Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2279(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0138/2018

Ingediende teksten :

A8-0138/2018

Debatten :

PV 16/04/2018 - 27
CRE 16/04/2018 - 27

Stemmingen :

PV 17/04/2018 - 6.14
CRE 17/04/2018 - 6.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0105

Aangenomen teksten
PDF 171kWORD 66k
Dinsdag 17 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de EU
P8_TA(2018)0105A8-0138/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 17 april 2018 over de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Europese Unie: het zevende verslag van de Europese Commissie (2017/2279(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(5),

–  gezien het verslag van de Commissie van 9 oktober 2017 getiteld "Mijn regio, mijn Europa, onze toekomst: Het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie" (COM(2017)0583),

–  gezien het Pact van Amsterdam tot vaststelling van de stedelijke agenda voor de EU, waarover op 30 mei 2016 in Amsterdam overeenstemming werd bereikt tijdens de informele bijeenkomst van EU-ministers met verantwoordelijkheid voor stedelijke aangelegenheden,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 december 2015(6),

–  gezien de Europese pijler van sociale rechten, afgekondigd op 17 november 2017 te Göteborg door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 april 2017 over het vergroten van de effectiviteit, relevantie en zichtbaarheid van het cohesiebeleid voor de burgers(7),

–  gezien de conclusies van de Raad van 15 november 2017 over synergie en vereenvoudiging voor het cohesiebeleid na 2020(8),

–  gezien het Witboek van de Commissie van 1 maart 2017 "De toekomst van Europa – Beschouwingen en scenario's voor de EU27 tegen 2025", (COM(2017)2025),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 26 april 2017 over de sociale dimensie van Europa (COM(2017)0206),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 10 mei 2017 over het in goede banen leiden van de mondialisering (COM(2017)0240),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 31 mei 2017 over de verdieping van de economische en monetaire unie (COM(2017)0291),

–  gezien de discussienota van de Commissie van 28 juni 2017 over de toekomst van de EU‑financiën (COM(2017)0358),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 10 april 2017 "Competitiveness in low-income and low-growth regions: report on the regions whose development is lagging behind" (SWD(2017)0132),

–  gezien het werkdocument van de Commissie "Why Regional Development matters for Europe’s Economic Future"(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 februari 2018 "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018)0098),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017 over een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU (COM(2017)0623),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 11 mei 2017 "De toekomst van het cohesiebeleid na 2020: Naar een sterk en doeltreffend Europees cohesiebeleid na 2020"(10),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016 over de mededeling van de Commissie getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen"(11),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU‑beleid: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie"(12),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over de stedelijke dimensie van EU‑beleid(13),

–  gezien zijn resolutie van 10 mei 2016 over nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling in het cohesiebeleid 2014-2020: geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling (CLLD)(14),

–  gezien zijn resolutie van 18 mei 2017 over een goede financieringsmix voor de regio's van Europa: op zoek naar een evenwichtige verdeling van financieringsinstrumenten en subsidies in het cohesiebeleid van de EU(15),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over cohesiebeleid en onderzoeks- en innovatiestrategieën voor slimme specialisatie (RIS3)(16),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen(17),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen: een evaluatie van het verslag uit hoofde van artikel 16, lid 3, van de GB-verordening(18),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over bouwstenen voor een cohesiebeleid van de EU na 2020(19),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2017 over het vergroten van de betrokkenheid van de partners en de zichtbaarheid van de resultaten van de Europese structuur- en investeringsfondsen(20),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over de bevordering van cohesie en ontwikkeling in de ultraperifere gebieden van de EU: uitvoering van artikel 349 VWEU(21),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU‑financiën(22),

–   gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over achterstandsregio's in de EU(23),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(24),

–  gezien de conclusies en aanbevelingen van de groep op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8‑0138/2018),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid gericht is op het bevorderen van een harmonische en evenwichtige ontwikkeling van de hele Unie en haar regio's, waarmee in een sfeer van solidariteit en met het oog op de bevordering van duurzame groei, werkgelegenheid en sociale inclusie en de bewerkstelliging van minder ongelijkheid tussen en binnen regio's en het inlopen van de achterstand door de minst begunstigde regio's, de economische, sociale en territoriale cohesie in overeenstemming met de Verdragen wordt versterkt;

B.  overwegende dat het zevende verslag inzake cohesie aantoont dat regionale verschillen opnieuw kleiner worden maar dat de situatie van gebied tot gebied enorm verschilt, ongeacht of er wordt gemeten aan de hand van het bbp per hoofd van de bevolking, werkgelegenheid of andere indicatoren, en dat bepaalde verschillen tussen en binnen regio's en lidstaten, zo ook binnen het eurogebied, blijven bestaan, zich verplaatsen of toenemen;

C.   overwegende dat in het zevende verslag inzake cohesie een zorgwekkend beeld wordt geschetst van de werkloosheid, waaronder jeugdwerkloosheid, die in veel regio's nog steeds hoger ligt dan vóór de crisis, en van het concurrentievermogen, de armoede en de sociale inclusie;

D.  overwegende dat 24 % van de Europeanen, oftewel bijna 120 miljoen mensen, arm is, met armoede wordt bedreigd, kampt met ernstige materiële ontberingen en/of woont in een huishouden met een lage arbeidsintensiteit; overwegende dat het aantal werkende armen toeneemt en dat het aantal jonge werklozen nog altijd hoog is;

