15.  meent dat weerbaarheid, in al zijn vijf dimensies, een belangrijk onderdeel moet worden van de nieuwe strategie EU-Afrika;

Politieke weerbaarheid

16.  dringt erop aan dat goed bestuur, democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten moeten worden bevorderd, evenals de strijd tegen corruptie op de twee continenten, aangezien die elementen onlosmakelijk zijn verbonden met duurzame ontwikkeling;

17.  pleit daarom voor een open en inclusieve dialoog op basis van wederzijds respect, waarbij die waarden en beginselen tot een belangrijk samenwerkingsonderdeel worden gemaakt, met name door de strikte eerbiediging daarvan tot voorwaarde te maken voor ontwikkelingssamenwerking;

18.  benadrukt dat het van essentieel belang is de bestuursproblemen in beide continenten met grotere vastberadenheid aan te pakken om eerlijkere, stabielere en veiligere samenlevingen op te bouwen; onderstreept de noodzaak om de kwestie van de mensenrechten en goed bestuur te blijven aankaarten op basis van bestaande internationale rechtsinstrumenten, wetten, beginselen en mechanismen, ook die van Afrikaanse regionale bestuursorganen zoals het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en de protocollen daarbij, het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur, de Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volkeren en het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volkeren, met als doel om de eigen verantwoordelijkheid te vergroten;

19.  wijst nogmaals op de belangrijke rol van het Internationaal Strafhof voor het bestrijden van straffeloosheid en het handhaven van de waarden vrede, veiligheid, gelijkheid, billijkheid, rechtvaardigheid en herstel die het uitdraagt; roept de Europese Unie en Afrikaanse landen ertoe op het Statuut van Rome en het Internationaal Strafhof te blijven steunen; verzoekt alle ondertekenaars van het Statuut van Rome met klem dit zo spoedig mogelijk te ratificeren;

20.  steunt de organisatie van een gezamenlijke conferentie op hoog niveau tussen de AU en de EU over de verkiezingsprocedures, de democratie en goed bestuur in Afrika en Europa, en wenst dat het Europees Parlement, het pan-Afrikaanse Parlement, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering daar ten volle bij worden betrokken; roept ertoe op de banden tussen de verschillende Parlementaire Vergaderingen te versterken om de synergieën en de samenhang van gezamenlijke acties te bevorderen;

Weerbaarheid op het gebied van veiligheid

21.  herhaalt dat veiligheid en ontwikkeling nauw onderling verbonden zijn; wijst erop dat het van belang is om veiligheidszorgen en ontwikkelingsdoelstellingen beter te integreren, om de specifieke problemen van kwetsbare staten aan te pakken en weerbaardere staten en samenlevingen op te bouwen; merkt op dat dit moet gebeuren via specifieke instrumenten en bijkomende financiering;

22.  dringt aan op nauwere samenwerking tussen de EU en Afrika op het gebied van veiligheid en justitie met betrekking tot het internationale rechtskader zodat problemen op een alomvattende manier kunnen worden aangepakt en beter het hoofd kan worden geboden aan georganiseerde misdaad, mensenhandel en ‑smokkel – in het bijzonder wanneer het om kinderen gaat – en terrorisme; is van mening dat de acties van de EU moeten beantwoorden aan de strategieën die zijn aangenomen door de Afrikaanse landen, met name de strategieën op het vlak van vrede en veiligheid die zijn vermeld in de Agenda 2063;

23.  wijst op het belang van samenwerking op het gebied van veiligheid tussen de EU, AU, regionale organisaties en andere betrokken politieke actoren in Afrika om bij te dragen tot het vermogen van ontwikkelingslanden om hun veiligheidssector te hervormen en om activiteiten op het gebied van ontwapening, demobilisatie en herintegratie van voormalige strijders te ondersteunen;

24.  brengt in herinnering dat terrorisme een wereldwijde bedreiging vormt voor regionale vrede en stabiliteit, duurzame ontwikkeling en interne veiligheid, en op gecoördineerde wijze moet worden aangepakt door nationale regeringen, regionale en internationale organisaties en EU-agentschappen; roept op tot betere samenwerking binnen de strategie EU-Afrika met het oog op het voorkomen van straffeloosheid, het bevorderen van de rechtsstaat en het uitbreiden van de politiële en justitiële capaciteiten, om de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen te vergemakkelijken en de financiering van terrorisme te voorkomen, tegen te gaan, te bestrijden en te vervolgen; merkt op dat de strategie voor terrorismebestrijding ook maatregelen moet omvatten voor de bevordering van de interreligieuze dialoog en de preventie van radicalisering en het daaruit voortvloeiende gewelddadige extremisme in Afrika en Europa, met name onder jongeren;

25.  wijst andermaal op het belang van de verschillende missies en acties van de EU in Afrika; is ingenomen met de oprichting van de G5 Sahel Joint Force; dringt erop aan dat de Europese acties voor vrede en veiligheid worden aangescherpt in samenwerking met de Afrikaanse en internationale partners en dat de volledige inwerkingstelling van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (APSA) wordt ondersteund; vraagt de EU een eerste bijdrage te leveren aan het vredesfonds van de AU ten behoeve van activiteiten onder de rubriek "bemiddeling en diplomatie";

Weerbaarheid op het gebied van milieu

26.  herinnert eraan dat Afrika bijzonder kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering; is van mening dat de EU een strategische aanpak voor de opbouw van klimaatveerkracht moet ontwikkelen en de Afrikaanse landen, met name de minst ontwikkelde landen, dienovereenkomstig moet steunen bij hun inspanningen om de broeikasgassen te verminderen en om zich aan te passen; wijst op het belang van klimaatverandering als een risicoverhogende factor voor conflicten, droogte, hongersnood en migratie, zoals is gebleken uit de recente uitbraak van hongersnood in Zuid-Sudan, Nigeria en Somalië; herinnert er in dit verband aan dat ruchtbaarheid moet worden gegeven aan de in 2015 in Parijs gedane toezegging om tegen 2020 100 miljard USD toe te kennen aan ontwikkelingslanden, en dat deze toezegging moet worden nagekomen; pleit voor nieuwe samenwerkingsvormen tussen Afrika en de EU waarmee de belemmeringen voor de financiering en de overdracht van technologie worden verminderd;

27.  benadrukt dat Afrika een rijk en gevarieerd natuurlijk milieu heeft; meent dat de bescherming van biodiversiteit centraal moet staan in de politieke agenda van de EU en AU; dringt erop aan dat de strategie EU-Afrika aansluit op de prioriteiten van het Actieplan van de EU tegen de illegale handel in wilde dieren en planten en bescherming biedt aan natuurlijk erfgoed en natuurparken in het bijzonder;

28.  is voorstander van meer investeringen op het gebied van hernieuwbare energie en de kringloopeconomie om maatregelen die bijdragen tot respect voor het milieu en het scheppen van werkgelegenheid, verder te stimuleren; herinnert eraan dat het garanderen van toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energie voor allen van essentieel belang is om te voldoen aan de basisbehoeften van de mens, essentieel is voor bijna alle vormen van economische bedrijvigheid en een belangrijke drijvende kracht voor ontwikkeling is; roept de EU op het Afrikaanse Initiatief voor hernieuwbare energie (AREI) te blijven ondersteunen en is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een nieuw Europees-Afrikaans onderzoeks- en innovatiepartnerschap inzake klimaatverandering en duurzame energie op te starten;

29.  verzoekt het partnerschap Afrika-EU zich te richten op landbouw en voedselzekerheid met een langetermijnperspectief en synergieën tussen voedselzekerheid en klimaatacties te bevorderen; dringt er in dit verband bij de EU op aan haar steun aan duurzame landbouw, agrobosbouw en agro-ecologische methoden op te schroeven, met eerbiediging van traditioneel landgebruik, en de toegang tot land, water en open-sourcezaden te waarborgen; roept de EU er eveneens toe op kleinschalige producenten/landbouwers en nomadische veehouders te steunen bij het verwezenlijken van voedselzekerheid middels de opbouw van en investeringen in infrastructuur in overeenstemming met de Beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen van het CFS, en de oprichting van coöperaties te ondersteunen; wijst eveneens op de capaciteiten en de ervaring die maatschappelijke organisaties op communautair niveau hebben opgedaan met betrekking tot duurzame energie;

30.  is verheugd over de initiatieven van de EU om een beter beheer en een transparantere handel van de natuurlijke hulpbronnen te eisen; is van mening dat landen met veel grondstoffen en hun bevolking door middel van een duurzaam beheer van en duurzame handel in natuurlijke hulpbronnen – zoals mineralen, hout en wilde dieren – daar meer van kunnen profiteren; herhaalt zijn verzoek om in het kader van de EU-wetgeving inzake conflictmineralen aanvullende maatregelen te nemen met het oog op een geïntegreerde benadering die bijdraagt tot de toepassing van internationale zorgvuldigheidsnormen, zoals omschreven in de richtsnoeren van de OESO; pleit voor het uitwerken van een gemeenschappelijk handvest van de EU en Afrika over duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen;

Economische weerbaarheid

31.  meent dat een stabiel institutioneel en regelgevend kader en een gezonde economie van essentieel belang zijn voor de versterking van het concurrentievermogen, de investeringen, het creëren van banen, de verbetering van de levensstandaard en duurzame groei; beklemtoont in dit verband dat de digitale toegankelijkheid van informatie over het vennootschapsrecht moet worden verbeterd; wijst er nogmaals op dat economische groei zonder een onpartijdige staat geen garantie vormt voor sociale ontwikkeling of vooruitgang en dringt aan op de herverdeling van rijkdom, de verlening van diensten aan burgers en de verbetering van gelijke kansen;

32.  roept op tot nauwere samenwerking tussen de Europese en de Afrikaanse privésector en tot het concentreren van investeringen, met name via publiek-private partnerschappen, op basis van een strikte ethische code en de eerbiediging van de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen, in belangrijke sectoren zoals:

   duurzame energie, waaronder toegang tot elektriciteit voor iedereen,
   basisinfrastructuur, met name in de vervoersector, met inbegrip van maritiem vervoer,
   duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
   duurzame landbouw,
   de "blauwe economie", waaronder de maritieme industrie,
   onderzoek, wetenschap, technologie en innovatie, zowel met betrekking tot onderwerpen van gemeenschappelijk belang als onderwerpen die vooral een van beide continenten aangaan, zoals armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten,
   digitalisering als een cruciale factor voor de ontwikkeling van de Afrikaanse economie, maar ook voor het verbinden van volkeren;

33.  benadrukt dat regionale integratie een drijvende kracht achter economische ontwikkeling vormt en noodzakelijk is in een geglobaliseerde wereld; dringt aan op steun voor een Zuid-Zuid-samenwerking die beantwoordt aan de geleidelijke transformatie van het Afrikaanse continent; steunt de oprichting van een continentale vrijhandelszone in Afrika, evenals de doelstelling om de handel binnen Afrika tegen 2050 te verhogen tot 50 %; herinnert eveneens aan de ontwikkelingsperspectieven die worden geboden door economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) en de handelsovereenkomsten tussen de EU en Afrikaanse landen, die de mogelijkheid bieden om duurzame ontwikkeling, de mensenrechten en eerlijke en ethische handel te bevorderen; onderstreept dat gezorgd moet worden voor regels van oorsprong die de ontwikkeling ondersteunen, effectieve vrijwaringsclausules, asymmetrische liberaliseringsprogramma's, de bescherming van opkomende industrieën, en de vereenvoudiging en transparantie van douaneprocedures; herinnert eraan dat EPO's tot doel hebben de ACS-landen te helpen hun markten te vergroten, de uitwisseling van goederen aan te moedigen en investeringen te stimuleren, en dat ze voorzien in een trage, geleidelijke en asymmetrische openstelling van de goederenhandel tussen de EU en de ACS-landen;

34.  verzoekt om transparantie in handelsovereenkomsten en om de volledige deelname van alle belanghebbenden – inclusief het maatschappelijk middenveld in de betrokken landen, door middel van officiële raadplegingen – aan toekomstige onderhandelingen en aan de uitvoering van overeenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld;

35.  vraagt de EU en de lidstaten hun programma's voor hulp voor handel beter op elkaar af te stemmen en te zorgen voor meer synergie met hun investeringsbeleid in Afrika; vraagt ze voorts hun financiële engagement ten aanzien van hulp voor handel en initiatieven voor technische bijstand en capaciteitsopbouw te vergroten, aangezien deze essentieel zijn voor Afrikaanse landen en met name de minst ontwikkelde landen;

36.  is van oordeel dat de privésector, van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) tot coöperaties en multinationals, een beslissende rol speelt bij het scheppen van werkgelegenheid en bij het ontwikkelingsproces, en bijdraagt aan de financiering daarvan; benadrukt de bijzondere rol van kmo's en kleine familiebedrijven, en pleit voor steun voor eigen initiatieven; is in dit verband ingenomen met de oprichting van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, dat gericht moet zijn op het ondersteunen van de privésector in de Afrikaanse landen, in het bijzonder lokale ondernemingen en kmo's in fragiele staten, en zo investeringen en het scheppen van duurzame werkgelegenheid moet bevorderen, met name voor vrouwen en jongeren;

37.  herinnert aan de verplichtingen waaraan de particuliere sector moet voldoen in het kader van de richtsnoeren van de Verenigde Naties en de OESO, en herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten van de EU en de AU om constructief deel te nemen aan de intergouvernementele werkgroep van de VN inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, om zo tot een internationaal bindend verdrag te komen dat gebaseerd is op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, wat betreft de wijze waarop ondernemingen mensenrechten en hun verplichtingen op het gebied van sociale, arbeids- en milieunormen in acht moeten nemen;

38.  benadrukt dat fatsoenlijke banen moeten worden gecreëerd en dat deze moeten worden gekoppeld aan investeringen, en dat dit binnen het kader van het partnerschap Afrika-EU moet gebeuren; dringt in dit verband aan op naleving van de IAO-normen; onderstreept het belang van de wisselwerking tussen sociale, economische en institutionele actoren, en pleit ervoor de rol van de sociale partners te vergroten door de doeltreffendheid van de sociale dialoog op alle niveaus te stimuleren, hetgeen bevorderlijk is voor collectieve onderhandelingen;

39.  betreurt dat elk jaar ongeveer 50 miljard USD Afrika verlaat in de vorm van illegale geldstromen, wat meer is dan het totaalbedrag van de jaarlijkse officiële ontwikkelingshulp, en de inspanningen voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten ondermijnt; verzoekt beide partijen bijgevolg om:

   te voorzien in doeltreffende instrumenten voor de bestrijding van belastingontduiking, belastingfraude en corruptie, en openbare transparantie te bieden over wie de uiteindelijke begunstigde is van juridische entiteiten, trusts en soortgelijke constructies,
   de door de VN ondersteunde beginselen voor verantwoord investeren te onderschrijven,
   steun te verlenen voor initiatieven ter verbetering van de efficiëntie en transparantie van openbare financiële beheersystemen;

40.  roept er voorts toe op de VN-richtsnoeren inzake schulden en mensenrechten alsook de beginselen voor het bevorderen van het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van overheidskrediet van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) doeltreffend ten uitvoer te leggen; is ingenomen met de inspanningen van de Verenigde Naties voor een internationaal schuldherstructureringsmechanisme;

41.  pleit voor meer financiële inclusie in Afrika, ook van vrouwen, via de ontwikkeling van elektronisch bankieren, teneinde de polarisatie van de Afrikaanse samenleving tegen te gaan; herinnert eraan dat geldovermakingen een grotere geldstroom naar ontwikkelingslanden vormen dan de totale officiële ontwikkelingshulp en een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren tot de verwezenlijking van Agenda 2030; spoort de EU er daarom toe aan de inspanningen van de AU ter verbetering van geldovermakingsmechanismen verder te ondersteunen;

Sociale weerbaarheid

42.  erkent het belang van de demografische dynamiek in Afrika, die vraagt om een strategische visie op lange termijn om duurzame, inclusieve en participatieve samenlevingen te ontwikkelen; benadrukt eveneens dat niet-discriminatie moet worden gegarandeerd van kwetsbare groepen, waaronder personen met een handicap en inheemse volkeren; erkent dat de bevolkingsgroei in Afrika een uitdaging vormt voor de lokale economie maar eveneens een kans voor het continent; verzoekt de EU derhalve zich te engageren voor de bevordering van passend overheidsbeleid en investeringen in onderwijs en gezondheidszorg, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, zodat jonge mensen weloverwogen beslissingen kunnen nemen met betrekking tot hun seksuele en reproductieve gezondheid, gendergelijkheid en kinderrechten, zonder welke geen sociale, economische en ecologische veerkracht kan worden bereikt;

43.  benadrukt dat de verstedelijking in Afrika continu toeneemt en een uitdaging vormt voor de samenleving, de economie en het milieu; vraagt om oplossingen voor deze stedelijke druk en roept ertoe op om de problemen van ongebreidelde verstedelijking te verlichten;

44.  verzoekt de EU en de AU de Afrikaanse nationale onderwijsstelsels te versterken, met inbegrip van de capaciteit van de bestuurlijke structuren, door minstens 20 % van hun nationale begroting te investeren in onderwijs en de steun van de EU aan het wereldwijde partnerschap voor onderwijs (Global Partnership for Education, GPE) en het fonds Education Cannot Wait (ECW) te verhogen;

45.  onderstreept de noodzaak van universele, inclusieve en billijke toegang op de lange termijn tot kwalitatief onderwijs op alle niveaus, vanaf de vroege kinderjaren en voor iedereen, met bijzondere aandacht voor meisjes, ook in crisis- en noodsituaties;

46.  benadrukt dat er in menselijk kapitaal moet worden geïnvesteerd en dat de jeugd vertrouwd moet worden gemaakt met de mondiale realiteit en over vaardigheden moet beschikken die beantwoorden aan de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt, door het bevorderen van onderwijsstelsels en beroepsopleidingen (zowel formele als informele), zelfstandigheid en ondernemerschap;

47.  acht het belangrijk de Afrikaanse landen te steunen bij het invoeren van performante gezondheidszorgstelsels en het waarborgen van kwaliteitsvolle gezondheidsdiensten voor iedereen, en met name bij het wegnemen van de belemmeringen voor vrouwen en andere kwetsbare groepen, zoals kinderen, mensen met een handicap en LGBTI;

48.  roept op tot de invoering van een minimale universele dekking van de gezondheidszorg via de oprichting van nationale horizontale gezondheidszorgstelsels; benadrukt dat op basis van de huidige tendens een miljoen geschoolde zorgverleners méér moet worden opgeleid dan aanvankelijk gepland om tegen 2030 aan de minimumeisen van de WHO te voldoen;

49.  benadrukt dat infectieziekten een ernstige bedreiging vormen voor de sociale veerkracht; vraagt de Commissie de inspanningen op het vlak van wetenschappelijke en medische samenwerking tussen de beide continenten op te voeren, zoals het partnerschapsprogramma voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP2), en te investeren in wetenschap, technologie en innovatie om via ontwikkelingssamenwerking het hoofd te bieden aan de nog steeds enorme last van armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten;

50.  wijst er andermaal op dat meer moet worden geïnvesteerd in de toegang tot kraamzorg en seksuele en reproductieve gezondheid om moeder- en kindersterfte terug te dringen en traditionele praktijken zoals genitale verminking van vrouwen en gedwongen en/of kindhuwelijken aan te pakken;

51.  onderstreept het belang van gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen in de samenwerking tussen de EU en Afrika; benadrukt de positieve rol en participatie van vrouwen in het politieke en economische domein, conflictpreventie en de opbouw van duurzame vrede;

52.  merkt op dat cultuur zowel een facilitator als een belangrijk onderdeel is van ontwikkeling, en dat het een instrument kan zijn voor sociale inclusie, vrijheid van meningsuiting, identiteitsopbouw, burgeremancipatie en het voorkomen van conflicten, en tegelijkertijd de economische groei versterkt; nodigt daarom de EU en de AU uit de interculturele politieke dialoog en de culturele diversiteit te bevorderen en steun te verlenen aan strategieën voor de bescherming van cultuur en erfgoed; beklemtoont dat democratie een universele waarde is die in alle culturen kan worden ingepast; erkent evenzo de rol van sport als bron en stimulans van sociale integratie en gendergelijkheid;

Opzet van een strategie voor mobiliteit en migratiestromen die bijdragen aan de ontwikkeling van de twee continenten

53.  herinnert eraan dat migratie en mobiliteit tussen en binnen Europa en Afrika invloed hebben op economisch, sociaal, politiek en milieugebied, en dat deze uitdaging op gecoördineerde en integrale wijze door de twee continenten moet worden aangegaan, in samenwerking met landen van herkomst, doorreis en bestemming; meent dat synergieën hierbij maximaal moeten worden benut en gebruik moet worden gemaakt van alle relevante EU-beleidslijnen en ‑instrumenten, op basis van solidariteit, het delen van verantwoordelijkheden, respect en menselijke waardigheid; wijst er in dit verband op dat de dialoog tussen Afrika en de EU moet worden aangescherpt vóór aanvang van de onderhandelingen over de twee Global Compacts over respectievelijk migratie en vluchtelingen, die tegen 2018 door de VN zullen worden opgesteld, om waar mogelijk gemeenschappelijke prioriteiten te kunnen vaststellen;

54.  herinnert eraan dat het positieve effect van migratie en mobiliteit moet worden vergroot zodat deze verschijnselen worden gezien als instrumenten voor wederzijdse ontwikkeling voor de twee continenten; beklemtoont dat dit vraagt om een zorgvuldig ontworpen, evenwichtige, op feiten gebaseerde en duurzame beleidsreactie met een langetermijnstrategie die rekening houdt met de demografische perspectieven en de onderliggende oorzaken van migratie;

55.  is zich ervan bewust dat gewelddadige conflicten, vervolging, ongelijkheid, schending van mensenrechten, zwak bestuur, corruptie, terrorisme, repressieve regimes, natuurrampen, klimaatverandering, werkloosheid en chronische armoede de voorbije jaren hebben geleid tot verplaatsingen van bevolkingsgroepen en een toename van de migratie naar Europa; wijst er desalniettemin op dat meer dan 85 % van de Afrikaanse migranten die hun land verlaten binnen het Afrikaanse continent blijft;

56.  steunt de verscheidene initiatieven op Europees niveau om de diepere oorzaken van irreguliere migratie aan te pakken, met name migratiepartnerschappen, trustfondsen voor Afrika en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling; dringt erop aan dat de tenuitvoerlegging daarvan wordt gewaarborgd en op flexibele, efficiënte, samenhangende en transparante wijze wordt voortgezet om eventuele synergieën tussen de verschillende instrumenten, programma's en activiteiten te vergroten, zowel in het interne als externe optreden; benadrukt de noodzaak van intensievere samenwerking op het gebied van grensbeheer;

57.  herhaalt zijn verzoek om de bevordering van legale migratie, in overeenstemming met de aanbevelingen van het actieplan van Valletta; benadrukt voorts dat ontwikkelingshulp niet afhankelijk mag zijn van samenwerking op het gebied van migratiezaken;

58.  dringt er bij de lidstaten op aan hun hervestigingsplaatsen aan een groot aantal vluchtelingen aan te bieden; roept in dit verband op tot de oprichting van een Europees hervestigingskader dat eenvoudig uitvoerbaar is voor de lidstaten; roept de Europese Unie en haar lidstaten voorts op samen te werken met en hulp te bieden aan Afrikaanse landen die geconfronteerd worden met vluchtelingenstromen of langdurige crisissituaties, om hun asielcapaciteit en beschermingssystemen te versterken;

59.  verzoekt de lidstaten met klem hun financiële bijdragen aan trustfondsen en andere faciliteiten te verhogen met als doel om inclusieve en duurzame groei te ondersteunen en de werkgelegenheid te stimuleren en op die manier een bijdrage te leveren aan het aanpakken van de onderliggende oorzaken van migratie; wenst eveneens dat het Europees Parlement een grotere controlerende rol krijgt om te waarborgen dat migratiepartnerschappen en financieringsinstrumenten verenigbaar zijn met de rechtsgrond, de beginselen en de toezeggingen van de EU;

60.  dringt er bij de EU en de AU op aan de uitwisseling van studenten, onderwijzers, ondernemers en onderzoekers tussen beide continenten te bevorderen; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om een faciliteit voor de Afrikaanse jeugd op te zetten door het toepassingsgebied van Erasmus+ uit te breiden en een EU-faciliteit voor beroepsonderwijs en ‑opleiding in het leven te roepen; roept op tot een discussie over de erkenning door de EU van getuigschriften en diploma's van Afrikaanse scholen en universiteiten; wijst erop dat het waarborgen van circulaire migratie essentieel is voor duurzame ontwikkeling en voor het voorkomen van een braindrain vanuit het Afrikaanse continent;

61.  erkent de bijzondere positie van de migrantengemeenschappen, zowel in de gastlanden als in de landen van herkomst, wat betreft de overdracht van aanzienlijke fondsen en als ontwikkelingspartner op nationaal en regionaal niveau; zou graag zien dat de migrantengemeenschappen dienstdoen als een bron van informatie die aansluit op de reële behoeften van de betrokkenen, door te wijzen op de gevaren die verband houden met irreguliere migratie en op de uitdagingen met betrekking tot integratie in gastlanden;

o
o   o

62.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie en hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie van de Afrikaanse Unie, de ACS-Raad, het pan-Afrikaans Parlement en het Bureau van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0371.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0246.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0437.


Werkzaamheden van de Europese Ombudsman in 2016
PDF 193kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over het jaarverslag over de activiteiten van de Europese ombudsman in 2016 (2017/2126(INI))
P8_TA(2017)0449A8-0328/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Jaarverslag over de activiteiten van de Europese Ombudsman in 2016,

–  gezien artikel 15 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 24 en 228 van het VWEU,

–  gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(1),

–  gezien de Europese code van goed administratief gedrag(2), zoals door het Europees Parlement op 6 september 2001 goedgekeurd,

–  gezien de raamovereenkomst over samenwerking die op 15 maart 2006 is gesloten tussen het Europees Parlement en de Ombudsman, en die op 1 april 2006 in werking is getreden,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman,

–  gezien artikel 220, lid 1, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften (A8‑0328/2017),

A.  overwegende dat het jaarverslag 2016 over de werkzaamheden van de Europese Ombudsman op 17 mei 2017 officieel werd aangeboden aan de Voorzitter van het Parlement en dat de ombudsman, Emily O'Reilly, haar verslag op 30 mei 2017 in Brussel aan de Commissie verzoekschriften heeft voorgelegd;

B.  overwegende dat de artikelen 24 en 228 van het VWEU de Europese Ombudsman in staat stellen klachten te ontvangen betreffende gevallen van wanbeheer in de werkzaamheden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak;

C.  overwegende dat in artikel 15 van het VWEU staat 'om goed bestuur te bevorderen en de deelneming van het maatschappelijk middenveld te waarborgen, werken de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid', en 'iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie'; overwegende dat het waarborgen van de kwaliteit van de diensten die het EU-bestuur de burgers van de EU biedt, en dat de snelheid waarmee het bestuur van de EU op hun behoeften en zorgen reageert, van essentieel belang zijn om de rechten en fundamentele vrijheden van de burgers te beschermen;

D.  overwegende dat in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten staat 'eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld';

E.  overwegende dat in artikel 43 van het Handvest van de grondrechten staat 'iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht zich tot de Europese ombudsman te wenden in verband met gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak';

F.  overwegende dat de eerste prioriteit van de Europese Ombudsman is te zorgen dat de rechten van de burger volledig worden geëerbiedigd en dat het recht op behoorlijk bestuur van instellingen, organen en agentschappen van de EU van de hoogste normen uitgaat;

G.  overwegende dat in 2016 15 797 burgers de diensten van de Ombudsman om hulp hebben gevraagd, van wie 12 646 advies hebben gekregen middels de interactieve gids op de website van de Ombudsman, en dat van de resterende gevallen 1 271 gevallen naar elders zijn doorgestuurd voor nadere informatie, en dat 1 880 gevallen door de Ombudsman zijn behandeld als klacht;

H.  overwegende dat van de in totaal 1 880 klachten die door de Ombudsman in 2016 zijn verwerkt, 711 binnen het bereik van de taakomschrijving van de ombudsman vielen, en 1 169 daarbuiten;

I.  overwegende dat de Ombudsman in 2016 245 onderzoeken opende, waarvan 235 uitgingen van een klacht en 10 werden verricht op eigen initiatief, terwijl 291 onderzoeken werden afgesloten (waarvan 278 op basis van een klacht en 13 op eigen initiatief); overwegende dat de meeste klachten betrekking hadden op de Commissie (58,8 %), gevolgd door de EU-agentschappen (12,3 %), het Parlement (6,5 %), het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) (5,7 %), de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) (4,5 %), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (0,8 %) en overige instellingen (11,4 %);

J.  overwegende dat de Ombudsman elk jaar een groot aantal klachten van individuen en organisaties ontvangt over de EU-administratie, en verder overwegende dat de top drie van zorgen in de door de Ombudsman in 2016 afgesloten onderzoeken betrekking had op: transparantie en publieke toegang tot informatie en documenten (29,6 %); goed beheer van kwesties met betrekking tot EU-personeel (28,2 %); en de cultuur van dienstverlening (25,1 %); overwegende dat overige kwesties onder meer het juiste gebruik van beoordelingsbevoegdheid, met inbegrip van inbreukprocedures, gezond financieel beheer van EU‑subsidies en ‑contracten, en respect voor procedurele en grondrechten zijn; overwegende dat de relevantie van deze onderwerpen de centrale rol van de Ombudsman benadrukt bij het waarborgen van de volledige transparantie en onpartijdigheid van de besluitvormingsprocessen en het bestuur op EU-niveau, met het oog op de bescherming van de rechten van de burgers en het versterken van hun vertrouwen en geloof in de instituties;

K.  overwegende dat de diensten van de Ombudsman door middel van strategische werkzaamheden in 2016 5 strategische onderzoeken hebben afgesloten en 4 nieuwe hebben geopend over onder meer mogelijke belangenconflicten van speciale adviseurs en vertragingen in chemische tests, en daarnaast op eigen initiatief 10 nieuwe strategische onderzoeken hebben geopend;

L.  overwegende dat de Ombudsman een breed strategisch onderzoek heeft geopend naar de manier waarop de Commissie haar speciale adviseurs aanstelt en beoordelingen van belangenconflicten in verband met haar speciale adviseurs verricht, die vaak tegelijkertijd voor opdrachtgevers uit de particuliere sector én de EU werken;

M.  overwegende dat de Ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar de gedragscode voor leden van de raad van bestuur van de Europese Investeringsbank (EIB), erop wijzende dat deze niet voorziet in de verplichting om een belangenverklaring in te dienen of financiële belangen openbaar te maken;

N.  overwegende dat de financiële crisis heeft geleid tot een economische en sociale crisis, resulterend in ondermijning van de geloofwaardigheid van de Europese instellingen;

O.  overwegende dat het – door de Commissie in de periode 2009‑2014 – niet aanpakken van de overtreding van de gedragscode voor leden van de Commissie door een oud-lid van de Commissie en het niet instellen van een behoorlijk onderzoek naar de verenigbaarheid van de arbeidsovereenkomst die het lid van de Commissie met een opdrachtgever uit de particuliere sector was aangegaan met de bepalingen in het EU‑Verdrag, op wanbeheer neerkomt; overwegende dat de gevallen van wanbeheer met betrekking tot de activiteiten van commissarissen, met inbegrip van de voorzitter van de Commissie, na afloop van hun mandaatsperiode bij de burgers het wantrouwen tegenover deze instelling vergroten;

