Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2241(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0129/2018

Ingediende teksten :

A8-0129/2018

Debatten :

PV 16/04/2018 - 26
CRE 16/04/2018 - 26

Stemmingen :

PV 17/04/2018 - 6.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0104

Aangenomen teksten
PDF 201kWORD 59k
Dinsdag 17 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Het verbeteren van de schuldhoudbaarheid van ontwikkelingslanden
P8_TA(2018)0104A8-0129/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 17 april 2018 over het verbeteren van de schuldhoudbaarheid van de ontwikkelingslanden (2016/2241(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het deel inzake schuld en de houdbaarheid van schuld van het actieprogramma van Addis-Abeba(1),

–  gezien de rapporten van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 22 juli 2014, 2 augustus 2016 en 31 juli 2017 over de houdbaarheid van de buitenlandse schuld en ontwikkeling,

–  gezien de beginselen van de VN-Conferentie over handel en ontwikkeling (UNCTAD) inzake het verantwoord verstrekken en opnemen van overheidskrediet,

–  gezien het stappenplan van de UNCTAD over de duurzame herschikking van staatsschulden (april 2015),

–  gezien de operationele richtsnoeren van de G20 over duurzame financiering,

–  gezien resolutie 68/304 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 september 2014 getiteld "Towards the establishment of a multilateral legal framework for sovereign debt restructuring processes",

–  gezien resolutie 69/319 van de Algemene Vergadering van de VN van 10 september 2015 over de grondbeginselen van de herstructurering van overheidsschulden,

–  gezien de richtsnoeren inzake buitenlandse schulden en mensenrechten van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens,

–  gezien zijn resolutie over financiële middelen voor ontwikkeling(2) van 19 mei 2015, met name de paragrafen 10. 26, 40, 46 en 47,

–  gezien het rapport van de denktank "Global Financial Integrity" waarin de omvang en samenstelling van illegale geldstromen worden geraamd,

–  gezien de Belgische wet ter bestrijding van de activiteiten van aasgierfondsen van 12 juli 2015 (Belgisch Staatsblad van 11 september 2015),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8‑0129/2018),

A.  overwegende dat het oplossen van de problemen van de staatsschuld van ontwikkelingslanden een belangrijk element van de internationale samenwerking is en kan bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG's) in de ontwikkelingslanden;

B.  overwegende dat voor de verwezenlijking van de SDG's in de ontwikkelingslanden enorme investeringen nodig zijn, en dat de financieringskloof thans wordt geraamd op ongeveer 2,5 miljard dollar per jaar(3);

C.  overwegende dat leningen een van de mogelijke bronnen van ontwikkelingsfinanciering zijn; overwegende dat leningen verantwoord en voorspelbaar moeten zijn; overwegende dat de kosten ervan volledig moeten worden gecompenseerd door de opbrengst van de betrokken investeringen en dat de risico's van schulden zorgvuldig moeten worden geëvalueerd en aangepakt;

D.  overwegende dat de schuldencrisis van de ontwikkelingslanden in de jaren tachtig en negentig en een brede campagne voor de verlichting van de schulden hebben geleid tot de lancering door het IMF en de Wereldbank van het Initiatief ten behoeve van arme landen met een zware schuldenlast (HIPC) en het Multilaterale initiatief voor schuldvermindering (MDRI), om deze landen te helpen bij de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

E.  overwegende dat het HIPC en het MDRI niet volstaan om een einde te maken aan de schuldencrisis;

F.  overwegende dat deze initiatieven en de snelle prijsstijging van de grondstoffen de financiën van talrijke ontwikkelingslanden hebben gespekt en dat de buitengewoon lage rentetarieven sinds de financiële crisis van 2008 de schuldhoudbaarheid eveneens hebben geschraagd; overwegende dat de grondstofprijzen sinds 2008 echter gedaald zijn; overwegende dat in verpauperde landen een nieuwe schuldencrisis is ontstaan en dat Mozambique, Tsjaad, Congo en Gambia niet in staat zijn om te betalen;

G.  overwegende dat schuldencrises die worden veroorzaakt door dalende grondstoffenprijzen en volatiele kapitaalstromen een voortdurende bedreiging vormen voor schuldhoudbaarheid, vooral in ontwikkelingslanden, die afhankelijk blijven van de export van grondstoffen;

