Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2527(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0082/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 08/02/2018 - 12.10
CRE 08/02/2018 - 12.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0040

Aangenomen teksten
PDF 183kWORD 55k
Donderdag 8 februari 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
De huidige mensenrechtensituatie in Turkije
P8_TA(2018)0040RC-B8-0082/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 8 februari 2018 over de huidige mensenrechtensituatie in Turkije (2018/2527(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over het voortgangsverslag van de Commissie over Turkije uit 2016(2),

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie, Federica Mogherini, en de commissaris voor Europees nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen, Johannes Hahn, van 2 februari 2018 over de meest recente ontwikkelingen in Turkije, hun verklaring van 14 juli 2017 – een jaar na de couppoging in Turkije, en hun verklaring van 13 maart 2017 over het advies van de Commissie van Venetië over de amendementen op de grondwet van Turkije en de recente gebeurtenissen,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 8 juni 2017 over de gemelde detentie van het hoofd van Amnesty International Turkije, Taner Kılıç, de verklaring van 8 juli 2017 over de detentie van mensenrechtenactivisten op het eiland Büyükada in Turkije, en de verklaring van 26 oktober 2017 over lopende mensenrechtenprocessen in Turkije,

–  gezien de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Turkije van 25 juli 2017,

–  gezien de schriftelijke opmerkingen van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, die waren ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: van 2 november 2017 met betrekking tot een cluster van twaalf verzoeken in verband met de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid en veiligheid van parlementsleden in Turkije, en van 10 oktober 2017 met betrekking tot een cluster van tien verzoeken in verband met de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van journalisten in Turkije,

–  gezien resolutie 2156 (2017) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de werking van de democratische instellingen in Turkije,

–  gezien het feit dat de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten tot de fundamentele waarden van de EU behoren, waarden die ook voor alle kandidaat-lidstaten van de EU gelden,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 123, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Parlement de couppoging van 15 juli 2016 krachtig heeft veroordeeld; overwegende dat het Turkse parlement op 18 januari 2018 de noodtoestand in Turkije met nog eens drie maanden heeft verlengd; overwegende dat de noodtoestand momenteel wordt gebruikt om kritische geluiden de kop in te drukken en veel verder gaat dan legitieme maatregelen om bedreigingen voor de nationale veiligheid af te wenden; overwegende dat krachtens het internationale recht noodmaatregelen noodzakelijk en evenredig moeten zijn in reikwijdte en duur;

B.  overwegende dat Turkije een belangrijke partner van de EU is en dat van Turkije als kandidaat-land verwacht wordt dat het de strengste democratische normen naleeft, met inbegrip van de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, de fundamentele vrijheden en het universele recht op een eerlijk proces;

C.  overwegende dat 148 ondertekenaars van de petitie "Academici voor vrede" een tenlastelegging boven het hoofd hangt voor het verspreiden van "terroristische propaganda", in afwachting van een rechtszaak in mei 2018;

D.  overwegende dat volgens de Europese Federatie van Journalisten sinds de couppoging nog 148 journalisten in de gevangenis verblijven; overwegende dat het brute optreden tegen afwijkende politieke standpunten via sociale media voortduurt; overwegende dat 449 personen gevangen werden genomen omdat zij commentaren hadden gepost op sociale media met kritiek op het militair ingrijpen van de Turkse regering in de Syrische enclave Afrin; overwegende dat de Turkse autoriteiten volgens Amnesty International honderden middenveldorganisaties hebben opgedoekt en de kantoren van meer dan 160 omroepen, kranten, tijdschriften, uitgeverijen en distributiemaatschappijen hebben gesloten;

E.  overwegende dat de Turkse autoriteiten 107 000 mensen hebben ontslagen sinds juli 2016; overwegende dat de "onderzoekscommissie voor praktijken tijdens een noodtoestand", die is opgericht op aanbeveling van de Raad van Europa sinds 18 januari 2018 al 104 789 aanvragen heeft ontvangen en tot nu slechts in 3 110 zaken besluiten heeft uitgevaardigd die echter niet openbaar zijn gemaakt;

F.  overwegende dat de afgelopen jaren de controle van de uitvoerende macht over het gerechtelijk apparaat en vervolging is uitgebreid, dat arrestaties, ontslagen en de willekeurige overplaatsing van rechters en aanklagers zijn toegenomen en dat advocaten stelselmatig worden aangevallen;

G.  overwegende dat volgens gegevens van de Human Rights Association (HRA) in de eerste elf maanden van 2017 in totaal 2 278 mensen te maken kregen met marteling of mishandeling;

