Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2071(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0013/2018

Ingediende teksten :

A8-0013/2018

Debatten :

PV 07/02/2018 - 17
CRE 07/02/2018 - 17

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0039

Aangenomen teksten
PDF 311kWORD 66k
Donderdag 8 februari 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslag over de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank
P8_TA(2018)0039A8-0013/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over het jaarverslag over de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank (2017/2071(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 15, 126, 175, 177, 208, 209, 271, 308 en 309 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en Protocol nr. 5 betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank (EIB),

–  gezien het activiteitenplan 2017-2019 van de EIB-groep, dat op de website van de EIB is gepubliceerd,

–  gezien het activiteitenverslag 2016 van de EIB,

–  gezien het financieel verslag 2016 en het statistisch verslag 2016 van de EIB,

–  gezien de EIB-evaluatie van de werking van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) van september 2016,

–  gezien de Overeenkomst die op 2 mei 2017 door het Europees Parlement en de EIB is gesloten over de informatie die moet worden uitgewisseld in het kader van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(1),

–  gezien Verordening (EU) 2017/2396 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub(2),

–  gezien het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 466/2014/EU tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op financieringsverrichtingen van projecten buiten de Unie (COM(2016)0583),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 tot instelling van een Garantiefonds (COM(2016)0582),

–  gezien het EIB-initiatief voor economische veerkracht,

–  gezien Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds(3),

–  gezien de eerste vergadering van de strategische raad van bestuur van het EFDO op 28 september 2017 in Brussel,

–  gezien de Sociale Top voor eerlijke banen en groei die op 17 november 2017 heeft plaatsgevonden in Göteborg en de Europese pijler van sociale rechten,

–  gezien de strategie van de EIB-groep inzake gendergelijkheid en economische empowerment van vrouwen,

–  gezien het verslag over de uitvoering van het transparantiebeleid van de EIB in 2015 en het verslag van de EIB over corporate governance van 2016,

–  gezien het Handboek milieu- en sociale praktijken van de EIB,

–  gezien de lopende herziening van de klachtenregeling van de EIB – Beginselen, uitgangspunten en reglement van 2010,

–  gezien het beleid van de EIB ten aanzien van zwak gereglementeerde, niet-transparante en niet-coöperatieve rechtsgebieden (NCJ's) van 15 december 2010 en het addendum daarbij van 8 april 2014,

–  gezien de goedkeuring door de EIB van de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs door de EU op 4 oktober 2016,

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de VN‑doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling,

–  gezien de toespraak over de staat van de Unie van voorzitter Juncker tijdens de plenaire vergadering van het Parlement van 13 september 2017 in Straatsburg,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A8‑0013/2018),

A.  overwegende dat de Europese Investeringsbank (EIB) wordt beschouwd als de "financiële arm van de EU" en als een belangrijke instelling bij het ondersteunen van openbare en particuliere investeringen in de EU, en ook buiten de EU een belangrijke rol speelt door haar externe leenactiviteiten;

B.  overwegende dat de financiële activiteiten van de EIB-groep zowel het verlenen van leningen met eigen middelen omvatten als het uitvoeren van de verschillende opdrachten die haar met steun uit de EU‑begroting en van derde partijen zoals de EU‑lidstaten zijn toevertrouwd;

C.  overwegende dat er voortdurend aandacht moet zijn voor de ontwikkeling van optimale werkmethodes met betrekking tot het prestatiebeleid en ‑beheer, het bestuur en de transparantie van de EIB‑groep;

D.  overwegende dat de EIB in 2016, overeenkomstig de prognose voor dat jaar, een solide financiële situatie heeft gehandhaafd, met een jaarlijks netto-overschot van 2,8 miljard EUR;

E.  overwegende dat de EIB haar inspanningen om haar leningactiviteiten effectief uit te breiden, moet blijven opvoeren door technische bijstand en advies te geven, met name in regio's met een lage investeringsniveaus, om regionale kloven te dichten, en dat zij daarnaast de administratieve rompslomp voor aanvragers moet verminderen;

F.  overwegende dat de EIB, als instelling die verantwoordelijk is voor het beheer van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), verder moet streven naar een geografisch evenwichtige activaportefeuille van hoge kwaliteit, met economische voordelen op lange termijn die kwaliteitsbanen opleveren, en dit overal in de EU tot haar voornaamste prioriteit moet maken;

G.  overwegende dat het Europees Investeringsfonds (EIF), in aanvulling op de verrichtingen van de EIB, een belangrijke rol moet spelen als gespecialiseerd EU‑instrument voor durfkapitaal en garanties waarmee vooral kmo's worden ondersteund, zodat de Europese integratie en de economische, sociale en territoriale cohesie verder kunnen worden bevorderd;

H.  overwegende dat er waarborgen tegen fraude, waaronder belastingfraude en het witwassen van geld, en tegen het risico van terrorismefinanciering zijn vervat in de contractuele bepalingen van de EIB-groep die zijn opgenomen in de door de EIB-groep en haar tegenpartijen gesloten overeenkomsten; overwegende dat de EIB-groep van haar tegenpartijen moet verlangen dat zij alle toepasselijke wetgeving naleven; overwegende dat de EIB-groep op basis van de resultaten van zorgvuldig onderzoek aanvullende, specifiek op transparantie en integriteit gerichte contractbepalingen moet opleggen;

I.  overwegende dat de EIB-groep uit hoofde van het Verdrag verplicht is bij te dragen aan de integratie, de economische en sociale cohesie en de regionale ontwikkeling in de EU door middel van specifieke investeringsinstrumenten zoals leningen, aandelen, garanties, risicodelingsfaciliteiten en adviesdiensten;

J.  overwegende dat de EIB-groep een hoge kredietwaardigheid moet behouden als fundamentele troef van haar bedrijfsmodel, evenals een kwalitatief hoogwaardige, solide activaportefeuille met degelijke investeringsprojecten in het kader van het EFSI en alle financieringsinstrumenten in haar portefeuille;

Wereldwijde uitdagingen en belangrijkste beleidslijnen

1.  benadrukt dat de economische crisis de economische groei in de EU aanzienlijk heeft verzwakt en dat een van de voornaamste gevolgen de daling van de investeringen in de EU is; onderstreept dat de daling van de openbare en particuliere investeringen in de landen die het zwaarst onder de crisis te lijden hebben, alarmerende niveaus heeft bereikt, zoals blijkt uit de bevindingen van Eurostat; is bezorgd over de macro-economische onevenwichtigheden en de werkloosheidscijfers, die in sommige lidstaten nog steeds aanzienlijk zijn;

2.  verwacht van de EIB dat ze met de Commissie en de lidstaten blijft samenwerken om de systemische tekortkomingen aan te pakken die het bepaalde regio's of landen beletten optimaal gebruik te maken van de financiële activiteiten van de EIB;