H.  overwegende dat het aantal ontwikkelingslanden dat door het IMF en de Wereldbank wordt ingeschaald als gebukt gaande onder een onhoudbare schuld en een hoog of middelhoog risico, is gestegen en dat de meeste laaginkomenslanden nu tot een van deze categorieën behoren;

I.  overwegende dat volgens het IMF het mediane schuldniveau in Afrika bezuiden de Sahara aanzienlijk is toegenomen, van 34 % van het bbp in 2013 tot 48 % in 2017;

J.  overwegende dat diverse landen, waaronder Ethiopië, Ghana en Zambia, schuldenniveaus hebben van 50 % of meer van het bbp, en overwegende dat dit een aanzienlijke schuldenlast vormt, rekening houdend met de lage belastingbasis in de meeste Afrikaanse landen;

K.  overwegende dat de schuldaflossing als percentage van regeringsuitgaven sinds 2013 aanzienlijk is toegenomen, en overwegende dat er daardoor aanzienlijk minder gelegenheden zijn voor overheidsinvesteringen;

L.  overwegende dat de situatie van de overheidsschulden in de wereld in de afgelopen decennia ingrijpend is veranderd met de opkomst van particuliere investeerders en China als voornaamste actoren;

M.  overwegende dat de samenstelling van de schulden van de ontwikkelingslanden is geëvolueerd en dat de particuliere schuldeisers en de handelsvoorwaarden een steeds belangrijkere rol spelen waarbij de blootstelling aan de volatiliteit van de financiële markten steeds meer toeneemt, met gevolgen voor de leefbaarheid van de schuld; overwegende dat leningen in nationale valuta het wisselkoersrisico wegnemen, maar dat het tekort aan nationaal kapitaal ertoe kan leiden dat deze situatie ongunstig of niet‑realiseerbaar wordt;

N.  overwegende dat de schuldhoudbaarheid niet alleen wordt bedreigd door de verslechtering van de ruilvoet, maar ook door natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen, ongunstige ontwikkelingen en de volatiliteit van de internationale financiële markten, onverantwoorde kredieten en leningen, het slechte beheer van de overheidsfinanciën, het misbruik van fondsen en corruptie; overwegende dat een betere werking van het mobiliseren van binnenlandse middelen grote mogelijkheden biedt voor het verbeteren van de schuldhoudbaarheid;

O.  overwegende dat de capaciteit van de belastingdiensten in en de kennisoverdracht naar de partnerlanden moet worden vergroot;

P.  overwegende dat de beginselen van de UNCTAD voor het verantwoord verstrekken en opnemen van overheidskrediet en de operationele richtsnoeren van de G20 inzake duurzame ontwikkeling nuttige bijdragen leveren voor het vastleggen van een regelgevingskader, maar dat in de eerste plaats onverantwoorde praktijken moeten worden uitgebannen dankzij transparante beginselen, bindende en afdwingbare regelingen en, waar dit gerechtvaardigd is, ook sancties;

Q.  overwegende dat de schuldhoudbaarheid van landen afhangt van hun schuldvoorraad, maar ook van de directe of indirecte garanties (eventuele passiva) die zij kunnen geven, alsmede van andere factoren; overwegende dat publiek-private partnerschappen vaak daaraan verbonden garanties omvatten en dat ook de risico's van de toekomstige redding van banken aanzienlijk kunnen zijn;

R.  overwegende dat de analyse van de leefbaarheid van de schuld niet alleen toegespitst mag zijn op economische overwegingen zoals de vooruitzichten voor economische groei van de debiteurlidstaat en zijn capaciteit om de schuldfinanciering te verzekeren, maar dat hierbij ook rekening moet worden gehouden met de impact van de schuldenlast op de capaciteit van het land om alle mensenrechten na te leven;

S.  overwegende dat het toenemende gebruik van publiek-private partnerschappen (PPP's) in ontwikkelingslanden krachtens het externe investeringsplan van de EU en het pact met Afrika van de G20 de kans op schulden nog kan doen toenemen; overwegende dat investeerders in PPP′s worden beschermd door bilaterale investeringsverdragen, met name door de mechanismen voor het oplossen van geschillen tussen investeerder en staat, die investeerders in staat stellen een proces aan te spannen tegen de gastlanden;

T.  overwegende dat door regimes verfoeilijke schulden worden aangegaan om corrupte transacties of andere onrechtmatige operaties mogelijk te maken die bij de schuldeisers bekend zijn en een grote belasting voor de bevolking betekenen, met name voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen;