P.  overwegende dat de Ombudsman tevens samenwerkt met andere internationale organisaties, zoals de VN, en deel uitmaakt van het EU-kader voor het VN-verdrag over de rechten van personen met een handicap (CPRD), dat de tenuitvoerlegging van het verdrag in kwestie op het niveau van de EU-instellingen moet beschermen, bevorderen en bewaken;

Q.  overwegende dat volgens de Flash Eurobarometer over het burgerschap van de Unie van maart 2016 9 van de 10 Europese burgers (87 %) bekend zijn met hun status als burger van de Unie en met het recht om een klacht in te dienen bij het Parlement, de Commissie of de Ombudsman;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het jaarverslag over 2016 dat de Europese Ombudsman heeft overgelegd en prijst de heldere en eenvoudig leesbare presentatie waarin de belangrijkste feiten en cijfers over de werkzaamheden van de ombudsman in 2016 zijn uiteengezet;

2.  feliciteert Emily O'Reilly met haar uitstekende werk ter verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van de diensten van de Ombudsman en voor haar constructieve samenwerking en positieve betrekkingen met het Parlement, in het bijzonder de Commissie verzoekschriften, en met overige EU-instellingen, ‑organen, ‑kantoren en ‑agentschappen;

3.  erkent de rol van strategische onderzoeken en initiatieven en ondersteunt de strategische onderzoeken die tot dusver door de Ombudsman zijn uitgevoerd, waarbij op eigen initiatief strategisch belangrijke kwesties zijn aangekaart die in het algemeen belang zijn van de Europese burger; looft de inspanningen van de ombudsman om beter gebruik te maken van haar strategische werkzaamheden door toe te staan dat op klachten gebaseerde zaken met vergelijkbare inhoud gezamenlijk worden behandeld;

4.  is verheugd over het streven van de Ombudsman om terstond en doelmatig in te gaan op de behoeften en zorgen van EU-burgers, en ondersteunt de nieuwe werkmethoden en de gestroomlijnde klachtenbehandelingsprocedure die in 2016 zijn geïntroduceerd en die de meer flexibiliteit en efficiëntie mogelijk maken en die van invloed zijn op een groter aantal burgers;

5.  deelt de zienswijze dat de huidige, ongekende uitdagingen waar de EU voor staat, zoals de werkloosheid, de economische en sociale ongelijkheid, de migratiecrisis en de brexit, vereisen dat alle instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie, met inbegrip van de Ombudsman, zich meer en met grotere vastberadenheid moeten inzetten om de sociale rechtvaardigheid, verantwoording en transparantie op EU-niveau op een zo hoog mogelijk peil te brengen;

6.  benadrukt dat het noodzakelijk is de sociale dialoog te versterken;

7.  benadrukt dat het in de huidige economische situatie van het allergrootste belang is dat de burgers vertrouwen hebben in de instellingen;

8.  merkt op dat het bureau van de Ombudsman het op een na hoogste nalevingspercentage van zijn besluiten en/of aanbevelingen tot nu toe heeft bereikt; beveelt de Ombudsman aan waakzaam te blijven, te achterhalen waarom zijn aanbevelingen niet worden nageleefd en het Parlement ervan op de hoogte te stellen indien het EU-bestuur opnieuw in dezelfde fout vervalt;

9.  wijst op het afnemende aantal onderzoeken dat in 2016 door de Ombudsman met betrekking tot EU-instellingen is verricht (245 in 2016, 261 in 2015); verzoekt de instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de EU met klem om binnen een redelijk tijdsbestek in te gaan en te reageren op de kritische opmerkingen van de Ombudsman en in hogere mate te voldoen aan de aanbevelingen en/of beslissingen van de Ombudsman;

10.  merkt op dat in 2016 het merendeel van de door de Ombudsman behandelde gevallen binnen 12 maanden werd afgesloten en dat het gemiddeld 10 maanden duurde voordat een onderzoek werd afgesloten, terwijl slechts 30 % van de gevallen na 12 maanden of langer werd afgesloten; dringt er bij de Ombudsman op aan haar werkmethoden verder te verbeteren en de behandeling van klachten te verkorten, met name voor gevallen die na 12 maanden nog niet afgesloten zijn, zonder de efficiëntie van de werkzaamheden in het gedrang te brengen;

11.  merkt op dat onderzoeken in verband met transparantie, met name met betrekking tot de transparantie van het besluitvormingsproces, transparantie ten aanzien van lobbyactiviteiten, en de toegang tot EU-documenten, het leeuwendeel van alle gevallen uitmaken, gevolgd door andere problemen in verband met een waaier aan onderwerpen, variërend van de schending van grondrechten tot EU-contracten en ‑subsidies;

12.  benadrukt de cruciale rol van transparantie, goed bestuur en institutionele checks-and-balances in het werk van de EU-instellingen; betreurt dat onderzoeken met betrekking tot transparantie en de toegang tot informatie en documenten stelselmatig goed zijn voor meer dan 20 % van alle kwesties die bij de Ombudsman worden ingediend en door de jaren heen een grote zorg van de burgers van de EU zijn; verzoekt de EU-instellingen zich met betrekking tot de publicatie van informatie en documenten proactief op te stellen, teneinde de transparantie te vergroten en het wanbeheer te reduceren;

13.  is van mening dat maximale transparantie betreffende en toegang tot documenten van de EU de regel moet zijn; herinnert aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, die bepaalt dat het publiek recht heeft op toegang tot de documenten van de instellingen, organen en andere agentschappen van de Unie, en dat mogelijke uitzonderingen op en vrijstellingen van deze regel altijd dienen te worden afgewogen tegen de beginselen van transparantie en democratie, als een conditio sine qua non voor de uitoefening van hun democratische rechten; is van oordeel dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 aan herziening toe is om ervoor te zorgen dat de Ombudsman meer mogelijkheden krijgt om erop toe te zien dat het Parlement, de Raad en de Commissie toegang tot documenten verlenen;

14.  vraagt de Commissie de transparantie ten aanzien van en de toegang tot documenten en informatie met betrekking tot de EU-Pilotprocedures inzake ontvangen verzoekschriften en met betrekking tot de EU Pilot- en inbreukprocedures die inmiddels zijn beëindigd, te verbeteren; onderstreept het belang van regelmatig vervolgoverleg met het Parlement door de Commissie; dringt aan op voortzetting van het strategisch onderzoek van de Ombudsman naar de transparantie van de Commissie bij de afhandeling van inbreukprocedures in het kader van EU Pilot-procedures en vraagt de Ombudsman met klem vastbesloten en waakzaam te zijn bij voortzetting van het onderzoek naar de kwestie in 2017; is van mening dat onredelijke vertragingen bij de behandeling van geïnitieerde inbreuk- en EU-Pilotprocedures, ook onder wanbeheer kunnen vallen;

15.  prijst de vastbeslotenheid waarmee de Ombudsman probeert de hoogste mate van transparantie in het besluitvormingsproces in de EU te bereiken; beklemtoont dat er toezicht moet worden gehouden op de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Ombudsman voor transparantie in de trialogen; verzoekt de Raad en de Commissie relevante informatie openbaar te maken over de in de trialogen genomen besluiten; wijst nogmaals op de behoefte aan volledige en verbeterde transparantie in de handelsakkoorden en onderhandelingen, en vraagt de Ombudsman zich in te blijven zetten om toezicht te houden op de transparantie bij alle onderhandelingen over handelsakkoorden van de EU met derde landen, er rekening mee houdende dat dit de onderhandelingspositie van de EU niet mag ondermijnen;

16.  herinnert aan het belang van transparantie van alle EU-instellingen bij de onderhandelingen tussen de EU en het VK over de terugtrekking van laatstgenoemde uit de Unie, zonder dat de onderhandelingspositie van de partijen in het gedrang komt; roept de Ombudsman op toe te zien op de naleving van transparantie in het gehele onderhandelingsproces over deze terugtrekking;

17.  verzoekt om meer transparantie in het economische en financiële besluitvormingsproces van de EU, met name op het vlak van het bankentoezicht dat wordt verricht door Europese Centrale Bank; steunt bovendien de aanbevelingen van de Ombudsman om de transparantie van de EIB en de Eurogroep te vergroten, en hun interne ethiekregels aan te scherpen, en neemt kennis van haar recente inspanningen in dit verband en erkent dat Verordening (EG) nr. 1049/2001 niet van toepassing is op de Eurogroep, aangezien dit geen instelling of orgaan in de zin van de Verdragen is; dringt aan op opvolging van de aanbevelingen van de Ombudsman met betrekking tot de herziening van het klachtenmechanisme van de EIB, en benadrukt het belang van een onafhankelijk klachtenmechanisme; vraagt de Ombudsman actiever te waarborgen dat het nieuwe klachtenmechanisme van de EIB geloofwaardig en efficiënt blijft, met respect voor de beginselen van operationele onafhankelijkheid, transparantie, toegankelijkheid, punctualiteit en toereikende middelen;

18.  betuigt zijn volledige steun aan het uiteindelijke doel van de Ombudsman, namelijk de structuren en instituten voor verantwoordingsplicht en transparantie op EU-niveau helpen versterken, en de kwaliteit van de democratie in Europa verbeteren;

19.  neemt kennis van de bevindingen van de Ombudsman inzake wanbeheer met betrekking tot de gedragscode voor commissarissen; beklemtoont het belang van hoge morele en ethische normen binnen het bestuur van de EU, en neemt kennis van het besluit van de Commissie over verlenging van de afkoelingsperiode – naar twee jaar voor voormalige commissarissen en drie jaar voor voormalige voorzitters van de Commissie – maar hamert erop dat het belangrijk is dat voor alle EU-instellingen, met inbegrip van EU-politici én ‑personeel, strengere regels gelden, teneinde te waarborgen dat de plicht tot betamelijkheid en kiesheid alsook de volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de particuliere sector worden geëerbiedigd; verzoekt de Commissie te zorgen voor proactieve publicatie en volledige transparantie betreffende de werkzaamheden van voormalige leden van de Commissie na hun ambtstermijn; ondersteunt de aanbevelingen van de Ombudsman om de gedragscode verder te herzien in overeenstemming met de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag door de regels verder te verduidelijken en de uitvoerbaarheid ervan te vereenvoudigen, en tegelijkertijd de geloofwaardigheid, de onpartijdigheid en de afwezigheid van belangenconflicten van geval tot geval te garanderen; moedigt de Ombudsman aan toezicht te blijven uitoefenen op de mate van onafhankelijkheid van de ad‑hoc ethische commissie van de Commissie en deze te blijven evalueren;

20.  neemt kennis van de stappen van de Commissie naar aanleiding van de aanbevelingen van de Ombudsman over hoe de regels voor EU-personeel inzake het zogeheten draaideurverschijnsel zijn uitgevoerd en ziet uit naar het vervolgonderzoek van de Ombudsman inzake de beoordeling van hoe de nieuwe regels in de praktijk werken;

21.  verzoekt de Ombudsman zich ervoor te blijven inzetten dat de namen van alle bij draaideurgevallen betrokken EU-ambtenaren tijdig openbaar worden gemaakt, en te zorgen voor volledige transparantie met betrekking tot alle hiermee samenhangende informatie;

22.  ondersteunt het werk van de Ombudsman gericht op verbetering van de transparantie ten aanzien van lobbyactiviteiten in de EU, en roept de Commissie op volledig tegemoet te komen aan de voorstellen van de Ombudsman ter verbetering van het transparantieregister van de EU en hier een centraal punt voor transparantie van te maken voor alle EU-instellingen en ‑agentschappen; benadrukt dat hiertoe duidelijke maatregelen en een samenhangend en doeltreffend tijdschema moeten worden vastgesteld; benadrukt het belang van meer transparantie, waaronder ten aanzien van informatie over financiering, belangengroepen en financiële belangen;

23.  is ingenomen met het strategisch onderzoek van de Ombudsman naar hoe de Commissie beoordelingen van belangenconflicten met betrekking tot haar speciale adviseurs verricht; roept de Commissie op volledig gehoor te geven aan de aanbevelingen van de Ombudsman inzake de procedure voor het aanstellen van speciale adviseurs, en daarbij elk potentieel belangenconflict voor en na hun aanstelling te beoordelen en openbare toegang te verlenen tot en informatie te verstrekken over documenten en bijeenkomsten;

24.  steunt het strategisch onderzoek van de Ombudsman naar de deskundigengroepen van de Commissie; dringt er bij de Ombudsman op aan te zorgen voor een beter beheer van belangenconflicten, alsook voor een evenwichtige en gelijke vertegenwoordiging van alle belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke belanghebbenden, in de nieuwe Commissievoorschriften, met inbegrip van een lijst met alle deskundigen in het transparantieregister van de EU;

25.  neemt kennis van het standpunt van de Commissie inzake de transparantie van haar bijeenkomsten met lobbyisten van de tabaksindustrie en de door het directoraat-generaal Gezondheid van de Commissie uitgevoerde transparantiemaatregelen; herhaalt zijn oproep aan de Commissie haar praktijk te wijzigen en haar werkzaamheden volledig transparant te maken door online gegevens over alle bijeenkomsten met lobbyisten te publiceren, met inbegrip van al hun wettelijke vertegenwoordigers en de notulen van die vergaderingen, zulks overeenkomstig de verplichtingen op grond van de Kaderverdrag van de VN inzake tabaksontmoediging;

26.  is ingenomen met de praktische aanbevelingen van de Ombudsman ten behoeve van ambtenaren die contacten onderhouden met lobbyisten; dringt er bij de Ombudsman op aan het bewustzijn omtrent deze aanbevelingen onder het personeel van alle EU‑instellingen te vergroten door middel van trainingen, seminars en aanverwante ondersteunende maatregelen, en roept alle EU-instellingen op de code van goed administratief gedrag van de Ombudsman en de transparantiemaatregelen in het Kaderverdrag van de VN inzake tabaksontmoediging ten uitvoer te leggen; herhaalt zijn oproep tot een effectieve opwaardering van de code van goed administratief gedrag door aanneming van een bindende verordening hierover tijdens de lopende zittingsperiode;

27.  prijst het strategisch onderzoek door de Ombudsman naar de toegang tot documenten van de voorbereidende organen van de Raad, met inbegrip van commissies, werkgroepen en het Comité van permanente vertegenwoordigers (COREPER), waarin ontwerpen van wetgevingshandelingen van de EU worden besproken; moedigt de Ombudsman aan de Raad te verzoeken de transparantie ten aanzien van zijn bijeenkomsten met belanghebbenden en de besluitvorming te verbeteren, de voorschriften inzake toegang tot documenten na te leven en deze toegang tijdig en zonder vertragingen te verlenen;

28.  prijst het werk van de Ombudsman bij het behandelen van vraagstukken van algemeen belang, waaronder de grondrechten, de veiligheid en doeltreffendheid van geneesmiddelen, de bescherming van het milieu en de gezondheid, en de bescherming tegen milieurisico's; verzoekt de Ombudsman vervolg te geven aan haar voorstellen aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen met betrekking tot prikkels ter ontmoediging van dierproeven wanneer nieuwe cosmetische producten in de handel worden gebracht, alsook aan haar voorstellen aan het EPSO met betrekking tot de beginselen van overmacht en transparantie in het kader van vergelijkende onderzoeken van het EPSO;

