Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2030(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0059/2018

Ingediende teksten :

A8-0059/2018

Debatten :

PV 16/04/2018 - 22
CRE 16/04/2018 - 22

Stemmingen :

PV 17/04/2018 - 6.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0100

Aangenomen teksten
PDF 210kWORD 58k
Dinsdag 17 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Uitvoering van het zevende milieuactieprogramma
P8_TA(2018)0100A8-0059/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 17 april 2018 over de uitvoering van het zevende milieuactieprogramma (2017/2030(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"(1) (het "7e MAP"),

–  gezien de artikelen 191 en 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van de gezondheid van de mens en het milieu,

–   gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21 en de 21e Conferentie van de Partijen (CoP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, die van 30 november tot en met 11 december 2015 in Parijs is gehouden,

–   gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) van de Verenigde Naties en de onderlinge verwevenheid en geïntegreerde aard ervan,

–  gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap van december 2016, getiteld "Environmental indicator report 2016 – In support to the monitoring of the 7th Environment Action Programme" (Indicatorverslag inzake het milieu 2016 – Ter ondersteuning van het toezicht op het zevende milieuactieprogramma),

–   gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap van november 2017, getiteld "Environmental Indicator Report 2017 – In support to the monitoring of the 7th Environment Action Programme" (Indicatorverslag inzake het milieu 2017 – Ter ondersteuning van het toezicht op het zevende milieuactieprogramma),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 februari 2017, getiteld "EU-evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid: Gemeenschappelijke uitdagingen en hoe inspanningen te bundelen om betere resultaten te realiseren" (COM(2017)0063), en de bijbehorende 28 landenrapporten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 mei 2016, getiteld "Voordeel halen uit het milieubeleid van de EU door een regelmatige evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid" (COM(2016)0316),

–   gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de evaluatie van de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving (EIR)(2),

–   gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie(3),

–   gezien zijn resolutie van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU(4),

–   gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie(5),

–   gezien zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 4 april 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector(6),

–   gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap getiteld "SOER 2015 – Het milieu in Europa – stand van zaken en vooruitzichten 2015",

–   gezien het verslag van het Europees Milieuagentschap van 19 mei 2015 getiteld "State of Nature in the EU" (De toestand van de natuur in de EU),

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van november 2017, "Mid-term review of the implementation of the 7th Environment Action Programme (2014-2020)" (Tussentijdse evaluatie van de tenuitvoerlegging van het zevende milieuactieprogramma (2014-2020)), uitgevoerd door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, met inbegrip van het onderzoek in de bijlage,

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over de herziening van het zesde milieuactieprogramma en vaststelling van prioriteiten voor het zevende milieuactieprogramma – Een beter milieu voor een beter bestaan(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2016, getiteld "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" (COM(2016)0739),

–   gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa" (COM(2011)0571),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 29 november 2017 getiteld "De toekomst van voeding en landbouw" (COM(2017)0713),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0059/2018),

A.  overwegende dat in het 7e MAP juridisch bindende doelstellingen inzake milieu en klimaatverandering zijn bepaald, die tegen 2020 moeten worden gerealiseerd; overwegende dat daarin ook een langetermijnvisie voor 2050 wordt uiteengezet;

B.  overwegende dat het 7e MAP geen clausule voor een tussentijdse evaluatie bevat; overwegende dat het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid over de uitvoering van het 7e MAP kansen biedt om de vooruitgang inzake dit MAP te beoordelen en wetenschappelijk onderbouwde aanbevelingen te doen voor de verdere uitvoering van het huidige MAP en eventuele toekomstige MAP's; overwegende dat dit verslag verder moet gaan dan het opnieuw vermelden van de bekende problemen en gericht moet zijn op het voorstellen van oplossingen voor het behalen van de in het 7e MAP vastgestelde doelstellingen;

C.  overwegende dat de Commissie aan een evaluatieverslag werkt dat is gericht op de structurele en strategische rol van het 7e MAP; overwegende dat met dit verslag met name wordt beoogd te controleren of het overeengekomen kader de negen prioritaire doelstellingen op een slimme manier helpt verwezenlijken;

D.  overwegende dat de EU een sterke milieuwetgeving heeft, maar dat de slappe en ondoeltreffende uitvoering daarvan nog altijd een probleem vormt; overwegende dat de tekortkomingen in de uitvoering duurzame ontwikkeling in de weg staan, grensoverschrijdende gevolgen hebben voor het milieu en de gezondheid van de mens en een beduidende sociaal-economische kostenpost vormen; overwegende dat deze tekortkomingen bovendien de geloofwaardigheid van de EU aantasten;