U.  overwegende dat transparantie van leningen aan de regeringen van ontwikkelingslanden van cruciaal belang is om verantwoordelijkheid van leningen te verzekeren; overwegende dat een gebrek aan transparantie een sleutelfactor was bij de onverantwoorde leningen aan Mozambique, die werden verstrekt zonder dat ernstig werd nagegaan of het land ze kon terugbetalen en vervolgens verborgen werden gehouden voor de financiële markten en de bevolking van Mozambique;

V.  overwegende dat een verfoeilijke schuld gedefinieerd wordt als een door een regime aangegane schuld, die tot doel heeft maatregelen tegen het belang van staatsburgers te financieren, waarvan de crediteuren op de hoogte waren; overwegende dat het gaat om een persoonlijke schuld van het regime dat de schuld is aangegaan bij schuldeisers die zich zeer goed bewust waren van de intenties van de kredietnemer; overwegende dat over dit concept echter geen consensus bestaat omdat bepaalde schuldeisers zich er sterk tegen verzetten;

W.  overwegende dat het mobiliseren van binnenlandse middelen met name wordt verhinderd door belastingontwijking en schadelijke fiscale concurrentie en door het wegsluizen van winsten door transnationale ondernemingen; overwegende dat het initiatief van de OESO inzake de grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) moet worden toegejuicht, maar dat het niet volstaat om dit verschijnsel te bestrijden; overwegende dat er een intergouvernementeel orgaan voor fiscale samenwerking onder de auspiciën van de VN moet worden opgericht om ontwikkelingslanden in staat te stellen op gelijke voet deel te nemen aan de mondiale hervorming van bestaande internationale fiscale regels, zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(4);

X.  overwegende dat de illegale geldstromen van de ontwikkelingslanden en opkomende industrielanden worden geraamd op 1 miljard dollar per jaar en dat hierdoor voortdurend nationale middelen uit deze landen worden weggesluisd die vooral nodig zijn voor de verwezenlijking van de SDG's; overwegende dat deze stromen de buitenlandse leningen in de hand werken en de terugbetalingscapaciteit ondergraven;

Y.  overwegende dat het verwezenlijken van de Agenda 2030 en de Addis Abeba-actieagenda met zich meebrengt dat nieuwe financieringsopties voor de SDG's moeten worden overwogen, zoals het invoeren van belastingen op financiële transacties en een belasting op transacties in vreemde valuta; overwegende dat volgens ramingen van de Bank voor Internationale Betalingen (BIB) een belasting op transacties in vreemde valuta van 0,1 % de SDG's in alle laaginkomenslanden en lagere-middeninkomenslanden gemakkelijk zou financieren(5);

Z.  overwegende dat illegale geldstromen moeten worden aangepakt zodat ze tegen 2030 volledig zijn drooggelegd, met name door de strijd aan te gaan met fiscale fraude en door internationale samenwerking te intensifiëren aan de hand van maatregelen om de bekendmaking van fiscale gegevens aan de bevoegde overheden en fiscale transparantie, zowel in het land van herkomst als in het land van bestemming, te vergemakkelijken;

AA.  overwegende dat de procedures bij niet-aflossing van schulden door landen fundamenteel verschillen van insolventieprocedures voor ondernemingen die in nationale rechtsgebieden gevestigd zijn, en dat er in dit verband geen onafhankelijke arbitrage bij een rechtbank bestaat; overwegende dat kortlopende kredieten, die aan voorwaarden zijn verbonden en in tranches worden betaald, worden verstrekt door het IMF, dat tot taak heeft de stabiliteit van het internationale financiële stelsel te waarborgen; overwegende dat de Club van Parijs van crediteurlanden alleen besluiten over schuldverlichting neemt met betrekking tot officiële bilaterale leningen door haar leden; overwegende dat de Club van Londen met haar particuliere crediteuren alleen beslissingen neemt over commerciële bankleningen door haar leden; overwegende dat er geen permanent forum is voor gecoördineerde besluitvorming over schuldherstructurering door alle crediteuren voor een land met een zware schuldenlast;

AB.  overwegende dat het IMF het belangrijkste forum blijft om kwesties over de herstructurering van staatsschuld te bespreken, met aanzienlijke invloed op de EU en haar lidstaten;