3.  is verheugd dat de EIB-groep bereid is om het concurrentievermogen van de EU te versterken, reële steun te verlenen voor groei en het scheppen van banen en bij te dragen tot het oplossen van de sociaal-economische uitdagingen binnen en buiten de EU door haar overkoepelende beleidsdoelstellingen op het gebied van innovatie, financiering van kmo's en midcaps, infrastructuur, milieu, economische en sociale cohesie en het klimaat na te streven; herinnert eraan dat deze doelstellingen ook vereisen dat er collectieve goederen worden geleverd; benadrukt dat, om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie met succes te verwezenlijken, alle activiteiten van de EIB-groep niet alleen economisch haalbaar moeten zijn, maar ook moeten bijdragen aan een slimmere, groenere en meer inclusieve EU; verzoekt de EIB in dit verband om samen te werken met kleine marktspelers en gemeenschapscoöperaties om kleinschalige projecten op het gebied van hernieuwbare energie te hergroeperen opdat zij in aanmerking komen voor EIB-financiering; benadrukt dat er sprake moet zijn van coherentie tussen de instrumenten die nodig zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken;

4.  verwelkomt in dit opzicht de aanpak van de Commissie om verschillende bronnen van financiering, waaronder het EFSI, centraal beheerde financiële instrumenten op EU‑niveau en middelen van de door de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) ondersteunde programma's, evenals middelen van de lidstaten en middelen van nationale stimuleringsinstellingen, te combineren, wat het mogelijk heeft gemaakt risicovollere projecten en projecten met een beperkte toegang tot financiering te bedienen, hetgeen gunstig is voor kmo's;

5.  is verheugd dat de EIB haar toezegging om de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs te steunen, heeft bevestigd; is van mening dat de voor 2018 geplande herziening van de criteria met betrekking tot kredietverlening voor energie van de EIB voor de bank een gelegenheid zal zijn om de steun die zij aan de sector fossiele brandstoffen verleent, te inventariseren en om uitgebreide relevante en aanverwante informatie te publiceren; dringt er in dit verband bij de bank op aan om de concrete actieplannen te publiceren die uit haar klimaatstrategie voor 2015 voortvloeien, en haar portefeuille af te stemmen op de doelstelling om de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging op 1,5 °C te houden, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs, door projecten voor fossiele brandstoffen snel en volledig uit te faseren en prioriteit te geven aan projecten voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie; is ingenomen met de conclusies van de Raad van 10 oktober 2017 over klimaatfinanciering(4) en benadrukt dat het van belang is dat er voldoende financiering beschikbaar wordt gesteld voor duurzame, groene investeringen, waaronder voor biogebaseerde industrieën(5); verzoekt de EIB financiële steun te blijven verstrekken aan duurzame, lokale energiebronnen om Europa minder afhankelijk te maken van externe leveranciers en de bevoorradingszekerheid te waarborgen; verzoekt de EIB te overwegen de Rio‑klimaatindicatoren van de OESO over te nemen om klimaatgerelateerde uitgaven uit hoofde van de ESI-fondsen te traceren en te controleren, zodat in het kader van de beoordeling van de rol van de ESI-fondsen bij de aanpak van de klimaatverandering beter rekening kan worden gehouden met de EIB-activiteiten in verband met het cohesiebeleid;

6.  benadrukt dat de EIB zeer uiteenlopende resultaten behaalt op het gebied van klimaatactie, ondanks het feit dat ze haar algemene doelstelling van 25 % met een kleine marge heeft behaald; is bezorgd dat in 16 lidstaten de EIB-steun voor klimaatactie niet eens 20 % bedroeg en dat de klimaatactie-investeringen in 2016 voornamelijk naar de sterkere economieën in de EU gingen, waarbij 70 % van de EFSI‑steun voor hernieuwbare energie naar slechts één land ging, namelijk België, en 80 % van de EFSI-investeringen voor energie-efficiëntie werd toegekend aan Frankrijk, Finland en Duitsland;

7.  is ermee ingenomen dat de EIB op de crisis heeft gereageerd met een aanzienlijke uitbreiding van haar activiteiten, ook in de zwaarst getroffen landen; verzoekt de EIB de EU-landen verder te steunen om bij te dragen tot hun economisch herstel;

8.  herinnert eraan dat de invloed van de brexit op de huidige begroting van de EIB en haar activiteiten zo spoedig mogelijk moet worden verduidelijkt, opdat de instelling haar taken kan blijven vervullen; merkt op dat het VK voorzag in 16,11 % van het kapitaal van de EIB, wat neerkomt op 3,5 miljard EUR van het gestorte kapitaal en 35,7 miljard EUR van het opvraagbare kapitaal van de bank; benadrukt dat het van belang is dat er duidelijkheid wordt verschaft over de hoogte van de bijdrage van het VK aan de begroting van de EIB en de toekomstige economische participatie van het VK; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat het vertrek van het VK niet tot gevolg heeft dat de EIB de EU-economie in mindere mate kan ondersteunen; benadrukt in dit verband dat er zo snel mogelijk rechtszekerheid moet worden gecreëerd omtrent de lopende projecten in het VK die de EIB medefinanciert; is van mening dat het VK op het gebied van investeringen moet worden behandeld zoals elke andere lidstaat zolang het de Unie niet formeel heeft verlaten, maar dat de EIB gegronde redenen heeft om investeringen te onderwerpen aan de voorwaarde dat tijdens de volledige duur van de investeringen wordt voldaan aan de subsidiabiliteitscriteria ervan, met name op het gebied van milieunormen;

9.  benadrukt het belang van de financieringsactiviteiten van de EIB in de oostelijke en zuidelijke nabuurschap, waar zij de landen ondersteunt die moeilijke economische en democratische hervormingen moeten doorvoeren als onderdeel van hun weg naar toetreding tot de EU; wijst erop dat de belangrijkste financieringsactiviteiten tevens gericht moeten zijn op de aanpak van zowel dringende behoeften als uitdagingen voor de langere termijn, zoals de heropbouw van infrastructuur, het garanderen van toereikende huisvesting en infrastructuur van noodhulpdiensten en de bestrijding van jeugdwerkloosheid; benadrukt dat het voor de EIB noodzakelijk is externe operaties uit te voeren, zodat zij haar activiteiten specifiek kan richten op gebieden die van groot belang zijn voor de EU; benadrukt in dit verband dat het mandaat van de EIB voor externe leningen is uitgebreid ter uitbreiding van het aantal activiteiten in de zuidelijke buurlanden, het Middellandse Zeegebied, Latijns-Amerika en Azië; onderstreept verder de grote mogelijkheden voor de EIB om verbetering te brengen in de economische situatie in regio's die van groot geopolitiek belang zijn, in het bijzonder Oekraïne, waar sprake is van grote economische stress als gevolg van het aanhoudende gewapende conflict in het oosten van dat land;

10.  meent dat de EIB, als "de EU-bank", die in de Verdragen en het desbetreffende daaraan gehechte protocol is opgenomen en verankerd, deze unieke status, die unieke rechten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, moet waarmaken; stelt vast dat de EIB een cruciale rol vervult bij de implementatie van een groeiend aantal financieringsinstrumenten die de begrotingsmiddelen van de EU een hefboomeffect geven;