E.  overwegende dat de werkloosheid en jeugdwerkloosheid in de Unie sinds 2013 geleidelijk dalen, maar nog altijd hoger zijn dan in 2008, respectievelijk 7,3 % en 16,1 % (december 2017)(25), en dat er zowel tussen als binnen de lidstaten grote verschillen zijn, vooral in enkele van de lidstaten die het zwaarst getroffen zijn door de financiële crisis; overwegende dat de regionale ongelijkheden kleiner beginnen te worden; overwegende dat de verschillen in werkloosheidpercentages tussen de lidstaten nog steeds aanzienlijk zijn, volgens de laatste cijfers variërend van 2,4 % in Tsjechië en 3,6 % in Duitsland tot 16,3 % in Spanje en 20,9 % in Griekenland(26); overwegende dat de verborgen werkloosheid – het fenomeen dat werkloze personen bereid zijn te werken maar niet actief op zoek zijn naar een baan – 18 % bedroeg in 2016;

F.  overwegende dat in het zevende verslag inzake cohesie de aandacht wordt gevestigd op de grote diversiteit tussen de regio's en grondgebieden, ook binnen de huidige categorieën regio's, vanwege hun specifieke omstandigheden (ultraperifere ligging, kleine bevolkingsdichtheid, lage inkomens, zwakke groei, enz.), waardoor een territoriale aanpak op maat noodzakelijk is;

G.  overwegende dat het in kaart brengen van bepaalde regio's die gevangen zitten in de "midden-inkomensval" en die dreigen uit de boot te vallen, te stagneren of een achterstand op te lopen een van de belangrijkste nieuwe aspecten is die aan bod komen in het zevende verslag inzake cohesie;

H.  overwegende dat in het zevende verslag inzake cohesie wordt benadrukt dat er ook in relatief welvarende regio's armoedekernen, het risico op territoriale versplintering en toenemende ongelijkheden binnen regio's voorkomen;

I.  overwegende dat het zevende verslag inzake cohesie aantoont dat "de impact van globalisering, migratie, armoede en een gebrek aan innovatie, klimaatverandering, energieomschakeling en vervuiling niet beperkt blijft tot minder ontwikkelde regio's";

J.  overwegende dat het cohesiebeleid weliswaar een beduidende rol heeft gespeeld in het herstel van de EU-economie via de bevordering van slimme, duurzame en inclusieve groei, maar dat de overheidsinvesteringen in de EU nog altijd onder het niveau van vóór de crisis liggen, met enorme tekorten in enkele lidstaten die het zwaarst door de crisis getroffen zijn, aangezien deze investeringen daalden van 3,4 % van het bbp in 2008 naar 2,7 % in 2016;

K.   overwegende dat het zevende verslag inzake cohesie de resultaten van het cohesiebeleid op het gebied van groei, banen, vervoer, energie, milieu, onderwijs en opleiding duidelijk presenteert, zoals in de programmeringsperiode 2014‑2020 bleek uit de steun aan 1,1 miljoen kmo's, waardoor nog eens 420 000 nieuwe banen zijn gecreëerd, meer dan 7,4 miljoen werklozen aan een baan zijn geholpen en bovendien meer dan 8,9 miljoen mensen nieuwe kwalificaties hebben kunnen verwerven, waardoor dit beleid de lijm is die Europa bij elkaar houdt;

De meerwaarde van het cohesiebeleid

1.   acht het van groot belang dat het cohesiebeleid in de nieuwe programmeringsperiode alle Europese regio's in toereikende mate bestrijkt en het belangrijkste overheidsinvesteringsinstrument van de Europese Unie blijft op basis van een langetermijnstrategie en -perspectieven, met een begroting die afdoende is om de bestaande en nieuwe uitdagingen te kunnen aangaan en de basisdoelstellingen van het beleid te kunnen verwezenlijken; benadrukt dat de voortgang van de politieke prioriteiten van de Unie als geheel zou worden belemmerd als het cohesiebeleid zich uitsluitend concentreert op de minst ontwikkelde regio's;

2.  benadrukt dat het cohesiebeleid Europese meerwaarde biedt door bij te dragen aan de Europese collectieve voorzieningen en prioriteiten (zoals groei, sociale inclusie, innovatie en milieubescherming) en aan particuliere en overheidsinvesteringen, en dat het een essentieel hulpmiddel is om de doelstelling van het Verdrag, namelijk het terugdringen van ongelijkheden te halen teneinde de levensstandaard op te vijzelen en de achterstand van de minst begunstigde regio's te beperken;

3.  geeft aan zeer veel belang te hechten aan gedeeld beheer en het partnerschapsbeginsel dat in de periode na 2020 moet worden gehandhaafd en versterkt, evenals aan meerlagig bestuur en subsidiariteit, beginselen die bijdragen aan de meerwaarde van het cohesiebeleid; benadrukt dat de meerwaarde van dit beleid vooral gelegen is in het feit dat er rekening wordt gehouden met de nationale ontwikkelingsbehoeften en met de behoeften en specifieke kenmerken van de verschillende regio's en gebieden en dat het de Unie dichter bij de burgers brengt;

