Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0337(CNS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0050/2018

Ingediende teksten :

A8-0050/2018

Debatten :

PV 14/03/2018 - 15
CRE 14/03/2018 - 15

Stemmingen :

PV 15/03/2018 - 10.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0088

Aangenomen teksten
PDF 645kWORD 83k
Donderdag 15 maart 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting *
P8_TA(2018)0088A8-0050/2018

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 maart 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2016)0685 – C8-0472/2016 – 2016/0337(CNS))

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0685),

–  gezien artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0472/2016),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Deense parlement, de Ierse Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Ierse Senaat, het Luxemburgse parlement, het Maltese parlement, de Nederlandse Eerste Kamer, de Nederlandse Tweede Kamer en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A8-0050/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Bedrijven die binnen de Unie over de grenzen heen actief willen zijn, worden geconfronteerd met grote obstakels en marktverstoringen die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van en de wisselwerking tussen 28 verschillende stelsels van vennootschapsbelasting. Bovendien zijn fiscale planningstructuren in de loop der tijd steeds verfijnder geworden, omdat ze zich door meerdere rechtsgebieden heen ontwikkelen en effectief profiteren van de technische aspecten van een belastingstelsel of van mismatches tussen twee of meer nationale belastingstelsels met het oog op de vermindering van de belastingverplichting van bedrijven. Hoewel deze situaties tekortkomingen aan het licht brengen die volledig verschillend van aard zijn, creëren ze allebei obstakels die de goede werking van de interne markt belemmeren. Daarom moet actie om deze problemen te verhelpen, beide soorten marktfalen aanpakken.
(1)  Bedrijven die binnen de Unie over de grenzen heen actief willen zijn, worden geconfronteerd met grote obstakels en marktverstoringen die het gevolg zijn van het naast elkaar bestaan van en de wisselwerking tussen 28 verschillende stelsels van vennootschapsbelasting. In tijden van mondialisering en digitalisering wordt belastingheffing aan de bron op met name financieel en intellectueel kapitaal steeds moeilijker te traceren en gemakkelijker te manipuleren. Bovendien zijn fiscale planningstructuren in de loop der tijd steeds verfijnder geworden, omdat ze zich door meerdere rechtsgebieden heen ontwikkelen en effectief profiteren van de technische aspecten van een belastingstelsel of van mismatches tussen twee of meer nationale belastingstelsels met het oog op de vermindering van de belastingverplichting van bedrijven. De vergevorderde digitalisering van veel sectoren van de economie, samen met de zich snel ontwikkelende digitale economie, zet de geschiktheid van de vennootschapsbelastingmodellen van de Unie, die voor traditionele bedrijfstakken ontworpen zijn, zodanig op losse schroeven dat de waarderings- en berekeningscriteria zouden kunnen worden heruitgevonden om ze aan te passen aan de commerciële activiteiten van de 21e eeuw. Hoewel deze situaties tekortkomingen aan het licht brengen die volledig verschillend van aard zijn, creëren ze allemaal obstakels die de goede werking van de interne markt belemmeren en veroorzaken ze verstoringen tussen grote ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen. Daarom moet een nieuwe standaard voor een heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting voor de Unie die soorten marktfalen aanpakken, met inachtneming van de doelstellingen van rechtsduidelijkheid en -zekerheid op lange termijn en het beginsel van fiscale neutraliteit. Meer convergentie tussen de nationale belastingstelsels zal leiden tot veel minder kosten en administratieve rompslomp voor bedrijven die binnen de Unie grensoverschrijdend actief zijn. Belastingbeleid is weliswaar een nationale bevoegdheid, maar artikel 115 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt duidelijk dat de Raad na raadpleging van het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité met eenparigheid van stemmen, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, richtlijnen vaststelt voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen op belastinggebied van de lidstaten die rechtstreeks van invloed zijn op de instelling of werking van de interne markt.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Ter ondersteuning van de goede werking van de interne markt moet het vennootschapsbelastingklimaat in de EU vorm worden gegeven overeenkomstig het beginsel dat bedrijven hun eerlijk deel van de belasting betalen in het/de rechtsgebied(en) waar hun winsten tot stand komen. Daarom is het nodig om te voorzien in mechanismen die bedrijven ontmoedigen om te profiteren van mismatches tussen nationale belastingstelsels om hun belastingverplichting te verlagen. Het is even belangrijk om ook groei en economische ontwikkeling op de interne markt te stimuleren door grensoverschrijdende handel en zakelijke investeringen te bevorderen. Te dien einde is het noodzakelijk om de risico's van zowel dubbele belastingheffing als dubbele niet-belastingheffing in de Unie uit te sluiten door het uitbannen van incongruenties bij de wisselwerking tussen nationale vennootschapsbelastingstelsels. Tegelijkertijd hebben bedrijven een eenvoudig werkbaar belasting- en rechtskader nodig waarbinnen zij hun commerciële activiteiten kunnen ontwikkelen en ook over de grenzen heen in de Unie kunnen ontplooien. In dit verband moeten ook resterende gevallen van discriminatie worden uitgebannen.
(2)  Ter ondersteuning van de goede werking van de interne markt moet het vennootschapsbelastingklimaat in de EU worden vormgegeven overeenkomstig het beginsel dat bedrijven hun eerlijk deel van de belasting betalen in het/de rechtsgebied(en) waar hun winsten tot stand komen en waar bedrijven een vaste inrichting hebben. Rekening houdend met de digitale verandering in de bedrijfsomgeving moet ervoor worden gezorgd dat bedrijven die inkomsten genereren in een lidstaat waar zij geen fysieke vaste inrichting, maar wel een digitale vaste inrichting hebben, op dezelfde wijze worden behandeld als bedrijven met een fysieke vaste inrichting. Daarom is het nodig om te voorzien in mechanismen die bedrijven ontmoedigen om te profiteren van mismatches tussen nationale belastingstelsels om hun belastingverplichting te verlagen. Het is even belangrijk om ook groei en economische ontwikkeling op de interne markt te stimuleren door grensoverschrijdende handel en zakelijke investeringen te bevorderen. Te dien einde is het noodzakelijk om de risico's van zowel dubbele belastingheffing als dubbele niet-belastingheffing in de Unie uit te sluiten door het uitbannen van incongruenties bij de wisselwerking tussen nationale vennootschapsbelastingstelsels. Tegelijkertijd hebben bedrijven een eenvoudig werkbaar belasting- en rechtskader nodig waarbinnen zij hun commerciële activiteiten kunnen ontwikkelen en ook over de grenzen heen in de Unie kunnen ontplooien. In dit verband moeten ook resterende gevallen van discriminatie worden uitgebannen. Consolidatie is een wezenlijk onderdeel van het CCCTB-stelsel omdat de belangrijkste fiscale problemen waar bedrijven van dezelfde groep die in de Unie grensoverschrijdend actief zijn, tegen aanlopen, alleen op die manier kunnen worden aangepakt. Consolidatie maakt een einde aan verrekenprijsformaliteiten en dubbele belasting binnen een groep.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Zoals aangegeven in het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)7 van 16 maart 2011 zou een vennootschapsbelastingstelsel waarbij de Unie als een eengemaakte markt wordt aangemerkt voor de berekening van de heffingsgrondslag van bedrijven voor de vennootschapsbelasting, het voor in de Unie gevestigde bedrijven gemakkelijker maken om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en het concurrentievermogen van de Unie als internationale investeringsplaats helpen te versterken. Het CCCTB-voorstel uit 2011 had vooral tot doel het voor bedrijven gemakkelijker te maken om hun commerciële activiteiten binnen de Unie uit te breiden. Voorts moet er ook rekening mee worden gehouden dat een CCCTB de werking van de interne markt uiterst doeltreffend kan verbeteren door constructies voor belastingontwijking aan te pakken. In dit licht moet het CCCTB-initiatief nieuw leven worden ingeblazen om zowel de facilitering voor het bedrijfsleven als de beoogde aanpak van belastingontwijking op gelijke voet ter hand te nemen. Met een dergelijke benadering zou het beste tegemoet worden gekomen aan het doel om verstoringen in de werking van de interne markt uit te bannen.
(3)  Zoals aangegeven in het voorstel van 16 maart 2011 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB)7 zou een vennootschapsbelastingstelsel waarbij de Unie als een eengemaakte markt wordt aangemerkt voor de berekening van de heffingsgrondslag van bedrijven voor de vennootschapsbelasting, het voor in de Unie gevestigde bedrijven gemakkelijker maken om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en het concurrentievermogen van de Unie als internationale investeringsplaats helpen te versterken, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen. Het CCCTB-voorstel uit 2011 had vooral tot doel het voor bedrijven gemakkelijker te maken om hun commerciële activiteiten binnen de Unie uit te breiden. Voorts moet er ook rekening mee worden gehouden dat een CCCTB de werking van de interne markt uiterst doeltreffend kan verbeteren door constructies voor belastingontwijking aan te pakken. In dit licht moet het CCCTB-initiatief nieuw leven worden ingeblazen om zowel de facilitering voor het bedrijfsleven als de beoogde aanpak van belastingontwijking op gelijke voet ter hand te nemen. Als een CCCTB eenmaal in alle lidstaten is ingevoerd, zou dit ervoor zorgen dat er belasting wordt betaald waar de winsten worden gegenereerd en waar bedrijven een vaste inrichting hebben. Met een dergelijke benadering zou het beste tegemoet worden gekomen aan het doel om verstoringen in de werking van de interne markt uit te bannen. Verbetering van de interne markt is een belangrijke factor voor het stimuleren van groei en werkgelegenheid. De invoering van een CCCTB zou de economische groei bevorderen en tot meer werkgelegenheid in de Unie leiden door minder schadelijke belastingconcurrentie tussen bedrijven.
__________________
__________________
7 Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2011)0121 definitief/2 van 3.10.2011).
7 Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2011)0121 definitief/2 van 3.10.2011).
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De Commissie merkt in haar mededeling van 21 september 2017 getiteld "Een eerlijk en efficiënt belastingstelsel in de Europese Unie voor de digitale eengemaakte markt" op dat een CCCTB de basis vormt om de belastingproblemen in verband met de digitale economie aan te pakken.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Aangezien er snel moet worden gehandeld om de goede werking van de interne markt te waarborgen, enerzijds door een gunstiger klimaat te scheppen voor handel en investeringen en anderzijds door deze markt beter te wapenen tegen constructies van belastingontwijking, moet het ambitieuze CCCTB-initiatief in twee afzonderlijke voorstellen worden opgesplitst. In een eerste fase moeten er regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting worden vastgesteld, voordat in een tweede fase de kwestie van consolidatie wordt geregeld.
(4)  Aangezien er snel moet worden gehandeld om de goede werking van de interne markt te waarborgen, enerzijds door een gunstiger klimaat te scheppen voor handel en investeringen en anderzijds door deze markt beter te wapenen tegen constructies van belastingontwijking, is het zeer belangrijk ervoor te zorgen dat de richtlijn betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting en de richtlijn betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting gelijktijdig in werking treden. Omdat zo'n verandering van stelsel een belangrijke stap is in de voltooiing van de interne markt, moet ze flexibel zijn opdat ze van meet af aan correct wordt uitgevoerd. Aangezien de interne markt alle lidstaten omvat, moet de CCCTB dus in alle lidstaten worden ingevoerd. Als de Raad er niet in slaagt een unaniem besluit aan te nemen over het voorstel tot invoering van een CCCTB, moet de Commissie een nieuw voorstel indienen op grond van artikel 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure handelen om de benodigde wetgeving uit te vaardigen. In laatste instantie moeten de lidstaten een versterkte samenwerking aangaan, die overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te allen tijde open moet staan voor niet-deelnemende lidstaten. Het is evenwel betreurenswaardig dat er geen voldoende gedetailleerde beoordeling per land van het CCTB-voorstel of het CCCTB-voorstel is verricht wat het effect ervan op de inkomsten van de lidstaten uit de vennootschapsbelasting betreft.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Agressieve fiscale planningstructuren zijn een fenomeen dat vooral in een grensoverschrijdende context speelt, hetgeen impliceert dat de deelnemende groepen een minimum aan middelen bezitten. Om redenen van evenredigheid moeten de regels voor een gemeenschappelijke grondslag daarom alleen verplicht zijn voor bedrijven die deel uitmaken van een groep met een aanzienlijke omvang. Te dien einde moet een aan de omvang gerelateerde drempel worden vastgesteld op basis van het totale geconsolideerde inkomen van een groep die een geconsolideerde jaarrekening opstelt. Om de samenhang tussen de beide stappen van het CCCTB-initiatief te waarborgen, moeten voorts de regels voor een gemeenschappelijke grondslag verplicht worden voor bedrijven die als een groep zouden worden aangemerkt indien het initiatief in zijn geheel wordt aangenomen. Om beter invulling te geven aan de beoogde facilitering van handel en investeringen op de interne markt, moeten ook bedrijven die niet aan de desbetreffende criteria voldoen, kunnen kiezen of zij de regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting al dan niet toepassen.
(5)  Agressieve fiscale planningstructuren zijn een fenomeen dat vooral in een grensoverschrijdende context speelt, hetgeen impliceert dat de deelnemende groepen van vennootschappen een minimum aan middelen bezitten. Om redenen van evenredigheid moeten de regels voor een gemeenschappelijke grondslag daarom aanvankelijk alleen verplicht zijn voor bedrijven die deel uitmaken van een groep met een aanzienlijke omvang. Te dien einde moet een aan de omvang gerelateerde begindrempel van 750 miljoen EUR worden vastgesteld op basis van het totale geconsolideerde inkomen van een groep die een geconsolideerde jaarrekening opstelt. Aangezien bij deze richtlijn een nieuwe standaard voor de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting voor alle bedrijven in de Unie wordt vastgesteld, moet de drempel over een periode van maximaal zeven jaar tot nul worden verlaagd. Om beter invulling te geven aan de beoogde facilitatie van handel en investeringen op de interne markt, moeten ook bedrijven die niet aan de desbetreffende criteria voldoen, in de eerste fase kunnen kiezen of zij de regels voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting al dan niet toepassen.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Er dient te worden bepaald wat moet worden verstaan onder een vaste inrichting die in de Unie is gelegen en toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van de Unie is. Op die manier wordt gewaarborgd dat alle betrokken belastingplichtigen dit begrip op dezelfde wijze interpreteren en wordt uitgesloten dat er zich mismatches voordoen als gevolg van uiteenlopende definities. Daarentegen moet het niet als essentieel worden beschouwd om een gemeenschappelijke definitie te introduceren van een vaste inrichting die in een derde land is gelegen of van een vaste inrichting die in de Unie is gelegen maar toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van een derde land is. Dit aspect kan beter worden geregeld in bilaterale belastingverdragen en nationale wetgeving, gelet op de ingewikkelde interactie met internationale overeenkomsten.
(6)  Er dient te worden bepaald wat moet worden verstaan onder een vaste inrichting die in de Unie is gelegen en toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van de Unie is. Al te vaak treffen multinationale ondernemingen regelingen om hun winsten naar gunstige belastingstelsels te verschuiven en zo geen of slechts heel weinig belasting te betalen. Het begrip vaste inrichting zou het mogelijk maken duidelijk en bindend vast te stellen onder welke voorwaarden kan worden bevestigd dat een multinationale onderneming in een land gevestigd is. Zo worden multinationale ondernemingen ertoe verplicht op billijke wijze hun belastingen te betalen. Op die manier wordt gewaarborgd dat alle betrokken belastingplichtigen dit begrip op dezelfde wijze interpreteren en wordt uitgesloten dat er zich mismatches voordoen als gevolg van uiteenlopende definities. Ook is het van belang om een gemeenschappelijke definitie te introduceren van een vaste inrichting die in een derde land is gelegen of van een vaste inrichting die in de Unie is gelegen maar toebehoort aan een belastingplichtige die fiscaal inwoner van een derde land is. Als verrekenprijzen tot winstverschuiving naar een laagbelastend rechtsgebied leiden, dan verdient een systeem dat winst op basis van een formule toewijst, de voorkeur. Door een dergelijk systeem in te voeren, kan de Unie een internationale norm voor moderne en efficiënte vennootschapsbelasting vaststellen. De Commissie moet de ontwerprichtsnoeren opstellen voor de overgangsfase waarin voor de behandeling van derde landen toewijzing op basis van een formule naast andere toewijzingsmethoden bestaat, maar uiteindelijk moet toewijzing op basis van een formule de standaardtoewijzingsmethode worden. De Commissie moet komen met een voorstel voor de vaststelling van een EU-model van belastingverdrag dat uiteindelijk in de plaats kan komen van de duizenden bilaterale verdragen die door de lidstaten zijn gesloten.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Digitale goederen zijn vaak zeer mobiel en immaterieel. Uit studies blijkt dat de digitale sector sterk betrokken is bij agressieve fiscale planning, aangezien veel bedrijfsmodellen geen fysieke infrastructuur vergen om transacties met klanten aan te gaan en winst te maken. Hierdoor slagen de grootste digitale bedrijven erin bijna geen belastingen op hun inkomsten te betalen. De schatkisten van de lidstaten verliezen miljarden euro's aan belastinginkomsten doordat zij digitale multinationals niet kunnen belasten. Om dit reële en urgente maatschappelijke onrecht aan te pakken, moet de huidige wetgeving inzake de vennootschapsbelasting worden uitgebreid met een nieuwe digitale vaste-inrichtingsnexus op basis van een significante digitale aanwezigheid. Voor vergelijkbare bedrijfsmodellen moet er een gelijk speelveld zijn om de fiscale uitdagingen aan te pakken die voortvloeien uit de digitalisering, zonder het potentieel van de digitale sector te belemmeren. In dat verband moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de werkzaamheden van de OESO op het gebied van internationaal consistente regels.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Bedrijfsuitgaven en bepaalde andere posten moeten in mindering worden gebracht op de belastbare inkomsten. Tot de aftrekbare bedrijfsuitgaven moeten normaal alle kosten worden gerekend die betrekking hebben op de omzet alsook alle uitgaven ter verwerving, behoud en zekerstelling van inkomen. Om innovatie in de economie te ondersteunen en de interne markt te moderniseren, dient te worden voorzien in aftrekmogelijkheden voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, inclusief een extra grote aftrek, en deze uitgaven moeten volledig worden afgetrokken in het jaar waarin zij zijn verricht (met uitzondering van onroerende zaken). Kleine startende bedrijven zonder gelieerde ondernemingen, die bijzonder innoverend zijn (een categorie waaronder met name start-ups zullen vallen), moeten ook worden ondersteund door een verhoogde extra aftrek voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Om de rechtszekerheid te waarborgen, dient er tevens een lijst van niet-aftrekbare kosten te worden vastgesteld.
(8)  Bedrijfsuitgaven en bepaalde andere posten moeten in mindering worden gebracht op de belastbare inkomsten. Tot de aftrekbare bedrijfsuitgaven moeten normaal alle kosten worden gerekend die betrekking hebben op de omzet alsook alle uitgaven ter verwerving, behoud en zekerstelling van inkomen. Om innovatie in de economie te ondersteunen en de interne markt te moderniseren, moet worden voorzien in aftrekmogelijkheden en moet de belastingplichtige een belastingaftrek krijgen voor werkelijke uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling die verband houden met de kosten voor personeel, onderaannemers, uitzendkrachten en freelancers, waarbij deze uitgaven volledig moeten worden afgetrokken in het jaar waarin zij zijn verricht (met uitzondering van onroerende zaken). Om misbruik van de aftrekmogelijkheden te voorkomen, is een duidelijke definitie van de werkelijke uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling nodig. Om de rechtszekerheid te waarborgen, dient er tevens een lijst van niet-aftrekbare kosten te worden vastgesteld.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Recente ontwikkelingen op het gebied van internationale belastingheffing hebben onderstreept dat multinationale ondernemingen, om hun wereldwijde belastingverplichtingen omlaag te brengen, in toenemende mate belastingontwijkende maatregelen hebben genomen, die leiden tot uitholling van de belastinggrondslag en winstverschuiving, door middel van buitensporige rentebetalingen. Het is dan ook noodzakelijk om de aftrekbaarheid van rentelasten (en andere financiële lasten) te beperken, om dergelijke praktijken te ontmoedigen. In die context dient de aftrekbaarheid van rentelasten (en andere financiële lasten) alleen zonder beperking te worden toegestaan voor zover die lasten kunnen worden afgezet tegen belastbare rentebaten (en andere financiële baten). De aftrekbaarheid van een overschot aan rentelasten moet evenwel worden onderworpen aan beperkingen, die moeten worden gekoppeld aan de belastbare winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen ("ebitda") van een belastingplichtige.
