Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2258(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0118/2018

Ingediende teksten :

A8-0118/2018

Debatten :

PV 16/04/2018 - 24
CRE 16/04/2018 - 24

Stemmingen :

PV 17/04/2018 - 6.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0103

Aangenomen teksten
PDF 188kWORD 70k
Dinsdag 17 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tenuitvoerlegging van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, het instrument voor humanitaire hulp en het Europees Ontwikkelingsfonds
P8_TA(2018)0103A8-0118/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 17 april 2018 over de tenuitvoerlegging van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, het instrument voor humanitaire hulp en het Europees Ontwikkelingsfonds (2017/2258(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, lid 5, en artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 208 tot en met 211 en 214 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het mondiaal partnerschap voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking, dat goedgekeurd werd tijdens het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan in 2011, en hernieuwd werd tijdens de bijeenkomst op hoog niveau in Nairobi in 2016,

–  gezien de derde Wereldconferentie van de VN over rampenrisicovermindering, gehouden in Sendai (Japan) van 14 tot en met 18 maart 2015,

–  gezien de VN-resolutie over "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling", die aangenomen werd tijdens de VN‑top over duurzame ontwikkeling van 25 september 2015 in New York, en de zeventien daarin vervatte duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen,

–  gezien de wereldtop over humanitaire hulp, die plaatsvond in Istanbul op 23 en 24 mei 2016, en de "Grand Bargain"-overeenkomst, die door een aantal van de grootste donoren en hulpverleners bereikt werd,

–  gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst(1), ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000, als gewijzigd op 25 juni 2005 en 22 juni 2010,

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp(3),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(4),

–  gezien het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (hierna het "Intern Akkoord" genoemd),

–  gezien Verordening (EU) 2015/322 van de Raad van 2 maart 2015 inzake de uitvoering van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds(5),

–  gezien Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020(7),

–  gezien de Europese consensus over humanitaire hulp van 2007(8),

–  gezien de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling van 7 juni 2017(9),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over de samenwerking van de EU met het maatschappelijk middenveld in de externe betrekkingen,

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over "Het EU-trustfonds voor Afrika: de gevolgen voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp"(11),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over het verslag 2015 van de EU over de coherentie van het ontwikkelingsbeleid(12),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld: toezeggingen van Europa ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling(13),

–  gezien het speciaal verslag nr. 18/2014 van de Europese Rekenkamer betreffende de evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2017 getiteld "Tussentijds evaluatieverslag over de externe financieringsinstrumenten" COM(2017)0720, en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie over de evaluatie van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (SWD(2017)0600), en over de evaluatie van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (SWD(2017)0601),

–  gezien de externe evaluatie van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (definitief verslag juni 2017), door een team van consultants in opdracht van de Commissie,

–  gezien de externe evaluatie van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (definitief verslag juni 2017), door een team van consultants in opdracht van de Commissie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 februari 2018 over "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018)0098),

–  gezien het "Coherence report – Insight from the External Evaluations of the External Financial Instruments" (eindverslag juli 2017), opgesteld door een team van consultants in opdracht van de Commissie,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Begrotingscommissie (A8‑0118/2018),

A.  overwegende dat zowel het internationale beleidskader als dat van de EU sinds de aanneming van de financieringsinstrumenten voor het externe optreden (EFI's) sterk veranderd zijn door de aanneming van baanbrekende instrumenten zoals de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, de actieagenda van Addis Abeba, het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015‑2030, en de agenda voor de mensheid; overwegende dat de EU een voortrekkersrol heeft gespeeld in de onderhandelingen over deze instrumenten;

B.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon, de Agenda voor duurzame ontwikkeling 2030 en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's), tezamen met de Europese consensus over humanitaire hulp, de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling en de Busan-beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking bepalend zijn voor de EU-strategie inzake ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp; overwegende dat daarnaast de Raad een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie heeft aangenomen, die onder meer ook betrekking heeft op ontwikkelingssamenwerking;

C.  overwegende dat humanitaire hulp, overeenkomstig artikel 214 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de Europese consensus over humanitaire hulp, moet worden verstrekt in overeenstemming met de humanitaire beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid en moet worden gestuurd door een op behoeften gebaseerde aanpak; overwegende dat humanitaire hulp geen instrument voor crisisbeheer mag zijn;

D.  overwegende dat ontwikkelingsbeleid een aanvulling moet vormen op het buitenlands beleid en het migratiebeheer van de EU, met de garantie dat ontwikkelingsgeld uitsluitend wordt gebruikt voor doelstellingen en oogmerken in verband met ontwikkeling, en niet voor uitgaven bedoeld om andere doelstellingen te bereiken, zoals grenscontroles of anti-immigratiebeleid;

E.  overwegende dat de belangrijkste doelstelling van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (Development Cooperation Instrument, DCI) de bestrijding en op lange termijn de uitroeiing is van de armoede in ontwikkelingslanden die niet profiteren van financiering uit hoofde van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI) of het Pretoetredingsinstrument (IPA), alsmede het bieden van thematische ondersteuning van organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden in de partnerlanden op het gebied van ontwikkelingsgerelateerde mondiale collectieve goederen en uitdagingen, en het ondersteunen van het strategisch partnerschap tussen Afrika en de EU; overwegende dat het DCI het grootste geografische instrument is op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in de EU-begroting, met 19,6 miljard EUR voor de periode 2014‑2020;

F.  overwegende dat het hoofddoel van het EOF de vermindering en op lange termijn de uitbanning van de armoede is in de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en het bewerkstelligen van de duurzame ontwikkeling van de landen en gebieden overzee; overwegende dat het EOF het belangrijkste instrument voor ontwikkelingssamenwerking van de EU is, met 30,5 miljard EUR die zijn toegewezen aan het 11e EOF voor de periode 2014‑2020;

G.  overwegende dat de belangrijkste doelstelling van het Instrument voor humanitaire hulp (HAI) bestaat in het verlenen van bijstand, hulp en bescherming aan slachtoffers van door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen en andere noodsituaties, waarbij de aandacht wordt toegespitst op de kwetsbaarste slachtoffers, ongeacht hun nationaliteit, godsdienst, geslacht, leeftijd, etnische afkomst of politieke overtuiging, en overeenkomstig de reële behoeften, de internationale humanitaire beginselen en de Europese consensus over humanitaire hulp;

H.  overwegende dat het HAI zich uitstrekt tot buiten de kerntaak van levensreddende operaties en ook hulp aan mensen omvat die getroffen zijn door langdurigere crisissituaties alsook herstel- en wederopbouwwerkzaamheden op korte termijn, paraatheid bij rampen en de aanpak van de gevolgen van bevolkingsstromen;

I.  overwegende dat doeltreffende ontwikkelingssamenwerking een innovatieve aanpak vereist, waarbij aan donoren de flexibiliteit wordt gegeven om snel te reageren op plaatselijke situaties, samen te werken met plaatselijke organisaties en lokale bedrijven en ondernemers te ondersteunen, met name in de armste en kwetsbaarste landen; overwegende dat het auditsysteem van de EU aan de donoren flexibiliteit moet geven om in dergelijke projecten een redelijk risiconiveau op zich te nemen, waardoor het vermogen van de EU om snel te reageren en doeltreffend hulp te bieden verhoogt;

J.  overwegende dat de EU de grootste donor ter wereld is voor humanitaire en ontwikkelingshulp; overwegende dat de EU door deze steun het voortouw neemt bij de inspanningen om armoede te bestrijden en om de belangen en fundamentele waarden van de EU en van de wereld te bevorderen;

