Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2208(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0046/2018

Ingediende teksten :

A8-0046/2018

Debatten :

PV 12/03/2018 - 20
CRE 12/03/2018 - 20

Stemmingen :

PV 13/03/2018 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0067

Aangenomen teksten
PDF 267kWORD 58k
Dinsdag 13 maart 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Achterstandsregio's in de EU
P8_TA(2018)0067A8-0046/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over achterstandsregio's in de EU (2017/2208(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 174, 175 en 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

—  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(2),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

—  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over de gevolgen van de bezuinigingen op de begroting voor regionale en lokale overheden met betrekking tot de uitgaven in het kader van de EU-Structuurfondsen in de lidstaten(3),

—  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014‑2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(4),

–   gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening(5),

—  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over het vergroten van de betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen(6),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020(7),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(8),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 april 2017 getiteld "Competitiveness in low-income and low‑growth regions: the lagging regions report" (SWD(2017)0132),

–  gezien de ex-antevoorwaarden voor strategieën voor slimme specialisatie,

–  gezien het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie, gepubliceerd door de Commissie op 9 oktober 2017,

—  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

—  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie visserij (A8‑0046/2018),

A.  overwegende dat de aanslepende economische en financiële crisis in de EU negatieve effecten heeft gehad op de economische groei, ook op regionaal niveau, hoewel het cohesiebeleid ongeveer een derde van de EU-begroting heeft bijgedragen aan het versterken van de groei en de werkgelegenheid en aan het verminderen van de ongelijkheden tussen de regio's in de EU; verzoekt de Commissie in dit verband en in het kader van het Europees semester te kijken naar regionale en nationale medefinanciering in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI‑fondsen) en het effect daarvan op de nationale tekorten;

B.  overwegende dat het cohesiebeleid, dat ten uitvoer wordt gelegd door middel van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds, het belangrijkste investerings- en ontwikkelingsbeleid van de EU is, afgestemd is op de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei en gericht is op het terugdringen van de economische, sociale en territoriale ongelijkheden tussen de regio's, het bevorderen van convergentie en uiteindelijk het verbeteren van de levenskwaliteit van de Europese burgers;

C.  overwegende dat het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds de volgende hoofddoelen hebben voor de periode 2014-2020: investeren in groei en werkgelegenheid om de arbeidsmarkt, de regionale economieën en de Europese territoriale samenwerking te versterken, de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking binnen de Unie te verbeteren, en uiteindelijk de ongelijkheden tussen de afzonderlijke regio's in de EU te verminderen;

D.  overwegende dat volgens het Commissieverslag over achterstandsregio's 47 regio's in acht lidstaten een achterstand hebben; overwegende dat het verslag kan leiden tot een beter begrip van de complexe uitdagingen waarmee achterstandsregio's worden geconfronteerd en daarom beschikbaar moet zijn voor het publiek in alle officiële talen van de EU;

E.  overwegende dat het cohesiebeleid in alle achterstandsregio's een belangrijke rol speelt en in de meeste ervan goed is voor een zeer groot aandeel van de publieke investeringen;

F.  overwegende dat achterstandsregio's een lagere productiviteit, werkgelegenheid en schoolbezoek hebben dan andere regio's in dezelfde lidstaat;

G.  overwegende dat in het Commissieverslag een onderscheid wordt gemaakt tussen twee soorten achterstandsregio's: "regio's met een lage groei" – minder ontwikkelde en overgangsregio's die tussen 2000 en 2013 geen aansluiting vonden bij het EU‑gemiddelde in de lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking in koopkrachtpariteit van minder dan het EU-gemiddelde in 2013, die bijna alle minder ontwikkelde en overgangsregio's omvatten in Griekenland, Spanje, Italië en Portugal; en "regio's met een laag inkomen" – alle regio's met een bbp per hoofd van de bevolking in koopkrachtpariteit van minder dan 50 % van het EU-gemiddelde in 2013, die diverse minder ontwikkelde regio's omvatten in Bulgarije, Hongarije, Polen en Roemenië;

