Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2039(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0406/2017

Ingediende teksten :

A8-0406/2017

Debatten :

PV 17/01/2018 - 17
CRE 17/01/2018 - 17

Stemmingen :

PV 18/01/2018 - 6.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0018

Aangenomen teksten
PDF 236kWORD 65k
Donderdag 18 januari 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
De uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten
P8_TA(2018)0018A8-0406/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten (2017/2039(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2015/779 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013, inzake een aanvullend initieel voorfinancieringsbedrag dat wordt uitgekeerd aan door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma's(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 over de invoering van een jongerengarantie(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer van maart 2015 getiteld "De EU‑jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet",

–  gezien speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer van maart 2017 getiteld: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU‑garantieregelingen voor jongeren(4),

–  gezien de grondige analyse van zijn beleidsondersteunende afdeling Begrotingszaken van 3 februari 2016 getiteld "Assessment of Youth Employment Initiative",

–  gezien het voorstel van de Commissie van 10 juni 2016 voor een aanbeveling van de Raad tot invoering van een vaardighedengarantie (COM(2016)0382),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 over het initiatief "Kansen voor jongeren"(5),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages,

–  gezien het Europees Sociaal Handvest, het bijkomende protocol hierbij en de herziene versie ervan, die in werking is getreden op 1 juli 1999,

–  gezien de door de VN in 2015 aangenomen duurzameontwikkelingsdoelstellingen voor 2030 (SDG's), die wereldwijd, met inbegrip van de EU, van toepassing zijn, en met name SDG 8 betreffende de bevordering van "aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen",

–  gezien het verslag van Jean-Claude Juncker, in nauwe samenwerking met Donald Tusk, Jeroen Dijsselbloem, Mario Draghi en Martin Schulz, van 22 juni 2015 over de voltooiing van de economische en monetaire unie ("verslag van de vijf voorzitters"), de discussienota van de Commissie van 26 april 2017 over de sociale dimensie van Europa, de discussienota van de Commissie van 31 mei 2017 over de verdieping van de economische en monetaire unie, en het Witboek van de Commissie van 1 maart 2017 over de toekomst van Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Establishing a European Pillar of Social Rights" (COM(2017)0250) en Aanbeveling (EU) 2017/761 van de Commissie van 26 april 2017 over de Europese pijler van sociale rechten(6),

–  gezien de werkzaamheden en de onderzoeken die zijn uitgevoerd door Cedefop, de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) en het Europees Vakbondsinstituut (ETUI), de Europese ondernemingsorganisatie (BusinessEurope), de Europese Unie van het Ambacht en van het Midden- en Kleinbedrijf (UEAPME), het Europees Centrum van overheidsbedrijven (CEEP), Eurocities en het Europees Jeugdforum,

–  gezien de toespraak van voorzitter Juncker van 13 september 2017 over de staat van de Unie, de routekaart naar een meer verenigde, sterkere en democratischere Unie (ontwerp-werkprogramma van de Commissie tot eind 2018) en de intentieverklaring van de Commissie aan voorzitter Antonio Tajani en aan de premier van Estland, Jüri Ratas, van 13 september 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0406/2017),

A.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid door de financiële en economische crisis is gestegen van 15 % in 2008 tot een piek van 24 % begin 2013, maar dat dit gemiddelde enorme verschillen tussen lidstaten en regio's maskeert; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in 2013 in Duitsland, Oostenrijk en Nederland rond de 10 % bleef, terwijl die in Italië, Spanje, Kroatië en Griekenland piekte op bijna 40 % of ruim daarboven;

B.  overwegende dat is gebleken dat maatregelen om de overheidsuitgaven te beperken, rechtstreeks een negatieve impact op met name jongeren hebben als gevolg van besparingen op het gebied van onderwijs, het scheppen van banen en ondersteunende diensten;

C.  overwegende dat er beleidsmaatregelen zijn ontwikkeld die gevolgen hebben voor jongeren, zonder dat de betreffende jongeren en hun vertegenwoordigers daarbij betrokken werden;

D.  overwegende dat langdurige jeugdwerkloosheid ertoe kan leiden dat jongeren gemarginaliseerd en maatschappelijk uitgesloten worden, waardoor zij zich geïsoleerd voelen en een "brandmerkeffect" kan ontstaan, wat betekent dat er een grotere kans bestaat dat zij opnieuw werkloos raken, en geconfronteerd worden met lagere lonen en minder goede loopbaanvooruitzichten tijdens hun werkzame leven; overwegende dat een situatie waarin jongeren aan de kant worden geschoven een verlies aan publieke en private investeringen impliceert, hetgeen leidt tot een wijdverbreide jobonzekerheid en een achteruitgang van verworven vaardigheden, gezien het onbenutte en teruglopende menselijk kapitaal dat dit met zich meebrengt;

E.  overwegende dat in 2012 een op de drie Europese werknemers over- of ondergekwalificeerd was voor zijn of haar baan(7), en overwegende dat jongere werknemers over het algemeen vaker formeel overgekwalificeerd zijn, terwijl zij ook vaker dan oudere werknemers werkzaam zijn in banen die minder goed aansluiten bij hun vaardigheden;

F.  overwegende dat jonge werknemers een hoger risico lopen om in een onzekere baan terecht te komen; overwegende dat de kans om in een beroep met meervoudige nadelen terecht te komen voor werknemers jonger dan 25 jaar dubbel zo hoog is als voor werknemers van 50 jaar of ouder(8);

G.  overwegende dat een succesvolle overgang van school naar werk of van inactiviteit naar werk en het hebben van een eerste echte baan jongeren mondig maakt en motiveert, waarmee zij worden geholpen om hun persoonlijke en professionele vaardigheden te ontwikkelen zodat zij onafhankelijke burgers met zelfvertrouwen worden en hun loopbaan een goede start krijgt;

H.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de EU-28, na het bereiken van een piek van 24 % in 2013, gestaag is afgenomen tot minder dan 17 % in 2017; overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage hoog blijft, dat er slechts enkele lidstaten zijn (Oostenrijk, Tsjechië, Nederland, Malta, Hongarije en Duitsland) waarin het jeugdwerkloosheidspercentage minder dan 11 % bedraagt, en dat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten;

I.  overwegende dat uit een uitsplitsing naar geslacht van deeltijd- en voltijdbanen in Europa naar voren komt dat de genderkloof tussen 2007 en 2017 onveranderd is gebleven, aangezien mannen in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar nog steeds 60 % van de voltijdbanen bekleden, terwijl zij in dezelfde leeftijdsgroep rond 40 % van de deeltijdwerkers blijven uitmaken;