K.  overwegende dat op de op 29 en 30 november 2017 in Abidjan gehouden top EU‑Afrika het streven is bevestigd naar een authentiek, modern, alomvattend en ambitieus partnerschap dat de politieke en economische voorwaarden schept voor echte gelijkwaardigheid;

L.  overwegende dat het aantal overeenkomsten inzake ontwikkelingssamenwerking met derde landen, waaronder China, Rusland, Turkije, Brazilië en India, exponentieel is toegenomen;

M.  overwegende dat de herinvoering en uitbreiding van de zogeheten "global gag rule" en de verlaging van middelen voor organisaties die gezinsplanning en diensten inzake seksuele en reproductieve gezondheid en rechten aan vrouwen en meisjes verstrekken, een bron van ernstige zorg is;

N.  overwegende dat regeringen in derde landen reële verwachtingen hebben wat betreft snelle maatregelen, doeltreffendheid en inspelen op de dringende noodzaak van het onderhouden van robuuste partnerschappen voor ontwikkelingssamenwerking; overwegende dat in de partnerlanden open en productieve markteconomieën moeten worden ontwikkeld, rekening houdend met nieuwe omstandigheden en nieuwe economische spelers op het internationale toneel;

O.  overwegende dat, gezien het feit dat er na 2020 geen participatie van het Verenigd Koninkrijk meer zal zijn, de brexit zal leiden tot een verlaging van de EU-begroting met 12 à 15 %;

P.  overwegende dat de evaluaties van het EOF en het DCI bevestigen dat het daadwerkelijk mogelijk is de verschillende geografische en thematische instrumenten op een coherente manier te gebruiken;

Q.  overwegende dat in de evaluatie van het 11e EOF wordt gesteld dat "er een reëel gevaar bestaat dat het EOF zal worden geduwd in de richting van reageren op agenda's die afstand creëren tot zijn primaire doelstelling van armoedebestrijding, hetgeen moeilijk te verenigen valt met de kernwaarden en de compromisbereidheid van het EOF", dat "ondanks overleg bij programmeringskeuzes zelden rekening wordt gehouden met de standpunten van overheden en het maatschappelijk middenveld (met enkele opmerkelijke uitzonderingen zoals in de regio van de Stille Oceaan)" en dat "de programmering van het 11e EOF aldus een top‑downbenadering heeft gebruikt om het concentratiebeginsel toe te passen, maar ten koste van het centrale beginsel van partnerschap van de Overeenkomst van Cotonou";

R.  overwegende dat volgens de 11e EOF-evaluatie in april 2017 bijna 500 miljoen EUR uit de reserve van het EOF was uitbetaald ter ondersteuning van de activiteiten van het DG Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp (ECHO) van de Europese Commissie, bijna 500 miljoen EUR aan noodhulp was toegekend aan individuele landen en 1,5 miljard EUR was uitbetaald aan het EU-noodtrustfonds voor Afrika; overwegende dat het EOF tevens bijdraagt aan het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling;

S.  overwegende dat de DCI-evaluatie stelt dat "het DCI over het algemeen nog steeds relevant en geschikt is voor het beoogde doel, zowel op het ogenblik dat het werd aangenomen als in het midden van de uitvoering ervan. Het is globaal genomen in overeenstemming met de nieuwe beleidsdocumenten (bv. de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling), hoewel de uitvoering van bepaalde prioriteiten moeilijk zou kunnen worden in zijn huidige vorm.";

T.  overwegende dat het Parlement, toen de EFI's 2014‑2020 werden aangenomen, een voorkeur heeft uitgesproken voor een apart financieringsinstrument specifiek voor ontwikkelingssamenwerking, en ertoe heeft opgeroepen om de middelen voor ontwikkeling af te bakenen, mocht het EOF in de begroting worden opgenomen;

U.  overwegende dat in de EOF-evaluatie over het EU-noodtrustfonds voor Afrika wordt gesteld dat "in vergelijking met standaard EOF-projecten, de kortere voorbereidings- en goedkeuringstijd, de indirecte betrokkenheid van de EU bij de projectuitvoering en het feit dat deze projecten voortvloeien uit de prioritaire bezorgdheden van de EU in plaats van als reactie op doelstellingen op lange termijn van de partnerlanden, allemaal bezorgdheid voeden over de te verwachten doeltreffendheid en duurzaamheid van de projecten van het noodtrustfonds en over het vermogen van de EU om nauw toe te zien op de tenuitvoerlegging daarvan";

V.  overwegende dat de financiële stromen uit de Unie naar landen die in aanmerking komen voor financieringsinstrumenten voor ontwikkeling, geringer zijn dan de particuliere geldovermakingen door de diaspora afkomstig uit diezelfde landen die in Europa woonachtig is;

W.  overwegende dat hoewel de Vredesfaciliteit voor Afrika miljarden euro's heeft ontvangen uit het EOF en de Commissie zich ernstig zorgen maakt over het financieel beheer ervan, ze geen deel uitmaakte van de evaluatie van het EOF; overwegende dat de Vredesfaciliteit voor Afrika sinds 2011 niet is geëvalueerd;

X.  overwegende dat volgens de evaluaties van het DCI en het EOF en het tussentijdse evaluatieverslag van de Commissie over de EFI's de algehele doeltreffendheid en langetermijnimpact van de instrumenten wat betreft de verwezenlijking van de doelstellingen moeilijk te meten valt vanwege problemen bij de vaststelling van adequate evaluatie- en controlesystemen en bij de beoordeling van de rol van externe factoren, alsmede gezien het grote aantal landen en thema's in kwestie; overwegende dat volgens de evaluatoren blending slechts in 50 % van de gevallen bijkomende middelen mobiliseert;

Y.  overwegende dat het Parlement met zeer korte termijnen werd geconfronteerd voor de toetsing van ontwerpen van uitvoeringsmaatregelen; overwegende dat deze termijnen niet voldoende rekening houden met de kenmerken van parlementaire activiteiten; overwegende dat dit nog werd verergerd doordat aan het Parlement ontwerpen van uitvoeringsmaatregelen werden toegezonden na de deadline of vlak voor recesperiodes, waardoor het vermogen van het Parlement om zijn toetsingsbevoegdheden op adequate wijze uit te oefenen nog meer werd beperkt;

Z.  overwegende dat de EU het belang heeft onderkend van partnerschappen met maatschappelijke organisaties in de externe betrekkingen; overwegende dat dit ook geldt voor de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties bij de programmering en uitvoering van EFI's;

Feiten en bevindingen uit de tussentijdse beoordeling van de uitvoering van het DCI, het EOF en het HAI

Algemene overwegingen

1.  stelt met tevredenheid vast dat uit de evaluatie van het DCI, het EOF en het HAI blijkt dat de doelstellingen van deze instrumenten grotendeels relevant waren voor de beleidsprioriteiten op het moment van hun ontwerp, en dat zij over het algemeen geschikt zijn voor het doel dat zij dienen en afgestemd zijn op de waarden en doelstellingen van de SDG's; merkt op dat het jaarlijkse financieringstekort voor het realiseren van de SDG's 200 miljard USD bedraagt;

2.  merkt op dat een aantal landen waarin de geografische programma's van het EOF en het DCI toegepast worden, vorderingen heeft geboekt bij de bestrijding van armoede en de menselijke en economische ontwikkeling de afgelopen tien jaar, terwijl in andere landen de situatie kritiek blijft;