11.  merkt op dat de waarde van de ondertekende EIB-leningen volgens het activiteitenplan 2017-2019 in 2019 naar verwachting opnieuw zal stijgen (tot 76 miljard EUR, na een daling van 77 miljard EUR in 2014 tot 73 miljard EUR in 2016); wijst erop dat de huidige context de bank ertoe moet aansporen ambitieuzere doelstellingen vast te stellen en meer leningen te ondertekenen; herinnert eraan dat de EIB een fundamentele rol moet spelen bij de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie via instrumenten als Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen;

12.  prijst de EIB voor haar inzet om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken en op te treden in de landen die door de migratiecrisis zwaar op de proef worden gesteld, onder meer door het versterken en aanvullen van humanitaire acties en het ondersteunen van economische groei, de ontwikkeling van en de nodige investeringen in moderne en duurzame stedelijke, gezondheids-, onderwijs- en sociale infrastructuur, het stimuleren van de economische activiteit om banen te scheppen en het bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten en derde landen; verwacht dat de EIB-groep daartoe haar inspanningen opvoert om haar initiatief inzake economische veerkracht en het herziene mandaat voor externe leningen te coördineren met het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO); verzoekt om een verhoging van de financiële steun aan projecten die de economische kosten van de migratiecrisis verlichten en een positief effect hebben op de burgers, vluchtelingen en andere migranten in lidstaten met de grootste vluchtelingen- en migranteninstroom;

13.  verwelkomt in dit verband het crisisrespons- en veerkrachtinitiatief van de EIB, dat tot doel heeft de steun aan de zuidelijke buurlanden van de EU en de Balkanlanden met 6 miljard EUR te verhogen; verlangt dat dit initiatief echte additionaliteit oplevert wat de huidige EIB-activiteiten in de regio betreft;

14.  neemt kennis van het voorstel van de EIB om, binnen de Groep, een dochtermaatschappij op te richten, naar het voorbeeld van het EIF, die gericht zal zijn op financiering buiten Europa; verwacht tijdig op de hoogte te worden gehouden over eventuele ontwikkelingen met betrekking tot deze kwestie;

15.  is ingenomen met de strategie van de EIB-groep inzake gendergelijkheid en economische empowerment van vrouwen die in 2017 werd gepubliceerd; is van mening dat op alle financiële verrichtingen van de EIB-groep een genderperspectief moet worden toegepast; verwacht dat spoedig een genderactieplan met ambitieuze doelstellingen en concrete indicatoren ten uitvoer wordt gelegd;

16.  is ingenomen met de overeenstemming die is bereikt over de verlenging en aanpassing van het EFSI en verwacht dat het herziene fonds en de verbeterde Europese investeringsadvieshub het mogelijk zullen maken de in de huidige regeling vastgestelde problemen te verhelpen, met name wat betreft additionaliteit, duurzaamheid, klimaatactie, geografisch evenwicht en de activiteiten van de advieshub; benadrukt het belang van het vermijden van geografische onevenwichtigheden in de leningsactiviteiten van de EIB om zo een bredere geografische en sectorale toewijzing te verzekeren, zonder dat dit ten koste gaat van de uitstekende kwaliteit van de projecten; roept de EIB op haar samenwerking met nationale stimuleringsbanken en ‑instellingen (NPBI's) verder te versterken om het bereik te vergroten, en haar activiteiten op het gebied van advies en technische bijstand verder uit te breiden om de kwestie van geografische onevenwichtigheden op lange termijn aan te pakken; constateert dat er sprake is van een breed scala aan ervaringen met betrekking tot EFSI-projecten; ondersteunt en stimuleert een verdere uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de EIB en de lidstaten om de economische doeltreffendheid en toereikende hefboomwerking van het plan-Juncker te waarborgen, wat een verschil zal maken voor het leven van EU-burgers;

17.  stelt vast dat de EIB in de sociale sector jaarlijks gemiddeld 1 miljard EUR aan leningen verstrekt voor socialehuisvestingsprojecten (waar de afgelopen jaren sprake was van een sterke toename en een verdere diversificatie van de promotoren en kredietnemers), 1,5 miljard EUR voor gezondheidsinfrastructuur en 2,4 miljard EUR voor projecten op het gebied van onderwijsinfrastructuur; onderstreept dat de verdere ontwikkeling van de EIB-financiering in deze sector een afspiegeling zou zijn van de vooruitgang die momenteel wordt geboekt als het erop aankomt de EU-pijler van sociale rechten te handhaven en ervoor te zorgen dat de EIB-groep, overeenkomstig de verwachtingen, prioriteit geeft aan de projecten die het meeste effect hebben op het scheppen van duurzame lokale banen;

18.  is verheugd dat, volgens het overzicht van de afdeling Economische zaken van de EIB van 28 september 2017, de cumulatieve investeringen die de EIB-groep in 2015 en 2016 heeft goedgekeurd het bbp van de EU tegen 2020 met 2,3 % zullen verhogen en tot 2,25 miljoen nieuwe banen zullen leiden, wat erop wijst dat de EIB een aanzienlijk macro-economisch effect heeft; moedigt de EIB aan haar macro-economische analysecapaciteit, met inbegrip van onderzoek naar het macro-economische effect van haar activiteiten, haar algemene analytische werkzaamheden en sectorale studies en haar reeks empirische papers en publicaties uit te breiden en op die manier ook een "kennisbank" te worden; verzoekt de EIB om de beoordeling van projecten te blijven verbeteren door gebruik te maken van rijkere, nauwkeurigere en verfijnde effectindicatoren;

19.  erkent het belang van de anticyclische rol die de EIB de afgelopen jaren heeft gespeeld; is van mening dat de EIB zich, zodra de economie zich weer op het investeringsniveau van voor de crisis bevindt, hoofdzakelijk zou moeten richten op het dichten van investeringskloven op gebieden waar de markten tekortschieten (bijvoorbeeld vanwege hun aanhoudende focus op de korte termijn en hun onvermogen de prijs van externe factoren op de lange termijn correct in te schatten), teneinde duurzame investeringen, technologische vooruitgang en tot duurzame groei leidende innovatie te stimuleren; onderstreept de noodzaak om prioriteit te verlenen aan innovatiegerichte projecten met een duidelijke toegevoegde waarde voor de EU, alsook aan projecten die regionale ontwikkeling ondersteunen, zoals de stimulering van plattelandsgebieden en andere slecht toegankelijke en onderontwikkelde gebieden;

20.  onderstreept de positieve rol die de EIB heeft gespeeld en blijft spelen in het verkleinen van de overheidsinvesteringskloof; benadrukt dat investeringen, verantwoorde en duurzame structurele hervormingen en een solide begroting een wezenlijk onderdeel moeten vormen van een algemene strategie; dringt erop aan de activiteiten van de EIB in de lidstaten waar mogelijk af te stemmen met de activiteiten, beleidsmaatregelen en doelstellingen van de overheden die zijn vastgesteld in de nationale hervormingsprogramma's en in de landspecifieke aanbevelingen;