J.  overwegende dat, als statistisch gegeven, de jeugdwerkloosheid helaas over het algemeen tweemaal zo hoog is als de totale gemiddelde werkloosheid, zowel tijdens perioden van economische groei als tijdens recessies;

Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en jongerengarantie

K.  overwegende dat de Raad op 22 april 2013 middels een aanbeveling van de Raad een jongerengarantie heeft ingevoerd, waarmee de lidstaten zich ertoe verbinden jongeren binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een deugdelijk aanbod voor een baan, voortgezette scholing, een plaats in het leerlingstelsel of een stage aan te bieden;

L.  overwegende dat veel lidstaten, aangezien zij weinig succes hebben geboekt met de regelingen en mogelijkheden die tot nu toe beschikbaar waren in de strijd tegen jeugdwerkloosheid, meer aandacht moeten besteden aan de effectieve toepassing van de financiële middelen en instrumenten die beschikbaar zijn in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF);

M.  overwegende dat de Raad in februari 2013 besloot tot het lanceren van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, dat werd gelanceerd als het voornaamste begrotingsinstrument van de EU – gekoppeld aan het ESF– om regio's in lidstaten met een hoge jeugdwerkloosheid te helpen, in het bijzonder door de invoering van jongerengarantieregelingen;

N.  overwegende dat de jongerengarantie een EU-brede verbintenis inhoudt, terwijl het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gericht is op de lidstaten en regio's met een jeugdwerkloosheid van meer dan 25 %, waarvoor in totaal twintig lidstaten ofwel geheel, ofwel gedeeltelijk in aanmerking komen;

O.  overwegende dat met het oog op het snel beschikbaar maken van middelen de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor 2014 en 2015 vervroegd werd vastgelegd teneinde met de door het initiatief gefinancierde maatregelen een zo groot mogelijk effect te creëren; overwegende dat de vervroegde vastlegging op zichzelf tekortschoot als maatregel door vertragingen bij de tenuitvoerlegging op nationaal en regionaal niveau; overwegende dat het voorfinancieringspercentage in 2015 onder voorwaarden werd opgetrokken van 1 % tot 30 %, en dat de meeste beschikbare lidstaten deze maatregel met succes hebben toegepast;

P.  overwegende dat een belangrijke ambitie in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief erin bestaat jongeren te bereiken die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's), en die het hoogste risico op uitsluiting lopen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de aanduiding NEET's verschillende subgroepen van jongeren omvat die uiteenlopende behoeften hebben;

Q.  overwegende dat de jongerengarantie is ontworpen om NEET's duurzaam te laten integreren in de arbeidsmarkt door een geïndividualiseerde benadering aan te bieden die moet leiden tot een deugdelijk aanbod voor een baan en een grotere inzetbaarheid van jongeren, en, in een bredere context, om jongeren te ondersteunen bij de overgang van school naar werk en om discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden op de arbeidsmarkt te helpen aanpakken; overwegende dat gepaste bereikstrategieën van de lidstaten noodzakelijk zijn in dit verband;

R.  overwegende dat de IAO de kosten van de uitvoering van de jongerengarantie in de EU‑28 in 2015 schatte op 45 miljard EUR; overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de programmeringsperiode 2014-2020 over een bescheiden begroting van 6,4 miljard EUR kon beschikken, ter aanvulling van nationale financiering en niet ter vervanging daarvan;

S.  overwegende dat de Commissie in het kader van de herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2017-2020 heeft voorgesteld de begroting voor het jeugdwerkloosheidsinitiatief te verhogen met 1 miljard EUR, aangevuld met een bedrag van 1 miljard EUR aan ESF-vastleggingen; overwegende dat het Parlement en de Raad een akkoord hebben bereikt over de verhoging van dat bedrag tot 1,2 miljard EUR; overwegende dat het Parlement op 5 september 2017 zijn goedkeuring heeft gehecht aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, dat voorziet in een aanvullende toewijzing van 500 miljoen EUR aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2017, gefinancierd uit de overkoepelende marge voor vastleggingen, en dat het betreurt dat de begrotingsprocedure 2017 is vertraagd als gevolg van het blokkeren en de late goedkeuring door de Raad van de tussentijdse herziening van het MFK;

T.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar eerste speciaal verslag over de jongerengarantie haar zorgen uitsprak over de toereikendheid van de financiering (zowel op EU- als op nationaal niveau) van het initiatief, over de definitie van een "deugdelijk aanbod", over het gebrek aan een strategie met duidelijke mijlpalen en doelstellingen en over het toezicht op en de rapportage van de resultaten; overwegende dat de Rekenkamer ook bezorgdheid heeft geuit over de te beperkte toepassing van de partnerschapsbenadering, die werd opgenomen in de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013, bij de ontwikkeling van de jongerengarantie;

U.  overwegende dat er behoefte is aan daadwerkelijk doeltreffende mechanismen om de problemen bij de uitvoering van jongerengarantieregelingen te bespreken en op te lossen, alsook aan een sterk engagement van de lidstaten om de jongerengarantie volledig uit te voeren door het verbeteren van vaardigheden en de invoering van gepaste, flexibele evaluatiestructuren, met bijzondere aandacht voor de lokale omstandigheden;

V.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar speciaal verslag over de jongerengarantie een aantal gemeenschappelijke criteria heeft genoemd op grond waarvan kan worden bepaald wanneer er sprake is van een "deugdelijke aanbieding", waarbij zij heeft geconstateerd dat Slowakije een wettelijke bindende definitie kent die vereisten omvat met betrekking tot de minimale duur van de baan, duurzaamheid van de baan na beëindiging van de steun door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de inaanmerkingneming van de gezondheidstoestand van de begunstigde;

W.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar onlangs gepubliceerde tweede speciaal verslag over de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan de bevindingen zijn gebaseerd op een steekproef van zeven lidstaten, zich bezorgd toont over hoe moeilijk het is om toegang te krijgen tot de volledige gegevens en over de beperkte vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de jongerengarantie, met resultaten die achterblijven bij de aanvankelijke verwachtingen; overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie nog steeds behoren tot de meest innovatieve en ambitieuze beleidsreacties op de jeugdwerkloosheid ten gevolge van de economische crisis, en zij dus de komende jaren nog financieel en politiek ondersteund moeten worden door Europese, nationale en regionale instellingen;

