Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2072(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0019/2018

Ingediende teksten :

A8-0019/2018

Debatten :

PV 01/03/2018 - 2
CRE 01/03/2018 - 2

Stemmingen :

PV 01/03/2018 - 8.16

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0058

Aangenomen teksten
PDF 307kWORD 62k
Donderdag 1 maart 2018 - Brussel Definitieve uitgave
Bankenunie – jaarverslag 2017
P8_TA(2018)0058A8-0019/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over de bankenunie – jaarverslag 2017 (2017/2072(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016(1),

–  gezien de feedback van de Commissie en de Europese Centrale Bank (ECB) over de resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016,

–  gezien het verslag van de Commissie van 11 oktober 2017 over het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) opgericht uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013 (COM(2017)0591),

–  gezien de voorstellen tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (CRR) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (CRD IV),

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017 inzake wijzigingen van het Uniekader voor kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen(2),

–  gezien het verslag van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) van 9 juli 2017 over de gevolgen van de IFRS voor de financiële stabiliteit,

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 juli 2017 over het Actieplan inzake niet‑renderende leningen in Europa,

–  gezien het verslag van de subgroep inzake niet-renderende leningen van het Comité financiële diensten van de Raad van 31 mei 2017,

–  gezien de leidraad voor banken inzake niet-renderende leningen van de ECB van 20 maart 2017 en de openbare raadpleging over het ontwerpaddendum bij deze leidraad van 4 oktober 2017,

–  gezien het raadplegingsdocument van de Commissie van 10 november 2017 over wettelijke prudentiële backstops om ontoereikende voorzieningen op te vangen voor nieuw verstrekte leningen die niet-renderend worden,

–  gezien het verslag van het ESRB van 11 juli 2017 over het afwikkelen van niet‑renderende leningen in Europa,

–  gezien de openbare raadpleging van de Commissie van 10 juli 2017 over de ontwikkeling van secundaire markten voor niet-renderende leningen en noodlijdende activa en de bescherming van door een zekerheid gedekte crediteuren bij wanbetaling door kredietnemers,

–  gezien de beoordeling van de ECB van 6 juni 2017 waarin zij tot de conclusie is gekomen dat Banco Popular Español S.A. failliet ging of waarschijnlijk failliet zou gaan,

–  gezien de verklaring van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 7 juni 2017 over de vaststelling van een afwikkelingsbesluit voor Banco Popular Español S.A.,

–  gezien de beoordeling van de ECB van 23 juni 2017 waarin zij tot de conclusie is gekomen dat Veneto Banca en Banca Popolare di Vicenza failliet gingen of waarschijnlijk failliet zouden gaan,

–  gezien de verklaring van de GAR van 23 juni 2017 over het besluit om geen afwikkelingsmaatregelen te nemen ten aanzien van Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca,

–  gezien de verklaring van de Commissie van 25 juni 2017 over de goedkeuring van staatssteun voor het verlaten van de markt door Banca Popolare di Vicenza en Veneto Banca overeenkomstig het Italiaanse insolventierecht, waarbij sommige delen aan Intesa Sanpaolo worden verkocht,

–  gezien de verklaring van de Commissie van 4 juli 2017 over de goedkeuring van staatssteun ter ondersteuning van een preventieve herkapitalisatie van Monte dei Paschi di Siena,

–  gezien de versie van februari 2017 van de ECB-gids voor de gerichte toetsing van interne modellen (TRIM),

–  gezien de ontwerpversie van juli 2017 van de ECB-gids voor inspecties ter plaatse en onderzoeken van interne modellen,

–  gezien het advies van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) van 31 mei 2017 over algemene beginselen ter ondersteuning van toezichtsconvergentie in het kader van de uittreding van het VK uit de EU, evenals haar drie adviezen van 13 juli 2017 over toezichtsconvergentie op het gebied van vermogensbeheer, beleggingsondernemingen en secundaire markten in het kader van de uittreding van het VK uit de EU,

–  gezien het advies van de Europese Bankautoriteit (EBA) van 12 oktober 2017 over aangelegenheden in verband met de uittreding van het VK uit de EU,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2017 over verscherping van het geïntegreerd toezicht ter versterking van de kapitaalmarktenunie en de financiële integratie in een veranderende omgeving (COM(2017)0542) en de voorstellen van de Commissie van 20 september 2017 over de herziening van het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFT), met inbegrip van het "omnibusvoorstel" tot wijziging van de governance, financiering en bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's),

–  gezien de openbare raadplegingen van de ECB van 21 september 2017 over de ontwerpgidsen inzake de beoordeling van aanvragen voor vergunningen als kredietinstelling respectievelijk fintechkredietinstelling,

–  gezien de lijst van de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) van voorwaarden voor totale verliesabsorberende capaciteit (TLAC) van november 2015,

–  gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU, en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (richtlijn herstel en afwikkeling van banken – BRRD),

–  gezien Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (GAM-verordening),

–  gezien de voorstellen van de Commissie van 23 november 2016 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU betreffende de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG, Richtlijn 2002/47/EG, Richtlijn 2012/30/EU, Richtlijn 2011/35/EU, Richtlijn 2005/56/EG, Richtlijn 2004/25/EG en Richtlijn 2007/36/EG (COM(2016)0852), en voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (COM(2016)0851),

–  gezien het advies van de ECB van 8 november 2017 inzake herzieningen van het crisisbeheerkader van de Unie(3),

–  gezien speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 19 december 2017 getiteld "De Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad: de werkzaamheden aan een uitdagende opdracht voor de bankenunie zijn gestart, maar er is nog een lange weg te gaan",

–  gezien de intrekking door de Commissie van het voorstel betreffende structurele maatregelen ter verbetering van de weerbaarheid van EU-kredietinstellingen (COM(2014)0043),

