Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2280(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0112/2018

Ingediende teksten :

A8-0112/2018

Debatten :

PV 17/04/2018 - 21
CRE 17/04/2018 - 21

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.14
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0119

Aangenomen teksten
PDF 283kWORD 76k
Woensdag 18 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020
P8_TA(2018)0119A8-0112/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU: tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020 (2017/2280(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (ENI)(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPS II)(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP)(3),

–  gezien het Verordening (EU) nr. 2017/2306 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot instelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014‑2020(7) (DCI-verordening),

–  gezien Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden(8),

–  gezien Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden(9),

–  gezien Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds(10),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (het "Financieel Reglement")(11),

–  gezien het advies van de Commissie buitenlands zaken van 18 april 2017 aan de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2012/2002, (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0605 – C8‑0372/2016 – 2016/0282(COD))(12),

–  gezien Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(13) ('de comitologie-verordening'),

–  gezien Besluit C(2014)9615 van de Commissie van 10 december 2014 betreffende de oprichting van het Regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis, het zogenaamde "Madad-fonds", en Besluit C(2015)9691 van de Commissie van 21 december 2015 tot wijziging van Besluit C(2014)9615,

–  gezien Besluit C(2015)7293 van de Commissie van 20 oktober 2015 tot oprichting van een EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika, en Besluit C(2017)0772 van de Commissie van 8 februari 2017 tot wijziging van Besluit C(2015)7293,

–  gezien Besluit C(2015)9500 van de Commissie van 24 november 2015 inzake een mechanisme voor de coördinatie van het optreden van de Unie en de lidstaten – de Vluchtelingenfaciliteit voor Turkije(14), en Besluit C(2016)0855 van de Commissie van 10 februari 2016(15) en Besluit C(2017)2293 van de Commissie van 18 april 2017(16) over de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije tot wijziging van Besluit C(2015)9500 van de Commissie,

–  gezien diverse verslagen van de Europese Rekenkamer over externe financieringingsinstrumenten van de EU, in het bijzonder speciaal verslag nr. 18/2014 van de Europese Rekenkamer betreffende de evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2017 getiteld "Tussentijdse evaluatie over de externe financieringsinstrumenten" COM(2017)0720, en de begeleidende werkdocumenten van de diensten van de Commissie over de evaluatie van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening (SWD(2017)0606), het Europees nabuurschapsinstrument (SWD(2017)0602), het Instrument voor pretoetredingssteun (SWD(2017)0463), het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (SWD(2017)0607), het Partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (SWD(2017)0608), en het Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) (SWD(2017)0604),

–  gezien de externe evaluaties van de externe financieringsinstrumenten(17),

–  gezien de lopende procedure van het Europees Parlement betreffende het toekomstige meerjarig financieel kader (MFK) voor na 2020,

–  gezien het Europese tenuitvoerleggingsonderzoek van de Europese Parlementaire Onderzoeksdienst getiteld "De externe financieringsinstrumenten van de EU en de toekomstige architectuur na 2020",

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2015 getiteld "Jaarverslag 2015 over het beleid van de Europese Unie op het gebied van ontwikkelingshulp en externe steun en de uitvoering daarvan in 2014" (COM(2015)0578),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2016 getiteld "Jaarverslag 2016 over de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Europese Unie voor de financiering van externe maatregelen in 2015" (COM(2016)0810),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad van 7 juni 2017 getiteld "Een strategische aanpak van weerbaarheid in het externe optreden van de EU" (JOIN(2017)0021),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(18),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de herziening van de Europese consensus over ontwikkeling(19),

–  gezien zijn resolutie van 13 april 2016 getiteld "De EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld"(20),

–  gezien zijn resolutie van 3 april 2014 over de alomvattende aanpak van de EU en de gevolgen ervan voor de coherentie van het externe optreden van de EU(21),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(22),

–  gezien zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017(23),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over het voortgangsverslag van de Commissie over Turkije 2016(24),

–  gezien zijn resoluties van 15 februari 2017 over het verslag van de Commissie 2016 over Albanië(25) en over het verslag 2016 van de Commissie over Bosnië en Herzegovina(26),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over het voortgangsverslag van de Commissie over Montenegro 2016(27),

–  gezien zijn resoluties van 14 juni 2017 over het verslag van de Commissie over Kosovo 2016(28), over het verslag van de Commissie over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië 2016(29) en over het verslag van de Commissie over Servië 2016(30),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU‑betrokkenheid bij de westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien zijn resolutie van 22 oktober 2013 over lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld: toezeggingen van Europa ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling(31),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018(32),

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, die in juni 2016 werd gepubliceerd(33),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 juni 2017 over de samenwerking van de EU met het maatschappelijk middenveld in de externe betrekkingen,

–  gezien de EU-strategie "Handel voor iedereen",

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 9 november 2017 over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten van de EU (SWD(2017)0364),

–  gezien de bevoegdheden van zijn Commissie buitenlandse zaken als de commissie belast met alle wetgeving inzake, programmering van en controle op acties in het kader van het ENI, het IPS, het EIDHR, het PI en het IcSP, en het beleid dat aan deze instrumenten ten grondslag ligt (bijlage V(I) van zijn Reglement),

–  gezien de verklaring van de Europese Commissie bij de verordeningen tot vaststelling van de externe financieringsinstrumenten, waarin zij belooft strategische dialogen met het Parlement te voeren over de programmering van de Commissie,

–  gezien het Reglement van het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel en de Begrotingscommissie (A8‑0112/2018),

A.  overwegende dat de Europese Unie 's werelds grootste verlener van externe steun is;

B.  overwegende dat externe financieringsinstrumenten het belangrijkste mechanisme zijn voor het ondersteunen van het EU‑optreden in de wereld en overwegende dat het externe optreden van de EU steeds belangrijker wordt voor de Europese burger;

C.  overwegende dat de externe financieringsinstrumenten als gevolg van de beperkte middelen vaak tot het uiterste zijn opgerekt;

D.  overwegende dat de Commissie in haar tussentijdse evaluatieverslag stelt dat de huidige architectuur voor externe instrumenten over het algemeen geschikt is voor het beoogde doel;

E.  overwegende dat een samenvoeging van instrumenten geen doel op zich mag zijn;

F.  overwegende dat de EU niet alleen in haar nabije omgeving maar ook wereldwijd met talloze uitdagingen geconfronteerd wordt;

G.  overwegende dat het externe optreden van de EU voorrang moet geven aan de aanpak van essentiële wereldwijde vraagstukken, zoals vrede en duurzame ontwikkeling, en moet erkennen dat de bevordering van mensenrechten voor allen, de rechtsstaat en democratie, met bijzondere aandacht voor gendergelijkheid en sociale rechtvaardigheid, alsmede steun voor mensenrechtenactivisten, voorop moeten staan willen deze doelstellingen bereikt worden;

H.  overwegende dat de externe financiële steun van de EU essentieel is voor het ondersteunen van economische hervormingen en van democratische, politieke en institutionele consolidering in partnerlanden;

I.  overwegende dat er geen vergelijkbare en solide parlementaire toetsing van alle instrumenten plaatsvindt;

J.  overwegende dat de EU-steun dringend zichtbaarder moet worden gemaakt, zowel voor de burgers in partnerlanden als voor de burgers in de Europese Unie, om de voordelen van EU-steun meer in de schijnwerper te zetten; overwegende dat investeren in concrete en tastbare projecten met een grotere zichtbaarheid voor het publiek, in combinatie met een brede, doeltreffende en systematische communicatiestrategie voor elk instrument, in dit opzicht zeer waardevol kan zijn;

K.  overwegende dat strategische communicatie vaak te kampen heeft met externe uitdagingen, zoals misleidingscampagnes gericht tegen de EU en de lidstaten, hetgeen betekent dat er meer inspanningen nodig zijn; overwegende dat het promoten van objectieve, onafhankelijke en neutrale informatie en het aanpakken van de juridische aspecten van de mediaomgeving waarin EU-instrumenten en -maatregelen worden toegepast, dan ook van essentieel belang zijn;

L.  overwegende dat internationale handel een cruciaal EU-instrument is om landen te helpen bij hun sociale en economische ontwikkeling, en om de mensenrechten, fundamentele waarden en de rechtsstaat te verdedigen;

M.  overwegende dat het handelsbeleid, op grond van de Verdragen, moet bijdragen tot de doelstellingen van het extern beleid van de Unie, waaronder duurzame ontwikkeling;

N.  overwegende dat het totale geprogrammeerde steunbedrag onder het ENI (15,4 miljard EUR), het IPS II (11,7 miljard EUR), het IcSP (2,5 miljard EUR), het EIDHR (1,3 miljard EUR) en het PI (1 miljard EUR) 32 miljard EUR bedraagt voor de periode 2014-2020;

O.  overwegende dat het IPS II gebruikt is bij het beheer van migratiestromen;

P.  overwegende dat het EIDHR en met name het IcSP gebaseerd zijn op de rechtsgrond van de artikelen 209 en 212 VWEU die beide verwijzen naar artikel 208 VWEU, waarin wordt bepaald dat het hoofddoel van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie "is de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen";