(9)  Recente ontwikkelingen op het gebied van internationale belastingheffing hebben onderstreept dat multinationale ondernemingen, om hun wereldwijde belastingverplichtingen omlaag te brengen, in toenemende mate belastingontwijkende maatregelen hebben genomen, die leiden tot uitholling van de belastinggrondslag en winstverschuiving, door middel van buitensporige rentebetalingen. Het is dan ook noodzakelijk om de aftrekbaarheid van rentelasten (en andere financiële lasten) te beperken, om dergelijke praktijken te ontmoedigen. In die context dient de aftrekbaarheid van rentelasten (en andere financiële lasten) alleen zonder beperking te worden toegestaan voor zover die lasten kunnen worden afgezet tegen belastbare rentebaten (en andere financiële baten). De aftrekbaarheid van een overschot aan rentelasten moet evenwel worden onderworpen aan beperkingen, die moeten worden gekoppeld aan de belastbare winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen ("ebitda") van een belastingplichtige. De lidstaten kunnen het bedrag aan rentelasten en andere financiële lasten dat kan worden afgetrokken verder beperken om een hoger beschermingsniveau te waarborgen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Doordat rente die over leningen wordt betaald, aftrekbaar is van de heffingsgrondslag van een belastingplichtige terwijl dit niet het geval is voor winstuitkeringen, wordt financiering door middel van vreemd vermogen onmiskenbaar bevoordeeld ten opzichte van financiering door middel van eigen vermogen. Gelet op de risico's die dit met zich meebrengt voor de schuldpositie van bedrijven, is het zaak maatregelen te nemen die de huidige benadeling van financiering door eigen vermogen tegengaan. Vanuit deze optiek wordt voorgesteld om belastingplichtigen een aftrek voor groei en investeringen toe te kennen, op basis waarvan toenames van het eigen vermogen van een belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden van diens heffingsgrondslag aftrekbaar zijn. Daarbij is het zaak te waarborgen dat dit stelsel niet tot cascade-effecten leidt en te dien einde is het noodzakelijk om de fiscale boekwaarde van de deelnemingen van een belastingplichtige in gelieerde ondernemingen uit te sluiten. Om deze aftrekregeling voldoende robuust te maken, is het ten slotte noodzakelijk om ook anti-ontgaansregels vast te stellen.
(10)  Doordat rente die over leningen wordt betaald, aftrekbaar is van de heffingsgrondslag van een belastingplichtige terwijl dit niet het geval is voor winstuitkeringen, wordt financiering door middel van vreemd vermogen onmiskenbaar bevoordeeld ten opzichte van financiering door middel van eigen vermogen. Gelet op de risico's die dit met zich meebrengt voor de schuldpositie van bedrijven, is het zaak in maatregelen te voorzien die de benadeling van financiering door eigen vermogen tegengaan door de mogelijkheid te beperken om rente die is betaald op leningen af te trekken van de heffingsgrondslag van een belastingplichtige. Een dergelijk voorschrift tot beperking van de aftrekbaarheid van de rente is hiervoor een geschikt en toereikend instrument.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Om de verschuiving van passieve (voornamelijk financiële) inkomsten weg van vennootschappen met een hoge belastingdruk te ontmoedigen, moeten eventuele verliezen die dergelijke bedrijven aan het einde van een belastingjaar hebben geleden, worden geacht grotendeels overeen te komen met het resultaat van handelsactiviteiten. Daarom moeten belastingplichtigen verliezen onbeperkt kunnen blijven voortwentelen, zonder beperking ten aanzien van het jaarlijks aftrekbare bedrag. Aangezien het doel van voorwaartse verliesverrekening erin bestaat dat een belastingplichtige belasting betaalt over zijn werkelijke inkomsten, is er geen reden om dit mechanisme in de tijd te beperken. Wat het idee van een achterwaartse verliesverrekening betreft, is het niet noodzakelijk om een dergelijke regeling in te voeren, aangezien dit een tamelijk zeldzaam gebruik is in de lidstaten en doorgaans tot buitensporige complexiteit leidt. Daarnaast moet er een antimisbruikbepaling worden vastgesteld ten aanzien van pogingen om de regels inzake verliesverrekening te omzeilen door middel van de aankoop van verlieslijdende bedrijven, zodanig dat deze pogingen worden voorkomen, gedwarsboomd of tegengegaan.
(12)  Om de verschuiving van passieve (voornamelijk financiële) inkomsten weg van vennootschappen met een hoge belastingdruk te ontmoedigen, moeten eventuele verliezen die dergelijke bedrijven aan het einde van een belastingjaar hebben geleden, worden geacht grotendeels overeen te komen met het resultaat van handelsactiviteiten. Daarom moeten belastingplichtigen verliezen gedurende een periode van vijf jaar kunnen blijven voortwentelen, met een beperking ten aanzien van het jaarlijks aftrekbare bedrag. Wat het idee van een achterwaartse verliesverrekening betreft, is het niet noodzakelijk om een dergelijke regeling in te voeren, aangezien dit een tamelijk zeldzaam gebruik is in de lidstaten en doorgaans tot buitensporige complexiteit leidt. Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad1 bis voorziet in een algemene antimisbruikbepaling teneinde pogingen om de regels inzake verliesverrekening te omzeilen door middel van de aankoop van verlieslijdende bedrijven, te voorkomen, te dwarsbomen of tegen te gaan. Bij de toepassing van deze richtlijn moet ook systematisch rekening worden gehouden met deze algemene regel.
_________________
1 bis Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1).
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Om de cashflowsituatie van bedrijven te verbeteren - door bijvoorbeeld aanloopverliezen in de ene lidstaat te compenseren met winsten in een andere lidstaat - en grensoverschrijdende ontplooiing binnen de Unie te stimuleren, dienen belastingplichtigen het recht te hebben om de verliezen van hun directe dochterondernemingen en vaste inrichtingen in andere lidstaten tijdelijk op zich te nemen. Daartoe dienen moedermaatschappijen of hoofdkantoren gelegen in een lidstaat de mogelijkheid te hebben om, in een bepaald belastingjaar, de verliezen die hun directe dochterondernemingen of vaste inrichtingen in andere lidstaten in datzelfde belastingjaar hebben geleden, op hun heffingsgrondslag in mindering te brengen naar evenredigheid van hun deelneming. De moedermaatschappij moet nadien de verplichting hebben om, rekening houdend met de eerder afgetrokken verliezen, eventuele latere winsten van deze directe dochterondernemingen of vaste inrichtingen aan haar eigen heffingsgrondslag toe te voegen. Omdat het essentieel is om de nationale belastingopbrengsten te waarborgen, moeten de in mindering gebrachte verliezen ook automatisch opnieuw aan de heffingsgrondslag worden toegevoegd indien dit na een bepaald aantal jaren nog niet is gebeurd dan wel indien niet langer is voldaan aan de vereisten om als een directe dochteronderneming of vaste inrichting te kwalificeren.
Schrappen
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Het is cruciaal om in passende anti-ontgaansmaatregelen te voorzien om de regels betreffende de gemeenschappelijke grondslag beter te wapenen tegen agressieve fiscale planning. De regeling moet met name een algemene antimisbruikbepaling bevatten, aangevuld met maatregelen die ertoe strekken specifieke vormen van belastingontwijking aan banden te leggen. Aangezien algemene antimisbruikbepalingen gericht zijn tegen fiscale misbruikpraktijken die nog niet zijn aangepakt met specifieke bepalingen, vullen zij leemtes in, hetgeen de toepasbaarheid van specifieke antimisbruikregels niet in de weg staat. In de Unie moeten algemene antimisbruikregels worden toegepast op kunstmatige constructies. Voorts is het belangrijk te waarborgen dat de algemene antimisbruikregels op uniforme wijze toepassing vinden in binnenlandse situaties, in grensoverschrijdende situaties binnen de Unie en in grensoverschrijdende situaties met bedrijven die in derde landen zijn gevestigd, zodat de reikwijdte ervan en de toepassingsresultaten niet uiteenlopen.
(15)  Het is cruciaal om in passende anti-ontgaansmaatregelen te voorzien om de regels betreffende de gemeenschappelijke grondslag beter te wapenen tegen agressieve fiscale planning. De regeling moet met name een krachtige en doeltreffende algemene antimisbruikbepaling bevatten, aangevuld met maatregelen die ertoe strekken specifieke vormen van belastingontwijking aan banden te leggen. Aangezien algemene antimisbruikbepalingen gericht zijn tegen fiscale misbruikpraktijken die nog niet zijn aangepakt met specifieke bepalingen, vullen zij leemtes in, hetgeen de toepasbaarheid van specifieke antimisbruikregels niet in de weg staat. In de Unie moeten algemene antimisbruikregels worden toegepast op kunstmatige constructies. Voorts is het belangrijk te waarborgen dat de algemene antimisbruikregels op uniforme wijze toepassing vinden in binnenlandse situaties, in grensoverschrijdende situaties binnen de Unie en in grensoverschrijdende situaties met bedrijven die in derde landen zijn gevestigd, zodat de reikwijdte ervan en de toepassingsresultaten niet uiteenlopen.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Gelet op het feit dat hybride mismatches doorgaans resulteren in een dubbele aftrek (dat wil zeggen een aftrek in beide staten) of een aftrek van de inkomsten in de ene staat zonder dat zij in de heffingsgrondslag worden begrepen van een andere, hebben dergelijke situaties een duidelijk negatief effect op de interne markt doordat zij de mechanismen ervan verstoren en mazen creëren waardoor ontgaanspraktijken kunnen gedijen. Aangezien mismatches voortvloeien uit nationale verschillen in de juridische kwalificatie van bepaalde soorten entiteiten of financiële betalingen, doen zij zich normaal niet voor bij bedrijven die de gemeenschappelijke regels voor de berekening van hun heffingsgrondslag toepassen. Mismatches zouden echter blijven bestaan bij de wisselwerking tussen het kader voor de gemeenschappelijke grondslag en dat van nationale of derdelands vennootschapsbelastingstelsels. Om de effecten tegen te gaan van regelingen waarbij gebruikt wordt gemaakt van een hybride mismatch, dienen bepalingen te worden vastgesteld die erin voorzien dat een van beide rechtsgebieden bij een mismatch de aftrek van een betaling weigert dan wel erop toeziet dat de overeenkomstige inkomsten in de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting worden begrepen.