X.  overwegende dat de kosteneffectiviteit van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het uiteindelijke doel van de jongerengarantie om jongeren duurzaam aan werk te helpen alleen kunnen worden verwezenlijkt als er naar behoren toezicht wordt gehouden op de activiteiten, op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, als de programma's resultaatgericht zijn, en als aanpassingen gebeuren wanneer maatregelen ondoeltreffend of te duur blijken te zijn;

Y.  overwegende dat meer inspanningen door de lidstaten vereist zijn voor een beleid dat speciaal gericht is op en steun biedt aan de jongeren die het verst van de arbeidsmarkt staan of daarvan volledig zijn uitgesloten, zoals jongeren met een handicap;

Z.  overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie een centrale rol zouden moeten spelen bij de verwezenlijking van de kernbeginselen van de Europese pijler van sociale rechten;

AA.  overwegende dat de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, in zijn toespraak van 2017 over de staat van de Unie geen gewag heeft gemaakt van de nog steeds alarmerend hoge jeugdwerkloosheid in Europa; overwegende dat de ondersteunende rol van de jongerengarantie bij het scheppen van banen is erkend in de intentieverklaring bij de toespraak over de staat van de Unie van 2017; overwegende dat de bestrijding van werkloosheid en in het bijzonder jeugdwerkloosheid een prioriteit moet blijven bij het optreden van de Unie;

AB.  overwegende dat er vertraging is geconstateerd bij betalingen aan jongeren in het kader van door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierde maatregelen, wat vaak het gevolg is van te late voorbereiding door de beheersinstanties of ontoereikende administratieve capaciteiten bij nationale of regionale instanties;

AC.  overwegende dat maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie, zoals stages of traineeships, de overgang naar de arbeidsmarkt dienen te vergemakkelijken en niet in de plaats mogen komen van reguliere arbeidscontracten;

AD.  overwegende dat onregelmatige arbeidsregelingen en het verzuim zich als werkloos te registreren de statistische gegevens over jonge vrouwen in plattelandsgebieden onnauwkeurig maken en ongelijkheden ten aanzien van hun pensioenen creëren; overwegende dat deze praktijk een negatieve invloed heeft op de gehele samenleving en met name op het welzijn van vrouwen, andere sociale verzekeringen, kansen met betrekking tot verandering van loopbaan en toekomstige arbeidsmogelijkheden;

AE.  overwegende dat 16 miljoen NEET's onder een jongerengarantieregeling vallen en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief rechtstreekse steun heeft verleend aan meer dan 1,6 miljoen jongeren in de EU;

AF.  overwegende dat de lidstaten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief meer dan 132 maatregelen ten aanzien van jongeren op de arbeidsmarkt hebben goedgekeurd;

AG.  overwegende dat 75 % van de totale begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is vastgelegd en dat 19 % reeds door de lidstaten is geïnvesteerd, waardoor het uitvoeringspercentage van de begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het hoogste van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) is;

AH.  overwegende dat uit diverse verslagen over het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief blijkt dat ondanks zorgen over de toereikendheid van de financiering en de ramingen van de in totaal noodzakelijke investeringen, de beschikbare middelen met succes worden afgestemd op de regionale vraag, doordat ze gericht worden ingezet voor specifieke regio's en doelgroepen;

AI.  overwegende dat de Commissie sinds de introductie van de Europese werkgelegenheidsstrategie in 1997 een reeks maatregelen heeft ondersteund om de arbeids- en onderwijsmogelijkheden van jongeren te verbeteren(9); overwegende dat de inspanningen van de EU zich sinds de crisis met name hebben gericht op de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

AJ.  overwegende dat de jongerengarantie wordt gefinancierd uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), de nationale begrotingen en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het directe aanbod van banen, leerling- en stageplaatsen of vervolgonderwijs voor de doelgroep van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de in aanmerking komende regio's kan financieren; overwegende ten slotte dat maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief geen vooraf bepaalde duur hebben, terwijl in het kader van de jongerengarantie binnen vier maanden een aanbod moet worden gedaan;

AK.  overwegende dat de jongerengarantie ertoe heeft geleid dat in de lidstaten structurele hervormingen zijn doorgevoerd, met name om het onderwijs- en opleidingsaanbod beter te laten aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt, om op die manier de doelstellingen van de jongerengarantie te verwezenlijken;

AL.  overwegende dat externe factoren, zoals de specifieke economische situatie of het productiemodel van de betreffende regio, van invloed zijn op de verwezenlijking van de in het kader van de jongerengarantie gestelde doelen;

Inleiding

1.  meent dat de jongerengarantie een eerste stap moet zijn in de richting van de behoeften van jongeren op het gebied van werkgelegenheid; herinnert eraan dat werkgevers de plicht hebben om mee te werken aan het bieden van toegankelijke beroepsopleidingsprogramma's, startersbanen en hoogwaardige stages aan jongeren;

2.  benadrukt dat het kwalitatieve aspect van fatsoenlijk werk voor jongeren in geen geval in de verdrukking mag komen; onderstreept dat de fundamentele arbeidsnormen en andere normen met betrekking tot de kwaliteit van werk, zoals werktijden, minimumloon, sociale zekerheid en gezondheid en veiligheid op het werk, centrale uitgangspunten moeten blijven van alle geleverde inspanningen;

3.  wijst op de aanzienlijke verschillen tussen de economische prestaties op het gebied van economische en werkgelegenheidsgroei in de EU‑28, hetgeen een krachtig beleidsantwoord vereist; erkent dat bepaalde lidstaten achterblijven bij de uitvoering van de nodige structurele hervormingen; merkt op dat banen worden gecreëerd door middel van deugdelijk economisch beleid en arbeidsmarkt- en investeringsbeleid, wat uiteindelijk verantwoordelijkheden van de lidstaten zijn; maakt zich zorgen over de langetermijneffecten op de economische ontwikkeling van regio's die te maken hebben met een braindrain van hoogopgeleiden;

4.  herinnert eraan dat in de uitvoeringsvoorschriften van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt bepaald dat de lidstaten moeten kiezen uit verschillende manieren om het programma uit te voeren (als exclusief programma, als prioritaire pijlers binnen een bestaand operatief programma of als onderdeel van verschillende prioritaire pijlers); wijst erop dat er, gezien de verschillende manieren waarop het programma kan worden uitgevoerd en op basis van de verkregen resultaten, goede werkwijzen moeten worden uitgewisseld met het oog op hun opneming in toekomstige etappes van het programma;

5.  neemt met bezorgdheid kennis van speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer, waarin wordt gesteld dat het risico bestaat dat Europese middelen de nationale financiering gewoonweg vervangen, zonder meerwaarde op te leveren; herinnert eraan dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, in lijn met het additionaliteitsbeginsel, tot doel heeft een aanvulling te vormen op de nationale financiering, en niet in de plaats te komen van het beleid en de middelen van de lidstaten zelf om jeugdwerkloosheid te bestrijden; benadrukt dat de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontoereikend is om de ambitie waar te maken om alle jongeren binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een deugdelijk aanbod voor een baan, voortgezet onderwijs, plaats in het leerlingstelsel of stageplaats te doen, en dat dit ook nooit de bedoeling is geweest;

6.  benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met name als een motor moet fungeren voor beleidshervormingen en betere coördinatie op de gebieden van werkgelegenheid en onderwijs, met name in lidstaten met een hoge jeugdwerkloosheid, om ervoor te zorgen dat die lidstaten geïntegreerde, alomvattende en langetermijnbenaderingen voor het aanpakken van jeugdwerkloosheid invoeren die de inzetbaarheid van jongeren vergroten, die jongeren betere kansen bieden en die leiden tot duurzame werkgelegenheid, in plaats van een reeks gefragmenteerde (bestaande) beleidsmaatregelen; is van oordeel dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie krachtige instrumenten zijn in de strijd tegen de sociale uitsluiting van de meest kansarme jongeren; is van mening dat het belangrijk is te werken aan het realiseren van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, schooluitval en sociale uitsluiting;

7.  herinnert eraan dat er, naar aanleiding van de aanbevelingen van de Raad over de oprichting van de jongerengarantie, zes aandachtsgebieden zijn vastgesteld waarop de regelingen van de jongerengarantie moeten worden gebaseerd: ontwikkeling van op partnerschap gebaseerde benaderingen, vroegtijdige interventie en activering, ondersteunende maatregelen met het oog op integratie in de arbeidsmarkt, gebruik van EU-fondsen, beoordeling en voortdurende verbetering van de regeling, en snelle uitvoering ervan; wijst erop dat, volgens de evaluatieverslagen, heel weinig lidstaten gegevens en volledige evaluaties hebben verschaft over deze aspecten;

8.  benadrukt dat er meer geïnvesteerd moet worden in zowel de binnenlandse mobiliteit alsook in de grensoverschrijdende mobiliteit om het werkloosheidspercentage onder jongeren te verlagen en discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aan te pakken; vraagt om vraag en aanbod van werk en vaardigheden beter op elkaar af te stemmen door de mobiliteit tussen (grensoverschrijdende) regio's te faciliteren; erkent dat de lidstaten bijzondere aandacht moeten besteden aan een betere aansluiting tussen de onderwijssystemen en de arbeidsmarkt in grensoverschrijdende regio's, bijvoorbeeld door onderwijs in de buurtalen te stimuleren;

9.  herinnert eraan dat de hoge jeugdwerkloosheid onder meer wordt veroorzaakt door: de gevolgen van de mondiale economische crisis voor de arbeidsmarkt, voortijdig schoolverlaten zonder toereikende kwalificaties, het gebrek aan passende capaciteiten en aan werkervaring, de tendens van onzekere, kortdurende arbeidsvormen die worden gevolgd door perioden van werkloosheid, beperkte opleidingsmogelijkheden en ontoereikende of ongeschikte actieve arbeidsmarktprogramma's;

10.  vindt dat het toezicht op de jongerengarantie op geloofwaardige gegevens moet stoelen; acht de toezichtsgegevens en ‑resultaten die momenteel beschikbaar zijn onvoldoende voor een algemene beoordeling van de uitvoering en resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief als het voornaamste financieringsvehikel van de EU voor jongerengarantieregelingen, wat in het bijzonder te wijten is aan de initiële vertraging bij het opstarten van operationele programma's door de lidstaten en het feit dat die programma's zich nog in een relatief vroege fase bevinden; hamert erop dat het aanpakken van jeugdwerkloosheid een prioriteit moet blijven bij het optreden van de Unie; is evenwel bezorgd over de bevindingen in het laatste verslag van de Rekenkamer over het effect van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie als EU-beleidsmaatregelen om de jeugdwerkloosheid aan te pakken, rekening houdend met de beperkte territoriale en temporele reikwijdte ervan;

11.  is van mening dat een strategie voor de heropleving van de werkgelegenheid voor jongeren, wil deze daadwerkelijk effectief zijn, moet voorzien in rondetafeldiscussies met belanghebbende partijen, met inachtneming van de territoriale context waarin de strategie moet worden toegepast, en moet voorzien in gerichte opleidingen die beantwoorden aan wat de bedrijfswereld nodig heeft maar ook rekening houden met de ambities en vaardigheden van jongeren; benadrukt dat deze strategie moet zorgen voor kwalitatief hoogstaande opleidingen en volledige transparantie bij de toewijzing van middelen aan opleidingsinstanties, onder meer door een strikt toezicht op de besteding van deze middelen;

12.  betreurt dat de lidstaten hebben besloten zich alleen tot het niet-bindende instrument te verbinden waarin de aanbeveling van de Raad voorziet; wijst erop dat het doel van de jongerengarantie in tal van lidstaten bij lange na niet is bereikt;

De meest achtergestelde jongeren bereiken

13.  wijst op het risico dat jongeren met een handicap noch onder het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief noch onder de jongerengarantie vallen; roept de Commissie en de lidstaten op hun operationele programma's aan te passen om ervoor te zorgen dat de maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie daadwerkelijk toegankelijk zijn voor alle personen met een handicap teneinde gelijke toegang voor gehandicapte jongeren te bieden, en in specifieke behoeften te voorzien;

14.  benadrukt dat het bereiken van NEET's krachtige en aanhoudende inspanningen door nationale autoriteiten alsmede sectoroverstijgende samenwerking vereist, aangezien de NEET's een heterogene groep vormen met uiteenlopende behoeften en vaardigheden; benadrukt dat nauwkeurigere en bredere gegevens over de gehele NEET-populatie nodig zijn opdat zij kunnen worden geregistreerd en doeltreffender kunnen worden bereikt, aangezien doelgroepen aan de hand van meer uitgesplitste gegevens beter kunnen worden afgebakend en initiatieven met betrekking tot werkgelegenheid beter kunnen worden afgestemd op de ontvangers;

15.  is van mening dat de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet ter vervanging mogen dienen van de toepassing van macro-economische instrumenten en van ander beleid ter bevordering van de jeugdwerkgelegenheid; wijst erop dat het bij de beoordeling van de uitvoering en de invloed van de garantie belangrijk is rekening te houden met de verschillende begrotings- en macro-economische omstandigheden in de lidstaten; is van mening dat het belangrijk is een structurele hervorming van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de lange termijn uit te stippelen indien de duur van het programma verlengd wordt; betoogt dat er duidelijk behoefte bestaat aan een betere coördinatie tussen de verschillende lidstaten;

16.  spreekt zijn steun uit voor de ontwikkeling van centrale loketten om ervoor te zorgen dat alle diensten en vormen van begeleiding voor jongeren gemakkelijk en kosteloos toegankelijk en beschikbaar zijn op één plek;

17.  maakt zich zorgen over eerste waarnemingen waaruit blijkt dat er verbeteringen nodig zijn op het gebied van de registratie en het bereiken van alle NEET's, in het bijzonder diegenen die moeilijk re-integreerbaar blijken; roept de lidstaten op om passende en op maat gesneden strategieën in te voeren om alle NEET's te bereiken en om een geïntegreerde aanpak te hanteren om meer geïndividualiseerde ondersteuning en diensten beschikbaar te maken voor jongeren die met meerdere belemmeringen kampen; dringt er bij de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan de behoeften van kwetsbare NEET's en om vooringenomenheid en negatieve houdingen ten opzichte van hen uit te bannen;

18.  benadrukt dat het noodzakelijk is maatregelen af te stemmen op de lokale behoeften om hun effect te vergroten; roept de lidstaten op om bijzondere maatregelen met betrekking tot jongerenwerkgelegenheid in te voeren in landelijke gebieden;

19.  verzoekt de lidstaten om snel te zorgen voor een betere voorlichting over de bestaande steunprogramma's voor jongeren, met name voor de groepen die het verst van de arbeidsmarkt staan, aan de hand van bewustmakingscampagnes via zowel traditionele als moderne mediakanalen zoals sociale netwerken;

Waarborging van de kwaliteit van aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief

20.  neemt kennis van de oproep om de term "deugdelijk aanbod" te definiëren; benadrukt de noodzaak om een alomvattende en algemeen aanvaarde definitie uit te werken, waarbij rekening gehouden kan worden met de werkzaamheden die het Comité voor de werkgelegenheid in samenwerking met de Commissie, de IAO en de relevante belanghebbenden heeft verricht; wijst erop dat een kwalitatief hoogstaand aanbod een veelzijdige maatregel is die door de ontwikkeling van vaardigheden tot een duurzame en passende integratie van de deelnemers op de arbeidsmarkt leidt, en benadrukt dat dit aanbod moet aansluiten op het kwalificatieniveau en profiel van de deelnemers en rekening moet houden met de behoeften van de arbeidsmarkt; dringt er bij de lidstaten op aan te verzekeren dat de relevante sociale bescherming, regelgeving over arbeidsomstandigheden en compensatieniveaus voor de deelnemers gelden; vestigt de aandacht op de kwaliteitsnormen die zijn vermeld in de richtsnoeren van de Commissie inzake de evaluatie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ("Guidance on the evaluation of the Youth Employment Initiative") van 2015, waarin de kenmerken van aanbiedingen voor een baan, de afstemming ervan op de behoeften van de deelnemer, de resultaten van de aanbiedingen in termen van integratie op de arbeidsmarkt en het percentage niet aangenomen aanbiedingen en snel weer opgezegde banen worden genoemd als indicatoren voor de evaluatie van de kwaliteit van het werk;

21.  herinnert eraan dat de IAO "fatsoenlijk werk" heeft gedefinieerd als "werk dat productief is en een billijk inkomen oplevert, veiligheid op de werkplek en sociale bescherming biedt, betere vooruitzichten op persoonlijke ontwikkeling en sociale integratie biedt, mensen de vrijheid geeft om voor hun belangen op te komen, zich te organiseren en deel te nemen aan de besluitvorming die van invloed is op hun leven, en waarbij alle vrouwen en mannen gelijke kansen krijgen en gelijk worden behandeld", en dat in het geval van werkende jongeren nog steeds niet aan deze minimumnorm wordt voldaan;

22.  is van mening dat jongeren ook bij de controle van de kwaliteit van het aanbod betrokken moeten worden;

23.  benadrukt dat met een "aanbod van een kwalitatief goed contract" met betrekking tot een stageplaats wordt bedoeld dat ten minste de volgende garanties worden geëerbiedigd: een stageperiode moet zijn gebaseerd op een schriftelijk contract, dat transparante informatie bevat over de rechten en plichten van de contractsluitende partijen, dat concrete doelstellingen vaststelt en een kwalitatief goed leerplan formuleert; er moet een mentor of toezichthouder worden aangewezen die de resultaten van de stagiair aan het eind van de stageperiode evalueert; de duur van de stage moet worden gespecificeerd, er moet een maximale duur worden vastgesteld voor stages bij dezelfde werkgever, de dekking die wordt geboden binnen het socialezekerheidsstelsel moet worden verduidelijkt en de beloning moet in het contract worden gespecificeerd;

24.  moedigt de lidstaten aan om hun operationele programma's in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in samenwerking met de sociale partners en jongerenorganisaties voortdurend bij te werken en te herzien, teneinde hun maatregelen beter af te stemmen op de daadwerkelijke behoeften van de jongeren en de arbeidsmarkt;

25.  onderstreept dat vaststellen of de begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief goed wordt besteed, en of het uiteindelijke doel van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om werkloze jongeren duurzaam aan werk te helpen wordt bereikt, alleen mogelijk is als er nauwlettend en transparant toezicht op de activiteiten wordt gehouden op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, en als lidstaten die geen vooruitgang hebben geboekt voor een meer ambitieuze aanpak kiezen; roept de lidstaten op om het toezicht, de verslaglegging en de kwaliteit van de gegevens dringend te verbeteren, en te garanderen dat er betrouwbare en vergelijkbare gegevens over de lopende tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief worden verzameld en tijdig beschikbaar worden gesteld, frequenter dan vereist is uit hoofde van hun jaarlijkse verslagleggingsplicht, zoals bepaald in artikel 19, lid 2 van de ESF‑verordening; verzoekt de Commissie haar richtsnoeren over gegevensverzameling in overeenstemming met de aanbeveling van de Europese Rekenkamer te herzien om het risico op te rooskleurig voorgestelde resultaten tot een minimum te beperken;

26.  neemt nota van de voorstellen voor programma's en de verschillende programmatypes die door de lidstaten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontwikkeld zijn; is van mening dat de nationale regelgeving in verschillende lidstaten vaag is met betrekking tot de doelstellingen en benadering, onduidelijk is geformuleerd en geen brede portefeuille van mogelijkheden biedt om de werkgelegenheid te bevorderen; is van mening dat de grote speelruimte en het gebrek aan duidelijke toezichtsmechanismen in sommige gevallen heeft geleid tot de substitutie van bestaande werkplekken door aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

27.  is bezorgd over berichten over oneigenlijk gebruik van in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierde maatregelen, waaronder trage betaling aan jongeren of misbruik van stages, bijvoorbeeld het buitensporig gebruik ervan; drukt de bereidwilligheid uit om deze praktijken uit te bannen; is van mening dat herhaald gebruik van de jongerengarantie niet mag ingaan tegen het idee van marktactivering en tegen het doel van een meer permanente integratie in de arbeidsmarkt;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om beste praktijken vast te stellen, uit te wisselen en te verspreiden om van elkaars beleid te leren en bij te dragen tot het formuleren en ten uitvoer leggen van op empirisch bewijs gebaseerd beleid; benadrukt dat veranderingen op de arbeidsmarkt en de digitalisering van de economie een nieuwe benadering van het jeugdwerkgelegenheidsbeleid noodzakelijk maken; merkt op dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief meer gebruik moet maken van effectieve instrumenten om jeugdwerkloosheid te verminderen, en geen inefficiënte werkgelegenheidsbeleidsmaatregelen mag recycleren;

29.  herhaalt dat partnerschapsbenaderingen volgens de aanbeveling van de Raad van cruciaal belang zijn voor de uitvoering van de regelingen voor een jongerengarantie en voor het bereiken van NEET's; verzoekt de lidstaten om naar een aanpak met partnerschappen streven door de belanghebbende partijen actief te identificeren en te betrekken en door het jongerengarantieprogramma beter te promoten bij bedrijven, met name kmo's en kleinere familiebedrijven; benadrukt dat bewijs van de lidstaten die reeds vóór de invoering van het programma jongerengarantieachtige benaderingen volgden, laat zien dat een succesvolle aanpak op basis van samenwerking met belanghebbende partijen van essentieel belang is voor het welslagen van de uitvoering;

30.  benadrukt de belangrijke rol van jongerenorganisaties als tussenschakel tussen jongeren en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening; moedigt de lidstaten in deze context aan om nauw samen te werken met jongerenorganisaties op nationaal, regionaal en lokaal niveau bij de communicatie over en de planning, tenuitvoerlegging en beoordeling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

31.  benadrukt het belang van bekwame en gemoderniseerde openbare diensten voor arbeidsvoorziening voor het aanbieden van op NEET's afgestemde diensten; roept de lidstaten op om bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening beter te coördineren op EU-niveau binnen het Netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening; moedigt de ontwikkeling van verdere synergieën tussen openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, bedrijven en onderwijsstelsels aan; moedigt een wijdverspreid gebruik van e-overheid aan om de administratieve rompslomp te verminderen;

32.  verzoekt de Commissie een landenspecifieke raming te maken van de jaarlijkse kosten die in de afzonderlijke lidstaten nodig zijn om de jongerengarantie doeltreffend ten uitvoer te leggen, en daarbij rekening te houden met de raming door de IAO;

33.  onderstreept dat het aanbod van stageplaatsen in het kader van de jongerengarantie moet worden bevorderd, aangezien stageplaatsen slechts 4,1 % uitmaken van de tot nu toe aanvaarde aanbiedingen;

Slotopmerkingen

34.  benadrukt de noodzaak van een strategie om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om te vormen van een crisisinstrument tot een stabieler EU-financieringsinstrument voor het aanpakken van jeugdwerkloosheid in de periode na 2020, dat een snelle en ongecompliceerde mobilisering van middelen verzekert, en waarmee met een cofinancieringsvereiste wordt vastgesteld om de hoofdverantwoordelijkheid van de lidstaten te onderstrepen; merkt op dat bij de verlenging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief rekening gehouden moet worden met de opmerkingen van de Rekenkamer; benadrukt dat de algemene doelstelling van het programma de duurzame integratie van jongeren in de arbeidsmarkt is; benadrukt de noodzaak van duidelijke, meetbare doelstellingen; benadrukt dat deze elementen besproken moeten worden in het kader van het volgende MFK om continuïteit, kosteneffectiviteit en toegevoegde waarde te verzekeren;

35.  herhaalt zijn steun voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; benadrukt dat verdere inspanningen en een aanhoudend politiek en financieel engagement ter bestrijding van jeugdwerkloosheid absoluut noodzakelijk zijn; herinnert er in het bijzonder aan dat moet worden gewaarborgd dat voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten minste 700 miljoen EUR wordt uitgetrokken voor de periode 2018-2020, zoals overeengekomen bij de tussentijdse herziening van het MFK; verzoekt tevens om de toewijzing van voldoende betalingskredieten om voor een behoorlijke en tijdige tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te zorgen;

36.  beklemtoont dat de kwaliteit van aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie moet worden verhoogd en roept op tot een discussie over de in aanmerking komende leeftijdscategorie;

37.  is van mening dat, om ervoor te zorgen dat dit kwaliteitskader voor jeugdwerkgelegenheid operationeel wordt, vorderingen moeten worden gemaakt met de goedkeuring van een aanbeveling met een juridische grondslag in artikelen 292 en 153 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, en dat een reeks maatregelen moet worden genomen op het gebied van voorlichting, bijvoorbeeld het opzetten van een toegankelijke, geactualiseerde website met relevante informatie over de regulering van stages in elke lidstaat;

38.  erkent dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een financieringsinstrument is dat bedoeld is ter aanvulling van initiatieven van de lidstaten voor het aanpakken van het hoge jeugdwerkloosheidspercentage en dat grotere inspanningen van de lidstaten dringend noodzakelijk zijn om onderwijsstelsels beter te laten aansluiten op arbeidsmarkten, zodat meer jongeren op een duurzame manier kunnen integreren in de arbeidsmarkt; verwelkomt de ingevoerde maatregelen en beleidslijnen om de discrepantie tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden aan te pakken; erkent dat de benutting van vaardigheden een uitdaging blijft in heel Europa en is van oordeel dat het dus noodzakelijk is om te verzekeren dat de gevraagde en aangeboden vaardigheden beter op elkaar afgestemd zijn;

39.  is van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie van essentieel belang zijn voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de kernbeginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met name aanbeveling 1 inzake onderwijs, opleiding en een leven lang leren; aanbeveling 4 inzake actieve ondersteuning bij het vinden van werk; aanbeveling 5 inzake veilige en flexibele werkgelegenheid; aanbeveling 6 inzake loon; aanbeveling 8 inzake sociale dialoog en betrokkenheid van werknemers; aanbeveling 10 inzake een gezonde, veilige en goed aangepaste werkomgeving en gegevensbescherming; aanbeveling 12 inzake sociale bescherming; aanbeveling 13 inzake werkloosheidsuitkeringen; en aanbeveling 14 inzake minimuminkomen;

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich, samen met de IAO, extra in te spannen om informatie op maat te verschaffen en de nationale capaciteit te vergroten om jongerengarantieregelingen te ontwikkelen en evalueren op basis van de volgende aspecten: garantie dat het initiatief volledig en op duurzame wijze ten uitvoer wordt gelegd, verbetering van de benadering van de NEET's die nog niet geregistreerd staan en jongeren met lage kwalificaties, het vergroten van de capaciteiten en het verbeteren van de kwaliteit van de aanbiedingen;

41.  merkt op, in afwachting van de uiteindelijke cijfers van de Commissie op basis van de gegevens van de lidstaten, dat naar schatting 203 000 personen aan het eind van 2015 het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief hadden afgerond, een aantal dat overeenkomt met 4 % van alle deelnemers; toont zijn bezorgdheid over het hoge aantal deelnemers dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in sommige lidstaten niet afrondt; is van mening dat het belangrijk is de stimuleringsmaatregelen te intensiveren om te voorkomen dat jongeren het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zien als een programma dat weinig nut heeft;

42.  herinnert eraan dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief financiële steun moet bieden voor maatregelen ter bevordering van de integratie van jonge NEET's op de arbeidsmarkt, zoals (betaalde) stages en plaatsen in het leerlingstelsel, maar niet mag verworden tot substituut van bezoldigd werk in eigenlijke zin;

43.  stelt voor om een Europese "hotline ter bestrijding van schending van jongerenrechten" op te richten, zodat jongeren eventuele negatieve ervaringen bij hun deelname aan maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie rechtstreeks kunnen melden aan de Commissie, zodat informatie kan worden verzameld en mogelijk misbruik bij de uitvoering van door de EU gefinancierd beleid kan worden onderzocht;

44.  is verheugd over het feit dat in de intentieverklaring bij de toespraak van voorzitter Juncker over de staat van de Unie 2017 gewag wordt gemaakt van een voorstel voor de oprichting van een Europese arbeidsautoriteit om de samenwerking tussen arbeidsmarktautoriteiten op alle niveaus te versterken en grensoverschrijdende situaties beter aan te pakken, alsook verdere initiatieven om eerlijke arbeidsmobiliteit te bevorderen;

45.  erkent dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor een afname van de jongerenwerkloosheid en een evenwicht tussen mannen en vrouwen heeft gezorgd, aangezien het initiatief ongeveer 48 % mannen en 52 % vrouwen heeft bereikt;

46.  wenst dat Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2010/41/EU betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen volledig ten uitvoer worden gelegd binnen het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

47.  acht het noodzakelijk dat de Commissie en de lidstaten met positieve maatregelen komen om te waarborgen dat jonge vrouwen en meisjes werk van goede kwaliteit krijgen aangeboden en niet in kwetsbare, onderbetaalde en tijdelijke banen met geen of weinig rechten terechtkomen of blijven hangen;

48.  verzoekt de lidstaten naar geslacht uitgesplitste statistische gegevens te verzamelen zodat de Commissie een effectbeoordeling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en van het evenwicht tussen mannen en vrouwen kan lanceren en er een grondige beoordeling en analyse van de uitvoering van het initiatief mogelijk wordt gemaakt;

49.  roept de lidstaten op om manieren te vinden om de terugkeer van jonge vrouwen naar de arbeidsmarkt, naar school of naar een opleiding te ondersteunen door toe te zien op de gelijkheid van mannen en vrouwen in de toegang tot arbeid, carrièrekansen, het combineren van werk en privéleven, het aanbieden van kinderopvang en zorgvoorzieningen voor volwassenen en het bevorderen van gelijke betaling voor werk van gelijke waarde;

50.  dringt er bij de lidstaten op aan meer inspanningen te leveren voor de verbetering van maatregelen in onderwijsinstellingen om bij te dragen aan de blijvende bescherming van risicojongeren;

51.  stelt bezorgd vast dat in de recentste beoordelingsverslagen(10) werd benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de eerste uitvoeringsfase primair gericht bleek op hoogopgeleide NEET's, eerder dan op laagopgeleide jongeren, niet‑actieve jongeren en jongeren die niet bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening zijn ingeschreven;

52.  roept de lidstaten op deze wezenlijke tekortkoming bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief aan te pakken door onder meer specifieke follow-upmaatregelen te ontwikkelen met het oog op de uitvoering van meer empirisch onderbouwd, doeltreffend en duurzaam jeugdbeleid;

53.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat hun wetgeving het voor alle jongeren binnen de vastgestelde leeftijdsgroep mogelijk maakt om zich in te schrijven en daadwerkelijk aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief deel te nemen(11);

54.  vestigt de aandacht op het gebrek aan regelgeving voor het stageaanbod op de vrije markt in verband met transparante aanwerving, duur en erkenning, en wijst erop dat maar enkele lidstaten minimumkwaliteitscriteria hebben vastgesteld, onder meer voor de controle op de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

55.  erkent dat investeringen met middelen uit de EU-begroting via het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief effect hebben gesorteerd en vaart hebben gezet achter de uitbreiding van de arbeidsmarkt voor jongeren; is van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een duidelijke Europese meerwaarde vertegenwoordigt, aangezien veel werkgelegenheidsinitiatieven voor jongeren niet mogelijk zouden zijn geweest zonder het engagement van de EU;

56.  wijst erop dat in het MFK 2014-2020 oorspronkelijk was voorzien in 6,4 miljard EUR voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan 3,2 miljard EUR van een specifieke begrotingslijn afkomstig was en nog eens hetzelfde bedrag van het ESF;

57.  benadrukt dat er bij de tussentijdse herziening van het MFK politieke steun was voor het voorstel om voor de periode 2017-2020 een aanvullend bedrag van 1,2 miljard EUR aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief toe te kennen, dat met nog eens hetzelfde bedrag uit het ESF moet worden aangevuld; wijst er evenwel op dat het uiteindelijke bedrag voor het programma zal worden vastgelegd in de volgende jaarlijkse begrotingsprocedures;