E.  overwegende dat de vooruitgang inzake de doelstellingen voor 2020 tot dusver ongelijkmatig is geweest: het is onwaarschijnlijk dat doelstelling 1 (beschermen van natuurlijk kapitaal) zal worden gehaald, maar wel waarschijnlijk dat een aantal subdoelstellingen in het kader van doelstelling 2 (koolstofarme economie en hulpbronnenefficiëntie) zal worden gerealiseerd; het is onzeker of doelstelling 3 (milieugerelateerde problemen en risico's voor de volksgezondheid beperken) zal worden bereikt;

F.  overwegende dat het blijven falen om wetgeving ten uitvoer te leggen en gespecialiseerde kennis in het beleid te integreren op gebieden zoals luchtkwaliteit, omgevingslawaai en blootstelling aan chemische stoffen ernstige gevaren voor de gezondheid meebrengt en de levenskwaliteit en -duur voor EU-burgers terugdringt;

G.  overwegende dat de meest recente door het Europees Milieuagentschap gepubliceerde gegevens de voornoemde algemene tendensen voor elke thematische doelstelling bevestigen, maar ook melding maken van een vertraging van de vooruitgang op sommige gebieden; overwegende dat op sommige vlakken, zoals de uitstoot van broeikasgassen en energie-efficiëntie, de verwachtingen ten aanzien van het behalen van de subdoelstellingen niet door deze nieuwe tendensen worden gewijzigd;

H.  overwegende dat het nu onzeker is of het streefdoel voor ammoniakemissies wordt bereikt en dat het onwaarschijnlijk is dat het streefdoel voor landwinning wordt behaald;

I.  overwegende dat er veel onzekerheid bestaat over de uitvoering als gevolg van een gebrek aan indicatoren en beperkingen van de bestaande indicatoren; overwegende dat kennishiaten de vooruitgang op drie gebieden blijven belemmeren: ons begrip van risico's, het ontwerp van passend beleid om risico's te beheren en te beperken, en het toezicht op de doeltreffendheid van het beleid;

J.  overwegende dat kennis vaak beschikbaar is, maar niet wordt gebruikt bij de beleidsvorming of niet wordt doorgegeven aan de partijen die voor de uitvoering verantwoordelijk zijn; overwegende dat dit vaak het gevolg is van gebrek aan politieke wil en van tegenstrijdige belangen die niet in overeenstemming worden geacht met het MAP of de doelstellingen van het milieubeleid in het algemeen; overwegende dat aanhoudende economische groei ook afhankelijk is van een schoon milieu;

K.  overwegende dat de synergie tussen het MAP en de instrumenten op hoog niveau van het Uniebeleid moet worden verbeterd teneinde de doelstellingen van het programma te verwezenlijken;

L.  overwegende dat de financiering op bepaalde niveaus ontoereikend is voor een behoorlijke uitvoering van het 7e MAP; overwegende dat de financiering op EU-niveau soms niet de verwachte resultaten heeft opgeleverd en dat dit in verscheidene gevallen eerder het resultaat is van slecht bestede middelen dan van geldgebrek;

M.  overwegende dat het toepassingsgebied van het 7e MAP relevant is voor de huidige behoeften inzake milieubeleid, hoewel veel belanghebbenden aanbevelen om nieuwe subdoelstellingen toe te voegen om de relevantie van het programma in de toekomst nog te verhogen;

N.  overwegende dat de belanghebbenden ook de voorkeur geven aan een minder complex en gerichter MAP;

O.  overwegende dat er brede steun is voor een 8e MAP;

Belangrijkste conclusies

1.  is van mening dat het 7e MAP een meerwaarde betekent voor en een positieve invloed heeft op het milieubeleid op het niveau van de EU en de lidstaten, en zowel de burgers en de natuur als de economische actoren tot voordeel strekt;

2.  herhaalt dat het 7e MAP is gebaseerd op een duidelijke langetermijnvisie voor 2050 om binnen de ecologische beperkingen van de planeet een stabiel klimaat voor duurzame investeringen en groei te scheppen;

3.  is verheugd over de positieve trends uit het verleden in verband met talrijke subdoelstellingen van het 7e MAP en de bemoedigende vooruitzichten voor een aantal doelstellingen voor 2020;

4.  wijst er echter op dat er nog grote mogelijkheden voor verbetering bestaan en verzoekt de Commissie en de bevoegde autoriteiten in de lidstaten om meer politieke wil op het hoogste niveau met het oog op de uitvoering van het 7e MAP;

5.  betreurt dat de prioritaire doelstellingen om het natuurlijke kapitaal van de Unie te beschermen, in stand te houden en te verbeteren waarschijnlijk niet zullen worden bereikt; stelt bovendien met bezorgdheid vast dat de streefdoelen van de EU‑biodiversiteitsstrategie voor 2020 en het Verdrag inzake biologische diversiteit niet zullen worden verwezenlijkt zonder onmiddellijke en aanzienlijke aanvullende inspanningen;