Q.  overwegende dat de Commissie belast is met het identificeren, formuleren, ten uitvoer leggen, controleren en evalueren van de steun van de EU die in het kader van deze instrumenten wordt toegekend; overwegende dat het de verantwoordelijkheid van de EDEO is om de continuïteit en coherentie van externe beleidsmaatregelen van de EU te waarborgen, onder meer door middel van de instrumenten; overwegende dat het Parlement verantwoordelijk is voor de democratische controle en toetsing, en in het kader van medebeslissingsprocedures als medewetgever optreedt;

R.  overwegende dat het duale karakter van de functie van vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid betekent dat degene die deze functie vervult een centrale rol toekomt in de coördinatie op beleidsniveau van de EU-steun in het kader van de instrumenten in kwestie;

S.  overwegende dat meerdere projecten en subsidies in het kader van deze instrumenten niet volledig kunnen worden geëvalueerd aangezien de tenuitvoerlegging ervan zich nog maar in de beginfase bevindt; overwegende dat sommige doelstellingen kwalitatief van aard zijn en verband houden met wetgeving, praktijken en opvattingen die niet zo eenvoudig kwantitatief te meten zijn;

T.  overwegende dat de Commissie in haar tussentijdse evaluatie stelt dat het moeilijk is om de algehele doeltreffendheid van de instrumenten in het verwezenlijken van hun doelstellingen te meten, deels vanwege de problemen bij het vaststellen van passende toezicht- en evaluatiesystemen op het niveau van het instrument (blz. 10); herinnert eraan dat de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 18/2014 op ernstige tekortkomingen in het evaluatiesysteem van EuropeAid heeft gewezen;

U.  overwegende dat de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening (CIR) belangrijke bepalingen bevat betreffende de beginselen inzake ontwikkeling en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, zoals de ontkoppeling van steun en het gebruik van de eigen instellingen, systemen en procedures van de partnerlanden;

V.  overwegende dat de huidige administratieve procedures vaak teveel bureaucratische rompslomp meebrengen voor potentiële begunstigden, waardoor het voor kleinere middenveldorganisaties en organisaties van sociale partners moeilijk is om deel te nemen aan projectontwikkeling en ‑uitvoering, daar zij vaak niet over voldoende kennis en administratieve capaciteit beschikken om kansrijke voorstellen te doen;

W.  overwegende dat in de verordeningen waarmee de externe financieringsinstrumenten (EFI's) in het leven zijn geroepen is vastgelegd dat de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011, en overwegende dat in deze Verordening eveneens is vastgelegd dat de Commissie hierin wordt bijgestaan door het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité;

X.  overwegende dat ontwerpuitvoeringshandelingen op hetzelfde moment naar het Parlement en de Raad moeten worden gestuurd als naar de leden van het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité, en overwegende dat in het reglement van deze comités is vastgelegd dat ontwerpuitvoeringshandelingen ten minste twintig kalenderdagen vóór de desbetreffende commissievergadering aan het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité moeten worden toegezonden; overwegende dat ontwerpuitvoeringshandelingen daarom ten minste twintig kalenderdagen vóór de vergadering van deze comités aan het Parlement moeten worden toegezonden, en overwegende dat schriftelijke procedures voor het aannemen van ontwerpuitvoeringshandelingen in naar behoren gemotiveerde gevallen een uitzondering op deze regel vormen;

Y.  overwegende dat het opstellen van uitvoeringshandelingen wordt voorafgegaan door een vrij lange voorbereidende fase binnen de Commissie, waarbij tussen de diensten wordt overlegd, en dat deze meestal enkele maanden duurt;

Tussentijdse evaluatie

1.  neemt er kennis van dat de bestaande instrumenten bij de tussentijdse evaluatie in het algemeen als 'fit-for-purpose' zijn beoordeeld;

2.  betreurt dat de omvang en het gebrek aan flexibiliteit van de EU-financiering in het kader van rubriek 4 van het huidige MFK hebben aangetoond dat de ambitie van de EU om als een echte mondiale speler te handelen beperkt is; constateert echter dat vele partnerlanden en kwesties waarvoor de EFI's van de EU werden ingezet, een positieve ontwikkeling te zien hebben gegeven, hetgeen de relevantie en het belang van de EFI's bewijst;

3.  maakt zich evenwel zorgen over bepaalde andere bevindingen, waaronder het gebrek aan politieke sturing en een overkoepelende visie, inconsistenties bij de toepassing van de waarden van de EU en de partnerschapsbeginselen, de langzame of niet-aanwezige vooruitgang wat betreft sociale en juridische hervormingen in de bredere nabuurschapsomgeving, het ontbreken van krachtige monitoring en evaluatie, en een gebrek aan flexibiliteit;

4.  betreurt dat het ontbreekt aan één enkel helder visiedocument dat verduidelijkt welke synergie er tussen de instrumenten is en hoe deze geïntegreerd worden in een globale, overkoepelende EU‑strategie voor het buitenlands beleid;

5.  vindt het zorgwekkend dat de EU en haar instrumenten met significante uitdagingen worden geconfronteerd, zoals politieke uitruil tussen enerzijds de bevordering van waarden en rechten en anderzijds veiligheidsbelangen op de korte termijn, de opkomst van nieuwe spelers op het gebied van mondiale governance en internationale financiële instellingen, talrijke gewelddadige mondiale conflicten, waaronder onbestendigheid in de directe nabijheid van de EU, zowel in het oosten als in het zuiden, en een toenemend agressieve en assertieve politieke koers van Rusland;

6.  merkt op dat er EU-trustfondsen zijn opgericht om de achterliggende oorzaken van migratie aan te pakken; betreurt dat de bijdragen uit de EU-begroting aan de EU‑trustfondsen en de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije de algehele samenhang, de langetermijnvisie en de impact van het optreden van de Unie hebben verkleind; benadrukt nogmaals dat nieuwe prioriteiten met nieuwe kredieten moeten worden gefinancierd; betreurt ten zeerste dat het Parlement in geen enkele fase van het besluitvormingsproces voor de Turkije-verklaring formeel is geraadpleegd of om zijn instemming is gevraagd;

7.  herhaalt dat de instrumenten complementair moeten zijn, moeten kunnen worden toegesneden op de lokale context, en in staat moeten zijn snel en doeltreffend op nieuwe en onvoorziene uitdagingen te reageren, zonder hun oorspronkelijke doelstellingen uit het oog te verliezen;

8.  betreurt dat de instrumenten geen expliciete verwijzing bevatten naar de mogelijkheid om de steun op te schorten indien een begunstigd land (met name wanneer gebruik gemaakt is van indirect beheer met het begunstigde land – IMBC) er niet in blijkt te slagen om basisbeginselen als democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten na te leven;

9.  merkt op dat bij de EU-ontwikkelingshulp (officiële ontwikkelingshulp ODA) de VN‑doelstelling van 0,7 % niet is gehaald; dringt derhalve aan op een verhoging van de beschikbare middelen voor ontwikkelingshulp, zodat de toezeggingen in het kader van Agenda 2030 kunnen worden nagekomen;

IPS II

10.  moedigt aan dat geprobeerd wordt het IPS II meer strategische relevantie op de lange termijn te geven en concrete resultaten te laten opleveren door middel van specifiek op de afzonderlijke begunstigden gerichte planning en een sectorale benadering; meent dat een dergelijke aanpak kan helpen bij het terugdringen van de omvangrijke hoeveelheid niet-uitgegeven middelen van het IPS I en II in Turkije als gevolg van inefficiëntie van het indirect beheer met het begunstigde land (IMBC) en een gering absorptievermogen;

11.  is uiterst verontrust over de achteruitgang in Turkije wat de rechtsstaat en de democratie betreft, in weerwil van de 4,5 miljard EUR die in het kader van het IPS II voor de huidige MFK-periode is voorzien; erkent dat de huidige toetredingsperspectieven voor Turkije de algemene onzekerheid over de waarde van het IPS II in dit land voeden; merkt op dat de middelen van het IPS II zijn aangewend voor de financiering van toezeggingen die zijn gedaan in het kader van de Turkije-verklaring;

12.  neemt kennis van de uiteenlopende stadia van vooruitgang in de verschillende landen op de westelijke Balkan in het kader van de langetermijnsteun via het IPS II; merkt op dat de IPS II-steun in bepaalde gevallen slechts tot beperkte resultaten heeft geleid wat het aansturen van hervormingen betreft, met name op het gebied van de rechtsstaat, openbaar bestuur en bestrijding van corruptie;

13.  stelt vast dat de kwaliteit van de indicatoren in landenprogramma's en actiedocumenten nog steeds te wensen overlaat;

