Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2006(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0045/2018

Ingediende teksten :

A8-0045/2018

Debatten :

PV 12/03/2018 - 21
CRE 12/03/2018 - 21

Stemmingen :

PV 13/03/2018 - 7.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0068

Aangenomen teksten
PDF 217kWORD 64k
Dinsdag 13 maart 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
De rol van de regio's en steden van de EU in de tenuitvoerlegging van de COP21-overeenkomst van Parijs over de klimaatverandering
P8_TA(2018)0068A8-0045/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2018 over de rol van regio's en steden van de EU bij de tenuitvoerlegging van de COP21-overeenkomst van Parijs over klimaatverandering. (2017/2006(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21 en de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien artikel 7, lid 2, en artikel 11, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs, waarin wordt gewezen op de lokale, subnationale en regionale dimensies van klimaatverandering en klimaatactie,

–  gezien het standpunt van 4 oktober 2016 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP22)(2),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)(3),

–  gezien de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 11: "Steden inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam maken",

–  gezien de bepalingen van het Pact van Amsterdam inzake de stedelijke agenda voor de EU,

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU-beleid(4),

–  gezien Verslag nr. 12/2016 "Aanpassing van steden aan klimaatverandering 2016" en Verslag nr. 1/2017 "Klimaatverandering, gevolgen en kwetsbaarheid in Europa 2016" van het Europees Milieuagentschap,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 maart 2016 getiteld "Wat na Parijs? Een beoordeling van de implicaties van de Overeenkomst van Parijs" (COM(2016)0110 final),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 april 2013 getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216),

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's van 8 februari 2017 getiteld "Een geïntegreerde aanpak voor een nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering"(5),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 juli 2014 getiteld "De stedelijke dimensie van het Europees beleid – Hoofdkenmerken van een Europese stedelijke agenda" (COM(2014)0490),

–  gezien artikel 8 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening) (Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013(6)), dat bepaalt dat "[d]e doelstellingen van de ESI-fondsen worden nagestreefd in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling",

–  gezien de partnerschapsovereenkomsten en programma's uit hoofde van de GB‑verordening, die krachtens artikel 8 van de GB-verordening moeten bijdragen aan een "efficiënt gebruik van hulpbronnen, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering",

–  gezien de specifieke thematische doelstellingen die door ieder ESI-fonds worden gesteund, waaronder technologische ontwikkeling en innovatie, de overgang naar een koolstofarme economie, de aanpassing aan de klimaatverandering en de bevordering van efficiënt gebruik van hulpbronnen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien het vijfde evaluatieverslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8‑0045/2018),

A.  overwegende dat de toename van extreme weersomstandigheden een rechtstreeks gevolg is van door de mens veroorzaakte klimaatverandering en met toenemende regelmaat negatieve effecten zal hebben in grote delen van Europa, waardoor de daar aanwezige ecosystemen steeds kwetsbaarder worden; overwegende dat volgens de scenario's van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering de temperatuur op Aarde tot het jaar 2100 met 0,9 tot 5,8 ºC zou kunnen stijgen;

B.  overwegende dat het zevende milieuactieprogramma (MAP), dat tot 2020 richting zal geven aan het Europees milieubeleid, de verbetering van de duurzaamheid van de steden in de Unie als prioritaire doelstelling aanmerkt, samen met de drie horizontale hoofddoelstellingen, te weten het beschermen, behouden en verbeteren van het natuurlijk kapitaal van de Unie, het omvormen van de Unie tot een hulpbronnenefficiënte, groene en concurrerende koolstofarme economie, en het beschermen van de burgers van de Unie tegen milieugerelateerde druk en risico's voor de volksgezondheid en het welzijn;

C.  overwegende dat de klimaatverandering de maatschappelijke veranderingen kan verergeren als er geen verdere stappen worden ondernomen; overwegende dat rekening moet worden gehouden met de omvangrijke migratiestromen die worden voorspeld als gevolg van deze mondiale klimaatveranderingen, alsmede met de gevolgen van volksverhuizingen die nieuwe eisen stellen aan de infrastructuur van steden;

D.  overwegende dat, volgens de belangrijkste bevindingen van het EMA-verslag nr. 12/2016, de realiteit van de klimaatverandering in de EU reeds wordt gevoeld in de vorm van extreme weersverschijnselen en geleidelijk toenemende langetermijneffecten zoals orkanen, stormen, woestijnvorming, droogte, bodem- en kusterosie, zware regenval, hittegolven, overstromingen, zeespiegelstijging, watertekorten, bosbranden en de verspreiding van tropische ziekten;

E.  overwegende dat als gevolg van de klimaatverandering het risico op verdwijning van bepaalde planten- en diersoorten en de incidentie van besmettelijke ziekten als gevolg van klimatologische factoren toeneemt; overwegende dat gebieden, zoals de ultraperifere regio's en andere regio's van de EU die te kampen kunnen hebben met kwetsbaarheid vanwege topografische kenmerken, de gevolgen van de klimaatverandering nog sterker ondervinden;

F.  overwegende dat bovendien uit recente studies blijkt dat diverse waargenomen veranderingen in het milieu en de samenleving, zoals veranderingen van in bossen voorkomende soorten, de verspreiding van invasieve uitheemse soorten en ziekte-uitbraken, door de wereldwijde klimaatverandering zijn veroorzaakt of verergerd, waardoor mensen, natuur en de ecosystemen waarin zij leven kwetsbaar worden, tenzij concrete maatregelen worden genomen; overwegende dat geïntegreerde EU-steun om de solidariteit en de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten te bevorderen eraan zou bijdragen om ervoor te zorgen dat de regio's die het zwaarst door de klimaatverandering getroffen zijn, de nodige aanpassingsmaatregelen kunnen nemen;

