Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 17 januari 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel, de technische bijstand en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik ***I
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer – Eva Lindström
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer – Tony James Murphy
 Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ***I
 Energie-efficiëntie ***I
 Governance van de energie-unie ***I

Controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel, de technische bijstand en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik ***I
PDF 469kWORD 81k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 januari 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een EU-regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel, de technische bijstand en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (herschikking) (COM(2016)0616 – C8-0393/2016 – 2016/0295(COD))(1)
P8_TA(2018)0006A8-0390/2017

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Ter naleving van de internationale verplichtingen en verantwoordelijkheden van de lidstaten en van de Unie, met name wat non-proliferatie betreft, is een doeltreffend gemeenschappelijk controlesysteem voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik derhalve noodzakelijk.
(3)  Ter naleving van de internationale verplichtingen en verantwoordelijkheden van de lidstaten en van de Unie, met name wat non-proliferatie en mensenrechten betreft, is een doeltreffend gemeenschappelijk controlesysteem voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik derhalve noodzakelijk.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)   Gezien het ontstaan van nieuwe categorieën van producten voor tweeërlei gebruik, en in reactie op de oproep van het Europees Parlement en op aanwijzingen dat bepaalde technologieën voor cybertoezicht die vanuit de Unie zijn uitgevoerd, misbruikt zijn door personen die medeplichtig zijn aan of verantwoordelijk zijn voor de aansturing of uitvoering van ernstige schendingen van de mensenrechten of het internationaal humanitair recht in gewapende conflicten of bij binnenlandse repressie, is het ter bescherming van de openbare veiligheid en de openbare moraal passend controle op de uitvoer van dergelijke technologieën uit te oefenen. Deze maatregelen moeten evenredig blijven. Zij mogen met name de uitvoer van informatie- en communicatietechnologie voor legitieme doeleinden, waaronder rechtshandhaving en onderzoek inzake internetbeveiliging, niet verhinderen. De Commissie zal in nauw overleg met de lidstaten en belanghebbenden richtsnoeren ontwikkelen om de praktische toepassingen van de gerichte vangnetcontroles te ondersteunen.
(5)   Bepaalde producten voor cybertoezicht zijn een nieuwe categorie van producten voor tweeërlei gebruik gaan vormen die worden gebruikt voor rechtstreekse inmenging in de mensenrechten, waaronder het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het recht op gegevensbescherming, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering, doordat gegevens gecontroleerd of onttrokken worden zonder dat de eigenaar van de gegevens daartoe specifiek, met kennis van zaken en ondubbelzinnig toestemming heeft gegeven en/of doordat het geviseerde systeem onklaar gemaakt of beschadigd wordt. In reactie op de oproep van het Europees Parlement en vanwege het feit dat er bewijs is dat bepaalde producten voor cybertoezicht misbruikt worden door personen die medeplichtig zijn aan of verantwoordelijk zijn voor de aansturing of uitvoering van schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten of het internationaal humanitair recht in landen waar dergelijke schendingen zijn vastgesteld, is het passend controle op de uitvoer van dergelijke producten uit te oefenen. Dergelijke controles moeten gebaseerd zijn op duidelijk omschreven criteria. Maatregelen in dit kader moeten evenredig zijn en mogen niet verder gaan dan nodig is. Zij mogen met name niet in de weg staan aan de uitvoer van informatie- en communicatietechnologie die gebruikt wordt voor rechtmatige doeleinden, zoals rechtshandhaving en onderzoek inzake netwerk- en internetbeveiliging met het oog op het officieel testen of het beschermen van informatiebeveiligingssystemen. De Commissie moet, zodra deze verordening in werking treedt, in nauw overleg met de lidstaten en belanghebbenden richtsnoeren ter beschikking stellen ter ondersteuning van de praktische toepassingen van deze controles. Ernstige schendingen van de mensenrechten hebben betrekking op situaties zoals beschreven in hoofdstuk 2, deel 2, punt 2.6 van de Gids voor de gebruiker bij Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad1 bis, zoals bekrachtigd door de Raad Buitenlandse Zaken op 20 juli 2015.
_______________________
1 bisGemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99).
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)   Daarom is het ook passend de definitie van producten voor tweeërlei gebruik te herzien en het begrip technologie voor cybertoezicht te definiëren. Bovendien moet worden verduidelijkt dat de beoordelingscriteria voor de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik overwegingen omvatten met betrekking tot het mogelijke misbruik daarvan bij terroristische daden of schendingen van de mensenrechten.
(6)   Daarom is het ook passend het begrip producten voor cybertoezicht te definiëren. Bovendien moet worden verduidelijkt dat de beoordelingscriteria voor de controle op de uitvoer van producten voor cybertoezicht rekening houden met de directe en indirecte gevolgen van deze producten voor de mensenrechten, zoals bedoeld in de Gids voor de gebruiker bij Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad. Er moet een technische werkgroep worden ingesteld voor de ontwikkeling van de beoordelingscriteria, in samenwerking met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Groep rechten van de mens van de Raad (Cohom). Voorts moet binnen die technische werkgroep een onafhankelijke groep van deskundigen worden ingesteld. De beoordelingscriteria moeten openbaar en gemakkelijk toegankelijk zijn.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Met het oog op de definiëring van technologie voor cybertoezicht moeten de door deze verordening bestreken producten uitrusting voor het onderscheppen van telecommunicatie omvatten, alsmede inbraakprogrammatuur, monitoringscentra, wettelijke interceptiesystemen en aan dergelijke interceptiesystemen gekoppelde systemen voor de bewaring van gegevens, apparatuur voor de ontcijfering van versleuteling, het herstellen van harde schijven, het omzeilen van wachtwoorden en de analyse van biometrische gegevens, alsook surveillancesystemen voor IP-netwerken.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  Wat betreft de criteria voor het beoordelen van de mensenrechtenaspecten moet verwezen worden naar de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 23 maart 2017 over het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten tot uitvoering van het kader "protect, respect and remedy", het rapport van de speciale rapporteur voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van 24 maart 2017, het rapport van de speciale rapporteur voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten bij de bestrijding van terrorisme van 21 februari 2017 en het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens in de zaak Zacharov/Rusland van 4 december 2015;
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad1 bis (algemene verordening gegevensbescherming) verplicht verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers om technische maatregelen te treffen om een op het verwerkingsrisico afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen, onder meer door middel van versleuteling van persoonsgegevens. Aangezien die verordening bepaalt dat zij van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens ongeacht of de verwerking in de Unie plaatsvindt, is er voor de Unie een sterke prikkel om versleutelingsproducten van de controlelijst te verwijderen teneinde de toepassing van de algemene verordening gegevensbescherming te vergemakkelijken en de concurrentiekracht van de Europese ondernemingen in dit verband te versterken. Daarnaast valt tegen het huidige niveau van controle op het gebied van versleuteling aan te voeren dat versleuteling een belangrijk middel is om ervoor te zorgen dat burgers, ondernemingen en overheden hun gegevens kunnen beschermen tegen misdadigers en andere actoren met kwaadwillige bedoelingen; om de toegang te waarborgen tot diensten die van cruciaal belang zijn voor de werking van de digitale eengemaakte markt; en om veilige communicatie mogelijk te maken die nodig is ter bescherming van het recht op privacy, het recht op gegevensbescherming en de vrijheid van meningsuiting, met name voor mensenrechtenverdedigers.
_______________________
1 bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)   De reikwijdte van de "vangnetcontroles" die in bepaalde omstandigheden op niet in de lijst opgenomen producten voor tweeërlei gebruik van toepassing zijn, moet worden verduidelijkt en geharmoniseerd en deze controles moeten het risico van terrorisme en schendingen van mensenrechten aanpakken. Passende uitwisseling van informatie en overleg over de "vangnetcontroles" moeten de doeltreffende en consequente toepassing van de controles in de hele Unie waarborgen. Gerichte vangnetcontroles moeten onder bepaalde omstandigheden ook van toepassing zijn op de uitvoer van technologie voor cybertoezicht.
(9)   De reikwijdte van de "vangnetcontroles" die in bepaalde omstandigheden op niet in de lijst opgenomen producten voor cybertoezicht van toepassing zijn, moet worden verduidelijkt en geharmoniseerd. Passende uitwisseling van informatie en overleg over de "vangnetcontroles" moeten de doeltreffende en consequente toepassing van de controles in de hele Unie waarborgen. Met het oog op de uitwisseling van informatie moet de ontwikkeling van een openbaar platform gesteund worden en moet informatie worden verzameld van de particuliere sector, overheidsinstanties en maatschappelijke organisaties.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  De definitie van tussenhandelaar moet worden herzien om te voorkomen dat personen die binnen de jurisdictie van de Unie vallen de controles op de verlening van tussenhandeldiensten omzeilen. De controles op de verlening van tussenhandeldiensten moeten worden geharmoniseerd om een doeltreffende en consequente toepassing in de hele Unie te waarborgen en zij moeten ook gelden ter voorkoming van daden van terrorisme en schendingen van de mensenrechten.
(10)  De definitie van tussenhandelaar moet worden herzien om te voorkomen dat personen die binnen de jurisdictie van de Unie vallen de controles op de verlening van tussenhandeldiensten omzeilen. De controles op de verlening van tussenhandeldiensten moeten worden geharmoniseerd om een doeltreffende en consequente toepassing in de hele Unie te waarborgen en zij moeten ook gelden ter voorkoming van schendingen van de mensenrechten.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is verduidelijkt dat de verlening van technischebijstandsdiensten waarbij grensoverschrijdend verkeer plaatsvindt, onder de bevoegdheid van de Unie valt. Het is derhalve passend de controles die van toepassing zijn op technischebijstandsdiensten te verduidelijken en deze diensten te definiëren. Met het oog op doeltreffendheid en samenhang moeten de controles op de verlening van technischebijstandsdiensten worden geharmoniseerd en moeten zij ook gelden ter voorkoming van daden van terrorisme en schendingen van de mensenrechten.
(11)  Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is verduidelijkt dat de verlening van technischebijstandsdiensten waarbij grensoverschrijdend verkeer plaatsvindt, onder de bevoegdheid van de Unie valt. Het is derhalve passend de controles die van toepassing zijn op technischebijstandsdiensten te verduidelijken en deze diensten te definiëren. Met het oog op doeltreffendheid en samenhang moeten de controles voorafgaand aan de verlening van technischebijstandsdiensten worden geharmoniseerd en moeten zij ook gelden ter voorkoming van schendingen van de mensenrechten.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Verordening (EG) nr. 428/2009 creëert voor de autoriteiten van de lidstaten een mogelijkheid om op ad-hocbasis de doorvoer van niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik te verbieden, indien zij op grond van inlichtingen of op basis van informatie uit andere bronnen redenen hebben om te vermoeden dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor de verspreiding van massavernietigingswapens of hun overbrengingsmiddelen. Met het oog op doeltreffendheid en samenhang moeten de doorvoercontroles worden geharmoniseerd en moeten zij ook gelden ter voorkoming van daden van terrorisme en schendingen van de mensenrechten.
(12)  Verordening (EG) nr. 428/2009 creëert voor de autoriteiten van de lidstaten een mogelijkheid om op ad-hocbasis de doorvoer van niet-Unieproducten voor tweeërlei gebruik te verbieden, indien zij op grond van inlichtingen of op basis van informatie uit andere bronnen redenen hebben om te vermoeden dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor de verspreiding van massavernietigingswapens of hun overbrengingsmiddelen. Met het oog op doeltreffendheid en samenhang moeten de doorvoercontroles worden geharmoniseerd en moeten zij ook gelden ter voorkoming van schendingen van de mensenrechten.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Hoewel de nationale autoriteiten de bevoegdheid hebben om te beslissen over individuele, globale en nationale uitvoervergunningen, is het voor een doeltreffende Unieregeling voor uitvoercontrole noodzakelijk dat economische actoren die van plan zijn om onder deze verordening vallende producten uit te voeren de nodige zorgvuldigheid in acht nemen, zoals bepaald in onder meer de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de aanbevelingen van de OESO voor verantwoord ondernemen en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)   Om bij te dragen tot een gelijk speelveld tussen de exporteurs en om de doeltreffende toepassing van de controles te verbeteren, moet een standaard nalevingsvereiste in de vorm van "interne nalevingsprogramma's" worden ingevoerd. Om redenen van evenredigheid moet deze vereiste worden toegepast op specifieke controlemodaliteiten in de vorm van globale vergunningen en bepaalde algemene uitvoervergunningen.
(14)   Om bij te dragen tot een gelijk speelveld tussen de exporteurs en om een doeltreffende toepassing van de controles te bevorderen moeten "interne nalevingsprogramma's" worden ingevoerd, bestaande uit een standaard nalevingsvereiste en een definitie en omschrijving daarvan, alsmede de mogelijkheid van certificering, zodat het mogelijk wordt om tijdens de vergunningsprocedure te profiteren van door de nationale bevoegde autoriteiten geboden stimulansen. Om redenen van evenredigheid moet deze vereiste worden toegepast op specifieke controlemodaliteiten in de vorm van globale vergunningen en bepaalde algemene uitvoervergunningen.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Er moeten bijkomende uniale algemene uitvoervergunningen worden ingevoerd om de administratieve lasten voor de ondernemingen en de autoriteiten te verminderen en toch een passend niveau van controle van de relevante producten naar de relevante bestemmingen te waarborgen. Voor grote projecten moet bovendien een globale vergunning worden ingevoerd waarmee de vergunningsvoorwaarden kunnen worden aangepast aan de specifieke behoeften van het bedrijfsleven.
(15)  Er moeten bijkomende uniale algemene uitvoervergunningen worden ingevoerd om de administratieve lasten voor ondernemingen, met name kmo's, en de autoriteiten te verminderen en toch een passend niveau van controle van de relevante producten naar de relevante bestemmingen te waarborgen. Voor grote projecten moet bovendien een globale vergunning worden ingevoerd waarmee de vergunningsvoorwaarden kunnen worden aangepast aan de specifieke behoeften van het bedrijfsleven.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Gezien de snelle technologische ontwikkelingen is het passend dat de Unie controles invoert op bepaalde technologieën voor cybertoezicht, op basis van een unilaterale lijst, in bijlage I, onderdeel B. Gezien het belang van het multilaterale uitvoercontrolesysteem is het passend dat het toepassingsgebied van bijlage I, onderdeel B, beperkt blijft tot technologieën voor cybertoezicht en geen overlappingen bevat met bijlage I, onderdeel A.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)   Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijst van aan uitvoercontrole onderworpen producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I, onderdeel A moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen en verbintenissen waarmee de lidstaten en de Unie als partij bij de desbetreffende internationale regimes inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van desbetreffende internationale verdragen hebben ingestemd. Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijst van aan uitvoercontrole onderworpen producten voor tweeërelei gebruik in bijlage I, onderdeel B, zoals technologie voor cybertoezicht, moeten worden genomen met inachtneming van de risico's die de uitvoer van dergelijke producten inhoudt met betrekking tot het zich schuldig maken aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het internationaal humanitair recht of de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten. Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijst van aan uitvoercontrole onderworpen producten voor tweeërelei gebruik in bijlage I, onderdeel B, moeten worden genomen met inachtneming van de openbare-orde- en openbareveiligheidsbelangen van de lidstaten overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijsten van producten en bestemmingen in bijlage II, onderdelen A tot en met J, moeten worden genomen met inachtneming van de in deze verordening neergelegde beoordelingscriteria.
(17)   Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijst van aan uitvoercontrole onderworpen producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I, onderdeel A moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen en verbintenissen waarmee de lidstaten en de Unie als partij bij de desbetreffende internationale regimes inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van desbetreffende internationale verdragen hebben ingestemd. Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijst van aan uitvoercontrole onderworpen producten voor cybertoezicht in bijlage I, onderdeel B moeten worden genomen met inachtneming van de risico's die de uitvoer van dergelijke producten inhoudt, gelet op het gebruik van die producten voor schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten of het internationaal humanitair recht in landen waar dergelijke schendingen, met name van de vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zijn vastgesteld, of gelet op de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten. Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijst van aan uitvoercontrole onderworpen producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I, onderdeel B, moeten worden genomen met inachtneming van de openbare-orde- en openbareveiligheidsbelangen van de lidstaten overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijsten van producten en bestemmingen in bijlage II, onderdelen A tot en met J, moeten worden genomen met inachtneming van de in deze verordening neergelegde beoordelingscriteria. Besluiten tot schrapping van subcategorieën met betrekking tot cryptografie en anonimisering, bijvoorbeeld in bijlage I, onderdeel A, categorie 5, of bijlage II, onderdeel I, moeten worden genomen met inachtneming van de aanbeveling van de OESO-raad van 27 maart 1997 houdende richtlijnen voor cryptografische beheersmaatregelen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)   Opdat de EU een snel antwoord zou kunnen bieden op gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de beoordeling van de gevoeligheid van uitvoer op grond van uniale algemene uitvoervergunningen en met betrekking tot technologische en commerciële ontwikkelingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van bijlage I, onderdeel A, bijlage II en bijlage IV, onderdeel B, bij deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(18)   Opdat de EU een snel antwoord zou kunnen bieden op gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de beoordeling van de gevoeligheid van uitvoer op grond van uniale algemene uitvoervergunningen en met betrekking tot technologische en commerciële ontwikkelingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van bijlage I, onderdelen A en B, bijlage II en bijlage IV, onderdeel B, bij deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)   Vanwege het gevaar van cyberdiefstal en wederuitvoer naar derde landen, als bedoeld in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, is het noodzakelijk de bepalingen betreffende producten voor tweeërlei gebruik te versterken.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Krachtens artikel 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en binnen de grenzen van dat artikel, behouden de lidstaten, in afwachting van een sterkere harmonisering, het recht controles te verrichten op de overdracht van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik binnen de Unie teneinde het overheidsbeleid en de openbare veiligheid te waarborgen. Om redenen van evenredigheid moeten de controles op de overdracht van producten voor tweeërlei gebruik binnen de Unie worden herzien om de lasten voor ondernemingen en autoriteiten zo klein mogelijk te houden. Bovendien moet de lijst van producten die onderworpen zijn aan de controles op de overdracht van producten binnen de Unie van bijlage IV, onderdeel B, regelmatig worden geëvalueerd in het licht van de technologische en commerciële ontwikkelingen en wat de beoordeling van de gevoeligheid van de overdrachten betreft.
(21)  Krachtens artikel 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en binnen de grenzen van dat artikel, behouden de lidstaten, in afwachting van een sterkere harmonisering, het recht controles te verrichten op de overdracht van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik binnen de Unie teneinde het overheidsbeleid en de openbare veiligheid te waarborgen. Om redenen van evenredigheid moeten de controles op de overdracht van producten voor tweeërlei gebruik binnen de Unie worden herzien om de lasten voor ondernemingen, met name kmo's, en autoriteiten zo klein mogelijk te houden. Bovendien moet de lijst van producten die onderworpen zijn aan de controles op de overdracht van producten binnen de Unie van bijlage IV, onderdeel B, regelmatig worden geëvalueerd in het licht van de technologische en commerciële ontwikkelingen en wat de beoordeling van de gevoeligheid van de overdrachten betreft.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Gelet op het belang van de controleerbaarheid van en het publiek toezicht op uitvoercontroles moeten de lidstaten alle relevante gegevens over vergunningen openbaar maken.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Voorlichting en ondersteuning van de particuliere sector en transparantie vormen essentiële elementen voor een doeltreffende regeling voor uitvoercontrole. Derhalve is het passend te zorgen voor de verdere ontwikkeling van de richtsnoeren ter ondersteuning van de toepassing van deze verordening en voor de publicatie van een jaarverslag over de uitvoering van de controles, in overeenstemming met de huidige praktijk.
(25)  Voorlichting aan en ondersteuning van de particuliere sector, met name kmo's, en transparantie vormen essentiële elementen voor een doeltreffende regeling voor uitvoercontrole. Derhalve is het passend te zorgen voor de verdere ontwikkeling van de richtsnoeren ter ondersteuning van de toepassing van deze verordening en voor de publicatie van een jaarverslag over de uitvoering van de controles, in overeenstemming met de huidige praktijk. Omdat richtsnoeren belangrijk zijn voor de interpretatie van bepaalde elementen van deze verordening, moeten zij openbaar worden gemaakt wanneer deze verordening in werking treedt.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  Er moet voor gezorgd worden dat de definities in deze verordening in overeenstemming zijn met de definities die voorkomen in het douanewetboek van de Unie.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Elke lidstaat dient doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties vast te stellen die van toepassing zijn bij inbreuk op de bepalingen van deze verordening. Ter ondersteuning van een doeltreffende handhaving van de controles is het ook passend bepalingen in te voeren die specifiek gericht zijn op het aanpakken van de illegale handel in producten voor tweeërelei gebruik.
(27)  Elke lidstaat dient doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties vast te stellen die van toepassing zijn bij inbreuk op de bepalingen van deze verordening. Er moet een bijdrage worden geleverd aan het creëren van een gelijk speelveld voor exporteurs in de Unie. Daarom moeten de sancties die worden opgelegd in geval van inbreuken op deze verordening in alle lidstaten van vergelijkbare aard en met vergelijkbaar effect zijn. Ter ondersteuning van een doeltreffende handhaving van de controles is het ook passend bepalingen in te voeren die specifiek gericht zijn op het aanpakken van de illegale handel in producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Uitvoercontroles hebben gevolgen voor de internationale veiligheid en de handel met derde landen en derhalve is het passend een dialoog en samenwerking met derde landen te ontwikkelen ter ondersteuning van een wereldwijd gelijk speelveld en om de internationale veiligheid te bevorderen.
(29)  Uitvoercontroles hebben gevolgen voor de internationale veiligheid en de handel met derde landen en derhalve is het passend een dialoog en samenwerking met derde landen te ontwikkelen ter ondersteuning van een wereldwijd gelijk speelveld en om de opwaartse convergentie en de internationale veiligheid te bevorderen. Om deze doelstellingen te bereiken, moeten de Raad, de Commissie en de lidstaten, in nauwe samenwerking met de EDEO, op proactieve wijze optreden op de diverse relevante fora, onder meer in het kader van de Overeenkomst van Wassenaar, om ervoor te zorgen dat de lijst van producten voor cybertoezicht, zoals opgenomen in bijlage I, onderdeel B, de internationale standaard wordt. Daarnaast moeten derde landen meer en beter ondersteund worden bij de ontwikkeling van een regeling voor uitvoercontrole van producten voor tweeërlei gebruik en de daarbij behorende administratieve capaciteiten, met name in het kader van douanecontroles.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de vrijheid van ondernemerschap,
(31)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 – letter a
a)  producten die kunnen worden gebruikt voor het ontwerp, de ontwikkeling, de productie of het gebruik van nucleaire, chemische en biologische wapens en hun overbrengingsmiddelen, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;
a)  traditionele producten voor tweeërlei gebruik, dat wil zeggen producten, met inbegrip van software en hardware, die kunnen worden gebruikt voor het ontwerp, de ontwikkeling, de productie of het gebruik van nucleaire, chemische en biologische wapens en hun overbrengingsmiddelen, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 – letter b
b)   technologie voor cybertoezicht die kan worden gebruikt bij het zich schuldig maken aan ernstige schendingen van de mensenrechten of het internationaal humanitair recht, of een gevaar kan vormen voor de internationale veiligheid of de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten;
b)   producten voor cybertoezicht, waaronder hardware, software en technologie, die speciaal ontworpen zijn om het heimelijk binnendringen in informatie- en telecommunicatiesystemen en/of de monitoring, extractie, verzameling en analyse van gegevens en/of het onklaar maken of beschadigen van het geviseerde systeem mogelijk te maken zonder dat de eigenaar van de gegevens daartoe specifiek, met kennis van zaken en ondubbelzinnig toestemming heeft gegeven, en die gebruikt kunnen worden in verband met de schending van mensenrechten, waaronder het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vereniging en vergadering, of die gebruikt kunnen worden om ernstige schendingen van het recht inzake de mensenrechten of het internationaal humanitair recht te plegen of een gevaar kunnen vormen voor de internationale veiligheid of de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten. Onderzoek inzake netwerk- en ICT-beveiliging met het oog op het gemachtigd testen of het beschermen van systemen voor informatiebeveiliging wordt uitgesloten.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
5 bis.  "eindgebruiker": elke natuurlijke of rechtspersoon of entiteit die de eindontvanger is van een product voor tweeërlei gebruik.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 13
13.   "vergunning voor grote projecten": globale uitvoervergunning die aan één specifieke exporteur voor een type of categorie van producten voor tweeërlei gebruik wordt verleend en die voor uitvoer naar één of meer met naam genoemde eindgebruikers in één of meer met naam genoemde landen geldig kan zijn voor de duur van een specifiek project waarvan de uitvoeringstermijn meer dan één jaar bedraagt;
13.   "vergunning voor grote projecten": globale uitvoervergunning die aan één specifieke exporteur voor een type of categorie van producten voor tweeërlei gebruik wordt verleend en die voor uitvoer naar één of meer met naam genoemde eindgebruikers in één of meer met naam genoemde landen geldig kan zijn voor een specifiek project. De vergunning heeft, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de duur van het project een andere geldigheidsduur noodzakelijk maakt, een geldigheidsduur van één tot vier jaar. De geldigheidsduur kan door de bevoegde autoriteit worden verlengd;
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 22
22.  "intern nalevingsprogramma": doeltreffende, passende en evenredige middelen en procedures, waaronder het ontwikkelen, uitvoeren en volgen van gestandaardiseerde operationele nalevingsregels, -procedures, -gedragsregels en -waarborgen, die door exporteurs zijn ontwikkeld om de naleving van de bepalingen en de voorwaarden van de in deze verordening bedoelde vergunningen te waarborgen;
22.  "intern nalevingsprogramma" (INP): doeltreffende, passende en evenredige middelen en procedures (op risico gebaseerde benadering), waaronder het ontwikkelen, uitvoeren en volgen van gestandaardiseerde operationele nalevingsregels, -procedures, -gedragsregels en -waarborgen, die door exporteurs zijn ontwikkeld om de naleving van de bepalingen en de voorwaarden van de in deze verordening bedoelde vergunningen te waarborgen; de exporteur heeft, op vrijwillige basis, de mogelijkheid om zijn INP kosteloos door de bevoegde autoriteiten te laten certificeren op basis van een door de Commissie vastgesteld referentie-INP, teneinde tijdens de vergunningsprocedure te profiteren van door de nationale bevoegde autoriteiten geboden stimulansen;
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 23
23.  "terroristische daad": een terroristische daad zoals bedoeld in artikel 1, lid 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB.
Schrappen
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 23 bis (nieuw)
23 bis.  "de nodige zorgvuldigheid betrachten": het proces waarmee ondernemingen daadwerkelijke en potentiële ongunstige effecten in kaart kunnen brengen, voorkomen, beperken en waarmee zij verantwoording kunnen afleggen over hun aanpak ten aanzien van die effecten als integraal onderdeel van hun besluitvormingsproces en risicobeheerssystemen;
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter d
d)   voor gebruik door personen die medeplichtig zijn aan of verantwoordelijk zijn voor de aansturing of uitvoering van ernstige schendingen van de mensenrechten of het internationaal humanitair recht in gewapende conflicten of bij binnenlandse repressie in het land van eindbestemming, zoals vastgesteld door de desbetreffende internationale openbare instellingen of Europese of nationale bevoegde autoriteiten, en waarbij bewezen is dat deze of soortgelijke producten door de beoogde eindgebruiker zijn gebruikt voor de aansturing of uitvoering van dergelijke ernstige schendingen;
d)   als het gaat om producten voor cybertoezicht, voor gebruik door natuurlijke of rechtspersonen in verband met schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten of het internationaal humanitair recht in landen waar ernstige schendingen van de mensenrechten zijn vastgesteld door de bevoegde organen van de VN, de Raad van Europa of nationale bevoegde autoriteiten, en er redenen zijn om aan te nemen dat deze of soortgelijke producten gebruikt kunnen worden voor de aansturing of uitvoering van dergelijke schendingen door de beoogde eindgebruiker;
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter e
e)  voor gebruik in verband met daden van terrorisme.
Schrappen
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.   Indien een exporteur, met inachtneming van zijn verplichting zich daarvoor de nodige moeite te getroosten, er kennis van draagt dat producten voor tweeërlei gebruik welke hij wenst uit te voeren en die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, geheel of ten dele bestemd zijn voor een van de in lid 1 genoemde doeleinden, dient hij dit mee te delen aan de bevoegde autoriteit, die besluit of het dienstig is dat voor de betrokken uitvoer een vergunning wordt vereist.
2.   Indien een exporteur, terwijl hij de nodige zorgvuldigheid betracht, verneemt dat niet op de lijst van bijlage I voorkomende producten voor tweeërlei gebruik welke hij wenst uit te voeren geheel of ten dele bestemd kunnen zijn voor een van de in lid 1 genoemde doeleinden, dient hij dit mee te delen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij is gevestigd, die besluit of het dienstig is dat voor de betrokken uitvoer een vergunning wordt vereist.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  Vergunningen voor de uitvoer van niet in de lijst opgenomen producten worden verleend voor specifieke producten en eindgebruikers. De vergunningen worden verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur ingezetene of gevestigd is of, indien de exporteur een persoon is die buiten de Unie ingezetene of gevestigd is, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de producten zich bevinden. De vergunningen zijn in de gehele Unie geldig. De geldigheidsduur van de vergunningen bedraagt één jaar en kan door de bevoegde autoriteit worden verlengd.
3.  Vergunningen voor de uitvoer van niet in de lijst opgenomen producten worden verleend voor specifieke producten en eindgebruikers. De vergunningen worden verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur ingezetene of gevestigd is of, indien de exporteur een persoon is die buiten de Unie ingezetene of gevestigd is, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de producten zich bevinden. De vergunningen zijn in de gehele Unie geldig. De geldigheidsduur van de vergunningen bedraagt twee jaar en kan door de bevoegde autoriteit worden verlengd.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – alinea 2
Als geen bezwaar wordt aangetekend, wordt ervan uitgegaan dat de geraadpleegde lidstaten geen bezwaar hebben en dat zij vergunningen zullen eisen voor alle "in wezen gelijksoortige transacties". Zij stellen hun douaneadministratie en andere ter zake bevoegde nationale autoriteiten van de vergunningsplichten in kennis.
Als geen bezwaar wordt aangetekend, wordt ervan uitgegaan dat de geraadpleegde lidstaten geen bezwaar hebben en dat zij vergunningen zullen eisen voor alle "in wezen gelijksoortige transacties", waarmee een product wordt bedoeld met wezenlijk identieke parameters of technische kenmerken met dezelfde eindgebruiker of ontvanger. Zij stellen hun douaneadministratie en andere ter zake bevoegde nationale autoriteiten van de vergunningsplichten in kennis. De Commissie publiceert in het Publicatieblad een beknopte beschrijving van de zaak en de redenen voor het besluit en vermeldt zo nodig de nieuwe vergunningsplicht in een nieuw onderdeel E van bijlage II.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – alinea 3
Als een van de geraadpleegde lidstaten bezwaar aantekent, wordt de vergunningsplicht ingetrokken tenzij de lidstaat die de vergunning eist, van oordeel is dat de uitvoer haar wezenlijke veiligheidsbelangen schaadt. In dat geval kan die lidstaat besluiten de vergunningsplicht te handhaven. De Commissie en de andere lidstaten moeten hiervan onverwijld in kennis worden gesteld.
Als ten minste vier lidstaten die ten minste 35 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen bezwaar aantekenen, wordt de vergunningsplicht ingetrokken, tenzij de lidstaat die de vergunning eist, van oordeel is dat de uitvoer zijn wezenlijke veiligheidsbelangen schaadt of de nakoming van zijn verplichtingen op het gebied van de mensenrechten belemmert. In dat geval kan die lidstaat besluiten de vergunningsplicht te handhaven. De Commissie en de andere lidstaten moeten hiervan onverwijld in kennis worden gesteld.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 – alinea 4
De Commissie en de lidstaten houden een geactualiseerd register bij van de geldende vergunningsplichten.
De Commissie en de lidstaten houden een geactualiseerd register bij van de geldende vergunningsplichten. De in dat register beschikbare gegevens worden opgenomen in het in artikel 24, lid 2, bedoelde verslag aan het Europees Parlement, en zijn toegankelijk voor het publiek.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.   Indien een tussenhandelaar ervan op de hoogte is dat de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor hij diensten op het gebied van tussenhandel voorstelt, geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, moet hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen, zodat deze kan beslissen of voor de beoogde tussenhandeldiensten een vergunning vereist is.
2.   Indien een tussenhandelaar ervan op de hoogte is dat de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor hij diensten op het gebied van tussenhandel voorstelt, geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis, die vervolgens voor deze tussenhandeldiensten een vergunning vereist.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  Een vergunning is vereist voor het direct of indirect verlenen van technische bijstand met betrekking tot producten voor tweeërlei gebruik, of met betrekking tot de verstrekking, de fabricage, het onderhoud en het gebruik van producten voor tweeërlei gebruik, indien de verlener van technische bijstand door de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van het feit dat de betrokken producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4 genoemde doeleinden.
1.  Een vergunning is vereist voor het direct of indirect verlenen van technische bijstand met betrekking tot producten voor tweeërlei gebruik, of met betrekking tot de verstrekking, de fabricage, het onderhoud en het gebruik van producten voor tweeërlei gebruik, indien de verlener van technische bijstand door de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van het feit dat de betrokken producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
Indien een verlener van technische bijstand ervan op de hoogte is dat de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor hij technische bijstandsdiensten voorstelt, geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in artikel 4 genoemde doeleinden, moet hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen, zodat deze kan beslissen of voor de beoogde technische bijstandsdiensten een vergunning moet worden vereist.
Indien een verlener van technische bijstand ervan op de hoogte is dat de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor hij technische bijstandsdiensten voorstelt, geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis, die vervolgens voor deze technische bijstandsdiensten een vergunning vereist.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  Een lidstaat kan om redenen van openbare veiligheid of uit mensenrechtenoverwegingen een verbod instellen op of een vergunning verplicht stellen voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen.
1.  Een lidstaat kan om redenen van openbare veiligheid, uit mensenrechtenoverwegingen of ter voorkoming van terroristische daden een verbod instellen op of een vergunning verplicht stellen voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 7
7.  In relevante handelsbescheiden die betrekking hebben op de overbrenging binnen de Unie van in de lijst van bijlage I vermelde producten voor tweeërlei gebruik dient duidelijk te worden vermeld dat die producten bij uitvoer uit de Unie aan controle worden onderworpen. De relevante handelsbescheiden omvatten met name een verkoopcontract, een orderbevestiging, een factuur of een verzendingsborderel.
7.  In relevante handelsbescheiden die betrekking hebben op de uitvoer naar derde landen en de overbrenging binnen de Unie van in de lijst van bijlage I vermelde producten voor tweeërlei gebruik dient duidelijk te worden vermeld dat die producten bij uitvoer uit de Unie aan controle worden onderworpen. De relevante handelsbescheiden omvatten met name een verkoopcontract, een orderbevestiging, een factuur of een verzendingsborderel.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 3
3.   De geldigheidsduur van individuele uitvoervergunningen en globale uitvoervergunningen bedraagt één jaar en kan door de bevoegde autoriteit worden verlengd. Globale uitvoervergunningen voor grote projecten zijn geldig voor een door de bevoegde autoriteit vast te stellen termijn.
3.   De geldigheidsduur van individuele uitvoervergunningen en globale uitvoervergunningen bedraagt twee jaar en kan door de bevoegde autoriteit worden verlengd. Globale uitvoervergunningen voor grote projecten zijn niet langer dan vier jaar geldig, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de duur van het project tot een langere geldigheidsduur noopt. Dit belet de bevoegde autoriteiten echter niet om individuele of globale uitvoervergunningen op enig moment nietig te verklaren, te schorsen, te wijzigen of in te trekken.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 1
Exporteurs verstrekken de bevoegde autoriteit alle informatie die vereist is voor hun aanvragen van individuele en algemene uitvoervergunningen, zodat volledige informatie beschikbaar is over met name de eindgebruiker, het land van bestemming en het eindgebruik van het uitgevoerde product.
Exporteurs verstrekken de bevoegde autoriteit alle informatie die vereist is voor hun aanvragen van individuele en algemene uitvoervergunningen, zodat volledige informatie beschikbaar is over met name de eindgebruiker, het land van bestemming en het eindgebruik van het uitgevoerde product. Wanneer de eindgebruiker een overheidsinstantie is, wordt in de verstrekte informatie duidelijk vermeld welk departement of agentschap of welke afdeling of onderafdeling de uiteindelijke eindgebruiker van het uitgevoerde product is.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 2
Aan de vergunningen kan in voorkomend geval een verplichting worden verbonden om een verklaring betreffende het eindgebruik af te geven.
Aan alle vergunningen voor producten voor cybertoezicht, alsmede aan alle individuele uitvoervergunningen voor producten waarbij het onttrekkingsgevaar of het risico dat de producten onder ongewenste omstandigheden worden wederuitgevoerd groot is, moet de verplichting worden verbonden om een verklaring betreffende het eindgebruik af te geven. Aan vergunningen voor andere producten kan in voorkomend geval een verplichting worden verbonden om een verklaring betreffende het eindgebruik af te geven.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 3 – inleidende formule
Voor globale uitvoervergunningen moet de exporteur een doeltreffend intern nalevingsprogramma implementeren. De exporteur moet tevens ten minste één maal per jaar bij de bevoegde autoriteit verslag uitbrengen over het gebruik van de vergunning; het verslag moet ten minste de volgende informatie bevatten:
Voor globale uitvoervergunningen moet de exporteur een doeltreffend intern nalevingsprogramma implementeren. De exporteur heeft, op vrijwillige basis, de mogelijkheid om zijn INP kosteloos door de bevoegde autoriteiten te laten certificeren op basis van een door de Commissie vastgesteld referentie-INP, teneinde tijdens de vergunningsprocedure te profiteren van door de nationale bevoegde autoriteiten geboden stimulansen. De exporteur moet tevens ten minste eenmaal per jaar of op verzoek van de bevoegde autoriteit bij de bevoegde autoriteit verslag uitbrengen over het gebruik van de vergunning; het verslag moet ten minste de volgende informatie bevatten:
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 3 – letter d
d)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
d)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 3 – letter d bis (nieuw)
d bis)  indien bekend, de naam en het adres van de eindgebruiker;
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 3 – letter d ter (nieuw)
d ter)  de datum waarop de uitvoer plaatsvond.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 5
5.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten behandelen aanvragen voor individuele of algemene vergunningen binnen een volgens de nationale wetgeving of op grond van de nationale praktijk te bepalen termijn. De bevoegde autoriteiten verstrekken de Commissie alle informatie betreffende de gemiddelde termijn voor de behandeling van vergunningsaanvragen die relevant is voor de opstelling van het in artikel 24, lid 2, bedoelde jaarverslag.
5.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten behandelen aanvragen voor individuele of algemene vergunningen binnen een termijn van dertig dagen na de geldige indiening van de aanvraag. Indien de bevoegde autoriteit om gegronde redenen meer tijd nodig heeft om de aanvraag te verwerken, deelt zij dit binnen dertig dagen mee aan de aanvrager. De bevoegde autoriteit beslist in elk geval over aanvragen voor individuele of globale vergunningen uiterlijk zestig dagen na de geldige indiening van de aanvraag.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 2
Wanneer de tussenhandelaar of de verlener van technische bijstand niet ingezeten of gevestigd is op het grondgebied van de Unie, worden vergunningen voor tussenhandeldiensten en technische bijstand op grond van deze verordening afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het moederbedrijf van de tussenhandelaar of verlener van technische bijstand is gevestigd, of van waar de tussenhandeldiensten of technische bijstandsdiensten zullen worden verleend.
Wanneer de tussenhandelaar of de verlener van technische bijstand niet ingezeten of gevestigd is op het grondgebied van de Unie, worden vergunningen voor tussenhandeldiensten en technische bijstand op grond van deze verordening afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de tussenhandeldiensten of technische bijstandsdiensten zullen worden verleend. Dit geldt ook voor tussenhandeldiensten en het verlenen van technische bijstand door dochterondernemingen of joint ventures die in derde landen gevestigd zijn, maar in handen zijn van of gecontroleerd worden door ondernemingen die op het grondgebied van de Unie gevestigd zijn.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – inleidende formule
1.  Bij hun besluit om al dan niet een individuele of globale uitvoervergunning te verlenen of om een vergunning voor de tussenhandeldiensten of technische bijstand uit hoofde van deze verordening te verlenen, of een overbrenging te verbieden, houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten rekening met de volgende criteria :
1.  Bij hun besluit om al dan niet een individuele of globale uitvoervergunning te verlenen of om een vergunning voor de tussenhandeldiensten of technische bijstand uit hoofde van deze verordening te verlenen, of een overbrenging te verbieden, houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten rekening met alle relevante overwegingen, waaronder:
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter a
a)  de internationale verplichtingen en verbintenissen van de Unie en de lidstaten, en met name de verplichtingen en verbintenissen waarmee ieder van hen heeft ingestemd als partij bij de internationale regimes inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van de desbetreffende internationale verdragen en hun verplichtingen in het kader van sancties uit hoofde van een door de Raad vastgesteld 2 besluit of gemeenschappelijk standpunt of uit hoofde van een besluit van de OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
a)  de internationale verplichtingen en verbintenissen van de Unie en de lidstaten, en met name de verplichtingen en verbintenissen waarmee ieder van hen heeft ingestemd als partij bij de internationale regimes inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van de desbetreffende internationale verdragen;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  hun verplichtingen in het kader van sancties uit hoofde van een besluit of gemeenschappelijk standpunt van de Raad of uit hoofde van een besluit van de OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  schendingen van het recht inzake de mensenrechten, fundamentele vrijheden en het internationaal humanitair recht in het land van eindbestemming, vastgesteld door de bevoegde instanties van de VN, de Raad van Europa of de Unie;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter c
c)  de interne situatie in het land van eindbestemming — de bevoegde autoriteiten staan geen uitvoer toe die gewapende conflicten zou uitlokken of verlengen of die bestaande spanningen in het land van eindbestemming zou aanwakkeren;
c)  (Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  de houding van het land van bestemming jegens de internationale gemeenschap, met name de houding van dat land tegenover terrorisme, de aard van zijn bondgenootschappen en de eerbiediging van het internationaal recht;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter d ter (nieuw)
d ter)  de verenigbaarheid van de uitvoer van de producten met de technische en economische capaciteit van het ontvangende land;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter f
f)  overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik en het onttrekkingsgevaar, met inbegrip van het bestaan van het risico dat de producten voor tweeërlei gebruik onder ongewenste omstandigheden worden omgeleid of wederuitgevoerd.
f)  overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik en het onttrekkingsgevaar, met inbegrip van het bestaan van het risico dat de producten voor tweeërlei gebruik, en met name producten voor cybertoezicht, onder ongewenste omstandigheden worden omgeleid of wederuitgevoerd of worden omgeleid met als onbedoelde bestemming militair eindgebruik of terrorisme.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Bij de verlening van individuele of globale uitvoervergunningen of vergunningen voor tussenhandeldiensten of technische bijstand voor producten voor cybertoezicht houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in het bijzonder rekening met het risico voor schendingen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het recht op gegevensbescherming, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering, evenals met risico's op het gebied van de rechtsstaat, het rechtskader voor het gebruik van de uit te voeren producten en de mogelijke veiligheidsrisico's voor de Unie en de lidstaten.
Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat tot de conclusie komen dat er sprake is van risico's die waarschijnlijk zullen leiden tot ernstige schendingen van de mensenrechten, verlenen zij geen uitvoervergunning en gaan zij over tot nietigverklaring, schorsing, wijziging of intrekking van reeds verleende vergunningen.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2
2.   De Commissie en de Raad stellen raadgevingen en/of aanbevelingen ter beschikking om te waarborgen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor de implementatie van die criteria gemeenschappelijke risicobeoordelingen gebruiken.
2.   Bij de inwerkingtreding van deze verordening stellen de Commissie en de Raad richtsnoeren ter beschikking om te waarborgen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor de implementatie van die criteria gemeenschappelijke risicobeoordelingen gebruiken en om te voorzien in uniforme criteria voor besluiten inzake vergunningverlening. De Commissie stelt richtsnoeren op in de vorm van een handboek met de stappen die de bevoegde vergunningverlenende autoriteiten van de lidstaten en exporteurs moeten nemen om de nodige zorgvuldigheid te betrachten, met praktische aanbevelingen voor de uitvoering en naleving van de controles overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder d), en de criteria als bedoeld in artikel 14, lid 1, en met voorbeelden van goede praktijken. Dit handboek wordt opgesteld in nauwe samenwerking met de EDEO en de coördinatiegroep tweeërlei gebruik, met gebruikmaking van de externe expertise van de academische wereld, exporteurs, tussenhandelaren en maatschappelijke organisaties, met inachtneming van de procedures als bedoeld in artikel 21, lid 3, en wordt, indien dat noodzakelijk en passend wordt geacht, geactualiseerd.
De Commissie zet een programma voor capaciteitsopbouw op door gemeenschappelijke opleidingsprogramma's te ontwikkelen voor ambtenaren van vergunningverlenende autoriteiten en douanehandhavingsautoriteiten.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – letter b
b)   de lijst van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I, onderverdeling B, kan worden gewijzigd indien dit nodig is door de risico's die de uitvoer van dergelijke producten inhoudt met betrekking tot het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of het internationaal humanitair recht of de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten;
b)   de lijst van producten voor cybertoezicht in bijlage I, onderdeel B, wordt gewijzigd indien dit nodig is door de risico's die de uitvoer van dergelijke producten inhoudt met betrekking tot het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of het internationaal humanitair recht of de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten of indien er overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder d), van deze verordening controles in gang zijn gezet voor een aanzienlijk aantal niet in de lijst opgenomen producten. Een dergelijke wijziging kan ook het besluit zijn om een product dat in de lijst is opgenomen, daarvan te schrappen.
Indien dwingende redenen van urgentie vereisen dat een specifiek product wordt geschrapt uit of toegevoegd aan bijlage I, onderdeel B, is de procedure van artikel 17 van toepassing op de gedelegeerde handelingen die worden vastgesteld op grond van onderhavige letter b).
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)   De Commissie kan producten van de lijst schrappen, met name als de desbetreffende producten vanwege de snel voortschrijdende technologische ontwikkeling tot een lagere categorie zijn gaan behoren of massaproducten zijn geworden die algemeen beschikbaar zijn of op eenvoudige wijze technisch kunnen worden gewijzigd.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Bijlage I, onderdeel B, beperkt zich tot producten voor cybertoezicht en bevat geen producten die opgenomen zijn in bijlage I, onderdeel A;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 5
5.  In samenwerking met de lidstaten werkt de Commissie richtsnoeren uit om de onderlinge samenwerking tussen de vergunningverlenende autoriteiten en de douaneautoriteiten te bevorderen.
5.  (Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – letter a
a)  informatie met betrekking tot de toepassing van controles, met inbegrip van gegevens over de vergunningen (aantal, waarde en type van de vergunningen en de desbetreffende bestemmingen, aantal gebruikers van algemene en globale vergunningen, aantal exporteurs met interne nalevingsprogramma's, verwerkingstijd, volume en waarde van de handel die het voorwerp uitmaakt van intra-EU-overbrengingen enz.), en, indien beschikbaar, gegevens over de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik door andere lidstaten;
a)  alle informatie met betrekking tot de toepassing van controles;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – letter b
b)   informatie met betrekking tot de handhaving van controles, waaronder nadere gegevens met betrekking tot de exporteurs aan wie het recht is ontzegd nationale of uniale algemene uitvoervergunningen te gebruiken, meldingen van schendingen, inbeslagnames en de toepassing van andere sancties;
b)   alle informatie met betrekking tot de handhaving van controles, waaronder nadere gegevens met betrekking tot de exporteurs aan wie het recht is ontzegd nationale of uniale algemene uitvoervergunningen te gebruiken, alle meldingen van schendingen, inbeslagnames en de toepassing van andere sancties;
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2 – letter c
c)  gegevens over gevoelige eindgebruikers, actoren die bij verdachte aankoopactiviteiten zijn betrokken en, voor zover deze beschikbaar zijn, gevolgde routes.
c)  alle gegevens over gevoelige eindgebruikers, actoren die bij verdachte aankoopactiviteiten zijn betrokken en gevolgde routes.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2
2.   De voorzitter van de coördinatiegroep tweeërlei gebruik raadpleegt telkens wanneer hij of zij dit nodig acht de bij deze verordening betrokken exporteurs, tussenhandelaars en andere relevante belanghebbenden.
2.   De coördinatiegroep tweeërlei gebruik raadpleegt telkens wanneer zij dit nodig acht de bij deze verordening betrokken exporteurs, tussenhandelaars en andere relevante belanghebbenden.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 3
3.  De coördinatiegroep tweeërlei gebruik richt, in voorkomend geval, technische deskundigengroepen op die zijn samengesteld uit deskundigen van de lidstaten om specifieke kwesties te onderzoeken met betrekking tot de uitvoering van controles, met inbegrip van kwesties met betrekking tot de bijwerking van de controlelijsten van de Unie van bijlage I. Technische deskundigengroepen raadplegen waar nodig exporteurs, tussenhandelaren en andere relevante belanghebbenden bij deze verordening.
3.  De coördinatiegroep tweeërlei gebruik richt, in voorkomend geval, technische deskundigengroepen op die zijn samengesteld uit deskundigen van de lidstaten om specifieke kwesties te onderzoeken met betrekking tot de uitvoering van controles, met inbegrip van kwesties met betrekking tot de bijwerking van de controlelijsten van de Unie van bijlage I, onderdeel B. Technische deskundigengroepen raadplegen exporteurs, tussenhandelaren, maatschappelijke organisaties en andere relevante belanghebbenden bij deze verordening. De coördinatiegroep tweeërlei gebruik richt in het bijzonder een technische werkgroep op voor de beoordelingscriteria als bedoeld in artikel 4, lid 4, onder d), en artikel 14, lid 1, onder b), alsmede voor de uitwerking van de richtsnoeren inzake zorgvuldigheid, een en ander in samenspraak met een onafhankelijke groep van deskundigen, vertegenwoordigers van de academische wereld en maatschappelijke organisaties.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1
1.   Elke lidstaat treft passende maatregelen om de correcte toepassing van alle bepalingen van deze verordening te waarborgen en stelt met name de bij inbreuk op deze verordening en de bepalingen ter uitvoering daarvan op te leggen sancties vast. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.
1.   Elke lidstaat treft passende maatregelen om de correcte toepassing van alle bepalingen van deze verordening te waarborgen en stelt met name de sancties vast die van toepassing zijn bij inbreuken op, het faciliteren van inbreuken op en het omzeilen van de bepalingen van deze verordening en de bepalingen ter uitvoering daarvan. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn. De maatregelen omvatten periodieke, op risico gebaseerde audits van de exporteurs.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 2
2.  De coördinatiegroep tweeërlei gebruik richt een handhavingscoördinatiemechanisme op met het oog op de totstandbrenging van directe samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten en de handhavingsinstanties.
2.  De coördinatiegroep tweeërlei gebruik richt een handhavingscoördinatiemechanisme op met het oog op de totstandbrenging van directe samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten en de handhavingsinstanties en om te voorzien in uniforme criteria voor besluiten inzake vergunningverlening. Dit mechanisme moet er, na beoordeling van de Commissie van de door de lidstaten vastgestelde sancties, voor zorgen dat de sancties op inbreuken op deze verordening van vergelijkbare aard zijn en vergelijkbare effecten hebben.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
1.   De Commissie en de Raad stellen, in voorkomend geval, raadgevingen en/of aanbevelingen beschikbaar voor beste praktijken met betrekking tot het toepassingsgebied van deze verordening om de doeltreffendheid van de regeling voor uitvoercontrole van de Unie en de consequente uitvoering ervan te waarborgen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen, in voorkomend geval, ook bijkomende raadgevingen ter beschikking van exporteurs, tussenhandelaren en doorvoeroperateurs die in die lidstaat ingezetene of gevestigd zijn.
1.   De Commissie en de Raad stellen, in voorkomend geval, richtsnoeren beschikbaar voor beste praktijken met betrekking tot het toepassingsgebied van deze verordening om de doeltreffendheid van de regeling voor uitvoercontrole van de Unie en de consequente uitvoering ervan te waarborgen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen, in voorkomend geval, ook bijkomende raadgevingen ter beschikking van exporteurs, met name kmo's, tussenhandelaren en doorvoeroperateurs die in die lidstaat ingezetene of gevestigd zijn.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2 – alinea 2
De lidstaten verstrekken de Commissie alle dienstige informatie die zij voor de opstelling van dit verslag behoeft. Dit jaarverslag is openbaar.
De lidstaten verstrekken de Commissie alle dienstige informatie die zij voor de opstelling van dit verslag behoeft. Dit jaarverslag is openbaar. Voorts maken de lidstaten ten minste elke drie maanden op eenvoudig toegankelijke wijze over elke vergunning nuttige informatie openbaar met betrekking tot het type vergunning, de waarde, de omvang, de aard van de goederen, een beschrijving van het product, de eindgebruiker en het eindgebruik en het land van bestemming, alsmede informatie over de goedkeuring of afwijzing van de vergunningsaanvraag. De Commissie en de lidstaten houden rekening met de rechtmatige belangen die de betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen erbij hebben dat hun zakengeheimen niet worden bekendgemaakt.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 3 – alinea 1
Vijf tot zeven jaar na de datum van toepassing van deze verordening stelt de Commissie een evaluatie van deze verordening op en brengt zij over de belangrijkste bevindingen verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.