14.  benadrukt dat het mogelijk moet zijn om IPS II-middelen te bevriezen of een nieuwe bestemming te geven als uit een grondige analyse van de Commissie blijkt dat partnerlanden zich systematisch niet aan hun toezeggingen houden of op politiek vlak een flinke stap achteruit laten zien; betreurt het dat een systematisch en politiek onvermogen tot handelen het nemen van dergelijke maatregelen in het verleden in de weg heeft gestaan;

15.  neemt kennis van de aanwezigheid van het prestatiekader; betreurt evenwel dat de prestatieresultaten nog moeten worden beoordeeld en beloond; dringt in dit verband aan op meer inspanningen om het kader verder te verbeteren, waarbij ook rekening wordt gehouden met negatieve prestaties en een daaraan verbonden vermindering van de financiering;

16.  onderstreept de betekenis van het IPS II als het belangrijkste EU-financieringsinstrument voor pretoetredingssteun, in het kader waarvan belangrijke sociale, economische, politieke en institutionele hervormingen op prioritaire gebieden worden gefinancierd, zodat landen het EU-acquis kunnen bereiken; wijst erop dat dergelijke hervormingen op de lange termijn tevens kunnen bijdragen tot veiligheid in de regio; is ermee ingenomen dat het IPS II steeds strategischer gericht is, maar onderstreept dat de financiering die in het kader van het IPS II beschikbaar is ambitieus en toekomstgericht moet zijn en moet aansluiten bij de concrete behoeften, verplichtingen en wensen in verband met het toetredingsproces en het lidmaatschap van de EU; herinnert er in dit verband aan dat financiering moet worden gebruikt overeenkomstig de specifieke doelstellingen die voor het instrument zijn vastgesteld;

17.  erkent dat de faciliteit voor het maatschappelijk middenveld van het IPS II essentiële steun biedt aan lokale middenveldorganisaties; benadrukt dat de toezeggingen geen weerspiegeling zijn van de werkelijke behoeften ter plaatse; verzoekt in dit verband om meer complementariteit van het IPS II met maatregelen in het kader van andere instrumenten, met name het EIDHR en het IcSP; wijst erop dat hiervoor meer coördinatie nodig is, zowel tijdens de planning als in de programmeringsfase;

18.  beschouwt de sectorale aanpak als een goede zaak, maar betreurt het dat er geen duidelijke eigen verantwoordelijkheid voor projecten bestaat omdat de verantwoordelijkheden gefragmenteerd zijn; stelt vast dat indirect beheer de algehele eigen verantwoordelijkheid voor de programma's heeft verbeterd, maar ook tot minder efficiëntie heeft geleid omdat de tenuitvoerlegging langer vertraagd raakte;

19.  is ingenomen met initiatieven voor systemen om prestaties beter te volgen en te meten, onder meer via comités voor sectoraal toezicht, interne richtsnoeren en de ontwikkeling van een nieuw systeem voor informatiebeheer (OPSYS);

ENI

20.  verwelkomt de ondersteuning van structurele hervormingen in de vorm van geprogrammeerde steun en onderstreept de bijzondere aard van het ENI die de EU in staat stelt op maat gesneden beleidsmaatregelen uit te werken die zijn toegesneden op de specifieke behoeften van de partnerlanden;

21.  deelt de mening van de Commissie dat de aanwezigheid van een specifiek financieringsinstrument voor de nabuurschap concreet bewijs heeft geleverd voor het politieke belang dat de EU hecht aan de betrekkingen met deze naburige landen en aan het verdiepen van de politieke samenwerking en de economische integratie met en binnen de regio;

22.  onderkent dat de huidige uitdagingen en behoeften in de nabuurschap, alsook de discrepantie tussen doelstellingen, belangen en financiële middelen, het budget en het personeel van het ENI flink onder druk zetten, en onderstreept dat er meer flexibiliteit nodig is;

23.  vindt het zorgwekkend dat de toekenning van middelen van het ENI in partnerlanden die minder naar hervormingen streven minder doeltreffend geweest is en in politiek gevoelige situaties en conflictsituaties problematisch maar noodzakelijk blijft, met name wat de bevordering van de gedeelde waarden van democratie en mensenrechten betreft; betreurt het dat de "meer voor meer"-aanpak en de op stimulansen gebaseerde aanpak niet effectief gebruikt zijn, en dat landen die overduidelijk afwijken van hun toezeggingen betreffende mensenrechten en democratische hervormingen gedurende de recentste programmeringsperiode steeds meer financiële steun hebben gekregen;

24.  herhaalt dat de nabuurschapslanden sinds 2014 worden geconfronteerd met ongekende uitdagingen als gevolg van een toenemend aantal zowel al jarenlang bestaande als opkomende problemen, zoals de illegale annexatie van de Krim door de Russische Federatie en het conflict in het oosten van Oekraïne, de crisis in Syrië, de situatie in Libië, radicalisering en terrorisme, jeugdwerkloosheid en de migratieproblematiek;

25.  is bezorgd dat deze ontwikkelingen, alsook de discrepanties tussen de doelstellingen, de belangen van zowel de EU als van de partnerlanden, en de financiële middelen die beschikbaar zijn de financiële capaciteit van dit instrument uitputten, waarbij onderstreept wordt dat meer flexibiliteit nodig is;

26.  onderstreept dat de EU-waarden en ‑beginselen, met inbegrip van democratie, rechtsstaat, mensenrechten en efficiënte, transparante overheidsinstellingen die tot verantwoording geroepen kunnen worden, net zo belangrijk zijn voor de stabiliteit, veiligheid en welvaart van de samenlevingen van de naburige landen als voor die van onze eigen samenleving; verwelkomt de ondersteuning van structurele hervormingen in het kader van geprogrammeerde steun; is van mening dat de toepassing van het beginsel van differentiatie de EU in staat heeft gesteld haar steun toe te snijden op de behoeften en ambities van de partnerlanden;

27.  neemt kennis van de bijdragen in het kader van het ENI aan het Madad-fonds en het Noodtrustfonds voor Afrika;

28.  onderstreept de noodzaak van meer coördinatie tussen regionale en bilaterale programma's en investeringsfaciliteiten teneinde de ontwikkeling in de particuliere sector beter te kunnen steunen en stimuleren; stelt vast dat er enige verbetering is wat betreft het ontbreken van een gezamenlijke programmering door de lidstaten;

29.  is ingenomen met de monitoring van ENI-steun via resultaatgerichte monitoring (ROM); betreurt dat er op het niveau van de instrumenten geen consistente systemen voor monitoring en evaluatie zijn;

30.  benadrukt dat de handelsgerelateerde technische ondersteuning en economische bijstand die in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) worden verstrekt aan partners van de Unie aan de oostelijke grens, een belangrijke bijdrage leveren aan de evolutie van de democratie in deze regio's; stelt vast dat de fondsen in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) gebruikt kunnen worden voor handelsbevordering, en zo een aanvulling kunnen vormen op de bestaande EU-fondsen voor de handelsfacilitatieovereenkomst, wat de politieke stabiliteit op lange en middellange termijn beter zal waarborgen;

IcSP

31.  is zich ervan bewust dat de belangrijkste meerwaarde van het IcSP zijn snelheid en flexibiliteit bij het reageren op conflicten is, alsmede zijn brede waaier van maatschappelijke actoren die als partner van de EU kunnen optreden; herinnert eraan dat het IcSP het enige EU-instrument is voor de preventie van niet-militaire conflicten door middel van bemiddeling, dialoog en verzoening;

32.  neemt kennis van de problemen bij het verzamelen van gegevens over en het meten van de resultaten van IcSP-maatregelen, die in beide gevallen wellicht aanzienlijk waren als gevolg van het feit dat het moeilijk is om politieke resultaten te beoordelen en resultaten toe te schrijven aan IcSP-maatregelen wanneer hierop concurrerende maatregelen in het kader van andere instrumenten zijn gevolgd, alsook om toegang te krijgen tot conflictgebieden;

33.  stelt vast dat de noodzaak van conflictpreventie en het inspelen op veiligheidsuitdagingen de afgelopen periode enorm is toegenomen; is van mening dat er in veel landen die na een oorlog in een crisissituatie verkeren behoefte is aan initiatieven op het gebied van verzoening, bemiddeling en dialoog; onderstreept dat in de context van crises en conflicten onmiddellijke actie vereist is; onderstreept dan ook dat de middelen die voor dergelijke initiatieven beschikbaar zijn, aanzienlijk moeten worden verhoogd; wijst erop dat met de wijziging van het IcSP in november 2017 beoogd wordt de veiligheidscapaciteit van derde landen te verhogen teneinde stabiliteit, veiligheid en duurzame ontwikkeling verder te bevorderen; merkt op dat het IcSP fungeert als laatste redmiddel of voorloper van langere-termijnmaatregelen die via andere instrumenten worden gefinancierd;

34.  stelt vast dat het IcSP de eerste stappen zet op weg naar wereldwijde bestrijding van cyberbedreigingen; verlangt dat meer nadruk wordt gelegd op cyberveiligheid, onder meer via een coherente strategie die in alle externe EU-maatregelen toepasbaar is; dringt aan op een daarmee gepaard gaande verhoging van de middelen voor cyberveiligheid in het kader van het IcSP als passend instrument om dergelijke bedreigingen aan te pakken;

35.  merkt op dat de samenwerking met maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en operaties en missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en met de verlening van humanitaire hulp door de EU is toegenomen;

EIDHR

36.  onderstreept de meerwaarde van de wereldwijde holistische benadering van het EIDHR, ondanks zijn relatief bescheiden budget, en van de grote rol die middenveldorganisaties spelen bij het bereiken van dit doel, alsook van het unieke kenmerk ervan als enige instrument waarmee de EU maatregelen van het maatschappelijk middenveld kan ondersteunen, ongeacht de tussenkomst van de autoriteiten van het land waar dergelijke maatregelen plaatsvinden;

37.  stelt vast dat het EIDHR in de lopende periode flexibeler en meer complementair is ingezet dan in de voorgaande periode, en dat sneller op opkomende mensenrechten- en democratiecrises is gereageerd; is ingenomen met het feit dat het EIDHR complementair is met steun uit andere bronnen, zoals het Europees Fonds voor Democratie, waardoor de steun van het EIDHR in dringende gevallen doeltreffender wordt; is ingenomen met de grotere aandacht voor mensenrechtenactivisten, ook via het noodfonds dat op het niveau van de EU-delegaties beschikbaar is, en de inrichting en succesvolle toepassing van het EU-mechanisme ProtectDefenders.eu ter bescherming van mensenrechtenactivisten; onderstreept dat het proces van de oproep tot het indienen van voorstellen lang, onpraktisch en te concurrerend is;

38.  wijst voorts op de voordelen van het EU-mechanisme ProtectDefenders.eu dat door het maatschappelijk middenveld wordt ingezet en essentiële steun heeft verleend aan een groot aantal mensenrechtenactivisten; dringt aan op voortzetting van de steun aan dergelijke mechanismen;

39.  maakt zich zorgen over het feit dat het moeilijk blijkt mensenrechten en democratische waarden in alle geografische programma's te integreren en over de geringere EU-steun aan middenveldorganisaties, hetgeen leidt tot extra druk op het EIDHR op een moment dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld wereldwijd krimpt;

40.  is van mening dat de EU blijk moet geven van leiderschap en ambitie door een overkoepelend beleid te voeren voor het mainstreamen van haar steun aan democratie in al haar externe betrekkingen; is dan ook van oordeel dat de middelen voor ondersteuning van de democratie navenant moeten worden verhoogd, met name in het licht van de huidige wereldwijde aanvallen op de democratie; onderstreept hoe noodzakelijk het is te waarborgen dat de uitgaven in het kader van doelstelling 1 voor de landgebonden steunregeling (CBSS) ook werkelijk en op efficiënte wijze de mensenrechtenactivisten bereiken die de meeste risico's lopen; spoort de EU-delegaties aan om in dit verband alle nodige steun te verlenen;

41.  erkent dat het evalueren van EIDHR-maatregelen problematisch is, aangezien strategische en operationele indicatoren ontbreken; merkt op dat de evaluatieproblemen eveneens voortvloeien uit het feit dat een groot deel van de steun aan middenveldorganisaties en mensenrechtenactivisten nu eenmaal vertrouwelijk wordt verstrekt, teneinde de identiteit en veiligheid van de ontvangers te beschermen;

42.  wijst andermaal op de meerwaarde van EU-verkiezingswaarnemingsmissies, een terrein waarop de EU wereldwijd voorop loopt; acht het een goede zaak dat het aantal monitorings- en follow-upmissies naar aanleiding van aanbevelingen van verkiezingswaarnemingsmissies is toegenomen;

Het partnerschapsinstrument (PI)

43.  beklemtoont dat het PI in het bijzonder bedoeld is om thematische EU- en wederzijdse belangen met derde landen te behartigen teneinde bondgenootschappen te sluiten en samenwerking te bevorderen met huidige en opkomende strategische partners; merkt op dat het PI in de praktijk als laatste redmiddel wordt ingezet, namelijk wanneer het als enige middel wordt gezien waarmee de beleidsagenda van de EU kan worden uitgevoerd en wereldwijde problemen kunnen worden aangepakt;

44.  wijst erop dat het PI in vergelijking met vroegere instrumenten een meer coöperatieve samenwerking met derde landen mogelijk heeft gemaakt, met inbegrip van strategische partners, landen die voorheen bilaterale ontwikkelingshulp ontvingen en diverse internationale fora, en is van mening dat een verhoging van de middelen en input van beleidsmakers nodig is om ervoor te zorgen dat zij volledig worden betrokken bij het ontwikkelen, programmeren en uitvoeren van de maatregelen, en dat de actieve rol van de EU-delegaties in de vormgeving van de maatregelen groter moet worden;

45.  pleit voor verbetering van zichtbaarheid, kennis en begrip van de doelstellingen van het PI, met name binnen de EU-instellingen;

46.  stelt met spijt vast dat de evaluatie belemmerd werd door het feit dat er geen centraal bewaarpunt voor documentatie over maatregelen is ingericht als gevolg van de late goedkeuring van een kader voor resultaatindicatoren, en het feit dat de meeste projecten nog niet afgerond zijn;

Gemeenschappelijke uitvoeringsverordening

47.  herinnert eraan dat de externe financieringsinstrumenten van de EU een ingewikkeld instrumentarium vormen ter ondersteuning en verbetering van het internationale optreden van de EU, en dat de complexe structuur ervan wordt gecoördineerd door de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening; benadrukt andermaal dat de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening moet voldoen aan de criteria van toetsing van de begroting en democratische controle; betreurt het dat de uiterst ingewikkelde en restrictieve aard van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening een doeltreffend gebruik van de middelen van de Unie heeft verhinderd en belemmert dat snel op nieuwe uitdagingen en de behoeften van partners kan worden ingespeeld; betreurt dat het gemeenschappelijke karakter van de regels niet heeft geleid tot een gezamenlijke programmering van steun tussen de instrumenten;

48.  merkt op dat de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening is vastgesteld om bij de aanwending van de middelen van de Unie te zorgen voor harmonisering, vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging, meer flexibiliteit, coherentie en efficiënt gebruik, alsmede om een soepele en complementaire tenuitvoerlegging van alle instrumenten tot stand te brengen;

49.  meent dat voldoende tijd van cruciaal belang is voor het Parlement om zijn controlebevoegdheden ten aanzien van ontwerpuitvoeringshandelingen doeltreffend en naar behoren te kunnen uitoefenen; is van mening dat niet-naleving van de termijn van twintig dagen voor het indienen van documenten bij het Parlement en de Raad in de laatste fase van goedkeuring van de uitvoeringshandelingen niet kan worden gerechtvaardigd, gezien de tijd dat de ontwerpuitvoeringshandelingen in voorbereiding zijn voordat zij bij het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité terechtkomen; betreurt daarom dat de termijn van twintig kalenderdagen niet altijd wordt geëerbiedigd, en is van oordeel dat dit afbreuk doet aan haar toetsingsrecht; dringt erop aan dat alle ontwerpuitvoeringshandelingen ten minste twintig dagen van tevoren worden ingediend, en verzoekt de Commissie het reglement van het ENI-comité, het IPS II-comité, het EIDHR-comité, het IcSP-comité, het PI-comité en het DCI-comité te wijzigen en deze termijn voor indiening uit te breiden, zodat het Parlement haar controlebevoegdheden gemakkelijker kan uitoefenen;

50.  betreurt dat de zichtbaarheid van het EU-beleid voor externe financiering beperkt blijft in een context waarin derde spelers actief pogingen doen om het buitenlands beleid van de EU via desinformatie te ondermijnen;

Aanbevelingen voor 2017 en de periode 2018-2020

51.  roept ertoe op bij het extern optreden van de Unie onverminderd uit te blijven gaan van de Europese en de universele waarden en mensenrechten;

52.  dringt aan op meer synergie en samenhang tussen alle instrumenten van rubriek IV, alsook op betere afstemming met de programma's voor bilaterale steun van de lidstaten, en, waar mogelijk andere donoren; verzoekt de Commissie en de EDEO in dit verband hun samenwerking en coördinatie, ook met middenveldorganisaties en lokale actoren, te verbeteren en aan hun verplichtingen krachtens artikel 21 VEU te voldoen;

53.  verlangt dat solide, consistente en transparante controle- en evaluatiemechanismen worden ontwikkeld; benadrukt andermaal dat dergelijke mechanismen het mogelijk maken om tastbare vooruitgang bij essentiële, hervormingsgerelateerde doelstellingen in naburige landen te volgen, hetgeen met name belangrijk is voor landen waar dergelijke hervormingen tot stilstand zijn gekomen of anderszins vertraagd zijn;

54.  vindt dat er uitgebreidere procedures en systemen voor parlementaire controle en toetsing moeten worden ontwikkeld die op alle instrumenten toepasbaar zijn; beveelt aan de transparantie te verbeteren door één enkele gemeenschappelijke en transparante publieke databank voor projecten en maatregelen in te richten;