21.  onderstreept dat er op EU-niveau belangrijke structurele oorzaken zijn voor de groeiende investeringskloven tussen de lidstaten; verzoekt de EIB haar technische bijstand op te voeren om de lage projectuitwerkingscapaciteit in sommige lidstaten aan te pakken; verzoekt de EIB meer gedetailleerde informatie te verstrekken over de directe en indirecte banen die door elk gefinancierd project gecreëerd worden;

22.  onderstreept dat de EIB krachtens het Verdrag via haar primaire leenactiviteiten moet bijdragen aan de evenwichtige en gestage ontwikkeling van de interne markt en projecten voor de ontwikkeling van minder ontwikkelde regio's en projecten van grensoverschrijdende aard moet ondersteunen, in samenspel met de ESI-fondsen; benadrukt dan ook het potentieel van de belangrijke complementaire rol van de EIB bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, die altijd op prestaties gebaseerd en resultaatgericht moet blijven, onder andere door middel van activiteiten die zijn opgezet met het oog op een grotere capaciteit om projecten voor te bereiden, betere consultancy- en analysediensten en meer leningen voor de nationale medefinanciering van de ESI‑fondsen; verzoekt de Commissie en de EIB hun inspanningen beter op elkaar af te stemmen om de uitwisseling van beproefde werkwijzen verder te bevorderen en investeringsmogelijkheden te verspreiden in alle Europese regio's, met inbegrip van de regio's die niet onder het Cohesiefonds vallen, teneinde de doelstellingen van de economische, sociale en territoriale cohesie beter te verwezenlijken;

23.  benadrukt dat de EIB, als openbare financiële instelling die projecten financiert om EU‑beleid en ‑prioriteiten uit te voeren, moet bijdragen aan economische, sociale en territoriale cohesie, ook in minder ontwikkelde regio's, zoals bepaald is in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; stelt echter tot zijn spijt vast dat, volgens de geografische uitsplitsing van leningen per land waar projecten worden uitgevoerd, vijf lidstaten, en wel de grootste economieën van de EU, 54,11 % van alle in 2016 toegekende leningen hebben ontvangen; verzoekt de EIB en de Commissie te onderzoeken welke omstandigheden tot deze situatie hebben geleid en vóór medio 2018 verslag uit te brengen aan het Parlement; benadrukt dat er een bredere geografische spreiding van middelen nodig is, ook wat betreft de middelen uit het EFSI, die te allen tijde complementair moeten zijn met de ESI-fondsen, om de doelstelling regionale ongelijkheden te verminderen te verwezenlijken; benadrukt dat er een grotere rol is weggelegd voor de EIB bij de financiering van sociaal ondernemerschap en start‑ups, een versnelde groei van de sociale infrastructuur, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en projecten op het vlak van de kringloopeconomie; wijst er in dit verband op dat de EIB ook een belangrijke investeerder in niet-EU-landen is;

24.  neemt kennis van de tussentijdse evaluatie van alle door de EIB-groep beheerde financieringsinstrumenten (InnovFin) van Horizon 2020 en de 15 aanbevelingen die daarin worden gedaan; verwacht van de EIB-groep dat zij een gedetailleerde strategie uitstippelt voor de wijze waarop zij die aanbevelingen wil uitvoeren;

Naleving

25.  herhaalt zijn standpunt dat het Europese rechtskader, met inbegrip van de statuten van de EIB, de EFSI-verordening, de vier verordeningen inzake het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en de vijf ESI-fondsen (het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij), het gebruik moet verbieden van EU-financiering die uiteindelijk naar begunstigden of financiële tussenpersonen gaat van wie bewezen is dat zij betrokken zijn bij belastingontduiking of belastingfraude;

26.  herinnert eraan dat het beleid van de EIB inzake rechtsgebieden die zich niet aan de regels houden ambitieus moet zijn; merkt op dat het gebruik van de gemeenschappelijke EU-lijst van rechtsgebieden in derde landen die zich niet aan de normen inzake goed fiscaal bestuur houden, die op 5 december 2017 door de Raad van de EU werd goedgekeurd en die in geval van geschillen zal prevaleren boven lijsten van andere leidende organisaties, een positieve maar onvoldoende stap is, en vraagt dat verslaglegging per land zonder uitzondering een prominent onderdeel van de strategie van de EIB inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt; verzoekt de EIB om: te voldoen aan de relevante normen en toepasselijke wetgeving inzake de voorkoming van witwassen en de bestrijding van terrorisme, belastingfraude en belastingontduiking; geen gebruik te maken van of deel moet nemen aan constructies voor belastingontwijking, in het bijzonder agressieve regelingen en praktijken op het gebied van fiscale planning die niet voldoen aan de criteria voor goed fiscaal bestuur zoals uiteengezet in de rechtshandelingen van de Unie, conclusies van de Raad, mededelingen van de Commissie en alle aanmaningen van de Commissie; en geen zakelijke betrekkingen te onderhouden met entiteiten die verweven zijn met of gevestigd zijn in rechtsgebieden die niet met de Unie samenwerken voor de toepassing van de internationaal overeengekomen belastingnormen inzake transparantie en uitwisseling van informatie; dringt er bij de EIB op aan om, na een raadpleging met de Commissie en belanghebbenden, haar beleid inzake niet-coöperatieve jurisdicties te herzien en actualiseren, in het licht van de goedkeuring van bovengenoemde Unielijst van niet‑coöperatieve rechtsgebieden; dringt er bij de Commissie op aan jaarlijks een verslag bij het Europees Parlement en bij de Raad in te dienen over de tenuitvoerlegging van dat beleid;

27.  merkt op dat de Commissie in het verleden een aantal door de internationale financiële instellingen(6) ingediende projecten heeft geblokkeerd, omdat deze projecten ongerechtvaardigd complexe belastingregelingen omvatten waarbij gebruik werd gemaakt van schadelijke of ontbrekende belastingbeleidsmaatregelen in derde landen; verzoekt de Commissie en de EIB informatie in hun jaarverslagen op te nemen over projecten waarbij middelen zijn overgemaakt naar offshore-jurisdicties; benadrukt dat het voor internationale financiële instellingen noodzakelijk is het risico uit te sluiten dat EU‑middelen belastingontwijking of belastingfraude direct of indirect in de hand werken;

28.  wijst erop dat zorgen zijn geuit over door de EIB gefinancierde projecten waarbij offshoreconstructies en niet-coöperatieve rechtsgebieden betrokken zijn; verzoekt de Commissie jaarlijks een openbaar verslag te publiceren over het gebruik van EU‑middelen in verband met offshoreconstructies en transfers van de EIB en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) naar deze constructies, inclusief het aantal en de aard van de geblokkeerde projecten, een toelichting betreffende de redenen voor de blokkering van projecten en follow‑upmaatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat EU-middelen niet rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot belastingontwijking en belastingfraude;

29.  is verheugd over het feit dat de EIB rekening houdt met de fiscale gevolgen in de landen waar geïnvesteerd wordt en de wijze waarop deze investeringen bijdragen tot economische ontwikkeling, het scheppen van banen en het verminderen van ongelijkheid;