6.  merkt op dat voor prioritaire doelstelling 2 op sommige gebieden vooruitgang is geboekt, met name voor klimaat- en energiegerelateerde streefdoelen; merkt echter ook op dat meer moet worden gedaan voor hulpbronnenefficiëntie; wijst nogmaals op de mogelijkheden van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp(8) en de milieukeurverordening(9) om de milieuprestaties en hulpbronnenefficiëntie van producten tijdens hun volledige levensduur te verbeteren door aandacht te besteden aan onder meer de duurzaamheid van het product, de repareerbaarheid, herbruikbaarheid, recycleerbaarheid, gerecycleerde inhoud en de levensduur van het product;

7.  betreurt dat de subdoelstelling voor het behalen van een goede kwalitatieve toestand van het oppervlaktewater tegen 2020 niet zal worden bereikt als gevolg van de verontreiniging, morfologische interventies op rivieren en excessief waterverbruik door de grootschalige onttrekking voor energieopwekking uit waterkracht;

8.  onderstreept dat de doelstellingen van het 7e MAP minimumstreefdoelen zijn en dat aanzienlijke extra inspanningen nodig zijn om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) te verwezenlijken;

9.  herinnert eraan dat de EU en al haar lidstaten de Overeenkomst van Parijs hebben ondertekend, en bijgevolg de doelstellingen ervan nastreven, en dat zij een nationaal bepaalde bijdrage hebben ingediend om tegen 2030 in de gehele economie de uitstoot van broeikasgassen in de Unie met 40 % te verminderen; onderstreept de noodzaak om het streefdoel van 2030 en de langetermijndoelstelling van CO2-neutraliteit volledig in alle beleidslijnen en financieringsprogramma's van de Unie te integreren; verzoekt de Commissie, in de context van de faciliterende dialoog van 2018 en de vijfjaarlijkse algemene inventarisatie, de streefdoelen van het klimaat- en energiekader te blijven toetsen en een emissievrije strategie voor de EU tegen 2050 op te stellen, om zo op kostenefficiënte wijze de weg te banen voor het behalen van de in de Overeenkomst van Parijs vastgestelde doelstelling van CO2-neutraliteit;

10.  wijst erop dat de vooruitgang inzake de doelstellingen in verband met de gezondheid en het welzijn van de mens erg onzeker is; onderstreept dat kennishiaten en beperkte indicatoren de beleidsontwikkeling en het beleidstoezicht belemmeren;

11.  is ingenomen met bestaande initiatieven die bijdragen tot het verminderen van kennishiaten, waaronder: het DPSEEA-model ("Driving Force – Pressure – State – Exposure – Effects – Action") om inzicht te krijgen in de factoren die ecosysteemdiensten verstoren, "menselijke biomonitoring" voor het schatten van de blootstelling aan verontreinigende stoffen van bevolkingsgroepen en de mogelijke effecten ervan op de gezondheid, en het "informatieplatform voor chemische monitoring" (IPCheM);

12.  stelt met bezorgdheid vast dat gespecialiseerde kennis en wetenschappelijk bewijsmateriaal niet altijd naar behoren worden overwogen bij de beleidsvorming of doorgegeven aan de partijen die voor de uitvoering verantwoordelijk zijn; vestigt de aandacht op bio-energie, palmolie, gewasbeschermingsmiddelen, hormoonverstorende stoffen, voedselproductie en -consumptie, ggo's, stadsplanning en ‑ontwerp, luchtverontreiniging en geluidshinder en voedselverspilling in steden als voorbeelden van gebieden waarop wetenschappelijke bewijzen voor de gevaren voor de menselijke gezondheid en het milieu in openbare en politieke debatten op de achtergrond zijn geraakt; is van mening dat verantwoorde politieke besluitvorming moet worden ondersteund door brede wetenschappelijke kennis en gehechtheid aan het voorzorgsbeginsel bij gebrek aan afdoende wetenschappelijke gegevens; wijst nogmaals op het belang van het wetenschappelijk advies van de EU-agentschappen in dit verband; onderstreept dat het beginsel dat de vervuiler betaalt, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden andere grondbeginselen vormen van het milieurecht en ‑beleid van de EU;