–  gezien het document van de Commissie van 27 april 2017 getiteld "Inbreukenpakket april: voornaamste besluiten" (MEMO/17/1045),

–  gezien het risicodashboard van de EBA, het ESMA-verslag over trends, risico's en kwetsbaarheden nr. 2 (2017), het risicodashboard van het ESRB, het jaarverslag 2016 van het ESRB, de evaluatie van het ESRB van april 2017 inzake macroprudentieel beleid in de EU,

–  gezien Richtlijn (EU) 2017/2399 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft de rang van ongedekte schuldinstrumenten in de insolventierangorde,

–  gezien artikel 107, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis ("bankenmededeling")(5),

–  gezien Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (DGSD),

–  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 getiteld "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie",

–  gezien het voorstel van de Commissie van 24 november 2015 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met het oog op de instelling van een Europees depositoverzekeringsstelsel (COM(2015)0586),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 november 2015 getiteld "Naar de voltooiing van de bankenunie" (COM(2015)0587),

–  gezien de conclusies van de Raad Ecofin van 17 juni 2016 over een routekaart voor de voltooiing van de bankenunie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 oktober 2017 over de voltooiing van de bankenunie (COM(2017)0592),

–  gezien de EU Shadow Banking Monitor nr. 2 van het ESRB van mei 2017,

–  gezien het verslag van het ESRB van maart 2015 over de regelgevende behandeling van blootstellingen aan staatsschulden,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0019/2018),

A.  overwegende dat het totale aantal kredietinstellingen in de eurozone eind 2016 op niet-geconsolideerde basis 5 073 bedroeg, tegen 5 474 eind 2015 en 6 768 eind 2008, hetgeen overeenkomt met een daling van 25 % in de periode van 2008 tot 2016; overwegende dat het totale aantal kredietinstellingen in de eurozone eind 2016 op geconsolideerde basis 2 290 bedroeg, tegen 2 904 in 2008 en 2 379 eind 2015(6); overwegende dat het echter wenselijk is om hierbij ook aan te geven hoe het aandeel van "too big to fail"-banken zich gedurende dezelfde periode heeft ontwikkeld;

B.  overwegende dat er sprake is van grote verschillen in het totale volume en de percentages niet-renderende leningen (NPL's) tussen de lidstaten en dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de banken in de landen met het hoogste percentage niet-renderende leningen; overwegende dat het volume NPL's volgens het verslag van het ESRB van juli 2017 over de afwikkeling van niet-renderende leningen in Europa ("Resolving non-performing loans in Europe") 1 biljoen EUR bedroeg; overwegende dat de grootste banken in Europa volgens het driemaandelijkse risicodashboard van de EBA per 30 juni 2017 een gewogen gemiddeld percentage NPL's (NPL's, vóór aftrek van waardeverminderingen, gedeeld door de totale leningen) van 4,47 % rapporteerden; overwegende dat dit percentage de afgelopen 30 maanden een dalende trend vertoont;

C.  overwegende dat de derivatenmarkt in de EU volgens recente studie van de ESMA goed is voor een nominale waarde van 453 000 miljard EUR;

D.  overwegende dat de bankenunie moet worden versterkt omdat zij een fundamentele doelstelling voor de financiële stabiliteit van de eurozone is en een onmisbare bouwsteen van een echte economische en monetaire unie vormt; overwegende dat er verdere inspanningen nodig zijn om de bankenunie te voltooien, aangezien deze onvoltooid blijft zolang het ontbreekt aan een budgettair vangnet voor het gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds (GAF) en een derde pijler, wat een Europese aanpak van deposito(her)verzekering is; overwegende dat ECB-president Mario Draghi herhaaldelijk heeft verklaard dat een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS) een fundamentele pijler van de bankenunie blijft; overwegende dat een voltooide bankenunie fundamenteel is om de onderlinge verwevenheid tussen overheden en banken te verkleinen; overwegende dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om van bail-outs over te schakelen op bail-ins; overwegende dat risico's in sommige nationale bankenstelsels nog altijd onvoldoende worden aangepakt; overwegende dat de huidige gunstige economische omstandigheden een kans bieden om de nodige hervormingen door te voeren en zo de bankenunie te voltooien;

E.  overwegende dat een echte opschoning van de balansen van banken na de crisis is uitgebleven, wat de economische groei nog steeds hindert; overwegende dat de kapitaal- en liquiditeitsratio's van de banken in de EU de voorbije jaren in het algemeen zijn verbeterd, maar dat sommige banken, ook grote banken, nog steeds ondergekapitaliseerd zijn; overwegende dat er nog steeds risico's voor de financiële stabiliteit zijn, maar dat die al aanzienlijk zijn verminderd sinds met de totstandbrenging van de bankenunie is begonnen; overwegende dat het institutionele en regelgevingskader voor Europese banken fundamenteel is versterkt;

F.  overwegende dat de bankenunie openstaat voor deelname van lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd; overwegende dat tot dusver geen enkele EU-lidstaat heeft besloten op basis daarvan deel te nemen; overwegende dat verscheidene lidstaten momenteel overleg voeren over de mogelijkheid om tot de bankenunie toe te treden; overwegende dat verscheidene financiële instellingen voordelen zien in deelname aan de bankenunie;

G.  overwegende dat onze werkzaamheden met betrekking tot de kapitaalmarktenunie de druk om de werkzaamheden met betrekking tot de bankenunie te voltooien, niet mogen doen afnemen, aangezien de bankenunie nog altijd van essentieel belang is voor de financiële stabiliteit in het van banken afhankelijke landschap van de EU;

H.  overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid van de banken het verschaffen van financiële middelen aan de reële economie is;

I.  overwegende dat de ECB enige flexibiliteit nodig heeft bij de uitoefening van haar toezichthoudende rol, maar dat verreikende en principiële beslissingen uiteindelijk moeten worden overgelaten aan de Europese wetgever;

