Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2052(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0048/2018

Ingediende teksten :

A8-0048/2018

Debatten :

PV 13/03/2018 - 13
CRE 13/03/2018 - 13

Stemmingen :

PV 14/03/2018 - 8.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0075

Aangenomen teksten
PDF 387kWORD 88k
Woensdag 14 maart 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020
P8_TA(2018)0075A8-0048/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020 (2017/2052(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en de latere wijziging daarvan bij Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(4),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 28 juni 2017 over de toekomst van de EU-financiën (COM(2017)0358),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(5),

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling",

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(6),

–  gezien de bekrachtiging van de Overeenkomst van Parijs door het Europees Parlement op 4 oktober 2016(7) en door de Raad op 5 oktober 2016(8),

–  gezien het verslag "Challenges facing civil society organisations working on human rights in the EU" van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–  gezien het initiatiefadvies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de financiering van organisaties van het maatschappelijk middenveld door de EU,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie, de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie begrotingscontrole, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie visserij, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0048/2018),

A.  overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) in 2013 werd goedgekeurd en voor het eerst een reële afname ten opzichte van de vorige financiële programmeringsperiode inhield van zowel de vastleggings- als de betalingskredieten, ondanks de toegenomen bevoegdheden en de groeiende ambities van de EU op grond van respectievelijk het Verdrag van Lissabon en de Europa 2020-strategie; overwegende dat het voorts een aanzienlijk verschil vertoonde tussen de omvang van de vastleggings- en de betalingskredieten, wat mede geleid heeft tot een achterstand van onbetaalde rekeningen in de eerste twee jaren van het MFK; overwegende dat de late vaststelling van het MFK en de daarmee samenhangende rechtsgrondslagen mede debet waren aan vertragingen bij de uitvoering, waarvan de gevolgen nu nog steeds voelbaar zijn en die ertoe zouden kunnen leiden dat de betalingsverzoeken zich aan het eind van het huidige MFK ophopen en in de volgende periode terechtkomen; overwegende dat op aandringen van het Parlement nieuwe bepalingen in het MFK werden opgenomen om de globale plafonds in de hoogst mogelijke mate te benutten en om te voorzien in flexibiliteitsmechanismen;

B.  overwegende dat al snel bleek dat het MFK 2014-2020 niet toereikend was om te voldoen aan de werkelijke behoeften en politieke ambities, aangezien er van meet af aan een beroep op werd gedaan om een reeks crises en nieuwe uitdagingen aan te pakken op het gebied van investeringen, sociale uitsluiting, migratie en vluchtelingen, jeugdwerkloosheid, veiligheid, landbouw, het milieu en klimaatverandering, die niet konden worden voorzien op het moment dat het MFK werd vastgesteld; overwegende dat het huidige MFK als gevolg daarvan al na slechts twee jaar uitvoering de grenzen van het haalbare had bereikt, aangezien de beschikbare marges waren benut, de flexibiliteitsbepalingen en de speciale instrumenten in aanzienlijke mate waren gemobiliseerd, het bestaande beleid en de bestaande programma's onder druk zijn komen te staan of zelfs werden teruggeschroefd, en een aantal niet-budgettaire mechanismen werden gecreëerd als compensatie voor de ontoereikende omvang en flexibiliteit van de EU-begroting;

C.  overwegende dat deze tekortkomingen al duidelijk waren geworden bij de tussentijdse evaluatie en herziening van het MFK die eind 2016 plaatsvond, en onmiddellijk hadden moeten worden aangepakt, zoals blijkt uit de resolutie van het Parlement van 6 juli 2016; overwegende dat de goedgekeurde tussentijdse herziening een matige verruiming van het potentieel van de bestaande flexibiliteitsbepalingen heeft opgeleverd, maar niet tot een herziening van de MFK-plafonds heeft geleid;

D.  overwegende dat de Commissie in mei 2018 haar pakket met voorstellen zal presenteren over het MFK na 2020, onder meer over de toekomstige eigen middelen, terwijl Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad bepaalt dat dit vóór 1 januari 2018 had moeten gebeuren; overwegende dat zij naar verwachting kort daarna met ontwerpwetgevingsvoorstellen voor de financiële programma's en financieringsinstrumenten zal komen;

1.  neemt deze resolutie aan om het standpunt van het Parlement over het MFK na 2020 uiteen te zetten, met bijzondere aandacht voor de verwachte prioriteiten, omvang, structuur, duur, flexibiliteit en andere horizontale beginselen, en om te wijzen op de specifieke begrotingsrichtsnoeren voor de EU-beleidsgebieden die onder het volgende financieel kader vallen; verwacht van de Commissie dat zij haar wetgevingsvoorstel voor het volgende MFK samen met een nieuw ontwerp voor een interinstitutioneel akkoord presenteert waarin rekening wordt gehouden met de standpunten en suggesties van het Parlement; benadrukt dat deze resolutie ook als basis dient voor de deelname van het Parlement aan de procedure met het oog op de vaststelling van het volgende MFK;

2.  neemt tegelijk een afzonderlijke resolutie(9) aan om zijn standpunt kenbaar te maken over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau eigen middelen; verzoekt de Commissie naar behoren rekening te houden met het standpunt van het Parlement bij de opstelling van de wetgevingsvoorstellen over de eigen middelen van de EU, die ambitieus moeten zijn qua toepassingsgebied en samen met de voorstellen voor het MFK gepresenteerd moeten worden; benadrukt dat de ontvangsten en de uitgaven van het volgende MFK als één pakket zullen worden behandeld tijdens de komende onderhandelingen, en dat er geen overeenstemming over het MFK zal worden bereikt indien er terzelfder tijd geen vooruitgang wordt geboekt bij de eigen middelen;

I.Prioriteiten en uitdagingen van het volgende MFK

3.  is ingenomen met de discussie over het volgende MFK en beschouwt deze als een kans om de weg te bereiden voor een sterker en duurzamer Europa door middel van een van zijn meest tastbare instrumenten, de begroting van de Unie; is van mening dat het volgende MFK ingebed moet zijn in een bredere strategie en in een verhaal voor de toekomst van Europa; is van mening dat in het MFK de begrotingsmiddelen afgestemd moeten zijn op het politieke project en de beleidsprioriteiten van de EU;

4.  is ervan overtuigd dat het volgende MFK moet voortbouwen op de deugdelijk gegronde beleidslijnen en prioriteiten van de Unie, met het oog op de bevordering van vrede, democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en gendergelijkheid, de verhoging van de welvaart, duurzame economische groei op lange termijn en ontwikkeling en innovatie, hoogwaardige werkgelegenheid die fatsoenlijke banen oplevert, de bestrijding van de klimaatverandering en de stimulering van economische, sociale en territoriale cohesie alsmede solidariteit tussen de lidstaten en de burgers; beschouwt deze pijlers als voorwaarden voor een goed functionerende eengemaakte markt en economische en monetaire unie en voor de versterking van de positie van Europa in de wereld; gaat ervan uit dat zij meer dan ooit van belang zijn voor de inspanningen van Europa in de toekomst;

5.  is van mening dat het volgende MFK de Unie in staat moet stellen om oplossingen te bieden en sterker uit de crises van het afgelopen decennium te komen: de economische en financiële recessie, de jeugdwerkloosheid, aanhoudende armoede en sociale uitsluiting, de migratie- en vluchtelingenkwestie, de klimaatverandering en natuurrampen, de verslechtering van het leefmilieu en biodiversiteitsverlies, terrorisme en instabiliteit, om er slechts enkele te noemen; onderstreept dat deze wereldwijde, grensoverschrijdende uitdagingen met interne implicaties de onderlinge afhankelijkheid aantonen van onze economieën en samenlevingen, en de aandacht vestigen op de behoefte aan gemeenschappelijke acties;

6.  wijst erop dat de EU haar toezegging gestand moet doen om als voorloper te fungeren bij de tenuitvoerlegging van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), die een globaal stappenplan bieden om te komen tot meer duurzame, rechtvaardige en welvarende samenlevingen binnen de mogelijkheden van onze planeet; onderstreept dat het volgende MFK moet aansluiten bij de SDG's; stelt het op prijs dat de Commissie heeft toegezegd de SDG's in alle EU-beleidslijnen en -initiatieven te zullen integreren; verwacht van de EU dat zij haar verbintenissen met betrekking tot die doelstellingen nakomt; benadrukt verder dat de officiële bekendmaking van de Europese pijler van sociale rechten en de toezegging van de EU en de lidstaten om een socialer Europa te garanderen, moeten worden gesteund in de vorm van passende financiële middelen; is van mening dat op grond van de Overeenkomst van Parijs de klimaatgerelateerde uitgaven aanzienlijk moet worden opgetrokken ten opzichte van het huidige MFK en zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2017 bij 30 % moeten liggen;

7.  benadrukt dat het volgende MFK de Unie kansen biedt om te laten zien dat zij zich eensgezind opstelt en in staat is om in te spelen op politieke ontwikkelingen zoals de brexit, de groei van populistische en nationalistische bewegingen en veranderingen in mondiaal leiderschap; onderstreept dat verdeeldheid en zelfzuchtigheid geen antwoord kunnen bieden op wereldwijde problemen, noch op de bezorgdheid van de burgers; is van mening dat met name de brexitonderhandelingen aantonen dat de voordelen van het lidmaatschap van de Unie ruimschoots opwegen tegen de kosten van de begrotingsbijdrage; verzoekt in dit verband om volledige eerbiediging van het kader van de eerder aangegane verplichtingen, zoals in het geval van het Goede Vrijdagakkoord met betrekking tot de rechtsstaat en de democratie;

8.  dringt daarom aan op voortdurende steun voor het bestaande beleid, in het bijzonder de gevestigde en in de Verdragen verankerde EU-beleidsgebieden, met name het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid en het cohesiebeleid, aangezien de EU‑burgers dankzij dit beleid van de concrete voordelen van het Europese project kunnen profiteren; verwerpt elke poging om deze beleidsgebieden opnieuw te nationaliseren, aangezien dit de financiële lasten voor de belastingbetaler en de consument niet zou verlagen noch tot betere resultaten zou leiden, maar in plaats daarvan de groei, de solidariteit en de werking van de eengemaakte markt zou belemmeren en de verschillen en de ongelijkheid tussen regio's en economische sectoren zou doen toenemen; is voornemens voor de EU-27 hetzelfde financieringsniveau voor deze beleidsgebieden te waarborgen in de volgende programmeringsperiode, en tegelijkertijd de doeltreffendheid ervan verder te verbeteren en de bijbehorende procedures te vereenvoudigen;

9.  is van mening dat Europa toekomstperspectieven moet bieden aan de jongere generatie en aan de toekomstgerichte ondernemingen die de EU succesvoller maken op het wereldtoneel; is vastbesloten om twee EU-vlaggenschipprogramma's, te weten het kaderprogramma voor onderzoek en Erasmus+, aanzienlijk uit te breiden, omdat met de huidige middelen niet kan worden ingespeeld op de zeer grote belangstelling en de aanvragen van topkwaliteit; blijft hard in zijn steun voor een substantiële verhoging van de middelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid en de ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) via de vervolgprogramma's van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme); is tevens voorstander van een versterking van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) 2.0;

10.  verzoekt de Unie haar rol te gaan spelen op drie nieuwe beleidsgebieden met interne en externe dimensies, die in de loop van het huidige MFK zijn opgekomen:

   door een alomvattend asiel-, migratie- en integratiebeleid te ontwikkelen en te financieren en de onderliggende oorzaken van migratie en ontheemding in derde landen aan te pakken,
   door de buitengrenzen te versterken en de stabiliteit te vergroten, met name door het opkomen voor de mensenrechten in het buitenland, conflictpreventie en ontwikkelingssamenwerking,
   door binnen Europa voor veiligheid voor alle Europese burgers te zorgen en door de onderzoeksinspanningen en defensiecapaciteiten te bundelen, waarbij wordt benadrukt dat maatregelen op deze gebieden niet ten koste mogen gaan van het ontwikkelingsbeleid van de EU;

11.  beklemtoont dat het toekomstige kader plaats moet bieden aan twee nieuwe soorten financiële steun die hoog op de economische agenda van de Unie staan, namelijk de voortzetting van de steunregelingen voor investeringen, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen, en de totstandbrenging van een stabilisatiefunctie voor de lidstaten van de eurozone, mogelijk door middel van het voorgestelde Europees Monetair Fonds, in combinatie met een specifieke convergentiefaciliteit voor lidstaten die zich bij de eurozone willen aansluiten;

12.  onderstreept dat als eerste stap de specifiek op de eurozone gerichte begrotingscapaciteit deel moet uitmaken van de begroting van de Unie, en boven op de MFK-plafonds moet worden berekend, zonder afbreuk te doen aan de andere MFK-programma's, en door de eurozone en andere deelnemende leden moet worden gefinancierd via een door de deelnemende lidstaten overeen te komen bron van inkomsten die als bestemmingsontvangsten en garanties moeten worden beschouwd; is van mening dat, zodra er een stabiele situatie is bereikt, de begrotingscapaciteit zou kunnen worden gefinancierd met echte eigen middelen overeenkomstig de aanbevelingen in het verslag-Monti over de toekomstige financiering van de EU;

13.  bevestigt het beginsel dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen, of zij zich nu aandienen bij de vaststelling van een nieuw MFK dan wel in de loop van de uitvoering daarvan, en onderstreept dat de financiering van nieuwe behoeften niet ten koste mag gaan van bestaande beleidsmaatregelen en programma's; verwacht bovendien dat er voldoende flexibiliteitsbepalingen zullen worden vastgesteld om te kunnen reageren op onvoorziene omstandigheden die zich in de loop van het MFK kunnen voordoen;

14.  is van mening dat een sterker en ambitieuzer Europa alleen kan worden verwezenlijkt als er meer financiële middelen voor worden vrijgemaakt; dringt, gezien bovengenoemde uitdagingen en prioriteiten en rekening houdend met de terugtrekking van het VK uit de Unie, aan op een aanzienlijke verhoging van de begroting van de Unie; schat dat de vereiste MFK-uitgavenplafonds 1,3 % van het bni van de EU‑27 bedragen, niettegenstaande de waaier aan instrumenten die niet in de maximumbedragen mogen worden meegeteld;

15.  is ervan overtuigd dat de invoering van nieuwe echte eigen middelen van de EU de enige mogelijkheid is om het volgende MFK op een passend niveau te financieren, tenzij de Raad overeenkomt om de nationale bijdragen aan de EU-begroting aanzienlijk te verhogen;

II.Horizontale kwesties

Beginselen van de EU-begroting en waarachtigheid van de begroting

16.  herinnert aan de Europese begrotingsbeginselen van eenheid, nauwkeurigheid, jaarperiodiciteit, evenwicht, universaliteit, specialiteit, additionaliteit, subsidiariteit, goed financieel beheer en transparantie, die bij het opstellen en uitvoeren van de Uniebegroting in acht moeten worden genomen;

17.  herinnert eens te meer aan zijn vaste standpunt dat tegenover de politieke ambitie van de Unie passende financiële middelen moeten staan, en wijst erop dat artikel 311 VWEU bepaalt dat de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven;

18.  wijst er in dit verband op dat de volledige uitvoering van de politieke besluiten en initiatieven van de Europese Raad slechts mogelijk is als de nodige financiering gewaarborgd is, en onderstreept dat elke andere benadering de waarachtigheid van de begroting van de Unie en het vertrouwen van de burgers ondermijnt;

19.  is van mening dat het MFK, door de politieke prioriteiten van de EU in concrete investeringen om te zetten, een uitstekend instrument vormt voor de langetermijnplanning van de uitgaven van de EU en om een bepaald stabiel niveau van overheidsinvesteringen in de lidstaten te waarborgen; betreurt echter dat het in de aanloop naar de goedkeuring van het volgende MFK ontbreekt aan een wederzijds overeengekomen strategie voor de lange termijn; brengt voorts in herinnering dat de EU-begroting voornamelijk een investeringsbegroting is die een aanvullende, complementaire financieringsbron vormt voor acties die op nationaal, regionaal en lokaal niveau worden ondernomen;

Duur

20.  is van mening dat het besluit over de duur van het MFK het juiste evenwicht moet houden tussen twee tegenstrijdige vereisten, namelijk enerzijds dat op verscheidene EU‑beleidsgebieden – in het bijzonder die onder gedeeld beheer, zoals landbouw en cohesie – moet kunnen worden uitgegaan van de stabiliteit en de voorspelbaarheid die worden geboden door een engagement van ten minste zeven jaar, en anderzijds dat er behoefte is aan de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht die voortvloeien uit de afstemming van elk financieel kader op de vijfjarige politieke cyclus van het Europees Parlement en de Europese Commissie;

21.  benadrukt dat het een politieke noodzaak is dat elk nieuwgekozen Parlement in staat is om gedurende zijn verkiezingscyclus aanzienlijk invloed uit te oefenen op het MFK, zowel wat de bedragen als wat de politieke prioriteiten betreft; benadrukt dat de verkiezingen voor het Europees Parlement de EU-burgers de kans bieden om rechtstreeks hun standpunt kenbaar te maken over de begrotingsprioriteiten van de Unie, die weerspiegeld moeten worden in een bindende aanpassing van het financieel kader na de verkiezingen; is daarom van mening dat tijdens elke politieke cyclus de Commissie met een voorstel moet komen en zowel het Parlement als de Raad een besluit moeten nemen over de vaststelling van het volgende MFK of over een verplichte tussentijdse herziening van het lopende MFK;

22.  onderstreept daarom dat de duur van het MFK geleidelijk moet evolueren in de richting van een periode van vijf plus vijf jaar in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening; verzoekt de Commissie een duidelijk voorstel uit te werken tot vaststelling van methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van vijf plus vijf jaar; is ervan overtuigd dat een MFK voor slechts één periode van vijf jaar niet in overweging kan worden genomen gezien de ernstige belemmeringen die dit zou opleveren ten aanzien van de vereisten inzake programmering en tenuitvoerlegging op verschillende EU-beleidsgebieden;

23.  onderkent evenwel dat het tijdstip van de volgende verkiezingen voor het Europees Parlement in het voorjaar van 2019 het niet mogelijk maakt om meteen een oplossing van vijf plus vijf jaar uit te voeren, aangezien het huidige MFK tot in december 2020 loopt en de afzonderlijke cycli niet bevredigend op elkaar afgestemd zouden worden; is daarom van mening dat het volgende MFK moet worden vastgesteld voor een periode van zeven jaar (2021-2027), met inbegrip van een verplichte herziening halverwege de looptijd, als overgangsoplossing die nog één keer toegepast moet worden;

Tussentijdse herziening

24.  is overtuigd van de noodzaak om vast te houden aan een juridisch bindende en verplichte tussentijdse evaluatie en herziening van het MFK, die in de nieuwe MFK‑verordening verankerd moet worden; herinnert eraan dat bij de tussentijdse herziening van 2016 voor de eerste keer in de geschiedenis een feitelijke herziening van de MFK-verordening plaatsvond en dat deze door zowel de Raad als het Parlement positief werd beoordeeld, met name voor wat betreft de versterking van de flexibiliteitsbepalingen van het MFK;

25.  is van mening dat over de tussentijdse herziening van het MFK voor de periode 2021‑2027 tijdig een voorstel geformuleerd en een besluit genomen moet worden, zodat het volgende Parlement en de volgende Commissie het financieel kader dienovereenkomstig kunnen aanpassen; onderstreept dat elke herziening van het MFK de betrokkenheid van het Parlement moet garanderen en zijn bevoegdheden als tak van de begrotingsautoriteit moet waarborgen; onderstreept voorts dat elke werkelijke herziening ook een herziening moet inhouden van de MFK-plafonds, indien wordt vastgesteld dat deze ontoereikend zijn voor de resterende looptijd;

Flexibiliteit

26.  onderstreept dat de begrotingsautoriteit in het huidige MFK heeft ingestemd met grootschalig gebruik van de flexibiliteitsmechanismen en de speciale instrumenten van de MFK-verordening, om de aanvullende kredieten zeker te stellen die nodig waren om op ernstige crises in te spelen of om nieuwe politieke prioriteiten te financieren;

27.  is daarom van mening dat de flexibiliteitsbepalingen in het huidige MFK goed hebben gewerkt en oplossingen hebben geboden voor de aanzienlijke behoefte aan financiering om met name de uitdagingen op het gebied van migratie en vluchtelingen aan te pakken en iets te doen aan het tekort aan investeringen; brengt in herinnering dat het Parlement aan de basis lag van verschillende van deze bepalingen en dat het deze krachtig heeft verdedigd tijdens de vorige onderhandelingen over het MFK;

28.  is van mening dat deze bepalingen nog verder moeten worden versterkt om beter om te kunnen gaan met nieuwe uitdagingen, onverwachte gebeurtenissen en de veranderende politieke prioriteiten die ontstaan tijdens de uitvoering van een langetermijnplan zoals het MFK; dringt aan op grotere flexibiliteit voor het volgende MFK, zodat de globale MFK-plafonds voor vastleggings- en betalingskredieten maximaal benut kunnen worden;

Flexibiliteitsmechanismen in het MFK

29.  is van mening dat de plafonds van het volgende KMF moeten worden vastgesteld op een niveau dat niet alleen de financiering van het EU-beleid mogelijk maakt, maar ook voldoende marges bij de vastleggingen voor elke rubriek biedt;

30.  is ervan overtuigd dat alle niet-toegewezen marges zonder enige beperking naar toekomstige begrotingsjaren moeten worden overgedragen en door de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure moeten worden aangesproken voor elk noodzakelijk geacht doel; dringt er daarom op aan dat de overkoepelende marge voor vastleggingen wordt behouden, maar zonder enige beperking qua toepassingsgebied en tijd;

31.  herinnert eraan dat binnen de overkoepelende marge voor vastleggingen uitsluitend de niet-toegewezen marges tot jaar N-1 kunnen worden ingezet, zodra zij zijn bevestigd in het kader van de technische aanpassing die aan de presentatie van de ontwerpbegroting voorafgaat; is evenwel van mening dat het essentieel is na te gaan op welke wijze ook de niet-toegewezen marges van jaar N kunnen worden ingezet, zodat bijkomende behoeften die in de loop van dat jaar kunnen ontstaan nog steeds gefinancierd kunnen worden;

32.  is er vast van overtuigd dat de vastleggingen waarvoor door de begrotingsautoriteit toestemming werd verleend, gebruikt moeten worden voor hun oorspronkelijke doel en dat al het mogelijke moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat dit op alle beleidsgebieden gebeurt; verzoekt met name de Commissie om hier actief naar te blijven streven; is er desondanks van overtuigd dat indien zich vrijmakingen voordoen als gevolg van de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de maatregelen waarvoor de bedragen bestemd waren, deze naar de EU-begroting moeten terugvloeien en door de begrotingsautoriteit moeten worden ingezet in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure; is van mening dat de vrijmakingen rechtstreeks moeten worden opgenomen in de overkoepelende marge voor vastleggingen en niet in een van de speciale instrumenten of reserves;

33.  herinnert eraan dat vrijmakingen terug te voeren zijn op vastleggingen die al door de begrotingsautoriteit waren toegestaan en normaal gesproken tot de overeenkomstige betalingen hadden moeten leiden, indien de maatregelen waarvoor zij bestemd waren volgens plan waren uitgevoerd; benadrukt daarom dat het opnieuw inzetten van vrijmakingen in de EU-begroting naar behoren gerechtvaardigd is, maar geen middel mag zijn om de desbetreffende bepalingen inzake doorhaling van vastleggingen te omzeilen die in de verordeningen voor de diverse sectoren verankerd zijn;