3.  stelt met tevredenheid vast dat de prioriteiten van het DCI en het EOF afgestemd zijn op de waarden en doelstellingen van de SDG's, dankzij de belangrijke rol die de EU heeft gespeeld bij de goedkeuring ervan, en dat dit de tussentijdse evaluatie van deze instrumenten grotendeels heeft vergemakkelijkt en vereenvoudigd;

4.  merkt op dat het DCI en het EOF, in de eerste jaren van hun tenuitvoerlegging, de EU in staat hebben gesteld om te reageren op nieuwe crises en behoeften, dankzij het brede karakter van de doelstellingen van deze instrumenten; merkt echter op dat het toenemende aantal crises en de opkomst van nieuwe politieke prioriteiten financiële druk hebben gezet op het DCI, het EOF en het HAI, waardoor deze instrumenten hun grenzen hebben bereikt en werd besloten nieuwe ad‑hocmechanismen, zoals trustfondsen, op te zetten, waarover ernstige zorgen bestaan met betrekking tot met name de transparantie, democratische verantwoordingsplicht en de ontkoppeling van de ontwikkelingsdoelstellingen; wijst op het onlangs goedgekeurde Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, dat in het leven is geroepen om verdere hefboomeffecten te bieden;

5.  is ingenomen met de toegenomen interne coherentie binnen het DCI het EOF, vooral wegens de beoordelingen van hoge kwaliteit, geharmoniseerde besluitvormingsprocedures en sectorconcentratie;

6.  merkt op dat er in bepaalde gevallen nog steeds kritiek is wat betreft het nut en de doeltreffendheid van begrotingssteun, terwijl deze vorm van steun getuigt van een moderne opvatting van samenwerking die perfect past in de logica van echte ontwikkelingspartnerschappen, ownership van de partnerlanden mogelijk maakt en het voordeel heeft flexibel en doeltreffend te zijn; pleit derhalve voor een versterking van het politieke en institutionele partnerschap dat de toekenning van begrotingssteun bevordert, maar dringt tegelijkertijd aan op efficiënte economische governance en eerbiediging van de democratische waarden; benadrukt dat het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking moet worden uitgevoerd met inachtneming van de wensen van de landen en de mensen die de hulp nodig hebben, waarbij hun deelname aan het besluitvormingsproces wordt gewaarborgd en zij verantwoordelijkheid nemen voor een transparante en efficiënte toepassing;

7.  stelt vast dat een groot aantal landen hogeremiddeninkomenslanden (UMIC's) zijn geworden met als resultaat dat zij de bilaterale samenwerking in het kader van het DCI zijn ontgroeid of verlaagde subsidies voor bilaterale samenwerking in het kader van het EOF ontvangen, daar ontwikkelingshulp gekoppeld aan succesvolle nationale beleidsmaatregelen kan leiden tot positieve resultaten; herinnert eraan dat armoede en ontwikkeling multidimensionaal zijn en dat vasthouden aan het bbp als indicator voor ontwikkeling niet volstaat; stelt voorts vast dat aangezien de meerderheid van de allerarmsten in de wereld in middeninkomenslanden woont, waar ongelijkheden blijven bestaan, abrupte intrekking van steun aan middeninkomenslanden de verwezenlijking van de SDG's zou kunnen ondermijnen; benadrukt dan ook dat het nodig is deze landen in deze gevoelige periode te blijven ondersteunen bij hun streven naar verdere ontwikkeling;

8.  onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat ontwikkelingshulp wordt gebruikt overeenkomstig zijn oorspronkelijke doel, met inachtneming van de beginselen van de doeltreffendheid van hulp en ontwikkeling; herhaalt dat de EU‑ontwikkelingssamenwerking moet worden afgestemd op de behoeften en plannen van de partnerlanden;

9.  onderstreept dat de interne (veiligheids- of migratie-)belangen van de EU op de korte termijn in geen geval bepalend mogen zijn voor haar ontwikkelingsagenda, en dat de beginselen van de doeltreffendheid van hulp en ontwikkeling moeten worden nageleefd en toegepast bij alle vormen van ontwikkelingssamenwerking;

10.  stelt vast dat de Commissie heeft geconcludeerd dat de samenhang tussen de instrumenten kan worden verbeterd door deze te stroomlijnen; wijst erop dat er in de verschillende evaluaties niet naar een dergelijke conclusie wordt verwezen;

11.  is bezorgd over de bevindingen van de evaluatoren betreffende het ontbreken van systemen voor toezicht en evaluatie, waardoor het moeilijk is resultaten te meten; vestigt anderzijds de aandacht op de talrijke positieve bevindingen met betrekking tot het EU-ontwikkelingsbeleid in door de Europese Rekenkamer uitgevoerde audits; herinnert aan de opmerkingen van de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 18/2014 betreffende de evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid; verzoekt de Commissie deze gelegenheid aan te grijpen om haar resultaatgericht systeem verder te verbeteren overeenkomstig de aanbevelingen van de Rekenkamer;

12.  is verbaasd over de discrepantie tussen de evaluatieresultaten en de conclusies die de Commissie in haar tussentijdse evaluatie heeft getrokken; betreurt dat de ernstige problemen van het gebrek aan partnerschap van de instrumenten en het risico dat de focus van armoedeverlichting naar elders verschuift helemaal niet aan bod komen in de conclusies van de Commissie, ook al is dit een essentieel onderdeel van de evaluatie;

13.  is bezorgd over het gebrek aan beschikbare gegevens en de beperkte aard ervan; wijst erop dat het ontbreken van een systeem van toezicht en evaluatie verder dan de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MDG's) en SDG's het niet mogelijk maakt veranderingen nauwkeurig te meten, bijvoorbeeld wat betreft de flexibiliteit van het instrument of de mate van consistentie met andere instrumenten;

14.  wijst er bovendien op dat het feit dat er geen specifiek begrotingshoofdstuk is voor de bevordering van de politieke dialoog, en met name voor de ondersteuning van politieke partijen, niet bevorderlijk is voor de verwezenlijking van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

15.  verzoekt om betere verslaglegging door middel van automatische productie van statistieken en indicatoren;

16.  betreurt het dat de Commissie niet van de gelegenheid van de tussentijdse evaluatie gebruik heeft gemaakt om haar beleid aan te passen aan de vereisten in de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling inzake de steun aan kleinschalige en duurzame landbouw op agro-ecologische basis; merkt op dat de voorgestelde maatregelen daarentegen nog meer steun aan grootschalige landbouw en agro-ondernemingen bevatten;

DCI

17.  benadrukt dat de relevantie van het DCI voornamelijk schuilt in de flexibiliteit om te reageren op onverwachte gebeurtenissen wat betreft de keuze voor programmerings- en uitvoeringsmethodes, de herschikking in en tussen instrumenten en het gebruik van reservefondsen; benadrukt dat de flexibiliteit van de meerjarenprogrammering ook de aanpassing van de duur van de programmering aan de situatie op het terrein mogelijk maakt alsook een snelle herschikking van middelen in geval van belangrijke wijzigingen, en het gebruik van bijzondere maatregelen;

18.  merkt met tevredenheid op dat in de evaluaties de strategische relevantie van de thematische programma's van het DCI werd benadrukt, met name de mogelijkheid om mondiale acties voor collectieve goederen te bevorderen;