H.  overwegende dat de situatie in het zuidoosten van het land zeer verontrustend blijft; overwegende dat er naar schatting 2 500 slachtoffers zijn gevallen bij veiligheidsoperaties en naar schatting een half miljoen mensen ontheemd zijn geraakt sinds juli 2015; overwegende dat 68 Koerdische burgemeesters nog altijd gevangen worden gehouden;

I.  overwegende dat zich onder de gevangen gehouden journalisten onder meer bevinden de Duits-Turkse journalist Deniz Yücel, de academicus en columnist Mehmet Altan, de journalist Şahin Alpay, alsmede talloze journalisten en medewerkers van het dagblad Cumhuriyet, waaronder Ahmet Şık;

J.  overwegende dat na de opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van een groot aantal parlementsleden veel oppositieleden voor de rechter zijn gedaagd en gevangen zijn gezet; overwegende dat tien parlementsleden nog steeds gevangen zitten, onder wie de medevoorzitters van de HDP Figen Yüksekdağ en Selahattin Demirtaş, die om veiligheidsredenen niet voor de rechtbank mocht verschijnen, en dat CHP-parlementslid Enis Berberoğlu en zes andere parlementsleden na een stemming in het Turkse parlement zijn ontheven uit hun ambt, onder wie de winnares van de Sacharovprijs Leyla Zana;

K.  overwegende dat de Turkse autoriteiten in juli 2017 tien mensenrechtenactivisten (de "tien van Istanbul") hebben gearresteerd, die later op borgtocht zijn vrijgelaten; overwegende dat het gerechtshof van Istanbul zijn eigen besluit om Taner Kılıç, de voorzitter van Amnesty International in Turkije, vrij te laten op 1 februari 2018 heeft herzien en hem voor de duur van zijn proces gevangenhoudt;

L.  overwegende dat een van de vooraanstaande leden van het maatschappelijk middenveld in Turkije, Osman Kavala, op 18 oktober 2017 werd gearresteerd en sindsdien gevangen wordt gehouden op beschuldiging van "een poging om de regering omver te werpen" door zich aan te sluiten bij de protesten in Gezi Park in december 2013;

M.  overwegende dat het gouverneursbureau van Ankara op 19 november 2017 besloot een verbod van onbepaalde duur op te leggen voor elk evenement van LGBTI-organisaties;

N.  overwegende dat, ondanks het feit dat de Turkse grondwet voorziet in de vrijheid van geloof, eredienst en verspreiding van religieuze ideeën en discriminatie op religieuze gronden verbiedt, religieuze minderheden nog steeds kampen met haatmisdrijven, verbale en fysieke agressie, stigmatisering en sociale druk op school en in het openbaar, discriminatie en problemen bij het legaal oprichten van plaatsen voor de eredienst;

O.  overwegende dat, gezien de situatie in Turkije met betrekking tot de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de persvrijheid, de pretoetredingssteun voor Turkije met 105 miljoen EUR is verlaagd ten opzichte van het aanvankelijke voorstel van de Commissie voor de EU-begroting 2018, terwijl nog eens 70 miljoen EUR in reserve wordt gehouden totdat het land op deze gebieden "meetbare voldoende vorderingen" maakt;

P.  overwegende dat het Parlement er in november 2016 op aandrong het toetredingsproces van Turkije te bevriezen en in juli 2017 verzocht dit proces op te schorten indien de grondwetswijzigingen ongewijzigd zouden worden doorgevoerd;

1.  geeft opnieuw blijk van zijn krachtige veroordeling van de couppoging van 16 juli 2016, en spreekt zijn solidariteit uit met de burgers van Turkije; erkent het recht en de verantwoordelijkheid van de Turkse regering om in actie te komen door plegers van misdrijven te berechten, onder waarborging van de eerbiediging van de rechtsstaat en het recht op een eerlijk proces; benadrukt echter dat de mislukte militaire staatsgreep momenteel wordt gebruikt om de legitieme en vreedzame oppositie verder te muilkorven en de media en het maatschappelijk middenveld door middel van onevenredige en onwettige acties en maatregelen te beletten hun recht op vrije meningsuiting op vreedzame wijze uit te oefenen;

2.  toont zich uiterst bezorgd over de verdere teloorgang van de grondrechten, vrijheden en de rechtsstaat in Turkije, en het gebrek aan rechterlijke onafhankelijkheid; veroordeelt het gebruik van willekeurige detentie en juridische en administratieve intimidatie om tienduizenden personen te vervolgen; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan onmiddellijk en onvoorwaardelijk alle personen vrij te laten die alleen gevangen zijn genomen omdat zij hun legitieme werk deden en gebruik maakten van de vrijheid van meningsuiting en vereniging, en die nu worden vastgehouden zonder dwingend bewijs van criminele activiteiten; dringt aan op de opheffing van de noodtoestand in het land en de intrekking van de nooddecreten;