13.  laakt dat de Commissie de wettelijk vastgelegde termijnen voor het ontwerpen van geharmoniseerde op gevaren gebaseerde criteria voor de identificatie van hormoonverstorende stoffen en voor de herziening van Verordening (EG) nr. 1223/2009(10) ("cosmeticaverordening") voor wat hormoonverstorende stoffen betreft niet heeft gerespecteerd; verzoekt de Commissie de cosmeticaverordening onmiddellijk en zonder verdere vertraging te herzien voor wat hormoonverstorende stoffen betreft; betreurt dat het uitblijven van voldoende vooruitgang inzake hormoonverstorende stoffen risico's inhoudt voor de gezondheid van de burgers en de verwezenlijking belemmert van prioritaire doelstelling 3 van het 7e MAP;

14.  betreurt dat te weinig vooruitgang is geboekt inzake de ontwikkeling van een strategie van de Unie voor een niet-toxisch milieu, de bevordering van niet-toxische materiaalcycli en de vermindering van de blootstelling aan schadelijke stoffen, waaronder chemicaliën in producten; benadrukt dat de inspanningen moeten worden opgevoerd om ervoor te zorgen dat uiterlijk in 2020 alle betrokken zeer zorgwekkende stoffen, inclusief stoffen met hormoonontregelende eigenschappen, op de kandidatenlijst van REACH worden geplaatst, zoals in het 7e MAP is bepaald; verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de combinatie-effecten van chemische stoffen zo snel mogelijk doeltreffend worden aangepakt in alle relevante wetgeving van de Unie, met bijzondere aandacht voor de risico's van de blootstelling van kinderen aan gevaarlijke stoffen; is verheugd over de strategie voor kunststoffen van de Commissie en dringt aan op spoedige uitvoering ervan; herhaalt in dit verband dat de bevordering van niet-toxische materiaalcycli van essentieel belang is voor de gezonde ontwikkeling van een goed werkende markt voor secundaire grondstoffen;

15.  benadrukt dat een van de grondoorzaken van tekortkomingen in de uitvoering van milieuwetgeving en -beleid is dat op andere beleidsgebieden onvoldoende rekening wordt gehouden met milieuaspecten; is van mening dat synergieën tussen andere EU‑beleidsinstrumenten op hoog niveau (zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), de structuurfondsen en het cohesiebeleid) en verbeterde samenhang tussen politieke prioriteiten op hoog niveau van fundamenteel belang blijven om de doelstellingen van het 7e MAP te verwezenlijken; roept de Commissie en de Raad, in al zijn samenstellingen, op de beleidscoördinatie en -integratie van de doelstellingen van het 7e MAP te verbeteren; onderstreept voorts dat alle nog af te handelen aspecten van het 7e MAP moeten worden geïntegreerd in instrumenten op hoog niveau, waaronder het Europees Semester;

16.  benadrukt dat de mogelijkheden om nieuwe financiële mechanismen voor het behoud van de biodiversiteit op te zetten om de doelstellingen tegen 2020 te halen beperkt zijn, gezien het tijdskader van het huidige meerjarig financieel kader (MFK); vraagt in dit verband om het maximale gebruik van middelen in het huidige MFK, met inbegrip van LIFE, het GLB en de structuurfondsen, en verzoekt om de opname van nieuwe financiële mechanismen voor behoud van biodiversiteit in het volgende MFK;

17.  stelt de verbeteringen op prijs van het GVB en het cohesiebeleid, waardoor de samenhang met het 7e MAP is vergroot; betreurt evenwel dat het GVB ondanks verbeteringen van het regelgevingskader nog steeds te lijden heeft onder gebrekkige uitvoering; herinnert aan het belang van gezonde visbestanden;

18.  onderkent dat in het GLB geleidelijk milieudoelstellingen zijn geïntegreerd, maar dat het GLB nog steeds uitdagingen inhoudt voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het MAP, met name wat hulpbronintensieve productie en biodiversiteit betreft; wijst er nogmaals op dat het GLB de uitdagende taak heeft om milieuaantasting te voorkomen die wordt veroorzaakt door ongeschikte landbouwpraktijken (zoals niet-duurzame biobrandstoffen), niet-duurzame intensivering van de landbouw en het opgeven van landbouwgrond, terwijl de constant groeiende wereldbevolking van hoogwaardigere en grotere hoeveelheden voedsel en agrarische grondstoffen wordt voorzien; benadrukt dat verdere initiatieven en steun voor milieuvriendelijke landbouwmethoden, met inbegrip van gewasrotatie en stikstofbindende planten, van essentieel belang zijn en dat de landbouw en de landbouwers daarin als deel van de oplossing moeten worden beschouwd;

19.  beklemtoont dat de bescherming en de verbetering van de voedselzekerheid op lange termijn door milieuaantasting te voorkomen, evenals de overgang naar een duurzaam voedselsysteem waarin voedsel tegen redelijke prijzen aan consumenten wordt geleverd, belangrijke prioriteiten van het hervormde GLB moeten zijn; benadrukt dat deze doelstellingen alleen kunnen worden verwezenlijkt door middel van duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en beleidsoptreden ter bescherming van ecosystemen;