Vijf tot zeven jaar na de datum van toepassing van deze verordening stelt de Commissie een evaluatie van deze verordening op en brengt zij over de belangrijkste bevindingen verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Deze evaluatie omvat een voorstel inzake schrapping van cryptografie in bijlage I, onderdeel A, categorie 5, deel 2.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter d
d)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
d)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3
3.  De in de leden 1 en 2 bedoelde registers of dossiers en bescheiden worden bewaard gedurende ten minste drie jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de uitvoer is geschied dan wel die tussenhandelsdiensten of technische bijstandsdiensten worden verleend. Zij worden op verzoek voorgelegd aan de bevoegde autoriteit.
3.  De in de leden 1 en 2 bedoelde registers of dossiers en bescheiden worden bewaard gedurende ten minste vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de uitvoer is geschied dan wel die tussenhandelsdiensten of technische bijstandsdiensten worden verleend. Zij worden op verzoek voorgelegd aan de bevoegde autoriteit.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1
1.   De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen, in voorkomend geval, op regelmatige en wederzijdse basis informatie uit met derde landen.
1.   De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zetten zich, waar passend, binnen relevante internationale organisaties, zoals de OESO en multilaterale uitvoercontroleregelingen waaraan zij deelnemen, in voor de bevordering van de naleving op internationaal niveau van de lijst van aan uitvoercontrole onderworpen producten voor cybertoezicht van bijlage I, onderdeel B, en wisselen, in voorkomend geval, op regelmatige en wederzijdse basis informatie uit met derde landen, onder meer in het kader van de dialoog over producten voor tweeërlei gebruik waarin is voorzien in partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten en de strategische samenwerkingsovereenkomsten van de Unie, en streven naar capaciteitsopbouw en bevorderen de opwaartse convergentie. De Commissie brengt over deze bewustmakingsactiviteiten jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Bijlage I - Onderdeel A - DEFINITIES VAN IN DEZE BIJLAGE GEBRUIKTE TERMEN
"Inbraakprogrammatuur" (intrusion software) (4): "programmatuur" die speciaal is ontworpen of aangepast om opsporing door 'bewakingshulpmiddelen' te voorkomen of om 'beschermende tegenmaatregelen' van een computer of apparaat met netwerkcapaciteit te omzeilen en die een van de volgende functies verricht:
"Inbraakprogrammatuur" (intrusion software) (4): "programmatuur" die speciaal is ontworpen of aangepast om te worden gebruikt of geïnstalleerd zonder toestemming van eigenaars of beheerders van computers of apparaten met netwerkcapaciteit, en die een van de volgende functies verricht:
a.   het onttrekken van gegevens of informatie uit een computer of apparaat met netwerkcapaciteit of het wijzigen van systeem- of gebruikersgegevens; of
a.   het zonder toestemming onttrekken van gegevens of informatie uit een computer of apparaat met netwerkcapaciteit of het wijzigen van systeem- of gebruikersgegevens; of
b.   het wijzigen het normale executiepad van een programma of proces om de uitvoering van buitenaf geleverde instructies mogelijk te maken.
b.   het wijzigen van systeem- of gebruikersgegevens om de toegang tot gegevens die zijn opgeslagen op een computer of apparaat met netwerkcapaciteit mogelijk te maken voor andere partijen dan partijen die hiervoor de toestemming hebben van de eigenaar of beheerder van de computer of het apparaat met netwerkcapaciteit.
Noten:
Noten:
1.   "Inbraakprogrammatuur" omvat niet het volgende:
1.   "Inbraakprogrammatuur" omvat niet het volgende:
a.   hypervisors, debuggers of hulpmiddelen voor de reverse engineering van programmatuur (SRE);
a.   hypervisors, debuggers of hulpmiddelen voor de reverse engineering van programmatuur (SRE);
b.   "programmatuur" voor het beheer van digitale rechten (DRM); of
b.   "programmatuur" voor het beheer van digitale rechten (DRM); of
c.   "programmatuur" die is ontworpen voor installatie door fabrikanten, beheerders of gebruikers met het oog op goederenbewaking of -herstel.
c.   "programmatuur" die is ontworpen voor installatie door beheerders of gebruikers met het oog op goederenbewaking, goederenherstel of het testen van de veiligheid van informatie- en communicatietechnologie (ICT);
c bis.  "programmatuur" die wordt verspreid met het uitdrukkelijke doel om toegang door onbevoegden tot computers of apparaten met netwerkcapaciteit te helpen opsporen, ongedaan maken of voorkomen.
2.   Apparaten met netwerkcapaciteit omvatten mobiele apparaten en slimme meters.
2.   Apparaten met netwerkcapaciteit omvatten mobiele apparaten en slimme meters.
Technische noten:
Technische noten:
1.   'Bewakingshulpmiddelen': "programmatuur" of hardwareapparaten die het systeemgedrag of de processen die op een apparaat worden uitgevoerd, bewaken. Dit omvat antivirus (AV)-producten, producten voor eindpuntbeveiliging, producten voor persoonlijke veiligheid (PSP: Personal Security Products), inbraakdetectiesystemen (IDS: Intrusion Detection Systems), inbraakpreventiesystemen (IPS: Intrusion Prevention Systems) of firewalls.
1.   'Toestemming': de geïnformeerde toestemming van de gebruiker (d.w.z. bekrachtiging van het feit dat deze de aard en de gevolgen en toekomstige gevolgen van een actie begrijpt en instemt met de uitvoering van die actie).
2.   'Beschermende tegenmaatregelen': technieken die zijn ontworpen om te zorgen voor de veilige uitvoering van programmacode, zoals preventie van gegevensuitvoering (DEP: Data Execution Prevention ), willekeurige adresruimte-indeling (ASLR: Address Space Layout Randomisation) of sandboxing.
2.   'Testen van de veiligheid van informatie- en communicatietechnologie (ICT)': het opsporen en beoordelen van statische of dynamische risico's en kwetsbaarheid van of fouten en zwakke punten in programmatuur, netwerken, computers, apparaten met netwerkcapaciteit, en onderdelen daarvan of daaraan verbonden apparatuur, met als aantoonbaar doel het wegnemen van factoren die een veilige en zekere werking en inzet en een veilig en zeker gebruik ervan in de weg staan.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Bijlage I - Onderdeel B - titel
B.  LIJST VAN ANDERE PRODUCTEN VOOR TWEEËRLEI GEBRUIK
B.  LIJST VAN PRODUCTEN VOOR CYBERTOEZICHT
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Onderdeel B - categorie 10 – punt 10A001 – technische noot – letter e bis (nieuw)
e bis)  netwerk- en veiligheidsonderzoek met het oog op het gemachtigd testen of het beschermen van systemen voor informatiebeveiliging.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel A – deel 3 - lid 3
3.   Elke exporteur die voornemens is deze vergunning te gebruiken, moet zich vóór het eerste gebruik van de vergunning bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is, laten registreren. De registratie geschiedt automatisch en wordt binnen tien werkdagen na ontvangst door de bevoegde autoriteit aan de exporteur bevestigd.
3.   Een lidstaat kan verlangen dat de in die lidstaat gevestigde exporteurs zich vóór het eerste gebruik van de vergunning laten registreren. De registratie geschiedt automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen 10 werkdagen na ontvangst, door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel A – deel 3 - lid 4
4.  Uiterlijk tien dagen voor de datum van de eerste uitvoer stelt de geregistreerde exporteur de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is, in kennis van het eerste gebruik van deze vergunning.
4.  Uiterlijk 30 dagen na de datum waarop de eerste uitvoer plaatsvond, stelt de geregistreerde exporteur de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is, in kennis van het eerste gebruik van deze vergunning.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel A – deel 3 - lid 5 – punt 4
4)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
4)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel B – deel 3 - lid 3
3.   Elke exporteur die voornemens is deze vergunning te gebruiken, moet zich vóór het eerste gebruik van de vergunning bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is, laten registreren. De registratie geschiedt automatisch en wordt binnen tien werkdagen na ontvangst door de bevoegde autoriteit aan de exporteur bevestigd.
3.   Een lidstaat kan verlangen dat de in die lidstaat gevestigde exporteurs zich vóór het eerste gebruik van de vergunning laten registreren. De registratie geschiedt automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen 10 werkdagen na ontvangst, door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd.
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel B – deel 3 - lid 5 – punt 4
4)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
4)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel C – deel 3 - lid 5
5.   Uiterlijk tien dagen voor de datum van de eerste uitvoer stelt de geregistreerde exporteur de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is, in kennis van het eerste gebruik van deze vergunning.
5.   De geregistreerde exporteur stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is uiterlijk 30 dagen na de datum waarop de eerste uitvoer plaatsvond in kennis van het eerste gebruik van deze vergunning, of, indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is zulks verlangt, vóór het eerste gebruik van deze vergunning. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het voor deze vergunning gekozen kennisgevingsmechanisme. De Commissie maakt deze informatie bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel C – deel 3 - lid 6 – punt 4
4)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
4)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel D – deel 3 - lid 6
6.   Uiterlijk tien dagen voor de datum van de eerste uitvoer stelt de geregistreerde exporteur de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is, in kennis van het eerste gebruik van deze vergunning.
6.   De geregistreerde exporteur stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is uiterlijk 30 dagen na de datum waarop de eerste uitvoer plaatsvond in kennis van het eerste gebruik van deze vergunning, of, indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is zulks verlangt, vóór het eerste gebruik van deze vergunning. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het voor deze vergunning gekozen kennisgevingsmechanisme. De Commissie maakt deze informatie bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel D – deel 3 - lid 7 – punt 4
4)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
4)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel F – deel 3 - lid 5 – punt 4
4)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
4)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel G – deel 3 - lid 8 – punt 4
4)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
4)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel H – deel 3 – lid 1 – inleidend gedeelte en punt 1
1.   Deze vergunning staat de overdracht van in de lijst in deel 1 opgenomen programmatuur en technologie toe door elke exporteur die ingezetene of gevestigd is in een lidstaat van de Unie, indien het product uitsluitend wordt gebruikt:
1.   Die vergunning staat de overdracht van in de lijst in deel 1 opgenomen programmatuur en technologie toe door elke onderneming die een exporteur is die ingezetene of gevestigd is in een lidstaat van de Unie aan een zuster-, dochter- of moederonderneming, op voorwaarde dat deze entiteiten eigendom zijn of onder zeggenschap staan van dezelfde moederonderneming of gevestigd zijn in een lidstaat, en op voorwaarde dat het betrokken product bestemd is voor samenwerkingsprojecten van de onderneming, waaronder commerciële productontwikkeling, onderzoek, dienstverlening, productie en gebruik en, in het geval van werknemers en orderverwerkers, in overeenstemming met de overeenkomst die hun arbeidsrelatie regelt.
1)   door de exporteur of een entiteit die eigendom is of onder zeggenschap staat van de exporteur;
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel H – deel 3 - lid 1 – punt 2
2)  door werknemers van de exporteur of van een entiteit die eigendom is of onder zeggenschap staat van de exporteur
Schrappen
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel H – deel 3 - lid 1 – punt 2
bij zijn of hun eigen productontwikkelingsactiviteiten en, in het geval van werknemers, in overeenstemming met de overeenkomst die hun arbeidsrelatie regelt.
Schrappen
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel I – deel 3 - lid 3 – punt 1
Elke exporteur die voornemens is deze vergunning te gebruiken, moet zich vóór het eerste gebruik van de vergunning bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is, laten registreren. De registratie geschiedt automatisch en wordt binnen tien werkdagen na ontvangst door de bevoegde autoriteit aan de exporteur bevestigd.
Een lidstaat kan verlangen dat de in die lidstaat gevestigde exporteurs zich vóór het eerste gebruik van de vergunning laten registreren. De registratie geschiedt automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst, door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – Onderdeel J – deel 3 - lid 5 – punt 4
4)  indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.
4)  het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0390/2017).


Benoeming van een lid van de Rekenkamer – Eva Lindström
PDF 235kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 17 januari 2018 over de voordracht van Eva Lindström voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0401/2017 – 2017/0819(NLE))
P8_TA(2018)0007A8-0003/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0401/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0003/2018),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidate heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat deze commissie de kandidate vervolgens op 11 januari 2018 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Eva Lindström tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer – Tony James Murphy
PDF 236kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 17 januari 2018 over de benoeming van Tony James Murphy tot lid van de Rekenkamer (C8-0402/2017 – 2017/0820(NLE))
P8_TA(2018)0008A8-0002/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0402/2017),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0002/2018),

A.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

B.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole de door de Raad voorgedragen kandidaat voor het lidmaatschap van de Rekenkamer op 11 januari 2018 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Tony James Murphy tot lid van de Rekenkamer;

2.  roept de lidstaten op aandacht te besteden aan, en indien mogelijk, zich te laten inspireren door het algemeen vergelijkend onderzoeksmodel dat Ierland gebruikt om hun voorgedragen kandidaat te selecteren;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ***I
PDF 1076kWORD 150k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 januari 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (COM(2016)0767 – C8-0500/2016 – 2016/0382(COD))(1)
P8_TA(2018)0009A8-0392/2017

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen is een van de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie. Het veelvuldiger gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen vormt, samen met energiebesparing en grotere energie-efficiëntie, een belangrijk onderdeel van het pakket maatregelen dat nodig is om de broeikasgasemissies te doen dalen en om te voldoen aan de Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 het en aan beleidskader voor klimaat en energie 2030 van de Unie, met inbegrip van de bindende doelstelling om het emissieniveau tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen ten opzichte van het emissieniveau van 1990. Dit speelt ook een belangrijke rol bij het versterken van de energievoorzieningszekerheid, technologische ontwikkeling en innovatie en het scheppen van werkgelegenheid en kansen voor regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden en geïsoleerde gebieden of gebieden met een lage bevolkingsdichtheid.
(2)  Krachtens artikel 194, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen een van de doelstellingen van het energiebeleid van de Unie. Het veelvuldiger gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen vormt, samen met energiebesparing en grotere energie-efficiëntie, de essentie van het pakket maatregelen dat nodig is om de broeikasgasemissies te doen dalen en om te voldoen aan de verbintenis van de Unie uit hoofde van de Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 na de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP 21) (de "Overeenkomst van Parijs") en aan de noodzaak om in de Unie uiterlijk in 2050 tot CO2-neutraliteit te komen. Dit speelt ook een fundamentele rol bij de bevordering van de energievoorzieningszekerheid, duurzame energie voor een betaalbare prijs, technologische ontwikkeling en innovatie, alsook technologisch en industrieel leiderschap, en biedt tegelijkertijd ook maatschappelijke, milieu- en gezondheidsvoordelen en grote kansen voor werkgelegenheid en regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden en geïsoleerde gebieden, in gebieden met een lage bevolkingsdichtheid en in gebieden waar zich een gedeeltelijke de-industrialisatie voltrekt.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Met de Klimaatovereenkomst van Parijs heeft de wereld de lat in verband met de beperking van de klimaatverandering veel hoger gelegd doordat de ondertekenaars zich ertoe hebben verbonden om de mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en te streven naar een maximale stijging van 1,5 °C boven het pre-industriële niveau. De Unie moet zich voorbereiden op veel drastischere en snellere emissiereducties dan aanvankelijk gepland om uiterlijk in 2050 de omschakeling te kunnen maken naar een uiterst energie-efficiënt en op hernieuwbare bronnen gebaseerd energiesysteem. Daar staat tegenover dat deze reducties haalbaar zijn tegen lagere kosten dan eerder was ingeschat, gezien het tempo waaraan hernieuwbare-energietechnologieën zoals wind- en zonne-energie worden ontwikkeld en worden ingezet.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Vooral meer technologische verbeteringen, stimulansen voor het gebruik en de uitbreiding van het openbaar vervoer, het gebruik van technologieën die een efficiënter energiegebruik mogelijk maken en de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteits-, verwarmings- en koelingssectoren, alsook in de vervoerssector, zijn, samen met energie-efficiëntiebevorderende maatregelen, zeer doeltreffende middelen om de broeikasgasemissie in de Unie terug te dringen en de Unie minder afhankelijk te maken van de invoer van gas en olie.
(3)  Vooral de beperking van het energieverbruik, meer technologische verbeteringen, de uitbreiding van het openbaar vervoer, het gebruik van technologieën die een efficiënter energiegebruik mogelijk maken en de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteits-, verwarmings- en koelingssectoren, alsook in de vervoerssector, zijn, samen met energie-efficiëntiebevorderende maatregelen, zeer doeltreffende middelen om de broeikasgasemissie in de Unie en de energieafhankelijkheid van de Unie terug te dringen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  In Richtlijn 2009/28/EG is een regelgevingskader vastgesteld ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met bindende, tegen 2020 te behalen nationale streefcijfers voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik en het vervoer. In de mededeling van de Commissie van 22 januari 201412 is een kader voor het toekomstige beleid van de Unie inzake energie en klimaat vastgesteld en is de aanzet gegeven tot een gemeenschappelijke visie op de ontwikkeling van dat beleid na 2020. De Commissie heeft hierin voorgesteld om op Unieniveau een streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel van in de Unie tegen 2030 verbruikte hernieuwbare energie vast te stellen.
(4)  In Richtlijn 2009/28/EG is een regelgevingskader vastgesteld ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met bindende, tegen 2020 te behalen nationale streefcijfers voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het energieverbruik en het vervoer.
__________________
12 "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM(2014)0015).
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft dit streefcijfer bekrachtigd en aangegeven dat lidstaten zelf ambitieuzere nationale streefcijfers kunnen vaststellen.
Schrappen
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  Het Europees Parlement heeft in zijn resoluties over "een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" en "het voortgangsverslag hernieuwbare energie" de voorkeur gegeven aan een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat.
(6)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030 gepleit voor een bindend streefcijfer op Unieniveau van ten minste 30 % voor het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindenergieverbuik tegen 2030, hierbij benadrukkend dat dit doel moet worden nagestreefd door middel van individuele nationale streefcijfers, rekening houdend met de individuele situatie en het potentieel van elke lidstaat. In zijn resolutie van 23 juni 2016 over het voortgangsverslag hernieuwbare energie ging het Europees Parlement nog een stap verder door te wijzen op zijn eerdere standpunt betreffende een streefcijfer van de Unie van ten minste 30 % en te benadrukken dat het in het licht van de Overeenkomst van Parijs en de recente verlaging van de kosten van hernieuwbare-energietechnologie wenselijk zou zijn veel meer ambitie aan de dag te leggen.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  De in de Overeenkomst van Parijs vastgelegde ambitie en de technologische ontwikkelingen, waaronder de verlaging van de kosten voor investeringen in hernieuwbare energie, moeten daarom in acht worden genomen.
Amendement 324
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 27 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen. De lidstaten moeten bepalen hoe zij in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zullen bijdragen tot de verwezenlijking van dit streefdoel door middel van de in Verordening [governance] vastgestelde governanceprocedure.
(7)  Bijgevolg is het passend om op Unieniveau een bindend streefcijfer van ten minste 35 % voor het aandeel hernieuwbare energie vast te stellen en dat vergezeld te doen gaan van nationale streefcijfers. Het mag de lidstaten slechts bij uitzondering worden toegestaan om van het voorziene niveau van hun streefcijfer af te wijken, met maximaal 10 % en in omstandigheden die naar behoren onderbouwd moeten worden, meetbaar en verifieerbaar zijn en uitgaan van objectieve en niet-discriminerende criteria.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Bij de vaststelling van streefcijfers van de lidstaten inzake hernieuwbare energie moet rekening worden gehouden met de verplichtingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, het grote potentieel dat er nog steeds is voor hernieuwbare energie en de investeringen die nodig zijn om de energietransitie tot stand te brengen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  Bij de omzetting van het streefcijfer van de Unie van 35 % in afzonderlijke streefcijfers voor elke lidstaat moet de nodige aandacht worden besteed aan een billijke en adequate toewijzing, rekening houdend met het bbp van de lidstaten en de uiteenlopende uitgangssituaties en mogelijkheden van elke lidstaat, met inbegrip van het percentage energie uit hernieuwbare bronnen dat tegen 2020 moet worden behaald.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden. Een op Unieniveau vastgesteld streefcijfer zou de lidstaten meer ruimte bieden om hun streefcijfers voor de beperking van broeikasgasemissies op de meest kosteneffectieve wijze te halen overeenkomstig hun specifieke situatie, energiemix en mogelijkheden om hernieuwbare energie te produceren.
(8)  De vaststelling op Unieniveau van een bindend streefcijfer voor het gebruik van hernieuwbare energie tegen 2030 zou de ontwikkeling van technologieën voor de productie van hernieuwbare energie aanmoedigen en investeerders zekerheid bieden.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  De lidstaten moeten rekening houden met de mate waarin het gebruik van verschillende soorten energiebronnen verenigbaar is met het streefcijfer om de opwarming van de aarde tot 1,5 °C boven pre-industriële niveaus te beperken, en verenigbaar met het doel om in één beweging een economie zonder fossiele brandstoffen en een koolstofarme economie tot stand te brengen. De Commissie moet beoordelen op welke manier verschillende soorten hernieuwbare energiebronnen bijdragen aan deze doelstellingen, op basis van de terugverdientijd en de resultaten in vergelijking met fossiele brandstoffen, en om te overwegen een maximaal toegelaten terugverdientijd als duurzaamheidscriterium voor te stellen, in het bijzonder voor lignocellulosische biomassa.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  De lidstaten moeten aanvullende maatregelen nemen indien het aandeel hernieuwbare energie op Unieniveau niet op koers ligt voor het behalen van het streefcijfer van ten minste 27 % hernieuwbare energie. Als bepaald in Verordening [governance] kan de Commissie, indien bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een ambitiekloof wordt vastgesteld, op Unieniveau maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het streefcijfer wordt behaald. Indien de Commissie bij de beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen een gebrek aan concrete resultaten vaststelt, moeten de lidstaten de in Verordening [governance] opgenomen maatregelen toepassen, die hen voldoende ruimte bieden om keuzes te maken.
Schrappen
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten.
(15)  Van steunregelingen voor uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit is gebleken dat zij op een doeltreffende manier het gebruik van hernieuwbare energie aanmoedigen. Wanneer lidstaten beslissen steunregelingen ten uitvoer te leggen, moet dergelijke steun zodanig worden verleend dat deze de werking van de elektriciteitsmarkten zo min mogelijk verstoort. Daartoe kennen steeds meer lidstaten de steun zodanig toe dat deze een aanvulling vormt op de marktinkomsten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van verschillende technologieën en het uiteenlopende vermogen van kleine en grote producenten om te reageren op marktsignalen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen moet worden ingezet op een manier die de afnemers en belastingbetalers zo weinig mogelijk kost. Bij het ontwerpen van steunregelingen en het toekennen van steun moeten de lidstaten ernaar streven de totale systeemkosten voor de inzet ervan te minimaliseren en daarbij ten volle rekening houden met de behoeften met betrekking tot de ontwikkeling van het net en het systeem, de hieruit voortvloeiende energiemix en het langetermijnpotentieel van technologieën.
(16)  De opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van energieopslag, moet zo worden ingezet dat de langetermijnkosten van de energietransitie voor afnemers en belastingbetalers zo laag mogelijk blijven. Bij het ontwerpen van steunregelingen en het toekennen van steun moeten de lidstaten ernaar streven de totale systeemkosten voor de inzet ervan te minimaliseren en daarbij ten volle rekening houden met de behoeften met betrekking tot de ontwikkeling van het net en het systeem, de hieruit voortvloeiende energiemix en het langetermijnpotentieel van technologieën. De lidstaten moeten ook steun verlenen aan installaties via openbare aanbestedingen, die ofwel technologiespecifiek ofwel technologieneutraal kunnen zijn.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  In zijn conclusies van 24 oktober 2014 over het kader voor het klimaat- en energiebeleid 2030 benadrukte de Europese Raad het belang van een meer onderling verbonden interne energiemarkt en de noodzaak om de integratie van de steeds toenemende elektriciteitstoevoer uit variabele hernieuwbare energiebronnen voldoende te ondersteunen, opdat de Unie haar leidersambities op het gebied van de energietransitie kan waarmaken. Daarom is het van belang dat er met spoed meer onderlinge verbindingen tot stand worden gebracht en dat er vorderingen worden gemaakt bij de verwezenlijking van de door de Europese Raad afgesproken doelstellingen, teneinde het volledige potentieel van de energie-unie maximaal te benutten.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)  Bij het ontwerpen van steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen moeten de lidstaten de beginselen van de circulaire economie en de afvalhiërarchie, zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en Raad1 bis, in acht nemen. Afvalpreventie en -recycling verdienen daarbij de voorkeur. De lidstaten moeten vermijden steunregelingen te ontwerpen die strijdig zouden zijn met streefdoelen inzake afvalverwerking en die zouden leiden tot inefficiënt gebruik van recycleerbaar afval. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de in het kader van deze richtlijn ingevoerde maatregelen niet indruisen tegen de doelstellingen van Richtlijn 2008/98/EG.
_________________________
1 bis Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 quater (nieuw)
(16 quater)  In verband met het gebruik van biotische energiebronnen moeten de lidstaten voorzien in waarborgen ter bescherming van de biodiversiteit en ter voorkoming van de uitputting of het verlies van ecosystemen, alsook ter voorkoming van eventuele afwijkingen van bestaand gebruik die negatieve indirecte of directe gevolgen zouden hebben voor de biodiversiteit, de bodem of de algehele broeikasgasbalans.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 quinquies (nieuw)
(16 quinquies)  De lidstaten moeten het gebruik van energie uit binnenlandse hernieuwbare bronnen bevorderen en daar zoveel mogelijk de voorkeur aan geven, en moeten voorkomen dat er verstorende situaties ontstaan die leiden tot omvangrijke invoer van bronnen uit derde landen. In dit verband moet de levensloopbenadering worden gehanteerd en bevorderd.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 sexies (nieuw)
(16 sexies)  Hernieuwbare-energiegemeenschappen, steden en lokale overheden moeten het recht hebben om op gelijke voet met andere grote partijen te kunnen deelnemen aan beschikbare steunregelingen. Met het oog hierop moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om maatregelen te nemen, waaronder het verstrekken van informatie en van technische en financiële ondersteuning via de enkele administratieve contactpunten, om administratieve voorwaarden te beperken, op gemeenschappen gerichte inschrijvingscriteria op te nemen, op maat gesneden inschrijvingsintervallen voor hernieuwbare-energiegemeenschappen in te stellen, of toe te staan dat hernieuwbare-energiegemeenschappen worden vergoed met directe steun.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 septies (nieuw)
(16 septies)  Bij het opstellen van plannen voor de infrastructuur die nodig is voor de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen moet naar behoren rekening worden gehouden met beleidsmaatregelen die verband houden met de deelname van al wie wordt getroffen door de projecten, met inbegrip van eventuele inheemse bevolking, en moeten hun landrechten worden geëerbiedigd.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 octies (nieuw)
(16 octies)  Consumenten moeten uitgebreid worden geïnformeerd, onder meer over de winst op het vlak van energie-efficiëntie van bepaalde verwarmings- en koelingssystemen en over de lagere gebruikskosten van elektrische wagens, zodat zij als consument in staat zijn individuele keuzes te maken met betrekking tot hernieuwbare energie en kunnen vermijden in een technologische lock-in te belanden.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 nonies (nieuw)
(16 nonies)   Wanneer de ontwikkeling van de markt voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt gestimuleerd, is het noodzakelijk rekening te houden met de negatieve gevolgen voor andere marktdeelnemers. Daarom moeten steunregelingen het risico van markt- en concurrentieverstoring tot een minimum beperken.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  Hoewel de lidstaten moeten worden verplicht steunregelingen geleidelijk en gedeeltelijk open te stellen voor projecten in andere lidstaten tot op een niveau dat overeenstemt met de fysieke stromen tussen lidstaten, moet de openstelling van steunregelingen voorbij dit verplichte aandeel vrijwillig blijven. De lidstaten hebben een verschillend potentieel wat energie uit hernieuwbare bronnen betreft en hanteren op nationaal niveau verschillende steunregelingen voor energie uit hernieuwbare bronnen. De meerderheid van de lidstaten hanteert steunregelingen waarbij alleen de op hun grondgebied geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen voor steun in aanmerking komt. Voor de goede werking van nationale steunregelingen is het van wezenlijk belang dat de lidstaten greep hebben op het effect en de kosten van hun nationale steunregelingen overeenkomstig hun respectieve potentieel. Een belangrijke manier om het doel van deze richtlijn te bereiken, is te zorgen voor de goede werking van nationale steunregelingen, zoals in het kader van Richtlijnen 2001/77/EG en 2009/28/EG, teneinde het vertrouwen van de investeerders te bewaren en de lidstaten in staat te stellen doeltreffende nationale maatregelen voor het naleven van de streefcijfers uit te werken. Deze richtlijn heeft tot doel grensoverschrijdende ondersteuning van energie uit hernieuwbare bronnen te vergemakkelijken zonder op onevenredige wijze aan nationale steunregelingen te raken. Naast de verplichte gedeeltelijke openstelling van steunregelingen worden met deze richtlijn facultatieve samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten ingevoerd waardoor zij afspraken kunnen maken over de mate waarin de ene lidstaat de energieproductie in een andere lidstaat steunt en over de mate waarin de energieproductie uit hernieuwbare bronnen moet worden meegeteld voor het bereiken van de nationale algemene streefcijfers van de ene of de andere. Om te waarborgen dat beide maatregelen voor het naleven van de streefcijfers – nationale steunregelingen en samenwerkingsmechanismen – doeltreffend zijn, is het van wezenlijk belang dat de lidstaten, voor wat buiten het verplichte minimumaandeel voor openstelling valt, kunnen vaststellen of en in welke mate hun nationale steunregelingen van toepassing zijn op energie uit hernieuwbare bronnen die in andere lidstaten is geproduceerd, en dat zij hierover afspraken kunnen maken door gebruik te maken van de samenwerkingsmechanismen waarin wordt voorzien in deze richtlijn.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Onverlet wijzigingen van steunregelingen teneinde ze in overeenstemming te brengen met de staatssteunregels, moeten beleidsmaatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare energie stabiel zijn en moet worden vermeden dat deze voortdurend worden gewijzigd. Dergelijke wijzigingen hebben een directe impact op de kapitaalkosten, de projectontwikkelingskosten en bijgevolg op de totale kost voor de inzet van hernieuwbare energiebronnen in de Unie. De lidstaten moeten voorkomen dat de herziening van steun die is toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie, een negatieve impact heeft op de economische levensvatbaarheid van die projecten. In dit verband moeten de lidstaten kostenefficiënte steunmaatregelen bevorderen en de financiële duurzaamheid ervan garanderen.
(18)  Onder voorbehoud van de artikelen 107 en 108 VWEU moeten beleidsmaatregelen ter ondersteuning van hernieuwbare energie voorspelbaar en stabiel zijn en moet worden vermeden dat deze voortdurend of met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Onvoorspelbaar en onstabiel beleid heeft een directe impact op de kapitaalkosten, de projectontwikkelingskosten en bijgevolg op de totale kost voor de inzet van hernieuwbare energiebronnen in de Unie. De lidstaten moeten wijzigingen in beleidsmaatregelen ter ondersteuning lang genoeg op voorhand aankondigen en de belanghebbenden op passende wijze raadplegen. De lidstaten moeten hoe dan ook voorkomen dat de herziening van steun die is toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie, een negatieve impact heeft op de economische levensvatbaarheid van die projecten. In dit verband moeten de lidstaten kostenefficiënte steunmaatregelen bevorderen en de financiële duurzaamheid ervan garanderen.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  De verplichtingen van de lidstaten om actieplannen en voortgangsverslagen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen op te stellen en de verplichting van de Commissie om verslag uit te brengen over de voortgang van de lidstaten, zijn van cruciaal belang om de transparantie te vergroten, investeerders en consumenten klaarheid te verschaffen en doeltreffende monitoring mogelijk te maken. In Verordening [governance] worden deze verplichtingen geïntegreerd in het governancesysteem van de energie-unie, waarin de verplichtingen inzake planning, rapportage en toezicht op het vlak van energie en klimaat worden gestroomlijnd. Het transparantieplatform voor hernieuwbare energie is ook geïntegreerd in het ruimere, bij Verordening [governance] vastgestelde e-platform.
(19)  De verplichtingen van de lidstaten om actieplannen en voortgangsverslagen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen op te stellen en de verplichting van de Commissie om verslag uit te brengen over de voortgang van de lidstaten, zijn van cruciaal belang om de transparantie te vergroten, investeerders en consumenten klaarheid te verschaffen en doeltreffende monitoring mogelijk te maken. Om ervoor te zorgen dat de burgers centraal staan in de energietransitie moeten de lidstaten in hun actieplannen met betrekking tot energie uit hernieuwbare bronnen langetermijnstrategieën ontwikkelen die de opwekking van hernieuwbare energie door steden, hernieuwbare-energiegemeenschappen en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie bevorderen. In Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] worden deze verplichtingen geïntegreerd in het governancesysteem van de energie-unie, waarin de verplichtingen inzake langetermijnstrategieën, planning, rapportage en toezicht op het vlak van energie en klimaat worden gestroomlijnd. Het transparantieplatform voor hernieuwbare energie is ook geïntegreerd in het ruimere, bij Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] vastgestelde e-platform.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Hernieuwbare mariene energie biedt de Unie een unieke kans om haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, haar streefcijfers inzake de beperking van CO2-emissies te behalen en een nieuwe bedrijfstak uit te bouwen die zorgt voor werkgelegenheid in grote delen van haar grondgebied, waaronder de ultraperifere gebieden. De Unie moet bijgevolg streven naar de totstandbrenging van regelgeving en economische voorwaarden die gunstig zijn voor het inzetten van hernieuwbare mariene energie.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)  In haar mededeling van 20 juli 2016 getiteld "Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit" wijst de Commissie op het bijzondere belang op de middellange termijn van geavanceerde biobrandstoffen voor de luchtvaart. De commerciële luchtvaart is volledig afhankelijk van vloeibare brandstoffen, aangezien er geen veilig of gecertificeerd alternatief voorhanden is voor de sector van de burgerluchtvaart.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad17 vastgestelde beginselen van afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie bij haar regelmatige beoordelingen van de bijlage overwegen deze uit te breiden met aanvullende grondstoffen die geen significant verstorend effect hebben op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.
(25)  Teneinde ervoor te zorgen dat in bijlage IX rekening wordt gehouden met de beginselen van de circulaire economie, de in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad17 vastgestelde afvalhiërarchie, de duurzaamheidscriteria van de Unie, een levenscyclusbeoordeling van emissies en de noodzaak om geen extra landgebruik te veroorzaken door de bevordering van het gebruik van afvalstoffen en residuen, moet de Commissie de bijlage regelmatig evalueren en in eventuele wijzigingen die zij voorstelt rekening houden met de effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen.
__________________
__________________
17 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
17 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  In zijn resolutie van 4 april 2017 over palmolie en de ontbossing van regenwouden heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht maatregelen te treffen om het gebruik als bestanddeel van biobrandstoffen van plantaardige oliën die ontbossing in de hand werken, waaronder palmolie, geleidelijk af te bouwen, bij voorkeur tegen 2020.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Het moet mogelijk zijn dat ingevoerde elektriciteit die geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen buiten de Unie, meetelt voor het verwezenlijken van de aandelen van hernieuwbare energie van de lidstaten. Teneinde ervoor te zorgen dat de vervanging van conventionele energie door energie uit hernieuwbare bronnen zowel in de Unie als in de derde landen een passend effect sorteert, dient te worden gegarandeerd dat ingevoerde energie op betrouwbare wijze kan worden getraceerd en verantwoord. Overeenkomsten met derde landen betreffende de organisatie van deze handel in elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zullen worden overwogen. Indien bij een op grond van het Energiegemeenschapsverdrag18 genomen besluit daartoe, de toepasselijke bepalingen van deze richtlijn bindend zijn voor de betrokken verdragspartijen, moeten de in deze richtlijn bepaalde maatregelen voor samenwerking tussen de lidstaten op die partijen van toepassing zijn.
(28)  Het moet mogelijk zijn dat ingevoerde elektriciteit die geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen buiten de Unie, meetelt voor het verwezenlijken van de aandelen van hernieuwbare energie van de lidstaten. Teneinde ervoor te zorgen dat de vervanging van conventionele energie door energie uit hernieuwbare bronnen zowel in de Unie als in de derde landen een passend effect sorteert, dient te worden gegarandeerd dat ingevoerde energie op betrouwbare wijze kan worden getraceerd en verantwoord en dat die invoer plaatsvindt met volledige inachtneming van het internationaal recht. Overeenkomsten met derde landen betreffende de organisatie van deze handel in elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zullen worden overwogen. Indien bij een op grond van het Energiegemeenschapsverdrag18 genomen besluit daartoe, de toepasselijke bepalingen van deze richtlijn bindend zijn voor de betrokken verdragspartijen, moeten de in deze richtlijn bepaalde maatregelen voor samenwerking tussen de lidstaten op die partijen van toepassing zijn.
__________________
__________________
18 PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.
18 PB L 198 van 20.7.2006, blz. 18.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Indien lidstaten samen met een of meer derde landen gezamenlijke projecten op het gebied van de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opzetten, is het passend dat deze gezamenlijke projecten alleen betrekking hebben op nieuwe installaties of installaties waarvan de capaciteit recentelijk is verhoogd. Dit zal er mee voor zorgen dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het totale energieverbruik van het derde land niet wordt gereduceerd ten gevolge van de invoer van energie uit hernieuwbare bronnen in de Unie. Bovendien moeten de betrokken lidstaten bevorderen dat een deel van de elektriciteit die is geproduceerd door de onder het gezamenlijk project vallende installaties kan dienen voor binnenlands verbruik door het betrokken derde land. Daarnaast moet het betrokken derde land door de Commissie en de lidstaten worden aangespoord om een beleid inzake hernieuwbare energie op te zetten dat ambitieuze streefcijfers omvat.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 ter (nieuw)
(28 ter)   Deze richtlijn voorziet niet alleen in een Uniekader voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, maar draagt ook bij aan de potentiële positieve effecten die de Unie en de lidstaten ten deel kunnen vallen wanneer ze de ontwikkeling van de sector hernieuwbare energie in derde landen zouden stimuleren. De Unie en de lidstaten moeten ijveren voor onderzoek, ontwikkeling en investeringen in de productie van hernieuwbare energie in ontwikkelings- en andere partnerlanden, die daardoor hun economische en milieuduurzaamheid en hun uitvoercapaciteit voor hernieuwbare energie kunnen verbeteren. Daarnaast kan de invoer van hernieuwbare energie uit partnerlanden de Unie en de lidstaten helpen hun ambitieuze doelen in verband met de vermindering van koolstofemissies te verwezenlijken.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 quater (nieuw)
(28 quater)   Ontwikkelingslanden kiezen op nationaal niveau steeds vaker voor een beleid van hernieuwbare energie, daar zij energie uit hernieuwbare bronnen willen produceren om aan de toenemende vraag te kunnen voldoen. Meer dan 173 landen, waaronder 117 ontwikkelingslanden of opkomende economieën, hadden eind 2015 streefcijfers voor hernieuwbare energie vastgesteld.
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28 quinquies (nieuw)
(28 quinquies)  Het energiegebruik in ontwikkelingslanden is nauw verbonden met een reeks maatschappelijke kwesties: armoedebestrijding, onderwijs, gezondheid, bevolkingsgroei, werkgelegenheid, ondernemerschap, communicatie, verstedelijking en een gebrek aan kansen voor vrouwen. Hernieuwbare energie draagt een groot potentieel in zich om tegelijk ontwikkeling mogelijk te maken en uitdagingen op milieugebied aan te pakken. De afgelopen jaren hebben er belangrijke ontwikkelingen plaatsgevonden op het gebied van technologieën voor alternatieve energie, zowel wat prestaties als wat vermindering van de kosten betreft. Bovendien bevinden veel ontwikkelingslanden zich in een bijzonder gunstige positie als het gaat om de ontwikkeling van een nieuwe generatie energietechnologieën. Behalve aan ontwikkeling en milieuverbetering kunnen hernieuwbare energievormen ook bijdragen aan grotere veiligheid en economische stabiliteit. Een toegenomen gebruik van hernieuwbare energiebronnen zou de afhankelijkheid van dure invoer van fossiele brandstoffen verminderen en vele landen helpen om hun betalingsbalans te verbeteren.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31 bis (nieuw)
(31 bis)  Afhankelijk van de geologische kenmerken van een gebied kan de productie van geothermische energie broeikasgassen en andere stoffen vrijmaken uit ondergrondse vloeistoffen en andere ondergrondse geologische formaties. Investeringen mogen alleen worden gericht op de productie van geothermische energie waarvan de milieueffecten gering zijn en waarbij minder broeikasgassen vrijkomen dan bij conventionele energiebronnen. Daarom moet de Commissie uiterlijk in december 2018 beoordelen of er behoefte is aan een wetgevingsvoorstel tot regulering van de uitstoot door geothermische installaties van alle stoffen, met inbegrip van CO2, die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu, zowel in de fase van exploratie als van exploitatie.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 33
(33)  Op nationaal en regionaal niveau hebben regels en verplichtingen betreffende minimumeisen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen geleid tot een aanzienlijke toename in het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Dergelijke maatregelen moeten ook op ruimere schaal in de hele Unie worden aangemoedigd; voorts moet ook het gebruik van energie-efficiëntere toepassingen van energie uit hernieuwbare bronnen in het kader van bouwvoorschriften en -regels worden aangemoedigd.
(33)  Op nationaal, regionaal en lokaal niveau hebben regels en verplichtingen betreffende minimumeisen voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen geleid tot een aanzienlijke toename in het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Dergelijke maatregelen moeten ook op ruimere schaal in de hele Unie worden aangemoedigd; voorts moet ook het gebruik van energie-efficiëntere toepassingen van energie uit hernieuwbare bronnen in combinatie met maatregelen voor energiebesparing en energie-efficiëntie in het kader van bouwvoorschriften en -regels worden aangemoedigd.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 35
(35)  Om ervoor te zorgen dat nationale maatregelen ter ontwikkeling van hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling gebaseerd zijn op een uitgebreide inventarisatie en analyse van het nationale potentieel inzake hernieuwbare energie en afvalenergie, en om te voorzien in een betere integratie van hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen voor verwarming en koeling, is het passend van de lidstaten te verlangen dat zij hun nationale potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling beoordelen, met name ter bevordering van de brede integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsinstallaties en van efficiënte en concurrerende stadsverwarming en -koeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad21. Om de samenhang met de vereisten betreffende energie-efficiëntie voor verwarming en koeling te garanderen en de administratieve lasten te verminderen, moet deze beoordeling worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn uitgevoerde en meegedeelde uitgebreide beoordelingen.
(35)  Om ervoor te zorgen dat nationale maatregelen ter ontwikkeling van hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling gebaseerd zijn op een uitgebreide inventarisatie en analyse van het nationale potentieel inzake hernieuwbare energie en afvalenergie, en om te voorzien in een betere integratie van hernieuwbare energiebronnen – in het bijzonder door ondersteuning van innovatieve technologieën zoals warmtepompen, geothermische technologieën en thermische zonne-energietechnologieën – en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen voor verwarming en koeling, is het passend van de lidstaten te verlangen dat zij hun nationale potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling beoordelen, met name ter bevordering van de brede integratie van hernieuwbare energie in verwarmings- en koelingsinstallaties en van efficiënte en concurrerende stadsverwarming en -koeling als gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad21. Om de samenhang met de vereisten betreffende energie-efficiëntie voor verwarming en koeling te garanderen en de administratieve lasten te verminderen, moet deze beoordeling worden opgenomen in de overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn uitgevoerde en meegedeelde uitgebreide beoordelingen.
__________________
__________________
21 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
21 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 36
(36)  Het gebrek aan transparante regels en coördinatie tussen de verschillende vergunningsinstanties is een hinderpaal voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen gebleken. De oprichting van één enkel administratief contactpunt waarin alle vergunningsprocedures worden geïntegreerd en gecoördineerd, moet de complexiteit verminderen en de efficiëntie en transparantie verhogen. Administratieve goedkeuringsprocedures moeten gestroomlijnd worden met transparante termijnen voor installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen. De voorschriften en regels op het gebied van ruimtelijke ordening moeten worden aangepast om rekening te houden met kostenefficiënte en milieuvriendelijke apparatuur voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking op basis van hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn, en met name de bepalingen inzake de organisatie en duurtijd van de vergunningsprocedure, moet worden toegepast onverminderd de toepassing van het internationale recht en het recht van de Unie, waaronder de bepalingen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid.
(36)  Het gebrek aan transparante regels en coördinatie tussen de verschillende vergunningsinstanties is een hinderpaal voor de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen gebleken. De oprichting van één enkel administratief contactpunt waarin alle vergunningsprocedures worden geïntegreerd en gecoördineerd, moet de complexiteit verminderen en de efficiëntie en transparantie verhogen, onder meer voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen. Administratieve goedkeuringsprocedures moeten gestroomlijnd worden met transparante termijnen voor installaties die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen. De voorschriften en regels op het gebied van ruimtelijke ordening moeten worden aangepast om rekening te houden met kostenefficiënte en milieuvriendelijke apparatuur voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking op basis van hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn, en met name de bepalingen inzake de organisatie en duurtijd van de vergunningsprocedure, moet worden toegepast onverminderd de toepassing van het internationale recht en het recht van de Unie, waaronder de bepalingen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 43
(43)  Een garantie van oorsprong die is afgegeven met het oog op de toepassing van deze richtlijn heeft uitsluitend tot doel de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is uit hernieuwbare bronnen. Een garantie van oorsprong kan, ongeacht de energie waarop zij betrekking heeft, van de ene houder aan de andere worden overgedragen. Teneinde ervoor te zorgen dat een eenheid hernieuwbare energie slechts eenmaal aan een afnemer verstrekt wordt, moeten dubbeltellingen en dubbele verstrekkingen van garanties van oorsprong worden vermeden. Energie uit hernieuwbare bronnen waarvan de bijbehorende garantie van oorsprong afzonderlijk door de producent is verkocht, zou niet aan de eindafnemer mogen verstrekt of verkocht worden als energie uit hernieuwbare bronnen.
(43)  Een garantie van oorsprong die is afgegeven met het oog op de toepassing van deze richtlijn heeft uitsluitend tot doel de eindafnemer aan te tonen dat een bepaald aandeel of een bepaalde hoeveelheid energie geproduceerd is uit hernieuwbare bronnen. Een garantie van oorsprong kan, ongeacht de energie waarop zij betrekking heeft, van de ene houder aan de andere worden overgedragen. Teneinde ervoor te zorgen dat een eenheid hernieuwbare energie slechts eenmaal aan een afnemer verstrekt wordt, moeten dubbeltellingen en dubbele verstrekkingen van garanties van oorsprong worden vermeden. Energie uit hernieuwbare bronnen waarvan de bijbehorende garantie van oorsprong afzonderlijk door de producent is verkocht, zou niet aan de eindafnemer mogen verstrekt of verkocht worden als energie uit hernieuwbare bronnen. Het is van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen in het kader van een steunregeling gebruikte groene certificaten en garanties van oorsprong.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 45
(45)  Het is belangrijk informatie te verstrekken over de wijze waarop de elektriciteit waarvoor steun wordt verleend, aan de eindafnemers wordt toegewezen. Om de kwaliteit van deze informatie aan de consumenten te verbeteren, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat garanties van oorsprong worden afgegeven voor alle geproduceerde eenheden hernieuwbare energie. Om dubbele compensatie te vermijden, dienen producenten van hernieuwbare energie waaraan reeds steun wordt verleend, geen garanties van oorsprong te krijgen. Deze garanties van oorsprong moeten echter worden gebruikt voor informatieverstrekking, zodat eindafnemers duidelijk, betrouwbaar en afdoend bewijs kunnen krijgen over de hernieuwbare oorsprong van de desbetreffende energie-eenheden. Voor elektriciteit waarvoor steun is verleend, moeten de garanties van oorsprong bovendien aan de markt worden geveild en moet de opbrengst hiervan worden gebruikt om de overheidssubsidies voor hernieuwbare energie te verminderen.
(45)  Het is belangrijk informatie te verstrekken over de wijze waarop de elektriciteit waarvoor steun wordt verleend, aan de eindafnemers wordt toegewezen. Om de kwaliteit van deze informatie aan de consumenten te verbeteren, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat garanties van oorsprong worden afgegeven voor alle geproduceerde eenheden hernieuwbare energie.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49
(49)  De mogelijkheden om via innovatie en een duurzaam concurrerend energiebeleid tot economische groei te komen, zijn onderkend. De productie van energie uit hernieuwbare bronnen hangt vaak af van lokale of regionale kmo's. De kansen op het gebied van groei en werkgelegenheid die investeringen in regionale en lokale productie van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaten en hun regio's scheppen, zijn belangrijk. De Commissie en de lidstaten zouden daarom nationale en regionale ontwikkelingsmaatregelen op deze gebieden moeten steunen, de uitwisseling van optimale praktijken bij de productie van energie uit hernieuwbare bronnen tussen lokale en regionale ontwikkelingsinitiatieven moeten aanmoedigen en het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid op dit gebied moeten bevorderen.
(49)  De mogelijkheden om via innovatie en een duurzaam concurrerend energiebeleid tot economische groei te komen, zijn onderkend. De productie van energie uit hernieuwbare bronnen hangt vaak af van lokale of regionale kmo's. De kansen op het gebied van ontwikkeling van het plaatselijke bedrijfsleven, duurzame groei en werkgelegenheid van hoge kwaliteit die investeringen in regionale en lokale productie van energie uit hernieuwbare bronnen in de lidstaten en hun regio's scheppen, zijn belangrijk. De Commissie en de lidstaten zouden daarom nationale en regionale ontwikkelingsmaatregelen op deze gebieden moeten bevorderen en steunen, de uitwisseling van optimale praktijken bij de productie van energie uit hernieuwbare bronnen tussen lokale en regionale ontwikkelingsinitiatieven moeten aanmoedigen, en meer technische bijstand en opleidingsprogramma's moeten aanbieden om op het terrein een grotere regelgevings-, technische en financiële deskundigheid te ontwikkelen en de kennis van beschikbare financieringsmogelijkheden te bevorderen, waaronder een doelgerichter gebruik van Uniefondsen zoals het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid op dit gebied.
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49 bis (nieuw)
(49 bis)  Lokale en regionale autoriteiten stellen vaak streefcijfers inzake hernieuwbare energie vast die ambitieuzer zijn dan de nationale streefcijfers. Regionale en lokale toezeggingen om de ontwikkeling van energie uit hernieuwbare bronnen en energie-efficiëntie te stimuleren, worden momenteel ondersteund via netwerken – zoals het Burgemeestersconvenant of de initiatieven in verband met slimme steden en slimme gemeenschappen – en via de ontwikkeling van actieplannen voor duurzame energie. Dergelijke netwerken zijn onmisbaar en moeten worden uitgebreid, aangezien ze het bewustzijn vergroten en de uitwisseling van beste praktijken en beschikbare financiële steun bevorderen. In dit verband moet de Commissie ook steun verlenen aan belangstellende koplopersregio's en lokale autoriteiten die over de grenzen heen willen samenwerken, door bijstand te verlenen bij het opzetten van samenwerkingsmechanismen, zoals een Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking die de overheden van diverse lidstaten in staat stelt de handen in elkaar te slaan en gezamenlijke diensten en projecten af te leveren, zonder dat er vooraf door de nationale parlementen een internationale overeenkomst moet worden ondertekend en geratificeerd.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49 ter (nieuw)
(49 ter)  Lokale autoriteiten en steden zijn koplopers wat het aandrijven van de energietransitie en het op grotere schaal inzetten van hernieuwbare energie betreft. Lokale besturen zijn het overheidsniveau dat het dichtst bij de burger staat en vervullen als zodanig een cruciale rol bij het opbouwen van een draagvlak voor de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie; daarnaast zetten ze ook meer gedecentraliseerde en geïntegreerde energiesystemen in. Het is belangrijk om steden, gemeenten en regio's een betere toegang tot financiering te verschaffen om investeringen in lokale hernieuwbare energie te bevorderen.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 49 quater (nieuw)
(49 quater)  Er moeten ook andere innovatieve maatregelen worden overwogen om meer investeringen in nieuwe technologieën aan te trekken, zoals energieprestatiecontracten en normaliseringsprocessen in overheidsfinanciering.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 50
(50)  Ter bevordering van de ontwikkeling van een markt voor energie uit hernieuwbare bronnen is het noodzakelijk rekening te houden met de positieve gevolgen daarvan voor de regionale en lokale ontwikkelingsmogelijkheden, de perspectieven voor de uitvoer, de sociale samenhang en de werkgelegenheidskansen, vooral wat betreft kmo's en onafhankelijke energieproducenten.
(50)  Ter bevordering van de ontwikkeling van een markt voor energie uit hernieuwbare bronnen is het noodzakelijk rekening te houden met de positieve gevolgen daarvan voor de regionale en lokale ontwikkelingsmogelijkheden, de perspectieven voor de uitvoer, de sociale samenhang en de werkgelegenheidskansen, vooral wat betreft kmo's en onafhankelijke energieproducenten, met inbegrip van consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 51
(51)  De specifieke situatie van de ultraperifere gebieden wordt erkend in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De energiesector in de ultraperifere gebieden wordt vaak gekenmerkt door isolement, beperkte levering en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, hoewel deze gebieden over grote lokale hernieuwbare energiebronnen beschikken. De ultraperifere gebieden kunnen de Unie dus tot voorbeeld strekken wat de toepassing van innovatieve energietechnologieën betreft. Daarom is het nodig dat het gebruik van hernieuwbare energie wordt gestimuleerd, zodat deze gebieden autonomer in hun energiebehoeften kunnen voorzien, en dat hun specifieke situatie wordt erkend met betrekking tot hun potentieel op het gebied van hernieuwbare energie en hun behoeften op het vlak van overheidssteun.