4.  benadrukt dat de Europese meerwaarde sterk tot uitdrukking komt in de Europese territoriale samenwerking (ETS) in al haar dimensies (grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking, zowel binnen als buiten de Unie), door bij te dragen aan de algemene doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie en aan solidariteit; verzoekt opnieuw om een verhoging van zijn aandeel in de begroting voor het cohesiebeleid en tevens om een betere onderlinge afstemming van de verschillende programma's teneinde overlappingen te vermijden; wijst op het belang van de tenuitvoerlegging van macroregionale strategieën om de doelstellingen van het cohesiebeleid te kunnen halen;

5.   merkt op dat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in een bepaalde regio externe effecten en directe en indirecte voordelen kan opleveren voor de hele EU, onder andere door de toegenomen handel waardoor de interne markt versterkt wordt; wijst er echter op dat deze voordelen aanmerkelijk verschillen per lidstaat, omdat ze met name afhangen van de geografische ligging en de economische structuur van de lidstaten;

6.  onderstreept dat er een methodologie moet worden ontwikkeld om "de kosten van het ontbreken van cohesiebeleid" te berekenen en daarmee aanvullende kwantificeerbare bewijzen te leveren voor de Europese meerwaarde van het cohesiebeleid, naar het voorbeeld van de werkzaamheden die het Europees Parlement heeft verricht over "de kosten van een niet-verenigd Europa";

De territoriale dimensie

7.  merkt op dat stedelijke gebieden grote kansen op groei, investeringen en innovatie combineren met diverse ecologische, economische en sociale uitdagingen, onder andere vanwege bevolkingsdichtheid en het bestaan van armoedekernen, zelfs in relatief welvarende steden; benadrukt dan ook dat het risico om in armoede te vervallen of buiten de boot te vallen in de samenleving een grote uitdaging blijft;

8.  benadrukt dat er, om de territoriale dimensie van het cohesiebeleid te versterken, meer aandacht moet worden besteed aan de problemen in stedelijke agglomeraties en plattelandsgebieden, waarbij gebruik moet worden gemaakt van de expertise van de lokale autoriteiten en er bijzondere aandacht moet uitgaan naar de middelgrote steden in elke lidstaat;

9.  benadrukt dat het van wezenlijk belang is plattelandsgebieden in al hun diversiteit te ondersteunen, door hun potentieel op waarde te schatten, investeringen te bevorderen in projecten die de lokale economie ten goede komen, en met betere transportverbindingen, toegankelijkheid en razendsnel breedbandinternet, en die gebieden te helpen het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarmee ze kampen, zoals leegloop van het platteland, sociale inclusie, gebrek aan banen, stimulansen voor ondernemerschap en betaalbare huisvesting, een slinkende bevolking, teloorgang van stadscentra, gebrek aan gezondheidszorg in bepaalde gebieden, enz.; benadrukt in dit verband het belang van de tweede pijler van het GLB waarmee duurzame plattelandsontwikkeling wordt bevorderd;

10.  dringt erop aan om bij het bepalen van de investeringsprioriteiten meer rekening te houden met bepaalde specifieke territoriale kenmerken, zoals de kenmerken van de in artikel 174, lid 3, van het VWEU genoemde regio's, zoals insulaire en berggebieden, plattelandsgebieden, grensoverschrijdende gebieden, de meest noordelijke, kust- of perifere regio's; onderstreept hoe belangrijk het is voor deze verschillende regio's strategieën, programma's en maatregelen op maat te ontwikkelen, of zelfs de mogelijke lancering van nieuwe specifieke agenda's te onderzoeken, naar het voorbeeld van de stedelijke agenda voor de EU en het Pact van Amsterdam;

11.  brengt in herinnering dat de bijzondere structurele sociaal-economische situatie van de ultraperifere gebieden specifieke maatregelen vereisen, onder andere ten aanzien van hun voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de ESI-fondsen, overeenkomstig artikel 349 van het VWEU; benadrukt dat alle afwijkingen ter compensatie van de structurele nadelen van deze gebieden een blijvend karakter moeten krijgen en dat de specifieke maatregelen voor deze regio's moeten worden verbeterd door ze telkens als dat nodig is aan te passen; roept de Commissie en de lidstaten op zich te baseren op het arrest van het Europees Hof van Justitie van 15 december 2015 zodat artikel 349 van het VWEU correct ten uitvoer wordt gelegd voor wat betreft de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen; stelt met name voor de sociale component van de specifieke toewijzing voor de ultraperifere regio's uit te breiden, het huidige niveau van medefinanciering door de Unie in die regio's te behouden en te voorzien in een beter afgestemde thematische concentratie; onderstreept het potentieel van ultraperifere regio's als voorbeeld van bij uitstek geschikte gebieden voor de uitvoering van experimentele projecten;

12.  meent dat de invoering van geïntegreerde strategieën voor duurzame stedelijke ontwikkeling een succes is en daarom verder moeten worden versterkt en worden toegepast in andere subregionale gebieden, bijvoorbeeld door een geïntegreerde territoriale aanpak te hanteren bij de thematische doelstellingen, maar zonder afbreuk te doen aan de thematische concentratie; onderstreept het belang van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling, waardoor het cohesiebeleid beter in staat is lokale actoren bij de strategieën te betrekken; benadrukt dat de mogelijkheid moet worden onderzocht hoe operationele programma's kunnen voorbereid op basis van geïntegreerde territoriale strategieën en strategieën voor slimme specialisatie;

