Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0382(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0392/2017

Ingediende teksten :

A8-0392/2017

Debatten :

PV 15/01/2018 - 12
CRE 15/01/2018 - 12
PV 12/11/2018 - 14
CRE 12/11/2018 - 14

Stemmingen :

PV 17/01/2018 - 10.4
CRE 17/01/2018 - 10.4
Stemverklaringen
PV 13/11/2018 - 4.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0009
P8_TA(2018)0444

Aangenomen teksten
PDF 1076kWORD 150k
Woensdag 17 januari 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ***I
P8_TA(2018)0009A8-0392/2017

Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 januari 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (COM(2016)0767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD))(1)

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen is een van de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie. Het veelvuldiger gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen vormt, samen met energiebesparing en grotere energie-efficiëntie, een belangrijk onderdeel van het pakket maatregelen dat nodig is om de broeikasgasemissies te doen dalen en om te voldoen aan de Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 het en aan beleidskader voor klimaat en energie 2030 van de Unie, met inbegrip van de bindende doelstelling om het emissieniveau tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen ten opzichte van het emissieniveau van 1990. Dit speelt ook een belangrijke rol bij het versterken van de energievoorzieningszekerheid, technologische ontwikkeling en innovatie en het scheppen van werkgelegenheid en kansen voor regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden en geïsoleerde gebieden of gebieden met een lage bevolkingsdichtheid.
(2)  Krachtens artikel 194, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen een van de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie. Het veelvuldiger gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen vormt, samen met energiebesparing en grotere energie-efficiëntie, de essentie van het pakket maatregelen dat nodig is om de broeikasgasemissies te doen dalen en om te voldoen aan de verbintenis van de Unie uit hoofde van de Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 na de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP 21) (de "Overeenkomst van Parijs") en aan de noodzaak om in de Unie uiterlijk in 2050 tot CO2-neutraliteit te komen. Dit speelt ook een fundamentele rol bij de bevordering van de energievoorzieningszekerheid, duurzame energie voor een betaalbare prijs, technologische ontwikkeling en innovatie, alsook technologisch en industrieel leiderschap, en biedt tegelijkertijd ook maatschappelijke, milieu- en gezondheidsvoordelen en grote kansen voor werkgelegenheid en regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden en geïsoleerde gebieden, in gebieden met een lage bevolkingsdichtheid en in gebieden waar zich een gedeeltelijke de-industrialisatie voltrekt.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Met de Klimaatovereenkomst van Parijs heeft de wereld de lat in verband met de beperking van de klimaatverandering veel hoger gelegd doordat de ondertekenaars zich ertoe hebben verbonden om de mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en te streven naar een maximale stijging van 1,5 °C boven het pre-industriële niveau. De Unie moet zich voorbereiden op veel drastischere en snellere emissiereducties dan aanvankelijk gepland om uiterlijk in 2050 de omschakeling te kunnen maken naar een uiterst energie-efficiënt en op hernieuwbare bronnen gebaseerd energiesysteem. Daar staat tegenover dat deze reducties haalbaar zijn tegen lagere kosten dan eerder was ingeschat, gezien het tempo waaraan hernieuwbare-energietechnologieën zoals wind- en zonne-energie worden ontwikkeld en worden ingezet.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Vooral meer technologische verbeteringen, stimulansen voor het gebruik en de uitbreiding van het openbaar vervoer, het gebruik van technologieën die een efficiënter energiegebruik mogelijk maken en de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteits-, verwarmings- en koelingssectoren, alsook in de vervoerssector, zijn, samen met energie-efficiëntiebevorderende maatregelen, zeer doeltreffende middelen om de broeikasgasemissie in de Unie terug te dringen en de Unie minder afhankelijk te maken van de invoer van gas en olie.
(3)  Vooral de beperking van het energieverbruik, meer technologische verbeteringen, de uitbreiding van het openbaar vervoer, het gebruik van technologieën die een efficiënter energiegebruik mogelijk maken en de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteits-, verwarmings- en koelingssectoren, alsook in de vervoerssector, zijn, samen met energie-efficiëntiebevorderende maatregelen, zeer doeltreffende middelen om de broeikasgasemissie in de Unie en de energieafhankelijkheid van de Unie terug te dringen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  In Richtlijn 2009/28/EG is een regelgevingskader vastgesteld ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met bindende, tegen 2020 te behalen nationale streefcijfers voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik en het vervoer. In de mededeling van de Commissie van 22 januari 201412 is een kader voor het toekomstige beleid van de Unie inzake energie en klimaat vastgesteld en is de aanzet gegeven tot een gemeenschappelijke visie op de ontwikkeling van dat beleid na 2020. De Commissie heeft hierin voorgesteld om op Unieniveau een streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel van in de Unie tegen 2030 verbruikte hernieuwbare energie vast te stellen.
(4)  In Richtlijn 2009/28/EG is een regelgevingskader vastgesteld ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met bindende, tegen 2020 te behalen nationale streefcijfers voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik en het vervoer.
__________________
12 "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM(2014)0015).
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft dit streefcijfer bekrachtigd en aangegeven dat lidstaten zelf ambitieuzere nationale streefcijfers kunnen vaststellen.
Schrappen
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Het Europees Parlement heeft in zijn resoluties over "een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" en "het voortgangsverslag hernieuwbare energie" de voorkeur gegeven aan een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat.
(6)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030 gepleit voor een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat. In zijn resolutie van 23 juni 2016 over het voortgangsverslag hernieuwbare energie ging het Europees Parlement nog een stap verder door te wijzen op zijn eerdere standpunt betreffende een streefcijfer van de Unie van ten minste 30 % en te benadrukken dat het in het licht van de Overeenkomst van Parijs en de recente verlaging van de kosten van hernieuwbare-energietechnologie wenselijk zou zijn veel meer ambitie aan de dag te leggen.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  De in de Overeenkomst van Parijs vastgelegde ambitie en de technologische ontwikkelingen, waaronder de verlaging van de kosten voor investeringen in hernieuwbare energie, moeten daarom in acht worden genomen.
Amendement 324
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen. De lidstaten moeten bepalen hoe zij in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zullen bijdragen tot de verwezenlijking van dit streefdoel door middel van de in Verordening [governance] vastgestelde governanceprocedure.
(7)  Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 35 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen en dat vergezeld te doen gaan van nationale streefcijfers. Het mag de lidstaten slechts bij uitzondering worden toegestaan om van het voorziene niveau van hun streefcijfer af te wijken, met maximaal 10 % en in omstandigheden die naar behoren onderbouwd moeten worden, meetbaar en verifieerbaar zijn en uitgaan van objectieve en niet-discriminerende criteria.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Bij de vaststelling van streefcijfers van de lidstaten inzake hernieuwbare energie moet rekening worden gehouden met de verplichtingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, het grote potentieel dat er nog steeds is voor hernieuwbare energie en de investeringen die nodig zijn om de energietransitie tot stand te brengen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  Bij de omzetting van het streefcijfer van de Unie van 35 % in afzonderlijke streefcijfers voor elke lidstaat moet de nodige aandacht worden besteed aan een billijke en adequate toewijzing, rekening houdend met het bbp van de lidstaten en de uiteenlopende uitgangssituaties en mogelijkheden van elke lidstaat, met inbegrip van het percentage energie uit hernieuwbare bronnen dat tegen 2020 moet worden behaald.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden. Een op Unieniveau vastgesteld streefcijfer zou de lidstaten meer ruimte bieden om hun streefcijfers voor de beperking van broeikasgasemissies op de meest kosteneffectieve wijze te halen overeenkomstig hun specifieke situatie, energiemix en mogelijkheden om hernieuwbare energie te produceren.
(8)  De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  De lidstaten moeten rekening houden met de mate waarin het gebruik van verschillende soorten energiebronnen verenigbaar is met het streefcijfer om de opwarming van de aarde tot 1,5 °C boven pre-industriële niveaus te beperken, en verenigbaar met het doel om in één beweging een economie zonder fossiele brandstoffen en een koolstofarme economie tot stand te brengen. De Commissie moet beoordelen op welke manier verschillende soorten hernieuwbare energiebronnen bijdragen aan deze doelstellingen, op basis van de terugverdientijd en de resultaten in vergelijking met fossiele brandstoffen, en om te overwegen een maximaal toegelaten terugverdientijd als duurzaamheidscriterium voor te stellen, in het bijzonder voor lignocellulosische biomassa.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  De lidstaten moeten aanvullende maatregelen nemen indien het aandeel hernieuwbare energie op Unieniveau niet op koers ligt voor het behalen van het streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie. Als bepaald in Verordening [governance] kan de Commissie, indien bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een ambitiekloof wordt vastgesteld, op Unieniveau maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het streefcijfer wordt behaald. Indien de Commissie bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een gebrek aan concrete resultaten vaststelt, moeten de lidstaten de in Verordening [governance] opgenomen maatregelen toepassen, die hen voldoende ruimte bieden om keuzes te maken.
Schrappen
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten.
(15)  Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van verschillende technologieën en het uiteenlopende vermogen van kleine en grote producenten om te reageren op marktsignalen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moet worden ingezet op een manier die de afnemers en belastingbetalers zo weinig mogelijk kost. Bij het ontwerpen van steunregelingen en het toekennen van steun moeten de lidstaten ernaar streven de totale systeemkosten voor de inzet ervan te minimaliseren en daarbij ten volle rekening houden met de behoeften met betrekking tot de ontwikkeling van het net en het systeem, de hieruit voortvloeiende energiemix en het langetermijnpotentieel van technologieën.
(16)  De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van energieopslag, moet zo worden ingezet dat de langetermijnkosten van de energietransitie voor afnemers en belastingbetalers zo laag mogelijk blijven. Bij het ontwerpen van steunregelingen en het toekennen van steun moeten de lidstaten ernaar streven de totale systeemkosten voor de inzet ervan te minimaliseren en daarbij ten volle rekening houden met de behoeften met betrekking tot de ontwikkeling van het net en het systeem, de hieruit voortvloeiende energiemix en het langetermijnpotentieel van technologieën. De lidstaten moeten ook steun verlenen aan installaties via openbare aanbestedingen, die ofwel technologiespecifiek ofwel technologieneutraal kunnen zijn.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  In zijn conclusies van 24 oktober 2014 over het kader voor het klimaat- en energiebeleid 2030 benadrukte de Europese Raad het belang van een meer onderling verbonden interne energiemarkt en de noodzaak om de integratie van de steeds toenemende elektriciteitstoevoer uit variabele hernieuwbare energiebronnen voldoende te ondersteunen, opdat de Unie haar leidersambities op het gebied van de energietransitie kan waarmaken. Daarom is het van belang dat er met spoed meer onderlinge verbindingen tot stand worden gebracht en dat er vorderingen worden gemaakt bij de verwezenlijking van de door de Europese Raad afgesproken doelstellingen, teneinde het volledige potentieel van de energie-unie maximaal te benutten.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)  Bij het ontwerpen van steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen moeten de lidstaten de beginselen van de circulaire economie en de afvalhiërarchie, zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en Raad1 bis, in acht nemen. Afvalpreventie en -recycling verdienen daarbij de voorkeur. De lidstaten moeten vermijden steunregelingen te ontwerpen die strijdig zouden zijn met streefdoelen inzake afvalverwerking en die zouden leiden tot inefficiënt gebruik van recycleerbaar afval. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de in het kader van deze richtlijn ingevoerde maatregelen niet indruisen tegen de doelstellingen van Richtlijn 2008/98/EG.
_________________________
1 bis Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 quater (nieuw)
(16 quater)  In verband met het gebruik van biotische energiebronnen moeten de lidstaten voorzien in waarborgen ter bescherming van de biodiversiteit en ter voorkoming van de uitputting of het verlies van ecosystemen, alsook ter voorkoming van eventuele afwijkingen van bestaand gebruik die negatieve indirecte of directe gevolgen zouden hebben voor de biodiversiteit, de bodem of de algehele broeikasgasbalans.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 quinquies (nieuw)
(16 quinquies)  De lidstaten moeten het gebruik van energie uit binnenlandse hernieuwbare bronnen bevorderen en daar zoveel mogelijk de voorkeur aan geven, en moeten voorkomen dat er verstorende situaties ontstaan die leiden tot omvangrijke invoer van bronnen uit derde landen. In dit verband moet de levensloopbenadering worden gehanteerd en bevorderd.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 sexies (nieuw)
(16 sexies)  Hernieuwbare-energiegemeenschappen, steden en lokale overheden moeten het recht hebben om op gelijke voet met andere grote partijen te kunnen deelnemen aan beschikbare steunregelingen. Met het oog hierop moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om maatregelen te nemen, waaronder het verstrekken van informatie en van technische en financiële ondersteuning via de enkele administratieve contactpunten, om administratieve voorwaarden te beperken, op gemeenschappen gerichte inschrijvingscriteria op te nemen, op maat gesneden inschrijvingsintervallen voor hernieuwbare-energiegemeenschappen in te stellen, of toe te staan dat hernieuwbare-energiegemeenschappen worden vergoed met directe steun.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 septies (nieuw)
(16 septies)  Bij het opstellen van plannen voor de infrastructuur die nodig is voor de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen moet naar behoren rekening worden gehouden met beleidsmaatregelen die verband houden met de deelname van al wie wordt getroffen door de projecten, met inbegrip van eventuele inheemse bevolking, en moeten hun landrechten worden geëerbiedigd.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 octies (nieuw)
(16 octies)  Consumenten moeten uitgebreid worden geïnformeerd, onder meer over de winst op het vlak van energie-efficiëntie van bepaalde verwarmings- en koelingssystemen en over de lagere gebruikskosten van elektrische wagens, zodat zij als consument in staat zijn individuele keuzes te maken met betrekking tot hernieuwbare energie en kunnen vermijden in een technologische lock-in te belanden.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 nonies (nieuw)
(16 nonies)   Wanneer de ontwikkeling van de markt voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt gestimuleerd, is het noodzakelijk rekening te houden met de negatieve gevolgen voor andere marktdeelnemers. Daarom moeten steunregelingen het risico van markt- en concurrentieverstoring tot een minimum beperken.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  Hoewel de lidstaten moeten worden verplicht steunregelingen geleidelijk en gedeeltelijk open te stellen voor projecten in andere lidstaten tot op een niveau dat overeenstemt met de fysieke stromen tussen lidstaten, moet de openstelling van steunregelingen voorbij dit verplichte aandeel vrijwillig blijven. De lidstaten hebben een verschillend potentieel wat energie uit hernieuwbare bronnen betreft en hanteren op nationaal niveau verschillende steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen. De meerderheid van de lidstaten hanteert steunregelingen waarbij alleen de op hun grondgebied geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen voor steun in aanmerking komt. Voor de goede werking van nationale steunregelingen is het van wezenlijk belang dat de lidstaten greep hebben op het effect en de kosten van hun nationale steunregelingen overeenkomstig hun respectieve potentieel. Een belangrijke manier om het doel van deze richtlijn te bereiken, is te zorgen voor de goede werking van nationale steunregelingen, zoals in het kader van Richtlijnen 2001/77/EG en 2009/28/EG, teneinde het vertrouwen van de investeerders te bewaren en de lidstaten in staat te stellen doeltreffende nationale maatregelen voor het naleven van de streefcijfers uit te werken. Deze richtlijn heeft tot doel grensoverschrijdende ondersteuning van energie uit hernieuwbare bronnen te vergemakkelijken zonder op onevenredige wijze aan nationale steunregelingen te raken. Naast de verplichte gedeeltelijke openstelling van steunregelingen worden met deze richtlijn facultatieve samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten ingevoerd waardoor zij afspraken kunnen maken over de mate waarin de ene lidstaat de energieproductie in een andere lidstaat steunt en over de mate waarin de energieproductie uit hernieuwbare bronnen moet worden meegeteld voor het bereiken van de nationale algemene streefcijfers van de ene of de andere. Om te waarborgen dat beide maatregelen voor het naleven van de streefcijfers – nationale steunregelingen en samenwerkingsmechanismen – doeltreffend zijn, is het van wezenlijk belang dat de lidstaten, voor wat buiten het verplichte minimumaandeel voor openstelling valt, kunnen vaststellen of en in welke mate hun nationale steunregelingen van toepassing zijn op energie uit hernieuwbare bronnen die in andere lidstaten is geproduceerd, en dat zij hierover afspraken kunnen maken door gebruik te maken van de samenwerkingsmechanismen waarin wordt voorzien in deze richtlijn.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Onverlet wijzigingen van steunregelingen teneinde ze in overeenstemming te brengen met de staatssteunregels, moeten beleidsmaatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare energie stabiel zijn en moet worden vermeden dat deze voortdurend worden gewijzigd. Dergelijke wijzigingen hebben een directe impact op de kapitaalkosten, de projectontwikkelingskosten en bijgevolg op de totale kost voor de inzet van hernieuwbare energiebronnen in de Unie. De lidstaten moeten voorkomen dat de herziening van steun die is toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie, een negatieve impact heeft op de economische levensvatbaarheid van die projecten. In dit verband moeten de lidstaten kostenefficiënte steunmaatregelen bevorderen en de financiële duurzaamheid ervan garanderen.
(18)  Onder voorbehoud van de artikelen 107 en 108 VWEU moeten beleidsmaatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare energie voorspelbaar en stabiel zijn en moet worden vermeden dat deze voortdurend of met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Onvoorspelbaar en onstabiel beleid heeft een directe impact op de kapitaalkosten, de projectontwikkelingskosten en bijgevolg op de totale kost voor de inzet van hernieuwbare energiebronnen in de Unie. De lidstaten moeten wijzigingen in beleidsmaatregelen ter ondersteuning lang genoeg op voorhand aankondigen en de belanghebbenden op passende wijze raadplegen. De lidstaten moeten hoe dan ook voorkomen dat de herziening van steun die is toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie, een negatieve impact heeft op de economische levensvatbaarheid van die projecten. In dit verband moeten de lidstaten kostenefficiënte steunmaatregelen bevorderen en de financiële duurzaamheid ervan garanderen.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  De verplichtingen van de lidstaten om actieplannen en voortgangsverslagen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen op te stellen en de verplichting van de Commissie om verslag uit te brengen over de voortgang van de lidstaten, zijn van cruciaal belang om de transparantie te vergroten, investeerders en consumenten klaarheid te verschaffen en doeltreffende monitoring mogelijk te maken. In Verordening [governance] worden deze verplichtingen geïntegreerd in het governancesysteem van de energie-unie, waarin de verplichtingen inzake planning, rapportage en toezicht op het vlak van energie en klimaat worden gestroomlijnd. Het transparantieplatform voor hernieuwbare energie is ook geïntegreerd in het ruimere, bij Verordening [governance] vastgestelde e-platform.
(19)  De verplichtingen van de lidstaten om actieplannen en voortgangsverslagen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen op te stellen en de verplichting van de Commissie om verslag uit te brengen over de voortgang van de lidstaten, zijn van cruciaal belang om de transparantie te vergroten, investeerders en consumenten klaarheid te verschaffen en doeltreffende monitoring mogelijk te maken. Om ervoor te zorgen dat de burgers centraal staan in de energietransitie moeten de lidstaten in hun actieplannen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen langetermijnstrategieën ontwikkelen die de opwekking van hernieuwbare energie door steden, hernieuwbare-energiegemeenschappen en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie bevorderen. In Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] worden deze verplichtingen geïntegreerd in het governancesysteem van de energie-unie, waarin de verplichtingen inzake langetermijnstrategieën, planning, rapportage en toezicht op het vlak van energie en klimaat worden gestroomlijnd. Het transparantieplatform voor hernieuwbare energie is ook geïntegreerd in het ruimere, bij Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] vastgestelde e-platform.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Hernieuwbare mariene energie biedt de Unie een unieke kans om haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, haar streefcijfers inzake de beperking van CO2-emissies te behalen en een nieuwe bedrijfstak uit te bouwen die zorgt voor werkgelegenheid in grote delen van haar grondgebied, waaronder de ultraperifere gebieden. De Unie moet bijgevolg streven naar de totstandbrenging van regelgeving en economische voorwaarden die gunstig zijn voor het inzetten van hernieuwbare mariene energie.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)  In haar mededeling van 20 juli 2016 getiteld "Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit" wijst de Commissie op het bijzondere belang op de middellange termijn van geavanceerde biobrandstoffen voor de luchtvaart. De commerciële luchtvaart is volledig afhankelijk van vloeibare brandstoffen, aangezien er geen veilig of gecertificeerd alternatief voorhanden is voor de sector van de burgerluchtvaart.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad17 vastgestelde beginselen van afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie bij haar regelmatige beoordelingen van de bijlage overwegen deze uit te breiden met aanvullende grondstoffen die geen significant verstorend effect hebben op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.
(25)  Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de beginselen van de circulaire economie, de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad17 vastgestelde afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, een levenscyclusbeoordeling van emissies en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie de bijlage regelmatig evalueren en in eventuele wijzigingen die zij voorstelt rekening houden met de effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.
__________________
__________________
17 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
17 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  In zijn resolutie van 4 april 2017 over palmolie en de ontbossing van regenwouden heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht maatregelen te treffen om het gebruik als bestanddeel van biobrandstoffen van plantaardige oliën die ontbossing in de hand werken, waaronder palmolie, geleidelijk af te bouwen, bij voorkeur tegen 2020.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Het moet mogelijk zijn dat ingevoerde elektriciteit die geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen buiten de Unie, meetelt voor het verwezenlijken van de aandelen van hernieuwbare energie van de lidstaten. Teneinde ervoor te zorgen dat de vervanging van conventionele energie door energie uit hernieuwbare bronnen zowel in de Unie als in de derde landen een passend effect sorteert, dient te worden gegarandeerd dat ingevoerde energie op betrouwbare wijze kan worden getraceerd en verantwoord. Overeenkomsten met derde landen betreffende de organisatie van deze handel in elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zullen worden overwogen. Indien bij een op grond van het Energiegemeenschapsverdrag18 genomen besluit daartoe, de toepasselijke bepalingen van deze richtlijn bindend zijn voor de betrokken verdragspartijen, moeten de in deze richtlijn bepaalde maatregelen voor samenwerking tussen de lidstaten op die partijen van toepassing zijn.
(28)  Het moet mogelijk zijn dat ingevoerde elektriciteit die geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen buiten de Unie, meetelt voor het verwezenlijken van de aandelen van hernieuwbare energie van de lidstaten. Teneinde ervoor te zorgen dat de vervanging van conventionele energie door energie uit hernieuwbare bronnen zowel in de Unie als in de derde landen een passend effect sorteert, dient te worden gegarandeerd dat ingevoerde energie op betrouwbare wijze kan worden getraceerd en verantwoord en dat die invoer plaatsvindt met volledige inachtneming van het internationaal recht. Overeenkomsten met derde landen betreffende de organisatie van deze handel in elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zullen worden overwogen. Indien bij een op grond van het Energiegemeenschapsverdrag18 genomen besluit daartoe, de toepasselijke bepalingen van deze richtlijn bindend zijn voor de betrokken verdragspartijen, moeten de in deze richtlijn bepaalde maatregelen voor samenwerking tussen de lidstaten op die partijen van toepassing zijn.
__________________
__________________
18 PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.
18 PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Indien lidstaten samen met een of meer derde landen gezamenlijke projecten op het gebied van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opzetten, is het passend dat deze gezamenlijke projecten alleen betrekking hebben op nieuwe installaties of installaties waarvan de capaciteit recentelijk is verhoogd. Dit zal er mee voor zorgen dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het totale energieverbruik van het derde land niet wordt gereduceerd ten gevolge van de invoer van energie uit hernieuwbare bronnen in de Unie. Bovendien moeten de betrokken lidstaten bevorderen dat een deel van de elektriciteit die is geproduceerd door de onder het gezamenlijk project vallende installaties kan dienen voor binnenlands verbruik door het betrokken derde land. Daarnaast moet het betrokken derde land door de Commissie en de lidstaten worden aangespoord om een beleid inzake hernieuwbare energie op te zetten dat ambitieuze streefcijfers omvat.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 ter (nieuw)
(28 ter)   Deze richtlijn voorziet niet alleen in een Uniekader voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, maar draagt ook bij aan de potentiële positieve effecten die de Unie en de lidstaten ten deel kunnen vallen wanneer ze de ontwikkeling van de sector hernieuwbare energie in derde landen zouden stimuleren. De Unie en de lidstaten moeten ijveren voor onderzoek, ontwikkeling en investeringen in de productie van hernieuwbare energie in ontwikkelings- en andere partnerlanden, die daardoor hun economische en milieuduurzaamheid en hun uitvoercapaciteit voor hernieuwbare energie kunnen verbeteren. Daarnaast kan de invoer van hernieuwbare energie uit partnerlanden de Unie en de lidstaten helpen hun ambitieuze doelen in verband met de vermindering van koolstofemissies te verwezenlijken.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 quater (nieuw)
(28 quater)   Ontwikkelingslanden kiezen op nationaal niveau steeds vaker voor een beleid van hernieuwbare energie, daar zij energie uit hernieuwbare bronnen willen produceren om aan de toenemende vraag te kunnen voldoen. Meer dan 173 landen, waaronder 117 ontwikkelingslanden of opkomende economieën, hadden eind 2015 streefcijfers voor hernieuwbare energie vastgesteld.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 quinquies (nieuw)
(28 quinquies)  Het energiegebruik in ontwikkelingslanden is nauw verbonden met een reeks maatschappelijke kwesties: armoedebestrijding, onderwijs, gezondheid, bevolkingsgroei, werkgelegenheid, ondernemerschap, communicatie, verstedelijking en een gebrek aan kansen voor vrouwen. Hernieuwbare energie draagt een groot potentieel in zich om tegelijk ontwikkeling mogelijk te maken en uitdagingen op milieugebied aan te pakken. De afgelopen jaren hebben er belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden op het gebied van technologieën voor alternatieve energie, zowel wat prestaties als wat vermindering van de kosten betreft. Bovendien bevinden veel ontwikkelingslanden zich in een bijzonder gunstige positie als het gaat om de ontwikkeling van een nieuwe generatie energietechnologieën. Behalve aan ontwikkeling en milieuverbetering kunnen hernieuwbare energievormen ook bijdragen aan grotere veiligheid en economische stabiliteit. Een toegenomen gebruik van hernieuwbare energiebronnen zou de afhankelijkheid van dure invoer van fossiele brandstoffen verminderen en vele landen helpen om hun betalingsbalans te verbeteren.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31 bis (nieuw)
(31 bis)  Afhankelijk van de geologische kenmerken van een gebied kan de productie van geothermische energie broeikasgassen en andere stoffen vrijmaken uit ondergrondse vloeistoffen en andere ondergrondse geologische formaties. Investeringen mogen alleen worden gericht op de productie van geothermische energie waarvan de milieueffecten gering zijn en waarbij minder broeikasgassen vrijkomen dan bij conventionele energiebronnen. Daarom moet de Commissie uiterlijk in december 2018 beoordelen of er behoefte is aan een wetgevingsvoorstel tot regulering van de uitstoot door geothermische installaties van alle stoffen, met inbegrip van CO2, die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu, zowel in de fase van exploratie als van exploitatie.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33
(33)  Op nationaal en regionaal niveau hebben regels en verplichtingen betreffende minimumeisen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen geleid tot een aanzienlijke toename in het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Dergelijke maatregelen moeten ook op ruimere schaal in de hele Unie worden aangemoedigd; voorts moet ook het gebruik van energie-efficiëntere toepassingen van energie uit hernieuwbare bronnen in het kader van bouwvoorschriften en -regels worden aangemoedigd.
(33)  Op nationaal, regionaal en lokaal niveau hebben regels en verplichtingen betreffende minimumeisen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen geleid tot een aanzienlijke toename in het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Dergelijke maatregelen moeten ook op ruimere schaal in de hele Unie worden aangemoedigd; voorts moet ook het gebruik van energie-efficiëntere toepassingen van energie uit hernieuwbare bronnen in combinatie met maatregelen voor energiebesparing en energie-efficiëntie in het kader van bouwvoorschriften en -regels worden aangemoedigd.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 35
(35)  Om ervoor te zorgen dat nationale maatregelen ter ontwikkeling van hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling gebaseerd zijn op een uitgebreide inventarisatie en analyse van het nationale potentieel inzake hernieuwbare energie en afvalenergie, en om te voorzien in een betere integratie van hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen voor verwarming en koeling, is het passend van de lidstaten te verlangen dat zij hun nationale potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling beoordelen, met name ter bevordering van de brede integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsinstallaties en van efficiënte en concurrerende stadsverwarming en -koeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad21. Om de samenhang met de vereisten betreffende energie-efficiëntie voor verwarming en koeling te garanderen en de administratieve lasten te verminderen, moet deze beoordeling worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn uitgevoerde en meegedeelde uitgebreide beoordelingen.
(35)  Om ervoor te zorgen dat nationale maatregelen ter ontwikkeling van hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling gebaseerd zijn op een uitgebreide inventarisatie en analyse van het nationale potentieel inzake hernieuwbare energie en afvalenergie, en om te voorzien in een betere integratie van hernieuwbare energiebronnen – in het bijzonder door ondersteuning van innovatieve technologieën zoals warmtepompen, geothermische technologieën en thermische zonne-energietechnologieën – en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen voor verwarming en koeling, is het passend van de lidstaten te verlangen dat zij hun nationale potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling beoordelen, met name ter bevordering van de brede integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsinstallaties en van efficiënte en concurrerende stadsverwarming en -koeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad21. Om de samenhang met de vereisten betreffende energie-efficiëntie voor verwarming en koeling te garanderen en de administratieve lasten te verminderen, moet deze beoordeling worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn uitgevoerde en meegedeelde uitgebreide beoordelingen.
__________________
__________________
21 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
21 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36
(36)  Het gebrek aan transparante regels en coördinatie tussen de verschillende vergunningsinstanties is een hinderpaal voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen gebleken. De oprichting van één enkel administratief contactpunt waarin alle vergunningsprocedures worden geïntegreerd en gecoördineerd, moet de complexiteit verminderen en de efficiëntie en transparantie verhogen. Administratieve goedkeuringsprocedures moeten gestroomlijnd worden met transparante termijnen voor installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen. De voorschriften en regels op het gebied van ruimtelijke ordening moeten worden aangepast om rekening te houden met kostenefficiënte en milieuvriendelijke apparatuur voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking op basis van hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn, en met name de bepalingen inzake de organisatie en duurtijd van de vergunningsprocedure, moet worden toegepast onverminderd de toepassing van het internationale recht en het recht van de Unie, waaronder de bepalingen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid.
(36)  Het gebrek aan transparante regels en coördinatie tussen de verschillende vergunningsinstanties is een hinderpaal voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen gebleken. De oprichting van één enkel administratief contactpunt waarin alle vergunningsprocedures worden geïntegreerd en gecoördineerd, moet de complexiteit verminderen en de efficiëntie en transparantie verhogen, onder meer voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen. Administratieve goedkeuringsprocedures moeten gestroomlijnd worden met transparante termijnen voor installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen. De voorschriften en regels op het gebied van ruimtelijke ordening moeten worden aangepast om rekening te houden met kostenefficiënte en milieuvriendelijke apparatuur voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking op basis van hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn, en met name de bepalingen inzake de organisatie en duurtijd van de vergunningsprocedure, moet worden toegepast onverminderd de toepassing van het internationale recht en het recht van de Unie, waaronder de bepalingen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 43
(43)  Een garantie van oorsprong die is afgegeven met het oog op de toepassing van deze richtlijn heeft uitsluitend tot doel de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is uit hernieuwbare bronnen. Een garantie van oorsprong kan, ongeacht de energie waarop zij betrekking heeft, van de ene houder aan de andere worden overgedragen. Teneinde ervoor te zorgen dat een eenheid hernieuwbare energie slechts eenmaal aan een afnemer verstrekt wordt, moeten dubbeltellingen en dubbele verstrekkingen van garanties van oorsprong worden vermeden. Energie uit hernieuwbare bronnen waarvan de bijbehorende garantie van oorsprong afzonderlijk door de producent is verkocht, zou niet aan de eindafnemer mogen verstrekt of verkocht worden als energie uit hernieuwbare bronnen.
(43)  Een garantie van oorsprong die is afgegeven met het oog op de toepassing van deze richtlijn heeft uitsluitend tot doel de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is uit hernieuwbare bronnen. Een garantie van oorsprong kan, ongeacht de energie waarop zij betrekking heeft, van de ene houder aan de andere worden overgedragen. Teneinde ervoor te zorgen dat een eenheid hernieuwbare energie slechts eenmaal aan een afnemer verstrekt wordt, moeten dubbeltellingen en dubbele verstrekkingen van garanties van oorsprong worden vermeden. Energie uit hernieuwbare bronnen waarvan de bijbehorende garantie van oorsprong afzonderlijk door de producent is verkocht, zou niet aan de eindafnemer mogen verstrekt of verkocht worden als energie uit hernieuwbare bronnen. Het is van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen in het kader van een steunregeling gebruikte groene certificaten en garanties van oorsprong.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 45
(45)  Het is belangrijk informatie te verstrekken over de wijze waarop de elektriciteit waarvoor steun wordt verleend, aan de eindafnemers wordt toegewezen. Om de kwaliteit van deze informatie aan de consumenten te verbeteren, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat garanties van oorsprong worden afgegeven voor alle geproduceerde eenheden hernieuwbare energie. Om dubbele compensatie te vermijden, dienen producenten van hernieuwbare energie waaraan reeds steun wordt verleend, geen garanties van oorsprong te krijgen. Deze garanties van oorsprong moeten echter worden gebruikt voor informatieverstrekking, zodat eindafnemers duidelijk, betrouwbaar en afdoend bewijs kunnen krijgen over de hernieuwbare oorsprong van de desbetreffende energie-eenheden. Voor elektriciteit waarvoor steun is verleend, moeten de garanties van oorsprong bovendien aan de markt worden geveild en moet de opbrengst hiervan worden gebruikt om de overheidssubsidies voor hernieuwbare energie te verminderen.
(45)  Het is belangrijk informatie te verstrekken over de wijze waarop de elektriciteit waarvoor steun wordt verleend, aan de eindafnemers wordt toegewezen. Om de kwaliteit van deze informatie aan de consumenten te verbeteren, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat garanties van oorsprong worden afgegeven voor alle geproduceerde eenheden hernieuwbare energie.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49
(49)  De mogelijkheden om via innovatie en een duurzaam concurrerend energiebeleid tot economische groei te komen, zijn onderkend. De productie van energie uit hernieuwbare bronnen hangt vaak af van lokale of regionale kmo's. De kansen op het gebied van groei en werkgelegenheid die investeringen in regionale en lokale productie van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaten en hun regio's scheppen, zijn belangrijk. De Commissie en de lidstaten zouden daarom nationale en regionale ontwikkelingsmaatregelen op deze gebieden moeten steunen, de uitwisseling van optimale praktijken bij de productie van energie uit hernieuwbare bronnen tussen lokale en regionale ontwikkelingsinitiatieven moeten aanmoedigen en het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid op dit gebied moeten bevorderen.
(49)  De mogelijkheden om via innovatie en een duurzaam concurrerend energiebeleid tot economische groei te komen, zijn onderkend. De productie van energie uit hernieuwbare bronnen hangt vaak af van lokale of regionale kmo's. De kansen op het gebied van ontwikkeling van het plaatselijke bedrijfsleven, duurzame groei en werkgelegenheid van hoge kwaliteit die investeringen in regionale en lokale productie van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaten en hun regio's scheppen, zijn belangrijk. De Commissie en de lidstaten zouden daarom nationale en regionale ontwikkelingsmaatregelen op deze gebieden moeten bevorderen en steunen, de uitwisseling van optimale praktijken bij de productie van energie uit hernieuwbare bronnen tussen lokale en regionale ontwikkelingsinitiatieven moeten aanmoedigen, en meer technische bijstand en opleidingsprogramma's moeten aanbieden om op het terrein een grotere regelgevings-, technische en financiële deskundigheid te ontwikkelen en de kennis van beschikbare financieringsmogelijkheden te bevorderen, waaronder een doelgerichter gebruik van Uniefondsen zoals het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid op dit gebied.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49 bis (nieuw)
(49 bis)  Lokale en regionale autoriteiten stellen vaak streefcijfers inzake hernieuwbare energie vast die ambitieuzer zijn dan de nationale streefcijfers. Regionale en lokale toezeggingen om de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen en energie-efficiëntie te stimuleren, worden momenteel ondersteund via netwerken – zoals het Burgemeestersconvenant of de initiatieven in verband met slimme steden en slimme gemeenschappen – en via de ontwikkeling van actieplannen voor duurzame energie. Dergelijke netwerken zijn onmisbaar en moeten worden uitgebreid, aangezien ze het bewustzijn vergroten en de uitwisseling van beste praktijken en beschikbare financiële steun bevorderen. In dit verband moet de Commissie ook steun verlenen aan belangstellende koplopersregio's en lokale autoriteiten die over de grenzen heen willen samenwerken, door bijstand te verlenen bij het opzetten van samenwerkingsmechanismen, zoals een Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking die de overheden van diverse lidstaten in staat stelt de handen in elkaar te slaan en gezamenlijke diensten en projecten af te leveren, zonder dat er vooraf door de nationale parlementen een internationale overeenkomst moet worden ondertekend en geratificeerd.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49 ter (nieuw)
(49 ter)  Lokale autoriteiten en steden zijn koplopers wat het aandrijven van de energietransitie en het op grotere schaal inzetten van hernieuwbare energie betreft. Lokale besturen zijn het overheidsniveau dat het dichtst bij de burger staat en vervullen als zodanig een cruciale rol bij het opbouwen van een draagvlak voor de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie; daarnaast zetten ze ook meer gedecentraliseerde en geïntegreerde energiesystemen in. Het is belangrijk om steden, gemeenten en regio's een betere toegang tot financiering te verschaffen om investeringen in lokale hernieuwbare energie te bevorderen.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49 quater (nieuw)
(49 quater)  Er moeten ook andere innovatieve maatregelen worden overwogen om meer investeringen in nieuwe technologieën aan te trekken, zoals energieprestatiecontracten en normaliseringsprocessen in overheidsfinanciering.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 50
(50)  Ter bevordering van de ontwikkeling van een markt voor energie uit hernieuwbare bronnen is het noodzakelijk rekening te houden met de positieve gevolgen daarvan voor de regionale en lokale ontwikkelingsmogelijkheden, de perspectieven voor de uitvoer, de sociale samenhang en de werkgelegenheidskansen, vooral wat betreft kmo's en onafhankelijke energieproducenten.
(50)  Ter bevordering van de ontwikkeling van een markt voor energie uit hernieuwbare bronnen is het noodzakelijk rekening te houden met de positieve gevolgen daarvan voor de regionale en lokale ontwikkelingsmogelijkheden, de perspectieven voor de uitvoer, de sociale samenhang en de werkgelegenheidskansen, vooral wat betreft kmo's en onafhankelijke energieproducenten, met inbegrip van consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 51
(51)  De specifieke situatie van de ultraperifere gebieden wordt erkend in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De energiesector in de ultraperifere gebieden wordt vaak gekenmerkt door isolement, beperkte levering en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, hoewel deze gebieden over grote lokale hernieuwbare energiebronnen beschikken. De ultraperifere gebieden kunnen de Unie dus tot voorbeeld strekken wat de toepassing van innovatieve energietechnologieën betreft. Daarom is het nodig dat het gebruik van hernieuwbare energie wordt gestimuleerd, zodat deze gebieden autonomer in hun energiebehoeften kunnen voorzien, en dat hun specifieke situatie wordt erkend met betrekking tot hun potentieel op het gebied van hernieuwbare energie en hun behoeften op het vlak van overheidssteun.
(51)  De specifieke situatie van de ultraperifere gebieden wordt erkend in artikel 349 VWEU. De energiesector in de ultraperifere gebieden wordt vaak gekenmerkt door isolement, beperkte en duurdere levering en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, hoewel deze gebieden over grote lokale hernieuwbare energiebronnen beschikken, met name biomassa en mariene energie. De ultraperifere gebieden kunnen de Unie dus tot voorbeeld strekken wat de toepassing van innovatieve energietechnologieën betreft en kunnen gebieden worden waar 100 % hernieuwbare energie wordt gebruikt. Daarom is het nodig dat de strategie inzake hernieuwbare energie wordt aangepast, zodat deze gebieden autonomer in hun energiebehoeften kunnen voorzien, de voorzieningszekerheid wordt versterkt, en hun specifieke situatie wordt erkend met betrekking tot hun potentieel op het gebied van hernieuwbare energie en hun behoeften op het vlak van overheidssteun. Bovendien moeten de ultraperifere gebieden de mogelijkheid krijgen om hun hulpbronnen ten volle te exploiteren, met naleving van strenge duurzaamheidscriteria en in overeenstemming met lokale omstandigheden en behoeften, zodat de productie van hernieuwbare energie wordt opgevoerd en hun energieonafhankelijkheid groter wordt.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 52
(52)  Het is passend om de ontwikkeling van technologieën voor gedecentraliseerde hernieuwbare energie mogelijk te maken onder niet-discriminerende voorwaarden en zonder de financiering van investeringen in infrastructuur te belemmeren. De overgang naar een gedecentraliseerde energieproductie heeft vele voordelen, waaronder het gebruik van lokale energiebronnen, meer plaatselijke energievoorzieningszekerheid, kortere aanvoerwegen en minder verliezen bij de transmissie van energie. Ook de ontwikkeling en de cohesie van gemeenschappen worden door zulke decentralisatie bevorderd, omdat er lokaal bronnen van inkomsten en werkgelegenheid worden gecreëerd.
(52)  Het is passend om de ontwikkeling van technologieën voor gedecentraliseerde hernieuwbare energie en de opslag ervan mogelijk te maken onder niet-discriminerende voorwaarden en zonder de financiering van investeringen in infrastructuur te belemmeren. De overgang naar een gedecentraliseerde energieproductie heeft vele voordelen, waaronder het gebruik van lokale energiebronnen, meer plaatselijke energievoorzieningszekerheid, kortere aanvoerwegen en minder verliezen bij de transmissie van energie. Ook de ontwikkeling en de cohesie van gemeenschappen worden door zulke decentralisatie bevorderd, omdat er lokaal bronnen van inkomsten en werkgelegenheid worden gecreëerd.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53
(53)  Door het toenemende belang van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit is er behoefte aan een definitie van "consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie", alsook aan een regelgevingskader dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie de mogelijkheid biedt om elektriciteit te produceren, op te slaan, te verbruiken en te verkopen zonder met onevenredige lasten te worden geconfronteerd. Collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moet in sommige gevallen worden toegestaan zodat burgers die in appartementen wonen bijvoorbeeld dezelfde mate van empowerment kunnen genieten als huishoudens in eengezinswoningen.
(53)  Door het toenemende belang van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit is er behoefte aan een definitie van "consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie", alsook aan een regelgevingskader dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie de mogelijkheid biedt om elektriciteit te produceren, op te slaan, te verbruiken en te verkopen zonder met onevenredige lasten te worden geconfronteerd. De tarieven en vergoedingen voor consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moeten stimulansen bieden voor de ontwikkeling van slimmere technologieën voor de integratie van hernieuwbare energie en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie aanzetten tot het nemen van investeringsbesluiten die zowel de afnemer als het net ten goede komen. Om tot een dergelijk evenwicht te komen, moeten consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht krijgen om een vergoeding te ontvangen voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit die zij aan het net leveren en moet die vergoeding de marktwaarde van die geleverde elektriciteit weerspiegelen, evenals de langetermijnwaarde voor het net, het milieu en de samenleving. Hierbij moeten zowel langetermijnkosten als ‑opbrengsten van het verbruik van zelfgeproduceerde energie in aanmerking worden genomen, uitgedrukt als vermeden kosten voor het net, de samenleving en het milieu, vooral in combinatie met andere gedistribueerde energiebronnen zoals energie-efficiëntie, energieopslag, vraagrespons en gemeenschapsnetwerken. Deze vergoeding moet worden vastgesteld aan de hand van de kosten-batenanalye voor gedistribueerde energiebronnen uit hoofde van artikel 59 van Richtlijn … van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)].
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53 bis (nieuw)
(53 bis)  Collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moet in sommige gevallen worden toegestaan zodat burgers die bijvoorbeeld in appartementen wonen dezelfde mate van empowerment kunnen genieten als huishoudens in eengezinswoningen. Wanneer collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie mogelijk wordt gemaakt, biedt dit de hernieuwbare-energiegemeenschappen ook kansen om de energie-efficiëntie van huishoudens te verbeteren en energiearmoede te bestrijden dankzij een lager verbruik en voordeligere leveringstarieven. De lidstaten moeten deze kans aangrijpen door onder meer na te gaan hoe ze het voor huishoudens die anders misschien niet zouden kunnen deelnemen, onder meer kwetsbare consumenten en huurders, mogelijk kunnen maken toch deel te nemen.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53 ter (nieuw)
(53 ter)  De lidstaten moeten zorgen voor naleving van de voorschriften in verband met verbruik en de invoering of versterking van maatregelen ter bestrijding van gedwongen verkoop, oneerlijke verkooppraktijken en misleidende beweringen met betrekking tot de installatie van apparatuur voor hernieuwbare energie die vooral de kwetsbaarste groepen treffen (zoals bejaarden en plattelandsbewoners).
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 54
(54)  Lokale burgerparticipatie in projecten op het gebied van hernieuwbare energie via hernieuwbare-energiegemeenschappen heeft tot aanzienlijk meer lokale acceptatie van hernieuwbare energie en toegang tot extra particulier kapitaal geleid. Deze lokale betrokkenheid zal des te essentiëler zijn wanneer in de toekomst de hernieuwbare-energiecapaciteit toeneemt.
(54)  Lokale burgerparticipatie en de participatie van lokale autoriteiten in projecten op het gebied van hernieuwbare energie via hernieuwbare-energiegemeenschappen heeft tot aanzienlijk meer lokale acceptatie van hernieuwbare energie en toegang tot extra particulier kapitaal geleid, met als resultaat lokale investeringen, meer keuze voor de consument, meer participatie van burgers in de energietransitie, meer bepaald door het aansporen van huishoudens die anders misschien niet zouden kunnen deelnemen, de bevordering van de energie-efficiëntie van huishoudens en de bestrijding van energiearmoede aan de hand van een lager verbruik en voordeligere leveringstarieven. Deze lokale betrokkenheid zal des te essentiëler zijn wanneer in de toekomst de hernieuwbare-energiecapaciteit toeneemt.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 55 bis (nieuw)
(55 bis)  Het is belangrijk dat de lidstaten zorgen voor een eerlijke en niet-verstorende toewijzing van netwerkkosten en -heffingen voor alle gebruikers van het elektriciteitssysteem. Alle nettarieven moeten de kosten weerspiegelen.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 57
(57)  Verscheidene lidstaten hebben maatregelen genomen in de verwarmings- en koelingssector om hun streefcijfer inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Bij gebrek aan bindende nationale streefcijfers voor de periode na 2020 zullen de overblijvende nationale stimulansen wellicht onvoldoende zijn om de langetermijndoelstellingen inzake decarbonisatie voor 2030 en 2050 te halen. Om met het oog op dergelijke doelstellingen te handelen, investeerders meer zekerheid te bieden en de ontwikkeling van een Uniebrede markt voor hernieuwbare verwarming en koeling te bevorderen, is het passend de lidstaten aan te moedigen wanneer zij een inspanning leveren met betrekking tot de levering van hernieuwbare verwarming en koeling teneinde bij te dragen aan een progressieve toename van het aandeel hernieuwbare energie. Aangezien sommige markten voor verwarming en koeling versnipperd zijn, is het van groot belang dat bij dergelijke inspanningen voor flexibiliteit wordt gezorgd. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat een potentiële toename van het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling geen schadelijke neveneffecten heeft voor het milieu.
(57)  Verscheidene lidstaten hebben maatregelen genomen in de verwarmings- en koelingssector om hun streefcijfer inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Om met het oog op dergelijke doelstellingen te handelen, investeerders meer zekerheid te bieden en de ontwikkeling van een Uniebrede markt voor hernieuwbare verwarming en koeling te bevorderen, met inachtneming van het beginsel "energie-efficiëntie eerst", is het passend de lidstaten aan te moedigen wanneer zij een inspanning leveren met betrekking tot de levering van hernieuwbare verwarming en koeling teneinde bij te dragen aan een progressieve toename van het aandeel hernieuwbare energie. Aangezien sommige markten voor verwarming en koeling versnipperd zijn, is het van groot belang dat bij dergelijke inspanningen voor flexibiliteit wordt gezorgd. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat een potentiële toename van het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling geen schadelijke neveneffecten heeft voor het milieu en de volksgezondheid.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 59 bis (nieuw)
(59 bis)  Huishoudens en gemeenschappen die hun flexibiliteit verhandelen, zelfgeproduceerde energie verbruiken of zelfgeproduceerde elektriciteit verkopen, behouden hun consumentenrechten, waaronder het recht om een overeenkomst te sluiten met een leverancier naar keuze en het recht om van leverancier te veranderen.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 60
(60)  Nadruk moet worden gelegd op de potentiële synergieën tussen de inspanning om het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling te laten toenemen enerzijds en de bestaande regelingen van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU anderzijds. In de mate van het mogelijke moeten lidstaten de mogelijkheid hebben om bestaande administratieve structuren te gebruiken om aan een dergelijke inspanning uitvoering te geven, zodat de administratieve lasten worden beperkt.
(60)  Het gebruik van efficiënte verwarmings- of koelingssystemen op basis van energie uit hernieuwbare bronnen moet gepaard gaan met een grondige renovatie van gebouwen, teneinde de energievraag en -kosten voor de afnemers te verlagen, bij te dragen aan de terugdringing van energiearmoede en plaatselijke werkgelegenheid voor gekwalificeerd personeel te creëren. Daartoe moet nadruk worden gelegd op de potentiële synergieën tussen de noodzaak om het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling te laten toenemen enerzijds en de bestaande regelingen van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU anderzijds. In de mate van het mogelijke moeten lidstaten de mogelijkheid hebben om bestaande administratieve structuren te gebruiken om aan een dergelijke inspanning uitvoering te geven, zodat de administratieve lasten worden beperkt.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 61 bis (nieuw)
(61 bis)  Op het gebied van intelligent vervoer is het van belang de ontwikkeling en toepassing van elektrische mobiliteit op de weg te stimuleren, en daarnaast de integratie van geavanceerde technologieën in innovatief spoorverkeer te versnellen door het Shift2Rail-initiatief ten behoeve van schoon openbaar vervoer naar voren te schuiven.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 62
(62)  In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoerssector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen.
(62)  Wanneer weilanden of landbouwgronden die voordien bestemd waren voor de productie van voedsel- en voedergewassen worden herbestemd voor de productie van biobrandstoffen, moet nog steeds worden voldaan aan de niet aan brandstoffen gerelateerde vraag, hetzij door intensivering van de huidige productie, hetzij door elders niet-landbouwgrond in productie te nemen. In dit laatste geval is er sprake van indirecte veranderingen in het landgebruik en wanneer dit de conversie betreft van land met een grote koolstofvoorraad, kan dit resulteren in aanzienlijke emissies van broeikasgassen. In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoerssector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen, en daarbij biobrandstoffen op basis van gewassen met een hoge broeikasgasefficiëntie en een gering risico van indirecte veranderingen in het landgebruik als een aparte categorie te behandelen. De invoering van geavanceerde biobrandstoffen en elektrische mobiliteit moet worden versneld.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 63 bis (nieuw)
(63 bis)  De Unie en de lidstaten moeten ernaar streven de energiemix uit hernieuwbare bronnen te vergroten, het totale energieverbruik in het vervoer te verminderen en de energie-efficiëntie in alle vervoerssectoren te doen toenemen. Daartoe kunnen maatregelen worden bevorderd op het gebied van vervoersplanning en de productie van wagens met een hogere energie-efficiëntie.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 63 ter (nieuw)
(63 ter)  Brandstofefficiëntienormen voor wegvervoer zouden een doeltreffende manier zijn om het gebruik van alternatieve hernieuwbare energiebronnen in de vervoerssector te doen toenemen en om op lange termijn een verdere reductie van broeikasgasemissies en decarbonisatie tot stand te brengen in de vervoerssector. Brandstofefficiëntienormen moeten worden bevorderd in overeenstemming met technologische ontwikkelingen en de streefcijfers inzake klimaat en energie.
Amendement 286
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 63 quater (nieuw)
(63 quater)  Geavanceerde biobrandstoffen zullen naar verwachting een belangrijke rol spelen bij het verminderen van de broeikasgasemissies van de luchtvaart, en daarom moet aan de vermengingsverplichting ook specifiek worden voldaan met betrekking tot aan de luchtvaartsector geleverde brandstoffen. Op het niveau van de Unie en de lidstaten moet beleid worden ontwikkeld ter aanmoediging van operationele maatregelen om brandstof te besparen in de scheepvaart, samen met inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling om door wind- en zonne-energie aangedreven zeevervoer te doen toenemen.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 65 bis (nieuw)
(65 bis)  Om het aandeel van hernieuwbare elektriciteit in het vervoer nauwkeuriger te kunnen meten, moet een passende methodologie worden ontwikkeld en moeten verschillende technische en technologische oplossingen worden onderzocht.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 66
(66)  Grondstoffen die slechts in beperkte mate tot indirecte veranderingen in het landgebruik leiden wanneer ze worden gebruikt voor biobrandstoffen, moeten worden bevorderd vanwege de bijdrage die hiermee kan worden geleverd aan het koolstofvrij maken van de economie. In het bijzonder grondstoffen voor geavanceerde biobrandstoffen die innovatievere en minder ontwikkelde technologie en dus meer ondersteuning vereisen, moeten worden opgenomen in een bijlage bij deze richtlijn. Om ervoor te zorgen dat deze bijlage de nieuwste technologische ontwikkelingen volgt en dat onbedoelde negatieve gevolgen worden vermeden, moet na de vaststelling van de richtlijn een evaluatie plaatsvinden om na te gaan of de bijlage kan worden uitgebreid tot nieuwe grondstoffen.
(66)  Grondstoffen die slechts in beperkte mate tot indirecte veranderingen in het landgebruik leiden wanneer ze worden gebruikt voor biobrandstoffen, moeten worden bevorderd vanwege de bijdrage die hiermee kan worden geleverd aan het koolstofvrij maken van de economie. In het bijzonder grondstoffen voor geavanceerde biobrandstoffen die innovatievere en minder ontwikkelde technologie en dus meer ondersteuning vereisen, moeten worden opgenomen in een bijlage bij deze richtlijn. Om ervoor te zorgen dat deze bijlage de nieuwste technologische ontwikkelingen volgt en dat onbedoelde negatieve gevolgen worden vermeden, moet de bijlage regelmatig worden geëvalueerd.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 68
(68)  Teneinde maximaal voordeel te halen uit het potentieel van biomassa om bij te dragen aan het koolstofarm maken van de economie dankzij het gebruik ervan voor materialen en energie, moeten de Unie en de lidstaten het duurzame gebruik van bestaande houtopstanden en agrarische hulpbronnen stimuleren en zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bosbouwsystemen en systemen voor landbouwproductie.
(68)  Teneinde maximaal voordeel te halen uit het potentieel van biomassa om bij te dragen aan het koolstofarm maken van de economie dankzij het gebruik ervan voor materialen en energie, mogen de Unie en de lidstaten uitsluitend energiegebruik stimuleren dat stoelt op het duurzame gebruik van bestaande houtopstanden en agrarische hulpbronnen en zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bosbouwsystemen en systemen voor landbouwproductie, op voorwaarde dat aan de criteria inzake duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies wordt voldaan.
Amendement 287
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 68 bis (nieuw)
(68 bis)  De synergie tussen de circulaire economie, de bio-economie en de bevordering van hernieuwbare energie moet verder worden benadrukt, teneinde het meest waardevolle gebruik van grondstoffen en het beste milieuresultaat te garanderen. In de beleidsmaatregelen die de Unie en de lidstaten aannemen om de productie van energie uit hernieuwbare bronnen te ondersteunen, moet altijd rekening worden gehouden met het beginsel van hulpbronnenefficiëntie en optimaal gebruik van biomassa.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 69
(69)  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moeten altijd op een duurzame manier worden geproduceerd. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden gebruikt om de streefcijfers van deze richtlijn te halen en deze waarop steunregelingen van toepassing zijn, moeten dan ook voldoen aan duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie.
(69)  Hernieuwbare energie moet altijd op een duurzame manier worden geproduceerd. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden gebruikt om de streefcijfers van deze richtlijn te halen en de vormen van hernieuwbare energie waarop steunregelingen van toepassing zijn, moeten dan ook voldoen aan duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 71
(71)  De productie van landbouwgrondstoffen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor hun gebruik mogen niet leiden tot de vernietiging van gebieden met grote biodiversiteit. Dergelijke eindige hulpbronnen, die volgens diverse internationale instrumenten waardevol zijn voor de volledige mensheid, moeten worden beschermd. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen alleen voor stimuleringsmaatregelen in aanmerking komen indien gewaarborgd is dat de landbouwgrondstoffen niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, aantoont dat de productie van de landbouwgrondstoffen niet in strijd is met dergelijke doelstellingen. Volgens de duurzaamheidscriteria moeten bossen worden geacht een grote biodiversiteit te herbergen als het gaat om oerbossen volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment) of om bossen die beschermd zijn door nationale wetgeving voor natuurbescherming. Gebieden waar andere bosproducten dan hout worden verzameld, moeten worden beschouwd als bossen met een grote biodiversiteit, mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen gering blijven. Andere bostypen in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te worden beschouwd. Gezien de grote biodiversiteitswaarde van bepaalde graslanden, zowel in gematigde als tropische gebieden, waaronder savannen, steppen, met struikgewas bedekte gronden en prairies met een grote biodiversiteit, mogen biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van landbouwgrondstoffen die op dergelijke gronden worden geteeld, niet in aanmerking komen voor de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen. De Commissie moet passende criteria vaststellen om dergelijke graslanden met grote biodiversiteitswaarde te definiëren overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en relevante internationale normen.
(71)  De productie van landbouwgrondstoffen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor hun gebruik mogen binnen of buiten de Unie geen nadelig effect op de biodiversiteit hebben of in de hand werken. Dergelijke eindige hulpbronnen, die volgens diverse internationale instrumenten waardevol zijn voor de volledige mensheid, moeten worden beschermd. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen alleen voor stimuleringsmaatregelen in aanmerking komen indien gewaarborgd is dat de landbouwgrondstoffen niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, aantoont dat de productie van de landbouwgrondstoffen niet in strijd is met dergelijke doelstellingen. Volgens de duurzaamheidscriteria moeten bossen worden geacht een grote biodiversiteit te herbergen als het gaat om oerbossen volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment) of om bossen die beschermd zijn door nationale wetgeving voor natuurbescherming. Gebieden waar andere bosproducten dan hout worden verzameld, moeten worden beschouwd als bossen met een grote biodiversiteit, mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen gering blijven. Andere bostypen in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te worden beschouwd. De biodiversiteit en de kwaliteit, gezondheid, levensvatbaarheid en vitaliteit van dergelijke bossen moeten echter worden gewaarborgd. Gezien de grote biodiversiteitswaarde van bepaalde graslanden, zowel in gematigde als tropische gebieden, waaronder savannen, steppen, met struikgewas bedekte gronden en prairies met een grote biodiversiteit, mogen biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van landbouwgrondstoffen die op dergelijke gronden worden geteeld, niet in aanmerking komen voor de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen. De Commissie moet passende criteria vaststellen om dergelijke graslanden met grote biodiversiteitswaarde te definiëren overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en relevante internationale normen.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 72 bis (nieuw)
(72 bis)  Via duurzaamheidscriteria van de Unie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moet worden gewaarborgd dat de overgang naar een koolstofarme economie de doelstellingen in de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een actieplan van de EU voor de circulaire economie" ondersteunt en strikt volgens de beginselen van de afvalhiërarchie vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG van de Unie verloopt.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 73
(73)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden worden geproduceerd aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd, en niet gemakkelijk kan worden geverifieerd dat geen ontwatering heeft plaatsgevonden.
(73)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden of waterrijke gebieden worden geproduceerd indien dit tot ontwatering van de grond zou leiden, aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen in veengebieden of waterrijke gebieden een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 74 bis (nieuw)
(74 bis)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moeten worden geproduceerd op basis van praktijken die stroken met de bescherming van de bodemkwaliteit en de organische koolstof in de bodem.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 75
(75)  Het is passend om in de hele Unie duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie in te voeren voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, om hoge broeikasgasemissiereducties te blijven garanderen ten opzichte van alternatieven op basis van fossiele brandstoffen zodat onbedoelde duurzaamheidseffecten worden vermeden, en om de interne markt te bevorderen.
(75)  Het is passend om in de hele Unie duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie in te voeren voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, om hoge broeikasgasemissiereducties te blijven garanderen ten opzichte van alternatieven op basis van fossiele brandstoffen zodat onbedoelde duurzaamheidseffecten worden vermeden, en om de interne markt te bevorderen. Onverminderd de strikte eerbiediging van primaire grondstoffen met hoge milieuwaarde, moeten de ultraperifere gebieden de mogelijkheid krijgen om het potentieel van hun hulpbronnen te benutten, met het oog op een hogere productie van hernieuwbare energie en een grotere energieonafhankelijkheid.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 76
(76)  Om ervoor te zorgen dat bosbiomassa, ondanks de toenemende vraag ernaar, op een duurzame manier wordt geoogst in bossen met gewaarborgde herbebossing, dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan gebieden die expliciet zijn aangewezen ter bescherming van de biodiversiteit, de landschappen en specifieke natuurlijke elementen, dat de biodiversiteit wordt beschermd en dat koolstofvoorraden worden gevolgd, dient hout als grondstof enkel uit bossen te komen waarin wordt geoogst volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn ontwikkeld in het kader van internationale bosbouwprocessen zoals Forest Europe en die worden uitgevoerd door middel van nationale wetgeving of de beste beheerspraktijken op het niveau van het bosbedrijf. De beheerders moeten de nodige stappen zetten om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa voor de productie van bio-energie tot een minimum te beperken. Daartoe moeten de beheerders een risicogebaseerde aanpak invoeren. In dit verband is het passend dat de Commissie operationele richtsnoeren ontwikkelt inzake de controle op de naleving van de op risico gebaseerde aanpak, na raadpleging van het comité voor de governance van de energie-unie en het bij Beschikking 89/367/EEG van de Raad ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw24.
(76)  Om ervoor te zorgen dat bosbiomassa, ondanks de toenemende vraag ernaar, op een duurzame manier wordt geoogst in bossen met gewaarborgde herbebossing, dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan gebieden die expliciet zijn aangewezen ter bescherming van de biodiversiteit, de landschappen en specifieke natuurlijke elementen, dat de biodiversiteit wordt beschermd en dat koolstofvoorraden worden gevolgd, dient hout als grondstof enkel uit bossen te komen waarin wordt geoogst volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn ontwikkeld in het kader van internationale bosbouwprocessen zoals Forest Europe en die worden uitgevoerd door middel van nationale wetgeving of de beste beheerspraktijken op het niveau van het bevoorradingsgebied. De beheerders moeten ervoor zorgen dat er maatregelen zijn genomen om nadelige gevolgen van de oogst op het milieu te vermijden of te beperken. Daartoe moeten de beheerders een risicogebaseerde aanpak invoeren. In dit verband is het passend dat de Commissie regelingen uitwerkt voor de toepassing van de vereisten op grond van beste praktijken in de lidstaten, alsook operationele richtsnoeren ontwikkelt inzake de controle op de naleving van de op risico gebaseerde aanpak, na raadpleging van het comité voor de governance van de energie-unie en het bij Beschikking 89/367/EEG van de Raad ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw24.
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 76 bis (nieuw)
(76 bis)  Indien de nationale wetgeving of praktijk niet voldoet aan een bepaald criterium in verband met de duurzaamheid van bosbiomassa, moet aanvullende informatie over dat criterium worden verstrekt op het niveau van het bevoorradingsgebied, zonder dat aanvullende informatie wordt vereist over de criteria waaraan op lidstaatniveau reeds is voldaan.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 76 ter (nieuw)
(76 ter)  Een op risico gebaseerde aanpak moet in eerste instantie op nationaal niveau worden uitgevoerd. Indien aan de vereisten van een bepaald criterium niet kunnen worden voldaan aan de hand van nationale wetgeving of toezichtsystemen, moet de informatie met betrekking tot dat deel op het niveau van het bevoorradingsgebied worden verstrekt, teneinde het risico van niet-duurzame productie van bosbiomassa te beperken.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 76 quater (nieuw)
(76 quater)  Het oogsten voor energiedoeleinden is toegenomen en zal naar verwachting blijven groeien, wat zowel meer invoer van grondstoffen vanuit derde landen als een toegenomen productie van die grondstoffen binnen de Unie met zich mee zal brengen. De beheerders moeten ervoor zorgen dat de oogst voldoet aan de duurzaamheidscriteria.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 78
(78)  Biomassabrandstoffen moeten op een efficiënte manier worden omgezet in elektriciteit en warmte met het oog op maximale energiezekerheid en broeikasgasemissiereductie en om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te beperken en de druk op beperkte bronnen van biomassa zo veel mogelijk te beperken. Daarom moet overheidssteun aan installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, indien nodig, uitsluitend worden toegekend aan hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties als gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Bestaande steunregelingen voor elektriciteit uit biomassa moeten echter tot hun voorziene einddatum voor alle biomassainstallaties worden toegestaan. Bovendien dient elektriciteit die wordt opgewekt uit biomassa in nieuwe installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer enkel te worden meegerekend voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie in het geval van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. Om een grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met een grote impact op het klimaat en het milieu te vermijden, moeten de lidstaten overeenkomstig de staatssteunregels echter de mogelijkheid hebben om installaties overheidssteun toe te kennen voor de opwekking van hernieuwbare energie en de in deze installaties geproduceerde elektriciteit mee te rekenen voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie indien zij, na alle technische en economische mogelijkheden voor de bouw van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties te hebben benut, een gegrond risico zouden lopen wat de leveringszekerheid van elektriciteit betreft.
(78)  Biomassabrandstoffen moeten op een efficiënte manier worden omgezet in elektriciteit en warmte met het oog op maximale energiezekerheid en broeikasgasemissiereductie en om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te beperken en de druk op beperkte bronnen van biomassa zo veel mogelijk te beperken. Daarom moet overheidssteun aan installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, indien nodig, uitsluitend worden toegekend aan hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties als gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Bestaande steunregelingen voor elektriciteit uit biomassa moeten echter tot hun voorziene einddatum voor alle biomassainstallaties worden toegestaan. Bovendien dient elektriciteit die wordt opgewekt uit biomassa in nieuwe installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer enkel te worden meegerekend voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie in het geval van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. Om een grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met een grote impact op het klimaat en het milieu te vermijden, moeten de lidstaten overeenkomstig de staatssteunregels echter de mogelijkheid hebben om installaties overheidssteun toe te kennen voor de opwekking van hernieuwbare energie en de in deze installaties geproduceerde elektriciteit mee te rekenen voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie indien zij, na alle technische en economische mogelijkheden voor de bouw van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties te hebben benut, een gegrond risico zouden lopen wat de leveringszekerheid van elektriciteit betreft. Er moet met name meer steun worden verleend aan installaties voor de productie van hernieuwbare energie uit biomassa in ultraperifere gebieden die sterk afhankelijk zijn van ingevoerde energie, op voorwaarde dat de duurzaamheidscriteria in acht worden genomen die voor de productie van deze hernieuwbare energie gelden, en die steun moet worden aangepast aan de specifieke kenmerken van deze gebieden.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 80
(80)  Uit ervaring met de praktische uitvoering van de duurzaamheidscriteria van de Unie blijkt dat het passend is de rol van vrijwillige internationale en nationale certificeringsregelingen voor de controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria op geharmoniseerde wijze te versterken.
(80)  Uit ervaring met de praktische uitvoering van de duurzaamheidscriteria van de Unie blijkt dat het passend is rekening te houden met de rol van vrijwillige internationale en nationale certificeringsregelingen voor de controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria op geharmoniseerde wijze.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 82
(82)  Vrijwillige regelingen spelen een steeds belangrijkere rol bij het leveren van bewijzen dat aan de duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voldaan. Daarom is het passend dat de Commissie eist dat vrijwillige regelingen, ook de reeds door de Commissie erkende, op regelmatige basis verslag uitbrengen over hun werkzaamheden. Dergelijke verslagen moeten openbaar worden gemaakt om de transparantie te vergroten en het toezicht door de Commissie te verbeteren. Daarnaast zouden deze verslagen de Commissie de nodige informatie geven om verslag uit te brengen over de werking van de vrijwillige regelingen om een beste praktijk vast te stellen en indien passend een voorstel in te dienen om een dergelijke beste praktijk verder te promoten.
(82)  Vrijwillige regelingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het leveren van bewijzen dat aan de minimumcriteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voldaan. Daarom is het passend dat de Commissie eist dat vrijwillige regelingen, ook de reeds door de Commissie erkende, op regelmatige basis verslag uitbrengen over hun werkzaamheden. Dergelijke verslagen moeten openbaar worden gemaakt om de transparantie te vergroten en het toezicht door de Commissie te verbeteren. Daarnaast zouden deze verslagen de Commissie de nodige informatie geven om verslag uit te brengen over de werking van de vrijwillige regelingen om een beste praktijk vast te stellen en indien passend een voorstel in te dienen om een dergelijke beste praktijk verder te promoten.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 84
(84)  Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden voor gebruikelijke routes voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen, geactualiseerd en uitgebreid moet worden. Marktpartijen moeten steeds het recht hebben het in die lijst voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen vermelde niveau van broeikasgasemissiereductie te doen gelden. Als de standaardwaarde voor broeikasgasemissiereductie van een productieketen onder de vereiste minimumreductie voor broeikasgasemissiereductie blijft, moeten producenten die wensen aan te tonen dat ze dit minimumniveau bereikten, aantonen dat de werkelijke emissies van hun productieprocessen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaardwaarden.
(84)  Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden voor gebruikelijke routes voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen, geactualiseerd en uitgebreid moet worden. Marktpartijen moeten steeds het recht hebben het in die lijst voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen vermelde niveau van rechtstreekse broeikasgasemissiereductie te doen gelden. Als de standaardwaarde voor rechtstreekse broeikasgasemissiereductie van een productieketen onder de vereiste minimumreductie voor broeikasgasemissiereductie blijft, moeten producenten die wensen aan te tonen dat ze dit minimumniveau bereikten, aantonen dat de werkelijke emissies van hun productieprocessen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaardwaarden.
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 85
(85)  Het is noodzakelijk duidelijke regels vast te stellen voor de berekening van de reductie van broeikasgasemissie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en van vergelijkbare fossiele brandstoffen.
(85)  Het is noodzakelijk duidelijke regels op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria vast te stellen voor de berekening van de reductie van broeikasgasemissie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en van vergelijkbare fossiele brandstoffen.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 99
(99)  Om niet-essentiële onderdelen van de bepalingen van deze richtlijn te wijzigen of aan te vullen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de lijst van grondstoffen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen, waarvan de bijdrage aan de naleving door de brandstofleveranciers van hun verplichting op het gebied van vervoer beperkt is; de aanpassing van de energie-inhoud van transportbrandstoffen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang; de methode om het aandeel biobrandstof uit biomassa te bepalen wanneer deze in een gemeenschappelijk proces met fossiele brandstoffen wordt verwerkt; de uitvoering van overeenkomsten van onderlinge erkenning van garanties van oorsprong; de vaststelling van regels om toezicht te houden op de werking van het systeem van garanties van oorsprong; en de regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(99)  Om niet-essentiële onderdelen van de bepalingen van deze richtlijn te wijzigen of aan te vullen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de lijst van grondstoffen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen, waarvan de bijdrage aan de naleving door de brandstofleveranciers van hun verplichting op het gebied van vervoer beperkt is; de aanpassing van de energie-inhoud van transportbrandstoffen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang; de methode om het aandeel biobrandstof uit biomassa te bepalen wanneer deze in een gemeenschappelijk proces met fossiele brandstoffen wordt verwerkt; de uitvoering van overeenkomsten van onderlinge erkenning van garanties van oorsprong; de vaststelling van regels om toezicht te houden op de werking van het systeem van garanties van oorsprong; en de regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie; de bepaling van de maximaal toegelaten terugverdientijd als duurzaamheidscriterium, in het bijzonder voor lignocellulosische biomassa; en, om volledige transparantie in alle sectoren van de energieproductie te garanderen, de vaststelling van productiecriteria voor fossiele brandstoffen en fossiele energiebronnen uiterlijk op 31 december 2018. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 288
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter a
a)  "energie uit hernieuwbare bronnen": energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind-, zonne- (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en, geothermische energie, omgevingswarmte, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
a)  "energie uit hernieuwbare bronnen": energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind-, zonne- (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie), en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, biomethaan, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter b
b)  "omgevingswarmte": thermische energie op een bruikbaar temperatuurniveau die wordt geëxtraheerd of onttrokken door middel van op elektriciteit of andere hulpenergie werkende warmtepompen, en die in de omgevingslucht, onder het vaste aardoppervlak of in het oppervlaktewater kan worden opgeslagen. De gerapporteerde waarden worden vastgesteld op basis van dezelfde methodologie die wordt gebruikt voor de rapportering van door middel van warmtepompen geëxtraheerde en onttrokken thermische energie;
b)  "omgevingsenergie": thermische energie op een bruikbaar temperatuurniveau die kan worden opgeslagen in de omgevingslucht – met uitzondering van afvoerlucht – in het oppervlaktewater of in rioolwater. De gerapporteerde waarden worden vastgesteld op basis van dezelfde methodologie die wordt gebruikt voor de rapportering van door middel van warmtepompen geëxtraheerde en onttrokken thermische energie;
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)  "geothermische energie": energie die in de vorm van warmte onder het vaste aardoppervlak is opgeslagen;
Amendement 289
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter c
c)  "biomassa": de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong;
c)  "biomassa": de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, maar met uitzondering van turf en materiaal dat zich in geologische formaties bevindt en/of is gefossiliseerd – alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel, commercieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong, en bacteriën;
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter d
d)  "bruto-eindverbruik van energie": de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, inclusief het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit en warmte en inclusief het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;
d)  "bruto-eindverbruik van energie": de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, inclusief het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit, warmte en transportbrandstoffen, en inclusief het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter e
e)  "stadsverwarming" of "stadskoeling": de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;
e)  "stadsverwarming" of "stadskoeling": de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale of gedecentraliseerde productie-installaties via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter f
f)  "vloeibare biomassa": vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa;
f)  "vloeibare biomassa": vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa of door biomassa;
Amendement 290
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter g
g)  "biobrandstof": vloeibare brandstof voor vervoer die geproduceerd is uit biomassa;
g)  "biobrandstof": vloeibare of gasvormige brandstof voor vervoer die geproduceerd is uit of door biomassa;
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter i
i)  "steunregeling": een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;
i)  "steunregeling": een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, steun voor onderzoek en investeringen, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter q
q)  "non-food cellulosemateriaal": grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;
q)  "non-food cellulosemateriaal": grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen en gewassen van kunstweiden zoals gras, klaver en luzerne), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;
Amendement 291
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter s
s)  "hernieuwbare vloeibare of gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong": andere vloeibare of gasvormige brandstoffen dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa en die in de vervoersector worden gebruikt;
s)  "hernieuwbare vloeibare of gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong": andere vloeibare of gasvormige brandstoffen die in de vervoersector worden gebruikt dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa, waarbij eventuele koolstofgrondstoffen afkomstig zijn uit de omgevingslucht;
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter z
z)  "repowering": het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie te verhogen;
z)  "repowering": het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van exploitatiesystemen en apparatuur van installaties, teneinde de capaciteit te vergroten of te vervangen of de efficiëntie te verhogen;
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter y
y)  "afvalwarmte of afvalkoude": warmte of koude die als bijproduct in industriële of stroomopwekkingsinstallaties wordt geproduceerd en die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem;
y)  "afvalwarmte of afvalkoude": onvermijdelijke warmte of koude die als bijproduct in industriële installaties of stroomopwekkingsinstallaties wordt geproduceerd (nadat eerst gebruik is gemaakt van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling of wanneer warmtekrachtkoppeling niet haalbaar is) of afkomstig is van de tertiaire sector, en die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem;
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter aa
aa)  "consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": een actieve afnemer als gedefinieerd in Richtlijn [MDI Directive] die hernieuwbare elektriciteit die op eigen terrein is geproduceerd, met inbegrip van een appartementsgebouw, een commerciële locatie of een locatie met gedeelde diensten of een gesloten distributiesysteem, verbruikt en kan opslaan en verkopen, op voorwaarde dat dit voor niet-huishoudelijke consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie niet hun primaire commerciële of professionele activiteit is;
aa)  "consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": een actieve afnemer of een groep gezamenlijk optredende afnemers als gedefinieerd in Richtlijn … van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)] die hernieuwbare elektriciteit die op eigen terrein is geproduceerd, met inbegrip van een appartementsgebouw, een woongebied, een commerciële of industriële locatie of een locatie met gedeelde diensten of in hetzelfde gesloten distributiesysteem, verbruiken en kunnen opslaan en verkopen, op voorwaarde dat dit voor niet-huishoudelijke consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie niet hun primaire commerciële of professionele activiteit is;
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter aa bis (nieuw)
aa bis)  "hernieuwbare-energiegemeenschap": een lokale energiegemeenschap als omschreven in artikel 2 van Richtlijn ... van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)] die voldoet aan de voorschriften van artikel 22, lid 1, van deze richtlijn;
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter bb
bb)  "consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": productie en verbruik, en in voorkomend geval opslag, van hernieuwbare elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie;
bb)  "consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": productie en verbruik, en in voorkomend geval opslag, van hernieuwbare energie door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie;
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter cc
cc)  "stroomafnameovereenkomst": een overeenkomst waarmee een rechtspersoon zich ertoe verbindt hernieuwbare energie rechtstreeks van een stroomproducent te kopen;
cc)  "hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst": een overeenkomst waarmee een rechtspersoon of natuurlijke persoon zich ertoe verbindt hernieuwbare energie rechtstreeks van een stroomproducent te kopen;
Amendement 305
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter ee
ee)  "geavanceerde biobrandstoffen": brandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen;
ee)  "geavanceerde biobrandstoffen": brandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen en uit afval- en restbiomassa die niet afkomstig is van voedsel-/voedergewassen wanneer die biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria van artikel 26;
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter ff
ff)  "uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen": vloeibare en gasvormige brandstoffen die zijn geproduceerd uit afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong, met inbegrip van afvalverwerkings- en uitlaatgassen;
Schrappen
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter ff bis (nieuw)
ff bis)  "brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof": vloeibare en gasvormige brandstoffen die zijn geproduceerd uit onvermijdelijke afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong, met inbegrip van afvalverwerkings- en afvoergassen, met aanzienlijke broeikasgasemissiereducties gedurende hun volledige levenscyclus; indien zij worden geproduceerd uit vaste afvalstromen wordt enkel afval gebruikt dat niet herbruikbaar en niet mechanisch recycleerbaar is, met volledige inachtneming van de in Richtlijn 2008/98/EG vastgelegde afvalhiërarchie; indien zij worden geproduceerd uit gasvormige procesemissies moeten deze worden uitgestoten als een onvermijdelijk en onopzettelijk gevolg van het productieproces; het aandeel gasvormig afval dat wordt gebruikt voor de productie van deze brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof mag niet worden meegerekend in het kader van andere emissiebeperkingsregelingen, zoals de EU-regeling voor de emissiehandel;
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter jj
jj)  "oogstvergunning": een officieel document dat recht geeft op het oogsten van bosbiomassa;
jj)  "oogstvergunning": een wettelijke vergunning of vergelijkbaar recht krachtens de nationale en/of regionale wetgeving voor het oogsten van bosbiomassa;
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter mm
mm)  "bosbedrijf": één of meerdere percelen bosgebied en andere beboste grond die vanuit het oogpunt van beheer of gebruik een eenheid vormen;
mm)  "bevoorradingsgebied": de geografische regio waaruit de grondstof voor de biomassa afkomstig is;
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter nn
nn)  "bioafval": biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, restaurants, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie;
nn)  "bioafval": bioafval als omschreven in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG;
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – titel
Algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau voor 2030
Algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau en nationale streefcijfers voor 2030
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 27 % bedraagt.
1.  De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 35 % bedraagt.
Amendement 306
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Elke lidstaat ziet erop toe dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2030 minstens 12 % van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat bedraagt. Om het streefcijfer van 12 % energie uit hernieuwbare bronnen in het eindverbruik van energie te halen, eisen de lidstaten met ingang van 1 januari 2021 van brandstofleveranciers dat hun brandstoffen een minimumaandeel hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 25 bevatten.
Om meegeteld te mogen worden voor het bereiken van dit streefcijfer moeten de broeikasgasemissiereducties die afkomstig zijn van het gebruik van biobrandstoffen en biogassen in overeenstemming zijn met de in artikel 26, lid 7, vastgelegde criteria bij een vergelijking met fossiele brandstoffen volgens de methode als bedoeld in artikel 28, lid 1.
Indien de bijdrage van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen in een lidstaat lager is dan 2 % en dus niet voldoende is om het verschil te dekken tussen de verplichting van de brandstofleverancier en het streefcijfer van 12 % voor vervoer, kan die lidstaat zijn in artikel 7, lid 1, bedoelde drempel dienovereenkomstig aanpassen tot maximaal 2 %.
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 2
2.  De respectieve bijdragen van de lidstaten aan dit algemeen streefcijfer voor 2030 worden vastgesteld en meegedeeld aan de Commissie als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 5 en de artikelen 9 tot en met 11 van Verordening [governance].
2.  De lidstaten stellen streefcijfers vast om te voldoen aan dit algemeen streefcijfer voor 2030 als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 5 en de artikelen 9 tot en met 13 van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)]. Indien de Commissie op basis van de beoordeling van de ingevolge artikel 3 van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] ingediende definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen tot de conclusie komt dat de streefcijfers van de lidstaten niet volstaan om het algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau gezamenlijk te bereiken, stellen de lidstaten die een streefcijfer hebben voorgesteld dat lager ligt dan wanneer de formule als vastgesteld in bijlage I bis wordt toegepast, een hoger streefcijfer vast aan de hand van deze formule.
In gevallen waarin een lidstaat wegens uitzonderlijke en naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden zijn streefcijfer niet kan behalen, mag hij met maximaal 10 % afwijken van zijn streefcijfer. In dat geval stelt hij de Commissie daarvan uiterlijk in 2025 in kennis. Indien hierdoor de verwezenlijking van het algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau in gevaar komt, nemen de Commissie en de lidstaten corrigerende maatregelen zoals de in artikel 27, lid 4, van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] vastgestelde maatregelen om de kloof daadwerkelijk te overbruggen.
Amendement 321
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationaal beleid, met inbegrip van steunregelingen, aansluit bij de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG en geen aanzienlijke verstoringen van de markten voor (bij)producten, afvalstoffen en residuen veroorzaakt. De lidstaten evalueren daartoe regelmatig hun nationaal beleid en geven voor elke afwijking een rechtvaardiging in de krachtens artikel 18, onder c), van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] vereiste verslagen.
Amendement 113
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 4
4.  De Commissie ondersteunt het hoge ambitieniveau van de lidstaten door middel van een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen mogelijk maakt, met name van financieringsinstrumenten, voornamelijk om de kapitaalkosten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te verlagen.
4.  De Commissie ondersteunt het hoge ambitieniveau van de lidstaten door middel van een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen mogelijk maakt, met name van financieringsinstrumenten, voornamelijk om de kapitaalkosten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te verlagen en om projecten voor de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen met een grensoverschrijdende dimensie te ondersteunen.
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – titel
Financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen
Steun voor energie uit hernieuwbare bronnen
Amendement 322/rev
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1
1.  In overeenstemming met de staatssteunregels kunnen de lidstaten steunregelingen hanteren om het in artikel 3, lid 1, vastgestelde streefcijfer op Unieniveau te halen. Steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen worden zodanig ontworpen dat onnodige verstoringen van de elektriciteitsmarkten worden vermeden en ervoor wordt gezorgd dat producenten rekening houden met het aanbod van en de vraag naar elektriciteit, alsook mogelijke netbeperkingen.
1.  Overeenkomstig artikel 195 VWEU en in overeenstemming met de artikelen 107 en 108 daarvan kunnen de lidstaten steunregelingen hanteren om de in artikel 3 vastgestelde streefcijfers op Unie- en nationaal niveau te halen of te overschrijden. Om geen onnodige verstoringen van de grondstoffenmarkten te veroorzaken, worden steunregelingen inzake hernieuwbare energie uit biomassa zodanig ontworpen dat ze niet aanzetten tot een oneigenlijk gebruik van biomassa waarbij deze in de eerste plaats wordt ingezet voor de productie van energie wanneer er industriële toepassingen of materiaalgebruik voorhanden zijn die een grotere toegevoegde waarde hebben, hetgeen kan betekenen dat er voorrang wordt gegeven aan het gebruik van afvalstoffen en residuen. De lidstaten moeten rekening houden met de beschikbaarheid van duurzame biomassa. Steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen zijn marktgericht, zodat een verstoring van de elektriciteitsmarkten wordt vermeden, en zorgen ervoor dat producenten rekening houden met het aanbod van en de vraag naar elektriciteit, alsook met mogelijke systeemintegratiekosten of netbeperkingen.
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten kunnen steunregelingen hanteren die technologieneutraal dan wel technologiespecifiek zijn. Technologiespecifieke steunregelingen kunnen met name op basis van een of meer van de volgende gronden worden toegepast:
a)  het langetermijnpotentieel van een bepaalde technologie;
b)  de noodzaak om de energiemix technologisch of regionaal te diversifiëren;
c)  efficiënte systeemplanning en netintegratie;
d)  netwerkrestricties en netwerkstabiliteit;
e)  beperkingen op milieugebied.
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2
2.  Steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt zodanig ontworpen dat elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt geïntegreerd in de elektriciteitsmarkt en ervoor wordt gezorgd dat producenten van hernieuwbare energie inspelen op marktprijssignalen en hun marktinkomsten maximaliseren.
2.  Steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt zodanig ontworpen dat de integratie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteitsmarkt wordt gemaximaliseerd en ervoor wordt gezorgd dat producenten van hernieuwbare energie inspelen op marktprijssignalen en hun marktinkomsten maximaliseren; daarnaast worden voor energie uit hernieuwbare bronnen compensaties geboden voor marktverstoringen.
De lidstaten kunnen uitzonderingen toestaan voor kleinschalige installaties van minder dan 500 kW en demonstratieprojecten. Voor elektriciteit uit windenergie geldt echter een drempel ter hoogte van een geïnstalleerde elektriciteitscapaciteit van 3 MW of drie productie-eenheden.
Niettegenstaande de in de tweede alinea genoemde drempels kunnen de lidstaten hernieuwbare-energiegemeenschappen steunen via andere mechanismen en procedures.
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Indien steun voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt toegekend via een aanbestedingsprocedure, is lid 3 bis van toepassing tenzij de steun is bedoeld voor kleinschalige installaties van minder dan 1 MW, voor windenergieprojecten tot maximaal zes productie-eenheden oftewel 6 MW, of voor demonstratieprojecten.
Amendement 119
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Indien steun voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt toegekend via een aanbesteding, zorgen de lidstaten met het oog op een hoge uitvoeringsgraad van de projecten voor:
a)  de vaststelling en publicatie van niet-discriminerende en transparante voorselectiecriteria en regels voor de leveringstermijn van het project;
b)  overleg met belanghebbenden om het ontwerpbestek te evalueren;
c)  de publicatie van informatie over eerdere aanbestedingen, met inbegrip van de uitvoeringsgraad van de projecten.
Amendement 120
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  De lidstaten publiceren een langetermijnplanning van de verwachte steuntoewijzing, die betrekking heeft op ten minste de vijf daaropvolgende jaren en waarin het indicatieve tijdschema is opgenomen, met inbegrip – in voorkomend geval – van de frequentie van aanbestedingen, en waarin ook de capaciteit, de begroting of het maximale steunbedrag per eenheid dat naar verwachting zal worden toegekend en de in aanmerking komende technologieën worden vermeld.
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 quater (nieuw)
3 quater.  De lidstaten houden bij het ontwerpen van steunregelingen rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, teneinde hen in staat te stellen op gelijke voet te concurreren.
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 quinquies (nieuw)
3 quinquies.  Om ervoor te zorgen dat in ultraperifere gebieden en op kleine eilanden meer energie uit hernieuwbare bronnen wordt opgewekt, kunnen de lidstaten financiële steun voor projecten in die gebieden aanpassen om rekening te houden met de productiekosten die samenhangen met hun specifieke omstandigheden, zoals hun geïsoleerde ligging en hun afhankelijkheid van externe leveranciers.
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4
4.  De lidstaten beoordelen ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid van hun steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Besluiten over de voortzetting of verlenging van de steun en over het ontwerp van nieuwe steun worden gebaseerd op de resultaten van de beoordelingen.
4.  De lidstaten beoordelen ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid van hun steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en de verdelingseffecten ervan op verschillende groepen consumenten, onder meer op het concurrentievermogen van de industrie.
Bij die beoordeling wordt ook rekening gehouden met de gevolgen die mogelijke veranderingen aan de steunregelingen kunnen hebben voor investeringen. De lidstaten nemen deze beoordeling overeenkomstig Verordening ... van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] op in hun nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen van die plannen.
De langetermijnplanning met betrekking tot de besluiten in verband met de steun en het ontwerp van nieuwe steun wordt gebaseerd op de resultaten van de beoordelingen. Daarbij wordt rekening gehouden met hun algehele doeltreffendheid om de streefcijfers inzake hernieuwbare energie en andere doelstellingen, zoals betaalbaarheid en de ontwikkeling van energiegemeenschappen, te verwezenlijken, alsook met de verdelingseffecten ervan op verschillende groepen consumenten, onder meer op het concurrentievermogen van de industrie.
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Uiterlijk ... [2021] en vervolgens om de drie jaar brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van steun die is verleend door middel van aanbestedingsprocedures in de Unie, waarbij ze met name onderzoekt of aanbestedingen in staat zijn:
a)  kosten te beperken;
b)  technologische verbeteringen tot stand te brengen;
c)  een hoge uitvoeringsgraad te bereiken;
d)  te zorgen voor niet-discriminerende participatie van kleine actoren en lokale overheden.
Amendement 125
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  Uiterlijk ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] herziet de Commissie de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (2014/C 200/01) met het oog op de volledige integratie van de in artikel 4 van deze Richtlijn vastgelegde algemene beginselen.
Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4 quater (nieuw)
4 quater.  In afwijking van lid 1 van dit artikel zorgen de lidstaten ervoor dat er geen steunregeling voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt aangeboden voor stedelijk afval dat niet voldoet aan de verplichtingen inzake gescheiden inzameling zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG.
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1
1.  De lidstaten stellen de steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit open voor producenten die in andere lidstaten gevestigd zijn overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.
1.  De lidstaten stellen de steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit open voor producenten die in andere lidstaten gevestigd zijn overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden. De lidstaten kunnen hun steun beperken tot installaties in lidstaten waarmee ze een directe verbinding hebben via interconnectoren.
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat steun voor ten minste 10 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2021 en 2025 en ten minste 15 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2026 en 2030 wordt opengesteld voor installaties die zich in andere lidstaten bevinden.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat steun voor ten minste 8 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2021 en 2025 en ten minste 13 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2026 en 2030 wordt opengesteld voor installaties die zich in andere lidstaten bevinden. Als aan deze minimumniveaus is voldaan, hebben de lidstaten het recht om overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 13 van deze richtlijn te besluiten in welke mate zij in een andere lidstaat geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen steunen.
Amendement 129
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten mogen de Commissie verzoeken hen vrij te stellen van de in dit artikel vastgestelde verplichting, met inbegrip van het besluit om installaties die zich op hun grondgebied bevinden geen toestemming te verlenen om deel te nemen aan steunregelingen die in andere lidstaten worden georganiseerd, en wel op een of meer van de volgende gronden:
a)  ontoereikende interconnectiecapaciteit;
b)  ontoereikende natuurlijke hulpbronnen;
c)  schadelijke gevolgen voor de energiezekerheid of de goede werking van de energiemarkt van de lidstaat die om een vrijstelling verzoekt.
Eventuele aldus verleende vrijstellingen worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en moeten uiterlijk op 31 december 2025 worden geëvalueerd.
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 3
3.  Steunregelingen kunnen worden opengesteld voor grensoverschrijdende participatie, onder meer door middel van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen, opengestelde certificeringregelingen of gezamenlijke steunregelingen. De toewijzing van hernieuwbare elektriciteit waarvoor steun wordt toegekend in het kader van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen of opengestelde certificeringregelingen aan de respectieve bijdragen van de lidstaten wordt vastgesteld in een samenwerkingsovereenkomst die voorziet in de regels voor grensoverschrijdende uitbetaling van middelen volgens het principe dat energie wordt meegeteld ten bate van de lidstaat die de installatie financiert.
3.  Steunregelingen kunnen worden opengesteld voor grensoverschrijdende participatie, onder meer door middel van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen, opengestelde certificeringregelingen of gezamenlijke steunregelingen. De toewijzing van hernieuwbare elektriciteit waarvoor steun wordt toegekend in het kader van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen en opengestelde certificeringregelingen aan de respectieve bijdragen van de lidstaten wordt vastgesteld in een samenwerkingsovereenkomst die voorziet in de regels voor de grensoverschrijdende regeling, met inbegrip van voorwaarden voor participatie en uitbetaling van middelen, rekening houdend met verschillende belastingen en kosten, volgens het principe dat energie wordt meegeteld ten bate van de lidstaat die de installatie financiert. De samenwerkingsovereenkomst heeft ten doel de voorwaarden van het administratieve kader in de samenwerkende landen te harmoniseren om een gelijk speelveld te waarborgen.
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 4
4.  De Commissie beoordeelt tegen 2025 de voordelen van de bepalingen van dit artikel ten aanzien van het kosteneffectieve gebruik van hernieuwbare elektriciteit in de Unie. Op basis van deze beoordeling kan de Commissie voorstellen de in lid 2 vastgestelde percentages te verhogen.
4.  De Commissie staat de lidstaten bij in het onderhandelingsproces en de opstelling van de samenwerkingsregelingen door gedurende het gehele proces informatie en analyses, waaronder kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over directe en indirecte kosten en voordelen van samenwerking, alsook richtsnoeren en technische deskundigheid te verstrekken. Hiertoe stimuleert de Commissie de uitwisseling van beste praktijken en de ontwikkeling van modellen voor samenwerkingsovereenkomsten die het proces vergemakkelijken.
De Commissie beoordeelt tegen 2025 de voordelen van de bepalingen van dit artikel ten aanzien van het kosteneffectieve gebruik van hernieuwbare elektriciteit in de Unie. Op basis van deze beoordeling kan de Commissie voorstellen de in lid 2 vastgestelde percentages te wijzigen.
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1
Onverminderd de nodige aanpassingen om te voldoen aan de staatssteunregels zorgen de lidstaten ervoor dat de herziening van het niveau van en de voorwaarden voor de steun die wordt toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie geen negatieve gevolgen heeft voor de in dat kader verleende rechten en de rendabiliteit van de gefinancierde projecten.
De lidstaten zorgen ervoor dat de herziening van het niveau van en de voorwaarden voor de steun die wordt toegekend aan nieuwe of bestaande projecten op het gebied van hernieuwbare energie geen negatieve gevolgen heeft voor de in dat kader verleende rechten en de rendabiliteit ervan.
Wanneer andere regelgevingsinstrumenten worden gewijzigd en deze wijzigingen van invloed zijn op gefinancierde projecten op het gebied van hernieuwbare energie, zorgen de lidstaten ervoor dat wijzigingen in de regelgeving geen negatieve gevolgen hebben voor de rendabiliteit van de gefinancierde projecten.
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten zien erop toe dat eventuele wijzigingen in steunregelingen worden uitgevoerd op basis van een langetermijnplanning overeenkomstig artikel 4, lid 4, en ten minste negen maanden vóór ze van kracht worden publiek worden aangekondigd en dat zij worden onderworpen aan een transparante en inclusieve openbare raadpleging. Voor elke substantiële wijziging in een bestaande steunregeling wordt een passende overgangsperiode vastgesteld voordat de nieuwe steunregeling van kracht wordt.
Wanneer wijzigingen in de regelgeving of het netbeheer in aanzienlijke mate of op discriminerende wijze negatieve gevolgen hebben voor de rendabiliteit van gefinancierde projecten, zorgen de lidstaten ervoor dat deze gefinancierde projecten een compensatie ontvangen.
Amendement 307
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 – alinea 4
Voor het berekenen van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen in een lidstaat bedraagt de bijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, alsook van in het vervoer verbruikte biomassabrandstoffen, indien geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, niet meer dan 7 % van het eindverbruik van energie in het vervoer over de weg of per spoor in die lidstaat. Deze drempel wordt in 2030 verlaagd tot 3,8 % volgens het in deel A van bijlage X vastgestelde traject. De lidstaten kunnen een lagere drempel vaststellen en een onderscheid maken tussen verschillende soorten biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, bijvoorbeeld door een lagere drempel vast te stellen voor de bijdrage van uit oliegewassen geproduceerde vloeibare biomassa op basis van voedsel- of voedergewassen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik.
For the calculation of a Member State's gross final consumption of energy from renewable energy sources, the contribution from biofuels and bioliquids, as well as from biomass fuels consumed in transport, if produced from food or feed crops, shall be no more than the contribution from those to the gross final consumption of energy from renewable energy sources in 2017 in that Member State, with a maximum of 7 % of gross final consumption in road and rail transport.
De bijdrage van uit palmolie geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa bedraagt 0 % vanaf 2021. De lidstaten kunnen een lagere drempel vaststellen en een onderscheid maken tussen verschillende soorten biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, bijvoorbeeld door een lagere drempel vast te stellen voor de bijdrage van uit oliegewassen geproduceerde vloeibare biomassa op basis van voedsel- of voedergewassen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik en andere onbedoelde duurzaamheidseffecten.
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2 – alinea 1
Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen berekend als de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van de productie van elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en energiegemeenschappen, en met uitzondering van de elektriciteitsproductie door middel van pompaccumulatie van water dat eerder omhoog is gepompt.
Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen berekend als de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van de productie van elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, en met uitzondering van de elektriciteitsproductie door middel van pompaccumulatie van water dat eerder omhoog is gepompt.
Amendement 137
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3 – alinea 3
Omgevingswarmte-energie die wordt onttrokken door warmtepompen wordt in aanmerking genomen voor de toepassing van lid 1, onder b), mits de output van finale energie de input van primaire energie die nodig is voor het aandrijven van de warmtepompen, aanzienlijk overstijgt. De hoeveelheid warmte die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, wordt berekend volgens de in bijlage VII bepaalde methodiek.
Omgevingsenergie en geothermische energie die worden overgedragen door warmtepompen voor de productie van verwarming of koeling worden in aanmerking genomen voor de toepassing van lid 1, onder b), mits de output van finale energie de input van primaire energie die nodig is voor het aandrijven van de warmtepompen, aanzienlijk overstijgt. De hoeveelheid warmte die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, wordt berekend volgens de in bijlage VII bepaalde methodiek.
Amendement 138
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3 – alinea 4 bis (nieuw)
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze Richtlijn aan te vullen door een methodologie vast te stellen voor de berekening van de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt voor verwarming en koeling en in stadsverwarming en -koeling, en tot herziening van bijlage VII betreffende de berekening van energie uit warmtepompen.
Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4 – letter b bis (nieuw)
b bis)  Om te voldoen aan het in artikel 3, lid 1, onder a), genoemde streefcijfer wordt de bijdrage van brandstoffen die in de lucht- en zeevaartsector worden verstrekt geacht respectievelijk 2 maal en 1,2 maal de energie-inhoud ervan te zijn en wordt de bijdrage van hernieuwbare elektriciteit die aan wegvoertuigen wordt geleverd geacht 2,5 maal de energie-inhoud ervan te zijn.
Amendementen 140 en 308
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 – alinea 2
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 32 vast te stellen om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria van de Unie, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik en waardoor het gebruik van afval- en reststoffen wordt bevorderd, waarbij significant verstorend effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen worden vermeden, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties worden opgeleverd in vergelijking met fossiele brandstoffen, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigen te worden veroorzaakt.
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 32 vast te stellen teneinde de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de circulaire economie, de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria van de Unie, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik en waardoor het gebruik van afval- en reststoffen wordt bevorderd, waarbij significante verstorende effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen worden vermeden, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties worden opgeleverd in vergelijking met fossiele brandstoffen op basis van een levenscyclusbeoordeling van emissies, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigen te worden veroorzaakt.
Amendement 309
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 – alinea 3
Om de twee jaar evalueert de Commissie de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX met het oog op het toevoegen van grondstoffen in overeenstemming met de in dit lid vastgestelde beginselen. De eerste evaluatie wordt uiterlijk zes maanden na [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] uitgevoerd. In voorkomend geval stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen.
Om de twee jaar evalueert de Commissie de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX met het oog op het toevoegen van grondstoffen in overeenstemming met de in dit lid vastgestelde beginselen. De eerste evaluatie wordt uiterlijk zes maanden na [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] uitgevoerd. In voorkomend geval stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen van grondstoffen. In 2025 verricht de Commissie een speciale evaluatie met het oog op de schrapping van grondstoffen uit bijlage IX. Gedelegeerde handelingen die daarvan het gevolg zijn worden binnen een jaar na die evaluatie vastgesteld.
Amendement 310
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 – alinea 3 bis (nieuw)
Grondstoffen worden alleen uit bijlage IX geschrapt na een openbare raadpleging en in overeenstemming met de beginselen van stabiliteit van de financiële steun als vastgesteld in artikel 6. Wanneer grondstoffen worden geschrapt, wordt het, onverminderd artikel 26, voor bestaande installaties die biobrandstoffen produceren uit die grondstoffen toegestaan om die energie als hernieuwbare energie te beschouwen en deze te laten meetellen voor de verplichting van de brandstofleverancier krachtens artikel 25 tot maximaal hun historische productieniveau.
Amendement 143
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Bij de vaststelling van beleidsmaatregelen ter bevordering van de productie van brandstoffen uit de in bijlage IX bij deze richtlijn vermelde grondstoffen zorgen de lidstaten ervoor dat de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG in acht wordt genomen, met inbegrip van de bepalingen over de levenscyclusbenadering met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van verschillende afvalstromen.
Amendement 144
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De Commissie bevordert de totstandbrenging van gezamenlijke projecten tussen de lidstaten, vooral door middel van specifieke technische bijstand en steun bij projectontwikkeling.
Amendement 145
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 1
1.  Een of meerdere lidstaten kunnen met een of meer derde landen samenwerken in alle soorten gezamenlijke projecten betreffende productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Bij deze samenwerking kunnen particuliere exploitanten betrokken zijn.
1.  Een of meerdere lidstaten kunnen met een of meer derde landen samenwerken in alle soorten gezamenlijke projecten betreffende productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Bij deze samenwerking kunnen particuliere exploitanten betrokken zijn en moet het internationaal recht volledig in acht worden genomen.
Amendement 146
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
c bis)  de elektriciteit is geproduceerd overeenkomstig het internationaal recht, met speciale aandacht voor het recht inzake de mensenrechten.
Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 3 – letter e
e)  de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b) en c), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Unie zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.
e)  de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b), c) en c bis), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Unie zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.
Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 5 – letter d
d)  een schriftelijke bevestiging van de punten onder b) en c) door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.
d)  een schriftelijke bevestiging van lid 2, onder b), c) en c bis), door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De Commissie bevordert de totstandbrenging van gezamenlijke steunregelingen tussen de lidstaten, met name via het verspreiden van richtsnoeren en beste praktijken.
Amendement 150
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie- en distributienetinfrastructuur voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, en op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen of andere energieproducten, evenredig en noodzakelijk zijn.
De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie- en distributienetten voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen of andere energieproducten, en op hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, evenredig en noodzakelijk zijn en in overeenstemming zijn met het beginsel "energie-efficiëntie eerst".
Amendement 151
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea 2 – letter a
a)  de administratieve procedures worden gestroomlijnd en worden afgehandeld op het juiste administratieve niveau;
a)  de administratieve procedures worden gestroomlijnd en worden afgehandeld op het juiste administratieve niveau en voorzien in voorspelbare termijnen voor de afgifte van de noodzakelijke vergunningen en licenties;
Amendement 152
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea 2 – letter d
d)  vereenvoudigde en minder omslachtige toestemmingsprocedures, onder meer door een eenvoudige kennisgeving indien dit op grond van het toepasselijk regelgevend kader is toegestaan, worden opgesteld voor gedecentraliseerde apparaten voor het produceren van energie uit hernieuwbare bronnen.
d)  vereenvoudigde en minder omslachtige toestemmingsprocedures, onder meer door eenvoudige kennisgeving, worden opgesteld voor kleine projecten en gedecentraliseerde apparaten voor het produceren en opslaan van energie uit hernieuwbare bronnen, waaronder consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen.
Amendement 153
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 3
3.  De lidstaten zorgen voor voldoende voorspelbaarheid voor investeerders met betrekking tot het geplande gebruik van steunmaatregelen voor energie uit hernieuwbare bronnen. Hiertoe wordt door de lidstaten een langetermijnplanning van de verwachte steuntoewijzing vastgesteld en bekendgemaakt, die betrekking heeft op ten minste de drie daaropvolgende jaren en waarin voor elke regeling het indicatieve tijdschema, de capaciteit, het budget dat naar verwachting zal worden toegekend en een raadpleging van belanghebbenden over het ontwerp van de steun is opgenomen.
Schrappen
Amendement 154
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 4
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau voorzien in bepalingen over de integratie en inzet van hernieuwbare energie en het gebruik van onvermijdelijke afvalwarmte of -koude bij de planning, het ontwerp, de bouw, en de renovatie van stedelijke infrastructuur, industriële of residentiële zones en energie-infrastructuur, met inbegrip van elektriciteit, stadsverwarming en -koeling, en netwerken voor aardgas en alternatieve brandstoffen.
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau voorzien in bepalingen over de integratie en inzet van hernieuwbare energie, onder meer betreffende vroegtijdige ruimtelijke planning, beoordelingen van behoeften en toereikendheid waarin rekening wordt gehouden met de energie-efficiëntie en vraagrespons, alsook specifieke bepalingen inzake de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, en het gebruik van onvermijdelijke afvalwarmte of -koude bij de planning, het ontwerp, de bouw, en de renovatie van stedelijke infrastructuur, industriële, commerciële of residentiële zones en energie-infrastructuur, met inbegrip van elektriciteit, stadsverwarming en -koeling, en netwerken voor aardgas en alternatieve brandstoffen. De lidstaten sporen met name lokale en regionale administratieve organen ertoe aan verwarming en koeling uit hernieuwbare energiebronnen in voorkomend geval op te nemen in de planning van stedelijke infrastructuur.
Amendement 155
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 5 – alinea 2
Bij de vaststelling van zulke maatregelen of in hun steunregelingen kunnen de lidstaten rekening houden met nationale maatregelen die verband houden met aanzienlijke verbeteringen van de energie-efficiëntie en met warmtekrachtkoppeling en passieve, lage- of nulenergiegebouwen.
Bij de vaststelling van zulke maatregelen of in hun steunregelingen kunnen de lidstaten rekening houden met nationale maatregelen die verband houden met aanzienlijke verbeteringen van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, lokale opslag van energie, energie-efficiëntie en met warmtekrachtkoppeling en passieve, lage- of nulenergiegebouwen.
Amendement 156
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 5 – alinea 3
In hun bouwvoorschriften en -regels of op andere wijze met gelijkwaardig effect eisen de lidstaten dat in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd minimumniveaus van energie uit hernieuwbare bronnen worden gebruikt, rekening houdend met de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU wordt uitgevoerd. De lidstaten staan toe dat deze minimumniveaus onder meer worden verwezenlijkt middels een aanzienlijk aandeel van hernieuwbare energiebronnen.
In hun bouwvoorschriften en -regels of op andere wijze met gelijkwaardig effect eisen de lidstaten dat in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd minimumniveaus van energie uit hernieuwbare bronnen of installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie worden gebruikt, rekening houdend met de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU wordt uitgevoerd. De lidstaten staan toe dat deze minimumniveaus onder meer worden verwezenlijkt middels stadsverwarming en -koeling die voor een aanzienlijk deel uit hernieuwbare energiebronnen wordt geproduceerd door middel van individuele of collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie overeenkomstig artikel 21, of door middel van warmtekrachtkoppeling op basis van hernieuwbare energie en het gebruik van afvalwarmte en -koude.
Amendement 157
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 6
6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat nieuwe gebouwen, en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, van nationale, regionale en lokale overheden in het kader van deze richtlijn vanaf 1 januari 2012 een voorbeeldfunctie vervullen. De lidstaten kunnen onder meer toestaan dat aan die verplichting moet worden voldaan door ervoor te zorgen dat de daken van openbare of gemengde private-openbare gebouwen door derde partijen worden gebruikt voor installaties die energie uit hernieuwbare bronnen produceren.
6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat nieuwe gebouwen, en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, van nationale, regionale en lokale overheden in het kader van deze richtlijn vanaf 1 januari 2012 een voorbeeldfunctie vervullen. De lidstaten kunnen onder meer toestaan dat aan die verplichting moet worden voldaan door naleving van de normen voor bijna-energieneutrale gebouwen als vereist in richtlijn … van het Europees Parlement en de Raad [inzake energieprestaties van de gebouwen, 2016/0381(COD)], of door ervoor te zorgen dat de daken van openbare of gemengde private-openbare gebouwen door derde partijen worden gebruikt voor installaties die energie uit hernieuwbare bronnen produceren.
Amendement 158
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 7
7.  Met betrekking tot hun bouwvoorschriften en -regels bevorderen de lidstaten het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarmings- en koelingssystemen en apparatuur die een aanzienlijk lager energieverbruik mogelijk maakt. De lidstaten maken gebruik van energie- of milieukeuren of van andere op nationaal of Unieniveau opgestelde geschikte certificaten of normen, voor zover deze bestaan, om dergelijke systemen en apparatuur aan te moedigen.
7.  Met betrekking tot hun bouwvoorschriften en -regels bevorderen de lidstaten het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarmings- en koelingssystemen en apparatuur die een aanzienlijk lager energieverbruik mogelijk maakt. Hiertoe maken de lidstaten gebruik van energie- of milieukeuren of van andere op nationaal of Unieniveau opgestelde geschikte certificaten of normen, voor zover deze bestaan, en zij zorgen voor het verstrekken van adequate informatie en advies over hernieuwbare, uiterst energie-efficiënte alternatieven en mogelijke beschikbare financiële instrumenten en stimulansen in het geval van vervanging, met het oog op de bevordering van een groter aantal vervangingen van oude verwarmingssystemen en een toegenomen overschakeling naar op hernieuwbare energie gebaseerde oplossingen overeenkomstig richtlijn … van het Europees Parlement en de Raad [inzake energieprestaties van de gebouwen, 2016/0381(COD)].
Amendement 159
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 8
8.  De lidstaten beoordelen hun potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling. Deze beoordeling wordt opgenomen in de tweede uitgebreide beoordeling die is vereist overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, voor het eerst uiterlijk op 31 december 2020 en in de daaropvolgende actualiseringen van de uitgebreide beoordelingen.
8.  De lidstaten beoordelen hun potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling. In deze beoordeling wordt specifiek aandacht besteed aan een ruimtelijke analyse van geschikte gebieden waar de milieurisico's bij het inzetten van deze oplossingen gering zijn en aan de mogelijkheden voor kleinschalige projecten binnen huishoudens. Deze beoordeling wordt opgenomen in de tweede uitgebreide beoordeling die is vereist overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, voor het eerst uiterlijk op 31 december 2020 en in de daaropvolgende actualiseringen van de uitgebreide beoordelingen.
Amendement 160
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau in hun plannen met betrekking tot mobiliteit en vervoer bepalingen opnemen voor de integratie en invoering van vervoerswijzen die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen.
Amendement 161
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 9
9.  De lidstaten nemen de administratieve belemmeringen weg voor langlopende stroomafnameovereenkomsten op bedrijfsniveau om hernieuwbare energie te financieren en het gebruik ervan te bevorderen.
9.  De lidstaten beoordelen de regelgevings- en administratieve belemmeringen en het potentieel voor de afname van energie uit hernieuwbare bronnen door zakelijke afnemers op hun grondgebied en brengen een ondersteunend regelgevings- en administratief kader tot stand ter bevordering van langlopende afnameovereenkomsten voor stroom uit hernieuwbare bronnen op bedrijfsniveau om hernieuwbare energie te financieren en het gebruik ervan te bevorderen, waarbij ze ervoor zorgen dat voor deze hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten geen onevenredige procedures en lasten worden ingevoerd die de kosten niet weerspiegelen. Met het sluiten van dergelijke overeenkomsten wordt namens de zakelijke afnemer een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt. Dit gunstige kader maakt deel uit van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)].
Amendement 162
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 2
2.  Het enkele administratieve contactpunt biedt op transparante wijze bijstand aan de aanvrager doorheen de aanvraagprocedure, verstrekt de aanvrager alle nodige informatie, coördineert en betrekt in voorkomend geval andere autoriteiten, en stelt een juridisch bindend besluit vast aan het einde van de procedure.
2.  Het enkele administratieve contactpunt biedt op transparante wijze bijstand aan de aanvrager doorheen de aanvraagprocedure, verstrekt de aanvrager alle nodige informatie, coördineert en betrekt in voorkomend geval andere autoriteiten, en stelt een juridisch bindend besluit vast aan het einde van de procedure. Aanvragers moeten de mogelijkheid krijgen alle relevante documenten in digitale vorm in te dienen.
Amendement 163
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 3
3.  In samenwerking met de transmissie- en distributiesysteembeheerders publiceert het enkele administratieve contactpunt een procedurehandleiding voor ontwikkelaars van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van kleinschalige projecten en projecten voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.
3.  Om gemakkelijker toegang te krijgen tot de nodige informatie brengt het enkele administratieve contactpunt in samenwerking met de transmissie- en distributiesysteembeheerders één enkel online informatieplatform tot stand met uitleg over de procedures voor ontwikkelaars van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van kleinschalige projecten, projecten voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en projecten voor hernieuwbare-energiegemeenschappen. Indien de lidstaat besluit meer dan een enkel administratief contactpunt op te richten, vindt de aanvrager via het informatieplatform de weg naar het voor de aanvraag relevante contactpunt.
Amendement 164
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 4
4.  De in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure duurt niet langer dan drie jaar, met uitzondering van de in artikel 16, lid 5, en artikel 17 omschreven gevallen.
4.  De in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure duurt niet langer dan drie jaar, met uitzondering van de in artikel 16, leden 4 bis en 5, en artikel 17 omschreven gevallen.
Amendement 165
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Voor installaties met een elektrisch vermogen tussen 50 kW en 1 MW duurt de vergunningsprocedure niet langer dan één jaar. In buitengewone, naar behoren gemotiveerde omstandigheden kan deze termijn worden verlengd met drie bijkomende maanden.
De termijnen als bedoeld in de leden 4 en 4 bis gelden onverminderd gerechtelijke beroepsprocedures en rechtsmiddelen en kunnen hooguit worden verlengd met de duur van de gerechtelijke beroeps- en rechtsmiddelenprocedures.
De lidstaten zorgen ervoor dat aanvragers toegang hebben tot buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen of eenvoudige en toegankelijke gerechtelijke procedures voor het beslechten van geschillen in verband met vergunningsprocedures en de afgifte van bouw- en exploitatievergunningen voor installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen.
Amendement 166
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 5
5.  De lidstaten bevorderen de repowering van bestaande installaties voor hernieuwbare energie door onder meer te voorzien in een vereenvoudigde en snelle vergunningsprocedure, die niet langer duurt dan één jaar vanaf de datum waarop het verzoek om repowering is ingediend bij het enkele administratieve contactpunt.
5.  De lidstaten bevorderen de repowering van bestaande installaties voor hernieuwbare energie door onder meer te voorzien in een vereenvoudigde en snelle vergunningsprocedure, die niet langer duurt dan één jaar vanaf de datum waarop het verzoek om repowering is ingediend bij het enkele administratieve contactpunt. Niettegenstaande artikel 11, lid 4, van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad betreffende [gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0379(COD)], garanderen de lidstaten dat de toegangs- en aansluitingsrechten met betrekking tot het netwerk gehandhaafd worden voor repoweringprojecten, op zijn minst voor gevallen waarin de capaciteit ongewijzigd blijft.
Amendement 354
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   De lidstaten zorgen er middels hun procedures voor het toekennen van vergunningen of concessies voor dat 90 % van de tankstations langs de wegen van het bij Verordening (EU) nr. 1315/2013 opgezette kernnetwerk (het "TEN‑V-kernnetwerk") tegen 31 december 2022 zijn uitgerust met openbaar toegankelijke snelle oplaadpunten voor elektrische voertuigen. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het toepassingsgebied van dit lid uit te breiden tot de onder artikel 25 vallende brandstoffen.
Amendement 167
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 1
1.  Demonstratieprojecten en -installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 50 kW mogen worden aangesloten op het net na een kennisgeving aan de distributiesysteembeheerder.
1.  Demonstratieprojecten en -installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 50 kW mogen worden aangesloten op het net na een kennisgeving aan de distributiesysteembeheerder.
In afwijking van de eerste alinea kan de distributiesysteembeheerder voor demonstratieprojecten en -installaties met een vermogen tussen 10,8 kW en 50 kW besluiten deze eenvoudige kennisgeving om gegronde redenen te weigeren, of een andere oplossing voorstellen. In dit geval volgt er binnen de twee weken na de kennisgeving een voorstel en kan de aanvrager vervolgens verzoeken om via de standaardprocedures te worden aangesloten. Indien de distributiesysteembeheerder binnen deze termijn geen negatief besluit neemt, kan de installatie worden aangesloten.
Amendement 168
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 1
1.  De lidstaten zien erop toe dat informatie over steunmaatregelen ter beschikking wordt gesteld van alle belanghebbende actoren, zoals consumenten, fabrikanten, installateurs, architecten, en leveranciers van apparatuur en systemen voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking en van voertuigen die gebruik kunnen maken van energie uit hernieuwbare bronnen.
1.  De lidstaten zien erop toe dat informatie over steunmaatregelen ter beschikking wordt gesteld van alle belanghebbende actoren, zoals consumenten, met name kwetsbare consumenten met een laag inkomen, consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, ontwikkelaars van hernieuwbare-energiegemeenschappen, installateurs, architecten, en leveranciers van apparatuur en systemen voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking en van voertuigen die gebruik kunnen maken van energie uit hernieuwbare bronnen.
Amendement 169
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten zorgen voor informatie over de voordelen van intelligente vervoersystemen en communicerende voertuigen voor de verkeersveiligheid, de bestrijding van files en brandstofefficiëntie.
Amendement 170
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 6
6.  De lidstaten ontwikkelen met deelneming van lokale en regionale autoriteiten passende informatie-, voorlichtings-, begeleidings- en/of opleidingsprogramma's om hun burgers in te lichten over de voordelen en praktische aspecten van de ontwikkeling en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
6.  De lidstaten ontwikkelen met deelneming van lokale en regionale autoriteiten passende informatie-, voorlichtings-, begeleidings- en/of opleidingsprogramma's om hun burgers duidelijk te maken hoe ze hun rechten als actieve consumenten kunnen doen gelden en hen in te lichten over de voordelen en praktische aspecten – onder meer op technisch en financieel gebied – van de ontwikkeling en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en verbruik in het kader van hernieuwbare-energiegemeenschappen, alsook over de voordelen van mechanismen voor samenwerking tussen lidstaten en andere vormen van grensoverschrijdende samenwerking.
Amendement 171
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 2 – alinea 3
De lidstaten zorgen ervoor dat geen garanties van oorsprong worden afgegeven aan een producent die voor dezelfde uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie financiële steun van een steunregeling ontvangt. De lidstaten geven dergelijke garanties van oorsprong af en dragen deze over aan de markt door ze te veilen. De opbrengst van deze veiling wordt gebruikt om de kosten van de ondersteuning van hernieuwbare energie te compenseren.
De lidstaten zorgen ervoor dat er voor hernieuwbare-energie-installaties die na ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in bedrijf zijn gesteld geen garanties van oorsprong worden afgegeven aan een producent die voor dezelfde uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie financiële steun van een steunregeling ontvangt, tenzij er geen sprake is van dubbele compensatie.
Er wordt aangenomen dat er geen sprake is van dubbele compensatie wanneer:
a)  de financiële steun wordt toegekend middels een aanbestedingsprocedure of een systeem van verhandelbare groene certificaten;
b)  de marktwaarde van de garanties van oorsprong administratief in aanmerking is genomen bij de vaststelling van de financiële steun; of
c)  de garanties van oorsprong niet rechtstreeks aan de producent worden afgegeven maar aan een leverancier of consument die de hernieuwbare energie afneemt via een voor mededinging openstaande procedure of een langlopende hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst op bedrijfsniveau.
In andere dan de in de vierde alinea omschreven gevallen geven de lidstaten de garantie van oorsprong af voor statistische doeleinden, waarna ze de garantie onmiddellijk annuleren.
Amendement 172
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 7 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  of de energiebron waarmee de energie is geproduceerd, voldoet aan de in artikel 26 van deze richtlijn vermelde duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie;
Amendement 173
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 7 – alinea 1 – letter b – punt ii
ii)  gas; of
ii)  gas, met inbegrip van waterstof; of
Amendement 174
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 8
8.  Een elektriciteitsleverancier die voor de toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2009/72/EG het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix moet aantonen, doet dat door middel van zijn garanties van oorsprong. Overeenkomstig artikel 14, lid 10, van Richtlijn 2012/27/EU gecreëerde garanties van oorsprong worden gebruikt om te voldoen aan alle vereisten om de hoeveelheid uit warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit te staven. De lidstaten zorgen ervoor dat ten volle rekening wordt gehouden met transmissieverliezen wanneer garanties van oorsprong worden gebruikt om de consumptie van hernieuwbare energie of elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te tonen.
8.  Een elektriciteitsleverancier die voor de toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2009/72/EG het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix moet aantonen, doet dat door middel van zijn garanties van oorsprong. Overeenkomstig artikel 14, lid 10, van Richtlijn 2012/27/EU gecreëerde garanties van oorsprong worden gebruikt om te voldoen aan alle vereisten om de hoeveelheid uit warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit te staven. Met betrekking tot lid 2 wordt, indien elektriciteit wordt opgewekt via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling met gebruik van hernieuwbare bronnen, slechts één garantie van oorsprong afgegeven waarin beide kenmerken worden gespecificeerd. De lidstaten zorgen ervoor dat ten volle rekening wordt gehouden met transmissieverliezen wanneer garanties van oorsprong worden gebruikt om de consumptie van hernieuwbare energie of elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te tonen.
Amendement 175
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 20 – lid 1
1.  In voorkomend geval gaan de lidstaten na of de bestaande gasnetinfrastructuur moet worden uitgebreid om de integratie van gas uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken.
1.  In voorkomend geval gaan de lidstaten na of de bestaande gasnetinfrastructuur moet worden uitgebreid om de integratie van gas uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken. Transmissienetbeheerders en distributienetbeheerders zijn verantwoordelijk voor de goede werking van de gasnetinfrastructuur, met inbegrip van het onderhoud en het regelmatig schoonmaken ervan.
Amendement 176
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 20 – lid 3
3.  Op basis van hun overeenkomstig bijlage I bij Verordening [governance] in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen opgenomen evaluatie van de noodzaak om nieuwe infrastructuur te bouwen voor stadsverwarming en -koeling uit hernieuwbare energiebronnen teneinde het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde streefdoel van de Unie te halen, nemen de lidstaten waar nodig stappen om een infrastructuur voor stadsverwarming op te zetten teneinde de ontwikkeling van de productie van verwarming en koeling uit grote biomassa-installaties, zonne-energie-installaties en geothermische faciliteiten mogelijk te maken.
3.  Op basis van hun overeenkomstig bijlage I bij Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen opgenomen evaluatie van de noodzaak om nieuwe infrastructuur te bouwen voor stadsverwarming en -koeling uit hernieuwbare energiebronnen teneinde het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde streefdoel van de Unie te halen, nemen de lidstaten waar nodig stappen om een infrastructuur voor stadsverwarming op te zetten teneinde de ontwikkeling van de productie van verwarming en koeling uit grote installaties die gebruikmaken van duurzame biomassa, omgevingswarmte in grote warmtepompen, zonne-energie en geothermische energie, alsook overtollige warmte uit de industrie en andere bronnen, mogelijk te maken.
Amendement 177
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie individueel of via aankoopgroeperingen:
De lidstaten waarborgen dat consumenten het recht hebben om consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie te worden. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie individueel of via aankoopgroeperingen:
Amendement 178
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a
a)  het recht hebben zelfgeproduceerde energie te consumeren en hun overtollige productie van hernieuwbare elektriciteit te verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen;
a)  het recht hebben zelfgeproduceerde energie te consumeren en hun overtollige productie van hernieuwbare elektriciteit te verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten en regelingen voor peer-to-peerhandel, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan discriminerende of onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen;
Amendement 179
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  het recht hebben hun zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit binnen de grenzen van hun eigen terrein te gebruiken, zonder aan heffingen, leges of belastingen te worden onderworpen;
Amendement 180
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a ter (nieuw)
a ter)  het recht hebben elektriciteitsopslagsystemen gecombineerd met installaties voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit voor eigen gebruik te installeren en te exploiteren, zonder te worden onderworpen aan heffingen, met inbegrip van belastingen en dubbele nettarieven voor opgeslagen elektriciteit binnen de grenzen van hun eigen terrein;
Amendement 181
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter c
c)  niet worden beschouwd als energieleveranciers overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht wanneer zij een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit aan het net leveren die op jaarbasis niet meer is dan 10 MWh voor huishoudens en niet meer dan 500 MWh voor rechtspersonen; en
c)  niet worden beschouwd als energieleveranciers overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht wanneer zij een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit aan het net leveren die op jaarbasis niet meer is dan 10 MWh voor huishoudens en niet meer dan 500 MWh voor rechtspersonen, onverminderd de procedures die ingevolge de artikelen 15 tot en met 18 zijn vastgesteld voor het toezicht op en de goedkeuring van de aansluiting van opwekkingscapaciteit op het net door distributienetbeheerders;
Amendement 182
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter d
d)  voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die zij aan het net leveren een vergoeding ontvangen die een weerspiegeling is van de marktwaarde van de geleverde elektriciteit.
d)  voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die zij aan het net leveren een vergoeding ontvangen die ten minste gelijkwaardig is aan de marktprijs en waarin eventueel rekening wordt gehouden met de waarde op lange termijn voor het net, het milieu en de samenleving, overeenkomstig de kosten-batenanalyse van gedistribueerde energiebronnen uit hoofde van [artikel 59] van Richtlijn ... van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)].
Amendement 183
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De lidstaten zorgen ervoor dat de verdeling van de kosten voor het beheer en de ontwikkeling van het netwerk billijk en evenredig is, en een weerspiegeling vormt van de systeembrede voordelen van zelfopwekking, met inbegrip van de waarde op lange termijn voor het net, het milieu en de samenleving.
Amendement 184
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die in hetzelfde appartementsgebouw wonen of gevestigd zijn op dezelfde commerciële locatie of locatie met gedeelde diensten of een gesloten distributiesysteem gezamenlijk zelfgeproduceerde energie mogen consumeren, alsof zij een individuele consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie zijn. In dit geval is de in lid 1, onder c), bedoelde drempel van toepassing op iedere betrokken consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die in hetzelfde appartementsgebouw of woongebied wonen of gevestigd zijn op dezelfde commerciële of industriële locatie of locatie met gedeelde diensten of in hetzelfde gesloten distributiesysteem gezamenlijk zelfgeproduceerde energie mogen consumeren, alsof zij een individuele consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie zijn. In dit geval is de in lid 1, onder c), bedoelde drempel van toepassing op iedere betrokken consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.
Amendement 185
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten verrichten een beoordeling van de bestaande belemmeringen en het ontwikkelingspotentieel met betrekking tot de consumptie van zelfgeproduceerde energie op hun grondgebied, teneinde een gunstig kader te scheppen om de ontwikkeling van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie te bevorderen en te faciliteren.
Dat kader omvat onder meer:
a)  specifieke maatregelen om te waarborgen dat de consumptie van zelfgeproduceerde energie toegankelijk is voor alle consumenten, met inbegrip van huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens, of al wie een sociale woning of huurwoning betrekt;
b)  instrumenten om de toegang tot financiering te vergemakkelijken;
c)  stimulansen voor huiseigenaren om voor huurders mogelijkheden te scheppen voor de consumptie van zelfgeproduceerde energie;
d)  opheffing van alle ongerechtvaardigde regelgevingsbelemmeringen die het gebruik van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie in de weg staan, onder meer voor huurders.
Dit gunstige kader maakt deel uit van de nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening ... van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)].
Amendement 186
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 3
3.  De installatie van een consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie kan door een derde partij worden beheerd wat betreft installatie, beheer, met inbegrip van de meteropneming, en onderhoud.
3.  Met de instemming van de consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie kan diens installatie het eigendom zijn van of worden beheerd door een derde partij wat betreft installatie, beheer, met inbegrip van de meteropneming, en onderhoud. Deze derde partij wordt zelf niet beschouwd als een consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.
Amendement 187
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea -1 (nieuw)
De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers, met name huishoudelijke afnemers, het recht hebben om deel te nemen aan een hernieuwbare-energiegemeenschap zonder hun rechten te verliezen als eindafnemers en zonder te worden onderworpen aan ongegronde voorwaarden of procedures die hun deelname aan een hernieuwbare-energiegemeenschap kunnen verhinderen of ontmoedigen, mits voor particuliere ondernemingen geldt dat hun deelname niet hun belangrijkste commerciële of professionele activiteit vormt.
Amendement 188
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht hebben hernieuwbare energie te produceren, consumeren, opslaan en verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen.
De lidstaten zorgen ervoor dat hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht hebben hernieuwbare energie te produceren, consumeren, opslaan en verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan discriminerende of onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen.
Amendement 189
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – inleidende formule
Voor de toepassing van deze richtlijn is een hernieuwbare-energiegemeenschap een kmo of een organisatie zonder winstoogmerk waarvan de aandeelhouders of leden samenwerken om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren, te verdelen, op te slaan of te leveren, waarbij aan ten minste vier van de volgende criteria wordt voldaan:
Voor de toepassing van deze richtlijn is een hernieuwbare-energiegemeenschap een kmo of een organisatie zonder winstoogmerk waarvan de aandeelhouders of leden samenwerken om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren, te verdelen, op te slaan of te leveren.
Om een behandeling als hernieuwbare-energiegemeenschap te kunnen genieten moet ten minste 51 % van de zetels in de raad van bestuur of de bestuursorganen van de entiteit zijn voorbehouden aan lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van lokale publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of individuele burgers.
Bovendien voldoet een hernieuwbare-energiegemeenschap aan ten minste drie van de volgende criteria:
Amendement 190
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter a
a)  de aandeelhouders of leden zijn natuurlijke personen, lokale overheden, met inbegrip van gemeenten, of kmo's die actief zijn op het gebied van hernieuwbare energie;
a)  de aandeelhouders of leden zijn natuurlijke personen, lokale overheden, met inbegrip van gemeenten, of kmo's;
Amendement 191
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter b
b)  ten minste 51 % van de stemgerechtigde aandeelhouders of leden van de entiteit zijn natuurlijke personen;
b)  ten minste 51 % van de stemgerechtigde aandeelhouders of leden van de entiteit zijn natuurlijke personen of overheidsinstanties;
Amendement 192
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter c
c)  ten minste 51 % van de aandelen of medezeggenschapsrechten van de entiteit zijn eigendom van lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of burgers met een direct belang in de activiteit van de gemeenschap en de impact ervan;
c)  ten minste 51 % van de aandelen of medezeggenschapsrechten van de entiteit zijn eigendom van lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of individuele burgers;
Amendement 193
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter d
d)  ten minste 51 % van de zetels in de raad van bestuur of de bestuursorganen van de entiteit zijn voorbehouden aan lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of burgers met een direct belang in de activiteit van de gemeenschap en de impact ervan;
Schrappen
Amendement 194
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De lidstaten zien toe op de toepassing van deze criteria en nemen maatregelen om misbruik of negatieve gevolgen voor de concurrentie te vermijden.
Amendement 195
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 2
2.  Onverminderd staatssteunregels houden de lidstaten bij het ontwerpen van steunregelingen rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen.
2.  Bij het ontwerpen van steunregelingen houden de lidstaten rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen en waarborgen ze tegelijkertijd een gelijk speelveld voor producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.
Amendement 196
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten verrichten een beoordeling van de bestaande belemmeringen en het potentieel met betrekking tot de ontwikkeling van hernieuwbare-energiegemeenschappen op hun grondgebied, teneinde een gunstig kader te scheppen om de deelname van hernieuwbare-energiegemeenschappen aan de opwekking, consumptie, opslag en verkoop van hernieuwbare energie te bevorderen en te faciliteren.
Dat gunstig kader omvat:
a)  doelstellingen en specifieke maatregelen om overheden te helpen de ontwikkeling van hernieuwbare-energiegemeenschappen mogelijk te maken, en om rechtstreeks deel te nemen;
b)  specifieke maatregelen om te waarborgen dat deelname aan hernieuwbare-energiegemeenschappen toegankelijk is voor alle consumenten, met inbegrip van huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens, of al wie een sociale woning betrekt of huurder is;
c)  instrumenten om de toegang tot financiering en informatie te vergemakkelijken;
d)  ondersteuning van overheden op het gebied van regelgeving en capaciteitsopbouw bij de oprichting van hernieuwbare-energiegemeenschappen;
e)  opheffing van ongegronde regelgevings- en administratieve belemmeringen voor hernieuwbare energie-gemeenschappen;
f)  regels om de gelijke en niet-discriminerende behandeling van consumenten die deelnemen aan de energiegemeenschap te verzekeren, waarbij wordt gezorgd voor een consumentenbescherming die gelijkwaardig is aan de bescherming van wie aangesloten is op de distributienetten.