19.  neemt kennis van de vereenvoudiging, harmonisering en bredere uitvoeringsmogelijkheden die in Verordening (EU) nr. 236/2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de tenuitvoerlegging van de EFI's zijn ingevoerd, wat voor meer effectiviteit in het DCI heeft gezorgd; benadrukt dat Verordening (EU) nr. 233/2014 tot vaststelling van het DCI geen bijzonderheden bevat over een monitoring- en evaluatiesysteem om de prestaties van het instrument te meten; is ernstig bezorgd dat de tenuitvoerleggingsprocedures, waarvan sommige hun oorsprong vinden in het Financieel Reglement, nog steeds als lang en omslachtig worden aanzien, hetgeen de positie van de EU ondermijnt en de aanpak van bepaalde landen die zeer veel minder lijken te hechten aan formele en andere voorwaarden, aantrekkelijker maakt; herinnert er in dit verband aan dat sommige van deze procedures voortvloeien uit het Financieel Reglement en niet uit de financieringsinstrumenten, terwijl andere eisen gebaseerd zijn op de toepassing van fundamentele beginselen van ontwikkelingssamenwerking, zoals partnerschap en ownership;

20.  merkt op dat uit de werkdocumenten van de diensten van de Commissie blijkt dat het niveau van de betalingen in vergelijking met de vastleggingen betrekkelijk laag is; benadrukt dat dit in een context van "concurrentie" op het gebied van ontwikkelingshulp een ernstig probleem vormt; dringt dan ook aan op betere communicatie over financieringsmogelijkheden, zodat de partners van de EU naar behoren geïnformeerd zijn; dringt aan op begeleiding van plaatselijke actoren, met name ambtenaren, bij het opstellen van Europese dossiers, zodat zij beter beantwoorden aan de criteria en zo de kans op selectie van hun projecten vergroten; merkt op dat deze scholing tevens gericht kan worden op het aanleren van een adequatere respons op door andere internationale organisaties gelanceerde oproepen tot het indienen van projecten;

21.  is bezorgd over het feit dat in de tussentijdse evaluatie van het DCI wordt gewezen op het risico van mogelijke niet‑naleving van de vereiste om ten minste 20 % van de steun in het kader van het DCI toe te wijzen aan elementaire sociale voorzieningen zoals gezondheidszorg en aan secundair onderwijs en andere sociale voorzieningen, terwijl het gaat om behoeften die van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van de betrokken landen; is ook bezorgd over de ontoereikende steun aan de nationale gezondheidszorgstelsels alsook over het ontbreken van gegevens over de resultaten die zijn behaald met betrekking tot onderwijsfinanciering; herhaalt de toezegging die in de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling is gedaan om ten minste 20 % van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) van de EU toe te wijzen aan sociale integratie en menselijke ontwikkeling;

22.  is ingenomen met de doelstellingen en resultaten van het thematische programma gericht op organisaties van het maatschappelijk middenveld en lokale overheden, en vraagt om dit in toekomstige instrumenten te behouden; is evenwel zeer bezorgd over het feit dat er steeds minder ruimte is voor middenveldorganisaties en lokale overheden bij de programmerings- en uitvoeringsfase van de programma’s, en dringt aan op een grotere rol voor deze organen, ook als dienstverleners, alsook voor meer op maat gesneden samenwerkingsmodaliteiten en een strategischere aanpak; onderstreept dat de ontwikkeling van deze landen slechts ten volle kan worden gerealiseerd via samenwerking met de legitieme lokale overheden;

23.  spoort de Commissie aan maatregelen in te voeren om de betrokkenheid van de Afrikaanse diaspora, die een wezenlijke bijdrage aan ontwikkeling levert, te vergroten;

EOF

24.  merkt op dat het EOF een belangrijke rol heeft gespeeld in de uitbanning van armoede en het bereiken van de SDG's; merkt echter op dat de bewijzen voor vooruitgang zwakker zijn op regionaal niveau en dat het EOF er niet in is geslaagd solide synergieën en samenhang te creëren tussen zijn nationale, regionale, en intra-ACS-samenwerkingsprogramma's;

25.  betreurt dat de tussentijdse herziening niet op de Vredesfaciliteit voor Afrika betrekking had, die al sinds jaren niet grondig is geëvalueerd; is van mening dat in tijden waarin meer en meer politieke nadruk wordt gelegd op het verband tussen veiligheid en ontwikkeling, empirisch onderbouwde beleidsvorming van cruciaal belang is;

26.  merkt met tevredenheid op dat het EOF bewezen heeft geschikt te zijn voor het beoogde doel in een snel veranderende omgeving, dankzij een beperkte planningscyclus, gestroomlijnde procedures en verbeterd budgetbeheer; stelt echter vast dat het fonds nog steeds niet volledig is aangepast aan de veranderde context en dat de procedures nog steeds aan de rigide kant en omslachtig zijn;

27.  merkt op dat de zeer verschillende behoeften en aard van de groepen van ACS-landen en landen en gebieden overzee die onder het EOF vallen, vragen doen rijzen over de uniforme aanpak die de keuze van procedures en mogelijkheden kenmerkt, en uiteindelijk ook over de territoriale omvang van het EOF; herinnert eraan dat er een nieuw en authentiek partnerschap nodig is tussen gelijke partijen, waarbij de mensenrechten centraal staan;

28.  merkt op dat het EOF druk heeft ondervonden om een toenemend aantal politieke verzoeken aan te pakken, zoals op het gebied van veiligheid en migratie, die moeilijk af te stemmen zijn op de kernwaarden van het EOF en de beginselen van het ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid van de EU, namelijk de uitroeiing van armoede;

HAI

29.  verneemt met instemming dat het HAI de doelstelling heeft gehaald om ondersteuning te bieden in noodsituaties op basis van volledige eerbiediging van het internationale recht, en tegelijk te verzekeren dat humanitaire hulp niet als politiek instrument gebruikt wordt en dat de beginselen van menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid geëerbiedigd worden;

30.  merkt op dat het aantal humanitaire crises en rampen waarbij een beroep gedaan wordt op het HAI de laatste jaren aanzienlijk gestegen is, wat geleid heeft tot de volledige benutting van de reserve voor noodhulp en de noodzaak om bijkomende fondsen te gebruiken; is van oordeel dat deze situatie op de korte tot middellange termijn waarschijnlijk niet zal verbeteren, gezien het toenemende aantal crisissituaties in talloze gebieden over de hele wereld; merkt op dat dit wijst op de behoefte aan een aanzienlijke uitbreiding van de reserve voor noodhulp en een vlotter en flexibeler gebruik van alle beschikbare middelen;

31.  is van oordeel dat mensen en gemeenschappen de belangrijkste bestemmelingen en betrokken partijen van het HAI moeten blijven, en dat een flexibele, gecoördineerde en aan de context aangepaste aanpak, waarin de standpunten van lokale overheden en autoriteiten alsook lokale gemeenschappen, religieus geïnspireerde ontwikkelingsorganisaties en actoren uit het maatschappelijk middenveld worden verwerkt, in alle omstandigheden moet worden aangenomen; onderstreept dat veel van deze organisaties, waaronder in Europa gevestigde organisaties van de diaspora, waardevol werk verrichten op een aantal belangrijke gebieden en een meerwaarde aan humanitaire hulp kunnen toevoegen;

32.  herinnert eraan dat onveilige abortussen door de Wereldgezondheidsorganisatie worden aangemerkt als een van de vijf hoofdoorzaken van moedersterfte; herinnert aan de internationaal uitgeroepen rechtsgrond voor het recht op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor slachtoffers van seksueel geweld en voor mensen in conflicten;