34.  wijst erop dat de volledige overdracht van betalingsmarges door middel van de overkoepelende marge voor betalingen in het hele MFK gewaarborgd moet worden; verzet zich tegen elke beperking of plafonnering van de omvang van de marges die kunnen worden overgedragen, zoals in het huidige MFK, en herinnert eraan dat deze marges uitsluitend beschikbaar kunnen worden gesteld indien en voor zover de begrotingsautoriteit daartoe besluit; benadrukt dat de overkoepelende marge voor betalingen zou kunnen bijdragen aan de oplossing van een nieuwe betalingscrisis als die zich mocht voordoen;

35.  benadrukt dat in het kader van de MFK-verordening het herzien van plafonds in het geval van onvoorziene omstandigheden mogelijk moet blijven in het geval de beschikbare marges en speciale instrumenten volledig zijn benut of overschreden als gevolg van de financieringsbehoeften; pleit ervoor dat de MFK-verordening voorziet in een vereenvoudigde procedure voor een gerichte herziening onder een vooraf overeengekomen drempel;

36.  is voorstander van het handhaven van de mogelijkheid om de financiering van EU‑programma's naar voren of naar achteren te verschuiven teneinde anticyclische maatregelen te kunnen nemen die gelijklopen met de daadwerkelijke uitvoering, en betekenisvol op grote crises te kunnen reageren; dringt er voorts op aan de wetgevingsflexibiliteit, die momenteel is vastgelegd in punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) en voorziet in de mogelijkheid om het totale bedrag voor programma's die via de gewone wetgevingsprocedure zijn goedgekeurd met ten hoogste +/- 10 % te verhogen, verder op te trekken tot +/- 15 %;

37.  wijst op de flexibiliteit die kan worden gerealiseerd door middel van overschrijvingen binnen dezelfde MFK-rubriek met als doel de financiële middelen precies daar te plaatsen waar ze nodig zijn, zodat een betere uitvoering van de EU-begroting wordt gewaarborgd; is van mening dat een kleiner aantal rubrieken de flexibiliteit van het MFK ten goede zou komen; verzoekt de Commissie echter de begrotingsautoriteit op proactieve wijze te informeren en te raadplegen bij de uitvoering van grote autonome overschrijvingen;

Speciale MFK-instrumenten

38.  hecht zijn goedkeuring aan de globale structuur van de speciale MFK-instrumenten, met name het flexibiliteitsinstrument, de reserve voor noodhulp, het Solidariteitsfonds van de EU en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), en wijst op het grootschalige gebruik van middelen uit deze instrumenten in het huidige MFK; dringt aan op verbeteringen bij de financiële voorzieningen en de bepalingen betreffende de werking van deze instrumenten;

39.  dringt met name aan op een aanzienlijke verhoging van de financiële middelen van het flexibiliteitsinstrument tot een jaarlijkse toewijzing van ten minste 2 miljard EUR; herinnert eraan dat het flexibiliteitsinstrument geen verband houdt met een specifiek beleidsgebied en kan worden ingezet voor elk doel dat daarvoor geschikt wordt geacht; is daarom van mening dat dit instrument kan worden ingezet om te voorzien in nieuwe financiële behoeften die tijdens de looptijd van het MFK kunnen ontstaan;

40.  wijst erop dat de reserve voor noodhulp bestemd is om snel te kunnen inspelen op specifieke hulpbehoeften van derde landen in verband met onvoorziene gebeurtenissen, en benadrukt het buitengewone belang ervan in de huidige omstandigheden; dringt aan op een aanzienlijke verhoging van de financiële middelen van deze reserve tot een jaarlijkse toewijzing van 1 miljard EUR;

41.  wijst met name op de aanzienlijke beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de EU om bijstand te verlenen bij een aantal ernstige natuurrampen met grote gevolgen voor de begroting; benadrukt ook de positieve impact van dit instrument op de publieke opinie; stelt voor de financiële middelen van dit fonds te verhogen tot een jaarlijkse toewijzing van 1 miljard EUR;

42.  is van mening dat het potentieel van het EFG, waarmee de EU solidariteit betoont en steun biedt aan werknemers die hun baan verliezen als gevolg van uit de globalisering voortvloeiende grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of als gevolg van de wereldwijde economische en financiële crisis, niet optimaal is benut en dat dit verder kan worden verbeterd en in een langetermijnstrategie ingebed om in alle lidstaten ontslagen werknemers op doeltreffende wijze te bereiken en op de arbeidsmarkt te re-integreren; is van mening dat bij de komende herziening het toepassingsgebied van het EFG moet worden bekeken en de coördinatie met andere instrumenten moet worden verbeterd; is van mening dat het herziene EFG moet worden toegerust met een minstens even hoge jaarlijkse toewijzing in het nieuwe MFK;

43.  stelt voor om een speciale reserve aan te leggen voor de speciale MFK-instrumenten met de niet-benutte kredieten uit elk instrument; is van mening dat deze reserve zonder enige beperking in de tijd moet functioneren; vraagt dat deze reserve beschikbaar wordt gesteld voor elk speciaal MFK-instrument waarop een beroep wordt gedaan voor de financiering van uitgaven die de financiële capaciteit van het instrument te boven gaan, op grond van een besluit van de begrotingsautoriteit;

44.  merkt op dat momenteel voor elk van de speciale MFK-instrumenten verschillende regels gelden voor de periode voor de overdracht van niet-benutte kredieten; is van mening dat die moeten worden geharmoniseerd, zodat de N+1-regel op al deze instrumenten kan worden toegepast;

45.  is van mening dat de marge voor onvoorziene uitgaven als laatste redmiddel behouden moet blijven; benadrukt dat het hier gaat om een speciaal instrument dat alleen voor betalingskredieten kan worden ingezet, en dat het heeft bijgedragen aan de oplossing van de betalingscrisis van 2014; pleit daarom voor een opwaartse aanpassing van de maximale jaarlijkse toewijzing tot 0,05 % van het bni van de EU;

46.  onderstreept dat de speciale MFK-instrumenten boven op de MFK-plafonds voor zowel vastleggings- als betalingskredieten moeten worden berekend; is van mening dat de kwestie van het in de begroting opnemen van de betalingen van deze instrumenten op ondubbelzinnige wijze is geregeld bij de tussentijdse herziening van het MFK voor 2014-2020, waarmee een einde is gekomen aan het langslepende interpretatieconflict met de Raad; pleit ervoor in de MFK-verordening een duidelijke bepaling op te nemen volgens welke betalingen die voortvloeien uit vastleggingen in het kader van de speciale MFK-instrumenten, als aanvulling op de jaarlijkse MFK-betalingsplafonds moeten worden geteld;

47.  constateert dat het huidige IIA bepaalt dat voor de gebruikmaking van drie speciale MFK-instrumenten een bijzondere meerderheid in het Parlement nodig is; is van mening dat dit een verouderde bepaling is, die immers voor de bijzondere meerderheid gold die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon nodig was voor de vaststelling van de EU-begroting; pleit voor een homogene benadering van de te volgen stemprocedures voor de gebruikmaking van deze instrumenten, waarvoor dezelfde regels moeten gelden als voor de vaststelling van de EU-begroting;

Ontvangsten – speciale reserve

48.  herhaalt zijn vaste standpunt dat alle ontvangsten die het gevolg zijn van boetes die aan ondernemingen zijn opgelegd vanwege inbreuken op het mededingingsrecht van de EU, of die verband houden met te late betalingen van nationale bijdragen aan de EU‑begroting, als extra ontvangstenpost op de EU-begroting moeten worden geboekt, zonder dienovereenkomstige vermindering van de bni-bijdragen;

49.  pleit ervoor om hiertoe een speciale reserve aan te leggen inde EU-begroting, die geleidelijk zal worden aangevuld met alle soorten onvoorziene andere ontvangsten en die naar behoren wordt overgedragen om extra uitgavenmogelijkheden te creëren wanneer de behoefte hieraan zich voordoet; is van mening dat deze reserve moet worden toegewezen aan de speciale MFK-instrumenten en moet voorzien in extra aanvullingen, zowel in vastleggingen als in betalingen, indien de begrotingsautoriteit hiertoe besluit;

Doelmatige en doeltreffende besteding van EU-middelen

50.  erkent dat het verwezenlijken van Europese meerwaarde een van de grondbeginselen moet zijn bij de besluitvorming van de EU-instellingen over de aard van de uitgaven in het volgende MFK; wijst evenwel op het bestaan van uiteenlopende interpretaties van dit concept en dringt aan op één duidelijke en gemakkelijk te begrijpen definitie van de relevante criteria, waarin territoriale kenmerken moeten worden meegenomen en die, waar mogelijk, meetbare prestatie-indicatoren moeten omvatten; waarschuwt voor pogingen om een dergelijke definitie te gebruiken om louter op basis van kwantitatieve of kortzichtige economische overwegingen de relevantie van het beleid en de programma’s van de EU in twijfel te trekken;

51.  neemt kennis van de verwijzing naar het begrip Europese meerwaarde in verscheidene Commissiedocumenten; wijst nogmaals op de lijst van parameters die het Parlement in bovengenoemde resolutie van 24 oktober 2017 in dit verband heeft vastgesteld; herinnert eraan dat de EU-middelen moeten worden gebruikt voor de financiering van Europese collectieve goederen en om als katalysator te fungeren en de lidstaten impulsen te geven om op elk administratief niveau maatregelen te treffen om doelstellingen uit de Verdragen na te komen en gemeenschappelijke EU-doelstellingen te realiseren die anders niet zouden worden verwezenlijkt; is het ermee eens dat de EU‑begroting moet worden gebruikt voor de financiering van acties die ten goede komen aan de EU in haar geheel, die niet efficiënt kunnen worden gewaarborgd door één lidstaat alleen en die een betere kosteneffectiviteit kunnen opleveren dan louter op nationaal, regionaal of lokaal niveau ondernomen acties; is voorts van mening dat de EU-begroting een bijdrage dient te leveren aan de verwezenlijking en ondersteuning van vrede en stabiliteit in de buurlanden van de EU en daarbuiten; is van mening dat Europese meerwaarde wordt gecreëerd door zowel in gedeeld beheer als in direct beheer uitgevoerde programma’s, want dit zijn twee elkaar aanvullende methoden om EU‑doelstellingen te verwezenlijken; verwacht in het licht hiervan dat de lidstaten in de onderhandelingen over het volgende MFK geen logica van een "eerlijk rendement" zullen volgen waarbij alleen nationale belangen in de vorm van een nettosaldo tellen;

52.  is van mening dat een betere besteding, d.w.z. het efficiënt en niet-discriminerend gebruik van elke euro van de EU-begroting, niet alleen bereikt kan worden door EU‑middelen uit te trekken voor acties met de grootste Europese meerwaarde en de grootste verbetering van de prestaties van het beleid en de programma's van de EU, uitgaande van een gedegen evaluatie van de huidige uitgaven, maar ook door een grotere synergie te bereiken tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen, en door te zorgen voor tastbare verbeteringen van de uitgavenstructuur; ondersteunt de aanbevelingen in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer van 2016 inzake een doeltreffend meetinstrumentarium met indicatoren, een meer gestroomlijnde en evenwichtige verslaglegging over prestaties en een gemakkelijker toegang tot de beoordelingsresultaten;

53.  dringt aan op een echte vereenvoudiging van het begrotingssysteem van de EU in het volgende MFK om de absorptie te vergemakkelijken; onderstreept met name dat onnodige overlappingen tussen instrumenten waarmee soortgelijke maatregelen worden ondersteund, teruggedrongen moeten worden, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie, kmo's of vervoer, zonder het risico te lopen dat belangrijke elementen van de verschillende programma's verloren gaan, en dat een einde moet worden gemaakt aan de bestaande concurrentie tussen verschillende financieringsvormen en -bronnen, om te zorgen voor maximale complementariteit en een samenhangend financieel kader; is van mening dat zo duidelijker met de burgers kan worden gecommuniceerd over de EU‑prioriteiten;