De midden-inkomensregio's: weerbaarheid bevorderen en voorkomen dat kwetsbare gebieden uit de boot vallen

13.  onderstreept dat de midden-inkomensregio's niet dezelfde groei hebben doorgemaakt als de lage-inkomensregio's (die nog een inhaalslag moeten maken ten opzichte van de rest van de EU) en de regio's met een zeer hoog inkomen, aangezien deze regio's het hoofd moeten bieden aan de zogenaamde "midden-inkomensval" doordat hun kosten te hoog liggen ten opzichte van de lage-inkomensregio's en doordat hun innovatiesystemen te kwetsbaar zijn ten opzichte van de regio's met een zeer hoog inkomen; merkt bovendien op dat deze regio's worden gekenmerkt door een kwakkelende industrie en moeite hebben om de schokken als gevolg van de globalisering en de daaruit voortvloeiende sociaal-economische veranderingen op te vangen;

14.  is ervan overtuigd dat het een grote uitdaging voor het toekomstige cohesiebeleid is om de midden-inkomensregio's op een gepaste manier te ondersteunen, onder andere om een gunstig investeringsklimaat te creëren, en dat het cohesiebeleid verschillen en ongelijkheden moet wegwerken maar tegelijkertijd moet voorkomen dat kwetsbare gebieden uit de boot vallen, door rekening te houden met de verschillende trends, dynamische ontwikkelingen en omstandigheden;

15.  verzoekt de Commissie om de uitdagingen aan te pakken waarmee de midden-inkomensregio's kampen, namelijk een laag groeipercentage vergeleken bij het EU-gemiddelde, om de algemene harmonieuze ontwikkeling van de Unie te bevorderen; herinnert eraan dat, als het toekomstige cohesiebeleid steun wenst te verlenen aan deze regio's en oplossingen voor hun problemen wil bieden, het deze gebieden op passende wijze moet behandelen, ondersteunen en opnemen in de volgende programmeringsperiode, onder andere door de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van strategieën, programma's en maatregelen op maat; herinnert in dit verband aan het belang van indicatoren ter aanvulling van het bbp zodat er een nauwkeuriger beeld kan worden geschetst van de sociaal-economische omstandigheden van deze specifieke regio's; is van mening dat er meer aandacht moet worden besteed aan het vroegtijdig in kaart brengen van kwetsbare punten zodat dankzij het cohesiebeleid de weerbaarheid van regio's vergroot kan worden en het ontstaan van nieuwe ongelijkheden in alle soorten regio's kan worden voorkomen;

16.  verheugt zich erover dat de Commissie een proefproject heeft gelanceerd dat steun op maat biedt, aangepast aan de specifieke uitdagingen van de regio's die zich in een industriële overgangsperiode bevinden; verzoekt de Commissie lering te trekken uit het proefproject en verwacht de beoogde resultaten zo snel mogelijk; meent dat de strategieën voor slimme specialisatie mogelijkheden bieden om die regio's door middel van een holistische benadering op weg te helpen met hun ontwikkelingsstrategieën en, algemener gezien, om een gedifferentieerde uitvoering op het niveau van de regio's aan te moedigen, maar dat deze regio's ook kunnen worden bijgestaan via extra samenwerking en meer uitwisseling van kennis en ervaring tussen de regio's; is verheugd over maatregelen zoals het Vanguard-initiatief voor de aanwending van strategieën voor slimme specialisatie om groei en industriële vernieuwing te stimuleren in prioritaire gebieden in de EU;

17.  benadrukt dat sociale en fiscale convergentie bijdragen aan het bewerkstelligen van cohesie terwijl daarmee ook de werking van de interne markt wordt versterkt; meent dat uiteenlopende praktijken op dit vlak strijdig kunnen zijn met de cohesiedoelstelling en dat het goed mogelijk is dat de gebieden die uit de boot vallen of het meest te lijden hebben onder de globalisering daardoor nog meer problemen te verwerken krijgen, en wijst erop dat het nog steeds noodzakelijk is dat de minder ontwikkelde regio's de rest van de Unie kunnen bijbenen; is van mening dat het cohesiebeleid kan bijdragen aan sociale en fiscale convergentie (naast economische en territoriale convergentie) door positieve impulsen te bieden; onderstreept in dit verband de mogelijkheid om bijvoorbeeld te steunen op de Europese pijler van sociale rechten; verzoekt de Commissie in het kader van het Europees semester meer rekening te houden met dit aspect zodat de sociale dimensie van het cohesiebeleid beter kan worden afgestemd op het economisch beleid en de lokale en regionale autoriteiten er op passende wijze bij worden betrokken om de efficiëntie van dat proces te verhogen en het verantwoordelijkheidsgevoel aan te wakkeren;

Werkterreinen

18.  staat achter een sterke thematische focus op een beperkt aantal prioriteiten die samenhangen met de belangrijkste Europese politieke doelstellingen, maar geeft de beheersautoriteiten tegelijkertijd meer flexibiliteit bij het ontwikkelen van hun territoriale strategieën op basis van de behoeften en het potentieel, na inclusief overleg op lokaal en regionaal niveau bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten; benadrukt dat werkgelegenheid (waaronder jeugdwerkgelegenheid), sociale inclusie, de bestrijding van armoede, ondersteuning van innovatie en digitalisatie, steun aan kmo's en start-ups, de strijd tegen de klimaatverandering, de circulaire economie en infrastructuur de belangrijkste terreinen moeten vormen voor het toekomstige cohesiebeleid;