H.  overwegende dat regio's met een lage groei lijden onder economische stagnering, met name als gevolg van een daling van de publieke en particuliere investeringen, in tegenstelling tot regio's met een laag inkomen, die over het algemeen hun ontwikkelingspotentieel behouden;

I.  overwegende dat achterstandsregio's meer dan de andere regio's last hebben van het tekort aan publieke en particuliere investeringen, dat ook het gevolg is van de door het stabiliteitspact opgelegde vereisten inzake verlaging van de overheidsschuld;

J.  overwegende dat achterstandsregio's vaak gekenmerkt worden door een gebrek aan structurele hervormingen, hetgeen het effect van de reeds beperkte publieke investeringen vermindert;

K.  overwegende dat achterstandsregio's gebukt gaan onder ernstige nadelen op het gebied van openbaarvervoers-, economische en energie-infrastructuur, en dat zij efficiëntere en effectievere investeringen vereisen;

L.  overwegende dat de Commissie van mening is dat er een nauwere verband moet zijn tussen het cohesiebeleid en de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester;

M.  overwegende dat achterstandsregio's, en met name regio's met een laag inkomen, vaak geconfronteerd worden met het vertrek van jongeren en geschoolde arbeidskrachten, beide noodzakelijk voor de economische en sociale revitalisering van de betrokken gebieden, waardoor deze regio's minder aantrekkelijk worden wat werkgelegenheid en investeringen betreft;

N.  overwegende dat de definitie van regio's met een laag inkomen en regio's met een lage groei moet worden verfijnd;

O.  overwegende dat het belangrijk is de bekendheid van door de EU gefinancierde regionale en lokale programma's en de hiermee gerealiseerde resultaten onder eindgebruikers te vergroten, ongeacht het financieringsniveau in een bepaalde regio;

P.  overwegende dat goed bestuur en efficiënte overheidsdiensten in achterstandsregio's nodig zijn, aangezien deze een aanzienlijke bijdrage leveren aan het scheppen van de voorwaarden voor economische groei; overwegende dat een vermindering van de overmatige regelgeving en controles, en van de lengte en complexiteit van de procedures, en een beter gebruik van ICT-instrumenten zouden bijdragen tot een verbetering van de doelmatigheid en goed bestuur in achterstandsregio's;

Q.  overwegende dat volgens het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie de achterstandsregio's op het laagste niveau van de Europese Quality of Government Index staan, wat een geringer effect van overheidsinvesteringen met zich meebrengt;

R.  overwegende dat betrouwbare, actuele en uitgesplitste cijfers en statistieken van groot belang zijn voor een weloverwogen, transparantere, onpartijdige en eerlijkere politieke besluitvorming;

S.  overwegende dat hinderpalen voor de groei in achterstandsregio's uit de weg moeten worden geruimd en lacunes in de infrastructuur er moeten worden opgevuld;

T.  overwegende dat kmo's in achterstandsregio's tegen een veel hoger rentepercentage worden gefinancierd en van banken moeilijker een lening krijgen voor de medefinanciering van ESI-fondsprojecten;

U.  overwegende dat in vier van de vijf achterstandsregio's ten minste 25 % van de bevolking in de stad of de omringende forenzenzone (functioneel stedelijk gebied) woont en dat in van de vijf achterstandsregio's meer dan 50 % van de bevolking in een functioneel stedelijk gebied woont;

V.  overwegende dat traditionele activiteiten, zoals kleinschalige ambachtelijke visserij of landbouw, in de meeste kust- en plattelandsgebieden van achterstandsregio's de identiteit en levenswijze bepalen en economische, territoriale, sociale en culturele betekenis hebben; overwegende dat ontwikkelingsstrategieën nodig zijn voor het versterken van de capaciteit om talent te behouden en aan te trekken, nieuwe technologieën in te voeren en nieuwe investeringen te stimuleren;