54.  onderstreept dat de "check-up" van de uitgaven van de EU er niet voor mag zorgen dat het ambitieniveau van de EU naar beneden wordt bijgesteld of dat programma's en beleidsmaatregelen van de EU naar sector worden opgesplitst, en evenmin mag leiden tot een vervanging van subsidies door financieringsinstrumenten om wat te kunnen besparen, aangezien verreweg de meeste door de EU-begroting ondersteunde acties niet geschikt zijn voor financiering via dergelijke instrumenten; is van mening dat de "check-up" eerder moet leiden tot de identificatie van manieren waarop de uitvoering van de EU-uitgavenprogramma’s kan worden verbeterd;

55.  pleit voor een verregaande harmonisatie van de regels met het doel om één pakket regels voor alle EU-begrotingsinstrumenten op te stellen, rekening houdend met fonds- en sectorspecifieke kenmerken,; spoort de Commissie aan de kwestie van de combinatie van verschillende financieringsbronnen aan te pakken door voor duidelijke richtsnoeren ter zake te zorgen en in alle lidstaten een gelijke toegang tot alle financieringsvormen te garanderen;

56.  pleit ook voor een werkelijke vereenvoudiging van de sectorale uitvoeringsregels voor begunstigden, en voor minder administratieve rompslomp door middel van verdere standaardisatie en vereenvoudiging van de procedures en de programmeringsdocumenten; wijst er verder op dat er meer moet worden gedaan voor de capaciteitsopbouw en de technische bijstand aan begunstigden; vraagt om een verschuiving naar op risico's gebaseerde evaluaties;

Eenheid, waarachtigheid van de begroting en transparantie

57.  herinnert eraan dat het beginsel van eenheid, dat bepaalt dat alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen, een in het Verdrag opgenomen eis is alsook een democratische basisvoorwaarde voor een transparante, legitieme begroting waarover verantwoording wordt afgelegd; betreurt het dat dit beginsel steeds vaker niet wordt nageleefd, terwijl de financiële complexiteit is toegenomen, van de historische erfenis van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) tot de instelling van het Europees stabiliteitsmechanisme en de recente uitdijing van ad‑hoc ingestelde niet‑budgettaire mechanismen in de vorm van innovatieve financieringsinstrumenten en externe trustfondsen of faciliteiten die niet in de balans van de Unie opgenomen zijn;

58.  plaatst vraagtekens bij de rechtvaardiging en de meerwaarde van de invoering van instrumenten buiten de Uniebegroting om; is van mening dat met besluiten tot vaststelling of behoud van dergelijke instrumenten in werkelijkheid wordt gepoogd de reële financiële behoeften te verbergen en de beperkingen van het MFK en de plafonds van de eigen middelen te omzeilen; betreurt dat als gevolg daarvan ook het Parlement in zijn drievoudige bevoegdheid als wetgevings-, begrotings- en controleautoriteit wordt gepasseerd en de doelstelling van meer transparantie jegens het grote publiek en begunstigden wordt ondergraven;

59.  herinnert daarom eens te meer aan zijn vaste standpunt dat het Europees Ontwikkelingsfonds samen met andere instrumenten buiten het MFK moet worden geïntegreerd in de Uniebegroting om de legitimiteit van de begroting te versterken en het ontwikkelingsbeleid van de Unie doelmatiger en doeltreffender te maken; benadrukt evenwel dat de respectieve financiële middelen moeten worden toegevoegd aan de vastgestelde MFK-plafonds, zodat de budgettering van die instrumenten geen negatieve gevolgen heeft voor de financiering ervan, noch voor andere beleidsmaatregelen en programma's van de EU; is in beginsel ingenomen met het voorstel om het Europees stabiliteitsmechanisme in de financiën van de Unie op te nemen in de vorm van een Europees Monetair Fonds, onverminderd het toekomstige ontwerp daarvan;

60.  is van mening dat EU-trustfondsen een meerwaarde kunnen hebben doordat zij middelen van diverse donoren voor specifieke situaties bijeenbrengen, maar dat zij er niet toe mogen leiden dat geplande EU-financiering eenvoudig van een ander etiket wordt voorzien en dat de oorspronkelijke doelstellingen van de EU-financieringsinstrumenten worden veranderd; benadrukt dat er meer parlementaire controle moet komen op de oprichting en werking van dergelijke trustfondsen; stelt met klem dat EU-trustfondsen alleen moeten worden gebruikt om acties buiten de Unie te ondersteunen;

61.  is voorts van mening dat wanneer niet-budgettaire verrichtingen voor een bepaald deel noodzakelijk worden geacht om bepaalde specifieke doelstellingen te verwezenlijken, bijvoorbeeld door het gebruik van financieringsinstrumenten of trustfondsen, deze zowel qua omvang als qua duur beperkt moeten blijven, volledig transparant moeten zijn, gerechtvaardigd moeten worden met een aantoonbare additionaliteit en meerwaarde en moeten berusten op krachtige besluitvormingsprocedures en bepalingen inzake de verantwoordingsplicht;

62.  is van mening dat in het volgende MFK de omvang van de bestemmingsontvangsten en de gevolgen ervan voor de werkelijke uitgaven, in het bijzonder wat de bestemmingsontvangsten betreft die voortvloeien uit bijdragen van derde landen, nauwkeuriger in de Uniebegroting moeten worden weergegeven; onderstreept dat dit des te meer geldt nu het VK aan een aantal EU-begrotingsprogramma's van het nieuwe MFK na 2020 wenst deel te nemen als derde land, zoals het in de onderhandelingen over zijn terugtrekking uit de Unie heeft aangegeven;

Betalingsniveau

63.  wijst erop dat betalingen een logisch en wettelijk gevolg zijn van vastleggingen, en dringt erop aan dat de toekomstige betalingsplafonds op een passend niveau worden vastgesteld, waarbij het verschil tussen de vastleggings- en de betalingskredieten beperkt en realistisch blijft; verwacht dat er in de toekomstige betalingsplafonds enerzijds rekening mee wordt gehouden dat de vastleggingen die voortvloeien uit de huidige financiële periode en pas na 2020 in betalingen zullen worden omgezet, gehonoreerd moeten worden, en anderzijds dat aan de verplichtingen in verband met de programma's en instrumenten voor de periode na 2020 moet worden voldaan;

64.  herinnert aan de achterstand van onbetaalde rekeningen die aan het eind van het vorige MFK was ontstaan en naar het huidige MFK is overgedragen, en waarschuwt voor een herhaling van een dergelijke betalingscrisis bij de overgang naar het volgende MFK, die ernstige gevolgen zou hebben voor begunstigden als studenten, universiteiten, kmo's en onderzoekers; wijst op de huidige trend van onderbenutting van betalingen als gevolg van vertragingen bij de uitvoering van de programma's in de periode 2014-2020, waardoor steeds meer openstaande verplichtingen betaalbaar zullen moeten worden gesteld uit de maximumbedragen van het volgende MFK; verzoekt de Commissie en de lidstaten, ook op het niveau van de ministers van Financiën, de onderliggende oorzaken van die vertragingen te analyseren en met concrete maatregelen te komen om de uitvoering in de toekomst te vereenvoudigen;

65.  wijst op het voorlopige resultaat van de onderhandelingen over de financiële afwikkeling in het kader van de terugtrekking van het VK uit de Unie, waarbij het VK volledig deelneemt aan de financiering en de uitvoering van de programma's voor 2014‑2020 met alle relevante financiële gevolgen van dien;

Financieringsinstrumenten

66.  benadrukt dat de EU-begroting beschikt over een breed scala aan instrumenten voor de financiering van activiteiten op EU-niveau, die in twee categorieën kunnen worden ingedeeld, te weten enerzijds subsidies en anderzijds financieringsinstrumenten in de vorm van garanties, leningen, risicodeling en aandelenfinanciering; wijst ook op het Europees Fonds voor strategische investeringen, dat tot doel heeft, ter aanvulling van beperkte financiering. particulier en publiek kapitaal in de hele EU aan te trekken voor projecten op voor de EU-economie belangrijke gebieden;

67.  onderkent dat de financieringsinstrumenten het in zich hebben de economische en politieke impact van de Uniebegroting te vergroten; beklemtoont evenwel dat zij alleen kunnen worden gebruikt in geval van suboptimale investeringsomstandigheden of marktfalen ten behoeve van projecten die ontvangsten genereren, en dat zij daarom slechts een aanvulling op subsidies kunnen vormen en geen alternatieve financieringsvorm; benadrukt dat de financieringsinstrumenten niet bedoeld mogen zijn om reeds bestaande publieke of particuliere financieringsregelingen te vervangen en in overeenstemming moeten zijn met de binnenlandse en internationale verplichtingen;

68.  herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie vast te stellen op welke terreinen het best subsidies gebruikt kunnen worden, op welke financieringsinstrumenten, en op welke subsidies met financieringsinstrumenten gecombineerd kunnen worden, en na te denken over een gepast evenwicht hiertussen; is ervan overtuigd dat subsidies in het volgende MFK de voornaamste methode moeten blijven om het EU-project te financieren; onderstreept dat leningen, garanties, risicodelende instrumenten en aandelenfinanciering voorzichtig moeten worden gebruikt, op basis van passende ex-antebeoordelingen en uitsluitend wanneer het gebruik ervan aantoonbaar een duidelijke meerwaarde en een hefboomeffect heeft; merkt op dat de praktische toepassing van financieringsinstrumenten en de synergie met subsidies kunnen worden verbeterd; verzoekt om grote inspanningen om de toegang tot de financieringsinstrumenten voor begunstigden makkelijker te maken, en om meer flexibiliteit in het sectoroverstijgende gebruik van verschillende financieringsinstrumenten om de beperkende regels te overwinnen die ontvangers beletten van meerdere programma's te profiteren voor projecten met bij elkaar passende doelen;

69.  verzoekt de Commissie in het volgende MFK de regels voor het gebruik van de financieringsinstrumenten te vereenvoudigen en te harmoniseren met het oog op het creëren van synergieën tussen de verschillende instrumenten en een zo efficiënt mogelijke toepassing; neemt nota van een mogelijk voorstel, dat om een diepgaande discussie zou vragen, voor het in een enkel fonds bijeenbrengen van de financieringsinstrumenten op EU-niveau die onder centraal beheer staan; is van mening dat er een duidelijke structuur moet worden geboden met het oog op de keuze van de verschillende soorten financieringsinstrumenten voor de uiteenlopende beleidsgebieden en soorten acties en dat de betreffende financieringsinstrumenten nog steeds in afzonderlijke begrotingsonderdelen moeten worden opgenomen om duidelijkheid te bieden over de investeringen; onderstreept evenwel dat een dergelijke harmonisatie van de regels geen gevolgen kan hebben voor de financieringsinstrumenten die door de lidstaten worden beheerd in het kader van het cohesiebeleid of het extern optreden;

70.  wijst nogmaals op zijn herhaalde verzoeken om meer transparantie en democratisch toezicht op de uitvoering van financieringsinstrumenten die ondersteund worden door de Uniebegroting;

Structuur

71.  is van mening dat de structuur van het MFK de politieke en begrotingsprioriteiten van de EU beter zichtbaar moet maken voor de Europese burgers, en dringt aan op een duidelijkere presentatie van de EU-uitgaven op alle gebieden; is ervan overtuigd dat de hoofdpijlers van de toekomstige EU-uitgaven die in deze resolutie worden geschetst, als zodanig uit de verf moeten komen;

72.  is daarom van mening dat de huidige voorstelling van de rubrieken op een aantal punten verbetering behoeft, maar verzet zich tegen ongerechtvaardigde radicale veranderingen; stelt daarom de volgende structuur voor het MFK na 2020 voor:

Rubriek 1: een sterkere en duurzame economie

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

onder direct beheer:

–  onderzoek en innovatie

–  industrie, ondernemerschap en kleine en middelgrote ondernemingen

–  digitalisering van economie en samenleving

–  grote infrastructuurprojecten

–  vervoer, energie, ruimte

–  milieu en beperking van en aanpassing aan klimaatverandering

Rubriek 2: sterkere cohesie en solidariteit in Europa

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

–  economische, sociale en territoriale cohesie (onder gedeeld beheer):

 investeringen in innovatie, onderzoek, digitalisering, industriële transitie, kmo's, vervoer, aanpassing aan en beperking van klimaatverandering, milieu en energie

 werkgelegenheid, sociale zaken en sociale inclusie, gendergelijkheid, armoedebestrijding en demografische uitdagingen

–  onderwijs, jongeren en levenslang leren

–  cultuur, burgerschap, media en communicatie

–  democratie, de rechtsstaat en grondrechten

–  gezondheid en voedselveiligheid

–  asiel, migratie en integratie, justitie en consumentenzaken

–  ondersteuning van en coördinatie met nationale overheden

Rubriek 3: sterkere en duurzame landbouw en visserij

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

–  landbouw en plattelandsontwikkeling

–  maritieme zaken en visserij

Rubriek 4: grotere verantwoordelijkheid in de wereld

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

–  internationale samenwerking en ontwikkeling

–  nabuurschap

–  uitbreiding

–  humanitaire hulp

–  democratie, de rechtsstaat, grondrechten en gendergelijkheid

–  handel

Rubriek 5: veiligheid, vrede en stabiliteit voor iedereen

met programma's en instrumenten ter ondersteuning van:

–  veiligheid, waaronder cyberveiligheid

–  crisisrespons en stabiliteit, met inbegrip van burgerbescherming

–  gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

–  defensie, waaronder onderzoek en innovatie

Rubriek 6: doeltreffend bestuur ten dienste van de Europeanen

–  financiering EU-personeel

–  financiering gebouwen en uitrusting van EU-instellingen

73.  dringt er bij de Commissie op aan in een bijlage bij de Europese begroting een overzicht te bieden van alle met de EU verband houdende uitgaven die buiten de EU-begroting om in het kader van intergouvernementele overeenkomsten en procedures plaatsvinden; is van mening dat deze informatie, indien zij jaarlijks wordt verstrekt, een vollediger beeld zou geven van alle investeringen die de lidstaten op Europees niveau hebben toegezegd;

III.Beleid

Een sterkere en duurzame economie

74.  benadrukt het belang van het voltooien van de Europese onderzoeksruimte, de energie-unie, de interne Europese vervoersruimte en de digitale eengemaakte markt als fundamentele onderdelen van de Europese eengemaakte markt;

75.  is van mening dat er in het volgende MFK sprake moet zijn van meer concentratie van begrotingsmiddelen op gebieden waar een duidelijke Europese meerwaarde verkregen kan worden en die de economische groei, het concurrentievermogen, de duurzaamheid en de werkgelegenheid in alle regio's van de EU stimuleren; benadrukt in dit verband het belang van onderzoek en innovatie voor de totstandbrenging van een duurzame, toonaangevende kenniseconomie, en betreurt dat als gevolg van het gebrek aan toereikende financiering in het huidige MFK slechts aan een klein deel van de hoogwaardige projecten op dit gebied EU-financiering werd verstrekt;

76.  dringt daarom aan op een aanzienlijke verhoging van de totale, voor het negende kaderprogramma (KP9) bestemde begrotingsmiddelen in het volgende MFK, die moeten worden vastgesteld op een niveau van minstens 120 miljard EUR; beschouwt dit niveau als passend om het mondiale concurrentievermogen en het wetenschappelijke, technologische en industriële leiderschap van Europa veilig te stellen, een antwoord te bieden op maatschappelijke uitdagingen en de klimaatdoelstellingen van de EU en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) te helpen verwezenlijken; dringt met name aan op inspanningen om baanbrekende, marktcreërende innovatie-initiatieven te stimuleren, in het bijzonder voor kmo's;

77.  vraagt ook om meer aandacht voor de uitvoering van onderzoek en innovatie door middel van gemeenschappelijke ondernemingen en andere instrumenten en voor het ondersteunen van investeringen in sleuteltechnologieën om zo iets te doen aan het tekort aan investeringen op het gebied van innovatie; benadrukt dat de verhoging van de middelen gepaard moet gaan met een vereenvoudiging van de financieringsprocedures; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie in dit verband en dringt aan op de voortzetting ervan in de volgende programmeringsperiode teneinde de aanvragers een betere toegang en een gelijk speelveld te verschaffen met behulp van een nieuw systeem voor de beoordeling van aanvragen; benadrukt dat er maatregelen moeten worden ontwikkeld om een evenwichtige deelname vanuit alle EU-lidstaten te stimuleren;

78.  is ingenomen met het recente voorstel van de Commissie om de komende jaren de financiering van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal te waarborgen; wijst uitdrukkelijk op het belang van dit fonds voor de financiering van onderzoek in deze industriële sector; is daarom van mening dat er een oplossing voor de langere termijn nodig is die de financiering ook na 2020 garandeert en tevens leidt tot opneming van het fonds in de Uniebegroting, zodat het Parlement zijn rol van begrotingscontrole-instantie ten volle kan vervullen;

79.  benadrukt dat kmo's en micro-ondernemingen belangrijke aanjagers zijn van economische groei, innovatie en werkgelegenheid, en 85 % van alle nieuwe banen creëren; wijst op hun belangrijke rol bij het economisch herstel en het stimuleren van een duurzame EU-economie; herinnert eraan dat er in de EU meer dan 20 miljoen kmo's zijn en dat zij 99 % van alle bedrijven uitmaken; is van mening dat het verbeteren van de toegang tot financiering voor kmo's in alle lidstaten een belangrijke beleidsdoelstelling moet blijven in het volgende MFK, teneinde hun concurrentievermogen en duurzaamheid verder te vergroten; onderstreept daarom dat het ondernemerschap moet worden bevorderd en het bedrijfsklimaat voor kmo's moet worden verbeterd, zodat zij zich in de hedendaagse mondiale economie ten volle kunnen ontplooien;

80.  is verheugd over het succes van het speciale EU-programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme) in het kader van het huidige MFK; onderstreept het hoge uitvoeringsniveau van dit programma en wijst erop dat het in staat is nog meer middelen te absorberen; verzoekt daarom de financiële toewijzing aan het Cosme-programma te verdubbelen om het af te stemmen op de werkelijke behoeften van de EU-economie en de aanzienlijke belangstelling voor deelname;

81.  verklaart opnieuw veel waarde te hechten aan het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat ten doel heeft tijdens de looptijd van het huidige MFK 500 miljard EUR aan nieuwe investeringen in de reële economie aan te trekken; is van mening dat het EFSI reeds een krachtige en gerichte impuls heeft gegeven aan economische sectoren die duurzame groei en de werkgelegenheid bevorderen; wijst op het positieve effect van het EFSI op de verstrekking van financiering aan kmo's in de hele Unie; is daarom ingenomen met het voornemen van de Commissie om met een wetgevingsvoorstel te komen tot voortzetting en verbetering van deze investeringsregeling met een specifiek budget dat niet ten koste mag gaan van de bestaande beleidsmaatregelen en programma's in het nieuwe MFK; benadrukt dat elk wetgevingsvoorstel gebaseerd moet zijn op de conclusies van een door de Commissie uitgevoerde beoordeling en een onafhankelijke evaluatie; verwacht dat dankzij het nieuwe voorstel de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het EFSI doeltreffend zullen worden aangepakt en dat o.a. de geografische spreiding van het fonds wordt verbeterd, zodat de voordelen in de hele Unie worden ervaren;

82.  benadrukt het belang van het MFK voor sectoren die afhankelijk zijn van langetermijninvesteringen, zoals de sector duurzaam vervoer; wijst erop dat vervoersinfrastructuur de ruggengraat is van de eengemaakte markt en de basis vormt voor duurzame groei en nieuwe banen; merkt op dat de verwezenlijking van een interne Europese vervoersruimte met verbindingen naar de buurlanden grote vervoersinfrastructuur vereist en moet worden behandeld als een centrale prioriteit voor het concurrentievermogen van de EU en voor de economische, sociale en territoriale cohesie, ook voor perifere gebieden en eilanden; is daarom van mening dat het volgende MFK moet voorzien in voldoende financiering voor projecten waarmee met name een bijdrage wordt geleverd aan de voltooiing van het kernnetwerk en de corridors van het TEN‑V, dat verder moet worden uitgebreid; herinnert aan de tijdens de COP21 vastgestelde vervoersdoelstellingen met het oog op het bestrijden van de klimaatverandering en spoort de lidstaten aan te investeren in slim, duurzaam en geïntegreerd openbaar vervoer;

83.  benadrukt dat in een geactualiseerd en doeltreffender CEF-programma alle vervoerswijzen aan bod moeten komen, ook de weg- en spoorweginfrastructuur en de binnenwateren; is van mening dat daarin prioriteit moet worden toegekend aan grotere verbindingen tussen uitgebreide netwerken en vervoerswijzen die bijdragen tot een vermindering van de CO2-uitstoot, en dat de nadruk moet liggen op onderlinge verbindingen en op de voltooiing van het netwerk in perifere gebieden; herhaalt hoe belangrijk het is de interoperabiliteit te verbeteren via het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer en volledig te profiteren van het initiatief gericht op een gemeenschappelijk Europees luchtruim; dringt aan op voltooiing van het Europese digitale systeem voor luchtverkeersbeheer;

84.  dringt erop aan dat in het volgende MFK een specifieke begrotingslijn voor toerisme wordt opgenomen, om tot een echt Europees toerismebeleid te komen dat in aanzienlijke mate kan bijdragen aan de groei en nieuwe werkgelegenheid;

85.  verzoekt de Commissie investeringen te stimuleren in de ontwikkeling van technologieën van de volgende generatie en de uitrol daarvan te bevorderen; onderstreept hoe belangrijk het is financiering te waarborgen met het oog op de voltooiing van de digitale eengemaakte markt door optimaal gebruik te maken van het spectrum, te zorgen voor de modernisering van de vaste netwerken en de verdichting van de mobiele netwerken, de uitrol van 5G en gigabitconnectiviteit te bevorderen en verdere vooruitgang te boeken bij de harmonisatie van de EU-telecomvoorschriften om een passend regelgevingskader tot stand te brengen voor de verbetering van de internetconnectiviteit in de hele Unie; benadrukt dat CEF-Telecommunicatie de infrastructuur voor digitale diensten en breedbandnetwerken moet blijven ondersteunen door deze toegankelijk te maken, ook in afgelegen gebieden en op het platteland, en door de digitale geletterdheid, de interconnectiviteit en de interoperabiliteit te verbeteren; onderstreept dat steun moet worden verleend voor de digitalisering van de Europese samenleving en economie en dat moet worden geïnvesteerd in essentiële technologie, zoals big data, kunstmatige intelligentie en high performance computing, in infrastructuur en in digitale vaardigheden met het oog op de versterking van het concurrentievermogen van de EU en de verbetering van de levenskwaliteit van de Europeanen;