3.  dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te eerbiedigen, onder meer door een duidelijke afwijzing van de doodstraf, alsmede de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, met inbegrip van het beginsel van het vermoeden van onschuld;

4.  dringt er bij de Turkse regering op al degenen tegen wie restrictieve maatregelen zijn getroffen passende en effectieve vormen van beroep en rechterlijke toetsing te bieden, overeenkomstig de rechtsstaat; benadrukt dat het vermoeden van onschuld een grondbeginsel is in elke constitutionele staat; verzoekt Turkije met klem de "onderzoekscommissie voor praktijken tijdens de noodtoestand" op zodanige wijze te herzien dat het een robuuste, onafhankelijke commissie wordt die alle dossiers individueel kan behandelen, en die de enorme aantallen aanvragen die zij ontvangt op effectieve wijze kan verwerken en die er zorg voor kan dragen dat de rechterlijke toetsing geen onnodige vertraging oploopt; dringt er bij de onderzoekscommissie op aan haar besluiten openbaar te maken; verzoekt de Turkse autoriteiten vakbonden toe te staan om legitieme vakbondsactiviteiten te ontplooien;

5.  onderstreept dat terrorisme een rechtstreekse bedreiging blijft vormen voor burgers in Turkije; wijst er echter op dat de breed gedefinieerde Turkse anti-terrorismewetgeving niet mag worden gebruikt om burgers en de media te straffen voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting; veroordeelt in dat opzicht de detentie van en het proces tegen ten minste 148 academici van openbare en particuliere universiteiten die de petitie "Academici voor vrede" hebben ondertekend, en veroordeelt tevens de meest recente arrestaties van journalisten, activisten, artsen en gewone burgers wegens het uiten van hun onvrede over de Turkse militaire operatie in Afrin; is ernstig verontrust over de humanitaire consequenties van de militaire interventie in deze in meerderheid Koerdische regio van Syrië en waarschuwt voor voortzetting van onevenredige acties;

6.  is ten zeerste verontrust over meldingen van mishandeling en marteling van gevangenen en verzoekt de Turkse autoriteiten een grondig onderzoek in te stellen naar deze aantijgingen; herhaalt zijn oproep om publicatie van het verslag van het Comité ter voorkoming van foltering (CTP report) van de Raad van Europa;

7.  veroordeelt met kracht het besluit van het Turkse parlement om de immuniteit van een groot aantal parlementsleden op ongrondwettige wijze op te heffen, waardoor de weg werd vrijgemaakt voor de recente arrestatie van tien oppositieleden, onder wie de medevoorzitters van de Democratische Volkspartij (HDP), Figen Yüksekdağ en Selahattin Demirtaş, en voor de intrekking van het mandaat van zes oppositieleden, onder wie onlangs de winnares van de Sacharovprijs Leyla Zana; veroordeelt de gevangenhouding van 68 Koerdische burgemeesters; veroordeelt de willekeurige vervanging van plaatselijk verkozen vertegenwoordigers, die het democratische bestel van Turkije verder ondermijnt;

8.  vindt het zeer verontrustend dat 160 mediabedrijven bij uitvoeringsdecreet hun deuren moesten sluiten vanwege de noodtoestand; veroordeelt de politieke druk die op journalisten wordt uitgeoefend; spreekt zijn ernstige verontrusting uit over het toezicht op de sociale media en het afsluiten van socialemedia-accounts door de Turkse autoriteiten; dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die worden vastgehouden zonder bewijs, onder wie EU-burgers zoals de Duitse journalist Deniz Yücel, die al een jaar gevangen wordt gehouden, waaronder negen maanden in eenzame opsluiting, terwijl hij nog steeds niet officieel in staat van beschuldiging is gesteld; dringt er bij Turkije op aan de aanklachten in te trekken tegen de door een Turkse rechtbank bij verstek veroordeelde Fins-Turkse journaliste Ayla Albayrak; is ingenomen met het feit dat een aantal journalisten en medewerkers van de oppositiekrant Cumhuriyet na maanden in de gevangenis zijn vrijgelaten, en dringt tevens aan op de onmiddellijke vrijlating van de vier journalisten van Cumhuriyet die nog vastzitten;

9.  is ernstig verontrust over de massale represailles tegen Turkse organisaties van het maatschappelijk middenveld, en met name over de arrestatie van een van de meest vooraanstaande ngo-leiders, Osman Kavala; dringt er bij de Turkse regering op aan Kavala onmiddellijk vrij te laten aangezien zijn arrestatie politiek gemotiveerd en willekeurig is;