(51)  De specifieke situatie van de ultraperifere gebieden wordt erkend in artikel 349 VWEU. De energiesector in de ultraperifere gebieden wordt vaak gekenmerkt door isolement, beperkte en duurdere levering en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, hoewel deze gebieden over grote lokale hernieuwbare energiebronnen beschikken, met name biomassa en mariene energie. De ultraperifere gebieden kunnen de Unie dus tot voorbeeld strekken wat de toepassing van innovatieve energietechnologieën betreft en kunnen gebieden worden waar 100 % hernieuwbare energie wordt gebruikt. Daarom is het nodig dat de strategie inzake hernieuwbare energie wordt aangepast, zodat deze gebieden autonomer in hun energiebehoeften kunnen voorzien, de voorzieningszekerheid wordt versterkt, en hun specifieke situatie wordt erkend met betrekking tot hun potentieel op het gebied van hernieuwbare energie en hun behoeften op het vlak van overheidssteun. Bovendien moeten de ultraperifere gebieden de mogelijkheid krijgen om hun hulpbronnen ten volle te exploiteren, met naleving van strenge duurzaamheidscriteria en in overeenstemming met lokale omstandigheden en behoeften, zodat de productie van hernieuwbare energie wordt opgevoerd en hun energieonafhankelijkheid groter wordt.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 52
(52)  Het is passend om de ontwikkeling van technologieën voor gedecentraliseerde hernieuwbare energie mogelijk te maken onder niet-discriminerende voorwaarden en zonder de financiering van investeringen in infrastructuur te belemmeren. De overgang naar een gedecentraliseerde energieproductie heeft vele voordelen, waaronder het gebruik van lokale energiebronnen, meer plaatselijke energievoorzieningszekerheid, kortere aanvoerwegen en minder verliezen bij de transmissie van energie. Ook de ontwikkeling en de cohesie van gemeenschappen worden door zulke decentralisatie bevorderd, omdat er lokaal bronnen van inkomsten en werkgelegenheid worden gecreëerd.
(52)  Het is passend om de ontwikkeling van technologieën voor gedecentraliseerde hernieuwbare energie en de opslag ervan mogelijk te maken onder niet-discriminerende voorwaarden en zonder de financiering van investeringen in infrastructuur te belemmeren. De overgang naar een gedecentraliseerde energieproductie heeft vele voordelen, waaronder het gebruik van lokale energiebronnen, meer plaatselijke energievoorzieningszekerheid, kortere aanvoerwegen en minder verliezen bij de transmissie van energie. Ook de ontwikkeling en de cohesie van gemeenschappen worden door zulke decentralisatie bevorderd, omdat er lokaal bronnen van inkomsten en werkgelegenheid worden gecreëerd.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53
(53)  Door het toenemende belang van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit is er behoefte aan een definitie van "consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie", alsook aan een regelgevingskader dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie de mogelijkheid biedt om elektriciteit te produceren, op te slaan, te verbruiken en te verkopen zonder met onevenredige lasten te worden geconfronteerd. Collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moet in sommige gevallen worden toegestaan zodat burgers die in appartementen wonen bijvoorbeeld dezelfde mate van empowerment kunnen genieten als huishoudens in eengezinswoningen.
(53)  Door het toenemende belang van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit is er behoefte aan een definitie van "consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie", alsook aan een regelgevingskader dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie de mogelijkheid biedt om elektriciteit te produceren, op te slaan, te verbruiken en te verkopen zonder met onevenredige lasten te worden geconfronteerd. De tarieven en vergoedingen voor consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moeten stimulansen bieden voor de ontwikkeling van slimmere technologieën voor de integratie van hernieuwbare energie en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie aanzetten tot het nemen van investeringsbesluiten die zowel de afnemer als het net ten goede komen. Om tot een dergelijk evenwicht te komen, moeten consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht krijgen om een vergoeding te ontvangen voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit die zij aan het net leveren en moet die vergoeding de marktwaarde van die geleverde elektriciteit weerspiegelen, evenals de langetermijnwaarde voor het net, het milieu en de samenleving. Hierbij moeten zowel langetermijnkosten als ‑opbrengsten van het verbruik van zelfgeproduceerde energie in aanmerking worden genomen, uitgedrukt als vermeden kosten voor het net, de samenleving en het milieu, vooral in combinatie met andere gedistribueerde energiebronnen zoals energie-efficiëntie, energieopslag, vraagrespons en gemeenschapsnetwerken. Deze vergoeding moet worden vastgesteld aan de hand van de kosten-batenanalye voor gedistribueerde energiebronnen uit hoofde van artikel 59 van Richtlijn … van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)].
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53 bis (nieuw)
(53 bis)  Collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie moet in sommige gevallen worden toegestaan zodat burgers die bijvoorbeeld in appartementen wonen dezelfde mate van empowerment kunnen genieten als huishoudens in eengezinswoningen. Wanneer collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie mogelijk wordt gemaakt, biedt dit de hernieuwbare-energiegemeenschappen ook kansen om de energie-efficiëntie van huishoudens te verbeteren en energiearmoede te bestrijden dankzij een lager verbruik en voordeligere leveringstarieven. De lidstaten moeten deze kans aangrijpen door onder meer na te gaan hoe ze het voor huishoudens die anders misschien niet zouden kunnen deelnemen, onder meer kwetsbare consumenten en huurders, mogelijk kunnen maken toch deel te nemen.
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 53 ter (nieuw)
(53 ter)  De lidstaten moeten zorgen voor naleving van de voorschriften in verband met verbruik en de invoering of versterking van maatregelen ter bestrijding van gedwongen verkoop, oneerlijke verkooppraktijken en misleidende beweringen met betrekking tot de installatie van apparatuur voor hernieuwbare energie die vooral de kwetsbaarste groepen treffen (zoals bejaarden en plattelandsbewoners).
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 54
(54)  Lokale burgerparticipatie in projecten op het gebied van hernieuwbare energie via hernieuwbare-energiegemeenschappen heeft tot aanzienlijk meer lokale acceptatie van hernieuwbare energie en toegang tot extra particulier kapitaal geleid. Deze lokale betrokkenheid zal des te essentiëler zijn wanneer in de toekomst de hernieuwbare-energiecapaciteit toeneemt.
(54)  Lokale burgerparticipatie en de participatie van lokale autoriteiten in projecten op het gebied van hernieuwbare energie via hernieuwbare-energiegemeenschappen heeft tot aanzienlijk meer lokale acceptatie van hernieuwbare energie en toegang tot extra particulier kapitaal geleid, met als resultaat lokale investeringen, meer keuze voor de consument, meer participatie van burgers in de energietransitie, meer bepaald door het aansporen van huishoudens die anders misschien niet zouden kunnen deelnemen, de bevordering van de energie-efficiëntie van huishoudens en de bestrijding van energiearmoede aan de hand van een lager verbruik en voordeligere leveringstarieven. Deze lokale betrokkenheid zal des te essentiëler zijn wanneer in de toekomst de hernieuwbare-energiecapaciteit toeneemt.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 55 bis (nieuw)
(55 bis)  Het is belangrijk dat de lidstaten zorgen voor een eerlijke en niet-verstorende toewijzing van netwerkkosten en -heffingen voor alle gebruikers van het elektriciteitssysteem. Alle nettarieven moeten de kosten weerspiegelen.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 57
(57)  Verscheidene lidstaten hebben maatregelen genomen in de verwarmings- en koelingssector om hun streefcijfer inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Bij gebrek aan bindende nationale streefcijfers voor de periode na 2020 zullen de overblijvende nationale stimulansen wellicht onvoldoende zijn om de langetermijndoelstellingen inzake decarbonisatie voor 2030 en 2050 te halen. Om met het oog op dergelijke doelstellingen te handelen, investeerders meer zekerheid te bieden en de ontwikkeling van een Uniebrede markt voor hernieuwbare verwarming en koeling te bevorderen, is het passend de lidstaten aan te moedigen wanneer zij een inspanning leveren met betrekking tot de levering van hernieuwbare verwarming en koeling teneinde bij te dragen aan een progressieve toename van het aandeel hernieuwbare energie. Aangezien sommige markten voor verwarming en koeling versnipperd zijn, is het van groot belang dat bij dergelijke inspanningen voor flexibiliteit wordt gezorgd. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat een potentiële toename van het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling geen schadelijke neveneffecten heeft voor het milieu.
(57)  Verscheidene lidstaten hebben maatregelen genomen in de verwarmings- en koelingssector om hun streefcijfer inzake hernieuwbare energie voor 2020 te halen. Om met het oog op dergelijke doelstellingen te handelen, investeerders meer zekerheid te bieden en de ontwikkeling van een Uniebrede markt voor hernieuwbare verwarming en koeling te bevorderen, met inachtneming van het beginsel "energie-efficiëntie eerst", is het passend de lidstaten aan te moedigen wanneer zij een inspanning leveren met betrekking tot de levering van hernieuwbare verwarming en koeling teneinde bij te dragen aan een progressieve toename van het aandeel hernieuwbare energie. Aangezien sommige markten voor verwarming en koeling versnipperd zijn, is het van groot belang dat bij dergelijke inspanningen voor flexibiliteit wordt gezorgd. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat een potentiële toename van het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling geen schadelijke neveneffecten heeft voor het milieu en de volksgezondheid.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 59 bis (nieuw)
(59 bis)  Huishoudens en gemeenschappen die hun flexibiliteit verhandelen, zelfgeproduceerde energie verbruiken of zelfgeproduceerde elektriciteit verkopen, behouden hun consumentenrechten, waaronder het recht om een overeenkomst te sluiten met een leverancier naar keuze en het recht om van leverancier te veranderen.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 60
(60)  Nadruk moet worden gelegd op de potentiële synergieën tussen de inspanning om het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling te laten toenemen enerzijds en de bestaande regelingen van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU anderzijds. In de mate van het mogelijke moeten lidstaten de mogelijkheid hebben om bestaande administratieve structuren te gebruiken om aan een dergelijke inspanning uitvoering te geven, zodat de administratieve lasten worden beperkt.
(60)  Het gebruik van efficiënte verwarmings- of koelingssystemen op basis van energie uit hernieuwbare bronnen moet gepaard gaan met een grondige renovatie van gebouwen, teneinde de energievraag en -kosten voor de afnemers te verlagen, bij te dragen aan de terugdringing van energiearmoede en plaatselijke werkgelegenheid voor gekwalificeerd personeel te creëren. Daartoe moet nadruk worden gelegd op de potentiële synergieën tussen de noodzaak om het gebruik van hernieuwbare verwarming en koeling te laten toenemen enerzijds en de bestaande regelingen van de Richtlijnen 2010/31/EU en 2012/27/EU anderzijds. In de mate van het mogelijke moeten lidstaten de mogelijkheid hebben om bestaande administratieve structuren te gebruiken om aan een dergelijke inspanning uitvoering te geven, zodat de administratieve lasten worden beperkt.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 61 bis (nieuw)
(61 bis)  Op het gebied van intelligent vervoer is het van belang de ontwikkeling en toepassing van elektrische mobiliteit op de weg te stimuleren, en daarnaast de integratie van geavanceerde technologieën in innovatief spoorverkeer te versnellen door het Shift2Rail-initiatief ten behoeve van schoon openbaar vervoer naar voren te schuiven.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 62
(62)  In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoerssector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen.
(62)  Wanneer weilanden of landbouwgronden die voordien bestemd waren voor de productie van voedsel- en voedergewassen worden herbestemd voor de productie van biobrandstoffen, moet nog steeds worden voldaan aan de niet aan brandstoffen gerelateerde vraag, hetzij door intensivering van de huidige productie, hetzij door elders niet-landbouwgrond in productie te nemen. In dit laatste geval is er sprake van indirecte veranderingen in het landgebruik en wanneer dit de conversie betreft van land met een grote koolstofvoorraad, kan dit resulteren in aanzienlijke emissies van broeikasgassen. In de Europese strategie voor koolstofarme mobiliteit van juli 2016 werd betoogd dat biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen een beperkte rol spelen in het koolstofvrij maken van de vervoerssector, dat het gebruik hiervan moet worden uitgefaseerd en dat deze door geavanceerde biobrandstoffen moeten worden vervangen. Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale impact van indirecte veranderingen in het landgebruik tot een minimum te beperken, is het wenselijk om de hoeveelheid uit voedsel- en voedergewassen geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het behalen van het in deze richtlijn vastgestelde streefcijfer van de Unie, te verlagen, en daarbij biobrandstoffen op basis van gewassen met een hoge broeikasgasefficiëntie en een gering risico van indirecte veranderingen in het landgebruik als een aparte categorie te behandelen. De invoering van geavanceerde biobrandstoffen en elektrische mobiliteit moet worden versneld.
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 63 bis (nieuw)
(63 bis)  De Unie en de lidstaten moeten ernaar streven de energiemix uit hernieuwbare bronnen te vergroten, het totale energieverbruik in het vervoer te verminderen en de energie-efficiëntie in alle vervoerssectoren te doen toenemen. Daartoe kunnen maatregelen worden bevorderd op het gebied van vervoersplanning en de productie van wagens met een hogere energie-efficiëntie.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 63 ter (nieuw)
(63 ter)  Brandstofefficiëntienormen voor wegvervoer zouden een doeltreffende manier zijn om het gebruik van alternatieve hernieuwbare energiebronnen in de vervoerssector te doen toenemen en om op lange termijn een verdere reductie van broeikasgasemissies en decarbonisatie tot stand te brengen in de vervoerssector. Brandstofefficiëntienormen moeten worden bevorderd in overeenstemming met technologische ontwikkelingen en de streefcijfers inzake klimaat en energie.
Amendement 286
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 63 quater (nieuw)
(63 quater)  Geavanceerde biobrandstoffen zullen naar verwachting een belangrijke rol spelen bij het verminderen van de broeikasgasemissies van de luchtvaart, en daarom moet aan de vermengingsverplichting ook specifiek worden voldaan met betrekking tot aan de luchtvaartsector geleverde brandstoffen. Op het niveau van de Unie en de lidstaten moet beleid worden ontwikkeld ter aanmoediging van operationele maatregelen om brandstof te besparen in de scheepvaart, samen met inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling om door wind- en zonne-energie aangedreven zeevervoer te doen toenemen.
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 65 bis (nieuw)
(65 bis)  Om het aandeel van hernieuwbare elektriciteit in het vervoer nauwkeuriger te kunnen meten, moet een passende methodologie worden ontwikkeld en moeten verschillende technische en technologische oplossingen worden onderzocht.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 66
(66)  Grondstoffen die slechts in beperkte mate tot indirecte veranderingen in het landgebruik leiden wanneer ze worden gebruikt voor biobrandstoffen, moeten worden bevorderd vanwege de bijdrage die hiermee kan worden geleverd aan het koolstofvrij maken van de economie. In het bijzonder grondstoffen voor geavanceerde biobrandstoffen die innovatievere en minder ontwikkelde technologie en dus meer ondersteuning vereisen, moeten worden opgenomen in een bijlage bij deze richtlijn. Om ervoor te zorgen dat deze bijlage de nieuwste technologische ontwikkelingen volgt en dat onbedoelde negatieve gevolgen worden vermeden, moet na de vaststelling van de richtlijn een evaluatie plaatsvinden om na te gaan of de bijlage kan worden uitgebreid tot nieuwe grondstoffen.
(66)  Grondstoffen die slechts in beperkte mate tot indirecte veranderingen in het landgebruik leiden wanneer ze worden gebruikt voor biobrandstoffen, moeten worden bevorderd vanwege de bijdrage die hiermee kan worden geleverd aan het koolstofvrij maken van de economie. In het bijzonder grondstoffen voor geavanceerde biobrandstoffen die innovatievere en minder ontwikkelde technologie en dus meer ondersteuning vereisen, moeten worden opgenomen in een bijlage bij deze richtlijn. Om ervoor te zorgen dat deze bijlage de nieuwste technologische ontwikkelingen volgt en dat onbedoelde negatieve gevolgen worden vermeden, moet de bijlage regelmatig worden geëvalueerd.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 68
(68)  Teneinde maximaal voordeel te halen uit het potentieel van biomassa om bij te dragen aan het koolstofarm maken van de economie dankzij het gebruik ervan voor materialen en energie, moeten de Unie en de lidstaten het duurzame gebruik van bestaande houtopstanden en agrarische hulpbronnen stimuleren en zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bosbouwsystemen en systemen voor landbouwproductie.
(68)  Teneinde maximaal voordeel te halen uit het potentieel van biomassa om bij te dragen aan het koolstofarm maken van de economie dankzij het gebruik ervan voor materialen en energie, mogen de Unie en de lidstaten uitsluitend energiegebruik stimuleren dat stoelt op het duurzame gebruik van bestaande houtopstanden en agrarische hulpbronnen en zorgen voor de ontwikkeling van nieuwe bosbouwsystemen en systemen voor landbouwproductie, op voorwaarde dat aan de criteria inzake duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies wordt voldaan.
Amendement 287
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 68 bis (nieuw)
(68 bis)  De synergie tussen de circulaire economie, de bio-economie en de bevordering van hernieuwbare energie moet verder worden benadrukt, teneinde het meest waardevolle gebruik van grondstoffen en het beste milieuresultaat te garanderen. In de beleidsmaatregelen die de Unie en de lidstaten aannemen om de productie van energie uit hernieuwbare bronnen te ondersteunen, moet altijd rekening worden gehouden met het beginsel van hulpbronnenefficiëntie en optimaal gebruik van biomassa.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 69
(69)  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moeten altijd op een duurzame manier worden geproduceerd. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden gebruikt om de streefcijfers van deze richtlijn te halen en deze waarop steunregelingen van toepassing zijn, moeten dan ook voldoen aan duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie.
(69)  Hernieuwbare energie moet altijd op een duurzame manier worden geproduceerd. Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden gebruikt om de streefcijfers van deze richtlijn te halen en de vormen van hernieuwbare energie waarop steunregelingen van toepassing zijn, moeten dan ook voldoen aan duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 71
(71)  De productie van landbouwgrondstoffen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor hun gebruik mogen niet leiden tot de vernietiging van gebieden met grote biodiversiteit. Dergelijke eindige hulpbronnen, die volgens diverse internationale instrumenten waardevol zijn voor de volledige mensheid, moeten worden beschermd. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen alleen voor stimuleringsmaatregelen in aanmerking komen indien gewaarborgd is dat de landbouwgrondstoffen niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, aantoont dat de productie van de landbouwgrondstoffen niet in strijd is met dergelijke doelstellingen. Volgens de duurzaamheidscriteria moeten bossen worden geacht een grote biodiversiteit te herbergen als het gaat om oerbossen volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment) of om bossen die beschermd zijn door nationale wetgeving voor natuurbescherming. Gebieden waar andere bosproducten dan hout worden verzameld, moeten worden beschouwd als bossen met een grote biodiversiteit, mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen gering blijven. Andere bostypen in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te worden beschouwd. Gezien de grote biodiversiteitswaarde van bepaalde graslanden, zowel in gematigde als tropische gebieden, waaronder savannen, steppen, met struikgewas bedekte gronden en prairies met een grote biodiversiteit, mogen biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van landbouwgrondstoffen die op dergelijke gronden worden geteeld, niet in aanmerking komen voor de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen. De Commissie moet passende criteria vaststellen om dergelijke graslanden met grote biodiversiteitswaarde te definiëren overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en relevante internationale normen.
(71)  De productie van landbouwgrondstoffen voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor hun gebruik mogen binnen of buiten de Unie geen nadelig effect op de biodiversiteit hebben of in de hand werken. Dergelijke eindige hulpbronnen, die volgens diverse internationale instrumenten waardevol zijn voor de volledige mensheid, moeten worden beschermd. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen alleen voor stimuleringsmaatregelen in aanmerking komen indien gewaarborgd is dat de landbouwgrondstoffen niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, aantoont dat de productie van de landbouwgrondstoffen niet in strijd is met dergelijke doelstellingen. Volgens de duurzaamheidscriteria moeten bossen worden geacht een grote biodiversiteit te herbergen als het gaat om oerbossen volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment) of om bossen die beschermd zijn door nationale wetgeving voor natuurbescherming. Gebieden waar andere bosproducten dan hout worden verzameld, moeten worden beschouwd als bossen met een grote biodiversiteit, mits de gevolgen van het menselijk ingrijpen gering blijven. Andere bostypen in de zin van de definitie van de FAO, zoals gewijzigde natuurlijke bossen, semi-natuurlijke bossen en plantages dienen niet als oerbossen te worden beschouwd. De biodiversiteit en de kwaliteit, gezondheid, levensvatbaarheid en vitaliteit van dergelijke bossen moeten echter worden gewaarborgd. Gezien de grote biodiversiteitswaarde van bepaalde graslanden, zowel in gematigde als tropische gebieden, waaronder savannen, steppen, met struikgewas bedekte gronden en prairies met een grote biodiversiteit, mogen biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die geproduceerd zijn op basis van landbouwgrondstoffen die op dergelijke gronden worden geteeld, niet in aanmerking komen voor de in deze richtlijn vastgestelde stimulansen. De Commissie moet passende criteria vaststellen om dergelijke graslanden met grote biodiversiteitswaarde te definiëren overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en relevante internationale normen.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 72 bis (nieuw)
(72 bis)  Via duurzaamheidscriteria van de Unie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moet worden gewaarborgd dat de overgang naar een koolstofarme economie de doelstellingen in de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een actieplan van de EU voor de circulaire economie" ondersteunt en strikt volgens de beginselen van de afvalhiërarchie vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG van de Unie verloopt.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 73
(73)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden worden geproduceerd aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd, en niet gemakkelijk kan worden geverifieerd dat geen ontwatering heeft plaatsgevonden.
(73)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen mogen niet in veengebieden of waterrijke gebieden worden geproduceerd indien dit tot ontwatering van de grond zou leiden, aangezien als gevolg van de teelt van deze gewassen in veengebieden of waterrijke gebieden een aanzienlijke koolstofvoorraad zou vrijkomen indien de grond verder wordt ontwaterd.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 74 bis (nieuw)
(74 bis)  Landbouwgrondstoffen voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen moeten worden geproduceerd op basis van praktijken die stroken met de bescherming van de bodemkwaliteit en de organische koolstof in de bodem.
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 75
(75)  Het is passend om in de hele Unie duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie in te voeren voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, om hoge broeikasgasemissiereducties te blijven garanderen ten opzichte van alternatieven op basis van fossiele brandstoffen zodat onbedoelde duurzaamheidseffecten worden vermeden, en om de interne markt te bevorderen.
(75)  Het is passend om in de hele Unie duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie in te voeren voor biomassabrandstoffen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling, om hoge broeikasgasemissiereducties te blijven garanderen ten opzichte van alternatieven op basis van fossiele brandstoffen zodat onbedoelde duurzaamheidseffecten worden vermeden, en om de interne markt te bevorderen. Onverminderd de strikte eerbiediging van primaire grondstoffen met hoge milieuwaarde, moeten de ultraperifere gebieden de mogelijkheid krijgen om het potentieel van hun hulpbronnen te benutten, met het oog op een hogere productie van hernieuwbare energie en een grotere energieonafhankelijkheid.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 76
(76)  Om ervoor te zorgen dat bosbiomassa, ondanks de toenemende vraag ernaar, op een duurzame manier wordt geoogst in bossen met gewaarborgde herbebossing, dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan gebieden die expliciet zijn aangewezen ter bescherming van de biodiversiteit, de landschappen en specifieke natuurlijke elementen, dat de biodiversiteit wordt beschermd en dat koolstofvoorraden worden gevolgd, dient hout als grondstof enkel uit bossen te komen waarin wordt geoogst volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn ontwikkeld in het kader van internationale bosbouwprocessen zoals Forest Europe en die worden uitgevoerd door middel van nationale wetgeving of de beste beheerspraktijken op het niveau van het bosbedrijf. De beheerders moeten de nodige stappen zetten om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa voor de productie van bio-energie tot een minimum te beperken. Daartoe moeten de beheerders een risicogebaseerde aanpak invoeren. In dit verband is het passend dat de Commissie operationele richtsnoeren ontwikkelt inzake de controle op de naleving van de op risico gebaseerde aanpak, na raadpleging van het comité voor de governance van de energie-unie en het bij Beschikking 89/367/EEG van de Raad ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw24.
(76)  Om ervoor te zorgen dat bosbiomassa, ondanks de toenemende vraag ernaar, op een duurzame manier wordt geoogst in bossen met gewaarborgde herbebossing, dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan gebieden die expliciet zijn aangewezen ter bescherming van de biodiversiteit, de landschappen en specifieke natuurlijke elementen, dat de biodiversiteit wordt beschermd en dat koolstofvoorraden worden gevolgd, dient hout als grondstof enkel uit bossen te komen waarin wordt geoogst volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn ontwikkeld in het kader van internationale bosbouwprocessen zoals Forest Europe en die worden uitgevoerd door middel van nationale wetgeving of de beste beheerspraktijken op het niveau van het bevoorradingsgebied. De beheerders moeten ervoor zorgen dat er maatregelen zijn genomen om nadelige gevolgen van de oogst op het milieu te vermijden of te beperken. Daartoe moeten de beheerders een risicogebaseerde aanpak invoeren. In dit verband is het passend dat de Commissie regelingen uitwerkt voor de toepassing van de vereisten op grond van beste praktijken in de lidstaten, alsook operationele richtsnoeren ontwikkelt inzake de controle op de naleving van de op risico gebaseerde aanpak, na raadpleging van het comité voor de governance van de energie-unie en het bij Beschikking 89/367/EEG van de Raad ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw24.
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 76 bis (nieuw)
(76 bis)  Indien de nationale wetgeving of praktijk niet voldoet aan een bepaald criterium in verband met de duurzaamheid van bosbiomassa, moet aanvullende informatie over dat criterium worden verstrekt op het niveau van het bevoorradingsgebied, zonder dat aanvullende informatie wordt vereist over de criteria waaraan op lidstaatniveau reeds is voldaan.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 76 ter (nieuw)
(76 ter)  Een op risico gebaseerde aanpak moet in eerste instantie op nationaal niveau worden uitgevoerd. Indien aan de vereisten van een bepaald criterium niet kunnen worden voldaan aan de hand van nationale wetgeving of toezichtsystemen, moet de informatie met betrekking tot dat deel op het niveau van het bevoorradingsgebied worden verstrekt, teneinde het risico van niet-duurzame productie van bosbiomassa te beperken.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 76 quater (nieuw)
(76 quater)  Het oogsten voor energiedoeleinden is toegenomen en zal naar verwachting blijven groeien, wat zowel meer invoer van grondstoffen vanuit derde landen als een toegenomen productie van die grondstoffen binnen de Unie met zich mee zal brengen. De beheerders moeten ervoor zorgen dat de oogst voldoet aan de duurzaamheidscriteria.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 78
(78)  Biomassabrandstoffen moeten op een efficiënte manier worden omgezet in elektriciteit en warmte met het oog op maximale energiezekerheid en broeikasgasemissiereductie en om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te beperken en de druk op beperkte bronnen van biomassa zo veel mogelijk te beperken. Daarom moet overheidssteun aan installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, indien nodig, uitsluitend worden toegekend aan hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties als gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Bestaande steunregelingen voor elektriciteit uit biomassa moeten echter tot hun voorziene einddatum voor alle biomassainstallaties worden toegestaan. Bovendien dient elektriciteit die wordt opgewekt uit biomassa in nieuwe installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer enkel te worden meegerekend voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie in het geval van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. Om een grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met een grote impact op het klimaat en het milieu te vermijden, moeten de lidstaten overeenkomstig de staatssteunregels echter de mogelijkheid hebben om installaties overheidssteun toe te kennen voor de opwekking van hernieuwbare energie en de in deze installaties geproduceerde elektriciteit mee te rekenen voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie indien zij, na alle technische en economische mogelijkheden voor de bouw van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties te hebben benut, een gegrond risico zouden lopen wat de leveringszekerheid van elektriciteit betreft.
(78)  Biomassabrandstoffen moeten op een efficiënte manier worden omgezet in elektriciteit en warmte met het oog op maximale energiezekerheid en broeikasgasemissiereductie en om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te beperken en de druk op beperkte bronnen van biomassa zo veel mogelijk te beperken. Daarom moet overheidssteun aan installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, indien nodig, uitsluitend worden toegekend aan hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties als gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Bestaande steunregelingen voor elektriciteit uit biomassa moeten echter tot hun voorziene einddatum voor alle biomassainstallaties worden toegestaan. Bovendien dient elektriciteit die wordt opgewekt uit biomassa in nieuwe installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer enkel te worden meegerekend voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie in het geval van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. Om een grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met een grote impact op het klimaat en het milieu te vermijden, moeten de lidstaten overeenkomstig de staatssteunregels echter de mogelijkheid hebben om installaties overheidssteun toe te kennen voor de opwekking van hernieuwbare energie en de in deze installaties geproduceerde elektriciteit mee te rekenen voor de streefcijfers en verplichtingen inzake hernieuwbare energie indien zij, na alle technische en economische mogelijkheden voor de bouw van hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties te hebben benut, een gegrond risico zouden lopen wat de leveringszekerheid van elektriciteit betreft. Er moet met name meer steun worden verleend aan installaties voor de productie van hernieuwbare energie uit biomassa in ultraperifere gebieden die sterk afhankelijk zijn van ingevoerde energie, op voorwaarde dat de duurzaamheidscriteria in acht worden genomen die voor de productie van deze hernieuwbare energie gelden, en die steun moet worden aangepast aan de specifieke kenmerken van deze gebieden.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 80
(80)  Uit ervaring met de praktische uitvoering van de duurzaamheidscriteria van de Unie blijkt dat het passend is de rol van vrijwillige internationale en nationale certificeringsregelingen voor de controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria op geharmoniseerde wijze te versterken.
(80)  Uit ervaring met de praktische uitvoering van de duurzaamheidscriteria van de Unie blijkt dat het passend is rekening te houden met de rol van vrijwillige internationale en nationale certificeringsregelingen voor de controle op de naleving van de duurzaamheidscriteria op geharmoniseerde wijze.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 82
(82)  Vrijwillige regelingen spelen een steeds belangrijkere rol bij het leveren van bewijzen dat aan de duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voldaan. Daarom is het passend dat de Commissie eist dat vrijwillige regelingen, ook de reeds door de Commissie erkende, op regelmatige basis verslag uitbrengen over hun werkzaamheden. Dergelijke verslagen moeten openbaar worden gemaakt om de transparantie te vergroten en het toezicht door de Commissie te verbeteren. Daarnaast zouden deze verslagen de Commissie de nodige informatie geven om verslag uit te brengen over de werking van de vrijwillige regelingen om een beste praktijk vast te stellen en indien passend een voorstel in te dienen om een dergelijke beste praktijk verder te promoten.
(82)  Vrijwillige regelingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het leveren van bewijzen dat aan de minimumcriteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voldaan. Daarom is het passend dat de Commissie eist dat vrijwillige regelingen, ook de reeds door de Commissie erkende, op regelmatige basis verslag uitbrengen over hun werkzaamheden. Dergelijke verslagen moeten openbaar worden gemaakt om de transparantie te vergroten en het toezicht door de Commissie te verbeteren. Daarnaast zouden deze verslagen de Commissie de nodige informatie geven om verslag uit te brengen over de werking van de vrijwillige regelingen om een beste praktijk vast te stellen en indien passend een voorstel in te dienen om een dergelijke beste praktijk verder te promoten.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 84
(84)  Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden voor gebruikelijke routes voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen, geactualiseerd en uitgebreid moet worden. Marktpartijen moeten steeds het recht hebben het in die lijst voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen vermelde niveau van broeikasgasemissiereductie te doen gelden. Als de standaardwaarde voor broeikasgasemissiereductie van een productieketen onder de vereiste minimumreductie voor broeikasgasemissiereductie blijft, moeten producenten die wensen aan te tonen dat ze dit minimumniveau bereikten, aantonen dat de werkelijke emissies van hun productieprocessen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaardwaarden.
(84)  Om disproportionele administratieve lasten te vermijden, moet een lijst standaardwaarden voor gebruikelijke routes voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden vastgesteld, die, steeds wanneer nieuwe betrouwbare gegevens beschikbaar komen, geactualiseerd en uitgebreid moet worden. Marktpartijen moeten steeds het recht hebben het in die lijst voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen vermelde niveau van rechtstreekse broeikasgasemissiereductie te doen gelden. Als de standaardwaarde voor rechtstreekse broeikasgasemissiereductie van een productieketen onder de vereiste minimumreductie voor broeikasgasemissiereductie blijft, moeten producenten die wensen aan te tonen dat ze dit minimumniveau bereikten, aantonen dat de werkelijke emissies van hun productieprocessen lager zijn dan die waarvan is uitgegaan bij de berekening van de standaardwaarden.
Amendement 81
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 85
(85)  Het is noodzakelijk duidelijke regels vast te stellen voor de berekening van de reductie van broeikasgasemissie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en van vergelijkbare fossiele brandstoffen.
(85)  Het is noodzakelijk duidelijke regels op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria vast te stellen voor de berekening van de reductie van broeikasgasemissie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en van vergelijkbare fossiele brandstoffen.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 99
(99)  Om niet-essentiële onderdelen van de bepalingen van deze richtlijn te wijzigen of aan te vullen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de lijst van grondstoffen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen, waarvan de bijdrage aan de naleving door de brandstofleveranciers van hun verplichting op het gebied van vervoer beperkt is; de aanpassing van de energie-inhoud van transportbrandstoffen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang; de methode om het aandeel biobrandstof uit biomassa te bepalen wanneer deze in een gemeenschappelijk proces met fossiele brandstoffen wordt verwerkt; de uitvoering van overeenkomsten van onderlinge erkenning van garanties van oorsprong; de vaststelling van regels om toezicht te houden op de werking van het systeem van garanties van oorsprong; en de regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(99)  Om niet-essentiële onderdelen van de bepalingen van deze richtlijn te wijzigen of aan te vullen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd met betrekking tot de lijst van grondstoffen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen, waarvan de bijdrage aan de naleving door de brandstofleveranciers van hun verplichting op het gebied van vervoer beperkt is; de aanpassing van de energie-inhoud van transportbrandstoffen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang; de methode om het aandeel biobrandstof uit biomassa te bepalen wanneer deze in een gemeenschappelijk proces met fossiele brandstoffen wordt verwerkt; de uitvoering van overeenkomsten van onderlinge erkenning van garanties van oorsprong; de vaststelling van regels om toezicht te houden op de werking van het systeem van garanties van oorsprong; en de regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie; de bepaling van de maximaal toegelaten terugverdientijd als duurzaamheidscriterium, in het bijzonder voor lignocellulosische biomassa; en, om volledige transparantie in alle sectoren van de energieproductie te garanderen, de vaststelling van productiecriteria voor fossiele brandstoffen en fossiele energiebronnen uiterlijk op 31 december 2018. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 288
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter a
a)  "energie uit hernieuwbare bronnen": energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind-, zonne- (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en, geothermische energie, omgevingswarmte, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
a)  "energie uit hernieuwbare bronnen": energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind-, zonne- (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie), en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, biomethaan, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter b
b)  "omgevingswarmte": thermische energie op een bruikbaar temperatuurniveau die wordt geëxtraheerd of onttrokken door middel van op elektriciteit of andere hulpenergie werkende warmtepompen, en die in de omgevingslucht, onder het vaste aardoppervlak of in het oppervlaktewater kan worden opgeslagen. De gerapporteerde waarden worden vastgesteld op basis van dezelfde methodologie die wordt gebruikt voor de rapportering van door middel van warmtepompen geëxtraheerde en onttrokken thermische energie;
b)  "omgevingsenergie": thermische energie op een bruikbaar temperatuurniveau die kan worden opgeslagen in de omgevingslucht – met uitzondering van afvoerlucht – in het oppervlaktewater of in rioolwater. De gerapporteerde waarden worden vastgesteld op basis van dezelfde methodologie die wordt gebruikt voor de rapportering van door middel van warmtepompen geëxtraheerde en onttrokken thermische energie;
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)  "geothermische energie": energie die in de vorm van warmte onder het vaste aardoppervlak is opgeslagen;
Amendement 289
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter c
c)  "biomassa": de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong;
c)  "biomassa": de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, maar met uitzondering van turf en materiaal dat zich in geologische formaties bevindt en/of is gefossiliseerd – alsmede de biologisch afbreekbare fractie van afval, met inbegrip van industrieel, commercieel en huishoudelijk afval van biologische oorsprong, en bacteriën;
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter d
d)  "bruto-eindverbruik van energie": de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, inclusief het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit en warmte en inclusief het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;
d)  "bruto-eindverbruik van energie": de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector inclusief de openbare diensten, de land- en bosbouw en de visserij, inclusief het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit, warmte en transportbrandstoffen, en inclusief het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie;
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter e
e)  "stadsverwarming" of "stadskoeling": de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale productie-installatie via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;
e)  "stadsverwarming" of "stadskoeling": de distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen vanuit een centrale of gedecentraliseerde productie-installaties via een netwerk dat verbonden is met meerdere gebouwen of locaties, voor het verwarmen of koelen van ruimten of processen;
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter f
f)  "vloeibare biomassa": vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa;
f)  "vloeibare biomassa": vloeibare brandstof voor energiedoeleinden andere dan vervoer, waaronder elektriciteit, verwarming en koeling, die geproduceerd is uit biomassa of door biomassa;
Amendement 290
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter g
g)  "biobrandstof": vloeibare brandstof voor vervoer die geproduceerd is uit biomassa;
g)  "biobrandstof": vloeibare of gasvormige brandstof voor vervoer die geproduceerd is uit of door biomassa;
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter i
i)  "steunregeling": een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;
i)  "steunregeling": een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, steun voor onderzoek en investeringen, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen, met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter q
q)  "non-food cellulosemateriaal": grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;
q)  "non-food cellulosemateriaal": grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen en gewassen van kunstweiden zoals gras, klaver en luzerne), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;
Amendement 291
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter s
s)  "hernieuwbare vloeibare of gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong": andere vloeibare of gasvormige brandstoffen dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa en die in de vervoersector worden gebruikt;
s)  "hernieuwbare vloeibare of gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong": andere vloeibare of gasvormige brandstoffen die in de vervoersector worden gebruikt dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa, waarbij eventuele koolstofgrondstoffen afkomstig zijn uit de omgevingslucht;
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter z
z)  "repowering": het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie te verhogen;
z)  "repowering": het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van exploitatiesystemen en apparatuur van installaties, teneinde de capaciteit te vergroten of te vervangen of de efficiëntie te verhogen;
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter y
y)  "afvalwarmte of afvalkoude": warmte of koude die als bijproduct in industriële of stroomopwekkingsinstallaties wordt geproduceerd en die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem;
y)  "afvalwarmte of afvalkoude": onvermijdelijke warmte of koude die als bijproduct in industriële installaties of stroomopwekkingsinstallaties wordt geproduceerd (nadat eerst gebruik is gemaakt van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling of wanneer warmtekrachtkoppeling niet haalbaar is) of afkomstig is van de tertiaire sector, en die ongebruikt terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of stadskoelingssysteem;
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter aa
aa)  "consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": een actieve afnemer als gedefinieerd in Richtlijn [MDI Directive] die hernieuwbare elektriciteit die op eigen terrein is geproduceerd, met inbegrip van een appartementsgebouw, een commerciële locatie of een locatie met gedeelde diensten of een gesloten distributiesysteem, verbruikt en kan opslaan en verkopen, op voorwaarde dat dit voor niet-huishoudelijke consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie niet hun primaire commerciële of professionele activiteit is;
aa)  "consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": een actieve afnemer of een groep gezamenlijk optredende afnemers als gedefinieerd in Richtlijn … van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)] die hernieuwbare elektriciteit die op eigen terrein is geproduceerd, met inbegrip van een appartementsgebouw, een woongebied, een commerciële of industriële locatie of een locatie met gedeelde diensten of in hetzelfde gesloten distributiesysteem, verbruiken en kunnen opslaan en verkopen, op voorwaarde dat dit voor niet-huishoudelijke consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie niet hun primaire commerciële of professionele activiteit is;
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter aa bis (nieuw)
aa bis)  "hernieuwbare-energiegemeenschap": een lokale energiegemeenschap als omschreven in artikel 2 van Richtlijn ... van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)] die voldoet aan de voorschriften van artikel 22, lid 1, van deze richtlijn;
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter bb
bb)  "consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": productie en verbruik, en in voorkomend geval opslag, van hernieuwbare elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie;
bb)  "consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie": productie en verbruik, en in voorkomend geval opslag, van hernieuwbare energie door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie;
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter cc
cc)  "stroomafnameovereenkomst": een overeenkomst waarmee een rechtspersoon zich ertoe verbindt hernieuwbare energie rechtstreeks van een stroomproducent te kopen;
cc)  "hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst": een overeenkomst waarmee een rechtspersoon of natuurlijke persoon zich ertoe verbindt hernieuwbare energie rechtstreeks van een stroomproducent te kopen;
Amendement 305
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter ee
ee)  "geavanceerde biobrandstoffen": brandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen;
ee)  "geavanceerde biobrandstoffen": brandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, vermelde grondstoffen en uit afval- en restbiomassa die niet afkomstig is van voedsel-/voedergewassen wanneer die biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria van artikel 26;
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter ff
ff)  "uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen": vloeibare en gasvormige brandstoffen die zijn geproduceerd uit afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong, met inbegrip van afvalverwerkings- en uitlaatgassen;
Schrappen
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter ff bis (nieuw)
ff bis)  "brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof": vloeibare en gasvormige brandstoffen die zijn geproduceerd uit onvermijdelijke afvalstromen van niet-hernieuwbare oorsprong, met inbegrip van afvalverwerkings- en afvoergassen, met aanzienlijke broeikasgasemissiereducties gedurende hun volledige levenscyclus; indien zij worden geproduceerd uit vaste afvalstromen wordt enkel afval gebruikt dat niet herbruikbaar en niet mechanisch recycleerbaar is, met volledige inachtneming van de in Richtlijn 2008/98/EG vastgelegde afvalhiërarchie; indien zij worden geproduceerd uit gasvormige procesemissies moeten deze worden uitgestoten als een onvermijdelijk en onopzettelijk gevolg van het productieproces; het aandeel gasvormig afval dat wordt gebruikt voor de productie van deze brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof mag niet worden meegerekend in het kader van andere emissiebeperkingsregelingen, zoals de EU-regeling voor de emissiehandel;
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter jj
jj)  "oogstvergunning": een officieel document dat recht geeft op het oogsten van bosbiomassa;
jj)  "oogstvergunning": een wettelijke vergunning of vergelijkbaar recht krachtens de nationale en/of regionale wetgeving voor het oogsten van bosbiomassa;
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter mm
mm)  "bosbedrijf": één of meerdere percelen bosgebied en andere beboste grond die vanuit het oogpunt van beheer of gebruik een eenheid vormen;
mm)  "bevoorradingsgebied": de geografische regio waaruit de grondstof voor de biomassa afkomstig is;
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 2 – letter nn
nn)  "bioafval": biologisch afbreekbaar tuin- en plantsoenafval, levensmiddelen- en keukenafval van huishoudens, restaurants, cateringfaciliteiten en winkels en vergelijkbare afvalstoffen van de levensmiddelenindustrie;
nn)  "bioafval": bioafval als omschreven in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG;
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – titel
Algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau voor 2030
Algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau en nationale streefcijfers voor 2030
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 27 % bedraagt.
1.  De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 35 % bedraagt.
Amendement 306
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Elke lidstaat ziet erop toe dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2030 minstens 12 % van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat bedraagt. Om het streefcijfer van 12 % energie uit hernieuwbare bronnen in het eindverbruik van energie te halen, eisen de lidstaten met ingang van 1 januari 2021 van brandstofleveranciers dat hun brandstoffen een minimumaandeel hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 25 bevatten.
Om meegeteld te mogen worden voor het bereiken van dit streefcijfer moeten de broeikasgasemissiereducties die afkomstig zijn van het gebruik van biobrandstoffen en biogassen in overeenstemming zijn met de in artikel 26, lid 7, vastgelegde criteria bij een vergelijking met fossiele brandstoffen volgens de methode als bedoeld in artikel 28, lid 1.
Indien de bijdrage van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen in een lidstaat lager is dan 2 % en dus niet voldoende is om het verschil te dekken tussen de verplichting van de brandstofleverancier en het streefcijfer van 12 % voor vervoer, kan die lidstaat zijn in artikel 7, lid 1, bedoelde drempel dienovereenkomstig aanpassen tot maximaal 2 %.
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 2
2.  De respectieve bijdragen van de lidstaten aan dit algemeen streefcijfer voor 2030 worden vastgesteld en meegedeeld aan de Commissie als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 5 en de artikelen 9 tot en met 11 van Verordening [governance].
2.  De lidstaten stellen streefcijfers vast om te voldoen aan dit algemeen streefcijfer voor 2030 als onderdeel van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 5 en de artikelen 9 tot en met 13 van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)]. Indien de Commissie op basis van de beoordeling van de ingevolge artikel 3 van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] ingediende definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen tot de conclusie komt dat de streefcijfers van de lidstaten niet volstaan om het algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau gezamenlijk te bereiken, stellen de lidstaten die een streefcijfer hebben voorgesteld dat lager ligt dan wanneer de formule als vastgesteld in bijlage I bis wordt toegepast, een hoger streefcijfer vast aan de hand van deze formule.
In gevallen waarin een lidstaat wegens uitzonderlijke en naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden zijn streefcijfer niet kan behalen, mag hij met maximaal 10 % afwijken van zijn streefcijfer. In dat geval stelt hij de Commissie daarvan uiterlijk in 2025 in kennis. Indien hierdoor de verwezenlijking van het algemeen bindend streefcijfer op Unieniveau in gevaar komt, nemen de Commissie en de lidstaten corrigerende maatregelen zoals de in artikel 27, lid 4, van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] vastgestelde maatregelen om de kloof daadwerkelijk te overbruggen.
Amendement 321
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationaal beleid, met inbegrip van steunregelingen, aansluit bij de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG en geen aanzienlijke verstoringen van de markten voor (bij)producten, afvalstoffen en residuen veroorzaakt. De lidstaten evalueren daartoe regelmatig hun nationaal beleid en geven voor elke afwijking een rechtvaardiging in de krachtens artikel 18, onder c), van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] vereiste verslagen.
Amendement 113
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 4
4.  De Commissie ondersteunt het hoge ambitieniveau van de lidstaten door middel van een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen mogelijk maakt, met name van financieringsinstrumenten, voornamelijk om de kapitaalkosten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te verlagen.
4.  De Commissie ondersteunt het hoge ambitieniveau van de lidstaten door middel van een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen mogelijk maakt, met name van financieringsinstrumenten, voornamelijk om de kapitaalkosten van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te verlagen en om projecten voor de opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen met een grensoverschrijdende dimensie te ondersteunen.
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – titel
Financiële steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen
Steun voor energie uit hernieuwbare bronnen
Amendement 322/rev
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1
1.  In overeenstemming met de staatssteunregels kunnen de lidstaten steunregelingen hanteren om het in artikel 3, lid 1, vastgestelde streefcijfer op Unieniveau te halen. Steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen worden zodanig ontworpen dat onnodige verstoringen van de elektriciteitsmarkten worden vermeden en ervoor wordt gezorgd dat producenten rekening houden met het aanbod van en de vraag naar elektriciteit, alsook mogelijke netbeperkingen.
1.  Overeenkomstig artikel 195 VWEU en in overeenstemming met de artikelen 107 en 108 daarvan kunnen de lidstaten steunregelingen hanteren om de in artikel 3 vastgestelde streefcijfers op Unie- en nationaal niveau te halen of te overschrijden. Om geen onnodige verstoringen van de grondstoffenmarkten te veroorzaken, worden steunregelingen inzake hernieuwbare energie uit biomassa zodanig ontworpen dat ze niet aanzetten tot een oneigenlijk gebruik van biomassa waarbij deze in de eerste plaats wordt ingezet voor de productie van energie wanneer er industriële toepassingen of materiaalgebruik voorhanden zijn die een grotere toegevoegde waarde hebben, hetgeen kan betekenen dat er voorrang wordt gegeven aan het gebruik van afvalstoffen en residuen. De lidstaten moeten rekening houden met de beschikbaarheid van duurzame biomassa. Steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen zijn marktgericht, zodat een verstoring van de elektriciteitsmarkten wordt vermeden, en zorgen ervoor dat producenten rekening houden met het aanbod van en de vraag naar elektriciteit, alsook met mogelijke systeemintegratiekosten of netbeperkingen.
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten kunnen steunregelingen hanteren die technologieneutraal dan wel technologiespecifiek zijn. Technologiespecifieke steunregelingen kunnen met name op basis van een of meer van de volgende gronden worden toegepast:
a)  het langetermijnpotentieel van een bepaalde technologie;
b)  de noodzaak om de energiemix technologisch of regionaal te diversifiëren;
c)  efficiënte systeemplanning en netintegratie;
d)  netwerkrestricties en netwerkstabiliteit;
e)  beperkingen op milieugebied.
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2
2.  Steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt zodanig ontworpen dat elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt geïntegreerd in de elektriciteitsmarkt en ervoor wordt gezorgd dat producenten van hernieuwbare energie inspelen op marktprijssignalen en hun marktinkomsten maximaliseren.
2.  Steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt zodanig ontworpen dat de integratie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteitsmarkt wordt gemaximaliseerd en ervoor wordt gezorgd dat producenten van hernieuwbare energie inspelen op marktprijssignalen en hun marktinkomsten maximaliseren; daarnaast worden voor energie uit hernieuwbare bronnen compensaties geboden voor marktverstoringen.
De lidstaten kunnen uitzonderingen toestaan voor kleinschalige installaties van minder dan 500 kW en demonstratieprojecten. Voor elektriciteit uit windenergie geldt echter een drempel ter hoogte van een geïnstalleerde elektriciteitscapaciteit van 3 MW of drie productie-eenheden.
Niettegenstaande de in de tweede alinea genoemde drempels kunnen de lidstaten hernieuwbare-energiegemeenschappen steunen via andere mechanismen en procedures.
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Indien steun voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt toegekend via een aanbestedingsprocedure, is lid 3 bis van toepassing tenzij de steun is bedoeld voor kleinschalige installaties van minder dan 1 MW, voor windenergieprojecten tot maximaal zes productie-eenheden oftewel 6 MW, of voor demonstratieprojecten.
Amendement 119
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Indien steun voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt toegekend via een aanbesteding, zorgen de lidstaten met het oog op een hoge uitvoeringsgraad van de projecten voor:
a)  de vaststelling en publicatie van niet-discriminerende en transparante voorselectiecriteria en regels voor de leveringstermijn van het project;
b)  overleg met belanghebbenden om het ontwerpbestek te evalueren;
c)  de publicatie van informatie over eerdere aanbestedingen, met inbegrip van de uitvoeringsgraad van de projecten.
Amendement 120
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  De lidstaten publiceren een langetermijnplanning van de verwachte steuntoewijzing, die betrekking heeft op ten minste de vijf daaropvolgende jaren en waarin het indicatieve tijdschema is opgenomen, met inbegrip – in voorkomend geval – van de frequentie van aanbestedingen, en waarin ook de capaciteit, de begroting of het maximale steunbedrag per eenheid dat naar verwachting zal worden toegekend en de in aanmerking komende technologieën worden vermeld.
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 quater (nieuw)
3 quater.  De lidstaten houden bij het ontwerpen van steunregelingen rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen en consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, teneinde hen in staat te stellen op gelijke voet te concurreren.
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3 quinquies (nieuw)
3 quinquies.  Om ervoor te zorgen dat in ultraperifere gebieden en op kleine eilanden meer energie uit hernieuwbare bronnen wordt opgewekt, kunnen de lidstaten financiële steun voor projecten in die gebieden aanpassen om rekening te houden met de productiekosten die samenhangen met hun specifieke omstandigheden, zoals hun geïsoleerde ligging en hun afhankelijkheid van externe leveranciers.
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4
4.  De lidstaten beoordelen ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid van hun steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Besluiten over de voortzetting of verlenging van de steun en over het ontwerp van nieuwe steun worden gebaseerd op de resultaten van de beoordelingen.
4.  De lidstaten beoordelen ten minste om de vier jaar de doeltreffendheid van hun steun voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en de verdelingseffecten ervan op verschillende groepen consumenten, onder meer op het concurrentievermogen van de industrie.
Bij die beoordeling wordt ook rekening gehouden met de gevolgen die mogelijke veranderingen aan de steunregelingen kunnen hebben voor investeringen. De lidstaten nemen deze beoordeling overeenkomstig Verordening ... van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] op in hun nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen van die plannen.
De langetermijnplanning met betrekking tot de besluiten in verband met de steun en het ontwerp van nieuwe steun wordt gebaseerd op de resultaten van de beoordelingen. Daarbij wordt rekening gehouden met hun algehele doeltreffendheid om de streefcijfers inzake hernieuwbare energie en andere doelstellingen, zoals betaalbaarheid en de ontwikkeling van energiegemeenschappen, te verwezenlijken, alsook met de verdelingseffecten ervan op verschillende groepen consumenten, onder meer op het concurrentievermogen van de industrie.
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Uiterlijk ... [2021] en vervolgens om de drie jaar brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van steun die is verleend door middel van aanbestedingsprocedures in de Unie, waarbij ze met name onderzoekt of aanbestedingen in staat zijn:
a)  kosten te beperken;
b)  technologische verbeteringen tot stand te brengen;
c)  een hoge uitvoeringsgraad te bereiken;
d)  te zorgen voor niet-discriminerende participatie van kleine actoren en lokale overheden.
Amendement 125
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4 ter (nieuw)
4 ter.  Uiterlijk ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] herziet de Commissie de richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (2014/C 200/01) met het oog op de volledige integratie van de in artikel 4 van deze Richtlijn vastgelegde algemene beginselen.
Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 4 quater (nieuw)
4 quater.  In afwijking van lid 1 van dit artikel zorgen de lidstaten ervoor dat er geen steunregeling voor energie uit hernieuwbare bronnen wordt aangeboden voor stedelijk afval dat niet voldoet aan de verplichtingen inzake gescheiden inzameling zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG.
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1
1.  De lidstaten stellen de steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit open voor producenten die in andere lidstaten gevestigd zijn overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.
1.  De lidstaten stellen de steun aan uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit open voor producenten die in andere lidstaten gevestigd zijn overeenkomstig de in dit artikel vastgestelde voorwaarden. De lidstaten kunnen hun steun beperken tot installaties in lidstaten waarmee ze een directe verbinding hebben via interconnectoren.
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat steun voor ten minste 10 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2021 en 2025 en ten minste 15 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2026 en 2030 wordt opengesteld voor installaties die zich in andere lidstaten bevinden.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat steun voor ten minste 8 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2021 en 2025 en ten minste 13 % van de nieuw gefinancierde capaciteit in elk jaar tussen 2026 en 2030 wordt opengesteld voor installaties die zich in andere lidstaten bevinden. Als aan deze minimumniveaus is voldaan, hebben de lidstaten het recht om overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 13 van deze richtlijn te besluiten in welke mate zij in een andere lidstaat geproduceerde energie uit hernieuwbare bronnen steunen.
Amendement 129
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten mogen de Commissie verzoeken hen vrij te stellen van de in dit artikel vastgestelde verplichting, met inbegrip van het besluit om installaties die zich op hun grondgebied bevinden geen toestemming te verlenen om deel te nemen aan steunregelingen die in andere lidstaten worden georganiseerd, en wel op een of meer van de volgende gronden:
a)  ontoereikende interconnectiecapaciteit;
b)  ontoereikende natuurlijke hulpbronnen;
c)  schadelijke gevolgen voor de energiezekerheid of de goede werking van de energiemarkt van de lidstaat die om een vrijstelling verzoekt.
Eventuele aldus verleende vrijstellingen worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en moeten uiterlijk op 31 december 2025 worden geëvalueerd.
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 3
3.  Steunregelingen kunnen worden opengesteld voor grensoverschrijdende participatie, onder meer door middel van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen, opengestelde certificeringregelingen of gezamenlijke steunregelingen. De toewijzing van hernieuwbare elektriciteit waarvoor steun wordt toegekend in het kader van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen of opengestelde certificeringregelingen aan de respectieve bijdragen van de lidstaten wordt vastgesteld in een samenwerkingsovereenkomst die voorziet in de regels voor grensoverschrijdende uitbetaling van middelen volgens het principe dat energie wordt meegeteld ten bate van de lidstaat die de installatie financiert.
3.  Steunregelingen kunnen worden opengesteld voor grensoverschrijdende participatie, onder meer door middel van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen, opengestelde certificeringregelingen of gezamenlijke steunregelingen. De toewijzing van hernieuwbare elektriciteit waarvoor steun wordt toegekend in het kader van opengestelde aanbestedingen, gezamenlijke aanbestedingen en opengestelde certificeringregelingen aan de respectieve bijdragen van de lidstaten wordt vastgesteld in een samenwerkingsovereenkomst die voorziet in de regels voor de grensoverschrijdende regeling, met inbegrip van voorwaarden voor participatie en uitbetaling van middelen, rekening houdend met verschillende belastingen en kosten, volgens het principe dat energie wordt meegeteld ten bate van de lidstaat die de installatie financiert. De samenwerkingsovereenkomst heeft ten doel de voorwaarden van het administratieve kader in de samenwerkende landen te harmoniseren om een gelijk speelveld te waarborgen.
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 4
4.  De Commissie beoordeelt tegen 2025 de voordelen van de bepalingen van dit artikel ten aanzien van het kosteneffectieve gebruik van hernieuwbare elektriciteit in de Unie. Op basis van deze beoordeling kan de Commissie voorstellen de in lid 2 vastgestelde percentages te verhogen.
4.  De Commissie staat de lidstaten bij in het onderhandelingsproces en de opstelling van de samenwerkingsregelingen door gedurende het gehele proces informatie en analyses, waaronder kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over directe en indirecte kosten en voordelen van samenwerking, alsook richtsnoeren en technische deskundigheid te verstrekken. Hiertoe stimuleert de Commissie de uitwisseling van beste praktijken en de ontwikkeling van modellen voor samenwerkingsovereenkomsten die het proces vergemakkelijken.
De Commissie beoordeelt tegen 2025 de voordelen van de bepalingen van dit artikel ten aanzien van het kosteneffectieve gebruik van hernieuwbare elektriciteit in de Unie. Op basis van deze beoordeling kan de Commissie voorstellen de in lid 2 vastgestelde percentages te wijzigen.
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1
Onverminderd de nodige aanpassingen om te voldoen aan de staatssteunregels zorgen de lidstaten ervoor dat de herziening van het niveau van en de voorwaarden voor de steun die wordt toegekend aan projecten op het gebied van hernieuwbare energie geen negatieve gevolgen heeft voor de in dat kader verleende rechten en de rendabiliteit van de gefinancierde projecten.
De lidstaten zorgen ervoor dat de herziening van het niveau van en de voorwaarden voor de steun die wordt toegekend aan nieuwe of bestaande projecten op het gebied van hernieuwbare energie geen negatieve gevolgen heeft voor de in dat kader verleende rechten en de rendabiliteit ervan.
Wanneer andere regelgevingsinstrumenten worden gewijzigd en deze wijzigingen van invloed zijn op gefinancierde projecten op het gebied van hernieuwbare energie, zorgen de lidstaten ervoor dat wijzigingen in de regelgeving geen negatieve gevolgen hebben voor de rendabiliteit van de gefinancierde projecten.
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten zien erop toe dat eventuele wijzigingen in steunregelingen worden uitgevoerd op basis van een langetermijnplanning overeenkomstig artikel 4, lid 4, en ten minste negen maanden vóór ze van kracht worden publiek worden aangekondigd en dat zij worden onderworpen aan een transparante en inclusieve openbare raadpleging. Voor elke substantiële wijziging in een bestaande steunregeling wordt een passende overgangsperiode vastgesteld voordat de nieuwe steunregeling van kracht wordt.
Wanneer wijzigingen in de regelgeving of het netbeheer in aanzienlijke mate of op discriminerende wijze negatieve gevolgen hebben voor de rendabiliteit van gefinancierde projecten, zorgen de lidstaten ervoor dat deze gefinancierde projecten een compensatie ontvangen.
Amendement 307
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 – alinea 4
Voor het berekenen van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen in een lidstaat bedraagt de bijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, alsook van in het vervoer verbruikte biomassabrandstoffen, indien geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, niet meer dan 7 % van het eindverbruik van energie in het vervoer over de weg of per spoor in die lidstaat. Deze drempel wordt in 2030 verlaagd tot 3,8 % volgens het in deel A van bijlage X vastgestelde traject. De lidstaten kunnen een lagere drempel vaststellen en een onderscheid maken tussen verschillende soorten biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, bijvoorbeeld door een lagere drempel vast te stellen voor de bijdrage van uit oliegewassen geproduceerde vloeibare biomassa op basis van voedsel- of voedergewassen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik.
For the calculation of a Member State's gross final consumption of energy from renewable energy sources, the contribution from biofuels and bioliquids, as well as from biomass fuels consumed in transport, if produced from food or feed crops, shall be no more than the contribution from those to the gross final consumption of energy from renewable energy sources in 2017 in that Member State, with a maximum of 7 % of gross final consumption in road and rail transport.
De bijdrage van uit palmolie geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa bedraagt 0 % vanaf 2021. De lidstaten kunnen een lagere drempel vaststellen en een onderscheid maken tussen verschillende soorten biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die worden geproduceerd uit voedsel- of voedergewassen, bijvoorbeeld door een lagere drempel vast te stellen voor de bijdrage van uit oliegewassen geproduceerde vloeibare biomassa op basis van voedsel- of voedergewassen, rekening houdend met indirecte veranderingen in het landgebruik en andere onbedoelde duurzaamheidseffecten.
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2 – alinea 1
Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen berekend als de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van de productie van elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en energiegemeenschappen, en met uitzondering van de elektriciteitsproductie door middel van pompaccumulatie van water dat eerder omhoog is gepompt.
Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen berekend als de hoeveelheid elektriciteit die in een lidstaat wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van de productie van elektriciteit door consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, en met uitzondering van de elektriciteitsproductie door middel van pompaccumulatie van water dat eerder omhoog is gepompt.
Amendement 137
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3 – alinea 3
Omgevingswarmte-energie die wordt onttrokken door warmtepompen wordt in aanmerking genomen voor de toepassing van lid 1, onder b), mits de output van finale energie de input van primaire energie die nodig is voor het aandrijven van de warmtepompen, aanzienlijk overstijgt. De hoeveelheid warmte die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, wordt berekend volgens de in bijlage VII bepaalde methodiek.
Omgevingsenergie en geothermische energie die worden overgedragen door warmtepompen voor de productie van verwarming of koeling worden in aanmerking genomen voor de toepassing van lid 1, onder b), mits de output van finale energie de input van primaire energie die nodig is voor het aandrijven van de warmtepompen, aanzienlijk overstijgt. De hoeveelheid warmte die voor de toepassing van deze richtlijn geacht wordt energie uit hernieuwbare bronnen te zijn, wordt berekend volgens de in bijlage VII bepaalde methodiek.
Amendement 138
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3 – alinea 4 bis (nieuw)
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze Richtlijn aan te vullen door een methodologie vast te stellen voor de berekening van de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die wordt gebruikt voor verwarming en koeling en in stadsverwarming en -koeling, en tot herziening van bijlage VII betreffende de berekening van energie uit warmtepompen.
Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4 – letter b bis (nieuw)
b bis)  Om te voldoen aan het in artikel 3, lid 1, onder a), genoemde streefcijfer wordt de bijdrage van brandstoffen die in de lucht- en zeevaartsector worden verstrekt geacht respectievelijk 2 maal en 1,2 maal de energie-inhoud ervan te zijn en wordt de bijdrage van hernieuwbare elektriciteit die aan wegvoertuigen wordt geleverd geacht 2,5 maal de energie-inhoud ervan te zijn.
Amendementen 140 en 308
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 – alinea 2
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 32 vast te stellen om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria van de Unie, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik en waardoor het gebruik van afval- en reststoffen wordt bevorderd, waarbij significant verstorend effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen worden vermeden, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties worden opgeleverd in vergelijking met fossiele brandstoffen, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigen te worden veroorzaakt.
De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 32 vast te stellen teneinde de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de circulaire economie, de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria van de Unie, waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik en waardoor het gebruik van afval- en reststoffen wordt bevorderd, waarbij significante verstorende effecten op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen worden vermeden, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties worden opgeleverd in vergelijking met fossiele brandstoffen op basis van een levenscyclusbeoordeling van emissies, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigen te worden veroorzaakt.
Amendement 309
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 – alinea 3
Om de twee jaar evalueert de Commissie de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX met het oog op het toevoegen van grondstoffen in overeenstemming met de in dit lid vastgestelde beginselen. De eerste evaluatie wordt uiterlijk zes maanden na [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] uitgevoerd. In voorkomend geval stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen.
Om de twee jaar evalueert de Commissie de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX met het oog op het toevoegen van grondstoffen in overeenstemming met de in dit lid vastgestelde beginselen. De eerste evaluatie wordt uiterlijk zes maanden na [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] uitgevoerd. In voorkomend geval stelt de Commissie gedelegeerde handelingen vast om de lijst van grondstoffen in de delen A en B van bijlage IX te wijzigen met het oog op het toevoegen van grondstoffen. In 2025 verricht de Commissie een speciale evaluatie met het oog op de schrapping van grondstoffen uit bijlage IX. Gedelegeerde handelingen die daarvan het gevolg zijn worden binnen een jaar na die evaluatie vastgesteld.
Amendement 310
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 – alinea 3 bis (nieuw)
Grondstoffen worden alleen uit bijlage IX geschrapt na een openbare raadpleging en in overeenstemming met de beginselen van stabiliteit van de financiële steun als vastgesteld in artikel 6. Wanneer grondstoffen worden geschrapt, wordt het, onverminderd artikel 26, voor bestaande installaties die biobrandstoffen produceren uit die grondstoffen toegestaan om die energie als hernieuwbare energie te beschouwen en deze te laten meetellen voor de verplichting van de brandstofleverancier krachtens artikel 25 tot maximaal hun historische productieniveau.
Amendement 143
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Bij de vaststelling van beleidsmaatregelen ter bevordering van de productie van brandstoffen uit de in bijlage IX bij deze richtlijn vermelde grondstoffen zorgen de lidstaten ervoor dat de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG in acht wordt genomen, met inbegrip van de bepalingen over de levenscyclusbenadering met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van verschillende afvalstromen.
Amendement 144
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De Commissie bevordert de totstandbrenging van gezamenlijke projecten tussen de lidstaten, vooral door middel van specifieke technische bijstand en steun bij projectontwikkeling.
Amendement 145
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 1
1.  Een of meerdere lidstaten kunnen met een of meer derde landen samenwerken in alle soorten gezamenlijke projecten betreffende productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Bij deze samenwerking kunnen particuliere exploitanten betrokken zijn.
1.  Een of meerdere lidstaten kunnen met een of meer derde landen samenwerken in alle soorten gezamenlijke projecten betreffende productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Bij deze samenwerking kunnen particuliere exploitanten betrokken zijn en moet het internationaal recht volledig in acht worden genomen.
Amendement 146
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
c bis)  de elektriciteit is geproduceerd overeenkomstig het internationaal recht, met speciale aandacht voor het recht inzake de mensenrechten.
Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 3 – letter e
e)  de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b) en c), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Unie zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.
e)  de toepassing heeft betrekking op een gezamenlijk project dat voldoet aan de criteria van lid 2, onder b), c) en c bis), en maakt gebruik van de interconnector nadat deze operationeel is geworden, en op een hoeveelheid elektriciteit die niet groter is dan de hoeveelheid die naar de Unie zal worden uitgevoerd nadat de interconnector operationeel wordt.
Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 5 – letter d
d)  een schriftelijke bevestiging van de punten onder b) en c) door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.
d)  een schriftelijke bevestiging van lid 2, onder b), c) en c bis), door het derde land op wiens grondgebied de installatie operationeel zal worden, en het aandeel of de hoeveelheid door de installatie geproduceerde elektriciteit voor binnenlands verbruik in dit derde land.
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De Commissie bevordert de totstandbrenging van gezamenlijke steunregelingen tussen de lidstaten, met name via het verspreiden van richtsnoeren en beste praktijken.
Amendement 150
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie- en distributienetinfrastructuur voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, en op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen of andere energieproducten, evenredig en noodzakelijk zijn.
De lidstaten zien erop toe dat nationale regels voor toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures die worden toegepast op centrales en bijbehorende transmissie- en distributienetten voor de productie van elektriciteit, verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, op de omzetting van biomassa in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen of andere energieproducten, en op hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, evenredig en noodzakelijk zijn en in overeenstemming zijn met het beginsel "energie-efficiëntie eerst".
Amendement 151
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea 2 – letter a
a)  de administratieve procedures worden gestroomlijnd en worden afgehandeld op het juiste administratieve niveau;
a)  de administratieve procedures worden gestroomlijnd en worden afgehandeld op het juiste administratieve niveau en voorzien in voorspelbare termijnen voor de afgifte van de noodzakelijke vergunningen en licenties;
Amendement 152
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea 2 – letter d
d)  vereenvoudigde en minder omslachtige toestemmingsprocedures, onder meer door een eenvoudige kennisgeving indien dit op grond van het toepasselijk regelgevend kader is toegestaan, worden opgesteld voor gedecentraliseerde apparaten voor het produceren van energie uit hernieuwbare bronnen.
d)  vereenvoudigde en minder omslachtige toestemmingsprocedures, onder meer door eenvoudige kennisgeving, worden opgesteld voor kleine projecten en gedecentraliseerde apparaten voor het produceren en opslaan van energie uit hernieuwbare bronnen, waaronder consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen.
Amendement 153
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 3
3.  De lidstaten zorgen voor voldoende voorspelbaarheid voor investeerders met betrekking tot het geplande gebruik van steunmaatregelen voor energie uit hernieuwbare bronnen. Hiertoe wordt door de lidstaten een langetermijnplanning van de verwachte steuntoewijzing vastgesteld en bekendgemaakt, die betrekking heeft op ten minste de drie daaropvolgende jaren en waarin voor elke regeling het indicatieve tijdschema, de capaciteit, het budget dat naar verwachting zal worden toegekend en een raadpleging van belanghebbenden over het ontwerp van de steun is opgenomen.
Schrappen
Amendement 154
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 4
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau voorzien in bepalingen over de integratie en inzet van hernieuwbare energie en het gebruik van onvermijdelijke afvalwarmte of -koude bij de planning, het ontwerp, de bouw, en de renovatie van stedelijke infrastructuur, industriële of residentiële zones en energie-infrastructuur, met inbegrip van elektriciteit, stadsverwarming en -koeling, en netwerken voor aardgas en alternatieve brandstoffen.
4.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau voorzien in bepalingen over de integratie en inzet van hernieuwbare energie, onder meer betreffende vroegtijdige ruimtelijke planning, beoordelingen van behoeften en toereikendheid waarin rekening wordt gehouden met de energie-efficiëntie en vraagrespons, alsook specifieke bepalingen inzake de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen, en het gebruik van onvermijdelijke afvalwarmte of -koude bij de planning, het ontwerp, de bouw, en de renovatie van stedelijke infrastructuur, industriële, commerciële of residentiële zones en energie-infrastructuur, met inbegrip van elektriciteit, stadsverwarming en -koeling, en netwerken voor aardgas en alternatieve brandstoffen. De lidstaten sporen met name lokale en regionale administratieve organen ertoe aan verwarming en koeling uit hernieuwbare energiebronnen in voorkomend geval op te nemen in de planning van stedelijke infrastructuur.
Amendement 155
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 5 – alinea 2
Bij de vaststelling van zulke maatregelen of in hun steunregelingen kunnen de lidstaten rekening houden met nationale maatregelen die verband houden met aanzienlijke verbeteringen van de energie-efficiëntie en met warmtekrachtkoppeling en passieve, lage- of nulenergiegebouwen.
Bij de vaststelling van zulke maatregelen of in hun steunregelingen kunnen de lidstaten rekening houden met nationale maatregelen die verband houden met aanzienlijke verbeteringen van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, lokale opslag van energie, energie-efficiëntie en met warmtekrachtkoppeling en passieve, lage- of nulenergiegebouwen.
Amendement 156
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 5 – alinea 3
In hun bouwvoorschriften en -regels of op andere wijze met gelijkwaardig effect eisen de lidstaten dat in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd minimumniveaus van energie uit hernieuwbare bronnen worden gebruikt, rekening houdend met de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU wordt uitgevoerd. De lidstaten staan toe dat deze minimumniveaus onder meer worden verwezenlijkt middels een aanzienlijk aandeel van hernieuwbare energiebronnen.
In hun bouwvoorschriften en -regels of op andere wijze met gelijkwaardig effect eisen de lidstaten dat in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd minimumniveaus van energie uit hernieuwbare bronnen of installaties voor het opwekken van hernieuwbare energie worden gebruikt, rekening houdend met de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU wordt uitgevoerd. De lidstaten staan toe dat deze minimumniveaus onder meer worden verwezenlijkt middels stadsverwarming en -koeling die voor een aanzienlijk deel uit hernieuwbare energiebronnen wordt geproduceerd door middel van individuele of collectieve consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie overeenkomstig artikel 21, of door middel van warmtekrachtkoppeling op basis van hernieuwbare energie en het gebruik van afvalwarmte en -koude.
Amendement 157
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 6
6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat nieuwe gebouwen, en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, van nationale, regionale en lokale overheden in het kader van deze richtlijn vanaf 1 januari 2012 een voorbeeldfunctie vervullen. De lidstaten kunnen onder meer toestaan dat aan die verplichting moet worden voldaan door ervoor te zorgen dat de daken van openbare of gemengde private-openbare gebouwen door derde partijen worden gebruikt voor installaties die energie uit hernieuwbare bronnen produceren.
6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat nieuwe gebouwen, en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, van nationale, regionale en lokale overheden in het kader van deze richtlijn vanaf 1 januari 2012 een voorbeeldfunctie vervullen. De lidstaten kunnen onder meer toestaan dat aan die verplichting moet worden voldaan door naleving van de normen voor bijna-energieneutrale gebouwen als vereist in richtlijn … van het Europees Parlement en de Raad [inzake energieprestaties van de gebouwen, 2016/0381(COD)], of door ervoor te zorgen dat de daken van openbare of gemengde private-openbare gebouwen door derde partijen worden gebruikt voor installaties die energie uit hernieuwbare bronnen produceren.
Amendement 158
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 7
7.  Met betrekking tot hun bouwvoorschriften en -regels bevorderen de lidstaten het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarmings- en koelingssystemen en apparatuur die een aanzienlijk lager energieverbruik mogelijk maakt. De lidstaten maken gebruik van energie- of milieukeuren of van andere op nationaal of Unieniveau opgestelde geschikte certificaten of normen, voor zover deze bestaan, om dergelijke systemen en apparatuur aan te moedigen.
7.  Met betrekking tot hun bouwvoorschriften en -regels bevorderen de lidstaten het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarmings- en koelingssystemen en apparatuur die een aanzienlijk lager energieverbruik mogelijk maakt. Hiertoe maken de lidstaten gebruik van energie- of milieukeuren of van andere op nationaal of Unieniveau opgestelde geschikte certificaten of normen, voor zover deze bestaan, en zij zorgen voor het verstrekken van adequate informatie en advies over hernieuwbare, uiterst energie-efficiënte alternatieven en mogelijke beschikbare financiële instrumenten en stimulansen in het geval van vervanging, met het oog op de bevordering van een groter aantal vervangingen van oude verwarmingssystemen en een toegenomen overschakeling naar op hernieuwbare energie gebaseerde oplossingen overeenkomstig richtlijn … van het Europees Parlement en de Raad [inzake energieprestaties van de gebouwen, 2016/0381(COD)].
Amendement 159
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 8
8.  De lidstaten beoordelen hun potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling. Deze beoordeling wordt opgenomen in de tweede uitgebreide beoordeling die is vereist overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, voor het eerst uiterlijk op 31 december 2020 en in de daaropvolgende actualiseringen van de uitgebreide beoordelingen.
8.  De lidstaten beoordelen hun potentieel inzake hernieuwbare energiebronnen en het gebruik van afvalwarmte en -koude voor verwarming en koeling. In deze beoordeling wordt specifiek aandacht besteed aan een ruimtelijke analyse van geschikte gebieden waar de milieurisico's bij het inzetten van deze oplossingen gering zijn en aan de mogelijkheden voor kleinschalige projecten binnen huishoudens. Deze beoordeling wordt opgenomen in de tweede uitgebreide beoordeling die is vereist overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, voor het eerst uiterlijk op 31 december 2020 en in de daaropvolgende actualiseringen van de uitgebreide beoordelingen.
Amendement 160
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau in hun plannen met betrekking tot mobiliteit en vervoer bepalingen opnemen voor de integratie en invoering van vervoerswijzen die gebruikmaken van energie uit hernieuwbare bronnen.
Amendement 161
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 9
9.  De lidstaten nemen de administratieve belemmeringen weg voor langlopende stroomafnameovereenkomsten op bedrijfsniveau om hernieuwbare energie te financieren en het gebruik ervan te bevorderen.
9.  De lidstaten beoordelen de regelgevings- en administratieve belemmeringen en het potentieel voor de afname van energie uit hernieuwbare bronnen door zakelijke afnemers op hun grondgebied en brengen een ondersteunend regelgevings- en administratief kader tot stand ter bevordering van langlopende afnameovereenkomsten voor stroom uit hernieuwbare bronnen op bedrijfsniveau om hernieuwbare energie te financieren en het gebruik ervan te bevorderen, waarbij ze ervoor zorgen dat voor deze hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten geen onevenredige procedures en lasten worden ingevoerd die de kosten niet weerspiegelen. Met het sluiten van dergelijke overeenkomsten wordt namens de zakelijke afnemer een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt. Dit gunstige kader maakt deel uit van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)].
Amendement 162
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 2
2.  Het enkele administratieve contactpunt biedt op transparante wijze bijstand aan de aanvrager doorheen de aanvraagprocedure, verstrekt de aanvrager alle nodige informatie, coördineert en betrekt in voorkomend geval andere autoriteiten, en stelt een juridisch bindend besluit vast aan het einde van de procedure.
2.  Het enkele administratieve contactpunt biedt op transparante wijze bijstand aan de aanvrager doorheen de aanvraagprocedure, verstrekt de aanvrager alle nodige informatie, coördineert en betrekt in voorkomend geval andere autoriteiten, en stelt een juridisch bindend besluit vast aan het einde van de procedure. Aanvragers moeten de mogelijkheid krijgen alle relevante documenten in digitale vorm in te dienen.
Amendement 163
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 3
3.  In samenwerking met de transmissie- en distributiesysteembeheerders publiceert het enkele administratieve contactpunt een procedurehandleiding voor ontwikkelaars van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van kleinschalige projecten en projecten voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.
3.  Om gemakkelijker toegang te krijgen tot de nodige informatie brengt het enkele administratieve contactpunt in samenwerking met de transmissie- en distributiesysteembeheerders één enkel online informatieplatform tot stand met uitleg over de procedures voor ontwikkelaars van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van kleinschalige projecten, projecten voor consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en projecten voor hernieuwbare-energiegemeenschappen. Indien de lidstaat besluit meer dan een enkel administratief contactpunt op te richten, vindt de aanvrager via het informatieplatform de weg naar het voor de aanvraag relevante contactpunt.
Amendement 164
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 4
4.  De in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure duurt niet langer dan drie jaar, met uitzondering van de in artikel 16, lid 5, en artikel 17 omschreven gevallen.
4.  De in lid 1 bedoelde vergunningsprocedure duurt niet langer dan drie jaar, met uitzondering van de in artikel 16, leden 4 bis en 5, en artikel 17 omschreven gevallen.
Amendement 165
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Voor installaties met een elektrisch vermogen tussen 50 kW en 1 MW duurt de vergunningsprocedure niet langer dan één jaar. In buitengewone, naar behoren gemotiveerde omstandigheden kan deze termijn worden verlengd met drie bijkomende maanden.
De termijnen als bedoeld in de leden 4 en 4 bis gelden onverminderd gerechtelijke beroepsprocedures en rechtsmiddelen en kunnen hooguit worden verlengd met de duur van de gerechtelijke beroeps- en rechtsmiddelenprocedures.
De lidstaten zorgen ervoor dat aanvragers toegang hebben tot buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsmechanismen of eenvoudige en toegankelijke gerechtelijke procedures voor het beslechten van geschillen in verband met vergunningsprocedures en de afgifte van bouw- en exploitatievergunningen voor installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen.
Amendement 166
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 5
5.  De lidstaten bevorderen de repowering van bestaande installaties voor hernieuwbare energie door onder meer te voorzien in een vereenvoudigde en snelle vergunningsprocedure, die niet langer duurt dan één jaar vanaf de datum waarop het verzoek om repowering is ingediend bij het enkele administratieve contactpunt.
5.  De lidstaten bevorderen de repowering van bestaande installaties voor hernieuwbare energie door onder meer te voorzien in een vereenvoudigde en snelle vergunningsprocedure, die niet langer duurt dan één jaar vanaf de datum waarop het verzoek om repowering is ingediend bij het enkele administratieve contactpunt. Niettegenstaande artikel 11, lid 4, van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad betreffende [gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0379(COD)], garanderen de lidstaten dat de toegangs- en aansluitingsrechten met betrekking tot het netwerk gehandhaafd worden voor repoweringprojecten, op zijn minst voor gevallen waarin de capaciteit ongewijzigd blijft.
Amendement 354
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   De lidstaten zorgen er middels hun procedures voor het toekennen van vergunningen of concessies voor dat 90 % van de tankstations langs de wegen van het bij Verordening (EU) nr. 1315/2013 opgezette kernnetwerk (het "TEN‑V-kernnetwerk") tegen 31 december 2022 zijn uitgerust met openbaar toegankelijke snelle oplaadpunten voor elektrische voertuigen. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het toepassingsgebied van dit lid uit te breiden tot de onder artikel 25 vallende brandstoffen.
Amendement 167
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 1
1.  Demonstratieprojecten en -installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 50 kW mogen worden aangesloten op het net na een kennisgeving aan de distributiesysteembeheerder.
1.  Demonstratieprojecten en -installaties met een elektrisch vermogen van minder dan 50 kW mogen worden aangesloten op het net na een kennisgeving aan de distributiesysteembeheerder.
In afwijking van de eerste alinea kan de distributiesysteembeheerder voor demonstratieprojecten en -installaties met een vermogen tussen 10,8 kW en 50 kW besluiten deze eenvoudige kennisgeving om gegronde redenen te weigeren, of een andere oplossing voorstellen. In dit geval volgt er binnen de twee weken na de kennisgeving een voorstel en kan de aanvrager vervolgens verzoeken om via de standaardprocedures te worden aangesloten. Indien de distributiesysteembeheerder binnen deze termijn geen negatief besluit neemt, kan de installatie worden aangesloten.
Amendement 168
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 1
1.  De lidstaten zien erop toe dat informatie over steunmaatregelen ter beschikking wordt gesteld van alle belanghebbende actoren, zoals consumenten, fabrikanten, installateurs, architecten, en leveranciers van apparatuur en systemen voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking en van voertuigen die gebruik kunnen maken van energie uit hernieuwbare bronnen.
1.  De lidstaten zien erop toe dat informatie over steunmaatregelen ter beschikking wordt gesteld van alle belanghebbende actoren, zoals consumenten, met name kwetsbare consumenten met een laag inkomen, consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie, ontwikkelaars van hernieuwbare-energiegemeenschappen, installateurs, architecten, en leveranciers van apparatuur en systemen voor verwarming, koeling en elektriciteitsopwekking en van voertuigen die gebruik kunnen maken van energie uit hernieuwbare bronnen.
Amendement 169
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten zorgen voor informatie over de voordelen van intelligente vervoersystemen en communicerende voertuigen voor de verkeersveiligheid, de bestrijding van files en brandstofefficiëntie.
Amendement 170
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 6
6.  De lidstaten ontwikkelen met deelneming van lokale en regionale autoriteiten passende informatie-, voorlichtings-, begeleidings- en/of opleidingsprogramma's om hun burgers in te lichten over de voordelen en praktische aspecten van de ontwikkeling en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
6.  De lidstaten ontwikkelen met deelneming van lokale en regionale autoriteiten passende informatie-, voorlichtings-, begeleidings- en/of opleidingsprogramma's om hun burgers duidelijk te maken hoe ze hun rechten als actieve consumenten kunnen doen gelden en hen in te lichten over de voordelen en praktische aspecten – onder meer op technisch en financieel gebied – van de ontwikkeling en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, met inbegrip van consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie en verbruik in het kader van hernieuwbare-energiegemeenschappen, alsook over de voordelen van mechanismen voor samenwerking tussen lidstaten en andere vormen van grensoverschrijdende samenwerking.
Amendement 171
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 2 – alinea 3
De lidstaten zorgen ervoor dat geen garanties van oorsprong worden afgegeven aan een producent die voor dezelfde uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie financiële steun van een steunregeling ontvangt. De lidstaten geven dergelijke garanties van oorsprong af en dragen deze over aan de markt door ze te veilen. De opbrengst van deze veiling wordt gebruikt om de kosten van de ondersteuning van hernieuwbare energie te compenseren.
De lidstaten zorgen ervoor dat er voor hernieuwbare-energie-installaties die na ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in bedrijf zijn gesteld geen garanties van oorsprong worden afgegeven aan een producent die voor dezelfde uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie financiële steun van een steunregeling ontvangt, tenzij er geen sprake is van dubbele compensatie.
Er wordt aangenomen dat er geen sprake is van dubbele compensatie wanneer:
a)  de financiële steun wordt toegekend middels een aanbestedingsprocedure of een systeem van verhandelbare groene certificaten;
b)  de marktwaarde van de garanties van oorsprong administratief in aanmerking is genomen bij de vaststelling van de financiële steun; of
c)  de garanties van oorsprong niet rechtstreeks aan de producent worden afgegeven maar aan een leverancier of consument die de hernieuwbare energie afneemt via een voor mededinging openstaande procedure of een langlopende hernieuwbare-stroomafnameovereenkomst op bedrijfsniveau.
In andere dan de in de vierde alinea omschreven gevallen geven de lidstaten de garantie van oorsprong af voor statistische doeleinden, waarna ze de garantie onmiddellijk annuleren.
Amendement 172
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 7 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  of de energiebron waarmee de energie is geproduceerd, voldoet aan de in artikel 26 van deze richtlijn vermelde duurzaamheidscriteria en criteria inzake broeikasgasemissiereductie;
Amendement 173
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 7 – alinea 1 – letter b – punt ii
ii)  gas; of
ii)  gas, met inbegrip van waterstof; of
Amendement 174
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 19 – lid 8
8.  Een elektriciteitsleverancier die voor de toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2009/72/EG het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix moet aantonen, doet dat door middel van zijn garanties van oorsprong. Overeenkomstig artikel 14, lid 10, van Richtlijn 2012/27/EU gecreëerde garanties van oorsprong worden gebruikt om te voldoen aan alle vereisten om de hoeveelheid uit warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit te staven. De lidstaten zorgen ervoor dat ten volle rekening wordt gehouden met transmissieverliezen wanneer garanties van oorsprong worden gebruikt om de consumptie van hernieuwbare energie of elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te tonen.
8.  Een elektriciteitsleverancier die voor de toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2009/72/EG het aandeel of de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen in zijn energiemix moet aantonen, doet dat door middel van zijn garanties van oorsprong. Overeenkomstig artikel 14, lid 10, van Richtlijn 2012/27/EU gecreëerde garanties van oorsprong worden gebruikt om te voldoen aan alle vereisten om de hoeveelheid uit warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit te staven. Met betrekking tot lid 2 wordt, indien elektriciteit wordt opgewekt via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling met gebruik van hernieuwbare bronnen, slechts één garantie van oorsprong afgegeven waarin beide kenmerken worden gespecificeerd. De lidstaten zorgen ervoor dat ten volle rekening wordt gehouden met transmissieverliezen wanneer garanties van oorsprong worden gebruikt om de consumptie van hernieuwbare energie of elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan te tonen.
Amendement 175
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 20 – lid 1
1.  In voorkomend geval gaan de lidstaten na of de bestaande gasnetinfrastructuur moet worden uitgebreid om de integratie van gas uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken.
1.  In voorkomend geval gaan de lidstaten na of de bestaande gasnetinfrastructuur moet worden uitgebreid om de integratie van gas uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken. Transmissienetbeheerders en distributienetbeheerders zijn verantwoordelijk voor de goede werking van de gasnetinfrastructuur, met inbegrip van het onderhoud en het regelmatig schoonmaken ervan.
Amendement 176
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 20 – lid 3
3.  Op basis van hun overeenkomstig bijlage I bij Verordening [governance] in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen opgenomen evaluatie van de noodzaak om nieuwe infrastructuur te bouwen voor stadsverwarming en -koeling uit hernieuwbare energiebronnen teneinde het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde streefdoel van de Unie te halen, nemen de lidstaten waar nodig stappen om een infrastructuur voor stadsverwarming op te zetten teneinde de ontwikkeling van de productie van verwarming en koeling uit grote biomassa-installaties, zonne-energie-installaties en geothermische faciliteiten mogelijk te maken.
3.  Op basis van hun overeenkomstig bijlage I bij Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen opgenomen evaluatie van de noodzaak om nieuwe infrastructuur te bouwen voor stadsverwarming en -koeling uit hernieuwbare energiebronnen teneinde het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bedoelde streefdoel van de Unie te halen, nemen de lidstaten waar nodig stappen om een infrastructuur voor stadsverwarming op te zetten teneinde de ontwikkeling van de productie van verwarming en koeling uit grote installaties die gebruikmaken van duurzame biomassa, omgevingswarmte in grote warmtepompen, zonne-energie en geothermische energie, alsook overtollige warmte uit de industrie en andere bronnen, mogelijk te maken.
Amendement 177
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie individueel of via aankoopgroeperingen:
De lidstaten waarborgen dat consumenten het recht hebben om consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie te worden. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie individueel of via aankoopgroeperingen:
Amendement 178
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a
a)  het recht hebben zelfgeproduceerde energie te consumeren en hun overtollige productie van hernieuwbare elektriciteit te verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen;
a)  het recht hebben zelfgeproduceerde energie te consumeren en hun overtollige productie van hernieuwbare elektriciteit te verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten en regelingen voor peer-to-peerhandel, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan discriminerende of onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen;
Amendement 179
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  het recht hebben hun zelfgeproduceerde hernieuwbare elektriciteit binnen de grenzen van hun eigen terrein te gebruiken, zonder aan heffingen, leges of belastingen te worden onderworpen;
Amendement 180
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter a ter (nieuw)
a ter)  het recht hebben elektriciteitsopslagsystemen gecombineerd met installaties voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit voor eigen gebruik te installeren en te exploiteren, zonder te worden onderworpen aan heffingen, met inbegrip van belastingen en dubbele nettarieven voor opgeslagen elektriciteit binnen de grenzen van hun eigen terrein;
Amendement 181
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter c
c)  niet worden beschouwd als energieleveranciers overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht wanneer zij een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit aan het net leveren die op jaarbasis niet meer is dan 10 MWh voor huishoudens en niet meer dan 500 MWh voor rechtspersonen; en
c)  niet worden beschouwd als energieleveranciers overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht wanneer zij een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit aan het net leveren die op jaarbasis niet meer is dan 10 MWh voor huishoudens en niet meer dan 500 MWh voor rechtspersonen, onverminderd de procedures die ingevolge de artikelen 15 tot en met 18 zijn vastgesteld voor het toezicht op en de goedkeuring van de aansluiting van opwekkingscapaciteit op het net door distributienetbeheerders;
Amendement 182
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 1 – letter d
d)  voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die zij aan het net leveren een vergoeding ontvangen die een weerspiegeling is van de marktwaarde van de geleverde elektriciteit.
d)  voor de zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die zij aan het net leveren een vergoeding ontvangen die ten minste gelijkwaardig is aan de marktprijs en waarin eventueel rekening wordt gehouden met de waarde op lange termijn voor het net, het milieu en de samenleving, overeenkomstig de kosten-batenanalyse van gedistribueerde energiebronnen uit hoofde van [artikel 59] van Richtlijn ... van het Europees Parlement en de Raad [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking), 2016/0380(COD)].
Amendement 183
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De lidstaten zorgen ervoor dat de verdeling van de kosten voor het beheer en de ontwikkeling van het netwerk billijk en evenredig is, en een weerspiegeling vormt van de systeembrede voordelen van zelfopwekking, met inbegrip van de waarde op lange termijn voor het net, het milieu en de samenleving.
Amendement 184
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die in hetzelfde appartementsgebouw wonen of gevestigd zijn op dezelfde commerciële locatie of locatie met gedeelde diensten of een gesloten distributiesysteem gezamenlijk zelfgeproduceerde energie mogen consumeren, alsof zij een individuele consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie zijn. In dit geval is de in lid 1, onder c), bedoelde drempel van toepassing op iedere betrokken consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat consumenten van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie die in hetzelfde appartementsgebouw of woongebied wonen of gevestigd zijn op dezelfde commerciële of industriële locatie of locatie met gedeelde diensten of in hetzelfde gesloten distributiesysteem gezamenlijk zelfgeproduceerde energie mogen consumeren, alsof zij een individuele consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie zijn. In dit geval is de in lid 1, onder c), bedoelde drempel van toepassing op iedere betrokken consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.
Amendement 185
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten verrichten een beoordeling van de bestaande belemmeringen en het ontwikkelingspotentieel met betrekking tot de consumptie van zelfgeproduceerde energie op hun grondgebied, teneinde een gunstig kader te scheppen om de ontwikkeling van de consumptie van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie te bevorderen en te faciliteren.
Dat kader omvat onder meer:
a)  specifieke maatregelen om te waarborgen dat de consumptie van zelfgeproduceerde energie toegankelijk is voor alle consumenten, met inbegrip van huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens, of al wie een sociale woning of huurwoning betrekt;
b)  instrumenten om de toegang tot financiering te vergemakkelijken;
c)  stimulansen voor huiseigenaren om voor huurders mogelijkheden te scheppen voor de consumptie van zelfgeproduceerde energie;
d)  opheffing van alle ongerechtvaardigde regelgevingsbelemmeringen die het gebruik van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie in de weg staan, onder meer voor huurders.
Dit gunstige kader maakt deel uit van de nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening ... van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)].
Amendement 186
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 21 – lid 3
3.  De installatie van een consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie kan door een derde partij worden beheerd wat betreft installatie, beheer, met inbegrip van de meteropneming, en onderhoud.
3.  Met de instemming van de consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie kan diens installatie het eigendom zijn van of worden beheerd door een derde partij wat betreft installatie, beheer, met inbegrip van de meteropneming, en onderhoud. Deze derde partij wordt zelf niet beschouwd als een consument van zelfgeproduceerde hernieuwbare energie.
Amendement 187
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea -1 (nieuw)
De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers, met name huishoudelijke afnemers, het recht hebben om deel te nemen aan een hernieuwbare-energiegemeenschap zonder hun rechten te verliezen als eindafnemers en zonder te worden onderworpen aan ongegronde voorwaarden of procedures die hun deelname aan een hernieuwbare-energiegemeenschap kunnen verhinderen of ontmoedigen, mits voor particuliere ondernemingen geldt dat hun deelname niet hun belangrijkste commerciële of professionele activiteit vormt.
Amendement 188
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht hebben hernieuwbare energie te produceren, consumeren, opslaan en verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen.
De lidstaten zorgen ervoor dat hernieuwbare-energiegemeenschappen het recht hebben hernieuwbare energie te produceren, consumeren, opslaan en verkopen, ook via stroomafnameovereenkomsten, zonder dat zij hierbij worden onderworpen aan discriminerende of onevenredige procedures en tarieven die de kosten niet weerspiegelen.
Amendement 189
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – inleidende formule
Voor de toepassing van deze richtlijn is een hernieuwbare-energiegemeenschap een kmo of een organisatie zonder winstoogmerk waarvan de aandeelhouders of leden samenwerken om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren, te verdelen, op te slaan of te leveren, waarbij aan ten minste vier van de volgende criteria wordt voldaan:
Voor de toepassing van deze richtlijn is een hernieuwbare-energiegemeenschap een kmo of een organisatie zonder winstoogmerk waarvan de aandeelhouders of leden samenwerken om energie uit hernieuwbare bronnen te produceren, te verdelen, op te slaan of te leveren.
Om een behandeling als hernieuwbare-energiegemeenschap te kunnen genieten moet ten minste 51 % van de zetels in de raad van bestuur of de bestuursorganen van de entiteit zijn voorbehouden aan lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van lokale publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of individuele burgers.
Bovendien voldoet een hernieuwbare-energiegemeenschap aan ten minste drie van de volgende criteria:
Amendement 190
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter a
a)  de aandeelhouders of leden zijn natuurlijke personen, lokale overheden, met inbegrip van gemeenten, of kmo's die actief zijn op het gebied van hernieuwbare energie;
a)  de aandeelhouders of leden zijn natuurlijke personen, lokale overheden, met inbegrip van gemeenten, of kmo's;
Amendement 191
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter b
b)  ten minste 51 % van de stemgerechtigde aandeelhouders of leden van de entiteit zijn natuurlijke personen;
b)  ten minste 51 % van de stemgerechtigde aandeelhouders of leden van de entiteit zijn natuurlijke personen of overheidsinstanties;
Amendement 192
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter c
c)  ten minste 51 % van de aandelen of medezeggenschapsrechten van de entiteit zijn eigendom van lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of burgers met een direct belang in de activiteit van de gemeenschap en de impact ervan;
c)  ten minste 51 % van de aandelen of medezeggenschapsrechten van de entiteit zijn eigendom van lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of individuele burgers;
Amendement 193
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter d
d)  ten minste 51 % van de zetels in de raad van bestuur of de bestuursorganen van de entiteit zijn voorbehouden aan lokale leden, d.w.z. vertegenwoordigers van publieke en private lokale sociaaleconomische belangen of burgers met een direct belang in de activiteit van de gemeenschap en de impact ervan;
Schrappen
Amendement 194
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De lidstaten zien toe op de toepassing van deze criteria en nemen maatregelen om misbruik of negatieve gevolgen voor de concurrentie te vermijden.
Amendement 195
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 2
2.  Onverminderd staatssteunregels houden de lidstaten bij het ontwerpen van steunregelingen rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen.
2.  Bij het ontwerpen van steunregelingen houden de lidstaten rekening met de specifieke kenmerken van hernieuwbare-energiegemeenschappen en waarborgen ze tegelijkertijd een gelijk speelveld voor producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.
Amendement 196
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 22 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten verrichten een beoordeling van de bestaande belemmeringen en het potentieel met betrekking tot de ontwikkeling van hernieuwbare-energiegemeenschappen op hun grondgebied, teneinde een gunstig kader te scheppen om de deelname van hernieuwbare-energiegemeenschappen aan de opwekking, consumptie, opslag en verkoop van hernieuwbare energie te bevorderen en te faciliteren.
Dat gunstig kader omvat:
a)  doelstellingen en specifieke maatregelen om overheden te helpen de ontwikkeling van hernieuwbare-energiegemeenschappen mogelijk te maken, en om rechtstreeks deel te nemen;
b)  specifieke maatregelen om te waarborgen dat deelname aan hernieuwbare-energiegemeenschappen toegankelijk is voor alle consumenten, met inbegrip van huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens, of al wie een sociale woning betrekt of huurder is;
c)  instrumenten om de toegang tot financiering en informatie te vergemakkelijken;
d)  ondersteuning van overheden op het gebied van regelgeving en capaciteitsopbouw bij de oprichting van hernieuwbare-energiegemeenschappen;
e)  opheffing van ongegronde regelgevings- en administratieve belemmeringen voor hernieuwbare energie-gemeenschappen;
f)  regels om de gelijke en niet-discriminerende behandeling van consumenten die deelnemen aan de energiegemeenschap te verzekeren, waarbij wordt gezorgd voor een consumentenbescherming die gelijkwaardig is aan de bescherming van wie aangesloten is op de distributienetten.
Dit gunstige kader maakt deel uit van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen overeenkomstig Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)].
Amendement 197
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 1
1.  Om de penetratie van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, doen alle lidstaten het nodige om het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie ieder jaar te doen toenemen met ten minste één percentpunt (pp), uitgedrukt in nationaal aandeel eindenergieverbruik en berekend volgens de in artikel 7 bedoelde methodologie.
1.  Om de penetratie van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector te bevorderen, doen alle lidstaten het nodige om het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie ieder jaar te doen toenemen met ten minste twee procentpunten (pp), uitgedrukt in nationaal aandeel eindenergieverbruik en berekend volgens de in artikel 7 bedoelde methodologie. Indien een lidstaat niet in staat is dit percentage te bereiken, maakt hij een rechtvaardiging voor de niet-naleving bekend en bezorgt deze aan de Commissie. De lidstaten geven voorrang aan de beste beschikbare technologieën.
Amendement 198
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Voor de toepassing van lid 1 nemen de lidstaten bij de berekening van het aandeel voor verwarming en koeling geleverde hernieuwbare energie en van hun verplichte jaarlijkse toename het volgende in acht:
a)  de lidstaten mogen elke toename die is verwezenlijkt in een gegeven jaar meerekenen alsof deze gedeeltelijk of volledig werd verwezenlijkt in een van de twee voorgaande of de twee volgende jaren, afgebakend tot de periode tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030;
b)  de lidstaten mogen afvalwarmte en -koude opnemen in de berekening van de jaarlijkse toename als bedoeld in lid 1, weliswaar beperkt tot 50 % van de jaarlijkse toename;
c)  indien het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen in de verwarmings- en koelingssector tussen de 50 % en 80 % bedraagt, beperkt de lidstaat de toename tot één procentpunt per jaar;
d)  de lidstaten mogen zelf bepalen hoeveel hun jaarlijkse toename bedraagt – ook of ze al dan niet de beperking voor afvalwarmte en -koude als bedoeld onder b) toepassen – met ingang van het jaar waarin ze een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen en afvalwarmte- en afvalkoudebronnen in de verwarmings- en koelingssector bereiken van meer dan 80 %.
Amendement 199
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 2
2.  De lidstaten kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een lijst met maatregelen en uitvoeringsorganen, zoals brandstofleveranciers, aanwijzen en bekendmaken die moeten bijdragen aan de in lid 1 bedoelde toename.
2.  De lidstaten stellen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria een lijst op met maatregelen en uitvoeringsorganen, zoals brandstofleveranciers, die moeten bijdragen aan de in lid 1 bedoelde toename, en maken deze lijst bekend.
Amendement 200
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 – inleidende formule
3.  De in lid 1 bedoelde toename kan worden verwezenlijkt door middel van een of meer van de volgende opties:
3.  De in lid 1 bedoelde toename kan onder meer worden verwezenlijkt door middel van een of meer van de volgende opties:
Amendement 201
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 – letter a
a)  fysieke vermenging van hernieuwbare energie in de voor verwarming en koeling geleverde energie en brandstof;
a)  fysieke vermenging van hernieuwbare energie of afvalwarmte en -koude in de voor verwarming en koeling geleverde energie en brandstof;
Amendement 202
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 – letter b
b)  directe matigingsmaatregelen, zoals de installatie in gebouwen van hoogrenderende systemen voor hernieuwbare verwarming en koeling of het gebruik van hernieuwbare energie in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;
b)  directe matigingsmaatregelen, zoals de installatie in gebouwen van hoogrenderende systemen voor hernieuwbare verwarming en koeling of het gebruik van hernieuwbare energie of het gebruik van afvalwarmte en -koude in industriële verwarmings- en koelingsprocessen;
Amendement 203
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 – letter c bis (nieuw)
c bis)  andere beleidsmaatregelen met een evenwaardig effect om de in lid 1 of lid 1 bis vermelde toename te bereiken.
Amendement 204
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Bij de uitvoering van de onder a) tot en met d) bedoelde maatregelen zien de lidstaten erop toe dat de maatregelen zodanig worden ontworpen dat de toegang voor alle consumenten gewaarborgd is, met name voor wie een laag inkomen heeft of voor kwetsbare huishoudens, die mogelijk vooraf niet over voldoende kapitaal beschikken om er gebruik van te kunnen maken.
Amendement 205
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 5 – letter b bis (nieuw)
b bis)  de hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde afvalwarmte of -koude;
Amendement 206
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 5 – letter c
c)  het aandeel hernieuwbare energie in de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie; en
c)  het aandeel hernieuwbare energie en afvalwarmte of -koude in de totale hoeveelheid voor verwarming en koeling geleverde energie; en
Amendement 207
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen evoor dat leveranciers van stadsverwarming en -koeling aan de eindconsument informatie verstrekken over hun energieprestaties en het aandeel hernieuwbare energie in hun systemen. Dergelijke informatie voldoet aan de in het kader van Richtlijn 2010/31/EU gebruikte normen.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat leveranciers van stadsverwarming en -koeling aan de eindconsument informatie verstrekken over hun energieprestaties en het aandeel hernieuwbare energie in hun systemen. Dergelijke informatie wordt jaarlijks of op verzoek verschaft en voldoet aan de in het kader van Richtlijn 2010/31/EU gebruikte normen.
Amendement 208
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 2
2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het afnemers van systemen voor stadsverwarming en koeling die geen "efficiënte stadsverwarming en -koeling" zijn in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU, mogelijk te maken van het systeem te worden ontkoppeld teneinde zelf verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen te produceren of over te stappen op een andere leverancier van verwarming of koeling die toegang heeft tot het systeem zoals bedoeld in lid 4.
2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het afnemers van systemen voor stadsverwarming en -koeling die geen "efficiënte stadsverwarming en -koeling" zijn in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU of dit op basis van hun investeringsplannen geen dergelijke systemen zullen worden binnen de eerstkomende vijf jaar, mogelijk te maken van het systeem te worden ontkoppeld teneinde zelf verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen te produceren.
Amendement 209
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 3
3.  De lidstaten kunnen het recht om te worden ontkoppeld of van leverancier te veranderen beperken tot afnemers die kunnen bewijzen dat de geplande alternatieve oplossing voor de levering van verwarming of koeling zal leiden tot significant betere energieprestaties. De prestatiebeoordeling van de alternatieve voorzieningsoplossing kan op het in Richtlijn 2010/31/EU gedefinieerde energieprestatiecertificaat worden gebaseerd.
3.  De lidstaten kunnen het recht om te worden ontkoppeld beperken tot afnemers die kunnen bewijzen dat de geplande alternatieve oplossing voor de levering van verwarming of koeling zal leiden tot significant betere energieprestaties. De prestatiebeoordeling van de alternatieve voorzieningsoplossing kan op het in Richtlijn 2010/31/EU gedefinieerde energieprestatiecertificaat worden gebaseerd.
Amendement 210
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 4
4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter waarborging van niet-discriminerende toegang voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming en koeling en afvalwarmte en -koude tot systemen voor stadsverwarming en -koeling. Deze niet-discriminerende toegang maakt het mogelijk dat andere leveranciers dan de beheerder van het systeem voor stadsverwarming of -koeling rechtstreeks verwarming en koeling uit dergelijke bronnen kunnen leveren aan afnemers die gekoppeld zijn aan het systeem voor stadsverwarming of -koeling.