86.  acht het garanderen van een duurzame en betaalbare energievoorziening in Europa essentieel; dringt daarom aan op voortdurende ondersteuning van investeringen die de diversificatie van energiebronnen en ‑trajecten garanderen, de energiezekerheid en de onafhankelijkheid op energiegebied vergroten en de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie verhogen, onder meer in het kader van CEF-Energie; benadrukt met name hoe belangrijk het is te zorgen voor uitgebreide steun, in het bijzonder voor koolstofintensieve regio's, de energietransitie, de overschakeling naar een koolstofarme economie, de modernisering van de elektriciteitsopwekking, de verbetering van grensoverschrijdende interconnecties en de uitrol van slimme elektriciteitsnetten, technologieën voor CO2-afvang, -opslag en -benutting, en de modernisering van de stadsverwarming; is dan ook van mening dat de transformatie van de energiesector gezien de klimaatdoelstellingen moet worden ondersteund, met name in regio's en landen die van kolen afhankelijk zijn, om daadwerkelijk bij te dragen tot een strategische transitie naar een emissiearme economie; dringt aan op de oprichting van een globaal fonds om een eerlijke transitie te ondersteunen, met name door de ontwikkeling en toepassing van hernieuwbare energiebronnen, oplossingen voor energie-efficiëntie, energieopslag, oplossingen en infrastructuur voor elektrische mobiliteit, modernisering van de elektriciteitsproductie en -netten, geavanceerde technologieën voor energieopwekking, waaronder koolstofafvang en -opslag (CCS), koolstofafvang en -benutting (CCU) en kolenvergassing, modernisering van de stadsverwarming, o.a. door zeer efficiënte warmtekrachtkoppeling, vroegtijdige aanpassing aan toekomstige milieunormen en herstructurering van energie-intensieve sectoren, alsook door het aanpakken van de maatschappelijke, economische en milieugevolgen;

87.  onderstreept het strategische belang van grootschalige infrastructuurprojecten, namelijk de internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER), de European Geostationary Navigation Overlay Service (Egnos), het wereldwijd satellietnavigatiesysteem (Galileo), het programma voor aardobservatie (Copernicus) en de toekomstige satellietcommunicatie voor de overheid (Govsatcom) voor het concurrentievermogen, de veiligheid en de politieke invloed van de EU in de toekomst; wijst erop dat de financiering van deze grootschalige projecten door de EU-begroting moet zijn gewaarborgd, maar tegelijkertijd duidelijk moet worden afgebakend, om ervoor te zorgen dat eventuele kostenoverschrijdingen op dit gebied niet ten koste gaan van de financiering en de succesvolle uitvoering van ander EU-beleid, zoals in sommige individuele gevallen in het vorige MFK is gebleken; herinnert eraan dat hiertoe het maximumbedrag voor deze projecten momenteel is vastgelegd in de MFK-verordening, en dringt aan op gelijkaardige bepalingen in de nieuwe verordening;

88.  benadrukt het belang van en de vooraanstaande rol van de EU bij het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en de aanpak van de klimaatverandering, de achteruitgang van ecosystemen en het verlies van biodiversiteit; is van mening dat een stabiele en passende financiering van cruciaal belang is om de internationale verbintenissen die de EU bijvoorbeeld in de Overeenkomst van Parijs is aangegaan, te kunnen nakomen; wijst er nogmaals op dat het volgende MFK de Unie moet helpen bij het halen van die doelstellingen en moet bijdragen aan de overschakeling naar een koolstofarme economie tegen 2050; onderstreept dat de EU geen projecten en investeringen mag financieren die de verwezenlijking van die doelstellingen in de weg staan; verzoekt om de klimaatproblematiek stevig in de toekomstige EU-uitgaven te integreren; verzoekt in dit verband om een behoorlijke financiering van de betrokken programma's, zoals LIFE+, waarbij de financiële middelen ervoor moeten worden verdubbeld, en om de vaststelling van specifieke budgetten voor biodiversiteit en voor het beheer van het Natura 2000-netwerk;

Sterkere cohesie en solidariteit in Europa

89.  benadrukt dat het cohesiebeleid na 2020 het belangrijkste investeringsbeleid van de Europese Unie moet blijven en zich tot alle EU-regio's moet uitstrekken met het oog op de aanpak van complexe sociaaleconomische vraagstukken, waarbij het merendeel van de middelen op de meest kwetsbare regio's wordt toegespitst; is van mening dat met het cohesiebeleid niet alleen de in het Verdrag verankerde doelstellingen, te weten het verkleinen van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus en het bevorderen van de convergentie, moeten worden nagestreefd, maar dat dit beleid zich ook moet richten op de brede politieke doelstellingen van de EU, en stelt daarom voor de drie fondsen voor het cohesiebeleid – het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds – in het volgende MFK vooral toe te spitsen op de ondersteuning van groei en concurrentievermogen, onderzoek en innovatie, digitalisering, de industriële transitie, kmo's, vervoer, aanpassing aan en matiging van klimaatverandering, ecologische duurzaamheid en een rechtvaardige energietransitie, werkgelegenheid, sociale integratie, gendergelijkheid, armoedebestrijding en demografische vraagstukken; benadrukt dat de drie fondsen samen de integrale onderdelen van het cohesiebeleid van de EU vormen en dat zij in het kader van dit beleid alleen gezamenlijk kunnen functioneren; dringt bovendien aan op een versterking van de territoriale samenwerking, inclusief een grensoverschrijdende component en een stedelijke beleidsdimensie, alsmede specifieke bepalingen voor plattelandsgebieden, bergregio's, eilanden en afgelegen gebieden;

90.  acht het van het grootste belang dat het financieringsniveau van het cohesiebeleid voor de EU-27 na 2020 ten minste wordt gehandhaafd op het niveau van de begroting voor 2014-2020 tegen constante prijzen; benadrukt dat het bbp een van de parameters moet blijven voor de toewijzing van middelen in het kader van het cohesiebeleid, maar is van mening dat dit moet worden aangevuld met een reeks sociale, milieu- en demografische indicatoren om beter rekening te houden met nieuwe vormen van ongelijkheid tussen en binnen regio's in alle lidstaten; is bovendien voorstander van handhaving in de nieuwe programmeringsperiode van de elementen die het cohesiebeleid in het huidige MFK moderner en meer resultaatgericht hebben gemaakt, namelijk de thematische concentratie, de ex-antevoorwaarden, het prestatiekader en de koppeling met economische governance;

91.  hecht groot belang aan de verbintenissen die voortvloeien uit artikel 9 VWEU inzake de verwezenlijking van een sociaal Europa en de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten op basis van de duurzame groei van een zeer concurrerende sociale markteconomie, waarbij wordt gemikt op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en de gelijkheid tussen vrouwen en mannen, de solidariteit tussen de generaties en de bescherming van de rechten van het kind zoals verankerd in het Verdrag worden bevorderd; wijst erop dat om die uitvoering mogelijk te maken het sociale beleid naar behoren moet worden gefinancierd, en onderstreept de hieruit voortvloeiende behoefte aan versterking van de bestaande instrumenten die hieraan bijdragen, in het bijzonder het ESF, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, het EFG en het EaSI-programma; dringt erop aan dat deze instrumenten worden beschermd in het volgende MFK en hoofdzakelijk via subsidies blijven functioneren;

92.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie en alle lidstaten voor de oprichting van een speciaal fonds voor de kindergarantie, waarbij kinderen in het middelpunt van een steeds breder armoedebestrijdingsbeleid worden geplaatst, en gezorgd wordt voor de overeenkomstige middelen voor de volledige uitvoering van de nodige beleidsmaatregelen, waaronder hulp aan ouders via gerichte tussenkomsten om sociale uitsluiting en werkloosheid te overwinnen;

93.  wijst erop dat het ESF in het bijzonder zijn steun aan de ontwikkeling van de sociale dialoog moet uitbreiden, met name door de capaciteitsopbouw van de sociale partners te verbeteren, ook op Europees sectoraal en intersectoraal niveau, en dat die verbintenis voor de lidstaten in alle regio's van de EU verplicht moet worden;

94.  benadrukt met name dat er doorlopend behoefte is aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid en uitsluiting, in het bijzonder onder jongeren die geen onderwijs of een opleiding volgen en geen baan hebben (NEET's), in het kader van een brede benadering van het jeugdbeleid op EU-niveau; dringt daarom aan op een verdubbeling van de middelen voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en op volledige tenuitvoerlegging van de jongerengarantie van de EU, waarbij een snelle en vereenvoudigde besteding van de middelen wordt gewaarborgd alsook een permanente, stabiele financiering in de volgende programmeringsperiode; onderstreept de noodzaak van een betere regelgeving om niet-discriminerende deelname aan het programma door jongeren die door hun sociaaleconomische achtergrond kansarm zijn, te waarborgen; is van mening dat investeringen ter bevordering van onderwijs en opleiding, in het bijzonder de ontwikkeling van digitale geletterdheid, tot de topprioriteiten van de EU blijven behoren; stelt met klem dat uit dit programma geen uitgaven mogen worden gefinancierd die voordien werden gedekt uit de nationale begrotingen;

95.  spreekt zijn steun uit voor programma's op het gebied van cultuur, onderwijs, media, jeugd, sport, democratie, burgerschap en maatschappelijke organisaties, die duidelijk hun Europese meerwaarde hebben bewezen en populair zijn en blijven onder de begunstigden; pleit daarom voor voortdurende investeringen in het kader van Onderwijs en Opleiding 2020 via de programma's Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger, om zo te trachten mensen van alle leeftijden en in het bijzonder jongeren te bereiken; betuigt nogmaals zijn steun voor de versterking van de externe dimensie van de programma's Erasmus+ en Creatief Europa; beveelt verder de voortzetting van het Europees solidariteitskorps aan, met voldoende middelen die niet ten koste van andere EU-programma's gaan; onderstreept tevens de aanzienlijke bijdrage die de culturele en creatieve sector levert aan de groei en de werkgelegenheid in de EU;

96.  beveelt aan een door de Commissie te beheren intern Europees fonds voor democratie op te zetten voor meer steun aan maatschappelijke organisaties en ngo's die werken op het gebied van democratie en mensenrechten;

97.  pleit er met name voor dat de middelen voor Erasmus+ in het volgende MFK ten minste worden verdrievoudigd, om veel meer jongeren, jongerenorganisaties, middelbare scholieren en leerlingen in heel Europa te bereiken en hun waardevolle bekwaamheden en levensvaardigheden bij te brengen via een leven lang leren, studentgerichte, niet-formele en informele leermogelijkheden, en vrijwilligers- en jeugdwerk; vraagt om speciale aandacht voor mensen uit een kansarm sociaaleconomisch milieu, zodat zij aan het programma kunnen deelnemen, alsmede voor mensen met een handicap;

98.  verzoekt de Commissie een vervolg te geven aan het project "Interrailpas voor Europa voor achttienjarigen" en voor het volgende MFK een specifiek programma uit te werken met voldoende jaarlijkse kredieten om alle aanvragen voor een gratis treinabonnement van jonge Europeanen die in een bepaald jaar 18 worden te bekostigen; onderstreept dat een dergelijk project een belangrijk onderdeel zou worden bij het versterken van het Europese bewustzijn en de Europese identiteit, met name met het oog op dreigingen zoals het populisme en de verspreiding van misleidende informatie; wijst er nogmaals op dat van de Commissie wordt verwacht dat zij een goede rechtsgrond voorstelt, om te kunnen bereiken wat met een dergelijk programma wordt beoogd;

99.  verwacht dat de Europese Unie in de periode na 2020 het accent zal kunnen verschuiven van crisismanagement naar een permanent gemeenschappelijk Europees beleid op het gebied van asiel en migratie; benadrukt dat de acties op dit gebied gedekt moeten worden door een specifiek instrument, namelijk het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF); beklemtoont dat het toekomstige fonds en de desbetreffende agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (JBZ) gedurende het gehele volgende MFK over voldoende financiering moeten beschikken om de omvattende uitdagingen op deze gebieden aan te kunnen gaan; is bovendien van mening dat het AMIF moet worden aangevuld met bijkomende onderdelen om deze kwestie ook op andere beleidsgebieden aan te pakken, met name via de Europese structuur- en investeringsfondsen en de instrumenten ter financiering van extern optreden, aangezien niet mag worden verwacht dat een enkel instrument soelaas kan bieden voor de omvangrijke en complexe behoeften op dit gebied; onderkent bovendien het belang van culturele, onderwijs-, jongeren- en sportprogramma's voor de integratie van vluchtelingen en migranten in de Europese samenleving; vraagt de Commissie te onderzoeken of de rol van de Europese steden in het Europese asielbeleid kan worden versterkt door het invoeren van een stimuleringsregeling met rechtstreekse financiële steun aan steden voor de huisvesting van vluchtelingen en economische ontwikkeling in ruil voor het opnemen van vluchtelingen en asielzoekers;