1.  is tevreden met het feit dat de Commissie een werkdocument heeft gepresenteerd met als titel "Competitiveness in low‑income and low‑growth regions: the lagging regions report"; merkt op dat in het verslag enkele positieve oplossingen worden voorgesteld om de economische groei, duurzame ontwikkeling en banencreatie in deze regio's te ondersteunen; benadrukt voorts dat de analyse van hun concurrentievermogen een belangrijke bijdrage levert aan de toekomstige discussie over het cohesiebeleid;

2.  is ingenomen met de uitvoering van de proefprojecten voor achterstandsregio's in twee regio's in Roemenië en, met steun van de Wereldbank, twee regio's in Polen, met name de definitie van strategische prioriteiten en concrete, snel uitvoerbare acties; kijkt uit naar de publicatie van de resultaten van deze initiatieven;

3.  onderstreept dat het cohesiebeleid een sleutelrol speelt in het garanderen en bevorderen van publieke en private investeringen in alle regio's van de EU, zowel rechtstreeks als door bij te dragen aan het scheppen van een positief investeringsklimaat; is van mening dat de EU als geheel, ter bevordering van een harmonische algemene ontwikkeling van de Unie in haar geheel, acties moet ondernemen om haar economische, sociale en territoriale cohesie te versterken en de ongelijkheden tussen het ontwikkelingsniveau van de diverse regio's en de onderontwikkeling van achterstandsregio's te verminderen;

4.  verzoekt de Commissie achterstandsregio's op NUTS-III-niveau te definiëren, op basis van de algemene economische en sociale omstandigheden, en de financiering van deze gebieden beter af te stemmen op de programmeringscycli van de ESI-fondsen;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten voor de verschillende achterstandsregio's strategieën, programma's en maatregelen op maat uit te werken, rekening houdend met de trends en subregionale verschillen, aangezien de trajecten die regio's met een laag inkomen en regio's met een lage groei volgen en de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd, sterk verschillen volgens hun specifieke kenmerken, en hierbij gebruik te maken van strategieën voor slimme specialisatie, om hun convergentie te bespoedigen en de beste oplossingen te garanderen voor banencreatie, economische groei en duurzame ontwikkeling; is van mening dat deze strategieën, programma's en maatregelen moeten worden gecoördineerd met de stedelijke agenda, omdat achterstandsregio's niet louter ruraal zijn;

6.  onderstreept dat naast de beperkte ontwikkeling van en investering in kmo's ook de werkloosheid dramatisch hoog blijft, met name onder jongeren, en een van de meest ernstige en urgente problemen is in het merendeel van de achterstandsregio's; onderstreept de fundamentele rol van middelbaar en hoger onderwijs, van beroepsopleiding en opleiding op de werkplek en van kennisoverdracht voor de bestrijding van het alarmerende peil van de jeugdwerkloosheid en de grote aantallen jongeren die deze regio's verlaten; wijst op het belangrijke karakter van onderwijs en opleiding en van meer investeringen in verhouding tot de behoeften en de ontwikkeling van kmo's en familiebedrijven; is van mening dat de betrokkenheid van jongeren leidt tot betere prestaties, aangezien zij vaak innoverende oplossingen leveren;

7.  merkt op dat de aanwezigheid van geschoolde en opgeleide arbeidskrachten die voldoen aan de behoeften van de regionale economie, een grote impact heeft op het concurrentievermogen, de productiviteit en de aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt, die dan kan bloeien in een omgeving van groei en openheid voor publieke en particuliere investeringen; is van mening dat in dit verband rekening moet worden gehouden met de huidige situatie van achterstandsregio's, met name het negatieve migratiecijfer en de nadelige gevolgen hiervan voor de werkgelegenheid; wijst op de rol die landbouw en visserij spelen in achterstandsregio's, doordat zij via de bevordering van familiebedrijven en werkgelegenheid en het faciliteren van sociale inclusie, voor voedsel zorgen en voedselzekerheid waarborgen;