AC.  overwegende dat aasgierfondsen die azen op debiteuren in nood en die ingrijpen in het proces ter herstructurering van hun schulden, geen wettelijke en juridische steun voor hun schadelijke activiteiten mogen krijgen, en dat in dit verband extra maatregelen moeten worden genomen;

AD.  overwegende dat schuldverlichting laaginkomenslanden weliswaar nieuwe mogelijkheden heeft geboden, maar dat dient te worden opgemerkt dat het gaat om een eenmalige interventie om de schuldhoudbaarheid te herstellen die de redenen van de opeenstapeling van niet-duurzame schulden niet aanpakt, en dat uitdagingen zoals corruptie, zwakke instellingen en kwetsbaarheid voor externe schokken eerst moeten worden aangepakt;

1.  onderstreept dat verantwoorde en voorspelbare leningen een onontbeerlijk instrument zijn om de ontwikkelingslanden een waardige toekomst te bieden; onderstreept evenwel dat duurzame schuld een voorwaarde is om Agenda 2030 te verwezenlijken; stelt evenwel vast dat schuldfinanciering slechts een bijkomende en tweede optie mag zijn bovenop instrumenten die geen schulden creëren, zoals belastingen en tariefinkomen en ODA, aangezien schuldfinanciering inherente en substantiële crisisrisico′s inhoudt die vereisen dat gepaste instellingen voor de preventie en oplossing van schuldencrises worden opgericht;

2.  benadrukt dat ontwikkelingslanden dankzij toegang tot internationale financiële markten fondsen bijeen kunnen brengen die hen in staat stellen de ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken;

3.  stelt bezorgd vast dat het aantal leningen aan verpauperde landen sinds 2008 drastisch is toegenomen; vreest een cyclus van nieuwe schuldencrises; benadrukt dat er nood is aan meer transparantie, een betere reglementering van ontleners, fiscale rechtvaardigheid en maatregelen om landen in staat te stellen minder afhankelijk te worden van de export van grondstoffen;

4.  herinnert eraan dat leningen een belangrijk middel zijn om investeringen te ondersteunen, die op hun beurt onontbeerlijk zijn om tot duurzame ontwikkeling te komen en de SDG's te verwezenlijken;

5.  is van mening dat leningen onlosmakelijk verbonden zijn met andere middelen ter financiering van de ontwikkeling, waaronder met name inkomsten uit de handel, belastingopbrengsten, overmakingen van migranten naar de ontwikkelingslanden, alsmede overheidssteun voor ontwikkeling; herinnert er met name aan dat het mobiliseren van nationale middelen via belasting de belangrijkste bron van inkomsten is voor de financiering van duurzame ontwikkeling; roept de EU dan ook op haar hulp aan capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden te vergroten om illegale geldstromen te beteugelen, een doeltreffend, progressief en transparant belastingstelsel te ondersteunen dat in overeenstemming is met de beginselen van goed bestuur alsmede haar hulp aan de strijd tegen corruptie en voor het terughalen van gestolen middelen te vergroten;

6.  is verontrust over de aanzienlijke verhoging van zowel de particuliere als overheidsschuld in vele ontwikkelingslanden en de negatieve weerslag hiervan op hun vermogen om investeringen in de gezondheidszorg, het onderwijs, de economie, de infrastructuur en de strijd tegen de klimaatverandering te financieren;

7.  herinnert eraan dat de structurele aanpassingsplannen van de jaren negentig die op landen met te grote schuldenlasten werden toegepast, een zware hypotheek hebben getrokken op de ontwikkeling van de sociale basissectoren en hun vermogen hebben aangetast om hun soevereine taken die essentieel zijn om de veiligheid te bewaren, te vervullen;

8.  benadrukt dat de maatregelen voor schuldverlichting geen schade mogen toebrengen aan de verstrekking van basisdiensten en geen negatieve invloed mogen hebben op de naleving van alle mensenrechten, met name economische, sociale en culturele rechten, alsook de ontwikkeling in de begunstigde staat;

9.  is van mening dat, hoewel in de eerste plaats de politieke autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de excessieve toename van de (buitenlandse) schuld van hun land, de debiteuren en crediteuren een gedeeltelijke verantwoordelijkheid hebben om situaties van niet-duurzame schuld te voorkomen en op te lossen; benadrukt ruimer de medeverantwoordelijkheid van debiteuren en crediteuren om schuldencrises te voorkomen en op te lossen door kredieten op meer verantwoorde wijze te verstrekken en op te nemen;