1.  vraagt de Commissie een verordening als wetgevingsinstrument te gebruiken wanneer zij bankwetgeving voorstelt;

Toezicht

2.  neemt kennis van de beoordelingen van de ECB over het faillissement of het waarschijnlijke faillissement van banken in 2017; stelt ook vast dat het toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijke afwikkelingsmechanisme in deze context hebben gewerkt, en is het met de Commissie eens dat de procedures op grond waarvan wordt besloten of een bank al dan niet failliet gaat of waarschijnlijk failliet zal gaan, moeten worden verbeterd;

3.  wijst op de komende stresstests die de EBA in 2018 zal uitvoeren; vraagt de EBA, het ESRB, de ECB en de Commissie bij het vaststellen van de stresstests consistente methoden, scenario's en veronderstellingen te gebruiken om een potentiële vertekening van de resultaten zoveel mogelijk te vermijden en te voorkomen dat, zoals al is voorgekomen, de resultaten van de stresstests niet stroken met afwikkelingsbesluiten die kort na de presentatie van deze resultaten worden genomen; benadrukt evenwel dat de soliditeit van een bank niet uitsluitend kan worden vastgesteld aan de hand van een beoordeling van de balans op een bepaald moment, aangezien die soliditeit wordt gewaarborgd door een dynamische wisselwerking tussen de bank en de markten en wordt beïnvloed door verschillende elementen in de economie als geheel; is voorts van mening dat de eigen stresstests die de ECB op de overige banken onder haar toezicht toepast, baat zouden kunnen hebben bij meer transparantie;

4.  benadrukt het belang van de samenwerking tussen de EBA als regelgevende autoriteit en het GTM als toezichthoudende autoriteit; wijst in dit verband op de taakverdeling tussen de ECB en de EBA en op het verschillende geografische toepassingsgebied van de activiteiten van deze instellingen; beveelt in dit verband aan om de concrete coördinatie van de door beide instellingen te nemen initiatieven waar mogelijk te verbeteren om de consistentie van het gemeenschappelijke rulebook te garanderen, maar erkent dat het GTM een leidende rol moet hebben wanneer bankenuniespecifieke problemen of lacunes in de regelgeving worden vastgesteld;

5.  is verheugd over het feit dat de bankenunie de uitwisseling van relevante informatie tussen toezichthoudende autoriteiten en de verzameling en uitwisseling van gegevens over het Europese bankenstelsel heeft verbeterd, wat bijvoorbeeld bijdraagt tot betere benchmarks en een holistischer toezicht op grensoverschrijdende bankengroepen mogelijk maakt; is ingenomen met het uitstekende werk van de gezamenlijke toezichtsteams (JST's); merkt op dat de Commissie gebieden heeft vastgesteld waarop verbetering nodig is met betrekking tot de uitwisseling van informatie en coördinatie tussen het ECB-bankentoezicht en de GAR, met name wat betreft de cruciale vraagstukken of een instelling in aanmerking komt voor preventieve herkapitalisatie en of een bank al dan niet failliet gaat of waarschijnlijk failliet zal gaan; merkt op dat het huidige memorandum van overeenstemming tussen de ECB en de GAR niet omvattend genoeg is om ervoor te zorgen dat de GAR van de ECB alle informatie krijgt die hij nodig heeft om zijn taken tijdig en efficiënt te vervullen; verzoekt de ECB en de GAR de huidige besprekingen over de actualisering van hun memorandum van overeenstemming aan te grijpen als een gelegenheid om bestaande lacunes te dichten en de doeltreffendheid van afwikkelingsmaatregelen te verbeteren; vraagt dat er verbeteringen worden aangebracht in de praktische regelingen voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de toezichthoudende en regelgevende autoriteiten, wat van cruciaal belang is om afwikkelingsmaatregelen soepel en doeltreffend te laten verlopen, alsook tussen alle Europese en nationale instanties die bij vroegtijdige interventie en afwikkeling betrokken zijn; vraagt de ECB en de GAR hun dagelijkse samenwerking verder te verbeteren en hun werkrelatie te intensiveren; pleit in dit verband voor een wijziging van de desbetreffende GTM-verordening om het mogelijk te maken dat een vertegenwoordiger van de GAR de bijeenkomsten van de raad van toezicht van het GTM als permanente waarnemer bijwoont; pleit voor een interinstitutioneel akkoord tussen de ECB en de Europese Rekenkamer met een nadere omschrijving van de informatie-uitwisseling tussen beide instellingen met betrekking tot hun respectieve in de Verdragen vastgestelde mandaat;

6.  merkt op dat de bepalingen van de BRRD betreffende preventieve herkapitalisatie in 2017 zijn toegepast; merkt op dat het gebruik van beoordelingen van de kwaliteit van activa om te bepalen of aan de voorwaarden voor preventieve herkapitalisatie wordt voldaan, moet worden verduidelijkt; benadrukt dat voorafgaande beoordelingen van de activa moeten zijn gebaseerd op degelijk bewijsmateriaal, waarmee onder meer wordt aangetoond dat de bank solvabel is en de EU-regels inzake staatssteun naleeft; vraagt de Commissie, het GTM en de GAR na te denken over hoe voor meer transparantie kan worden gezorgd bij de beoordeling van de solvabiliteit van kredietinstellingen en het nemen van afwikkelingsbesluiten;

7.  spreekt andermaal zijn bezorgdheid uit over het grote aantal NPL's in bepaalde rechtsgebieden; is ingenomen met de inspanningen van verschillende lidstaten om het aantal NPL's te verminderen; is het met de Commissie eens dat "hoewel de lidstaten en de banken zelf primair verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van niet-renderende leningen, [...] een combinatie van nationale en Europese inspanningen de beste manier [is] om het aantal niet-renderende leningen te reduceren en te voorkomen dat in de toekomst nieuwe niet-renderende leningen op de balansen van banken verschijnen"(7);