29.  erkent dat de Ombudsman ervaring heeft met de afhandeling van gevallen van wanbeheer binnen de Europese instellingen die verband houden met seksuele intimidatie en seksueel misbruik op de werkvloer, zoals ook het geval was bij klacht 1283/2012/AN; verzoekt de Ombudsman, in het licht van zijn resolutie van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU en zijn besluit om een taskforce van onafhankelijke deskundigen in het leven te roepen, om ook een onderzoek in te stellen naar de situatie met betrekking tot seksuele intimidatie en seksueel misbruik binnen de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie en met aanbevelingen en beste praktijken te komen om te voorkomen dat zich binnen de Europese instellingen nieuwe gevallen ervan voordoen;

30.  ondersteunt de rol van de Ombudsman ten aanzien van de vormgeving van een proactief en transparant beleid inzake de klinische proeven die door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) worden uitgevoerd, en in het bijzonder de aanbevelingen van de Ombudsman over de goedkeuring van Humira, een van de best verkochte geneesmiddelen ter wereld, waarmee de ziekte van Crohn wordt behandeld; verzoekt de Ombudsman met klem het toezicht op het EMA voort te zetten, teneinde te waarborgen dat het voldoet aan de hoogste normen voor transparantie en toegang tot informatie over klinische proeven, die in het publieke belang zijn en die van waarde zijn voor artsen, patiënten en onderzoekers;

31.  verzoekt de Ombudsman verder onderzoek te voeren naar de praktijken in de EU-agentschappen, met name de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Agentschap voor chemische stoffen, met betrekking tot de Monsanto Papers en de eventuele implicaties op het gebied van geheimhouding en belangenconflicten;

32.  verwelkomt de onderzoeken van de Ombudsman naar aanleiding van klachten van personen met een handicap, en ondersteunt de inspanningen van de Ombudsman als actieve partij bij het EU-kader voor het VN-verdrag over de rechten van personen met een handicap en haar bijdrage aan de tenuitvoerlegging van de Europese strategie inzake handicaps; bevestigt nogmaals zijn volledige steun voor de volledige uitvoering van voornoemd verdrag op EU-niveau;

33.  roept de Ombudsman op ervoor te zorgen dat de Commissie rekening houdt met de voorstellen en aanbevelingen van de Ombudsman inzake de toekomstige herziening van het instrument voor het Europees burgerinitiatief (EBI), teneinde te waarborgen dat de voor het EBI vereiste procedures en voorwaarden echt helder, eenvoudig, gemakkelijk toepasbaar en evenredig zijn;

34.  vraagt de Ombudsman te waarborgen dat de Commissie helpt bij het opzetten van een infrastructuur voor juridisch advies over Europese burgerinitiatieven en van een juridisch kader ter bescherming van deelnemers aan de initiatieven in kwestie;

35.  herinnert eraan dat klokkenluiders een centrale rol spelen bij het blootleggen van gevallen van wanbeheer, en ondersteunt maatregelen om het klokkenluiden daadwerkelijk aan te moedigen en klokkenluiders te beschermen tegen vergelding, en doet een beroep op de Ombudsman om de tenuitvoerlegging van de nieuwe interne klokkenluidersregelingen bij de EU-instellingen nader evalueren; dringt erop aan gevolg te geven aan de in 2015 door de Ombudsman verrichte onderzoeken naar de interne klokkenluidersregelingen van de EU-instellingen; is ingenomen met de eigen regelingen van de Ombudsman op dit gebied en moedigt andere EU-instellingen aan deze als richtsnoer te gebruiken; dringt er nogmaals op aan horizontale EU-wetgeving ter bescherming van klokkenluiders te ontwikkelen met geëigende kanalen en procedures voor het melden van alle vormen van wanbeheer, alsook met passende waarborgen en juridische garanties op alle niveaus voor de betrokken personen;

36.  stelt een herziening van het Statuut van de Europese Ombudsman voor om haar in staat te stellen de niet-naleving te onderzoeken waarvan sprake zou zijn met betrekking tot Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de instellingen en organen van de EU en besluiten te nemen over de vrijgave van de documenten in kwestie;

37.  verwelkomt het initiatief van de Ombudsman om de goede praktijken van EU-bestuur in kaart te brengen en deze onder de aandacht te brengen aan de hand van de Ombudsmanprijs voor goed bestuur;

38.  moedigt de Ombudsman aan de samenwerking met de nationale ombudsmannen via het Europees Netwerk van ombudsmannen voort te zetten; ondersteunt het besluit om de eerste jaarlijkse conferentie van het Europees Netwerk van ombudsmannen van 2016 in Brussel te houden, en waardeert de toezegging van de Commissie om effectiever met het netwerk te gaan samenwerken;

39.  staat open voor het voorstel om toekomstige jaarlijkse conferenties van het Europees Netwerk van ombudsmannen in de gebouwen van het Parlement te houden, gezien de rechtstreekse banden tussen de Commissie verzoekschriften en de Ombudsman;

40.  herinnert eraan dat het Europees Netwerk van ombudsmannen een belangrijke rol kan vervullen bij het verdedigen van de rechten van EU-burgers tijdens de onderhandelingen over de terugtrekking van het VK uit de EU;

41.  prijst de Ombudsman voor het organiseren van bijeenkomsten met afzonderlijke nationale ombudsmannen en met zowel maatschappelijke als bedrijfsorganisaties; dringt er bij de Ombudsman op aan in alle lidstaten vergelijkbare bijeenkomsten te houden en het bewustzijn over wat het bureau van de Ombudsman voor Europese burgers en bedrijven kan betekenen, te vergroten;

42.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het verslag van de Commissie verzoekschriften te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Ombudsman, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de ombudsmannen of soortgelijke organen in de lidstaten.

(1) PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15.
(2) PB C 72 E van 21.3.2002, blz. 331.


Evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR)
PDF 179kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over de evaluatie van de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving (2017/2705(RSP))
P8_TA(2017)0450B8-0590/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 februari 2017 getiteld "Evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid: Gemeenschappelijke uitdagingen en hoe inspanningen te bundelen om betere resultaten te realiseren" (COM(2017)0063), en de bijbehorende 28 landverslagen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2016, getiteld "Voordeel halen uit het milieubeleid van de EU door een regelmatige evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid" (COM(2016)0316),

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(1) ("het 7e MAP"),

–  gezien de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN goedgekeurde resolutie getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development" (A/RES/70/1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016 getiteld "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst, Europese duurzaamheidsmaatregelen" (COM(2016)0739),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 mei 2017 getiteld "Europees semester 2017: landspecifieke aanbevelingen" (COM(2017)0500),

–  gezien het verslag van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond: Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien het verslag van de Commissie van 26 januari 2017 over de tenuitvoerlegging van het actieplan voor de circulaire economie (COM(2017)0033),

–  gezien de vragen aan de Raad (O-000065/2017 – B8-0606/2017) en de Commissie (O‑000066/2017 – B8-0607/2017) over de EU-evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU een sterke milieuwetgeving heeft, maar dat de slappe en gebrekkige tenuitvoerlegging ervan nog altijd een probleem vormt; overwegende dat deze tekortkomingen in de tenuitvoerlegging duurzame ontwikkeling in de weg staan, grensoverschrijdende gevolgen hebben voor het milieu en de gezondheid van de mens en een beduidende sociaal-economische kostenpost vormen; overwegende dat deze tekortkomingen bovendien de geloofwaardigheid van de EU aantasten;

B.  overwegende dat 70 % van de milieuwetgeving van de EU door regionale en lokale autoriteiten ten uitvoer wordt gelegd;

C.  overwegende dat uit de EU-evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid (EIR) en de 28 landverslagen opnieuw is gebleken dat de tenuitvoerlegging van het milieubeleid in de EU sterk uiteenloopt per lidstaat en milieugebied; er echter op wijzend dat er gemeenschappelijke probleemgebieden zijn waarbij in de hele EU sprake is van schamele tenuitvoerlegging, en dat het daarbij vaak gaat om de ernstigste milieugerelateerde gezondheidsbedreigingen;

D.  overwegende dat de tweejaarlijkse verslagen van groot belang zijn voor het onthullen van de werkelijke stand van zaken met betrekking tot de tenuitvoerlegging in de lidstaten, maar dat regelmatige monitoring ook belangrijk zou zijn;

E.  overwegende dat de EIR weliswaar belangrijke onderdelen van de milieuwetgeving bestrijkt, maar dat die evaluatie nog verder moet worden uitgebreid om stelselmatiger oplossingen te kunnen bieden voor de uitdagingen die duurzame ontwikkeling van het milieu meebrengt;

F.  overwegende dat de EIR een sectoroverschrijdend middel moet zijn voor de beoordeling van de milieueffecten in andere bedrijfstakken, zoals de landbouw, de visserij, de industrie, het vervoer, de bosbouw, en het regionaal beleid in het algemeen;

G.  overwegende dat de Commissie ernaar moet streven dat de gegevens die voor de beoordeling van de prestaties van de lidstaten worden gebruikt, beter vergelijkbaar worden; overwegende dat de verschillen tussen de gegevens die in de verschillende lidstaten verzameld worden een belangrijke hinderpaal vormen voor de vergelijkbaarheid ervan en uiteindelijk ook voor de evaluatie zelf;

H.  overwegende dat het van belang is alle bevoegde autoriteiten bij de EIR te betrekken op een wijze die strookt met de institutionele realiteit van de lidstaten; overwegende dat het vooral van belang is te benadrukken dat in sommige lidstaten de regio's volledig bevoegd zijn op het gebied van milieuwetgeving;

I.  overwegende dat de EIR volledig complementair is ten opzichte van andere instrumenten die een betere implementatie nastreven, zoals IMPEL (Netwerk voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de toepassing van het milieurecht) en het project "Make it work";

J.  overwegende dat de EIR moet worden gezien als een instrument voor beleidsdiscussie, vooral op ministerieel niveau, en niet uitsluitend als een technisch instrument;

Belang en context van de EIR

1.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om de EIR in te voeren en onderkent dat die enorme mogelijkheden biedt als de politiek er voldoende belang aan hecht en de EIR volledig transparant is; wijst erop dat de EIR ervoor kan zorgen dat problemen bij de tenuitvoerlegging hoog op de politieke agenda komen te staan, dat beleidsmakers een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing tot hun beschikking hebben en uiteindelijk dat de tenuitvoerlegging van EU-milieuwetgeving en -beleid wordt verbeterd;

2.  herinnert eraan dat het Parlement meermaals verzocht heeft om een proactievere rol van de Commissie in de monitoring, begeleiding en ondersteuning van de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving en -beleid, bijvoorbeeld in verband met de natuurrichtlijnen; is van mening dat de Commissie gedecideerd moet optreden in geval van inbreuk daarop en daarbij actief gebruik moet maken van alle wetgevingsmaatregelen waarover zij beschikt;

3.  staat achter de sectoroverschrijdende, holistische benadering van de Commissie waarbij verschillende belanghebbenden betrokken zijn, wat essentieel is om in de praktijk veranderingen te bewerkstelligen; is ingenomen met het feit dat door middel van de EIR de grondoorzaken van de gebrekkige tenuitvoerlegging kunnen worden blootgelegd en stelt voor maatregelen te nemen om deze uitdagingen op constructieve wijze aan te pakken;

4.  is van mening dat de EIR deel moet uitmaken van de instrumenten ter bevordering van de coherentie met de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) en ter beoordeling van de vorderingen van de lidstaten en de Unie bij het verwezenlijken van de milieugerelateerde SDG's; verzoekt de Commissie in dit verband verder na te gaan hoe de tenuitvoerlegging van de milieuwetgeving van de EU ook bevorderlijk is voor de verwezenlijking van de desbetreffende SDG's en het halen van specifieke SDG-indicatoren en -streefcijfers door de lidstaten;

5.  is van oordeel dat de EIR tevens een preventieve werking kan hebben en zo kan bijdragen aan de verlaging van het aantal inbreukprocedures; benadrukt echter dat de EIR niet mag leiden tot uitstel of afstel van noodzakelijk optreden van de Commissie in geval van inbreuken;

Verbetering van de EIR en van de resultaten

6.  vindt het verheugend dat de EIR het merendeel van de thematische doelstellingen van het zevende EU-milieuactieprogramma (het 7e MAP) bestrijkt; betreurt echter dat belangrijke kwesties als klimaatverandering, maatregelen voor een efficiënter en zuiniger energiegebruik, chemische stoffen en industriële emissies en diverse systemische en milieuproblemen in verband met energie-, vervoer-, product- en regionaal beleid niet aan de orde komen en verzoekt de Commissie te waarborgen dat deze in toekomstige versies wel aan bod komen; wijst erop dat er met de bestaande, al door het Europees Milieuagentschap gepubliceerde gegevens minstens een voorlopige analyse op zowel EU- als lidstaatniveau had kunnen worden gemaakt van de tenuitvoerlegging van de wetgeving in verband met klimaatverandering en de maatregelen voor een efficiënter en zuiniger energiegebruik;

7.  betreurt voorts dat belangrijke kwesties als hormoon- en medicijnresten in afval-, oppervlakte- en grondwater en de gevolgen ervan voor drinkwater, volksgezondheid, biodiversiteit en (aquatisch) milieu evenmin aan de orde worden gesteld en verzoekt de Commissie te waarborgen dat deze in toekomstige versies wel aan bod komen;

8.  vestigt de aandacht op het feit dat de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling op mondiaal niveau en het 7de MAP op EU-niveau een kader scheppen voor progressief milieubeleid;

9.  is van mening dat een betere koppeling tussen de EIR en het Europees semester de samenhang van het optreden van de Unie ten goede zou komen;

10.  benadrukt dat de beperkte beschikbaarheid van gegevens tot tekortkomingen in de tenuitvoerlegging kan leiden en de evaluatie van de tenuitvoerlegging kan bemoeilijken;

11.  wijst op het belang van het harmoniseren van gegevens en verslaglegging om toekomstige evaluatieprocessen te stroomlijnen; verzoekt de Commissie de vergelijkbaarheid van gegevens te bevorderen en in toekomstige EIR's een afzonderlijk onderdeel te wijden aan de beoordeling van de verslagen en gegevens die uit hoofde van de verschillende richtlijnen door de lidstaten beschikbaar worden gesteld; benadrukt het belang van veilige elektronische gegevensuitwisseling om de verslaglegging door de lidstaten te vergemakkelijken;

12.  benadrukt dat voor de kwalitatieve beoordeling ook gebruik moet worden gemaakt van kwantitatieve streefcijfers; is in dit verband van mening dat betere coördinatie met het Europees Milieuagentschap zou kunnen helpen bij het ontwikkelen van passende indicatoren;

13.  benadrukt dat in de EIR rekening moet worden gehouden met en een beoordeling moet worden gemaakt van ernstige problemen en mogelijk met elkaar botsende doelstellingen tussen milieubeleid en ander sectoraal beleid, waarbij gesignaleerde discrepanties benadrukt moeten worden en voorstellen moeten worden gedaan om die te corrigeren;

14.  is van mening dat de lidstaten minder ruimte zouden moeten hebben om zelf oplossingen te vinden voor een betere tenuitvoerlegging;

Betere tenuitvoerlegging van milieuwetgeving

15.  benadrukt dat het feit dat op andere beleidsgebieden onvoldoende rekening wordt gehouden met milieuaspecten een van de grondoorzaken is van tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving en -beleid;

16.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving verbeterd zou kunnen worden door die wetgeving beter te integreren in andere beleidsdomeinen en door het voorzorgsbeginsel onverkort toe te passen;

17.  meent dat het gebrek aan bestuurlijke capaciteit en het gebrek aan governance – twee van de hoofdoorzaken van gebrekkige tenuitvoerlegging – ten dele veroorzaakt worden door ontoereikende financiering en inefficiënt gebruik van de beschikbare financiële middelen door de lidstaten en verzoekt de lidstaten daarom de situatie op deze punten te verbeteren;