30.  is van mening dat de EIB, als bank van de Europese Unie, zich meer moet inspannen om ervoor te zorgen dat de financiële tussenpersonen met wie zij in zee gaan geen gebruikmaken van en zich niet inlaten met belastingontwijkingsconstructies, en met name agressieve fiscale planningsregelingen of praktijken die niet stroken met de beginselen inzake goede fiscale governance, zoals vastgelegd in de EU-wetgeving en in aanbevelingen en mededelingen van de Commissie; benadrukt dat de EIB zich er ook van moet vergewissen dat financiële tussenpersonen niet betrokken zijn bij corruptie, witwassen van geld, georganiseerde misdaad of terrorisme;

31.  benadrukt dat het voor de EIB van belang is over betrouwbare en volledige informatie te beschikken inzake de uiteindelijk begunstigden van de middelen van de EIB, ook wanneer de financiering gebaseerd is op particuliere aandelenfondsen; dringt er daarom bij de EIB op aan haar zorgvuldigheidsprocedure en transparantie te versterken wanneer ze met financiële tussenpersonen werkt; is van mening dat het gebruik van criteria voor de selectie van financiële intermediairs en het beschikken over actuele informatie over de uiteindelijke eigendom van ondernemingen – met inbegrip van trusts, stichtingen en belastingparadijzen – optimale werkwijzen zijn die permanent moeten worden nagevolgd; wijst op het feit dat de EIB tijdens het due diligence-proces vaststelt wie de uiteindelijke begunstigden van dergelijke bedrijven zijn; verzoekt de EIB-groep om, teneinde integriteits- en reputatierisico's te beperken, haar contractvoorwaarden te versterken door daarin een bepaling betreffende of een verwijzing naar goed bestuur op te nemen; dringt erop aan dat de EIB een strikte, openbare lijst van criteria voor de selectie van de financiële tussenpersonen opstelt om de EU-inzet voor de bestrijding van belastingmisbruik te versterken en de risico's van corruptie en infiltratie van de georganiseerde misdaad doeltreffender te voorkomen;

32.  is ingenomen met de inspanningen van de EIB om due diligence toe te passen op de tegenpartijen en verrichtingen van de EIB-groep, zoals doorlopende monitoring en controles, om te voorkomen dat de EIB zonder het te weten corruptie, fraude, collusie, dwang, witwassen van geld, belastingfraude, schadelijke belastingpraktijken of terrorismefinanciering faciliteert, met name door de publicatie van regelmatige activiteitenverslagen door de dienst Compliance (Office of the Chief Compliance Officer, OCCO) en nauwe samenwerking met de Algemene Inspectie van de EIB; verzoekt de EIB zich te conformeren aan het nieuwe systeem voor vroegtijdige waarschuwing en uitsluiting van de Europese Commissie;

33.  is verheugd over de samenwerking en uitwisselingen tussen de EIB-groep en de verschillende diensten van de Commissie met betrekking tot de maatregelen in het pakket bestrijding belastingontwijking teneinde duidelijkheid te verschaffen over het toepassingsgebied en de belangrijkste elementen van het wetgevingspakket, de rol en betrokkenheid van de EIB-groep en haar deelname aan overleg met maatschappelijke organisaties over deze kwesties, zowel op het niveau van de raad van bestuur van de EIB‑groep als op het niveau van de diensten van de EIB, zoals de OCCO; roept de EIB op om belastingontwijking aan te pakken in haar due diligence-controles;

Verantwoordingsplicht

34.  is van mening dat de versterkte economische rol van de EIB-groep, haar toegenomen investeringscapaciteit en het gebruik van de EU-begroting om garant te staan voor haar verrichtingen, vergezeld moeten gaan van meer transparantie en meer verantwoording met het oog op een daadwerkelijk democratische controle van haar activiteiten, projectselectie en financieringsprioriteiten;

35.  erkent dat de EIB jaarlijks drie verslagen over haar activiteiten indient bij het Parlement en dat de president en personeelsleden van de EIB regelmatig hoorzittingen bijwonen op verzoek van het Parlement en zijn commissies; herinnert echter aan zijn verzoek om een hoger niveau van parlementaire verantwoording en transparantie van de EIB; herhaalt in dit verband zijn verzoek om de ondertekening van een interinstitutionele overeenkomst tussen de EIB en het Parlement over de uitwisseling van informatie, waarbij de leden de mogelijkheid krijgen om schriftelijke vragen aan de president van de EIB te stellen;

36.  herinnert eraan dat een transparante uitvoering van EU-beleid niet alleen dient tot versterking van de algehele verantwoording door en geloofwaardigheid van de Europese Investeringsbank‑groep, met een duidelijk overzicht van het type financiële intermediairs en eindbegunstigden, maar ook bijdraagt aan een verbeterde doeltreffendheid en duurzaamheid van de gefinancierde projecten, en een nultolerantiebeleid garandeert ten aanzien van fraude en corruptie in haar leningenportefeuille;

37.  is ingenomen met het feit dat het transparantiebeleid van de EIB-groep is gebaseerd op een openbaarmakingspresumptie, waardoor iedereen toegang heeft tot documenten en informatie van de EIB-groep; herhaalt zijn aanbeveling om niet-vertrouwelijke documenten, zoals interinstitutionele akkoorden en memoranda, op de website van de EIB te publiceren, en vraagt de EIB-groep het daar niet bij te laten, maar te blijven zoeken naar manieren om het nog beter te doen;

38.  stelt voor dat de EIB-groep het voorbeeld volgt van de Internationale Financieringsmaatschappij van de Wereldbankgroep en informatie bekend begint te maken over door haar via handelsbanken (de belangrijkste intermediairs/financiële instrumenten die de EIB-groep gebruikt om kmo's te financieren) gefinancierde risicovolle subprojecten;

39.  is verheugd over het feit dat alle projectdocumenten die de EIB-groep aanhoudt op verzoek openbaar worden gemaakt; verzoekt de EIB-groep richtsnoeren te formuleren voor niet-gevoelige en elementaire informatie die bekend zou kunnen worden gemaakt naar aanleiding van eisen inzake proactieve bekendmaking op projectniveau;

40.  verzoekt de EIB-groep in haar openbaarmakingsbeleid te zorgen voor een steeds grotere mate van transparantie met betrekking tot de beginselen van haar prijsbeleid en bestuursorganen; is in dit verband verheugd over de openbaarmaking van de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur van de EIB-groep in januari 2017, het openbaar register van documenten en de publicatie van projectgegevens via het Internationaal Initiatief inzake transparantie van ontwikkelingshulp (IATI)(7); roept op tot publicatie van de notulen van de bijeenkomsten van het directiecomité;

41.  neemt kennis van de lopende herziening van het klokkenluidersbeleid van de EIB‑groep; dringt er bij de EIB-groep op aan de onafhankelijkheid, legitimiteit, toegankelijkheid, voorspelbaarheid, billijkheid en transparantie van haar klachtenmechanisme te versterken, onder andere door bestuurders erbij te betrekken en klagers beter te beschermen; is van mening dat dergelijke maatregelen duidelijk in het belang zijn van de bank, de belanghebbenden en de EU-instellingen;