8.  is in het algemeen ingenomen met de werkzaamheden van verschillende EU-instellingen en ‑organen ter zake; zou evenwel een betere coördinatie tussen hun inspanningen toejuichen; vraagt deze actoren en de lidstaten naar behoren en spoedig uitvoering te geven aan de conclusies van de Raad van 11 juli 2017 over het actieplan inzake NPL's in Europa; kijkt uit naar het pakket maatregelen om het aantal NPL's sneller te verminderen, dat in de komende maanden zal worden voorgesteld; steunt in dit verband het besluit van de Commissie om te onderzoeken of de prudentiële regels voor nieuwe leningen die niet-renderend worden, op EU-niveau kunnen worden geharmoniseerd; vraagt de Commissie wetgevende en niet-wetgevende maatregelen te nemen om de verstrekking van informatie aan potentiële beleggers, de oprichting van speciale ondernemingen voor activabeheer ("bad banks") en de ontwikkeling van secundaire markten voor NPL's aan te moedigen teneinde het enorme probleem van NPL's aan te pakken; herinnert eraan dat de lidstaten waar nodig het insolventiekader moeten verbeteren en harmoniseren, onder meer door werk te maken van het voorstel van de Commissie inzake vroegtijdige herstructurering en een tweede kans, teneinde de meest kwetsbare debiteuren, zoals kmo's en huishoudens, te beschermen;

9.  is ingenomen met het voornemen om de balansen van banken sneller op te schonen, maar wijst erop dat het verplicht verkopen van NPL's op een niet-liquide en ondoorzichtige markt kan leiden tot ongerechtvaardigde waardeverminderingen op de balans van banken; herhaalt dat het bezorgd is over het ontwerpaddendum bij de ECB-leidraad inzake NPL's; benadrukt dat de ECB tijdens dit monitoring- en beoordelingsproces in het kader van de regelingen voor bankentoezicht op geen enkele wijze aan de prerogatieven van de EU-wetgever mag raken; herinnert eraan dat de algemene beginselen voor het maken van wetten in de EU, die effectbeoordelingen, raadpleging en de beoordeling van evenredigheid en subsidiariteit voorschrijven, ook relevant zijn voor wetgeving van niveau 3;

10.  herhaalt dat het zich zorgen maakt over de risico's die voortvloeien uit het aanhouden van activa van niveau 3, waaronder derivaten, en met name uit de moeilijkheden bij de waardering ervan; is in dit verband verheugd dat de EBA in de stresstestprocedures voor 2018 specifieke risicobeheersmaatregelen heeft opgenomen voor instrumenten van niveau 2 en niveau 3; vraagt het GTM nogmaals met klem om van deze kwestie in 2018 een prioriteit van het gemeenschappelijk toezicht te maken;

11.  wijst er nogmaals op dat er aan staatsschuld risico's verbonden zijn; merkt op dat financiële instellingen in sommige lidstaten te veel hebben belegd in door hun eigen overheid uitgegeven obligaties, wat een buitensporige "thuisvoorkeur" inhoudt, terwijl een van de voornaamste doelstellingen van de bankenunie erin bestaat het risico als gevolg van de onderlinge verwevenheid van banken en staatsschuld te verkleinen; merkt op dat het om de risico's voor de financiële stabiliteit te beperken, beter zou zijn als banken hun overheidsobligatieportefeuilles meer zouden diversifiëren; is van oordeel dat het regelgevingskader van de EU inzake de prudentiële behandeling van staatsschulden dient te stroken met de internationale norm; wijst op de lopende werkzaamheden van het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) met betrekking tot landenrisico, en meer bepaald zijn recente discussienota over de regelgevende behandeling van blootstellingen aan staatsschulden; kijkt dan ook met veel belangstelling uit naar het resultaat van de werkzaamheden van de FSB met betrekking tot staatsschuld, als leidraad voor verdere besluiten; wijst op de cruciale rol van staatsobligaties als het gaat om het leveren van hoogwaardige liquide middelen voor beleggers en stabiele financieringsbronnen voor overheden; neemt in dit verband nota van de lopende werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot zogenoemde door overheidsobligaties gedekte effecten (SBBS) als mogelijkheid om de kwestie te helpen oplossen; herinnert eraan dat SBBS geen vorm van wederzijdse waarborging van schulden zouden zijn; is van mening dat een inbreng van de kant van marktdeelnemers voor interesse van de markt in SBBS kan helpen zorgen;

12.  benadrukt hoe belangrijk het is de in interne modellen vastgestelde tekortkomingen te verhelpen om de geloofwaardigheid ervan te herstellen en een gelijk speelveld tussen instellingen tot stand te brengen; wijst in dit verband op het door de afdeling Ondersteuning economische governance bestelde externe onderzoeksdocument met als titel "Welke conclusies kunnen worden getrokken uit de benchmarking van het marktrisico door de EBA van 2016?", waarin onder meer staat: "als de resultaten van de benchmarkingstudie van de EBA correct zijn, en voor zover de instrumenten in de testportfolio representatief zijn, zijn de interne marktrisicomodellen die de Europese banken momenteel gebruiken, sterk in strijd met het beginsel van een gelijk speelveld (als verschillende banken dezelfde portfolio aanhouden, moeten zij verplicht worden hetzelfde bedrag aan eigen vermogen aan te houden)"; merkt in dit verband op dat het BCBS het eens is met de wijzigingen met het oog op de voltooiing van Bazel III en neemt nota van de beoordeling door de EBA van het effect daarvan op het bankwezen in de EU; herinnert eraan dat de overeenkomst niet tot een aanzienlijke toename van de kapitaalvereisten mag leiden en geen afbreuk mag doen aan het vermogen van banken om de reële economie, en met name kmo's, te financieren; is verheugd over de werkzaamheden die de ECB heeft verricht om de adequaatheid van interne modellen te beoordelen, zoals de nieuwe ECB-gids voor TRIM, teneinde iets te doen aan de uiteenlopende risicogewichten die kredietinstellingen toepassen op risicogewogen activa van dezelfde categorie; is ten slotte ingenomen met de werkzaamheden die de EBA in het kader van haar benchmarkingactiviteiten heeft verricht; is van mening dat de kapitaalpositie van banken onder meer kan worden versterkt door minder dividend uit te keren en vers aandelenkapitaal aan te trekken, en dat de versterking van de algehele financiële positie van Europese banken een prioriteit moet blijven;