(17)  Gelet op het feit dat hybride mismatches en mismatchstructuren met bijkantoren doorgaans resulteren in een dubbele aftrek (dat wil zeggen een aftrek in beide staten) of een aftrek van de inkomsten in de ene staat zonder dat zij in de heffingsgrondslag worden begrepen van een andere, hebben dergelijke situaties een duidelijk negatief effect op de interne markt doordat zij de mechanismen ervan verstoren en mazen creëren waardoor ontgaanspraktijken kunnen gedijen. Aangezien mismatches voortvloeien uit nationale verschillen in de juridische kwalificatie van bepaalde soorten entiteiten of financiële betalingen, doen zij zich normaal niet voor bij bedrijven die de gemeenschappelijke regels voor de berekening van hun heffingsgrondslag toepassen. Mismatches zouden echter blijven bestaan bij de wisselwerking tussen het kader voor de gemeenschappelijke grondslag en dat van nationale of derdelands vennootschapsbelastingstelsels. Om de effecten tegen te gaan van hybride mismatches of daarmee samenhangende regelingen, voorziet Richtlijn (EU) 2016/1164 in regels betreffende hybride mismatches en mismatches door een omgekeerde hybride. Bij de toepassing van deze richtlijn moet systematisch rekening worden gehouden met deze regels.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  De lidstaten mogen niet worden verhinderd om aanvullende maatregelen tegen belastingontwijking in te voeren met het oog op het tegengaan van de negatieve gevolgen van winstverschuiving naar derde landen met lage belastingen die niet noodzakelijkerwijs belastinginformatie uitwisselen overeenkomstig de normen van de Unie.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 ter (nieuw)
(17 ter)  De lidstaten moeten beschikken over een systeem van sancties voor bedrijven die inbreuk maken op nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld en moeten de Commissie daarvan in kennis stellen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van (i) de follow-up van wetswijzigingen in de lidstaten met betrekking tot vennootschapsvormen en vennootschapsbelastingen en de overeenkomstige wijziging van bijlagen I en II; (ii) de vaststelling van extra definities; (iii) de vaststelling van nadere anti-ontgaansbepalingen op een aantal specifieke gebieden die relevant zijn voor de aftrek voor groei en investeringen; (iv) de nadere omschrijving van de begrippen juridisch en economisch eigendom van geleasede activa; (v) de berekening van de kapitaal- en rente-elementen van leasebetalingen en de afschrijvingsgrondslag van geleasede activa; en (vi) de nadere omschrijving van de categorieën vaste activa die aan afschrijving onderhevig zijn; Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
(19)  Ter aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van (i) de follow-up van wetswijzigingen in de lidstaten met betrekking tot vennootschapsvormen en vennootschapsbelastingen en de overeenkomstige wijziging van bijlagen I en II; (ii) de vaststelling van extra definities; (iii) de nadere omschrijving van de begrippen juridisch en economisch eigendom van geleasede activa; (iv) de berekening van de kapitaal- en rente-elementen van leasebetalingen en de afschrijvingsgrondslag van geleasede activa; (v) de nadere omschrijving van de categorieën vaste activa die aan afschrijving onderhevig zijn; en (vi) de verstrekking van richtsnoeren voor de overgangsfase waarin voor de behandeling van derde landen toewijzing op basis van een formule naast andere toewijzingsmethoden bestaat. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  De Commissie moet toezien op de uniforme uitvoering van deze richtlijn om situaties te vermijden waarbij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten elk een verschillende regeling toepassen. Voorts mag het ontbreken van geharmoniseerde boekhoudregels in de Unie niet leiden tot nieuwe mogelijkheden voor fiscale planning en arbitrage. Daarom kan een harmonisatie van de boekhoudregels de gemeenschappelijke regeling versterken, met name als alle bedrijven in de Unie onder deze regeling vallen.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  De Commissie dient de toepassing van de richtlijn te evalueren vijf jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij de Raad over de werking ervan. De lidstaten dienen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee te delen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen,
(23)  Aangezien deze richtlijn een belangrijke wijziging van de regels voor de vennootschapsbelasting inhoudt, dient de Commissie een grondige beoordeling van de toepassing van de richtlijn te verrichten vijf jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan. In dit uitvoeringsverslag moeten ten minste de volgende punten worden behandeld: het effect van het bij deze richtlijn ingestelde belastingstelsel op de inkomsten van de lidstaten, de voor- en nadelen van het stelsel voor kleine en middelgrote ondernemingen, het effect op een billijke belastinginning tussen de lidstaten, het effect op de interne markt als geheel, met bijzondere aandacht voor mogelijke concurrentievervalsing tussen ondernemingen die aan de nieuwe voorschriften van deze richtlijn zijn onderworpen, en het aantal ondernemingen dat tijdens de overgangsperiode onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt. De Commissie dient de toepassing van deze richtlijn te evalueren tien jaar na de inwerkingtreding ervan en verslag uit te brengen bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan. De lidstaten dienen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee te delen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen,
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze richtlijn wordt een regeling voor een gemeenschappelijke grondslag voor de belasting van bepaalde vennootschappen ingesteld en worden voorschriften voor de berekening van die grondslag vastgesteld.
1.  Bij deze richtlijn wordt een regeling voor een gemeenschappelijke grondslag voor de belasting in de Unie van bepaalde vennootschappen ingesteld en worden voorschriften voor de berekening van die grondslag vastgesteld, waaronder voorschriften voor maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan en maatregelen met betrekking tot de internationale dimensie van het voorgestelde belastingstelsel.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – inleidende formule
1.  De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op een vennootschap die is opgericht naar het recht van een lidstaat, daaronder begrepen haar vaste inrichtingen in andere lidstaten, indien de vennootschap aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
1.  De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op een vennootschap die is opgericht naar het recht van een lidstaat, daaronder begrepen haar vaste en digitale vaste inrichtingen in andere lidstaten, indien de vennootschap aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 1 – letter c
(c)  zij maakt deel uit van een voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep met een totaal geconsolideerd groepsinkomen dat het bedrag van 750 000 000 EUR te boven gaat gedurende het boekjaar dat aan het betreffende boekjaar voorafgaat;
(c)  zij maakt deel uit van een voor de financiële boekhouding geconsolideerde groep met een totaal geconsolideerd groepsinkomen dat het bedrag van 750 000 000 EUR te boven gaat gedurende het boekjaar dat aan het betreffende boekjaar voorafgaat. Deze drempel wordt over een periode van maximaal zeven jaar verlaagd tot nul;
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 3
3.  Een vennootschap die voldoet aan de in lid 1, onder a) en b), gestelde voorwaarden maar niet aan de in dat lid onder c) of d) gestelde voorwaarden, kan ervoor kiezen om de bij deze richtlijn ingestelde regeling gedurende een periode van vijf belastingjaren toe te passen, ook voor haar vaste inrichtingen in andere lidstaten. Deze periode wordt automatisch met telkens vijf belastingjaren verlengd, tenzij er een kennisgeving van beëindiging wordt gedaan zoals bedoeld in artikel 65, lid 3. Aan de in lid 1, onder a) en b), gestelde voorwaarden moet zijn voldaan telkens wanneer de verlenging plaatsvindt.
3.  Een vennootschap die voldoet aan de in lid 1, onder a) en b), gestelde voorwaarden maar niet aan de in dat lid, onder c) of d), gestelde voorwaarden, kan ervoor kiezen om de bij deze richtlijn ingestelde regeling toe te passen, ook voor haar vaste inrichtingen in andere lidstaten.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4
4.  De bij deze richtlijn ingestelde regeling is niet van toepassing op een scheepvaartmaatschappij die aan een bijzondere belastingregeling is onderworpen. Bij het bepalen van de vennootschappen die tot dezelfde groep behoren zoals bedoeld in artikel 3, worden ook scheepvaartmaatschappijen die aan een bijzondere belastingregeling zijn onderworpen, in aanmerking genomen.