19.  is ingenomen met de goedkeuring van de Europese pijler van sociale rechten, die een stap vooruit betekent in de opbouw van een sociaal Europa; toont zich toegewijd aan het ESF als een sterk geïntegreerd onderdeel van de ESI-fondsen, en voor de jeugdgarantie, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het Europees Solidariteitskorps, gezien hun taak om uitdagingen op het gebied van werkgelegenheid, economische groei, sociale inclusie, onderwijs en beroepsopleiding aan te pakken;

20.  benadrukt dat het toekomstige cohesiebeleid vooral moet inzetten op het beschermen en ondersteunen van bevolkingsgroepen en gebieden die te lijden hebben onder de negatieve effecten van de globalisering (verplaatsing van de productie, banenverlies) en soortgelijke trends binnen de EU; dringt erop aan de mogelijkheid te onderzoeken om de structuurfondsen en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering in relevante gevallen op elkaar af te stemmen om daarmee onder andere verplaatsingen binnen de EU te dekken;

21.  merkt op dat de gevoeligheid voor de klimaatverandering sterk verschilt per regio; is van mening dat de ESI-fondsen zo doeltreffend mogelijk moeten worden ingezet om de toezeggingen van de EU in het kader van de klimaatovereenkomst van Parijs (COP21) na te komen, bijv. in verband met hernieuwbare energie, energie-efficiëntie of de uitwisseling van goede werkmethoden, met name in de huizensector, en dat er rekening moet worden gehouden met de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; wijst erop dat de financiering in het kader van de solidariteitsinstrumenten bij natuurrampen zo snel als in de omstandigheden mogelijk is, moet kunnen worden ingezet en altijd op gecoördineerde wijze;

22.  pleit ervoor de ESI-fondsen te benutten om de demografische uitdagingen (vergrijzing, bevolkingsafname, demografische druk, het onvermogen om toereikend menselijk kapitaal aan te trekken of te behouden), die de Europese regio's op verschillende manieren treffen, op duurzame wijze aan te pakken; benadrukt met name dat passende steun moet uitgaan naar regio's zoals bepaalde ultraperifere gebieden;

23.  beklemtoont dat voor de periode na 2020 een specifiek financieringsmechanisme moet worden gecreëerd om, uit hoofde van artikel 349 VWEU, migranten te integreren in de ultraperifere gebieden die wegens hun specifieke kenmerken kampen met grotere migratiedruk, en aldus bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van die gebieden;

24.  is van mening dat de EU-middelen aan de bepalingen van het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap moeten voldoen en ook in de toekomst moeten worden ingezet ter bevordering van de-institutionalisering;

25.  wijst op het potentieel van verdere investeringen in cultuur, onderwijs, erfgoed, jongeren, sport en duurzaam toerisme voor het creëren van banen, waaronder met name hoogwaardige banen voor jongeren, en groei, en voor de verbetering van de sociale cohesie en de bestrijding van armoede en discriminatie, wat vooral van belang is voor bijvoorbeeld de ultraperifere, plattelands- en afgelegen gebieden; steunt de ontwikkeling van culturele en creatieve sectoren die veel te maken hebben met innovatie en creativiteit;

Programmeringskader na 2020

26.  benadrukt dat er in het zevende verslag inzake cohesie wordt benadrukt dat er, naast het bbp per inwoner dat de voornaamste indicator moet blijven, aanvullende indicatoren moeten worden gehanteerd teneinde fondsen toe te wijzen en een nauwkeuriger beeld te schetsen van de sociaal-economische omstandigheden, in overeenstemming met de in kaart gebrachte uitdagingen en behoeften, ook op subregionaal niveau; wijst erop dat kwalitatief hoogstaande, betrouwbare, actuele, gestructureerde en beschikbare gegevens als uitgangspunt moeten worden genomen; verzoekt de Commissie en Eurostat dan ook zo gedetailleerd en geografisch divers mogelijke statistieken te verstrekken die relevant zijn voor het cohesiebeleid, voor een adequate weergave van de behoeften van de regio's in het programmeringsproces; is voorstander van het hanteren van sociale, ecologische en demografische criteria, en dan met name het werkloosheidspercentage en het jeugdwerkloosheidspercentage;

27.  ijvert voor het versterken van geïntegreerde benaderingen en benadrukt met klem dat het ESF, omwille van zijn cruciale cohesiedimensie, integraal deel moet blijven uitmaken van het Europese regionale beleid;

28.  onderstreept dat subsidies het belangrijkste financieringsinstrument van het cohesiebeleid moeten blijven, maar beseft dat financieringsinstrumenten een doeltreffende hefboomwerking kunnen hebben en dat het gebruik ervan moet worden aangemoedigd als ze meerwaarde bieden, op basis van een passende ex-antebeoordeling; benadrukt echter dat het gebruik ervan niet een doel op zich mag zijn, dat de doeltreffendheid ervan afhankelijk is van een groot aantal factoren (soort project, gebied of risico) en dat alle regio's, ongeacht hun ontwikkelingsniveau, naar eigen inzicht moeten kunnen bepalen wat de beste financieringsmethode is; is gekant tegen bindende streefcijfers voor het gebruik van financieringsinstrumenten;