Aanbevelingen voor de resterende uitvoeringsfase

33.  benadrukt dat het DCI, het EOF en het HAI ten uitvoer gelegd moeten worden in het licht van het nieuwe internationale en EU-beleidskader, met inbegrip van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, de Klimaatovereenkomst van Parijs, de actieagenda van Addis Abeba en de agenda voor de mensheid;

34.  herinnert eraan dat de SDG's wereldwijd moeten worden verwezenlijkt via gezamenlijke inspanningen en samenwerking van alle internationale actoren, waarbij de ontwikkelings- en de ontwikkelde landen alsook internationale organisaties moeten worden betrokken; benadrukt dat hiertoe op EU-niveau intern en extern beleid moet worden ontworpen en ten uitvoer gelegd op een gezamenlijke, coherente en gecoördineerde manier, in overeenstemming met de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling; is van oordeel dat beleidscoherentie voor ontwikkeling een belangrijke factor is bij het definiëren en tenuitvoerleggen van de EFI's en bij de aanneming van andere EU-beleidsmaatregelen en -instrumenten wegens de onderlinge verbanden tussen interne en externe EU-beleidsmaatregelen; is evenwel van oordeel dat de algemene coherentie tussen instrumenten verder dient te worden verbeterd, in het bijzonder door de samenhang en coördinatie tussen de geografische en de thematische programma's te verbeteren en door een betere coördinatie en complementariteit met andere EU-beleidsmaatregelen tot stand te brengen;

35.  is bezorgd dat de UMIC's die het EOF en het DCI ontgroeid zijn, mogelijk geconfronteerd worden met een financieringskloof die hen in een kwetsbare positie brengt; verzoekt de Commissie om over de gevolgen hiervan na te denken, alsook over maatregelen om negatieve effecten te voorkomen, en om de toegang van de UMIC's tot op hun behoeften toegesneden EFI's te faciliteren, met het doel de inspanningen ter versterking van goed bestuur op te voeren door corruptie, belastingfraude en straffeloosheid te bestrijden, te zorgen voor eerbiediging van de rechtsstaat en het houden van vrije en eerlijke verkiezingen, gelijke toegang tot de rechter te waarborgen en institutionele tekortkomingen aan te pakken; waardeert het werk dat EUROsociAL op dit gebied heeft verricht; benadrukt echter dat prioriteit moet worden gegeven aan de toekenning van subsidies aan de minst ontwikkelde landen (MOL's) die vatbaar zijn voor instabiliteit, geconfronteerd worden met aanzienlijke structurele belemmeringen voor duurzame ontwikkeling en dus sterk afhankelijk zijn van internationale publieke financiering;

36.  is van oordeel dat de EFI's zowel de EU als de plaatselijke middenveldorganisaties alsook lokale gemeenschappen, lokale en regionale overheden en lokale autoriteiten in partnerlanden en hun partnerschappen met Europese lokale en regionale overheden moeten blijven ondersteunen en systematisch hun actieve deelname aan dialogen tussen verschillende belanghebbenden over EU-beleidsmaatregelen en de programmeringsprocedures van alle instrumenten moeten faciliteren; is bovendien van oordeel dat de EU de rol van middenveldorganisaties als waakhonden zowel binnen als buiten de EU moet bevorderen, en op decentralisatie gerichte hervormingen in de partnerlanden moet ondersteunen; is in dit verband verheugd over het voornemen van de Commissie om het lopende werk om partnerschappen en een dialoog met het maatschappelijk middenveld dat werkzaam is in de ontwikkeling uit te bouwen, te verdiepen en te consolideren en het engagement in de dialoog en de betrokkenheid van netwerken van maatschappelijke organisaties in de besluitvorming en processen van de EU te vergroten; herinnert eraan dat de EU democratiseringsprocessen moet ondersteunen door mechanismen vast te stellen ter ondersteuning van de activiteiten van organisaties in derde landen, teneinde bij te dragen tot de stabilisering en verbetering van institutionele normen voor het beheer van publieke goederen;

37.  bevestigt zijn vastbeslotenheid om erop toe te zien dat de toezegging van de EU wordt nagekomen om duurzame steun voor menselijke ontwikkeling te verstrekken om de levens van mensen te verbeteren, in overeenstemming met de SDG's; herinnert eraan dat dit, in het geval van het DCI, leidt tot de noodzaak om ten minste 20 % van de steun toe te wijzen aan elementaire sociale voorzieningen, met speciale aandacht voor gezondheid en onderwijs, en secundair onderwijs; is dan ook bezorgd over het feit dat de Commissie in een periode waarin er twijfel blijft bestaan over de verwezenlijking van de 20 %-doelstelling voor menselijke ontwikkeling, middelen verschuift van menselijke ontwikkeling naar investeringen;

38.  roept op tot strikte toepassing van noodzakelijke voorwaarden voor doeltreffend gebruik van begrotingssteun en tot een meer systematisch toezicht op deze steunmogelijkheid in partnerlanden om de verantwoordingsplicht, transparantie, doeltreffendheid van de hulp en afstemming tussen de begrotingssteun en de doelstellingen daarvan te verbeteren;

39.  waarschuwt voor misbruik van de trustfondsen, waardoor het specifieke karakter van het Europees ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in het gedrang komt; benadrukt dat zij alleen zouden moeten worden ingezet wanneer hun meerwaarde in vergelijking met andere vormen van hulp gegarandeerd is, met name in noodsituaties, en dat het gebruik ervan altijd volledig moet aansluiten bij de beginselen van doeltreffendheid van hulp en de prioritaire doelstelling van ontwikkelingshulp, namelijk uitroeiing van armoede; is bezorgd over het feit dat de bijdragen van de lidstaten en andere donoren aan trustfondsen beneden de verwachtingen zijn gebleven, met negatieve gevolgen voor de effectiviteit ervan; herinnert eraan dat er parlementaire controle moet zijn op deze fondsen; is ernstig verontrust over de bevindingen van de EOF-evaluatie over de doeltreffendheid van het EU-noodtrustfonds voor Afrika;

40.  herinnert eraan dat de Commissie transparantie moet verzekeren met betrekking tot het gebruik van trustfondsen, onder andere door het Parlement regelmatig bijgewerkte informatie te verstrekken en door ervoor te zorgen dat het Parlement naar behoren wordt betrokken bij de relevante bestuursstructuren, in overeenstemming met de toepasselijke EU-wetgeving; herinnert er eveneens aan dat de trustfondsen alle beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp moeten toepassen en in overeenstemming moeten zijn met de ontwikkelingsprioriteiten op lange termijn, de beginselen en waarden, de nationale en EU-landenstrategieën en andere relevante instrumenten en programma's, en dat er elke twee jaar een monitoringverslag ter beoordeling van deze overeenstemming moet worden gepubliceerd; herhaalt daarom dat het EU‑noodtrustfonds voor Afrika tot doel heeft de diepere oorzaken van migratie aan te pakken door weerbaarheid, economische mogelijkheden, gelijke kansen, veiligheid en ontwikkeling te bevorderen;