100.  onderkent de Europese meerwaarde van samenwerking bij de aanpak van gemeenschappelijke bedreigingen van de volksgezondheid; merkt op dat geen enkele lidstaat grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen alleen aankan, en dringt erop aan dat in het volgende MFK de verantwoordelijkheid van de EU wordt weerspiegeld om de SDG inzake volksgezondheid, zorgstelsels en milieugerelateerde gezondheidsproblemen te verwezenlijken en de lidstaten te ondersteunen bij het wegnemen van de toenemende ongelijkheden op gezondheidsgebied; is van mening dat het volgende MFK, uitgaande van het positieve resultaat van de lopende acties op dit gebied, een uitgebreid vervolgprogramma op gezondheidsgebied moet omvatten waarin deze kwesties grensoverschrijdend worden aangepakt, bijvoorbeeld met innovatieve oplossingen voor de zorgverstrekking, ook langs digitale weg, zoals de Europese referentienetwerken, en dat de lidstaten ondersteuning biedt in de vorm van deskundigheid en uitwisseling van gegevens, bewijsmateriaal en goede praktijken; herinnert eraan dat een goede gezondheid een basisvoorwaarde is voor het verwezenlijken van andere door de EU vastgestelde doelstellingen en dat beleid op het gebied van bijvoorbeeld landbouw, milieu, werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie ook gevolgen heeft voor de gezondheid van de Europeanen; dringt daarom aan op versterking van de gezondheidseffectbeoordelingen en op sectoroverschrijdende samenwerking op dit gebied in het volgende MFK;

Sterkere en duurzame landbouw en visserij

101.  bevestigt dat een gemoderniseerd gemeenschappelijk landbouwbeleid van fundamenteel belang is voor de voedselzekerheid en -autonomie, de instandhouding van de bevolking en de werkgelegenheid op het platteland, een duurzame ontwikkeling, de duurzaamheid van het milieu en de land- en bosbouw en de productie van gezonde, hoogwaardige en betaalbare levensmiddelen voor de Europeanen; wijst erop dat de eisen met betrekking tot voedsel en gezondheid zijn toegenomen, net als de noodzaak om de overstap van de Europese landbouw naar milieuvriendelijke landbouwmethoden te ondersteunen en de klimaatverandering aan te pakken; wijst erop dat het nodig is de boeren een verzekerd inkomen te garanderen en een sterkere koppeling aan te brengen tussen het GLB en de levering van collectieve goederen; onderstreept dat het GLB een van de meest geïntegreerde beleidsdomeinen is en dat het voornamelijk op EU-niveau wordt gefinancierd, dus niet via nationale uitgaven;

102.  benadrukt dat de GLB-begroting in het volgende MFK voor de EU-27 ten minste op het huidige niveau tegen constante prijzen moet worden gehandhaafd; benadrukt dat de nieuwe uitdagingen waarmee het nieuwe GLB te maken krijgt, om een stevige financiële toewijzing vragen die berust op een analyse van het huidige beleid en de toekomstige behoefte; onderstreept dat rechtstreekse betalingen een duidelijke EU‑meerwaarde bieden en de interne markt versterken, doordat concurrentieverstoringen tussen de lidstaten worden voorkomen; verzet zich dan ook tegen renationalisering en tegen de invoering van nationale medefinanciering voor rechtstreekse betalingen; benadrukt dat het noodzakelijk is de maatregelen te verlengen voor de instandhouding van de productie in sectoren die van vitaal belang zijn voor kwetsbare gebieden, de crisisreserve voor de landbouw te hervormen, de financiering te verhogen in functie van de maatregelen waarmee wordt gereageerd op de verschillende cyclische crises in gevoelige sectoren, nieuwe instrumenten te creëren die de prijsvolatiliteit kunnen temperen, en de financiering te verhogen voor programma's met speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen (Posei); verzoekt de Commissie met klem door te gaan met het convergentieproces bij rechtstreekse betalingen en te zorgen voor het noodzakelijke financiële en juridische kader voor de voedselvoorzieningsketen, teneinde oneerlijke handelspraktijken te bestrijden; wijst erop dat de plattelandsgebieden in de EU ernstige problemen ondervinden en daarom specifieke steun nodig hebben;

103.  benadrukt het sociaal-economische en ecologische belang van de visserijsector, het maritieme milieu en de "blauwe economie" en de bijdrage daarvan aan de onafhankelijkheid van de EU inzake duurzame voedselvoorziening, omdat zij de duurzaamheid van de Europese aquacultuur en visserij te waarborgen en de milieueffecten beperken; wijst erop dat het gemeenschappelijk visserijbeleid een exclusieve bevoegdheid van de EU is; benadrukt in dit verband dat een specifiek, omvangrijk, onafhankelijk en toegankelijk visserijfonds nodig blijft om dit beleid uit te voeren; verzoekt om het Programma van speciaal op een afgelegen en insulair karakter afgestemde maatregelen in de visserij opnieuw in te stellen, aangezien dit een zeer belangrijk programma is voor de ultraperifere gebieden in de EU; pleit ervoor om de omvang van de kredieten voor de visserijsector in het huidige MFK op zijn minst te handhaven en, indien nieuwe behoeften ontstaan, de kredieten voor maritieme zaken te verhogen; waarschuwt voor de mogelijke negatieve gevolgen van een harde brexit voor deze sector; merkt op dat andere financieringsinstrumenten aanvullende financieringsmogelijkheden kunnen bieden, boven op de niet terug te betalen steun;

Grotere verantwoordelijkheid in de wereld

104.  benadrukt dat de wereld geconfronteerd wordt met talrijke problemen, zoals conflicten, cyberaanvallen, terrorisme en radicalisering, desinformatie, natuurrampen, klimaatverandering en verslechtering van het leefmilieu, mensenrechtenschendingen en genderongelijkheid; is van mening dat de Unie een bijzondere politieke en financiële verantwoordelijkheid heeft, die berust op een werkelijk Europees, op regels en waarden gebaseerd buitenlands beleid, en op steun voor de stabiliteit, de veiligheid, het democratisch bestuur en de duurzame ontwikkeling van onze partners, alsmede op de uitroeiing van armoede en het reageren op crises;

105.  beklemtoont dat de middelen voor het extern optreden aanzienlijk moeten worden verhoogd, wil de Unie haar rol spelen in het kader van haar mondiale strategie en haar uitbreidings-, nabuurschaps- en ontwikkelingsbeleid en bij de omgang met noodsituaties; verwacht dat het volgende MFK tegemoetkomt aan de ongekend grote behoeften van de zuidelijke en oostelijke nabuurschapslanden die te maken hebben met conflicten en de gevolgen van de uitdagingen op het gebied van migratie en vluchtelingen; wil dat er meer middelen worden toegewezen met het oog op de toenemende behoefte aan humanitaire hulp na natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen, waarbij een kloof tussen vastleggingen en betalingen moet worden vermeden; is van mening dat de Unie haar bijdrage aan de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) moet verhogen; benadrukt bovendien de behoefte aan bijkomende hulpmiddelen om een investeringsplan voor Afrika te financieren om inclusieve groei en duurzame ontwikkeling te bevorderen, en zo enkele van de grondoorzaken van irreguliere migratie aan te pakken;

106.  herinnert eraan dat de Unie zich in haar ontwikkelingsbeleid laat leiden door een aantal verplichtingen, met name de SDG's, de actieagenda van Addis Abeba over financiering voor ontwikkeling, de klimaatovereenkomst van Parijs en de Europese consensus inzake ontwikkeling, alsmede de beginselen die gelden voor de beleidscoherentie voor ontwikkeling en de doeltreffendheid van hulp; vestigt de aandacht op de verbintenis van de EU en haar lidstaten om de officiële ontwikkelingshulp (ODA) tot 2030 op te trekken tot 0,7 % van het bbp, waarbij 20 % van de ODA van de EU naar sociale integratie en menselijke ontwikkeling gaat en 0,2 % van het bni van de EU wordt besteed aan ODA voor de minst ontwikkelde landen;

107.  merkt op dat ontwikkelingshulp een belangrijke rol kan spelen bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratie en kan bijdragen aan de stabiliteit, maar is van mening dat de ODA niet mag worden gebruikt ter dekking van de vluchtelingenkosten in donorlanden; wijst op de potentiële rol van de ODA om de beschikbaarstelling van financiële middelen uit andere bronnen te faciliteren, en onderstreept dat er sterker met de particuliere sector moet worden samengewerkt via een mogelijke verlenging van het externe investeringsplan, uitgaande van een evaluatie van dit plan;

108.  steunt de rechtstreekse financiering van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten, met name in derde landen waar de democratie en de rechtsstaat gevaar lopen; benadrukt in dit verband dat de externe financieringsinstrumenten snel moeten inspringen op politieke ontwikkelingen en meer gewicht moeten geven aan het beginsel "meer voor meer";

109.  is bereid een vereenvoudigde, gestroomlijnde structuur te overwegen voor de externe financieringsinstrumenten, zolang dit leidt tot meer transparantie, verantwoordingsplicht, efficiëntie, samenhang en flexibiliteit en zolang de doelstellingen van het onderliggende beleid in acht worden genomen; dringt, gezien hun specifieke politieke en financiële karakter, aan op handhaving van aparte speciale instrumenten voor pretoetredingssteun, het nabuurschapsbeleid, ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp; merkt op dat een dergelijke structuur een in de begroting opgenomen EOF moet omvatten, dat boven op de overeengekomen plafonds komt zonder de Vredesfaciliteit voor Afrika, en dat de relevante trustfondsen en faciliteiten hierin transparanter moeten worden opgenomen;

110.  onderstreept het belang van meer flexibiliteit, waardoor het mogelijk is extra middelen beschikbaar te stellen en deze snel in te zetten; zou zich in het kader van een algemene middelenverhoging voor de externe financieringsinstrumenten een grotere niet-toegewezen reserve kunnen voorstellen om de ingebouwde flexibiliteit te verhogen; benadrukt echter dat deze flexibiliteit niet ten koste mag gaan van de beleidsdoelstellingen voor de lange termijn en de geografische en thematische prioriteiten, de voorspelbaarheid van langdurige steun, de parlementaire controle en het overleg met de partnerlanden en het maatschappelijk middenveld;

Veiligheid, vrede en stabiliteit voor iedereen

111.  is van mening dat de opneming van een nieuwe rubriek "Veiligheid, vrede en stabiliteit voor iedereen" zou laten zien dat de Unie prioriteit geeft aan deze opkomende beleidsverantwoordelijkheid, de specifieke aard daarvan erkent en samenhang tussen de interne en externe dimensie ervan tot stand brengt;

112.  benadrukt dat het niveau en de mechanismen voor financiering op het gebied van interne veiligheid vanaf het begin en voor de gehele duur van het volgende MFK moeten worden versterkt om te vermijden dat elk jaar stelselmatig een beroep wordt gedaan op de flexibiliteitsbepalingen van het MFK; dringt erop aan dat voldoende middelen worden verstrekt aan de rechtshandhavingsinstanties (Europol, Eurojust en Cepol) en dat het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen (eu-LISA) de middelen krijgt om zijn nieuwe taken uit te voeren en te beheren; beklemtoont de rol van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten voor het inzicht in en de aanpak van de verschijnselen radicalisering, marginalisering, haatzaaiende uitlatingen en haatmisdrijven;