29.  dringt erop aan de gebruiksvoorwaarden voor financieringsinstrumenten te vereenvoudigen en ze beter af te stemmen op subsidies, met het oog op complementariteit, efficiëntie en de situatie ter plaatse; benadrukt het belang van de bestuurlijke capaciteit en de kwaliteit van het bestuur, en van de complementaire rol van nationale ontwikkelingsbanken en instellingen bij de tenuitvoerlegging van financieringsinstrumenten die zijn afgestemd op de plaatselijke behoeften; acht het noodzakelijk de regels voor financieringsinstrumenten zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, ongeacht de manier waarop ze worden beheerd; stelt voor om, naast de bestaande financieringsinstrumenten voor het cohesiebeleid, ook participatieve financieringsinstrumenten te bevorderen;

30.  is van mening dat een koppeling tussen het cohesiebeleid en de garantie voor een gunstig investeringsklimaat, de doeltreffendheid en het correcte gebruik van fondsen ook bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid, en blijft benadrukken dat het cohesiebeleid niet mag worden herleid tot een instrument dat ten dienste staat van prioriteiten en geen enkel verband houdt met de doelstellingen ervan; benadrukt dat het overeengekomen standpunt inzake het stabiliteits- en groeipact wat betreft flexibiliteit in het geval van conjunctuuromstandigheden, structurele hervormingen en overheidsinvesteringen moet worden toegepast; is van oordeel dat de in Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde maatregelen waarmee de doeltreffendheid van de ESI-fondsen wordt gekoppeld aan gezond economisch bestuur, zorgvuldig moeten worden geanalyseerd, onder meer door alle belanghebbenden daarbij te betrekken; is van mening dat de Commissie moet nadenken over aanpassingen aan de manier waarop het cohesiebeleid en het Europees semester met elkaar verbonden zijn om de territoriale en sociale dimensie van het Europees semester te versterken en rekening te houden met andere factoren die bijdragen aan het halen van de doelstellingen van het cohesiebeleid, zoals werkelijke convergentie; verzoekt de Commissie in dit verband en in het kader van het Europees semester te kijken naar regionale en nationale medefinanciering uit hoofde van de ESI-fondsen en het effect daarvan op de nationale tekorten;

31.  wenst dat de strategieën voor slimme specialisatie intensiever worden ingezet als een nieuw traject voor investeringen in groeipotentieel op de lange termijn, in een sfeer van snelle technologische veranderingen en globalisering; onderkent het nut van ex-antevoorwaarden maar benadrukt dat die voorwaarden in bepaalde gevallen complex zijn en voor vertraging hebben gezorgd bij het uitwerken en opstarten van de programmering; neemt nota van de opmerkingen over ex-antevoorwaarden van de Rekenkamer in diens Speciaal verslag 15/2017; dringt er bij de Commissie op aan te overwegen het aantal strategieën in voorkomend geval te verminderen en de naleving van de evenredigheids- en subsidiariteitsbeginselen op dat gebied te verbeteren door zich zoveel mogelijk te baseren op bestaande strategische documenten die kunnen voldoen aan toekomstige ex-antevoorwaarden; onderstreept dat ex-antevoorwaarden nauw verband moeten houden met de doeltreffendheid van investeringen;, maar dat daarbij de gelijke behandeling van alle lidstaten moet worden gegarandeerd;

32.  merkt op dat de kwaliteit en stabiliteit van het overheidsbestuur, waarvoor goed onderwijs, opleiding en lokaal beschikbare adviesdiensten basisvoorwaarden zijn, een bepalende factor blijft voor regionale groei en de doeltreffendheid van de ESI-fondsen; benadrukt dat de kwaliteit van het beheer moet worden verbeterd en dat er voldoende technische bijstand beschikbaar moet worden gesteld, aangezien deze fondsen van grote invloed zijn op de goede uitvoering van het cohesiebeleid en aanzienlijk kunnen verschillen per lidstaat, zoals vooral te zien is in bijvoorbeeld achterstandsregio's; verzoekt de Commissie met name het toekomstige Jaspers-programma te beoordelen aan de hand van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer;

33.  staat positief tegenover een overgang naar een meer resultaatgericht en inhoudelijk cohesiebeleid, door over te stappen van boekhouderslogica op prestatielogica waarmee de beheersautoriteiten meer flexibiliteit krijgen om doelstellingen te verwezenlijken, maar de beginselen van onder andere partnerschap, transparantie en verantwoordingsplicht wel degelijk worden nageleefd;

34.  acht het absoluut noodzakelijk fraude te blijven bestrijden en dringt aan op nultolerantie voor corruptie;

Een vereenvoudigd cohesiebeleid

35.  dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de aanbevelingen van de groep op hoog niveau over de vereenvoudiging van haar toekomstige wetsvoorstellen;

36.  acht het noodzakelijk een kader te creëren dat rechtszekerheid waarborgt aan de hand van eenvoudige, duidelijke en voorspelbare regels, vooral op het gebied van beheer en audits, om een passend evenwicht te garanderen tussen de doelstellingen op het gebied van prestaties en vereenvoudiging; pleit in de volgende programmeringsperiode voor minder wetgeving en richtsnoeren (waarbij omzichtigheid in acht moet worden genomen om in nauwe samenwerking met de belanghebbenden te zorgen voor de noodzakelijke voortzetting van voorschriften en procedures waarmee de deelnemende partijen en beheersautoriteiten bekend zijn); pleit ervoor dat de relevante documenten worden vertaald in alle EU-talen en dat retroactieve toepassingen en interpretaties van de voorschriften zo veel mogelijk worden voorkomen; pleit voor een geharmoniseerd wettelijk kader en richtsnoeren voor grensoverschrijdende projecten;