41.  wijst erop dat de begroting voor het extern optreden van de EU voortdurend is ingezet en verhoogd, waardoor alle beschikbare marges zijn opgebruikt om het toenemende aantal crises aan te pakken; is van oordeel dat de EFI's in een situatie van meerdere crises en onzekerheid voldoende flexibel moeten zijn om vlot aangepast te kunnen worden aan veranderende prioriteiten en onverwachte gebeurtenissen, en om snel ter plaatse resultaten te boeken; suggereert daarom een slim gebruik van de EFI-reserve of van de ongebruikte middelen, meer flexibiliteit in de meerjarige programmering, een passende combinatie van financieringsmogelijkheden en verdere vereenvoudiging van de tenuitvoerleggingsfase; beklemtoont echter dat grotere flexibiliteit niet ten koste mag gaan van de doeltreffendheid en voorspelbaarheid van ontwikkelingshulp, noch van geografische en thematische prioriteiten voor de lange termijn of van aangegane verplichtingen betreffende hervormingen in partnerlanden;

42.  verzoekt de Commissie om het HAI ten uitvoer te leggen op een manier die overeenstemt met de in de "Grand Bargain" van de wereldtop over humanitaire hulp overeengekomen humanitaire beginselen en toezeggingen en met de conclusies van Speciaal verslag nr. 15/2016 van de Rekenkamer(14); verzoekt de Commissie met name om de transparantie bij de strategische programmering en financiering van de selectieprocedure te vergroten, de nodige aandacht te besteden aan de kosteneffectiviteit van maatregelen, zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van humanitaire hulp en de bereidheid om de meest kwetsbare groepen te helpen, en tegelijkertijd het vermogen te handhaven om aan de humanitaire verplichting te voldoen door de kwetsbaarsten te bereiken en actief te zijn waar de nood het hoogst is, het toezicht tijdens de tenuitvoerlegging te verbeteren, meer financiering voor nationale en lokale hulpverleners toe te kennen, de bureaucratie terug te dringen door middel van geharmoniseerde verslagleggingsvereisten, en voorwaarden te bepalen op meerjarige basis in termen van strategie, programmering en financiering, teneinde voor grotere voorspelbaarheid, flexibiliteit, snelheid en continuïteit in humanitaire respons te zorgen;

43.  benadrukt dat de humanitaire hulp aan bevolkingsgroepen in crisisgebieden moet worden voortgezet en dat humanitaire actoren vrije toegang moeten krijgen tot slachtoffers in conflictgebieden en fragiele landen, zodat zij hun humanitaire werkzaamheden kunnen verrichten;

44.  vraagt de Commissie om, in aanvulling op onmiddellijke respons op humanitaire crises, te verzekeren dat het HAI, samen met en in aanvulling op het DCI en het EOF, alsook in het licht van de koppeling tussen humanitaire en ontwikkelingshulp, weerstand opbouwt tegen toekomstige schokken door vroegtijdigewaarschuwings- en preventiestrategieën en -structuren te bevorderen, zorgt voor duurzame ontwikkelingsvoordelen op langere termijn, in overeenstemming met de noodzaak om noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling te koppelen, en zich richt op vergeten crises met volledige eerbiediging van het beginsel om niemand aan zijn lot over te laten;

45.  merkt op dat de complementariteit tussen de ontwikkelingsinstrumenten en het HAI moet worden verbeterd, in het bijzonder in het kader van de koppeling tussen humanitaire en ontwikkelingshulp, de nieuwe strategische benadering van weerbaarheid en de inzet van de EU voor de beperking van het risico op rampen en paraatheid, zonder afbreuk te doen aan hun respectieve doelstellingen en bevoegdheden;

46.  herinnert eraan dat ontwikkelingssteun een aanvulling is op humanitaire hulp als het erom gaat schokken en crises te voorkomen;

47.  vraagt om de specificiteit van humanitaire hulp in de EU‑begroting te erkennen, wat de behoefte omvat om de reserve voor noodhulp tot een flexibel instrument met voldoende middelen te maken voor reacties op nieuwe crises;

48.  is van mening dat de EU-delegaties meer betrokken moeten worden bij de programmeringskeuzes van de ontwikkelingssamenwerking in het kader van de verschillende EFI's die zij beheren; is van mening dat dit ook zou zorgen voor betere complementariteit en synergie en voor betere afstemming op de behoeften en de eigen inbreng van de partnerlanden;

49.  vraagt met klem dat wordt voorzien in een passende personeelsbezetting in de hoofdkwartieren van de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en de EU-delegaties, zowel qua aantallen als wat deskundigheid op het gebied van ontwikkelingshulp en humanitaire hulp betreft;

50.  is ontevreden met de zeer korte termijn voor toetsing door het Parlement van het ontwerp van uitvoeringsmaatregelen in het kader van het DCI; spoort de Commissie aan tegen december 2018 het reglement van het DCI- en het humanitaire hulpcomité te wijzigen zodat het Parlement en de Raad meer tijd krijgen om hun controlebevoegdheden naar behoren uit te oefenen;

51.  vraagt de Commissie en de EDEO de donorcoördinatie te vergroten en te verbeteren door middel van gezamenlijke programmering en gezamenlijke uitvoering met andere lidstaten en donoren, afgestemd op de nationale ontwikkelingsprogramma's van de partnerlanden, onder leiding van en gecoördineerd door de EU-delegaties;

52.  pleit voor meer politieke controle van het Parlement op de programmeringsdocumenten van het 11e EOF als middel om transparantie en verantwoordingsplicht te vergroten;

Aanbevelingen voor de architectuur na 2020 van het DCI en het EOF, en voor de tenuitvoerlegging van het HAI in de toekomst

53.  wijst andermaal op de autonomie van het humanitair en ontwikkelingsbeleid van de EU, dat gebaseerd is op specifieke rechtsgronden die in de Verdragen erkend zijn en die waarden en doelstellingen vastleggen die specifiek zijn en niet ondergeschikt gemaakt mogen worden aan de geopolitieke strategie van de EU en altijd moeten worden afgestemd op de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, en, in het geval van humanitaire hulp, de beginselen van menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid;

54.  benadrukt dat er absoluut afzonderlijke instrumenten voor ontwikkeling en humanitaire hulp behouden moeten blijven, met eerbiediging van de belangrijkste beginselen op het vlak van ontwikkeling, gezien de bevindingen van de EOF- en de DCI-evaluatie met betrekking tot het gebrek aan partnerschap en de bedreiging van de centrale doelstelling van armoedebestrijding in het nieuwe kader van veranderende beleidsprioriteiten;

55.  herinnert eraan dat het EOF, het DCI en het HAI zich onderscheiden door een goede uitvoering van de begroting en van groot belang zijn voor het tonen van internationale solidariteit, terwijl zij eveneens bijdragen tot de geloofwaardigheid van de EU op het wereldtoneel; is van mening dat de totale kredieten voor het volgende MFK moeten worden verhoogd, ongeacht mogelijke structurele veranderingen of samenvoeging van deze instrumenten, met inbegrip van de opneming in de begroting van het EOF, en dat niet mag worden getornd aan de criteria voor ODA; is tevens van mening dat trustfondsen en faciliteiten op transparantere wijze moeten worden opgenomen in de toekomstige structuur van de EFI's, op basis van de kernbeginselen van democratische betrokkenheid en doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, en dat in de structuur moet worden voorzien in een eventuele voortzetting van het plan voor externe investeringen op basis van een beoordeling waarin de ontwikkelingsadditionaliteit en de gevolgen voor de mensenrechten, de maatschappij en het milieu worden aangetoond;