55.  onderstreept de noodzaak om bijkomende financiële middelen en steun voor scholing aan middenveldorganisaties te bieden; benadrukt dat er dringend maatregelen nodig zijn om de bureaucratische lasten en procedurele obstakels waarmee middenveldorganisaties kampen, met name op plaatselijk niveau, verder te verminderen; dringt erop aan specifieke begrotingslijnen te bestemmen voor capaciteitsopbouw voor middenveldorganisaties, zodat zij beter in staat zijn toegang tot financiering te verkrijgen; betreurt dat de kwestie van een gebrek aan deelname van maatschappelijke organisaties aan het programmeren en uitvoeren van de externe instrumenten niet aan de orde is gesteld in het tussentijdse verslag van de Commissie; verzoekt de Commissie om een meer strategische betrokkenheid van maatschappelijke organisaties in alle externe instrumenten en programma's te integreren, zoals gevraagd door zowel de Raad als het Parlement;

56.  pleit voor het meer rechtstreeks en actief promoten van EU-beleidsmaatregelen, de financiële steun daarvoor en de zichtbaarheid daarvan;

57.  herhaalt zijn standpunt dat de mogelijkheid moet worden ingevoerd om niet-toegewezen middelen van het ENI en het IPS II over te dragen binnen het maximum van 10 % van de oorspronkelijke kredieten voor elk instrument, zodat het vermogen om te reageren op ernstige onvoorziene gebeurtenissen wordt verbeterd, waarbij de in de betreffende ENI- en IPS II-verordeningen bepaalde doelstellingen gehandhaafd blijven;

Instrument voor pretoetredingssteun (IPS II)

58.  schaart zich achter de beginselen die in artikel 21 VEU zijn neergelegd en beveelt aan grotere nadruk te leggen op versterking van democratische instituties, de bestrijding van corruptie en hervormingen van het openbaar bestuur, versterking van de rechtsstaat en goed bestuur, en op verbeteringen bij de consistente tenuitvoerlegging van mensen- en minderheidsrechten; dringt aan op meer steun voor hervormingen in de sectoren die van belang zijn voor het toetredingsproces, alsmede voor stimulering van de regionale samenwerking ter ondersteuning van het uitbreidingsbeleid van de EU;

59.  beveelt aan mogelijkheden te creëren voor de overdracht van middelen naar het maatschappelijk middenveld op het moment dat staatsactoren niet bereid zijn de doelstellingen van de EU te onderschrijven, of wanneer zij bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het instrument niet tot samenwerking bereid zijn; verzoekt de Commissie om beperking of stopzetting van de terbeschikkingstelling van middelen aan landen die ernstig inbreuk plegen op de fundamentele waarden van de EU, met inbegrip van de basiscriteria van Kopenhagen; dringt aan op vermindering van de administratieve lasten voor ontvangers uit middenveldorganisaties die EU-steun aanvragen;

60.  dringt aan op een rol voor het Parlement in het geval overwogen wordt de middelen te bevriezen of belangrijke wijzigingen aan te brengen aan de maximale indicatieve toewijzingen;

61.  dringt aan op een krachtige inbreng van de begunstigden, vanaf de programmering tot monitoring en audit; spoort de Commissie aan de nationale auditinstanties gerichte steun te bieden op het gebied van methodologie, planning, aanwerving van personeel, scholing en toezicht;

62.  beveelt aan meer steun te verlenen aan nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor donorcoördinatie en over weinig capaciteit beschikken maar de politieke bereidheid tonen om de doelstellingen te halen; betreurt het gebrek aan transparantie wat het absorptievermogen voor deze middelen betreft;

63.  dringt erop aan dat de middelen naar sectoren vloeien die aantoonbaar succesvol zijn, om verdere aanhoudende vertraging te voorkomen zoals die zich heeft voorgedaan in het kader van het IMBC, voornamelijk in Turkije;

64.  dringt aan op grotere zichtbaarheid van het IPS II in de regio gezien het cruciale belang van het uitbreidingsbeleid voor de EU, bijvoorbeeld door adequate en gerichte communicatie- en voorlichtingscampagnes via de nationale, regionale en lokale media of andere kanalen die geschikt worden geacht, met minimale vereisten en een door de Commissie in nauwe samenwerking met de begunstigden gedefinieerde monitoring; spreekt zijn steun uit voor gerichte tegenpropaganda en strategische communicatie-inspanningen, met name in gevallen waar het imago en de belangen van de EU actief worden aangevallen en ondermijnd;

65.  raadt aan gebruik te maken van de IPS II-middelen om communicatiekanalen voor bedrijven, vooral kmo's, te creëren, in zowel de lidstaten als de pretoetredingslanden, om sterke handelsbetrekkingen tussen de respectievelijke gebieden te verzekeren, die erg nuttig zullen zijn om de ontvangende landen voor te bereiden op toetreding tot de eengemaakte markt;

66.  wijst andermaal op het nut van de financiële prestatiebeloning voor landen die vooruitgang boeken, zoals voorgeschreven in de IPS II-verordening;

67.  is van mening dat flexibiliteit en de inzet van middelen om specifieke crisissituaties aan te pakken moeten aansluiten bij de essentiële prioriteiten en basisbeginselen van de uitbreidingsstrategie en het toetredingsproces, die het belangrijkste aandachtspunt van het IPS II moeten blijven;

68.  dringt aan op betere coördinatie en grotere synergie gedurende de plannings- en programmeringsfase van het IPS II met de maatregelen van andere instrumenten, met name het EIDHR en het IcSP, teneinde voor coherentie te zorgen en de complementariteit zowel met hun eigen reeks doelstellingen en programma's als met andere Europese financieringsinstrumenten te vergroten;

Europees nabuurschapsinstrument (ENI)

69.  beklemtoont de noodzaak van een algemeen strategisch document voor de tenuitvoerlegging van het ENI, met een betere afstemming op het bredere beleidskader en een betere coördinatie met de andere instrumenten; benadrukt dat ook sociaaleconomische ontwikkeling, jongeren en duurzaam beheer van energiebronnen moeten behoren tot de prioriteiten van de ENI-programmering;

70.  betreurt dat de meerjarenprogrammering voor de meeste van de begunstigde landen reeds in de loop van 2017 heeft plaatsgevonden, voorafgaand aan de afronding van de tussentijdse beoordeling van de steun in deze landen; herinnert eraan dat het Parlement zijn aanbevelingen inzake de programmering tijdens een strategische dialoog met de Commissie in april 2017 heeft gedaan;

71.  vestigt de aandacht op de politieke zichtbaarheid en de hefboomwerking die het ENI als afzonderlijk financieel instrument de EU in de nabuurschap geeft, zowel in het oosten als in het zuiden;

72.  dringt erop aan de bestaande balans in de toewijzing van middelen tussen de zuidelijke en de oostelijke nabuurschap van de Unie te handhaven;

73.  onderstreept dat er een onderling verband bestaat tussen stabilisering, steun voor democratisering, conflictpreventie en ‑oplossing, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, onderwijs en sociaaleconomische ontwikkeling; onderstreept hoe belangrijk projecten zijn ter ondersteuning van jongeren bij hun opleiding en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;

74.  wijst er nogmaals op hoe belangrijk het vermogen is om sneller op problemen te kunnen inspelen;

75.  onderstreept dat investeringen in stabilisering en ontwikkeling van naburige landen tevens problemen aanpakken als migratie, terrorisme, lokale conflicten en economische instabiliteit, hetgeen op de lange termijn voordelen zal hebben voor de EU als geheel;

76.  onderstreept dat het specifieke karakter van de problematiek in de nabuurschap een geïntegreerde en brede benadering vereist die is gebaseerd op de uiteenlopende behoeften en situaties van de begunstigden, met inbegrip van synergie met andere Europese financiële instrumenten en geïntegreerd in alle beleidsmaatregelen van de Unie; benadrukt dat een snelle en doeltreffende omzetting van associatieovereenkomsten, diepe en brede vrijhandelsruimten en alle daarmee verband houdende hervormingen één van de eerste taken is die met adequate financiële middelen van de EU moet worden ondersteund;

77.  merkt andermaal op hoe belangrijk het is om een diepergaande gezamenlijke programmering met de lidstaten tot stand te brengen, in aanvulling op de goede vorderingen die zijn gemaakt op het gebied van gezamenlijke analyses, coördinatie en het bereiken van een consensus inzake donorprioriteiten; dringt aan op een betere coördinatie van donoren, met name wat betreft het combineren daarvan met andere EU‑instrumenten, andere donoren en internationale financiële instellingen, teneinde de economische transitie en de stabiliteit in de partnerlanden te schragen;

78.  vindt het zorgwekkend dat de reactie- en de financiële aspecten van dit instrument tot het uiterste zijn opgerekt; betreurt dat in het planningsstadium in onvoldoende mate rekening gehouden is met de 'in‑house'-expertise op het gebied van het analyseren van de politieke en geopolitieke risico's;