10.  wijst erop dat het combineren van risico′s tot een schuldenzeepbel kan leiden, met name in Afrika bezuiden de Sahara en in landen in het Caribisch gebied, waardoor die landen maar een beperkt inkomen hebben om hun schuld te financieren; roept donoren dan ook op het grootste deel van hun hulp te geven aan de minst ontwikkelde landen in de vorm van schenkingen; herhaalt dat elke beslissing om het gebruik van publiek-private partnerschappen via combinaties in ontwikkelingslanden gebaseerd moet zijn op een grondige beoordeling van deze mechanismen, vooral met betrekking tot ontwikkeling en financiële additionaliteit, transparantie en verantwoording, en op de lessen die uit eerdere ervaringen zijn getrokken; vraagt dat de herziening van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) duidelijke criteria over schuldhoudbaarheid bevat;

11.  benadrukt het belang van het definiëren van een vrijwaringsmechanisme om te voorkomen dat eventuele passiva van de regering de schuldhoudbaarheid van ontwikkelingslanden ondermijnen; spoort in het bijzonder multilaterale ontwikkelingsbanken aan om voorafgaande fiscale risicobeoordelingen van PPP-projecten uit te voeren (rekening houdend met alle fiscale risico′s tijdens de duur van PPP-projecten), om de schuldhoudbaarheid van ontwikkelingslanden niet te ondermijnen; is van mening dat het IMF en de Wereldbank alle kosten voor PPP′s in hun analyse van schuldhoudbaarheid moeten opnemen;

12.  is van mening dat de thans vigerende regels en instrumenten hetzij ontoereikend zijn hetzij weinig of niet genoeg bindend zijn;

13.  vraagt aan de EU en aan de lidstaten om actief te strijden tegen belastingparadijzen, belastingontwijking en onrechtmatige geldstromen, die de schuld van ontwikkelingslanden alleen maar doen toenemen, en samen te werken met de ontwikkelingslanden om agressieve praktijken van belastingontwijking te bestrijden, en middelen te zoeken om de ontwikkelingslanden te helpen weerstand te bieden aan de druk om aan fiscale concurrentie te doen waardoor minder nationale middelen ten gunste van ontwikkeling kunnen worden vrijgemaakt;

14.  is van mening dat, waar het misbruik van overheidsfinanciering door de overheid wordt vastgesteld, crediteuren waarschuwingsmaatregelen in werking moeten stellen, en als deze niet doeltreffend zijn, sancties moeten opleggen om deze leningen op te heffen of zelfs te eisen dat ze vroegtijdig worden terugbetaald;

15.  roept de Commissie en de lidstaten op ontwikkelingslanden te ondersteunen bij de bevordering van openbare toegankelijkheid van gegevens over hun staatsschuld en maatschappelijke opleiding op dit gebied, aangezien gedetailleerde informatie over de status van overheidsfinanciën zelden beschikbaar is voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden;

16.  vraagt dat wetgeving opgesteld wordt om te voorkomen dat leningen toegekend worden aan manifest corrupte regeringen, en dat crediteuren die deze regeringen bewust leningen geven gestraft worden;

17.  verzoekt de Commissie, samen met alle grote internationale actoren en de betrokken landen, een witboek uit te werken, met een daadwerkelijke strategie ter bestrijding van de bovenmatige schulden van ontwikkelingslanden, aan de hand van een multilaterale aanpak waarbij de rechten, plichten en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen worden gepreciseerd, alsmede na te denken over institutionele instrumenten die het meest geschikt zijn om het schuldenvraagstuk op billijke en duurzame wijze aan te pakken; pleit voor het opstellen van een gedragscode op het gebied van kredietbeheer voor institutionele, politieke en particuliere actoren;

18.  onderstreept dat de meeste doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling ook gelden voor de mensenrechten en derhalve een doel op zich vormen in de strijd tegen de armoede, in tegenstelling tot de terugbetaling van schulden die slechts een middel zijn;

19.  stemt in met de richtsnoeren inzake de buitenlandse schulden en de mensenrechten van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens volgens welke het recht op de verwezenlijking van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen voorrang heeft op de plicht inzake de terugbetaling van schulden; roept de lidstaten van de Europese Unie op om het stelselmatige gebruik van effectbeoordelingen van mensenrechten als onderdeel van schuldhoudbaarheidsbeoordelingen door het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank te bevorderen;