8.  merkt op dat diversificatie voor landbouwers en vissers, met name in achterstandsregio's, een noodzaak is geworden om te zorgen voor bijkomende bronnen van inkomsten en voor het bevorderen van economisch en ecologisch duurzame activiteiten; merkt evenwel op dat deze diversificatie in geen geval de plaats mag innemen van meer traditionele activiteiten, zoals duurzame visserij; spoort de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten aan steun te verlenen aan projecten op het vlak van de blauwe economie en soortgelijke projecten om de bevolking in achterstandsregio's te helpen ecologisch duurzame inkomstenbronnen te genereren;

9.  hoopt dat bij de uitvoering van de EU 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, alsmede de komende ET-langetermijnstrategie en de doelstellingen hiervan, voort naar behoren rekening zal worden gehouden met de specifieke behoeften van de achterstandsregio's, en met name de aanhoudende leemten op het gebied van infrastructuur en de ontwikkeling van menselijk kapitaal, met bijzondere aandacht voor het aantal schoolverlaters en de negatieve gevolgen hiervan voor de werkgelegenheid; verzoekt de Commissie in dit verband een onderzoek in te stellen naar de gevolgen van een eventuele verhoging van het cofinancieringspercentage van het ESF voor de komende financieringsperiode;

10.  acht het nodig het evenwicht te vinden tussen structurele interventies, sociaal beleid en het industriebeleid in de programmering en de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen, om economische groei, duurzame ontwikkeling en het banencreatie te bevorderen door subsidies te combineren met financieringsinstrumenten en door extra financiële steun aan te trekken, om de resterende tekortkomingen aan te pakken; benadrukt in dit verband dat financieringsinstrumenten met een laag risico te verkiezen kunnen zijn boven instrumenten met een hoger risico, als de economische vooruitzichten dit mogelijk maken;

11.  merkt op dat het cohesiebeleid kan dienen als instrument voor het corrigeren van verschillen in concurrentievermogen en onevenwichten, alsmede macro-economische asymmetrieën tussen regio's, door de creatie te bevorderen van een aantrekkelijk en duurzaam klimaat voor bedrijven en burgers; onderstreept het feit dat in regio's met een lage groei toegang tot krediet, handhaving van contracten en bescherming van minderheidsinvesteringen de belangrijkste problemen zijn die zijn geïdentificeerd, terwijl in regio's met een laag inkomen de belangrijkste kwesties het oplossen van insolventie, elektriciteitsvoorziening en het afdwingen van contractuitvoering zijn;

12.  merkt op dat achterstandsregio's onder aanzienlijke migratiedruk staan; is van mening dat de bijdrage van de ESI-fondsen aan het aanpakken van deze uitdaging alleen succesvol kan zijn, als het beginsel van solidariteit ook effectief wordt toegepast; is van mening dat vluchtelingen en migranten met internationale bescherming passende opleiding en onderwijs moeten krijgen met het oog op integratie in de arbeidsmarkt;

13.  merkt op dat vele van de problemen van achterstandsregio's vergelijkbaar zijn met de problemen in ultraperifere regio's; is daarom tevreden met de strategie die de Commissie voorstelt in haar mededeling met als titel "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"(9);

14.  is van mening dat criteria inzake economische en sociale ontwikkeling, bijvoorbeeld de regionale index voor sociale vooruitgang, alsmede milieu- en ander indicatoren, samen met het bbp, in de context van het cohesiebeleid in aanmerking kunnen worden genomen en kunnen worden gebruikt in toekomstige verslagen van de Commissie over achterstandsregio's, om ervoor te zorgen dat het potentieel van achterstandsregio's wordt benut;

15.  wijst op de negatieve gevolgen, met name voor achterstandsregio's, van de economische en financiële crisis, die de marges van het begrotingsbeleid hebben verkleind, met als gevolg bezuinigingen op de overheidsinvesteringen; benadrukt anderzijds het feit dat schuldreductie belangrijk is om het begrotingstekort weg te werken en de overheidsinvesteringen aan te passen aan de groeivereisten;

16.  is van mening dat het cohesiebeleid een positief effect heeft op het creëren van groei en werkgelegenheid; benadrukt het feit dat het overeengekomen standpunt inzake het stabiliteits- en groeipact met betrekking tot flexibiliteit in verband met conjunctuuromstandigheden, structurele hervormingen en overheidsinvesteringen die gericht zijn op de tenuitvoerlegging van grote structurele hervormingen en soortgelijke projecten, moet worden toegepast, om de Europa 2020-doelstellingen te realiseren; erkent dat het nodig is de context en reikwijdte van de toepassing van structurele hervormingen in het kader van het cohesiebeleid te verduidelijken; merkt evenwel op dat deze structurele hervormingen in de lidstaten en regio's met een steunprogramma kunnen bijdragen tot een beter resultaat voor investeringen in het kader van het cohesiebeleid;

17.  pleit voor een krachtiger optreden ter vergroting van de convergentie tussen alle regio's, inclusief actie om hun weerbaarheid te garanderen in geval van plotse schokken;

18.  merkt op dat de toegang tot krediet moeilijker is in achterstandsregio's, met name in regio's met een laag inkomen, door de hogere intrestvoeten en in zekere mate de geringe neiging van het kredietsysteem om risico's te nemen; onderstreept dat het belangrijk is om de toegang tot krediet te vergemakkelijken, teneinde kmo's te helpen, nieuwe zakelijke modellen te bevorderen en de groei in achterstandsregio's te bevorderen;

19.  benadrukt het feit dat de EU-middelen belangrijk zijn voor het verbeteren van de economische veerkracht en de cohesie van deze regio's, alsmede het concurrentievermogen, de investeringen en de mogelijkheden voor samenwerking; erkent daarom dat de input van plaatselijke actiegroepen bij het ontwikkelen van lokale strategieën; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid onderzoekt om de toewijzing voor te stellen van een groter aandeel van de steun aan door de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (community-led local development, CLLD), om zowel de uitdagingen aan te pakken als de capaciteiten op te bouwen; herinnert eraan dat achterstandsregio's vaak moeilijkheden ondervinden om toegang te verkrijgen tot financiering en vaak te maken krijgen met bureaucratische en administratieve vertragingen die de met EU-middelen gefinancierde activiteiten hinderen;

20.  is van mening dat gezocht kan worden naar positieve stimulansen voor de regio's binnen het bestaande kader van de macro-economische voorwaarden die worden opgelegd door het Europees semester;

21.  houdt rekening met het feit dat gezond economisch bestuur belangrijk is voor een efficiënte totaalprestatie van de ESI-fondsen, met als uiteindelijke doel tekortkomingen te corrigeren en vertragingen te voorkomen; is het er in dit verband mee eens dat de bestaansreden zelf van de koppeling tussen het cohesiebeleid en het Europees semester moet worden geanalyseerd en vervolgens geëvalueerd;

22.  is van mening dat solidariteit, een grotere institutionele capaciteit, eerbiediging van het beginsel van goed bestuur en een betere connectiviteit en digitalisering in deze regio's een aanzienlijke invloed hebben op hun economische groei en in grote mate leiden tot een efficiënter en doeltreffender gebruik van de bestaande middelen; vestigt om die reden de aandacht op de kwestie van het ondersteunen en verbeteren van de kwaliteit van het bestuur en de instellingen in de getroffen regio's; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorbeelden te verspreiden van goede praktijken op het gebied van efficiëntere overheidsdiensten, omdat doeltreffend bestuur voor achterstandsregio's de belangrijkste aanbeveling moet zijn;