20.  herinnert eraan dat de toenemende vraag naar voeding die rijk is aan dierlijke eiwitten tegen de achtergrond van de klimaatverandering en de toenemende wereldbevolking voor een aanzienlijke milieubelasting van de landbouwgrond en steeds kwetsbaarder ecosystemen zorgt; beklemtoont ook dat voedingspatronen met een overmatig gebruik van dierlijke vetten steeds vaker in verband worden gebracht met het probleem van niet‑overdraagbare ziekten;

21.  wijst er nogmaals op dat de Commissie in 2016 heeft toegezegd de SDG's in de EU‑beleidslijnen en -initiatieven te integreren; onderkent dat het deze toezegging ontbreekt aan een duidelijke strategie en concrete voorstellen voor institutionele structuren en een governancekader om de integratie van de SDG's in EU-beleid en wetgevingsvoorstellen en de uitvoering en handhaving te waarborgen; acht het van belang dat de EU zich als pionier volledig inzet om de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling te behalen; onderstreept voorts dat het 7e MAP een essentieel instrument is voor de verwezenlijking van de SDG's;

22.  neemt nota van het hoge kwaliteitsniveau van het drinkwater in de EU; verwacht dat met de herziening van Richtlijn 98/83/EG(11) ("drinkwaterrichtlijn") wordt gezorgd voor de noodzakelijke bijwerking van het desbetreffende rechtskader; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om in het kader van het MAP de integratie te vergroten van de doelstellingen van de Unie op het gebied van water in ander sectoraal beleid, en met name het GLB;

23.  is verheugd over de verbeteringen die sommige door de EU gefinancierde projecten hebben opgeleverd, maar betreurt de gemiste kansen om betere resultaten tot stand te brengen, zoals opgemerkt door de Europese Rekenkamer; onderstreept dat het MFK voor de periode na 2020 moet worden gericht op duurzame ontwikkeling en integratie van milieubeleid in alle financieringsmechanismen en begrotingslijnen; benadrukt dat het om de langetermijnvisie van het 7e MAP te verwezenlijken nodig is meer groene investeringen, innovatie en duurzame groei tot stand te brengen door nieuwe publieke en private financieringsinstrumenten te hanteren, evenals benaderingen die verschillen van het huidige investeringsbeleid, zoals het geleidelijk schrappen van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu; is van mening dat voor alle structuur- en investeringsfondsen van de EU duidelijk omschreven duurzaamheidscriteria en resultaatgerichte doelstellingen moeten gelden; dringt erop aan dat het huidige MFK en de fondsen in het kader van het cohesiebeleid en het beleid inzake regionale ontwikkeling efficiënter en meer gericht worden benut, en dat bovenvermelde problemen die de Rekenkamer aan de orde heeft gesteld dringend worden aangepakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te scharen achter de voortzetting en mogelijke toename van de EU-begrotingsmiddelen die aan maatregelen in verband met het milieu en de klimaatverandering worden besteed;

24.  betreurt de aanhoudende tekortkomingen in het kader van de behandeling van stedelijk afvalwater in verschillende regio's in Europa; wijst op het potentieel van de behandeling en het hergebruik van afvalwater om situaties van waterstress te verlichten, het direct aftappen van water te verminderen, biogas te produceren en een beter beheer van de watervoorraden te waarborgen, met name door middel van irrigatie voor de landbouw; kijkt uit naar het wetgevingsvoorstel over het hergebruik van afvalwater dat begin 2018 door de Commissie zal worden ingediend;

25.  wijst erop dat de grootste milieugerelateerde gezondheidsbedreigingen het duidelijkst zichtbaar zijn in stedelijke gebieden, maar ook gevolgen hebben voor perifere gebieden en voorstedelijke agglomeraties, en dat tegen 2020 naar verwachting 80 % van de bevolking in stedelijke en voorstedelijke gebieden zal wonen; benadrukt dat de emissies van luchtverontreinigende stoffen in combinatie met ontoereikende planning en infrastructuur dramatische gevolgen hebben voor de economie, de maatschappij, de volksgezondheid en het milieu; stelt vast dat luchtverontreiniging in de EU al meer dan 400 000 vroegtijdige sterfgevallen heeft veroorzaakt(12) en dat de aan gezondheid gerelateerde externe kosten tussen 330 miljard en 940 miljard EUR bedragen;

26.  stelt vast dat in de EU minstens 10 000 mensen per jaar vroegtijdig overlijden aan aandoeningen als gevolg van lawaaihinder, en dat ongeveer een kwart van de EU‑bevolking in 2012 aan hogere dan de toegelaten geluidsniveaus werd blootgesteld; verzoekt de lidstaten voorrang te geven aan de monitoring van de geluidsniveaus overeenkomstig Richtlijn 2002/49/EG(13), om te waarborgen dat de toepasselijke grenswaarden voor binnen en buiten niet worden overschreden;

27.  onderkent dat vooruitgang is geboekt inzake de verlaagde uitstoot van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, met name in stedelijke gebieden, maar betreurt de aanhoudende problemen in verband met de luchtkwaliteit, waartoe de emissies door het wegvervoer en de landbouw aanzienlijk bijdragen; neemt nota van het door de Commissie in november 2017 voorgestelde "mobiliteitspakket" en van de Europese strategie voor emissiearme mobiliteit van 2016, die de weg kunnen openen naar een emissiearme mobiliteit in de Unie;

28.  is ingenomen met de geboekte vooruitgang ten aanzien van het wetgevingspakket voor de circulaire economie; dringt er bij alle partijen op aan te streven naar een overeenkomst met ambitieuze streefdoelen;

Aanbevelingen

29.  verzoekt de lidstaten hun vorderingen ten aanzien van de doelstellingen van het 7e MAP te beoordelen en hun acties waar nodig te heroriënteren; dringt er bij de lidstaten op aan de resultaten openbaar te maken;

30.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat met nieuwe wetgevingsvoorstellen ten volle uitvoering wordt gegeven aan de doelstellingen en maatregelen van het 7e MAP;

31.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat maatschappelijke organisaties actief worden betrokken bij de beoordeling van de uitvoering van EU-milieuwetgeving;

32.  verzoekt de relevante EU-instellingen en -agentschappen prioriteit te verlenen aan onderzoek en de kennishiaten weg te werken op de volgende gebieden: milieudrempels (omslagpunten), het model van de circulaire economie, de gecombineerde effecten van chemische stoffen, nanomaterialen, methoden voor gevarenidentificatie, de gevolgen van microplastics, de interactie tussen systeemrisico's en andere gezondheidsdeterminanten, bodem- en landgebruik en invasieve uitheemse soorten;

33.  is ingenomen met de evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid (EIR), die een positief mechanisme is om de uitvoering van milieuwetgeving en ‑beleid van de EU te bevorderen en kan bijdragen aan de monitoring van de uitvoering van het 7e MAP, zoals het Parlement reeds heeft beklemtoond in zijn resolutie van 16 november 2017 over de evaluatie van de tenuitvoerlegging van milieuwetgeving; is van mening dat alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, ten volle bij de EIR betrokken moeten worden en dat de EIR betrekking moet hebben op de volledige reikwijdte van de thematische prioritaire doelstellingen van het MAP;

34.  verzoekt de Unie en de lidstaten om subsidies die schadelijk zijn voor het milieu snel en definitief stop te zetten;

35.  roept de Commissie en de lidstaten op hun inspanningen op te voeren en te coördineren om de ontwikkeling en validering van alternatieven voor dierproeven te bevorderen en er zo voor te zorgen dat deze bijdragen aan de verwezenlijking van prioritaire doelstelling 5 van het 7e MAP;

36.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan meer te doen om de kennis over en de wetenschappelijke onderbouwing van het milieubeleid van de EU te verbeteren door gegevens toegankelijker te maken voor burgers en de betrokkenheid van de bevolking bij wetenschappelijk onderzoek te stimuleren;

37.  dringt erop aan dat de EU-instellingen en de nationale en, in voorkomend geval, regionale overheden bij de beleidsvorming en het beleidstoezicht ten volle gebruikmaken van de beschikbare gespecialiseerde kennis over risico's voor het milieu en de volksgezondheid;

38.  pleit voor een beter systeem voor de toelating van pesticiden in de EU, op basis van aan collegiale toetsing onderworpen wetenschappelijke onderzoeken en volledige transparantie over de mate van blootstelling van mens en milieu en over gezondheidsrisico's; pleit voor betere normen voor bewaking met betrekking tot pesticiden en doelstellingen om het gebruik ervan terug te dringen; neemt kennis van de mededeling van de Commissie van 12 december 2017 over het Europese burgerinitiatief "Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige bestrijdingsmiddelen" (C(2017)8414);

39.  wil dat er voldoende materiële en personele middelen beschikbaar worden gesteld om de EU-agentschappen in staat te stellen hun taken uit te voeren en de beste wetenschappelijke gegevens, analyses en bewijzen te leveren;

40.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat langetermijnacties met het oog op het behalen van de doelstelling van een niet-toxisch milieu worden vastgesteld tegen 2020;