Schrappen
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 – letter a
(a)  een recht om meer dan 50 % van de stemrechten uit te oefenen; en
(a)  een recht om stemrechten van meer dan 50 % uit te oefenen; en
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 12
(12)  financieringskosten: rentelasten op alle vormen van schuld, andere kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan rente en kosten in verband met het aantrekken van financiële middelen als omschreven in het nationale recht, met inbegrip van betalingen in het kader van winstdelende leningen, toegerekende rente op converteerbare obligaties en nulcouponobligaties, betalingen in het kader van alternatieve financieringsregelingen, de financieringskostenelementen van betalingen voor financiële leasing, gekapitaliseerde rente opgenomen in de balanswaarde van een gerelateerd actief, de afschrijving van gekapitaliseerde rente, bedragen bepaald door verwijzing naar een financieringsopbrengst onder verrekenprijsregels, notionele rentebedragen in het kader van afgeleide instrumenten of hedgingregelingen met betrekking tot de leningen van een entiteit, het vastgelegde rendement op nettovermogenstoenames als bedoeld in artikel 11 van deze richtlijn, bepaalde koerswinsten en -verliezen op leningen en instrumenten in verband met het aantrekken van financiële middelen, garantieprovisies voor financieringsregelingen, afsluitprovisies en soortgelijke kosten in verband met het lenen van middelen;
(12)  financieringskosten: rentelasten op alle vormen van schuld, andere kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan rente en kosten in verband met het aantrekken van financiële middelen als omschreven in het nationale recht, met inbegrip van betalingen in het kader van winstdelende leningen, toegerekende rente op converteerbare obligaties en nulcouponobligaties, betalingen in het kader van alternatieve financieringsregelingen, de financieringskostenelementen van betalingen voor financiële leasing, gekapitaliseerde rente opgenomen in de balanswaarde van een gerelateerd actief, de afschrijving van gekapitaliseerde rente, bedragen bepaald door verwijzing naar een financieringsopbrengst onder verrekenprijsregels, notionele rentebedragen in het kader van afgeleide instrumenten of hedgingregelingen met betrekking tot de leningen van een entiteit, bepaalde koerswinsten en -verliezen op leningen en instrumenten in verband met het aantrekken van financiële middelen, garantieprovisies voor financieringsregelingen, afsluitprovisies en soortgelijke kosten in verband met het lenen van middelen;
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 bis (nieuw)
(30 bis)  niet-coöperatief fiscaal rechtsgebied: een rechtsgebied waarop een van de volgende criteria van toepassing is:
(a)  het rechtsgebied voldoet niet aan de internationale transparantienormen;
(b)  in het rechtsgebied bestaan mogelijke preferentiële regelingen;
(c)  in het rechtsgebied bestaat een belastingstelsel zonder vennootschapsbelasting of een bijna nultarief voor de vennootschapsbelasting;
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 ter (nieuw)
(30 ter)  economische substantie: feitelijke criteria, onder meer met betrekking tot de digitale economie, die kunnen worden gebruikt om de belastbare aanwezigheid van een onderneming vast te stellen, zoals het bestaan van menselijke en materiële middelen die specifiek zijn voor de entiteit, haar bestuursautonomie, haar juridische realiteit, de gegenereerde inkomsten en, in voorkomend geval, de aard van haar activa;
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 quater (nieuw)
(30 quater)  brievenbusmaatschappij: iedere soort juridische entiteit die geen economische substantie heeft en louter voor fiscale doeleinden is opgericht;
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 quinquies (nieuw)
(30 quinquies)  royaltykosten: kosten in verband met vergoedingen voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap — daaronder begrepen bioscoopfilms en software — van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap, of van enig ander immaterieel activum; vergoedingen voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik, van industriële, commerciële of wetenschappelijke uitrusting worden als royaltykosten aangemerkt;
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 30 sexies (nieuw)
(30 sexies)  verrekenprijzen: de prijzen waartegen een onderneming materiële goederen of immateriële activa overdraagt of diensten verleent aan gelieerde ondernemingen;
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 31
(31)  hybride mismatch: een situatie tussen een belastingplichtige en een gelieerde onderneming of een gestructureerde regeling tussen partijen in verschillende fiscale rechtsgebieden waarin een van de volgende resultaten te wijten is aan verschillen in de juridische kwalificatie van een financieel instrument of een entiteit, of aan de aanmerking van een commerciële aanwezigheid als vaste inrichting:
(31)  hybride mismatch: een kwalificatieconflict door hybride structuren als omschreven in artikel 2, punt 9, van Richtlijn (EU) 2016/1164;
(a)  dezelfde betaling, kosten of verliezen worden zowel in het rechtsgebied waar de betaling haar oorsprong vindt, de kosten zijn gemaakt of de verliezen zijn geleden, als in het andere rechtsgebied in aftrek gebracht van de belastbare grondslag ("dubbele aftrek");
(b)  een betaling wordt in aftrek gebracht van de belastbare grondslag in het rechtsgebied waar de betaling haar oorsprong vindt, zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in het andere rechtsgebied in de heffing wordt betrokken ("aftrek zonder betrekking in de heffing");
(c)  in geval van verschillen bij de aanmerking van een commerciële aanwezigheid als vaste inrichting, het onbelast blijven van inkomsten die hun oorsprong vinden in een rechtsgebied, zonder dat deze inkomsten op overeenkomstige wijze in het andere rechtsgebied in de heffing worden betrokken ("onbelast zonder betrekking in de heffing").
Een hybride mismatch treedt slechts op in zoverre dezelfde in twee rechtsgebieden afgetrokken betaling, gemaakte kosten of geleden verliezen het bedrag aan inkomsten te boven gaan dat in beide rechtsgebieden in de heffing is betrokken en aan dezelfde bron kan worden toegerekend.
Een hybride mismatch omvat ook de overdracht van een financieel instrument in het kader van een gestructureerde regeling met een belastingplichtige, waarbij de onderliggende opbrengst van het overgedragen financiële instrument voor belastingdoeleinden wordt behandeld alsof deze tegelijkertijd is verkregen door meer dan een van de partijen bij de regeling, die fiscaal inwoner zijn van verschillende rechtsgebieden, met een van de volgende resultaten:
(a)  een aftrek van een betaling die verband houdt met de onderliggende opbrengst, zonder dat deze betaling op overeenkomstige wijze in de heffing wordt betrokken, tenzij de onderliggende opbrengst in het belastbare inkomen van een van de betrokken partijen is opgenomen;
(b)  een vermindering van bronbelasting voor een betaling die is verkregen uit het overgedragen financieel instrument, aan meer dan een van de betrokken partijen;
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 32
(32)  gestructureerde regeling: een regeling waarbij sprake is van een hybride mismatch die al in de voorwaarden van de regeling is verwerkt, dan wel een regeling die zodanig is opgezet dat er een hybride mismatch uit resulteert, tenzij van de belastingplichtige of een gelieerde onderneming niet redelijkerwijs kon worden verwacht dat deze zich bewust waren van de hybride mismatch en zij geen profijt trokken uit het belastingvoordeel dat uit de hybride mismatch voortvloeit;
Schrappen
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 33 bis (nieuw)
(33 bis)  digitale vaste inrichting: een significante digitale aanwezigheid van een belastingplichtige die diensten verleent in een rechtsgebied gericht op consumenten of bedrijven in dat rechtsgebied, overeenkomstig de criteria van artikel 5, lid 2 bis;
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 1 – punt 33 ter (nieuw)
(33 ter)  Europees fiscaal identificatienummer of EU FIN: een nummer als gedefinieerd in de mededeling van de Commissie van 6 december 2012 met daarin een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – alinea 2
De Commissie kan overeenkomstig artikel 66 gedelegeerde handelingen vaststellen om meer begrippen te definiëren.
De Commissie kan overeenkomstig artikel 66 gedelegeerde handelingen vaststellen om bestaande begrippen bij te werken of meer begrippen te definiëren.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – inleidende formule
1.  Een belastingplichtige wordt geacht te beschikken over een vaste inrichting in een andere lidstaat dan de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is, wanneer hij in die andere lidstaat een vaste bedrijfsinrichting heeft door middel waarvan zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, daaronder met name begrepen:
1.  Een belastingplichtige wordt geacht te beschikken over een vaste inrichting, daaronder begrepen een digitale vaste inrichting, in een andere lidstaat dan het rechtsgebied waarvan hij fiscaal inwoner is, wanneer hij in die andere lidstaat een vaste bedrijfsinrichting of een digitale aanwezigheid heeft door middel waarvan zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, daaronder met name begrepen:
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 – letter f bis (nieuw)
(f bis)  een digitaal platform of een ander digitaal bedrijfsmodel dat gebaseerd is op het verzamelen en benutten van gegevens voor commerciële doeleinden.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Indien een belastingplichtige die inwoner van een rechtsgebied is, toegang biedt tot een digitaal platform zoals een elektronische applicatie, database, onlinemarktplaats of opslagruimte of een dergelijk platform aanbiedt, dan wel zoekmachine- of reclamediensten aanbiedt op een website of in een elektronische applicatie, wordt deze belastingplichtige geacht te beschikken over een digitale vaste inrichting in een andere lidstaat dan het rechtsgebied waarvan hij fiscaal inwoner is indien het totale bedrag van de inkomsten van de belastingplichtige of de gelieerde onderneming uit verrichtingen op afstand die worden gegenereerd door bovengenoemde digitale platforms in het rechtsgebied waarvan hij geen inwoner is, meer dan 5 000 000 EUR per jaar bedragen en indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
(a)  ten minste 1 000 geregistreerde individuele gebruikers per maand die hun woonplaats hebben in een andere lidstaat dan het rechtsgebied waarvan de belastingplichtige fiscaal inwoner is, hebben ingelogd op het digitale platform van de belastingplichtige of hebben het bezocht;
(b)  ten minste 1 000 digitale overeenkomsten per maand zijn gesloten met klanten of gebruikers die in een belastingjaar hun woonplaats hebben in het rechtsgebied waarvan de belastingplichtige geen inwoner is;
(c)  het volume aan digitale inhoud die de belastingplichtige in een belastingjaar heeft verzameld bedraagt meer dan 10 % van de totale opgeslagen digitale inhoud van de groep.
De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 66 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze richtlijn door de onder a), b) en c), van dit lid genoemde factoren aan te passen aan de evolutie in internationale overeenkomsten.
Indien naast de op inkomsten gebaseerde factor als bedoeld in de eerste alinea van dit lid één of meer van de drie digitale factoren als bedoeld onder a), b) en c), van dit lid, van toepassing zijn op een belastingplichtige in de betrokken lidstaat, wordt de belastingplichtige geacht te beschikken over een vaste inrichting in die lidstaat.
Een belastingplichtige moet de belastingautoriteiten in kennis stellen van alle informatie die van belang is voor de vaststelling van een vaste inrichting of een digitale vaste inrichting als bedoeld in dit artikel.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 3 – alinea 1
Naast de bedragen die aftrekbaar zijn als uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig lid 2, kan de belastingplichtige per belastingjaar nog eens 50 % van dergelijke uitgaven, met uitzondering van die voor roerende materiële vaste activa, die hij in de loop van dat jaar heeft gemaakt, aftrekken. Voor zover de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling een drempel van 20 000 000 EUR te boven gaan, kan de belastingplichtige 25 % van het bedrag daarboven aftrekken.
Voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling tot een bedrag van 20 000 000 EUR met betrekking tot personeel, waaronder lonen, onderaannemers, uitzendkrachten en freelancers, krijgt de belastingplichtige een belastingaftrek van 10 % van de gemaakte kosten.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 3 – alinea 2
In afwijking van de eerste alinea kan de belastingplichtige nog eens 100 % van zijn uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling tot een maximum van 20 000 000 EUR in aftrek brengen indien hij aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:
Schrappen
a)  het betreft een niet-beursgenoteerde onderneming met minder dan 50 werknemers en een jaaromzet en/of een jaarbalanstotaal van niet meer dan 10 000 000 EUR;
b)  de onderneming is nog geen vijf jaar ingeschreven. Indien de belastingplichtige niet ingeschreven hoeft te zijn, kan als startpunt van de periode van vijf jaar het tijdstip worden genomen waarop de onderneming met haar economische activiteiten van start is gegaan dan wel waarop zij daarover belasting verschuldigd is geworden;
c)  de onderneming is niet door een fusie tot stand gekomen;
d)  de onderneming heeft geen gelieerde ondernemingen.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11
[...]
Schrappen
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – alinea 1 – letter b
(b)  50 % van representatiekosten, tot een bedrag dat [x] % van de inkomsten gedurende het belastingjaar niet te boven gaat;
(b)  50 % van de normale en noodzakelijke representatiekosten die rechtstreeks verband houden met of gekoppeld zijn aan het bedrijf van de belastingplichtige, tot een bedrag dat [x] % van de inkomsten gedurende het belastingjaar niet te boven gaat;
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – alinea 1 – letter c
(c)  de overdracht van ingehouden winsten naar een reserve die deel uitmaakt van het eigen vermogen van de vennootschap;
(c)  de overdracht van ingehouden winsten naar een reserve die deel uitmaakt van het eigen vermogen van de vennootschap, die andere winsten zijn dan via een reserve ingehouden winsten van coöperatieve ondernemingen en coöperatieve consortia, zowel tijdens de huidige activiteiten van het bedrijf als na het verstrijken ervan, in overeenstemming met nationale belastingvoorschriften;
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – alinea 1 – letter j bis (nieuw)
(j bis)  uitgaven aan begunstigden in landen die vermeld staan op de EU-lijst van niet-coöperatieve fiscale rechtsgebieden (belastingparadijzen);
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 – alinea 1
Een financieringskostensurplus is aftrekbaar in het belastingjaar waarin het is ontstaan, ten belope van maximaal 30 procent van de winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen (ebitda) van de belastingplichtige dan wel tot een bedrag van maximaal 3 000 000 EUR, naargelang welk van beide het hoogste is.
Een financieringskostensurplus is aftrekbaar in het belastingjaar waarin het is ontstaan, ten belope van maximaal 10 procent van de winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen (ebitda) van de belastingplichtige dan wel tot een bedrag van maximaal 1 000 000 EUR, naargelang welk van beide het hoogste is.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 – alinea 2
Voor de toepassing van dit artikel geldt dat indien een belastingplichtige namens een groep mag of moet handelen, zoals omschreven in de voorschriften van een nationaal systeem voor de belasting van groepen, de volledige groep als een belastingplichtige wordt aangemerkt. Onder deze omstandigheden worden het financieringskostensurplus en de ebitda berekend voor de gehele groep. Het bedrag van 3 000 000 EUR geldt ook voor de gehele groep.
Voor de toepassing van dit artikel geldt dat indien een belastingplichtige namens een groep mag of moet handelen, zoals omschreven in de voorschriften van een nationaal systeem voor de belasting van groepen, de volledige groep als een belastingplichtige wordt aangemerkt. Onder deze omstandigheden worden het financieringskostensurplus en de ebitda berekend voor de gehele groep. Het bedrag van 1 000 000 EUR geldt ook voor de gehele groep.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 6
6.  Een financieringskostensurplus dat in een bepaald belastingjaar niet kan worden afgetrokken, wordt voorwaarts verrekend zonder beperking in de tijd.
6.  Een financieringskostensurplus dat in een bepaald belastingjaar niet kan worden afgetrokken, wordt voorwaarts verrekend gedurende een periode van vijf jaar.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 bis (nieuw)
Artikel 14 bis
Specifieke vrijstellingen
Via een reserve ingehouden winsten van coöperatieve ondernemingen en consortia, zowel tijdens de lopende activiteiten van het bedrijf als na het verstrijken ervan, evenals door coöperatieve ondernemingen en consortia aan hun eigen leden verleende voordelen, zijn aftrekbaar wanneer deze aftrekbaarheid is toegestaan in de nationale belastingwetgeving.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 29
Artikel 29
Artikel 29
Exitheffingen
Exitheffingen
1.   Een bedrag dat gelijk is aan de marktwaarde van overgebrachte activa, op het tijdstip van overbrenging van de activa, minus hun fiscale boekwaarde, wordt behandeld als genoten inkomsten in elk van de volgende gevallen:
Voor de toepassing van deze richtlijn is de regeling betreffende exitheffingen van Richtlijn (EU) 2016/1164 van toepassing.
(a)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn hoofdkantoor naar zijn vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land;
(b)  een belastingplichtige brengt activa over van zijn vaste inrichting in een lidstaat naar zijn hoofdkantoor of een andere vaste inrichting in een andere lidstaat of in een derde land, voor zover de lidstaat van de vaste inrichting vanwege de overbrenging niet langer het recht heeft de overgebrachte activa in de heffing te betrekken;
(c)  een belastingplichtige brengt zijn fiscale woonplaats over naar een andere lidstaat of naar een derde land, behalve voor de activa die daadwerkelijk verbonden blijven met een vaste inrichting in de eerste lidstaat;
(d)  een belastingplichtige brengt het bedrijf van zijn vaste inrichting over van een lidstaat naar een andere lidstaat of naar een derde land, voor zover de lidstaat van de vaste inrichting vanwege de overbrenging niet langer het recht heeft de overgebrachte activa in de heffing te betrekken.
2.  De lidstaat naar welke de activa, de fiscale woonplaats of het bedrijf van een vaste inrichting worden verplaatst, aanvaardt de waarde die door de lidstaat van de belastingplichtige of van de vaste inrichting is vastgesteld, als beginwaarde van deze activa voor belastingdoeleinden.
3.  Dit artikel is niet van toepassing op de overbrenging van activa met het oog op effectenfinanciering, zekerheidstelling, naleving van prudentiële kapitaalvereisten of liquiditeitsbeheer, als het de bedoeling is dat deze activa binnen een periode van twaalf maanden terugkeren naar de lidstaat van de overbrenger.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 41 – lid 1
1.  Door een ingezeten belastingplichtige of een vaste inrichting van een niet-ingezeten belastingplichtige in een belastingjaar geleden verliezen kunnen worden overgedragen naar en in aftrek worden gebracht in daaropvolgende belastingjaren, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.
1.  Door een ingezeten belastingplichtige of een vaste inrichting van een niet-ingezeten belastingplichtige in een belastingjaar geleden verliezen kunnen worden overgedragen naar en in aftrek worden gebracht in daaropvolgende belastingjaren gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 42
Artikel 42
Schrappen
Verminderen en inhalen van verliezen
1.  Een ingezetene belastingplichtige die nog steeds winstgevend is na aftrek van zijn eigen verliezen overeenkomstig artikel 41, mag daarnaast verliezen in aftrek brengen die in datzelfde belastingjaar zijn geleden door zijn directe kwalificerende dochterondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, of door (een) vaste inrichting(en) gelegen in andere lidstaten. Deze vermindering voor verliezen wordt toegekend voor een beperkte periode overeenkomstig de leden 3 en 4 van dit artikel.
2.  De aftrek is naar rato van de deelneming die de ingezeten belastingplichtige houdt in zijn kwalificerende dochterondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, dan wel voor het volledige bedrag ten aanzien van vaste inrichtingen. In geen geval mag de vermindering van de heffingsgrondslag van de ingezeten belastingplichtige tot een negatief bedrag leiden.
3.  De ingezeten belastingplichtige telt alle latere winsten van zijn kwalificerende dochterondernemingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, of van zijn vaste inrichtingen, bij zijn heffingsgrondslag op tot het bedrag dat eerder als verlies in aftrek werd gebracht.
4.  Overeenkomstig de leden 1 en 2 afgetrokken verliezen worden automatisch opnieuw in de heffingsgrondslag van de ingezeten belastingplichtige opgenomen in elk van de volgende gevallen:
(a)  aan het einde van het vijfde belastingjaar nadat de verliezen aftrekbaar zijn geworden, is er nog geen winst in de heffingsgrondslag opgenomen, of de opgenomen winsten zijn lager dan het totale bedrag aan afgetrokken verliezen;
(b)  de kwalificerende dochteronderneming zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, is verkocht, geliquideerd, of omgevormd tot een vaste inrichting;
(c)  de vaste inrichting is verkocht, geliquideerd of omgevormd tot een dochteronderneming;
(d)  de moedermaatschappij voldoet niet langer aan de vereisten van artikel 3, lid 1.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 45 bis (nieuw)
Artikel 45 bis
Effectieve belastingbijdrage
Zolang de in artikel 2, lid 1, onder c), vastgelegde drempel van kracht blijft, monitoren de lidstaten de effectieve belastingbijdrage van kleine en middelgrote ondernemingen en multinationale ondernemingen in alle lidstaten en maken ze deze bekend, zodat de lidstaten gelijke mededingingsvoorwaarden kunnen waarborgen voor gelijkaardige bedrijven binnen de Unie en de administratieve lasten en kosten voor kleine en middelgrote ondernemingen kunnen reduceren.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 53 – lid 1 – alinea 1
In afwijking van artikel 8, onder c) en d), is een belastingplichtige niet vrijgesteld van belasting ter zake van buitenlandse inkomsten die hij heeft ontvangen als winstuitkering van een entiteit in een derde land of als opbrengst uit de vervreemding van aandelen in een entiteit in een derde land wanneer die entiteit in het land waar zij haar fiscale woonplaats heeft, onderworpen is aan een wettelijk vennootschapsbelastingtarief dat minder dan de helft bedraagt van het wettelijke belastingtarief waaraan de belastingplichtige in verband met deze buitenlandse inkomsten onderworpen zou zijn geweest in de lidstaat waar hij zijn fiscale woonplaats heeft.