G.  overwegende dat de klimaatverandering van invloed is op de sociale ongelijkheid die de afgelopen tien jaar in de EU al is toegenomen, waardoor de zwakste bevolkingsgroepen in de samenleving, die minder goed in staat zijn en over minder middelen beschikken om de gevolgen ervan op te vangen, kwetsbaarder worden; overwegende dat de kwetsbaarheid van individuen voor de gevolgen van klimaatverandering in grote mate wordt bepaald door hun vermogen om toegang te krijgen tot essentiële hulpbronnen en dat overheden de toegang tot die hulpbronnen moeten garanderen;

H.  overwegende dat bijna 72,5 % van de burgers in de EU, oftewel ongeveer 359 miljoen mensen, in steden woont; daarnaast overwegende dat de EU verantwoordelijk is voor 9 % van de wereldwijde uitstoot en stedelijke gebieden 60 tot 80 % van het wereldwijde energieverbruik voor hun rekening nemen, en ongeveer een even hoog percentage van de CO2-uitstoot veroorzaken;

I.  overwegende dat de gemaakte keuzes op het gebied van stedelijke infrastructuur gevolgen zullen hebben voor de mate waarin steden de gevolgen van klimaatverandering kunnen opvangen; overwegende dat steden, bedrijven en andere niet-overheidsactoren tegen 2020 de CO2-uitstoot met 2,5 tot 4 miljard ton kunnen verminderen; overwegende dat regio's en steden in staat zijn de mondiale uitstoot met 5 % te verminderen om aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen en dat zij over het potentieel beschikken om de wereldwijde uitstoot aanzienlijk te verminderen;

J.  overwegende dat duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) nr. 11 ("Inclusieve, veilige, robuuste en duurzame steden en dorpen") tot doel heeft om tegen 2020 het aantal steden en menselijke nederzettingen dat geïntegreerde beleidsmaatregelen en plannen voor integratie, hulpbronnenefficiëntie, mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering en veerkracht bij rampen goedkeurt en uitvoert aanzienlijk te vergroten, in overeenstemming met het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015‑2030, holistisch ramprisicobeheer op alle niveaus;

K.  overwegende dat gemeentelijke autoriteiten tot de belangrijkste begunstigden van Europese fondsen behoren;

L.  wijst erop dat in artikel 7, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs wordt gesteld dat "adaptatie voor eenieder een wereldwijde uitdaging is met lokale, subnationale, nationale, regionale en internationale dimensies"; overwegende dat maatregelen van lokale overheden en niet-overheidsactoren essentieel zijn om regeringen in staat te stellen hun verbintenissen in het kader van mondiale klimaatmaatregelen na te komen;

M.  overwegende dat de EU-strategie inzake aanpassing aan klimaatverandering (COM(2013)0216) en de respectieve EU-verordeningen inzake de Europese structuurfondsen en investeringsfondsen (ESI-fondsen) de belangrijkste doelstellingen en daarmee samenhangende beleidsmaatregelen aangeven, met name door de invoering van mechanismen zoals ex‑antevoorwaarden en klimaatrelevante thematische doelstellingen in het cohesiebeleidskader 2014-2020, zoals thematische doelstellingen (TO) 4: "De overgang naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakken ondersteunen"; TO5: "De aanpassing aan klimaatverandering en risicopreventie en ‑beheer bevorderen" en TO6: "Bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen", die hebben geleid tot meer en beter gerichte klimaatactiemiddelen in het kader van ten minste een deel van de ESI-fondsen;

N.  overwegende dat regio's en steden hun inzet voor het UNFCCC-proces al hebben getoond door hun betrokkenheid bij de actieagenda Lima-Parijs (LPAA) en het platform van niet-overheidsactoren voor klimaatactie (NAZCA);

Algemeen kader

1.  is verheugd over de rol van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs/COP21 en juicht haar rol als wereldleider bij de strijd tegen klimaatverandering toe; wijst erop dat de doelstellingen van Europa met betrekking tot de strijd tegen klimaatverandering tot de meest ambitieuze ter wereld behoren; dringt erop aan dat de mitigatie van de klimaatverandering wordt beschouwd als een belangrijke prioriteit in het cohesiebeleid van de EU, teneinde te voldoen aan de afspraken van de Overeenkomst van Parijs/COP21 en deze na te komen en te handhaven door de bevordering van schone energie-innovatie, de circulaire economie, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijke aanpassingsmaatregelen, met behoud van de fundamentele rol en doelstellingen van het cohesiebeleid overeenkomstig artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

2.  stemt in met de aanpak van klimaatverandering voorzien in de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (Verenigde Naties) en het Pact van Amsterdam (stedelijke agenda voor de EU); benadrukt dat Europa een wereldleider moet worden op het gebied van hernieuwbare energie, zoals voorgesteld door de Commissie, en herinnert eraan dat de stedelijke agenda van de EU bijdraagt aan de uitvoering van de VN-agenda voor duurzame ontwikkeling in 2030 door middel van de doelstelling van inclusieve, veilige en duurzame steden; houdt in dit verband rekening met de verschillen tussen de Europese lokale overheden en hun uiteenlopende mogelijkheden; vraagt om een flexibele aanpak op maat bij de tenuitvoerlegging van de stedelijke agenda, waarbij stimulansen en begeleiding moeten worden geboden om de mogelijkheden van steden volledig te benutten;

3.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 14 oktober 2015, "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs"(7), de lidstaten heeft verzocht om aanvullende verbintenissen te overwegen met betrekking tot de vermindering van de broeikasgasemissies; onderstreept de noodzaak van maximale transparantie en controle van het COP21-proces;

4.  roept de Commissie en de lidstaten op om ambitieuze doelstellingen te hanteren in lijn met de bestaande EU-wetgeving en conform het verzoek dat het Europees Comité van de Regio's heeft gedaan in zijn advies van 9 februari 2017 "Een geïntegreerde aanpak voor een nieuwe EU-strategie voor­ aanpassing aan de klimaatverandering";

5.  betreurt onverantwoorde strategieën die het milieu in gevaar brengen, zoals bepaalde economische activiteiten en specifieke industriële sectoren die veel vervuiling veroorzaken, en benadrukt dat binnen geledingen van de samenleving bijgedragen moet worden aan maatregelen die van cruciaal belang zijn om een trend te keren die het leven op aarde bedreigt; benadrukt dat er onvoldoende informatie beschikbaar is over de maatregelen die door sommige industriële sectoren zijn genomen om de effecten van vervuiling te bestrijden en minder vervuilende oplossingen te vinden; betreurt echter dat bepaalde opiniemakers binnen de wetenschap, de media en de politiek de bewijzen van klimaatverandering blijven ontkennen;

6.  betreurt het voornemen van de VS om zich terug te trekken uit de Overeenkomst van Parijs, en is verheugd over het aantal niet-federale actoren, met name staten en steden in de VS, dat opnieuw heeft bevestigd bereid te zijn te voldoen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; moedigt de lokale en regionale autoriteiten in de VS die betrokken willen zijn bij de bestrijding van klimaatverandering aan om bij hun projecten partnerschappen en samenwerkingsverbanden aan te gaan met andere publieke en private partners en goede praktijken op dit gebied uit te wisselen; is van mening dat een nieuw bestuursmodel ingevoerd moet worden om financiering voor klimaatactie te garanderen en dat gezorgd moet worden voor een betere integratie van regio's en steden en hun representatieve organen;

7.  wijst erop dat steden een bepalende rol dienen te spelen bij de bestrijding van klimaatverandering, in wederzijdse afstemming met de nationale autoriteiten en de regio waarin zij gelegen zijn; spoort subnationale leiders en nationale overheden aan tot verdere samenwerking op internationaal niveau door middel van platforms als "Friends of Cities"; is van mening dat in het specifieke geval van geïntegreerde duurzame stadsontwikkeling de lokale overheden niet alleen bevoegd moeten zijn om projecten te selecteren, maar ook om lokale ontwikkelingsprojecten op te zetten, uit te werken en ten uitvoer te leggen; benadrukt de mogelijk gunstige aspecten voor groei en groene werkgelegenheid;

8.  merkt op dat de plaatselijke autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de meeste maatregelen voor mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering en het grootste deel van de EU-wetgeving op dit gebied; benadrukt dat actie moet worden ondernomen op het gebied van stadsplanning, mobiliteit, openbaar vervoer en openbare infrastructuur, de energieprestaties van gebouwen, onderwijscampagnes, slimme steden, slimme netten en regionale subsidies om de Overeenkomst van Parijs ten uitvoer te leggen;

9.  merkt op dat burgemeesters van steden voor hun besluiten rechtstreeks verantwoording afleggen aan hun burgers en dat zij doeltreffender en sneller kunnen optreden, vaak met onmiddellijke resultaten die een groot effect sorteren;

10.  dringt er bij nationale overheden op aan steden en regio's te helpen de internationale verplichtingen ter ondersteuning van initiatieven op het gebied van klimaat en energie op lokaal en regionaal niveau na te komen;

11.  wijst erop dat er een wisselwerking bestaat tussen klimaatverandering en sociale en economische factoren, zodat een integrale visie vereist is die kan worden uitgevoerd op lokaal en regionaal niveau;

12.  waarschuwt voor de maatschappelijke kosten en de economische gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen die momenteel gevolgen hebben voor de stedelijke infrastructuur, de volksgezondheid en sociale zorgstelsels, die, in bepaalde periodes en in bepaalde steden en regio's, overbelast zijn en worden ondermijnd door de onzekere economische situatie; wijst erop dat deze systemen dus onder extra druk zullen komen te staan en tegemoet zullen moeten komen aan groeiende en complexere behoeften; is verheugd over de potentiële economische voordelen voor steden die investeren in en het voortouw nemen met betrekking tot koolstofarme infrastructuur, waaronder lagere energiekosten, lagere onderhoudskosten en lagere uitgaven op het gebied van volksgezondheid, die erop vooruitgaat door de vermindering van de hoeveelheid verontreinigende stoffen;