4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter waarborging van niet-discriminerende toegang voor uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde verwarming en koeling en voor afvalwarmte of -koude tot systemen voor stadsverwarming en -koeling, op basis van niet-discriminerende criteria die worden vastgesteld door de bevoegde instantie in de lidstaat. In deze criteria wordt rekening gehouden met de economische en technische haalbaarheid voor de beheerders van het systeem voor stadsverwarming of -koeling en de aangesloten afnemers.
Amendement 211
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 5
5.  Een beheerder van een systeem voor stadsverwarming of -koeling kan leveranciers toegang weigeren indien in het systeem de nodige capaciteit ontbreekt ten gevolge van andere leveringen van afvalwarmte of -koude, van verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, of van verwarming of koeling uit hoogrenderende warmtekrachtkoppelingsinstallaties. De lidstaten zorgen ervoor dat in het geval van een dergelijke weigering de beheerder van een systeem voor stadsverwarming en -koeling aan de bevoegde instantie overeenkomstig lid 9 relevante informatie verstrekt over de maatregelen die nodig zijn om het systeem te versterken.
5.  Een beheerder van een systeem voor stadsverwarming of -koeling kan leveranciers toegang weigeren indien aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)   in het systeem ontbreekt de nodige capaciteit ten gevolge van andere leveringen van afvalwarmte of -koude, van verwarming of koeling uit hernieuwbare energiebronnen, of van verwarming of koeling uit hoogrenderende warmte-krachtkoppelingsinstallaties, of deze toegang zou de veilige werking van het stadsverwarmingssysteem in gevaar brengen;
b)   het systeem is een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU;
c)   het verlenen van toegang zou leiden tot een te grote stijging van de warmte- of koudeprijs voor de eindverbruikers in vergelijking met de prijs voor het gebruik van de belangrijkste plaatselijke warmtevoorziening waarmee de hernieuwbare energiebron of de afvalwarmte of -koude zouden kunnen concurreren.
De lidstaten zorgen ervoor dat in het geval van een dergelijke weigering de beheerder van een systeem voor stadsverwarming en -koeling aan de bevoegde instantie overeenkomstig lid 9 relevante informatie verstrekt over de maatregelen die nodig zijn om het systeem te versterken, met inbegrip van de economische gevolgen van de maatregelen.
Amendement 212
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 6
6.  Nieuwe systemen voor stadsverarming en -koeling kunnen op verzoek voor een bepaalde periode worden vrijgesteld van de toepassing van lid 4. De bevoegde autoriteit beslist geval per geval over dergelijke vrijstellingsverzoeken. Een vrijstelling wordt uitsluitend toegekend indien het nieuwe systeem voor stadsverwarming of -koeling een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" is in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en indien het systeem gebruikmaakt van het potentieel voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en afvalwarmte of -koude zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU uitgevoerde uitgebreide beoordeling.
6.  Nieuwe systemen voor stadsverwarming en -koeling kunnen op verzoek voor een bepaalde periode worden vrijgesteld van de toepassing van lid 4. De bevoegde autoriteit beslist geval per geval over dergelijke vrijstellingsverzoeken. Een vrijstelling wordt uitsluitend toegekend indien het nieuwe systeem voor stadsverwarming of -koeling een "efficiënte stadsverwarming en -koeling" is in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en indien het systeem gebruikmaakt van het potentieel voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling in de zin van artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU, en afvalwarmte of -koude zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU uitgevoerde uitgebreide beoordeling.
Amendement 213
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 7
7.  Het recht om te worden ontkoppeld of van leverancier te veranderen kan worden uitgeoefend door individuele afnemers, gemeenschappelijke ondernemingen die zijn opgericht door afnemers of door partijen die namens afnemers optreden. In het geval van appartementsgebouwen kan een dergelijke ontkoppeling uitsluitend worden uitgevoerd op het niveau van het volledige gebouw.
7.  Het recht om te worden ontkoppeld kan worden uitgeoefend door individuele afnemers, gemeenschappelijke ondernemingen die zijn opgericht door afnemers of door partijen die namens afnemers optreden. In het geval van appartementsgebouwen kan een dergelijke ontkoppeling uitsluitend worden uitgevoerd op het niveau van het volledige gebouw.
Amendement 214
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 8
8.  De lidstaten vereisen dat beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste tweejaarlijks, in samenwerking met de beheerders van systemen voor stadsverwarming of -koeling in hun respectieve gebieden, beoordelen wat het potentieel is van systemen voor stadsverwarming of -koeling om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verstrekken, met inbegrip van vraagrespons en opslag van overtollige, uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel meer hulpbronnen- en kostenefficiënt zou zijn dan andere mogelijke oplossingen.
8.  De lidstaten vereisen dat beheerders van elektriciteitsdistributiesystemen ten minste om de vier jaar, in samenwerking met de beheerders van systemen voor stadsverwarming of -koeling in hun respectieve gebieden, beoordelen wat het potentieel is van systemen voor stadsverwarming of -koeling om balanceringsdiensten en andere systeemgerelateerde diensten te verstrekken, met inbegrip van vraagrespons en opslag van overtollige, uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit, en of het gebruik van het vastgestelde potentieel meer hulpbronnen- en kostenefficiënt zou zijn dan andere mogelijke oplossingen.
Amendement 215
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 24 – lid 9
9.  De lidstaten wijzen een of meerdere onafhankelijke instanties aan om ervoor te zorgen dat de rechten van de consument en regels voor het beheer van systemen voor stadsverwarming en -koeling in overeenstemming met dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd en worden afgedwongen.
9.  De lidstaten wijzen een of meerdere bevoegde instanties aan om ervoor te zorgen dat de rechten van de consument en regels voor het beheer van systemen voor stadsverwarming en -koeling in overeenstemming met dit artikel duidelijk zijn gedefinieerd en worden afgedwongen.
Amendement 216
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 1
Met ingang van 1 januari 2021 eisen de lidstaten dat de totale hoeveelheid transportbrandstoffen die brandstofleveranciers tijdens een kalenderjaar leveren voor consumptie of gebruik op de markt, een minimumaandeel bevat van energie uit geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en van hernieuwbare elektriciteit.
Om het in artikel 3 bedoelde streefcijfer van 12 % energie uit hernieuwbare bronnen in het eindverbruik van energie te halen, eisen de lidstaten met ingang van 1 januari 2021 dat de totale hoeveelheid transportbrandstoffen die brandstofleveranciers tijdens een kalenderjaar leveren voor consumptie of gebruik op de markt, een minimumaandeel bevat van energie uit geavanceerde biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, van brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof en van hernieuwbare elektriciteit.
Amendement 217
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 2
Het minimumaandeel zal in 2021 ten minste 1,5 % bedragen en stijgen tot minstens 6,8 % in 2030, waarbij de in deel B van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd. Binnen dit totale aandeel zijn geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, per 1 januari 2021 goed voor minstens 0,5 % van de transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt en uiterlijk in 2030 voor minstens 3,6 %, waarbij de in deel C van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd.
Het minimumaandeel zal in 2021 ten minste 1,5 % bedragen en stijgen tot minstens 10 % in 2030, waarbij de in deel B van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd. Binnen dit totale aandeel zijn geavanceerde biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, per 1 januari 2021 goed voor minstens 0,5 % van de transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt en uiterlijk in 2030 voor minstens 3,6 %, waarbij de in deel C van bijlage X uitgezette koers wordt gevolgd.
Brandstofleveranciers die uitsluitend brandstoffen in de vorm van elektriciteit en hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong leveren, hoeven niet te voldoen aan het minimumaandeel van energie uit geavanceerde biobrandstoffen, andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen.
Amendement 218
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter a
a)  voor de berekening van de noemer, zijnde de energie-inhoud van de in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, wordt rekening gehouden met benzine, diesel, aardgas, biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen en elektriciteit;
a)  voor de berekening van de noemer, zijnde de energie-inhoud van de in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, wordt rekening gehouden met benzine, diesel, aardgas, biobrandstoffen, biogas, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof en elektriciteit;
Amendement 219
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter b – alinea 1
b)  voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerd biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen die aan alle vervoerssectoren worden geleverd, en aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit.
b)  voor de berekening van de teller wordt rekening gehouden met de energie-inhoud van geavanceerd biobrandstoffen en andere biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, brandstoffen op basis van gerecycleerde koolstof die aan alle vervoerssectoren worden geleverd, en aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit.
Amendement 220
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 – alinea 4 – letter b – alinea 2
Voor de berekening van de teller wordt de bijdrage van biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in deel B van bijlage IX vermelde grondstoffen, beperkt tot 1,7 % van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt, en wordt de bijdrage van in de lucht- en zeevaartsector geleverde brandstoffen geacht 1,2 maal hun energie-inhoud te zijn.
Voor de berekening van de teller wordt de bijdrage van biobrandstoffen en biogassen die worden geproduceerd uit in deel B van bijlage IX vermelde grondstoffen, beperkt tot 1,7 % van de energie-inhoud van transportbrandstoffen die worden geleverd voor consumptie of gebruik op de markt.
De lidstaten kunnen de beperking die geldt voor grondstoffen van deel B van bijlage IX wijzigen indien dit kan worden gerechtvaardigd op grond van de beschikbaarheid van grondstoffen. Eventuele wijzigingen moeten worden goedgekeurd door de Commissie.
De bijdrage van in de lucht- en zeevaartsector geleverde brandstoffen wordt geacht respectievelijk 2 maal en 1,2 maal de energie-inhoud ervan te zijn, en de bijdrage van aan wegvoertuigen geleverde hernieuwbare elektriciteit wordt geacht 2,5 maal de energie-inhoud ervan te zijn.
Amendement 221
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten mogen hun nationale beleidsmaatregelen om aan de verplichtingen in het kader van dit artikel te voldoen, vormgeven als een verplichting met betrekking tot broeikasgasemissiereductie, en mogen deze maatregelen ook toepassen op uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen, mits dit geen averechtse uitwerking heeft op de doelstellingen van de circulaire economie en mits er wordt voldaan aan het in lid 1 bedoelde aandeel energie uit hernieuwbare bronnen.
Amendement 223
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 3 – alinea 1
3.  Om het aandeel hernieuwbare elektriciteit te bepalen voor de toepassing van lid 1 kan of het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie, of het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar de elektriciteit wordt geleverd, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt. In beide gevallen wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.
3.  Om het aandeel hernieuwbare elektriciteit te bepalen voor de toepassing van lid 1 wordt het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de lidstaat waar de elektriciteit wordt geleverd, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, gebruikt, op voorwaarde dat er voldoende bewijs is dat het om additionele elektriciteit uit hernieuwbare bronnen gaat. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn om een methodologie tot stand te brengen, waaronder een methodologie voor de lidstaten om hun uitgangswaarde vast te stellen, voor het bewijzen van additionaliteit.
Amendement 224
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
In afwijking van de eerste alinea wordt voor het bepalen van het aandeel elektriciteit voor de toepassing van lid 1, elektriciteit die wordt verkregen uit een rechtstreekse aansluiting op een installatie voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit en die aan wegvoertuigen wordt geleverd, volledig als hernieuwbare elektriciteit beschouwd. Op dezelfde manier wordt elektriciteit die verkregen wordt via langlopende stroomafnameovereenkomsten voor hernieuwbare elektriciteit, volledig als hernieuwbare elektriciteit beschouwd. Hoe dan ook wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.
Amendement 225
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 3 – alinea 3 – letter a – alinea 1
Wanneer elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, hetzij rechtstreeks of voor de productie van tussenproducten, kan of het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie of het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen. In beide gevallen wordt een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong geschrapt.
Wanneer elektriciteit wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, hetzij rechtstreeks of voor de productie van tussenproducten, kan het gemiddelde aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het land van productie, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie, worden gebruikt om het aandeel hernieuwbare energie te bepalen. Een gelijkwaardige hoeveelheid overeenkomstig artikel 19 afgegeven garanties van oorsprong wordt geschrapt.
Amendement 226
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 4 – alinea 1
De lidstaten zetten een databank op die het mogelijk maakt transportbrandstoffen te volgen die in aanmerking komen om te worden meegeteld bij de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde teller en eisen dat de betrokken marktdeelnemers informatie invoeren over de transacties en de duurzaamheidskenmerken van de in aanmerking komende brandstoffen, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot aan de brandstofleverancier die de brandstof op de markt brengt.
De Commissie zet een Uniedatabank op die het mogelijk maakt transportbrandstoffen, waaronder elektriciteit, te volgen die in aanmerking komen om te worden meegeteld bij de berekening van de in lid 1, onder b), bedoelde teller. De lidstaten eisen van de betrokken marktdeelnemers dat zij informatie invoeren over de transacties en de duurzaamheidskenmerken van de in aanmerking komende brandstoffen, met inbegrip van hun broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, van hun plaats van productie tot aan de brandstofleverancier die de brandstof op de markt brengt.
Amendement 227
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 4 – alinea 3
De nationale databanken worden onderling met elkaar verbonden zodat brandstoftransacties tussen lidstaten kunnen worden gevolgd. Om ervoor te zorgen dat de nationale databanken compatibel zijn, stelt de Commissie technische specificaties met betrekking tot hun inhoud en gebruik vast door overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast te stellen.
De Commissie stelt technische specificaties met betrekking tot hun inhoud en gebruik vast door overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast te stellen.
Amendement 228
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 5
5.  De lidstaten brengen verslag uit over de geaggregeerde gegevens uit de nationale databanken, met inbegrip van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de brandstoffen, overeenkomstig bijlage VII van Verordening [governance].
5.  De lidstaten brengen verslag uit over de geaggregeerde gegevens, met inbegrip van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de brandstoffen, overeenkomstig bijlage VII bij Verordening ... van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)]. De Commissie publiceert op jaarbasis geaggregeerde gegevens uit de databank.
Amendement 229
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 6
6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 3, onder b), van dit artikel bedoelde methodologie nader te specifieren ter bepaling van het aandeel biobrandstoffen uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, ter specificering van de methodologie voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en uit afval geproduceerde fossiele brandstoffen, en ter bepaling van de minimumreductie van broeikasgasemissies nodig voor deze brandstoffen voor de toepassing van lid 1 van deze richtlijn.
6.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 32 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn aan te vullen door de in lid 3, onder b), van dit artikel bedoelde methodologie nader te specificeren ter bepaling van het aandeel biobrandstoffen uit biomassa die in een gezamenlijk proces met fossiele brandstoffen worden verwerkt, ter specificering van de methodologie voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en koolstofarme fossiele brandstoffen, die worden verkregen uit afgas dat ontstaat als het onvermijdelijke en onbedoelde nevenproduct van de vervaardiging of productie van voor commercieel gebruik en/of verkoop bestemde producten, en ter bepaling van de minimumreductie van broeikasgasemissies nodig voor deze brandstoffen voor de toepassing van lid 1 van dit artikel.
Amendement 230
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 25 – lid 7
7.  Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in de context van de tweejaarlijkse beoordeling van de in het kader van Verordening [governance] geboekte voortgang, of de in lid 1 bedoelde verplichting daadwerkelijk innovatie stimuleert en de reductie van broeikasgasemmissies in de vervoerssector bevordert en of de toepasselijke vereisten inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen en biogassen passend zijn. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de in lid 1 bedoelde verplichting.
7.  Uiterlijk op 31 december 2025 beoordeelt de Commissie, in de context van de tweejaarlijkse beoordeling van de in het kader van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)] geboekte voortgang, of de in lid 1 bedoelde verplichting daadwerkelijk innovatie stimuleert en de reductie van broeikasgasemissies in de vervoerssector waarborgt en of de toepasselijke vereisten inzake broeikasgasemissiereductie voor biobrandstoffen en biogassen passend zijn. Bij deze beoordeling wordt ook nagegaan of met de bepalingen van dit artikel inderdaad wordt voorkomen dat hernieuwbare energie dubbel wordt geteld. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de in lid 1 bedoelde verplichting. De gewijzigde verplichtingen handhaven ten minste de niveaus die overeenkomen met de capaciteit voor geavanceerde biobrandstoffen die in 2025 reeds geïnstalleerd of in aanbouw is.
Amendement 231
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
1.  Energie uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 en aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7:
1.  Ongeacht of de grondstoffen werden geteeld op het grondgebied van de Unie of daarbuiten, wordt energie uit biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 en aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7:
Amendement 232
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 1 – letter c
c)  het in aanmerking komen voor financiële steun voor het verbruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
c)  het in aanmerking komen voor financiële steun, met inbegrip van fiscale prikkels, voor het verbruik van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
Amendement 323
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 2
Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid alleen te voldoen aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7. Deze bepaling is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) van dit lid alleen te voldoen aan de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van lid 7. Bij de productie ervan uit afvalstoffen en residuen die onder Richtlijn 2008/98/EG vallen, wordt evenwel het beginsel van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG in acht genomen. Deze bepaling is ook van toepassing op afvalstoffen en residuen die in een product zijn verwerkt alvorens zij verder worden verwerkt in biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.
Amendement 234
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
Uit afval en residuen van landbouwgrond geproduceerde biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen worden alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden als bedoeld onder a), b) en c), van dit lid wanneer de beheerders maatregelen hebben genomen om negatieve gevolgen voor de bodemkwaliteit en de koolstof in de bodem tot een minimum te beperken. Informatie over deze maatregelen wordt overeenkomstig artikel 27, lid 3, bekendgemaakt.
Amendement 235
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 1 – alinea 3
Biomassabrandstoffen hoeven alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de leden 2 tot en met 7 indien zij worden gebruikt in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling of brandstoffen, met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer in het geval van vaste biomassabrandstoffen, of met een elektrische capaciteit van 0,5 MW of meer in het geval van gasvormige biomassabrandstoffen. De lidstaten kunnen de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie toepassen op installaties met een lagere brandstofcapaciteit.
Biomassabrandstoffen hoeven alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van de leden 2 tot en met 7 indien zij worden gebruikt in installaties voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling of brandstoffen, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer in het geval van vaste biomassabrandstoffen, of met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 2 MW of meer in het geval van gasvormige biomassabrandstoffen. De lidstaten kunnen de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie toepassen op installaties met een lagere brandstofcapaciteit.
Amendement 236
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis)  bos met grote biodiversiteit en andere beboste grond die rijk is aan soorten en niet is aangetast, of die door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grond met grote biodiversiteit, tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft op die natuurbeschermingsdoeleinden;
Amendement 237
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 2 – letter c – inleidende formule
c)  grasland met grote biodiversiteit van meer dan een hectare dat:
c)  grasland met grote biodiversiteit, met inbegrip van beboste weiden en weilanden, dat:
Amendement 238
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 2 – letter c – punt ii
ii)  niet-natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden grasland te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast en door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grasland met grote biodiversiteit, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland met grote biodiversiteit.
ii)  niet-natuurlijk is, d.w.z. grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden grasland te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast of door de relevante bevoegde autoriteit is aangemerkt als grasland met grote biodiversiteit, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland met grote biodiversiteit.
Amendement 239
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 4
4.  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden, genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was.
4.  Biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit agrarische biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden, genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was, tenzij door verifieerbaar bewijs wordt aangetoond dat de teelt en het oogsten van grondstoffen geen ontwatering van een voorheen niet-ontwaterde bodem met zich meebrengt.
Amendement 240
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 5
5.  De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), voldoen aan de volgende eisen om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa tot een minimum te beperken:
5.  De biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), voldoen aan de volgende eisen om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa tot een minimum te beperken:
a)  in het land waar de bosbiomassa is geoogst, is nationale en/of subnationale wetgeving van kracht die van toepassing is op de oogst, alsmede monitoring- en handhavingssystemen die ervoor zorgen dat:
a)  in het land waar de bosbiomassa is geoogst, is nationale en/of subnationale wetgeving van kracht die van toepassing is op de oogst, alsmede monitoring- en handhavingssystemen die ervoor zorgen dat:
i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning binnen in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte grenzen;
i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning of een gelijkwaardig bewijs van het wettelijk recht om te oogsten binnen de in een wettig officieel publicatieblad bekendgemaakte nationale of regionale grenzen;
ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;
ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;
iii)  gebieden met een hoge instandhoudingswaarde, met inbegrip van watterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;
iii)  gebieden die bij internationale of nationale wetgeving of door de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn aangewezen ter bevordering van het behoud van de biodiversiteit of met het oog op de instandhouding van de natuur, met inbegrip van waterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;
iv)  de gevolgen van het oogsten van bossen op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit tot een minimum worden beperkt; en
iv)  het oogsten op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit in stand worden gehouden, teneinde de nadelige effecten tot een minimum te beperken; en
v)  er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat;
v)  het oogsten de productiecapaciteit van het bos op lange termijn handhaaft of verbetert op landelijk of regionaal niveau;
b)  wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bosbedrijf beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat:
b)  wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bevoorradingsgebied aanvullende informatie over de wettigheid en over de bosbeheerpraktijken worden verstrekt om ervoor te zorgen dat:
i)  de bosbiomassa is geoogst op grond van een wettelijke vergunning;
i)  het oogsten gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden van de oogstvergunning of een gelijkwaardig nationaal of regionaal bewijs van het wettelijk recht om te oogsten;
ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;
ii)  de gebieden waar is geoogst, worden herbebost;
iii)  gebieden met een hoge instandhoudingswaarde, met inbegrip van veengebieden en waterrijke gebieden, worden geïdentificeerd en beschermd;
iii)  gebieden die bij internationale of nationale wetgeving of door de desbetreffende bevoegde autoriteit zijn aangewezen ter bevordering van het behoud van de biodiversiteit of met het oog op de instandhouding van de natuur, met inbegrip van waterrijke gebieden en veengebieden, worden beschermd;
iv)  de gevolgen van het oogsten van bossen op de bodemkwaliteit en de biodiversiteit tot een minimum worden beperkt;
iv)   het oogsten op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit in stand worden gehouden; met inbegrip van de gebieden die deze gebieden omringen, op voorwaarde dat zij door het oogsten worden beïnvloed;
v)  er niet meer wordt geoogst dan de productiecapaciteit van het bos op lange termijn toelaat.
v)  het oogsten de productiecapaciteit van het bos op lange termijn handhaaft of verbetert op landelijk of regionaal niveau; en
vi)  in milieu- en natuurregels of ‑maatregelen is voorzien die stroken met de desbetreffende milieu- en natuurnormen van de Unie.
Amendement 241
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 6 – alinea 1 – punt ii
ii)  een nationaal vastgestelde bijdrage (Nationally Determined Contribution of NDC) voor het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) hebben ingediend, die betrekking heeft op emissies en verwijderingen van landbouw, bosbouw en landgebruik om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de koolstofvoorraad die verband houden met de oogst van biomassa worden verrekend in het in de NDC gespecificeerde streefcijfer van het land voor het terugdringen of beperken van broeikasgasemissies, of dat er nationale of subnationale wetgeving van kracht is, overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst van Parijs, die van toepassing is op het oogsten, met het oog op de instandhouding en de uitbreiding van koolstofvoorraden en -putten;
ii)  een nationaal vastgestelde bijdrage (Nationally Determined Contribution of NDC) voor het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) hebben ingediend, die betrekking heeft op emissies en verwijderingen van landbouw, bosbouw en landgebruik om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de koolstofvoorraad die verband houden met de oogst van biomassa worden verrekend in het in de NDC gespecificeerde streefcijfer van het land voor het terugdringen of beperken van broeikasgasemissies, of dat er nationale of subnationale wetgeving van kracht is, overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst van Parijs, en dat emissies van de sector landgebruik de verwijderingen niet overschrijden, hetgeen van toepassing is op het oogsten, met het oog op de instandhouding en de uitbreiding van koolstofvoorraden en -putten;
Amendement 242
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 6 – alinea 2
Wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bosbedrijf beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos worden gehandhaafd.
Wanneer geen bewijs beschikbaar is met betrekking tot het bepaalde in de eerste alinea, worden biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), indien op het niveau van het bevoorradingsgebied beheersystemen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos worden gehandhaafd of verhoogd.
Amendement 243
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 6 – alinea 3
De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, vaststellen hoe wordt aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de leden 5 en 6.
Uiterlijk op 1 januari 2021 stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, vast hoe wordt aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de leden 5 en 6.
Amendement 244
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 6 – alinea 4
Uiterlijk op 31 december 2023 beoordeelt de Commissie op basis van de beschikbare gegevens of de in de leden 5 en 6 bedoelde criteria op doeltreffende wijze het risico op het gebruik van niet-duurzame biomassa tot een minimum beperken en voldoen aan de eisen in het kader van LULUCF. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de eisen van de leden 5 en 6.
Uiterlijk op 31 december 2023 beoordeelt de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, op basis van de beschikbare gegevens of de in de leden 5 en 6 bedoelde criteria op doeltreffende wijze het risico op het gebruik van niet-duurzame biomassa tot een minimum beperken en voldoen aan de eisen in het kader van LULUCF. Indien nodig dient de Commissie een voorstel in tot wijziging van de eisen van de leden 5 en 6 voor de periode na 2030.
Amendement 245
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – letter a
a)  ten minste 50 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015;
a)  ten minste 50 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015;
Amendement 246
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – letter b
b)  ten minste 60 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel werden vanaf 5 oktober 2015;
b)  ten minste 60 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel werden vanaf 5 oktober 2015;
Amendement 247
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – letter c
c)  ten minste 70 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021;
c)  ten minste 65 % voor biobrandstoffen, uit biomethaan gewonnen brandstoffen voor gebruik in het vervoer, en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021;
Amendement 248
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – letter d
d)  ten minste 80 % voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021, en ten minste 85 % voor installaties die operationeel worden na 1 januari 2026.
d)  ten minste 70 % voor de productie van elektriciteit, verwarming en koeling uit biomassabrandstoffen die worden gebruikt in installaties die operationeel worden na 1 januari 2021, en ten minste 80 % voor installaties die operationeel worden na 1 januari 2026.
Amendement 249
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 7 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten kunnen hogere broeikasgasemissiereducties vaststellen dan bepaald in dit lid.
Amendementen 297 en 356
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 8 – alinea 1
Elektriciteit uit biomassabrandstoffen die wordt geproduceerd in installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, wordt alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c) indien zij is geproduceerd aan de hand van hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie als omschreven in artikel 2, lid 34, van Richtlijn 2012/27/EU. Voor de toepassing van lid 1, onder a) en b), is deze bepaling alleen van toepassing op installaties die na [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] van start gaan. Voor de toepassing van lid 1, onder c), laat deze bepaling de overheidssteun die wordt verleend in het kader van regelingen die uiterlijk op [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] worden goedgekeurd, onverlet.
Elektriciteit uit biomassabrandstoffen die wordt geproduceerd in installaties met een brandstofcapaciteit van 20 MW of meer, wordt alleen in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c) van dit artikel indien zij is geproduceerd aan de hand van hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie als omschreven in artikel 2, lid 34, van Richtlijn 2012/27/EU, of is geproduceerd in installaties voor alleen elektriciteit die een netto elektrische efficiëntie behalen van ten minste 40 % en geen gebruik maken van fossiele brandstoffen. Voor de toepassing van lid 1, onder a) en b) van dit artikel, is deze bepaling alleen van toepassing op installaties die na [3 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] van start gaan. Voor de toepassing van lid 1, onder c) van dit artikel, laat deze bepaling de overheidssteun die wordt verleend in het kader van regelingen die uiterlijk op [1 jaar na de datum van aanneming van deze richtlijn] worden goedgekeurd, onverlet.
Amendement 251
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 8 – alinea 2 bis (nieuw)
De eerste alinea is niet van toepassing op elektriciteit die is geproduceerd in installaties waarvoor niet de verplichting geldt om overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad1 bis hoogrenderende-warmtekrachtkoppelingtechnologie toe te passen, op voorwaarde dat deze installaties uitsluitend gebruikmaken van biomassabrandstoffen geproduceerd uit residuen onder normale bedrijfsomstandigheden.
____________________
1 bis Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
Amendement 252
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.  De Commissie brengt uiterlijk … [2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en daarna om de twee jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de effecten en voordelen van in de Unie verbruikte biobrandstoffen, onder meer over de productie van voedsel en diervoeder en andere materialen, en de economische, sociale en milieuduurzaamheid, zowel binnen de Unie als in derde landen.
Amendement 253
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 26 – lid 8 ter (nieuw)
8 ter.  In afwijking van de leden 1 tot en met 8 bis van dit artikel, en rekening houdend met de bijzonderheden van de ultraperifere gebieden als vastgesteld in artikel 349 VWEU, is artikel 26 van deze richtlijn niet van toepassing op die gebieden. Uiterlijk ... [zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel voor waarin voor de ultraperifere gebieden criteria worden vastgesteld inzake de duurzaamheid en de reductie van broeikasgasemissies. In deze criteria wordt rekening gehouden met de specifieke lokale kenmerken. De ultraperifere gebieden moeten met name het volledige potentieel van hun hulpbronnen kunnen benutten, met inachtneming van strikte duurzaamheidscriteria, teneinde de opwekking van hernieuwbare energie op te voeren en hun energieonafhankelijkheid te stimuleren.
Amendement 255
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 1 – letter a
a)  toelaat leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met verschillende duurzaamheidskenmerken en verschillende kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie te mengen, bijvoorbeeld in een container, verwerkings- of logistiekfaciliteit of transmissie- en distributie-infrastructuur of -locatie;
a)  toelaat leveringen van grondstoffen of biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen met verschillende duurzaamheidskenmerken en verschillende kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie te mengen, bijvoorbeeld in een container, verwerkings- of logistiekfaciliteit of transmissie- en distributie-infrastructuur of -locatie, op voorwaarde dat elke levering op zichzelf voldoet aan de in artikel 26 vastgestelde vereisten, en dat er passende systemen voorhanden zijn om de naleving van de afzonderlijke leveringen te controleren en te meten;
Amendement 256
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Ter bevordering van de grensoverschrijdende handel en de informatieverstrekking aan consumenten, bevatten de garanties van oorsprong voor in het net geïnjecteerde hernieuwbare energie informatie over de duurzaamheidscriteria en de broeikasgasemissiereducties als omschreven in artikel 26, leden 2 tot en met 7, en kunnen zij afzonderlijk worden overgedragen.
Amendement 257
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 2 – letter a
a)  als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheidskenmerken en kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, en de massa van de grondstof vóór verwerking;
a)  als de verwerking van een levering grondstoffen slechts leidt tot één output die bedoeld is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, worden de omvang van de levering en de desbetreffende duurzaamheidskenmerken en kenmerken met betrekking tot de broeikasgasemissiereductie aangepast door toepassing van een omzettingsfactor die de verhouding weergeeft tussen de massa van de output die bestemd is voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen, en de massa van de grondstof vóór verwerking, op voorwaarde dat elke levering waaruit het mengsel is samengesteld aan de vereisten van artikel 26 voldoet;
Amendement 258
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 3
3.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktpartijen betrouwbare informatie over de naleving van de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van artikel 26, leden 2 tot en met 7, indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten verplichten de marktpartijen om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de door hen ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktpartijen gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en bestand zijn tegen fraude. Voorts wordt ook de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en wordt de robuustheid van de gegevens beoordeeld.
3.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de marktpartijen betrouwbare informatie over de naleving van de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie van artikel 26, leden 2 tot en met 7, indienen en de gegevens die gebruikt zijn om die informatie op te stellen, op verzoek ter beschikking van de lidstaat stellen. De lidstaten verplichten de marktpartijen om een passende norm op te stellen voor onafhankelijke audits van de door hen ingediende informatie, en om aan te tonen dat dit gebeurd is. Tijdens de audits moet worden nagegaan of de door de marktpartijen gebruikte systemen nauwkeurig en betrouwbaar zijn en bestand zijn tegen fraude, met inbegrip van een controle om te waarborgen dat materialen niet opzettelijk worden gewijzigd of verwijderd, opdat de levering of een deel ervan overeenkomstig artikel 26, leden 2 tot en met 7, een afvalstof of residu kan worden. Voorts wordt ook de frequentie en de methode van de monsterneming gecontroleerd en wordt de robuustheid van de gegevens beoordeeld.
Amendement 259
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 3 – alinea 2
De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de biobrandstoffen, de vloeibare biomassa en de biomassabrandstoffen in de Unie geproduceerd dan wel ingevoerd zijn.
De in dit lid neergelegde verplichtingen zijn van toepassing ongeacht of de biobrandstoffen, de vloeibare biomassa en de biomassabrandstoffen in de Unie geproduceerd dan wel ingevoerd zijn. Informatie betreffende de geografische oorsprong van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen wordt voor de consumenten beschikbaar gesteld.
Amendement 260
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 4
4.  De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 26, lid 7, en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 26, leden 2 tot en met 6, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. Om aan te tonen dat is voldaan aan de eisen van artikel 26, leden 5 en 6, voor bosbiomassa, kunnen de marktpartijen beslissen het vereiste bewijs rechtstreeks op het niveau van het bosbedrijf te verstrekken. Voor de toepassing van artikel 26, lid 2, onder b), ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de International Union for the Conservation of Nature.
4.  De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 26, lid 7, en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen, vloeibare biomassa of biomassabrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 26, leden 2 tot en met 6, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. Om aan te tonen dat is voldaan aan de eisen van artikel 26, leden 5 en 6, voor bosbiomassa, kunnen de marktpartijen beslissen het vereiste bewijs rechtstreeks op het niveau van het bevoorradingsgebied te verstrekken. Voor de toepassing van artikel 26, lid 2, onder b), ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de International Union for the Conservation of Nature.
Amendement 261
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 5 – alinea 3
Om ervoor te zorgen dat op een efficiënte en geharmoniseerde manier wordt gecontroleerd of de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden nageleefd, en met name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie uitvoeringsbepalingen, met inbegrip van passende normen voor betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing, vaststellen en alle vrijwillige systemen ertoe verplichten die normen toe te passen. Bij het bepalen van die normen besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de noodzaak om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige systemen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige systemen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd.
Om ervoor te zorgen dat op een efficiënte en geharmoniseerde manier wordt gecontroleerd of de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereductie worden nageleefd, en met name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie uitvoeringsbepalingen, met inbegrip van passende normen voor betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing, vaststellen en alle vrijwillige systemen ertoe verplichten die normen toe te passen. Bij het bepalen van die normen besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de noodzaak om de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige systemen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige systemen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd. Indien een lidstaat zijn bezorgdheid uit over de werking van een vrijwillig systeem, onderzoekt de Commissie deze kwestie en neemt zij passende maatregelen.
Amendement 262
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 27 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.  De Commissie kan op elk moment de betrouwbaarheid controleren van de informatie inzake de naleving van de duurzaamheidscriteria of de broeikasgasemissiereductie die door op de markt van de Unie actieve marktpartijen wordt verstrekt, ook op verzoek van een lidstaat.
Amendement 263
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Grondstoffen waarvan de productie heeft geleid tot directe veranderingen in het landgebruik, zoals een verandering van een van de volgende IPCC-categorieën van landgebruik: van bosland, grasland, waterrijke gebieden, woongebieden of overig land, in akkerland of land voor vaste gewassen, en waarbij de emissiewaarde ten gevolge van directe veranderingen in het landgebruik (el) wordt berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage V, worden geacht een geraamde emissie ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik te hebben ter waarde van nul.
Amendement 264
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 2
2.  De lidstaten kunnen bij de Commissie verslagen indienen met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouwgrondstoffen van de gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad als niveau 2 in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("NUTS") dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld. De verslagen gaan vergezeld van een beschrijving van de methode en de gegevensbronnen die zijn gebruikt om het niveau van de emissies te berekenen. Die methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.
2.  De lidstaten kunnen bij de Commissie verslagen indienen met informatie over de typische broeikasgasemissies ten gevolge van de teelt van landbouw- en bosbouwgrondstoffen van de gebieden op hun grondgebied die volgens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad als niveau 2 in de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("NUTS") dan wel als een meer gedesaggregeerd NUTS-niveau zijn ingedeeld. De verslagen gaan vergezeld van een beschrijving van de methode en de gegevensbronnen die zijn gebruikt om het niveau van de emissies te berekenen. Die methode houdt rekening met de bodemkenmerken, het klimaat en de verwachte opbrengst aan grondstoffen.
Amendement 265
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 4
4.  De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouwgrondstoffen voor biomassabrandstoffen die in de in die verslagen opgenomen gebieden wordt geproduceerd voor de doeleinden van artikel 26, lid 7. Die gegevens mogen dan ook worden gebruikt in de plaats van de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt als vastgelegd in deel D of E van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in deel C van bijlage VI voor biomassabrandstoffen.
4.  De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouw- en bosbouwgrondstoffen voor biomassabrandstoffen die in de in die verslagen opgenomen gebieden worden geproduceerd voor de doeleinden van artikel 26, lid 7. Die gegevens mogen dan ook worden gebruikt in de plaats van de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt als vastgelegd in deel D of E van bijlage V voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa en in deel C van bijlage VI voor biomassabrandstoffen.
Amendement 266
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 28 – lid 5 – alinea 1
De Commissie evalueert regelmatig de bijlagen V en VI, met het oog op de toevoeging of de herziening van waarden voor productieketens voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, en in bijlage VI, deel B, vastgestelde methode in overweging genomen.
De Commissie evalueert regelmatig de bijlagen V en VI, met het oog op de toevoeging of de herziening van waarden voor productieketens voor biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen op basis van de laatste technologische ontwikkelingen en wetenschappelijke bewijzen. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, en in bijlage VI, deel B, vastgestelde methode in overweging genomen.
Amendement 267
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 30 – lid 1
1.  De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de in de Unie verbruikte biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen en analyseert de gevolgen van de productie ervan, met inbegrip van de gevolgen van verdringingseffecten, voor het landgebruik in de Unie en de belangrijkste derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen van de lidstaten, zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening [governance], en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid.
1.  De Commissie houdt toezicht op de oorsprong van de biobrandstoffen en vloeibare biomassa, en in de Unie verbruikte biomassabrandstoffen, alsook op de gevolgen van de productie van hernieuwbare energie uit deze en andere bronnen, met inbegrip van de gevolgen van verdringingseffecten, voor het landgebruik in de Unie en de derde landen die dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa leveren. Dit toezicht is gebaseerd op de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de bijbehorende voortgangsverslagen van de lidstaten, zoals vereist in de artikelen 3, 15 en 18 van Verordening … van het Europees Parlement en de Raad [inzake de governance van de energie-unie, 2016/0375(COD)], en van de relevante derde landen en intergouvernementele organisaties en op wetenschappelijke studies, satellietobservatiegegevens en andere relevante informatie. De Commissie houdt ook toezicht op de wijzigingen van de grondstoffenprijzen ten gevolge van het gebruik van biomassa voor energie en op de daarmee verband houdende positieve en negatieve gevolgen voor de voedselvoorzieningszekerheid en voor concurrerend gebruik van materialen.
Amendement 268
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 32 – lid 2
2.  De in artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 2021.
2.  De in artikel 7, lid 3, artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 1 januari 2021.
Amendement 269
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 32 – lid 3 – alinea 1
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 3, artikel 7, lid 5, artikel 7, lid 6, artikel 19, leden 11 en 14, artikel 25, lid 6, en artikel 28, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 270
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I bis (nieuw)
Bijlage I bis
1.   De streefcijfers van de lidstaten voor 2030 zijn gelijk aan de som van de volgende componenten, elk uitgedrukt in procentpunten:
a)   het nationale bindende streefcijfer van de lidstaat voor 2020 als opgenomen in bijlage I;
b)   een forfaitaire bijdrage ("CFlat");
c)   een op het bbp per hoofd van de bevolking gebaseerde bijdrage ("CGDP");
d)   een op het potentieel gebaseerde bijdrage ("CPotential");
e)   een bijdrage die de interconnectiegraad van de lidstaat weergeeft ("CInterco").
2.   CFlat is hetzelfde bedrag voor elke lidstaat. De som van de CFlat-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.
3.   De CGDP-bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van een index van het bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de Unie, waarbij de index voor elke lidstaat afzonderlijk maximaal 150 % van het gemiddelde van de Unie bedraagt. De som van de CGDP-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.
4.   De CPotential -bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van het verschil tussen het aandeel hernieuwbare energiebronnen (HEB) van een lidstaat in 2030 zoals blijkt uit het Primes EUCO3535-scenario en het nationale bindende streefcijfer van die lidstaat voor 2020. De som van de CPotential-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 30 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.
5.  De CInterco-bijdrage wordt onder de lidstaten verdeeld aan de hand van een index van het aandeel elektriciteitsinterconnecties ten opzichte van het gemiddelde van de Unie, waarbij de index van het aandeel interconnecties voor elke lidstaat afzonderlijk maximaal 150 % van het gemiddelde van de Unie bedraagt. De som van de CInterco-bijdragen van alle lidstaten zorgt voor een bijdrage van 10 % aan het verschil tussen de streefcijfers van de Unie voor 2030 en 2020.
Amendement 271
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – Deel C – lid 3 – letter a – formule
REDUCTIE = (E F(t) – E B /E F(t))
REDUCTIE = (E F(t) – E B) /E F(t)
Amendement 272
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage V – Deel C – lid 15
15.  Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr, die rechtstreeks verband houdt met de productie van biobrandstoffen of vloeibare biomassa waaraan deze wordt toegeschreven, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt in de sectoren energie en vervoer.
15.  Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om de in commerciële producten en diensten gebruikte CO2 uit fossiele brandstoffen te vervangen.
Amendement 319
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage VI – deel B – lid 3 – letter a – formule 1
REDUCTIE = (E­F(t) – EB(t)/ E­F(t)
REDUCTIE = (E­F(t) – EB(t))/ E­F (t)
Amendement 273
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage VII – alinea 1 – streepje 1
—  Qusable = de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt afgeleverd door warmtepompen die aan de in artikel 7, lid 4, bedoelde criteria voldoen, als volgt ten uitvoer gelegd: enkel warmtepompen waarvoor SPF > 1,15 * 1/η worden in aanmerking genomen;
—  Qusable = de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt afgeleverd door warmtepompen voor de productie van verwarming en koeling die aan de in artikel 7, lid 4, bedoelde criteria voldoen, als volgt ten uitvoer gelegd: enkel warmtepompen waarvoor SPF > 1,15 * 1/η worden in aanmerking genomen;
Amendement 274
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IX – Deel A – letter b
b)  De biomassafractie van gemengd stedelijk afval, maar niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/98/EG.
Schrappen
Amendementen 284 en 311
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IX – Deel B – letter c
c)  Melasse verkregen als bijproduct bij de raffinage van suikerriet of suikerbieten, op voorwaarde dat er is voldaan aan de hoogste industrienormen voor de extractie van suiker.  
Schrappen
Amendement 312
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage X – deel A
Deel A: [...]
Schrappen

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0392/2017).


Energie-efficiëntie ***I
PDF 699kWORD 93k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 januari 2018 op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (COM(2016)0761 – C8-0498/2016 – 2016/0376(COD))(1)
P8_TA(2018)0010A8-0391/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die op 25 februari 2015 is vastgesteld. Het verbeteren van de energie-efficiëntie zal gunstig zijn voor het milieu, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer werkgelegenheid en economische activiteit in de gehele economie. Dit ligt in de lijn van de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die in het akkoord van Parijs van december 2015 is vastgelegd door de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.
(1)  Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die op 25 februari 2015 is vastgesteld. Het verbeteren van de energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, zal gunstig zijn voor het milieu, de luchtkwaliteit en de volksgezondheid verbeteren, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer concurrentievermogen, werkgelegenheid en economische activiteit in de gehele economie, en bijgevolg de levenskwaliteit van de burgers verbeteren. Dit ligt in de lijn van de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die is vastgesteld door de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) in Parijs in december 2015 ("de Overeenkomst van Parijs"), waarin is bepaald dat de gemiddelde mondiale temperatuurstijging moet worden beperkt tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en dat de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C moeten worden voortgezet.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad9 is een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande bron van energie. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet rekening worden gehouden met het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie". De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagrespons onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met productiecapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning of financiering van energiesysteem worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. De energie-efficiëntie moet worden verbeterd wanneer dit kosteneffectiever is dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet de vele voordelen van energie-efficiëntie voor de maatschappij helpen benutten, met name voor de burgers en de bedrijven.
(2)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad9 is een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande bron van energie. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet rekening worden gehouden met het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie". De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagrespons voorrang krijgen op meer productiecapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning en financiering van energiesystemen worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. Er moet worden geïnvesteerd in een betere efficiëntie van eindenergie wanneer dit kosteneffectiever is dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet de vele voordelen van een betere energie-efficiëntie in alle stadia van de energieketen helpen benutten en zo bijdragen aan meer welvaart in de Europese samenleving. Voor een optimale benutting van die voordelen en een geslaagde implementatie van de beoogde beleidsmaatregelen, moeten de Commissie en de lidstaten samenwerken met de plaatselijke en regionale overheden, de steden, het bedrijfsleven en de burgers in de hele Unie om ervoor te zorgen dat de toename van de energie-efficiëntie als gevolg van technologische, gedrags- en economische veranderingen hand in hand gaat met een toename van de economische groei.
__________________
__________________
9 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
9 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Bij alle vormen van primaire energie (zowel niet-hernieuwbare als hernieuwbare) moet rekening worden gehouden met de bijkomende energieonkosten die vereist zijn om deze energie te verkrijgen en energie-installaties te bouwen, te exploiteren en te ontmantelen, met inbegrip van de processen in verband met het wegnemen van de risico's voor het milieu.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)  De maatregelen van de lidstaten moeten worden ondersteund door goed ontworpen en efficiënte financiële instrumenten van de Unie, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, het Europees Fonds voor strategische investeringen en de Europese Investeringsbank, die investeringen in energie-efficiëntie in alle stadia van de energieketen ondersteunen en uitgaan van een omvattende kosten-batenanalyse op grond van een model van gedifferentieerde discontopercentages. De financiële steun moet gericht zijn op kosteneffectieve methoden om de energie-efficiëntie te verbeteren, wat moet leiden tot een daling van het energieverbruik. Om een ambitieuze energie-efficiëntiedoelstelling te verwezenlijken, moeten obstakels uit de weg worden geruimd, zoals ook blijkt uit de recente verduidelijking van Eurostat over de boeking van energieprestatiecontracten in de nationale rekeningen om investeren in energie-efficiëntiemaatregelen te vergemakkelijken.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft het streefcijfer voor energie-efficiëntie vastgesteld op 27 % voor 2030; dit streefcijfer moet worden herzien tegen 2020, "waarbij op het niveau van de Unie een streefcijfer van 30 % voor ogen moet worden gehouden". In december 2015 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht om te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot evaluatie en vervolgens herziening van de richtlijn om deze aan te passen met het oog op 2030.
(3)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft zijn steun uitgesproken voor een streefcijfer voor energie-efficiëntie van 27 % voor 2030; dit streefcijfer moet worden herzien tegen 2020, "waarbij op het niveau van de Unie een streefcijfer van 30 % voor ogen moet worden gehouden". In december 2015 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht om te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot evaluatie en vervolgens herziening van de richtlijn om deze aan te passen met het oog op 2030.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Het perspectief voor 2030 voorziet niet in bindende streefcijfers op nationaal niveau. De noodzaak voor de Unie om haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie op EU-niveau, uitgedrukt in primair energieverbruik en eindenergieverbruik, in 2020 en 2030 te behalen, moet duidelijk worden uiteengezet in de vorm van een bindend streefcijfer van 30 %. Deze verduidelijking op het niveau van de Unie mag geen beperkingen opleggen aan de lidstaten; het staat hun nog steeds vrij om hun nationale bijdragen vast te stellen op basis van primair energieverbruik of eindenergieverbruik, primaire energiebesparing of eindenergiebesparing, dan wel op basis van energie-intensiteit. Bij de vaststelling van hun nationale indicatieve bijdragen aan energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent da het primaire energieverbruik in de Unie moet afnemen met 23 % en het eindenergieverbruik met 17 % in vergelijking met het niveau van 2005. De voortgang op weg naar het behalen van het streefcijfer voor 2030 moet regelmatig worden beoordeeld; het wetgevingsvoorstel inzake de governance van de energie-unie voorziet in een dergelijke beoordeling.
(4)  Het perspectief voor 2030 voorziet niet in bindende streefcijfers op nationaal niveau. De noodzaak voor de Unie om haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie op EU-niveau, uitgedrukt in primair energieverbruik en eindenergieverbruik, in 2020 en 2030 te behalen, moet duidelijk worden uiteengezet in de vorm van een indicatief streefcijfer van 30 %. Deze verduidelijking op het niveau van de Unie mag geen beperkingen opleggen aan de lidstaten; het staat hun nog steeds vrij om hun nationale bijdragen vast te stellen op basis van primair energieverbruik of eindenergieverbruik, primaire energiebesparing of eindenergiebesparing, dan wel op basis van energie-intensiteit. Bij de vaststelling van hun nationale indicatieve bijdragen aan energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent dat het primaire energieverbruik in de Unie moet afnemen met 23 % en het eindenergieverbruik met 17 % in vergelijking met het niveau van 2005. De voortgang op weg naar het behalen van het streefcijfer voor 2030 moet regelmatig worden beoordeeld; het wetgevingsvoorstel inzake de governance van de energie-unie voorziet in een dergelijke beoordeling.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Bij de vaststelling van de nationale streefcijfers op het gebied van energie-efficiëntie moet het beginsel van billijkheid tussen de lidstaten worden toegepast. Energie is een basisvoorziening en minimale energieverbruiksniveaus zijn daarom onvermijdelijk. Hiermee moet op passende wijze rekening worden gehouden bij het vaststellen van de nationale streefcijfers. Over het algemeen zouden de landen met een lager energieverbruik per inwoner dan het gemiddelde van de Unie meer flexibiliteit moeten krijgen bij het vaststellen van hun streefcijfers.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  De punctuele operationele efficiëntie van energiesystemen wordt beïnvloed door het vermogen om stroom die afkomstig is van verschillende bronnen, met een verschillende mate van inertie- en opstarttijden, vlot en flexibel aan het net te leveren; het verbeteren van deze efficiëntie zal een aanzet geven om beter gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie in combinatie met gasturbines, ter voorkoming van overbelasting van het net dat wordt gevoed door traditionele grote stroomgeneratoren met energie-units met een aanzienlijke thermische inertie.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quater (nieuw)
(4 quater)  De Commissie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de vermindering van het energieverbruik het resultaat is van een hogere energie-efficiëntie en niet van macro-economische omstandigheden.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 quinquies (nieuw)
(4 quinquies)  De lidstaten moeten nagaan wat de kosteneffectieve mogelijkheden voor energie-efficiëntie zijn op basis van een bottom-upberekening voor elke sector afzonderlijk, aangezien deze afhankelijk zijn van de energiemix, de structuur van de economie en het tempo van de economische ontwikkeling.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  De verplichting voor de lidstaten om langetermijnstrategieën vast te stellen voor het vrijmaken van investeringen in de renovatie van hun gebouwenbestand en deze mee te delen aan de Commissie moet worden geschrapt uit Richtlijn 2012/27/EU en worden toegevoegd aan Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad10, waar het beter aansluit bij de langetermijnplannen voor bijna-energieneutrale gebouwen en het koolstofvrij maken van gebouwen.
(5)  De verplichting voor de lidstaten om langetermijnstrategieën vast te stellen ter bevordering van de renovatie van hun gebouwenbestand en deze mee te delen aan de Commissie moet worden geschrapt uit Richtlijn 2012/27/EU en worden toegevoegd aan Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad10, waar het beter aansluit bij de langetermijnplannen voor bijna-energieneutrale gebouwen en het koolstofvrij maken van gebouwen.
__________________
__________________
10 Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
10 Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6
(6)  In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet de verplichting inzake energiebesparing worden verlengd tot na 2020. De verplichtingsperiode verlengen tot na 2020 zou zorgen voor meer stabiliteit voor investeerders en zal derhalve investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de renovatie van gebouwen, bevorderen.
(6)  In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet de verplichting inzake energiebesparing worden verlengd tot na 2020. De verplichtingsperiode verlengen tot na 2020 zou zorgen voor meer stabiliteit voor investeerders en zal derhalve bevorderlijk zijn voor investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de grondige renovatie van gebouwen, met als doel op de lange termijn te komen tot een bijna-energieneutraal gebouwenbestand (BENG). De verplichting tot energiebesparing heeft een essentiële rol gespeeld in het creëren van plaatselijke groei en banen en moet worden voortgezet zodat de Unie haar energie- en klimaatdoelstellingen kan bereiken door nog meer mogelijkheden te creëren en groei minder afhankelijk te maken van energieverbruik. Samenwerking met de particuliere sector is belangrijk om te beoordelen onder welke voorwaarden toegang kan worden verkregen tot particuliere investeringen voor energie-efficiëntieprojecten en om nieuwe inkomstenmodellen te ontwikkelen voor innovatie op het gebied van energie-efficiëntie.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Verbeteringen van de energie-efficiëntie hebben ook een positief effect op de luchtkwaliteit, aangezien energie-efficiëntere gebouwen de vraag naar verwarmingsbrandstoffen, met name ook vaste verwarmingsbrandstoffen, doen dalen. Energie-efficiëntiemaatregelen dragen derhalve bij tot de verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten, en helpen de doelstellingen van het luchtkwaliteitsbeleid van de Unie, zoals met name vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad1 bis, op een kostenefficiënte wijze te verwezenlijken. De afname van de energievraag in gebouwen moet worden beschouwd als een element van het luchtkwaliteitsbeleid in het algemeen en met name in lidstaten waar het moeilijk is om de Uniegrenswaarden voor emissies van luchtverontreinigende stoffen te behalen. Energie-efficiëntie zou kunnen helpen om deze doelstellingen te verwezenlijken.
__________________
1 bis Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindverbruik verwezenlijken voor de volledige verplichtingsperiode, die gelijk staat aan "nieuwe" besparingen ten belope van 1,5 % van de jaarlijkse energieverkoop. Aan deze eis kan worden voldaan door nieuwe beleidsmaatregelen die worden vastgesteld tijdens de nieuwe verplichtingsperiode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030 of door nieuwe individuele acties als gevolg van beleidsmaatregelen die vóór of tijdens de vorige periode zijn vastgesteld, maar die geleid hebben tot afzonderlijke energiebesparende acties tijdens de nieuwe periode.
(7)  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindverbruik verwezenlijken voor de volledige verplichtingsperiode, die gelijk staat aan "nieuwe" besparingen ten belope van ten minste 1,5 %. Aan deze eis kan worden voldaan door energiebesparingen die voortvloeien uit beleidsmaatregelen, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in individuele acties die na 2020 verifieerbare energiebesparingen opleveren. De besparingen in elke periode moeten cumulatief voortbouwen op de besparingen die in de voorgaande periode(n) moesten worden gerealiseerd.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  De nieuwe besparingen moeten een aanvulling vormen op het basisscenario, zodat besparingen die toch al zouden plaatsvinden, niet kunnen worden geclaimd. Om het effect van de maatregelen te berekenen, mogen alleen nettobesparingen, gemeten als wijziging van het energieverbruik die rechtstreeks is toe te schrijven aan de energie-efficiëntiemaatregel in kwestie, worden meegerekend. Voor de berekening van de nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zou evolueren zonder het beleid in kwestie. De beleidsmaatregelen dienen te worden geëvalueerd in vergelijking met dit basisscenario. De lidstaten moeten rekening houden met het feit dat in dezelfde periode andere beleidsmaatregelen kunnen worden genomen die ook een invloed kunnen hebben op energiebesparing, zodat niet alle veranderingen die sinds de invoering van het beleid zijn waargenomen, kunnen worden toegeschreven aan die beleidsmaatregel alleen. De acties van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij moeten daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de geclaimde besparingen om te voldoen aan de materialiteitsvereiste.
(9)  De nieuwe energiebesparingen moeten een aanvulling vormen op het basisscenario, zodat besparingen die toch al zouden plaatsvinden, niet kunnen worden geclaimd. Om het effect van de maatregelen te berekenen, mogen alleen nettobesparingen, gemeten als wijziging van het energieverbruik die rechtstreeks is toe te schrijven aan de energie-efficiëntiemaatregel in kwestie, worden meegerekend. Voor de berekening van de nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zou evolueren zonder het beleid in kwestie. De beleidsmaatregelen dienen te worden geëvalueerd in vergelijking met dit basisscenario. De lidstaten moeten rekening houden met het feit dat in dezelfde periode andere beleidsmaatregelen kunnen worden genomen die ook een invloed kunnen hebben op energiebesparing, zodat niet alle veranderingen die sinds de invoering van het beleid zijn waargenomen, kunnen worden toegeschreven aan die beleidsmaatregel alleen. De acties van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij moeten daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de geclaimde besparingen om te voldoen aan de materialiteitsvereiste.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Het is belangrijk alle stappen in de energieketen mee te nemen in de berekening van de besparingen teneinde het energiebesparingspotentieel in de transmissie en distributie van elektriciteit te vergroten.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10
(10)  Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving mogen alleen worden geclaimd als de maatregel in kwestie verder reikt dan het bij de Uniewetgeving vereiste minimum, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op nationaal niveau, hetzij door de mate waarin de maatregel ingang vindt, te vergroten. Erkennende dat de renovatie van gebouwen op lange termijn een essentieel element is om tot grotere energiebesparing te komen, moet worden verduidelijkt dat alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen kunnen worden geclaimd als ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en als de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de besparingen die worden geclaimd uit hoofde van de maatregel in kwestie.
(10)  Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving mogen alleen worden geclaimd als de maatregel in kwestie verder reikt dan het bij de Uniewetgeving vereiste minimum, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op nationaal niveau, hetzij door de mate waarin de maatregel ingang vindt, te vergroten. Gebouwen beschikken over een aanzienlijk potentieel om de energie-efficiëntie verder te vergroten, en de renovatie van gebouwen is op lange termijn een essentieel element met schaalvoordelen om tot grotere energiebesparing te komen. Daarom moet worden verduidelijkt dat alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen kunnen worden geclaimd als ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en als de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de besparingen die worden geclaimd uit hoofde van de maatregel in kwestie.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Het doeltreffende beheer van water kan een significante bijdrage leveren aan de energiebesparingen. De sector water en afvalwater is verantwoordelijk voor 3,5 % van het elektriciteitsgebruik in de Unie1 bis. Bovendien zal de vraag naar water tegen 2040 naar schatting met 25 % stijgen, voornamelijk in de steden. Tezelfdertijd maken waterlekken 24 % uit van het totale waterverbruik in de Unie, met energie- en waterverlies tot gevolg. Alle maatregelen die een doeltreffender waterbeheer en een vermindering van het watergebruik beogen kunnen bijgevolg een significante bijdrage leveren aan de energie-efficiëntiedoelstelling van de Unie1 ter.
__________________
1 bis World Energy Outlook 2016, International Energy Agency, 2016.
1 ter World Energy Outlook 2016, International Energy Agency, 2016.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)  Deze herziening omvat bepalingen met betrekking tot het behandelen van energie-efficiëntie als een infrastructuurprioriteit, vanuit het inzicht dat energie-efficiëntie aan de door het IMF en andere economische instellingen gebruikte definitie van infrastructuur voldoet, evenals het feit dat dit mogelijk een centraal aspect en een prioritaire overweging wordt bij de toekomstige besluitvorming over investeringen in energie-infrastructuur in de Unie1 bis.
__________________
1 bis Tekst uit het verslag van het Europees Parlement van 2 juni 2016 over de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn (2012/27/EU) - (2015/2232(INI)).
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 quater (nieuw)
(10 quater)  De energiesector is de grootste waterverbruiker in de Unie, aangezien deze sector 44 % van het waterverbruik voor zijn rekening neemt1 bis. Het gebruik van slimme technologieën en processen voor doeltreffend waterbeheer kan potentieel significante energiebesparingen genereren en tegelijk het concurrentievermogen van de ondernemingen verbeteren.
__________________
1 bis Werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Landbouw en duurzaam waterbeheer in de EU" van 28 april 2017.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 quinquies (nieuw)
(10 quinquies)  De sector water en afvalwater kan ook bijdragen aan de productie van hernieuwbare energie en het verminderen van fossiele-energievoorziening. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk ter plaatse energie te produceren door energiewinning uit slib dat door afvalwaterbewerking ontstaat.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal met name voordelen opleveren voor consumenten die te kampen hebben met energiearmoede. De lidstaten kunnen aan verplichtingen gebonden partijen al verplichten om sociale doelstellingen op te nemen in hun energiebesparende maatregelen, met betrekking tot energiearmoede, en deze mogelijkheid moet nu worden uitgebreid tot alternatieve maatregelen en omgevormd tot een verplichting, waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van de omvang, werkingssfeer en inhoud van dergelijke maatregelen. Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat energiearme verbruikers toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie.
(12)  De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal voordelen opleveren voor alle consumenten, met name voor huishoudens met een laag inkomen, met inbegrip van deze die te kampen hebben met energiearmoede. Elke lidstaat kan overeenkomstig zijn specifieke nationale omstandigheden bepalen wat onder energiearmoede en een huishouden met een laag inkomen wordt verstaan. De lidstaten kunnen aan verplichtingen gebonden partijen al verplichten om in hun energiebesparende maatregelen sociale doelstellingen op te nemen met betrekking tot energiearmoede. Deze mogelijkheid moet nu worden uitgebreid tot alternatieve maatregelen en worden omgevormd tot een verplichting, waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van de omvang, werkingssfeer en inhoud van dergelijke maatregelen. Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat energieverbruikers in energiearmoede en met een laag inkomen toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Tegemoetkomen aan de vraag naar elektriciteit overdag en 's nachts is een belangrijk instrument om de efficiëntie van primaire energie te verhogen, omdat dit consumenten beduidend meer mogelijkheden biedt om energie te besparen door middel van besluiten op basis van informatie die aangeeft dat het energieverbruik kan worden geoptimaliseerd wanneer er vraag is naar energie, ook tijdens piekuren, zodat transmissienetwerken en opwekkingsbronnen beter kunnen worden gebruikt.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 ter (nieuw)
(12 ter)  Om tot lage energierekeningen te komen, moeten consumenten hulp krijgen om hun energieverbruik te verminderen door middel van het reduceren van de energiebehoefte van gebouwen, het verbeteren van de efficiëntie van toestellen en de beschikbaarheid van in het openbaar vervoer geïntegreerde energiezuinige vervoerswijzen en fietsen. Verbetering van de bouwschillen en vermindering van de energiebehoeften zijn van fundamenteel belang voor het verbeteren van de gezondheid van lage-inkomensgroepen.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 quater (nieuw)
(12 quater)  Het is van essentieel belang om het publiek bewust te maken en alle burgers in de Unie accurate informatie te verstrekken over de voordelen van verhoogde energie-efficiëntie en de mogelijke toepassing ervan. Verhoogde energie-efficiëntie is ook cruciaal voor de geopolitieke positie en de veiligheid van de Unie omdat dit haar minder afhankelijk maakt van de invoer van brandstoffen uit derde landen.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 quinquies (nieuw)
(12 quinquies)  Ongeveer 50 miljoen huishoudens in de Unie hebben met energiearmoede te kampen. Energie-efficiëntiemaatregelen moeten dan ook de kern uitmaken van een kostenefficiënte strategie voor het aanpakken van energiearmoede en kwetsbaarheid van consumenten. Deze maatregelen moeten complementair zijn met het socialezekerheidsbeleid op lidstaatniveau. Teneinde te waarborgen dat energie-efficiëntiemaatregelen huurders op duurzame wijze een vermindering van energiearmoede opleveren, moet rekening worden gehouden met de kosteneffectiviteit van dergelijke maatregelen, evenals met de mate van betaalbaarheid voor de eigenaars en huurders, naast het feit dat passende financiële ondersteuning voor die maatregelen op het niveau van de lidstaten gegarandeerd moet zijn. Het gebouwenbestand van de Unie moet op de lange termijn bijna-energieneutraal (BEN) worden, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Het huidige renovatietempo volstaat niet en de gebouwen die bewoond worden door burgers met een laag inkomen die in energiearmoede leven, zijn het moeilijkst aan te pakken. De in deze verordening vastgestelde maatregelen met betrekking tot verplichte energiebesparingen, verplichte energie-efficiëntieregelingen en alternatieve beleidsmaatregelen zijn daarom bijzonder belangrijk.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 sexies (nieuw)
(12 sexies)  De kosten en baten van alle energie-efficiëntiemaatregelen, waaronder ook de terugverdienperiodes, moeten volledig transparant worden gemaakt voor de consumenten.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Energie die op of in gebouwen wordt opgewekt met technologieën voor hernieuwbare energie vermindert de afhankelijkheid van aangeleverde fossiele energie. De beperking van het energiegebruik en het gebruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale verbintenis die is aangegaan tijdens de Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21), die in december 2015 plaatsvond in Parijs. Om te voldoen aan hun verplichtingen inzake energiebesparing moeten de lidstaten dan ook de mogelijkheid krijgen om rekening te houden met een bepaalde hoeveelheid hernieuwbare energie die op of in gebouwen is opgewekt voor eigen gebruik. Hiertoe moeten de lidstaten toestemming krijgen om gebruik te maken van de berekeningsmethoden die in het kader van Richtlijn 2010/31/EU zijn vastgesteld.
(13)  Energie die op of in gebouwen wordt opgewekt met technologieën voor hernieuwbare energie vermindert de afhankelijkheid van aangeleverde fossiele energie. De beperking van het energiegebruik en het gebruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale verbintenis die is aangegaan in de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  De energiebalans van bedrijven en industriesectoren in de lidstaten kan worden verbeterd door de beginselen van de circulaire economie toe te passen, onder meer door een passend gebruik van industrieel afval als secundaire grondstof, op voorwaarde dat het energiepotentieel ervan hoger is dan dat van alternatieve primaire grondstoffen.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)  De lidstaten moeten profiteren van de nieuwe bedrijfsmodellen en technologieën en ernaar streven de marktopname van energie-efficiëntiemaatregelen te bevorderen en te faciliteren, onder meer door middel van innovatieve energiediensten voor grote en kleine klanten.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 quater (nieuw)
(13 quater)  De lidstaten moeten veel flexibiliteit aan de dag leggen bij het ontwerpen en uitvoeren van alternatieve maatregelen voor het vaststellen van hun nationale prioriteiten op het vlak van energie-efficiëntie, met inbegrip van energie-efficiënte producten en energie-efficiënte productieprocessen. Er moet steun worden verleend aan acties die gericht zijn op streefcijfers in verband met het efficiënt gebruik van natuurlijke rijkdommen of met de behoefte om een circulaire economie in te voeren.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  In het kader van maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie "Een 'new deal' voor energieconsumenten", in de context van de energie-unie en de strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consumenten op duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden versterkt. De artikelen 9, 10 en 11 en bijlage VII van Richtlijn 2012/27/EU moeten dan ook worden gewijzigd om te zorgen voor frequente en betere feedback over energieverbruik. Voorts moet worden verduidelijkt dat de rechten in verband met facturering en factureringsinformatie ook gelden voor verbruikers van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een leverancier. Met het oog op de toepassing van deze bepalingen moet het begrip "eindgebruiker" worden verstaan als alle eindafnemers die verwarming/koeling/warm water kopen voor eigen gebruik en alle bewoners van individuele wooneenheden in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen, wanneer de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt. Het begrip "individuele bemetering" moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen. Uiterlijk op 1 januari 2020 moeten nieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstand leesbaar zijn om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat het nieuwe artikel 9 bis alleen geldt voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water.
(14)  In het kader van maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie "Een 'new deal' voor energieconsumenten", in de context van de energie-unie en de strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consumenten op accurate, betrouwbare, duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden versterkt. Terwijl individuele meters vereist moeten blijven indien dit technisch haalbaar en kostenefficiënt is, omdat het in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, moeten de artikelen 9 tot en met 11 en bijlage VII bij Richtlijn 2012/27/EU dan ook worden gewijzigd om te zorgen voor frequente en betere feedback over energieverbruik, rekening houdend met de beschikbaarheid en de mogelijkheden van de meetapparatuur, met als doel het energiegebruik te optimaliseren. De lidstaten moeten ook rekening houden met het feit dat de succesvolle toepassing van nieuwe technologieën om het energieverbruik te meten grote investeringen in voorlichting en vaardigheden vergen, zowel voor gebruikers als voor leveranciers van energie. Voorts moet worden verduidelijkt dat de rechten in verband met facturering en facturerings- of verbruiksinformatie ook gelden voor verbruikers van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een energieleverancier. Met het oog op de toepassing van deze bepalingen moet het begrip "eindgebruiker", naast eindafnemers die verwarming/koeling/warm water kopen voor eigen eindgebruik, tevens bewoners van individuele wooneenheden in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen omvatten, wanneer de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt en zij geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben. Het begrip "individuele bemetering" moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen. Uiterlijk op 1 januari 2020 moeten nieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstand leesbaar zijn om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat het nieuwe artikel 9 bis alleen geldt voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Factureringsinformatie en jaarlijkse financiële overzichten zijn een belangrijk middel om afnemers te informeren. Gegevens over verbruik en kosten kunnen ook andere informatie bevatten die consumenten helpt hun huidige contract te vergelijken met dat van andere aanbieders en gebruik te maken van procedures voor klachtenafhandeling en geschillenbeslechting. Aangezien geschillen over rekeningen echter een zeer gebruikelijke bron van klachten van consumenten vormen, een factor die bijdraagt tot permanent lage niveaus van consumententevredenheid en betrokkenheid bij de energiesector, moeten rekeningen eenvoudiger, duidelijker en gemakkelijker te begrijpen zijn, en moet ervoor worden gezorgd dat de afzonderlijke instrumenten, zoals factureringsinformatie, informatietechnologieën en jaarlijkse overzichten, alle informatie bevatten die nodig is om consumenten in staat te stellen hun energieverbruik te reguleren, het aanbod te vergelijken en over te stappen op een andere leverancier.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 ter (nieuw)
(14 ter)  Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die onder deze richtlijn vallen, zijn ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt, overeenkomstig artikel 2, punt 1, van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie1 bis.
_______________
1 bis. Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 ter (nieuw)
(15 ter)  De verhoging van de energie-efficiëntie is een rechtstreeks gevolg van de volgende stappen bij de opwekking en omzetting van energie: efficiënte omzetting van primaire energie naar eindenergie, efficiënte transmissie van deze energie naar de verbruikers in de vorm van elektriciteit, warmte of brandstof, en zuinig gebruik ervan door de eindgebruikers; het besparingseffect op de consumentenmarkt mag niet worden beschouwd als het enige doel van deze efficiëntie, aangezien dit effect kan voortvloeien uit ongunstige energieprijzen.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  Om recht te doen aan de technologische vooruitgang en het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de sector elektriciteitsopwekking moet de standaardcoëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh opnieuw worden geëvalueerd, om rekening te houden met veranderingen in de primaire energiefactor voor elektriciteit (PEF). Berekeningen van de PEF voor elektriciteit worden gebaseerd op jaarlijkse gemiddelden. De boekhoudkundige methode op basis van de fysieke energie-inhoud wordt gebruikt voor opwekking van elektriciteit en warmte door middel van kernenergie, en de methode op basis van technische omzettingsefficiëntie voor de opwekking van elektriciteit en warmte uit fossiele brandstoffen en biomassa. De methode voor niet-brandbare vormen van hernieuwbare energie is het directe equivalent op basis van de totale primaire energie. Voor de berekening van het primaire energieaandeel voor elektriciteit uit WKK wordt de methode van bijlage II van Richtlijn 2012/27/EU toegepast. Er wordt gebruik gemaakt van een gemiddelde marktpositie in plaats van een marginale marktpositie. Het energieomzettingsrendement wordt geraamd op 100 % voor niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen, 10 % voor geothermische centrales en 33 % voor kerncentrales. De totale efficiëntie van warmtekrachtkoppeling wordt berekend op basis van de meest recente gegevens van Eurostat. Wat systeemgrenzen betreft, bedraagt de PEF voor alle energiebronnen 1. De berekeningen zijn gebaseerd op de meest recente versie van het PRIMES-referentiescenario. De PEF is gebaseerd op de prognose voor 2020. De analyse heeft betrekking op de EU-lidstaten en Noorwegen. De gegevensreeks voor Noorwegen is gebaseerd op gegevens van het ENTSO-E.
(16)  Uitsluitend voor de doelstellingen van deze richtlijn en om recht te doen aan de technologische vooruitgang en het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de sector elektriciteitsopwekking, zou de coëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh zorgvuldig moeten worden geanalyseerd en eventueel worden herzien om rekening te houden met veranderingen in de primaire energiefactor voor elektriciteit (PEF), waarbij de energiemix van de betrokken lidstaat wordt weergegeven aan de hand van een vergelijkbare en transparante methode.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Gezien het feit dat de Europese Raad in zijn conclusies van 10 juni 2011 over het energie-efficiëntieplan heeft benadrukt dat 40 % van de primaire energie in de Unie wordt gebruikt in gebouwen, wat neerkomt op 50 % van het eindenergieverbruik, en teneinde economische groei mogelijk te maken en de werkgelegenheid te bevorderen in sectoren waar specifieke kwalificaties vereist zijn, zoals de bouwsector en de sector vervaardiging van bouwmaterialen, alsook in sectoren als architectuur en stadsplanning en adviesdiensten op het gebied van verwarmings- en koeltechnologie, moeten de lidstaten een langetermijnstrategie op deze gebieden vaststellen voor de periode na 2020.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)  De primaire-energiefactor (PEF) moet worden gebruikt als een instrument om het verbruik en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen en de energie-efficiëntie te verhogen, alsook om de hernieuwbare energiebronnen verder te ontwikkelen. In dit verband moet de standaardcoëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh worden aangepast wanneer technologische, economische of sociale ontwikkelingen aantonen dat een lagere standaardcoëfficiënt noodzakelijk is. De Commissie moet onderzoek verrichten en indien nodig een wetgevingsvoorstel indienen om de standaardcoëfficiënt van de PEF tegen 2024 te wijzigen.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  Om te garanderen dat de bijlagen bij de richtlijn en de in artikel 14, lid 10, vermelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden kunnen worden geactualiseerd, is het noodzakelijk de aan de Commissie verleende bevoegdheidsdelegatie te verlengen.
Schrappen
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Om de effectiviteit van Richtlijn 2012/27/EU te kunnen beoordelen, moet een eis tot algemene herziening van de richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op uiterlijk 28 februari 2024 worden ingevoerd.
(18)  Om de effectiviteit van Richtlijn 2012/27/EU te kunnen beoordelen, moet een eis tot algemene herziening van de richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk 28 februari 2024 worden ingevoerd. Deze datum valt na de algemene inventarisatie door het UNFCCC in 2023 om noodzakelijke afstemmingen op dit proces toe te laten, waarbij ook rekening wordt gehouden met economische en innovatieve ontwikkelingen.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  Lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking dat lager is dan het gemiddelde in de Unie moeten het verbruik van primaire energie kunnen verhogen, op voorwaarde dat bij de omzetting ervan in eindenergie, de verdere transmissie en distributie en nuttige besparingen op de consumentenmarkt rekening wordt gehouden met een aanzienlijke toename van de energie-efficiëntie in elke fase van het technologisch proces dat erin bestaat de stroom vrijgegeven primaire energie te beheersen.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  De lokale en regionale autoriteiten moeten een leidende rol krijgen bij de ontwikkeling en het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van de in de richtlijn vastgelegde maatregelen, zodat zij op adequate wijze kunnen inspelen op de specifieke kenmerken van hun klimaat, cultuur en samenleving.
Amendementen 110/rev en 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar centraal streefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en haar bindend centraal streefcijfer van 30 % voor 2030 haalt; de richtlijn effent ook de weg voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na deze data. De richtlijn stelt regels vast om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren en voorziet in de opstelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers en bijdragen voor 2020 en 2030.
1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, waarbij het beginsel wordt toegepast van voorrang voor energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar centraal streefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en haar bindend centraal streefcijfer van minimum 35 % voor 2030 haalt; de richtlijn effent ook de weg voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na 2030, overeenkomstig de langetermijndoelstellingen van de Unie inzake energie en klimaat voor 2050 en de Overeenkomst van Parijs. De richtlijn stelt regels vast om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren en voorziet in de opstelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020 en nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2030.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 1 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Deze richtlijn helpt het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" toepassen en zorgt ervoor dat energie-efficiëntie en vraagrespons onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met opwekkingscapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning of financiering van energiesystemen worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 1 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Om particuliere financiering voor energie-efficiëntiemaatregelen en energierenovaties aan te trekken, gaat de Commissie een dialoog aan met zowel openbare als particuliere financiële instellingen teneinde potentiële beleidsmechanismen in kaart te brengen. Gezien het enorme potentieel om in de bouwsector energie-efficiëntiewinst te boeken, zal met name moeten worden ingezet op investeringen in deze sector, met bijzondere aandacht voor woningen van mensen met een laag inkomen die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen. Om investeringen in energie-efficiëntieprojecten financieel interessanter en haalbaarder te maken voor investeerders, overweegt de Commissie mogelijkheden om kleine projecten tot grotere te bundelen. De Commissie verschaft uiterlijk op 1 januari 2019 richtsnoeren aan de lidstaten over het aanboren van particuliere investeringen.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 3 – leden 1, 2 en 3
Artikel 3
Artikel 3
Energie-efficiëntiedoelstellingen
Energie-efficiëntiedoelstellingen
1.  Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 vast, op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit. De lidstaten delen die streefcijfers mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1. Daarbij drukken zij die streefcijfers ook uit als absoluut verbruiksniveau van primaire en eindenergie in 2020 en leggen zij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.
1.  Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 vast, op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit. De lidstaten delen die streefcijfers mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1. Daarbij drukken zij die streefcijfers ook uit als absoluut verbruiksniveau van primaire en eindenergie in 2020 en leggen zij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.
Bij het bepalen van deze streefcijfers zien de lidstaten er op toe dat:
Bij het bepalen van deze streefcijfers zien de lidstaten er op toe dat:
a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie mag bedragen;
a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie of niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie mag bedragen;
b)  rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;
b)  rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;
c)  rekening wordt gehouden met de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefcijfers te bereiken als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG; en
c)  rekening wordt gehouden met de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefcijfers te bereiken als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG; en
d)  rekening wordt gehouden met andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.
d)  rekening wordt gehouden met andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.
Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:
Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:
a)  het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel;
a)  het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel;
b)  de evolutie en prognoses van het BBP;
b)  de evolutie en prognoses van het bbp;
c)  de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;
c)  de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;
d)  de ontwikkeling van alle hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide; en
d)  de ontwikkeling van alle hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide; en
e)  vroegtijdige maatregelen.
e)  vroegtijdige maatregelen.
2.  Uiterlijk op 30 juni 2014 gaat de Commissie na of vooruitgang is geboekt en of het waarschijnlijk is dat de Unie tegen 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie zal verbruiken.
2.  Uiterlijk op 30 juni 2014 gaat de Commissie na of vooruitgang is geboekt en of het waarschijnlijk is dat de Unie tegen 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie zal verbruiken.
3.  Bij het uitvoeren van de in lid 2 bedoelde evaluatie zal de Commissie:
3.  Bij het uitvoeren van de in lid 2 bedoelde evaluatie zal de Commissie:
a)  de door de lidstaten meegedeelde nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers samentellen;
a)  de door de lidstaten meegedeelde nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers samentellen;
b)  nagaan of de som van die streefcijfers als een betrouwbaar richtsnoer kan worden beschouwd om te bepalen of de Unie in haar geheel op de goede weg is, rekening houdende met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2;
b)  nagaan of de som van die streefcijfers als een betrouwbaar richtsnoer kan worden beschouwd om te bepalen of de Unie in haar geheel op de goede weg is, rekening houdende met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2;
c)  rekening houden met aanvullende analyses die voortvloeien uit:
c)  rekening houden met aanvullende analyses die voortvloeien uit:
(i)  een beoordeling van de evolutie van het energieverbruik en het energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit, op het niveau van de Unie, met inbegrip van de evolutie van de efficiëntie van de energievoorziening in lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of eindenergiebesparingen, met inbegrip van de voorgang die het gevolg is van de naleving van hoofdstuk III van deze richtlijn door de lidstaten;
(i)  een beoordeling van de evolutie van het energieverbruik en het energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit, op het niveau van de Unie, met inbegrip van de evolutie van de efficiëntie van de energievoorziening in lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of eindenergiebesparingen, met inbegrip van de voortgang die het gevolg is van de naleving van hoofdstuk III van deze richtlijn door de lidstaten;
(ii)  resultaten van simulaties van toekomstige tendensen in het energieverbruik op het niveau van de Unie.
(ii)  resultaten van simulaties van toekomstige tendensen in het energieverbruik op het niveau van de Unie.
d)  de resultaten van de punten a), b) en c) vergelijken met het energieverbruik dat nodig zou zijn om tegen 2020 het primair energieverbruik tot hoogstens 1 483 Mtoe en het eindenergieverbruik tot hoogstens 1 086 Mtoe te beperken.
d)  de resultaten van de punten a), b) en c) vergelijken met het energieverbruik dat nodig zou zijn om tegen 2020 het primair energieverbruik tot hoogstens 1 483 Mtoe en/of het eindenergieverbruik tot hoogstens 1 086 Mtoe te beperken.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – punt 2
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 3 – lid 4
4.  Elke lidstaat stelt indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen vast om de in artikel 1, lid 1, vermelde doelstelling van de Unie voor 2030 te bereiken, overeenkomstig de artikelen [4] en [6] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. Bij het vaststellen van die bijdragen houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. De lidstaten delen deze bijdragen mee aan de Unie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, overeenkomstig de procedure van artikel [3] en de artikelen [7] tot en met [11] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].
4.  Elke lidstaat stelt indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers vast om de in artikel 1, lid 1, vermelde doelstelling van de Unie voor 2030 te bereiken, overeenkomstig de artikelen [4] en [6] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. Bij het vaststellen van die bijdragen houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. De lidstaten delen deze bijdragen mee aan de Unie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, overeenkomstig de procedure van artikel [3] en de artikelen [7] tot en met [11] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].
Amendementen 54, 105 en 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Verplichting tot energiebesparing
Verplichting tot energiebesparing
1.  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindenergieverbruik bereiken die minstens gelijk is aan:
1.  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindenergieverbruik bereiken die minstens gelijk is aan:
a)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013;
a)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013;
b)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;
b)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030 minstens 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;
De lidstaten moeten gedurende tien jaar na 2030 nieuwe jaarlijkse besparingen van 1,5 % per jaar blijven behalen, tenzij de Commissie in haar evaluatie van 2027 en om de tien jaar daarna tot de conclusie komt dat dit niet nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.
De lidstaten moeten gedurende tien jaar na 2030 nieuwe jaarlijkse besparingen van 1,5 % per jaar blijven behalen, tenzij de Commissie in haar evaluatie van 2027 en om de tien jaar daarna tot de conclusie komt dat dit niet nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.
De besparingen in elke periode bouwen cumulatief voort op de besparingen die in de voorgaande periode(n) moesten worden gerealiseerd. Indien eerdere beleidsmaatregelen, programma's en/of individuele acties niet langer besparingen opleveren, wordt het verlies van deze besparingen in aanmerking genomen bij de berekening van de totale besparing die aan het einde van elke periode moet worden gerealiseerd, en wordt het verlies vervangen door nieuwe besparingen.
Voor de toepassing van het bepaalde onder b), en onverminderd leden 2 en 3, mogen de lidstaten alleen die energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die na 31 december 2020 zijn ingevoerd of beleidsmaatregelen die tijdens de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 zijn ingevoerd, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en een besparing opleveren.
De vereiste besparingen voor de onder b) bedoelde periode zijn cumulatief en komen bovenop de vereiste besparingen voor de onder a) bedoelde periode. Hiertoe, en onverminderd leden 2 en 3, mogen de lidstaten energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die na 31 december 2020 zijn ingevoerd of daarvóór, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in nieuwe individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en een nieuwe besparing opleveren. De lidstaten mogen ook besparingen meetellen van individuele acties die worden ondernomen tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020, op voorwaarde dat deze verifieerbare energiebesparingen na 2020 blijven opleveren.
De verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, mag geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven.
Enkel voor de toepassing van de onder a) bedoelde periode mag de verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven. De verkoop van energie die gebruikt wordt voor vervoer wordt volledig meegeteld bij de berekeningen voor de onder b) bedoelde periode en daarna.
De lidstaten mogen beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke onder a) en b) vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparingen aan het einde van elke periode worden bereikt.
De lidstaten mogen beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke onder a) en b) vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparingen aan het einde van elke periode worden bereikt.
2.  Onverminderd lid 3, kan elke lidstaat:
2.  Onverminderd lid 3, kan elke lidstaat:
a)  de bij lid 1, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;
a)  de bij lid 1, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;
b)  de verkoop, per volume, van de energie die gebruikt wordt in de industriële activiteiten die in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG zijn vermeld, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening houden;
b)  de verkoop, per volume, van de energie die gebruikt wordt in de industriële activiteiten die in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG zijn vermeld, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening houden;
c)  toestaan dat energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, distributie en transmissie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, en die voortvloeien uit de naleving van de voorschriften van artikel 14, lid 4, artikel 14, lid 5, onder b), en artikel 15, leden 1 tot en met 6 en lid 9, worden meegenomen bij de berekening van de energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1;
c)  toestaan dat energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, distributie en transmissie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, en die voortvloeien uit de naleving van de voorschriften van artikel 14, lid 4, artikel 14, lid 5, onder b), en artikel 15, leden 1 tot en met 6 en lid 9, worden meegenomen bij de berekening van de energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1, onder a) en b), en
d)  besparingen die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die voor het eerst zijn uitgevoerd na 31 december 2008 en die in 2020 en daarna nog steeds een effect hebben, en die meetbaar en verifieerbaar zijn, meenemen bij de berekening van de in lid 1 vermelde energiebesparingen; en
d)  besparingen die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die voor het eerst zijn uitgevoerd na 31 december 2008 en die in 2020 nog steeds een effect hebben, en die meetbaar en verifieerbaar zijn, meenemen bij de berekening van de in lid 1, onder a), vermelde energiebesparingen.
e)  de verifieerbare hoeveelheid energie die op of in gebouwen wordt opgewekt voor eigen gebruik als gevolg van beleidsmaatregelen ter bevordering van nieuwe installaties van hernieuwbare energietechnologieën, uitsluiten van de berekening van de in lid 1 vermelde energiebesparingseis.
3.  Alle overeenkomstig lid 2 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1 vermelde energiebesparingen. De lidstaten berekenen het effect van de gekozen opties voor de in lid 1, onder a) en b), vermelde perioden afzonderlijk en passen dit toe:
3.  Alle overeenkomstig lid 2 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1 vermelde energiebesparingen. De lidstaten berekenen het effect van de gekozen opties voor de in lid 1, onder a) en b), vermelde perioden afzonderlijk en passen dit toe:
a)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder a), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder a), b), c) en d);
a)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder a), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder a), b), c) en d);
b)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder b), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder b), c), d) en e), mits individuele acties in de zin van punt d) een verifieerbaar en meetbaar effect blijven hebben na 31 december 2020.
b)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder b), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder b), c), d) en e), mits individuele acties in de zin van punt d) een verifieerbaar en meetbaar effect blijven hebben na 31 december 2020.
4.  Energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, mogen niet worden meegenomen bij de berekening van de cumulatieve besparingen die vereist zijn voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.
4.  Energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, mogen niet worden meegenomen bij de berekening van de cumulatieve besparingen die vereist zijn voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.
5.  De lidstaten zien erop toe dat de besparingen die voortvloeien uit de in de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, bedoelde beleidsmaatregelen worden berekend overeenkomstig bijlage V.
5.  De lidstaten zien erop toe dat de besparingen die voortvloeien uit de in de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, bedoelde beleidsmaatregelen worden berekend overeenkomstig bijlage V.
6.  De lidstaten verwezenlijken de uit hoofde van lid 1 vereiste besparingen door een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 bis vast te stellen of door alternatieve beleidsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 7 ter, vast te stellen. De lidstaten mogen een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie combineren met alternatieve beleidsmaatregelen.
6.  De lidstaten verwezenlijken de uit hoofde van lid 1 vereiste besparingen door een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 bis vast te stellen of door alternatieve beleidsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 7 ter, vast te stellen. De lidstaten mogen een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie combineren met alternatieve beleidsmaatregelen.
7.  De lidstaten zien erop toe dat energiebesparingen niet dubbel worden geteld wanneer beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties een overlappende werking hebben.";
7.  De lidstaten zien erop toe dat energiebesparingen niet dubbel worden geteld wanneer beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties een overlappende werking hebben.";
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 1
1.  Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 7, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, de in artikel 7, lid 1, uiteengezette cumulatieve eindenergiebesparing bereiken, onverminderd artikel 7, lid 2.
1.  Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 7, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, de in artikel 7, lid 1, uiteengezette cumulatieve eindenergiebesparing bereiken, onverminderd artikel 7, lid 2, of staan zij toe dat de aan verplichtingen gebonden partijen jaarlijkse bijdragen storten in het nationaal fonds voor energie-efficiëntie, overeenkomstig artikel 20, lid 6.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 2
2.  Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de energiedistributeurs en/of detailhandelaars in energie die op hun grondgebied actief zijn; daaronder kunnen begrepen zijn distributeurs en detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 7, lid 1, bedoelde berekening, zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 5, onder b).
2.  Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de energiedistributeurs, detailhandelaars in energie en distributeurs of detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 7, lid 1, bedoelde berekening, zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 5, onder b).
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Indien detailhandelaars in energie worden aangewezen als aan verplichtingen gebonden partijen overeenkomstig lid 2, zien de lidstaten erop toe dat deze handelaars bij de naleving van hun verplichtingen geen barrières opwerpen voor consumenten om van de ene leverancier naar de andere over te stappen.
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter b
b)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties of overheidsinstanties maatregelen propageren die al dan niet formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten zulks toestaan, zien zij erop toe dat er een goedkeuringsprocedure van kracht is die helder en transparant is, openstaat voor alle marktdeelnemers en de certificatiekosten zo laag mogelijk probeert te houden;
b)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties of overheidsinstanties maatregelen propageren die al dan niet formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten zulks toestaan, zien zij erop toe dat er een geaccrediteerde goedkeuringsprocedure van kracht is die helder, transparant en participatief is, openstaat voor alle marktdeelnemers en de certificatiekosten zo laag mogelijk probeert te houden;
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c bis (nieuw)
c bis)  mogen de lidstaten toestaan dat aanvullende besparingen die worden bereikt door duurzamere technologieën op het gebied van stadsverwarmings- en -koelingssystemen in stedelijke gebieden (die eveneens leiden tot verminderingen van de vervuilende stoffen en deeltjes) worden meegerekend voor de hoeveelheid energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1;
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c ter (nieuw)
c ter)  mogen de lidstaten de goedkeuring bevorderen van maatregelen die gericht zijn op het verwarmings- en koelingspotentieel voor energiebesparingen, met als mogelijk doel aanvullende beloningen te bieden voor maatregelen die resulteren in minder vervuiling;
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c quater (nieuw)
c quater)  mogen de lidstaten instrumenten invoeren die energiebesparingen certificeren uit energiecontroles of vergelijkbare energiebeheersystemen zoals genoemd in artikel 8, met als doel deze besparingen mee te rekenen in de hoeveelheid energiebesparingen die vereist is uit hoofde van lid 1;
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c quinquies (nieuw)
c quinquies)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan hun verplichting mee te rekenen voor de energiebesparingen op het eindgebruik die zijn bereikt op het gebied van efficiënte infrastructuur voor verwarming en koeling;
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 5 – letter c septies (nieuw)
c septies)  beoordelen de lidstaten het effect van de directe en indirecte kosten van deze regelingen op het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën die blootstaan aan internationale concurrentie, en nemen zij maatregelen om dit effect te minimaliseren.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 bis – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.  In het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen informeren de lidstaten de Commissie over de door hen beoogde beleidsmaatregelen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder c). Het effect van deze maatregelen wordt in deze plannen berekend en verwerkt. De door de lidstaten gehanteerde berekening wordt gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende criteria, die uiterlijk 1 januari 2019 in samenspraak met de Commissie worden opgesteld.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 ter – lid 1
1.  Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij ervoor dat de krachtens artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.
1.  Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij ervoor dat de krachtens artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing volledig wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 ter – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Daarnaast komen alle mogelijkheden om de energie-efficiëntie te vergroten, met inbegrip van beter presterende brandstof in het vervoer, in aanmerking voor het vereiste voor de cumulatieve besparingen op het energie-eindverbruik zoals opgenomen in artikel 7, lid 1.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 ter – lid 2
2.  Bij het plannen van alternatieve beleidsmaatregelen om energie te besparen, houden de lidstaten rekening met de gevolgen voor huishoudens die met energiearmoede kampen.
2.  Bij het plannen van alternatieve beleidsmaatregelen om energie te besparen, houden de lidstaten rekening met de gevolgen voor huishoudens met een laag inkomen, met inbegrip van die welke met energiearmoede kampen, en zorgen ze ervoor dat deze maatregelen bij voorrang worden uitgevoerd in deze huishoudens en in sociale woningen.
De lidstaten berekenen de gerealiseerde besparingen in deze huishoudens ten opzichte van de totale gerealiseerde besparingen in alle huishoudens uit hoofde van dit artikel.
Deze besparingen worden gepubliceerd en opgenomen in de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 7 quater (nieuw)
(4 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 7 quater
Verlening van energie-efficiëntiediensten
De Commissie moet in nauwe samenwerking met de lidstaten garanderen dat de verlening van diensten op het gebied van energie-efficiëntie plaatsvindt in een concurrentiegericht en transparant kader, zodat wanneer energie-efficiëntiediensten worden verleend de eindverbruiker van de laagste kosten voor de beste kwaliteit kan genieten. Daartoe garanderen de lidstaten aan de verschillende ondernemers, en in het bijzonder aan kmo's, non-discriminatoire toegang tot de markt van de energie-efficiëntiediensten, waarbij de deelname onder gelijke voorwaarden voor de verticaal geïntegreerde ondernemers wordt bevorderd en de concurrentievoordelen van ondernemers in de distributie en de verkoop van energie worden tenietgedaan. De lidstaten stellen met het oog daarop alle benodigde wetgevingshandelingen vast, zodat de geïntegreerde ondernemers aan derden dezelfde voorwaarden en dezelfde instrumenten ter beschikking stellen die zij gebruiken om energie-efficiëntiediensten te verlenen."
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik.
De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, voor wat betreft de geselecteerde technologie en functionaliteit tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters en verwarmingsbedieningssystemen die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik en overige functies, zoals van toepassing overeenkomstig de bepalingen inzake elektriciteitsmeting in de artikelen 19 tot en met 22 van Richtlijn (EU) .../... [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking)].
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c – punt ii bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 9 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Het slimme meetsysteem biedt de eindconsument toegang tot diens eindverbruikgegevens en de tijdreeksen voor de afrekeningstermijnen van de markt.
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter d
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 9 – lid 3
d)  lid 3 wordt geschrapt;
d)  lid 3 wordt vervangen door:
"3. Ten aanzien van het gegevensformaat en de functionaliteit worden de bepalingen waar passend afgestemd op de artikelen 18 t/m 21 van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad1bis. Consumentengegevens worden behandeld overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad1ter. Er worden aan eindafnemers geen kosten in rekening gebracht voor toegang tot hun gegevens in een voor hen nuttig formaat.
__________________
1bis Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55).
1ter Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1)."
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 9 bis
Artikel 9 bis
Artikel 9 bis
Meting, individuele bemetering en warmtekostenverdeling voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden
Meting, individuele bemetering en warmtekostenverdeling voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven.
Ingeval de verwarming en koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een netwerk voor stadsverwarming of -koeling, wordt altijd een warmtemeter of een warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.
Ingeval de verwarming, koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een netwerk voor stadsverwarming of -koeling, wordt een meter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.
2.  In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten.
2.  In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten, indien dit technisch haalbaar en kostenefficiënt is, omdat het in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen.
Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmte- of koelingsverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de desbetreffende lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. De voorwaarden van technische onhaalbaarheid en niet-kosteneffectiviteit worden door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.
Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmte- of koelingsverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de desbetreffende lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. Na overleg met de Commissie worden de algemene criteria, methoden en/of procedures ter bepaling van technische onhaalbaarheid en niet-kosteneffectiviteit door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.
In nieuwe gebouwen als bedoeld in de eerste alinea, of wanneer een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd, zoals bepaald in Richtlijn 2010/31/EU, worden altijd individuele meters geïnstalleerd.
Indien nieuwe appartementengebouwen en het residentiële gedeelte van nieuwe multifunctionele gebouwen beschikken over een centrale verwarmingsbron voor warm water of op stadsverwarming zijn aangesloten, wordt, niettegenstaande de eerste en tweede alinea, voorzien in individuele meters voor warm water.
3.  In het geval van appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, voeren de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels in voor de verdeling van de kosten van verwarming, koeling en warmwaterverbruik in dergelijke gebouwen, zoals:
3.  In het geval van appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, voeren de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels in voor de verdeling van de kosten van verwarming, koeling en warmwaterverbruik in dergelijke gebouwen, zoals:
a)  warm water voor huishoudelijk gebruik;
a)  warm water voor huishoudelijk gebruik;
b)  warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten (wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren);
b)  warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten (wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren);
c)  voor het verwarmen of koelen van appartementen.
c)  voor het verwarmen of koelen van appartementen.
4.  Met het oog op de toepassing van dit artikel moeten meters en kostenverdelers die met ingang van 1 januari 2020 worden geïnstalleerd, op afstand leesbaar zijn.
4.  Met het oog op de toepassing van dit artikel moeten nieuwe meters en warmtekostenverdelers die met ingang van 1 januari 2020 worden geïnstalleerd, op afstand leesbaar zijn. De voorwaarden betreffende technische haalbaarheid en kosteneffectiviteit zoals bedoeld in de eerste en tweede alinea van lid 2 blijven van toepassing.
Meters en kostenverdelers die al zijn geïnstalleerd maar nog niet op afstand kunnen worden gelezen, worden uiterlijk op 1 januari 2027 met deze mogelijkheid uitgerust of vervangen, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.
Meters en warmtekostenverdelers die al zijn geïnstalleerd maar nog niet op afstand kunnen worden gelezen, worden uiterlijk op 1 januari 2027 met deze mogelijkheid uitgerust of vervangen, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 10 – lid 1
1.  In de gevallen waarin de eindgebruiker niet beschikt over een slimme meter als bedoeld in Richtlijn 2009/73/EG, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 de factureringsinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VII, voor gas, mits zulks technisch mogelijk en economisch verantwoord is.
1.  In de gevallen waarin de eindgebruiker niet beschikt over een slimme meter als bedoeld in Richtlijn 2009/73/EG, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 de factureringsinformatie betrouwbaar en nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VII, voor gas, mits zulks technisch mogelijk en economisch verantwoord is.
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter c
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 10 – lid 2 – alinea 1
Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG maken accurate factureringsinformatie op basis van het werkelijke verbruik mogelijk. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan.
Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG bieden accurate factureringsinformatie op basis van het werkelijke verbruik. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 10 bis
Artikel 10 bis
Artikel 10 bis
Facturering en verbruiksinformatie voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
Facturering en verbruiksinformatie voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de facturering en verbruiksinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik van alle eindgebruikers waar meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, in overeenstemming met de punten 1 en 2 van bijlage VII bis.
1.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, de facturerings- en verbruiksinformatie overeenkomstig de punten 1 en 2 van bijlage VII bis nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers voor alle eindgebruikers, namelijk voor natuurlijke of rechtspersonen die verwarming, koeling of warm water voor hun eigen eindgebruik aankopen, of natuurlijke of rechtspersonen die bewoners zijn van een afzonderlijk gebouw of een eenheid in een appartementengebouw of multifunctioneel gebouw dat is uitgerust met verwarming, koeling of warm water van een centrale bron en die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben.
Behalve in het geval van individuele meters zoals bepaald in artikel 9 bis, lid 2, kan aan deze verplichting worden voldaan door een systeem waarbij de eindafnemer regelmatig zelf de meter afleest en de metergegevens meedeelt aan de energieleverancier. Alleen indien de eindafnemer voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.
Aan deze verplichting kan, indien een lidstaat daartoe besluit, en behalve in het geval van verbruik via individuele meters op basis van warmtekostenverdelers overeenkomstig artikel 9 bis, lid 2, worden voldaan met een systeem waarbij de eindafnemer of eindgebruiker regelmatig zelf de meter afleest en de metergegevens meedeelt. Alleen indien de eindafnemer of eindgebruiker voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.
2.  De lidstaten:
2.  De lidstaten:
a)  schrijven voor dat, indien er informatie beschikbaar is over de energiefacturering en het verbruiksverleden van de eindgebruiker, deze op zijn verzoek ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;
a)  schrijven voor dat, indien er informatie beschikbaar is over de energiefacturering en het verbruiksverleden of de meetgegevens van de warmtekostenverdelers van de eindgebruiker, deze op zijn verzoek ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;
b)  zorgen ervoor dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering en dat zij op verzoek een duidelijke en begrijpelijke uitleg krijgen over de wijze waarop de factuur is opgesteld, in het bijzonder als de factuur niet gebaseerd is op het werkelijke verbruik;
b)  zorgen ervoor dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering;
c)  zien erop toe dat passende informatie wordt verstrekt bij de factuur die gebaseerd is op het werkelijke verbruik van alle eindgebruikers, in overeenstemming met punt 3 van bijlage VII;
c)  zien erop toe dat duidelijke en begrijpelijke informatie wordt verstrekt bij de factuur van alle eindgebruikers, in overeenstemming met punt 3 van bijlage VII bis;
d)  mogen bepalen dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek mag worden beschouwd. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat flexibele regelingen voor de werkelijke betaling worden aangeboden.
d)  mogen bepalen dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek mag worden beschouwd. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat flexibele regelingen voor de werkelijke betaling worden aangeboden;
d bis)  bevorderen cyberbeveiliging en waarborgen de bescherming van de privacy en de gegevens van eindgebruikers overeenkomstig het desbetreffende Unierecht.
2 bis.  De lidstaten beslissen wie verantwoordelijk moet zijn voor het verstrekken van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie aan de eindgebruikers die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met een energieleverancier hebben.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 15 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
-a)  Aan lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Door de Commissie wordt in overleg met de relevante belanghebbenden een gemeenschappelijke methode gedefinieerd teneinde netwerkexploitanten te stimuleren verliezen te reduceren, een kosten-/energie-efficiënt investeringsprogramma voor infrastructuur uit te voeren en de energie-efficiëntie en de flexibiliteit van het net naar behoren te berekenen. Uiterlijk … [12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling ter aanvulling van deze richtlijn vast, waarin deze methode nader wordt omschreven."
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt ii
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 15 – lid 5 – alinea 3
Transmissie- en de distributiesysteembeheerders moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage XII.
Transmissie- en distributiesysteembeheerders moeten bij het aansluiten rekening houden met de noodzaak om te zorgen voor continuïteit van de warmtevoorziening, teneinde zo de toegang te waarborgen tot het netwerk en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling te leveren, en moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage XII.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 19 bis (nieuw)
(11 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 19 bis
Financiering van energie-efficiëntie door Europese banken
De Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) passen hun beleidsdoelstellingen aan met het oog op erkenning van energie-efficiëntie als op zichzelf staande energiebron en van investeringen in energie-efficiëntie als onderdeel van de investeringsportefeuille voor infrastructuur.
De EIB en de EBWO ontwerpen, genereren en financieren, in samenspraak met nationale bevorderingsbanken, programma's en projecten die gericht zijn op de efficiëntiesector, met inbegrip van energiearme huishoudens.
De lidstaten maken volledig gebruik van de mogelijkheden en middelen die zijn voorgesteld in het kader van het initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen"."
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
(12 bis)  In artikel 23 wordt volgend lid ingevoegd:
"3 bis. Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven."
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 ter (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 24 – lid 4 bis (nieuw)
(12 ter)  In artikel 24 wordt volgend lid ingevoegd:
"4 bis. In het kader van het verslag over de stand van de energie-unie brengt de Commissie verslag uit over de werking van de koolstofmarkt, overeenkomstig artikel 29, lid 1 en lid 2, onder c), van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie], rekening houdend met de gevolgen van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn."
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 24 – lid 12
12.  De Commissie evalueert deze richtlijn uiterlijk op 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar, en brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.
12.  De Commissie evalueert deze richtlijn uiterlijk op 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar, en brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de algemene doeltreffendheid van de richtlijn en de noodzaak om het energie-efficiëntiebeleid van de Unie verder aan te passen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en aan de economische en innovatieve ontwikkelingen. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Artikel 24 – lid 12 bis (nieuw)
(13 bis)   In artikel 24 wordt volgend lid ingevoegd:
"12 bis. Uiterlijk 31 december 2019 verricht de Commissie een afzonderlijke diepgaande analyse van het potentieel voor energie-efficiëntie met betrekking tot:
a)  de conversie en transformatie van energie;
b)  de transmissie en distributie van energie;
c)  de productie en het daaropvolgende vervoer van energievoorraden, namelijk energie gebruikt tijdens de winning van fossiele brandstoffen en het vervoer ervan naar de plaats van gebruik.
d)  de opslag van energie.
De Commissie dient, indien toepasselijk, op basis van haar bevindingen uiterlijk 31 januari 2021 bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel voor een wetgevingshandeling in die zin in."
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter a
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage IV – voetnoot 3
a)  in bijlage IV wordt voetnoot 3 vervangen door: "(3) Van toepassing wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik. Voor besparingen in kWh elektriciteit kunnen de lidstaten een standaardcoëfficiënt van 2,0 gebruiken. De lidstaten kunnen een afwijkende coëfficiënt gebruiken indien zij dat kunnen rechtvaardigen."
a)  in bijlage IV wordt voetnoot 3 vervangen door: "(3) Uitsluitend van toepassing ten behoeve van deze richtlijn en wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik. Voor besparingen in kWh elektriciteit gebruiken de lidstaten een coëfficiënt die is vastgesteld aan de hand van een transparante en voor alle lidstaten vergelijkbare methode, op basis van nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden. Deze omstandigheden moeten naar behoren worden onderbouwd, meetbaar en verifieerbaar zijn en uitgaan van objectieve en niet-discriminerende criteria. Voor besparingen in kWh elektriciteit kunnen de lidstaten een standaardcoëfficiënt van 2,3 gebruiken of een afwijkende coëfficiënt indien zij dat kunnen rechtvaardigen. Hierbij houden de lidstaten rekening met hun elektriciteitsmix die is opgenomen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die aan de Commissie moeten worden meegedeeld overeenkomstig artikel [3] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. De standaardcoëfficiënt wordt om de vijf jaar herzien op basis van werkelijk waargenomen gegevens."
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 2 – letter a
a)  het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, stellen de lidstaten een basisscenario op waarin wordt beschreven hoe het energieverbruik zou evolueren zonder de beleidsmaatregel in kwestie. In dit basisscenario moet rekening worden gehouden met minstens de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op nationaal en EU-niveau ten uitvoer worden gelegd;
a)  het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, stellen de lidstaten een basisscenario op waarin wordt beschreven hoe het energieverbruik zou evolueren zonder de desbetreffende beleidsmaatregel en de daaruit voortvloeiende nieuwe individuele actie. In dit basisscenario moet rekening worden gehouden met minstens de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op nationaal en Unieniveau ten uitvoer worden gelegd;
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 2 – letter b
b)  besparingen die voortvloeien uit de toepassing van verplichte Uniewetgeving worden beschouwd als besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden, en kunnen dus niet worden geclaimd uit hoofde van artikel 7, lid 1, behalve besparingen die verband houden met de renovatie van bestaande gebouwen, voor zover het in punt 3, onder h), vermelde oorzakelijk verband is aangetoond;
b)  besparingen die voortvloeien uit de toepassing van verplichte Uniewetgeving worden beschouwd als besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden, en kunnen dus niet worden geclaimd uit hoofde van artikel 7, lid 1, behalve besparingen die verband houden met maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen, voor zover het in punt 3, onder h), vermelde oorzakelijk verband is aangetoond;
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 2 – letter h
h)  bij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen; dit kan geschieden door berekening van de besparingen die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030 zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen in het kader van de governance van de energie-unie aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.
h)  bij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen en met het percentage waarmee het effect van de besparingen met de tijd afneemt. Deze berekening gebeurt aan de hand van de telling van de besparingen die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030 zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen uit hoofde van de verordening betreffende de governance van de energie-unie aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 3 – letter d
d)  de in de beleidsmaatregel vereiste of op grond van die maatregel te behalen hoeveelheid energiebesparingen moet worden uitgedrukt in eindverbruik dan wel primair verbruik van energie, waarbij de conversiefactoren zoals vastgelegd in bijlage IV worden gebruikt;
d)  de in de beleidsmaatregel vereiste of op grond van die maatregel te behalen hoeveelheid energiebesparingen moet worden uitgedrukt in eindverbruik en primair verbruik van energie, waarbij de conversiefactoren zoals vastgelegd in bijlage IV worden gebruikt;
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 1 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage V – punt 3 – alinea 2
Voor beleidsmaatregelen die worden genomen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder e), mogen de lidstaten gebruikmaken van de berekeningsmethode die is vastgesteld in Richtlijn 2010/31/EU, voor zover dit in overeenstemming is met de eisen van artikel 7 van deze richtlijn en deze bijlage.
Schrappen
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 2 – letter b
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage VII bis
Bijlage VII bis
Bijlage VII bis
Minimumeisen voor informatie over facturen en verbruik, op basis van werkelijk verbruik van verwarming, koeling en warm water
Minimumeisen voor informatie over facturen en verbruik voor verwarming, koeling en warm water
1.  Facturering op basis van werkelijk verbruik
1.  Facturering op basis van werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers
Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik worden gefactureerd.
Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers worden gefactureerd.
2.  Minimumfrequentie van informatie over facturen of verbruik
2.  Minimumfrequentie van informatie over facturen of verbruik
Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf [Please insert here …. the entry into force] minstens elk kwartaal, wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar informatie over facturen of verbruik worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik.
Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf ... [datum van omzetting] minstens elk kwartaal, wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar informatie over facturen of verbruik aan de eindafnemers worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers.
Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturen of verbruik worden verstrekt. Verwarming en koeling kunnen hiervan worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.
Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturen of verbruik op basis van het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers aan alle eindafnemers worden verstrekt. Deze informatie wordt ook permanent via het internet beschikbaar gesteld en zo vaak bijgewerkt als de gebruikte meetapparatuur en -systemen toelaten. Verwarming en koeling kunnen hiervan worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.
3.  Minimuminformatie op de factuur op basis van werkelijk verbruik
3.  Minimuminformatie op de factuur
De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende informatie krijgen:
De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende nauwkeurige informatie krijgen op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van de warmtekostenverdeler:
a)  de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie;
a)  de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie of de totale warmtekosten en meetgegevens van warmtekostenverdelers;
b)  informatie over de gebruikte brandstofmix, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling;
b)  informatie over de gebruikte brandstofmix en de bijbehorende uitstoot van broeikasgassen, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling, en uitleg bij de verschillende belastingen, heffingen en toegepaste tarieven;
c)  vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;
c)  vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;
d)  contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur.
d)  contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur;
d bis)  informatie over de desbetreffende klachtenprocedures, de diensten van de ombudsman of mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting;
Voorts zorgen de lidstaten ervoor dat in, bij of als verwijzing in rekeningen in duidelijke en begrijpelijke taal vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindafnemer van dezelfde verbruikerscategorie aan de eindafnemers beschikbaar worden gesteld.
d ter)  vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindafnemer van dezelfde verbruikerscategorie.
Rekeningen die niet gebaseerd zijn op het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers bevatten een duidelijke en begrijpelijke uitleg over de wijze waarop het in de rekening genoemde bedrag is berekend, en ten minste de informatie als bedoeld in de punten d) en d bis).
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – punt 2 bis (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage IX – Deel 1 – alinea 4 – letter g
(2 bis)  In de vierde alinea van Deel 1 van Bijlage IX wordt letter g) vervangen door:
g)  Economische analyse: Inventaris van effecten
"g) Economische analyse: Inventaris van effecten
Bij de economische analyse wordt rekening gehouden met alle relevante economische effecten.
Bij de economische analyse wordt rekening gehouden met alle relevante economische effecten.
De lidstaten kunnen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's beoordelen en er rekening mee houden in de besluitvorming.
De lidstaten beoordelen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's en houden er rekening mee in de besluitvorming.
Ten minste de volgende kosten en baten worden in aanmerking genomen:
Ten minste de volgende kosten en baten worden in aanmerking genomen:
i)  Baten
i)  Baten
—  Outputwaarde voor de consument (verwarming en elektriciteit)
—  Outputwaarde voor de consument (verwarming en elektriciteit)
—  Externe baten zoals milieu- en gezondheidsvoordelen, voor zover mogelijk.
—  Externe baten zoals milieu-, broeikasgasemissie-, gezondheids- en veiligheidsvoordelen
—  Arbeidsmarkteffecten, energievoorzieningszekerheid enconcurrentievermogen
ii)  Kosten
ii)  Kosten
—  Kapitaalkosten van installaties en apparatuur
—  Kapitaalkosten van installaties en apparatuur
—  Kapitaalkosten van de betrokken energienetten
—  Kapitaalkosten van de betrokken energienetten
—  Variabele en vaste beheerskosten
—  Variabele en vaste beheerskosten
—  Energiekosten
—  Energiekosten
—  Milieu- en gezondheidskosten, voor zover mogelijk
—  Milieu-, gezondheids- en veiligheidskosten
—  Arbeidsmarktkosten, energievoorzieningszekerheid en concurrentievermogen"
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage – punt 2 ter (nieuw)
Richtlijn 2012/27/EU
Bijlage XII – alinea 1 – letter a
(2 ter)  In de eerste alinea van Bijlage XII wordt letter a) vervangen door:
"a) stellen hun gestandaardiseerde regels op voor de vergoeding van de kosten van technische aanpassingen, zoals netaansluitingen en -verzwaringen, een verbeterde werking van het net en regels voor de niet-discriminerende uitvoering van netcodes die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan het net wensen te leveren, op het koppelnet aan te sluiten; ze maken deze regels bekend;
"a) stellen hun gestandaardiseerde regels op voor de vergoeding van de kosten van technische aanpassingen, zoals netaansluitingen, netverzwaringen en de invoering van nieuwe netten, een verbeterde werking van het net en regels voor de niet-discriminerende uitvoering van netcodes die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan het net wensen te leveren, op het koppelnet en andere verspreide bronnen aan te sluiten; ze maken deze regels bekend;"

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0391/2017).


Governance van de energie-unie ***I
PDF 1008kWORD 175k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 17 januari 2018 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM(2016)0759 – C8-0497/2016 – 2016/0375(COD)(1))
P8_TA(2018)0011A8-0402/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Deze verordening bevat de noodzakelijke wettelijke basis voor een betrouwbare en transparante governance die garandeert dat de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie worden gehaald door complementaire, coherente en ambitieuze inspanningen van de Unie en de lidstaten, en die tegelijk de beginselen van de Unie op het gebied van betere regelgeving bevordert.
(1)  Deze verordening bevat de noodzakelijke wettelijke basis voor een betrouwbare, inclusieve, kostenefficiënte, transparante en voorspelbare governance die garandeert dat de doelstellingen en streefcijfers voor 2030 en voor de lange termijn van de energie-unie worden gehaald overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs van 2015 inzake klimaatverandering, die na de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP 21) is gesloten (de "Overeenkomst van Parijs") door complementaire, coherente en ambitieuze inspanningen van de Unie en de lidstaten, terwijl de administratieve complexiteit beperkt blijft.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Het doel van een veerkrachtige energie-unie met een ambitieus klimaatbeleid als kernelement is om de consumenten in de Unie, zowel gezinnen als bedrijven, zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te geven; dit vereist een fundamentele transformatie van het Europees energiesysteem. Dat doel kan alleen worden bereikt door gecoördineerd optreden waarbij wetgevende en niet-wetgevende maatregelen op EU- en nationaal niveau worden gecombineerd.
(3)  Het doel van een veerkrachtige energie-unie met een ambitieus klimaatbeleid als kernelement is om de consumenten in de Unie, zowel gezinnen als bedrijven, zekere, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te geven en onderzoek en innovatie te bevorderen door investeringen aan te trekken; dit vereist een fundamentele transformatie van het Europees energiesysteem. Dat doel kan alleen worden bereikt door gecoördineerd optreden waarbij wetgevende en niet-wetgevende maatregelen op Unie-, macroregionaal, regionaal, nationaal en lokaal niveau worden gecombineerd.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  Een volledig functionele en veerkrachtige energie-unie zou de Unie omvormen tot een toonaangevende regio voor innovatie, investeringen, groei en sociale en economische ontwikkeling, wat op zijn beurt een goed voorbeeld zou zijn van hoe het nastreven van hoge ambities op het vlak van mitigatie van de klimaatverandering hand in hand gaat met maatregelen ter bevordering van innovatie, investeringen en groei.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het voorstel van de Commissie is parallel met een reeks initiatieven inzake sectoraal energiebeleid opgesteld, met name op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en marktontwerp, en is samen met deze initiatieven vastgesteld. Deze initiatieven vormen een pakket onder het overkoepelende thema "energie-efficiëntie eerst", het mondiale leiderschap van de Unie op het vlak van hernieuwbare energie, en een eerlijke deal voor energieconsumenten.
(4)  Het voorstel van de Commissie is parallel met een reeks initiatieven inzake sectoraal energiebeleid opgesteld, met name op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie (met inbegrip van de energieprestaties van gebouwen) en marktontwerp, en is samen met deze initiatieven vastgesteld. Deze initiatieven vormen een pakket onder het overkoepelende thema "energie-efficiëntie eerst", het mondiale leiderschap van de Unie op het vlak van hernieuwbare energie, en een eerlijke deal voor energieconsumenten, onder meer door het tegengaan van energiearmoede en het bevorderen van eerlijke concurrentie op de interne markt.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  De Europese Raad heeft op 24 oktober 2014 overeenstemming bereikt over het kader voor klimaat en energie voor 2030, op basis van vier belangrijke streefcijfers: een afname van de broeikasgasemissies in de gehele economie met minstens 40 %, een verbetering van de energie-efficiëntie met minstens 27 % met het oog op een niveau van 30 %, een aandeel van minstens 27 % hernieuwbare energie in de Unie en ten minste 15 % voor de koppeling van elektriciteitsnetten. De Raad heeft gepreciseerd dat het streefcijfer voor hernieuwbare energie bindend is op het niveau van de Unie en moet worden bereikt door bijdragen van de lidstaten, geleid door de noodzaak om gezamenlijk het streefcijfer van de Unie te halen.
(5)  De Europese Raad heeft op 24 oktober 2014 een kader voor klimaat en energie voor 2030 voorgesteld op basis van vier belangrijke streefcijfers: een afname van de broeikasgasemissies in de gehele economie met minstens 40 %, een verbetering van de energie-efficiëntie met minstens 27 % met het oog op een niveau van 30 %, een aandeel van minstens 27 % hernieuwbare energie in de Unie en ten minste 15 % voor de koppeling van elektriciteitsnetten. De Raad heeft gepreciseerd dat het streefcijfer voor hernieuwbare energie bindend is op het niveau van de Unie en moet worden bereikt door bijdragen van de lidstaten, geleid door de noodzaak om gezamenlijk het streefcijfer van de Unie te halen. Niettemin beantwoordt deze verordening aan de streefcijfers die in de sectorale wetgeving zijn overeengekomen.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  De Europese Raad is op 24 oktober 2014 overeengekomen dat de Commissie met steun van de lidstaten voortvarend maatregelen zal nemen om zo spoedig mogelijk een minimumstreefcijfer van 10 % op het gebied van interconnectie van elektriciteit te halen, zulks uiterlijk in 2020 voor ten minste de lidstaten die nog geen minimumniveau van integratie in de interne energiemarkt hebben bereikt.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Met de Overeenkomst van Parijs is de mondiale ambitie om de klimaatverandering te beperken, aanzienlijk verhoogd: de ondertekenaars hebben zich ertoe verbonden om "de mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en te streven naar een maximale stijging van 1,5°C boven het pre-industriële niveau". De Unie moet zich voorbereiden op veel grotere en snellere emissiereducties dan eerder gepland. Daar staat tegenover dat deze reducties haalbaar zijn tegen lagere kosten dan eerder was ingeschat, gezien het tempo waaraan hernieuwbare-energietechnologieën worden ontwikkeld en uitgerold.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  In overeenstemming met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om in de tweede helft van de 21e eeuw een evenwicht te bereiken tussen antropogene emissies uit bronnen van broeikasgassen en de verwijdering daarvan door broeikasgasputten, moet de Unie ernaar streven om op billijke wijze uiterlijk tegen 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken, gevolgd door een periode van negatieve emissies.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)  Voor het klimaatsysteem zijn het de cumulatieve totale antropogene emissies in de loop van de tijd die relevant zijn voor de totale concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer. Om de toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs gestand te doen, moet worden geanalyseerd welk mondiaal koolstofbudget verenigbaar is met het voortzetten van de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, en moet het billijke aandeel van de Unie in het resterende mondiale koolstofbudget worden bepaald. De klimaat- en energiestrategieën op lange termijn moeten stroken met dat koolstofbudget.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quinquies (nieuw)
(6 quinquies)  De Unie en de lidstaten moeten de klimaat- en energiedoelstellingen regelmatig evalueren en de doelstellingen zo nodig naar boven bijstellen om rekening te houden met de opeenvolgende toetsingen in het kader van het UNFCCC-proces en met de recentste wetenschappelijke gegevens over het tempo en de effecten van de klimaatverandering.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 sexies (nieuw)
(6 sexies)  Hoewel de Unie heeft beloofd om tegen 2030 veruit de meest ambitieuze broeikasgasemissiereducties te verwezenlijken, kan zij de bedreiging van de klimaatverandering niet in haar eentje bestrijden. De Commissie en de lidstaten moeten elke gelegenheid benutten om met name landen die van de internationale handel met de Unie profiteren, te overtuigen om een evenredig deel van de wereldwijde verantwoordelijkheid op zich te nemen en hun ambitie te verhogen tot het niveau van die van de Unie.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De Europese Raad heeft op 24 oktober 201414 ook besloten dat een betrouwbaar en transparant governancesysteem zonder onnodige administratieve rompslomp moet worden ontwikkeld dat ertoe moet bijdragen dat de EU haar energiebeleidsdoelstellingen kan halen, en tegelijk de lidstaten de nodige flexibiliteit kan bieden en volledig recht kan doen aan hun vrijheid om zelf hun energiemix te bepalen. De Raad benadrukte dat deze governance moet berusten op de voorhanden bouwstenen, zoals nationale klimaatprogramma's en nationale plannen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en dat de planning en rapportering, waar deze nog gescheiden verlopen, moeten worden gestroomlijnd en gebundeld. De Raad stemde er ook mee in de rol en de rechten van de consument, en de transparantie en voorspelbaarheid voor investeerders te vergroten, onder meer dankzij een systematische monitoring van belangrijke indicatoren voor een betaalbaar, veilig, concurrerend, zeker en duurzaam energiesysteem, de coördinatie van nationaal energiebeleid te vergemakkelijken en regionale samenwerking tussen lidstaten te bevorderen.
(7)  De Europese Raad heeft op 24 oktober 201414 ook besloten dat een betrouwbaar en transparant governancesysteem, zonder onnodige administratieve rompslomp en met voldoende flexibiliteit voor de lidstaten, moet worden ontwikkeld dat ertoe moet bijdragen dat de Unie haar energiebeleidsdoelstellingen kan halen en tegelijk volledig recht kan doen aan de vrijheid van de lidstaten om zelf hun energiemix te bepalen. De Raad benadrukte dat deze governance moet berusten op de voorhanden bouwstenen, zoals nationale klimaatprogramma's en nationale plannen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en dat de planning en rapportering, waar deze nog gescheiden verlopen, moeten worden gestroomlijnd en gebundeld. De Raad stemde er ook mee in de rol en de rechten van de consument, en de transparantie en voorspelbaarheid voor investeerders te vergroten, onder meer dankzij een systematische monitoring van belangrijke indicatoren voor een betaalbaar, veilig, concurrerend, zeker en duurzaam energiesysteem, de coördinatie van nationaal klimaat- en energiebeleid te vergemakkelijken en regionale samenwerking tussen lidstaten te bevorderen.
__________________
__________________
14 Conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 (EUCO 169/14).
14 Conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 (EUCO 169/14).
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  In de conclusies van de Raad van 26 november 201516 wordt onderkend dat de governance van de energie-unie een essentieel instrument zal zijn bij het doelmatig en doeltreffend opzetten van de energie-unie en bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan. De Raad benadrukte dat het governancesysteem moet worden gebaseerd op de beginselen van integratie van strategische planning en rapportering van de tenuitvoerlegging van klimaat- en energiebeleid en op coördinatie tussen de actoren die op EU-, regionaal en nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor het energie- en klimaatbeleid. De Raad beklemtoonde ook dat de governance ervoor moet zorgen dat de overeengekomen energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030 worden gehaald, en dat de collectieve vooruitgang van de Unie op weg naar de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen in de vijf dimensies van de energie-unie wordt gemonitord.
(10)  In de conclusies van de Raad van 26 november 201516 wordt onderkend dat de governance van de energie-unie een essentieel instrument zal zijn bij het doelmatig en doeltreffend opzetten van de energie-unie en bij het verwezenlijken van de doelstellingen ervan. De Raad benadrukte dat het governancesysteem moet worden gebaseerd op de beginselen van integratie van strategische planning en rapportering van de tenuitvoerlegging van klimaat- en energiebeleid en op coördinatie tussen de actoren die op Unie-, regionaal en nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor het energie- en klimaatbeleid. De Raad beklemtoonde ook dat de governance ervoor moet zorgen dat de overeengekomen energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030 worden gehaald, en dat de vooruitgang van elke lidstaat en de collectieve vooruitgang van de Unie op weg naar de verwezenlijking van de streefcijfers en doelstellingen in de vijf dimensies van de energie-unie wordt gemonitord.
__________________
__________________
16 Conclusies van de Raad van 26 november 2015 (14632/15).
16 Conclusies van de Raad van 26 november 2015 (14632/15).
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Daarom moet de governance van de energie-unie er in de eerste plaats op gericht zijn de doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken, en met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030. Deze verordening is derhalve gekoppeld aan sectorale wetgeving ter uitvoering van de klimaat- en energiestreefcijfers voor 2030. Hoewel de lidstaten flexibiliteit nodig hebben om beleidsmaatregelen te kiezen die het beste passen bij hun energiemix en voorkeuren, moet die flexibiliteit verenigbaar moeten zijn met verdere marktintegratie, grotere concurrentie, de verwezenlijking van klimaat- en energiedoelstellingen en de geleidelijke omschakeling naar een koolstofarme economie.
(12)  Daarom moet de governance van de energie-unie er in de eerste plaats op gericht zijn de doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken, met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030 wat betreft de vermindering van de broeikasgasemissies, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie. Deze verordening is derhalve gekoppeld aan sectorale wetgeving ter uitvoering van de klimaat- en energiestreefcijfers voor 2030. Hoewel de lidstaten flexibiliteit nodig hebben om beleidsmaatregelen te kiezen die het beste passen bij hun energiemix en voorkeuren, moet die flexibiliteit verenigbaar moeten zijn met verdere marktintegratie, grotere concurrentie, de verwezenlijking van klimaat- en energiedoelstellingen en de geleidelijke omschakeling naar een duurzame, koolstofarme economie op basis van een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd energiesysteem. Er moet een verplicht model voor de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn worden ingevoerd om de kwaliteit en de vergelijkbaarheid daarvan te garanderen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Voor de omschakeling naar een koolstofarme economie zijn veranderingen in het investeringsgedrag en stimuleringsmaatregelen op alle beleidsgebieden noodzakelijk. Om de broeikasgasemissies te doen dalen, moeten de efficiëntie en de innovatie van de Europese economie een boost krijgen; deze daling zal met name leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit.
(13)  Voor de maatschappelijk aanvaardbare omschakeling naar een duurzame, koolstofarme economie zijn aanzienlijke veranderingen in het investeringsgedrag, met name wat openbare en particuliere investeringen betreft, en stimuleringsmaatregelen op alle beleidsgebieden alsook regionale markthervormingen noodzakelijk. Om de broeikasgasemissies te doen dalen, moeten de efficiëntie en de innovatie van de Europese economie een boost krijgen; deze daling zal met name leiden tot duurzame werkgelegenheid en een verbetering van de luchtkwaliteit.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  De Unie en de lidstaten moeten concrete maatregelen nemen om energiesubsidies, ten minste voor fossiele brandstoffen, te verbieden teneinde de internationale toezeggingen in het kader van de G7, de G20 en de Overeenkomst van Parijs gestand te doen.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Aangezien broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen grotendeels afkomstig zijn uit dezelfde bronnen, kan beleid ter beperking van broeikasgassen ook voordelen hebben voor de luchtkwaliteit, waardoor op korte termijn sommige of alle kosten van de beperking van broeikasgasemissies kunnen worden gecompenseerd. Aangezien de gegevens die worden gerapporteerd uit hoofde van Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad18 een belangrijke input vormen voor de opstelling van de BKG-inventaris en de nationale plannen, moet het belang van het verzamelen en rapporteren van consistente gegevens tussen Richtlijn 2001/81/EG en de BKG-inventaris worden erkend.
(14)  Aangezien broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen grotendeels afkomstig zijn uit dezelfde bronnen, kan beleid ter beperking van broeikasgassen ook voordelen hebben voor de volksgezondheid en de luchtkwaliteit, met name in stedelijke gebieden, waardoor op korte termijn de kosten van de beperking van broeikasgasemissies kunnen worden gecompenseerd. Aangezien de gegevens die worden gerapporteerd uit hoofde van Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad18 een belangrijke input vormen voor de opstelling van de BKG-inventaris en de nationale plannen, moet het belang van het verzamelen en rapporteren van consistente gegevens tussen Richtlijn 2001/81/EG en de BKG-inventaris worden erkend.
__________________
__________________
18 Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22).
18 Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22).
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Overeenkomstig het streven van de Commissie naar betere regelgeving moet de governance van de energie-unie leiden tot een aanzienlijke daling van de administratieve rompslomp voor de lidstaten, de Commissie en de andere instellingen van de Unie, en moet ze bijdragen tot de coherentie en toereikendheid van het beleid en de maatregelen op het niveau van de Unie en de lidstaten met betrekking tot de omschakeling van het energiesysteem naar een koolstofarme economie.
(16)  Overeenkomstig het streven van de Commissie naar betere regelgeving en in overeenstemming met een beleid voor onderzoek, innovatie en investeringen, moet de governance van de energie-unie leiden tot een aanzienlijke daling van de administratieve complexiteit voor de lidstaten en relevante belanghebbenden, de Commissie en de andere instellingen van de Unie, en moet ze bijdragen tot de coherentie en toereikendheid van het beleid en de maatregelen op Unie-, macroregionaal, regionaal, nationaal en lokaal niveau met betrekking tot de omschakeling van het energiesysteem naar een duurzame koolstofarme economie.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  De doelstellingen van de energie-unie moeten worden verwezenlijkt via een combinatie van initiatieven van de Unie en coherente nationale beleidslijnen in geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. De sectorale wetgeving van de Unie op het gebied van energie en klimaat bevat eisen inzake planning, die nuttige instrumenten zijn om veranderingen teweeg te brengen op nationaal niveau. De invoering van deze eisen op verschillende tijdstippen heeft geleid tot overlappingen en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsgebieden. De huidige afzonderlijke planning, rapportering en monitoring op de gebieden klimaat en energie moet daarom zoveel mogelijk worden gestroomlijnd en geïntegreerd.
(17)  De streefcijfers en doelstellingen van de energie-unie moeten worden verwezenlijkt via een combinatie van initiatieven van de Unie en coherente nationale beleidslijnen in geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. De sectorale wetgeving van de Unie op het gebied van energie en klimaat bevat eisen inzake planning, die nuttige instrumenten zijn om veranderingen teweeg te brengen op nationaal niveau. De invoering van deze eisen op verschillende tijdstippen heeft geleid tot overlappingen en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsgebieden, ten nadele van de kostenefficiëntie. De huidige afzonderlijke planning, rapportering en monitoring op de gebieden klimaat en energie moet daarom zo nodig worden gestroomlijnd en geïntegreerd.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)  Er moet een beoordeling worden gemaakt van de interacties tussen bestaande en geplande beleidsinitiatieven en maatregelen om decarbonisatie te bewerkstelligen, en de lidstaten moeten een kwantitatieve of kwalitatieve evaluatie verrichten.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 ter (nieuw)
(17 ter)  De lidstaten moeten zorgen voor beleidssamenhang tussen hun nationale energie- en klimaatplannen en hun langetermijnstrategieën voor lage emissies enerzijds en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN anderzijds.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten gelden voor een periode van tien jaar en een overzicht bieden van het huidige energiesysteem en de beleidssituatie. Deze plannen moeten nationale doelstellingen bevatten voor elk van de vijf essentiële dimensies van de energie-unie en bijbehorende beleidsmaatregelen om deze doelstellingen te behalen; de plannen moeten ook gebaseerd zijn op analyses. In de nationale plannen voor de eerste periode van 2021 tot en met 2030 moet bijzondere aandacht worden besteed aan de 2030-streefcijfers voor de vermindering van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en interconnectie van elektriciteit. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de nationale plannen consistent zijn met en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling.
(18)  De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten gelden voor een periode van tien jaar en een overzicht bieden van het huidige energiesysteem en de beleidssituatie. Deze plannen moeten nationale streefcijfers of doelstellingen bevatten voor elk van de vijf essentiële dimensies van de energie-unie en bijbehorende beleidsmaatregelen om deze doelstellingen te behalen; de plannen moeten ook gebaseerd zijn op analyses. In de nationale plannen voor de eerste periode van 2021 tot en met 2030 moet bijzondere aandacht worden besteed aan de 2030-streefcijfers voor de vermindering van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en interconnectie van elektriciteit. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de nationale plannen consistent zijn met en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 bis (nieuw)
(18 bis)  Bij het opstellen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan moeten de lidstaten nagaan hoeveel huishoudens met energiearmoede kampen, rekening houdend met de huishoudelijke energiediensten die nodig zijn om in de relevante nationale context een basislevensstandaard te garanderen, die zij zich misschien niet kunnen veroorloven als gevolg van een combinatie van een laag inkomen, hoge energie-uitgaven en de gebrekkige energie-efficiëntie van hun woning. De lidstaten moeten de bestaande en geplande beleidsmaatregelen en maatregelen ter bestrijding van energiearmoede schetsen en zo nodig een nationale doelstelling opnemen om het aantal huishoudens in energiearmoede terug te dringen. De Commissie moet een gemeenschappelijke methodologie vaststellen aan de hand waarvan de lidstaten energiearmoede moeten definiëren, en elke lidstaat moet huishoudens in energiearmoede definiëren overeenkomstig hun specifieke nationale omstandigheden.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 18 ter (nieuw)
(18 ter)  De lidstaten moeten erop toezien dat de Uniefinanciering uit het meerjarig financieel kader 2014-2020 wordt opgenomen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. De nationale toewijzingen uit het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 moeten actief bijdragen tot de verwezenlijking van de streefcijfers en doelstellingen van de energie-unie, met name in de sectoren broeikasgasemissiereducties met inbegrip van verwijderingen per put, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Daartoe moet het programmeringsproces op nationaal en lokaal niveau voor het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 plaatsvinden in combinatie met een beoordeling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen door de Commissie teneinde rekening te houden met een hoge ambitie, met name in het licht van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)  De lidstaten moeten een permanent platform voor energiedialoog op verschillende niveaus met de lokale overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, investeerders en andere relevante belanghebbenden opzetten om de verschillende overwogen opties voor het energie- en klimaatbeleid te bespreken. De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de energie- en klimaatstrategieën op lange termijn moeten in het kader van dat platform worden besproken.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De uitvoering van beleidslijnen en maatregelen op het gebied van energie en klimaat heeft gevolgen voor het milieu. Daarom moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgt bij de voorbereiding van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, indien van toepassing overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad24 en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE) van 25 juni 1998 (hierna het "Verdrag van Aarhus"). De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de sociale partners worden betrokken bij de opstelling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.
(20)  De uitvoering van beleidslijnen en maatregelen op het gebied van energie en klimaat heeft gevolgen voor het milieu. Daarom moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot actieve inspraak en raadpleging krijgt bij de voorbereiding van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn, indien van toepassing overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad24 en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE) van 25 juni 1998 (hierna het "Verdrag van Aarhus"). De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de sociale partners, de lokale overheden en alle relevante belanghebbenden van in de eerste fasen worden betrokken bij de plannings- en rapporteringsprocessen en bij de opstelling van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de langetermijnstrategieën.
__________________
__________________
24 Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
24 Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Regionale samenwerking is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de energie-unie op doeltreffende wijze worden verwezenlijkt. De lidstaten moeten de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over de plannen van andere lidstaten alvorens deze definitief worden vastgesteld, teneinde tegenstrijdigheden en mogelijke negatieve gevolgen voor andere lidstaten te vermijden en ervoor te zorgen dat de gemeenschappelijke doelstellingen collectief worden bereikt. Regionale samenwerking bij het opstellen en voltooien van nationale plannen en bij de latere uitvoering van de nationale plannen is van essentieel belang om de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de maatregelen te verbeteren en de marktintegratie en energiezekerheid te bevorderen.
(21)  Macroregionale en regionale samenwerking is noodzakelijk opdat de lidstaten gezamenlijk uitvoering geven aan bepaalde beleidslijnen en maatregelen die de gemeenschappelijke streefcijfers en doelstellingen op kostenoptimale wijze helpen verwezenlijken. De Commissie moet dergelijke samenwerking tussen de lidstaten faciliteren. De lidstaten moeten de gelegenheid krijgen opmerkingen te maken over de plannen van andere lidstaten alvorens deze definitief worden vastgesteld, teneinde tegenstrijdigheden en mogelijke negatieve gevolgen voor andere lidstaten te vermijden en ervoor te zorgen dat de gemeenschappelijke doelstellingen collectief worden bereikt. Macroregionale en regionale samenwerking bij het opstellen en voltooien van nationale plannen en bij de latere uitvoering van de nationale plannen is van essentieel belang om de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de maatregelen te verbeteren en de marktintegratie en energiezekerheid te bevorderen.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  De nationale plannen moeten stabiel zijn, d.w.z. dat de nationale beleidslijnen en maatregelen transparant en voorspelbaar moeten zijn, teneinde te zorgen voor investeringszekerheid. Om de lidstaten de kans te geven zich aan te passen aan sterk gewijzigde omstandigheden, moeten zij één keer tijdens de tienjarige periode de gelegenheid krijgen hun plannen te actualiseren. Voor de plannen voor de periode van 2021 tot en met 2030 moeten de lidstaten de kans krijgen hun plannen te actualiseren tegen 1 januari 2024. Streefcijfers, doelstellingen en bijdragen mogen alleen worden gewijzigd als dit tot hogere ambities leidt, met name wat betreft de energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030. In het kader van deze actualiseringen moeten de lidstaten inspanningen leveren om eventuele negatieve gevolgen voor het milieu, die duidelijk worden in het kader van de geïntegreerde rapportering, te beperken.
(22)  De nationale plannen moeten stabiel zijn, d.w.z. dat de nationale beleidslijnen en maatregelen transparant en voorspelbaar moeten zijn, teneinde te zorgen voor investeringszekerheid. De regelmatige indiening van nationale plannen over voortschrijdende perioden van tien jaar geeft de lidstaten de kans om zich aan te passen aan sterk gewijzigde omstandigheden. Streefcijfers en doelstellingen mogen alleen worden gewijzigd als dit tot hogere ambities leidt, met name wat betreft de energie- en klimaatstreefcijfers voor 2030. In het kader van die plannen moeten de lidstaten inspanningen leveren om eventuele negatieve gevolgen voor het milieu, die duidelijk worden in het kader van de geïntegreerde rapportering, te beperken.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Stabiele lage-emissiestrategieën op lange termijn zijn van cruciaal belang om bij te dragen tot economische transformatie, werkgelegenheid, groei en de verwezenlijking van bredere doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, en om op billijke en kosteneffectieve wijze te werken aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. De partijen bij de Overeenkomst van Parijs worden bovendien verzocht om uiterlijk in 2020 hun strategieën voor de afname van broeikasgasemissies op lange termijn (tegen het midden van deze eeuw) mee te delen.
(23)  Stabiele klimaat- en energiestrategieën op lange termijn zijn van cruciaal belang om bij te dragen tot economische transformatie, werkgelegenheid, groei en de verwezenlijking van bredere doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling, en om op billijke en kosteneffectieve wijze te werken aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. De partijen bij de Overeenkomst van Parijs worden bovendien verzocht om uiterlijk in 2020 hun strategieën voor de afname van broeikasgasemissies op lange termijn (tegen het midden van deze eeuw) mee te delen.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  De lidstaten moeten klimaat- en energiestrategieën op lange termijn (voor 2050 en daarna) ontwikkelen waarin wordt aangegeven welke transformaties in de verschillende sectoren nodig zijn om over te schakelen op een hernieuwbare-energiesysteem en de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken. De strategieën moeten stroken met het billijke aandeel van de Unie in het resterende mondiale koolstofbudget en moeten op open en transparante wijze en met volledige betrokkenheid van de belanghebbenden worden ontwikkeld. De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten op de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn zijn gebaseerd en daarmee stroken.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 ter (nieuw)
(23 ter)  De sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) is sterk blootgesteld aan en zeer kwetsbaar voor de klimaatverandering. Tegelijkertijd beschikt de sector over een enorm potentieel om voor klimaatvoordelen op de lange termijn te zorgen en een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van de internationale en Unieklimaatdoelstellingen op de lange termijn. Deze sector kan op verschillende manieren tot mitigatie van klimaatverandering bijdragen, met name door emissiereducties te verwezenlijken, putten en koolstofvoorraden in stand te houden en uit te breiden, en door biomaterialen te leveren die fossiele en koolstofintensieve materialen kunnen vervangen. Voor de doeltreffendheid van maatregelen die in het bijzonder gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging, is het van essentieel belang dat hulpbronnen duurzaam beheerd worden en dat koolstofreservoirs langdurig stabiel en aanpasbaar zijn. Langetermijnstrategieën zijn essentieel om duurzame investeringen op de lange termijn mogelijk te maken.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 quater (nieuw)
(23 quater)  Bij de ontwikkeling van verdere interconnecties is het belangrijk een volledige beoordeling te maken van de kosten en baten, met inbegrip van alle technische, sociaal-economische en milieueffecten daarvan, zoals vereist door de TEN-E-verordening, en rekening te houden met de positieve externe effecten van interconnecties, zoals de integratie van hernieuwbare energiebronnen, de continuïteit van de energievoorziening en de toegenomen concurrentie op de interne markt.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  De sectorale Uniewetgeving op het gebied van energie en klimaat bevat niet alleen eisen inzake planning, maar ook inzake rapportering; vele daarvan zijn geschikte instrumenten gebleken om veranderingen op nationaal niveau teweeg te brengen, maar zijn op uiteenlopende tijdstippen ingevoerd, wat geleid heeft tot overlappingen en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsterreinen zoals beperking van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en marktintegratie. Om een juist evenwicht te vinden tussen enerzijds de noodzaak om te zorgen voor een goede follow-up van de uitvoering van nationale plannen en anderzijds de noodzaak om de administratieve rompslomp te verminderen, moeten de lidstaten tweejaarlijkse voortgangsverslagen opstellen over de uitvoering van de actieplannen en andere ontwikkelingen in het energiesysteem. Sommige verslagen, met name uit hoofde van de rapporteringseisen op klimaatgebied die voortvloeien uit het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de regelgeving van de Unie, moeten echter nog steeds op jaarbasis worden opgesteld.
(24)  De sectorale Uniewetgeving op het gebied van energie en klimaat bevat niet alleen eisen inzake planning, maar ook inzake rapportering; vele daarvan zijn geschikte instrumenten gebleken om veranderingen op nationaal niveau teweeg te brengen in aanvulling op markthervormingen, maar zijn op uiteenlopende tijdstippen ingevoerd, wat geleid heeft tot overlappingen, kosteninefficiëntie en gebrek aan aandacht voor synergieën en interacties tussen beleidsterreinen zoals beperking van broeikasgasemissies, hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en marktintegratie. Om een juist evenwicht te vinden tussen enerzijds de noodzaak om te zorgen voor een goede follow-up van de uitvoering van nationale plannen en anderzijds de noodzaak om de administratieve complexiteit te verminderen, moeten de lidstaten tweejaarlijkse voortgangsverslagen opstellen over de uitvoering van de actieplannen en andere ontwikkelingen in het energiesysteem. Sommige verslagen, met name uit hoofde van de rapporteringseisen op klimaatgebied die voortvloeien uit het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de regelgeving van de Unie, moeten echter nog steeds op jaarbasis worden opgesteld.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  De geïntegreerde voortgangsverslagen van de lidstaten moeten een weerspiegeling vormen van de elementen die zijn uiteengezet in het model voor de nationale plannen. Gezien het technische karakter van de geïntegreerde voortgangsverslagen en het feit dat de eerste in 2021 moeten worden ingediend, moet een model voor deze verslagen worden opgesteld. De voortgangsverslagen moeten worden opgesteld om te zorgen voor transparantie ten aanzien van de Unie, andere lidstaten en marktdeelnemers, met inbegrip van de consumenten. Ze moeten betrekking hebben op elk van de vijf dimensies van de energie-unie en, voor de eerste periode, tegelijk ook de nadruk leggen op de gebieden die onder de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030 vallen.
(25)  De geïntegreerde voortgangsverslagen van de lidstaten moeten een weerspiegeling vormen van de elementen die zijn uiteengezet in het model voor de nationale plannen. Gezien het technische karakter van de geïntegreerde voortgangsverslagen en het feit dat de eerste in 2021 moeten worden ingediend, moet een model voor deze verslagen worden opgesteld. De voortgangsverslagen moeten worden opgesteld om te zorgen voor transparantie ten aanzien van de Unie, andere lidstaten, regionale en lokale overheden, marktdeelnemers, eventuele andere relevante belanghebbenden en het grote publiek. Ze moeten betrekking hebben op elk van de vijf dimensies van de energie-unie en, voor de eerste periode, tegelijk ook de nadruk leggen op de gebieden die onder de streefcijfers van het klimaat- en energiekader voor 2030 vallen.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Uit de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van Verordening (EU) nr. 525/2013 is het belang gebleken van transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, volledigheid en vergelijkbaarheid van informatie. Voortbouwend op die ervaring moet deze verordening ervoor zorgen dat de lidstaten verslag uitbrengen over hun beleidslijnen en maatregelen en prognoses, als een essentieel onderdeel van de voortgangsverslagen. De informatie in die verslagen is van essentieel belang om de tijdige naleving van de verbintenissen uit hoofde van Verordening [ ] [ESR] aan te tonen. De toepassing en voortdurende verbetering van systemen op het niveau van de Unie en de lidstaten, gekoppeld aan betere begeleiding bij de rapportering, zou aanzienlijk moeten bijdragen tot een aanhoudende versterking van de informatie die nodig is om de vooruitgang in de dimensie "koolstofarm maken" te volgen.
(28)  Uit de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van Verordening (EU) nr. 525/2013 is het belang gebleken van transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, volledigheid en vergelijkbaarheid van informatie. Voortbouwend op die ervaring moet deze verordening ervoor zorgen dat de lidstaten betrouwbare en consistente gegevens en aannames over alle vijf de dimensies gebruiken en de gegevens die bij het opstellen van scenario's en modellen worden gebruikt, openbaar maken en verslag uitbrengen over hun beleidslijnen en maatregelen en prognoses, als een essentieel onderdeel van de voortgangsverslagen. De informatie in die verslagen is van essentieel belang om de tijdige naleving van de verbintenissen uit hoofde van Verordening [ ] [ESR] aan te tonen. De toepassing en voortdurende verbetering van systemen op het niveau van de Unie en de lidstaten, gekoppeld aan betere begeleiding bij de rapportering, zou aanzienlijk moeten bijdragen tot een aanhoudende versterking van de informatie die nodig is om de vooruitgang in de dimensie "koolstofarm maken" te volgen.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Om de administratieve rompslomp voor de lidstaten en de Commissie te beperken, moet de Commissie een online-rapporteringsplatform opzetten om de communicatie te vergemakkelijken en de samenwerking te bevorderen. Dat zal zorgen voor een tijdige indiening van verslagen en voor meer transparantie over de nationale rapportering. Het elektronisch rapporteringsplatform moet voortbouwen op bestaande rapporteringsprocessen databanken en elektronische hulpmiddelen, deze aanvullen en er profijt van trekken, zoals die van het Europees Milieuagentschap, Eurostat, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en de lessen die zijn getrokken uit het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie.
(30)  Om de beleidsvorming op het gebied van energie en klimaat transparanter te maken en de administratieve complexiteit voor de lidstaten en de Commissie te beperken, moet de Commissie een publiek onlineplatform opzetten om het publiek makkelijker toegang te geven tot informatie en om de communicatie tussen de Commissie en de lidstaten en de samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken. Dat zal zorgen voor een tijdige indiening van verslagen en voor meer transparantie over de nationale rapportering. Het elektronisch rapporteringsplatform moet voortbouwen op bestaande rapporteringsprocessen databanken en elektronische hulpmiddelen, deze aanvullen en er profijt van trekken, zoals die van het Europees Milieuagentschap, Eurostat, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en de lessen die zijn getrokken uit het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Unie.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Wat betreft de gegevens die aan de Commissie moeten worden verstrekt via nationale planning en rapportering, mag de informatie van de lidstaten niet dezelfde zijn als de informatie die al in dezelfde vorm beschikbaar is gesteld via Eurostat, in de context van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad27, en nog steeds beschikbaar is bij Eurostat met dezelfde waarden. De gerapporteerde gegevens en prognoses in de nationale energie- en klimaatplannen moeten, voor zover beschikbaar en passend wat de timing ervan betreft, voortbouwen op en samenhangend zijn met de gegevens van Eurostat en de methode die gebruikt wordt voor de rapportering van Europese statistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009.
(31)  Om te voorkomen dat er op EU-niveau te laat wordt opgetreden, moet de Commissie de door het Europees Milieuagentschap verstrekte jaarlijkse ramingen van de broeikasgasemissies, hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie gebruiken om de vooruitgang in de richting van de doelstellingen voor 2030 te beoordelen. Wat betreft de gegevens die aan de Commissie moeten worden verstrekt via nationale planning en rapportering, mag de informatie van de lidstaten niet dezelfde zijn als de informatie die al in dezelfde vorm beschikbaar is gesteld via Eurostat, in de context van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad27, en nog steeds beschikbaar is bij Eurostat met dezelfde waarden. De gerapporteerde gegevens en prognoses in de nationale energie- en klimaatplannen moeten, voor zover beschikbaar en passend wat de timing ervan betreft, voortbouwen op en samenhangend zijn met de gegevens van Eurostat en de methode die gebruikt wordt voor de rapportering van Europese statistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009.
__________________
__________________
27 Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
27 Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  Het is van cruciaal belang dat de Commissie nationale plannen en de tenuitvoerlegging ervan beoordeelt aan de hand van voortgangsverslagen, teneinde de collectieve doelstellingen van de strategie voor de energie-unie te verwezenlijken. Voor de eerste periode van tien jaar heeft dit met name betrekking op de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat op het niveau van de Unie en de nationale bijdragen aan deze streefcijfers. Deze beoordeling dient om de twee jaar te worden uitgevoerd, en alleen indien nodig om het jaar, en dient te worden geconsolideerd in de verslagen van de Commissie over de stand van de energie-unie.
(32)  Het is van cruciaal belang dat de Commissie het ontwerp van nationale plannen en de tenuitvoerlegging van aangemelde nationale plannen beoordeelt aan de hand van voortgangsverslagen, teneinde de collectieve doelstellingen van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie te verwezenlijken, met name het creëren van een volledig functionele en veerkrachtige energie-unie. Dit geldt met name voor de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat op het niveau van de Unie voor de eerste periode van tien jaar. Deze beoordeling dient om de twee jaar te worden uitgevoerd, en indien nodig om het jaar, en dient te worden geconsolideerd in de verslagen van de Commissie over de stand van de energie-unie.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  De luchtvaart heeft effecten op het mondiale klimaat door de uitstoot van CO2 en andere emissies, zoals stikstofoxiden, en door mechanismen zoals de bevordering van cirruswolken. In het licht van het snel ontwikkelende wetenschappelijke inzicht in deze effecten, voorziet Verordening (EU) nr. 525/2013 reeds in een geactualiseerde beoordeling van de niet-CO2 gerelateerde effecten van de luchtvaart op het klimaat. De in dit verband gebruikte modellen moeten aan de wetenschappelijke vooruitgang worden aangepast. Op basis van haar evaluatie van deze effecten zou de Commissie ter zake dienende beleidsopties voor het aanpakken van die gevolgen in overweging kunnen nemen.
(33)  De luchtvaart heeft effecten op het mondiale klimaat door de uitstoot van CO2 en andere emissies, zoals stikstofoxiden, en door mechanismen zoals de bevordering van cirruswolken. In het licht van het snel ontwikkelende wetenschappelijke inzicht in deze effecten, voorziet Verordening (EU) nr. 525/2013 reeds in een geactualiseerde beoordeling van de niet-CO2 gerelateerde effecten van de luchtvaart op het klimaat. De in dit verband gebruikte modellen moeten aan de wetenschappelijke vooruitgang worden aangepast. Op basis van haar evaluatie van deze effecten moet de Commissie tegen 1 maart 2020 ter zake dienende beleidsopties voor het aanpakken van die gevolgen in overweging nemen en zo nodig een wetgevingsvoorstel indienen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)  Volgens de bestaande UNFCCC-richtsnoeren inzake broeikasgasrapportage wordt bij de berekening en de rapportage van methaanemissies uitgegaan van aardopwarmingspotentiëlen (GWP) over een periode van 100 jaar. Gezien de hoge GWP-waarde en de relatief korte atmosferische levensduur van methaan, waardoor het op korte en middellange termijn een aanzienlijk effect op het klimaat heeft, moet de Commissie nagaan welke implicaties de vaststelling van een periode van 20 jaar voor methaan zou hebben voor het beleid en de maatregelen. Op basis van haar analyse moet de Commissie geschikte beleidsopties overwegen om de methaanemissies door middel van een Unie-methaanstrategie aan te pakken, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan methaanemissies die verband houden met energie en afval.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 34
(34)  Om de samenhang tussen het nationale en EU-beleid en de doelstellingen van de energie-unie te helpen garanderen, moet permanent overleg plaatsvinden tussen de Commissie en de lidstaten. In voorkomend geval moet de Commissie aanbevelingen doen aan de lidstaten, onder meer ook over het ambitieniveau van het ontwerp van de nationale plannen, over de verdere tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van de aangemelde nationale plannen, en over andere nationale beleidslijnen en maatregelen die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging van de energie-unie. De lidstaten dienen zoveel mogelijk rekening te houden met die aanbevelingen en moeten in de daaropvolgende voortgangsverslagen toelichten hoe de aanbevelingen zijn gevolgd.
(34)  Om de samenhang tussen het nationale en Unie-beleid en de doelstellingen van de energie-unie te helpen garanderen, moet permanent overleg plaatsvinden tussen de Commissie en de lidstaten en zo nodig tussen de lidstaten onderling. In voorkomend geval moet de Commissie aanbevelingen doen aan de lidstaten, onder meer ook over het ambitieniveau van het ontwerp van de nationale plannen, over de verdere tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van de aangemelde nationale plannen, en over andere nationale beleidslijnen en maatregelen die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging van de energie-unie. De lidstaten dienen rekening te houden met die aanbevelingen en moeten in de daaropvolgende voortgangsverslagen toelichten hoe de aanbevelingen zijn gevolgd.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  Indien het ambitieniveau van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen of de actualiseringen daarvan niet volstaat om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken en, tijdens de eerste periode, met name de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, dan moet de Commissie maatregelen op het niveau van de Unie nemen om te garanderen dat deze doelstellingen en streefcijfers collectief worden bereikt (zij moet dus de ambities bijstellen). Indien de Unie onvoldoende vooruitgang zou boeken om deze doelstellingen en streefcijfers te bereiken, dient de Commissie niet alleen aanbevelingen uit te vaardigen, maar ook maatregelen te nemen op het niveau van de Unie, of moeten de lidstaten aanvullende maatregelen nemen om te garanderen dat die doelstellingen en streefcijfers worden gehaald (het gebrek aan tastbare resultaten moet dus worden weggewerkt). Bij het verdelen van de inspanningen die moeten worden geleverd om de collectieve streefcijfers te bereiken, moet rekening worden gehouden met vroegtijdige ambitieuze bijdragen van lidstaten aan de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Op het gebied van hernieuwbare energie kunnen dergelijke maatregelen ook betrekking hebben op financiële bijdragen van lidstaten aan een financieringsplatform dat wordt beheerd door de Commissie en dat zal worden gebruikt om bij te dragen tot projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de gehele Unie. De nationale streefcijfers van lidstaten voor hernieuwbare energie voor 2020, moeten dienst doen als referentieaandeel hernieuwbare energie vanaf 2021. Op het gebied van energie-efficiëntie kunnen aanvullende maatregelen met name tot doel hebben de energie-efficiëntie van producten, gebouwen en vervoer te verbeteren.
(35)  Indien de in de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen beschreven ambitie, streefcijfers, beleidslijnen en maatregelen niet volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te verwezenlijken en, tijdens de eerste periode, met name de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, dan moet de Commissie maatregelen op het niveau van de Unie nemen om te garanderen dat deze doelstellingen en streefcijfers collectief worden bereikt en moeten de lidstaten hun nationale doelstellingen inzake hernieuwbare energiebronnen uiterlijk op 31 december 2020 naar boven bijstellen (en dus de ambities bijstellen). Indien de Unie onvoldoende vooruitgang zou boeken om deze doelstellingen en streefcijfers te bereiken, kan de Commissie, naast het uitvaardigen van aanbevelingen, ook maatregelen op het niveau van de Unie nemen of aanvullende maatregelen van de lidstaten vragen om te garanderen dat de doelstellingen en streefcijfers worden gehaald (het gebrek aan tastbare resultaten moet dus worden weggewerkt). Bij het verdelen van de inspanningen die moeten worden geleverd om de collectieve streefcijfers te bereiken, moet rekening worden gehouden met vroegtijdige ambitieuze inspanningen van lidstaten aan de 2030-streefcijfers voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Op het gebied van hernieuwbare energie kunnen dergelijke maatregelen ook betrekking hebben op vrijwillige financiële bijdragen van lidstaten aan een financieringsplatform dat wordt beheerd door de Commissie en dat zal worden gebruikt om bij te dragen tot projecten op het gebied van hernieuwbare energie in de gehele Unie, waaronder projecten die van belang zijn voor de energie-unie. De nationale streefcijfers van lidstaten voor hernieuwbare energie voor 2020 moeten dienst doen als referentieaandeel hernieuwbare energie vanaf 2021 en moeten gedurende de hele periode worden gehandhaafd. Op het gebied van energie-efficiëntie kunnen aanvullende maatregelen met name tot doel hebben de energie-efficiëntie van producten, gebouwen en vervoer te verbeteren.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  De lidstaten en de Commissie moeten nauw samenwerken op alle gebieden die betrekking hebben op de uitvoering van de energie-unie en de onderhavige verordening; ook het Europees Parlement moet hier van nabij bij betrokken worden. Waar nodig moet de Commissie de lidstaten bijstaan bij de tenuitvoerlegging van deze verordening, met name met de opstelling van de nationale plannen en bijbehorende capaciteitsopbouw.
(38)  De lidstaten en de Commissie moeten nauw samenwerken op alle gebieden die betrekking hebben op de uitvoering van de energie-unie en de onderhavige verordening; ook het Europees Parlement moet hier van nabij bij betrokken worden. De Commissie moet de lidstaten bijstaan bij de tenuitvoerlegging van deze verordening, met name met de opstelling, uitvoering en monitoring van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn en de bijbehorende capaciteitsopbouw door het inzetten van interne middelen van het Europees Milieuagentschap, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, interne modelleringscapaciteiten en, waar nodig, externe expertise.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 41 bis (nieuw)
(41 bis)  Deze verordening bevat bepalingen om energie-efficiëntie te behandelen als een infrastructuurprioriteit, vanuit het inzicht dat energie-efficiëntie aan de door het IMF en andere economische instellingen gebruikte definitie van infrastructuur voldoet, en hiervan een centraal aspect en een prioritaire overweging te maken bij de toekomstige besluitvorming over investeringen in de energie-infrastructuur van de Unie1 bis.
__________________
1 bis Verslag van het Europees Parlement van 2 juni 2016 inzake de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn (2012/27/EU) (2015/2232(INI)).
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 43
(43)  De Commissie moet in haar taken in het kader van deze verordening worden bijgestaan door een Comité van de energie-unie, om uitvoeringshandelingen op te stellen. Dit comité vervangt het Comité klimaatverandering en, indien passend, andere comités en neemt hun taken over.
(43)  De Commissie moet in haar taken in het kader van deze verordening worden bijgestaan door een Comité energie en klimaat, om uitvoeringshandelingen op te stellen. Wat aangelegenheden in verband met de tenuitvoerlegging van klimaatspecifieke bepalingen betreft, moet de Commissie worden bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 525/2013 ingestelde Comité klimaatverandering.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 bis (nieuw)
(44 bis)  Ter voorbereiding van een toekomstige herziening van deze verordening en in het kader van de Uniestrategie inzake cyberveiligheid moet de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten beoordelen of het noodzakelijk zou kunnen zijn om aanvullende uniforme plannings- en rapporteringseisen toe te voegen betreffende de inspanningen van de lidstaten om kritieke infrastructuur van het energiesysteem van de Unie beter te beschermen tegen elke vorm van cyberdreigingen, met name omdat het aantal potentieel kritieke cyberaanvallen de afgelopen tien jaar is toegenomen, teneinde de energiezekerheid in alle omstandigheden te garanderen. Zo'n betere coördinatie binnen de Unie mag echter geen afbreuk doen aan de nationale veiligheidsbelangen van de lidstaten door gevoelige informatie te onthullen.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Onderwerp en toepassingsgebied
1.  Bij deze verordening wordt een governancemechanisme opgezet om:
1.  Bij deze verordening wordt een governancemechanisme opgezet om:
(-a)  uitvoering te geven aan klimaat- en energiestrategieën en -maatregelen op lange termijn die ontworpen zijn om de verbintenissen van de Unie inzake broeikasgasemissies na te komen in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs;
(a)  uitvoering te geven aan strategieën en maatregelen die ontworpen zijn om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste tienjarige periode van 2021 tot en met 2030 met name de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat van de Unie;
(a)  uitvoering te geven aan strategieën en maatregelen die ontworpen zijn om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste tienjarige periode van 2021 tot en met 2030 met name de 2030-streefcijfers voor energie en klimaat van de Unie;
(a bis)  partnerschappen en samenwerking op macroregionaal en regionaal niveau tussen de lidstaten op te zetten die ontworpen zijn om de streefcijfers, doelstellingen en verbintenissen van de energie-unie te verwezenlijken;
(b)  de tijdige uitvoering, transparantie, nauwkeurigheid, samenhang, vergelijkbaarheid en volledigheid van de rapportering door de Unie en haar lidstaten aan het secretariaat van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs te waarborgen.
(b)  de tijdige uitvoering, transparantie, nauwkeurigheid, samenhang, vergelijkbaarheid en volledigheid van de rapportering door de Unie en haar lidstaten aan het secretariaat van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs te waarborgen;
(b bis)  bij te dragen tot meer regelgevingszekerheid en meer zekerheid voor investeerders en te helpen ten volle te gebruik te maken van de mogelijkheden voor economische ontwikkeling, stimulering van investeringen, banencreatie en sociale samenhang;
(b quater)  een rechtvaardige transitie te steunen voor burgers en regio's die negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de overgang naar een koolstofarme economie.
Het governancemechanisme wordt gebaseerd op geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die betrekking hebben op perioden van tien jaar, beginnende met de periode van 2021 tot en met 2030, op de bijbehorende geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten over energie en klimaat, en op geïntegreerde regelingen voor monitoring door de Europese Commissie. Het betreft een gestructureerd, iteratief proces tussen de Commissie en de lidstaten met het oog op de voltooiing van de nationale plannen en de uitvoering ervan, ook met betrekking tot regionale samenwerking, en de desbetreffende maatregelen van de Commissie.
Het governancemechanisme wordt gebaseerd op geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die betrekking hebben op perioden van tien jaar, beginnende met de periode van 2021 tot en met 2030, op de bijbehorende geïntegreerde nationale voortgangsverslagen van de lidstaten over energie en klimaat, en op geïntegreerde regelingen voor monitoring door de Europese Commissie. Het betreft een gestructureerd, transparant, iteratief proces tussen de Commissie en de lidstaten, dat volledige participatie van het grote publiek en lokale overheden waarborgt, met het oog op de voltooiing van de nationale plannen en de uitvoering ervan, ook met betrekking tot macroregionale en regionale samenwerking, en de desbetreffende maatregelen van de Commissie.
2.  Deze verordening is van toepassing op de volgende vijf dimensies van de energie-unie:
2.  Deze verordening is van toepassing op de volgende vijf dimensies van de energie-unie:
(a)  de continuïteit van de energievoorziening,
(a)  de continuïteit van de energievoorziening,
(b)  de energiemarkt,
(b)  de interne energiemarkt,
(c)  energie-efficiëntie,
(c)  energie-efficiëntie,
(d)  koolstofarm maken en
(d)  koolstofarm maken en
(e)  onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.
(e)  onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld bij COM(2016)0767], Richtlijn 2010/31/EU en Richtlijn 2012/27/EU.
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld bij COM(2016)0767], [herschikking van Richtlijn 2009/72/EG, zoals voorgesteld bij COM(2016)XXXX], Richtlijn 2010/31/EU en Richtlijn 2012/27/EU.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2 – punt 3
(3)  "vastgestelde beleidslijnen en maatregelen": beleidslijnen en maatregelen waarvoor van overheidswege een officieel besluit is genomen op de datum van indiening van het nationale plan of het voortgangsverslag, en waarvoor er een duidelijke wil aanwezig is om tot implementatie over te gaan;
(3)  "vastgestelde beleidslijnen en maatregelen": beleidslijnen en maatregelen waarvoor door de centrale of subnationale overheid een officieel besluit is genomen op de datum van indiening van het nationale plan of het voortgangsverslag, en waarvoor er een duidelijke wil aanwezig is om tot implementatie over te gaan;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2 – punt 9
(9)  "de 2030-streefcijfers voor klimaat en energie van de Unie": het Uniebrede bindende streefcijfer om de broeikasgasemissies in de hele economie van de Unie uiterlijk in 2030 met minstens 40 % te doen dalen in vergelijking met 1990, het Uniebrede bindende streefcijfer om in 2030 minstens 27 % hernieuwbare energie te verbruiken in de Unie, het Uniebrede bindende streefcijfer om de energie-efficiëntie in 2030 met minstens 27 % te verbeteren, dat uiterlijk in 2020 opnieuw moet worden geëvalueerd, waarbij een EU-streefcijfer van 30% voor ogen moet worden gehouden, en het streefcijfer om in 2030 een elektriciteitsinterconnectie van minstens 15 % te bereiken, en alle verdere streefcijfers in dit verband die door de Europese Raad of de Raad en het Europees Parlement voor het jaar 2030 worden overeengekomen.
Schrappen
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2 – punt 11 bis (nieuw)
(11 bis)  "vroege inspanningen": vroege vooruitgang die een lidstaat vanaf 2021 heeft geboekt in de richting van zijn bindende streefcijfer voor hernieuwbare energie, zoals bedoeld in artikel 3 van [herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie] en zijn streefcijfer voor de verbetering van de energie-efficiëntie, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 2 – punt 17 bis (nieuw)
(17 bis)  "energie-efficiëntie eerst": dat bij alle beslissingen over energieplanning, ‑beleid en ‑investeringen prioriteit wordt gegeven aan maatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken door middel van kostenoptimale besparingen op het eindgebruik van energie, vraagresponsinitiatieven en efficiëntere omzetting, transmissie en distributie van energie;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 3
Geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
Geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
1.  Uiterlijk op 1 januari 2019 en vervolgens om de tien jaar dient elke lidstaat een geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan in bij de Commissie. De plannen bevatten de elementen die zijn vermeld in lid 2 en bijlage I. Het eerste plan heeft betrekking op de periode van 2021 tot en met 2030. De daaropvolgende plannen hebben betrekking op de tienjarige periode die onmiddellijk volgt op het einde van de door het vorige plan bestreken periode.
1.  Uiterlijk op 1 januari 2019 en vervolgens om de tien jaar dient elke lidstaat een geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan in bij de Commissie. De plannen bevatten de elementen die zijn vermeld in lid 2 en bijlage I. Het eerste plan heeft betrekking op de periode van 2021 tot en met 2030. De daaropvolgende plannen hebben betrekking op de tienjarige periode die onmiddellijk volgt op het einde van de door het vorige plan bestreken periode.
2.  De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen bestaan uit de volgende delen:
2.  De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen bestaan uit de volgende delen:
(a)  een overzicht van de procedure voor de vaststelling van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, bestaande uit een samenvatting, een beschrijving van de raadpleging en betrokkenheid van belanghebbenden en de resultaten daarvan, en de regionale samenwerking met andere lidstaten bij de voorbereiding van het plan;
(a)  een overzicht van de procedure voor de vaststelling van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, bestaande uit:
(1)   een samenvatting;
(2)   een beschrijving van de raadpleging en betrokkenheid van lokale overheden, het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven, de sociale partners en de burgers en de resultaten daarvan;
(3)  een beschrijving van de macroregionale en regionale samenwerking met andere lidstaten bij de voorbereiding van het plan;
(b)  een beschrijving van de nationale doelstellingen, streefcijfers en bijdragen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
(b)  een beschrijving van de nationale doelstellingen en streefcijfers voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie;
(c)  een beschrijving van de beleidslijnen en maatregelen die voorzien zijn om de onder (b) bedoelde doelstellingen, streefcijfers en bijdragen te bereiken;
(c)  een beschrijving van de geplande beleidslijnen, maatregelen en investeringsstrategieën die voorzien zijn om de onder (b) bedoelde doelstellingen en streefcijfers te bereiken;
(d)  een beschrijving van de bestaande situatie op het gebied van de vijf dimensies van de energie-unie, ook met betrekking tot het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen, alsmede prognoses met betrekking tot de onder (b) bedoelde doelstellingen, met reeds bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen;
(d)  een beschrijving van de bestaande situatie op het gebied van de vijf dimensies van de energie-unie, ook met betrekking tot het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen, prognoses met betrekking tot de onder b) bedoelde doelstellingen en streefcijfers, met reeds bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, en een beschrijving van de regelgevende en niet-regelgevende barrières en hinderpalen voor de verwezenlijking van de streefcijfers en doelstellingen;
(e)  een beoordeling van de effecten van de geplande beleidslijnen en maatregelen om de onder (b) bedoelde doelstellingen te verwezenlijken;
(e)  een beoordeling van de effecten van de afzonderlijke en gecombineerde geplande beleidslijnen en maatregelen om de in de artikelen 1, 4, 13 bis en 14 bedoelde streefcijfers en doelstellingen te verwezenlijken op het milieu, met inbegrip van de luchtkwaliteit en natuurbescherming, op de volksgezondheid, op macro-economisch vlak en op sociaal gebied;
(e bis)   een beoordeling van de effecten van de geplande beleidslijnen en maatregelen op het concurrentievermogen in verband met de vijf dimensies van de energie-unie;
(e ter)  een beoordeling van de potentiële effecten van de klimaatverandering in de lidstaat, waaronder de directe en indirecte effecten, en de weerbaarheidsstrategieën om met de klimaateffecten om te gaan, zoals nationale aanpassingsplannen;
(e quater)  na de ontwikkeling van een investeringsstrategie, een raming van de publieke en particuliere investeringen die nodig zijn voor de uitvoering van de geplande beleidslijnen en maatregelen;
(f)  een bijlage, opgesteld overeenkomstig de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde eisen en structuur, waarin is uiteengezet welke methode en beleidsmaatregelen de lidstaat toepast om de overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761] en bijlage V vastgestelde energiebesparingen te verwezenlijken.
(f)  een bijlage, opgesteld overeenkomstig de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde eisen en structuur, waarin is uiteengezet welke methode en beleidsmaatregelen de lidstaat toepast om de overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761] en bijlage V vastgestelde energiebesparingen te verwezenlijken.
3.  Bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde nationale plannen houden de lidstaten rekening met de onderlinge verbanden tussen de vijf dimensies van de energie-unie en maken zij gebruik van samenhangende gegevens en veronderstellingen in de vijf dimensies, voor zover relevant.
3.  Bij het organiseren van de in lid 1 bedoelde concurrerende inschrijvingsprocedure gaan de lidstaten als volgt te werk:
(a)  zij beperken de administratieve complexiteit en de kosten voor alle relevante belanghebbenden;
(b)   zij houden rekening met de onderlinge verbanden tussen de vijf dimensies van de energie-unie, in het bijzonder het beginsel "energie-efficiëntie eerst";
(c)   zij gebruiken geloofwaardige en samenhangende gegevens en veronderstellingen in de vijf dimensies, voor zover relevant, en maken de voor modelberekeningen gebruikte gegevens openbaar;
(d)  zij zorgen voor consistentie met de in artikel 1 bedoelde doelstellingen en met de nationale klimaat- en energiestrategieën op lange termijn als bedoeld in artikel 14;
(e)  zij gaan na hoeveel huishoudens met energiearmoede kampen, rekening houdend met de huishoudelijke energiediensten die nodig zijn om in de relevante nationale context een basislevensstandaard te garanderen, en schetsen de bestaande en geplande beleidsmaatregelen en maatregelen ter bestrijding van energiearmoede, met inbegrip van sociale beleidsmaatregelen en andere relevante nationale programma's.
Indien uit de beoordeling op basis van verifieerbare gegevens, waarbij geografische verspreidingsindicatoren worden gebruikt, blijkt dat een lidstaat een aanzienlijk aantal huishoudens in energiearmoede heeft, neemt hij in zijn plan een nationale indicatieve doelstelling op om de energiearmoede te verminderen;
(f)  zij nemen bepalingen op om eventuele negatieve milieueffecten die bij de geïntegreerde rapportering overeenkomstig de artikelen 15 tot en met 22 aan het licht komen, te voorkomen, te beperken of, indien het een project van algemeen belang betreft en er geen alternatieven voorhanden zijn, te compenseren;
(g)  zij houden rekening met de meest recente landspecifieke aanbevelingen die in het kader van het Europees semester zijn gedaan.
3 bis.  Na hun eerste geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen zorgen de lidstaten ervoor dat in elk van hun volgende plannen die overeenkomstig lid 1 bij de Commissie worden ingediend, hun nationale streefcijfers en doelstellingen als bedoeld in artikel 4 worden gewijzigd om blijk te geven van een grotere ambitie dan die welke in hun voorgaande geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan aan de dag is gelegd.
3 ter.  De lidstaten maken de plannen die zij krachtens dit artikel bij de Commissie indienen, openbaar.
4.  De Commissie is gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 36 om bijlage I te wijzigen teneinde ze aan te passen aan de wijzigingen van het beleidskader voor energie en klimaat van de Unie, marktontwikkelingen en nieuwe eisen uit hoofde van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.
4.  De Commissie is gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 36 om bijlage I te wijzigen teneinde ze aan te passen aan de wijzigingen van het beleidskader voor energie en klimaat van de Unie, marktontwikkelingen en nieuwe eisen uit hoofde van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – titel
Nationale doelstellingen, streefcijfers en bijdragen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
Streefcijfers en doelstellingen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1
In hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan stellen de lidstaten de volgende in deel A.2 van bijlage I gespecificeerde hoofddoelstellingen, streefcijfers en bijdragen vast:
In hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan stellen de lidstaten de volgende in deel A.2 van bijlage I gespecificeerde hoofddoelstellingen en streefcijfers vast:
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 1 – punt ii bis (nieuw)
ii bis.  de trajecten die de lidstaat van plan is te volgen om de verwijderingen per put te handhaven en te verbeteren overeenkomstig de in artikel 14 bedoelde klimaat- en energiestrategieën op lange termijn;
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 1 – punt iii
iii.  andere nationale doelstellingen en streefcijfers die samenhangend zijn met de bestaande langetermijnstrategieën voor de vermindering van emissies, voor zover van toepassing;
iii.  andere nationale doelstellingen en streefcijfers die samenhangend zijn met de Overeenkomst van Parijs en de klimaat- en energiestrategieën op lange termijn;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i
i.  teneinde het bindende streefcijfer van de Unie van minstens 27 % hernieuwbare energie in 2030 te bereiken, zoals vermeld in artikel 3 van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld in COM(2016)0767], een bijdrage tot dit streefcijfer in termen van het aandeel hernieuwbare energie van de lidstaat in het bruto-eindverbruik van energie in 2030, met een lineair traject voor die bijdrage vanaf 2021;
i.  teneinde het bindende streefcijfer van de Unie van minstens 35 % hernieuwbare energie in 2030 te bereiken, zoals vermeld in artikel 3 van [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG, zoals voorgesteld in COM(2016)0767], een bijdrage tot dit streefcijfer;
Amendement 291
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i bis (nieuw)
i bis.   het nationale streefcijfer voor energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindenergieverbruik van de lidstaat in 2030 als vastgesteld overeenkomstig artikel 3 en bijlage I bis bij Richtlijn (EU) .../... [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG zoals voorgesteld bij COM(2016)0767], met een progressief traject dat zorgt voor een regelmatige uitrol van hernieuwbare energie vanaf 2021 als vermeld in bijlage I bis bij deze verordening;
Amendement 292
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i ter (nieuw)
i ter.   het in punt i bis bedoelde traject:
(i)  begint bij het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in 2020 als vermeld in de derde kolom van de tabel in deel A van bijlage I bij Richtlijn (EU) .../... [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG zoals voorgesteld bij COM(2016)0767]. Als een lidstaat zijn bindende nationale streefcijfer voor 2020 overtreft, mag zijn traject beginnen op het niveau dat in 2020 is bereikt;
(ii)  bestaat uit minstens drie referentiepunten, berekend als een gemiddelde van de twee of drie voorgaande jaren als vermeld in bijlage I bis;
(iii)  bereikt ten minste zijn nationaal streefcijfer voor 2030;
AAmendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i quater (nieuw)
i quater.  de in de punten i bis en i ter bedoelde trajecten van de lidstaat dragen samen bij tot het bindende lineaire traject van de Unie en bereiken in 2030 het bindende streefcijfer van de Unie van ten minste 35 % energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt i quinquies (nieuw)
i quinquies.  de trajecten van de lidstaat voor het totale aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie vanaf 2031 stroken met de energie- en klimaatstrategieën op lange termijn.
Amendementen 69 en 287
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt ii
ii.  trajecten voor het sectorale aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie van 2021 tot en met 2030 in de sectoren verwarming en koeling, elektriciteit en vervoer;
ii.  de indicatieve trajecten van de lidstaat voor het sectorale aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie van 2021 tot en met 2030 in de sectoren verwarming en koeling, elektriciteit en vervoer;
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt iii
iii.  trajecten voor elke technologie voor hernieuwbare energie die de lidstaat van plan is te gebruiken om de algemene en sectorale trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 tot en met 2030 te verwezenlijken, met inbegrip van het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie per technologie en sector in Mtoe en de geplande totale geïnstalleerde capaciteit per technologie en sector in MW;
iii.  indicatieve trajecten voor elke technologie voor hernieuwbare energie die de lidstaat van plan is te gebruiken om de algemene en sectorale trajecten voor hernieuwbare energie van 2021 tot en met 2030 te verwezenlijken, met inbegrip van het verwachte totale bruto-eindverbruik van energie per technologie en sector in Mtoe en de geplande totale geïnstalleerde capaciteit per technologie en sector, met inbegrip van capaciteitsverhoging, in MW;
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a – punt 2 – punt iii bis (nieuw)
iii bis.  het aandeel van en de doelstellingen en trajecten voor hernieuwbare energie die in de lidstaat van 2021 tot en met 2030 wordt geproduceerd door steden, hernieuwbare-energiegemeenschappen en prosumenten, met inbegrip van het verwachte bruto-eindverbruik van energie in Mtoe.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 1
(1)  de indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage tot het bereiken van het bindende energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie van 30 % in 2030, zoals vermeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761], op basis van het primair energieverbruik of eindenergieverbruik, de besparing van primaire energie of eindenergie, of energie-intensiteit.
(1)  het bindende indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfer voor het bereiken van het bindende energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie van 40 % in 2030, zoals vermeld in artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU [als gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761], op basis van het primair energieverbruik of eindenergieverbruik, de besparing van primaire energie of eindenergie, of energie-intensiteit, met een lineair traject voor dat streefcijfer vanaf 2021.
De lidstaten drukken hun bijdrage uit in termen van een absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020 en 2030, met een lineair traject voor die bijdrage vanaf 2021. Zij lichten hun onderliggende methodologie en de omrekeningsfactoren toe;
De lidstaten drukken hun energie-efficiëntiestreefcijfers uit in termen van een absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020 en 2030. Zij lichten hun onderliggende methodologie en de omrekeningsfactoren toe overeenkomstig de bijlagen IV en V bij [de versie als gewijzigd overeenkomstig voorstel COM(2016)0761];
Het traject als bedoeld in de eerste alinea bestaat uit tweejaarlijkse tussentijdse streefcijfers, te beginnen in 2022 en vervolgens om de twee jaar;
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 2
(2)  het cumulatieve bedrag aan energiebesparingen dat in de periode 2021-2030 moet worden bereikt volgens artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761];
(2)  het cumulatieve bedrag aan extra energiebesparingen dat in de periode 2021-2030 en daarna moet worden bereikt volgens artikel 7 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761];
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 3
(3)  de doelstellingen voor de renovatie op lange termijn van het nationale bestand van woningen en bedrijfsgebouwen (zowel publieke als particuliere);
(3)  op basis van een analyse van het bestaande gebouwenbestand, de mijlpalen voor 2030 en 2040 voor de langetermijnstrategieën voor de renovatie van het nationale bestand van al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen, zowel openbare als particuliere, om de vooruitgang in de richting van de doelstelling voor 2050 overeenkomstig artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0765] te meten;
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 3 bis (nieuw)
(3 bis)  de geplande beleidslijnen en maatregelen en de geboekte vooruitgang bij het omvormen van het nationale gebouwenbestand tot een zeer energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand, met een empirisch onderbouwde raming van de verwachte energiebesparingen en voordelen in ruimere zin die van 2020 tot en met 2030 moet worden bereikt;
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 4
(4)  de totale vloeroppervlakte die moet worden gerenoveerd of het equivalent aan jaarlijkse energiebesparingen dat van 2020 tot en met 2030 moet worden bereikt overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU, dat betrekking heeft op de voorbeeldfunctie van de centrale overheid bij de renovatie van haar gebouwen;
(4)  de totale vloeroppervlakte die moet worden gerenoveerd en de overeenkomstige energiebesparingen die door de renovatie moeten worden gerealiseerd of het equivalent aan uit de alternatieve benadering voortvloeiende jaarlijkse energiebesparingen die van 2020 tot en met 2030 moeten worden bereikt overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU [zoals gewijzigd bij voorstel COM(2016)0761];
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis)  het vastgestelde potentieel voor energiebesparingen bij verwarming en koeling, met inbegrip van de uitkomst van een uitgebreide beoordeling van het potentieel voor de toepassing van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en efficiënte stadsverwarming en ‑koeling;
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b – punt 5
(5)  andere nationale doelstellingen inzake energie-efficiëntie, met inbegrip van langetermijnstreefcijfers of -strategieën en sectorale streefcijfers op terreinen als vervoer, verwarming en koeling;
(5)  andere nationale doelstellingen inzake energie-efficiëntie, met inbegrip van langetermijnstreefcijfers of -strategieën en sectorale streefcijfers op terreinen als vervoer, de maakindustrie en water en afvalwater, of beleid om sectoren te koppelen, alsook efficiëntie in andere sectoren met een hoog energie-efficiëntiepotentieel in de gehele energieketen, van primaire energie tot eindverbruikers, of bijvoorbeeld datacentra;
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter c – punt 1
(1)  nationale doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de diversificatie van energiebronnen en met betrekking tot leveranciers uit derde landen;
(1)  nationale doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de diversificatie van energiebronnen en met betrekking tot leveranciers uit derde landen met het oog op het vergroten van de veerkracht van de macroregionale, regionale en nationale energiesystemen;
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter c – punt 2
(2)  nationale doelstellingen om de afhankelijkheid van de invoer van energie uit derde landen te verminderen;
(2)  nationale doelstellingen om de afhankelijkheid van de invoer van energie uit derde landen te verminderen met het oog op het vergroten van de veerkracht van de macroregionale, regionale en nationale energiesystemen;
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter c – punt 4
(4)  nationale doelstellingen met betrekking tot de inzet van binnenlandse energiebronnen (met name hernieuwbare energie);
(4)  nationale doelstellingen met betrekking tot het vergroten van de flexibiliteit van het nationale energiesysteem, met name door de inzet van energie-efficiëntiemaatregelen, binnenlandse en regionale hernieuwbare energiebronnen, vraagrespons en opslag;
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 1
(1)  het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, met inachtneming van het interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15 % in 2030. De lidstaten lichten de gebruikte onderliggende methodologie toe;
(1)  het niveau van interconnectiviteit op elektriciteitsgebied waar de lidstaat naar streeft in 2030, met inachtneming van het indicatieve interconnectiestreefcijfer voor elektriciteit van ten minste 15% in 2030, rekening houdend met het interconnectiestreefcijfer van 10 % in 2020, de nationale en regionale marktomstandigheden en het nationale en regionale potentieel, alle aspecten van kosten-batenanalyses, de daadwerkelijke mate van uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang, en maatregelen om de verhandelbare capaciteit van bestaande interconnecties te verhogen. De lidstaten lichten de gebruikte onderliggende methodologie toe, rekening houdend met de door de Commissie voorgestelde methodologie;
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 2
(2)  de belangrijkste nationale doelstellingen voor elektriciteits- en gastransmissie-infrastructuur die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in om het even welke van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie;
(2)  de belangrijkste nationale doelstellingen voor elektriciteits- en gastransmissie- en distributie-infrastructuur en de modernisering daarvan die nodig zijn voor het behalen van de doelstellingen en streefcijfers in om het even welke van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie. Voor elk gepland groot infrastructuurproject, een voorafgaande beoordeling van de verenigbaarheid daarvan met en de bijdrage daarvan aan de vijf dimensies van de energie-unie, met name wat de continuïteit van de energievoorziening en mededinging betreft;
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 3
(3)  nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals marktintegratie en koppeling, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
(3)  nationale doelstellingen met betrekking tot andere aspecten van de interne energiemarkt, zoals het vergroten van de flexibiliteit van het systeem, met name door het verwijderen van belemmeringen voor vrije prijsvorming, door marktintegratie en koppeling, slimme netten, aggregatie, vraagrespons, opslag, gedistribueerde opwekking, mechanismen voor dispatching, redispatching en beperking, en realtime prijssignalen, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 3 bis (nieuw)
(3 bis)  nationale doelstellingen met betrekking tot de niet-discriminerende participatie van hernieuwbare energie, vraagrespons en opslag, onder meer via aggregatie, in alle energiemarkten, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 3 ter (nieuw)
(3 ter)  nationale doelstellingen om ervoor te zorgen dat consumenten participeren in het energiesysteem en profijt trekken van zelfopwekking en nieuwe technologieën, waaronder slimme meters;
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d – punt 4
(4)  nationale doelstellingen met betrekking tot het waarborgen van de toereikendheid van het elektriciteitssysteem en de flexibiliteit van het energiesysteem met betrekking tot de productie van hernieuwbare energie, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
(4)  nationale doelstellingen met betrekking tot het waarborgen van de toereikendheid van het elektriciteitssysteem, die ervoor zorgen dat er geen capaciteitsmechanismen worden toegepast of, wanneer dat wel gebeurt met het oog op de continuïteit van de energievoorziening, dat deze zo beperkt mogelijk blijven, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt;
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter e – punt 1
(1)  nationale doelstellingen en financieringsstreefcijfers voor openbaar en particulier onderzoek en innovatie op het gebied van de energie-unie; indien van toepassing, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt. Deze streefcijfers en doelstellingen moeten stroken met die in de strategie voor de energie-unie en het SET-plan;
(1)  nationale doelstellingen en financieringsstreefcijfers voor openbare steun voor onderzoek en innovatie op het gebied van de energie-unie en het verwachte hefboomeffect daarvan op particulier onderzoek; indien van toepassing, met inbegrip van een tijdschema waarin is aangegeven wanneer de doelstellingen moeten zijn verwezenlijkt. Deze streefcijfers en doelstellingen moeten stroken met die in de strategie voor de energie-unie en het SET-plan;
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter e – punt 2
(2)  nationale doelstellingen voor 2050 voor de invoering van koolstofarme technologieën;
(2)  nationale doelstellingen voor 2050 met betrekking tot de bevordering van duurzame technologieën;
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter e – punt 3
(3)  nationale doelstellingen met betrekking tot het concurrentievermogen.
Schrappen
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – titel
Het proces van de lidstaten om bijdragen op het gebied hernieuwbare energie vast te stellen
Het proces van de lidstaten om streefcijfers op het gebied hernieuwbare energie vast te stellen
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  Bij het vaststellen van hun bijdrage voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van energie in 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen, overeenkomstig artikel 4, onder (a), punt (2), onder i, houden de lidstaten rekening met het volgende:
1.  Bij het vaststellen van hun streefcijfer voor het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van energie in 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen, overeenkomstig artikel 4, onder (a), punt (2), onder i, houden de lidstaten rekening met het volgende:
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1 – letter d – punt i
(i)  billijke verdeling van de uitrol in de gehele Europese Unie;
(i)  billijke en kosteneffectieve verdeling van de uitrol in de gehele Europese Unie;
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  het basisaandeel energie uit hernieuwbare bronnen in hun bruto-eindverbruik van energie, als vermeld in artikel 3, lid 3, van Richtlijn (EU) .../... [herschikking van Richtlijn 2009/28/EG];
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen er samen voor dat de som van hun bijdragen ertoe leidt dat in 2030 minstens 27 % van de geproduceerde energie in het bruto-eindverbruik van energie afkomstig is uit hernieuwbare bronnen.
2.  De lidstaten zorgen er samen voor dat de som van hun streefcijfers leidt tot een lineair traject dat ervoor zorgt dat in 2030 minstens 35 % van het bruto-eindverbruik van energie afkomstig is uit hernieuwbare energiebronnen.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – titel
Het proces van de lidstaten om bijdragen op het gebied energie-efficiëntie vast te stellen
Het proces van de lidstaten om bindende streefcijfers op het gebied energie-efficiëntie vast te stellen
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – inleidende formule
1.  Bij de vaststelling van hun indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage voor 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen in de zin van artikel 4, onder (b), punt (1), zorgen de lidstaten ervoor dat:
1.  Bij de vaststelling van hun bindende nationale energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2030 en het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen in de zin van artikel 4, onder (b), punt (1), zorgen de lidstaten ervoor dat:
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter a
(a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer bedraagt dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie, en het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer bedraagt dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie aan het einde van de eerste periode van 10 jaar;
(a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer bedraagt dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie, en het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer bedraagt dan 1 132 Mtoe primaire energie en niet meer dan 849 Mtoe eindenergie aan het einde van de eerste periode van 10 jaar;
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2 – inleidende formule
2.  Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde bijdrage kunnen de lidstaten rekening houden met omstandigheden die een invloed hebben op het primaire en het eindverbruik van energie, zoals:
2.  Bij de vaststelling van het in lid 1 bedoelde streefcijfer kunnen de lidstaten rekening houden met omstandigheden die een invloed hebben op het primaire en het eindverbruik van energie, zoals:
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Nationale beleidslijnen en maatregelen voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
Nationale beleidslijnen, maatregelen en investeringsstrategieën voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie
De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met bijlage I van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, de belangrijkste bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen om met name de in het nationale plan uiteengezette doelstellingen te bereiken, met inbegrip van maatregelen om te zorgen voor regionale samenwerking en passende financiering op nationaal en regionaal niveau.
De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met bijlage I van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, de belangrijkste bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen om met name de in het nationale plan uiteengezette doelstellingen te bereiken, met inbegrip van maatregelen om te zorgen voor regionale samenwerking en passende financiering op nationaal, regionaal en lokaal niveau, onder meer met behulp van Unieprogramma's en instrumenten.
De beschrijving van de voornaamste bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen om de in de nationale plannen vermelde doelstellingen te behalen gaat vergezeld van een algemeen overzicht van de investeringen die nodig zijn om die doelstellingen te halen.
De lidstaten behandelen energie-efficiëntie als infrastructuurprioriteit. Zij nemen energie-efficiëntieprogramma's op in hun infrastructuurplanning en merken de renovatie van gebouwen aan als een prioritaire investering.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1
1.  De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met de structuur en het formaat in bijlage I, de huidige situatie voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, met inbegrip van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen op het ogenblik van de indiening van het nationale plan of op basis van de laatste beschikbare informatie. De lidstaten stellen ook prognoses op voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie voor de eerste periode van tien jaar tot ten minste 2040 (inclusief voor het jaar 2030) die naar verwachting zullen voortvloeien uit bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen.
1.  De lidstaten beschrijven, in overeenstemming met de structuur en het formaat in bijlage I, de huidige situatie voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie, met inbegrip van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen op het ogenblik van de indiening van het nationale plan of op basis van de laatste beschikbare informatie. De lidstaten stellen ook prognoses op voor elk van de vijf dimensies van de energie-unie voor de eerste periode van tien jaar tot ten minste 2030 (inclusief voor het jaar 2030) die naar verwachting zullen voortvloeien uit bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen. De lidstaten maken de veronderstellingen, parameters en methoden die voor prognoses en scenario's worden gebruikt, openbaar.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – letter a
(a)  de effecten op de ontwikkeling van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen voor de eerste periode van tien jaar tot ten minste 2040 (inclusief voor het jaar 2030) in het kader van de geplande beleidslijnen en maatregelen, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses op basis van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, als bedoeld in lid 1;
(a)  de effecten op de ontwikkeling van het energiesysteem en de broeikasgasemissies en verwijderingen voor de eerste periode van tien jaar tot ten minste 2040 (inclusief voor het jaar 2030) in het kader van de geplande beleidslijnen en maatregelen, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses op basis van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, als bedoeld in lid 1. Dit omvat een beoordeling van de synergieën die voortvloeien uit sectorkoppeling, digitalisering en een betere marktopzet en van de voordelen in termen van luchtkwaliteit en de continuïteit van de energievoorziening;
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – letter b
(b)  het macro-economisch en sociaal effect en het effect op vaardigheden en het milieu van de geplande beleidsinitiatieven en maatregelen, zoals vermeld in artikel 7 en verder gespecificeerd in bijlage I, gedurende de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses op basis van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, als bedoeld in lid 1;
(b)  het macro-economisch, gezondheids- en sociaal effect en het effect op vaardigheden en het milieu van de afzonderlijke en gecombineerde geplande beleidsinitiatieven en maatregelen, zoals vermeld in artikel 7 en verder gespecificeerd in bijlage I, gedurende de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030, met inbegrip van een vergelijking met de prognoses van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) beleidslijnen en maatregelen, als bedoeld in lid 1. De methodologie die wordt gebruikt om deze effecten te beoordelen, wordt openbaar gemaakt en het gebruik van kosten-batenanalyse wordt aangemoedigd;
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – letter c
(c)  de interacties tussen bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen binnen een beleidsdimensie en tussen bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen in andere dimensies voor de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030. Prognoses betreffende de continuïteit van de bevoorrading, infrastructuur en marktintegratie moeten worden gekoppeld aan robuuste energie-efficiëntiescenario’s.
(c)  de interacties tussen bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen binnen een beleidsdimensie en tussen bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen in andere dimensies voor de eerste periode van tien jaar en ten minste tot het jaar 2030. De beoordeling omvat een kwantitatieve of kwalitatieve evaluatie van alle gedocumenteerde interacties tussen nationale beleidslijnen en maatregelen en klimaat- en energiebeleidsmaatregelen van de Unie. Prognoses betreffende de continuïteit van de bevoorrading, infrastructuur en marktintegratie moeten worden gekoppeld aan robuuste energie-efficiëntiescenario’s;
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  de wijze waarop de afzonderlijke en gecombineerde bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen naast de openbare financiering ook particuliere investeringen zullen aantrekken die nodig zijn voor de uitvoering ervan.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 9
Artikel 9
Artikel 9
Ontwerp van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
Ontwerp van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
1.  Uiterlijk op 1 januari 2019 en daarna om de tien jaar stellen de lidstaten een ontwerp van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan op, als bedoeld in artikel 3, lid 1, en dienen zij dit in bij de Commissie.
1.  Uiterlijk op 1 juni 2018 stelt elke lidstaat een ontwerp van het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan op, als bedoeld in artikel 3, lid 1, en dient hij dit in bij de Commissie. Het ontwerp van het tweede plan wordt uiterlijk op 1 januari 2023 door elke lidstaat opgesteld en bij de Commissie ingediend, en de volgende ontwerpplannen vervolgens om de vijf jaar.
2.  Overeenkomstig artikel 28 kan de Commissie aan de lidstaten aanbevelingen doen over de ontwerpplannen. In deze aanbevelingen wordt met name het volgende vastgesteld:
2.  Overeenkomstig artikel 28 beoordeelt de Commissie de ontwerpplannen en doet zij uiterlijk drie maanden vóór de in artikel 3, lid 1, genoemde uiterste datum voor de indiening van het plan landspecifieke aanbevelingen aan de lidstaten om:
(a)  het ambitieniveau van de doelstellingen, streefcijfers en bijdragen met het oog op de collectieve verwezenlijking van de doelstellingen van de energie-unie en met name de 2030-streefcijfers inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie;
(a)  ervoor te zorgen dat de lidstaten de doelstellingen en streefcijfers van alle dimensies van de energie-unie collectief verwezenlijken;
(a bis)  ervoor te zorgen dat de lidstaten hun nationale doelstellingen en streefcijfers verwezenlijken;
(b)  beleidslijnen en maatregelen die verband houden met de doelstellingen op het niveau van de lidstaten en de Unie, en andere beleidslijnen en maatregelen met potentiële grensoverschrijdende gevolgen;
(b)  de afzonderlijke in de nationale energie- en klimaatplannen opgenomen bestaande en geplande beleidslijnen en maatregelen te verbeteren, met inbegrip van die met potentiële grensoverschrijdende gevolgen;
(b bis)  suggesties te doen voor de vaststelling van aanvullende beleidslijnen en maatregelen in de nationale energie- en klimaatplannen;
(c)  wisselwerkingen tussen en samenhang van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen die zijn opgenomen in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan binnen één dimensie en tussen verschillende dimensies van de energie-unie.
(c)  te zorgen voor de samenhang van bestaande (uitgevoerde en vastgestelde) en geplande beleidslijnen en maatregelen die zijn opgenomen in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan binnen één dimensie en tussen verschillende dimensies van de energie-unie;
(c bis)  te zorgen voor samenhang tussen de investeringsstrategieën en ‑instrumenten enerzijds en de beleidslijnen en maatregelen van de lidstaten om de bijbehorende streefcijfers en doelstellingen te verwezenlijken anderzijds;
3.  Bij de opstelling van hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen houden de lidstaten zoveel mogelijk rekening met eventuele aanbevelingen van de Commissie.
3.  Bij de opstelling van hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen houden de lidstaten zoveel mogelijk rekening met eventuele aanbevelingen van de Commissie. Als het standpunt van de betrokken lidstaat afwijkt van de aanbeveling van de Commissie, geeft die lidstaat de redenen voor zijn standpunt op en maakt hij die openbaar.
3 bis.  De lidstaten geven het publiek inzage in de ontwerpplannen als bedoeld in lid 1.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – alinea 1
Onverminderd eventuele andere eisen van de wetgeving van de Unie, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium effectieve kansen krijgt om deel te nemen aan de opstelling van de in artikel 9 bedoelde ontwerpplannen en moeten zij een samenvatting van de standpunten van het publiek bij het ontwerp van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan voegen. Voor zover de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van toepassing zijn, wordt overleg in overeenstemming met die richtlijn geacht te voldoen aan de verplichtingen tot raadpleging van het publiek uit hoofde van deze verordening.
Onverminderd eventuele andere eisen van de wetgeving van de Unie, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het publiek in een vroeg stadium effectieve kansen krijgt om deel te nemen aan de opstelling van de in artikel 9 bedoelde ontwerpplannen en de in artikel 14 bedoelde langetermijnstrategieën, wanneer alle opties open zijn en effectieve raadpleging kan plaatsvinden.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten stellen redelijke tijdschema's vast die het publiek voldoende tijd gunnen om zich op de hoogte te stellen en om zich effectief voor te bereiden op en deel te nemen aan de fasen van de planning. De lidstaten houden naar behoren rekening met gelijke deelname en zorgen ervoor dat het publiek, hetzij door openbare bekendmaking, hetzij met andere passende middelen, zoals elektronische media, indien beschikbaar, in kennis wordt gesteld van alle praktische regelingen voor deelname van het publiek en dat het inzage krijgt in alle betreffende documenten.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Wanneer zij het ontwerp en de definitieve versie hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en hun langetermijnstrategieën bij de Commissie indienen, voegen de lidstaten een overzicht toe van de standpunten van het publiek en de wijze waarop daarmee rekening is gehouden.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 quater (nieuw)
1 quater.  Voor zover de bepalingen van Richtlijn 2001/42/EG van toepassing zijn, wordt overleg in overeenstemming met die richtlijn geacht te voldoen aan de verplichtingen tot raadpleging van het publiek uit hoofde van deze verordening.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1 quinquies (nieuw)
1 quinquies.  Bij de uitvoering van dit artikel beperken de lidstaten de administratieve complexiteit.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Platform voor klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus
1.  In een geest van partnerschap zetten de lidstaten een permanent platform voor klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus op ter ondersteuning van actieve betrokkenheid van lokale overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, investeerders, andere relevante belanghebbenden en het grote publiek bij het beheer van de energietransitie.
2.  De lidstaten leggen verschillende te overwegen opties en scenario's voor hun energie- en klimaatbeleid op korte, middellange en lange termijn, alsmede een kosten-batenanalyse van elke optie, voor aan hun nationale platform voor klimaat- en energiedialoog. De platforms voor klimaat- en energiedialoog zijn fora waar plannen, strategieën en verslagen overeenkomstig artikel 10 worden besproken en uitgewerkt.
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de platforms voor klimaat- en energiedialoog over voldoende personele en financiële middelen beschikken en op transparante wijze functioneren.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 11
Artikel 11
Artikel 11
Regionale samenwerking
Macroregionale en regionale samenwerking
1.  De lidstaten werken samen op regionaal niveau om op doeltreffende wijze de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen te bereiken.
1.  De lidstaten werken samen op macroregionaal en regionaal niveau, terdege rekening houdend met alle bestaande en potentiële vormen van samenwerking, om op doeltreffende wijze de streefcijfers en doelstellingen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen te bereiken.
2.  Geruime tijd vóór de indiening van het ontwerp van hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan bij de Commissie, overeenkomstig artikel 9, lid 1, identificeren de lidstaten mogelijkheden voor regionale samenwerking en raadplegen zij naburige lidstaten en andere lidstaten die belangstelling tonen. De lidstaten vermelden in het ontwerp van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen de resultaten van dergelijk regionaal overleg, in voorkomend geval met inbegrip van de wijze waarop rekening is gehouden met opmerkingen.
2.  Geruime tijd vóór de indiening van het ontwerp van hun geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan bij de Commissie, overeenkomstig artikel 9, lid 1, identificeren de lidstaten mogelijkheden voor macroregionale en regionale samenwerking, rekening houdend met bestaande macroregionale samenwerkingsverbanden, met name het Interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied (BEMIP), Connectiviteit in Midden- en Zuidoost-Europa (CESEC), de Centraal-westelijke regionale energiemarkt (CWREM), het Offshorenetwerkinitiatief van landen aan de noordelijke zeeën (NSCOGI) en het Europees-mediterraan partnerschap, en raadplegen zij naburige lidstaten en andere lidstaten die belangstelling tonen, overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU en het Verdrag van Espoo. De lidstaten vermelden in het ontwerp van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen de resultaten van dergelijk regionaal overleg, in voorkomend geval met inbegrip van de wijze waarop rekening is gehouden met opmerkingen. Wanneer zij macroregionale samenwerking aangaan, komen de lidstaten een bestuursstructuur overeen die het mogelijk maakt ten minste eenmaal per jaar op ministerieel niveau bijeen te komen.
2 bis.  Op verzoek van twee of meer lidstaten faciliteert de Commissie de gezamenlijke opstelling van delen van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, onder meer door de vaststelling van een machtigingskader. Wanneer lidstaten macroregionaal of regionaal samenwerken, vermelden zij de resultaten in hun ontwerp van geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en leggen zij deze aan de Commissie voor. Het resultaat van dergelijke macroregionale of regionale samenwerking kan in de plaats komen van de overeenkomstige onderdelen van het betreffende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan.
2 ter.  Om marktintegratie en kostenefficiënt beleid te bevorderen, identificeert de Commissie mogelijkheden voor macroregionale of regionale samenwerking die betrekking hebben op een of meer van de vijf dimensies van de energie-unie en met dit artikel stroken, met een langetermijnvisie en op basis van de bestaande marktomstandigheden. Op basis van deze mogelijkheden kan de Commissie overeenkomstig artikel 28 aanbevelingen aan de lidstaten doen om doeltreffende samenwerking, partnerschappen en overleg te vergemakkelijken.
3.  De Commissie vergemakkelijkt de samenwerking en het overleg tussen de lidstaten over de ontwerpplannen die bij haar zijn ingediend in het kader van artikel 9, met het oog op de definitieve vaststelling van die plannen.
3.  De Commissie vergemakkelijkt de samenwerking en het overleg tussen de lidstaten over de ontwerpplannen die bij haar zijn ingediend in het kader van artikel 9, met het oog op de definitieve vaststelling van die plannen.
4.  De lidstaten houden rekening met de opmerkingen van andere lidstaten uit hoofde van de leden 2 en 3 in hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en leggen uit hoe met deze opmerkingen rekening is gehouden.
4.  De lidstaten houden rekening met de opmerkingen van andere lidstaten uit hoofde van de leden 2 en 3 in hun definitieve geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan en leggen uit hoe met deze opmerkingen rekening is gehouden.
5.  Met het oog op lid 1 blijven de lidstaten op regionaal niveau samenwerken bij de tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van hun plannen.
5.  Met het oog op lid 1 blijven de lidstaten op regionaal niveau samenwerken bij de tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen van hun plannen.
5 bis.  De lidstaten overwegen ook samen te werken met leden van de Energiegemeenschap en derde landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – alinea 1 – inleidende formule
De Commissie evalueert de krachtens de artikelen 3 en 13 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de actualiseringen daarvan. Zij gaat met name na of:
De Commissie evalueert de krachtens artikel 3 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen. Zij gaat met name na of:
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – alinea 1 – letter a
(a)  de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste periode van tien jaar met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader van de Unie voor 2030;
(a)  de streefcijfers en doelstellingen volstaan om de collectieve doelstellingen van de energie-unie te bereiken, en voor de eerste periode van tien jaar met name de streefcijfers van het klimaat- en energiekader van de Unie voor 2030;
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
(a bis)  de bestaande beleidslijnen, de beleidslijnen waarin is voorzien en de maatregelen en de betreffende investeringsstrategieën volstaan om de in artikel 4 bedoelde nationale streefcijfers te bereiken;
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 13
Artikel 13
Schrappen
Actualisering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen
1.  Uiterlijk op 1 januari 2023, en daarna om de 10 jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een ontwerp in van de actualisering van het laatst ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, zoals bedoeld in artikel 3, of bevestigen zij aan de Commissie dat het plan geldig blijft.
2.  Uiterlijk op 1 januari 2024, en daarna om de 10 jaar, dienen de lidstaten bij de Commissie een actualisering in van het laatst ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, zoals bedoeld in artikel 3, tenzij zij, overeenkomstig lid 1 van dit artikel, aan de Commissie hebben bevestigd dat het plan geldig blijft.
3.  De lidstaten mogen de streefcijfers, doelstellingen en bijdragen die zijn uiteengezet in de in lid 2 bedoelde actualisering alleen wijzigen om het ambitieniveau te verhogen in vergelijking met het laatst aangemelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan.
4.  De lidstaten trachten eventuele negatieve effecten op het milieu die duidelijk worden in het kader van de geïntegreerde rapportering overeenkomstig de artikelen 15 tot en met 22, te beperken in het geactualiseerde plan.
5.  Bij de voorbereiding van de in lid 2 bedoelde actualisering houden de lidstaten rekening met de meest recente landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester.
6.  De procedures van artikel 9, lid 2, en artikel 11 zijn van toepassing op de opstelling en evaluatie van de geactualiseerde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 3 – titel
Lage-emissiestrategieën op lange termijn
Klimaat- en energiestrategieën op lange termijn
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 bis (nieuw)
Artikel 13 bis
Samenhang met de algemene klimaatdoelstelling
De Commissie brengt uiterlijk op 1 juli 2018 verslag uit over het resterende mondiale koolstofbudget dat strookt met het voortzetten van de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C, en met name 1,5 °C, in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en publiceert een analyse van een billijk aandeel van de Unie voor 2050 en 2100.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Lage-emissiestrategieën op lange termijn
Klimaat- en energiestrategieën op lange termijn
1.  Uiterlijk op 1 januari 2020 en daarna om de 10 jaar stellen de lidstaten hun lage-emissiestrategieën op lange termijn op, met een perspectief van 50 jaar, en dienen ze deze in bij de Commissie, teneinde bij te dragen tot:
1.  Uiterlijk op 1 januari 2019 en daarna om de vijf jaar stellen de lidstaten en de Commissie namens de Unie hun klimaat- en energiestrategieën op lange termijn met een perspectief van 30 jaar vast, teneinde bij te dragen tot:
(a)  de naleving van de verbintenissen van de Unie en de lidstaten in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs om de antropogene broeikasgasemissies te beperken en de verwijderingen per put te verbeteren;
(a)  de naleving van de verbintenissen van de Unie en de lidstaten in het kader van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs om de antropogene broeikasgasemissies te beperken en de verwijderingen per put te verbeteren in stappen van tien jaar;
(b)  de verwezenlijking van de doelstelling om de mondiale temperatuursstijging te beperken tot beduidend minder dan 2°C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en om te streven naar een maximale stijging van 1,5°C boven het pre-industriële niveau;
(b)  de verwezenlijking van de doelstelling om de mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2°C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en om te streven naar een maximale stijging van 1,5°C boven het pre-industriële niveau door de broeikasgasemissies van de Unie onder haar billijke aandeel in het resterende mondiale koolstofbudget te houden;
(c)  de verwezenlijking van de broeikasgasemissiebeperkingen op lange termijn en de verbetering van verwijderingen per put in alle sectoren, overeenkomstig de doelstelling van de Unie om, in het kader van de volgens het IPCC noodzakelijke geachte reducties voor de ontwikkelde landen als geheel, de emissies uiterlijk in 2050 op kosteneffectieve wijze met 80 tot 95 % te verminderen in vergelijking met de niveaus van 1990.
(c)  de verwezenlijking van de broeikasgasemissiebeperkingen op lange termijn en de verbetering van verwijderingen per put in alle sectoren, overeenkomstig de doelstelling van de Unie om, in het kader van de volgens het IPCC noodzakelijke geachte reducties voor de ontwikkelde landen als geheel, de broeikasgasemissies van de Unie op kosteneffectieve wijze te verminderen en de verwijderingen per put te verbeteren met het oog op de temperatuurdoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, teneinde tegen 2050 broeikasgasneutraliteit in de Unie te verwezenlijken en spoedig daarna tot negatieve emissies te komen;
(c bis)  uiterlijk in 2050 een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energiebronnen gebaseerd energiesysteem in de Unie te verwezenlijken.
2.  De lage-emissiestrategieën op lange termijn hebben betrekking op:
2.  De klimaat- en energiestrategieën op lange termijn omvatten de in bijlage II bis vermelde elementen en hebben betrekking op:
(a)  de totale vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put;
(a)  de totale vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put, met een afzonderlijk streefcijfer voor de verbetering van verwijderingen per put dat strookt met het voortzetten van de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot de in de Overeenkomst van Parijs genoemde doelstellingen;
(b)  de vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put in individuele sectoren, waaronder elektriciteit, industrie, vervoer, de bouwsector (residentieel en tertiair), landbouw en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF);
(b)  met het oog op decarbonisatie, de vermindering van broeikasgasemissies en de verbetering van verwijderingen per put in individuele sectoren, onder andere elektriciteit, industrie, vervoer, de sectoren verwarming en koeling en de bouwsector (residentieel en tertiair), landbouw en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF);
(c)  de verwachte vooruitgang bij de overgang naar een economie met geringe emissies van broeikasgassen, met inbegrip van broeikasgasintensiteit, CO2-intensiteit van het bruto binnenlands product en aanverwante onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatiestrategieën;
(c)  de verwachte vooruitgang bij de overgang naar een economie met geringe emissies van broeikasgassen, met inbegrip van broeikasgasintensiteit, CO2-intensiteit van het bruto binnenlands product en aanverwante strategieën op het gebied van langetermijninvesteringen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie;
(c bis)  de verwachte vooruitgang bij de energietransitie, waaronder energiebesparingen, het totale aandeel hernieuwbare energie en de geplande geïnstalleerde capaciteit aan hernieuwbare energie;
(c ter)  de verwachte bijdrage van een grondige decarbonisatie van de economie op de macro-economische ontwikkeling, de sociale ontwikkeling, de risico's en voordelen voor de volksgezondheid en de bescherming van het milieu;
(d)  links naar andere nationale planning op lange termijn.
(d)  links naar andere nationale langetermijndoelstellingen, planning en andere beleidslijnen, maatregelen en investeringen.
2 bis.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 36 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage II bis te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de wijzigingen van het beleidskader voor energie en klimaat van de Unie, marktontwikkelingen en nieuwe eisen uit hoofde van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs.
3.  De lage-emissiestrategieën op lange termijn en de in artikel 3 bedoelde geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen moeten onderling samenhangend zijn.