13.  benadrukt dat de voorstellen van internationale fora op een zodanige wijze in EU-recht moeten worden omgezet dat rekening wordt gehouden met de kenmerken van de Europese bankensector;

14.  benadrukt dat met name de richtsnoeren van het BCBS niet zomaar volledig in EU-recht mogen worden omgezet zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van het Europese bankenstelsel en het evenredigheidsbeginsel;

15.  herinnert aan het beginsel van scheiding van de monetaire beleidsfunctie en de toezichthoudende functie van het GTM en acht de naleving ervan van cruciaal belang om belangenconflicten te vermijden; meent dat dit beginsel in de regel goed wordt nageleefd; is van mening dat het criterium om te bepalen of gedeelde diensten geschikt zijn, de beleidsrelevantie moet zijn van de taken die ze uitvoeren; is daarom van mening dat gedeelde diensten geen probleem vormen wanneer ze betrekking hebben op kwesties die niet gevoelig zijn voor de beleidsvorming, maar een reden tot bezorgdheid kunnen zijn en aanvullende waarborgen kunnen vergen wanneer dat niet het geval is;

16.  is van mening dat de betrokkenheid van meer ECB-medewerkers bij inspecties ter plaatse kan helpen om het bankentoezicht nog onafhankelijker te maken van nationale overwegingen;

17.  neemt kennis van het hervormingspakket voor het bankwezen dat de Commissie in november 2016 heeft voorgesteld; onderstreept het belang van de versnelde procedure die heeft geleid tot de overeenkomst over de geleidelijke invoering van de internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS) 9 en de overgangsregelingen voor de vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen voor schulden van bepaalde overheidsinstanties van lidstaten die in valuta van lidstaten luiden (Verordening (EU) 2017/2395) teneinde abrupte gevolgen ("cliff effects") voor het eigen vermogen van kredietinstellingen te voorkomen; neemt evenwel kennis van het standpunt van de ECB en de EBA dat een overgangsregeling er niet toe mag leiden dat de toepassing van IFRS 9 onnodige vertraging oploopt; benadrukt dat er moet worden gecontroleerd welk effect IFRS 9 heeft op de aard en de toewijzing van kredieten door banken, alsook op de eventuele procyclische effecten als gevolg van de conjunctuurgevoeligheid van kredietrisicoparameters; vraagt het ESRB en het GTM deze kwesties te onderzoeken; vraagt de EBA en de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) in dit verband de nodige richtsnoeren te verschaffen;

18.  wijst erop dat instellingen tal van soortgelijke toezichtverslagen in uiteenlopende formaten moeten indienen bij een hele reeks autoriteiten, wat een aanzienlijke extra last betekent; pleit derhalve voor de invoering van een gestandaardiseerde verslaglegging, waarbij een centraal aanspreekpunt de vragen van alle toezichthoudende autoriteiten bundelt, deze doorstuurt naar de onder toezicht staande instellingen en de verzamelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten doorstuurt; benadrukt dat op die manier kan worden voorkomen dat meermaals dezelfde vragen worden gesteld en om dezelfde gegevens wordt gevraagd, wat niet alleen zou leiden tot minder administratieve rompslomp voor de banken en de bevoegde autoriteiten, maar ook tot efficiënter toezicht;

19.  erkent dat er met de uitvoering van de toezichtsvereisten hoge kosten gemoeid zijn, die met name voor kleinere banken moeilijk te behappen zijn; is van mening dat de ECB in bepaalde toezichtsregelingen meer rekening zou kunnen houden met het evenredigheidsbeginsel wanneer zij haar toezichtstaken uitvoert; benadrukt daarom dat er dringend meer inspanningen moeten worden gedaan om het bankentoezicht evenrediger te maken voor kleine instellingen die weinig risico inhouden; benadrukt dat meer evenredigheid in geen geval betekent dat de toezichtsnormen worden verlaagd, maar alleen dat de administratieve lasten zullen worden verminderd, bijvoorbeeld op het vlak van naleving en openbaarmakingsvereisten; is dan ook verheugd dat de Commissie het in haar antwoord op het jaarverslag over de bankenunie van 2016 met het Parlement eens is dat de verslagleggingsvereisten moeten worden gestroomlijnd, en dat zij inspanningen levert om het toezicht evenrediger te maken;

20.  wijst erop dat de keuzemogelijkheden en discretionaire bevoegdheden in de EU-wetgeving inzake bankentoezicht zoveel mogelijk moeten worden geharmoniseerd; is van mening dat deze voor zover mogelijk van voorbijgaande aard moeten zijn en moeten worden afgeschaft zodra ze niet meer gerechtvaardigd zijn, teneinde de dagelijkse werkzaamheden van de Europese en de nationale toezichthouders niet te ingewikkeld te maken;

21.  benadrukt dat in het regelgevingskader rekening moet worden gehouden met de bijzondere operationele beginselen en de specifieke taken van coöperatieve banken, en dat de toezichthoudende autoriteiten deze in acht moeten nemen en in hun praktijk en benaderingen moeten integreren;

22.  herinnert aan zijn resolutie van 17 mei 2017(8) over fintech; is van oordeel dat fintechondernemingen, die dezelfde activiteiten verrichten als andere actoren van het financiële stelsel, zich derhalve voor hun activiteiten aan dezelfde regels moeten houden; pleit in dit verband voor een benadering inzake fintechondernemingen waarbij een juist evenwicht wordt getroffen tussen bescherming van de consument, handhaving van de financiële stabiliteit en aanmoediging van innovatie; neemt in dit verband kennis van de werkzaamheden van de Commissie, het voorstel om technologische innovatie op te nemen in het mandaat van de ETA's en de openbare raadpleging over de ontwerpgids van de ECB inzake de beoordeling van aanvragen voor vergunningen als fintechbank;

23.  erkent dat banken door de toenemende digitalisering van alle aspecten van het bankwezen veel kwetsbaarder zijn geworden voor risico's op het gebied van cyberveiligheid; benadrukt dat het beheer van cyberveiligheid in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de banken zelf is; wijst op de cruciale rol van cyberveiligheid voor bankdiensten en benadrukt dat financiële instellingen moeten worden gestimuleerd om de lat hoog te leggen bij het beschermen van consumentengegevens en het garanderen van de cyberveiligheid; vraagt de toezichthoudende autoriteiten de risico's voor de cyberveiligheid nauwlettend te monitoren en te beoordelen, en vraagt de financiële instellingen in de hele EU de lat hoog te leggen bij het beschermen van consumentengegevens en het garanderen van de cyberveiligheid; is verheugd over het initiatief van de ECB om onder toezicht staande banken te verplichten omvangrijke cyberaanvallen te rapporteren via een realtime-waarschuwingsdienst, en over de inspecties ter plaatse door het GTM om toezicht te houden op de cyberveiligheid; vraagt het GTM zijn inspanningen op te voeren en cyberveiligheid formeel tot een van zijn voornaamste prioriteiten te maken;

24.  is verheugd over de werkzaamheden van de EBA, de ESMA en het GTM om in de context van de uittreding van het VK uit de EU convergentie van het toezicht in de hand te werken teneinde de ontwikkeling van regelgevings- en toezichtarbitragerisico's te beperken; is van mening dat, ongeacht welk model voor samenwerking op het gebied van toezicht tussen de EU en het VK wordt ontwikkeld, de financiële stabiliteit van de EU, haar regelgevings- en toezichtsstelsel en ‑normen en de toepassing daarvan in acht moeten worden genomen; herinnert eraan hoe belangrijk het is dat banken voorbereid zijn en over degelijke noodplannen beschikken om de ontwrichtende gevolgen van de brexit te beperken; vreest dat met name sommige kleinere banken achterlopen bij hun voorbereidingen op de brexit en vraagt hen hun inspanningen op te voeren; wijst erop dat het verkrijgen van een bankvergunning en het laten goedkeuren van interne modellen verscheidene jaren kan duren en dat hiermee rekening dient te worden gehouden;

25.  neemt kennis van de voorstellen over de herziening van het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFT), waaronder het "omnibusvoorstel" tot wijziging van het bestuur, de financiering en de bevoegdheden van de ETA's;

26.  maakt zich zorgen over ontwikkelingen waaruit naar voren komt dat bankgroepen gebruikmaken van steeds complexere structuren en actief zijn via entiteiten die zich aan het bankentoezicht onttrekken, maar grotendeels dezelfde activiteiten verrichten als banken; neemt in dit verband nota van het voorstel van de Commissie over beleggingsondernemingen, dat zou moeten helpen een gelijk speelveld voor beleggingsondernemingen en kredietinstellingen tot stand te brengen en de mazen te dichten waarvan grote beleggingsondernemingen gebruik kunnen maken om de kapitaalvereisten voor banken te omzeilen;

27.  is bezorgd over de uitbreiding van schaduwbankieren in de EU; neemt nota van de EU Shadow Banking Monitor 2017 van het ESRB, waarin wordt gewezen op een aantal risico's en zwakke plekken in het schaduwbankwezen in de EU die in de gaten moeten worden gehouden; vraagt daarom om gecoördineerde maatregelen om deze risico's aan te pakken en te zorgen voor eerlijke concurrentie en financiële stabiliteit; erkent evenwel dat er sinds de financiële crisis beleidsmaatregelen zijn getroffen om risico's van financiële instabiliteit als gevolg van schaduwbankieren aan te pakken; moedigt de autoriteiten aan om nieuwe risico's voor de financiële stabiliteit nauwgezet te monitoren en aan te pakken en maatregelen om de bankensector te reguleren, vergezeld te laten gaan van passende regulering van schaduwbankieren; betreurt dat de Commissie er in haar antwoorden op het verslag van vorig jaar(9) niet op laatstgenoemde kwestie is ingegaan;

28.  is van mening dat verbeteringen weliswaar wenselijk zijn, met name op het gebied van communicatie en transparantie, maar dat de bankenunie een zeer positieve en fundamentele verandering blijft voor de lidstaten die de euro gebruiken; herinnert eraan dat de bankenunie openstaat voor alle lidstaten; moedigt alle lidstaten die geen lid van de eurozone zijn, aan om de nodige stappen te zetten om zich aan te sluiten bij de bankenunie, teneinde die geleidelijk aan op één lijn te brengen met de hele interne markt;

29.  is verheugd over de vooruitgang die met het besluit van de ECB van juni 2017 is geboekt, waardoor deskundigheids- en betrouwbaarheidsbesluiten in zekere mate kunnen worden gedelegeerd; herhaalt dat het van oordeel is dat een wijziging van de regelgeving noodzakelijk is om de raad van toezicht in staat te stellen de besluitvorming over bepaalde routinekwesties vaker en gemakkelijker te delegeren aan bevoegde ambtenaren; herhaalt positief te staan tegenover een dergelijke wijziging, die het toezicht van de ECB op de banken doelmatiger en doeltreffender kan helpen maken; vraagt de ECB aan te geven welke besluitvormingsbevoegdheden kunnen worden gedelegeerd;

Afwikkeling

30.  is ingenomen met de eerste toepassing van de nieuwe afwikkelingsregeling in 2017; neemt nota van het grote aantal rechtszaken dat in verband met dit dossier bij het Gerecht van de EU is aangespannen; verzoekt de Commissie na te gaan of en hoe dit de doeltreffendheid van de nieuwe afwikkelingsregeling in gevaar zou kunnen brengen en de toepassing van het afwikkelingskader in feite onmogelijk zou kunnen maken; verzoekt de GAR en de Commissie gezamenlijk een samenvatting te publiceren van de vaakst geuite grieven in die rechtszaken; is van mening dat de bankdossiers van 2017 vragen opwerpen over transparantie en communicatie, en vraagt dat er bij toekomstige afwikkelingsbesluiten meer transparantie aan de dag wordt gelegd, onder meer door het Europees Parlement onder duidelijke en passende voorwaarden inzage te geven in belangrijke documenten op grond waarvan afwikkelingsbesluiten worden genomen, zoals de waarderingsrapporten van onafhankelijke taxateurs, teneinde vooraf meer inzicht te geven in de afwikkelingsregeling; vraagt de medewetgevers tijdens de medebeslissingsprocedure over voorstellen van de Commissie inzake TLAC/MREL en het moratoriuminstrument lering te trekken uit de bankdossiers van 2017;

31.  is bezorgd over de gebrekkige afstemming tussen de staatssteunregels en de Uniewetgeving met betrekking tot de door de BRRD en de DGSD geboden mogelijkheid om depositogarantiestelsels te laten participeren in een afwikkeling, zoals in de vorige verslagen is vermeld(10); verzoekt de Commissie haar interpretatie van de staatssteunregels onder verwijzing naar artikel 11, leden 3 en 6, van de DGSD te herzien om ervoor te zorgen dat de preventieve en alternatieve maatregelen waarin de Europese wetgever voorziet, daadwerkelijk kunnen worden toegepast; is van mening dat in de bankdossiers van 2017 is bevestigd dat, zoals ook in de BRRD staat, de lidstaten een gewone insolventieprocedure mogen volgen, waarbij in sommige gevallen sprake kan zijn van "liquidatiesteun"; is van mening dat de arbitragemogelijkheden die bij recente afwikkelingszaken aan het licht zijn gekomen, onder meer het gevolg zijn van de discrepantie tussen de regels inzake staatssteun die van toepassing zijn krachtens respectievelijk de afwikkelingsregeling en de nationale insolventiewetgeving; verzoekt de Commissie de kaders voor de insolventie van banken in de Unie, met inbegrip van de bankenmededeling van 2013, te herzien om lering te trekken uit de bankdossiers van 2017;

32.  herinnert eraan dat met de BRRD wordt beoogd de continuïteit van kritieke functies te waarborgen, negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit te voorkomen, overheidsmiddelen te beschermen door het beroep van falende instellingen op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken, en gedekte deposanten en beleggers, alsmede geldmiddelen en activa van cliënten te beschermen; herinnert eraan dat buitengewone openbare financiële steun alleen mag worden gebruikt om "een ernstige verstoring in de economie op te heffen" en "de financiële stabiliteit te vrijwaren", en "niet mag worden gebruikt om verliezen goed te maken die een instelling heeft geleden of in de nabije toekomst waarschijnlijk zal lijden"; is van mening dat buitengewone openbare financiële steun zo nodig ook gepaard moet gaan met corrigerende maatregelen; vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk werk te maken van de in artikel 32, lid 4, laatste alinea, van de BRRD bedoelde beoordeling, die al sinds 2015 op zich laat wachten; merkt op dat preventieve herkapitalisatie een instrument is om bankencrises het hoofd te bieden;

33.  verzoekt de Commissie jaarlijks opnieuw na te gaan of nog steeds wordt voldaan aan de vereisten voor de toepassing van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU inzake de mogelijkheid van staatssteun in de financiële sector;

34.  verzoekt de Commissie te beoordelen of de bankensector sinds het begin van de crisis heeft geprofiteerd van impliciete subsidies en staatssteun door de verstrekking van onconventionele liquiditeitssteun;

35.  is verheugd dat de GAR heeft verklaard voorrang te geven aan het verbeteren van de afwikkelbaarheid van kredietinstellingen, en is ingenomen met de vooruitgang die is geboekt met de vaststelling van bindende doelstellingen inzake afzonderlijke minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL) op geconsolideerd niveau; benadrukt het belang van operationele en geloofwaardige afwikkelingsplannen en erkent in dat verband dat eenkanalige strategieën problemen kunnen inhouden voor de financiële stabiliteit van de landen van ontvangst als ze niet naar behoren zijn ontworpen; onderstreept dat er een doeltreffende regeling nodig is om inbreuken op deze vereiste aan te pakken en dat in de MREL rekening moet worden gehouden met de bedrijfsmodellen van de instellingen om de afwikkelbaarheid van deze instellingen te garanderen; vraagt de GAR een volledige lijst op te stellen van de belemmeringen voor afwikkelbaarheid in de nationale of Europese wetgeving; benadrukt dat de herziening van de BRRD in geen geval mag achterblijven bij de internationaal overeengekomen normen;

36.  is verheugd dat er een akkoord is bereikt over de verdere harmonisatie van de rangorde van ongedekte schuldinstrumenten door middel van Richtlijn (EU) 2017/2399; vraagt dat de lidstaten dit akkoord snel uitvoeren zodat banken schuld kunnen uitgeven in de nieuwe insolventiecategorie en daarbij de nodige buffers kunnen opbouwen; blijft bij zijn standpunt, zoals verwoord in het vorige verslag(11), dat voor bail-in in aanmerking komende instrumenten alleen mogen worden verkocht aan geschikte beleggers die potentiële verliezen kunnen absorberen zonder dat dit hun eigen financiële positie in gevaar brengt; beveelt daarom aan dat de afwikkelingsautoriteiten controleren in hoeverre voor bail-in in aanmerking komende instrumenten in handen zijn van niet-professionele beleggers en dat de EBA deze bedragen jaarlijks openbaar maakt en, in voorkomend geval, waarschuwingen en aanbevelingen voor corrigerende maatregelen uitvaardigt;

37.  neemt nota van de in behandeling zijnde wetgevingsvoorstellen tot omzetting van de totale verliesabsorberende capaciteit (TLAC) in het recht van de Unie teneinde de risico's in de Europese bankensector te verminderen;

38.  herinnert eraan dat de inhoud van het interinstitutioneel akkoord over het GAF uiteindelijk in het wetgevingskader van de Unie moet worden opgenomen; herinnert eraan dat een budgettair vangnet essentieel is om te zorgen voor een geloofwaardig en efficiënt afwikkelingskader, om systeemcrises in de bankenunie het hoofd te kunnen bieden en om te voorkomen dat banken met overheidsgeld moeten worden gered; neemt kennis van het voorstel van de Commissie om het Europees Stabiliteitsmechanisme om te vormen tot een Europees Monetair Fonds, waar de budgettaire vangnetfunctie voor het GAF zou worden ondergebracht;

39.  is ingenomen met het werk dat de GAR heeft verricht om zijn capaciteit voor de afwikkeling van banken op het niveau van de Unie op te bouwen; stelt echter vast dat momenteel nog volop aan de afwikkelingsplanning wordt gewerkt; merkt ook op dat de GAR met een groot personeelstekort kampt; vraagt de GAR zijn aanwervingsinspanningen te intensiveren en vraagt de nationale autoriteiten gedetacheerde deskundigen gemakkelijk ter beschikking van de GAR te stellen; herinnert er in dit verband aan dat binnen de GAR een passend evenwicht moet worden gevonden tussen personeel van het centrale niveau en personeel van nationale afwikkelingsautoriteiten, en dat er een duidelijke taakverdeling moet zijn tussen de GAR en de nationale afwikkelingsautoriteiten; is in dit verband ingenomen met de stappen die de GAR heeft ondernomen om de rollen en taken binnen het GTM toe te wijzen; wijst erop dat de GAR niet alleen verantwoordelijk is voor banken die onder rechtstreeks toezicht van de ECB staan, maar ook voor grote grensoverschrijdende instellingen; vraagt de lidstaten, de nationale bevoegde autoriteiten en de ECB zo te werk te gaan dat de extra last en complexiteit voor de GAR als gevolg van dit verschil in toepassingsgebied zoveel mogelijk wordt beperkt;

40.  vraagt dat de voorafgaande bijdragen aan het GAF op transparante wijze worden berekend, door informatie over de berekeningsmethode te verstrekken en inspanningen te doen om de informatie over de resultaten van de berekening te harmoniseren;

41.  is bezorgd over de mogelijke invloed van afwikkelingsbesluiten op de structuur van het bankenstelsel; vraagt de Commissie deze kwestie nauwlettend te volgen, follow-up te geven aan de genomen besluiten en het Europees Parlement regelmatig in kennis te stellen van haar bevindingen;

Depositoverzekering

42.  is verheugd over het besluit van de EBA om de gegevens die zij overeenkomstig artikel 10, lid 10, van de DGSD jaarlijks ontvangt, te publiceren; stelt voor om de presentatie van de gegevens te verbeteren zodat de toereikendheid van de financiering van de depositogarantiestelsels rechtstreeks kan worden vergeleken; wijst er evenwel op dat de opbouw van de beschikbare financiële middelen voor een aantal depositogarantiestelsels moet worden versneld om de streefbedragen tegen 3 juli 2024 te bereiken;

43.  verzoekt de EBA haar analyse uit te breiden tot onder meer de alternatieve financieringsplannen die de lidstaten overeenkomstig artikel 10, lid 9, van de DGSD hebben opgezet, en deze analyse samen met de overeenkomstig artikel 10, lid 10, van de DGSD ontvangen gegevens te publiceren;

44.  vestigt de aandacht op de vele keuzemogelijkheden en de grote manoeuvreerruimte in het kader van de DGSD; is van mening dat een verdere harmonisatie van de regels voor depositogarantiestelsels noodzakelijk is om een gelijk speelveld binnen de bankenunie tot stand te brengen;

45.  herinnert eraan dat de bescherming van deposito's een gemeenschappelijke kwestie is voor alle EU-burgers en dat de bankenunie zonder derde pijler niet volledig is; voert momenteel op commissieniveau discussies over het voorstel voor een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS); neemt in dit verband nota van de mededeling van de Commissie van 11 oktober 2017;

46.  merkt op dat er nog steeds wordt gediscussieerd over wat de juiste rechtsgrond is voor de oprichting van het voorgestelde Europees depositoverzekeringsfonds;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de EBA, de Commissie, de ECB, de GAR, de nationale parlementen en de bevoegde autoriteiten zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 40, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0041.
(2) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 5.
(3) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 17.
(4) PB C 11 van 12.1.2018, blz. 24.
(5) PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1.
(6) Europese Centrale Bank, Rapport over financiële structuren ("Report on Financial Structures"), oktober 2016, blz. 23-24.
(7) Mededeling van de Commissie over de voltooiing van de bankenunie, 11 oktober 2017 (COM(2017)0592), blz. 15.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0211.
(9) Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over “de bankenunie – jaarverslag 2016”, paragraaf 9.
(10) Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016, paragraaf 38.
(11) Resolutie van het Europees Parlement van 15 februari 2017 over de bankenunie – jaarverslag 2016, paragraaf 48.

Laatst bijgewerkt op: 1 oktober 2018Juridische mededeling