41.  verzoekt de bevoegde EU-agentschappen en de Commissie de kwantiteit en de kwaliteit te verhogen van de indicatoren die worden gebruikt om de vooruitgang te controleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken wat betreft de productie en verzameling van nieuwe gegevens om nieuwe indicatoren te creëren en bestaande indicatoren te verbeteren;

42.  roept ertoe op van de uitvoeringskwestie een vast punt in de prioriteiten en programma's van het voorzitterschapstrio te maken dat ten minste eenmaal per jaar – wellicht via een speciale implementatieraad – moet worden besproken in de Raad Milieu en in aanvulling hierop een ander forum in te stellen waarvan ook het Parlement en het Comité van de Regio's deel uitmaken; verzoekt om gezamenlijke vergaderingen van de Raad om de uitvoering van sectoroverschrijdende, horizontale kwesties en gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken en nieuwe problemen met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen aan de orde te stellen;

43.  roept ertoe op vaart te zetten achter de volledige uitvoering van de biodiversiteitsstrategie van de EU;

44.  dringt erop aan dat in het kader van infrastructuurprojecten, met name die welke verband houden met TEN-T, de milieueffecten op regionaal niveau en op projectniveau ten volle in aanmerking worden genomen; wijst erop dat ook de samenhang tussen verschillende milieubeleidsgebieden ter zake doet; wijst erop dat het van belang is om rekening te houden met het milieu en de biodiversiteit in infrastructuurprojecten voor de productie van hernieuwbare waterkracht en energie op zee;

45.  verzoekt de lidstaten om meer inspanningen te leveren om het gebruik en de integriteit van de zoetwaterreserves in stand te houden gezien de onzekerheid omtrent de mogelijkheid tot verwezenlijking van de subdoelstelling die in dit verband in het 7e MAP is opgenomen; roept de lidstaten op om met voorrang de slechte toestand van het oppervlaktewater te verhelpen, omdat de doelstellingen op dit gebied waarschijnlijk niet tegen 2020 zullen worden behaald; roept de bevoegde autoriteiten in de lidstaten op het hoofd te bieden aan de druk waaronder de waterlichamen gebukt gaan en waterverontreiniging bij de bron aan te pakken door gebieden in te stellen die verboden zijn voor waterkrachtgebruik en ecologische debieten langs de rivieren in stand te houden; verzoekt de Commissie om zo snel mogelijk over te gaan tot de conformiteitsbeoordeling van de tweede ronde van stroomgebiedbeheerplannen die door de lidstaten in het kader van de kaderrichtlijn water zijn vastgesteld;

46.  dringt aan op verdere hervorming van het GLB met het oog op een betere afstemming van duurzame voedselproductie en de milieubeleidsdoelstellingen, met inbegrip van de biodiversiteitsdoelstellingen, om voedselzekerheid nu en in de toekomst te waarborgen; onderstreept de behoefte aan een slim landbouwbeleid met een sterk engagement om collectieve goederen en ecosysteemdiensten te verstrekken in verband met bodem, water, biodiversiteit, luchtkwaliteit, klimaatactie en het ter beschikking stellen van landschapsvoorzieningen; roept op tot een geïntegreerd beleid met een gerichtere en ambitieuzere, maar flexibele benadering, waarbij de verstrekking van steun aan de landbouwsector is gekoppeld aan zowel de voedselzekerheid als het boeken van milieuresultaten; verzoekt de lidstaten boslandbouw te erkennen als ecologisch aandachtsgebied overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013(14); verzoekt de Commissie te waarborgen dat milieuvriendelijke landbouwpraktijken in een eventuele toekomstige herziening van het GLB passende steun krijgen toegewezen;

47.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de verbreiding van oplossingen voor milieu-uitdagingen te vergroten, met name wanneer technische oplossingen voorhanden zijn maar nog niet volledig zijn uitgerold, zoals de vermindering van ammoniak in de landbouw;

48.  verzoekt de Commissie het volume, het gebruik en het beheer van EU-fondsen voor de doelstellingen van het MAP aanzienlijk te verbeteren; dringt aan op betere monitoring, transparantie en verantwoordingsplicht; roept op tot de integratie van klimaat- en andere milieukwesties in de EU-begroting;

49.  verzoekt de Commissie om onverwijld een alomvattende, overkoepelende raamstrategie inzake de uitvoering van de SDG's in de EU te ontwikkelen, waarbij alle beleidsgebieden worden aangepakt en met inbegrip van een toetsingsmechanisme om de voortgang van de uitvoering te beoordelen; verlangt van de Commissie dat zij een aan de SDG's gerelateerde controle van alle nieuwe beleidslijnen en wetgeving opzet en volledige beleidssamenhang in de uitvoering van de SDG's waarborgt;