42.  merkt op dat van de 120 zaken die in 2016 aan de afdeling Fraude-onderzoeken van het Inspectoraat-generaal (IG/IN) werden gemeld, 53 % werd voorgelegd door personeel van de EIB-groep; is verheugd dat het frauderapporteringsmechanisme op de website van de EIB nu beschikbaar is in dertig talen(8); is van mening dat de EIB de lopende werkzaamheden op EU-niveau inzake de bescherming van klokkenluiders nauwgezet moet volgen en dienovereenkomstig haar rapporteringsmogelijkheden moet verbeteren;

43.  verzoekt de EIB-groep voortdurend nadruk te leggen op het monitoren van haar prestaties door middel van prestatiebeoordelingen en het vaststellen van bewezen effecten; spoort de EIB-groep aan om haar monitoringindicatoren, en met name haar additionaliteitsindicatoren, verder te blijven ontwikkelen teneinde de effecten in een zo vroeg mogelijk stadium van de projectgeneratiefase te kunnen beoordelen, en de raad van bestuur voldoende informatie te verstrekken over het beoogde effect, met name wat betreft de bijdrage van projecten aan het EU-beleid, bijvoorbeeld het effect ervan op de werkgelegenheid (zowel tijdens de uitvoering als tijdens het beheer); wijst er voorts op dat de prestaties van financiering door de EIB-groep niet alleen kunnen worden geëvalueerd op basis van een beoordeling van de financiële gevolgen ervan, en vraagt daarom dat het juiste evenwicht wordt behouden tussen de operationele doelstellingen, die in termen van omvang van de verrichtingen worden vastgesteld, en de niet-financiële doelstellingen van het personeel van de EIB-groep; dringt er bijvoorbeeld op aan dat in de prestatiebeoordelingen wordt aangegeven welke specifieke doelen in het kader van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) door het project worden nagestreefd en in welke mate het heeft bijgedragen tot de verwezenlijking ervan; acht het van essentieel belang dat de inwoners van de gebieden die grenzen aan gefinancierde infrastructuurprojecten actief worden betrokken bij de beoordeling ervan;

44.  is verheugd dat de EIB blijft werken aan het verfijnen van haar methodologie voor effectrapportage, bijvoorbeeld om de investeringen die via diverse intermediaire kredietverleningsstructuren en nieuwe producten worden gegenereerd, nauwkeurig in kaart te brengen, en de gezamenlijke stappen die samen met andere multilaterale ontwikkelingsbanken zijn genomen om belangrijke aspecten van de effectrapportage te harmoniseren, zoals in het onlangs samengestelde verslag over de rapportage van klimaatfinanciering en het verslag dat wordt opgesteld over kredietverlening in alle sectoren;

45.  is verheugd over het feit dat resultatenmeting (ReM+) geleidelijk leidt tot een "cultuuromslag" in de EIB-groep; dringt er op aan dat deze exercitie wordt geharmoniseerd en veralgemeend, waarbij ook de indicatoren van Addis Abeba en Parijs zoveel mogelijk worden geïntegreerd; is van mening dat een verdere aanpassing van deze indicatoren door de integratie van lokale standpunten ze minder afstandelijk zou maken zonder afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid;

46.  verzoekt de EIB rekening te houden met de plaatselijke context wanneer ze investeert in derde landen; herinnert eraan dat investeringen in derde landen niet alleen gebaseerd mogen zijn op winstmaximalisatie, maar ook gericht moeten zijn op de totstandbrenging van door de private sector geleide duurzame economische groei op lange termijn en op de beperking van armoede door het scheppen van banen en een betere toegang tot productieve hulpmiddelen;

47.  merkt op dat in veel van de landen waar de EIB actief is mensenrechten, en dan in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging, op verschillende manieren worden geschonden, waarbij het gaat om voorvallen variërend van met geweld neergeslagen protesten en de criminalisering van vrije meningsuiting tot willekeurige arrestaties en de gevangenneming van mensenrechtenverdedigers en het opleggen van beperkingen aan organisaties van het maatschappelijk middenveld; roept de EIB op een actieplan voor mensenrechten aan te nemen teneinde de doelstellingen van het strategisch EU‑kader en ‑actieplan voor mensenrechten en democratie, en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN ten uitvoer te leggen en zo eventuele negatieve effecten van EIB-projecten op de mensenrechten te voorkomen, te garanderen dat EIB-projecten bijdragen aan de verbetering en verwezenlijking van mensenrechten en rechtsmiddelen te bieden in het geval van mensenrechtenschendingen;

48.  is verheugd over de publicatie van het raamwerk voor resultaatmeting (ReM), maar is van mening dat de resultaten van dergelijke beoordelingen voor alle verrichtingen bekend moeten worden gemaakt, met inbegrip van de milieu- en sociale effecten op het niveau van projecten of subprojecten; is ingenomen met de tussentijdse evaluatie van het mandaat voor externe leningen, in het kader waarvan de EIB nu, op verzoek, de ReM-formulieren voor projecten die onder de EU-begrotingsgarantie vallen aan het Parlement zal doen toekomen; roept de EIB niettemin op eveneens de ReM-formulieren te publiceren voor individuele projecten buiten de EU en de formulieren voor de beoordeling op basis van de drie pijlers voor projecten binnen de EU, dit om de transparantie van de bank te vergroten;

49.  dringt er bij de EIB op aan alle relevante documenten openbaar te maken met betrekking tot leningen aan de automobielsector voor de ontwikkeling van dieseltechnologie, met inbegrip van het respectievelijke verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en zijn aanbevelingen inzake EIB-leningen aan Volkswagen; verzoekt de EIB meer in het algemeen toe te lichten in welke mate leningen werden verstrekt aan autofabrikanten waarvan is vastgesteld dat zij emissies hebben gemanipuleerd, en een overzicht te geven met betrekking tot de vraag hoeveel van deze leningen werden meegeteld als klimaatactie; verlangt in dit verband opheldering over de huidige controlemechanismen die met betrekking tot recentere leningovereenkomsten met autofabrikanten moeten waarborgen dat daadwerkelijk sprake is van een schone technologie-benadering, bijvoorbeeld ter ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van connectiviteit, efficiënte olie-elektrische hybride motoren, elektrische auto's met een groter bereik en geavanceerde hulpsystemen voor bestuurders;

50.  is verheugd over de goedkeuring door de EIB-groep van normen voor een hoog niveau van transparantie en verantwoordingsplicht met betrekking tot haar leenactiviteiten aan kmo's, alsook over het feit dat financiële intermediairs in hun verplichte verslaglegging over elke kmo die steun van de EIB-groep ontvangt, rekening zullen houden met deze resultaten wanneer vervolgtransacties met dezelfde intermediair worden overwogen;

51.  onderstreept dat het EOM, na de inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt(9) en van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (het "EOM")(10) onderzoek zal verrichten naar EIB-verrichtingen in de lidstaten wanneer de nationale autoriteiten of het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) reden hebben te vermoeden dat er in dit verband een strafbaar feit is gepleegd;