13.  wijst erop dat de mitigatie van en de aanpassing aan klimaatverandering langetermijnprocessen zijn die verkiezingscycli en beslissingen op lokaal en regionaal niveau overstijgen, en dringt erop aan dat mitigatie en aanpassing worden gezien als een kans om andere uitdagingen beter te kunnen aanpakken, zoals het creëren van werkgelegenheid en de verbetering van de gezondheid, de kwaliteit van leven en openbare diensten; wijst erop dat de Overeenkomst van Parijs voorziet in de actieve betrokkenheid van belanghebbenden die geen verdragspartij zijn door middel van de technische evaluatieprocessen betreffende mitigatie en aanpassing;

14.  wijst op de essentiële rol van regio's, steden en dorpen bij het bevorderen van de betrokkenheid bij de energietransitie en het stimuleren van klimaatactie en energiegerelateerde innovatie op basis van een bottom-upbenadering; merkt op dat regio's en stedelijke gebieden het meest geschikt zijn voor het testen en ten uitvoer leggen van geïntegreerde energieoplossingen in samenwerking met de burgers; benadrukt dat de energietransitie en plaatselijke investeringen in maatregelen voor de mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering moeten worden gestimuleerd; benadrukt dat innovatie op het gebied van schone energie en kleinschalige hernieuwbare energieprojecten een belangrijke rol kunnen spelen bij het behalen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor toegang tot financiële maatregelen die rekening houden met de specifieke kenmerken en de waarde op lange termijn van de plaatselijke energiegemeenschappen voor de energiemarkt, het milieu en de samenleving, alsook een prominentere de rol te geven aan individuele prosumenten in het kader van hernieuwbare energiebronnen met het oog op grotere zelfvoorziening en zelfproductie; verzoekt de steden en regio's het voortouw te nemen bij de bevordering van energie-efficiëntie en de productie van hernieuwbare energie, om de broeikasgasemissies en de luchtvervuiling te verminderen;

15.  wijst nogmaals op de noodzaak dat regio's Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie ten uitvoer moeten leggen, en dringt erop aan dat de structuurfondsen worden gericht of versterkt om energie-efficiëntie in openbare gebouwen en zelfvoorziening in gemeenten door middel van regeneratieve energie te bevorderen; dringt erop aan dat coöperatieve burgerenergieprojecten worden gesteund via de structuurfondsen en met een verlaging van de administratieve lasten op nationaal en regionaal niveau;

16.  stelt vast dat volgens de meest recente statistieken het aandeel van de EU in de mondiale uitstoot van broeikasgassen ongeveer 10 % bedraagt en dat de negatieve klimaattrends daarom zonder mondiale maatregelen niet kunnen worden omgebogen; wijst er echter op dat de EU in dit opzicht een leidende rol zou kunnen spelen, met name door oplossingen en technologieën op het gebied van schone energie te bevorderen;

17.  herinnert eraan dat de stedelijke agenda van de EU een nieuwe werkwijze bevordert waarbij het potentieel van steden ten volle wordt benut om een antwoord te bieden op de mondiale uitdagingen ten gevolge van klimaatverandering, door met name aandacht te besteden aan betere regelgeving, toegang tot financiering en kennisuitwisseling;

EU en cohesiebeleid

18.  is van mening dat het volgende meerjarig financieel kader (MFK) waar gepast zijn ambitieniveau ter verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen moet verhogen, en dat het percentage van de uitgaven voor dit doel moet worden verhoogd;

19.  herinnert aan het voornemen om ten minste 20 % van de EU-begroting voor de periode 2014-2020 (ongeveer 212 miljard EUR) uit te geven aan klimaatgerelateerde actie; verzoekt de Commissie en de lidstaten terdege nota te nemen van speciaal verslag nr. 31 van de Europese Rekenkamer van 2016, waarin wordt gewaarschuwd dat er een ernstig risico bestaat dat de doelstelling van 20 % niet zal worden gehaald als er geen aanvullende maatregelen worden genomen, en verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de vorderingen op dit belangrijke gebied; benadrukt dat er in het kader van het Europees Sociaal Fonds en het landbouw-, plattelandsontwikkelings- of visserijbeleid geen noemenswaardige verschuiving naar klimaatactie heeft plaatsgevonden en dat niet alle mogelijkheden voor financiering van klimaatgerelateerde maatregelen volledig zijn onderzocht;

20.  benadrukt de sleutelrol van het cohesiebeleid bij het aanpakken van klimaatveranderingsproblemen op regionaal en lokaal niveau; wijst opnieuw op de noodzaak om de begroting voor het cohesiebeleid na 2020 te verhogen; benadrukt het feit dat het cohesiebeleid bijzondere aandacht zou moeten besteden aan stedelijke investering in luchtkwaliteit, de circulaire economie, de aanpassing aan klimaatverandering, oplossingen voor de ontwikkeling van groene infrastructuur en energie- en digitale transitie;

21.  steunt het creëren van een instrument voor de vaststelling van de kosten en baten dat lokale overheden in staat stelt de effecten van projecten in termen van koolstofbeperking te begrijpen en hen de mogelijkheid biedt de beschikbare financieringsmogelijkheden op EU-niveau ten volle te benutten;

22.  is van mening dat het cohesiebeleid zowel de mitigatie- als de aanpassingsbenadering moet omvatten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen deze benaderingen, maar rekening houdend met het feit dat zij gecoördineerd moeten worden, en dat er duidelijke financieringsmechanismen moeten worden ingevoerd om beleid en maatregelen op elk gebied te stimuleren en te stimuleren; is van mening dat deze mechanismen kunnen worden uitgevoerd door middel van duidelijke en meetbare investeringsplannen, waaraan steden en regio's (met inbegrip van overheden, het bedrijfsleven, belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld) kunnen deelnemen, en dat deze deelname ook de uitvoerings- en evaluatiefasen moet omvatten;

23.  merkt op dat slechts vijftien lidstaten een actieplan en een aanpassingsstrategie hebben vastgesteld, met weinig concrete maatregelen ter plaatse; is van oordeel dat de toekomstige planning van de ESI-fondsen beter geïntegreerd zou moeten worden in de nationale energie- en klimaatplannen voor 2030; benadrukt dat in het toekomstige meerjarig financieel kader de mainstreaming van klimaatdoelstellingen verder moet worden verbeterd, bijvoorbeeld door investeringen in het cohesiebeleid nauwer te koppelen aan de algemene plannen van de lidstaten om de doelstelling voor 2030 te halen; wijst erop dat bij de evaluatie van de partnerschapsovereenkomsten dan ook rekening moet worden gehouden met de klimaatdoelstellingen van de EU, terwijl de operationele programma's nauw moeten blijven aansluiten bij de aanpassingsstrategieën en ‑plannen van elke lidstaat om te komen tot coördinatie en samenhang op alle niveaus van planning en beheer, met name in gevallen waarin EU-middelen een hoog percentage van de beschikbare overheidsuitgaven uitmaken; wijst erop dat daarom bij de beoordeling van de operationele programma's moet worden nagegaan in hoeverre deze programma's hebben bijgedragen tot de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en dat moet worden gestreefd naar een gemeenschappelijke traceringsmethodologie en een gemeenschappelijk monitoringproces om "green-washing" te voorkomen;

24.  dringt erop aan de investeringen in het kader van het cohesiebeleid af te stemmen op een doeltreffend klimaatbeleid, om de milieuduurzaamheid te waarborgen;

25.  wijst erop dat het innovatiebeleid en de stedelijke dimensie geschikte terreinen zijn voor de totstandbrenging van synergieën tussen de klimaatdoelstellingen en de bredere economische doelstellingen van het cohesiebeleid; roept daarom op tot de ontwikkeling van specifieke bepalingen die gericht zijn op duurzame stedelijke ontwikkeling en stedelijke vernieuwing, waarbij aan deze gebieden in het cohesiebeleid na 2020 aanzienlijk meer middelen toegewezen moeten worden;

26.  roept de verschillende partnerschappen die in het kader van de stedelijke agenda voor de EU aan kwesties met betrekking tot klimaatmitigatie werken om hun actieplannen snel vast te stellen en te presenteren; dringt er bovendien bij de Commissie op aan om in toekomstige wetgevingsvoorstellen rekening te houden met de daarin vervatte voorstellen, met name wat betreft betere regelgeving, financiering en kennis;

27.  benadrukt dat er, om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken, meer samenhang nodig is met betrekking tot investeringen met een koolstofarm langetermijntraject voor de regionale markt/de markt van de lidstaat/het land als geheel, en dringt aan op maatregelen om de toegang tot financiering te vergemakkelijken, zodat kleinere steden en regio's toegang krijgen tot financiering; benadrukt verder dat prioritaire financiering beschikbaar moet worden gesteld voor regio's die van koolstof afhankelijk zijn om een soepele overgang naar een economie met lage uitstoot mogelijk te maken, en dat prioriteit moet worden gegeven aan de overgang naar alternatieve werkgelegenheid voor werknemers in koolstofintensieve industrieën; roept de Commissie op om in het kader van het cohesiebeleid voor de periode na 2020 voor te stellen dat het realiseren van emissiereducties (naast andere acties zoals regeneratiewerkzaamheden of activiteiten gericht op het saneren en ontsmetten van oude bedrijfsterreinen) een belangrijk element moet zijn bij de beoordeling van de prestaties van operationele programma's;

28.  benadrukt het belang van de inzet van aanvullende financiële instrumenten en beleidsmaatregelen, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Connecting Europe Facility en Horizon 2020, om projecten te financieren die bijdragen aan de mitigatie van of de aanpassing aan de klimaatverandering;

29.  benadrukt dat subsidies aan regio's en steden in het cohesiebeleid een fundamenteel communautair financieringsmiddel moeten blijven, met name voor acties ten gunste van het klimaat; benadrukt echter dat, ondanks de verbeterde samenhang en nauwkeurigheid van klimaatrelevante impact- en resultaatindicatoren, deze laatste niet volstaan om vast te stellen in hoeverre het cohesiebeleid bijdraagt tot de verwezenlijking van de algemene klimaatdoelstellingen van de EU, en is van mening dat het monitoring- en volgsysteem voor klimaatgerelateerde uitgaven moet worden verbeterd om ervoor te zorgen dat de EU-uitgaven een specifieke, meetbare bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de EU-doelstellingen; dringt aan op een draaiboek voor aanpassing om toezicht te houden op regionale en lokale klimaatmaatregelen en verzoekt de Commissie te beoordelen welk percentage van de middelen de lidstaten op lokaal niveau besteden aan het terugdringen van broeikasgasemissies en het waarborgen van ruimtelijke aanpassing aan de klimaatverandering;

30.  wijst op de rol van geïntegreerde territoriale ontwikkelingsinstrumenten, zoals geïntegreerde territoriale investeringen en lokale ontwikkeling in de Gemeenschap (CLLD's), die door steden kunnen worden gebruikt als aanvullende instrumenten voor de financiering van strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling of functionele gebieden; roept op tot de gebruikmaking van geïntegreerde lokale bottom-up-benaderingen en -strategieën om te zorgen voor een efficiënter gebruik van de middelen, om veerkracht op te bouwen en aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering mogelijk te maken in de gebieden die er het zwaarst door worden getroffen;

31.  wijst erop dat de steden in de EU het overgrote deel van de Europese onderzoeks- en ontwikkelingsindustrie die zich richt op klimaatverandering, huisvesten; roept de Commissie op om steden en regio's meer steun te verlenen op het gebied van opleiding en bewustmaking, financiële begeleiding, knowhow, communicatie, onderzoek en ontwikkeling, klimaatbeschermingseducatie en advies over zowel mitigatie als aanpassing, met name door versterking van bestaande instrumenten zoals het adviesplatform voor stedelijke investeringen URBIS, URBACT en het Urban Innovative Actions (UIA)-initiatief; roept de Commissie op ervoor te zorgen dat deze industrieën ten volle profijt trekken van de wereldwijde samenwerking op onderzoeksgebied en deze instrumenten te versterken om lokale overheden te helpen bij het realiseren van doelgerichte projecten en om toegang te krijgen tot financieringsmogelijkheden om innovatieve oplossingen in strategieën voor stadsontwikkeling te testen; verzoekt om subnationale autoriteiten uit derde landen de mogelijkheid te bieden om op vrijwillige basis, zowel formeel als informeel, deel te nemen aan Europese initiatieven op het gebied van wetenschap, onderzoek en technologie, zoals Horizon 2020, om de collectieve doelstellingen te bereiken; is van mening dat lokale autoriteiten rechtstreeks toegang moeten krijgen tot financieringsfaciliteiten als de mondiale klimaatmiddelen; is van mening dat de synergie tussen het cohesiebeleid en het onderzoeks- en innovatiebeleid moet worden versterkt om te zorgen voor een snelle toepassing van nieuwe koolstofarme technologieën;

32.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in het Horizon 2020-programma meer aandacht en financiering wordt besteed aan innovatie- en onderzoeksprojecten op het gebied van circulaire economie en duurzame steden; moedigt de lidstaten aan om, met steun van de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB), de bestuurlijke capaciteit van regio's en steden te versterken, zodat zij ten volle gebruik kunnen maken van de financieringsmogelijkheden die op EU-niveau voor de overheid en de particuliere sector beschikbaar zijn;

33.  verzoekt de bevoegde instanties het afvalprobleem aan te pakken om de circulaire economie vruchten te laten afwerpen en voor afval dat niet herbruikbaar of recycleerbaar is, andere afvalmethoden te bevorderen dan verbranding;

34.  is van mening dat de klimaatverandering in de komende programmeringsperiode aan bod moet komen in de programmering van de territoriale samenwerking; wijst op de belangrijke rol die territoriale samenwerking, grensoverschrijdende samenwerking en macroregionale strategieën spelen in de acties van regio's en steden, zowel binnen als buiten de grenzen van de EU, en wijst er nogmaals op dat dit instrument politiek en financieel moet worden versterkt, zowel voor mitigatie als aanpassing; benadrukt dat een kader voor de uitvoering van gezamenlijke acties en beleidsuitwisselingen tussen nationale, regionale en lokale actoren uit verschillende lidstaten, zoals Interreg, bijzonder geschikt is om de klimaatverandering aan te pakken en passende maatregelen te nemen om de gevolgen ervan te beperken; is in dit verband verheugd dat 7 van de 15 transnationale Interreg-programma's in Europa betrekking hebben op financieringsstrategieën, proefprojecten, training en hulpmiddelen om steden te helpen bij het opbouwen van de capaciteiten om CO2-emissies te verlagen en de klimaatverandering te beperken, om zo de EU-doelstellingen te kunnen verwezenlijken;

Steden en regio's

35.  is ingenomen met initiatieven zoals het Wereldconvenant van burgemeesters voor klimaat en energie en de rol die een aantal steden en regio's hebben gespeeld in de strijd tegen klimaatverandering en milieubescherming; dringt er bij steden en regio's op aan om samen te werken en de strijd tegen klimaatverandering nog hoger en dringender op de institutionele agenda te zetten; beveelt stedelijke overheden aan om slimme langetermijnplanningsstrategieën en innovatieve benaderingen, zoals het slimme stadsinitiatief, ten uitvoer te leggen en regelmatig bij te werken; benadrukt de noodzaak van duurzame en energie-efficiënte huisvestingsprojecten en slimme gebouwen die energie besparen, investeringen in hernieuwbare energie, milieuvriendelijke systemen voor openbaar vervoer, verdere steun voor projecten ter bevordering van koolstofarme steden en regio's en voor allianties van steden en lokale en regionale overheden die samenwerken om de opwarming van de aarde tegen te gaan;

36.  wijst op het belang van de invoering van een rapportagekader dat gebaseerd is op objectieve parameters en beproefde methoden, en van monitoring van klimaatmaatregelen van steden en regio's om gegevens over klimaatverbintenissen uit te wisselen en de transparantie onder actoren te vergroten, teneinde de klimaatdoelstellingen te bereiken;