18.  is van mening dat het voor een goede en sterke governance en meer doeltreffendheid noodzakelijk is dat overheden op alle niveaus partnerschappen aangaan en transparantie betrachten en dat er gezorgd wordt voor een duidelijke scheiding van verantwoordelijkheden, toewijzing van voldoende middelen, capaciteitsopbouw en betere coördinatiemechanismen;

19.  is van mening dat gebruikmaking van marktinstrumenten door de lidstaten, zoals een fiscaal beleid dat gebaseerd is op het beginsel dat de vervuiler betaalt, een doeltreffend en doelmatig middel is om de doelstelling van volledige tenuitvoerlegging van het milieubeleid te verwezenlijken;

20.  steunt het van harte dat in het kader van de EIR de nadruk wordt gelegd op de uitwisseling van optimale werkmethoden en peer-to-peer-doorlichting en is van mening dat deze praktijken lidstaten die problemen ondervinden bij de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving kunnen helpen bij het vinden van innovatieve oplossingen; is er in dit verband van overtuigd dat richtsnoeren van de Commissie nuttig zouden zijn;

21.  is van mening dat er in de EIR duidelijke en strikte, door de Commissie vastgestelde tijdschema's moeten worden opgenomen om de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving in de lidstaten te waarborgen;

22.  is van mening dat zowel de lidstaten als de burgers er baat bij hebben als de EIR ook als middel wordt gebruikt om het publiek te informeren en bewust te maken, de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de inzet van het publiek te vergroten en de voorlichting over milieubeleid te bevorderen; verzoekt de Commissie in dit verband een instrumentarium van maatregelen te ontwikkelen voor de beoordeling van de milieuprestaties van de lidstaten, waaronder toetsing aan beste praktijken en scorebordverslagen, die regelmatig moeten worden geactualiseerd en gepubliceerd moeten worden om te waarborgen dat zij openbaar zijn;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het toezicht op de naleving te versterken, onder meer door zich beter en meer in te spannen voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn milieuaansprakelijkheid;

24.  benadrukt dat ngo's en het grote publiek ook een belangrijke rol kunnen spelen bij het bevorderen van betere tenuitvoerlegging en zodoende bij het in stand houden van de rechtsstaat, indien er sprake is van daadwerkelijke toegang tot de rechter;

25.  verzoekt de Commissie met een wetgevingsvoorstel voor milieu-inspecties te komen om vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving en -normen;

26.  verzoekt de Commissie om, in de context van goede governance en toezicht op de naleving, een nieuw wetgevingsvoorstel in te dienen inzake minimumnormen voor toegang tot rechterlijke toetsing en voor te stellen dat de Aarhusverordening betreffende de toepassing van het Verdrag op het optreden van de Unie wordt herzien om rekening te houden met de recente aanbeveling van het comité van toezicht op de naleving van de Aarhusverordening;

Rol van de lidstaten en de EU-instellingen in de follow-up van de EIR

27.  roept de Commissie, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de betrokken belanghebbenden op zich onverwijld ten volle in te zetten voor de EIR; benadrukt de belangrijke rol van de regionale en lokale autoriteiten; verzoekt de lidstaten de lokale en regionale autoriteiten volledig te betrekken bij het netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van het milieurecht (IMPEL) en hen aan te moedigen zich daar meer voor in te zetten, en de inschakeling van lokale en regionale deskundigen te stimuleren om de uitwisseling van gegevens, kennis en optimale praktijken moet spoed te verbeteren;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de gegevensverzameling en de beschikbaarheid van informatie te verbeteren, goede praktijken beter te verspreiden, de betrokkenheid van de burgers te vergroten en te overwegen plaatselijke autoriteiten in ruimere mate te betrekken bij de ontwikkeling van milieubeleid;

29.  verzoekt de bevoegde autoriteiten op het relevante niveau in de lidstaten te zorgen dat er een open en inclusieve dialoog over de tenuitvoerlegging wordt georganiseerd, met adequate informatievoorziening aan en participatie van het publiek en het maatschappelijk middenveld, en verzoekt de Commissie aan die dialoog deel te nemen en het Parlement op de hoogte te houden;

30.  is ingenomen met de beleidsvoorstellen van de Commissie inzake een specifiek kader voor een gestructureerde dialoog over de tenuitvoerlegging, maar acht het essentieel dat ervoor wordt gezorgd dat dit proces transparant is en dat de betroffen ngo's en de voornaamste belanghebbenden eraan deelnemen;

31.  is ingenomen met de discussie tussen de Commissie, de lidstaten en de belanghebbenden in de deskundigengroep "Vergroening van het Europees semester", maar meent dat de inschakeling van een afzonderlijke deskundigengroep voor de tenuitvoerlegging van het milieubeleid naast de bilaterale dialogen met de landen zou kunnen bijdragen aan de gestructureerde dialoog over de tenuitvoerlegging;

32.  dringt erop aan dat de tenuitvoerleggingskwestie een vast punt in de prioriteiten en programma's van het voorzitterschapstrio wordt dat ten minste eenmaal per jaar – wellicht via een speciale implementatieraad – moet worden besproken in de Raad Milieu en er in aanvulling hierop een ander forum wordt ingesteld waarvan ook het Parlement en het Comité van de Regio's deel uitmaken; verzoekt om gezamenlijke vergaderingen van de Raad om de tenuitvoerlegging van sectoroverschrijdende, horizontale kwesties en gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken en nieuwe problemen met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen aan de orde te stellen;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.


De bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren
PDF 302kWORD 70k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 november 2017 over de bestrijding van ongelijkheid als hefboom om het scheppen van banen en groei te stimuleren (2016/2269(INI))
P8_TA(2017)0451A8-0340/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name artikel 9,

–  gezien het herzien Europees Sociaal Handvest,

–  gezien de publicatie van de Commissie uit 2015 getiteld "EU Employment and Social Situation – Quarterly Review September 2015" (Werkgelegenheids- en sociale situatie van de EU – Driemaandelijkse beoordeling september 2015),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2014 getiteld "Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2014)0130),

–  gezien de publicatie van de Commissie uit 2012 getiteld "Employment and Social Developments in Europe 2012" (Werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa 2012),

–  gezien het pakket sociale-investeringsmaatregelen van de Commissie van 20 februari 2013, waaronder aanbeveling 2013/112/EU getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" (COM(2010)0758),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020), alsook zijn resolutie van 16 juni 2010 over EU 2020(1),

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2017 over de noodzaak van een EU-strategie tot beëindiging en preventie van de genderpensioenkloof(2),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2017 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie 2014-2015(3),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(4),

–  gezien zijn aanbeveling van 7 juli 2016 aan de Raad over de 71e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(5),

–  gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over het armoedebestrijdingsdoel halen in het licht van stijgende huishoudelijke kosten(6),

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede(7),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over een EU-strategie tegen dakloosheid(8),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over het effect van de crisis op de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen(9),

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2013 over de mededeling van de Commissie getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020"(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 november 2011 over het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting(11),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over armoede bij vrouwen in de Europese Unie(12),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU(13),

–  gezien zijn resolutie van 20 oktober 2010 over de rol van het minimuminkomen bij de bestrijding van armoede en de bevordering van een inclusieve samenleving in Europa(14),

–  gezien zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de bevordering van sociale integratie en bestrijding van armoede, met inbegrip van armoede onder kinderen, in de EU(15),

–  gezien de vraag met verzoek om mondeling antwoord O-000047/2016 – B8-0369/2016 over het bestrijden van ongelijkheid om een inclusieve en duurzame economische groei in de EU te bevorderen,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 december 2013 over het Europees minimuminkomen en armoede-indicatoren(16),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 juni 2011 getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang"(17),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 september 2009 getiteld "Werk en armoede: naar een noodzakelijke globale aanpak"(18),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 maart 2011 over het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting(19),

–  gezien het jaarverslag van 10 maart 2015 van het Comité voor sociale bescherming over de sociale situatie in de Europese Unie in 2014(20),

–  gezien het advies van 15 februari 2011 van het Comité voor sociale bescherming getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting – Vlaggenschipinitiatief van de Europa 2020-strategie"(21),

–  gezien het verslag van Eurofound getiteld "Third European Quality of Life Survey – Quality of life in Europe: Impacts of the crisis" (Het derde Europese onderzoek inzake levenskwaliteit – Levenskwaliteit in Europa: het effect van de crisis),

–  gezien het verslag van Eurofound getiteld "Third European Quality of Life Survey – Quality of life in Europe: Social inequalities" (Het derde Europese onderzoek inzake levenskwaliteit – Levenskwaliteit in Europa: sociale ongelijkheid),

–  gezien het verslag van Eurofound getiteld "Income inequalities and employment patterns in Europe before and after the Great Recession" (Inkomensongelijkheid en arbeidspatronen in Europa voor en na de grote recessie),

–  gezien het overzichtsverslag van Eurofound getiteld "Sixth European Working Conditions Survey" (Zesde Europees onderzoek naar de arbeidsomstandigheden),

–  gezien het verslag van Eurofound getiteld "Social mobility in the EU" (Sociale mobiliteit in de EU),

–  gezien het verslag van Eurofound getiteld "New forms of employment" (Nieuwe vormen van werk),

–  gezien de themagebonden update van Eurofound getiteld "Pay inequalities experienced by posted workers: Challenges to the 'equal treatment' principle" (Ongelijke beloning van gedetacheerde werknemers: uitdagingen in verband met het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk), die een gedetailleerd overzicht bevat van de standpunten van regeringen en sociale partners in heel Europa met betrekking tot het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk,

–  gezien het verslag van Eurofound getiteld "Developments in working life in Europe: EurWORK annual review 2016" (Ontwikkelingen in Europa op het vlak van het beroepsleven: EurWORK-jaaroverzicht 2016), en met name het hoofdstuk "Pay inequalities – Evidence, debate and policies" (Ongelijke beloning – Feiten, debat en beleid),

–  gezien het verslag van Eurofound getiteld "Occupational change and wage inequality: European Jobs Monitor 2017" (Veranderde beroepen en loonongelijkheid: Europese banenmonitor 2017),

–  gezien het verslag van Eurofound getiteld "Women, men and working conditions in Europe" (Vrouwen, mannen en arbeidsomstandigheden in Europa),

–  gezien de publicatie van de Commissie getiteld "European Economic Forecast Spring 2016" (Europese economische prognose voorjaar 2016)(22),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN, en met name duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 10 over het terugdringen van ongelijkheid binnen en tussen landen,

–  gezien het VN-rapport getiteld "World Social Situation 2007: The Employment Imperative" (Sociale situatie in de wereld 2007: de noodzaak van werkgelegenheid),

–  gezien het OESO-rapport van 21 mei 2015 getiteld "In It Together: Why Less Inequality Benefits All" (Samen staan we sterker: Waarom minder ongelijkheid goed is voor iedereen),

–  gezien het OESO-rapport van 19 december 2011 getiteld "Divided We Stand: Why Inequality Keeps Rising" (Tweedracht maakt macht: waarom de ongelijkheid blijft toenemen),

–  gezien het OESO-rapport van oktober 2008 getiteld "Growing Unequal?: Income Distribution and Poverty in OECD countries" (Steeds ongelijker? Inkomensverdeling en armoede in OESO-landen),

–  gezien het werkdocument van het IMF van 17 februari 2014 getiteld "Redistribution, Inequality and Growth" (Herverdeling, ongelijkheid en groei)(23),

–  gezien het werkdocument van het IMF van 8 april 2011 getiteld "Inequality and Unsustainable Growth: Two Sides of the Same Coin?" (Ongelijkheid en niet-duurzame groei: twee kanten van dezelfde medaille?)(24),

–  gezien de IAO-publicatie van 3 juni 2013 getiteld "World of Work Report 2013: Repairing the economic and social fabric" (Rapport 2013 over de arbeidswereld: herstel van het economische en sociale weefsel) en het hoofdstuk "Snapshot of the United States" (Momentopname van de Verenigde Staten) van dit rapport,

–  gezien het in september 2014 door University College, Londen als onderdeel van het project "DRIVERS For Health Equity" gepubliceerde verslag getiteld "Final Scientific Report: Social Inequalities in early childhood health and development: a European-wide systematic review" (Wetenschappelijk eindverslag: sociale ongelijkheid met betrekking tot de gezondheid en ontwikkeling van jonge kinderen: een systematische review voor heel Europa),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, het advies van de Commissie economische en monetaire zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0340/2017),

A.  overwegende dat gelijkheid en billijkheid integraal deel uitmaken van de Europese waarden en een hoeksteen vormen van het Europees sociaal model, de EU en haar lidstaten; overwegende dat de bevordering van werkgelegenheid met het oog op een blijvende hoge arbeidsparticipatie, alsook de bestrijding van uitsluiting tot de doelstellingen van zowel de lidstaten als de EU behoren;

B.  overwegende dat ongelijkheid het maatschappelijk vertrouwen kan ondermijnen en de steun voor democratische instellingen kan uithollen; overwegende dat maatregelen ter bestrijding van ongelijkheid moeten worden versterkt vanuit economisch, sociaal en regionaal perspectief om een harmonieuze ontwikkeling in de hele Unie te bevorderen;

C.  overwegende dat ongelijkheid zowel betrekking heeft op de inkomenskloof tussen individuen als op een verlies van kansen voor individuen, hetgeen de potentiële verbetering van de bekwaamheid en vaardigheden van individuen in de weg staat en een belemmering vormt voor hun ontwikkeling en dus ook voor hun potentiële bijdrage aan de samenleving;

D.  overwegende dat aan de basis van de teruglopende vraag de economische en financiële crisis ligt die sinds meer dan tien jaar om zich heen grijpt in de eurozone;

E.  overwegende dat ongelijkheid en werkloosheid de effectieve vraag beknotten, innovatie in de weg staan en kunnen leiden tot grotere financiële kwetsbaarheid; overwegende dat grote en toenemende ongelijkheid niet alleen verhindert dat er vooruitgang wordt geboekt bij de uitbanning van armoede, maar ook een belemmering vormt voor inspanningen ter bevordering van sociale inclusie en sociale samenhang;

F.  overwegende dat de bestrijding van ongelijkheid een hefboom kan zijn voor het stimuleren van werkgelegenheid en groei, en tegelijkertijd armoede kan terugdringen; overwegende dat 47,5 % van alle werklozen in de EU in 2015 het risico liep in armoede terecht te komen(25);

G.  overwegende dat internationale instellingen als het IMF(26) of de OESO(27) aangeven dat ongelijkheid een rem zet op groei en het scheppen van kwaliteitsvolle banen(28), en tevens stellen dat al te grote en toenemende ongelijkheid directe maatschappelijke kosten met zich meebrengt, slecht is voor de sociale mobiliteit en ook duurzame groei kan belemmeren, nu en in de toekomst;

H.  overwegende dat een van de vijf doelstellingen van de Europa 2020-strategie erin bestaat het aantal mensen dat zich in een situatie van armoede en sociale uitsluiting bevindt of daarin dreigt terecht te komen met ten minste 20 miljoen te verminderen, van 115,9 miljoen in 2008 tot niet meer dan 95,9 miljoen uiterlijk in 2020; overwegende dat het aantal mensen dat in 2015 het risico liep in een situatie van armoede en sociale uitsluiting terecht te komen 117,6 miljoen bedroeg, ofwel 1,7 miljoen meer dan in 2008; overwegende dat in 2012 in de EU 32,2 miljoen mensen met een handicap het gevaar liepen in een situatie van armoede en sociale uitsluiting terecht te komen; overwegende dat 26,5 miljoen kinderen in de EU-28 in 2013 in een situatie van armoede of sociale uitsluiting dreigden te belanden; overwegende dat het aandeel van de bevolking dat het risico loopt in een situatie van armoede of uitsluiting terecht te komen met 23,7 % nog steeds onaanvaardbaar hoog ligt, en dat de cijfers in sommige lidstaten erg hoog blijven; overwegende dat de energiearmoede bovendien nog steeds zodanig hoog is dat zij voor de getroffen 11 % van de EU-bevolking leidt tot een vicieuze cirkel van economische achterstand(29);

I.  overwegende dat de toegenomen ongelijkheid als gevolg van de crisis vooral vrouwen heeft getroffen, waardoor armoede bij vrouwen is verergerd en vrouwen steeds meer uitgesloten worden van de arbeidsmarkt; overwegende dat de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen moet worden verhoogd door de efficiënte tenuitvoerlegging van de bestaande en aanvullende wetgeving op het gebied van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en door verbeteringen aan te brengen in het huidige beleidskader met het oog op een beter evenwicht tussen werk en privéleven;

J.  overwegende dat er een positieve correlatie is tussen een grotere gelijkheid van vrouwen en mannen en sterkere economische groei, inclusiviteit, werkgelegenheid en succesvolle ondernemingen; overwegende dat via de terugdringing van beroepsongelijkheid niet alleen kan worden gewerkt aan de totstandbrenging van gelijke behandeling, maar ook kan worden gezorgd voor een efficiënte en concurrerende arbeidsmarkt;

K.  overwegende dat de OESO erop heeft gewezen dat het reduceren van ongelijkheid met 1 Gini-punt tot een toename van de cumulatieve groei met 0,8 % in de daaropvolgende vijf jaar zou leiden(30).