50.  verzoekt de Commissie de handhaving van het bestaande EU-recht te waarborgen en ervoor te zorgen dat de lidstaten zich ten volle houden aan de doelstellingen van het 7e MAP door gebruik te maken van alle tot haar beschikking staande instrumenten, zoals inbreukprocedures;

51.  is ingenomen met de bestaande speciale verslagen en doelmatigheidscontroles van de Europese Rekenkamer en verzoekt de Europese Rekenkamer andere gebieden die met het MAP verband houden en die tot dusver nog niet in het werkprogramma zijn opgenomen, verder te analyseren;

52.  verzoekt de Commissie en de bevoegde autoriteiten in de lidstaten passende richtsnoeren te verstrekken, zodat de EU-fondsen toegankelijker worden, ook voor lokale projecten, in het bijzonder wat betreft groene infrastructuur, biodiversiteit en de vogel- en de habitatrichtlijn;

53.  roept de lidstaten op te zorgen voor de volledige uitvoering van de wetgeving inzake luchtkwaliteit; roept regionale autoriteiten op een ondersteunend kader te bieden, met name voor stedelijke planning en lokale beleidsvorming, met het oog op betere gezondheidsresultaten in alle gebieden, en in het bijzonder in de zwaarst getroffen gebieden;

54.  dringt er bij de bevoegde nationale en regionale overheden op aan om plannen goed te keuren die geloofwaardige maatregelen bevatten om af te rekenen met het probleem van de overschrijding van de dagelijkse en jaarlijkse grenswaarden in de EU-wetgeving voor fijne en ultrafijne deeltjes in agglomeraties waar de luchtkwaliteit slecht is; benadrukt dat dit van essentieel belang is met het oog op de verwezenlijking van prioritaire doelstellingen 2, 3 en 8 van het 7e MAP;

55.  stelt de volgende acties voor ter verbetering van de luchtkwaliteit in stedelijke gebieden: vaststelling van lage-emissiezones, bevordering van voorzieningen en diensten voor het delen van een auto of autorit, geleidelijke afschaffing van preferentiële fiscale behandeling van sterk vervuilende voertuigen, de invoering van een "mobiliteitsbudget" voor werknemers als alternatief voor de bedrijfswagen, uitvoering van parkeerbeleid dat het verkeersvolume in gebieden met congestie beperkt, verbetering van de infrastructuur om fietsen aan te moedigen, multimodale verbindingen uit te breiden en de fietsveiligheid te vergroten, en vaststelling van voetgangerszones;

56.  pleit voor betere stedelijke planning en ontwikkeling op de passende bestuursniveaus om de infrastructuur zo snel mogelijk af te stemmen op elektrische en schone voertuigen, bijvoorbeeld door oplaadinfrastructuur te installeren, en met het oog op milieu- en gezondheidsvoordelen zoals het verminderen van het hitte-eilandeffect en het vergroten van lichamelijke activiteit, bijvoorbeeld door te zorgen voor meer groene infrastructuur en het herstel van oude of in verval geraakte industrieterreinen; onderkent dat deze maatregelen zouden bijdragen tot verbetering van de luchtkwaliteit, tot de bestrijding van ziekten en van voortijdige sterfte als gevolg van de verontreiniging, en tot vooruitgang op weg naar emissievrije mobiliteit;

57.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor eerlijke intermodale concurrentie en een verschuiving naar duurzame vervoerswijzen;

58.  verzoekt de Commissie tegen uiterlijk 2019 naar voren te komen met een overkoepelend milieuactieprogramma voor de Unie voor de periode na 2020, zoals vereist in artikel 192, lid 3, VWEU; benadrukt het belang van transparantie en democratische verantwoordingsplicht bij het toezicht op het EU-beleid; wijst er daarom op dat het volgende MAP meetbare, op resultaten gebaseerde mijlpalen halverwege moet behelzen;

59.  verzoekt de volgende Commissie een prioritair gebied van de volgende zittingsperiode te wijden aan duurzame ontwikkeling, milieu- en klimaatbescherming in het algemeen en de doelstellingen van het 7e MAP en een toekomstig 8e MAP in het bijzonder;

o
o   o

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Rekenkamer, het Europees Milieuagentschap, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0450.
(3) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 65.
(4) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 2.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0441.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0100.
(7) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 115.
(8) Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).
(9) Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1).
(10) Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59).
(11) Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).
(12) Verslag nr. 13/2017 van de EEA van 11 oktober 2017, "Air quality in Europe 2017".
(13) Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).
(14) Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

Laatst bijgewerkt op: 3 december 2018Juridische mededeling