79.  stelt tot slot vast dat het in het licht van de huidige uitdagingen in de nabuurschap mogelijkerwijs nodig is de indicatieve financiële toewijzingen middels een wetgevingsamendement te verhogen;

80.  merkt andermaal op dat de doelstellingen van in het kader van het ENB geprogrammeerde middelen moeten worden nageleefd, ook als deze middelen worden overgeheveld naar andere modaliteiten zoals trustfondsen, en dat toetsing en controle door het Parlement nodig zijn en nooit mogen worden omzeild;

81.  dringt aan op een grotere participatie van het maatschappelijk middenveld in het inventariseren van de behoeften;

82.  verlangt dat volledig gebruik wordt gemaakt van voorwaardelijkheid en op stimulansen gebaseerde mechanismen die waar nodig politieke en economische hervormingen steunen, en die in verband staan met hervormingen en strategische doeleinden; betreurt het dat het ENI niet in staat is gebleken voldoende stimulansen te bieden aan de landen die afwijzend staan tegenover politieke hervormingen; dringt aan op doeltreffende monitoring van het ENI op het niveau van de instrumenten;

83.  is bezorgd over de vernietiging en inbeslagname van door de EU gefinancierde bijstand in derde landen; dringt aan op grotere inspanningen om de strategische communicatie en zichtbaarheid van de EU in de nabuurschapslanden te verbeteren;

Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP)

84.  dringt erop aan de invloed van het IcSP te vergroten middels regelmatige strategische dialogen met de partners en internationale organisaties; verzoekt in dit verband om waarborging van medefinanciering door andere grote donoren die belanghebbenden zijn bij de uitkomsten van de betreffende maatregelen;

85.  dringt aan op een verbeterd strategisch kader en synergie tussen het IcSP en follow‑upacties van andere instrumenten en actoren;

86.  dringt aan op nauwere samenwerking tussen andere internationale organisaties, regeringen en EU‑instellingen bij het inspelen op nieuwe bedreigingen, zoals op het gebied van hybride conflicten en cyberveiligheid waar de deskundigheid van het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) zou kunnen worden ingezet;

87.  beveelt aan de bemiddelingscapaciteit van het IcSP strategischer in te zetten, niet alleen bij conflicten met een lokale impact maar ook ter ondersteuning van vredesprocessen en ‑dialogen in bestaande of opkomende conflicten met wereldwijde gevolgen, en dringt aan op betere systemen voor vroegtijdige waarschuwing en instrumenten voor conflictanalyse die betere preventie en vredesopbouw mogelijk maken;

88.  benadrukt dat dit instrument de Unie voortaan in staat stelt scholingsmaatregelen voor en de verstrekking van niet‑dodelijke uitrusting (zoals IT‑systemen, ziekenhuizen, enz.) aan legers van derde landen te financieren teneinde in urgente behoeften op de korte en middellange termijn te voorzien;

Europees instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR)

89.  wijst nog eens op het fundamentele belang van het ondersteunen en bevorderen van democratie en de mensenrechten in derde landen, met inbegrip van de bescherming van mensenrechtenactivisten, ongeacht het eventuele ingrijpen door autoriteiten van derde landen;

90.  wijst op de effectiviteit en het belang van het EIDHR in dit opzicht, dat opereert in een context van een steeds beperktere speelruimte voor het maatschappelijk middenveld; wijst er nogmaals op dat gerichte financiering ten behoeve van mensenrechten en democratie nodig blijft en niet mag worden verlaagd; dringt er verder op aan dat moet worden overwogen de middelen van noodhulp aan mensenrechtenactivisten te verhogen en dat de beschikbaarheid van dergelijke middelen doeltreffend wordt bevorderd;

91.  herhaalt dat het EIDHR niet mag worden beperkt qua reikwijdte en niet slechts mag worden gebruikt als een stoplap voor het opvullen van de leemten die de andere instrumenten niet opvullen, maar dat het gericht bevorderen van democratie en de mensenrechten een helder en strategisch doel op zich moet zijn;

92.  spoort de Commissie aan naar oplossingen te zoeken voor de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld, de toenemende mensenrechtenschendingen en de repressie, bijvoorbeeld door de middelen te verhogen die beschikbaar zijn voor wereldwijde reactieve programma's zoals het EU-mechanisme voor mensenrechtenactivisten ProtectDefenders.eu; verzoekt de EU financiële steun te blijven verlenen aan mensenrechtenactivisten, met name degenen die risico's lopen, aan het maatschappelijk middenveld en aan gemarginaliseerde groepen zoals vrouwen, inheemse volkeren, Roma, LGBTI, gehandicapten, kinderen en ouderen;

93.  beveelt aan te komen tot een intensievere strategische planning in combinatie met beleidssturing door de autoriteiten van de EU en samenhang met de andere instrumenten, met name in landen waar de mensenrechten en de democratische normen onder druk staan, teneinde de internationale trend van toenemend autoritarisme tegenwicht te geven;

94.  onderstreept hoe belangrijk het is om de focus te richten op internationaal relevante thema's die op de korte, middellange of lange termijn de globalisering van mensenrechten en de internationale rechtsstaat en justitie zouden kunnen schragen; dringt aan op grotere EIDHR-steun voor een aantal opkomende kwesties, met name de strijd tegen corruptie, eerbiediging van de mensenrechten door het bedrijfsleven, milieurechten en rechten van migranten;

95.  is ingenomen met de steun voor internationale en regionale mechanismen voor mensenrechten en verantwoordingsplicht, zoals het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (OHCHR) en het Internationaal Strafhof (ICC);

96.  dringt aan op voortzetting van de inspanningen voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf;

97.  wijst andermaal op de toezeggingen van de Commissie inzake voortzetting van de steun aan het maatschappelijk middenveld en de bevordering van een positievere omgeving voor middenveldorganisaties in partnerlanden; benadrukt dat hoogdringend iets moet worden gedaan aan de bureaucratische obstakels waar het plaatselijke middenveldorganisaties mee kampen; moedigt EU-delegaties in derde landen actief te zoeken naar mensenrechtenactivisten en middenveldorganisaties die zich met gevoelige onderwerpen bezighouden en financiering nodig hebben, oproepen tot het indienen van voorstellen in de plaatselijke talen te publiceren en kandidaten toe te staan hun projectvoorstellen in die talen in te dienen, waardoor ook de lokale inbreng en de integratie op de lange termijn van projecten vergroot wordt;

98.  dringt aan op een grotere focus op de duurzaamheid van via het EIDHR gefinancierde acties, met name in de context van verkiezingswaarnemingsmissies, waar ruimte aanwezig is om de kennisoverdracht naar lokale spelers op te voeren en de follow-up van aanbevelingen te verbeteren; verzoekt de planning van verkiezingswaarnemingsmissies beter te coördineren met de verkiezingswaarnemingsactiviteiten van het Parlement;

99.  verzoekt de Commissie specifiek steun te verlenen aan projecten die gericht zijn op het toenemend misbruik van spionagetechnologie en cyberaanvallen door repressieve regeringen en niet‑statelijke actoren;

100.  dringt aan op de invoering van monitoring- en evaluatiesystemen die mensenrechtenactivisten om input vragen;

101.  pleit ervoor maatregelen ter preventie van misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en volkerenmoord met het IcSP te coördineren;

Het partnerschapsinstrument (PI)

102.  juicht de focus op de strategische belangen van de EU toe;

103.  beveelt een strategischer en meer geconsolideerd gebruik van de schaarse middelen van het PI aan, alsook een meer inclusieve input en het in kaart brengen van de acties van alle diensten van de Commissie en de EDEO, in nauwe samenwerking met de lidstaten; benadrukt het belang van een met voldoende middelen toegerust partnerschapsinstrument waarmee de EU‑waarden en ‑belangen actief kunnen worden verdedigd tegen de achtergrond van een afnemende trans-Atlantische consensus en het groeiende aantal middeninkomenslanden wier strategisch belang snel toeneemt, onder meer in Azië en Latijns-Amerika;

104.  beveelt een herziening aan van de geografische toewijzingen in het volgende meerjarig indicatief programma (MIP), met het doel deze beter op de uitdagingen toe te snijden; stelt in dit verband voor de samenwerking met niet‑strategische derde landen, zoals middeninkomenslanden, beter te dekken, aangezien deze samenwerking momenteel onvoldoende afgedekt is;

105.  beveelt een betere afstemming aan met de doelstellingen van de CIR en overkoepelende thema's;

106.  beveelt aan het monitoring- en evaluatiesysteem te voltooien, met inbegrip van relevante kwalitatieve indicatoren;

107.  is van oordeel dat het PI een belangrijk instrument kan zijn om de tenuitvoerlegging van vrijhandelsovereenkomsten te schragen, vooral door het werk van de interne adviesgroepen te ondersteunen; benadrukt de behoefte om het gebruik en de verdeling van fondsen te beoordelen, evenals de doeltreffendheid van het partnerschapsinstrument en de EU Gateway/Business Avenues-programma's, die een aanvulling zouden moeten vormen op de bevoegdheden van de lidstaten inzake de bevordering van de buitenlandse handel;