37.  herinnert eraan dat de vervoerssector verantwoordelijk is voor de uitstoot van zowel broeikasgassen als luchtverontreinigende stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid, waarvan de concentratie in stedelijke gebieden geregeld is bij Richtlijn (EU) 2016/2284 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen; is van mening dat regio's en steden een enorm potentieel hebben om de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van het vervoer te verminderen, en wijst op de noodzaak van financiering voor initiatieven die de lokale en regionale koolstofarme mobiliteit bevorderen; benadrukt dat steden een leidende rol moeten spelen bij de bevordering van het gebruik van openbaar vervoer en de elektrificatie van openbaar en particulier vervoer, en dringt erop aan om een aantal modelregio's aan te wijzen voor onderzoek naar intelligente, onderling verbonden vervoerssystemen tussen stedelijke en plattelandsgebieden;

38.  is verheugd over stadsinitiatieven als slimme steden en slimme netten waarmee wordt gepoogd de broeikasgasemissies te beperken en de hulpbronnenefficiëntie te vergroten; benadrukt dat regio's de groene stadsregelingen moeten verbeteren door de digitale en energietransitie te bevorderen en dat oplossingen zoals slimme netwerken het potentieel bieden om op een efficiëntere manier energie te leveren aan woningen en gebouwen; wijst erop dat samenwerking tussen bedrijven en steden bijdraagt tot innovatieve en inclusieve oplossingen en dringt erop aan dat deze worden bevorderd; benadrukt dat er meer moet worden geïnvesteerd in andere duurzame oplossingen zoals groene infrastructuur, en met name in het uitbreiden van de houtachtige begroeiing in steden; herinnert eraan dat niet alleen de uitstoot moet worden teruggedrongen, maar dat ook de CO2-absorptiecapaciteit van de bodem moet worden verhoogd, en dringt aan op een betere bescherming van bestaande en nieuwe stedelijke bossen in de EU-regio's;

39.  onderstreept het feit dat lokaal geproduceerde seizoensproducten de broeikasgasemissies van vervoer kunnen verminderen en zo de algemene koolstofvoetafdruk van levensmiddelen kunnen terugdringen; roept de Commissie op samen te werken met de levensmiddelensector om de lokale en regionale duurzame voedselproductie te vergroten, en is ingenomen met vrijwillige maatregelen (zoals "stoplichtetikettering") om ervoor te zorgen dat de gevolgen voor het klimaat en de koolstofvoetafdruk van levensmiddelen en andere producten zichtbaar zijn; roept op tot gemeenschappelijke indicatoren voor de hele EU om vrijwillige maar vergelijkbare etikettering mogelijk te maken en roept de lokale overheden op om voorlichtingscampagnes te organiseren om het bewustzijn over de koolstofvoetafdruk van voedsel te vergroten;

40.  wijst erop dat de planning van de beperkende maatregelen gebaseerd moet zijn op een eerlijke verdeling van de inspanningen van en de voordelen voor de verschillende actoren, en dat deze maatregelen specifiek gericht moeten zijn op bescherming van de meest kwetsbare delen van de bevolking;

41.  wijst op de diversiteit en de specifieke aard van de regionale kwetsbaarheden en mogelijkheden, en wijst erop dat de uitdagingen, middelen en meest doeltreffende maatregelen per gebied kunnen verschillen; herinnert er daarom aan veel waarde te hechten aan het beginsel van subsidiariteit en benadrukt dat steden en regio's derhalve over de noodzakelijke bevoegdheden en voldoende politieke, bestuurlijke en financiële autonomie moeten beschikken om de afzonderlijke acties te plannen en uit te voeren; benadrukt dat steden hun eigen stadsplanning moeten afstemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs door te investeren in groene infrastructuur, mobiliteit, openbaar vervoer en slimme netwerken; wijst er andermaal op dat de lokale en regionale overheden, als bestuursniveaus die het dichtst bij de burger staan en ook het meest direct te maken hebben met de gevolgen van klimaatverandering, het breedste inzicht hebben in veel problemen, en wijst er daarom op dat het belangrijk is de lokale en regionale overheden te voorzien van de bestuurlijke capaciteit en financiële instrumenten om op maat gesneden oplossingen te ontwikkelen om de klimaatverandering tegen te gaan;

42.  dringt aan op een doeltreffender meerlagig bestuur met volledige transparantie, waardoor lokale overheden, regio's en steden en hun vertegenwoordigende organen beter kunnen worden betrokken bij het besluitvormingsproces van de EU en het UNFCCC-proces; dringt erop aan dat de coördinatie tussen alle overheden wordt bevorderd en gewaarborgd en dat de betrokkenheid van het publiek en de sociale en economische actoren wordt bevorderd, en verzoekt de Commissie de coördinatie en uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen lidstaten, regio's, lokale gemeenschappen en steden te bevorderen; wijst erop dat participatieve modellen van lokaal bestuur moeten worden aangemoedigd;

43.  is ingenomen met het besluit van het Intergouvernementele Panel inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change, IPCC) om een speciaal verslag op te stellen over steden en klimaat in 2023, een toezegging die ertoe zal leiden dat er meer onderzoek wordt gedaan naar het belang van steden bij de bestrijding van klimaatverandering; is van mening dat steden inbreng moeten hebben in het mondiale klimaatrapport voor 2018; is daarnaast van mening dat steden en regio's de beleidsvorming op basis van de Overeenkomst van Parijs kunnen beïnvloeden door een strategische benadering te hanteren in de strijd tegen de opwarming van de aarde en de ondersteuning van mitigatie- en adaptatiemaatregelen in stedelijke gebieden, waar meer dan de helft van de wereldbevolking woont; roept de Commissie op om in dit proces te pleiten voor een visie op verschillende niveaus van klimaatactie, teneinde een inclusief klimaatregime te bevorderen waarin rekening wordt gehouden met de acties van lokale en subnationale overheden;