L.  overwegende dat de term "atypisch werk" in de definitie van Eurofound verwijst naar arbeidsverhoudingen die niet overeenstemmen met het standaard- of typische model van voltijdse, reguliere en langdurige tewerkstelling van onbepaalde duur bij één werkgever; overwegende dat "atypische arbeidsvormen" in de definitie van de IAO een overkoepelende term is voor verschillende arbeidsregelingen die afwijken van standaardvormen van arbeid, waaronder tijdelijk werk, deeltijds en oproepwerk, uitzendarbeid en andere arbeidsverhoudingen met verschillende betrokken partijen, alsook verkapte dienstverbanden en schijnzelfstandigheid;

M.  overwegende dat toegenomen ongelijkheid gepaard gaat met verminderde sociale mobiliteit, een afname van menselijke vaardigheden en beperkingen ten aanzien van grondrechten en fundamentele vrijheden; overwegende dat uit het verslag van Eurofound van 2017 over sociale mobiliteit in de EU(31) blijkt dat sociale achtergrond in vele van de lidstaten een bepalende factor blijft voor de kansen die iemand krijgt in het leven;

N.  overwegende dat de groei van de economieën van de lidstaten afhankelijk is van een veelvoud van factoren; overwegende dat toenemende ongelijkheid een negatief effect kan hebben op groei; overwegende dat het IMF op mondiaal niveau een omgekeerd evenredig verband heeft vastgesteld tussen het inkomensaandeel dat toekomt aan de bovenste 20 % en economische groei, hetgeen inhoudt dat indien het inkomensaandeel van de bovenste 20 % toeneemt met één procentpunt, de groei van het bbp de vijf daaropvolgende jaren in feite 0,08 procentpunten lager uitvalt; overwegende dat, omgekeerd, een vergelijkbare toename van het inkomensaandeel van de onderste 20 % gepaard gaat met een hogere groei van 0,38 procentpunten;

O.  overwegende dat ongelijkheid een verschijnsel met veel aspecten is dat niet alleen betrekking heeft op geld, maar ook op de verschillen in kansen die mensen krijgen, afhankelijk van onder meer geslacht, etnische afkomst, handicap, seksuele gerichtheid, geografische locatie of leeftijd; overwegende dat diverse vormen van ongelijkheid bij de toegang tot werk of op de werkvloer een gevaar vormen voor de gezondheid, het welzijn en de financiële mogelijkheden van mensen en daardoor kunnen leiden tot een lage productiviteit;

P.  overwegende dat het verslag van Eurofound over nieuwe vormen van werk(32) een analyse bevat van ongelijke dekking op het gebied van sociale bescherming en dat in dit verslag onder meer aandacht wordt besteed aan de meest problematische vorm van werk wat sociale bescherming betreft, meer bepaald gelegenheidswerk, met voorbeelden van wetgeving waarvan gelegenheidswerkers specifiek worden uitgesloten en van andere wetgeving die bedoeld is om hen op te nemen, gewoonlijk door een compensatie op basis van inkomensdrempels; overwegende dat werk via een systeem van vouchers en het strategisch delen van werknemers voorbeelden zijn van atypische vormen van werk die erop gericht zijn iets te doen aan de tekortkomingen op het gebied van sociale bescherming bij gelegenheidsarbeid of deeltijdwerk;

Q.  overwegende dat in samenlevingen met een grotere inkomensongelijkheid meer gezondheidsproblemen en geweld voorkomen, lagere scores worden behaald op het gebied van rekenvaardigheid en geletterdheid, meer mensen aan obesitas lijden, meer mensen in de gevangenis zitten en meer moorden worden gepleegd(33); overwegende dat de overheid in samenlevingen waar meer gelijkheid heerst minder middelen moet uitgeven aan sociale zekerheid;

R.  overwegende dat ongelijkheid gedurende de hele levenscyclus zich vertaalt in ongelijkheid op oudere leeftijd, zoals een lagere gezonde levensverwachting, armoede onder ouderen en een genderpensioenkloof van bijna 40 %; overwegende dat er Europese strategieën voor de uitbanning van armoede nodig zijn om duurzame ontwikkeling voor iedereen te verwezenlijken;

S.  overwegende dat economische zekerheid een belangrijke factor is voor menselijke ontplooiing;

T.  overwegende dat de Raad op 5 oktober 2015 conclusies heeft goedgekeurd over het "verslag over de toereikendheid van de pensioenen 2015: Huidige en toekomstige toereikendheid van het inkomen van ouderen in de EU", waarin ze stelt dat het "van essentieel belang [is] dat de openbare pensioen- of andere sociale beschermingsstelsels voor vrouwen en mannen die door hun kansen op werk niet in staat zijn, c.q. waren om voldoende pensioenrechten op te bouwen, passende waarborgen bevatten" en voorts dat "dergelijke waarborgen [...] met name minimumpensioenen of andere minimuminkomensregelingen voor ouderen [omvatten](34);

U.  overwegende dat onvoldoende financiële middelen voor openbaar onderwijs een van de belangrijkste oorzaken van toekomstige maatschappelijke verschillen en toenemende ongelijkheid is;

V.  overwegende dat de Gini-coëfficiënt voor de EU tussen 2005 en 2015 is gestegen van 30,6 tot 31, en dat de inkomensongelijkheid tussen de bovenste en de onderste 20 % van de bevolking is toegenomen van 4,7 tot 5,2; overwegende dat er een nauw verband bestaat tussen inkomensongelijkheid en het percentage mensen dat het risico loopt met inkomensarmoede te worden geconfronteerd, en dat inkomensarmoede sinds 2005 geleidelijk is toegenomen; overwegende dat er in tal van lidstaten tussen 2008 en 2014 een toename van de ongelijkheid van het besteedbare gezinsinkomen is waargenomen(35);

W.  overwegende dat uiteenlopende economische groei tussen en binnen de lidstaten tot economische onevenwichtigheden binnen de Unie leidt; overwegende dat deze uiterst ongelijke economische tendenzen aanleiding hebben gegeven tot torenhoge werkloosheid en het ontstaan van armoedegebieden;

X.  overwegende dat de mondiale evolutie van ongelijkheid samenhangt met een geleidelijke toename van ongelijkheid in ontwikkelde landen sinds de jaren 1980, waarbij volgens de OESO(36) de ongelijkheid toeneemt ongeacht de economische conjunctuur (met specifieke uitzonderingen), met een stijging van de Gini-coëfficiënt met drie punten tot gevolg, van 0,29 tot 0,32 tussen 1980 en 2013, hetgeen neerkomt op een stijging met 10 % in de voorbije decennia;

Y.  overwegende dat de mate van ongelijkheid weliswaar afhankelijk kan zijn van vele factoren, maar dat de verantwoordelijkheid om deze factoren specifiek aan te pakken op structureel niveau bij instellingen en de auteurs van politieke maatregelen ligt; overwegende dat er sprake is van een investeringskloof in de EU en dat openbare en particuliere investeringen van cruciaal belang zijn om ongelijkheid tegen te gaan door de werkgelegenheid te stimuleren; overwegende dat structurele tekortkomingen op passende wijze moeten worden aangepakt; overwegende dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) naar verwachting zal worden aangepast om te kunnen bijdragen aan het dichten van de investeringskloof;

Z.  overwegende dat trends in ongelijkheid niet noodzakelijk samenvallen met trends in absolute en extreme vormen van armoede, zoals dakloosheid;

AA.  overwegende dat het ter beschikking stellen van passende steun en financiering voor duurzame en permanente huisvesting essentieel is voor toegang tot de arbeidsmarkt, onderwijs en gezondheidszorg, en voor een betere integratie en plaatselijke acceptatie; overwegende dat het leefbaar houden van buurten en het bestrijden van segregatie een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van integratie en de beperking van ongelijkheid;

AB.  overwegende dat uit gegevens van Eurostat blijkt dat het aandeel van de EU-bevolking dat het risico loopt in armoede terecht te komen 24,4 % bedroeg in 2015 en in het geval van kinderen opliep tot 26,9 %;

AC.  overwegende dat vrouwen onevenredig zwaar getroffen worden door de crisis, en overwegende dat groene banen beter bestand zijn gebleken tegen crises dan andere banen;

AD.  overwegende dat vrouwen een groter risico lopen in een situatie van armoede en onzekerheid terecht te komen;

Zorgen voor Europese beleidscoördinatie ter bestrijding van ongelijkheid

1.  bevestigt dat ongelijkheid een bedreiging vormt voor de toekomst van het Europees project, de legitimiteit ervan uitholt en het vertrouwen in de EU als drijvende kracht van sociale vooruitgang – een aspect van de Unie dat verder moet worden ontwikkeld – kan aantasten; wijst erop dat de huidige vormen van ongelijkheid negatieve gevolgen hebben die de politieke en sociale stabiliteit ondermijnen; beklemtoont dat het bevorderen van opwaartse convergentie en het verbeteren van het leven van alle Europese burgers de motor van verdere integratie moet blijven;

2.  is er vast van overtuigd dat de vermindering van ongelijkheid tot de belangrijkste prioriteiten op Europees niveau moet behoren, niet alleen om armoede aan te pakken of aan te zetten tot convergentie, maar ook als noodzakelijke voorwaarde voor economisch herstel, hoogwaardige werkgelegenheid, sociale cohesie en gedeelde welvaart;

3.  benadrukt dat de vermindering van ongelijkheid van cruciaal belang is om eerlijkere en stabielere democratieën te bevorderen, een gelijke behandeling waarin niet met twee maten wordt gemeten te waarborgen, populisme, extremisme en xenofobie op een zijspoor te zetten en ervoor te zorgen dat de Europese Unie als project door haar burgers wordt omarmd;

4.  herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat de Europese Unie aan haar verplichtingen op grond van de Verdragen moet voldoen wat betreft het bevorderen van het welzijn van haar volkeren, volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, sociale rechtvaardigheid en bescherming, gelijkheid tussen vrouwen en mannen, gelijkheid tussen burgers met een verschillende sociaal-economische achtergrond, solidariteit tussen de generaties, bescherming van de rechten van het kind en sociale inclusie van iedereen die zich in een kwetsbare positie bevindt of te lijden heeft onder marginalisering;

5.  vraagt de Commissie en de lidstaten om overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden de prestaties en resultaten van economische beleidscoördinatie te evalueren en hierbij rekening te houden met de evolutie van sociale vooruitgang en sociale rechtvaardigheid in de EU; stelt vast dat in het Europees semester geen prioriteit is toegekend aan de verwezenlijking van deze doelen en de vermindering van ongelijkheid; verzoekt de Commissie met klem het proces van beleidscoördinatie te verbeteren met het oog op een betere monitoring, preventie en correctie van negatieve trends die ongelijkheid in de hand zouden kunnen werken en sociale vooruitgang zouden kunnen verzwakken of een negatief effect zouden kunnen hebben op sociale rechtvaardigheid, indien nodig door preventieve en corrigerende maatregelen in te voeren; is van mening dat specifieke beleidsmaatregelen ter bestrijding van economische ongelijkheid moeten worden overwogen en in voorkomend geval moeten worden opgenomen in het Europees semester;

6.  is van oordeel dat sociale maatregelen in sommige gevallen als verzachtende maatregelen kunnen worden beschouwd en moeten worden aangevuld met economisch beleid en maatschappelijk verantwoorde structurele hervormingen, teneinde positieve, blijvende en duurzame economische groei tot stand te brengen en de trend in de richting van ongelijkheid op de middellange en lange termijn structureel weg te werken;

7.   dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van het Europees semester en onverminderd nationale bevoegdheden een betere beoordeling te verrichten van onevenwichtigheden op het vlak van de verdeling van inkomens en vermogen, onder meer door afzonderlijke diepgaande-evaluatieverslagen op te stellen indien er sprake is van dergelijke onevenwichtigheden, als een manier om economische coördinatie te koppelen aan werkgelegenheid en sociale prestaties; verzoekt de Commissie zich een accuraat en actueel beeld te vormen van de verschillen op het vlak van inkomens en vermogen, sociale cohesie en sociale inclusie tussen en binnen landen, en haar voorstellen en aanbevelingen voor politieke beslissingen te staven aan de hand van robuuste en gedetailleerde gegevens; verzoekt de Commissie zorgvuldig na te gaan welke indicatoren (de Gini-index, de Palma-indexen, de Theil-index, loonquote, de verhouding tussen minimumloon en bbp per hoofd van de bevolking of ten opzichte van het gemiddeld loon, enz.) het meest accuraat zijn om economische ongelijkheid op te sporen en toezicht te houden op de evolutie van ongelijkheid, en hierbij ook rekening te houden met het concurrentievermogen en de productiviteit in het algemeen van alle factoren;

8.  merkt op dat regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de meest noordelijke regio's met een zeer geringe bevolkingsdichtheid, insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden als bedoeld in artikel 174 VWEU, alsook afgelegen en ontvolkte regio's, meer problemen ondervinden om te zorgen voor toegang tot openbare diensten zoals gezondheidszorg en onderwijs, en dat dit tot gevolg heeft dat deze diensten vaak zwaarder drukken op de overheidsfinanciën en dat wie van de diensten gebruik wil maken verder moet reizen;

9.  herhaalt dat investeringen moeten worden afgestemd op een betere territoriale cohesie, zodat het industriële weefsel van regio's met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen wordt versterkt, met name wat toegang tot breedband betreft;

10.  verzoekt de Commissie met klem de lidstaten aan te sporen tot ambitieuze investeringen in sociale bescherming, diensten en infrastructuur via een gerichter en strategischer gebruik van de Europese Structuur- en investeringsfondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen, teneinde in te spelen op de sociale en economische behoeften van lidstaten en regio's;

11.  herhaalt zijn pleidooi voor de invoering van een geloofwaardige Europese pijler van sociale rechten ter bevordering van opwaartse convergentie, rekening houdend met de bevoegdheidsverdeling als vastgelegd in de Verdragen, en het creëren van een diepere en eerlijkere sociale dimensie van de EMU;

12.  verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten meer inspanningen te leveren voor het verwezenlijken van alle doelstellingen van de Europa 2020-strategie, waaronder het terugdringen van armoede en sociale uitsluiting met 20 miljoen mensen, alsook om het toepassingsgebied van de Europa 2020-strategie af te stemmen op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling door ook de strijd tegen ongelijkheid en extreme armoede op te nemen in de lijst van doelstellingen; vraagt de Commissie nauw te blijven toezien op de uitvoering van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en rekening te houden met het scorebord van Eurostat over de kernindicatoren van de Europa 2020-strategie, ook in de procedure van het Europees semester en de landspecifieke aanbevelingen;

