Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2010(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0141/2018

Ingediende teksten :

A8-0141/2018

Debatten :

PV 17/04/2018 - 23

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0120

Aangenomen teksten
PDF 252kWORD 58k
Woensdag 18 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jaarverslagen 2015-2016 over subsidiariteit en evenredigheid
P8_TA(2018)0120A8-0141/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de Jaarverslagen 2015‑2016 over subsidiariteit en evenredigheid (2017/2010(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2003 over beter wetgeven, en de meest recente versie daarvan, het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(1),

–  gezien de praktische regelingen die zijn overeengekomen op 22 juli 2011 tussen de bevoegde diensten van het Europees Parlement en de Raad voor de tenuitvoerlegging van artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bij akkoorden in eerste lezing,

–  gezien zijn resolutie van 17 mei 2017 over het jaarverslag 2014 over subsidiariteit en evenredigheid(2) en zijn resolutie van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid(3),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie van 2015 over subsidiariteit en evenredigheid (COM(2016)0469) en het jaarverslag van de Commissie van 2016 over subsidiariteit en evenredigheid (COM(2017)0600),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie van 2015 over de betrekkingen tussen de Europese Commissie en de nationale parlementen (COM(2016)0471) en het jaarverslag van de Commissie van 2016 over de betrekkingen tussen de Europese Commissie en de nationale parlementen (COM(2017)0601),

–  gezien alle eerdere mededelingen van de Commissie over de behoefte aan betere regelgeving teneinde betere resultaten te bereiken ten gunste van de EU-burgers,

–  gezien het besluit van de voorzitter van de Europese Commissie van 14 november 2017 over de oprichting van een taskforce subsidiariteit, evenredigheid en "minder, maar efficiënter" (C(2017)7810),

–  gezien de halfjaarlijkse verslagen van COSAC van 19 juni 2014, 14 november 2014, 6 mei 2015, 4 november 2015, 18 mei 2016, 18 oktober 2016 en 3 mei 2017 over de ontwikkelingen in de Europese Unie van de procedures en praktijken in verband met parlementaire controle,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst van 5 februari 2014 tussen het Parlement en het Comité van de Regio's,

–  gezien het jaarverslag 2015 van het Comité van de Regio's over subsidiariteit,

–  gezien artikel 52 en artikel 132 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8‑0141/2018),

A.  overwegende dat 2015 en 2016 de twee eerste volle jaren waren van de Commissie Juncker, die in november 2014 aantrad; overwegende dat voorzitter Juncker zich ertoe heeft verbonden om subsidiariteit een centrale plaats te geven in het Europese democratische proces en ervoor te zorgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid volledig worden nageleefd in het wetgevingsproces;

B.  overwegende dat het nieuwe interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 "Beter wetgeven" een engagement van de drie instellingen om de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te eerbiedigen en ten uitvoer te leggen bevat;

C.  overwegende dat de Commissie in 2015 acht gemotiveerde adviezen heeft ontvangen inzake drie van haar wetgevingsvoorstellen; overwegende dat de Commissie in dat jaar in totaal 350 adviezen heeft ontvangen;

D.  overwegende dat de Commissie in 2016 65 gemotiveerde adviezen heeft ontvangen inzake 26 van haar wetgevingsvoorstellen; overwegende dat dit 713 % meer bedraagt dan de acht in 2015 ontvangen gemotiveerde adviezen en het op twee kalenderjaren na hoogste aantal is sinds het subsidiariteitscontrolemechanisme in 2009 bij het Verdrag van Lissabon is ingevoerd (in 2012 en 2013 waren het er 84 respectievelijk 70); overwegende dat het totale aantal in dat jaar door de Commissie ontvangen adviezen aanzienlijk is toegenomen tot 620;

E.  overwegende dat de Commissie op 19 mei 2015 een pakket maatregelen inzake betere regelgeving met nieuwe geïntegreerde richtsnoeren inzake betere regelgeving heeft aangenomen, inclusief bijgewerkte richtsnoeren voor het beoordelen van subsidiariteit en evenredigheid in de context van effectbeoordelingen voor nieuwe initiatieven;

F.  overwegende dat de Commissie in 2015 de website "Verminder de regeldruk! – Laat uw stem horen!"(4) heeft opgericht alsook het Refit-platform (voor doeltreffende en doelmatige regulering), waardoor belanghebbenden meer mogelijkheden hebben om de Commissie in kennis te stellen van tekortkomingen met betrekking tot bestaande wettelijke maatregelen, waaronder kwesties in verband met subsidiariteit en/of evenredigheid;

G.  overwegende dat de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement in 2015 13 eerste analyses, één effectbeoordeling met betrekking tot ingrijpende amendementen van het Parlement en zes effectbeoordelingen achteraf heeft opgesteld; overwegende dat de Onderzoeksdienst voorts vier verslagen over de kosten van een niet‑verenigd Europa en twee beoordelingen van de Europese meerwaarde heeft opgesteld; overwegende dat de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement in 2016 36 eerste analyses, één effectbeoordeling met betrekking tot ingrijpende amendementen van het Parlement en 14 effectbeoordelingen achteraf heeft opgesteld; overwegende dat de Onderzoeksdienst voorts zeven verslagen over de kosten van een niet‑verenigd Europa en vijf beoordelingen van de Europese meerwaarde heeft opgesteld;

H.  overwegende dat in de wetgeving van de Unie gedelegeerde bevoegdheden worden toegekend waar flexibiliteit en efficiëntie zijn geboden die de gewone wetgevingsprocedure niet kan bieden; overwegende dat uitvaardiging van regels die voor het te regelen onderwerp essentieel zijn, aan de wetgevers blijft voorbehouden;

I.  overwegende dat subsidiariteit en evenredigheid ook zeer belangrijke overwegingen zijn bij effectbeoordelingen en evaluaties achteraf, waarbij wordt onderzocht of het EU‑optreden noodzakelijk is, de beoogde resultaten met andere middelen kunnen worden bereikt en of het EU-optreden daadwerkelijk voor de beoogde resultaten in termen van efficiëntie, doeltreffendheid, coherentie, relevantie en Europese meerwaarde zorgt;

J.  overwegende dat in 2014 drie nationale volksvertegenwoordigingen (de Deense Folketing, de Nederlandse Tweede Kamer en het Britse House of Lords) verslagen hebben uitgebracht met gedetailleerde voorstellen over hoe de rol van de nationale parlementen in het besluitvormingsproces kon worden versterkt;

1.  hecht groot belang aan de jaarverslagen van de Commissie over subsidiariteit en evenredigheid; stelt vast dat de jaarverslagen 2015 en 2016 van de Commissie veel gedetailleerder en completer zijn dan die over voorgaande jaren;

2.  benadrukt dat het belangrijk is dat de Europese Unie alleen optreedt wanneer dit een toegevoegde waarde kan geven om het "democratisch tekort" te verminderen;

3.  onderstreept dat subsidiariteit en evenredigheid fundamentele beginselen zijn waarmee de EU-instellingen rekening moeten houden bij de uitoefening van EU-bevoegdheden om ervoor te zorgen dat de acties van de Unie meerwaarde bieden; herinnert eraan dat deze beginselen bedoeld zijn om de werking van de Unie te versterken door ervoor te zorgen dat maatregelen op EU-niveau noodzakelijk zijn, dat hun doelstellingen niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door individueel optreden van de lidstaten, dat hun aard en inhoud niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken en dat zij altijd op het meest adequate bestuursniveau worden getroffen; vestigt de aandacht op het feit dat deze beginselen kunnen worden misbruikt ten behoeve van anti‑EU-doeleinden en benadrukt dat de EU-instellingen ervoor moeten zorgen dat dit niet gebeurt en hiertegen in moeten gaan;

4.  herinnert eraan dat subsidiariteit een grondbeginsel van federale systemen is, alsook een onbepaald juridisch begrip, dat bijgevolg een politieke invulling moet krijgen;

5.  is van oordeel dat het subsidiariteitsbeginsel niet kan worden gebruikt voor een restrictieve interpretatie van de bevoegdheden die de Unie krachtens de Verdragen zijn toegekend;

6.  is van mening dat iedere discussie over subsidiariteit en de controle daarvan moet plaatsvinden in het kader van de groeiende wens van burgers dat de Unie oplossingen biedt voor grote wereldwijde uitdagingen, zoals intercontinentale geldstromen, veiligheid, migratie en de klimaatverandering;

7.  is ingenomen met de verwijzing naar subsidiariteit in de Verklaring van Rome van 25 maart 2017; is van mening dat subsidiariteit een prominente plaats moet innemen in de discussie over de toekomst van de EU;

8.  neemt kennis van het in de rede over de staat van de Unie 2017 door de heer Jean‑Claude Juncker, voorzitter van de Commissie, aangekondigde initiatief om een taskforce in het leven te roepen voor subsidiariteit, evenredigheid en "minder, maar efficiënter" onder voorzitterschap van vicevoorzitter Frans Timmermans; herinnert eraan dat het Parlement van mening was dat de deelname aan de door de Commissie opgerichte taskforce in zou druisen tegen de institutionele rol en status van het Parlement als de enige rechtstreeks gekozen instelling van de Europese Unie, die de burgers op het niveau van de Unie vertegenwoordigt en functies van politieke controle uitoefent op de Commissie, en dat het Parlement derhalve heeft besloten de uitnodiging om deelname aan de taskforce af te wijzen;

9.  wijst op de methodologie van de Commissie in de jaarverslagen 2015 en 2016, waarin gebruik wordt gemaakt van statistieken om gemotiveerde adviezen van de nationale parlementen inzake een pakket voorstellen te rubriceren als één gemotiveerd advies, in plaats van als een gemotiveerd advies inzake ieder voorstel afzonderlijk;

10.  stelt vast dat het aantal in 2016 door nationale parlementen ingediende gemotiveerde adviezen (65) het op twee kalenderjaren na hoogste aantal is sinds de invoering van het subsidiariteitscontrolemechanisme in het Verdrag van Lissabon; constateert de sterke stijging (+713 %) in vergelijking met de acht gemotiveerde adviezen ontvangen in 2015; erkent voorts de aanzienlijke stijging, van 350 tot 620, van het aantal door de Commissie ontvangen adviezen in het kader van de politieke dialoog; wijst erop dat deze trends naar voren zijn gekomen tegen de achtergrond van een daling van de wetgevende activiteit, wat ook aantoont dat de deelname van de nationale parlementen is geëvolueerd in vergelijking met eerdere jaren; is ingenomen met de duidelijk gebleken belangstelling van de nationale parlementen voor de besluitvorming van de EU;

11.  is ingenomen met het feit dat meer nationale kamers een gemotiveerd advies hebben uitgebracht (26 van de 41 in 2016, tegen 8 in 2015); neemt nota van het aanzienlijke verschil tussen de kamers actief in het kader van de politieke dialoog en gemotiveerde adviezen; benadrukt dat de nationale parlementen meer belangstelling blijven hebben voor het beïnvloeden van de inhoud van de EU-wetgeving dan voor het identificeren van gevallen waarin de subsidiariteit een probleem kan zijn; merkt op dat de bevoegdheid van de nationale parlementen om toezicht te houden op de eerbiediging van de beginselen van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid ook een recht omvat om de Europese wetgever te vragen om waar nodig op Europees niveau op te treden;

12.  erkent het werk dat door de Raad voor effectbeoordeling en diens opvolger de Raad voor regelgevingstoetsing per juli 2015 is verricht; stelt vast dat de Raad voor effectbeoordeling en de Raad voor regelgevingstoetsing van oordeel waren dat voor 23 % van de in 2015 getoetste effectbeoordelingen verbeteringen nodig waren voor wat betreft het subsidiariteits- en/of het evenredigheidsbeginsel; stelt vast dat voor 2016 het percentage effectbeoordelingen dat door de Raad voor regelgevingstoetsing onbevredigend werd bevonden, uitkwam op 15 %; is verheugd over het feit dat deze percentages zijn gedaald ten opzichte van voorgaande jaren; onderstreept dat de Commissie alle effectbeoordelingen in kwestie heeft herzien met inachtneming van de analyses van de Raad voor regelgevingstoetsing;

13.  merkt op dat de toepassing van de agenda voor betere wetgeving de Commissie ertoe heeft gebracht sterkere interne instrumenten en procedures te ontwikkelen om inbreuken op het subsidiariteitsbeginsel te voorkomen; benadrukt dat effectbeoordelingen een belangrijk middel zijn om ervoor te zorgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden nageleefd en om de verantwoordingsplicht te bevorderen; wijst met name op de rol van de Raad voor regelgevingstoetsing, en is verheugd dat subsidiariteit en evenredigheid nu deel uitmaken van de kwaliteitscontrole die deze raad uitvoert; benadrukt niettemin dat de onafhankelijkheid van de Raad voor regelgevingstoetsing verder kan worden versterkt;

14.  is ingenomen met de vaststelling in mei 2015 door de Commissie van een pakket voor betere regelgeving dat ervoor zal zorgen dat de EU-wetgeving het algemeen belang doeltreffender dient en dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid op een meer omvattende wijze zullen worden toegepast, wat op zijn beurt zal bijdragen aan een hogere mate van transparantie van de besluitvorming van de EU; is van oordeel dat het nieuwe regelgevingskader voor de Europese Unie een instrument zal zijn om volledig conform de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te handelen; benadrukt, niettegenstaande het bovenstaande, dat het in tests moet voorzien voor de beoordeling van de naleving van deze beginselen om ervoor te zorgen dat de Unie alleen optreedt wanneer ze een toegevoegde waarde brengt, maar geen aanleiding mag geven tot onnodige vertraging bij de goedkeuring van de relevante wetgeving;

15.  is ingenomen met de publicatie van de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017, getiteld "Voltooiing van de agenda voor betere regelgeving: betere oplossingen voor betere resultaten", waarin de Commissie haar inspanningen uiteenzet ter verhoging van de transparantie, legitimiteit en verantwoording voor haar werkzaamheden op het vlak van betere regelgeving, in het bijzonder wat betreft de raadplegingsprocedure en de mogelijkheden voor belanghebbenden om hun mening over haar voorstellen te geven;

16.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in 2015 ook nieuwe mechanismen heeft ingevoerd voor raadpleging en terugkoppeling inzake nieuwe beleidsinitiatieven;

17.  onderstreept hoe belangrijk het is om de noodzaak van wetgevingsinitiatieven en de effecten daarvan op alle belangrijke sectoren (economische, milieu- en sociale effecten) voldoende toe te lichten met het oog op inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

18.  steunt de toezegging van de Commissie om eerst te evalueren alvorens potentiële wetgevingswijzigingen in overweging te nemen; is in dit verband van oordeel dat de Europese Unie en de autoriteiten van de lidstaten nauw moeten samenwerken om te zorgen voor een betere controle, meting en evaluatie van de daadwerkelijke impact van EU-regelgeving op burgers, de economie, sociale structuur en het milieu;

19.  is verheugd over de ondertekening door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in 2016 van een nieuw Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven; herinnert eraan dat de Commissie verplicht is in haar toelichtingen uit te leggen hoe haar voorstellen gerechtvaardigd zijn in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; is verheugd over het feit dat de Commissie zich er op grond van het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" toe heeft verbonden de effectbeoordelingen van haar wetgevings- en niet‑wetgevingsvoorstellen aan de nationale parlementen ter beschikking te stellen; herinnert eraan dat in dit akkoord ook de nadruk werd gelegd op de noodzaak van meer transparantie in de wetgevingsprocedure, alsook dat de informatie die aan de nationale parlementen wordt verstrekt hen in staat moet stellen om hun prerogatieven krachtens de verdragen volledig uit te oefenen;

20.  verzoekt de nationale parlementen van meet af aan duidelijk aan te geven dat hun advies een gemotiveerd advies is in de zin van Protocol nr. 2 bij de Verdragen en het wetgevingsvoorstel/de wetgevingsvoorstellen waarop het betrekking heeft, duidelijk de redenen aan te geven waarom het van mening is dat het voorstel niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, een korte samenvatting van de argumentatie bij te voegen en de termijn van acht weken vanaf de datum van toezending van de desbetreffende ontwerpwetgevingshandeling in acht te nemen; merkt op dat dit een tijdige en adequate behandeling van gemotiveerde adviezen door alle betrokken instellingen zal vergemakkelijken;

21.  is van oordeel dat de betrokkenheid van de nationale parlementen bij Europese wetgevingsprocedures sinds de vaststelling van het Verdrag van Lissabon aanzienlijk is toegenomen, onder meer door hun contacten met andere nationale parlementen; spoort de nationale parlementen aan de interparlementaire contacten voort te zetten en verder uit te breiden, ook op een bilaterale basis, als een manier om de samenwerking tussen de lidstaten te versterken en dit te doen met een democratische Europese visie, waar de Unie meerwaarde kan bieden, en in een geest van solidariteit, op basis van de rechtsstaat en de grondrechten; onderstreept dat deze contacten een uitwisseling van beste praktijken betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel kunnen vergemakkelijken;

22.  is ingenomen met het feit dat met betrekking tot de subsidiariteits- en evenredigheidsmechanismen het Parlement steeds meer en steeds vaker de rol speelt van gesprekspartner van en tussenpersoon tussen de nationale parlementen; is van mening dat het verbeteren van de dialoog op politiek niveau met de nationale parlementen een middel kan zijn om subsidiariteits- en evenredigheidscontroles te rationaliseren door een betere behandeling van de inhoudelijke kant van wetgevingsvoorstellen;

23.  wijst erop dat in 2016 14 kamers van 11 nationale parlementen gemotiveerde adviezen hebben ingediend inzake het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (COM(2016)0128, waarmee de drempel van een derde van alle stemmen werd bereikt als vereist in artikel 7, lid 2, van Protocol nr. 2 bij de Verdragen om de zogenaamde gelekaartprocedure te starten; wijst erop dat de door de nationale parlementen naar voren gebrachte argumenten uitvoerig in het Parlement met de Commissie zijn besproken; merkt op dat de Commissie in het kader van COSAC de dialoog met de nationale parlementen is aangegaan; merkt op dat de Commissie een mededeling heeft uitgebracht waarin zij uitgebreid is ingegaan op de redenen om het voorstel te handhaven(5); is van oordeel dat de Commissie, ondanks de bezorgdheid van sommige nationale parlementen, met de daarin uiteengezette redenen haar verplichting om haar besluit te onderbouwen is nagekomen;

24.  stelt vast dat ten aanzien van bovengenoemd Commissievoorstel zeven nationale kamers in het kader van de politieke dialoog, adviezen hebben gestuurd waarin het voorstel voornamelijk als zijnde verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel werd beschouwd; merkt op dat de deskundigengroep subsidiariteit van het Comité van de Regio's van oordeel was dat het doel van het voorstel beter op EU-niveau kan worden bereikt;

25.  herinnert eraan dat de gelekaartprocedure in het verleden tweemaal (eenmaal in 2012 en eenmaal in 2013) op gang is gebracht waaruit blijkt dat het systeem met deze nieuwe gelekaartprocedure werkt en dat nationale parlementen gemakkelijk en tijdig kunnen deelnemen aan het subsidiariteitsdebat, indien zij zulks wensen; is in ieder geval van mening dat het groeiende bewustzijn van de rol van de nationale parlementen en een betere samenwerking daartussen het subsidiariteitstoezicht ex ante kan verbeteren;

26.  herinnert eraan dat de Europese instellingen overeenkomstig artikel 7 van Protocol nr. 2 bij de Verdragen rekening dienen te houden met de gemotiveerde adviezen van de nationale parlementen of van een kamer van een nationaal parlement; wijst erop dat sommige nationale parlementen in het verleden hun teleurstelling hebben geuit over de antwoorden van de Commissie in de gevallen waarin gele kaarten zijn gegeven; merkt echter op dat de Commissie procedures heeft ingevoerd om ervoor te zorgen dat de nationale parlementen tijdig substantiële en politieke antwoorden krijgen; verzoekt de Commissie haar antwoorden op gemotiveerde adviezen stelselmatig aan het Europees Parlement toe te zenden;

27.  neemt kennis van de door sommige parlementen voorgestelde veranderingen van het subsidiariteitscontrolemechanisme; is verheugd over de conclusie van COSAC dat voor verbetering van het subsidiariteitscontrolemechanisme geen wijzigingen van het Verdrag nodig zullen zijn; merkt op dat voor verlenging van de termijn van acht weken waarbinnen nationale parlementen een gemotiveerd advies kunnen uitbrengen wijziging van de Verdragen en de Protocollen daarbij noodzakelijk zal zijn; herinnert aan de context van de brief van 1 december 2009 over de praktische regelingen voor de toepassing van het subsidiariteitscontrolemechanisme, die de voorzitter en de vicevoorzitter van de Commissie aan de voorzitters van de nationale parlementen hebben gestuurd, waarin de Commissie verklaarde dat de maand augustus niet zou worden meegerekend bij de bepaling van de in Protocol nr. 2 vermelde deadline, om zo rekening te houden met de zomerrecessen van de nationale parlementen; herinnert aan het voorstel van sommige nationale parlementen aan de Commissie om ook te overwegen het reces in december van de nationale parlementen uit te sluiten van de berekening van de termijn van acht weken;

28.  benadrukt dat voor de vaststelling van rechtshandelingen een grote meerderheid in de Raad – samengesteld uit de nationale ministers van alle lidstaten, die politieke verantwoording verschuldigd zijn aan hun nationale parlementen – vereist is;

29.  merkt op dat verscheidene instrumenten om het de nationale parlementen mogelijk te maken het wetgevingsproces stap voor stap te volgen en aan de hand waarvan kan worden toegezien op de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, reeds bestaan; spoort er dan ook toe aan volledig gebruik te maken van deze bestaande instrumenten, indien mogelijk zonder nog meer complexe administratieve structuren en lange procedures in het leven te roepen in tijden waarin de Europese Unie alles in het werk stelt om beter door de burger te worden begrepen altijd met het oog op de eerbiediging en bescherming van hun rechten en belangen; vraagt de lidstaten om voorlichtingscampagnes en relevante seminars te organiseren, om burgers nauwkeurig te informeren over de mogelijkheden om deel te nemen aan elke fase van het wetgevingsproces;

30.  stelt voorop dat wetgeving volledig en duidelijk moet zijn, zodat partijen hun rechten en plichten kunnen begrijpen, en deugdelijke rapportage-, toezichts- en evaluatieverplichtingen moet omvatten, buitensporige kosten moet vermijden en praktisch moet zijn in de uitvoering;

31.  benadrukt dat de bevordering noodzakelijk is van toegang tot de effectbeoordelingen en stappenplannen van de Commissie, van deelname aan raadplegingen van het publiek/belanghebbenden door de Commissie en/of het Europees Parlement, en van suggesties via het Refit-platform "Verminder de regeldruk: suggesties"; wijst in deze context op de vlotte werking van de website en van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit), dat in 2016 in werking is getreden;

32.  wijst op de noodzaak om de bestaande samenwerkingsvormen te verbeteren en mogelijkheden te creëren om het IPEX-platform te verbeteren teneinde nationale parlementen bewuster te maken van hun rol bij de subsidiariteits- en evenredigheidscontrole, hen te helpen de informatie te verwerken die zij ontvangen in het kader van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing, en hun samenwerking en coördinatie te verbeteren; spoort de nationale parlementen ertoe aan advies uit te brengen inzake Commissievoorstellen, die te allen tijde beschikbaar zijn voor raadpleging op de interne databank Connect; herinnert eraan dat alle informatie beschikbaar is op het REGPEX-platform;

33.  spoort de nationale en regionale parlementen ertoe aan hun betrekkingen met het Comité van de Regio's, dat een groep van 12 deskundigen heeft om de wetgevingsvoorstellen in het licht van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te analyseren, verder te ontwikkelen;

34.  is verheugd over de interesse van een aantal nationale parlementen om via het gebruik van de groenekaartprocedure een positievere en pro‑actievere rol in Europese aangelegenheden te spelen; stelt vast dat de meningen van de nationale parlementen over de modaliteiten van deze procedure verdeeld zijn; is van oordeel dat een op interparlementaire samenwerking gebaseerd informeel mechanisme kan bijdragen tot versterking van de politieke dialoog met de nationale parlementen;

35.  merkt in het licht van het voorafgaande op dat in 2015 20 parlementskamers het eerste groenekaartinitiatief betreffende voedselverspilling hebben medeondertekend of gesteund en dat in juli 2016 negen parlementskamers het tweede groenekaartinitiatief hebben medeondertekend in het kader waarvan de Commissie werd verzocht met een wetgevingsvoorstel te komen voor de tenuitvoerlegging van de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen op Europees niveau; merkt op dat sommige suggesties in het kader van het eerste groenekaartinitiatief vervolgens zijn verwerkt in het herziene pakket circulaire economie dat de Commissie in december 2015 heeft goedgekeurd; constateert bijgevolg dat de nationale parlementen al een constructieve rol in het institutionele kader spelen en het vooralsnog niet nodig is nieuwe institutionele en administratieve structuren in het leven te roepen die het gehele proces alleen maar onnodig ingewikkeld maken;

36.  merkt op dat in 2016 sommige regionale parlementen de Commissie rechtstreeks in kennis hebben gesteld van hun adviezen inzake bepaalde Commissievoorstellen; stelt vast dat de Commissie deze standpunten waar passend in aanmerking heeft genomen; wijst erop dat het volgens artikel 6 van Protocol nr. 2 aan ieder nationaal parlement of iedere kamer van een nationaal parlement is om in voorkomend geval de regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid te raadplegen;

37.  neemt kennis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2015 en 2016 inzake subsidiariteit en evenredigheid; onderstreept dat het Hof heeft bepaald dat bij de beoordeling van de vraag of de Uniewetgever de motiveringsplicht voor wat betreft subsidiariteit heeft nageleefd niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen van de bestreden handeling, doch ook op de context en de omstandigheden van het geval, en dat de verstrekte informatie toereikend en te begrijpen moet zijn voor nationale parlementen, burgers en rechtbanken; onderstreept voorts dat met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel het Hof heeft bevestigd dat de Uniewetgever over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken;

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0210.
(3) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 33.
(4) http://ec.europa.eu/smart-regulation/refit/simplification/consultation/contributions_nl.htm
(5) Mededeling van de Commissie van 20 juli 2016 betreffende het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de terbeschikkingstellingsrichtlijn wat het subsidiariteitsbeginsel overeenkomstig Protocol nr. 2 betreft (COM(2016)0505).

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling