Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 18 januari 2018 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Geen bezwaar tegen een uitvoeringsmaatregel: instelling van een EU-register
 Nigeria
 De zaak van de mensenrechtenactivisten Wu Gan, Xie Yang, Lee Ming-che, Tashi Wangchuk en de Tibetaanse monnik Choekyi
 Democratische Republiek Congo
 Verdrag van Marrakesh: bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben ***
 Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering *
 De uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten
 Tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en de noodzakelijke hervorming van professionele diensten

Geen bezwaar tegen een uitvoeringsmaatregel: instelling van een EU-register
PDF 247kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie tot instelling van een EU-register (D054274-02 – 2017/3013(RPS))
P8_TA(2018)0012B8-0041/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie tot instelling van een EU-register (D054274-02),

–  gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad(1), en met name de artikelen 12 en 19,

–  gezien het advies van 30 november 2017 van het in artikel 23, lid 1, van bovengenoemde richtlijn bedoelde comité,

–  gezien de brief van de Commissie van 5 december 2017, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen het ontwerp van verordening,

–  gezien de brief van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van 11 januari 2018 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(2),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, lid 4, onder d), en artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 17 januari 2018 verstreek,

A.  overwegende dat het luchtvaartexploitanten en andere exploitanten die aan de EU‑regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten ("EU ETS") deelnemen, met het oog op de bescherming van de milieu-integriteit van de bedoelde regeling niet toegestaan is gebruik te maken van rechten die door een lidstaat uitgegeven zijn en waarvan verplichtingen voor luchtvaartexploitanten en andere exploitanten vervallen, en overwegende dat daartoe de nodige vrijwaringsmaatregelen moeten worden vastgesteld;

B.  overwegende dat de Commissie krachtens artikel 19 van Richtlijn 2003/87/EG gemachtigd is overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing (RPS) maatregelen te treffen met betrekking tot het gestandaardiseerde en beveiligde registersysteem;

C.  overwegende dat de Commissie op 8 december 2017 het ontwerp van verordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 389/2013 van de Commissie tot instelling van een EU-register ("ontwerp van RPS-maatregel") officieel aan het Parlement heeft voorgelegd, waarmee de toetsingsperiode van drie maanden voor het Parlement begon voor het al dan niet aantekenen van bezwaar tegen het ontwerp van handeling;

D.  overwegende dat de vrijwaringsmaatregelen in het ontwerp van RPS-maatregel zo snel mogelijk in werking moeten treden om te kunnen worden toegepast, zodat rechten in 2018 gratis kunnen worden toegekend, in ruil voor internationale kredieten kunnen worden ontvangen of kunnen worden geveild, en overwegende dat indien het Parlement de voorziene toetsingsperiode van drie maanden volledig zou gebruiken er onvoldoende tijd zou om het ontwerp van RPS-maatregel in werking te doen treden voordat de rechten voor 2018 worden toegekend;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen het ontwerp van verordening van de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Commissie en, ter informatie, aan de Raad.

(1) PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.
(2) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


Nigeria
PDF 177kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over Nigeria (2018/2513(RSP))
P8_TA(2018)0013RC-B8-0045/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Nigeria,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 1981, dat Nigeria op 22 juni 1983 heeft geratificeerd,

–  gezien de grondwet van de Federale Republiek Nigeria en met name de bepalingen over bescherming van de godsdienstvrijheid die zijn opgenomen in Hoofdstuk IV over het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst,

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 mei 2014 over de ontvoeringen in Nigeria en van 9 februari 2015 over de verkiezingen in Nigeria,

–  gezien de toespraak van president Muhammadu Buhari voor het Europees Parlement van 3 februari 2016,

–  gezien het besluit om Boko Haram toe te voegen aan de EU-lijst van terroristische organisaties, bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 583/2014 van de Commissie van 28 mei 2014 tot 214e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa'ida-netwerk, die van kracht werd op 29 mei 2014,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Federica Mogherini van 7 mei 2017 over de vrijlating van de meisjes die zijn ontvoerd door Boko Haram in Nigeria,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging van 1981,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, dat op 29 oktober 1993 door Nigeria werd geratificeerd,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989, dat in april 1991 door Nigeria werd geratificeerd,

–  gezien de tweede herziening van de Overeenkomst van Cotonou, die Nigeria op 27 september 2010 heeft geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement aan mensenrechtenverdediger Hauwa Ibrahim in 2005,

–  gezien de uitslag van de presidentsverkiezingen in Nigeria van maart 2015,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Nigeria, het land met de grootste bevolking en de grootste culturele verscheidenheid van Afrika (met een bevolkingsgroei van 33 miljoen in 1950 tot ongeveer 190 miljoen nu), volgens schattingen van de VN tegen 2050 qua bevolking het op twee na grootste land ter wereld wordt, na China en India;

B.  overwegende dat Nigeria het land is met de grootste christelijke bevolking van Afrika;

C.  overwegende dat de bevolking van Nigeria bijna evenveel moslims als christenen telt;

D.  overwegende dat naar schatting 30 miljoen christenen in Noord-Nigeria leven en dat zij de grootste religieuze minderheid vormen in deze voornamelijk islamitische regio;

E.  overwegende dat het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) in november 2017 heeft gemeld dat in Noordoost-Nigeria 8,5 miljoen mensen behoefte hadden aan levensreddende bijstand en dat in 2017 humanitaire hulp werd verstrekt aan 6,9 miljoen mensen;

F.  overwegende dat de Middle Belt-regio in Nigeria al jaren gebukt gaat onder economische en politieke spanningen tussen etnische en religieuze gemeenschappen, waarbij het geweld onlangs is opgelaaid vanwege de strijd tussen herders- en boerengemeenschappen om de macht en de toegang tot land;

G.  overwegende dat de vrede en de stabiliteit in Noord-Nigeria sinds 2009 worden bedreigd door de aanhoudende aanvallen, moorden en ontvoeringen door de islamistische groepering Boko Haram;

H.  overwegende dat sinds Boko Haram met de aanvallen is gestart, meer dan 20 000 mensen vermoord zijn en ruim 2 miljoen mensen ontheemd zijn of naar buurlanden zijn moeten vluchten;

I.  overwegende dat Boko Haram 276 meisjes heeft ontvoerd uit hun school in Chibok (Noord-Nigeria) in april 2014, van wie sommige weer bij hun familie wonen, maar een aanzienlijk aantal nog steeds op een onbekende locatie wordt vastgehouden;

J.  overwegende dat vrouwen en meisjes door Boko Haram tot slaaf zijn gemaakt, zijn verkracht, zijn geradicaliseerd en tot "huwelijken" zijn gedwongen; overwegende dat velen van wie deze afschuwwekkende gebeurtenissen hebben overleefd, door verkrachting zwanger zijn geraakt;

K.  overwegende dat de veiligheidstroepen ook zijn beschuldigd van het verstoren van vreedzaam protest en bijeenkomsten, in sommige gevallen met machtsvertoon en buitensporig geweld;

L.  overwegende dat het voorbije jaar talrijke ontvoeringen van geestelijken en zusters hebben plaatsgevonden, waaronder de ontvoering in Iguoriakhi op 13 november 2017 van zes zusters uit het klooster van het Eucharistisch Hart van Jezus, die onlangs werden vrijgelaten;

M.  overwegende dat 14 mensen gedood zijn en vele anderen gewond zijn geraakt in Omoku, toen zij op nieuwjaarsdag in de vroege ochtend terugkeerden van een kerkdienst; overwegende dat het aantal doden zowel bij de christenen als bij de moslims recent is gestegen, wat de onrustwekkende toestand van beide geloofsgemeenschappen in het land benadrukt;

N.  overwegende dat de conflicten tussen herders- en boerengemeenschappen in Nigeria het afgelopen decennium talrijker, meer verspreid en intenser zijn geworden en vandaag een bedreiging vormen voor het nationale voortbestaan; overwegende dat duizenden mensen zijn gedood, gemeenschappen zijn verwoest en een groot aantal boeren en herders het leven hebben gelaten of hun eigendom kwijt zijn vanwege de escalatie van moord en vernieling die niet alleen de bestaansmiddelen vernietigt, maar ook negatieve gevolgen heeft voor de nationale cohesie;

O.  overwegende dat het voortbestaan van de nomadische veeteelt op lange termijn wordt bedreigd door de hoge bevolkingsgroei, de uitbreiding van de landbouw en het verlies van weidegronden en trekroutes; overwegende dat de nomadische veeteelt terzelfder tijd niet mag worden beëindigd of verboden, aangezien het bestaan ervan berust op sterke culturele, politieke en economische argumenten;

P.  overwegende dat het Internationaal Strafhof (ICC) heeft verklaard dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat Boko Haram in Nigeria misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7 van het Statuut van Rome heeft begaan, waaronder moord en vervolging;

Q.  overwegende dat Nigeria beschikt over een complex rechtsstelsel, met een combinatie van gemeen recht, gewoonterecht en religieus recht, en over verschillende bestuursniveaus, zodat het moeilijk is om de mensenrechten naar behoren te handhaven;

R.  overwegende dat verantwoordingsplicht, rechtvaardigheid, de rechtsstaat en de bestrijding van straffeloosheid essentiële elementen zijn ter ondersteuning van inspanningen met het oog op vrede, conflictoplossing, verzoening en heropbouw;

S.  overwegende dat de doodstraf wettelijk is in Nigeria; overwegende dat in Nigeria het aantal ter dood veroordeelden 527 bedroeg in 2016, drie keer meer dan in 2015; overwegende dat er sinds 2006 een feitelijk moratorium op de doodstraf van kracht was, dat evenwel werd onderbroken in 2013 en 2016;

T.  overwegende dat de onafhankelijke nationale kiescommissie van Nigeria heeft aangekondigd dat presidents- en parlementsverkiezingen zullen worden gehouden op 16 februari 2019;

U.  overwegende dat de organisatie Transparency International Nigeria op de 136e plaats inschaalde van de 175 landen in haar corruptieperceptie-index van 2016;

V.  overwegende dat de EU uit hoofde van artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou een regelmatige politieke dialoog met Nigeria aangaat over mensenrechten en democratische beginselen, dus ook over etnische, religieuze en raciale discriminatie;

1.  maakt zich grote zorgen over de toenemende interetnische conflicten tussen herders en boeren in de Middle Belt-regio die hebben geleid tot een toename van de veiligheidsproblemen waarvoor Nigeria zich al gesteld zag, en betreurt het gebrek aan echte vooruitgang bij de aanpak van deze problemen;

2.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de toename van geweld tegen christenen en moslims in Nigeria, inclusief het viseren van religieuze instellingen en gelovigen, zoals bij de recente moord op minstens 48 christenen in verschillende dorpen in Plateau State en de bomaanslag in de moskee in Mubi (Noordoost-Nigeria), waarbij minstens 50 mensen omkwamen; verzoekt president Buhari en de Nigeriaanse regering hun inspanningen op te voeren om een einde te maken aan het geweld, het recht van de Nigerianen op vrije geloofsbeleving te verdedigen en de rechten van al hun burgers afdoende te beschermen, overeenkomstig de wetten en de grondwet van het land; betuigt zijn medeleven aan de families van alle slachtoffers van het aanhoudende geweld; herinnert er bovendien aan dat het samenleven van herders en boeren tot de jaren zeventig vreedzaam is verlopen en betreurt dat het huidige geweld, dat verband houdt met de toegang tot land en verergerd is door het verdwijnen van doeltreffende bemiddelingsregelingen, nu wordt afgeschilderd als een religieus conflict, wat een te eenvoudige voorstelling van zaken is;

3.  verzoekt de regering met klem zich toe te leggen op de bescherming van de mensenrechten en de menselijke waardigheid op alle beleidsgebieden om het vreedzame samenleven van alle burgers te waarborgen, ongeacht hun godsdienst, overtuigingen en politieke banden;

4.  verzoekt de Nigeriaanse regering met klem via onderhandelingen te komen tot een nationaal beleidskader dat de belangen van zowel boeren als herders beschermt, en verzoekt de internationale partners meer middelen te investeren in het voorkomen en oplossen van de intercommunale conflicten tussen veehoeders en boeren, door het ondersteunen van samenwerking door middel van gezamenlijke initiatieven op het gebied van economisch beheer en het beheer van de natuurlijke hulpbronnen;

5.  betreurt het aanhoudende geweld en de aanvallen in Noord-Nigeria die gericht waren tegen christelijke gemeenschappen; merkt op dat Boko Haram moslims, christenen en andere geloofsgemeenschappen zonder onderscheid heeft aangevallen;

6.  merkt op dat het Nigeriaanse leger grondgebied van Boko Haram heeft heroverd en een aantal leden ervan heeft gearresteerd, maar dat de niet-militaire inspanningen van de regering in de strijd tegen Boko Haram nog maar pas op gang aan het komen zijn;

7.  verzoekt de regering Buhari met klem om haar burgers te beschermen tegen terrorisme, maar benadrukt dat dergelijke acties moeten worden uitgevoerd met volledige eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat; is ingenomen met de vooruitgang van de regering Buhari inzake de veiligheidsproblemen waarvoor Nigeria zich gesteld ziet en inzake de aanpak van de corruptie; biedt zijn steun aan om deze doelstelling te realiseren en te proberen de koppeling te verbreken tussen corrupte praktijken en terrorisme;

8.  wijst er evenwel nogmaals op dat de maatregelen van de regering tegen Boko Haram en andere terroristische organisaties niet nog meer geweld mogen veroorzaken; dringt in dit verband aan op een hervorming van de nationale veiligheidstroepen van Nigeria, met inbegrip van de politie, en op het voeren van onderzoeken naar de verantwoordelijken voor alle mensenrechtenschendingen, waaronder buitengerechtelijke executies, foltering, willekeurige arrestatie en aan afpersing gerelateerd misbruik;

9.  verzoekt de Nigeriaanse regering met klem de onderliggende oorzaken van het geweld aan te pakken door te zorgen voor gelijke rechten voor alle burgers en voor niet-discriminerende wetgeving;

10.  veroordeelt het seksueel en gendergerelateerd geweld waarbij Boko Haram en andere terroristische groeperingen zich richten tegen vrouwen en meisjes, die het slachtoffer worden van ontvoering, gedwongen huwelijk of verkrachting of een zelfmoordaanslag moeten plegen; spreekt er bovendien zijn bezorgdheid over uit dat de ontoereikende humanitaire hulp in vluchtelingenkampen ook tot een groot aantal gevallen van uitbuiting en seksueel misbruik heeft geleid;

11.  roept de Nigeriaanse autoriteiten op de nodige psychosociale steun te verlenen aan de slachtoffers van het radicaliseringsprobleem, in het bijzonder vrouwen, kinderen en jongeren, voor zij in de samenleving re-integreren; dringt aan op gezamenlijke inspanningen van alle internationale actoren voor de preventie van radicalisering die tot gewelddadig extremisme leidt, en voor de ontwikkeling van rehabilitatie- en deradicaliseringsprogramma's;

12.  spoort aan tot grotere vooruitgang bij de aanpak van de corruptie die de Nigeriaanse samenleving al decennia lam legt en is van mening dat de regering Buhari haar bredere politieke, economische en sociale agenda niet kan verwezenlijken zonder kordaat op te treden om aan dergelijke misdrijven een einde te maken; verzoekt de Nigeriaanse autoriteiten met klem de maatregelen om de corruptie aan te pakken te versterken en benadrukt dat, als dit niet gebeurt, dit zal leiden tot bijkomende jaren van armoede, ongelijkheid, reputatieschade, minder externe investeringen en minder kansen in het leven van de burgers; herinnert eraan dat corruptie leidt tot ontevredenheid over overheidsinstellingen en tot aantasting van de legitimiteit van de overheid in de ogen van de burgers;

13.  dringt aan op verbeteringen om het Nigeriaanse gerechtelijk apparaat efficiënter en onafhankelijker te laten functioneren, zodat het strafrecht doeltreffend kan worden aangewend in de strijd tegen geweld, terrorisme en corruptie;

14.  doet een dringende oproep aan de Nigeriaanse autoriteiten om een moratorium op de doodstraf in te stellen in het vooruitzicht van de afschaffing ervan;

15.  herinnert de regering van Nigeria eraan dat zij verantwoordelijk is om ervoor te zorgen dat verkiezingen worden gehouden in overeenstemming met de internationale mensenrechtenverplichtingen van het land, en om alle nodige maatregelen te treffen om te zorgen voor vrije, transparante en geloofwaardige verkiezingen;

16.  verzoekt de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten toe te zien op de re-integratie van Nigeriaanse terugkeerders uit Libië en ervoor te zorgen dat de voorziene EU-steun doeltreffend wordt besteed; roept de Commissie op het Parlement op de hoogte te houden van deze maatregelen voor re-integratie;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president van de Federale Republiek Nigeria, de voorzitter van de Afrikaanse Unie, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, het Pan-Afrikaanse Parlement en de vertegenwoordigers van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas).


De zaak van de mensenrechtenactivisten Wu Gan, Xie Yang, Lee Ming-che, Tashi Wangchuk en de Tibetaanse monnik Choekyi
PDF 180kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over de zaak van de mensenrechtenactivisten Wu Gan, Xie Yang, Lee Ming-che en Tashi Wangchuk, en de Tibetaanse monnik Choekyi (2018/2514(RSP))
P8_TA(2018)0014RC-B8-0043/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over China, met name die van 13 maart 2014 over de prioriteiten van de EU voor de 25e sessie van de Mensenrechtenraad van de VN(1), die van 16 december 2015 over de betrekkingen tussen de EU en China(2), die van 24 november 2016 over uitgever Gui Minhai, die in China in de gevangenis zit(3), die van 15 december 2016 over de zaak van de Tibetaanse boeddhistische academie Larung Gar en Ilham Tohti(4), en die van 6 juli 2017 over Nobelprijswinnaar Lia Xiaobo en Lee Ming-che(5),

–  gezien het in 2003 gelanceerde strategisch partnerschap tussen de EU en China, en de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 22 juni 2016 getiteld "Elementen voor een nieuwe strategie van de EU ten aanzien van China",

–  gezien de top EU-China op 1 en 2 juni 2017 in Brussel,

–  gezien de goedkeuring - op 1 juli 2015 - van de nieuwe wet op de nationale veiligheid door het permanente comité van het Chinese Nationale Volkscongres, en de publicatie - op 5 mei 2015 - van het tweede ontwerp van een nieuwe wet op het beheer van buitenlandse ngo's,

–  gezien artikel 36 van de grondwet van de Volksrepubliek China, waarin het recht van alle burgers op vrijheid van religie en geloof wordt gewaarborgd, en artikel 4 van diezelfde grondwet, waarin de rechten van "minderheidsnationaliteiten" worden bevestigd,

–  gezien de in 1995 gestarte dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, en de 35e ronde van deze dialoog op 22 en 23 juni 2017 in Brussel,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement aan Wei Jingsheng en Hu Lia in 1996, respectievelijk 2008,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/Europees Nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van 27 december 2017 over de veroordeling van Wu Gan en Xie Yang in China,

–  gezien de plaatselijke verklaring van de delegatie van de Europese Unie op Internationale Mensenrechtendag, 8 december 2017,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bevordering en eerbiediging van de universele mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat de kern moeten blijven uitmaken van de langlopende relatie tussen de EU en China, in overeenstemming met het engagement van de EU om deze waarden in haar extern optreden uit te dragen en het feit dat China de intentie uitgesproken heeft zich bij zijn eigen ontwikkeling en in het kader van internationale samenwerking aan deze waarden te zullen houden;

B.  overwegende dat de mensenrechtensituatie in China sinds het aantreden van president Xi Jinping verder is verslechterd, in die zin dat de regering harder optreedt tegen vreedzaam protest en minder ruimte laat voor de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, en de rechtsstaat; overwegende dat honderden mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten door de Chinese autoriteiten opgepakt zijn en worden vervolgd;

C.  overwegende dat een rechtbank in Tianjin activist Wu Gan op 26 december 2017 tot een gevangenisstraf van acht jaar heeft veroordeeld op beschuldiging van ondermijning van de staat; overwegende dat Wu Gan herhaaldelijk gevoelige kwesties zoals machtsmisbruik door de regering aan de kaak stelde, zowel online als offline; overwegende dat Wu Gan volgens zijn advocaat een deal met de autoriteiten van de hand heeft gewezen op grond waarvan zijn veroordeling in ruil voor een schuldbekentenis in een voorwaardelijke straf zou zijn omgezet;

D.  overwegende dat op dezelfde dag in Hunan mensenrechtenadvocaat Xie Yang werd veroordeeld, maar een strafrechtelijke sanctie ontliep nadat hij eerder bekende zich schuldig te hebben gemaakt aan subversieve activiteiten; overwegende dat de arrestatie van Wu Gan maanden vóór een ongekende aanval op mensenrechtenadvocaten en -activisten in 2015 plaatsvond, een aanval waarbij gedurende enkele weken in het hele land honderden mensen, waaronder Xie Yang, voor ondervraging werden opgepakt of vastgezet; overwegende dat er beschuldigingen zijn dat Xie Yang door zijn ondervragers gefolterd, geslagen en bedreigd is;

E.  overwegende dat een rechtbank in Yueyang voorvechter voor democratie Lee Ming-che op 28 november 2017 tot vijf jaar gevangenisstraf heeft veroordeeld na hem schuldig te hebben bevonden aan "ondermijning van de staat", en hem voor een periode van twee jaar al zijn politieke rechten in China heeft afgepakt; overwegende dat Lee Ming-che's publieke schuldbekentenis waarschijnlijk onder druk van de Chinese autoriteiten tot stand is gekomen; overwegende dat Lee Ming-che op 19 maart 2017 was verdwenen na vanuit Macau naar de Chinese provincie Guangdong te zijn gereisd;

F.  overwegende dat Tashi Wangchuk, een Tibetaanse winkeleigenaar en voorvechter van taalrechten, op 27 januari 2016 is opgepakt na zich in een video van de New York Times te hebben uitgesproken voor het recht van Tibetanen om in hun moedertaal onderwijs te volgen en te studeren; overwegende dat Tashi Wangchuk in maart 2016 beschuldigd is van het "aanzetten tot separatisme" en hem een gevangenisstraf van mogelijkerwijs 15 jaar boven het hoofd hangt, hoewel hij de krant nadrukkelijk had verteld dat hij niet oproept tot de onafhankelijkheid van Tibet;

G.  overwegende dat de Tibetaanse monnik Choekyi van het klooster Phurbu in Seda in Sichuan gevangen is gezet voor het vieren van de verjaardag van de Dalai Lama, de in ballingschap levende spirituele leider van Tibet; overwegende dat Choekyi na zijn inbeschuldigingstelling korte tijd is vastgehouden in Kangding in de provincie Ganzi, en uiteindelijk naar de Mianyang-gevangenis in Sichuan over is gebracht voor het uitzitten van een straf van vier jaar; overwegende dat Choekyi volgens berichten in de media nierproblemen, geelzucht en andere gezondheidsproblemen had, en dat deze door zijn detentie erger zijn geworden;

H.  overwegende dat mensenrechtenadvocaten voortdurend met intimidatie te maken hebben en ervoor moeten vrezen gevangen te worden gezet, zoals in het geval van de prominente advocaten Li Yuhan, die sinds november 2017 incommunicado is, en Wang Quanzhang, die in juli 2015 is gearresteerd, meer dan 800 dagen geen enkel contact met de buitenwereld had en naar verluidt gefolterd is; overwegende dat mensenrechtenactivisten die verzoekschriften opstellen en naar grote steden reizen om plaatselijke problemen aan de kaak te stellen detentie en gevangenschap moeten vrezen, zoals in het geval van Li Xiaoling, die al sinds juni 2017 vastzit terwijl hij aan een ernstige vorm van groene staar lijdt; overwegende dat ook mensenrechtenactivisten die een platform bieden aan opstellers van verzoekschriften en andere mensenrechtenactivisten, zoals Ding Lingjie, Liu Feiyue en Zhen Jianghua, zijn opgepakt;

I.  overwegende dat de Chinese regering nieuwe wetten heeft aangenomen, in het bijzonder de wet op de staatsveiligheid, de wet terrorismebestrijding, de wet op de cyberveiligheid en de wet op het beheer van buitenlandse ngo's, waarin actievoeren en het uitoefenen van vreedzame kritiek op de regering als bedreiging voor de staatsveiligheid worden gekwalificeerd, de censuurregels worden aangescherpt, de monitoring van en de controle op individuen en maatschappelijke groeperingen wordt opgevoerd, en maatregelen vastgesteld zijn om individuen ervan te weerhouden campagne te voeren voor mensenrechten;

J.  overwegende dat de Raad in het strategisch kader en het actieplan voor mensenrechten en democratie van de EU belooft dat de Unie democratie, de rechtsstaat en "mensenrechten op alle deelterreinen van haar externe optreden, zonder uitzondering, zal bevorderen", en "mensenrechten in het centrum zal plaatsen van haar betrekkingen met alle derde landen, inclusief haar strategische partners";

1.  maakt zich onverminderd ernstig zorgen over de benadering van de Chinese regering van mensenrechtenvoorvechters, -activisten en -advocaten; herinnert China aan zijn verantwoordelijkheid als mondiale mogendheid, en vraagt de autoriteiten in Beijing te waarborgen dat de mensenrechten en fundamentele vrijheden in alle omstandigheden in acht worden genomen, in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere internationale mensenrechteninstrumenten die China ondertekend of geratificeerd heeft; vraagt de autoriteiten in Beijing verder een eind te maken aan alle gevallen van intimidatie van mensenrechtenactivisten in het land, zodat zij hun werk onbelemmerd kunnen doen;

2.  vraagt de Chinese autoriteiten met klem alle mensenrechtenvoorvechters, -activisten en -advocaten, en journalisten en opstellers van verzoekschriften die vanwege hun inzet voor de mensenrechten gevangen zitten onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en de repressie waarvan zij het slachtoffer zijn, in de vorm van detentie en intimidatie (waaronder door justitie), te stoppen;

3.  vraagt de regering van de Volksrepubliek China Wu Gan onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, aangezien hij alleen vastzit voor het op vreedzame wijze uitoefenen van het recht van vrije meningsuiting en het recht van vergadering, en er - in afwachting daarvan - voor te zorgen dat hij regelmatig en onbeperkt toegang heeft tot zijn familie en de advocaten van zijn keuze, en niet aan foltering of andere vormen van slechte behandeling wordt onderworpen; dringt aan op een snel, doeltreffend en onafhankelijk onderzoek naar foltering in China, en op berechting van de daders;

4.  beklemtoont het belang van een onderzoek naar de beschuldigingen van foltering van Xie Yang;

5.  vraagt de Chinese autoriteiten Lee Ming-che onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, en er - in afwachting daarvan - op toe te zien dat hij niet gefolterd of aan andere vormen van slechte behandeling onderworpen wordt, en toegang krijgt tot zijn familie en de advocaten van zijn keuze, alsook tot passende medische zorg;

6.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de arrestatie en permanente detentie van Tashi Wangchuk, alsook over zijn beperkte toegang tot juridische bijstand, het gebrek aan bewijs tegen hem en de onregelmatigheden in het strafrechtelijk onderzoek; dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van Tashi Wangchuk;

7.  vraagt de Chinese autoriteiten de Tibetaanse monnik Choekyi onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; vraagt de Chinese regering met klem zijn familie en de advocaten van zijn keuze toe te staan hem te bezoeken en, in het bijzonder, hem passende medische zorg te geven;

8.  vraagt de Chinese regering haar eigen grondwet te respecteren, in het bijzonder artikel 4 inzake de bescherming van nationale minderheden, artikel 35 inzake de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid, de vrijheid van vergadering, van vereniging, van het organiseren van marsen en van demonstratie, artikel 36 inzake de vrijheid van religie en geloof, en artikel 41 inzake het recht op het uitoefenen van kritiek op en het doen van suggesties aan overheidsorganen en/of -functionarissen;

9.  herhaalt zijn oproep aan de regering van China het gesprek aan te gaan met Zijne Heiligheid de Dalai Lama en diens vertegenwoordigers, en spreekt zijn steun uit voor een vreedzame oplossing van de kwestie-Tibet door middel van dialoog en onderhandelingen, gericht op daadwerkelijke autonomie voor Tibet binnen het kader van de Chinese grondwet;

10.  veroordeelt bovendien de volgens de aanpak van "patriottische opvoeding" gevoerde anti-boeddhistische campagnes, waaronder de maatregelen om de Tibetaanse boeddhistische kloosters te laten beheren door de staat; vindt het zorgwekkend dat het Chinese strafrecht wordt misbruikt om Tibetanen en boeddhisten, wier religieuze activiteiten op gelijke voet worden geplaatst met "separatisme", te vervolgen; betreurt het dat het klimaat om het boeddhisme te belijden in Tibet sinds de Tibetaanse protesten in maart 2008 sterk verslechterd is, waarbij China sterker inzet op de benadering van "patriottische opvoeding";

11.  is bezorgd over de goedkeuring van het pakket veiligheidswetten en de impact ervan op minderheden in China, in het bijzonder de wet inzake terrorismebestrijding, die kan leiden tot de strafbaarstelling van vreedzame uitingen van de Tibetaanse cultuur en religie, en de wet inzake het beheer van internationale ngo's, uit hoofde waarvan mensenrechtengroepen onder de strikte controle van de regering zullen komen te staan, aangezien dit louter een benadering van bovenaf inhoudt in plaats van een aanzet tot het tot stand brengen van partnerschappen tussen de lokale en centrale overheid en het maatschappelijk middenveld;

12.  beklemtoont dat de Chinese autoriteiten moeten waarborgen dat al diegenen die incommunicado worden gehouden onmiddellijk contact met hun familieleden en advocaten kunnen opnemen, en dat de omstandigheden van alle personen in detentie moeten voldoen aan de normen in het document "Body of Principles for the Protection of All Persons under Any Form of Detention or Imprisonment" in resolutie 43/173 van 9 december 1988 van de Algemene Vergadering van de VN, waaronder aan hetgeen daarin staat over de toegang tot medische zorg;

13.  maakt zich ernstig zorgen over de berichten van foltering van mensenrechtenactivisten; vraagt de Chinese regering dan ook het absolute en onaantastbare verbod op foltering en andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, zoals bedoeld in de artikelen 2 en 16 van het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat China op 4 oktober 1988 heeft geratificeerd, volledig te respecteren;

14.  spoort de regering van China aan om, nu de 20e verjaardag van haar ondertekening dichterbij komt, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te ratificeren en erop toe te zien dat het volledig wordt toegepast, waaronder door een eind te maken aan alle vormen van inperking van de rechten in kwestie en door, in voorkomend geval, haar wetgeving aan te passen;

15.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat de EU de kwestie van de mensenrechtenschendingen in China, in het bijzonder het geval van de minderheden in Tibet en Xinjiang, tijdens elke politieke en mensenrechtendialoog met de Chinese autoriteiten, met inbegrip van de jaarlijkse mensenrechtendialogen, ter sprake brengt, in overeenstemming met de belofte van de EU om met één sterke, duidelijke stem te spreken in haar contacten met China; betreurt het overigens dat de jaarlijkse mensenrechtendialogen tussen de EU en China weinig concrete resultaten opleveren; brengt verder in herinnering dat China er in de context van zijn permanente hervormingsproces en steeds prominentere rol op het wereldtoneel voor gekozen heeft aan het internationale mensenrechtenkader deel te nemen door zijn handtekening te zetten onder een breed scala van internationale mensenrechtenverdragen; dringt er dan ook op aan de dialoog met China voort te zetten, teneinde het land ertoe te bewegen de gedane toezeggingen te honoreren;

16.  dringt er bij alle lidstaten op aan een stevig, op waarden gebaseerd standpunt in te nemen ten opzichte van China, en rekent erop dat ze zullen afzien van unilaterale initiatieven of handelingen die de coherentie, doeltreffendheid en consistentie van het EU-optreden ondermijnen; betreurt het ten zeerste dat de EU er niet in is geslaagd in juni 2017 op de vergadering van de VN-Mensenrechtenraad in Genève een verklaring over de mensenrechten in China af te leggen; juicht de goedkeuring van een verklaring tijdens de volgende bijeenkomst toe, en verwacht van de EU dat zij China blijft noemen als een land waar de Mensenrechtenraad aandacht aan moet besteden zolang als het weigert betekenisvolle mensenrechtenhervormingen door te voeren; vraagt de EU en haar lidstaten daarnaast de zorgen tijdens de aanstaande universele periodieke toetsing van China in niet mis te verstane bewoordingen tot uitdrukking te brengen, en er met name voor te zorgen dat het Chinese maatschappelijk middenveld aan het proces kan deelnemen;

17.  vraagt de VP/HR en de lidstaten goedkeuring te hechten aan de conclusies ten aanzien van China van de Raad Buitenlandse Zaken, waarin gewezen wordt op het cruciale belang van de mensenrechten in de betrekkingen tussen de EU en China, en duidelijk uitdrukking te geven aan de bezorgdheid over de negatieve ontwikkelingen op dit gebied in China, en aan te geven dat verwacht wordt dat China in reactie hierop concrete stappen onderneemt; beklemtoont dat dergelijke conclusies de 28 lidstaten van de EU en de EU-instellingen wat betreft de mensenrechtensituatie in China zouden committeren aan een gemeenschappelijke boodschap en benadering;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

(1) PB C 378 van 9.11.2017, blz. 239.
(2) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 92.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0444.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0505.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0308.


Democratische Republiek Congo
PDF 179kWORD 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over de Democratische Republiek Congo (2018/2515(RSP))
P8_TA(2018)0015RC-B8-0054/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Democratische Republiek Congo (DRC), met name die van 14 juni 2017(1), 2 februari 2017(2) en 1 december 2016(3),

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, en haar woordvoerder over de situatie in de DRC,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 9 november 2017 over de publicatie van het tijdschema voor de verkiezingen in de DRC,

–  gezien de resolutie die op 29 september 2017 is aangenomen door de VN-Mensenrechtenraad over de technische bijstand en de capaciteitsopbouw op het gebied van de mensenrechten in de DRC en het verslag van de VN-secretaris-generaal over de Stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in de Democratische Republiek Congo (Monusco) van oktober 2017,

–  gezien de slotopmerkingen van 9 november 2017 bij de vierde periodieke toetsing van de tenuitvoerlegging van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN door de DRC,

–  gezien resolutie 2348 (2017) van de VN-Veiligheidsraad over de verlenging van het mandaat van Monusco,

–  gezien Besluit (GBVB) 2017/2282 van de Raad van 11 december 2017 om de sancties tegen personen die verantwoordelijk zijn voor geweldplegingen en ernstige mensenrechtenschendingen in de DRC te verlengen tot 12 december 2018,

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 maart en 11 december 2017 over de DRC,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over de samenwerking van de EU met het maatschappelijk middenveld in de externe betrekkingen,

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 15 juni 2016 over de situatie aan de vooravond van de verkiezingen en de veiligheidssituatie in de DRC,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement aan dr. Denis Mukwege in 2014,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 1981,

–  gezien de richtsnoeren voor de vrijheid van vereniging en vergadering van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken van mei 2017,

–  gezien de op 18 februari 2006 aangenomen grondwet van de DRC,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een jaar na de ondertekening van het Eindejaarsakkoord op 31 december 2016 de algemene situatie in de DRC in het hele land blijft verslechteren, met gewelddadige onderdrukking, moorden en wijdverbreide schendingen van de mensenrechten; overwegende dat 2017 een van de meest gewelddadige jaren was in de recente geschiedenis van de DRC;

B.  overwegende dat de VN de situatie in de DRC hebben ingeschaald als niveau 3, het hoogste niveau van humanitaire nood; overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein, op 8 maart 2017 heeft verzocht om de oprichting van een onderzoekscommissie om het geweld in de provincie Kasaï te onderzoeken;

C.  overwegende dat de politieke crisis is verergerd na de weigering van president Kabila om in 2016 af te treden aan het eind van zijn grondwettelijke ambtstermijn; overwegende dat krachtens het Eindejaarsakkoord dat was gesloten onder auspiciën van de nationale conferentie van katholieke bisschoppen van Congo (CENCO) was overeengekomen om in december 2017 verkiezingen te houden; overwegende dat deze termijn niet is gehaald en overwegende dat de onafhankelijke nationale kiescommissie (CENI) heeft aangekondigd dat de verkiezingen zullen worden gehouden op 23 december 2018;

D.  overwegende dat de CENI doorgaat met de logistieke voorbereidingen voor de verkiezingen, inclusief begrotingsafspraken en het kiesregister;

E.  overwegende dat protesten tegen de politieke situatie stuiten op extreem gewelddadig verzet door troepen die worden gesteund door de regering;

F.  overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) heeft gewezen op "de bewuste intentie om burgerrechten en politieke rechten te onderdrukken" door de veiligheidstroepen, inclusief het gebruik van scherpe munitie, traangas en rubberkogels tegen burgers, waaronder koorknapen, overwegende dat de VN de toegang tot ziekenhuizen, mortuaria en detentie-accommodaties wordt geweigerd, en dat de VN wordt belemmerd om als waarnemer aanwezig te zijn bij de protesten;

G.  overwegende dat de DRC het Afrikaans handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur nog niet heeft geratificeerd;

H.  overwegende dat het gewapende conflict tussen het Congolese leger en de lokale milities, met name in Kasaï, aanhoudt; overwegende dat dit geresulteerd heeft in een ernstige humanitaire crisis, met moorden, martelingen en verkrachtingen, de vernietiging van huizen, medische faciliteiten en scholen, en de ontdekking van 40 massagraven in Kasaï; overwegende dat er geen vooruitgang geboekt is om de daders voor de rechter te brengen;

I.  overwegende dat de DRC wereldwijd het hoogste aantal binnenlands ontheemden heeft ten gevolge van een conflict; overwegende dat meer dan 1,9 miljoen mensen sinds januari 2017 binnen de DRC ontheemd zijn geraakt, waarmee het totale aantal binnenlands ontheemden in het land op 4,25 miljoen is gekomen, met name in de provincies Kasaï, Tanganyaki en Kivu; overwegende dat er in de DRC ook vluchtelingen worden opgevangen uit Burundi, de Centraal Afrikaanse Republiek en Zuid-Soedan; overwegende dat de EU 5 miljoen EUR heeft vrijgegeven voor noodhulp aan de slachtoffers van geweld in Kasaï;

J.  overwegende dat het aantal troepen van de Monusco-missie in maart 2017 is verminderd en dat het budget in juni 2017 met 8 % werd verlaagd;

K.  overwegende dat de autoriteiten van de DRC maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten, waaronder Lutte pour le Changement (Lucha), Filimbi, de katholieke kerk en het Comité Laïic de Coordination (CLC), stelselmatig hebben geïntimideerd; overwegende dat er volgens mensenrechtengroeperingen ten minste 358 politieke gevangenen zijn in de DRC;

L.  overwegende dat op 29 en 30 december 2017, zeven mensenrechtenactivisten – Carbone Beni, Mino Bompomi, Roger Katanga Mwenyemali, Bony Dickson Mputu, Grâce Tshiunza, Cedrick Kalonji en Arciel Beni, allen aangesloten bij de Filimbi-beweging – zijn gearresteerd en zonder arrestatiebevelen gevangen worden gehouden, en overwegende dat er niets bekend is over het lot van een andere mensenrechtenactivist, Palmer Kabeya;

M.  overwegende dat ontvoeringen van en aanvallen op hulpmedewerkers en vredeshandhavingstroepen toenemen, waardoor humanitaire organisaties gedwongen worden de levering van hulpgoederen uit te stellen en hun activiteiten op te schorten;

N.  overwegende dat de drie wetsvoorstellen die zijn ingediend in de Congolese Nationale Vergadering – over de regulering van non-gouvernementele organisaties, over mensenrechtenactivisten en over terrorismebestrijding – in hun huidige vorm in strijd zijn met de regionale en internationale mensenrechtennormen en een bedreiging vormen van de onafhankelijkheid van het maatschappelijk middenveld in Congo die zijn weerga niet kent;

O.  overwegende dat de EU de restrictieve maatregelen tegen individuen wegens de obstructie van het verkiezingsproces en de mensenrechtenschendingen tot december 2018 heeft verlengd;

1.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de verslechtering van de humanitaire, politieke en veiligheidssituatie in de DRC; veroordeelt alle mensenrechtenschendingen en gewelddaden ten zeerste, met name tegen vreedzame demonstranten, inclusief het verbod op vreedzame demonstraties en het beleid van intimidatie, arrestatie en detentie van dissidenten; dringt er bij de Congolese autoriteiten op aan over te gaan tot onmiddellijke vrijlating van alle gewetensgevangenen en een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de gewelddadige onderdrukking van de demonstraties in december 2017 en de ontdekte massagraven;

2.  herinnert eraan dat de regering van de DRC in de eerste plaats de verantwoordelijkheid heeft om burgers die op haar grondgebied verkeren en/of onder haar jurisdictie vallen te beschermen, onder andere tegen oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

3.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de bewijzen van mensenrechtenorganisaties, met name het onderzoeksverslag van de Internationale Federatie voor de mensenrechten (FIDH) van december 2017 over de slachtpartijen in Kasaï, waarin gesteld wordt dat er een "bewuste strategie van terreur en destructie, die geleid heeft tot misdaden tegen de menselijkheid" wordt gevolgd door de Congolese veiligheidstroepen en de door de regering gesteunde milities in de provincie Kasaï; dringt er bij het Internationaal Strafhof (ICC) en de VN op aan een onderzoek in te stellen naar deze beschuldigingen;

4.  uit zijn bezorgdheid over de situatie van vrouwen en kinderen in de DRC; veroordeelt verkrachting, seksueel geweld en marteling ten zeerste; is gealarmeerd door beschuldigingen van illegale ronseling en tewerkstelling van kindsoldaten door Congolese milities, en is van mening dat het voor de Congolese autoriteiten en de internationale gemeenschap een prioriteit moet zijn om een einde te maken aan het gebruik van kindsoldaten;

5.  betreurt ten zeerste dat er in 2017 geen verkiezingen zijn gehouden zoals was gepland; herinnert aan de verantwoordelijkheid van de Congolese autoriteiten en instellingen om zich op effectieve wijze te houden aan het nieuwe verkiezingsschema overeenkomstig de Congolese grondwet en het Eindejaarsakkoord; dringt er op aan dat er op 23 december 2018 transparante, vrije en eerlijke presidents- en parlementsverkiezingen worden gehouden; herinnert eraan dat de CENI een onafhankelijke, onpartijdige en inclusieve instelling moet zijn, en dringt er bij de regering van de DRC op aan ervoor te zorgen dat er voldoende middelen worden verschaft; dringt er bovendien op aan dat de CENI en de regering per kwartaal termijnen vaststellen voor het verkiezingsschema om de vooruitgang te kunnen meten, en ten teken dat de regering voornemens is de verkiezingen te houden; herinnert eraan dat alleen geloofwaardige verkiezingen een uitweg uit de crisis bieden;

6.  benadrukt dat tegenstanders in ballingschap veilig en onvoorwaardelijk terug moeten kunnen keren en dat iedere burger het recht moet hebben om zich in de verkiezingen kandidaat te stellen; is verheugd dat er een gecoördineerd team van deskundigen is opgericht dat belast is met de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het verkiezingsproces en de facilitering van de mobilisering van financiële, logistieke en technische bijstand aan de DRC, waaraan wordt deelgenomen door de Afrikaanse Unie (AU), de Organisation internationale de la Francophonie (OIF), de Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika (SADC) en de VN; steunt de bijdrage van de EU aan het verkiezingsproces in de DRC, maar dringt er bij de EU op aan uitsluitend middelen ter beschikking te stellen mits er door de Congolese regering maatregelen worden getroffen waaruit de politieke wil blijkt om op 23 december 2018 verkiezingen te houden, o.a. als er – met name – een realistische verkiezingsbegroting wordt gepubliceerd, en alle grondrechten en fundamentele vrijheden voor alle politieke partijen en maatschappelijke organisaties worden gewaarborgd;

7.  veroordeelt alle vormen van intimidatie en bedreigingen van maatschappelijke organisaties en ngo's ten zeerste; is bijzonder bezorgd over de meest recente doodsbedreigingen aan het adres van vertegenwoordigers van de FIDH en aanverwante organisaties; dringt er bij de autoriteiten en veiligheidstroepen van de DRC op aan de bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou en het Eindejaarsakkoord volledig na te leven, met name met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en demonstratie; dringt er bij de Congolese autoriteiten op aan het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur zo spoedig mogelijk te ratificeren;

8.  is gekant tegen de wetsvoorstellen die in de Congolese Vergadering zijn ingediend over de regulering van ngo's, mensenrechtenactivisten en terrorismebestrijding; dringt er bij de Congolese autoriteiten op aan het wetgevingsproces volledig eerbiedigen en de wetsvoorstellen af te stemmen op de internationale en regionale normen ter bescherming en bevordering van de mensenrechten;

9.  dringt er bij de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap op aan de steun aan, en de bescherming van, mensenrechtenactivisten te verhogen; dringt er bij de autoriteiten van de DRC op aan degenen die mensenrechtenactivisten aanvallen en democratische protesten onderdrukken op te sporen en voor de rechter te brengen;

10.  is verheugd dat de VN-secretaris-generaal heeft aangekondigd een onderzoek in te stellen naar de aanval op Monusco-troepen door een ADF-militie op 7 december 2017, waarbij 15 vredeshandhavers het leven lieten in het noorden van de provincie Kivu;

11.  uit zijn bezorgdheid over de meest recente VN-troepenvermindering en bezuinigingen; dringt er bij de VN-Veiligheidsraad en de VN-lidstaten op aan ervoor te zorgen dat Monusco adequate financiering ontvangt om de taken uit te voeren waarmee de missie krachtens haar mandaat is belast; herinnert eraan dat het mandaat van Monusco ook bijdragen aan de bescherming van burgers behelst en ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de politieke overeenkomst;

12.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan voorrang te verlenen aan mensenrechtenwaarden; herinnert eraan dat het van cruciaal belang is personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en andere activiteiten die een vreedzame oplossing voor het conflict in de DRC in de weg staan, te vervolgen; is in dit verband verheugd over gerichte EU-sancties en dringt er bij de EU op aan te overwegen aanvullende middelen aan te wenden, zoals bepaald wordt in de Overeenkomst van Cotonou, als de situatie verslechtert en er geen merkbare vooruitgang wordt geboekt om tot een vreedzame oplossing te komen;

13.  herinnert eraan dat Ibrahim Thiaw, adjunct-uitvoerend directeur van de Milieuvergadering van de VN, in april 2015 heeft verklaard dat er jaarlijks voor meer dan 1 miljard USD aan natuurlijke rijkdommen wordt geëxploiteerd en dat het merendeel van de winst – tot 98 % – wordt opgestreken door internationale conglomeraten, terwijl de resterende 2 % terechtkomt bij gewapende groeperingen in de DRC; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen tegen Europese bedrijven die de internationale normen niet naleven of die de slachtoffers van mensenrechtenschendingen waarvoor zij direct of indirect verantwoordelijk zijn, geen behoorlijke schadevergoeding bieden; vraagt dat het akkoord dat de lidstaten op 15 juni 2016 hebben bereikt over de Europese verordening inzake conflictmineralen (Verordening (EU) 2017/821(4)) spoedig wordt uitgevoerd en dat er op het niveau van de EU en de VN verder wordt gewerkt aan een internationale wetgeving ter zake;

14.  herhaalt zijn steun voor de AU, de OIF en de SADC, alsmede, met name, Angola, die de politieke dialoog in de DRC en de gehele regio faciliteren;

15.  slaat alarm vanwege de escalerende cholera-epidemie en dringt aan op meer humanitaire hulp om de uitbraak tegen te gaan; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de financiële en humanitaire hulp te verhogen via betrouwbare organisaties om te voldoen aan de dringende behoeften van de bevolking;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de Raad van ministers en Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement, en de president, de premier en het parlement van de Democratische Republiek Congo.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0264.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0017.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0479.
(4) PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.


Verdrag van Marrakesh: bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben ***
PDF 243kWORD 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben (12629/2017 – C8-0375/2017 – 2014/0297(NLE))
P8_TA(2018)0016A8-0400/2017

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (12629/2017),

–  gezien het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben (5905/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 114 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0375/2017),

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van 14 februari 2017(1),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken (A8-0400/2017),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het Verdrag van Marrakesh;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO).

(1) Advies van het Hof van Justitie van 14 februari 2017, 3/15, ECLI:EU:C:2017:114.


Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering *
PDF 573kWORD 72k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale ontvoering van kinderen (herschikking) (COM(2016)0411 – C8-0322/2016 – 2016/0190(CNS))
P8_TA(2018)0017A8-0388/2017

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2016)0411),

–  gezien artikel 81, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0322/2016),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–  gezien de artikelen 104 en 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie verzoekschriften (A8-0388/2017),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en zoals hieronder gewijzigd;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Verordening (EG) nr. 2201/200334 van de Raad [34] is ingrijpend gewijzigd 35. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die verordening te worden overgegaan.
(1)  Verordening (EG) nr. 2201/200334 van de Raad34 is ingrijpend gewijzigd35. Aangezien nieuwe onontbeerlijke wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die verordening te worden overgegaan. Dergelijke wijzigingen van de verordening zullen bijdragen tot het versterken van de rechtszekerheid en het vergroten van de flexibiliteit, zullen helpen ervoor te zorgen dat de toegang tot gerechtelijke procedures wordt verbeterd en deze procedures efficiënter worden gemaakt. Tegelijkertijd zullen de wijzigingen van deze verordening helpen ervoor te zorgen dat de lidstaten hun volledige soevereiniteit behouden met betrekking tot het materiële recht inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.
__________________
__________________
34 Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1).
34 Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1).
35 Zie bijlage V.
35 Zie bijlage V.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De vlotte en correcte werking van een ruimte van recht op het niveau van de Unie, met respect voor de verschillende rechtssystemen en -tradities van de lidstaten, is cruciaal voor de Unie. In dat opzicht moet het wederzijds vertrouwen in elkaar rechtsstelsels nog worden versterkt. De Europese Unie heeft zich tot doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in stand te houden , waarin het vrije verkeer van personen en toegang tot het gerecht gewaarborgd zijn . Met het oog op uitvoering van deze doelstellingen moeten de rechten van personen, en van kinderen in het bijzonder, in juridische procedures worden versterkt ter vergemakkelijking van de samenwerking tussen justitiële en administratieve systemen en van de tenuitvoerlegging van beslissingen in zaken van familierecht met grensoverschrijdende gevolgen. De wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke zaken moet worden vergroot, de toegang tot het gerecht moet worden vereenvoudigd en de uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten van de lidstaten moet worden verbeterd.
(3)  De vlotte en correcte werking van een ruimte van recht op het niveau van de Unie, met respect voor de verschillende rechtssystemen en -tradities van de lidstaten, is cruciaal voor de Unie. In dat opzicht moet het wederzijds vertrouwen in elkaar rechtsstelsels nog worden versterkt. De Europese Unie heeft zich tot doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in stand te houden , waarin het vrije verkeer van personen en toegang tot het gerecht gewaarborgd zijn. Met het oog op uitvoering van deze doelstellingen is het essentieel dat de rechten van personen, en van kinderen in het bijzonder, in juridische procedures worden versterkt ter vergemakkelijking van de samenwerking tussen justitiële en administratieve systemen en van de tenuitvoerlegging van beslissingen in zaken van familierecht met grensoverschrijdende gevolgen. De wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke zaken moet worden vergroot, de toegang tot het gerecht moet worden vereenvoudigd en de uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten van de lidstaten moet worden verbeterd, en daarbij moet er nauwkeurig op worden toegezien dat de procedures en praktijken van de bevoegde autoriteiten in de lidstaten niet discriminerend zijn, teneinde de belangen van het kind en de daaraan verbonden grondrechten te beschermen.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Te dien einde moet de Unie met name maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen aannemen, met name als die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt.
(4)  Te dien einde moet de Unie met name maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen aannemen, in het bijzonder als die nodig zijn voor het vrij verkeer van personen en voor de goede werking van de interne markt.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Teneinde de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen te vergroten is justitiële opleiding, met name inzake grensoverschrijdend familierecht, nodig. Opleidingsactiviteiten, zoals studiebijeenkomsten en uitwisselingen, zijn zowel op EU- als op nationaal niveau vereist, teneinde de bekendheid met deze verordening, de inhoud en de gevolgen ervan, te vergroten, alsook om wederzijds vertrouwen te kweken tussen de lidstaten ten aanzien van hun rechtsstelsels.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen dient deze verordening van toepassing te zijn op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken of andere procedures.
(6)  Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen dient deze verordening van toepassing te zijn op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Op grond van deze verordening dienen de bevoegdheidsregels ook van toepassing te zijn op alle kinderen die aanwezig zijn op het grondgebied van de Unie en wier gewone verblijfplaats niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Het toepassingsgebied van dergelijke voorschriften moet met name worden uitgebreid tot vluchtelingenkinderen en kinderen die om sociaaleconomische redenen of vanwege ongeregeldheden in hun land naar een ander land zijn overgebracht.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Deze verordening dient de rechten volledig te eerbiedigen die zijn omschreven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht van artikel 47 van het Handvest, alsook het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven van artikel 7 van het Handvest, en de rechten van het kind zoals vastgelegd in artikel 24 van het Handvest.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  De bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en moeten ook in het belang van het kind worden toegepast. Elke verwijzing naar de belangen van het kind moet worden geïnterpreteerd in de zin van artikel 24 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie en van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989.
(13)  De bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid moeten altijd zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn en bij de toepassing van deze regels moet met dit belang rekening worden gehouden. Elke verwijzing naar de belangen van het kind moet worden geïnterpreteerd in de zin van de artikelen 7, 14, 22 en 24 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie en van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989. Het is van essentieel belang dat de lidstaat waarvan de autoriteiten uit hoofde van deze verordening inzake ouderlijke verantwoordelijkheid ten gronde bevoegd zijn, ervoor zorgt dat, nadat een definitieve beslissing is genomen die de terugkeer van het kind inhoudt, de belangen en de fundamentele rechten van het kind beschermd worden na de terugkeer van het kind, met name wanneer het contact heeft met beide ouders.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Het begrip "gewone verblijfplaats" moet aan de hand van de definities van de autoriteiten, per geval en in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak worden uitgelegd.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Wanneer de gewone verblijfplaats van een kind verandert ten gevolge van een wettige verhuizing, moet de bevoegdheid met het kind meereizen zodat de nauwe verbondenheid behouden blijft. Dit moet van toepassing zijn als er nog geen procedures aanhangig zijn en op aanhangige procedures. In aanhangige procedures kunnen de partijen echter in het belang van de efficiëntie van justitie overeenkomen dat de rechtbanken van de lidstaten waar de procedures aanhangig zijn, de bevoegdheid behouden totdat een definitieve beslissing is gegeven, als zulks in het belang is van het kind. Deze mogelijkheid is bijzonder relevant als de procedures bijna afgerond zijn en een van de ouders met het kind wenst te verhuizen naar een andere lidstaat.
(15)  Wanneer de gewone verblijfplaats van een kind verandert ten gevolge van een wettige verhuizing, moet de bevoegdheid met het kind meereizen zodat de nauwe verbondenheid behouden blijft. In aanhangige procedures kunnen de partijen echter in het belang van de efficiëntie van justitie overeenkomen dat de rechtbanken van de lidstaten waar de procedures aanhangig zijn, de bevoegdheid behouden totdat een definitieve beslissing is gegeven, als zulks in het belang is van het kind. Anderzijds moeten aanhangige procedures inzake voogdij en omgangsrecht worden afgesloten met een definitieve beslissing, zodat personen die het voogdijrecht hebben een kind niet naar een ander land overbrengen om daarmee een ongunstige beslissing van een autoriteit te vermijden, tenzij de partijen overeenkomen dat de aanhangige procedure dient te worden beëindigd.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Deze verordening mag niet beletten dat de autoriteiten van een lidstaat die geen bevoegdheid ten gronde hebben, in spoedeisende gevallen voorlopige of bewarende maatregelen nemen met betrekking tot de persoon of vermogensbestanddelen van een kind die zich in die lidstaat bevinden. Deze maatregelen moeten worden erkend door en ten uitvoer gelegd in alle andere lidstaten, met inbegrip van de lidstaten die krachtens deze verordening bevoegd zijn, totdat een bevoegde autoriteit van die lidstaat de maatregelen heeft genomen die zij nodig acht. Maatregelen die zijn genomen door een rechtbank in een lidstaat zouden echter enkel mogen worden gewijzigd of vervangen door maatregelen die eveneens door een rechtbank zijn genomen in de lidstaat, die ten gronde bevoegd is. Een autoriteit die alleen bevoegd is voor voorlopige maatregelen, met inbegrip van bewarende maatregelen, bij wie een verzoek ten gronde aanhangig wordt, kan op eigen initiatief verklaren niet bevoegd te zijn. Als dat nodig is om de belangen van het kind te beschermen, informeert de autoriteit, hetzij rechtstreeks, hetzij via de centrale autoriteit, de autoriteit van de lidstaat die krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is, over de genomen maatregelen. Als de autoriteit van een andere lidstaat niet werd geïnformeerd, is dat echter geen grond om de maatregel niet te erkennen.
(17)  Deze verordening mag niet beletten dat de autoriteiten van een lidstaat die geen bevoegdheid ten gronde hebben, in spoedeisende gevallen, zoals in geval van huiselijk of gendergerelateerd geweld, voorlopige of bewarende maatregelen nemen, met betrekking tot de persoon of vermogensbestanddelen van een kind die zich in die lidstaat bevinden. Deze maatregelen moeten worden erkend door en ten uitvoer gelegd in alle andere lidstaten, met inbegrip van de lidstaten die krachtens deze verordening bevoegd zijn, totdat een bevoegde autoriteit van die lidstaat de maatregelen heeft genomen die zij nodig acht. Maatregelen die zijn genomen door een rechtbank in een lidstaat zouden echter enkel mogen worden gewijzigd of vervangen door maatregelen die eveneens door een rechtbank zijn genomen in de lidstaat, die ten gronde bevoegd is. Een autoriteit die alleen bevoegd is voor voorlopige maatregelen, met inbegrip van bewarende maatregelen, bij wie een verzoek ten gronde aanhangig wordt, kan op eigen initiatief verklaren niet bevoegd te zijn. Als dat nodig is om de belangen van het kind te beschermen, informeert de autoriteit, hetzij rechtstreeks, hetzij via de centrale autoriteit, en zo spoedig mogelijk de autoriteit van de lidstaat die krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is, over de genomen maatregelen. Als de autoriteit van een andere lidstaat niet werd geïnformeerd, is dat echter geen grond om de maatregel niet te erkennen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  In uitzonderlijke gevallen zijn de autoriteiten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, niet de meest geschikte autoriteiten om de zaak te behandelen. In het belang van het kind kan de bevoegde autoriteit in uitzonderlijke gevallen en onder bepaalde voorwaarden haar bevoegdheid in een specifieke zaak overdragen naar de autoriteit van een andere lidstaat indien die autoriteit beter in staat is om de zaak te behandelen. In dat geval mag deze tweede autoriteit de bevoegdheid evenwel niet nog eens overdragen aan een derde autoriteit .
(18)  Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het feit dat het in uitzonderlijke gevallen, zoals in gevallen van huiselijk of gendergerelateerd geweld, mogelijk is dat de autoriteiten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, niet de meest geschikte autoriteiten zijn om de zaak te behandelen. De bevoegde autoriteit kan in uitzonderlijke gevallen en onder bepaalde voorwaarden haar bevoegdheid in een specifieke zaak overdragen naar de autoriteit van een andere lidstaat indien die autoriteit beter in staat is om de zaak te behandelen. In dat geval echter moet eerst de toestemming van de tweede autoriteit worden verkregen, aangezien deze na aanvaarding van de zaak, de bevoegdheid niet meer aan een derde autoriteit kan overdragen. Voorafgaand aan een overdracht van bevoegdheid, is het cruciaal dat de belangen van het kind worden overwogen en volledig in aanmerking wordt genomen.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid krachtens deze verordening en terugkeerprocedures krachtens het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 moeten het recht van het kind respecteren om zijn standpunt vrijuit kenbaar te maken, en bij het beoordelen van het belang van het kind moet adequaat rekening worden gehouden met dat standpunt. Het horen van het kind overeenkomstig artikel 24, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind speelt een belangrijke rol in de toepassing van onderhavige verordening. Deze verordening is echter niet bedoeld om te bepalen op welke wijze een kind wordt gehoord, bijvoorbeeld of het kind wordt gehoord door de rechter persoonlijk dan wel door een gespecialiseerde deskundige die nadien verslag uitbrengt aan de rechtbank, of dat het kind wordt gehoord in de rechtszaal dan wel ergens anders.
(23)  Procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid krachtens deze verordening en terugkeerprocedures krachtens het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 moeten het recht van het kind respecteren om zijn standpunt vrijuit kenbaar te maken, en bij het beoordelen van het belang van het kind moet adequaat rekening worden gehouden met dat standpunt. Het horen van het kind overeenkomstig artikel 24, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 12 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind en de aanbeveling van de Raad van Europa over de participatie van kinderen en jongeren tot 18 jaar1bis speelt een belangrijke rol in de toepassing van onderhavige verordening. Deze verordening is echter niet bedoeld om gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen voor de procedure inzake het horen van kinderen, die nog steeds wordt beheerst door de nationale voorschriften van de lidstaten.
______________
1bis CM/Rec(2012)2 van 28 maart 2012.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Om de terugkeerprocedures krachtens het Verdrag van ‘s-Gravenhage van 1980 zo snel mogelijk te kunnen voltooien, moeten de lidstaten de rechterlijke bevoegdheid concentreren in een of meerdere gerechten, daarbij naar behoren rekening houdend met hun eigen interne structuur voor rechtsbedeling. De concentratie van bevoegdheid in een beperkt aantal gerechten in een lidstaat is een essentieel en efficiënt instrument om de behandeling van gevallen van kinderontvoering in meerdere lidstaten te versnellen aangezien de rechters die een groter aantal van dergelijke zaken behandelen, op dit gebied bijzondere deskundigheid ontwikkelen. Afhankelijk van de structuur van het rechtsstelsel kan de bevoegdheid inzake kinderontvoering voor een heel land in één enkele rechtbank worden geconcentreerd of in een beperkt aantal rechtbanken; daarbij kan bijvoorbeeld het aantal beroepsrechtbanken als uitgangspunt worden gebruikt en de bevoegdheid inzake internationale kinderontvoeringen worden geconcentreerd bij één rechtbank van eerste aanleg in elk district van een beroepsrechtbank. Iedere instantie geeft haar beslissing ten laatste zes weken nadat het verzoek of het beroep bij haar aanhangig is gemaakt. Lidstaten moeten het aantal keren dat beroep kan worden aangetekend tegen een beslissing tot erkenning of weigering van de terugkeer van een kind krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, beperken tot één.
(26)  Om de terugkeerprocedures krachtens het Verdrag van ‘s-Gravenhage van 1980 zo snel mogelijk te kunnen voltooien, moeten de lidstaten de rechterlijke bevoegdheid concentreren in een beperkt aantal gerechten, daarbij naar behoren rekening houdend met hun eigen interne structuur voor rechtsbedeling. De concentratie van bevoegdheid in een beperkt aantal gerechten in een lidstaat is een essentieel en efficiënt instrument om de behandeling van gevallen van kinderontvoering in meerdere lidstaten te versnellen aangezien de rechters die een groter aantal van dergelijke zaken behandelen, op dit gebied bijzondere deskundigheid ontwikkelen. Afhankelijk van de structuur van het rechtsstelsel kan de bevoegdheid inzake kinderontvoering voor een heel land in één enkele rechtbank worden geconcentreerd of in een beperkt aantal rechtbanken; daarbij kan bijvoorbeeld het aantal beroepsrechtbanken als uitgangspunt worden gebruikt en de bevoegdheid inzake internationale kinderontvoeringen worden geconcentreerd bij één rechtbank van eerste aanleg in elk district van een beroepsrechtbank, zonder echter inbreuk te maken op het recht van partijen op toegang tot de rechter en de tijdige afwikkeling van de terugkeerprocedures. Iedere instantie geeft haar beslissing ten laatste zes weken nadat het verzoek of het beroep bij haar aanhangig is gemaakt. Lidstaten moeten het aantal keren dat beroep kan worden aangetekend tegen een beslissing tot erkenning of weigering van de terugkeer van een kind krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, beperken tot één. Daarnaast moet ervoor worden gezorgd dat rechterlijke beslissingen die in een lidstaat worden gegeven, in een andere lidstaat worden erkend. Wanneer een rechterlijke beslissing is gegeven, is het essentieel dat deze, met name in het belang van de kinderen, overal in de Europese Unie wordt erkend.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  In alle gevallen die betrekking hebben op kinderen, en met name in gevallen van internationale kinderontvoering, moeten de justitiële en administratieve autoriteiten de mogelijkheid overwegen om via bemiddeling en andere geschikte middelen tot een minnelijke schikking te komen, waar nodig bijgestaan door de bestaande netwerken en ondersteuningsstructuren voor bemiddeling in grensoverschrijdende geschillen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Dergelijke inspanningen mogen echter de terugkeerprocedures krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 niet nodeloos verlengen.
(28)  Het gebruik van bemiddeling kan van zeer groot belang zijn voor het beëindigen van conflicten, in alle gevallen die betrekking hebben op kinderen, en met name in geval van grensoverschrijdende geschillen tussen ouders over voogdij en omgangsrecht met een kind, en in gevallen van internationale kinderontvoering. Daarnaast is, gezien de toename, als gevolg van de recente migratiestroom, van het aantal grensoverschrijdende voogdijgeschillen in de hele Europese Unie, waarvoor geen internationaal kader beschikbaar is, bemiddeling vaak het enige juridische instrument om gezinnen te helpen een minnelijke en snelle oplossing voor gezinsconflicten te bereiken. Teneinde bemiddeling in dergelijke gevallen te bevorderen helpen de justitiële en administratieve autoriteiten, waar nodig bijgestaan door de bestaande netwerken en ondersteuningsstructuren voor bemiddeling in grensoverschrijdende geschillen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, de partijen, voor en tijdens de gerechtelijke procedure, bij de selectie van geschikte bemiddelaars en bij de organisatie van de bemiddeling. De partijen moeten worden voorzien van financiële bijstand voor de uitvoering van de bemiddeling, ten minste in de mate waarin hen juridische bijstand is of zou worden verleend. Dergelijke inspanningen mogen echter de terugkeerprocedures krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 niet nodeloos verlengen en mogen niet leiden tot verplichte betrokkenheid van slachtoffers van welke vorm van geweld dan ook, waaronder huiselijk geweld, bij bemiddelingsprocedures.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Om een doeltreffend alternatief te bieden voor gerechtelijke procedures in nationale of internationale kwesties van familiegeschillen, is het van cruciaal belang dat de betrokken bemiddelaars een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd. De opleiding moet met name betrekking hebben op het rechtskader van grensoverschrijdende gezinsconflicten, interculturele competentie en instrumenten om conflictsituaties te beheren, waarbij steeds rekening gehouden wordt met het belang van het kind. Tijdens de opleiding van rechters, die een potentieel belangrijke bron van verwijzingen naar bemiddeling vormen, moet ook worden nagegaan hoe de partijen kunnen worden aangemoedigd om zo vroeg mogelijk een beroep te doen op bemiddeling en hoe bemiddeling ingepast kan worden in gerechtelijke procedures en de termijnen van kinderontvoeringsprocedures in het kader van het Verdrag van 's-Gravenhage, zonder dat dit tot nodeloze vertraging leidt.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Als het gerecht van een lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, besluit de terugkeer van het kind krachtens het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 te weigeren, moet het in zijn beslissing expliciet verwijzen naar de artikelen van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 waarop het zijn weigering heeft gebaseerd. Een dergelijke beslissing kan evenwel worden vervangen door een latere beslissing , gegeven in voogdijprocedures na grondige beoordeling van de belangen van het kind, van het gerecht van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had. Brengt deze laatste beslissing de terugkeer van het kind met zich, dan dient de terugkeer plaats te vinden zonder dat enigerlei bijzondere procedure vereist is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing in de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden .
(30)  Als het gerecht van een lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, besluit de terugkeer van het kind krachtens het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 te weigeren, moet het in zijn beslissing expliciet verwijzen naar de artikelen van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 waarop het zijn weigering heeft gebaseerd en de gronden daarvoor aangeven. Een dergelijke beslissing kan evenwel worden vervangen door een latere beslissing , gegeven in voogdijprocedures na grondige beoordeling van de belangen van het kind, van het gerecht van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had. Brengt deze laatste beslissing de terugkeer van het kind met zich, dan dient de terugkeer plaats te vinden zonder dat enigerlei bijzondere procedure vereist is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing in de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden .
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Bovendien verantwoordt het streven naar een goedkopere en snellere behandeling van grensoverschrijdende geschillen waar kinderen bij betrokken zijn, de afschaffing van de verklaring van uitvoerbaarheid voorafgaand aan de tenuitvoerlegging in de lidstaat van tenuitvoerlegging voor alle beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. In Verordening (EG) nr. 2201/2003 werd deze vereiste alleen geschrapt voor beslissingen waarmee omgangsrecht wordt verleend en voor bepaalde beslissingen waarmee de terugkeer van een kind wordt bevolen, maar deze verordening voorziet nu in één enkele procedure voor de grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van alle beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Bijgevolg moet, onder voorbehoud van de bepalingen van deze verordening, een door de autoriteiten van een lidstaat gegeven beslissing worden behandeld alsof zij werd gegeven in de lidstaat van tenuitvoerlegging.
(33)  Bovendien verantwoordt de facilitering van het vrij verkeer van Europese burgers de afschaffing van de verklaring van uitvoerbaarheid voorafgaand aan de tenuitvoerlegging in de lidstaat van tenuitvoerlegging voor alle beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Hierdoor zal in het bijzonder de behandeling van grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot kinderen minder tijdrovend en kostbaar zijn. In Verordening (EG) nr. 2201/2003 werd dit vereiste alleen geschrapt voor beslissingen waarmee omgangsrecht wordt verleend en voor bepaalde beslissingen waarmee de terugkeer van een kind wordt bevolen, maar deze verordening voorziet nu in één enkele procedure voor de grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van alle beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Bijgevolg moet, onder voorbehoud van de bepalingen van deze verordening, een door de autoriteiten van een lidstaat gegeven beslissing worden behandeld alsof zij werd gegeven in de lidstaat van tenuitvoerlegging.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)  Elke weigering een beslissing in de zin van deze verordening te erkennen, met als argument dat de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de betrokken lidstaat, moet in overeenstemming zijn met artikel 21 van het Handvest.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 42
(42)  In specifieke gevallen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, moeten de centrale autoriteiten met elkaar samenwerken om bijstand te bieden aan zowel nationale autoriteiten als personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen. Die bijstand houdt met name in dat het kind wordt gelokaliseerd, hetzij rechtstreeks hetzij via andere bevoegde autoriteiten, als dat nodig is voor de uitvoering van een verzoek krachtens deze verordening, en dat de informatie over het kind die nodig is voor de procedure, wordt verstrekt.
(42)  In specifieke gevallen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, moeten de centrale autoriteiten met elkaar samenwerken om bijstand te bieden aan zowel nationale autoriteiten als personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen. Die bijstand houdt met name in dat het kind wordt gelokaliseerd, hetzij rechtstreeks hetzij via andere bevoegde autoriteiten, als dat nodig is voor de uitvoering van een verzoek krachtens deze verordening, en dat de informatie over het kind die nodig is voor de procedure, wordt verstrekt. In de gevallen waarin de bevoegde lidstaat niet de lidstaat is waarvan het kind onderdaan is, moeten de centrale autoriteiten van de lidstaat met rechtsbevoegdheid onverwijld de centrale autoriteiten van de lidstaat waarvan het kind onderdaan is, informeren.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Onverminderd vereisten krachtens haar nationale wetgeving moet een verzoekende autoriteit vrij kunnen kiezen tussen de verschillende kanalen waarlangs zij de nodige informatie kan verkrijgen, bijvoorbeeld, in het geval van gerechten, door gebruik te maken van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad, van het Europese justitiële netwerk in burgerlijke en handelszaken, in het bijzonder de centrale autoriteiten die krachtens deze verordening zijn opgericht, netwerkrechters en contactpunten, of, in het geval van justitiële en administratieve autoriteiten, door om informatie te verzoeken via een op dit gebied gespecialiseerde niet-gouvernementele organisatie.
(44)  Onverminderd vereisten krachtens haar nationale wetgeving moet een verzoekende autoriteit vrij kunnen kiezen tussen de verschillende kanalen waarlangs zij de nodige informatie kan verkrijgen, bijvoorbeeld, in het geval van gerechten, door gebruik te maken van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad, van het Europese justitiële netwerk in burgerlijke en handelszaken, in het bijzonder de centrale autoriteiten die krachtens deze verordening zijn opgericht, netwerkrechters en contactpunten, of, in het geval van justitiële en administratieve autoriteiten, door om informatie te verzoeken via een op dit gebied gespecialiseerde niet-gouvernementele organisatie. Internationale justitiële samenwerking en communicatie moeten worden ingeleid en/of vergemakkelijkt door speciaal aangewezen netwerkrechters of verbindingsmagistraten in elke lidstaat. De rol van het Europees justitieel netwerk moet worden onderscheiden van die van de centrale autoriteiten.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 46
(46)  Een autoriteit van een lidstaat die een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid overweegt, moet de autoriteiten van een andere lidstaat kunnen verzoeken om de mededeling van informatie die relevant is voor de bescherming van de rechten van het kind, als het belang van het kind dat vereist. Afhankelijk van de omstandigheden kan dit informatie betreffen over procedures en beslissingen aangaande een ouder of broer of zus, of over het vermogen van een ouder om voor een kind te zorgen of omgangsrecht uit te oefenen.
(46)  Een autoriteit van een lidstaat die een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid overweegt, moet verplicht zijn de autoriteiten van een andere lidstaat te vragen om de mededeling van informatie die relevant is voor de bescherming van de rechten van het kind, als het belang van het kind dat vereist. Afhankelijk van de omstandigheden kan dit informatie betreffen over procedures en beslissingen aangaande een ouder of broer of zus, of over het vermogen van een ouder om voor een kind of gezin te zorgen of omgangsrecht uit te oefenen. De nationaliteit, economische en sociale situatie, culturele en religieuze achtergrond van een ouder mogen niet worden beschouwd als bepalende factoren om een besluit te nemen over zijn vermogen om voor een kind te zorgen.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 46 bis (nieuw)
(46 bis)  De communicatie tussen rechters, overheidsdiensten, centrale autoriteiten, beroepsbeoefenaren die de ouders en de ouders onderling bijstaan, moet met alle middelen worden bevorderd, waarbij onder meer in aanmerking wordt genomen dat een beslissing dat het kind niet mag worden teruggezonden, net zoals de beslissing hem terug te zenden, niet in strijd mag zijn met de grondrechten van het kind.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 48 bis (nieuw)
(48 bis)  Wanneer de belangen van het kind dit vereisen moeten rechters rechtstreeks met de centrale autoriteiten of de bevoegde gerechten in andere lidstaten communiceren.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 49
(49)  Als een autoriteit van een lidstaat al een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid heeft gegeven of een dergelijke beslissing overweegt, en de tenuitvoerlegging ervan moet plaatsvinden in een andere lidstaat, kan de autoriteit vragen dat de autoriteiten van die andere lidstaat bijstand verlenen bij de tenuitvoerlegging van de beslissing. Dit geldt bijvoorbeeld voor beslissingen inzake omgang onder toezicht die worden uitgevoerd in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de autoriteit die de omgang gelast, is gevestigd, of voor beslissingen met andere begeleidende maatregelen van de bevoegde autoriteiten in de lidstaat waar de beslissingen ten uitvoer moet worden gelegd.
(49)  Als een autoriteit van een lidstaat al een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid heeft gegeven of een dergelijke beslissing overweegt, en de tenuitvoerlegging ervan moet plaatsvinden in een andere lidstaat, moet de autoriteit vragen dat de autoriteiten van die andere lidstaat bijstand verlenen bij de tenuitvoerlegging van de beslissing. Dit geldt bijvoorbeeld voor beslissingen inzake omgang onder toezicht die worden uitgevoerd in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de autoriteit die de omgang gelast, is gevestigd, of voor beslissingen met andere begeleidende maatregelen van de bevoegde autoriteiten in de lidstaat waar de beslissingen ten uitvoer moet worden gelegd.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 50
(50)  Als een autoriteit van een lidstaat de plaatsing van een kind in een pleeggezin of in een instelling in een andere lidstaat overweegt, moet voorafgaand aan die plaatsing overleg worden gepleegd via de centrale autoriteiten van beide betrokken lidstaten. De autoriteit die de plaatsing overweegt, moet de toestemming krijgen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin het kind zou worden geplaatst, voordat zij de plaatsing gelast. Aangezien plaatsingen meestal hoogdringende maatregelen zijn die nodig zijn om een kind weg te halen uit een mogelijk schadelijke situatie, is tijd van cruciaal belang bij deze beslissingen. Om de raadplegingsprocedure te versnellen, bepaalt deze verordening op exhaustieve wijze de vereisten voor het verzoek en een termijn voor het antwoord van de lidstaat waar het kind zou worden geplaatst. Voor de voorwaarden om instemming te verlenen of te weigeren blijft echter wel het nationale recht van aangezochte lidstaat gelden.
(50)  Als een autoriteit van een lidstaat de plaatsing van een kind met familieleden in een pleeggezin of in een instelling in een andere lidstaat overweegt, moet voorafgaand aan die plaatsing overleg worden gepleegd via de centrale autoriteiten van beide betrokken lidstaten. De autoriteit die de plaatsing overweegt, moet de toestemming krijgen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin het kind zou worden geplaatst, voordat zij de plaatsing gelast. Aangezien plaatsingen meestal hoogdringende maatregelen zijn die nodig zijn om een kind weg te halen uit een mogelijk schadelijke situatie, is tijd van cruciaal belang bij deze beslissingen. Om de raadplegingsprocedure te versnellen, bepaalt deze verordening op exhaustieve wijze de vereisten voor het verzoek en een termijn voor het antwoord van de lidstaat waar het kind zou worden geplaatst. Voor de voorwaarden om instemming te verlenen of te weigeren blijft echter wel het nationale recht van aangezochte lidstaat gelden.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 51
(51)  Iedere plaatsing voor langere tijd van een kind in het buitenland moet voldoen aan artikel 24, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de EU (recht om persoonlijk contact te blijven houden met de ouders) en aan de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, met name de artikelen 8, 9 en 20. In het bijzonder moet bij het overwegen van oplossingen rekening worden gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van een kind en met de etnische, religieuze, culturele en taalkundige achtergrond van het kind.
(51)  Overheidsinstanties die plaatsing van een kind overwegen moeten handelen in overeenstemming met artikel 24, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de EU (recht om persoonlijk contact te blijven houden met de ouders) en de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, met name de artikelen 8, 9 en 20. In het bijzonder moet bij het overwegen van oplossingen rekening worden gehouden met de mogelijkheid om broers en zussen in hetzelfde gastgezin of de dezelfde instelling te plaatsen en de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van een kind en met de etnische, religieuze, culturele en taalkundige achtergrond van het kind. In met name het geval van plaatsing voor langere tijd moeten de betreffende autoriteiten altijd de mogelijkheid overwegen het kind bij verwanten die in een ander land wonen te plaatsen, wanneer het kind met deze familieleden een relatie heeft opgebouwd, en nadat een individuele beoordeling van het belang van het kind heeft plaatsgevonden. Met het oog op de behoeften en de belangen van het kind moeten dergelijke plaatsingen voor langere tijd periodiek worden herzien.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – inleidende formule
1.  Deze verordening is, ongeacht de aard van de gerechtelijke of administratieve autoriteit , van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:
1.  Deze verordening is, ongeacht de aard van de gerechtelijke of administratieve autoriteit of andere autoriteit die bevoegd is in aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  internationale kinderontvoering;
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 2 – letter d
d)  de plaatsing van het kind in een pleeggezin of in een inrichting;
d)  de plaatsing van het kind met familieleden in een pleeggezin of in een veilige inrichting in het buitenland;
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
1.  „ autoriteit ”: een gerechtelijke of administratieve autoriteit in de lidstaten die bevoegd is ter zake van de aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen;
1.  "autoriteit": een gerechtelijke of administratieve autoriteit, en elke andere autoriteit in de lidstaten die bevoegd is ter zake van de aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen;
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 3
3.  „lidstaat”: alle lidstaten met uitzondering van Denemarken;
3.  "lidstaat": alle lidstaten van de Europese Unie met uitzondering van Denemarken;
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4
4.  „beslissing”: een arrest, vonnis of beslissing van een autoriteit van een lidstaat betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed, nietigverklaring van het huwelijk of de ouderlijke verantwoordelijkheid;
4.  "beslissing": een arrest, vonnis of beslissing van een autoriteit van een lidstaat, of een authentieke akte die in een lidstaat uitvoerbaar is of een schikking tussen partijen die uitvoerbaar is in de lidstaat waar zij is gesloten, betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed, nietigverklaring van het huwelijk of de ouderlijke verantwoordelijkheid;
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 12 – inleidende formule
12.  „ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind”: het overbrengen of vasthouden van een kind wanneer :
12.  "internationale kinderontvoering": het overbrengen of vasthouden van een kind wanneer:
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft . Wanneer een kind legaal van een lidstaat naar een andere lidstaat verhuist en aldaar een nieuwe gewone verblijfplaats verkrijgt, worden de autoriteiten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd.
1.  Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de autoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft . Wanneer een kind legaal van een lidstaat naar een andere lidstaat verhuist en aldaar een nieuwe gewone verblijfplaats verkrijgt, worden de autoriteiten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd, tenzij de partijen voor de verhuizing overeenkomen dat de autoriteit van de lidstaat waar het kind tot dan toe zijn gewone verblijfplaats had, de bevoegdheid blijft behouden.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Wanneer procedures op het gebied van voogdij en omgangsrecht aanhangig zijn behoudt de autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegdheid totdat de procedure afgesloten is, tenzij de partijen overeenkomen dat de procedure dient te worden beëindigd.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  Lid 1 is niet van toepassing indien de in lid 1 bedoelde persoon die het omgangsrecht heeft, de bevoegdheid van de autoriteiten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind heeft aanvaard door aan een procedure voor die autoriteiten deel te nemen zonder de bevoegdheid ervan aan te vechten.
2.  Lid 1 is niet van toepassing indien de in lid 1 bedoelde persoon die het omgangsrecht heeft, na door de autoriteiten van de vorige gewone verblijfplaats over de juridische gevolgen te zijn geïnformeerd, de bevoegdheid van de autoriteiten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind heeft aanvaard door, niettegenstaande die informatie, aan een procedure voor die autoriteiten deel te nemen zonder de bevoegdheid ervan aan te vechten.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1 – letter b – punt i
i)  er is bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht of waar het wordt vastgehouden, geen verzoek tot terugkeer ingediend binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind;
i)  er is bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht of waar het wordt vastgehouden, geen verzoek tot terugkeer ingediend binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind en niettegenstaande het feit dat hij door de autoriteiten geïnformeerd is over het wettelijk vereiste om een dergelijk verzoek in te dienen;
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 5 – alinea 1 bis (nieuw)
De aangewezen rechters zijn actieve en ervaren familierechters, die met name over ervaring in aangelegenheden met een grensoverschrijdende jurisdictionele dimensie beschikken.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1 – alinea 1
In spoedeisende gevallen hebben de autoriteiten van een lidstaat waar het kind of het vermogen van het kind zich bevindt, de bevoegdheid om met betrekking tot dat kind of dat vermogen voorlopige en bewarende maatregelen te nemen .
In spoedeisende gevallen hebben de autoriteiten van een lidstaat waar het kind of het vermogen van het kind zich bevindt, de bevoegdheid om met betrekking tot dat kind of dat vermogen voorlopige en bewarende maatregelen te nemen. Deze maatregelen leiden niet tot onnodige vertraging van de procedure en de definitieve beslissingen inzake voogdij en omgangsrecht.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1 – alinea 2
Als dat nodig is om de belangen van het kind te beschermen, informeert de autoriteit die de bewarende maatregelen heeft genomen, hetzij rechtstreeks, hetzij via de centrale autoriteit die krachtens artikel 60 is aangewezen, de autoriteit van de lidstaat die krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is.
Als dat nodig is om de belangen van het kind te beschermen, informeert de autoriteit die de bewarende maatregelen heeft genomen, hetzij rechtstreeks, hetzij via de centrale autoriteit die krachtens artikel 60 is aangewezen, de autoriteit van de lidstaat die krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is. Deze autoriteit waarborgt de gelijke behandeling van de ouders die bij de procedure betrokken zijn, en zorgt ervoor dat zij volledig en onverwijld op de hoogte worden gebracht van alle maatregelen in kwestie in een taal die zij volledig begrijpen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  De ter uitvoering van lid 1 genomen maatregelen houden op van toepassing te zijn zodra het gerecht van de lidstaat dat krachtens deze verordening bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die het passend acht.
2.  De ter uitvoering van lid 1 genomen maatregelen houden op van toepassing te zijn zodra het gerecht van de lidstaat dat krachtens deze verordening bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die het passend acht en vanaf het tijdstip dat het gerecht de autoriteit van de lidstaat waarin de voorlopige maatregelen genomen zijn van deze maatregelen in kennis heeft gesteld.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  In gevallen zoals bedoeld in de leden 1 en 2, op verzoek van een autoriteit waarbij het geschil aanhangig is gemaakt, stelt een andere autoriteit waarbij het geschil aanhangig is de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van de datum waarop de zaak overeenkomstig artikel 15 bij haar is aangebracht.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 20
Artikel 20
Artikel 20
Recht van het kind zijn standpunt kenbaar te maken
Recht van het kind zijn standpunt kenbaar te maken
Bij het uitvoeren van hun bevoegdheid krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk zorgen de autoriteiten van de lidstaten ervoor dat een kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, daadwerkelijk de mogelijkheid krijgt die mening vrij te uiten tijdens de procedure.
Bij het uitvoeren van hun bevoegdheid krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk zorgen de autoriteiten van de lidstaten ervoor dat een kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, daadwerkelijk de mogelijkheid krijgt die mening vrij te uiten tijdens de procedure, overeenkomstig de betreffende nationale procedurevoorschriften, artikel 24, lid 1, van het Handvest, artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en de aanbeveling van de Raad van Europa over de participatie van kinderen en jongeren tot 18 jaar1bis. De autoriteiten lichten hun overwegingen ten aanzien hiervan toe in hun besluit.
Het horen van een kind dat zijn recht uitoefent om zijn standpunt kenbaar te maken, moet worden uitgevoerd door een rechter of een speciaal opgeleide deskundige overeenkomstig de nationale bepalingen, zonder enige druk, met name ouderlijke druk, in een kindvriendelijke omgeving die geschikt is voor zijn leeftijd wat betreft taal en inhoud, en biedt alle nodige waarborgen voor de bescherming van de emotionele integriteit en de belangen van het kind.
Het horen van het kind wordt niet uitgevoerd in aanwezigheid van de partijen in de procedure of hun juridische vertegenwoordigers, maar wordt geregistreerd en toegevoegd aan de documentatie zodat de partijen en hun wettelijke vertegenwoordigers inzage kunnen krijgen in het proces-verbaal van de hoorzitting.
De autoriteit geeft het gepaste belang aan het standpunt van het kind, op basis van diens leeftijd en maturiteit, en licht haar overwegingen toe in haar besluit.
De autoriteit geeft het gepaste belang aan het standpunt van het kind, op basis van diens leeftijd en maturiteit, rekening houdend met de belangen van het kind, en licht haar overwegingen toe in haar besluit.
_______________
1bis CM/Rec(2012)2 van 28 maart 2012.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2
2.  Zo vroeg mogelijk in de procedure bestudeert het gerecht of de partijen bereid zijn tot bemiddeling om, in het belang van het kind, tot overeenstemming over een oplossing te komen, op voorwaarde dat dit de procedure niet nodeloos vertraagt.
2.  Zo vroeg mogelijk in de procedure bestudeert het gerecht of de partijen bereid zijn tot bemiddeling om, in het belang van het kind, tot overeenstemming over een oplossing te komen, op voorwaarde dat dit de procedure niet nodeloos vertraagt. In dat geval verzoekt het gerecht de partijen gebruik te maken van bemiddeling.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3
3.  Het gerecht kan de beslissing waarmee de terugkeer van het kind wordt gelast, bij voorraad uitvoerbaar verklaren, onverminderd enige daartegen gerichte voorziening, ook als die mogelijkheid niet bestaat in het nationale recht.
3.  Het gerecht kan de beslissing waarmee de terugkeer van het kind wordt gelast, bij voorraad uitvoerbaar verklaren, onverminderd enige daartegen gerichte voorziening, ook als die mogelijkheid niet bestaat in het nationale recht, en houdt daarbij rekening met de belangen van het kind.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 5 bis (nieuw).
5 bis.  Wanneer een justitiële autoriteit de terugkeer van het kind gelast heeft stelt zij de centrale autoriteit van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind vóór zijn ongeoorloofde overbrenging, van deze beslissing en de datum van het van kracht worden ervan, in kennis.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – lid 4
4.  Als de beslissing niet ten uitvoer is gelegd binnen zes weken nadat de tenuitvoerleggingsprocedure werd opgestart, moet het gerecht van de lidstaat waar de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden, de verzoekende centrale autoriteit in de lidstaat van herkomst, of de verzoeker, als de procedure wordt gevoerd zonder bijstand van de centrale autoriteit, inlichten over dit feit en de redenen ervoor.
4.  Als de beslissing niet ten uitvoer is gelegd binnen zes weken nadat de tenuitvoerleggingsprocedure werd opgestart, moet het gerecht van de lidstaat waar de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden, de verzoekende centrale autoriteit in de lidstaat van herkomst, of de verzoeker, als de procedure wordt gevoerd zonder bijstand van de centrale autoriteit, naar behoren inlichten over dit feit en de redenen ervoor, en over het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging naar verwachting plaatsvindt.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – alinea 1 – letter a
a)  indien de erkenning kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat; of
a)  indien de erkenning kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat, hoewel weigering geen enkele vorm van discriminatie tot gevolg mag hebben die verboden is op grond van artikel 21 van het Handvest; of
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 1 – inleidende formule
1.  Op verzoek van een belanghebbende partij wordt de erkenning van een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid geweigerd :
1.  Op verzoek van een belanghebbende partij wordt een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid niet erkend:
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 1 – letter b
b)  indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk niet tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was, aan de persoon tegen wie verstek werd verleend, is medegedeeld of betekend, tenzij vaststaat dat deze persoon ondubbelzinnig met de beslissing instemt; of
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – alinea 1
De verzoeker die in de lidstaat van herkomst in aanmerking kwam voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven, komt in de procedures bedoeld in artikel 27, lid 3, en de artikelen 32, 39 en 42, in aanmerking voor de gunstigste bijstand of de ruimste vrijstelling waarin de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging voorziet.
De verzoeker die in de lidstaat van herkomst in aanmerking kwam voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand, steun ter dekking van bemiddelingskosten, of vrijstelling van kosten en uitgaven, komt in de procedures bedoeld in artikel 27, lid 3, en de artikelen 32, 39 en 42, in aanmerking voor de gunstigste bijstand of de ruimste vrijstelling waarin de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging voorziet.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 1 – letter a
a)  op verzoek van de centrale autoriteit of van een andere lidstaat, bijstand te verlenen bij het lokaliseren van de verblijfplaats van een kind als dat kind mogelijk aanwezig is op het grondgebied van de aangezochte lidstaat en de vaststelling van de verblijfplaats van het kind noodzakelijk is om het verzoek krachtens deze verordening uit te voeren;
a)  op verzoek van de centrale autoriteit of van een andere lidstaat, bijstand te verlenen bij het lokaliseren van de verblijfplaats van een kind als dat kind mogelijk aanwezig is op het grondgebied van de aangezochte lidstaat en de vaststelling van de verblijfplaats van het kind noodzakelijk is om deze verordening toe te passen;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 1 – letter d
d)  de informatie-uitwisseling tussen de autoriteiten te ondersteunen, met name met het oog op de uitvoering van artikel 14, artikel 25, lid 1, a), artikel 26, lid 2, en artikel 26, lid 4, tweede alinea;
d)  de informatie-uitwisseling tussen de rechterlijke autoriteiten te ondersteunen, met name met het oog op de uitvoering van de artikelen 14 en 19, artikel 25, lid 1, onder a), artikel 26, lid 2, en artikel 26, lid 4, tweede alinea;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
e bis)   personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen te informeren over rechtsbijstand en ondersteuning, zoals ondersteuning door tweetalige gespecialiseerde advocaten, om te voorkomen dat personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen toestemming verlenen zonder dat zij hun toestemming in de volle omvang hebben begrepen.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 1 – letter g
g)  zorgen dat, als zij het gebruik van een gerechtelijke procedure voor de terugkeer van kinderen krachtens het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 initiëren of vergemakkelijken, de samenstelling van het dossier binnen zes weken wordt voltooid, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit verhinderen.
g)  zorgen dat, als zij het gebruik van een gerechtelijke procedure voor de terugkeer van kinderen krachtens het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 initiëren of vergemakkelijken, de samenstelling van het dossier binnen zes weken wordt voltooid en ingediend bij het gerecht of andere bevoegde autoriteit, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit verhinderen.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 1 – inleidende formule
1.  Op een met redenen omkleed verzoek van de centrale autoriteit of van een andere bevoegde autoriteit van een lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft, kan de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft en waar het zich bevindt, rechtstreeks of via autoriteiten of andere organen:
1.  Op een met redenen omkleed verzoek van de centrale autoriteit of van een andere bevoegde autoriteit van een lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft, zal de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft en waar het zich bevindt, rechtstreeks of via autoriteiten of andere organen:
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 2
2.  Wanneer een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wordt overwogen, kan een autoriteit van een lidstaat, indien de situatie van het kind dit vereist, een autoriteit van een andere lidstaat die informatie heeft die van belang is voor de bescherming van het kind verzoeken deze informatie mee te delen.
2.  Wanneer een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wordt overwogen, verzoekt een autoriteit van een lidstaat, indien de situatie van het kind dit vereist, een autoriteit van een andere lidstaat die informatie heeft die van belang is voor de bescherming van het kind deze informatie mee te delen.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Wanneer aangelegenheden inzake ouderlijke verantwoordelijkheid worden onderzocht, stelt de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, onverwijld de centrale autoriteit van de lidstaat waarvan het kind of een van zijn ouders onderdaan is, in kennis van de aanhangige procedure.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 3
3.  Een autoriteit van een lidstaat kan de autoriteiten van een andere lidstaat verzoeken bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging van de ingevolge deze verordening gegeven beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, in het bijzonder bij het waarborgen van de daadwerkelijke uitoefening van omgangsrecht en van het recht om op regelmatige basis rechtstreekse contacten te onderhouden.
3.  Een autoriteit van een lidstaat verzoekt de autoriteiten van een andere lidstaat bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging van de ingevolge deze verordening gegeven beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, in het bijzonder bij het waarborgen van de daadwerkelijke uitoefening van omgangsrecht en van het recht om op regelmatige basis rechtstreekse contacten te onderhouden.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 5
5.  De autoriteiten van een lidstaat waar het kind niet zijn gewone verblijfplaats heeft, verzamelen op verzoek van een persoon die in die lidstaat verblijft en die een omgangsrecht met het kind tracht te verkrijgen of te behouden, of op verzoek van een centrale autoriteit van een andere lidstaat, inlichtingen of bewijsmateriaal en spreken zich uit over de geschiktheid van die persoon om het omgangsrecht uit te oefenen en over de voorwaarden waaronder dat recht moet worden uitgeoefend.
5.  De autoriteiten van een lidstaat waar het kind niet zijn gewone verblijfplaats heeft, verzamelen op verzoek van een ouder of familielid die in die lidstaat verblijft en die een omgangsrecht met het kind tracht te verkrijgen of te behouden, of op verzoek van een centrale autoriteit van een andere lidstaat, inlichtingen of bewijsmateriaal en kunnen zich uitspreken over de geschiktheid van die personen om het omgangsrecht uit te oefenen en over de voorwaarden waaronder dat recht moet worden uitgeoefend.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 5 bis (nieuw).
5 bis.  Een autoriteit van een lidstaat kan de centrale autoriteit van een andere lidstaat verzoeken informatie te verstrekken over de nationale wetsbepalingen van die lidstaat in verband met kwesties die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen en die van belang zijn voor het onderzoek van een zaak ingevolge deze verordening. De autoriteit van de lidstaat waarbij een verzoek is ingediend geeft zo spoedig mogelijk antwoord.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 1
1.  Indien de ingevolge deze verordening bevoegde autoriteit overweegt het kind te plaatsen in een instelling of in een pleeggezin in een andere lidstaat, vraagt zij eerst de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat. Daartoe dient zij via de centrale autoriteit van haar eigen lidstaat aan de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind wordt geplaatst, een verzoek tot goedkeuring in dat een verslag bevat over het kind, samen met de redenen voor de voorgestelde plaatsing of zorg.
1.  Indien de ingevolge deze verordening bevoegde autoriteit overweegt het kind met familieleden te plaatsen in een pleeggezin, of in een veilige instelling in een andere lidstaat, vraagt zij eerst de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat. Daartoe dient zij via de centrale autoriteit van haar eigen lidstaat aan de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind wordt geplaatst, een verzoek tot goedkeuring in dat een verslag bevat over het kind, samen met de redenen voor de voorgestelde plaatsing of zorg. De lidstaten zorgen ervoor dat ouders en verwanten van het kind, ongeacht hun woonplaats, regelmatig omgang kunnen hebben, tenzij dit indruist tegen het belang van het kind.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
Wanneer de bevoegde autoriteit voornemens is om maatschappelijk werkers naar een andere lidstaat te sturen om te vast te stellen of een plaatsing daar in overeenstemming is met het belang van het kind, stelt zij de desbetreffende lidstaat hiervan in kennis.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 66 – lid 4
4.  Elke centrale autoriteit draagt haar eigen kosten.
4.  Tenzij anders is overeengekomen tussen de verzoekende lidstaat en de aangezochte lidstaat, draagt elke centrale autoriteit haar eigen kosten.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – alinea 1
Ten laatste [10 jaar na de datum van toepassing] dient de Commissie, ondersteund door de door de lidstaten verstrekte gegevens, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de ex-postevaluatie van deze verordening in. Dat verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetsvoorstel.
Ten laatste [vijf jaar na de datum van toepassing] dient de Commissie, ondersteund door de door de lidstaten verstrekte gegevens, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de ex-postevaluatie van deze verordening in. Dat verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetsvoorstel.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 79 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis)  het aantal zaken en beslissingen in bemiddelingsprocedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid;

(1) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.


De uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten
PDF 236kWORD 65k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over de uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de lidstaten (2017/2039(INI))
P8_TA(2018)0018A8-0406/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) 2015/779 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013, inzake een aanvullend initieel voorfinancieringsbedrag dat wordt uitgekeerd aan door het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma's(2),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 over de invoering van een jongerengarantie(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646),

–  gezien speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer van maart 2015 getiteld "De EU‑jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet",

–  gezien speciaal verslag nr. 5/2017 van de Europese Rekenkamer van maart 2017 getiteld: "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief",

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de controle van de uitgaven en het toezicht op de kosteneffectiviteit van de EU‑garantieregelingen voor jongeren(4),

–  gezien de grondige analyse van zijn beleidsondersteunende afdeling Begrotingszaken van 3 februari 2016 getiteld "Assessment of Youth Employment Initiative",

–  gezien het voorstel van de Commissie van 10 juni 2016 voor een aanbeveling van de Raad tot invoering van een vaardighedengarantie (COM(2016)0382),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 over het initiatief "Kansen voor jongeren"(5),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages,

–  gezien het Europees Sociaal Handvest, het bijkomende protocol hierbij en de herziene versie ervan, die in werking is getreden op 1 juli 1999,

–  gezien de door de VN in 2015 aangenomen duurzameontwikkelingsdoelstellingen voor 2030 (SDG's), die wereldwijd, met inbegrip van de EU, van toepassing zijn, en met name SDG 8 betreffende de bevordering van "aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen",

–  gezien het verslag van Jean-Claude Juncker, in nauwe samenwerking met Donald Tusk, Jeroen Dijsselbloem, Mario Draghi en Martin Schulz, van 22 juni 2015 over de voltooiing van de economische en monetaire unie ("verslag van de vijf voorzitters"), de discussienota van de Commissie van 26 april 2017 over de sociale dimensie van Europa, de discussienota van de Commissie van 31 mei 2017 over de verdieping van de economische en monetaire unie, en het Witboek van de Commissie van 1 maart 2017 over de toekomst van Europa,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 april 2017 getiteld "Establishing a European Pillar of Social Rights" (COM(2017)0250) en Aanbeveling (EU) 2017/761 van de Commissie van 26 april 2017 over de Europese pijler van sociale rechten(6),

–  gezien de werkzaamheden en de onderzoeken die zijn uitgevoerd door Cedefop, de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) en het Europees Vakbondsinstituut (ETUI), de Europese ondernemingsorganisatie (BusinessEurope), de Europese Unie van het Ambacht en van het Midden- en Kleinbedrijf (UEAPME), het Europees Centrum van overheidsbedrijven (CEEP), Eurocities en het Europees Jeugdforum,

–  gezien de toespraak van voorzitter Juncker van 13 september 2017 over de staat van de Unie, de routekaart naar een meer verenigde, sterkere en democratischere Unie (ontwerp-werkprogramma van de Commissie tot eind 2018) en de intentieverklaring van de Commissie aan voorzitter Antonio Tajani en aan de premier van Estland, Jüri Ratas, van 13 september 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0406/2017),

A.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid door de financiële en economische crisis is gestegen van 15 % in 2008 tot een piek van 24 % begin 2013, maar dat dit gemiddelde enorme verschillen tussen lidstaten en regio's maskeert; overwegende dat de jeugdwerkloosheid in 2013 in Duitsland, Oostenrijk en Nederland rond de 10 % bleef, terwijl die in Italië, Spanje, Kroatië en Griekenland piekte op bijna 40 % of ruim daarboven;

B.  overwegende dat is gebleken dat maatregelen om de overheidsuitgaven te beperken, rechtstreeks een negatieve impact op met name jongeren hebben als gevolg van besparingen op het gebied van onderwijs, het scheppen van banen en ondersteunende diensten;

C.  overwegende dat er beleidsmaatregelen zijn ontwikkeld die gevolgen hebben voor jongeren, zonder dat de betreffende jongeren en hun vertegenwoordigers daarbij betrokken werden;

D.  overwegende dat langdurige jeugdwerkloosheid ertoe kan leiden dat jongeren gemarginaliseerd en maatschappelijk uitgesloten worden, waardoor zij zich geïsoleerd voelen en een "brandmerkeffect" kan ontstaan, wat betekent dat er een grotere kans bestaat dat zij opnieuw werkloos raken, en geconfronteerd worden met lagere lonen en minder goede loopbaanvooruitzichten tijdens hun werkzame leven; overwegende dat een situatie waarin jongeren aan de kant worden geschoven een verlies aan publieke en private investeringen impliceert, hetgeen leidt tot een wijdverbreide jobonzekerheid en een achteruitgang van verworven vaardigheden, gezien het onbenutte en teruglopende menselijk kapitaal dat dit met zich meebrengt;

E.  overwegende dat in 2012 een op de drie Europese werknemers over- of ondergekwalificeerd was voor zijn of haar baan(7), en overwegende dat jongere werknemers over het algemeen vaker formeel overgekwalificeerd zijn, terwijl zij ook vaker dan oudere werknemers werkzaam zijn in banen die minder goed aansluiten bij hun vaardigheden;

F.  overwegende dat jonge werknemers een hoger risico lopen om in een onzekere baan terecht te komen; overwegende dat de kans om in een beroep met meervoudige nadelen terecht te komen voor werknemers jonger dan 25 jaar dubbel zo hoog is als voor werknemers van 50 jaar of ouder(8);

G.  overwegende dat een succesvolle overgang van school naar werk of van inactiviteit naar werk en het hebben van een eerste echte baan jongeren mondig maakt en motiveert, waarmee zij worden geholpen om hun persoonlijke en professionele vaardigheden te ontwikkelen zodat zij onafhankelijke burgers met zelfvertrouwen worden en hun loopbaan een goede start krijgt;

H.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de EU-28, na het bereiken van een piek van 24 % in 2013, gestaag is afgenomen tot minder dan 17 % in 2017; overwegende dat het jeugdwerkloosheidspercentage hoog blijft, dat er slechts enkele lidstaten zijn (Oostenrijk, Tsjechië, Nederland, Malta, Hongarije en Duitsland) waarin het jeugdwerkloosheidspercentage minder dan 11 % bedraagt, en dat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten;

I.  overwegende dat uit een uitsplitsing naar geslacht van deeltijd- en voltijdbanen in Europa naar voren komt dat de genderkloof tussen 2007 en 2017 onveranderd is gebleven, aangezien mannen in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar nog steeds 60 % van de voltijdbanen bekleden, terwijl zij in dezelfde leeftijdsgroep rond 40 % van de deeltijdwerkers blijven uitmaken;

J.  overwegende dat, als statistisch gegeven, de jeugdwerkloosheid helaas over het algemeen tweemaal zo hoog is als de totale gemiddelde werkloosheid, zowel tijdens perioden van economische groei als tijdens recessies;

Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en jongerengarantie

K.  overwegende dat de Raad op 22 april 2013 middels een aanbeveling van de Raad een jongerengarantie heeft ingevoerd, waarmee de lidstaten zich ertoe verbinden jongeren binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een deugdelijk aanbod voor een baan, voortgezette scholing, een plaats in het leerlingstelsel of een stage aan te bieden;

L.  overwegende dat veel lidstaten, aangezien zij weinig succes hebben geboekt met de regelingen en mogelijkheden die tot nu toe beschikbaar waren in de strijd tegen jeugdwerkloosheid, meer aandacht moeten besteden aan de effectieve toepassing van de financiële middelen en instrumenten die beschikbaar zijn in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF);

M.  overwegende dat de Raad in februari 2013 besloot tot het lanceren van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, dat werd gelanceerd als het voornaamste begrotingsinstrument van de EU – gekoppeld aan het ESF– om regio's in lidstaten met een hoge jeugdwerkloosheid te helpen, in het bijzonder door de invoering van jongerengarantieregelingen;

N.  overwegende dat de jongerengarantie een EU-brede verbintenis inhoudt, terwijl het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gericht is op de lidstaten en regio's met een jeugdwerkloosheid van meer dan 25 %, waarvoor in totaal twintig lidstaten ofwel geheel, ofwel gedeeltelijk in aanmerking komen;

O.  overwegende dat met het oog op het snel beschikbaar maken van middelen de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor 2014 en 2015 vervroegd werd vastgelegd teneinde met de door het initiatief gefinancierde maatregelen een zo groot mogelijk effect te creëren; overwegende dat de vervroegde vastlegging op zichzelf tekortschoot als maatregel door vertragingen bij de tenuitvoerlegging op nationaal en regionaal niveau; overwegende dat het voorfinancieringspercentage in 2015 onder voorwaarden werd opgetrokken van 1 % tot 30 %, en dat de meeste beschikbare lidstaten deze maatregel met succes hebben toegepast;

P.  overwegende dat een belangrijke ambitie in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief erin bestaat jongeren te bereiken die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's), en die het hoogste risico op uitsluiting lopen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de aanduiding NEET's verschillende subgroepen van jongeren omvat die uiteenlopende behoeften hebben;

Q.  overwegende dat de jongerengarantie is ontworpen om NEET's duurzaam te laten integreren in de arbeidsmarkt door een geïndividualiseerde benadering aan te bieden die moet leiden tot een deugdelijk aanbod voor een baan en een grotere inzetbaarheid van jongeren, en, in een bredere context, om jongeren te ondersteunen bij de overgang van school naar werk en om discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden op de arbeidsmarkt te helpen aanpakken; overwegende dat gepaste bereikstrategieën van de lidstaten noodzakelijk zijn in dit verband;

R.  overwegende dat de IAO de kosten van de uitvoering van de jongerengarantie in de EU‑28 in 2015 schatte op 45 miljard EUR; overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de programmeringsperiode 2014-2020 over een bescheiden begroting van 6,4 miljard EUR kon beschikken, ter aanvulling van nationale financiering en niet ter vervanging daarvan;

S.  overwegende dat de Commissie in het kader van de herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2017-2020 heeft voorgesteld de begroting voor het jeugdwerkloosheidsinitiatief te verhogen met 1 miljard EUR, aangevuld met een bedrag van 1 miljard EUR aan ESF-vastleggingen; overwegende dat het Parlement en de Raad een akkoord hebben bereikt over de verhoging van dat bedrag tot 1,2 miljard EUR; overwegende dat het Parlement op 5 september 2017 zijn goedkeuring heeft gehecht aan het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2017, dat voorziet in een aanvullende toewijzing van 500 miljoen EUR aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2017, gefinancierd uit de overkoepelende marge voor vastleggingen, en dat het betreurt dat de begrotingsprocedure 2017 is vertraagd als gevolg van het blokkeren en de late goedkeuring door de Raad van de tussentijdse herziening van het MFK;

T.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar eerste speciaal verslag over de jongerengarantie haar zorgen uitsprak over de toereikendheid van de financiering (zowel op EU- als op nationaal niveau) van het initiatief, over de definitie van een "deugdelijk aanbod", over het gebrek aan een strategie met duidelijke mijlpalen en doelstellingen en over het toezicht op en de rapportage van de resultaten; overwegende dat de Rekenkamer ook bezorgdheid heeft geuit over de te beperkte toepassing van de partnerschapsbenadering, die werd opgenomen in de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013, bij de ontwikkeling van de jongerengarantie;

U.  overwegende dat er behoefte is aan daadwerkelijk doeltreffende mechanismen om de problemen bij de uitvoering van jongerengarantieregelingen te bespreken en op te lossen, alsook aan een sterk engagement van de lidstaten om de jongerengarantie volledig uit te voeren door het verbeteren van vaardigheden en de invoering van gepaste, flexibele evaluatiestructuren, met bijzondere aandacht voor de lokale omstandigheden;

V.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar speciaal verslag over de jongerengarantie een aantal gemeenschappelijke criteria heeft genoemd op grond waarvan kan worden bepaald wanneer er sprake is van een "deugdelijke aanbieding", waarbij zij heeft geconstateerd dat Slowakije een wettelijke bindende definitie kent die vereisten omvat met betrekking tot de minimale duur van de baan, duurzaamheid van de baan na beëindiging van de steun door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de inaanmerkingneming van de gezondheidstoestand van de begunstigde;

W.  overwegende dat de Europese Rekenkamer in haar onlangs gepubliceerde tweede speciaal verslag over de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan de bevindingen zijn gebaseerd op een steekproef van zeven lidstaten, zich bezorgd toont over hoe moeilijk het is om toegang te krijgen tot de volledige gegevens en over de beperkte vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de jongerengarantie, met resultaten die achterblijven bij de aanvankelijke verwachtingen; overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie nog steeds behoren tot de meest innovatieve en ambitieuze beleidsreacties op de jeugdwerkloosheid ten gevolge van de economische crisis, en zij dus de komende jaren nog financieel en politiek ondersteund moeten worden door Europese, nationale en regionale instellingen;

X.  overwegende dat de kosteneffectiviteit van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het uiteindelijke doel van de jongerengarantie om jongeren duurzaam aan werk te helpen alleen kunnen worden verwezenlijkt als er naar behoren toezicht wordt gehouden op de activiteiten, op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, als de programma's resultaatgericht zijn, en als aanpassingen gebeuren wanneer maatregelen ondoeltreffend of te duur blijken te zijn;

Y.  overwegende dat meer inspanningen door de lidstaten vereist zijn voor een beleid dat speciaal gericht is op en steun biedt aan de jongeren die het verst van de arbeidsmarkt staan of daarvan volledig zijn uitgesloten, zoals jongeren met een handicap;

Z.  overwegende dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie een centrale rol zouden moeten spelen bij de verwezenlijking van de kernbeginselen van de Europese pijler van sociale rechten;

AA.  overwegende dat de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, in zijn toespraak van 2017 over de staat van de Unie geen gewag heeft gemaakt van de nog steeds alarmerend hoge jeugdwerkloosheid in Europa; overwegende dat de ondersteunende rol van de jongerengarantie bij het scheppen van banen is erkend in de intentieverklaring bij de toespraak over de staat van de Unie van 2017; overwegende dat de bestrijding van werkloosheid en in het bijzonder jeugdwerkloosheid een prioriteit moet blijven bij het optreden van de Unie;

AB.  overwegende dat er vertraging is geconstateerd bij betalingen aan jongeren in het kader van door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierde maatregelen, wat vaak het gevolg is van te late voorbereiding door de beheersinstanties of ontoereikende administratieve capaciteiten bij nationale of regionale instanties;

AC.  overwegende dat maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie, zoals stages of traineeships, de overgang naar de arbeidsmarkt dienen te vergemakkelijken en niet in de plaats mogen komen van reguliere arbeidscontracten;

AD.  overwegende dat onregelmatige arbeidsregelingen en het verzuim zich als werkloos te registreren de statistische gegevens over jonge vrouwen in plattelandsgebieden onnauwkeurig maken en ongelijkheden ten aanzien van hun pensioenen creëren; overwegende dat deze praktijk een negatieve invloed heeft op de gehele samenleving en met name op het welzijn van vrouwen, andere sociale verzekeringen, kansen met betrekking tot verandering van loopbaan en toekomstige arbeidsmogelijkheden;

AE.  overwegende dat 16 miljoen NEET's onder een jongerengarantieregeling vallen en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief rechtstreekse steun heeft verleend aan meer dan 1,6 miljoen jongeren in de EU;

AF.  overwegende dat de lidstaten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief meer dan 132 maatregelen ten aanzien van jongeren op de arbeidsmarkt hebben goedgekeurd;

AG.  overwegende dat 75 % van de totale begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is vastgelegd en dat 19 % reeds door de lidstaten is geïnvesteerd, waardoor het uitvoeringspercentage van de begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het hoogste van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) is;

AH.  overwegende dat uit diverse verslagen over het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief blijkt dat ondanks zorgen over de toereikendheid van de financiering en de ramingen van de in totaal noodzakelijke investeringen, de beschikbare middelen met succes worden afgestemd op de regionale vraag, doordat ze gericht worden ingezet voor specifieke regio's en doelgroepen;

AI.  overwegende dat de Commissie sinds de introductie van de Europese werkgelegenheidsstrategie in 1997 een reeks maatregelen heeft ondersteund om de arbeids- en onderwijsmogelijkheden van jongeren te verbeteren(9); overwegende dat de inspanningen van de EU zich sinds de crisis met name hebben gericht op de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

AJ.  overwegende dat de jongerengarantie wordt gefinancierd uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), de nationale begrotingen en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, en dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief het directe aanbod van banen, leerling- en stageplaatsen of vervolgonderwijs voor de doelgroep van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de in aanmerking komende regio's kan financieren; overwegende ten slotte dat maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief geen vooraf bepaalde duur hebben, terwijl in het kader van de jongerengarantie binnen vier maanden een aanbod moet worden gedaan;

AK.  overwegende dat de jongerengarantie ertoe heeft geleid dat in de lidstaten structurele hervormingen zijn doorgevoerd, met name om het onderwijs- en opleidingsaanbod beter te laten aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt, om op die manier de doelstellingen van de jongerengarantie te verwezenlijken;

AL.  overwegende dat externe factoren, zoals de specifieke economische situatie of het productiemodel van de betreffende regio, van invloed zijn op de verwezenlijking van de in het kader van de jongerengarantie gestelde doelen;

Inleiding

1.  meent dat de jongerengarantie een eerste stap moet zijn in de richting van de behoeften van jongeren op het gebied van werkgelegenheid; herinnert eraan dat werkgevers de plicht hebben om mee te werken aan het bieden van toegankelijke beroepsopleidingsprogramma's, startersbanen en hoogwaardige stages aan jongeren;

2.  benadrukt dat het kwalitatieve aspect van fatsoenlijk werk voor jongeren in geen geval in de verdrukking mag komen; onderstreept dat de fundamentele arbeidsnormen en andere normen met betrekking tot de kwaliteit van werk, zoals werktijden, minimumloon, sociale zekerheid en gezondheid en veiligheid op het werk, centrale uitgangspunten moeten blijven van alle geleverde inspanningen;

3.  wijst op de aanzienlijke verschillen tussen de economische prestaties op het gebied van economische en werkgelegenheidsgroei in de EU‑28, hetgeen een krachtig beleidsantwoord vereist; erkent dat bepaalde lidstaten achterblijven bij de uitvoering van de nodige structurele hervormingen; merkt op dat banen worden gecreëerd door middel van deugdelijk economisch beleid en arbeidsmarkt- en investeringsbeleid, wat uiteindelijk verantwoordelijkheden van de lidstaten zijn; maakt zich zorgen over de langetermijneffecten op de economische ontwikkeling van regio's die te maken hebben met een braindrain van hoogopgeleiden;

4.  herinnert eraan dat in de uitvoeringsvoorschriften van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt bepaald dat de lidstaten moeten kiezen uit verschillende manieren om het programma uit te voeren (als exclusief programma, als prioritaire pijlers binnen een bestaand operatief programma of als onderdeel van verschillende prioritaire pijlers); wijst erop dat er, gezien de verschillende manieren waarop het programma kan worden uitgevoerd en op basis van de verkregen resultaten, goede werkwijzen moeten worden uitgewisseld met het oog op hun opneming in toekomstige etappes van het programma;

5.  neemt met bezorgdheid kennis van speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer, waarin wordt gesteld dat het risico bestaat dat Europese middelen de nationale financiering gewoonweg vervangen, zonder meerwaarde op te leveren; herinnert eraan dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, in lijn met het additionaliteitsbeginsel, tot doel heeft een aanvulling te vormen op de nationale financiering, en niet in de plaats te komen van het beleid en de middelen van de lidstaten zelf om jeugdwerkloosheid te bestrijden; benadrukt dat de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontoereikend is om de ambitie waar te maken om alle jongeren binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een deugdelijk aanbod voor een baan, voortgezet onderwijs, plaats in het leerlingstelsel of stageplaats te doen, en dat dit ook nooit de bedoeling is geweest;

6.  benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met name als een motor moet fungeren voor beleidshervormingen en betere coördinatie op de gebieden van werkgelegenheid en onderwijs, met name in lidstaten met een hoge jeugdwerkloosheid, om ervoor te zorgen dat die lidstaten geïntegreerde, alomvattende en langetermijnbenaderingen voor het aanpakken van jeugdwerkloosheid invoeren die de inzetbaarheid van jongeren vergroten, die jongeren betere kansen bieden en die leiden tot duurzame werkgelegenheid, in plaats van een reeks gefragmenteerde (bestaande) beleidsmaatregelen; is van oordeel dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie krachtige instrumenten zijn in de strijd tegen de sociale uitsluiting van de meest kansarme jongeren; is van mening dat het belangrijk is te werken aan het realiseren van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het gebied van werkgelegenheid, schooluitval en sociale uitsluiting;

7.  herinnert eraan dat er, naar aanleiding van de aanbevelingen van de Raad over de oprichting van de jongerengarantie, zes aandachtsgebieden zijn vastgesteld waarop de regelingen van de jongerengarantie moeten worden gebaseerd: ontwikkeling van op partnerschap gebaseerde benaderingen, vroegtijdige interventie en activering, ondersteunende maatregelen met het oog op integratie in de arbeidsmarkt, gebruik van EU-fondsen, beoordeling en voortdurende verbetering van de regeling, en snelle uitvoering ervan; wijst erop dat, volgens de evaluatieverslagen, heel weinig lidstaten gegevens en volledige evaluaties hebben verschaft over deze aspecten;

8.  benadrukt dat er meer geïnvesteerd moet worden in zowel de binnenlandse mobiliteit alsook in de grensoverschrijdende mobiliteit om het werkloosheidspercentage onder jongeren te verlagen en discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aan te pakken; vraagt om vraag en aanbod van werk en vaardigheden beter op elkaar af te stemmen door de mobiliteit tussen (grensoverschrijdende) regio's te faciliteren; erkent dat de lidstaten bijzondere aandacht moeten besteden aan een betere aansluiting tussen de onderwijssystemen en de arbeidsmarkt in grensoverschrijdende regio's, bijvoorbeeld door onderwijs in de buurtalen te stimuleren;

9.  herinnert eraan dat de hoge jeugdwerkloosheid onder meer wordt veroorzaakt door: de gevolgen van de mondiale economische crisis voor de arbeidsmarkt, voortijdig schoolverlaten zonder toereikende kwalificaties, het gebrek aan passende capaciteiten en aan werkervaring, de tendens van onzekere, kortdurende arbeidsvormen die worden gevolgd door perioden van werkloosheid, beperkte opleidingsmogelijkheden en ontoereikende of ongeschikte actieve arbeidsmarktprogramma's;

10.  vindt dat het toezicht op de jongerengarantie op geloofwaardige gegevens moet stoelen; acht de toezichtsgegevens en ‑resultaten die momenteel beschikbaar zijn onvoldoende voor een algemene beoordeling van de uitvoering en resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief als het voornaamste financieringsvehikel van de EU voor jongerengarantieregelingen, wat in het bijzonder te wijten is aan de initiële vertraging bij het opstarten van operationele programma's door de lidstaten en het feit dat die programma's zich nog in een relatief vroege fase bevinden; hamert erop dat het aanpakken van jeugdwerkloosheid een prioriteit moet blijven bij het optreden van de Unie; is evenwel bezorgd over de bevindingen in het laatste verslag van de Rekenkamer over het effect van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie als EU-beleidsmaatregelen om de jeugdwerkloosheid aan te pakken, rekening houdend met de beperkte territoriale en temporele reikwijdte ervan;

11.  is van mening dat een strategie voor de heropleving van de werkgelegenheid voor jongeren, wil deze daadwerkelijk effectief zijn, moet voorzien in rondetafeldiscussies met belanghebbende partijen, met inachtneming van de territoriale context waarin de strategie moet worden toegepast, en moet voorzien in gerichte opleidingen die beantwoorden aan wat de bedrijfswereld nodig heeft maar ook rekening houden met de ambities en vaardigheden van jongeren; benadrukt dat deze strategie moet zorgen voor kwalitatief hoogstaande opleidingen en volledige transparantie bij de toewijzing van middelen aan opleidingsinstanties, onder meer door een strikt toezicht op de besteding van deze middelen;

12.  betreurt dat de lidstaten hebben besloten zich alleen tot het niet-bindende instrument te verbinden waarin de aanbeveling van de Raad voorziet; wijst erop dat het doel van de jongerengarantie in tal van lidstaten bij lange na niet is bereikt;

De meest achtergestelde jongeren bereiken

13.  wijst op het risico dat jongeren met een handicap noch onder het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief noch onder de jongerengarantie vallen; roept de Commissie en de lidstaten op hun operationele programma's aan te passen om ervoor te zorgen dat de maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie daadwerkelijk toegankelijk zijn voor alle personen met een handicap teneinde gelijke toegang voor gehandicapte jongeren te bieden, en in specifieke behoeften te voorzien;

14.  benadrukt dat het bereiken van NEET's krachtige en aanhoudende inspanningen door nationale autoriteiten alsmede sectoroverstijgende samenwerking vereist, aangezien de NEET's een heterogene groep vormen met uiteenlopende behoeften en vaardigheden; benadrukt dat nauwkeurigere en bredere gegevens over de gehele NEET-populatie nodig zijn opdat zij kunnen worden geregistreerd en doeltreffender kunnen worden bereikt, aangezien doelgroepen aan de hand van meer uitgesplitste gegevens beter kunnen worden afgebakend en initiatieven met betrekking tot werkgelegenheid beter kunnen worden afgestemd op de ontvangers;

15.  is van mening dat de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet ter vervanging mogen dienen van de toepassing van macro-economische instrumenten en van ander beleid ter bevordering van de jeugdwerkgelegenheid; wijst erop dat het bij de beoordeling van de uitvoering en de invloed van de garantie belangrijk is rekening te houden met de verschillende begrotings- en macro-economische omstandigheden in de lidstaten; is van mening dat het belangrijk is een structurele hervorming van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor de lange termijn uit te stippelen indien de duur van het programma verlengd wordt; betoogt dat er duidelijk behoefte bestaat aan een betere coördinatie tussen de verschillende lidstaten;

16.  spreekt zijn steun uit voor de ontwikkeling van centrale loketten om ervoor te zorgen dat alle diensten en vormen van begeleiding voor jongeren gemakkelijk en kosteloos toegankelijk en beschikbaar zijn op één plek;

17.  maakt zich zorgen over eerste waarnemingen waaruit blijkt dat er verbeteringen nodig zijn op het gebied van de registratie en het bereiken van alle NEET's, in het bijzonder diegenen die moeilijk re-integreerbaar blijken; roept de lidstaten op om passende en op maat gesneden strategieën in te voeren om alle NEET's te bereiken en om een geïntegreerde aanpak te hanteren om meer geïndividualiseerde ondersteuning en diensten beschikbaar te maken voor jongeren die met meerdere belemmeringen kampen; dringt er bij de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan de behoeften van kwetsbare NEET's en om vooringenomenheid en negatieve houdingen ten opzichte van hen uit te bannen;

18.  benadrukt dat het noodzakelijk is maatregelen af te stemmen op de lokale behoeften om hun effect te vergroten; roept de lidstaten op om bijzondere maatregelen met betrekking tot jongerenwerkgelegenheid in te voeren in landelijke gebieden;

19.  verzoekt de lidstaten om snel te zorgen voor een betere voorlichting over de bestaande steunprogramma's voor jongeren, met name voor de groepen die het verst van de arbeidsmarkt staan, aan de hand van bewustmakingscampagnes via zowel traditionele als moderne mediakanalen zoals sociale netwerken;

Waarborging van de kwaliteit van aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief

20.  neemt kennis van de oproep om de term "deugdelijk aanbod" te definiëren; benadrukt de noodzaak om een alomvattende en algemeen aanvaarde definitie uit te werken, waarbij rekening gehouden kan worden met de werkzaamheden die het Comité voor de werkgelegenheid in samenwerking met de Commissie, de IAO en de relevante belanghebbenden heeft verricht; wijst erop dat een kwalitatief hoogstaand aanbod een veelzijdige maatregel is die door de ontwikkeling van vaardigheden tot een duurzame en passende integratie van de deelnemers op de arbeidsmarkt leidt, en benadrukt dat dit aanbod moet aansluiten op het kwalificatieniveau en profiel van de deelnemers en rekening moet houden met de behoeften van de arbeidsmarkt; dringt er bij de lidstaten op aan te verzekeren dat de relevante sociale bescherming, regelgeving over arbeidsomstandigheden en compensatieniveaus voor de deelnemers gelden; vestigt de aandacht op de kwaliteitsnormen die zijn vermeld in de richtsnoeren van de Commissie inzake de evaluatie van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ("Guidance on the evaluation of the Youth Employment Initiative") van 2015, waarin de kenmerken van aanbiedingen voor een baan, de afstemming ervan op de behoeften van de deelnemer, de resultaten van de aanbiedingen in termen van integratie op de arbeidsmarkt en het percentage niet aangenomen aanbiedingen en snel weer opgezegde banen worden genoemd als indicatoren voor de evaluatie van de kwaliteit van het werk;

21.  herinnert eraan dat de IAO "fatsoenlijk werk" heeft gedefinieerd als "werk dat productief is en een billijk inkomen oplevert, veiligheid op de werkplek en sociale bescherming biedt, betere vooruitzichten op persoonlijke ontwikkeling en sociale integratie biedt, mensen de vrijheid geeft om voor hun belangen op te komen, zich te organiseren en deel te nemen aan de besluitvorming die van invloed is op hun leven, en waarbij alle vrouwen en mannen gelijke kansen krijgen en gelijk worden behandeld", en dat in het geval van werkende jongeren nog steeds niet aan deze minimumnorm wordt voldaan;

22.  is van mening dat jongeren ook bij de controle van de kwaliteit van het aanbod betrokken moeten worden;

23.  benadrukt dat met een "aanbod van een kwalitatief goed contract" met betrekking tot een stageplaats wordt bedoeld dat ten minste de volgende garanties worden geëerbiedigd: een stageperiode moet zijn gebaseerd op een schriftelijk contract, dat transparante informatie bevat over de rechten en plichten van de contractsluitende partijen, dat concrete doelstellingen vaststelt en een kwalitatief goed leerplan formuleert; er moet een mentor of toezichthouder worden aangewezen die de resultaten van de stagiair aan het eind van de stageperiode evalueert; de duur van de stage moet worden gespecificeerd, er moet een maximale duur worden vastgesteld voor stages bij dezelfde werkgever, de dekking die wordt geboden binnen het socialezekerheidsstelsel moet worden verduidelijkt en de beloning moet in het contract worden gespecificeerd;

24.  moedigt de lidstaten aan om hun operationele programma's in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in samenwerking met de sociale partners en jongerenorganisaties voortdurend bij te werken en te herzien, teneinde hun maatregelen beter af te stemmen op de daadwerkelijke behoeften van de jongeren en de arbeidsmarkt;

25.  onderstreept dat vaststellen of de begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief goed wordt besteed, en of het uiteindelijke doel van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om werkloze jongeren duurzaam aan werk te helpen wordt bereikt, alleen mogelijk is als er nauwlettend en transparant toezicht op de activiteiten wordt gehouden op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, en als lidstaten die geen vooruitgang hebben geboekt voor een meer ambitieuze aanpak kiezen; roept de lidstaten op om het toezicht, de verslaglegging en de kwaliteit van de gegevens dringend te verbeteren, en te garanderen dat er betrouwbare en vergelijkbare gegevens over de lopende tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief worden verzameld en tijdig beschikbaar worden gesteld, frequenter dan vereist is uit hoofde van hun jaarlijkse verslagleggingsplicht, zoals bepaald in artikel 19, lid 2 van de ESF‑verordening; verzoekt de Commissie haar richtsnoeren over gegevensverzameling in overeenstemming met de aanbeveling van de Europese Rekenkamer te herzien om het risico op te rooskleurig voorgestelde resultaten tot een minimum te beperken;

26.  neemt nota van de voorstellen voor programma's en de verschillende programmatypes die door de lidstaten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontwikkeld zijn; is van mening dat de nationale regelgeving in verschillende lidstaten vaag is met betrekking tot de doelstellingen en benadering, onduidelijk is geformuleerd en geen brede portefeuille van mogelijkheden biedt om de werkgelegenheid te bevorderen; is van mening dat de grote speelruimte en het gebrek aan duidelijke toezichtsmechanismen in sommige gevallen heeft geleid tot de substitutie van bestaande werkplekken door aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

27.  is bezorgd over berichten over oneigenlijk gebruik van in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gefinancierde maatregelen, waaronder trage betaling aan jongeren of misbruik van stages, bijvoorbeeld het buitensporig gebruik ervan; drukt de bereidwilligheid uit om deze praktijken uit te bannen; is van mening dat herhaald gebruik van de jongerengarantie niet mag ingaan tegen het idee van marktactivering en tegen het doel van een meer permanente integratie in de arbeidsmarkt;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om beste praktijken vast te stellen, uit te wisselen en te verspreiden om van elkaars beleid te leren en bij te dragen tot het formuleren en ten uitvoer leggen van op empirisch bewijs gebaseerd beleid; benadrukt dat veranderingen op de arbeidsmarkt en de digitalisering van de economie een nieuwe benadering van het jeugdwerkgelegenheidsbeleid noodzakelijk maken; merkt op dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief meer gebruik moet maken van effectieve instrumenten om jeugdwerkloosheid te verminderen, en geen inefficiënte werkgelegenheidsbeleidsmaatregelen mag recycleren;

29.  herhaalt dat partnerschapsbenaderingen volgens de aanbeveling van de Raad van cruciaal belang zijn voor de uitvoering van de regelingen voor een jongerengarantie en voor het bereiken van NEET's; verzoekt de lidstaten om naar een aanpak met partnerschappen streven door de belanghebbende partijen actief te identificeren en te betrekken en door het jongerengarantieprogramma beter te promoten bij bedrijven, met name kmo's en kleinere familiebedrijven; benadrukt dat bewijs van de lidstaten die reeds vóór de invoering van het programma jongerengarantieachtige benaderingen volgden, laat zien dat een succesvolle aanpak op basis van samenwerking met belanghebbende partijen van essentieel belang is voor het welslagen van de uitvoering;

30.  benadrukt de belangrijke rol van jongerenorganisaties als tussenschakel tussen jongeren en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening; moedigt de lidstaten in deze context aan om nauw samen te werken met jongerenorganisaties op nationaal, regionaal en lokaal niveau bij de communicatie over en de planning, tenuitvoerlegging en beoordeling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

31.  benadrukt het belang van bekwame en gemoderniseerde openbare diensten voor arbeidsvoorziening voor het aanbieden van op NEET's afgestemde diensten; roept de lidstaten op om bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening beter te coördineren op EU-niveau binnen het Netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening; moedigt de ontwikkeling van verdere synergieën tussen openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, bedrijven en onderwijsstelsels aan; moedigt een wijdverspreid gebruik van e-overheid aan om de administratieve rompslomp te verminderen;

32.  verzoekt de Commissie een landenspecifieke raming te maken van de jaarlijkse kosten die in de afzonderlijke lidstaten nodig zijn om de jongerengarantie doeltreffend ten uitvoer te leggen, en daarbij rekening te houden met de raming door de IAO;

33.  onderstreept dat het aanbod van stageplaatsen in het kader van de jongerengarantie moet worden bevorderd, aangezien stageplaatsen slechts 4,1 % uitmaken van de tot nu toe aanvaarde aanbiedingen;

Slotopmerkingen

34.  benadrukt de noodzaak van een strategie om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om te vormen van een crisisinstrument tot een stabieler EU-financieringsinstrument voor het aanpakken van jeugdwerkloosheid in de periode na 2020, dat een snelle en ongecompliceerde mobilisering van middelen verzekert, en waarmee met een cofinancieringsvereiste wordt vastgesteld om de hoofdverantwoordelijkheid van de lidstaten te onderstrepen; merkt op dat bij de verlenging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief rekening gehouden moet worden met de opmerkingen van de Rekenkamer; benadrukt dat de algemene doelstelling van het programma de duurzame integratie van jongeren in de arbeidsmarkt is; benadrukt de noodzaak van duidelijke, meetbare doelstellingen; benadrukt dat deze elementen besproken moeten worden in het kader van het volgende MFK om continuïteit, kosteneffectiviteit en toegevoegde waarde te verzekeren;

35.  herhaalt zijn steun voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; benadrukt dat verdere inspanningen en een aanhoudend politiek en financieel engagement ter bestrijding van jeugdwerkloosheid absoluut noodzakelijk zijn; herinnert er in het bijzonder aan dat moet worden gewaarborgd dat voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten minste 700 miljoen EUR wordt uitgetrokken voor de periode 2018-2020, zoals overeengekomen bij de tussentijdse herziening van het MFK; verzoekt tevens om de toewijzing van voldoende betalingskredieten om voor een behoorlijke en tijdige tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te zorgen;

36.  beklemtoont dat de kwaliteit van aanbiedingen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie moet worden verhoogd en roept op tot een discussie over de in aanmerking komende leeftijdscategorie;

37.  is van mening dat, om ervoor te zorgen dat dit kwaliteitskader voor jeugdwerkgelegenheid operationeel wordt, vorderingen moeten worden gemaakt met de goedkeuring van een aanbeveling met een juridische grondslag in artikelen 292 en 153 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, en dat een reeks maatregelen moet worden genomen op het gebied van voorlichting, bijvoorbeeld het opzetten van een toegankelijke, geactualiseerde website met relevante informatie over de regulering van stages in elke lidstaat;

38.  erkent dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een financieringsinstrument is dat bedoeld is ter aanvulling van initiatieven van de lidstaten voor het aanpakken van het hoge jeugdwerkloosheidspercentage en dat grotere inspanningen van de lidstaten dringend noodzakelijk zijn om onderwijsstelsels beter te laten aansluiten op arbeidsmarkten, zodat meer jongeren op een duurzame manier kunnen integreren in de arbeidsmarkt; verwelkomt de ingevoerde maatregelen en beleidslijnen om de discrepantie tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden aan te pakken; erkent dat de benutting van vaardigheden een uitdaging blijft in heel Europa en is van oordeel dat het dus noodzakelijk is om te verzekeren dat de gevraagde en aangeboden vaardigheden beter op elkaar afgestemd zijn;

39.  is van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie van essentieel belang zijn voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de kernbeginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met name aanbeveling 1 inzake onderwijs, opleiding en een leven lang leren; aanbeveling 4 inzake actieve ondersteuning bij het vinden van werk; aanbeveling 5 inzake veilige en flexibele werkgelegenheid; aanbeveling 6 inzake loon; aanbeveling 8 inzake sociale dialoog en betrokkenheid van werknemers; aanbeveling 10 inzake een gezonde, veilige en goed aangepaste werkomgeving en gegevensbescherming; aanbeveling 12 inzake sociale bescherming; aanbeveling 13 inzake werkloosheidsuitkeringen; en aanbeveling 14 inzake minimuminkomen;

40.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich, samen met de IAO, extra in te spannen om informatie op maat te verschaffen en de nationale capaciteit te vergroten om jongerengarantieregelingen te ontwikkelen en evalueren op basis van de volgende aspecten: garantie dat het initiatief volledig en op duurzame wijze ten uitvoer wordt gelegd, verbetering van de benadering van de NEET's die nog niet geregistreerd staan en jongeren met lage kwalificaties, het vergroten van de capaciteiten en het verbeteren van de kwaliteit van de aanbiedingen;

41.  merkt op, in afwachting van de uiteindelijke cijfers van de Commissie op basis van de gegevens van de lidstaten, dat naar schatting 203 000 personen aan het eind van 2015 het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief hadden afgerond, een aantal dat overeenkomt met 4 % van alle deelnemers; toont zijn bezorgdheid over het hoge aantal deelnemers dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in sommige lidstaten niet afrondt; is van mening dat het belangrijk is de stimuleringsmaatregelen te intensiveren om te voorkomen dat jongeren het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zien als een programma dat weinig nut heeft;

42.  herinnert eraan dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief financiële steun moet bieden voor maatregelen ter bevordering van de integratie van jonge NEET's op de arbeidsmarkt, zoals (betaalde) stages en plaatsen in het leerlingstelsel, maar niet mag verworden tot substituut van bezoldigd werk in eigenlijke zin;

43.  stelt voor om een Europese "hotline ter bestrijding van schending van jongerenrechten" op te richten, zodat jongeren eventuele negatieve ervaringen bij hun deelname aan maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en de jongerengarantie rechtstreeks kunnen melden aan de Commissie, zodat informatie kan worden verzameld en mogelijk misbruik bij de uitvoering van door de EU gefinancierd beleid kan worden onderzocht;

44.  is verheugd over het feit dat in de intentieverklaring bij de toespraak van voorzitter Juncker over de staat van de Unie 2017 gewag wordt gemaakt van een voorstel voor de oprichting van een Europese arbeidsautoriteit om de samenwerking tussen arbeidsmarktautoriteiten op alle niveaus te versterken en grensoverschrijdende situaties beter aan te pakken, alsook verdere initiatieven om eerlijke arbeidsmobiliteit te bevorderen;

45.  erkent dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voor een afname van de jongerenwerkloosheid en een evenwicht tussen mannen en vrouwen heeft gezorgd, aangezien het initiatief ongeveer 48 % mannen en 52 % vrouwen heeft bereikt;

46.  wenst dat Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2010/41/EU betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen volledig ten uitvoer worden gelegd binnen het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

47.  acht het noodzakelijk dat de Commissie en de lidstaten met positieve maatregelen komen om te waarborgen dat jonge vrouwen en meisjes werk van goede kwaliteit krijgen aangeboden en niet in kwetsbare, onderbetaalde en tijdelijke banen met geen of weinig rechten terechtkomen of blijven hangen;

48.  verzoekt de lidstaten naar geslacht uitgesplitste statistische gegevens te verzamelen zodat de Commissie een effectbeoordeling van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en van het evenwicht tussen mannen en vrouwen kan lanceren en er een grondige beoordeling en analyse van de uitvoering van het initiatief mogelijk wordt gemaakt;

49.  roept de lidstaten op om manieren te vinden om de terugkeer van jonge vrouwen naar de arbeidsmarkt, naar school of naar een opleiding te ondersteunen door toe te zien op de gelijkheid van mannen en vrouwen in de toegang tot arbeid, carrièrekansen, het combineren van werk en privéleven, het aanbieden van kinderopvang en zorgvoorzieningen voor volwassenen en het bevorderen van gelijke betaling voor werk van gelijke waarde;

50.  dringt er bij de lidstaten op aan meer inspanningen te leveren voor de verbetering van maatregelen in onderwijsinstellingen om bij te dragen aan de blijvende bescherming van risicojongeren;

51.  stelt bezorgd vast dat in de recentste beoordelingsverslagen(10) werd benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de eerste uitvoeringsfase primair gericht bleek op hoogopgeleide NEET's, eerder dan op laagopgeleide jongeren, niet‑actieve jongeren en jongeren die niet bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening zijn ingeschreven;

52.  roept de lidstaten op deze wezenlijke tekortkoming bij de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief aan te pakken door onder meer specifieke follow-upmaatregelen te ontwikkelen met het oog op de uitvoering van meer empirisch onderbouwd, doeltreffend en duurzaam jeugdbeleid;

53.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat hun wetgeving het voor alle jongeren binnen de vastgestelde leeftijdsgroep mogelijk maakt om zich in te schrijven en daadwerkelijk aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief deel te nemen(11);

54.  vestigt de aandacht op het gebrek aan regelgeving voor het stageaanbod op de vrije markt in verband met transparante aanwerving, duur en erkenning, en wijst erop dat maar enkele lidstaten minimumkwaliteitscriteria hebben vastgesteld, onder meer voor de controle op de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

55.  erkent dat investeringen met middelen uit de EU-begroting via het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief effect hebben gesorteerd en vaart hebben gezet achter de uitbreiding van de arbeidsmarkt voor jongeren; is van mening dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een duidelijke Europese meerwaarde vertegenwoordigt, aangezien veel werkgelegenheidsinitiatieven voor jongeren niet mogelijk zouden zijn geweest zonder het engagement van de EU;

56.  wijst erop dat in het MFK 2014-2020 oorspronkelijk was voorzien in 6,4 miljard EUR voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan 3,2 miljard EUR van een specifieke begrotingslijn afkomstig was en nog eens hetzelfde bedrag van het ESF;

57.  benadrukt dat er bij de tussentijdse herziening van het MFK politieke steun was voor het voorstel om voor de periode 2017-2020 een aanvullend bedrag van 1,2 miljard EUR aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief toe te kennen, dat met nog eens hetzelfde bedrag uit het ESF moet worden aangevuld; wijst er evenwel op dat het uiteindelijke bedrag voor het programma zal worden vastgelegd in de volgende jaarlijkse begrotingsprocedures;

58.  vindt het verheugend dat op aandringen van het Europees Parlement de bemiddeling over de EU-begroting voor 2018 ertoe heeft geleid dat het aanvankelijk voorgestelde specifieke bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zal worden verhoogd met 116,7 miljoen EUR aan nieuwe kredieten, zodat het totale bedrag voor 2018 uitkomt op 350 miljoen EUR; neemt kennis van een eenzijdige toezegging van de Commissie dat zij in een gewijzigde begroting een verhoging van de financiering voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief zal voorstellen als het absorptievermogen van het initiatief een verhoging mogelijk maakt;

59.  is van mening dat de totale begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ontoereikend is voor de feitelijke vraag en de middelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het programma zijn doelstellingen haalt; herinnert eraan dat er gemiddeld slechts 42 % van de NEET's is bereikt, en in sommige lidstaten zelfs minder dan 20 %; wenst daarom dat in het volgende MFK een aanzienlijk hoger bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt uitgetrokken en dat de lidstaten in hun nationale begroting ruimte creëren voor werkgelegenheidsregelingen voor jongeren;

60.  verzoekt de Commissie te zorgen voor consistentie bij de investeringen ten behoeve van werkgelegenheid voor jongeren, door synergie tussen de beschikbare middelen aan te moedigen en homogene regels op te stellen die in een holistische gids worden opgenomen, om te komen tot een grotere impact, synergieën, doeltreffend optreden en vereenvoudiging op het terrein; herinnert eraan dat verlichting van de administratieve lasten voor de beheersautoriteiten een prioriteit is; benadrukt het belang van landenspecifieke verslagen over de financiering van jongerengarantieregelingen waarin ook wordt gekeken naar de synergie tussen nationale begrotingen en de EU-begroting, alsmede de behoefte aan een betere coördinatie en een nauwere samenwerking tussen de centrale belanghebbenden;

61.  verzoekt de Commissie de planning van de investeringen in banen voor jongeren na 2020 te verbeteren, door onverkort de benadering toe te passen die wordt gebruikt bij de programmering van de ESI-fondsen, waarbij financiering afhankelijk is van een uitgebreide voorafgaande planning en ex-antebeoordeling die gevolgd worden door het sluiten van partnerschapsovereenkomsten; is van mening dat een dergelijke aanpak de impact van de EU-begroting vergroot; wijst op de succesvolle tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in lidstaten met specifieke operationele programma's en met ruime bijdragen uit de nationale en regionale begrotingen;

62.  verzoekt de Commissie bovendien het huidige evaluatiemechanisme om te vormen door de nadruk te leggen op eenvormige resultaten en doelmatigheidscontroles in het kader van jaarlijkse en eindverslagen teneinde de impact van de EU-begroting beter te kunnen monitoren; verzoekt om een EU-brede toepassing van indicatoren, zoals het aantal deelnemers aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief dat dankzij door de EU gefinancierde maatregelen een plaats vindt op de primaire arbeidsmarkt;

63.  benadrukt echter dat hervormingen op het gebied van planning en rapportage niet tot vertraging in de uitvoering van de begroting mogen leiden en geen buitensporige administratieve lasten mogen meebrengen voor de beheersautoriteiten en vooral niet voor de eindbegunstigden;

64.  beseft dat de bestaande administratieve rompslomp het investeringsvermogen van de EU-begroting ondermijnt, vooral waar het gaat om instrumenten met kortere looptijden, zoals het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt daarom om gestroomlijnde aanbestedingsprocedures waarbij de nadruk ligt op snellere voorbereiding van opdrachten en kortere beroepsprocedures; wijst op het positieve effect van het gebruik van "vereenvoudigde kostenopties" (Simplified Cost Options (SCOs)) bij de uitgaven in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; verzoekt om EU‑brede invoering van die vereenvoudigde kostenopties in projecten in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief om de administratieve rompslomp fors terug te dringen en de begrotingsuitvoering te versnellen;

65.  benadrukt dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief momenteel van alle ESI-fondsen het best presteert wat de financiële uitvoering betreft;

66.  is verheugd dat op grond van de maatregelen in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief steun is verleend aan meer dan 1,6 miljoen jongeren en dat de lidstaten in dit kader activiteiten hebben gesteund ter waarde van meer dan 4 miljard EUR;

67.  wijst erop dat gebrek aan informatie over de potentiële kosten van de invoering van een regeling in een lidstaat kan leiden tot ontoereikende financiële middelen voor de uitvoering van de regeling en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; vraagt de lidstaten een analyse vooraf te verrichten en een overzicht te maken van de kosten die gemoeid zijn met de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie;

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om administratief minder belastende en actuelere monitoringsystemen op te zetten voor de resterende financiering in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

69.  pleit ervoor dat bij het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief de focus wordt gelegd op de bereikte resultaten, door concrete indicatoren vast te stellen in verband met nieuwe diensten en steunmaatregelen op de arbeidsmarkt die met behulp van het programma in de lidstaten werden ingevoerd, en het aantal vaste contracten dat is aangeboden;

70.  is van mening dat in het kader van de beoordeling van de doeltreffendheid van de regeling alle aspecten geëvalueerd moeten worden, waaronder de kosten-batenverhouding; neemt nota van de eerdere ramingen van de IAO en Eurofound en vraagt de Commissie deze ramingen te bevestigen of te actualiseren;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten realistische en haalbare doelstellingen vast te stellen, verschillen te beoordelen, de markt te analyseren alvorens regelingen ten uitvoer te leggen, de procedures voor toezicht en kennisgeving te verbeteren;

o
o   o

72.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(2) PB L 126 van 21.5.2015, blz. 1.
(3) PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0390.
(5) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 69.
(6) PB L 113 van 29.4.2017, blz. 56.
(7) Verslag van de Commissie getiteld "Werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa 2013".
(8) Verslag van Eurofound van augustus 2014 getiteld "Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages".
(9) Andere maatregelen zijn onder meer het in september 2010 gelanceerde initiatief "Jeugd in beweging", het in december 2011 gelanceerde initiatief "Kansen voor jongeren" en het in januari 2012 gelanceerde initiatief voor jongerenactieteams.
(10) Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer over de uitvoering van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; Eindverslag van juni 2016 voor het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Europese Commissie over de eerste resultaten van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; Mededeling van de Commissie van 4 oktober 2016 getiteld "Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief" (COM(2016)0646); Diepgaande analyse van de EPRS van juni 2016 getiteld "Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief: Europese uitvoeringsbeoordeling".
(11) In het wetgevingskader van sommige landen worden bepaalde jongeren, met name die met een ernstige handicap, gedefinieerd als "arbeidsongeschikt". Zij kunnen zich niet inschrijven bij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening en kunnen dan ook niet deelnemen aan het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief.


Tenuitvoerlegging van de richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en de noodzakelijke hervorming van professionele diensten
PDF 185kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2005/36/EG ten aanzien van de regulering en de noodzakelijke hervorming van professionele diensten (2017/2073(INI))
P8_TA(2018)0019A8-0401/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 45, 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 15 en 16,

–  gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2017 inzake aanbevelingen voor hervorming van de reglementering van professionele dienstverlening (COM(2016)0820),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013 inzake de evaluering van nationale regelingen inzake de toegang tot beroepen (COM(2013)0676),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2015 getiteld "De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen" (COM(2015)0550),

–  gezien zijn resolutie van 26 mei 2016 over de strategie voor de interne markt(2),

–  gezien zijn resolutie van 15 juni 2017 over een Europese agenda voor de deeleconomie(3),

–  gezien zijn resolutie 15 februari 2017 over het Jaarverslag over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2017(4),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 31 mei 2017(5),

–  gezien het eindverslag van de werkgroep Ondersteuning van vrije beroepen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 inzake de procedure voor het verlenen van toestemming voor de opstelling van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0401/2017),

A.  overwegende dat het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening binnen de EU het fundament van de interne markt vormen en talrijke voordelen opleveren voor burgers en ondernemingen;

B.  overwegende dat diensten weliswaar 71 % van het bbp en 68 % van de totale werkgelegenheid vertegenwoordigen, maar dat het potentieel van de interne markt voor diensten nog steeds niet volledig wordt benut;

C.  overwegende dat de lidstaten bij gebrek aan harmonisatie vrij kunnen beslissen over de reglementering van beroepen, op voorwaarde dat de nationale maatregelen transparant, niet-discriminerend, gerechtvaardigd en evenredig zijn;

D.  overwegende dat slimme regelgeving, naar behoren gerechtvaardigd door de bescherming van legitieme doelstellingen van algemeen belang, positieve gevolgen kan hebben voor de interne markt, zodat een hoog niveau van consumentenbescherming en een betere kwaliteit van de dienstverlening wordt gewaarborgd; overwegende dat deregulering daarom geen doel op zich mag zijn;

E.  overwegende dat de reglementering van beroepen in veel gevallen gerechtvaardigd is, maar dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor professionele dienstverlening afbreuk doen aan de grondrechten van de burgers en de economie van de lidstaten; overwegende dat de reglementering van beroepen daarom regelmatig moet worden aangepast om rekening te houden met technologische, maatschappelijke of marktontwikkelingen;

F.  overwegende dat in Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties is voorzien in de automatische erkenning van een aantal beroepen op basis van geharmoniseerde minimumeisen inzake opleiding, een algemeen systeem voor de erkenning van beroepskwalificaties, een automatisch systeem voor de automatische erkenning van beroepservaring en een nieuw systeem voor grensoverschrijdende dienstverlening in de context van gereglementeerde beroepen;

G.  overwegende dat Richtlijn 2005/36/EG in 2013 is gewijzigd om een evenredig regelgevend kader tot stand te brengen dat kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van doelstellingen van algemeen belang en dat in artikel 59 voor alle gereglementeerde beroepen in de lidstaten een transparantie- en wederzijdse evaluatie-exercitie is voorzien, ongeacht of zij gereglementeerd zijn op grond van nationale regels dan wel op grond van op Unieniveau geharmoniseerde regels;

H.  overwegende dat niet alle bepalingen van Richtlijn 2005/36/EG, in het bijzonder artikel 59, door de lidstaten volledig ten uitvoer zijn gelegd, zelfs niet na het verstrijken van de uiterste termijn;

I.  overwegende dat de lidstaten uiterlijk tegen 18 januari 2016 bij de Commissie nationale actieplannen moesten indienen met informatie over hun besluiten met betrekking tot het handhaven of wijzigen van de reglementering van beroepen; overwegende dat zes lidstaten hun nationale actieplannen nog steeds niet hebben ingediend;

J.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 59 van Richtlijn 2005/36/EG werd geacht uiterlijk op 18 januari 2017 haar conclusies over de wederzijdse evaluatie voor te leggen, eventueel vergezeld van voorstellen voor verdere initiatieven;

K.  overwegende dat de Commissie op 10 januari 2017 een mededeling over de behoefte aan hervormingen in de professionele dienstverlening heeft gepresenteerd, waarin de reglementering van beroepen in zeven activiteitensectoren wordt geanalyseerd en aanbevelingen ter zake voor de lidstaten worden geformuleerd;

L.  overwegende dat uit de wederzijdse evaluatie-exercitie is gebleken dat de mate van reglementering van beroepen sterk verschilt van lidstaat tot lidstaat; overwegende dat er verdere verduidelijking nodig is, met name in de gevallen waarin de lidstaten hebben aangekondigd dat er na afloop van de exercitie nieuwe vormen van reglementering van beroepen zullen worden ingevoerd;

Reglementering van beroepen in de Europese Unie en stand van zaken bij de tenuitvoerlegging van artikel 59 van Richtlijn 2005/36/EG

1.  benadrukt dat gereglementeerde beroepen een fundamentele rol in de economie van de Unie spelen en in grote mate bijdragen tot de arbeidsparticipatie, arbeidsmobiliteit en meerwaarde in de Unie; is voorts van mening dat kwalitatief hoogwaardige professionele dienstverlening en een doeltreffend regelgevingskader van het allergrootste belang zijn om het economische, sociale en culturele model van de EU in stand te houden en om het concurrentievermogen van de EU op het vlak van groei, innovatie en werkgelegenheid te versterken;

2.   herinnert eraan dat er in de EU meer dan 5 500 gereglementeerde beroepen zijn, met aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten, die 22 % van de beroepsbevolking vertegenwoordigen in alle activiteitensectoren, zoals gezondheidszorg en sociale diensten, zakelijke dienstverlening, bouw, netwerkdiensten, vervoer, toerisme, vastgoed, openbare diensten en onderwijs;

3.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om de lidstaten richtsnoeren te verstrekken in het kader van de wederzijdse evaluatie-exercitie, zoals de organisatie van diepgaande discussies met nationale autoriteiten, en wijst er ook op dat de nationale autoriteiten alle betrokken partijen inspraak moeten geven om de nodige informatie over het effect van de regelgeving te verzamelen;

4.  meent dat de mededeling van de Commissie van 10 januari 2017 de lidstaten kan helpen om professionele diensten beter te reguleren en best practices uit te wisselen om inzicht te krijgen in de regelgevingskeuzes van andere lidstaten, rekening houdend met het feit dat beroepen in sommige lidstaten sterker door de overheid worden gereglementeerd dan in andere; benadrukt echter dat ook de kwaliteit van de regelgeving moet worden beoordeeld, omdat voor een holistische beoordeling van de prestaties van het regelgevingsklimaat in elke lidstaat elementen nodig zijn die verder gaan dan een louter economische analyse;

5.  betreurt dat sommige lidstaten geen informatie hebben verstrekt over de beroepen die zij reglementeren en de eisen die zij stellen voor de toegang tot deze beroepen; verzoekt de lidstaten de kennisgevingsprocedure in het kader van de richtlijn beroepskwalificaties aanzienlijk te verbeteren;

6.  onderstreept dat een betere transparantie en vergelijkbaarheid van de nationale eisen voor de toegang tot of de uitoefening van gereglementeerde beroepen de arbeidsmobiliteit kan vergroten, en dat bijgevolg alle nationale eisen in overeenstemming met Richtlijn 2005/36/EG moeten worden ingevoerd en op duidelijke en bevattelijke wijze openbaar moeten worden gemaakt in de databank voor gereglementeerde beroepen;

7.  neemt nota van de verbeteringen die de Commissie in de databank van gereglementeerde beroepen heeft aangebracht, zoals de nieuwe interactieve kaart waarmee burgers de eisen voor de toegang tot beroepen in de EU kunnen raadplegen en gemakkelijker kunnen zien welke beroepen in een bepaalde lidstaat gereglementeerd zijn; vraagt de Commissie de databank van gereglementeerde beroepen verder te verbeteren, zodat de bevoegde autoriteiten de informatie tijdig en correct kunnen verstrekken en de transparantie voor EU-burgers dus toeneemt;

8.  neemt nota van de verschillen tussen de lidstaten wat betreft het aantal gereglementeerde beroepen en de reikwijdte van de activiteiten die onder vergelijkbare beroepen vallen, hetgeen verklaart dat lidstaten ervoor kiezen beroepen op uiteenlopende wijzen te reglementeren; vraagt de Commissie de vergelijkbaarheid van verschillende beroepen te verbeteren en een gemeenschappelijke reeks activiteiten te bepalen voor elk beroep dat in de databank wordt aangemeld, om vrijwillige harmonisering binnen de EU te faciliteren;

9.  betreurt dat een aantal lidstaten geen nationaal actieplan hebben ingediend zoals vereist door Richtlijn 2005/36/EG, en vraagt die lidstaten dat onverwijld te doen; merkt op dat de mate van grondigheid, ambitie en gedetailleerdheid van de ingediende nationale actieplannen uiteenloopt;

10.  vraagt de lidstaten artikel 59 van Richtlijn 2005/36/EG volledig ten uitvoer te leggen en hun inspanningen op te voeren om hun reglementering van beroepen transparanter te maken, hetgeen cruciaal is voor de mobiliteit van beroepsbeoefenaars in de Unie omdat alleen met volledige informatie uit alle lidstaten een volledig overzicht van de gereglementeerde beroepen op nationaal of EU-niveau kan worden gegeven;

11.  betreurt dat sommige lidstaten de relevante belanghebbenden niet op passende wijze hebben geraadpleegd bij de opstelling van de nationale actieplannen; is van mening dat een transparante informatiestroom tussen overheidsinstellingen en belanghebbenden noodzakelijk is om de kwesties en uitdagingen in verband met beroepen doeltreffend aan te pakken; pleit voor een ruimere betrokkenheid van alle belanghebbenden in de toekomst, niet alleen met het oog op de opstelling van de nationale actieplannen, maar ook voordat de reglementering van beroepen wordt hervormd, zodat alle betrokken partijen hun mening kunnen geven;

12.  benadrukt dat een doeltreffende reglementering van beroepen zowel de consumenten als de beroepsbeoefenaren ten goede moet komen; herinnert eraan dat het de lidstaten vrij staat om nieuwe regelgeving in te voeren of bestaande regels ter beperking van de toegang tot of de uitoefening van gereglementeerde beroepen te wijzigen, afhankelijk van hun visie op de samenleving en hun sociaaleconomische context, mits dit gerechtvaardigd is door doelstellingen van algemeen belang; is van mening dat een reglementering van professionele diensten die evenredig is en op de realiteit van de markt afgestemd is, kan leiden tot een betere marktdynamiek, lagere prijzen voor de consumenten en efficiëntere prestaties in de sector;

13.  is tegelijk van oordeel dat discriminerende, ongerechtvaardigde en onevenredige eisen bijzonder onbillijk kunnen zijn, met name voor jonge beroepsbeoefenaars, de mededinging kunnen belemmeren en negatieve gevolgen kunnen hebben voor de afnemers van diensten, waaronder consumenten;

14.  erkent de rol van de reglementering van beroepen bij de verwezenlijking van een hoog niveau van bescherming van doelstellingen van openbaar belang, of het nu gaat om doelstellingen die uitdrukkelijk in het Verdrag worden vermeld, zoals openbaar beleid, openbare veiligheid en volksgezondheid, dan wel om doelstellingen die dwingende redenen van algemeen belang vormen, waaronder die welke worden erkend in de jurisprudentie van het Hof van Justitie, zoals handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, bescherming van een goede rechtsbedeling, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding en het voorkomen van belastingontduiking en ‑ontwijking, doeltreffend begrotingstoezicht, verkeersveiligheid, waarborging van vakmanschap, bevordering van onderzoek en ontwikkeling, bescherming van het milieu en het stedelijke milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, bescherming en instandhouding van het nationale historische en artistieke erfgoed, en doelstellingen van sociaal beleid en cultuurbeleid; erkent dat de lidstaten een beoordelingsmarge hebben om te bepalen op welke wijze het bovenstaande moet worden verwezenlijkt, overeenkomstig de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid;

15.  merkt op dat de lidstaten, gezien de risico's voor consumenten, beroepsbeoefenaren of derden, bepaalde activiteiten alleen voor gekwalificeerde beroepsbeoefenaren kunnen voorbehouden, met name wanneer er geen minder beperkende middelen zijn om hetzelfde resultaat te bereiken; benadrukt dat in dergelijke gevallen beroepsspecifieke voorschriften moeten zorgen voor een doeltreffend toezicht op de rechtmatige uitoefening van het gereglementeerde beroep en, in voorkomend geval, op de ethische regels ervan;

16.  neemt in dit opzicht nota van het verband tussen het voorstel voor de evenredigheidsbeoordeling, waarin regels worden vastgesteld voor een gemeenschappelijk kader voor het verrichten van evenredigheidsbeoordelingen voordat nieuwe of bestaande maatregelen voor gereglementeerde beroepen worden ingevoerd of gewijzigd, en de aanbevelingen voor hervorming, die gebaseerd zijn op een beoordeling van de nationale regelgeving in zeven activiteitensectoren; vraagt de lidstaten hun reglementering van beroepen te beoordelen en zo nodig aan te passen in overeenstemming met de specifieke aanbevelingen voor hervorming;

17.   benadrukt dat aanbevelingen voor hervorming niet in de plaats kunnen komen van handhavingsmaatregelen, en verzoekt de Commissie als hoedster van de Verdragen op te treden en inbreukprocedures in te leiden wanneer zij discriminerende, ongerechtvaardigde of onevenredige regelgeving vaststelt;

Nut van de restrictiviteitsindicator en noodzaak om een hoge kwaliteit van de diensten in Europa te bevorderen

18.  neemt er nota van dat de Commissie een nieuwe restrictiviteitsindicator heeft ontwikkeld en is verheugd dat die, dankzij de gedetailleerde analyse van de sectoren in kwestie, een verbetering inhoudt ten opzichte van de bestaande PMR-restrictiviteitsindicator van de OESO;

19.  onderstreept dat deze indicator, die de totale regelgevingsintensiteit in de lidstaten weergeeft op basis van louter kwantitatieve gegevens over bestaande belemmeringen voor het vrije verkeer, moet worden gezien als een louter indicatief instrument, en niet als een instrument dat het mogelijk maakt conclusies te trekken over de vraag of de strengere regelgeving in sommige lidstaten onevenredig is;

20.  herinnert eraan dat bij de algemene analyse van het effect van de regelgeving in de lidstaten niet alleen een kwantitatieve, maar ook een kwalitatieve beoordeling moet worden verricht van de doeleinden van algemeen belang en de kwaliteit van de dienstverlening, met inbegrip van de mogelijke indirecte voordelen voor de burgers en de arbeidsmarkt; merkt op dat de restrictiviteitsindicator vergezeld gaat van een nadere analyse, die aanvullende informatie verschaft over de realiteit in het veld, en moedigt de lidstaten aan om deze indicator samen met kwalitatieve gegevens te gebruiken om hun prestaties in de geselecteerde activiteiten sectoren te vergelijken;

De toekomst voor gereglementeerde beroepen

21.  onderstreept dat er in de EU en in de lidstaten niet alleen een doeltreffend regelgevingskader nodig is, maar ook doeltreffende en gecoördineerde beleidsmaatregelen om beroepsbeoefenaren in de EU te ondersteunen en het concurrentievermogen, de innovatiecapaciteit en de kwaliteit van de professionele dienstverlening in de EU te verbeteren;

22.  benadrukt dat beroepsbeoefenaren gereglementeerde beroepen kunnen uitoefenen als natuurlijk persoon of als rechtspersoon, in de vorm van een professioneel bedrijf, en dat het belangrijk is om bij de tenuitvoerlegging van nieuw beleid rekening te houden met beide oogpunten; is er in dit opzicht van overtuigd dat economische instrumenten moeten worden gecombineerd met beleid ter versterking van het ondernemerschap en het menselijk kapitaal in de professionele dienstverlening;

23.  vraagt de Commissie en de lidstaten alsmede de beroepsorganisaties in hun respectieve deskundigheidsgebieden om op passende wijze uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Werkgroep ondersteuning vrije beroepen;

24.  benadrukt hoe belangrijk onderwijs, de ontwikkeling van vaardigheden en opleidingen in ondernemerschap zijn om ervoor te zorgen dat beroepsbeoefenaren in de EU concurrerend blijven en in staat zijn om te gaan met de ingrijpende veranderingen waarmee vrije beroepen als gevolg van innovatie, digitalisering en globalisering te maken krijgen; wijst op de nauwe samenhang tussen de kennis van een beroepsbeoefenaar en de kwaliteit van de verleende dienst; benadrukt de belangrijke rol die het hoger onderwijs en onderzoeksinstellingen in dit opzicht moeten spelen, onder meer door middel van projecten ter bevordering van digitale geletterdheid;

25.  wijst erop dat er een betere vergelijkbaarheid van het niveau van beroepskwalificaties nodig is om de homogeniteit van bewijsstukken van formele kwalificaties in de EU te verhogen en om een gelijker speelveld te creëren voor jonge gediplomeerden die deze beroepen gaan uitoefenen, teneinde hun mobiliteit te faciliteren;

26.  verzoekt de lidstaten een marktanalyse uit te voeren opdat dienstverleners zich sneller aanpassen aan de marktbehoeften, en beleid te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de professionele dienstverlening in de EU in de komende decennia wereldwijd kan concurreren;

Innovatie en digitalisering in de professionele dienstverlening

27.  merkt op dat wetenschappelijke vooruitgang, technologische innovatie en digitalisering een aanzienlijk effect hebben op de professionele dienstverlening en dat dit niet alleen nieuwe kansen voor beroepsbeoefenaars met zich brengt, maar ook uitdagingen voor de arbeidsmarkt en de kwaliteit van de dienstverlening;

28.  is verheugd dat de Commissie erkent dat er over het effect van nieuwe technologieën op de professionele dienstverlening moet worden nagedacht, met name in de juridische sector en de boekhoudsector, waar de procedures voor verbetering vatbaar zijn; merkt met name op dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de daarmee gepaard gaande risico's voor de afnemers van diensten, waaronder consumenten, die niet van nieuwe technologieën mogen worden uitgesloten;

29.  benadrukt dat het onwaarschijnlijk is dat mensen door nieuwe technologieën zullen worden vervangen als er ethische en morele beslissingen moeten worden genomen; wijst er in dit opzicht op dat regels inzake de organisatie van beroepen, met inbegrip van regels inzake toezicht door publieke organen of beroepsorganisaties, een belangrijke rol zouden kunnen spelen en zouden kunnen helpen om de voordelen van digitalisering eerlijker te verdelen; merkt op dat door de markt gedreven mechanismen, zoals feedback van consumenten, op bepaalde gebieden ook de kwaliteit van een bepaalde dienst kunnen helpen verbeteren;

30.  benadrukt dat de regelgeving inzake professionele diensten doelmatig moet zijn en regelmatig moet worden herzien om rekening te houden met technische innovaties en digitalisering;

31.  verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te houden van de stand van zaken met betrekking tot de naleving van Richtlijn 2005/36/EG door de lidstaten;

o
o   o

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0237.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0271.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0040.
(5) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

Juridische mededeling