23.  onderstreept in verband hiermee dat het partnerschapsprincipe belangrijk is, alsmede multilevel governance, die moet worden versterkt zonder afbreuk te doen aan het subsidiariteitsbeginsel; is van oordeel dat betrokkenheid van alle bestuurlijke niveaus en belanghebbenden bij het uitwerken en uitvoeren van strategieën en concrete programma's en maatregelen voor deze regio's van het allergrootste belang is voor het scheppen van daadwerkelijke Europese meerwaarde voor de burger;

24.  wijst er andermaal op dat innovatie, digitalisering en verbetering van de lokale voorzieningen (gezondheidszorg, sociale diensten, postdiensten) en infrastructuur belangrijk zijn voor het creëren van een positieve omgeving en een goede basis voor het stimuleren van de groei en het versterken van de cohesie in achterstandsregio's; is van mening dat de beschikbaarstelling van supersnelle internetverbindingen een conditio sine qua non is voor de levensvatbaarheid van landelijke en berggebieden; wijst op het potentieel van sectoroverschrijdende projecten die economische, sociale en territoriale ontwikkeling bevorderen door gebruik te maken van de synergie tussen Europese fondsen;

25.  suggereert de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester een meerjarig karakter te geven, met controle en evaluatie halverwege de looptijd, en stelt voor deze aanbevelingen te zien als positieve prikkels voor het opstarten van structurele hervormingen en niet als instrumenten waarmee de toegang tot investeringen in het kader van het cohesiebeleid kan worden verhinderd, teneinde bij te dragen tot de gemeenschappelijke doelstellingen van de Unie;

26.  is van oordeel dat de in Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde maatregelen die de doeltreffendheid van de ESI-fondsen koppelen aan gezond economisch bestuur, zorgvuldig moeten worden onderzocht, onder meer door alle belanghebbenden hierbij te betrekken; is voorts van oordeel dat de grondidee achter het verband tussen de ESI-fondsen en gezonde economische governance moet worden herbekeken, met het oog op de volgende programmeringsperiode en rekening houdend met de uitvoering ervan in de periode 2014-2020; is van mening dat de Commissie aanpassingen moet overwegen van de manier waarop het Europees semester en het cohesiebeleid aan elkaar zijn gekoppeld; stelt in verband hiermee een systeem voor van positieve prikkels, waarvoor ruimte kan worden gecreëerd in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK), bij wijze van enveloppe die kan worden gebruikt wanneer de lidstaten voldoen aan de landspecifieke aanbevelingen en andere eisen in het kader van het Europees semester;

27.  acht het bijzonder nodig productieve lokale bedrijfsactiviteiten te ondersteunen die specifiek zijn voor achterstandsregio's, inclusief duurzaam toerisme, circulaire economie, lokale energietransitie, landbouw, industrieproducten en innovatie met focus op kmo's; is van mening dat synergieën die ontstaan uit de doeltreffende combinatie van financiering door regionale en nationale instanties met financiering via EU‑instrumenten, door middel van geïntegreerde territoriale investeringen, moeten helpen economische kansen te creëren, met name voor jongeren;

28.  onderstreept het feit dat het belangrijk is alle kansen te benutten die de EU biedt voor duurzame ontwikkeling en groei in deze regio's; is van mening dat de lidstaten bijzondere aandacht moeten besteden aan achterstandsregio's bij de voorbereiding van operationele en grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's; herinnert er daarom aan dat het belangrijk is gebruik te maken van middelen in het kader van direct beheer en het EFSI, naast en in coördinatie met de kansen die worden geboden door het cohesiebeleid;

29.  benadrukt dat het belangrijk is te beschikken over betrouwbare, bijgewerkte en uitgesplitste statistieken; vraagt daarom dat de Commissie en Eurostat statistieken verstrekken met de grootst mogelijke details en geografische uitsplitsing, zodat zij kunnen worden gebruikt voor het ontwerpen van geschikte cohesiemaatregelen, inclusief in achterstandsregio's; is in verband hiermee tevreden met de informatie in het verslag van de Commissie;