13.  verzoekt de Commissie en de lidstaten – waarbij moet worden opgemerkt dat deze laatste primair verantwoordelijk zijn voor hun sociaal beleid, dat moet worden ondersteund en aangevuld met Europese maatregelen – hun inspanningen op te voeren ter beperking van ongelijkheid tussen inkomensgroepen en aan te sporen tot de invoering van een passend kader van maatregelen om onder meer te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden voor iedereen, openbaar onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen, geschikte openbare infrastructuur en sociale diensten en om gelijke kansen te bevorderen; benadrukt dat een dergelijk kader moet resulteren in een goed functionerende "maatschappelijke lift";

14.  beklemtoont dat de uitvoering van passende maatregelen ter beperking van ongelijkheid en voor een grotere sociale cohesie in de begroting van de Unie moet worden vastgelegd;

15.  beklemtoont het primordiale belang van de grondrechten; benadrukt dat het arbeidsrecht en hoge sociale normen een essentiële rol spelen bij het herstel van het economisch evenwicht, de ondersteuning van inkomens en het stimuleren van investeringscapaciteit; wijst erop hoe belangrijk het is dat de sociale rechten als verankerd in het EU-Handvest van de grondrechten worden geëerbiedigd, met inbegrip van de rechten en vrijheden van vakbonden en het recht op collectieve onderhandelingen, en dat de gelijke behandeling van werknemers wordt gehandhaafd;

16.  merkt op dat we niet kunnen negeren hoe belangrijk sectoraal beleid in de toekomst zal zijn voor de beperking van ongelijkheid, dat er met name behoefte is aan een verdere ontwikkeling van de interne markt en aan een investeringsbeleid op Europees en nationaal niveau (bv. in grote infrastructuurwerken, gezondheidszorg, onderwijs) en dat er bij de formulering van alle aspecten van het energiebeleid rekening moet worden gehouden met de kansen die deze beleidsmaatregelen bieden wat economische, sociale en territoriale factoren betreft, zodat gelijke kansen worden gewaarborgd; verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten alomvattende strategieën voor het scheppen van banen te ontwikkelen, gericht op strategische investeringen in groene banen, in de sociale, gezondheids- en zorgsector, alsook in de sociale economie, waarvan het werkgelegenheidspotentieel nog niet is aangeboord;

Maatregelen die het scheppen van fatsoenlijk werk en kwaliteitsvolle banen stimuleren

17.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de ontwikkeling van ongelijkheid in de EU na de crisis, die voornamelijk het gevolg was van toenemende werkloosheid; is van mening dat werkloosheid een bron van ongelijkheid is en dat beleidsmaatregelen voor het scheppen van fatsoenlijk werk en kwaliteitsvolle banen die gericht zijn op de belangrijkste gebieden met een hoge werkloosheidsgraad kunnen helpen om de gezinsinkomens in het laagste kwintiel op te trekken;

18.  verzoekt de Commissie om in de komende herziening van de richtlijn schriftelijke verklaringen bepalingen op te nemen waarmee discriminatie op basis van contractuele status wordt uitgebannen en elke werknemer het recht op eerlijke arbeidsvoorwaarden gewaarborgd krijgt, in overeenstemming met de IAO-normen inzake fatsoenlijk werk;

19.  beklemtoont daarnaast dat een hoge werkloosheidsgraad een neerwaartse druk uitoefent op lonen en in sommige gevallen ook negatieve effecten kan hebben op arbeids- en maatschappelijke omstandigheden; benadrukt dat het bestrijden van werkloosheid op zichzelf een noodzakelijke maar niet afdoende voorwaarde is voor het verminderen van ongelijkheid;

20.  vraagt de Commissie met een voorstel te komen om het financieringsniveau van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de periode 2017-2020 te verhogen, waarbij wordt geprobeerd jongeren onder 30 jaar beter te bereiken; roept de Commissie op bij te dragen aan een betere tenuitvoerlegging van de jongerengarantie door een grotere nadruk te leggen op de meest kwetsbare jongeren die vaak met complexe behoeften te kampen hebben, en hierbij rekening te houden met de laatste bevindingen van het verslag van de Europese Rekenkamer inzake het gebruik van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en te zorgen voor een nauwkeurige en transparante uitvoering en beoordeling;

21.  benadrukt hoe belangrijk het is nauw contact te houden met jongeren die de jongerengarantie/het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief verlaten met het oog op een blijvende en efficiënte integratie op de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief flexibeler te maken, ook voor goed functionerende landen op het vlak van jongerenbeleid, door regelingen op te nemen ter bescherming van jongeren die de overstap maken van het onderwijs of het hoger onderwijs naar de arbeidsmarkt, als compensatie voor de uitsluiting van jongeren van socialezekerheidsstelsels in Europa;

22.  benadrukt dat programma's als de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet in de plaats mogen komen van de eigen inspanningen die lidstaten moeten leveren om jeugdwerkloosheid te bestrijden en te werken aan duurzame integratie op de arbeidsmarkt; onderkent dat kwalitatief hoogwaardig en toegankelijk onderwijs een bepalende factor is voor het wegwerken van ongelijkheid; dringt derhalve aan op meer investeringen in openbaar onderwijs en een leven lang leren;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de noodzaak om groene banen te bevorderen en de werkgelegenheid te stimuleren in plattelandsgebieden en gebieden die gekenmerkt worden door achteruitgang en deze gebieden aantrekkelijker te maken voor vrouwen;

24.  verzoekt de Commissie – via het ESF en de procedure van het Europees semester – en de lidstaten – via hun nationale hervormingsprogramma's – te zorgen voor een volledige tenuitvoerlegging van de maatregelen op nationaal niveau als uiteengezet in de aanbevelingen van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt;

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de Economische en Monetaire Unie aan te vullen met een volwaardige Europese arbeidsmarkt in combinatie met een ruime socialezekerheidsdekking; is van oordeel dat goed functionerende arbeidsmarkten en degelijke socialezekerheidsstelsels cruciaal zijn voor het succes van de Europese Monetaire Unie en passen in een breder proces van opwaartse convergentie naar economische, sociale en territoriale cohesie; verzoekt de Commissie in die zin met een studie te komen over hoe de EU programma's op nationaal niveau voor gegarandeerde overheidsbanen kan ondersteunen en bevorderen;

26.  verzoekt de lidstaten om onderwijs en opleiding beter op de behoeften van de arbeidsmarkt in de hele EU te doen aansluiten, om de mogelijkheden voor mobiliteit te vergroten en om aanwervings- en opleidingsstrategieën te verbeteren, met name via opleidingen op de werkvloer en gerichte investeringen die voor meer banen zorgen en de vraag naar werknemers doen toenemen; herinnert eraan dat het leren van nieuwe vaardigheden belangrijk is voor de herintegratie van mensen op de arbeidsmarkt en helpt bij het terugdringen van langdurige werkloosheid en bij het beter op elkaar laten aansluiten van vaardigheden en beschikbare banen; beklemtoont dat de validering en erkenning van formeel en informeel onderwijs belangrijke instrumenten zijn om ervoor te zorgen dat verworven vaardigheden iets waard zijn op de arbeidsmarkt; beklemtoont dat mogelijkheden voor een leven lang leren gedurende de hele levenscyclus, en dus ook bij ouderen, moeten worden bevorderd, teneinde iedereen in staat te stellen al zijn mogelijkheden in te zetten in de strijd tegen ongelijkheid;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken bij het bestrijden van discriminatie bij aanwerving en van discriminerende aanwervingsprocedures waardoor mensen op grond van (onder andere) gender, genderidentiteit of -expressie, seksuele gerichtheid, geslachtskenmerken, etniciteit, handicap of leeftijd, geen toegang krijgen tot de arbeidsmarkt;

Verbeteren van de arbeids- en leefomstandigheden

28.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de toenemende hoeveelheid zwartwerk, atypische arbeidscontracten en andere vormen van atypisch werk, die kunnen leiden tot onzekere arbeidsomstandigheden, lagere lonen, uitbuiting, geringere bijdragen aan de sociale zekerheid en toenemende ongelijkheid in een aantal lidstaten; wijst erop dat er moet worden gezorgd voor een degelijke sociale zekerheid en sociale bescherming om alle werknemers te beschermen; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer te doen ter bestrijding van de schaduweconomie en zwartwerk;

29.  is van oordeel dat de kwaliteit van banen in heel Europa voor verbetering vatbaar is, met name wat betreft leefbare lonen, werkzekerheid, toegang tot onderwijs en een leven lang leren, alsook gezondheid en veiligheid op het werk; verzoekt de Commissie steun te geven aan verder onderzoek met betrekking tot de monitoring en de verbetering van de totstandbrenging van kwaliteitsvolle werkgelegenheid en algemeen concurrentievermogen in de EU, gebaseerd op onderzoek van Eurofound;

30.  is van oordeel dat een fatsoenlijke levensstandaard met sommige vormen van arbeid, zoals nulurencontracten en onbetaalde stages, niet mogelijk is; acht het van cruciaal belang om te zorgen voor degelijke leer- en opleidingsmogelijkheden en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden, indien van toepassing, voor stages en leerlingplaatsen, om grenzen te stellen aan atypische vormen van arbeid, om het gebruik van nulurencontracten te verhinderen en te voorkomen dat uitzendkrachten stakende werknemers vervangen en er overeenkomsten voor bepaalde tijd worden gebruikt voor vaste taken;

31.  stelt vast dat vrijwillig deeltijdwerk bepaalde categorieën van mensen, die thans ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt, kan stimuleren deel te nemen aan de arbeidsmarkt en nuttig kan zijn voor regelingen inzake een beter evenwicht tussen werk en privéleven;

32.  is er vast van overtuigd dat kan worden onderzocht of het met een nauwkeurige gemeenschappelijke arbeidsclassificatie op Europees niveau mogelijk is onzekerheid tegen te gaan op basis van wetenschappelijke feiten en gegevens; is ervan overtuigd dat ongelijkheid tussen werknemers kan worden tegengegaan wanneer het beginsel van gelijke betaling voor gelijk werk op dezelfde plaats wordt toegepast;

33.  wijst erop hoe belangrijk het is naar behoren na te gaan wat de verschillende effecten en aspecten zijn van toenemende automatisering en welke invloed vertragingen in het aanpassen van de wetgeving hebben, hetgeen een neerwaartse druk zou kunnen uitoefenen op de socialezekerheidsstelsels en de lonen en met name laaggeschoolde en middelhoog opgeleide werknemers zou treffen; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is dat de sociale bescherming en de lonen voldoende hoog blijven;

34.  vindt dat de agenda voor nieuwe vaardigheden moet zorgen voor betaalbare toegang tot een leven lang leren voor alle werknemers, alsook voor aanpassing aan digitalisering en permanente technologische veranderingen;

35.  neemt terdege kennis van het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een kaderrichtlijn inzake een toereikend minimuminkomen in de Europese Unie, waarin gemeenschappelijke regels en indicatoren worden vastgelegd en methoden voor het toezicht op de toepassing worden aangereikt; vindt dat het instrument van referentiebudgetten, die aangeven welke kosten verbonden zijn aan een waardig leven voor uiteenlopende woonvormen, samenstellingen van huishoudens en leeftijdsgroepen, kan worden gebruikt om vast te stellen of de door de lidstaten ingevoerde regelingen voor een minimuminkomen voldoen;

36.  maakt zich zorgen over de geringe benutting van de regelingen voor een minimuminkomen, daar waar deze reeds bestaan, hetgeen aangeeft dat er veel barrières zijn, onder andere indringende procedures en het stigma dat wordt geassocieerd met het indienen van een aanvraag in het kader van een dergelijke regeling; is van mening dat programma's voor inkomenssteun wezenlijk zijn om ongelijke economische tendenzen te vermijden, doordat mensen steun krijgen alvorens zij het stadium van armoede en sociale uitsluiting bereiken;

37.  benadrukt het belang van sociale dialoog en collectieve onderhandelingen bij het bepalen van lonen, alsook de noodzaak om deze mechanismen in handen van de sociale partners te houden, overeenkomstig hun autonomie als verankerd in de Verdragen; verzoekt de Commissie een studie te verrichten met betrekking tot een index van leefbare lonen, zodat een schatting kan worden gemaakt van de kosten van het levensonderhoud en het geraamde inkomen die nodig zijn om te voldoen aan de basisbehoeften van een gezin, en dit voor elke lidstaat en regio; wijst erop dat een toereikend inkomen voor alle huishoudens van essentieel belang is om ervoor te zorgen dat de werkende armen financieel onafhankelijk kunnen worden met behoud van zekerheid over huisvesting en voeding;

38.  beklemtoont dat voor de langetermijnfinanciering van de bouw van nieuwe woningen naast de ESI-fondsen en het EFSI andere vormen van zowel particuliere als openbare financiering moeten worden gemobiliseerd als een manier om de activiteiten van nationale overheidsbanken of andere agentschappen op het gebied van betaalbare en sociale huisvesting verder uit te bouwen;

39.  verzoekt de Commissie om voor werknemers de gezondheid en veiligheid op de werkplek te verbeteren, onder meer door de arbeidstijdenrichtlijn naar behoren te handhaven;

40.  wijst erop dat het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie een grondrecht is in de EU en dat de Europese instellingen dit recht moeten eerbiedigen, de beginselen ervan moeten naleven en de toepassing ervan moeten bevorderen(37); is van mening dat de afbrokkelende onderhandelingspositie van werknemers en vakbonden niet heeft geholpen om deze doelstelling te bereiken en een van de oorzaken kan zijn van een geringe stijging van de lonen en de verspreiding van onzeker werk;

41.  wijst erop hoe belangrijk het is de rechten van werknemers te beschermen en de onderhandelingspositie van werknemers te versterken via structurele hervormingen van arbeidsmarkten ter bevordering van duurzame groei, fatsoenlijk werk, gedeelde welvaart en sociale cohesie; onderstreept het belang van dialoog tussen de sociale partners voor het aanpakken van ongelijkheid op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten en de EU het recht om vakbonden op te richten te waarborgen en ervoor te zorgen dat zowel vakbonden als werkgeversorganisaties krachtig en autonoom kunnen handelen bij onderhandelingen op ieder niveau;

42.  onderstreept bovendien het belang van de dialoog met de burgers, met vertegenwoordigers van verschillende groepen uit de samenleving, met name van groepen die een groter risico lopen in een situatie van armoede en sociale uitsluiting terecht te komen, wanneer wordt gesproken over kwesties die verband houden met ongelijkheid;

43.  dringt aan op de tenuitvoerlegging van antidiscriminatiemaatregelen, gezien hun belang voor het waarborgen van gelijke kansen op het vlak van werkgelegenheid en het bevorderen van sociale inclusie; verzoekt de lidstaten de antidiscriminatierichtlijn te deblokkeren;

44.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om te waarborgen dat discriminatie, intimidatie en geweld op grond van (onder meer) gender, genderidentiteit of -expressie, seksuele gerichtheid en geslachtskenmerken worden aangepakt op de werkvloer en ervoor te zorgen dat er duidelijke rapportage- en ondersteuningsmechanismen voor slachtoffers en procedures voor het aanpakken van daders voorhanden zijn;

Versterken van de verzorgingsstaat en de sociale bescherming

45.  benadrukt dat de sociale bijstand en de socialezekerheidsstelsels in tal van landen onder druk zijn komen te staan door financiële consolidatiemaatregelen, met gevolgen op het vlak van inkomensongelijkheid; is van oordeel dat de socialezekerheidsstelsels als een veiligheidsnet moeten fungeren en daarnaast ook inclusie op de arbeidsmarkt moeten bevorderen; beklemtoont de noodzaak van een multidimensionale benadering om meer gelijkheid en sociale cohesie tot stand te brengen, zoals weerspiegeld in de horizontale sociale clausule (artikel 9 VWEU), waarin wordt ingegaan op de sociale dimensie van het beleid van de Unie en de verbintenis wordt uitgesproken om het beginsel van sociale mainstreaming toe te passen in al het beleid van de Unie;

46.   stelt dat sociale vooruitgang als gedefinieerd in de Europese index voor sociale vooruitgang betrekking heeft op het vermogen van een samenleving om in de fundamentele behoeften van haar burgers te voorzien, de burgers en gemeenschappen de bouwstenen te geven om hun levenskwaliteit te kunnen verbeteren en behouden, en de voorwaarden te creëren die iedereen in staat stellen zijn volledige potentieel te benutten;

47.  spoort de lidstaten aan om hun socialezekerheidsstelsels (onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, pensioenen en sociale overdrachten) te verbeteren op basis van sociale waarborgen van hoog niveau, met als doel te komen tot een alomvattende bescherming van mensen, rekening houdend met de nieuwe sociale risico's en de nieuwe kwetsbare groepen die voortkomen uit de financiële, economische en vervolgens sociale crises waar de lidstaten mee werden geconfronteerd;

48.  verzoekt de lidstaten investeringen in kwaliteitsvolle en betaalbare onderwijs- en opvangvoorzieningen voor jonge kinderen te stimuleren en benadrukt dat deze investeringen resultaten lijken op te leveren, met name voor kinderen uit kansarme gezinnen; verzoekt de lidstaten om met de steun van de Commissie en overeenkomstig de Barcelona-doelstellingen de nodige maatregelen te nemen om te zorgen voor universele en betaalbare toegang tot kwaliteitsvol openbaar onderwijs vanaf jonge leeftijd (0-3 jaar), aangezien dit cruciaal is voor het bestrijden van ongelijkheid op de lange termijn;

49.  dringt aan op universele toegang tot betaalbare huisvesting, bescherming van kwetsbare huishoudens tegen uitzetting en hoge schuldenlasten, en de bevordering op Europees niveau van een doeltreffend tweedekanskader voor individuen en gezinnen;

50.  spoort de lidstaten aan om snel op de huidige migratie- en vluchtelingencrisis in te spelen en te waarborgen dat vluchtelingen snel kunnen starten met het leren van de taal en de cultuur en toegang krijgen tot opleiding, kwaliteitsvolle huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, de arbeidsmarkt en sociale bescherming, alsook de erkenning van formele en niet-formele vaardigheden en capaciteiten, en om ervoor te zorgen dat ze integreren in de samenleving;

51.  bevestigt dat iedereen universele toegang moet krijgen tot overheidspensioenen en ‑ouderdomspensioenen die gebaseerd zijn op solidariteit en voldoende hoog zijn; verzoekt de Commissie de lidstaten te ondersteunen bij het versterken van de overheids- en bedrijfpensioenstelsels, teneinde een adequaat pensioen te bieden dat boven de armoedegrens ligt en gepensioneerden in staat te stellen hun levensstandaard te behouden en een waardig en onafhankelijk leven te leiden; herhaalt zijn oproep om in de pensioenstelsels te voorzien in zorgkredieten ter compensatie van de premies die vrouwen en mannen niet hebben kunnen betalen vanwege de zorg voor de kinderen en langdurige zorgtaken, als een manier om de genderpensioenkloof te dichten; beklemtoont dat individuele pensioenregelingen weliswaar een belangrijk instrument zijn om een voldoende hoog pensioen op te bouwen, maar wijst erop dat wettelijke en op solidariteit gebaseerde pensioenstelsels het belangrijkste middel blijven om ouderdomsarmoede en sociale uitsluiting aan te pakken;

52.  beklemtoont dat de fundamentele rechten van mensen met een handicap moeten worden gewaarborgd, met inbegrip van het recht op fatsoenlijke en obstakelvrije banen, diensten en een minimale inkomenszekerheid, aangepast aan specifieke individuele behoeften, een fatsoenlijke levensstandaard en sociale inclusie, alsook specifieke voorzieningen inzake de bescherming tegen uitbuiting en dwangarbeid;

53.  is van mening dat internationale handel een drijvende kracht voor groei is geweest, maar dat de voordelen niet altijd gelijk worden verdeeld en dat dit kan worden opgevat als een bron van ongelijkheid; verzoekt de Commissie en de lidstaten om te ijveren voor eerlijkere internationale handelsovereenkomsten die in overeenstemming zijn met de Europese arbeidsmarktvoorschriften en de belangrijkste IAO-verdragen en die tegelijk ter bescherming dienen van hoogwaardige werkgelegenheid en werknemersrechten, alsook zorgen voor Europese en nationale mechanismen voor het compenseren van werknemers en sectoren die schade hebben ondervonden van grote veranderingen in de wereldhandelspatronen als gevolg van globalisering, onder meer via het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering;

54.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat het EU-mededingingsbeleid voor eerlijke concurrentie zorgt en bijdraagt aan het aanpakken van kartels of onverenigbare staatssteun, aangezien deze de prijzen verstoren en de goede werking van de interne markt bemoeilijken, teneinde de consument te beschermen;

Bestrijden van armoede en sociale uitsluiting

55.  is van mening dat het recht op gelijke kansen moet worden gewaarborgd in de Europese Unie; maakt zich zorgen dat de huidige resultatenongelijkheid die gevolgen heeft voor iedereen die in de EU leeft, maar met name voor kinderen en jongeren, vaak wordt verergerd door het niet-egalitaire ontwerp van onderwijsstelsels en schadelijke gevolgen heeft voor het welzijn van jongeren en hun ontplooiing als individuen, en zo Europese jongeren opzadelt met een lage dunk van zichzelf en het gevoel niet echt deel uit te maken van de samenleving, met name bij wie weinig middelen en kansen heeft;

56.  benadrukt dat onderwijs een sleutelrol moet spelen bij het tegengaan van ongelijkheid en dringt er in dat verband bij de lidstaten op aan hun inspanningen op te voeren en voldoende te investeren om gelijke kansen te garanderen; bevestigt het belang van universele toegang tot onderwijs en de toegang tot studiefinanciering voor jongeren in het hoger onderwijs; verzoekt de Commissie de lidstaten te helpen bij het creëren van adequate, fatsoenlijke en toegankelijke huisvesting voor jongeren om de overgang naar een zelfstandig leven te ondersteunen;

57.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de bestrijding van armoede, met name onder kinderen, op te voeren door streefcijfers voor de vermindering van kinderarmoede vast te stellen, door de mogelijkheden te onderzoeken van een gecoördineerde tenuitvoerlegging van de aanbeveling "Investeren in kinderen" en via de ontwikkeling van een kindergarantieregeling;

58.  benadrukt voorts dat tal van activiteiten op cultureel en sportief gebied krachtige instrumenten zijn voor cohesie en sociale integratie en herinnert eraan dat de meest kansarmen via deze activiteiten betere werkgelegenheidsvooruitzichten kunnen krijgen dankzij het aanleren van zachte vaardigheden;

59.  verzoekt de lidstaten bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie om armoede en het risico op sociale uitsluiting terug te dringen;

60.  beschouwt de snelle toename van het aantal daklozen in de meeste EU-lidstaten als een probleem dat hoogdringend onder de aandacht moet worden gebracht; is van oordeel dat de Commissie, overeenkomstig de beginselen van de pijler van sociale rechten, de lidstaten moet helpen bij het omkeren van deze trend en bij het uiteindelijk volledig uitbannen van het verschijnsel dakloosheid;

Verwezenlijken van een echt genderevenwicht

61.  merkt op dat de Commissie op zijn verzoek is ingegaan om het evenwicht tussen privé- en beroepsleven voor vrouwen en mannen die in de EU wonen en werken te verbeteren, door middel van een voorstel voor een richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en verzorgers om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de komende decennia; herinnert aan zijn oproep om te voorzien in passende beloning en sociale bescherming, en benadrukt dat de voorstellen van de Commissie een goede basis zijn voor een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen, een beter evenwicht tussen werk en privéleven en een grotere beschikbaarheid van flexibele werkregelingen voor zowel vrouwen als mannen, als een manier om ongelijkheid met betrekking tot betaald en onbetaald werk te verminderen;

62.   benadrukt dat de verdere integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt door een betere ondersteuning van vrouwelijk ondernemerschap, door de kloof te dichten tussen het onderwijsniveau van vrouwen en hun positie op de arbeidsmarkt en door gelijke kansen te waarborgen voor mannen en vrouwen op het gebied van loon, loopbaanontwikkeling en de mogelijkheid om voltijds te werken, stuk voor stuk cruciale factoren zijn voor de verwezenlijking van inclusieve economische groei op de lange termijn, doordat de genderpensioenkloof verdwijnt, de strijd wordt aangegaan met ongelijkheid en de financiële onafhankelijkheid van vrouwen wordt gestimuleerd;

63.  verzoekt de Commissie in voorkomend geval initiatieven op te starten om de loonkloof tussen mannen en vrouwen in al zijn vormen te dichten en sancties vast te stellen voor werkplekken die het recht op gelijkheid met voeten treden door verschillende lonen te hanteren voor identieke beroepscategorieën op basis van de vaststelling of het beroep voornamelijk wordt uitgeoefend door mannen of door vrouwen;

64.  betreurt dat er, ondanks bestaande wetgeving waarin het beginsel is verankerd van gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde door mannelijke en vrouwelijke werknemers, nog altijd een genderloonkloof bestaat en zelfs een nog grotere genderpensioenkloof; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de sociale partners het probleem van de genderkloof op het gebied van lonen en pensioenen aan te pakken;

65.   maakt zich zorgen over de stijging van het armoedepercentage, met name onder vrouwen, en over het feit dat met name alleenstaande moeders, jonge en oudere vrouwen door armoede worden getroffen; wijst erop dat de verlaging van het armoedepeil met 20 miljoen mensen uiterlijk in 2020 kans van slagen heeft met beleidsmaatregelen inzake armoedebestrijding en een actieve arbeidsmarkt die gefundeerd zijn op gendermainstreaming en in de eerste plaats gericht zijn op het vergroten en ondersteunen van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen; merkt op dat armoede nog steeds gemeten wordt aan de hand van het totale inkomen van het huishouden, waarbij er vanuit wordt gegaan dat alle leden van het huishouden evenveel verdienen en dat de financiële middelen gelijk worden verdeeld; vraagt om geïndividualiseerde rechten en berekeningen die gebaseerd zijn op individuele inkomens, zodat de ware omvang van armoede onder vrouwen aan het licht kan komen;

66.   wijst op de belangrijke rol die is weggelegd voor overheidsdiensten bij de totstandbrenging van gendergelijkheid en van belasting- en uitkeringsstelsels die vrij zijn van bepalingen die het voor tweede verdieners onaantrekkelijk maken te gaan werken of meer te gaan werken, aangezien hierdoor de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen mogelijk kan worden verbeterd;

67.  herhaalt zijn verzoek aan de Raad om een snelle vaststelling te waarborgen van de richtlijn inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen, als een belangrijke eerste stap op weg naar een evenwichtige vertegenwoordiging in zowel de openbare als de particuliere sector;

Moderniseren van de belastingstelsels

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten buitensporige ongelijkheid tussen individuen te corrigeren door de meest productieve vormen van investering te ondersteunen en te bevorderen; herinnert eraan dat objectieve belastingmaatregelen in dit verband van doorslaggevend belang zijn en dat het belastingstelsel in veel lidstaten grondig moet worden hervormd; verzoekt de Commissie om in het licht van het Europees semester benchmarks te volgen, aan te bevelen, te bevorderen en op te stellen;

69.  verzoekt de Commissie en de lidstaten belastingontwijking en belastingfraude daadwerkelijk aan te pakken, als een belangrijke manier om economische ongelijkheid te beperken, en de belastinginning in de lidstaten te verbeteren;

70.  verzoekt de Commissie aan te sporen tot hervormingen van het belastingbeleid van de lidstaten, teneinde over adequate overheidsmiddelen te kunnen beschikken voor dienstverlening op het gebied van gezondheidszorg, huisvesting, sociale diensten, werkgelegenheid en onderwijs; is van mening dat ook de strijd tegen corruptie in overheidsdiensten en de strijd tegen de ongelijke verdeling van de rijkdom hier deel van moeten uitmaken, onder meer door een herverdeling van de buitensporige concentratie van de rijkdom, aangezien dit van wezenlijk belang is om de toenemende ongelijkheid in tal van lidstaten een halt toe te roepen; wijst er voorts op dat er maatregelen nodig zijn op domeinen als de financialisering van de economie en de verdere coördinatie, afstemming en harmonisering, in voorkomend geval, van belastingbeleid, alsook maatregelen tegen belastingparadijzen, belastingfraude en -ontduiking, maatregelen tegen zwartwerk en maatregelen tot optimalisering van de mix van belastingen en van het respectieve gewicht van de belastinginkomsten uit arbeid en de belastinginkomsten uit vermogen als aandeel in de totale belastinginkomsten van een lidstaat;

o
o   o

71.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 57.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0260.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0073.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0317.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0136.
(7) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 19.
(8) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 141.
(9) PB C 75 van 26.2.2016, blz. 130.
(10) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 68.
(11) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 57.
(12) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 77.
(13) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 25.
(14) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 8.
(15) PB C 9 E van 15.1.2010, blz. 11.
(16) PB C 170 van 5.6.2014, blz. 23.
(17) PB C 248 van 25.8.2011, blz. 130.
(18) PB C 318 van 23.12.2009, blz. 52.
(19) PB C 166 van 7.6.2011, blz. 18.
(20) http://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=13608&langId=en
(21) Advies van het Comité voor sociale bescherming aan de Raad, de Raad van de Europese Unie, 649/11, SOC 124, 15 februari 2011.
(22) Europese Commissie, Institutional Paper 025, mei 2016.
(23) Auteurs: Jonathan D. Ostry, Andrew Berg en Charalambos G. Tsangarides.
(24) Auteurs: Andrew Berg en Jonathan D. Ostry.
(25) Eurostat: http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Income_distribution_statistics
(26) IMF (2015), "Causes and Consequences of Income Inequality: A Global Perspective", Werkdocument SDN/15/13, Washington, D.C., Internationaal Monetair Fonds. http://www.imf.org/external/pubs/ft/sdn/2015/sdn1513.pdf
(27) OESO (2015), "In It Together. Why Less Inequality Benefits All", Parijs, OECD Publishing.
(28) IMF (2017), "IMF Working Paper WP 17/76: Inequality Overhang", auteurs: Francesco Grigoli en Adrian Robles, Washington, D.C., Internationaal Monetair Fonds.
(29) Eurostat: http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/images/f/f8/People_at_risk_of_poverty_or_social_exclusion%2C_EU-27_and_EU-28%2C_2005-2015.JPG
(30) OESO (2015), "In It Together. Why Less Inequality Benefits All", blz. 67.
(31) Eurofound (2017), "Social mobility in the EU", Luxemburg, Bureau voor publicaties van de Europese Unie.
(32) https://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1461en.pdf
(33) "Inequality and mental illness" (Ongelijkheid en geestesziekten), R. Wilkinson en K. Pickett, departement gezondheidswetenschappen, Universiteit van York, VK; online gepubliceerd op 25 mei 2017; S2215-0366(17)30206-7
(34) COREPER I, "Een toereikend pensioeninkomen in de context van een vergrijzende samenleving – Ontwerpconclusies van de Raad", 12352/15: http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12352-2015-INIT/nl/pdf
(35) Eurofound (2017), "Income inequalities and employment patterns in Europe before and after the Great Recession" (Inkomensongelijkheid en arbeidspatronen in Europa voor en na de Grote Recessie).
(36) OESO (2015), "In It Together. Why Less Inequality Benefits All", Parijs, OECD Publishing.
(37) Overeenkomstig artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Juridische mededeling