56.  verzoekt de Raad, de Commissie en de Europese Investeringsbank, gezien de verschuiving van de steunmodaliteiten van rechtstreekse subsidies naar trustfondsen en gemengde financiering, onder meer via het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, om met het Parlement een interinstitutioneel akkoord te sluiten inzake transparantie, verantwoordingsplicht en parlementaire controle op basis van de beleidsbeginselen die zijn vastgesteld in de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling;

57.  benadrukt dat de internationale gemeenschap van de EU als coöperatieve globale speler een positief imago heeft, maar dat dit imago in het gedrang komt door omslachtige en trage administratieve procedures; is van oordeel dat dit bijdraagt tot de zachte kracht van de EU in internationale betrekkingen, waardoor een sterk en autonoom ontwikkelingsbeleid na 2020, met gedifferentieerde ontwikkelingsinstrumenten, vereist zal zijn;

58.  benadrukt dat de terugdringing, en op lange termijn de uitbanning, van armoede, samen met de tenuitvoerlegging van de SDG's en het klimaatakkoord van Parijs en de bescherming van de gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen, de primaire doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de EU en van haar ontwikkelingsinstrumenten moeten zijn, met bijzondere aandacht voor degenen die het grootste risico lopen;

59.  benadrukt dat de post-2020-structuur van het DCI en het EOF en de uitvoering van het HAI in overeenstemming moeten worden gebracht met de internationale verbintenissen van de EU, met inbegrip van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, de SDG's en het klimaatakkoord van Parijs, alsmede het beleidskader van de EU, zoals de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling, de nieuwe integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en de Europese consensus over humanitaire hulp;

60.  is van mening dat in de structuur van de nieuwe EFI's rekening dient te worden gehouden met de bewezen goede werking van de huidige EFI's, de voorwaarden om in aanmerking te komen voor ODA en het feit dat er resultaten moeten worden bereikt inzake de SDG's;

61.  is van mening dat de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de mondiale dimensie van een groot aantal SDG's een nieuwe politieke benadering vereisen waarbij alle politieke actoren, zowel van geïndustrialiseerde als van ontwikkelingslanden, moeten trachten bij te dragen tot de verwezenlijking van de SDG's door middel van consistent, gecoördineerd intern en extern beleid, en is van mening dat de nieuwe financieringsinstrumenten voor de periode na 2020 en de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling een grote rol zullen spelen om dit doel te bereiken;

62.  is overtuigd van het belang van bevordering van een op mensenrechten en beginselen gebaseerde benadering van ontwikkeling, en aldus van de bevordering van de democratische beginselen, fundamentele waarden en mensenrechten in de hele wereld; verzoekt de Commissie en de EDEO om steun uit hoofde van de EFI's op passende wijze te combineren met politieke dialoog, zowel op bilateraal niveau als in het kader van regionale en mondiale organisaties, ter bevordering van deze beginselen, waarden en rechten;

63.  acht het van essentieel belang dat milieubescherming en de kansen die worden geboden door het milieubeleid op transversale en sectoroverschrijdende wijze worden geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen op het gebied van ontwikkeling; betreurt dat onvoldoende vooruitgang is geboekt ten aanzien van het mainstreamen van democratie, mensenrechten en gendergelijkheid; verlangt voorts dat de toezeggingen uit het klimaatakkoord van Parijs volledig zijn terug te zien in toekomstige instrumenten en programma's, inclusief adequate monitoring ervan; vindt dan ook dat de strijd tegen de klimaatverandering een steeds grotere rol moet worden toebedeeld in het kader van ontwikkelingssamenwerking;

64.  acht het noodzakelijk lering te trekken uit opgedane ervaring om de tekortkomingen in de coördinatie vast te stellen en om de EFI's van de EU beter af te stemmen op de financieringsinstrumenten van andere internationale instellingen teneinde synergieën te creëren en het effect van financieringsinstrumenten in ontwikkelingslanden te optimaliseren;

65.  acht het noodzakelijk om de huidige niveaus van de ODA van de EU in de toekomstige architectuur van de EFI's na 2020 te verhogen en een duidelijke tijdslijn te ontwikkelen, om de EU in staat te stellen haar collectieve belofte om 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) aan de ODA toe te kennen en 0,2 % van het bni/de ODA toe te wijzen aan de minst ontwikkelde landen; is in dit verband tevreden over de recente mededeling van de Commissie over het nieuwe MFK; herinnert de lidstaten eraan dat zij hun belofte om 0,7 % van het bni aan ODA te besteden, moeten nakomen; herinnert eraan dat de aanbevelingen van het comité voor ontwikkelingshulp van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling om een gemiddeld subsidie-aandeel in de officiële ontwikkelingshulp ten belope van 86 % te halen, moeten worden opgevolgd;

66.  is van oordeel dat, zonder afbreuk te doen aan de verhoogde flexibiliteit en/of reserves, de architectuur van de EFI's na 2020 moet blijven voorzien in een mix van zowel geografische als thematische meerjarige programma's, waardoor ontwikkelingsmaatregelen op verschillende niveaus mogelijk zijn; is van mening dat ondersteuning van de regionale samenwerking en integratie van partnerlanden een belangrijke factor is die nodig is om armoede uit te bannen en duurzame ontwikkeling op lange termijn te bevorderen;

67.  benadrukt dat de externe-ontwikkelingsmaatregelen van de EU gebaseerd moeten zijn op een evenwichtige combinatie van flexibiliteit en voorspelbaarheid van ontwikkelingshulp, op basis van voldoende financiering; erkent tegelijkertijd dat de voorspelbaarheid van ontwikkelingshulp onder meer kan worden verwezenlijkt door goed functionerende, bestaande vroegtijdigewaarschuwingssystemen, vooral in de kwetsbaarste en minst veerkrachtige landen;

68.  is van oordeel dat de overdracht van fondsen tussen doelstellingen en voor het wijzigen van prioriteiten binnen een instrument enkel mag plaatsvinden op basis van de reële behoeften van de partnerlanden, zonder de beginselen en doelstellingen van het instrument in gevaar te brengen en met een passende betrokkenheid van de toezichthoudende autoriteit; roept met name op tot een duidelijk onderscheid tussen financiering die voldoet aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp of financiering die daar niet aan voldoet; is sterk gekant tegen de overdracht van fondsen die geoormerkt zijn voor activiteiten die onder de DAC vallen naar programma's die niet als officiële ontwikkelingshulp kunnen worden beschouwd; benadrukt dat in EFI-verordeningen doelstellingen voor officiële ontwikkelingshulp moeten worden opgenomen om dit te waarborgen;

69.  is van oordeel dat de architectuur van de EFI's na 2020 een aantal benchmarks en duidelijk afgebakende toewijzingen moet omvatten, alsook algemene toezeggingen om voldoende fondsen voor de hoofdprioriteiten te verzekeren;

70.  is van oordeel dat onverwachte behoeften gedekt moeten worden door aanzienlijke reserves in de verschillende EFI's, en dat niet‑vastgelegde of opnieuw vrijgekomen middelen met betrekking tot een bepaald jaar overdragen moeten worden naar de reserves voor het volgende jaar;