37.  dringt er tegelijkertijd op aan overregulering te voorkomen en operationele programma's om te vormen tot echte strategische documenten die beknopter en flexibeler zijn, door een vereenvoudigde procedure uit te werken voor de gerichte wijziging ervan tijdens de programmeringsperiode (bijv. in het geval van een natuurramp), teneinde op passende wijze in te spelen op de veranderende mondiale realiteit en regionale vraag;

38.  dringt aan op de invoering van één reeks regels voor de ESI-fondsen, met inbegrip van de verdere harmonisering van gemeenschappelijke voorschriften voor instrumenten die bijdragen tot dezelfde thematische doelstelling; acht het noodzakelijk de aanbestedingen in het kader van de fondsen te stroomlijnen en de staatssteunprocedures die naleving vereisen te versnellen; staat positief tegenover een consistente en meer coherente behandeling van de Europese fondsen die rechtstreeks worden beheerd en van de cohesiefondsen waarmee ook staatssteun gemoeid is en, meer algemeen, tegenover geharmoniseerde regels voor de Europese instrumenten die zich richten op dezelfde begunstigden; benadrukt dat het cohesiebeleid en het toekomstige EU‑onderzoeksprogramma elkaar in grotere mate moeten aanvullen zodat de hele cyclus gedekt is, van fundamenteel onderzoek tot commerciële toepassingen; meent dat de thematische concentratie moet worden gehandhaafd om synergieën tussen de verschillende financieringsbronnen op projectniveau mogelijk te maken;

39.  neemt kennis van de oprichting van een taskforce betreffende subsidiariteit en evenredigheid en verwacht van die werkgroep praktische voorstellen om de naleving van deze twee beginselen te versterken in het kader van het cohesiebeleid; schaart zich achter de toepassing van deze beginselen met het oog op echt meerlagig bestuur waarvoor een passende eigen inbreng van de lokale en regionale autoriteiten en andere belanghebbenden nodig is;

40.  betreurt het dat de Commissie niet is gekomen met een meer geïntegreerde evaluatie van horizontale beleidsmaatregelen, en dat er geen melding is gemaakt van synergieën tussen de verschillende Europese beleidsmaatregelen; vraagt om ambitieuze strategieën, financiering en maatregelen waarmee er meer synergie zal optreden met andere EU‑fondsen en er aanvullende financiële steun zal worden aangetrokken; benadrukt dat de synergieën tussen de ESI-fondsen en andere instrumenten, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), alsook met de andere centraal beheerde programma's, zoals Horizon 2020 waarmee het cohesiebeleid wordt aangevuld bij de ondersteuning van onderzoek en innovatie, verder moeten worden geoptimaliseerd;

41.  wenst dat de eisen op het gebied van programmering, uitvoering en controle van de ESI‑fondsen in de toekomst berusten op de differentiatie- en evenredigheidsbeginselen, gebaseerd zijn op transparante en billijke criteria en in verhouding zijn met de bedragen die zijn uitgetrokken voor de programma's, het risicoprofiel, de kwaliteit van het beheer en het eigen financieringsaandeel van de ontvangers;

42.  acht het noodzakelijk dat de relatie tussen de Commissie en de beheersautoriteiten een "vertrouwensovereenkomst" wordt; wijst in dit verband op het belang van een adequaat en functionerend kader voor meerlagig bestuur; verzoekt de Commissie door te gaan op de ingeslagen weg van goed beheer van overheidsfinanciering, door een keurmerk in te voeren om beheersautoriteiten te belonen die hebben laten zien dat zij de regels naleven; pleit er op het gebied van controle voor dat er meer geleund wordt op nationale en regionale regels waarvan de doeltreffendheid geverifieerd en gevalideerd is;

43.  verzoekt het beginsel van één enkele audit te versterken, de tenuitvoerlegging van e‑cohesie te versnellen en overal het gebruik van vereenvoudigde en gestandaardiseerde kosten in te voeren, aangezien onder andere is gebleken dat het gemakkelijker uit te voeren is en geen aanleiding heeft gegeven tot fouten; benadrukt het potentieel van digitalisering voor controle- en verslagleggingsactiviteiten; is van mening dat de uitwisseling van deskundigheid moet worden bevorderd via de oprichting van een portaal voor kennisuitwisseling;

44.  verzoekt de Commissie op de proppen te komen met ideeën over manieren waarop het cohesiebeleid beter kan inspelen op onvoorziene gebeurtenissen, en herinnert in dit verband aan haar verzoek om een soort reserve aan te leggen die de regio's extra flexibiliteit kan geven zonder de langetermijndoelstellingen van de operationele programma's in het gedrang te brengen;

Uitdagingen en kansen

45.  is zeer verontrust over de scenario's die onlangs zijn gepresenteerd door de Commissie over de bezuinigingen in het cohesiebeleid die eventueel worden doorgevoerd in het kader van het volgende MFK en die ertoe kunnen leiden dat veel regio's uitgesloten worden van het cohesiebeleid; pleit voor een ambitieuze begroting die evenredig is met de uitdagingen waarmee de regio's zich geconfronteerd zien, en dringt erop aan het cohesiebeleid niet te reduceren tot een variabele waarmee aanpassingen kunnen worden doorgevoerd; wijst erop dat het cohesiebeleid alle regio's van de EU moet bestrijken en dat het Europees Parlement daar niet op afdingt; benadrukt dat de theorie van "groepen van economische ontwikkeling" bevestigt dat er een gedifferentieerde ondersteuning van alle Europese regio's nodig is, zo ook de regio's met een erg hoog inkomen die concurrerend moeten blijven ten opzichte van hun concurrenten op het wereldtoneel;

46.  is van mening dat het cohesiebeleid nieuwe uitdagingen, zoals de veiligheid of de integratie van vluchtelingen onder internationale bescherming, kan helpen aanpakken; benadrukt echter dat het cohesiebeleid niet de oplossing kan zijn voor alle crises, en verzet zich tegen het gebruik van de fondsen van het cohesiebeleid om de financieringsbehoeften op korte termijn te dekken die buiten het toepassingsgebied van het beleid vallen, en wijst erop dat dit beleid bedoeld is voor de sociaal-economische ontwikkeling van de EU op de middellange en lange termijn;

47.  onderkent de positieve resultaten van het EFSI waarmee echter nog transparanter en doelgerichter moet worden geïnvesteerd; benadrukt dat het cohesiebeleid en het EFSI uitgaan van verschillende concepten en doelstellingen die elkaar in bepaalde gevallen kunnen aanvullen maar niet vervangen, ongeacht het ontwikkelingsniveau van de regio's, vooral aangezien het EFSI, in tegenstelling tot de structuurfondsen, overwegend gebaseerd is op kredieten; wijst erop hoe belangrijk het is om een correct onderscheid te maken tussen de EFSI en het cohesiebeleid en naar duidelijke mogelijkheden te zoeken voor een combinatie van beide;

48.  herhaalt dat het veel belang hecht aan een programmering voor de lange termijn; is van mening dat het enige haalbare alternatief voor de huidige periode van zeven jaar voor het MFK een periode is van 5 + 5 jaar, met een tussentijdse herziening; verzoekt de Commissie een duidelijk voorstel uit te werken tot vaststelling van de methoden voor de praktische uitvoering van een financieel kader van 5+5 jaar;

49.  wil dat alles in het werk wordt gesteld om vertragingen in de programmering voor de nieuwe periode uit de weg te gaan ter voorkoming van te late betalingen en vrijmakingen die de positieve resultaten van het cohesiebeleid in gevaar brengen; benadrukt dat alle documenten in verband met het toekomstig juridisch kader op tijd en in alle officiële talen moeten worden ingediend om te zorgen voor een eerlijke en tijdige informatieverstrekking aan alle begunstigden;

50.  pleit voor maatregelen om de communicatie met de Europese burger te verbeteren en mensen op die manier bewust te maken van de concrete prestaties van het cohesiebeleid; verzoekt de Commissie een grotere rol toe te bedelen aan de beheersautoriteiten en projectontwikkelaars die vernieuwende plaatselijke communicatiemethoden hanteren om mensen te informeren over de resultaten die zijn geboekt met het gebruik van fondsen in bepaalde gebieden; benadrukt dat de informatie en communicatie moeten worden verbeterd, niet alleen in het eindstadium (prestaties van ESI-fondsen) maar ook eerder in het proces (financieringsmogelijkheden), vooral aan kleine projectontwikkelaars; verzoekt de Commissie en de lidstaten mechanismen en brede institutionele platforms voor samenwerking in het leven te roepen om de zichtbaarheid en bewustmaking te bevorderen;

51.  merkt op dat bepaalde Europese regio's erg te lijden hebben onder de gevolgen van de brexit; benadrukt dat het toekomstige cohesiebeleid de negatieve impact van de brexit op andere Europese regio's zoveel mogelijk moet beperken, en wil dat er goed wordt nagedacht over de mogelijkheid om partnerschappen aan te gaan in het kader van territoriale samenwerking;

o
o   o

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.
(4) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.
(5) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.
(6) Arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2015, Parlement en Commissie/Raad, C‑132/14 t/m C‑136/14, ECLI:EU:C:2015:813.
(7) Doc. 8463/17.
(8) Doc. 14263/17.
(9) Iammarino, S., Rodriguez-Pose, A., Storper, M. (2017), "Why Regional Development matters for Europe's Economic Future", werkdocumenten 07/2017, directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, Europese Commissie.
(10) PB C 306 van 15.9.2017, blz. 8.
(11) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 94.
(12) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 132.
(13) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 124.
(14) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 2.
(15) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0222.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0320.
(17) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0321.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0053.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0254.
(20) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0245.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0316.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0401.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0067.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0075.
(25) http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8631691/3-31012018-BP-EN.pdf/bdc1dbf2-6511-4dc5-ac90-dbadee96f5fb
(26) http://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/8701418/3-01032018-AP-EN/37be1dc2-3905-4b39-9ef6-adcea3cc347a

Laatst bijgewerkt op: 1 juli 2019Juridische mededeling