58.  vindt het verheugend dat op aandringen van het Europees Parlement de bemiddeling over de EU-begroting voor 2018 ertoe heeft geleid dat het aanvankelijk voorgestelde specifieke bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zal worden verhoogd met 116,7 miljoen EUR aan nieuwe kredieten, zodat het totale bedrag voor 2018 uitkomt op 350 miljoen EUR; neemt kennis van een eenzijdige toezegging van de Commissie dat zij in een gewijzigde begroting een verhoging van de financiering voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zal voorstellen als het absorptievermogen van het initiatief een verhoging mogelijk maakt;

59.  is van mening dat de totale begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontoereikend is voor de feitelijke vraag en de middelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het programma zijn doelstellingen haalt; herinnert eraan dat er gemiddeld slechts 42 % van de NEET's is bereikt, en in sommige lidstaten zelfs minder dan 20 %; wenst daarom dat in het volgende MFK een aanzienlijk hoger bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt uitgetrokken en dat de lidstaten in hun nationale begroting ruimte creëren voor werkgelegenheidsregelingen voor jongeren;

60.  verzoekt de Commissie te zorgen voor consistentie bij de investeringen ten behoeve van werkgelegenheid voor jongeren, door synergie tussen de beschikbare middelen aan te moedigen en homogene regels op te stellen die in een holistische gids worden opgenomen, om te komen tot een grotere impact, synergieën, doeltreffend optreden en vereenvoudiging op het terrein; herinnert eraan dat verlichting van de administratieve lasten voor de beheersautoriteiten een prioriteit is; benadrukt het belang van landenspecifieke verslagen over de financiering van jongerengarantieregelingen waarin ook wordt gekeken naar de synergie tussen nationale begrotingen en de EU-begroting, alsmede de behoefte aan een betere coördinatie en een nauwere samenwerking tussen de centrale belanghebbenden;

61.  verzoekt de Commissie de planning van de investeringen in banen voor jongeren na 2020 te verbeteren, door onverkort de benadering toe te passen die wordt gebruikt bij de programmering van de ESI-fondsen, waarbij financiering afhankelijk is van een uitgebreide voorafgaande planning en ex-antebeoordeling die gevolgd worden door het sluiten van partnerschapsovereenkomsten; is van mening dat een dergelijke aanpak de impact van de EU-begroting vergroot; wijst op de succesvolle tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in lidstaten met specifieke operationele programma's en met ruime bijdragen uit de nationale en regionale begrotingen;

62.  verzoekt de Commissie bovendien het huidige evaluatiemechanisme om te vormen door de nadruk te leggen op eenvormige resultaten en doelmatigheidscontroles in het kader van jaarlijkse en eindverslagen teneinde de impact van de EU-begroting beter te kunnen monitoren; verzoekt om een EU-brede toepassing van indicatoren, zoals het aantal deelnemers aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief dat dankzij door de EU gefinancierde maatregelen een plaats vindt op de primaire arbeidsmarkt;

63.  benadrukt echter dat hervormingen op het gebied van planning en rapportage niet tot vertraging in de uitvoering van de begroting mogen leiden en geen buitensporige administratieve lasten mogen meebrengen voor de beheersautoriteiten en vooral niet voor de eindbegunstigden;

64.  beseft dat de bestaande administratieve rompslomp het investeringsvermogen van de EU-begroting ondermijnt, vooral waar het gaat om instrumenten met kortere looptijden, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt daarom om gestroomlijnde aanbestedingsprocedures waarbij de nadruk ligt op snellere voorbereiding van opdrachten en kortere beroepsprocedures; wijst op het positieve effect van het gebruik van "vereenvoudigde kostenopties" (Simplified Cost Options (SCOs)) bij de uitgaven in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt om EU‑brede invoering van die vereenvoudigde kostenopties in projecten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om de administratieve rompslomp fors terug te dringen en de begrotingsuitvoering te versnellen;

65.  benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief momenteel van alle ESI-fondsen het best presteert wat de financiële uitvoering betreft;

66.  is verheugd dat op grond van de maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief steun is verleend aan meer dan 1,6 miljoen jongeren en dat de lidstaten in dit kader activiteiten hebben gesteund ter waarde van meer dan 4 miljard EUR;

67.  wijst erop dat gebrek aan informatie over de potentiële kosten van de invoering van een regeling in een lidstaat kan leiden tot ontoereikende financiële middelen voor de uitvoering van de regeling en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; vraagt de lidstaten een analyse vooraf te verrichten en een overzicht te maken van de kosten die gemoeid zijn met de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie;

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om administratief minder belastende en actuelere monitoringsystemen op te zetten voor de resterende financiering in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

69.  pleit ervoor dat bij het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief de focus wordt gelegd op de bereikte resultaten, door concrete indicatoren vast te stellen in verband met nieuwe diensten en steunmaatregelen op de arbeidsmarkt die met behulp van het programma in de lidstaten werden ingevoerd, en het aantal vaste contracten dat is aangeboden;

70.  is van mening dat in het kader van de beoordeling van de doeltreffendheid van de regeling alle aspecten geëvalueerd moeten worden, waaronder de kosten-batenverhouding; neemt nota van de eerdere ramingen van de IAO en Eurofound en vraagt de Commissie deze ramingen te bevestigen of te actualiseren;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten realistische en haalbare doelstellingen vast te stellen, verschillen te beoordelen, de markt te analyseren alvorens regelingen ten uitvoer te leggen, de procedures voor toezicht en kennisgeving te verbeteren;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(2) PB L 126 van 21.5.2015, blz. 1.
(3) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0390.
(5) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 69.
(6) PB L 113 van 29.4.2017, blz. 56.
(7) Verslag van de Commissie getiteld "Werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa 2013".
(8) Verslag van Eurofound van augustus 2014 getiteld "Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages".
(9) Andere maatregelen zijn onder meer het in september 2010 gelanceerde initiatief "Jeugd in beweging", het in december 2011 gelanceerde initiatief "Kansen voor jongeren" en het in januari 2012 gelanceerde initiatief voor jongerenactieteams.
(10) Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer over de uitvoering van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; Eindverslag van juni 2016 voor het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Europese Commissie over de eerste resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; Mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646); Diepgaande analyse van de EPRS van juni 2016 getiteld "Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief: Europese uitvoeringsbeoordeling".
(11) In het wetgevingskader van sommige landen worden bepaalde jongeren, met name die met een ernstige handicap, gedefinieerd als "arbeidsongeschikt". Zij kunnen zich niet inschrijven bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en kunnen dan ook niet deelnemen aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief.

Laatst bijgewerkt op: 27 september 2018Juridische mededeling