30.  verzoekt de Commissie herziening te overwegen van het bestaande verband tussen het cohesiebeleid en de macro-economische governance en herinnert eraan dat de legitimiteit van het cohesiebeleid rechtstreeks voortvloeit uit de Verdragen, dat het cohesiebeleid een van de meest zichtbare Europese beleidsgebieden is en de belangrijkste uiting van Europese solidariteit en meerwaarde in alle Europese regio's; is van oordeel dat de link tussen het cohesiebeleid en de economischegovernanceprocessen in het kader van het Europees semester evenwichtig en wederzijds moeten zijn en gericht moeten zijn op een systeem van positieve prikkels; pleit voor verdere erkenning van de territoriale dimensie, die het Europees semester ten goede kan komen; acht het daarom nodig een evenwichtige aanpak te volgen met betrekking tot economische governance en de doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie als vastgesteld in de Verdragen en met betrekking tot duurzame groei, werkgelegenheid en milieubescherming;

31.  herhaalt dat alle politieke actoren de rol moeten erkennen die het cohesiebeleid speelt als belangrijkste instrument van het Europese economische beleid dat publieke en particuliere investeringen bevordert waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke territoriale, sociale en economische kenmerken van de regio's;

32.  verzoekt de lidstaten, zoals voorgesteld in het Commissieverslag, om nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën en ‑programma's vast te stellen ter ondersteuning van achterstandsregio's en ter verbetering van hun bestuurlijke capaciteiten, governance en andere essentiële groeifactoren; verzoekt de Commissie in verband hiermee technische, professionele en praktische bijstand ter verlenen aan de lidstaten, regio's en gemeenten om gebruik te maken van beste praktijken en de digitalisering van overheidsdiensten te ondersteunen;

33.  dringt erop aan dat het cohesiebeleid een prioriteit blijft voor de Unie en bijgevolg geschraagd wordt door een ambitieuze financiering, ondanks de druk op de EU‑begroting, dat de synergieën met andere EU‑middelen worden verhoogd en dat aanvullende financiële steun via financieringsinstrumenten in het meerjarige programmeringskader voor de periode na 2020 worden aangetrokken; benadrukt dat waarden als Europese solidariteit, die het cohesiebeleid belichaamt, niet mogen worden ondermijnd;

34.  herinnert aan de verantwoordelijkheid van het Parlement bij het ontwerpen en goedkeuren van het passende wetgevingskader voor het toekomstige cohesiebeleid; wijst erop dat de fundamentele rol en het fundamentele doel van het cohesiebeleid overeenkomstig artikel 174 van het VWEU behouden moeten blijven, niet alleen om convergentie te realiseren, maar ook om te voorkomen dat gebieden achterop raken; wijst erop dat de regels moeten worden gestroomlijnd en dat een goed evenwicht moet worden gegarandeerd tussen vereenvoudiging van het beleid en adequate controles, terwijl buitensporige administratieve lasten moeten worden verminderd; is van mening dat de Commissie en de lidstaten een uitbreiding moeten overwegen van de bepalingen van artikel 7 van de EFRO-verordening (Verordening (EU) nr. 1301/2013), door in achterstandsregio's de verbindingen te financieren tussen steden en omliggende gebieden;

35.  vraagt de Commissie de ontwikkeling van innovatiesystemen, bijvoorbeeld innovatiestrategieën voor slimme specialisatie, beter te ondersteunen en de interactie tussen bedrijven, universiteiten en onderzoekscentra in achterstandsregio's te versterken; onderstreept voorts het feit dat goed verbonden gebieden essentieel zijn voor de activiteiten van onderzoekspartnerschappen, inclusief initiatieven in het kader van het Europees innovatiepartnerschap, zodat innoverende praktijken de duurzame ontwikkeling van de landbouw en aanverwante sectoren in achterstandsregio's verder kunnen verbeteren;

36.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en de regeringen en nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(3) PB C 181 van 19.5.2016, blz. 29.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0245.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0254.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.
(9) Mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017 (COM(2017)0623).

Laatst bijgewerkt op: 6 november 2018Juridische mededeling