20.  roept de EU en haar lidstaten op deze beginselen toe te passen bij de bilaterale verstrekkingen van leningen en bij hun contacten met internationale financiële instellingen;

21.  stelt vast dat de schuldhoudbaarheidsbeoordelingen (DSA) door het IMF en de Wereldbank meestal door verstrekkers van leningen worden gebruikt om hun verstrekking te sturen; benadrukt de noodzaak om de valkuilen hiervan aan te pakken, met name de monitoring van externe private schulden en het gebrek aan integratie van mensenrechten;

22.  verzoekt de ontwikkelingsactoren de weerslag van de schuldaflossing op het financieringsvermogen van landen met bovenmatige schulden te laten evalueren in het licht van de SDG's waarvoor zij uiterlijk in 2030 resultaten moeten boeken en die voorrang hebben op de rechten van de crediteuren die bewust leningen verstrekken aan corrupte regeringen;

23.  ondersteunt de aanbeveling van het UNCTAD om een Afrikaans fonds voor stabilisering van grondstoffenprijzen op te richten, om de noodzaak om te lenen bij daling van de grondstoffenprijzen te verminderen;

24.  roept de lidstaten en andere relevante crediteurlanden op om te voorzien in meer financiering voor SDG-investeringen en om hun reeds lang bestaande belofte om 0,7 % van hun bni aan officiële ontwikkelingshulp te besteden gestand te doen; verzoekt hen deze financiering in de vorm van subsidies toe te kennen, eerder dan in de vorm van leningen, wanneer uit de evaluatierapporten blijkt dat de verwezenlijking van de SDG's op de lange termijn gevaar loopt door de inkrimping van de overheidsfinanciën; dringt er bij crediteurlanden bovendien op aan innovatieve en gediversifieerde nieuwe financieringsbronnen aan te boren om de SDG's te verwezenlijken, zoals een belasting op transacties in vreemde valuta en een belasting op financiële transacties, wat kan bijdragen tot de schuldhoudbaarheid van elk land, vooral bij een financiële crisis;

25.  is bezorgd over de herziening van de rapportagecriteria van ODA door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO, vooral voor instrumenten van de particuliere sector, aangezien ruimere rapportagecriteria een stimulans vormen voor het gebruik van bepaalde hulpmogelijkheden, met name leningen en garanties; merkt op dat deze besprekingen al lopende zijn, maar dat donoren nu al bepaalde leningen en waarborgen mogen rapporteren als ODA zonder dat er goedgekeurde regels voor gelden; benadrukt de noodzaak om waarborgen over transparantie en de kans op schulden in te bouwen;

26.  benadrukt dat transparantie moet worden gestimuleerd om de verantwoording van de betrokken actoren te vergroten; benadrukt dat het belangrijk is om zowel gegevens als processen te delen die verband houden met de herschikking van staatsschulden;

27.  stemt in met en vraagt de Europese Unie haar steun te verlenen aan de tenuitvoerlegging van de beginselen die zijn afgebakend door de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling inzake een verantwoord kredietbeleid waarin met name de medeverantwoordelijkheid van kredietgevers en kredietnemers duidelijk tot uiting komt (beginselen van de UNCTAD voor het verantwoord verstrekken en opnemen van overheidskrediet), evenals het onontbeerlijke parlementaire toezicht op financieringstransacties van de overheid; is van mening dat de beginselen van de UNCTAD voor het verantwoord verstrekken en opnemen van overheidskrediet moeten worden omgezet in juridisch bindende en afdwingbare instrumenten;

28.  is van mening dat transparantie en verantwoording cruciaal zijn om het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van leningen door staten te ondersteunen; roept de lidstaten dan ook op voort te bouwen op de verbintenissen die zijn aangegaan in de Addis Abeba-actieagenda, en de operationele richtsnoeren van de G20 inzake duurzame ontwikkeling, om verstrekkers van leningen meer verantwoordelijk te maken voor hun leningen, op basis van bestaande beginselen van transparantie en verantwoording die heersen in de winningsindustrieën (EITI); en de openbare beschikbaarheid van gegevens over staatsschuld te bevorderen, met inbegrip van eventuele passiva, door de samenvoeging van deze gegevens in een centraal openbaar register; roept de lidstaten op informatie over de leningen die zij aan ontwikkelingslanden verstrekken stelselmatig openbaar te maken;

29.  benadrukt de noodzaak om het eens te worden over internationale bindende regels om verfoeilijke en onwettige schulden aan te pakken; is daarom van oordeel dat een herstructurering van de schulden ondersteund moet worden door een onafhankelijke schuldenaudit als een manier om verfoeilijke en onwettige leningen te onderscheiden van andere leningen; benadrukt dat verfoeilijke en onwettige leningen geannuleerd moeten worden;

30.  betreurt de weigering van de lidstaten van in 2015, naar aanleiding van gemeenschappelijk standpunt van de Raad (van 7 september 2015(6)), om resolutie 69/319 van de Algemene Vergadering van de VN over basisbeginselen over inzake herstructureringsprocessen van staatsschulden goed te keuren, hoewel deze op 10 september 2015 door een meerderheid van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen;

31.  benadrukt het belang van consistentie van acties die op IMF-niveau en in de VN‑context worden uitgevoerd en van coördinatie van posities tussen lidstaten op de best mogelijke manier;

32.  benadrukt de noodzaak om schuldencrises op een eerlijke, snelle en duurzame manier op te lossen door een internationaal schuldherschikkingsmechanisme op te zetten dat voortbouwt op het stappenplan van de UNCTAD over de herschikking van staatsschulden en de zogenaamde Stiglitz-commissie om een internationaal hof voor schuldherstructurering op te richten;

33.  verzoekt de lidstaten het in resolutie 69/319 van de Algemene Vergadering van de VN van 10 september 2015 goedgekeurde mandaat in werking te stellen, teneinde:

   (a) vroege waarschuwingsmechanismen in te voeren op basis van verslagen van een ruimere achteruitgang van schuldhoudbaarheid die zouden helpen om risico′s en kwetsbaarheden van landen met een zware schuldenlast in een vroeg stadium te identificeren;
   (b) de invoering van een multilateraal juridisch kader voor de ordelijke en voorspelbare herstructurering van staatsschulden mogelijk te maken, in coördinatie met het IMF, om te voorkomen dat deze onhoudbaar worden en om aan investeerders een grotere voorspelbaarheid te bieden; roept op tot een eerlijke vertegenwoordiging van de ontwikkelingslanden in de besluitvormingsorganisaties van de internationale financiële instellingen;
   (c) te verzekeren dat de EU de ontwikkelingslanden helpt bij het bestrijden van corruptie, criminele activiteiten, belastingontduiking en witwaspraktijken;

34.  roept de Commissie en de lidstaten op in internationale fora en met de particuliere sector samen te werken om een regelgevingskader uit te werken dat zorgt voor volledige transparantie van de voorwaarden voor leningen aan ontwikkelingslanden en het eigenaarschap van deze leningen, zoals het Convenant Transparante Leningen dat momenteel door een aantal financiële instellingen wordt besproken;

35.  betreurt de druk op staten zoals Tunesië om hen ertoe aan te zetten geen openbare audits van de herkomst en de voorwaarden van hun schulden uit te voeren; spoort de EU aan samen te werken met andere donoren en internationale instellingen zoals het IMF om de rechten van staten om openbare schuldenaudits uit te voeren te beschermen en aan te moedigen;

36.  dringt met klem aan op de invoering van een regel die van toepassing is bij dreigende insolventie en op basis waarvan rechtbanken de crediteur het recht op schuldvordering zouden kunnen ontzeggen, indien de lening in kwestie door de staat werd aangegaan in strijd met de door zijn nationaal parlement vastgestelde wetgeving;

37.  verzoekt de lidstaten op initiatief van de Europese Commissie een regeling vast te stellen naar het voorbeeld van de Belgische wetgeving ter bestrijding van speculatie door aasgierfondsen;

38.  verzoekt de institutionele en particuliere crediteuren een schuldmoratorium te accepteren na een natuurramp of een ernstige humanitaire crisis, met inbegrip van de massale komst van immigranten, om het debiteurland in staat te stellen al zijn middelen te besteden aan een terugkeer tot de normaliteit;

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Zie blz. 27 t/m 29.
(2) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 2.
(3) World Investment Report 2014. Investing in the SDGs: An Action Plan, UNCTAD 2014, blz. 140-145.
(4) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79.
(5) Revisiting Debt Sustainability in Africa. Achtergrondnota voor het verslag van de UNCTAD van 2016 over economische ontwikkeling in Afrika: "Debt Dynamics and Development Finance in Africa".
(6) Doc. 11705/15.

Laatst bijgewerkt op: 3 december 2018Juridische mededeling