10.  stelt bezorgd vast dat de Turkse, van oudsher gekoesterde seculiere beginselen en waarden steeds verder worden uitgehold; maakt zich ernstige zorgen over het gebrek aan respect voor de vrijheid van godsdienst, waaronder de toegenomen discriminatie van christenen en andere religieuze minderheden; veroordeelt de confiscatie van 50 Aramese kerken, kloosters en begraafplaatsen in Mardin; verzoekt de Commissie deze kwesties met spoed aan de orde te stellen bij de Turkse autoriteiten; dringt er bij de Turkse regering op aan dominee Andrew Brunson vrij te laten en hem naar huis te laten terugkeren;

11.  herinnert verder aan het beginsel van non-discriminatie van minderheden, waaronder Roma, die dezelfde rechten op het beleven van hun cultuur en op toegang tot sociale voorzieningen hebben als alle andere burgers;

12.  veroordeelt de verklaring van het gouverneursbureau van Ankara van 19 november 2017 betreffende het besluit om ieder evenement van LGBTI-organisaties voor onbepaalde tijd te verbieden, na drie opeenvolgende jaren waarin de Istanbul Pride-mars verboden werd; verzoekt de Turkse autoriteiten dit verbod in te trekken; is verheugd over de vrijlating van de vooraanstaande LGBTI-activist Ali Erol en roept de Turkse autoriteiten in dit verband op willekeurig gevangen gehouden LGBTI-activisten vrij te laten en het welzijn van Diren Coşkun, die zich in hongerstaking bevindt, te waarborgen;

13.  toont zich andermaal zeer bezorgd over de situatie in het zuidoosten van Turkije, vooral in de gebieden waar een avondklok is ingesteld, buitensporig geweld wordt gebruikt en collectieve straffen worden opgelegd; dringt er bij Turkije op aan met een plan te komen voor de doeltreffende herintegratie van het half miljoen intern ontheemden; veroordeelt het wederom dat de PKK, die sinds 2002 op de terreurlijst van de EU voorkomt, weer zijn toevlucht neemt tot geweld, en dringt erop aan dat ze de wapens neerleggen en vreedzame en democratische middelen aanwenden om hun verwachtingen tot uitdrukking te brengen; wijst erop dat de Turkse regering de verantwoordelijkheid heeft om al zijn burgers te beschermen; betreurt de wijdverspreide praktijk van onteigening, zo ook van eigendommen die de gemeenten toebehoren; is ervan overtuigd dat alleen een billijke politieke oplossing van het Koerdische vraagstuk duurzame stabiliteit en welvaart kan opleveren, in het gebied zelf maar ook in Turkije als geheel, en verzoekt beide partijen dan ook weer plaats te nemen aan de onderhandelingstafel;

14.  uit zijn verontrusting over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in Turkije na het besluit van het strafhof van Istanbul om twee in gevangenschap verblijvende journalisten, Mehmet Altan en Sahin Alpay, vast te houden ondanks het verzoek van het constitutioneel hof om ze vrij te laten omdat hun rechten tijdens hun bewaring geschonden waren; merkt op dat hiermee verder afbreuk wordt gedaan aan de rechtsstaat; betreurt ten zeerste dat de voorzitter van Amnesty International Turkije, Taner Kılıç, onlangs opnieuw is gearresteerd, wat in brede kring wordt beschouwd als een justitiële karikatuur, en roept ertoe op de beschuldigingen aan zijn adres en dat van zijn medeverweerders (de "tien van Istanbul") in te trekken aangezien er nog geen concreet bewijs tegen ze is ingediend;

15.  wijst nogmaals op zijn standpunt van november 2017 waarin werd opgeroepen om de middelen die voor de Turkse autoriteiten zijn bestemd in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) te laten afhangen van verbeteringen op het vlak van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, en om deze middelen indien mogelijk over te hevelen naar organisaties uit het maatschappelijk middenveld; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om bij de toetsing van de IPA-middelen niet alleen rekening te houden met de ontwikkelingen in Turkije, maar ook concrete voorstellen te doen met betrekking tot manieren om meer steun te geven aan het maatschappelijk middenveld in Turkije;

16.  dringt er bij de hoge vertegenwoordiger, de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan de situatie van mensenrechtenverdedigers, politieke activisten, advocaten, journalisten en academici in gevangenschap te blijven aankaarten bij hun Turkse gesprekspartners, en deze slachtoffers diplomatieke en politieke steun te bieden, waaronder het sturen van waarnemers naar processen en het volgen van zaken;

17.  vraagt dat deze resolutie wordt vertaald in het Turks;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de president, de regering en het parlement van Turkije.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0423.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0306.

Laatst bijgewerkt op: 28 september 2018Juridische mededeling