In afwijking van artikel 8, onder c) en d), is een belastingplichtige niet vrijgesteld van belasting ter zake van buitenlandse inkomsten die niet voortkomen uit actieve bedrijfsvoering en die hij heeft ontvangen als winstuitkering van een entiteit in een derde land of als opbrengst uit de vervreemding van aandelen in een entiteit in een derde land wanneer die entiteit in het land waar zij haar fiscale woonplaats heeft, onderworpen is aan een wettelijk vennootschapsbelastingtarief van minder dan 15 % in verband met deze buitenlandse inkomsten in de lidstaat waar hij zijn fiscale woonplaats heeft.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 53 – lid 2
2.  Wanneer lid 1 van toepassing is, wordt de belastingplichtige aan de belasting onderworpen ter zake van de buitenlandse inkomsten, waarbij de in het derde land betaalde belasting wordt afgetrokken van zijn belastingschuld in de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is. De aftrek is niet hoger dan het bedrag aan belastingen, zoals berekend vóór de aftrek, dat toerekenbaar is aan de belastbare inkomsten.
2.  Wanneer lid 1 van toepassing is, wordt de belastingplichtige aan de belasting onderworpen ter zake van de buitenlandse inkomsten, waarbij de in het derde land betaalde belasting wordt afgetrokken van zijn belastingschuld in de lidstaat waarvan hij fiscaal inwoner is. De aftrek is niet hoger dan het bedrag aan belastingen, zoals berekend vóór de aftrek, dat toerekenbaar is aan de belastbare inkomsten. Om de aftrek te genieten, moet de belastingplichtige zijn belastingautoriteiten bewijzen dat de buitenlandse inkomsten afkomstig zijn van actieve bedrijfsvoering, wat hij kan doen door middel van een hiertoe verstrekt attest van de buitenlandse belastingautoriteiten.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 58
Artikel 58
Artikel 58
Algemene antimisbruikregel
Algemene antimisbruikregel
1.   Voor de berekening van de heffingsgrondslag krachtens de bij deze richtlijn ingestelde regeling, laten de lidstaten een constructie of een reeks van constructies buiten beschouwing die is opgezet met als hoofddoel een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is. Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan.
Voor de toepassing van deze richtlijn is de algemene antimisbruikregel van Richtlijn (EU) 2016/1164 van toepassing.
2.  Voor de toepassing van lid 1 wordt een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
3.  Een constructie of een reeks van constructies die overeenkomstig lid 1 buiten beschouwing wordt gelaten, wordt voor de berekening van de heffingsgrondslag behandeld op basis van haar economische substance.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
Een entiteit, of een vaste inrichting waarvan de winst niet aan belasting is onderworpen of van belasting is vrijgesteld in de lidstaat van haar hoofdkantoor, wordt behandeld als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
De lidstaat van een belastingplichtige behandelt een entiteit of een vaste inrichting waarvan de winst in die lidstaat niet aan belasting is onderworpen of van belasting is vrijgesteld, als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 1 – alinea 1 – letter b
(b)  de vennootschapsbelasting die de entiteit of vaste inrichting daadwerkelijk op haar winst heeft betaald, is lager dan het verschil tussen de vennootschapsbelasting die op de winst van de entiteit of de vaste inrichting zou zijn geheven krachtens de bij deze richtlijn ingestelde regeling en de vennootschapsbelasting die de entiteit of vaste inrichting daadwerkelijk op die winst heeft betaald.
(b)  de winst van de entiteit is onderworpen aan een vennootschapsbelastingtarief dat lager is dan 15 %; dit tarief wordt geëvalueerd op basis van de winst vóór de berekeningen die deze landen uitvoeren om de belastbare grondslag te verlagen; dit tarief wordt jaarlijks herzien in het licht van de economische ontwikkelingen in de wereldhandel.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 1 – alinea 2
Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea wordt bij de berekening van de vennootschapsbelasting die volgens de bij deze richtlijn ingestelde regeling op de winst van de entiteit zou zijn geheven in de lidstaat van de belastingplichtige, geen rekening gehouden met de inkomsten van een vaste inrichting van de entiteit die niet aan belasting is onderworpen of van belasting is vrijgesteld in het rechtsgebied van de gecontroleerde buitenlandse vennootschap.
Schrappen
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 2
2.  Wanneer een entiteit of vaste inrichting overeenkomstig lid 1 als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap wordt behandeld, zijn niet-uitgekeerde inkomsten van de entiteit of vaste inrichting aan belasting onderworpen voor zover zij worden verkregen uit de volgende categorieën:
2.  Wanneer een entiteit of een vaste inrichting als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap wordt behandeld overeenkomstig lid 1, neemt de lidstaat van de belastingplichtige het volgende op in de belastinggrondslag:
(a)  de niet-uitgekeerde winst van de entiteit of de winst van de vaste inrichting, afkomstig uit de volgende categorieën:
(a)   rente of andere inkomsten die worden gegenereerd door financiële activa;
(i)   rente of andere inkomsten die worden gegenereerd door financiële activa;
(b)   royalty's of andere inkomsten die worden gegenereerd door intellectuele eigendom;
(ii)   royalty's of andere inkomsten die worden gegenereerd door intellectuele eigendom;
(c)   dividenden en inkomsten uit de vervreemding van aandelen;
(iii)   dividenden en inkomsten uit de vervreemding van aandelen;
(d)   inkomsten uit financiële leasing;
(iv)   inkomsten uit financiële leasing;
(e)   inkomsten uit verzekerings-, bank- en andere financiële activiteiten;
(v)   inkomsten uit verzekerings-, bank- en andere financiële activiteiten;
(f)   inkomsten uit factureringsvennootschappen die hun inkomsten behalen met de aan- en verkoop van goederen en diensten van en aan gelieerde ondernemingen, en weinig of geen economische waarde toevoegen.
(vi)   inkomsten uit factureringsvennootschappen die hun verkoop- en diensteninkomsten halen uit goederen en diensten, gekocht van en verkocht aan gelieerde ondernemingen, en weinig of geen economische waarde toevoegen.
De eerste alinea is niet van toepassing op een gecontroleerde buitenlandse vennootschap die inwoner is van of gelegen is in een lidstaat of in een derde land dat partij is bij de EER-Overeenkomst, wanneer de gecontroleerde buitenlandse vennootschap is opgericht op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Voor de toepassing van dit artikel is de activiteit van de gecontroleerde buitenlandse vennootschap een weerspiegeling van de economische realiteit voor zover deze activiteit wordt ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen in een mate die passend is voor de omvang ervan.
Dit punt is niet van toepassing wanneer de gecontroleerde buitenlandse vennootschap een wezenlijke economische activiteit, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen, uitoefent zoals blijkt uit de relevante feiten en omstandigheden. Wanneer de gecontroleerde buitenlandse vennootschap inwoner is van of gelegen is in een derde land dat geen partij is bij de EER-Overeenkomst, kunnen de lidstaten besluiten af te zien van de toepassing van de voorgaande alinea, of
(b)  de niet-uitgekeerde inkomsten van de entiteit of vaste inrichting die voortkomen uit kunstmatige constructies die zijn opgezet met als wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen.
Voor de toepassing van dit punt wordt een constructie of een reeks constructies als kunstmatig aangemerkt voor zover de entiteit of vaste inrichting geen eigenaar van de activa zou zijn, of niet de risico's zou hebben genomen die al haar inkomsten, of een deel ervan, genereren indien zij niet onder de zeggenschap stond van een vennootschap waar de voor die activa en risico's relevante sleutelfuncties worden verricht, welke een essentiële rol vervullen bij het genereren van de inkomsten van de gecontroleerde vennootschap.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 3 – alinea 1
Een entiteit of vaste inrichting wordt niet behandeld als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in lid 1 wanneer niet meer dan een derde van de inkomsten die opkomen in de entiteit of vaste inrichting, onder de categorieën a) tot en met f) van lid 2 valt.
Wanneer, volgens de regels van een lidstaat, de belastinggrondslag van een belastingplichtige wordt berekend overeenkomstig lid 2, onder a), kan die lidstaat ervoor kiezen een entiteit of vaste inrichting niet als gecontroleerde buitenlandse vennootschap te behandelen op grond van lid 1, indien een derde of minder van de aan de entiteit of de vaste inrichting toevallende inkomsten onder de categorieën van lid 2, onder a), valt.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 3 – alinea 2
Financiële ondernemingen worden niet behandeld als een gecontroleerde buitenlandse vennootschap overeenkomstig lid 1 wanneer niet meer dan een derde van de in de entiteit of vaste inrichting opgekomen winsten uit de categorieën a) tot en met f) van lid 2 voortkomen uit transacties met de belastingplichtige of zijn gelieerde ondernemingen.
Wanneer, volgens de regels van een lidstaat, de belastinggrondslag van een belastingplichtige wordt berekend overeenkomstig lid 2, onder a), kan die lidstaat ervoor kiezen financiële ondernemingen niet als gecontroleerde buitenlandse vennootschappen te behandelen, indien een derde of minder van de inkomsten van de entiteit uit de categorieën van lid 2, onder a), voortkomt uit transacties met de belastingplichtige of zijn gelieerde ondernemingen.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 59 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De lidstaten kunnen van het toepassingsgebied van lid 2, onder b), uitsluiten: een entiteit of vaste inrichting
(a)  met een boekhoudkundige winst van ten hoogste 750 000 EUR, en inkomsten uit andere activiteiten dan handel van ten hoogste 75 000 EUR; of
(b)  waarvan de boekhoudkundige winst ten hoogste 10 procent van de exploitatiekosten voor het belastingtijdvak bedraagt.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), mogen de exploitatiekosten niet de kosten omvatten van goederen die worden verkocht buiten het land waarvan de entiteit inwoner is, of waar de vaste inrichting is gelegen, voor belastingdoeleinden, noch betalingen aan gelieerde ondernemingen.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 61
Artikel 61
Artikel 61
Hybride mismatch
Hybride mismatch
Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten leidt tot een dubbele aftrek van dezelfde betaling, kosten of verliezen, wordt de aftrek uitsluitend toegekend in de lidstaat waar een dergelijke betaling haar oorsprong vindt, de kosten zijn gemaakt of de verliezen zijn geleden.
Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de bepalingen van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/1164 betreffende hybride mismatches van toepassing.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een derde land betrokken is, leidt tot een dubbele aftrek van dezelfde betaling, kosten of verliezen, weigert de betrokken lidstaat de aftrek van dergelijke betalingen, kosten of verliezen, tenzij het derde land dat reeds heeft gedaan.
Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten resulteert in een aftrek zonder betrekking in de heffing, weigert de lidstaat van de betaler de aftrek van die betaling.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een derde land betrokken is, leidt tot een aftrek zonder betrekking in de heffing:
(a)  indien de betaling haar oorsprong vindt in een lidstaat, weigert die lidstaat de aftrek, of
(b)  indien de betaling haar oorsprong vindt in een derde land, vereist de betrokken lidstaat dat de belastingplichtige die betaling in de heffingsgrondslag begrijpt, tenzij het derde land de aftrek reeds heeft geweigerd of heeft bepaald dat de betaling in de grondslag moet worden begrepen.
Voor zover een hybride mismatch tussen lidstaten waarbij een vaste inrichting betrokken is, ertoe leidt dat belasting achterwege blijft zonder dat er sprake is van betrekking in de heffing, vereist de lidstaat waarvan de belastingplichtige fiscaal inwoner is, dat de belastingplichtige de aan de vaste inrichting toegerekende inkomsten in de heffingsgrondslag begrijpt.
Voor zover een hybride mismatch waarbij een vaste inrichting gelegen in een derde land betrokken is, ertoe leidt dat belasting achterwege blijft zonder dat er sprake is van betrekking in de heffing, vereist de betrokken lidstaat dat de belastingplichtige de aan de vaste inrichting in het derde land toegerekende inkomsten in de heffingsgrondslag begrijpt.
4.  Voor zover een betaling van een belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land direct of indirect wordt afgezet tegen een betaling, kosten of verliezen die ingevolge een hybride mismatch aftrekbaar zijn in twee verschillende rechtsgebieden buiten de Unie, staat de lidstaat van de belastingplichtige niet toe dat de betaling door de belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land van de heffingsgrondslag wordt afgetrokken, tenzij een van de betrokken derde landen de aftrek van de betaling, kosten of verliezen die in twee verschillende rechtsgebieden aftrekbaar zouden zijn, reeds heeft geweigerd.
5.  Voor zover de overeenkomstige opname in de heffingsgrondslag van een aftrekbare betaling door een belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land direct of indirect wordt afgezet tegen een betaling die, ingevolge een hybride mismatch, door de ontvanger niet in zijn heffingsgrondslag wordt begrepen, staat de lidstaat van de belastingplichtige niet toe dat de betaling door de belastingplichtige aan een gelieerde onderneming in een derde land van de heffingsgrondslag wordt afgetrokken, tenzij een van de betrokken derde landen de aftrek van de niet in de grondslag begrepen betaling reeds heeft geweigerd.
6.  Voor zover een hybride mismatch leidt tot een vermindering van de bronbelasting op een betaling die is verkregen uit een overgedragen financieel instrument, aan meer dan een van de betrokken partijen, beperkt de lidstaat van de belastingplichtige het voordeel van die vermindering naar evenredigheid van de netto belastbare inkomsten ter zake van die betaling.
7.  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "betaler" verstaan de entiteit of vaste inrichting waar de betaling haar oorsprong vindt, de kosten zijn gemaakt of de verliezen zijn geleden.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 61 bis – titel
Mismatches ingevolge fiscaal inwonerschap
Mismatches door een omgekeerde hybride
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 61 bis – alinea 1
Voor zover een betaling, kosten of verliezen van een belastingplichtige die fiscaal inwoner is van zowel een lidstaat als een derde land, overeenkomstig de wetten van die lidstaat en dat derde land in beide rechtsgebieden van de heffingsgrondslag aftrekbaar zijn en die betaling, kosten of verliezen in de lidstaat van de belastingplichtige kunnen worden afgezet tegen belastbare inkomsten die in het derde land niet in de heffingsgrondslag zijn begrepen, weigert de lidstaat van de belastingplichtige de aftrek van de betaling, kosten of verliezen, tenzij het derde land dit reeds heeft gedaan.
Voor de toepassing van deze richtlijn behandelen de lidstaten mismatches door een omgekeerde hybride overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 bis van Richtlijn (EU) 2016/1164.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 65 bis (nieuw)
Artikel 65 bis
Europees fiscaal identificatienummer
De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2018 een wetgevingsvoorstel in voor een geharmoniseerd, gemeenschappelijk Europees fiscaal identificatienummer, teneinde de automatische uitwisseling van belastinginformatie binnen de Unie efficiënter en betrouwbaarder te maken.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 65 ter (nieuw)
Artikel 65 ter
Verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied
Om volledige transparantie en de correcte toepassing van deze richtlijn te garanderen, is de uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied verplicht en automatisch, zoals bepaald bij Richtlijn 2011/16/EU van de Raad1 bis.
De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale belastingdiensten beschikken over voldoende personeel, expertise en financiële middelen, alsook over middelen voor de opleiding van medewerkers van de belastingdienst waarbij de nadruk moet liggen op grensoverschrijdende samenwerking op belastinggebied, alsook op het gebied van automatische uitwisseling van inlichtingen, teneinde de volledige tenuitvoerlegging van deze richtlijn te waarborgen.
____________
1 bis Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 66 – lid 2
2.  De bevoegdheid tot vaststelling van de in de artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 11, lid 6, artikel 32, lid 5, en artikel 40 bedoelde gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
2.  De bevoegdheid tot vaststelling van de in artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 5, lid 2 bis, artikel 32, lid 5, en artikel 40 bedoelde gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 66 – lid 3
3.  De in artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 11, lid 6, artikel 32, lid 5, en artikel 40 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  De in artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 5, lid 2 bis, artikel 32, lid 5, en artikel 40 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 66 – lid 5
5.  Een overeenkomstig artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 11, lid 6, artikel 32, lid 5, en artikel 40 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. De termijn wordt op initiatief van de Raad met [twee maanden] verlengd.
5.  Een overeenkomstig artikel 2, lid 5, artikel 4, lid 5, artikel 5, lid 2 bis, artikel 32, lid 5, en artikel 40 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien de Raad daartegen binnen een termijn van [twee maanden] na de kennisgeving van de handeling aan de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat hij daartegen geen bezwaar zal maken. De termijn wordt op initiatief van de Raad met [twee maanden] verlengd.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 66 bis (nieuw)
Artikel 66 bis
Maatregelen om misbruik van belastingverdragen te voorkomen
De lidstaten passen hun bilaterale belastingverdragen overeenkomstig deze richtlijn aan om ervoor te zorgen dat die verdragen al het volgende bevatten:
(a)  een clausule om te waarborgen dat beide partijen bij het verdrag zich ertoe verbinden maatregelen vast te stellen waardoor belasting wordt betaald op de plaats waar de economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt gegenereerd;
(b)  een addendum om toe te lichten dat bilaterale verdragen naast voorkoming van dubbele belastingheffing tevens de bestrijding van belastingontduiking en agressieve fiscale planning beogen;
(c)  een clausule voor een algemene antimisbruikregel op basis van een toetsing van de hoofddoelstelling (principal purpose test).
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 68 bis (nieuw)
Artikel 68 bis
Toezicht
De Commissie ziet toe op de uniforme uitvoering van deze richtlijn en publiceert haar bevindingen hierover om te waarborgen dat de lidstaten de erin vermelde maatregelen op dezelfde manier interpreteren.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 69
Artikel 69
Artikel 69
Evaluatie
Uitvoeringsverslag en evaluatie
Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing ervan en brengt zij verslag uit bij de Raad over de werking ervan.
Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn beoordeelt de Commissie de werking ervan.
Niettegenstaande de eerste alinea onderzoekt de Commissie drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn de werking van artikel 11 om na te gaan of een herdefinitie en herijking van de AGI noodzakelijk is. De Commissie verricht een grondige analyse van de wijze waarop de AGI bedrijven die voor de toepassing van de bij deze richtlijn ingestelde regeling kunnen kiezen, kan stimuleren om hun activiteiten met eigen vermogen te financieren.
De Commissie deelt haar bevindingen mee in een uitvoeringsverslag aan het Europees Parlement en de Raad. Het verslag bevat een analyse van alle onderstaande elementen:
(a)   de gevolgen van de regeling voor de belastinginkomsten van de lidstaten;
(b)  de voor- en nadelen van de regeling voor kleine en middelgrote ondernemingen;
(c)   de gevolgen voor een billijke belastinginning tussen de lidstaten;
(d)   de gevolgen voor de interne markt als geheel, met specifieke aandacht voor de mogelijke verstoring van de mededinging tussen ondernemingen die onder de nieuwe voorschriften van deze richtlijn vallen;
(e)   het aantal ondernemingen dat in de overgangsperiode binnen het toepassingsgebied valt.
Tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn verricht de Commissie een evaluatie van de toepassing ervan en brengt zij verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad over de werking ervan.
De Commissie deelt haar bevindingen mee aan de lidstaten zodat er rekening mee kan worden gehouden bij de opzet en de implementatie van nationale vennootschapsbelastingstelsels.
De Commissie deelt haar bevindingen in een verslag mee aan het Europees Parlement en de lidstaten zodat er rekening mee kan worden gehouden bij de opzet en de implementatie van nationale vennootschapsbelastingstelsels. Dit verslag gaat indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze richtlijn.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 70 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2018 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2019 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 70 – lid 1 – alinea 2
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2019.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2020.
Laatst bijgewerkt op: 6 november 2018Juridische mededeling