Dit gunstige kader maakt deel uit van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)].
Amendement 197
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 1
1.  Om de penetratie van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, doen alle lidstaten het nodige om het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie ieder jaar te doen toenemen met ten minste één percentpunt (pp), uitgedrukt in nationaal aandeel eindenergieverbruik en berekend volgens de in artikel 7 bedoelde methodologie.
1.  Om de penetratie van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, doen alle lidstaten het nodige om het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie ieder jaar te doen toenemen met ten minste twee procentpunten (pp), uitgedrukt in nationaal aandeel eindenergieverbruik en berekend volgens de in artikel 7 bedoelde methodologie. Indien een lidstaat niet in staat is dit percentage te bereiken, maakt hij een rechtvaardiging voor de niet-naleving bekend en bezorgt deze aan de Commissie. De lidstaten geven voorrang aan de beste beschikbare technologieën.
Amendement 198
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Voor de toepassing van lid 1 nemen de lidstaten bij de berekening van het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie en van hun verplichte jaarlijkse toename het volgende in acht:
a)  de lidstaten mogen elke toename die is verwezenlijkt in een gegeven jaar meerekenen alsof deze gedeeltelijk of volledig werd verwezenlijkt in een van de twee voorgaande of de twee volgende jaren, afgebakend tot de periode tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030;
b)  de lidstaten mogen afvalwarmte en -koude opnemen in de berekening van de jaarlijkse toename als bedoeld in lid 1, weliswaar beperkt tot 50 % van de jaarlijkse toename;
c)  indien het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen in de verwarmings- en koelingssector tussen de 50 % en 80 % bedraagt, beperkt de lidstaat de toename tot één procentpunt per jaar;
d)  de lidstaten mogen zelf bepalen hoeveel hun jaarlijkse toename bedraagt – ook of ze al dan niet de beperking voor afvalwarmte en -koude als bedoeld onder b) toepassen – met ingang van het jaar waarin ze een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen in de verwarmings- en koelingssector bereiken van meer dan 80 %.
Amendement 199
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 2
2.  De lidstaten kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een lijst met maatregelen en uitvoeringsorganen, zoals brandstofleveranciers, aanwijzen en bekendmaken die moeten bijdragen aan de in lid 1 bedoelde toename.
2.  De lidstaten stellen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een lijst op met maatregelen en uitvoeringsorganen, zoals brandstofleveranciers, die moeten bijdragen aan de in lid 1 bedoelde toename, en maken deze lijst bekend.
Amendement 200
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 – inleidende formule
3.  De in lid 1 bedoelde toename kan worden verwezenlijkt door middel van een of meer van de volgende opties:
3.  De in lid 1 bedoelde toename kan onder meer worden verwezenlijkt door middel van een of meer van de volgende opties:
Amendement 201
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 – letter a
a)  fysieke vermenging van hernieuwbare energie in de voor verwarming en koeling geleverde energie en brandstof;
a)  fysieke vermenging van hernieuwbare energie of afvalwarmte en -koude in de voor verwarming en koeling geleverde energie en brandstof;
Amendement 202
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 – letter b
b)  directe matigingsmaatregelen, zoals de installatie in gebouwen van hoogrenderende systemen voor hernieuwbare verwarming en koeling of het gebruik van hernieuwbare energie in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;
b)  directe matigingsmaatregelen, zoals de installatie in gebouwen van hoogrenderende systemen voor hernieuwbare verwarming en koeling of het gebruik van hernieuwbare energie of het gebruik van afvalwarmte en -koude in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;
Amendement 203
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 – letter c bis (nieuw)
c bis)  andere beleidsmaatregelen met een evenwaardig effect om de in lid 1 of lid 1 bis vermelde toename te bereiken.
Amendement 204
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Bij de uitvoering van de onder a) tot en met d) bedoelde maatregelen zien de lidstaten erop toe dat de maatregelen zodanig worden ontworpen dat de toegang voor alle consumenten gewaarborgd is, met name voor wie een laag inkomen heeft of voor kwetsbare huishoudens, die mogelijk vooraf niet over voldoende kapitaal beschikken om er gebruik van te kunnen maken.
Amendement 205
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 5 – letter b bis (nieuw)
b bis)  de hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde afvalwarmte of -koude;
Amendement 206
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 5 – letter c
c)  het aandeel hernieuwbare energie in de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie; en
c)  het aandeel hernieuwbare energie en afvalwarmte of -koude in de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie; en
Amendement 207
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen evoor dat leveranciers van stadsverwarming en -koeling aan de eindconsument informatie verstrekken over hun energieprestaties en het aandeel hernieuwbare energie in hun systemen. Dergelijke informatie voldoet aan de in het kader van Richtlijn 2010/31/EU gebruikte normen.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat leveranciers van stadsverwarming en -koeling aan de eindconsument informatie verstrekken over hun energieprestaties en het aandeel hernieuwbare energie in hun systemen. Dergelijke informatie wordt jaarlijks of op verzoek verschaft en voldoet aan de in het kader van Richtlijn 2010/31/EU gebruikte normen.
Amendement 208
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 2
2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het afnemers van systemen voor stadsverwarming en koeling die geen "efficiënte stadsverwarming en -koeling" zijn in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU, mogelijk te maken van het systeem te worden ontkoppeld teneinde zelf verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen te produceren of over te stappen op een andere leverancier van verwarming of koeling die toegang heeft tot het systeem zoals bedoeld in lid 4.
2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het afnemers van systemen voor stadsverwarming en -koeling die geen "efficiënte stadsverwarming en -koeling" zijn in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU of dit op basis van hun investeringsplannen geen dergelijke systemen zullen worden binnen de eerstkomende vijf jaar, mogelijk te maken van het systeem te worden ontkoppeld teneinde zelf verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen te produceren.
Amendement 209
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 3
3.  De lidstaten kunnen het recht om te worden ontkoppeld of van leverancier te veranderen beperken tot afnemers die kunnen bewijzen dat de geplande alternatieve oplossing voor de levering van verwarming of koeling zal leiden tot significant betere energieprestaties. De prestatiebeoordeling van de alternatieve voorzieningsoplossing kan op het in Richtlijn 2010/31/EU gedefinieerde energieprestatiecertificaat worden gebaseerd.
3.  De lidstaten kunnen het recht om te worden ontkoppeld beperken tot afnemers die kunnen bewijzen dat de geplande alternatieve oplossing voor de levering van verwarming of koeling zal leiden tot significant betere energieprestaties. De prestatiebeoordeling van de alternatieve voorzieningsoplossing kan op het in Richtlijn 2010/31/EU gedefinieerde energieprestatiecertificaat worden gebaseerd.
Amendement 210
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 4
4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter waarborging van niet-discriminerende toegang voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming en koeling en afvalwarmte en -koude tot systemen voor stadsverwarming en -koeling. Deze niet-discriminerende toegang maakt het mogelijk dat andere leveranciers dan de beheerder van het systeem voor stadsverwarming of -koeling rechtstreeks verwarming en koeling uit dergelijke bronnen kunnen leveren aan afnemers die gekoppeld zijn aan het systeem voor stadsverwarming of -koeling.
4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter waarborging van niet-discriminerende toegang voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming en koeling en voor afvalwarmte of -koude tot systemen voor stadsverwarming en -koeling, op basis van niet-discriminerende criteria die worden vastgesteld door de bevoegde instantie in de lidstaat. In deze criteria wordt rekening gehouden met de economische en technische haalbaarheid voor de beheerders van het systeem voor stadsverwarming of -koeling en de aangesloten afnemers.
Amendement 211
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 5
5.  Een beheerder van een systeem voor stadsverwarming of -koeling kan leveranciers toegang weigeren indien in het systeem de nodige capaciteit ontbreekt ten gevolge van andere leveringen van afvalwarmte of -koude, van verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, of van verwarming of koeling uit hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. De lidstaten zorgen ervoor dat in het geval van een dergelijke weigering de beheerder van een systeem voor stadsverwarming en -koeling aan de bevoegde instantie overeenkomstig lid 9 relevante informatie verstrekt over de maatregelen die nodig zijn om het systeem te versterken.
5.  Een beheerder van een systeem voor stadsverwarming of -koeling kan leveranciers toegang weigeren indien aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)   in het systeem ontbreekt de nodige capaciteit ten gevolge van andere leveringen van afvalwarmte of -koude, van verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, of van verwarming of koeling uit hoogrenderende warmte-krachtkoppelingsinstallaties, of deze toegang zou de veilige werking van het stadsverwarmingssysteem in gevaar brengen;
b)   het systeem is een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU;
c)   het verlenen van toegang zou leiden tot een te grote stijging van de warmte- of koudeprijs voor de eindverbruikers in vergelijking met de prijs voor het gebruik van de belangrijkste plaatselijke warmtevoorziening waarmee de hernieuwbare energiebron of de afvalwarmte of -koude zouden kunnen concurreren.
De lidstaten zorgen ervoor dat in het geval van een dergelijke weigering de beheerder van een systeem voor stadsverwarming en -koeling aan de bevoegde instantie overeenkomstig lid 9 relevante informatie verstrekt over de maatregelen die nodig zijn om het systeem te versterken, met inbegrip van de economische gevolgen van de maatregelen.
Amendement 212
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 6
6.  Nieuwe systemen voor stadsverarming en -koeling kunnen op verzoek voor een bepaalde periode worden vrijgesteld van de toepassing van lid 4. De bevoegde autoriteit beslist geval per geval over dergelijke vrijstellingsverzoeken. Een vrijstelling wordt uitsluitend toegekend indien het nieuwe systeem voor stadsverwarming of -koeling een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" is in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en indien het systeem gebruikmaakt van het potentieel voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte of -koude zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU uitgevoerde uitgebreide beoordeling.
6.  Nieuwe systemen voor stadsverwarming en -koeling kunnen op verzoek voor een bepaalde periode worden vrijgesteld van de toepassing van lid 4. De bevoegde autoriteit beslist geval per geval over dergelijke vrijstellingsverzoeken. Een vrijstelling wordt uitsluitend toegekend indien het nieuwe systeem voor stadsverwarming of -koeling een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" is in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en indien het systeem gebruikmaakt van het potentieel voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling in de zin van artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU, en afvalwarmte of -koude zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU uitgevoerde uitgebreide beoordeling.
Amendement 213
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 7
7.  Het recht om te worden ontkoppeld of van leverancier te veranderen kan worden uitgeoefend door individuele afnemers, gemeenschappelijke ondernemingen die zijn opgericht door afnemers of door partijen die namens afnemers optreden. In het geval van appartementsgebouwen kan een dergelijke ontkoppeling uitsluitend worden uitgevoerd op het niveau van het volledige gebouw.
7.  Het recht om te worden ontkoppeld kan worden uitgeoefend door individuele afnemers, gemeenschappelijke ondernemingen die zijn opgericht door afnemers of door partijen die namens afnemers optreden. In het geval van appartementsgebouwen kan een dergelijke ontkoppeling uitsluitend worden uitgevoerd op het niveau van het volledige gebouw.
Amendement 214
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 8
8.  De lidstaten vereisen dat beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste tweejaarlijks, in samenwerking met de beheerders van systemen voor stadsverwarming of -koeling in hun respectieve gebieden, beoordelen wat het potentieel is van systemen voor stadsverwarming of -koeling om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verstrekken, met inbegrip van vraagrespons en opslag van overtollige, uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel meer hulpbronnen- en kostenefficiënt zou zijn dan andere mogelijke oplossingen.
8.  De lidstaten vereisen dat beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste om de vier jaar, in samenwerking met de beheerders van systemen voor stadsverwarming of -koeling in hun respectieve gebieden, beoordelen wat het potentieel is van systemen voor stadsverwarming of -koeling om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verstrekken, met inbegrip van vraagrespons en opslag van overtollige, uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel meer hulpbronnen- en kostenefficiënt zou zijn dan andere mogelijke oplossingen.
Amendement 215
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 9
9.  De lidstaten wijzen een of meerdere onafhankelijke instanties aan om ervoor te zorgen dat de rechten van de consument en regels voor het beheer van systemen voor stadsverwarming en -koeling in overeenstemming met dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd en worden afgedwongen.
9.  De lidstaten wijzen een of meerdere bevoegde instanties aan om ervoor te zorgen dat de rechten van de consument en regels voor het beheer van systemen voor stadsverwarming en -koeling in overeenstemming met dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd en worden afgedwongen.
Amendement 216
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 1
Met ingang van 1 januari 2021 eisen de lidstaten dat de totale hoeveelheid transportbrandstoffen die brandstofleveranciers tijdens een kalenderjaar leveren voor consumptie of gebruik op de markt, een minimumaandeel bevat van energie uit geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en van hernieuwbare elektriciteit.
Om het in artikel 3 bedoelde streefcijfer van 12 % energie uit hernieuwbare bronnen in het eindverbruik van energie te halen, eisen de lidstaten met ingang van 1 januari 2021 dat de totale hoeveelheid transportbrandstoffen die brandstofleveranciers tijdens een kalenderjaar leveren voor consumptie of gebruik op de markt, een minimumaandeel bevat van energie uit geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, van brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof en van hernieuwbare elektriciteit.
Amendement 217
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 2
Het minimumaandeel zal in 2021 ten minste 1,5 % bedragen en stijgen tot minstens 6,8 % in 2030, waarbij de in deel B van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd. Binnen dit totale aandeel zijn geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, per 1 januari 2021 goed voor minstens 0,5 % van de transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt en uiterlijk in 2030 voor minstens 3,6 %, waarbij de in deel C van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd.
Het minimumaandeel zal in 2021 ten minste 1,5 % bedragen en stijgen tot minstens 10 % in 2030, waarbij de in deel B van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd. Binnen dit totale aandeel zijn geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, per 1 januari 2021 goed voor minstens 0,5 % van de transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt en uiterlijk in 2030 voor minstens 3,6 %, waarbij de in deel C van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd.
Brandstofleveranciers die uitsluitend brandstoffen in de vorm van elektriciteit en hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong leveren, hoeven niet te voldoen aan het minimumaandeel van energie uit geavanceerde biobrandstoffen, andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen.
Amendement 218
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter a
a)  voor de berekening van de noemer, zijnde de energie-inhoud van de in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, wordt rekening gehouden met benzine, diesel, aardgas, biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen en elektriciteit;
a)  voor de berekening van de noemer, zijnde de energie-inhoud van de in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, wordt rekening gehouden met benzine, diesel, aardgas, biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof en elektriciteit;
Amendement 219
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter b – alinea 1
b)  voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerd biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen die aan alle vervoerssectoren worden geleverd, en aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit.
b)  voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerd biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof die aan alle vervoerssectoren worden geleverd, en aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit.
Amendement 220
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter b – alinea 2
Voor de berekening van de teller wordt de bijdrage van biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in deel B van bijlage IX vermelde grondstoffen, beperkt tot 1,7 % van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, en wordt de bijdrage van in de lucht- en zeevaartsector geleverde brandstoffen geacht 1,2 maal hun energie-inhoud te zijn.
Voor de berekening van de teller wordt de bijdrage van biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in deel B van bijlage IX vermelde grondstoffen, beperkt tot 1,7 % van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt.
De lidstaten kunnen de beperking die geldt voor grondstoffen van deel B van bijlage IX wijzigen indien dit kan worden gerechtvaardigd op grond van de beschikbaarheid van grondstoffen. Eventuele wijzigingen moeten worden goedgekeurd door de Commissie.
De bijdrage van in de lucht- en zeevaartsector geleverde brandstoffen wordt geacht respectievelijk 2 maal en 1,2 maal de energie-inhoud ervan te zijn, en de bijdrage van aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit wordt geacht 2,5 maal de energie-inhoud ervan te zijn.
Amendement 221
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten mogen hun nationale beleidsmaatregelen om aan de verplichtingen in het kader van dit artikel te voldoen, vormgeven als een verplichting met betrekking tot broeikasgasemissiereductie, en mogen deze maatregelen ook toepassen op uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen, mits dit geen averechtse uitwerking heeft op de doelstellingen van de circulaire economie en mits er wordt voldaan aan het in lid 1 bedoelde aandeel energie uit hernieuwbare bronnen.
Amendement 223
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 3 – alinea 1
3.  Om het aandeel hernieuwbare elektriciteit te bepalen voor de toepassing van lid 1 kan of het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie, of het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar de elektriciteit wordt geleverd, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt. In beide gevallen wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.
3.  Om het aandeel hernieuwbare elektriciteit te bepalen voor de toepassing van lid 1 wordt het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar de elektriciteit wordt geleverd, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, gebruikt, op voorwaarde dat er voldoende bewijs is dat het om additionele elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gaat. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn om een methodologie tot stand te brengen, waaronder een methodologie voor de lidstaten om hun uitgangswaarde vast te stellen, voor het bewijzen van additionaliteit.
Amendement 224
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
In afwijking van de eerste alinea wordt voor het bepalen van het aandeel elektriciteit voor de toepassing van lid 1, elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting op een installatie voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit en die aan wegvoertuigen wordt geleverd, volledig als hernieuwbare elektriciteit beschouwd. Op dezelfde manier wordt elektriciteit die verkregen wordt via langlopende stroomafnameovereenkomsten voor hernieuwbare elektriciteit, volledig als hernieuwbare elektriciteit beschouwd. Hoe dan ook wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.
Amendement 225
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 3 – alinea 3 – letter a – alinea 1
Wanneer elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, hetzij rechtstreeks of voor de productie van tussenproducten, kan of het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie of het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen. In beide gevallen wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.
Wanneer elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, hetzij rechtstreeks of voor de productie van tussenproducten, kan het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen. Een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong wordt geschrapt.
Amendement 226
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 4 – alinea 1
De lidstaten zetten een databank op die het mogelijk maakt transportbrandstoffen te volgen die in aanmerking komen om te worden meegeteld bij de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde teller en eisen dat de betrokken marktdeelnemers informatie invoeren over de transacties en de duurzaamheidskenmerken van de in aanmerking komende brandstoffen, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot aan de brandstofleverancier die de brandstof op de markt brengt.
De Commissie zet een Uniedatabank op die het mogelijk maakt transportbrandstoffen, waaronder elektriciteit, te volgen die in aanmerking komen om te worden meegeteld bij de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde teller. De lidstaten eisen van de betrokken marktdeelnemers dat zij informatie invoeren over de transacties en de duurzaamheidskenmerken van de in aanmerking komende brandstoffen, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot aan de brandstofleverancier die de brandstof op de markt brengt.
Amendement 227
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 4 – alinea 3
De nationale databanken worden onderling met elkaar verbonden zodat brandstoftransacties tussen lidstaten kunnen worden gevolgd. Om ervoor te zorgen dat de nationale databanken compatibel zijn, stelt de Commissie technische specificaties met betrekking tot hun inhoud en gebruik vast door overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast te stellen.
De Commissie stelt technische specificaties met betrekking tot hun inhoud en gebruik vast door overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast te stellen.
Amendement 228
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 5
5.  De lidstaten brengen verslag uit over de geaggregeerde gegevens uit de nationale databanken, met inbegrip van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de brandstoffen, overeenkomstig bijlage VII van Verordening [governance].
5.  De lidstaten brengen verslag uit over de geaggregeerde gegevens, met inbegrip van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de brandstoffen, overeenkomstig bijlage VII bij Verordening ... van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)]. De Commissie publiceert op jaarbasis geaggregeerde gegevens uit de databank.
Amendement 229
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 6
6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 3, onder b), van dit artikel bedoelde methodologie nader te specifieren ter bepaling van het aandeel biobrandstoffen uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, ter specificering van de methodologie voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen, en ter bepaling van de minimumreductie van broeikasgasemissies nodig voor deze brandstoffen voor de toepassing van lid 1 van deze richtlijn.
6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn aan te vullen door de in lid 3, onder b), van dit artikel bedoelde methodologie nader te specificeren ter bepaling van het aandeel biobrandstoffen uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, ter specificering van de methodologie voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en koolstofarme fossiele brandstoffen, die worden verkregen uit afgas dat ontstaat als het onvermijdelijke en onbedoelde nevenproduct van de vervaardiging of productie van voor commercieel gebruik en/of verkoop bestemde producten, en ter bepaling van de minimumreductie van broeikasgasemissies nodig voor deze brandstoffen voor de toepassing van lid 1 van dit artikel.
Amendement 230
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 7
7.  Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in de context van de tweejaarlijkse beoordeling van de in het kader van Verordening [governance] geboekte voortgang, of de in lid 1 bedoelde verplichting daadwerkelijk innovatie stimuleert en de reductie van broeikasgasemmissies in de vervoerssector bevordert en of de toepasselijke vereisten inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen en biogassen passend zijn. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de in lid 1 bedoelde verplichting.
7.  Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in de context van de tweejaarlijkse beoordeling van de in het kader van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] geboekte voortgang, of de in lid 1 bedoelde verplichting daadwerkelijk innovatie stimuleert en de reductie van broeikasgasemissies in de vervoerssector waarborgt en of de toepasselijke vereisten inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen en biogassen passend zijn. Bij deze beoordeling wordt ook nagegaan of met de bepalingen van dit artikel inderdaad wordt voorkomen dat hernieuwbare energie dubbel wordt geteld. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de in lid 1 bedoelde verplichting. De gewijzigde verplichtingen handhaven ten minste de niveaus die overeenkomen met de capaciteit voor geavanceerde biobrandstoffen die in 2025 reeds geïnstalleerd of in aanbouw is.
Amendement 231
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
1.  Energie uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 en aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7:
1.  Ongeacht of de grondstoffen werden geteeld op het grondgebied van de Unie of daarbuiten, wordt energie uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 en aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7:
Amendement 232
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 1 – letter c
c)  het in aanmerking komen voor financiële steun voor het verbruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
c)  het in aanmerking komen voor financiële steun, met inbegrip van fiscale prikkels, voor het verbruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
Amendement 323
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 2
Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid alleen te voldoen aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7. Deze bepaling is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid alleen te voldoen aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7. Bij de productie ervan uit afvalstoffen en residuen die onder Richtlijn 2008/98/EG vallen, wordt evenwel het beginsel van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG in acht genomen. Deze bepaling is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
Amendement 234
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
Uit afval en residuen van landbouwgrond geproduceerde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden als bedoeld onder a), b) en c), van dit lid wanneer de beheerders maatregelen hebben genomen om negatieve gevolgen voor de bodemkwaliteit en de koolstof in de bodem tot een minimum te beperken. Informatie over deze maatregelen wordt overeenkomstig artikel 27, lid 3, bekendgemaakt.
Amendement 235
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 3
Biomassabrandstoffen hoeven alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de leden 2 tot en met 7 indien zij worden gebruikt in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling of brandstoffen, met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer in het geval van vaste biomassabrandstoffen, of met een elektrische capaciteit van 0,5 MW of meer in het geval van gasvormige biomassabrandstoffen. De lidstaten kunnen de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie toepassen op installaties met een lagere brandstofcapaciteit.
Biomassabrandstoffen hoeven alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de leden 2 tot en met 7 indien zij worden gebruikt in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling of brandstoffen, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer in het geval van vaste biomassabrandstoffen, of met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 2 MW of meer in het geval van gasvormige biomassabrandstoffen. De lidstaten kunnen de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie toepassen op installaties met een lagere brandstofcapaciteit.
Amendement 236
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis)  bos met grote biodiversiteit en andere beboste grond die rijk is aan soorten en niet is aangetast, of die door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grond met grote biodiversiteit, tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft op die natuurbeschermingsdoeleinden;
Amendement 237
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 2 – letter c – inleidende formule
c)  grasland met grote biodiversiteit van meer dan een hectare dat:
c)  grasland met grote biodiversiteit, met inbegrip van beboste weiden en weilanden, dat:
Amendement 238
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 2 – letter c – punt ii
ii)  niet-natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden grasland te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast en door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grasland met grote biodiversiteit, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland met grote biodiversiteit.
ii)  niet-natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden grasland te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast of door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grasland met grote biodiversiteit, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland met grote biodiversiteit.
Amendement 239
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 4
4.  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden, genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was.
4.  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden, genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was, tenzij door verifieerbaar bewijs wordt aangetoond dat de teelt en het oogsten van grondstoffen geen ontwatering van een voorheen niet-ontwaterde bodem met zich meebrengt.
Amendement 240
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 5
5.  De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), voldoen aan de volgende eisen om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa tot een minimum te beperken:
5.  De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), voldoen aan de volgende eisen om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa tot een minimum te beperken:
a)  in het land waar de bosbiomassa is geoogst, is nationale en/of subnationale wetgeving van kracht die van toepassing is op de oogst, alsmede monitoring- en handhavingssystemen die ervoor zorgen dat:
a)  in het land waar de bosbiomassa is geoogst, is nationale en/of subnationale wetgeving van kracht die van toepassing is op de oogst, alsmede monitoring- en handhavingssystemen die ervoor zorgen dat:
i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning binnen in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte grenzen;
i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning of een gelijkwaardig bewijs van het wettelijk recht om te oogsten binnen de in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte nationale of regionale grenzen;
ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;
ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;
iii)  gebieden met een hoge instandhoudingswaarde, met inbegrip van watterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;
iii)  gebieden die bij internationale of nationale wetgeving of door de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn aangewezen ter bevordering van het behoud van de biodiversiteit of met het oog op de instandhouding van de natuur, met inbegrip van waterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;
iv)  de gevolgen van het oogsten van bossen op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit tot een minimum worden beperkt; en
iv)  het oogsten op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit in stand worden gehouden, teneinde de nadelige effecten tot een minimum te beperken; en
v)  er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat;
v)  het oogsten de productiecapaciteit van het bos op lange termijn handhaaft of verbetert op landelijk of regionaal niveau;
b)  wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bosbedrijf beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat:
b)  wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bevoorradingsgebied aanvullende informatie over de wettigheid en over de bosbeheerpraktijken worden verstrekt om ervoor te zorgen dat:
i)  de bosbiomassa is geoogst op grond van een wettelijke vergunning;
i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning of een gelijkwaardig nationaal of regionaal bewijs van het wettelijk recht om te oogsten;
ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;
ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;
iii)  gebieden met een hoge instandhoudingswaarde, met inbegrip van veengebieden en waterrijke gebieden, worden geïdentificeerd en beschermd;
iii)  gebieden die bij internationale of nationale wetgeving of door de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn aangewezen ter bevordering van het behoud van de biodiversiteit of met het oog op de instandhouding van de natuur, met inbegrip van waterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;
iv)  de gevolgen van het oogsten van bossen op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit tot een minimum worden beperkt;
iv)   het oogsten op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit in stand worden gehouden; met inbegrip van de gebieden die deze gebieden omringen, op voorwaarde dat zij door het oogsten worden beïnvloed;
v)  er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat.
v)  het oogsten de productiecapaciteit van het bos op lange termijn handhaaft of verbetert op landelijk of regionaal niveau; en
vi)  in milieu- en natuurregels of ‑maatregelen is voorzien die stroken met de desbetreffende milieu- en natuurnormen van de Unie.
Amendement 241
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 6 – alinea 1 – punt ii
ii)  een nationaal vastgestelde bijdrage (Nationally Determined Contribution of NDC) voor het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) hebben ingediend, die betrekking heeft op emissies en verwijderingen van landbouw, bosbouw en landgebruik om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de koolstofvoorraad die verband houden met de oogst van biomassa worden verrekend in het in de NDC gespecificeerde streefcijfer van het land voor het terugdringen of beperken van broeikasgasemissies, of dat er nationale of subnationale wetgeving van kracht is, overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst van Parijs, die van toepassing is op het oogsten, met het oog op de instandhouding en de uitbreiding van koolstofvoorraden en -putten;
ii)  een nationaal vastgestelde bijdrage (Nationally Determined Contribution of NDC) voor het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) hebben ingediend, die betrekking heeft op emissies en verwijderingen van landbouw, bosbouw en landgebruik om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de koolstofvoorraad die verband houden met de oogst van biomassa worden verrekend in het in de NDC gespecificeerde streefcijfer van het land voor het terugdringen of beperken van broeikasgasemissies, of dat er nationale of subnationale wetgeving van kracht is, overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst van Parijs, en dat emissies van de sector landgebruik de verwijderingen niet overschrijden, hetgeen van toepassing is op het oogsten, met het oog op de instandhouding en de uitbreiding van koolstofvoorraden en -putten;
Amendement 242
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 6 – alinea 2
Wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bosbedrijf beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos worden gehandhaafd.
Wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bevoorradingsgebied beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos worden gehandhaafd of verhoogd.
Amendement 243
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 6 – alinea 3
De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, vaststellen hoe wordt aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de leden 5 en 6.
Uiterlijk op 1 januari 2021 stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, vast hoe wordt aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de leden 5 en 6.
Amendement 244
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 6 – alinea 4
Uiterlijk op 31 december 2023 beoordeelt de Commissie op basis van de beschikbare gegevens of de in de leden 5 en 6 bedoelde criteria op doeltreffende wijze het risico op het gebruik van niet-duurzame biomassa tot een minimum beperken en voldoen aan de eisen in het kader van LULUCF. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de eisen van de leden 5 en 6.
Uiterlijk op 31 december 2023 beoordeelt de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, op basis van de beschikbare gegevens of de in de leden 5 en 6 bedoelde criteria op doeltreffende wijze het risico op het gebruik van niet-duurzame biomassa tot een minimum beperken en voldoen aan de eisen in het kader van LULUCF. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de eisen van de leden 5 en 6 voor de periode na 2030.
Amendement 245
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – letter a
a)  ten minste 50 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015;
a)  ten minste 50 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015;
Amendement 246
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – letter b
b)  ten minste 60 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel werden vanaf 5 oktober 2015;
b)  ten minste 60 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel werden vanaf 5 oktober 2015;
Amendement 247
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – letter c
c)  ten minste 70 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021;
c)  ten minste 65 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021;
Amendement 248
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – letter d
d)  ten minste 80 % voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021, en ten minste 85 % voor installaties die operationeel worden na 1 januari 2026.
d)  ten minste 70 % voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021, en ten minste 80 % voor installaties die operationeel worden na 1 januari 2026.
Amendement 249
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten kunnen hogere broeikasgasemissiereducties vaststellen dan bepaald in dit lid.
Amendementen 297 en 356
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 8 – alinea 1
Elektriciteit uit biomassabrandstoffen die wordt geproduceerd in installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, wordt alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c) indien zij is geproduceerd aan de hand van hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie als omschreven in artikel 2, lid 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), is deze bepaling alleen van toepassing op installaties die na [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] van start gaan. Voor de toepassing van lid 1, onder c), laat deze bepaling de overheidssteun die wordt verleend in het kader van regelingen die uiterlijk op [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] worden goedgekeurd, onverlet.
Elektriciteit uit biomassabrandstoffen die wordt geproduceerd in installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, wordt alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c) van dit artikel indien zij is geproduceerd aan de hand van hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie als omschreven in artikel 2, lid 34, van Richtlijn 2012/27/EU, of is geproduceerd in installaties voor alleen elektriciteit die een netto elektrische efficiëntie behalen van ten minste 40 % en geen gebruik maken van fossiele brandstoffen. Voor de toepassing van lid 1, onder a) en b) van dit artikel, is deze bepaling alleen van toepassing op installaties die na [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] van start gaan. Voor de toepassing van lid 1, onder c) van dit artikel, laat deze bepaling de overheidssteun die wordt verleend in het kader van regelingen die uiterlijk op [1 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] worden goedgekeurd, onverlet.
Amendement 251
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 8 – alinea 2 bis (nieuw)
De eerste alinea is niet van toepassing op elektriciteit die is geproduceerd in installaties waarvoor niet de verplichting geldt om overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad1 bis hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie toe te passen, op voorwaarde dat deze installaties uitsluitend gebruikmaken van biomassabrandstoffen geproduceerd uit residuen onder normale bedrijfsomstandigheden.
____________________
1 bis Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
Amendement 252
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.  De Commissie brengt uiterlijk … [2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en daarna om de twee jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de effecten en voordelen van in de Unie verbruikte biobrandstoffen, onder meer over de productie van voedsel en diervoeder en andere materialen, en de economische, sociale en milieuduurzaamheid, zowel binnen de Unie als in derde landen.
Amendement 253
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 8 ter (nieuw)
8 ter.  In afwijking van de leden 1 tot en met 8 bis van dit artikel, en rekening houdend met de bijzonderheden van de ultraperifere gebieden als vastgesteld in artikel 349 VWEU, is artikel 26 van deze richtlijn niet van toepassing op die gebieden. Uiterlijk ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel voor waarin voor de ultraperifere gebieden criteria worden vastgesteld inzake de duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies. In deze criteria wordt rekening gehouden met de specifieke lokale kenmerken. De ultraperifere gebieden moeten met name het volledige potentieel van hun hulpbronnen kunnen benutten, met inachtneming van strikte duurzaamheidscriteria, teneinde de opwekking van hernieuwbare energie op te voeren en hun energieonafhankelijkheid te stimuleren.
Amendement 255
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 1 – letter a
a)  toelaat leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met verschillende duurzaamheidskenmerken en verschillende kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie te mengen, bijvoorbeeld in een container, verwerkings- of logistiekfaciliteit of transmissie- en distributie-infrastructuur of -locatie;
a)  toelaat leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met verschillende duurzaamheidskenmerken en verschillende kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie te mengen, bijvoorbeeld in een container, verwerkings- of logistiekfaciliteit of transmissie- en distributie-infrastructuur of -locatie, op voorwaarde dat elke levering op zichzelf voldoet aan de in artikel 26 vastgestelde vereisten, en dat er passende systemen voorhanden zijn om de naleving van de afzonderlijke leveringen te controleren en te meten;
Amendement 256
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Ter bevordering van de grensoverschrijdende handel en de informatieverstrekking aan consumenten, bevatten de garanties van oorsprong voor in het net geïnjecteerde hernieuwbare energie informatie over de duurzaamheidscriteria en de broeikasgasemissiereducties als omschreven in artikel 26, leden 2 tot en met 7, en kunnen zij afzonderlijk worden overgedragen.
Amendement 257
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 2 – letter a
a)  als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheidskenmerken en kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, en de massa van de grondstof vóór verwerking;
a)  als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheidskenmerken en kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, en de massa van de grondstof vóór verwerking, op voorwaarde dat elke levering waaruit het mengsel is samengesteld aan de vereisten van artikel 26 voldoet;
Amendement 258
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 3
3.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktpartijen betrouwbare informatie over de naleving van de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van artikel 26, leden 2 tot en met 7, indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten verplichten de marktpartijen om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de door hen ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktpartijen gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en bestand zijn tegen fraude. Voorts wordt ook de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en wordt de robuustheid van de gegevens beoordeeld.
3.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktpartijen betrouwbare informatie over de naleving van de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van artikel 26, leden 2 tot en met 7, indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten verplichten de marktpartijen om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de door hen ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktpartijen gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en bestand zijn tegen fraude, met inbegrip van een controle om te waarborgen dat materialen niet opzettelijk worden gewijzigd of verwijderd, opdat de levering of een deel ervan overeenkomstig artikel 26, leden 2 tot en met 7, een afvalstof of residu kan worden. Voorts wordt ook de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en wordt de robuustheid van de gegevens beoordeeld.
Amendement 259
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 3 – alinea 2
De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de biobrandstoffen, de vloeibare biomassa en de biomassabrandstoffen in de Unie geproduceerd dan wel ingevoerd zijn.
De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de biobrandstoffen, de vloeibare biomassa en de biomassabrandstoffen in de Unie geproduceerd dan wel ingevoerd zijn. Informatie betreffende de geografische oorsprong van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voor de consumenten beschikbaar gesteld.
Amendement 260
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 4
4.  De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 26, lid 7, en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 26, leden 2 tot en met 6, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. Om aan te tonen dat is voldaan aan de eisen van artikel 26, leden 5 en 6, voor bosbiomassa, kunnen de marktpartijen beslissen het vereiste bewijs rechtstreeks op het niveau van het bosbedrijf te verstrekken. Voor de toepassing van artikel 26, lid 2, onder b), ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de International Union for the Conservation of Nature.
4.  De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 26, lid 7, en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 26, leden 2 tot en met 6, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. Om aan te tonen dat is voldaan aan de eisen van artikel 26, leden 5 en 6, voor bosbiomassa, kunnen de marktpartijen beslissen het vereiste bewijs rechtstreeks op het niveau van het bevoorradingsgebied te verstrekken. Voor de toepassing van artikel 26, lid 2, onder b), ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de International Union for the Conservation of Nature.
Amendement 261
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 5 – alinea 3
Om ervoor te zorgen dat op een efficiënte en geharmoniseerde manier wordt gecontroleerd of de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden nageleefd, en met name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie uitvoeringsbepalingen, met inbegrip van passende normen voor betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing, vaststellen en alle vrijwillige systemen ertoe verplichten die normen toe te passen. Bij het bepalen van die normen besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de noodzaak om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige systemen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige systemen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd.
Om ervoor te zorgen dat op een efficiënte en geharmoniseerde manier wordt gecontroleerd of de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden nageleefd, en met name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie uitvoeringsbepalingen, met inbegrip van passende normen voor betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing, vaststellen en alle vrijwillige systemen ertoe verplichten die normen toe te passen. Bij het bepalen van die normen besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de noodzaak om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige systemen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige systemen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd. Indien een lidstaat zijn bezorgdheid uit over de werking van een vrijwillig systeem, onderzoekt de Commissie deze kwestie en neemt zij passende maatregelen.
Amendement 262
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.  De Commissie kan op elk moment de betrouwbaarheid controleren van de informatie inzake de naleving van de duurzaamheidscriteria of de broeikasgasemissiereductie die door op de markt van de Unie actieve marktpartijen wordt verstrekt, ook op verzoek van een lidstaat.
Amendement 263
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Grondstoffen waarvan de productie heeft geleid tot directe veranderingen in het landgebruik, zoals een verandering van een van de volgende IPCC-categorieën van landgebruik: van bosland, grasland, waterrijke gebieden, woongebieden of overig land, in akkerland of land voor vaste gewassen, en waarbij de emissiewaarde ten gevolge van directe veranderingen in het landgebruik (el) wordt berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage V, worden geacht een geraamde emissie ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik te hebben ter waarde van nul.
Amendement 264
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 2
2.  De lidstaten kunnen bij de Commissie verslagen indienen met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen van de gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad als niveau 2 in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("NUTS") dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld. De verslagen gaan vergezeld van een beschrijving van de methode en de gegevensbronnen die zijn gebruikt om het niveau van de emissies te berekenen. Die methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.
2.  De lidstaten kunnen bij de Commissie verslagen indienen met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouw- en bosbouwgrondstoffen van de gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad als niveau 2 in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("NUTS") dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld. De verslagen gaan vergezeld van een beschrijving van de methode en de gegevensbronnen die zijn gebruikt om het niveau van de emissies te berekenen. Die methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.
Amendement 265
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 4
4.  De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouwgrondstoffen voor biomassabrandstoffen die in de in die verslagen opgenomen gebieden wordt geproduceerd voor de doeleinden van artikel 26, lid 7. Die gegevens mogen dan ook worden gebruikt in de plaats van de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt als vastgelegd in deel D of E van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in deel C van bijlage VI voor biomassabrandstoffen.
4.  De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouw- en bosbouwgrondstoffen voor biomassabrandstoffen die in de in die verslagen opgenomen gebieden worden geproduceerd voor de doeleinden van artikel 26, lid 7. Die gegevens mogen dan ook worden gebruikt in de plaats van de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt als vastgelegd in deel D of E van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in deel C van bijlage VI voor biomassabrandstoffen.
Amendement 266
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 5 – alinea 1
De Commissie evalueert regelmatig de bijlagen V en VI, met het oog op de toevoeging of de herziening van waarden voor productieketens voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, en in bijlage VI, deel B, vastgestelde methode in overweging genomen.
De Commissie evalueert regelmatig de bijlagen V en VI, met het oog op de toevoeging of de herziening van waarden voor productieketens voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen op basis van de laatste technologische ontwikkelingen en wetenschappelijke bewijzen. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, en in bijlage VI, deel B, vastgestelde methode in overweging genomen.
Amendement 267
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 30 – lid 1
1.  De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de in de Unie verbruikte biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en analyseert de gevolgen van de productie ervan, met inbegrip van de gevolgen van verdringingseffecten, voor het landgebruik in de Unie en de belangrijkste derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen van de lidstaten, zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening [governance], en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid.
1.  De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de biobrandstoffen en vloeibare biomassa, en in de Unie verbruikte biomassabrandstoffen, alsook op de gevolgen van de productie van hernieuwbare energie uit deze en andere bronnen, met inbegrip van de gevolgen van verdringingseffecten, voor het landgebruik in de Unie en de derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen van de lidstaten, zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)], en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies, satellietobservatiegegevens en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid en voor concurrerend gebruik van materialen.
Amendement 268
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 32 – lid 2
2.  De in artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 2021.
2.  De in artikel 7, lid 3, artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 2021.
Amendement 269
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 32 – lid 3 – alinea 1
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 3, artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 270
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I bis (nieuw)
Bijlage I bis
1.   De streefcijfers van de lidstaten voor 2030 zijn gelijk aan de som van de volgende componenten, elk uitgedrukt in procentpunten:
a)   het nationale bindende streefcijfer van de lidstaat voor 2020 als opgenomen in bijlage I;
b)   een forfaitaire bijdrage ("CFlat");
c)   een op het bbp per hoofd van de bevolking gebaseerde bijdrage ("CGDP");
d)   een op het potentieel gebaseerde bijdrage ("CPotential");
e)   een bijdrage die de interconnectiegraad van de lidstaat weergeeft ("CInterco").
2.   CFlat is hetzelfde bedrag voor elke lidstaat. De som van de CFlat-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.
3.   De CGDP-bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van een index van het bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de Unie, waarbij de index voor elke lidstaat afzonderlijk maximaal 150 % van het gemiddelde van de Unie bedraagt. De som van de CGDP-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.
4.   De CPotential -bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van het verschil tussen het aandeel hernieuwbare energiebronnen (HEB) van een lidstaat in 2030 zoals blijkt uit het Primes EUCO3535-scenario en het nationale bindende streefcijfer van die lidstaat voor 2020. De som van de CPotential-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.
5.  De CInterco-bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van een index van het aandeel elektriciteitsinterconnecties ten opzichte van het gemiddelde van de Unie, waarbij de index van het aandeel interconnecties voor elke lidstaat afzonderlijk maximaal 150 % van het gemiddelde van de Unie bedraagt. De som van de CInterco-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 10 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.
Amendement 271
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – Deel C – lid 3 – letter a – formule
REDUCTIE = (E F(t) – E B /E F(t))
REDUCTIE = (E F(t) – E B) /E F(t)
Amendement 272
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – Deel C – lid 15
15.  Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr, die rechtstreeks verband houdt met de productie van biobrandstoffen of vloeibare biomassa waaraan deze wordt toegeschreven, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt in de sectoren energie en vervoer.
15.  Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om de in commerciële producten en diensten gebruikte CO2 uit fossiele brandstoffen te vervangen.
Amendement 319
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage VI – deel B – lid 3 – letter a – formule 1
REDUCTIE = (E­F(t) – EB(t)/ E­F(t)
REDUCTIE = (E­F(t) – EB(t))/ E­F (t)
Amendement 273
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage VII – alinea 1 – streepje 1
—  Qusable = de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt afgeleverd door warmtepompen die aan de in artikel 7, lid 4, bedoelde criteria voldoen, als volgt ten uitvoer gelegd: enkel warmtepompen waarvoor SPF > 1,15 * 1/η worden in aanmerking genomen;
—  Qusable = de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt afgeleverd door warmtepompen voor de productie van verwarming en koeling die aan de in artikel 7, lid 4, bedoelde criteria voldoen, als volgt ten uitvoer gelegd: enkel warmtepompen waarvoor SPF > 1,15 * 1/η worden in aanmerking genomen;
Amendement 274
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IX – Deel A – letter b
b)  De biomassafractie van gemengd stedelijk afval, maar niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/98/EG.
Schrappen
Amendementen 284 en 311
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IX – Deel B – letter c
c)  Melasse verkregen als bijproduct bij de raffinage van suikerriet of suikerbieten, op voorwaarde dat er is voldaan aan de hoogste industrienormen voor de extractie van suiker.  
Schrappen
Amendement 312
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage X – deel A
Deel A: [...]
Schrappen

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0392/2017).

Laatst bijgewerkt op: 27 september 2018Juridische mededeling