71.  wijst erop dat het noodzakelijk is een degelijk en onafhankelijk instrument voor humanitaire hulp in stand te houden, zoals is gevraagd in de Europese consensus betreffende humanitaire hulp; is van oordeel dat een afzonderlijke reserve specifiek voor humanitaire hulp gehandhaafd moet worden om rekening te houden met het feit dat de reserve voor humanitaire hulp in de huidige MFK-periode wegens de groeiende behoeften wereldwijd constant geactiveerd is; herinnert eraan dat het Parlement herhaaldelijk de inspanningen van de Commissie om het hoofd te bieden aan de steeds grotere uitdagingen heeft erkend, maar regelmatig heeft benadrukt dat de financiering voor humanitaire hulp moet worden verhoogd en erop heeft aangedrongen de steeds groter wordende kloof tussen vastleggingen en betalingen te dichten en de doeltreffendheid van en de respons op de humanitaire en ontwikkelingshulp die beschikbaar is in de EU-begroting, te vergroten;

72.  benadrukt dat winst in termen van financiële flexibiliteit en vereenvoudiging niet behaald mag worden ten koste van de monitorings- en toezichtcapaciteit van de medewetgever, waardoor de beginselen van verantwoordingsplicht en transparantie in gevaar worden gebracht; wijst erop dat transparantie van groot belang is in de toewijzingscriteria en in alle fasen van de programmering van de fondsen; pleit voor een flexibele en moderne EFI-architectuur, die een optimale benutting van de middelen mogelijk maakt en tot resultaten op het gebied van ontwikkeling in de partnerlanden leidt;

73.  benadrukt dat financiële flexibiliteit in de nieuwe EFI's ook moet worden uitgebreid naar flexibiliteit in de landen om op discretionaire basis kleine subsidies toe te kennen aan lokale maatschappelijke organisaties, bedrijven en ondernemers; is van mening dat de Commissie een evaluatie moet opstellen van haar huidige controlevoorschriften ten aanzien van ontwikkelingssteun om een groter risicoprofiel voor kleinschalige subsidies in de landen mogelijk te maken;

74.  benadrukt dat doelstellingen met betrekking tot het ontwikkelingsbeleid en humanitaire doelstellingen niet ondergeschikt mogen worden gemaakt aan de doelstellingen van de donorlanden en de doelstellingen met betrekking tot de veiligheid van de EU, noch aan grenscontroles of het beheer van migratiestromen; is van oordeel dat de officiële ontwikkelingshulp in deze geest in de eerste plaats gebruikt moet worden om de armoede te verminderen en dat maatregelen en programma's die enkel afgestemd zijn op de nationale veiligheidsbelangen van donoren bijgevolg niet ondersteund mogen worden met ontwikkelingshulpfinanciering; acht het tegelijkertijd noodzakelijk de veerkracht van partnerlanden te ondersteunen teneinde gunstige voorwaarden voor duurzame ontwikkeling te scheppen;

75.  is van mening dat in het toekomstige MFK uitgaven voor het verwezenlijken van interne doelstellingen van de EU onder de rubrieken migratie, asiel en interne veiligheid enerzijds en uitgaven die gericht zijn op de ondersteuning van de uitvoering van de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling anderzijds gescheiden moeten worden gehouden; is van mening dat het samenvoegen van deze twee afzonderlijke rubrieken het risico met zich zou meebrengen dat EU-steun verder wordt geïnstrumentaliseerd, ook door deze afhankelijk te maken van samenwerking op het gebied van migratie;

76.  stelt in dit verband voor de weerbaarheid van de samenleving en de staat verder te versterken door ontwikkelingshulp en meer financiële en politieke middelen te besteden aan conflictpreventie, paraatheid bij rampen en vroegtijdig ingrijpen in geval van conflicten en natuurrampen;

77.  verzoekt de Commissie om de toewijzing van middelen aan partnerlanden en samenwerkingsmodaliteiten niet uitsluitend op het bbp te baseren, maar op een breed scala van criteria die rekening houden met inclusieve menselijke ontwikkeling, mensenrechten en niveaus van ongelijkheid;

78.  herhaalt zijn verzoek om opname van het EOF in de begroting als belangrijk middel om voor coherentie tussen ontwikkeling en andere EU-beleidsmaatregelen te zorgen en de controle van de begroting door het Parlement uit te breiden; herhaalt dat opname van het EOF in de begroting voordelen met zich meebrengt, zoals een versterkte democratische legitimiteit en toetsing van het instrument, een beter absorptievermogen en een verbeterde zichtbaarheid en transparantie, met als gevolg een beter inzicht in de EU-uitgaven ter zake, alsook een grotere efficiëntie en doeltreffendheid van de ontwikkelingshulp van de EU; herinnert eraan dat parlementaire debatten over ontwikkelingsbeleid burgers ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van EU-uitgaven op het gebied van ontwikkelingshulp;

79.  onderstreept dat opname van het EOF in de begroting gepaard moet gaan met garanties om te voorkomen dat voormalige EOF-middelen worden overgeschreven naar andere begrotingslijnen en dat hierbij rekening moet worden gehouden met donoren uit derde landen; benadrukt voorts dat de Vredesfaciliteit voor Afrika buiten de EU-begroting en binnen het raamwerk van een specifiek instrument moet blijven vallen;

80.  benadrukt dat de opname van het EOF in de begroting gepaard moet gaan met een proportionele verhoging van het overeengekomen plafond van de EU-begroting zodat dit niet leidt tot een verlaging van de financiële toezeggingen van de EU aan de ACS‑landen of een algemene daling van de ontwikkelingshulp van de EU in het MFK na 2020;

81.  is van oordeel dat het open karakter van het HAI tot positieve resultaten geleid heeft; raadt bijgevolg aan om de instrumenten en begrotingen voor humanitaire en ontwikkelingsmaatregelen gescheiden te houden, maar sterkte, strategische banden tussen deze twee gebieden te behouden;

82.  onderstreept hoe belangrijk het is dat de democratische legitimiteit in de architectuur voor de periode na 2020 wordt versterkt en dat het besluitvormingsproces nog eens tegen het licht wordt gehouden; wijst erop dat in deze nieuwe architectuur voor de periode na 2020 de medewetgevers hun controlerecht volledig moeten kunnen uitoefenen, zowel op juridisch als op politiek niveau, tijdens de ontwikkelings-, goedkeurings- en uitvoeringsfasen van de instrumenten en hun uitvoeringsprogramma's; benadrukt dat hiervoor voldoende tijd moet worden uitgetrokken;

83.  is van mening dat het potentieel voor samenwerking met de lidstaten bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van ontwikkelingsprogramma's ten volle moet worden benut, met name via gezamenlijke programmering en gebaseerd op en gesynchroniseerd met de nationale ontwikkelingsprogramma's;

84.  pleit voor een tussentijdse evaluatie en herziening van de architectuur van de EFI's voor de periode na 2020 om hun beheer verder te verbeteren, naar manieren te zoeken die meer samenhang en vereenvoudiging brengen, en om te zorgen voor voortdurende relevantie voor en afstemming op de beginselen van doeltreffende ontwikkelingshulp; dringt erop aan belanghebbenden hierbij volledig te betrekken;

o
o   o

85.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de Commissie.

(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.
(3) PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(5) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 1.
(6) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.
(7) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44.
(8) PB C 25 van 30.1.2008, blz. 1.
(9) PB C 210 van 30.6.2017, blz. 1.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0437.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.
(12) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 2.
(13) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 25.
(14) Speciaal verslag nr. 15/2016 van de Rekenkamer: "Beheerde de Commissie de humanitaire hulp doeltreffend die werd verstrekt aan de bevolking die wordt getroffen door conflicten in het Grote Merengebied in Afrika?", 4 juli 2016.

Laatst bijgewerkt op: 3 december 2018Juridische mededeling