113.  is van mening dat het volgende MFK de oprichting van een Europese defensie-unie moet ondersteunen; kijkt na de aankondigingen van de Commissie ter zake uit naar de desbetreffende wetgevingsvoorstellen, waaronder een specifiek EU-programma voor defensieonderzoek en een industrieel ontwikkelingsprogramma, aangevuld met investeringen van de lidstaten in gezamenlijk uitrusting; bevestigt in deze context zijn sterke overtuiging dat extra politieke prioriteiten gepaard moeten gaan met extra financiële middelen; herinnert eraan dat een sterkere samenwerking op defensiegebied, de bundeling van onderzoeksinspanningen en uitrusting en het terugdringen van overlappingen de strategische autonomie en het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie zullen vergroten en tot aanzienlijke efficiëntiewinsten zullen leiden, die vaak op ongeveer 26 miljard EUR per jaar worden geschat;

114.  vraagt om een herbeoordeling van alle uitgaven voor externe veiligheid, nu er meer aandacht is voor veiligheid en defensie in de Unie; ziet met name uit naar een hervorming van het Athenamechanisme en van de Vredesfaciliteit voor Afrika na de opneming van het EOF in de begroting; is ingenomen met de recente verbintenissen van de lidstaten in het kader van de permanente gestructureerde samenwerking en vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie de toekomstige financiering daarvan toe te lichten; dringt aan op een vervolgprogramma voor het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede dat gericht is op crisisrespons en capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling, waarbij een juridisch solide oplossing voor de militaire capaciteitsopbouw moet worden gevonden;

115.  benadrukt het enorme belang van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, dat gecoördineerde EU-bijstand mogelijk heeft gemaakt bij natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen binnen en buiten de Unie; wijst op de onbetwistbare toegevoegde waarde van civielebeschermingsoperaties bij de effectieve bestrijding van rampen, die steeds vaker voorkomen en complexer worden, en stelt dat deze operaties bovendien het gevoel van Europese solidariteit onder EU-burgers bevorderen in tijden van nood; is ingenomen met de recente voorstellen van de Commissie om de civiele bescherming in de EU te versterken door middel van sterkere maatregelen op het gebied van paraatheid en preventie, onder meer door de oprichting van een specifieke operationele reserve op Unieniveau; vraagt de extra inspanningen op dit gebied in het volgende MFK te koppelen aan adequate financiering;

Doeltreffend bestuur ten dienste van de Europeanen

116.  is van mening dat een sterk, goed werkend en hoogwaardig openbaar bestuur onmisbaar is voor de uitvoering van het Uniebeleid en voor het herwinnen van het vertrouwen van en het intensiveren van de dialoog met de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de burgers op alle niveaus; beklemtoont in dat verband de rol van de instellingen met democratisch gekozen leden; herinnert eraan dat de instellingen, organen en agentschappen van de EU de beoogde verlaging van het aantal personeelsleden met 5 % volgens de Rekenkamer hebben bereikt; is van oordeel dat er geen verdere horizontale inkrimping van deze aard mag worden toegepast; geeft aan sterk te zijn gekant tegen een herhaling van de zogenaamde herschikkingspool voor agentschappen;

117.  is ingenomen met de initiatieven van de instellingen, organen en agentschappen om de doeltreffendheid verder te vergroten door meer administratieve samenwerking en de bundeling van bepaalde functies, hetgeen besparingen voor de begroting van de Unie oplevert; beklemtoont dat voor bepaalde agentschappen nog meer efficiëntiewinst kan worden behaald, in het bijzonder door meer samenwerking tussen agentschappen met gelijkaardige taken, bijvoorbeeld op het gebied van toezicht op de financiële markten, en agentschappen met meerdere locaties; roept meer in het algemeen op tot een grondige evaluatie van de mogelijkheden om agentschappen te groeperen overeenkomstig de strategische aard van hun taakstelling en hun resultaten, teneinde onderlinge synergieën te realiseren, bijv. tussen de Europese Bankautoriteit en de Europese Autoriteit voor effecten en markten in Parijs;

118.  is van mening dat binnen de EU-instellingen en -organen sprake moet zijn van zowel een geografisch als een genderevenwicht;

119.  verzoekt de Commissie een regeling voor te stellen die inhoudt dat lidstaten die de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verankerde waarden niet eerbiedigen, hiervan financiële gevolgen kunnen ondervinden; waarschuwt evenwel dat de eindbegunstigden van de EU-begroting op geen enkele wijze kunnen worden aangesproken op overtredingen van de regels waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn; is er daarom van overtuigd dat de begroting van de Unie niet het juiste instrument is om op te treden tegen de niet-naleving van artikel 2 VEU en dat eventuele financiële gevolgen los van de begrotingsuitvoering door de lidstaat moeten worden gedragen;

120.  benadrukt dat de beëindiging van discriminatie alsmede genderongelijkheid en geweld op basis van geslacht cruciaal is, wil de EU haar toezeggingen met betrekking tot een inclusief Europa gestand doen; is daarom voorstander van gendermainstreaming en een engagement voor gendergelijkheid op alle beleidsterreinen van de EU in het nieuwe MFK, en van een sterkere begrotingsdimensie bij de bestrijding van alle vormen van discriminatie, met bijzondere aandacht voor de genderdimensie in het migratie- en asielbeleid en in het externe beleid van de EU;

121.  benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat vrouwen toegang hebben tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en dat er in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de specifieke behoeften van kwetsbare personen, waaronder minderjarigen en andere groepen, zoals de LGBTI-gemeenschap;

122.  pleit ervoor specifieke steun te verlenen aan benadeelde doelgroepen, waarbij segregatiepraktijken uitdrukkelijk moeten worden uitgesloten, in het bijzonder personen met een handicap en Roma, en met name de benaming "Roma" op de lijst van begunstigden van het ESF en het EFRO te houden;

123.  stelt vast dat de ultraperifere regio's (UPR's) en de landen en gebieden overzee (LGO's) door hun geïsoleerde ligging ten opzichte van het Europese vasteland te maken hebben met specifieke natuurlijke, economische en sociale problemen; is van mening dat deze gebieden moeten kunnen profiteren van maatregelen op maat en naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingen; dringt aan op voortzetting van de financiële steun van de EU aan de UPR's en LGO's in het volgende MFK, en wel via het cohesiebeleid voor de UPR's en via een speciaal instrument voor de LGO's, ten behoeve van hun toegang tot onderzoeksprogramma's en de bestrijding van hun specifieke klimaatproblemen;

124.  dringt er, met het oog op een goed financieel beheer en de transparantie van de begroting van de Europese Unie, bij de Commissie op aan om na te denken over passende voorwaarden voor het voorkomen van corruptie en financiële fraude met betrekking tot de EU-middelen; spreekt met name zijn bezorgdheid uit over de douanefraude, die een aanzienlijk inkomensverlies voor de begroting van de Unie tot gevolg heeft; verzoekt de lidstaten die bezwaar hebben gemaakt tegen het rechtskader van de Unie voor douaneovertredingen en -sancties, hun standpunt te herzien om dit probleem spoedig te kunnen oplossen;

IV.Procedure en besluitvormingsproces

125.  herinnert eraan dat de vaststelling van de MFK-verordening alleen mogelijk is met goedkeuring van het Parlement; benadrukt bovendien dat het Parlement en de Raad, de twee takken van de begrotingsautoriteit, de jaarlijkse begroting van de EU op voet van gelijkheid vaststellen, terwijl de sectorale wetgeving tot vaststelling van veruit de meeste EU-programma's, met inbegrip van de daaraan toegewezen financiële middelen, volgens de gewone wetgevingsprocedure wordt vastgesteld; verwacht daarom dat de rol en de prerogatieven van het Parlement, zoals bedoeld in de Verdragen, worden geëerbiedigd in de besluitvormingsprocedure over het volgende MFK; stelt dat de MFK-verordening niet de juiste plaats is voor wijzigingen in het Financieel Reglement van de EU; dringt er bij de Commissie op aan een apart voorstel tot herziening van het Financieel Reglement in te dienen, wanneer dit wijziging behoeft;

126.  toont zich bereid om onmiddellijk een gestructureerde dialoog over het MFK na 2020 aan te gaan met de Commissie en de Raad om de verdere onderhandelingen te vergemakkelijken en tegen het einde van deze zittingsperiode een overeenkomst mogelijk te maken; is bereid om de in deze resolutie vervatte standpunten te bespreken met de Raad, met het oog op een beter begrip van de verwachtingen van het Parlement ten aanzien van het volgende MFK;

127.  wijst erop dat de voorstellen van de Commissie voor mei 2018 zijn aangekondigd, en onderstreept dat een formeel besluit over het volgende MFK binnen één jaar moet worden genomen; is van oordeel dat er ondanks de aanvankelijke vertraging bij de presentatie van de voorstellen van de Commissie tijdig overeenstemming over het kader voor de periode na 2020 moet worden bereikt, om een belangrijk politiek signaal te doen uitgaan over het vermogen van de EU om tot een consensus te komen over de toekomst van de EU en over de bijbehorende financiële middelen; wijst erop dat dit tijdschema het onder meer mogelijk zal maken dat alle sectorale verordeningen snel worden goedgekeurd, zodat alle nieuwe programma's zonder vertraging op 1 januari 2021 van start kunnen gaan; herinnert eraan dat de nieuwe programma's in eerdere financiële kaders in feite pas enkele jaren na het begin van de periode van start gingen;

128.  is van mening dat het nieuw verkozen Parlement bij volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden en binnen de zes maanden na de Europese verkiezingen de Commissie mag verzoeken een voorstel in te dienen voor een herziening van de sectorale wetgeving tot vaststelling van de vervolgprogramma's van de EU voor het volgende MFK die tijdens de vorige zittingsperiode is aangenomen;

129.  onderstreept dan ook dat de inhoudelijke discussies tussen de drie instellingen onverwijld op gang moeten worden gebracht; benadrukt dat alle punten van de MFK‑verordening, met inbegrip van de MFK-plafonds, deel zullen uitmaken van de onderhandelingen over het MFK en ter tafel moeten blijven tot er een definitieve overeenkomst is bereikt; herinnert er in dit verband aan dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de huidige MFK‑verordening en ten opzichte van de dominante rol die de Europese Raad in dit proces heeft gespeeld door een onherroepelijk besluit te nemen over een aantal punten, waaronder de MFK-plafonds en verscheidene bepalingen in verband met het sectoraal beleid;

130.  is van oordeel dat de procedures die verband houden met de komende onderhandelingen over het MFK, en met name de betrokkenheid van het Parlement bij de verschillende fasen van dit proces, onverwijld moeten worden afgesproken onder het Bulgaarse voorzitterschap en vóór de presentatie van de voorstellen voor het MFK; verwacht in deze context dat de Commissie tijdig evenveel informatie aan het Parlement zal verstrekken als aan de Raad; is van mening dat deze regelingen uiteindelijk in het IIA moeten worden opgenomen, zoals voor de jaarlijkse begrotingsprocedure het geval is;

131.  is van mening dat het unanimiteitsvereiste voor de vaststelling van de MFK-verordening het proces echt belemmert; verzoekt de Europese Raad in dit verband de passerellebepaling in artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken; herinnert er voorts aan dat ook de algemene passerelleclausule in artikel 48, lid 7, VEU in werking kan worden gesteld, teneinde de gewone wetgevingsprocedure toe te passen; benadrukt dat een overstap naar stemming met gekwalificeerde meerderheid voor de vaststelling van de MFK-verordening in overeenstemming zou zijn met het besluitvormingsproces voor de goedkeuring van praktisch alle meerjarige EU-programma's en met de jaarlijkse procedure voor de goedkeuring van de EU-begroting;

o
o   o

132.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige betrokken instellingen en organen, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0309.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0363.
(8) PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0076.

Laatst bijgewerkt op: 6 november 2018Juridische mededeling