Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2561(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0109/2018

Debatten :

PV 08/02/2018 - 8.2
CRE 08/02/2018 - 8.2

Stemmingen :

PV 08/02/2018 - 12.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0035

Aangenomen teksten
PDF 183kWORD 56k
Donderdag 8 februari 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Executies in Egypte
P8_TA(2018)0035RC-B8-0109/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over executies in Egypte (2018/2561(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, met name die van 10 maart 2016 over Egypte, met name de zaak Giulio Regeni(1), van 17 december 2015 over Ibrahim Halawa, die mogelijk ter dood veroordeeld wordt(2) en van 15 januari 2015 over de situatie in Egypte(3), zijn resoluties van 16 februari 2017 over executies in Koeweit en Bahrein (4) en van 8 oktober 2015 over de doodstraf(5), en zijn resolutie van 7 oktober 2010 over de Werelddag tegen de doodstraf(6),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenactivisten,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Egypte van augustus 2013 en februari 2014,

–  gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001, die in 2004 in werking is getreden en geschraagd is door het actieplan van 2007, gezien de prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020, die op 25 juli 2017 werden goedgekeurd, en de gezamenlijke verklaring die werd afgelegd na de Associatieraad EU‑Egypte,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 10 oktober 2017 van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv), Federica Mogherini, en de secretaris-generaal van de Raad van Europa over de Europese en Werelddag tegen de doodstraf,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 26 januari 2018 van VN-deskundigen, onder wie Nils Melzer, speciaal rapporteur inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, waarin de Egyptische autoriteiten worden opgeroepen om de op handen zijnde executies te stoppen;

–  gezien de grondwet van Egypte, met name artikel 93 over het bindende karakter van het internationaal mensenrechtenrecht,

–  gezien de waarborgen van de Verenigde Naties ter bescherming van de rechten van ter dood veroordeelden,

–  gezien de Afrikaanse beginselen en richtsnoeren inzake het recht op een eerlijk proces en rechtsbijstand, die militaire processen tegen burgers onder alle omstandigheden verbieden,

–  gezien de slotverklaring van het zesde Wereldcongres tegen de doodstraf dat van 21 tot 23 juni 2016 in Oslo werd gehouden,

–  gezien het nieuwe strategisch kader en actieplan inzake mensenrechten van de EU, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien artikel 2 van het Europese Mensenrechtenverdrag en de bijbehorende protocollen 6 en 13,

–  gezien de zes resoluties van de Algemene Vergadering van de VN waarin gepleit wordt voor een moratorium op de doodstraf,

–  gezien het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Arabisch Handvest inzake mensenrechten, die alle door Egypte geratificeerd zijn,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), waarbij Egypte partij is, met name artikel 18 en het tweede facultatieve protocol betreffende de doodstraf, alsook artikel 14,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de doodstraf de ultieme inhumane en onterende bestraffing is, die een schending vormt van het recht op leven zoals verankerd in de Universele verklaring van de rechten van de mens; overwegende dat de Europese Unie fel en principieel gekant is tegen de doodstraf en een universeel moratorium met het oog op de wereldwijde afschaffing ervan als een van de belangrijkste doelstellingen van het mensenrechtenbeleid van de Unie beschouwt;

B.  overwegende dat er in Egypte sinds januari 2014 naar verluidt ten minste 2 116 personen ter dood zijn veroordeeld; overwegende dat er tijdens het bewind van de voormalige presidenten Mohamed Morsi en Adly Mansour geen doodvonnissen werden goedgekeurd; overwegende dat er sinds 1 januari 2014 minstens 81 doodvonnissen zijn voltrokken;

C.  overwegende dat de Egyptische rechtbanken in 2017 minstens 186 doodvonnissen hebben uitgesproken en dat 16 mensen terechtgesteld werden; overwegende dat er in de afgelopen weken en sinds eind december 2017 een alarmerende toename te zien was; overwegende dat alle recente executies werden uitgevoerd zonder dat de slachtoffers en hun families vooraf waren ingelicht; overwegende dat 24 andere Egyptenaren het gevaar lopen terechtgesteld te worden, aangezien alle beroepswegen zijn uitgeput;

D.  overwegende dat er momenteel in Egypte minstens 891 mensen berecht worden of hun vonnis afwachten voor tenlasteleggingen waarop de doodstraf kan staan; overwegende dat ten minste 38 personen die jonger waren dan 18 jaar toen het hun ten laste gelegde misdrijf gepleegd werd, samen met volwassen medebeklaagden berecht werden wegens aanklachten waarop de doodstraf staat; overwegende dat rechtbanken initiële doodvonnissen hebben aanbevolen voor tenminste zeven van hen; overwegende dat het opleggen en voltrekken van de doodstraf tegen personen die op het moment van het misdrijf jonger waren dan 18 jaar een schending betekent van het internationaal recht, waaronder het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, alsook van artikel 111 van de Egyptische kinderwet; overwegende dat Egypte partij is bij talrijke internationale verdragen inzake politieke en burgerrechten, foltering, rechten van kinderen en jongeren, en rechtspraak;

E.  overwegende dat het militair wetboek een groter aantal misdrijven kent waarop de doodstraf staat dan het burgerlijk wetboek en dat de Egyptische wetgeving de militaire rechtsmacht geleidelijk heeft uitgebreid; overwegende dat het aantal burgers dat door Egyptische militaire rechtbanken ter dood veroordeeld werd is gestegen van 60 in 2016 tot ten minste 112 in 2017; overwegende dat de afgelopen maanden minstens 23 Egyptenaren terecht werden gesteld, waarvan er 22 veroordeeld waren door militaire rechtbanken in processen die bij lange na niet voldeden aan de normen voor een eerlijk proces; overwegende dat er tussen oktober 2014 en september 2017 naar verluidt in totaal minstens 15 000 burgers, waaronder tientallen kinderen, voor militaire aanklagers moesten verschijnen;

F.  overwegende dat een verontrustend hoog aantal getuigenissen en bekentenissen die bij de processen werden gebruikt, met inbegrip van die voor militaire rechtbanken, werden verkregen nadat de beschuldigden volgens berichten in gewelddadige omstandigheden verdwenen waren en gefolterd of mishandeld waren; overwegende dat de strijd tegen foltering van oudsher een mensenrechtenprioriteit van de EU is en een gemeenschappelijke doelstelling van het VN-Verdrag tegen foltering, dat door Egypte is ondertekend;

G.  overwegende dat alle recente en ophanden zijnde executies volgens de berichten het resultaat zijn van processen waarbij de regels inzake een eerlijk proces en een eerlijke rechtsbedeling niet werden nageleefd; overwegende dat de waarborgen van de Verenigde Naties ter bescherming van de rechten van ter dood veroordeelden strikt verbieden dat doodstraffen die worden uitgesproken in oneerlijke processen worden voltrokken; overwegende dat talrijke mensenrechtendeskundigen van de VN Egypte herhaaldelijk hebben opgeroepen alle geplande terechtstellingen op te schorten naar aanleiding van beschuldigingen van oneerlijke processen;

H.  overwegende dat het van belang is dat alle noodzakelijke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat dergelijke processen plaatsvinden onder voorwaarden die daadwerkelijk de volledige garanties bieden die zijn vastgelegd in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Egypte partij is; overwegende dat processen, wanneer die tot een doodvonnis leiden, moeten voldoen aan de hoogste normen inzake eerlijkheid en eerlijke rechtsbedeling;

I.  overwegende dat de Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volkeren op 29 november 2017 bij de Egyptische regering heeft aangedrongen op onmiddellijke opschorting van de doodvonnissen in vijf verschillende zaken; overwegende dat de beklaagden in een van die zaken, de zaak-Kafr el-Sheikh, desondanks op 2 januari 2018 terecht werden gesteld;

J.  overwegende dat Egypte sinds de revolutie van 2011 met diverse moeilijke politieke situaties te kampen heeft gehad en dat de internationale gemeenschap het land steunt bij het oplossen van zijn economische, politieke en veiligheidsproblemen;

K.  overwegende dat Egypte met ernstige veiligheidsproblemen kampt, met name in de Sinaï, waar terroristische groeperingen aanslagen hebben gepleegd op veiligheidstroepen; overwegende dat er in Egypte een aantal vernietigende terreuraanslagen zijn gepleegd, waaronder de recente aanslag op de soefi-moskee, waarbij 311 burgers om het leven kwamen en ten minste 128 gewonden vielen; overwegende dat op 9 april 2017 een dubbele zelfmoordaanslag plaatsvond in de Mar-Girgiskerk in Tanta en de koptisch-orthodoxe Sint-Marcuskathedraal, waarbij ten minste 47 doden vielen;

L.  overwegende dat in Egypte al sinds april 2017 de noodtoestand heerst, die verlengd werd met drie maanden vanaf 13 januari 2018, volgens de staatsmedia om het hoofd te helpen bieden aan de "dreiging en de financiering van terrorisme", maar dat daarmee de fundamentele vrijheden ondermijnd worden en de president en degenen die namens hem optreden tijdens die drie maanden de bevoegdheid hebben om burgers voor noodrechtbanken voor staatsveiligheid te dagen;

M.  overwegende dat de algehele mensenrechtensituatie in Egypte steeds slechter wordt; overwegende dat de campagne tegen terrorisme door de Egyptische autoriteiten als rechtvaardiging wordt gebruikt voor grootschalige repressie;

N.  overwegende dat de anti-terrorismewet uit 2015 de doodstraf oplegt aan ieder die schuldig wordt bevonden aan het oprichten of leiden van een terroristische groepering, waarbij een brede definitie van terrorisme wordt gehanteerd die onder meer "verstoring van de openbare orde, het in gevaar brengen van de veiligheid, de belangen of de beveiliging van de samenleving, het blokkeren van wettelijke of grondwettelijke bepalingen of het toebrengen van schade aan de nationale eenheid, de sociale vrede of de nationale veiligheid" omvat, waardoor alle burgers, inclusief mensenrechtenverdedigers, het risico lopen als terrorist te worden aangemerkt en ter dood te worden veroordeeld;

O.  overwegende dat er gerichte repressieve maatregelen zijn getroffen tegen Egyptische mensenrechtenverdedigers die doodstraffen, folteringen en gedwongen verdwijningen documenteren en aan de kaak stellen, zoals de sluiting van het El Nadim-centrum in 2017 en de poging van de Egyptische autoriteiten om het kantoor van de Egyptische Commissie voor rechten en vrijheden (ECRF) te Caïro te sluiten; overwegende dat Egypte het afgelopen jaar een juridisch front heeft geopend tegen ngo's, met een wet op grond waarvan staatsveiligheidsinstanties de binnen- of buitenlandse financiering van ngo's moeten goedkeuren, wat er in feite op neerkomt dat zij verboden worden; overwegende dat de hoogste Egyptische beroepsinstantie op 5 april 2018 uitspraak zal doen in de zogenaamde buitenlandse-financieringszaak, waarbij internationale ngo's zijn betrokken;

P.  overwegende dat een gezamenlijke gehechtheid aan de universele waarden van democratie, rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten een leidend beginsel zijn van de in juli 2017 goedgekeurde nieuwe prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020 en dat die prioriteiten een hernieuwd kader vormen voor politieke inzet en nauwere samenwerking op gebieden als veiligheid, hervorming van de rechtspraak en terrorismebestrijding, met inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat het Subcomité politieke aangelegenheden, mensenrechten en democratie van de associatieovereenkomst tussen Egypte en de Europese Unie op 10 en 11 januari 2018 in Caïro zijn vijfde bijeenkomst heeft gehouden, waarop de samenwerking op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat werd besproken;

Q.  overwegende dat de EU de belangrijkste economische partner van Egypte is en de voornaamste bron van buitenlandse investeringen; overwegende dat de bilaterale bijstand van de EU aan Egypte op grond van het Europees nabuurschapsinstrument voor de periode 2017-2020 ongeveer 500 miljoen EUR bedraagt; overwegende dat de Raad buitenlandse zaken op 21 augustus 2013 hoge vertegenwoordiger heeft belast met de herziening van de EU-bijstand aan Egypte; overwegende dat de Raad besloot dat de EU‑samenwerking met Egypte zal worden bijgesteld naar gelang van de ontwikkelingen ter plaatse;

R.  overwegende dat bedrijven uit diverse EU-lidstaten bewakingsapparatuur en militaire uitrusting zijn blijven exporteren naar Egypte;

1.  veroordeelt met klem het gebruik van de doodstraf en roept op tot opschorting van alle ophanden zijnde executies in Egypte; is groot voorstander van een onmiddellijk moratorium op de doodstaf in Egypte als stap in de richting van de afschaffing ervan; veroordeelt in deze context alle executies, waar die ook voltrokken worden, en benadrukt eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf bijdraagt aan de versterking van de menselijke waardigheid, zoals vastgesteld in de beleidsprioriteiten van de EU op mensenrechtengebied; verzoekt de Egyptische autoriteiten alle zaken waarin nog niet uitgevoerde doodvonnissen zijn uitgesproken te herzien om te waarborgen dat personen die in gebrekkige processen veroordeeld werden een eerlijk nieuw proces krijgen; herinnert eraan dat executies niet mogen worden gebruikt om terrorisme te bestrijden, ook al kampt Egypte met veiligheidsproblemen;

2.  verzoekt het Egyptische parlement het Egyptische wetboek van strafrecht, het wetboek van strafvordering, de wetgeving inzake terrorismebestrijding en het militair wetboek te herzien en verzoekt de regering de desbetreffende wetsbesluiten te herzien en te waarborgen dat burgers die beschuldigd worden van misdrijven waarop de doodstraf staat niet door militaire of noodrechtbanken worden berecht, aangezien deze niet voldoen aan de normen inzake een eerlijk proces waartoe Egypte zich uit hoofde van het internationaal recht heeft verbonden en die het in zijn grondwet heeft gewaarborgd; verzoekt de Egyptische autoriteiten geen burgers meer te laten berechten door militaire rechtbanken;

3.  verzoekt de Egyptische autoriteiten met klem de fysieke en psychologische veiligheid van alle in gevangenschap verkerende beklaagden te waarborgen; laakt het gebruik van foltering en mishandeling; verzoekt de Egyptische autoriteiten ervoor te zorgen dat gevangen alle nodige medische zorg krijgen; roept de EU op haar exportcontroles ten aanzien van Egypte volledig uit te voeren, vooral waar het gaat om goederen die kunnen worden gebruikt voor foltering of terechtstellingen;

4.  moedigt Egypte aan tot het ondertekenen en ratificeren van het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning; moedigt de Egyptische regering aan een open uitnodiging te richten tot relevante speciaal rapporteurs van de VN om het land te bezoeken;

5.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de massaprocessen voor Egyptische rechtbanken en het grote aantal hierbij gevelde doodvonnissen; verzoekt de Egyptische gerechtelijke autoriteiten het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Egypte is ondertekend, en met name artikel 14 van dat verdrag dat betrekking heeft op het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, op basis van een duidelijke tenlastelegging en waarbij de rechten van de verdachte zijn gewaarborgd, te eerbiedigen en in praktijk te brengen;

6.  verzoekt de vv/hv het alarmerende aantal recente executies in Egypte te veroordelen en verzoekt de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten het gebruik van de doodstraf te blijven bestrijden; verzoekt de EDEO met klem zich te buigen over de recente ontwikkelingen in Egypte en al zijn invloed aan te wenden om ophanden zijnde executies te stoppen en de Egyptische autoriteiten aan te moedigen hun verplichtingen op het gebied van internationale normen en wetten na te komen;

7.  dringt er bij de vv/hv en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat de mensenrechten niet worden ondergraven door migratiebeheer en terrorismebestrijdingsacties in het kader van de prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Egypte; benadrukt het belang dat de Europese Unie hecht aan haar samenwerking met Egypte als belangrijk buur- en partnerland; verzoekt Egypte met klem zich te houden aan de toezeggingen die het in de op 27 juli 2017 goedgekeurde prioriteiten van het partnerschap tussen de EU en Egypte heeft gedaan om de democratie, de fundamentele vrijheden en de mensenrechten te bevorderen overeenkomstig zijn grondwet en de internationale normen;

8.  veroordeelt de terreuraanslagen in Egypte; betuigt zijn oprechte medeleven met de nabestaanden van de slachtoffers van terrorisme; is solidair met het Egyptische volk en bevestigt nogmaals dat het zal blijven strijden tegen de verspreiding van radicale ideologieën en terreurgroepen;

9.  wijst de Egyptische regering erop dat de welvaart van Egypte en zijn bevolking op lange termijn staat of valt met de bescherming van de universele rechten van de mens en het creëren en bestendigen van democratische en transparante instellingen die zich inzetten voor de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers;

10.  ondersteunt het verlangen van de meerderheid van de Egyptische bevolking naar een vrij, stabiel, welvarend, inclusief en democratisch land dat zijn nationale en internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden nakomt;

11.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de voortdurende beperkingen van fundamentele democratische rechten, met name de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering, politiek pluralisme en de rechtsstaat in Egypte; roept op tot onmiddellijke beëindiging van alle uitingen van geweld, opruiing, haatzaaiende taal, pesterijen, intimidatie, gedwongen verdwijningen en censuur jegens politieke tegenstanders, demonstranten, journalisten, bloggers, studenten, vrouwenrechtenactivisten, actoren uit het maatschappelijk middenveld, LGBTI's en minderheden, waaronder de Nubiërs, door overheidsinstanties, veiligheidstroepen en -diensten en andere groeperingen in Egypte; veroordeelt het gebruik van buitensporig geweld tegen betogers; verzoekt om onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van al degenen die gevangen zitten omdat zij vreedzaam gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrije meningsuiting, samenkomst en vereniging, en verzoekt om een onafhankelijk en transparant onderzoek naar alle mensenrechtenschendingen;

12.  is nog steeds verontwaardigd over het folteren en vermoorden van de Italiaanse onderzoeker Giulio Regeni en laakt opnieuw het gebrek aan vorderingen in het onderzoek naar deze brute moord; benadrukt dat het bij de Europese autoriteiten zal blijven aandringen om stappen te ondernemen bij hun Egyptische homologen totdat de waarheid in deze zaak aan het licht is gebracht en de daders ter verantwoording zijn geroepen;

13.  verzoekt president al-Sisi en zijn regering concreet te laten zien dat zij gehecht zijn aan echte politieke hervormingen en aan de eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat geloofwaardige en transparante verkiezingen essentieel zijn voor een democratie, zoals gewaarborgd in de grondwet van 2014 en overeenkomstig de internationale verplichtingen van Egypte;

14.  verzoekt de EU en haar lidstaten een duidelijk, krachtig en gezamenlijk standpunt in te nemen ten aanzien van Egypte in de komende zittingen van de VN-Mensenrechtenraad en zolang het land geen significante verbeteringen laat zien in zijn prestaties op het gebied van de mensenrechten;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, en de regering en het parlement van Egypte.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0084.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 130.
(3) PB C 300 van 18.8.2016, blz. 34.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0044.
(5) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 41.
(6) PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 5.

Laatst bijgewerkt op: 28 september 2018Juridische mededeling