52.  wijst op de beperkte informatie over de mate waarin de kredietverlening van de EIB bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid; verzoekt de EIB dan ook speciale hoofdstukken in zijn jaarverslag te wijden aan de evaluatie van de effecten van de activiteiten van de EIB die bedoeld zijn om de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid te ondersteunen, met inbegrip van activiteiten in het kader van Interreg, en om gedetailleerde informatie te verschaffen over het gebruik van leningen voor projecten en programma's in het kader van het cohesiebeleid, onder verwijzing naar onder andere de geografische spreiding van de steun, de daadwerkelijk bijdrage ervan aan de doelstellingen van het cohesiebeleid, met inbegrip van horizontale beginselen en de Europa 2020-strategie, en het concrete vermogen om particuliere investeringen in te zetten; benadrukt in dit verband dat de EIB de verantwoordelijkheid heeft om voldoende gegevens te verstrekken aan het Europees Parlement, de Rekenkamer e.a., onder meer over de kosten en het beheer van zijn producten, en staat tevens stil bij de meerwaarde van uitgesplitste gegevens op EU-niveau over de combinatie van investeringen uit hoofde van het cohesiebeleid en van de EIB;

Financiële activiteiten van de EIB-groep

53.  vraagt de EIB-groep actief met de Commissie samen te werken bij het rationaliseren van het aantal en de soorten financieringsinstrumenten in het volgende meerjarig financieel kader (MFK) en op dit proces te anticiperen door in een eerste fase op basis van haar eigen ervaring de aandacht te vestigen op bestaand dubbel werk en overlappingen;

54.  is van mening dat de financieringsinstrumenten van de EIB-groep moeten dienen voor projecten die zijn geselecteerd op basis van hun eigen merites, hun potentieel om toegevoegde waarde te genereren voor de hele EU en effectieve additionaliteit, met name in gebieden waar markten projecten niet financieren en ondersteunen, waarbij het juiste evenwicht moet worden gevonden tussen een mogelijk hoger risicoprofiel en de fundamentele noodzaak om haar hoge kredietwaardigheid te behouden;

55.  waarschuwt er in dit verband voor dat marktgestuurde instrumenten de aandacht van de EU-begroting dreigen af te leiden van openbare collectieve goederen van de EU, en moedigt de EIB-groep aan in haar rapportage aan de Commissie meer de nadruk te leggen op de kwaliteit dan op de kwantiteit van haar financiering in het kader van financiële instrumenten;

56.  merkt op dat de EIB-groep, om volledig gebruik te maken van de additionele risicocapaciteit, verschillende nieuwe producten heeft ontwikkeld die het nemen van hogere risico's mogelijk maken (bijvoorbeeld in de vorm van achtergestelde schulden, aandelen, risicodeling met banken), en haar kredietrisicobeleid en de criteria voor het aanmerking komen van leningen heeft herzien om een grotere flexibiliteit mogelijk te maken;

57.  vraagt de EIB-groep haar risicocultuur verder te ontwikkelen om haar effectiviteit alsook de complementariteit en de synergieën tussen haar optreden en diverse beleidsgebieden van de EU te verbeteren, met name door steun te verlenen aan innovatieve bedrijven, infrastructuurprojecten en kmo's die risico's nemen of zich ontwikkelen in regio's met een economische achterstand of een gebrek aan stabiliteit, in overeenstemming met de terugkerende langetermijndoelstelling om kmo's makkelijker toegang te geven tot financiering, zonder echter afbreuk te doen aan de beginselen van goed beheer of de zeer goede kredietwaardigheid van de EIB in gevaar te brengen; herinnert eraan dat instrumenten die gebaseerd zijn op overdracht van risico niet risicoloos kunnen zijn als zij moeten bijdragen aan de economische ontwikkeling van de EU en de economische, sociale en territoriale cohesie; benadrukt dat de EIB en haar aandeelhouders zich hier volledig bewust van moeten zijn; moedigt de EIB aan de mogelijkheid te onderzoeken om de rechtstreekse aankoop van EIB-obligaties aan te bieden;

58.  merkt op dat de steun van de EIB-groep aan kmo's en midcaps in 2016 33,6 miljard euro bedroeg en heeft bijgedragen aan het scheppen van 4,4 miljoen banen; benadrukt hoe belangrijk het is dat de EIB-groep kmo's en midcaps voortdurende steun blijft bieden door hun toegang tot financiering te verbeteren; benadrukt dat kmo's de ruggengraat van de Europese economie zijn en de belangrijkste doelgroep moeten blijven vormen van de leenactiviteiten van de EIB-groep, hetgeen kan worden bereikt door de verdere versterking van financieringsinstrumenten voor kmo's en midcaps;

59.  herinnert eraan dat meer dan 90 % van de kmo's in de EU micro-ondernemingen zijn die voorzien in bijna 30 % van de werkgelegenheid in de private sector; wijst erop dat micro-ondernemingen kwetsbaarder zijn voor economische schokken dan grotere bedrijven en wellicht benadeeld worden als het op kredietverstrekking aankomt, met name als ze gevestigd zijn in een regio met een ongunstig economisch en bankklimaat; verzoekt de EIB een strategie op te stellen om de problemen op te lossen die kmo's in dergelijke omstandigheden ondervinden bij de toegang tot projectfinanciering;

60.  erkent dat toegang tot financiering nog steeds een van de grootste obstakels vormt voor de groei van de culturele en creatieve sector; benadrukt dat er dringend financieringsinitiatieven nodig zijn om deze sector te versterken; benadrukt de mogelijkheden van de EIB en het EFSI om de creatieve sector te ondersteunen, voornamelijk door middel van de financiering van kmo's; verzoekt de EIB het gebrek aan EFSI-financiering van de culturele en creatieve sector aan te pakken door mogelijke samenwerkingsvormen met Creatief Europa te onderzoeken;

61.  roept de EIB-groep op meer samen te werken met financieel deugdelijke intermediairs zoals nationale stimuleringsbanken en ‑instellingen voor de uitvoering van bepaalde soorten projecten, hetgeen haar zeer goede kredietwaardigheid niet in zal gevaar brengen;

62.  is van mening dat veel bestuursregels van de EIB-groep zijn ontworpen om haar zeer goede kredietwaardigheid te waarborgen, maar dat er erg weinig informatie beschikbaar is over hoe ver de EIB-groep is verwijderd van een lagere rating;

63.  onderstreept dat de due diligence met betrekking tot door de EIB-groep gefinancierde investeringsprojecten gebaseerd moet zijn op zowel factoren die verband houden met het financiële rendement als factoren die geen verband houden met het financiële rendement, maar met de verwezenlijking van andere soorten doelstellingen, zoals de bijdrage van het project aan opwaartse economische convergentie en cohesie in de EU of de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen of de SDG's; is van mening dat de EIB-groep deze niet-financiële criteria op passende wijze aan institutionele en particuliere beleggers (bijvoorbeeld pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen) moet uitleggen, zodat de aandacht voor sociaal-economische en milieueffecten in de gehele financiële sector toeneemt;