44.  roept nationale autoriteiten op tot decentralisatie en een betere toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, waardoor lokale en regionale autoriteiten een grotere rol kunnen vervullen bij de bestrijding van klimaatverandering;

45.  constateert dat veel onderdelen van het bedrijfsleven investeren in de groene transformatie en zich inzetten voor een beleid dat gericht is op het koolstofvrij maken van de economie; wijst erop dat samenwerking tussen bedrijven en steden leidt tot innovatieve en inclusieve oplossingen voor klimaatactie en de EU helpt haar doelstellingen te verwezenlijken; herinnert eraan dat de industrie een sleutelrol speelt bij de financiering en het dichten van de investeringskloof in stedelijke gebieden; pleit voor de bevordering van partnerschappen tussen steden en bedrijven;

46.  wijst erop dat slimme planning en investeringen in koolstofarme, klimaatbestendige stedelijke infrastructuur kunnen bijdragen aan een verbetering van het milieu en de kwaliteit van leven van burgers, werkgelegenheid kunnen creëren en de lokale en regionale economie kunnen stimuleren;

47.  roept steden en regio's op om gebruik te maken van EU-initiatieven als de stedelijke innovatieve acties om proefprojecten op te zetten op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling;

48.  is ingenomen met het initiatief "Women4Climate" en de betrokkenheid van de particuliere sector bij dit initiatief, dat moet bijdragen tot een grotere betrokkenheid van leidinggevende vrouwen bij de strijd tegen klimaatverandering, teneinde hun leiderschapsvaardigheden te versterken en de volgende generatie leidinggevende vrouwen aan te moedigen om deel te nemen aan de strijd tegen klimaatverandering;

49.  erkent de bijzondere verantwoordelijkheid van steden voor het aanpakken van klimaatverandering, aangezien zij 70 % van de wereldwijde CO2-uitstoot voor hun rekening nemen, en herhaalt dat het Parlement zich inzet voor de succesvolle wereldwijde uitrol van het Convenant van burgemeesters voor klimaat en energie, met inbegrip van het Initiatief voor aanpassing aan de klimaatverandering ("Mayors Adapt initiative"), het "Onder 2°"- memorandum van overeenstemming, het Pact van Amsterdam en het initiatief voor aanpassing van de regio's aan de klimaatverandering; is van mening dat de toezeggingen die in 2015 in het stadhuis van Parijs zijn gedaan, alleen zullen worden nagekomen door middel van een engagement met het Mondiaal Convenant van burgemeesters voor Klimaat en Energie, en moedigt alle steden uit de EU en derde landen aan om toe te treden tot het Convenant van burgemeesters en­, zonder afbreuk te doen aan hun deelname aan andere sectorale of institutionele netwerken met dezelfde doelstellingen­, zich te verbinden tot ambitieuze klimaatmaatregelen en de uitwisseling van ervaringen met goede praktijken te organiseren; merkt op dat een aantal van de door steden ingediende actieplannen verbintenissen tot en met 2020 bevatten, en spoort deze steden daarom aan verdere stappen te ondernemen tot 2030; is van mening dat de EU steden autonomie moet blijven bieden om hun eigen strategieën voor de mitigatie van klimaatverandering te plannen, zolang deze leidt tot verdergaande doelstellingen;

50.  benadrukt dat de Overeenkomst van Parijs een duidelijke verwijzing moet bevatten naar de rol van lokale en regionale overheden om een langetermijnantwoord op de klimaatverandering te garanderen; onderstreept het feit dat de EU ter plaatse moet samenwerken met steden en regio's om regio's en steden in de EU beter met elkaar te verbinden en duurzamer te maken, energie-efficiënte gemeenten te creëren en slimmere stedelijke vervoersnetwerken te ontwikkelen;

51.  is van oordeel dat de overdracht van kennis en ervaring moet worden aangemoedigd op lokaal en regionaal niveau, gezien de schat aan verworven ervaring van individuele regio's en steden, alsook van bepaalde regionale milieubeschermings- of energieagentschappen;

52.  is van mening dat Europese en internationale of wereldwijde organisaties en verenigingen of netwerken van steden, gemeenten en regio's moeten worden gebruikt voor een betere samenwerking om de klimaatveranderingsproblemen op lokaal en regionaal niveau aan te pakken;

53.  merkt op dat lokale en regionale autoriteiten tijdens de COP22 in Marrakesh de routekaart voor actie van Marrakesh (Marrakesh Roadmap for Action) hebben uitgewerkt, waarin wordt benadrukt dat lokale autoriteiten directere inspraak moeten krijgen en dat dit formeel deel moet uitmaken van de besprekingen over de klimaatverandering, in plaats van te worden beschouwd als actoren die zich op hetzelfde niveau situeren als andere niet-overheidsactoren, bijvoorbeeld ngo's en de particuliere sector;

o
o   o

54.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan het Europees Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, en de lidstaten en de nationale en regionale parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0363.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0383.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0380.
(4) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 124.
(5) PB C 207 van 30.6.2017, blz. 51.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(7) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 67.

Laatst bijgewerkt op: 6 november 2018Juridische mededeling