Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2054(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0007/2018

Ingediende teksten :

A8-0007/2018

Debatten :

PV 07/02/2018 - 4
CRE 07/02/2018 - 4

Stemmingen :

PV 07/02/2018 - 7.2
CRE 07/02/2018 - 7.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0029

Aangenomen teksten
PDF 329kWORD 45k
Woensdag 7 februari 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Samenstelling van het Europees Parlement
P8_TA(2018)0029A8-0007/2018
Resolutie
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement (2017/2054(INL)2017/0900(NLE))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 14, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 10 VEU(1),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2013 over de samenstelling van het Europees Parlement met het oog op de verkiezingen van 2014(2),

–  gezien zijn resolutie van 11 november 2015 over de hervorming van de kieswet van de Europese Unie, en het bijgevoegde voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de bepalingen tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen(3),

–  gezien Besluit 2013/312/EU van de Europese Raad van 28 juni 2013 inzake de samenstelling van het Europees Parlement(4),

–  gezien het Goede Vrijdagakkoord van 10 april 1998,

–  gezien de artikelen 45, 52 en 84 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A8-0007/2018),

A.  overwegende dat de samenstelling van het Europees Parlement moet stroken met de criteria van artikel 14, lid 2, eerste alinea, VEU, te weten dat het aantal vertegenwoordigers van de burgers van de Unie niet meer dan zevenhonderdvijftig mag bedragen, plus de Voorzitter, dat de burgers degressief evenredig vertegenwoordigd moeten zijn, met een minimum van zes leden per lidstaat, en dat geen enkele lidstaat meer dan zesennegentig zetels krijgt toegewezen;

B.  overwegende dat in artikel 14, lid 2, VEU wordt bepaald dat het Europees Parlement bestaat uit vertegenwoordigers van de burgers van de Unie;

C.  overwegende dat in het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het belang wordt benadrukt van gelijkheid en gelijke behandeling van de burgers door de Europese instellingen; overwegende dat het van essentieel belang is de gelijkheid van de vertegenwoordiging te verbeteren om de legitimiteit van het Europees Parlement als wetgevingsorgaan dat de burgers van de Unie vertegenwoordigt, te vergroten;

D.  overwegende dat het Europees Parlement opdracht heeft gegeven tot het opstellen van voorstellen voor een permanent systeem voor de verdeling van zetels op basis van rekenkundige formules en de voorstellen die het heeft ontvangen heeft bestudeerd;

E.  overwegende dat de regering van het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2017, overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU, aan de Europese Raad kennis heeft gegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken en overwegende dat de termijn van twee jaar voor het voeren van onderhandelingen en de totstandbrenging van een terugtrekkingsakkoord eindigt op 29 maart 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit;

F.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk, behalve als de huidige juridische situatie wijzigt, bij de volgende Europese verkiezingen in 2019 geen lidstaat van de Europese Unie meer zal zijn;

G.  overwegende dat diverse lidstaten onlangs hebben uitgesproken voorstander te zijn van de vorming van een gemeenschappelijk kiesdistrict vanaf de Europese verkiezingen in 2019; overwegende dat de vorming van een gemeenschappelijk kiesdistrict uitsluitend mogelijk is na wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, waarbij een dergelijke wijziging op grond van de Verkiezingsgedragscode (Code of Good Practice in Electoral Matters) van de Commissie van Venetië ten minste een jaar voor de Europese verkiezingen moet worden aangenomen;

H.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn voorstel van 11 november 2015 voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de bepalingen tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen heeft verzocht om invoering van een verplichte drempel voor kiesdistricten, en voor lidstaten met één kiesdistrict, waar gebruik wordt gemaakt van het lijstenstelsel en die meer dan een bepaald aantal zetels omvatten; is van oordeel dat bij de vaststelling van deze drempel rekening gehouden moet worden met de nieuwe zetelverdeling;

1.  merkt op dat de huidige zetelverdeling in het Europees Parlement, zoals vastgelegd in Besluit 2013/312/EU van de Europese Raad, uitsluitend geldt voor de zittingsperiode 2014-2019; benadrukt daarom dat er een nieuw besluit genomen moet worden inzake de samenstelling van het Europees Parlement voor de zittingsperiode 2019-2024;

2.  beseft dat de huidige toewijzing van zetels in meerdere opzichten in strijd is met het beginsel van degressieve evenredigheid en daarom voor de samenstelling van het Europees Parlement vanaf de volgende Europese verkiezingen in 2019 aangepast moet worden;

3.  beseft dat een aantal lidstaten van oordeel is dat de besluitvorming over de toewijzing van zetels in het Europees Parlement in samenhang bezien moet worden met de stemregels in de Raad;

4.  wijst erop dat de rekenkundige formules weliswaar uitstekende mogelijkheden lijken te bieden voor de vaststelling van een permanent systeem voor de verdeling van zetels in de toekomst, maar dat het in dit stadium politiek niet haalbaar is om een permanent systeem voor te stellen;

5.  realiseert zich dat het Verenigd Koninkrijk, behalve als de huidige juridische situatie wijzigt, bij de volgende Europese verkiezingen in 2019 geen lidstaat van de Europese Unie meer zal zijn;

6.  stelt voor om met ingang van de volgende Europese verkiezingen in 2019 een nieuwe verdeling van zetels in het Parlement toe te passen, met inachtneming van de criteria als bepaald in artikel 14 VEU; is van oordeel dat als de juridische situatie met betrekking tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie wijzigt, de zetelverdeling die geldt voor de zittingsperiode 2014-2019 toepassing moet krijgen, totdat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie rechtsgeldig wordt;

7.  benadrukt dat het feit dat er bij de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zetels zullen vrijkomen, de vaststelling van een nieuwe zetelverdeling in het Parlement zal vergemakkelijken, waarbij het beginsel van degressieve evenredigheid zal worden toegepast; benadrukt dat het Parlement bij de voorgestelde nieuwe verdeling in omvang zal afnemen; merkt op dat slechts een klein deel van de vrijkomende zetels van het Verenigd Koninkrijk gebruikt hoeft te worden om ervoor te zorgen dat geen enkele lidstaat zetels verliest;

8.  benadrukt dat een afname van de omvang van het Parlement ruimte biedt voor eventuele toekomstige uitbreidingen van de Europese Unie;

9.  overwegende dat burgers van Noord-Ierland op grond van het Goede Vrijdagakkoord een inherent recht hebben om de Britse nationaliteit, de Ierse nationaliteit of beide nationaliteiten te bezitten, en krachtens hun recht om de Ierse nationaliteit te bezitten ook recht hebben op het burgerschap van de Unie;

10.  herinnert eraan dat degressieve evenredigheid, als gedefinieerd in de Verdragen, gebaseerd is op het aantal zetels per lidstaat en niet op de nationaliteit van de kandidaten;

11.  verzoekt de Raad om de herziening van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen snel af te ronden;

12.  benadrukt dat de door het Europees Parlement voorgestelde herziening van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen het Europees karakter van de verkiezingen zal versterken en een positief signaal afgeeft voor de toekomst van het Europees project;

13.  is van oordeel dat de voorgestelde verdeling op basis van de beginselen van de Verdragen een solide basis vormt voor een methode voor de vaststelling van de zetelverdeling in de toekomst, waarbij de criteria van artikel 14 VEU, met name het beginsel van degressieve evenredigheid, geëerbiedigd worden, en die eerlijk, transparant, objectief, in overeenstemming met de meest recente demografische ontwikkelingen, alsmede begrijpelijk is voor de Europese burgers;

14.  legt, uit hoofde van zijn in artikel 14, lid 2, VEU verankerde initiatiefrecht, aan de Europese Raad bijgaand voorstel voor een besluit van de Europese Raad tot vaststelling van de samenstelling van het Europees Parlement voor; wijst op de dringende noodzaak om dat besluit, dat door het Parlement moet worden goedgekeurd, vast te stellen, zodat de lidstaten tijdig de nodige nationale maatregelen kunnen vaststellen in verband met het organiseren van de verkiezingen voor het Europees Parlement voor de zittingsperiode 2019-2024;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en het daaraan gehechte voorstel voor een besluit van de Europese Raad, samen met voornoemd verslag van zijn Commissie constitutionele zaken, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) In dat artikel wordt bepaald dat "burgers op het niveau van de Unie rechtstreeks [worden] vertegenwoordigd in het Europees Parlement".
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0082.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0395.
(4) PB L 181 van 29.6.2013, blz. 57.


BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE EUROPESE RAAD

inzake de samenstelling van het Europees Parlement

DE EUROPESE RAAD,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 14, lid 2,

Gezien het initiatief van het Europees Parlement,

Gezien de goedkeuring door het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De eerste alinea van artikel 14, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie stelt de criteria voor de samenstelling van het Europees Parlement vast, te weten dat het aantal vertegenwoordigers van de burgers van de Unie niet meer dan 750 mag bedragen, plus de voorzitter, dat de vertegenwoordiging degressief evenredig moet zijn, met een minimum van zes leden per lidstaat en dat geen enkele lidstaat meer dan 96 zetels krijgt toegewezen,

(2)  Artikel 10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt onder andere dat de werking van de Unie is gegrond op representatieve democratie, met burgers die op het niveau van de Unie in het Europees Parlement rechtstreeks vertegenwoordigd worden, en lidstaten die op het niveau van de Unie in de Raad worden vertegenwoordigd door hun regering, die zelf democratische verantwoording verschuldigd is aan hun nationale parlementen of aan hun burgers. Artikel 14, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de samenstelling van het Europees Parlement, is dan ook van toepassing binnen de context van de ruimere institutionele regels bepaald in de Verdragen, met inbegrip van de bepalingen betreffende de besluitvorming in de Raad,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij de toepassing van de bepalingen van artikel 14, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden de volgende beginselen nageleefd:

–  bij de zetelverdeling in het Europees Parlement worden de in het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde minimum- en maximumdrempel per lidstaat ten volle benut om zo nauw mogelijk aan te sluiten op de omvang van de respectieve bevolking van de lidstaten,

–  degressieve evenredigheid wordt als volgt gedefinieerd: de verhouding tussen de bevolking en het aantal zetels van elke lidstaat vóór afronding op hele getallen varieert naargelang van de respectieve bevolkingsomvang, zodat een lid van het Europees Parlement uit een lidstaat met een grotere bevolking meer burgers vertegenwoordigt dan een lid uit een lidstaat met een kleinere bevolking en, omgekeerd, zodat hoe groter de bevolking van een lidstaat is, hoe meer deze lidstaat recht heeft op een groot aantal zetels,

–  de zetelverdeling weerspiegelt demografische ontwikkelingen in de lidstaten.

Artikel 2

De totale bevolking van de lidstaten wordt door de Commissie (Eurostat) berekend op basis van de meest recente gegevens die de lidstaten verstrekken overeenkomstig een methode die in Verordening (EU) nr. 1260/2013 van het Europees Parlement en de Raad(1) wordt vastgesteld.

Artikel 3

1.  Voor de zittingsperiode 2019-2024 wordt het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers in het Europees Parlement als volgt vastgesteld:

België

21

Bulgarije

17

Tsjechië

21

Denemarken

14

Duitsland

96

Estland

7

Ierland

13

Griekenland

21

Spanje

59

Frankrijk

79

Kroatië

12

Italië

76

Cyprus

6

Letland

8

Litouwen

11

Luxemburg

6

Hongarije

21

Malta

6

Nederland

29

Oostenrijk

19

Polen

52

Portugal

21

Roemenië

33

Slovenië

8

Slowakije

14

Finland

14

Zweden

21

2.  Indien evenwel het Verenigd Koninkrijk aan het begin van de zittingsperiode 2019-2024 nog steeds een lidstaat van de Unie is, is het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers dat het ambt aanvaardt het aantal dat bepaald is in artikel 3 van Besluit 2013/312/EU van de Europese Raad(2), totdat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie rechtsgeldig wordt.

Zodra de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie rechtsgeldig wordt, is het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers in het Europees Parlement het aantal als bepaald in lid 1 van dit artikel.

Alle vertegenwoordigers in het Europees Parlement die de extra zetels zullen bezetten die het verschil zijn tussen het aantal overeenkomstig de eerste alinea en de tweede alinea van dit lid toegewezen zetels, nemen op hetzelfde moment zitting in het Parlement.

Artikel 4

Lang genoeg vóór het begin van de zittingsperiode 2024-2029 dient het Europees Parlement overeenkomstig artikel 14, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bij de Europese Raad een voorstel in voor een geactualiseerde zetelverdeling.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te …,

Voor de Europese Raad

De voorzitter

(1) Verordening (EU) nr. 1260/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende de Europese bevolkingsstatistieken (PB L 330 van 10.12.2013, blz. 39).
(2) Besluit 2013/312/EU van de Europese Raad van 28 juni 2013 inzake de samenstelling van het Europees Parlement (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 57).

Laatst bijgewerkt op: 28 september 2018Juridische mededeling