64.  is van mening dat de EIB-groep, als een gespannen situatie op de financiële markten de verwezenlijking van een levensvatbaar project in de weg staan of als het noodzakelijk is bij te dragen tot de oprichting van investeringsplatformen of de financiering van projecten in sectoren of gebieden waar sprake is van ernstig marktfalen of suboptimale investeringssituaties, wijzigingen – met name in de vergoeding van de EU-garantie aan de EIB – moet doorvoeren en documenteren om bij te dragen tot een verlaging van de financieringskosten van de actie die door de begunstigde van de financiering van de EIB-groep worden gedragen via financieringsinstrumenten, teneinde de projectuitvoering te vergemakkelijken; is van mening dat waar nodig soortgelijke inspanningen moeten worden geleverd om ervoor te zorgen dat financieringsinstrumenten kleine projecten ondersteunen en dat als het gebruik van lokale of regionale intermediairs een verlaging van de kosten van de financiering van kleine projecten via financieringsinstrumenten mogelijk maakt, ook deze vorm van inzet moet worden overwogen;

65.  is ingenomen met de onlangs goedgekeurde eigenvermogenstrategie, die voorziet in een betere beoordeling van verrichtingen van het type eigen vermogen om iets te doen aan het tekort aan aandelenfinanciering op de prioritaire gebieden innovatie en infrastructuur in de EU, met name op twee marktgebieden: indirecte aandelenfinanciering (kapitaaldeelname in infrastructuurfondsen en co‑investeringsprogramma's) en directe aandelenfinanciering (achtergestelde leningen aan vennootschappen en aan midcaps), met een combinatie van directe en indirecte instrumenten (aandelenfondsen en participatieleningen);

66.  is verheugd over de steun van het EIF die al wordt verleend aan crowdfundingplatforms die binnen het toepassingsgebied van bestaande activiteiten vallen, over de bereidheid om selectief steun te blijven verlenen aan platforms die binnen het toepassingsgebied vallen, of de uitbreiding van bestaande programma's, en over de werkzaamheden die samen met de Commissie worden uitgevoerd met het oog op een mogelijk proefproject voor crowdfunding met vreemd en eigen vermogen; stelt voor dat het EIF onderzoekt hoe op fintech gestoelde financiële intermediairs die steun nodig hebben, kunnen worden geïdentificeerd en bereikt;

67.  verzoekt de Commissie om de kosten van de mandaten van de EIB vast te stellen en er zorgvuldig toezicht op te houden; herinnert eraan dat de administratieve kosten die hiermee gepaard gaan van invloed kunnen zijn op de algemene prestaties van de EIB, gezien het huidige niveau van haar financiële en personele middelen;

68.  onderstreept dat de EIB een steeds grotere rol speelt in het cohesiebeleid, voornamelijk vanwege het toegenomen gebruik van financieringsinstrumenten in combinatie met subsidies; wijst er echter op dat die financieringsinstrumenten nog steeds zeer moeilijk toegankelijk zijn voor de eindbegunstigden en dat de lidstaten en regio's dit wijten aan de complexe procedures zoals die zijn neergelegd in het Financieel Reglement en de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GBV), onder andere op het vlak van onevenredige kosten en tarieven, en aan de concurrentie met aantrekkelijkere nationale of regionale instrumenten; is in dit verband ingenomen met de invoering van het adviesplatform fi‑compass als centraal loket voor adviesdiensten over financieringsinstrumenten in het kader van het cohesiebeleid; verzoekt desondanks om meer technische bijstand, vereenvoudiging van de bestaande procedures, en meer nadruk op de capaciteitsopbouw ten opzichte van financiële tussenpersonen, en wijst erop dat beheerskosten en vergoedingen beter moeten worden gekoppeld aan de prestaties van de fondsbeheerder van financieringsinstrumenten uit de ESI-fondsen; wijst er niettemin op dat subsidies een doeltreffende vorm van ondersteuning zijn in talrijke domeinen van overheidsinterventie en daarom het hoofdinstrument van het cohesiebeleid moeten blijven vormen, en dat financieringsinstrumenten geconcentreerd moeten worden in sectoren waarin zij meerwaarde hebben ten opzichte van subsidies, en dat de beheersautoriteiten zelf moeten kunnen besluiten over het gebruik ervan; wijst erop dat een sterker samenwerkingsverband tussen het EIB en het Europees Parlement moet worden bevorderd, om beter toezicht op de activiteiten van de EIB mogelijk te maken;

Communicatie- en adviesactiviteiten van de EIB-groep

69.  betreurt dat de potentiële begunstigden van financiering van de EIB-groep over het algemeen onvoldoende op de hoogte zijn van de door de EIB-groep ontwikkelde producten; vraagt zich af of de toeleveringsketen van de EIB-groep wel voldoende divers en inclusief is;

70.  is van mening dat de EIB-groep in samenwerking met haar desbetreffende nationale partners haar communicatie moet verbeteren, opdat kmo's zich meer bewust worden van hun financieringsmogelijkheden en burgers beter geïnformeerd worden over de lokale, concrete projecten die door de EU worden gefinancierd;

71.  is in dit verband verheugd over de partnerschappen die momenteel met internationale en nationale instellingen worden gesloten om te zorgen voor complementariteit met de adviesdiensten van de EIB;

72.  betreurt het gebrek aan beschikbare gegevens over de rol van de EIB in elk stadium van de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid en de beperkte informatie over de mate waarin de kredietverlening van de EIB bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid; benadrukt de noodzaak van en pleit voor meer inspanningen om meer transparantie te bewerkstelligen en betere communicatie tot stand te brengen zodat de informatie de eindbegunstigden op regionaal en lokaal niveau bereikt en de zichtbaarheid van projecten groter wordt;

73.  verwacht dat de Commissie, de EIB-groep en nationale, regionale en lokale overheden in een geest van complementariteit blijven samenwerken met NPBIs en deze samenwerking intensiveren om meer synergieën tot stand te brengen tussen de ESI‑fondsen en de financieringsinstrumenten en leningen van de EIB, de administratieve lasten terug te dringen, procedures te vereenvoudigen, de administratieve capaciteit te vergroten, territoriale ontwikkeling en cohesie te stimuleren en het inzicht in de ESI-fondsen en financiering van de EIB te verbeteren, aangezien NPBIs een grondige kennis hebben van hun respectieve grondgebied en in staat zijn om op maat gemaakte financieringsinstrumenten lokaal te implementeren;

o
o   o

74.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de EIB en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 128 van 19.5.2017, blz. 1.
(2) PB L 345 van 27.12.2017, blz. 34.
(3) PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1.
(4) http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2017/10/10/conclusions-climate-change/pdf
(5) Bijvoorbeeld kwalitatieve, solide projecten die niet gefinancierd worden door de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën.
(6) De EIB, het EIF en het Wereldfonds voor energie-efficiency en hernieuwbare energie.
(7) Resolutie van het Europees Parlement van 28 april 2016 over de Europese Investeringsbank (EIB) – Jaarverslag 2014 (Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0200).
(8) http://www.eib.org/attachments/general/reports/ig_fraud_investigations_activity_report_2016_en.pdf
(9) PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29.
(10) PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 28 september 2018Juridische mededeling