108.  merkt op dat publieke diplomatie een van de doelstellingen van het partnerschapsinstrument is, met het oog op het creëren van vertrouwen en begrip in niet-EU-lidstaten met betrekking tot het EU-beleid; benadrukt dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld van groot belang is, en verneemt met instemming dat 3 miljoen EUR toegewezen is om de deelname van maatschappelijke organisaties aan de interne adviesgroepen te ondersteunen;

Gemeenschappelijke uitvoeringsverordening

109.  beveelt aan in te zetten op een beter gebruik van de geharmoniseerde regels middels gemeenschappelijke oproepen tot het indienen van voorstellen, en op verbeterde samenwerking binnen en tussen de diensten van de Commissie en de EDEO;

110.  dringt erop aan dat gendermainstreaming wordt opgenomen in de bepalingen van de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening;

111.  dringt erop aan dat nog meer inspanningen worden geleverd om de EU-financiering van extern beleid zichtbaar te maken door middel van een uitgebreide en coherente communicatiestrategie die maatregelen omvat om desinformatie aan te pakken; dringt aan op invoering van conditionaliteitsmechanismen ten opzichte van uitvoerende partners indien maatregelen om de zichtbaarheid van de EU te vergroten niet worden nageleefd;

112.  herinnert aan het cruciale belang van de beginselen inzake ontwikkeling en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in het externe optreden zoals aangegeven in de gemeenschappelijke uitvoeringsverordening, en roept de Commissie op om deze beginselen te behouden in alle maatregelen die zij zal nemen naar aanleiding van het tussentijdse verslag;

113.  merkt op dat, met betrekking tot de toegang tot de externe financieringsinstrumenten, rekening gehouden moet worden met kmo's in de EU, via minder complexe en aantrekkelijkere wetgeving, wat een flexibeler gebruik van de fondsen kan faciliteren en tegelijkertijd kmo's kan helpen om internationale ervaring op te doen; verzoekt de Commissie de bestaande instrumenten ter bevordering van de internationalisering van kmo's te beoordelen op hun coherentie met andere instrumenten van de Unie om kmo's te ondersteunen, zoals COSME, alsook wat betreft subsidiariteit, niet-duplicatie en complementariteit met de programma's van de lidstaten; vraagt de Commissie om tijdig voorstellen te doen voor de tussentijdse beoordeling van deze programma's met het oog op de verbetering van hun efficiëntie en effectiviteit; benadrukt dat kmo's betere informatie moeten krijgen en bewust gemaakt moeten worden over de bestaande instrumenten, vooral op nationaal niveau;

De architectuur voor de periode na 2020

114.  dringt erop aan dat de terbeschikkingstelling van fondsen voor instrumenten voor externe betrekkingen een ambitieus extern optreden weerspiegelt en dat de begroting van de EU als mondiale speler wordt opgetrokken, maar blijft stoelen op waarden en fundamentele mensenrechten en beginselen; herhaalt dat het externe optreden van de EU ook de algemene belangen van de burgers van de EU dient;

115.  onderstreept dat indien het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie, het huidige percentage van de begroting dat bestemd is voor extern optreden verhoogd of ten minste op het huidige niveau gehandhaafd moet worden, en dat hetzelfde geldt voor bestaande instrumenten, beleidsmaatregelen en prioriteiten;

116.  herhaalt dat er een hervorming van de huidige architectuur van de instrumenten nodig is om voor grotere verantwoordingsplicht, transparantie en publiek toezicht te zorgen, waarmee tevens de efficiëntie, coherentie en het reactievermogen alsmede de doeltreffendheid en flexibiliteit worden vergroot; is van mening dat een hervorming tevens de kosten-batenverhouding ten goede komt, helpt om overlappingen en belangenconflicten tussen verschillende actoren en de diensten van de Commissie terug te dringen, en ertoe bijdraagt dat de uitdagingen die zich voordoen bij strategie, programmering en tenuitvoerlegging aangepakt kunnen worden;

117.  herinnert aan de essentiële rol van het Parlement als medewetgever bij de verordening voor het volgende MFK; wijst andermaal op zijn bereidheid om samen met de Commissie, de EDEO en de Raad te werken aan optimalisering van de architectuur van de instrumenten voor externe financiering; onderstreept evenwel dat grotere transparantie, verantwoordingsplicht, efficiëntie, coherentie en flexibiliteit het doel van een eventuele herstructurering zouden moeten zijn; benadrukt dat deze doelstellingen niet kunnen worden bereikt zonder een governancestructuur die politieke controle mogelijk maakt, op een strategie berust, inclusief is en tevens verantwoordingsplichtig; onderstreept dat het Parlement niet akkoord zal gaan met een hervorming van de instrumenten als er geen sprake is van een solide governancestructuur; verzoekt de Commissie en de EDEO een plan voor de hervorming van de instrumenten voor te leggen dat een dergelijke governancestructuur omvat; onderstreept dat er discrepanties bestaan tussen de uitkomsten van de tussentijdse evaluatie en de voorstellen van de Commissie tot hervorming van de huidige structuur; onderstreept voorts dat een robuuste democratische en transparante toetsing door nationale parlementen en het Europees Parlement moet zijn gewaarborgd;

118.  dringt aan op een betere integratie van de trustfondsen en faciliteiten van de EU in de begroting om de transparantie en de democratische toetsing van de EFI's te vergroten; wijst op het akkoord dat in het kader van de jongste herziening van het Financieel Reglement is bereikt om het Parlement en de Raad te raadplegen voordat er een nieuw trustfonds voor thematische acties wordt opgezet; doet bovendien een beroep op de Commissie om het Parlement gedetailleerde informatie te verstrekken over elke significante autonome overschrijving of vrijmaking in het raam van rubriek 4;

119.  benadrukt dat de EU-delegaties, samen met de lidstaten, kmo's kunnen helpen om deze financiële instrumenten te gebruiken, teneinde betrekkingen op middellange termijn te creëren tussen bedrijven in de EU en de economieën van de ontvangende landen;

120.  beklemtoont dat geen enkel instrument levensvatbaar is zonder de terbeschikkingstelling van nauwkeurig afgebakende en specifieke bedragen en kredieten voor de verschillende doelen, doelstellingen en prioriteiten van het extern optreden van de EU, waaronder democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat, steun voor het maatschappelijk middenveld, de oplossing van conflicten, fragiele staten, het ontwikkelingsbeleid en armoedebestrijding, economische en sociale ontwikkeling, en steun voor de landen die zich in de verschillende stadia van toetreding tot de EU bevinden, alsook voor de nabuurschapslanden van de EU;

121.  waardeert het engagement van de Commissie op het gebied van onder meer mensenrechten, democratie en steun voor het maatschappelijk middenveld, alsook de diverse doelstellingen, streefdoelen en de specifieke politieke en strategische waarde van de huidige instrumenten; onderstreept dat een hervorming niet ten koste mag gaan van de beleidsdoelstellingen van elk instrument; is zich bewust van het specifieke karakter van de doelstellingen en de uitvoering van het ENI, het IPS II en het EIDHR, en is derhalve van mening dat deze instrumenten uit politieke en strategische overwegingen onafhankelijk moeten blijven;

122.  herinnert eraan dat het EIDHR sinds 2006 concreet uitdrukking geeft aan de vastbeslotenheid van de EU om democratie en mensenrechten in derde landen te ondersteunen en te bevorderen, waarbij de EU dankzij het EIDHR heeft kunnen ingrijpen zonder tussenkomst van regeringen, ten behoeve van geregistreerde en niet‑geregistreerde ngo's en op terreinen waarop de EU-lidstaten niet altijd actief zijn;

123.  beklemtoont dat gemeenschappelijke doelstellingen moeten worden vastgesteld, waaronder de noodzaak om een op rechten gebaseerde aanpak te hanteren en mensenrechten in alle overige onderwerpen op te nemen, en zo uitdrukking te geven aan artikel 21 VEU, op grond waarvan de EU verplicht is democratie, mensenrechten en de rechtsstaat als noodzakelijke doelstellingen van het buitenlands beleid te consolideren;

124.  spoort de EDEO en de Commissie aan te zorgen voor duidelijke communicatie naar de partnerlanden wat eventuele hervormingen betreft;

125.  dringt aan op het opzetten van solide en consistente procedures voor evaluatie en monitoring aan de hand waarvan een kwalitatieve en kwantitatieve evaluatie en analyse mogelijk zijn en de vooruitgang in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen – met gebruikmaking van steun van de EU uit verschillende instrumenten – kan worden vastgesteld;

126.  benadrukt dat langetermijnfinanciering voorspelbaar moet zijn, waarbij tevens vaste bedragen voor flexibel gebruik moeten worden voorzien; herhaalt dat flexibiliteit vereist dat het mogelijk is om financiële middelen tussen doelstellingen over te hevelen; herinnert eraan dat de middelen die voor doelstellingen van het externe optreden gereserveerd zijn, nu niet naar andere doelstellingen, zoals het beheer van migratiestromen en interne veiligheid, kunnen worden overgeheveld; benadrukt dat de mogelijkheid moet worden ingevoerd om niet-toegewezen middelen over te dragen binnen de totale begroting van het instrument voor extern optreden binnen het maximum van 10 % van de oorspronkelijke kredieten voor het instrument, waarbij deze middelen worden aangewend voor flexibele en/of urgente maatregelen, en de beleidsdoelstellingen van het instrument gehandhaafd blijven;

127.  benadrukt dat de toewijzing van steun aan landen niet afhankelijk mag zijn van migratiedeals met de EU en dat financiering niet mag worden weggeleid van arme landen en regio's naar de landen van herkomst van de migranten of de landen van doorvoer naar Europa, louter omdat zij aan de migratieroute liggen;

128.  herinnert aan de moeilijkheden die begunstigden op dit moment ondervinden om onder de instrumenten financiële ondersteuning te krijgen; dringt aan op vereenvoudiging van de procedures, vermindering van administratieve lasten en waar mogelijk de invoering van één enkele procedure voor de diverse betrokken diensten van de Commissie en de EDEO, alsmede de oprichting van één loket voor organisaties die EU-financiering willen aanvragen, en het gebruik – waar mogelijk – van digitale oplossingen voor het stroomlijnen van de procedures en het terugdringen van de bureaucratie, hetgeen echter niet ten koste mag gaan van begrotingstoezicht, traceerbaarheid en controle;

129.  beklemtoont dat alle diensten van de Commissie en de EDEO goed moeten samenwerken, teneinde de financiering van het extern beleid van de EU minder instrumentgericht te maken en discrepanties, incoherentie, onnodige kosten, overlappingen en een verspilling van knowhow tegen te gaan, en te komen tot verwezenlijking van de doelen en doelstellingen van het extern beleid van de EU in het algemeen;

130.  wijst met klem op de noodzaak van een meer strategische oriëntering en de ontwikkeling van een alomvattende strategie en begeleidende documenten, gezamenlijk ontwikkeld en onderschreven door alle relevante diensten van de Commissie en de EDEO, en beheerd en gemonitord door de governancestructuur die nog moet worden gecreëerd, met de doelen en doelstellingen van het extern optreden van de EU voor de komende periode, én richtsnoeren betreffende de manier waarop het instrument zal worden ingezet om deze te verwezenlijken; dringt aan op gebruik van zowel interne als externe expertise bij het vaststellen van dergelijke doelen en doelstellingen; beveelt aan dat alle programmering conflictsensitiviteitsanalyses, politiek-economische analyses en risicobeoordelingen omvat, alsook verzachtende maatregelen die op flexibele wijze kunnen worden ingezet indien zulke risico's optreden;

131.  dringt erop aan naar manieren te zoeken om de coördinatie en coherentie met het externefinancieringsbeleid van de EU-lidstaten te verbeteren, onder meer via uitbreiding van de gezamenlijke programmering;

132.  dringt aan op uitbreiding van de financieringsmogelijkheden voor ngo's door de mogelijkheden voor medefinanciering te verduidelijken en uit te breiden, door meerjarige partnerschappen mogelijk te maken en door de duurzaamheid van de activiteiten te waarborgen;

133.  vindt dat er strengere regels voor een snelle besluitvorming moeten komen, teneinde de EU in staat te stellen sneller op nieuwe situaties te reageren;

134.  onderstreept hoe belangrijk het is om de zichtbaarheid en de bekendheid van het externe optreden van de EU te vergroten, onder meer via het inzetten van de task force strategische communicatie van de EU, en om de wereldwijde invloed van het externe optreden te vergroten; is van mening dat dit moet worden beschouwd als een beleidsdoelstelling; beklemtoont er dringend behoefte is aan landen- en/of regiospecifieke strategische communicatie in de EU-delegaties, evenals aan een aanzienlijk ruimere coördinatie en uitwisseling van informatie tussen EU-delegaties en lidstaten;

135.  beklemtoont dat de EU‑delegaties een centrale rol spelen bij plaatselijke programmering, het uitoefenen van toezicht op de programma's, en de uiteindelijke uitbetaling van de middelen, alsook bij de identificatie van begunstigden, met name in het geval van mensenrechtenactivisten en het maatschappelijk middenveld in gevoelige gebieden; herhaalt dat de EU‑delegaties vanwege hun activiteiten en status in derde landen niet als enige verantwoordelijk mogen zijn voor financieringsbeslissingen;

136.  benadrukt dat het maatschappelijk middenveld van de landen in kwestie nauw moeten worden betrokken bij de programmering van instrumenten en dat deze in sterkere mate gebaseerd moet zijn op gedecentraliseerde samenwerking, zowel bij het ontwerp als bij de uitrol en tenuitvoerlegging van de programmering, zodat er solide en duurzame partnerschappen ontstaan, wordt voorzien in de specifieke behoeften van de bevolking en rekening wordt gehouden met de maatschappelijke realiteit van de betrokkenen;

137.  herinnert eraan dat politieke doelen en doelstellingen van de EU, zoals mensenrechten, de rechtsstaat en ontwikkeling, in sommige gevallen meer gebaat zijn bij de verstrekking van meerdere kleinere subsidies aan basisorganisaties dan bij één groot bedrag voor één enkele begunstigde;

138.  onderstreept het belang van het beginsel van 'meer voor meer' en conditionaliteit; is van mening dat er betere conditionaliteitsmechanismen moeten worden ontwikkeld in het kader waarvan directe begrotingssteun aan staten of regeringsorganen en niet-statelijke actoren kan worden opgeschort of waar mogelijk omgebogen naar het maatschappelijk middenveld indien deze instanties niet instemmen met of zich niet houden aan de noodzaak om de overeengekomen doelstellingen van de financiering te halen, of indien zij de beginselen van de rechtsstaat en/of de mensenrechten niet eerbiedigen;

139.  verlangt bij het gebruik van ontwikkelingshulp als hefboom voor particuliere investeringen transparantie, verantwoordingsplicht, controle, ontwikkelingsadditionaliteit, de eerbiediging van de beginselen inzake ontwikkeling en de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en sterke waarborgen op het vlak van mensenrechten, milieu en sociale kwesties;

140.  vraagt de Commissie te overwegen om via de externe financieringsinstrumenten fondsen te oormerken voor samenwerking met en technische ondersteuning voor derde landen, met name ontwikkelingslanden, om lidmaatschap van het Wassenaar Arrangement, de Australia Group, het Controleregime voor de uitvoer van rakettechnologie en ‑onderdelen en de Groep van Nucleaire Exportlanden te bevorderen en om schendingen van de mensenrechten met betrekking tot de lopende herschikking van de verordening inzake tweeërlei gebruik te vermijden;

141.  beklemtoont dat elke toekomstige structuur alleen goed kan functioneren indien er sprake is van goede 'checks and balances', transparantie, het recht van toezicht op de tenuitvoerlegging, waaronder een grotere strategische beleidsinput en toetsing van de uitvoering door het Parlement, het gebruik van gedelegeerde handelingen voor het herzien van de thematische prioriteiten, indien deze opgenomen zijn in bijlagen bij wetgevingshandelingen, en van de vaststelling van substantiële bijkomende elementen zoals strategische en meerjarige programmeringsdocumenten;

142.  is van mening dat de begrotingsbeginselen van eerlijkheid en eenheid in de generatie EFI's van na 2020 geëerbiedigd moeten worden;

143.  is van oordeel dat de processen van tussentijdse herziening en begrotingscontrole strikt en transparant genoeg moeten zijn om te zorgen voor een maximale absorptie van middelen en om passende wijzigingen te kunnen doorvoeren om de absorptiecapaciteit indien nodig te vergroten.

o
o   o

144.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid en de Raad.

(1) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27.
(2) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11.
(3) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1.
(4) PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.
(5) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 77.
(6) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 85.
(7) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44.
(8) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 95.
(9) PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30.
(10) PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1.
(11) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(12) Zie verslag A8-0211/2017.
(13) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(14) PB C 407 van 8.12.2015, blz. 8.
(15) PB C 60 van 16.2.2016, blz. 3.
(16) PB C 122 van 19.4.2017, blz. 4.
(17) Gepubliceerd op de website van de Commissie: https://ec.europa.eu/europeaid/public-consultation-external-financing-instruments-european-union_en
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0493.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0026.
(20) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 109.
(21) PB C 408 van 30.11.2017, blz. 21.
(22) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 110.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0440.
(24) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0306.
(25) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0036.
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0037.
(27) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0094.
(28) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0262.
(29) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0263.
(30) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0261.
(31) PB C 208 van 10.6.2016, blz. 25.
(32) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0408.
(33) https://eeas.europa.eu/archives/docs/top_stories/pdf/eugs_review_web.pdf

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling