Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2188(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0130/2018

Ingediende teksten :

A8-0130/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.17
CRE 18/04/2018 - 12.17

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0122

Aangenomen teksten
PDF 287kWORD 105k
Woensdag 18 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kwijting 2016: Speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016
P8_TA(2018)0122A8-0130/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2188(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de speciale verslagen van de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287, lid 4, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2017)0365 – C8-0299/2017)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring(4) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van 18 april 2018 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie(5) en zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van dat besluit,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05940/2018 – C8-0042/2018),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0130/2018),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

B.  overwegende dat de speciale verslagen van de Rekenkamer informatie bevatten over belangrijke aspecten van de besteding van financiële middelen, en dat deze informatie nuttig is voor het Parlement bij het uitoefenen van zijn taken als kwijtingsautoriteit;

C.  overwegende dat zijn opmerkingen over de speciale verslagen van de Rekenkamer een integrerend deel uitmaken van bovenvermeld besluit van het Parlement van 18 april 2018 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, afdeling III – Commissie;

Deel I – Speciaal verslag nr. 21/2016 van de Rekenkamer met als titel "Pretoetredingssteun van de EU voor het versterken van de bestuurlijke capaciteit in de Westelijke Balkan: een metacontrole"

1.  is tevreden met het speciaal verslag van de Rekenkamer, dat de vorm heeft van een metacontrole, waarin een overzicht wordt gegeven van het beheer door de Commissie van de pretoetredingssteun aan Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië, en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

2.  wijst erop dat de Commissie moet opereren in een moeilijke politieke context en dat zij stuit op veel tekortkomingen binnen de openbare instellingen van de begunstigden, zoals buitensporige bureaucratie, een hoog personeelsverloop, een lage doelmatigheid, ontoereikende verantwoordingsplicht en corruptie;

3.  roept alle belanghebbenden op specifiek aandacht te besteden aan de opstelling van kwalitatieve nationale strategieën alsmede aan nationale en regionale programma's met duidelijke, realistische en meetbare doelstellingen, en de opzet van de programma's in het begunstigde land beter af te stemmen op deze strategieën en de bijbehorende behoefteanalyses;

4.  steunt de inspanningen van de autoriteiten van de landen in de Westelijke Balkan op cruciale terreinen in verband met goed bestuur en de hervorming van hun overheidsinstellingen, onder meer op het gebied van financiële controle bij het beheer van de overheidsfinanciën; verzoekt alle actoren meer inspanningen te verrichten ter ontwikkeling en consolidatie van strategieën voor het coördineren van de tenuitvoerlegging van de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën;

5.  acht het van wezenlijk belang het conditionaliteitsbeginsel sterker toe te passen, in het bijzonder door de capaciteit van begunstigden om een hoogwaardig project uit te voeren vooraf en in specifieke, meetbare termen te beoordelen;

6.  betreurt dat ongeveer de helft van door de EU gefinancierde projecten ter ondersteuning van de hervorming van de overheidsinstellingen en ter versterking van de rechtsstaat niet kon worden voortgezet; benadrukt het feit dat het belangrijk is te zorgen voor continuïteit, met name voor projecten ter versterking van de administratieve capaciteit; betreurt dat er in veel gevallen geen continuïteit was als gevolg van inherente factoren als een gebrek aan budgettaire middelen en personeel, en vooral het gebrek aan politieke wil om de instellingen te hervormen bij de begunstigde; roept de Commissie op voort te bouwen op hetgeen is bereikt met succesvolle projecten met kwantificeerbare toegevoegde waarde, en de continuïteit en levensvatbaarheid van de projecten te waarborgen door hiervan een voorwaarde te maken voor projecten bij de tenuitvoerlegging van IPA II;

7.  is van mening dat er nog altijd ruimte is voor verbetering wanneer het erom gaat bepaalde essentiële sectoren te laten voldoen aan de normen van de Unie, bijvoorbeeld wat de rechtsstaat, hervorming van de overheidsinstellingen en goed bestuur betreft; is van mening dat de voor deze sectoren verleende steun moet worden verhoogd, doeltreffender moet zijn en een grotere continuïteit moet hebben door een strikte koppeling aan de uitbreidingsstrategie en de politieke criteria;

8.  verzoekt de Commissie om bij wijze van prioriteit te focussen op de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, en om het openbaar ministerie en de ontwikkeling van normen op het gebied van transparantie en integriteit binnen de overheidsinstellingen te bevorderen; herhaalt dat er een meer continue en dwingende strategie moet komen en een sterker politiek engagement van de nationale autoriteiten om te zorgen voor blijvende resultaten op dit gebied;

Deel II – Speciaal verslag nr. 24/2016 van de Rekenkamer met als titel "Meer inspanningen zijn nodig om te voldoen aan en de bewustwording te vergroten van de regels inzake staatssteun in het kader van het cohesiebeleid"

9.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

10.  stelt met tevredenheid vast dat de Commissie het overgrote deel van de aanbevelingen zal uitvoeren;

11.  benadrukt dat alle betrokken directoraten-generaal, en met name DG COMP en DG REGIO, toegang moeten hebben tot alle databanken die worden beheerd door diensten van de Commissie om hun taken daadwerkelijk te kunnen uitvoeren;

12.  roept de Commissie op haar weigering om aanbeveling 4(b) uit te voeren te heroverwegen, aangezien deze de bescherming van de financiële belangen van de Unie in gevaar kan brengen;

13.  kan aanvaarden dat de Commissie terughoudend is om aanbeveling 4(d) uit te voeren, zolang de alternatieve methodes van de lidstaten even doeltreffend zijn als een centraal register voor het houden van toezicht op "de minimis"-steun; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat dit het geval is;

14.  is ervan overtuigd dat het voor de lidstaten van het grootste belang is om rechtszekerheid te hebben over de toepasselijke regels inzake staatssteun alvorens grote projecten te ondernemen, omdat duidelijke en samenhangende regels kunnen bijdragen aan een lager foutenpercentage op dit gebied;

15.  roept de Commissie op ervoor te zorgen dat de nationale auditautoriteiten op de hoogte zijn van de toepasselijke regels inzake staatssteun en dat zij deze verifiëren alvorens hun jaarlijkse controleverslag in te dienen;

16.  is in verband hiermee tevreden met het feit dat DG COMP en DG REGIO in maart 2015 overeenstemming hebben bereikt over een gemeenschappelijk actieplan inzake staatssteun; wijst erop dat het actieplan oorspronkelijk zes maatregelen omvatte die waren bedoeld om de bekendheid met en de kennis op het gebied van staatssteun in alle lidstaten te vergroten: identificatie en verspreiding van goede praktijken, opleidingscursussen voor staatssteunspecialisten, landspecifieke workshops, seminars voor deskundigen, de verdere ontwikkeling van een databank met vragen en antwoorden (het ECN-ET-netwerk) en de ontwikkeling van een databank met informatie over staatssteun; merkt op dat de Commissie sinds 2016 ook een speciale trainingsmodule aanbiedt;

17.  verwelkomt ook het feit dat DG COMP eind januari 2016 opleidingen over staatssteun en infrastructuur had georganiseerd in Bulgarije, Kroatië, de Tsjechische Republiek, Roemenië en Slowakije;

18.  steunt het verzoek van de Rekenkamer om een centrale databank voor de hele Unie waarin de bevoegde instanties van de lidstaten de identiteit kunnen opzoeken van ondernemingen waarbij staatssteun wordt teruggevorderd, alsmede de stand van de terugvorderingsprocedures; is van mening dat deze databank belangrijk kan zijn voor toekomstige risicoanalyses;

Deel III – Speciaal verslag nr. 29/2016 van de Rekenkamer met als titel "Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme – een goede start maar verdere verbeteringen nodig"

19.  herinnert aan de volgende rechtsgronden:

   a) artikel 287, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU): “1. De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie. Zij onderzoekt tevens de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van elk door de Unie ingesteld orgaan of ingestelde instantie, voor zover het instellingsbesluit dit onderzoek niet uitsluit.

De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. Aan die verklaring kunnen specifieke beoordelingen worden toegevoegd voor ieder belangrijk werkterrein van de Unie."

   b) artikel 27 van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en van de Europese Centrale Bank (Protocol nr. 4 bij het VEU en het VWEU): "27.1. De rekeningen van de ECB en de nationale centrale banken worden gecontroleerd door onafhankelijke externe accountants die op aanbeveling van de Raad van bestuur zijn aanvaard door de Raad. De accountants zijn zonder voorbehoud bevoegd alle boeken en rekeningen van de ECB en de nationale centrale banken te onderzoeken en volledig te worden geïnformeerd over hun verrichtingen.

27.2. De bepalingen van artikel 287 van het Verdrag zijn uitsluitend van toepassing op een doelmatigheidscontrole van de ECB".

   c) artikel 20, leden 1 en 7, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad(7) waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen: “1. Met betrekking tot de uitvoering van deze verordening is de ECB overeenkomstig dit hoofdstuk verantwoordingsplichtig tegenover het Europees Parlement en de Raad. 7. Bij het verrichten van een doelmatigheidscontrole van het bestuur bij de ECB krachtens artikel 27, lid 2, van de statuten van de ESCB en van de ECB houdt de Europese Rekenkamer tevens rekening met de bij deze verordening aan de ECB opgedragen toezichthoudende taken."

20.  steunt de conclusies van de Rekenkamer en is tevreden met het feit dat de ECB de aanbevelingen van de Rekenkamer(8) aanvaardt;

21.  maakt zich evenwel zorgen door een verslag van het Contactcomité van de hoge controle-instanties (HCI's) van de Europese Unie waarin de controlerechten van 27 van de 28 nationale HCI's in de hele Unie over bankentoezichthouders werden vergeleken; betreurt dat in de daaruit voortvloeiende verklaring wordt gesteld dat "er […] een controlegat [is] ontstaan in eurozonelanden waar bestaande controlemandaten van nationale HCI's met betrekking tot nationale bankentoezichthouders niet vervangen zijn door een soortgelijk controleniveau van de Rekenkamer met betrekking tot de toezichthoudende activiteiten van de ECB"(9);

22.  wijst erop dat het reeds uiting had gegeven aan deze bezorgdheid in zijn resolutie van 10 maart 2016 over de bankenunie – jaarverslag 2015(10);

23.  betreurt dat de aanpak van de ECB inzake openbaarmaking leidt tot een gebrek aan transparantie met betrekking tot de informatie aan de onder toezicht staande entiteiten, waardoor deze entiteiten de resultaten van het toetsingsproces en de prudentiële evaluatie niet ten volle konden bevatten; onderstreept dat de Rekenkamer bezorgdheid heeft geuit over het gebrek aan transparantie, dat naar haar mening het risico van willekeur bij het toezicht kan doen toenemen;

24.  wijst erop dat het totale gebrek aan toezicht op de blootstelling van banken aan niet-liquide activa van niveau 3, inclusief toxische activa en derivaten, heeft geleid tot een onevenwichtige uitoefening van de toezichtsfunctie; meent dat de sterke vooringenomenheid tegen kredietrisico's in vergelijking met operationele en marktrisico's in verband met speculatieve financiële activiteiten, heeft geleid tot een benadeling van commerciële banken ten opzichte van grote investeringsbanken, waardoor twijfels rijzen over de geldigheid en betrouwbaarheid van de uitgebreide beoordelingen die tot dusver zijn uitgevoerd; is bezorgd door de recente verklaringen van de voorzitter van de raad van toezicht, Danièle Nouy, dat de ECB posities in verband met deze complexe en risicovolle producten moeilijk of niet kan evalueren;

25.  neemt met bezorgdheid kennis van de bevindingen van de Rekenkamer wat het ontbreken van een doeltreffende organisatorische scheiding betreft tussen het monetaire beleid en de toezichtsfuncties van de ECB en van duidelijke, strenge governanceregels ter voorkoming van belangenconflicten, hetgeen de bezorgdheid vergroot over het inherente belangenconflict tussen de rol van de ECB met betrekking tot de vrijwaring van de stabiliteit van de euro en haar prudentiële toezicht op de grote Europese kredietinstellingen;

26.  is het eens met de conclusie van de Rekenkamer dat een risicoanalyse moet worden uitgevoerd van het gebruik van gemeenschappelijke diensten voor de taken in verband met het monetair beleid en de toezichtsfuncties van de ECB;

27.  maakt zich in verband hiermee zorgen door de vaststelling van de Rekenkamer dat de door de ECB verstrekte informatie slechts gedeeltelijk volstond om de doeltreffendheid te beoordelen van de activiteiten in verband met de beheersstructuur van het GTM, de werkzaamheden van de gezamenlijke toezichthoudende teams en de inspecties ter plaatse; onderstreept dat belangrijke aspecten als gevolg daarvan niet werden gecontroleerd;

28.  acht het met betrekking tot de aflegging van rekenschap onaanvaardbaar dat de gecontroleerde instelling, de ECB, op eigen houtje wil vaststellen tot welke documenten de externe controleurs toegang krijgen(11); verzoekt de ECB daarom volledig samen te werken met de Rekenkamer in haar hoedanigheid van extern controleur en de Rekenkamer volledige toegang tot informatie te verlenen om aan bovengenoemde regels te voldoen;

29.  verzoekt de Rekenkamer om de bevoegde commissie van het Parlement vóór november 2018 te informeren of een oplossing voor het probleem van de toegang tot informatie is gevonden;

30.  erkent het feit dat tussen de ECB en het Parlement verslagleggingsafspraken bestaan(12); is evenwel van mening dat deze afspraken niet de controle door de Rekenkamer kunnen vervangen;

31.  herinnert eraan dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2015 een verslag moest indienen over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingenverordening; betreurt dat dit niet is gebeurd;

32.  verzoekt de Commissie daarom dit verslag zo spoedig mogelijk af te ronden;

Deel IV – Speciaal verslag nr. 30/2016 van de Rekenkamer met als titel "De doeltreffendheid van de EU-steun voor prioritaire sectoren in Honduras"

33.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen; neemt ook kennis van de antwoorden van de Commissie;

34.  stelt met tevredenheid vast dat het verslag van de Rekenkamer goed is onthaald, zowel door de regering van Honduras als door de Commissie, en dat de door de Rekenkamer vastgestelde problemen, alsmede haar conclusies al erg nuttig zijn geweest om de politieke dialoog tussen Honduras en de Unie te intensiveren;

35.  herinnert eraan dat de betrekkingen tussen Honduras – als land in Midden-Amerika – en de Unie momenteel grotendeels zijn gebaseerd op de associatieovereenkomst die werd ondertekend in 2012, waarmee een hechte relatie voor de lange termijn is gecreëerd op basis van wederzijds vertrouwen en de bescherming van gedeelde waarden en beginselen; wijst erop dat in het akkoord drie belangrijke actiepijlers worden vastgesteld: politieke dialoog, samenwerking en handel; wijst er in het bijzonder op dat beide partijen zich er in de overeenkomst toe hebben verbonden maatregelen ten uitvoer te leggen om de economische ontwikkeling te bevorderen, rekening houdend met wederzijdse belangen als de uitroeiing van armoede, het scheppen van banen en een eerlijke en duurzame ontwikkeling;

36.  onderstreept dat tot nu toe 21 lidstaten de overeenkomst hebben geratificeerd; hoopt dat de lidstaten die de overeenkomst nog niet hebben ondertekend, dit zo spoedig mogelijk doen, aangezien volledige toepassing van de drie pijlers de ontwikkeling van de politieke dialoog zal versterken, een efficiënte toewijzing van financiële middelen mogelijk zal maken en eens en voor altijd zal garanderen dat de steun van de Unie effectief leidt tot de wederopbouw en transformatie van Honduras;

37.  herinnert eraan dat Honduras het land in Midden-Amerika is dat de meeste ontwikkelingshulp van de Unie ontvangt en dat de bijdrage van de Unie de op drie na hoogste is van de twaalf belangrijkste donoren van Honduras en 11 % vertegenwoordigt van alle officiële ontwikkelingshulp die het land ontvangt; onderstreept dat het totale bedrag aan steun is gestegen van 223 miljoen EUR in de periode 2007-2013 naar 235 miljoen EUR in de periode 2014-2020;

38.  merkt echter bezorgd op dat de financiële bijdrage van de Unie tijdens de onderzochte periode slechts 0,2 % van het bbp van het land bedroeg, een veel lager percentage dan dat van andere donoren, met name de Verenigde Staten;

39.  neemt er eveneens kennis van dat Honduras zich na de wereldwijde economische crisis volgens de Wereldbank in economisch opzicht redelijk heeft hersteld dankzij overheidsinvesteringen, export en hoge inkomsten uit geldtransfers, waardoor groeipercentages van 3,7 % in 2016 en 3,5 % in 2017 werden bereikt;

40.  benadrukt niettemin het feit dat, hoewel de economische vooruitzichten bemoedigend zijn, en ondanks de inspanningen van de regering en van donoren, Honduras nog steeds de hoogste niveaus van armoede en economische ongelijkheid heeft in Latijns-Amerika, waarbij volgens officiële gegevens in 2016 circa 66 % van de bevolking in armoede leeft, en met een geweld, corruptie en straffeloosheid die aanhoudend en wijdverbreid zijn; merkt op dat, hoewel het aantal moorden de afgelopen jaren gedaald is, het nog steeds een van de hoogste ter wereld is en het hoogste van Latijns-Amerika; onderstreept eveneens dat er nog steeds grote problemen en uitdagingen zijn met betrekking tot de toegang tot basisbehoeften, werkgelegenheid, natuurlijke hulpbronnen zoals land en bestaansmiddelen, en dat vrouwen, inheemse volkeren en mensen van Afrikaanse afkomst de bevolkingsgroepen zijn die het kwetsbaarst zijn voor mensenrechtenschendingen als gevolg van ongelijkheid;

41.  onderstreept met bijzondere bezorgdheid dat Honduras nog steeds een van de meest gevaarlijke landen ter wereld is voor verdedigers van mensen- en milieurechten, terreinen die in veel gevallen nauw met elkaar verbonden zijn; wijst erop dat er volgens gegevens van Global Witness sinds 2009 in Honduras zeker 123 land- en milieuactivisten zijn vermoord, vaak leden van inheemse en plattelandsgemeenschappen die zich verzetten tegen grootschalige projecten op hun grond, zoals in het geval van Berta Cáceres, wier moord nog steeds niet is opgehelderd; verzoekt de Commissie te garanderen dat de samenwerkingsactiviteiten van de Unie in Honduras de mensenrechten van de Hondurese bevolking op geen enkele manier ondermijnen en regelmatig grondig toezicht uit te oefenen om ervoor te zorgen dat dit zo blijft; wijst er met dit in het achterhoofd nogmaals op dat het EIDHR belangrijk is voor de verlening van dringende rechtstreekse financiële en materiële bijstand aan mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen, en dat hetzelfde geldt voor het noodfonds, waarmee de delegaties van de Unie hun rechtstreeks ad-hoctoelagen kunnen verstrekken; verzoekt de Commissie eveneens de effectieve toepassing van de richtsnoeren van de Unie voor mensenrechtenverdedigers te bevorderen door lokale strategieën te formuleren om te garanderen dat deze volledig in de praktijk worden gebracht, in samenwerking met de organisaties van het maatschappelijk middenveld die al ervaring hebben op dit terrein;

42.  wijst met grote bezorgdheid op de ernstige incidenten die zich in Honduras hebben voorgedaan na de verkiezingen van 26 november 2017; wijst erop dat Europese en internationale mensenrechten- en medianetwerken melding hebben gemaakt van buitensporig en soms dodelijk gebruik van geweld door regeringstroepen tegen betogers, alsmede van andere aanvallen op mensenrechtenactivisten in de context van de postelectorale crisis, waarbij mensenrechtenorganisaties 30 moorden – waarvan 21 gepleegd door de militaire politie (PMOP) –, circa 232 gewonden en 1 085 arrestanten hebben geregistreerd; wijst erop dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN in Honduras meer dan 50  gevallen van intimidatie en pesterijen jegens mensenrechtenactivisten, maatschappelijke leiders en journalisten heeft gedocumenteerd; wijst erop dat de regering van Honduras in dit verband de oprichting van een ministerie van mensenrechten heeft aangekondigd, dat onafhankelijk zal opereren van het huidige Ministerie van Mensenrechten, Justitie, Bestuur en Decentralisatie, dat sinds 27 januari 2018 operationeel is; verzoekt de EDEO de Unie-steun voor mensenrechtenactivisten te intensiveren en de politieke dialoog krachtiger te bevorderen, en van de Hondurese regering te eisen haar verantwoordelijkheden op te nemen en te voldoen aan haar plicht om de vrede te handhaven en de veiligheid van haar burgers te waarborgen;

43.  herinnert eraan dat het belangrijk is dat ook de particuliere sector in de landen van de Unie de mensenrechten en de strengste sociale en milieunormen in acht neemt, waarbij op zijn minst de Europese normen op dit gebied moeten worden geëerbiedigd; vraagt de Unie en de lidstaten een actieve rol te blijven spelen in het kader van de inspanningen van de VN voor de opstelling van een internationaal verdrag om ondernemingen ter verantwoording te roepen voor eventuele betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen;

44.  herinnert eraan dat de staatsgreep van 2009 rampzalige gevolgen had voor het land: de sociale en economische groei stagneerde duidelijk, de internationale hulp raakte niet meer te plaatse en het land werd geschorst door de Organisatie van Amerikaanse Staten; merkt op dat de activiteiten van de Unie in Honduras in die periode niettemin konden worden voortgezet, al was er in alle prioritaire sectoren sprake van vertraagde uitvoering en konden sommige acties, zoals de harmonisatie van het juridisch kader, niet worden voltooid; onderstreept dat, als de Unie in de voor samenwerking prioritaire sectoren geen steun had verstrekt en gehandhaafd, de situatie daar nog zorglijker zou zijn geweest;

45.  neemt ter kennis dat de regering van Honduras heeft verklaard dat zij bereid is internationale controle te aanvaarden en samen te werken met internationale organisaties (vestiging van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, recente oprichting van de Missie ter ondersteuning van de strijd tegen corruptie en straffeloosheid in Honduras (MACCIH), audit van de overheidsrekeningen door Transparency International enz.); wijst er evenwel op dat het belangrijk is rekening te houden met de lessen die zijn getrokken en met goede praktijken en deze toe te passen, en niet voor altijd afhankelijk te blijven van deze organisaties voor de uitoefening van de fundamentele verantwoordelijkheden van de overheid; neemt met grote bezorgdheid kennis van het feit dat het hoofd van de MACCIH op 18 februari 2018 ontslag heeft genomen vanwege de geringe steun die hij van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) ontving voor de uitvoering van de twee jaar geleden aan hem opgedragen taak om Honduras van corruptie te zuiveren (gebrek aan middelen, verspilling binnen de organisatie, gebrek aan geschikte faciliteiten enz.); neemt ter kennis dat de MACCIH ondanks dit gebrek aan steun sinds 2017 aanzienlijke resultaten heeft geboekt in de strijd tegen corruptie, waarbij zij heeft gezorgd voor de belangrijke veroordeling van overheidsfunctionarissen die betrokken waren bij ernstige corruptiezaken en onderzoek heeft gedaan naar de Hondurese politieke klasse; vreest dat deze omstandigheden de eerste grote regionale inspanningen om corruptie en straffeloosheid te bestrijden in een van de landen die hieraan het meest behoefte hebben teniet zullen doen, verzoekt de regering van Honduras en de OAS de door de MACCIH verrichte werkzaamheden onvoorwaardelijk te steunen en te bevorderen, en verzoekt de EDEO te blijven samenwerken met de MACCIH om de gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken;

46.  constateert dat de door de Rekenkamer uitgevoerde controles betrekking hadden op de periode 2007-2015, toen de EU-bijdragen 119 miljoen EUR bedroegen, en dat de prioritaire sectoren die gecontroleerd werden, vermindering van de armoede, bosbouw, veiligheid en justitie waren, die 89 % ontvingen van de bilaterale steun die werd betaald; is echter van mening dat de periode die de Rekenkamer in haar verslag heeft onderzocht, te lang is, omdat hij langer is dan de ambtstermijn van de Commissie en bovendien bijzonder moeilijke en uiteenlopende politieke en economische situaties omvat; is van mening dat de controleperioden om doeltreffender te zijn moeten worden ingekort of dat tussentijdse evaluaties moeten worden uitgevoerd, omdat er te veel gevallen zijn waar in het verslag problemen of tekortkomingen worden vastgesteld die sindsdien zijn geremedieerd, waardoor sommige conclusies en aanbevelingen van het verslag niet meer relevant zijn; onderstreept bovendien dat de Rekenkamer in haar verslag niet ingaat op de interviews die zij in Honduras heeft gehouden, met name met begunstigden, andere donoren en organisaties van het maatschappelijk middenveld;

47.  merkt op dat de Rekenkamer in haar verslag concludeert dat, hoewel enige vooruitgang werd geboekt, de steun van de Unie aan de prioritaire sectoren slechts gedeeltelijk doeltreffend was, vooral door de omstandigheden in het land, evenals een reeks beheersproblemen die de impact van de steun verminderden, en merkt op dat, hoewel de strategie van de Commissie relevant en gecoördineerd was, zij niet specifiek genoeg was en de financiering uitgespreid was over te veel terreinen, waardoor het ondanks de verzoeken van de Hondurese regering niet mogelijk was te voorzien in de behoeften van de prioritaire sectoren, die ook geen steun kregen van andere donoren;

48.  deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer, maar is het eens met de Commissie dat in veel gevallen een zekere mate van flexibiliteit nodig was om zich aan te passen aan de crisis die werd veroorzaakt door de staatsgreep en dat gereageerd moest worden op buitengewoon urgente situaties en voorzien moest worden in de basisbehoeften van de bevolking; verzoekt de Commissie haar inspanningen voort te zetten om een doeltreffend evenwicht te realiseren tussen de flexibiliteit die nodig is om zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden, behoeften en eisen van het land, het feit dat de urgentste problemen moeten worden aangepakt, inclusief op het gebied van mensenrechten, recht op leven en recht op een waardig leven, en het feit dat moet worden gereageerd en dat de potentiële impact van de Uniesteun moet worden vergroot;

49.  merkt op dat de samenwerking van de Unie in het verleden vooral betrekking had op sociale cohesie en economische groei, terwijl met de nieuwe programmering wordt gekeken naar de behoeften die voortvloeien uit de belangrijkste uitdagingen op het gebied van ontwikkeling waar het land tegenaan kijkt: vermindering van de armoede en ongelijkheid, voedselveiligheid, onderwijs en gezondheid, veiligheid en mensenrechten, belastinghervormingen, de strijd tegen straffeloosheid en corruptie, het scheppen van werkgelegenheid met sociale zekerheid, concurrentievermogen, beheer van natuurlijke hulpbronnen en kwetsbaarheid als gevolg van klimaatverandering;

50.  benadrukt het feit dat het, gezien de bijzondere situatie waarin het land verkeert, van fundamenteel belang is integrale programma's te starten op het gebied van armoedebestrijding (met name programma's die gericht zijn op de kwetsbaarste groepen, zoals vrouwen, kinderen en inheemse volkeren, overeenkomstig het verzoek van de Hondurese regering) en de programma's op dit gebied te versterken, evenals integrale programma's op het gebied van onderwijs, opleiding en beroepsonderwijs voor kinderen en jongeren uit de meest achtergestelde milieus, om ervoor te zorgen dat zij de mogelijkheid krijgen hun capaciteiten en competenties te ontwikkelen en om hen te beschermen tegen het risico verstrikt te raken in geweld en in de georganiseerde misdaad;

51.  wijst eveneens op de cruciale rol die vrouwen en vrouwenrechtenorganisaties spelen met betrekking tot sociale vooruitgang, inclusief bewegingen onder leiding van jongeren; verzoekt de Unie erop te wijzen dat vrouwen hulp moeten krijgen om hun lot in eigen handen te nemen en dat de totstandbrenging moet worden ondersteund van een veilige en stimulerende omgeving voor maatschappelijke vrouwenorganisaties en verdedigers van vrouwenrechten, en verzoekt haar specifiek gendergerelateerde vormen van repressie aan te pakken, met name in conflictgebieden; onderstreept het feit dat het belangrijk is actief bij te dragen aan de ondersteuning van beleid en maatregelen op het gebied van vrouwenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

52.  is van mening dat de Unie voort een bijzondere inspanning moet blijven leveren op het gebied van samenwerking, om de transparantie, geloofwaardigheid en verantwoordingsplicht van de overheidsinstellingen te verbeteren, en om de totaalstructuur te ontmantelen van corruptie en straffeloosheid die het vertrouwen van de burgers ondermijnt en een van de voornaamste belemmeringen is voor de ontwikkeling van het land;

53.  uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan politieke dialoog dat de Rekenkamer heeft geconstateerd op een aantal kritieke gebieden die steun ontvingen in het kader van de steun voor het Nationale Plan (doelstellingen op het gebied van onderwijs, ontwikkeling van nationale statistieken en hervorming van het overheidsapparaat), gegeven dat de beleidsdialoog van de Commissie de uitvoering van Unie-optreden vergemakkelijkt en leidt tot tastbare verbeteringen, verzoekt de Commissie om de politieke dialoog te intensiveren, met name op strategische en prioritaire gebieden, en te volharden op de gebieden waar de regering niet veel interesse toont of niet bijzonder reageert, zoals het nationale beleid voor justitie en veiligheid en de justitiële waarnemingspost;

54.  verzoekt de Commissie voort te gaan met het verbeteren van de gezamenlijke programmering met de Hondurese regering, en met de lidstaten van de Unie, en samen met de andere donoren een bijzondere inspanning te leveren op het gebied van interne coördinatie, om ervoor te zorgen dat het werk zo efficiënt mogelijk wordt verdeeld, om complementariteit te verwezenlijken en met name om de door de Rekenkamer vastgestelde problemen te voorkomen: de proliferatie van identieke of soortgelijke projecten (dezelfde sector, dezelfde begunstigden), tegenstrijdige of elkaar overlappende maatregelen of het uitblijven van maatregelen, met name in de prioritaire sectoren; is van mening dat de Commissie ook met de andere donoren een snelle en doeltreffende werkwijze moet vinden om de termijnen te verkorten en meer dynamiek en doeltreffendheid en betere resultaten te bewerkstelligen;

55.  constateert dat ongeveer de helft van de bilaterale hulp van de EU aan Honduras wordt verstrekt in de vorm van algemene en sectorale begrotingssteun; onderstreept met bezorgdheid dat de verstrekking van begrotingssteun grote risico's met zich meebrengt, vooral door de aanzienlijke macro-economische instabiliteit van het land, de technische tekortkomingen en de problemen met fraude en corruptie bij het beheer van de overheidsfinanciën;

56.  constateert bezorgd dat, hoewel in het verslag van de Rekenkamer wordt aangegeven dat de begrotingssteun werd toegewezen aan pertinente en geloofwaardige nationale strategieën, de strategieën van de regering in bepaalde prioritaire sectoren onduidelijk of gefragmenteerd waren en geen specifieke begroting kregen toegewezen, en dat de betrokken instellingen geen beleid en hervormingen konden ontwikkelen;

57.  erkent dat de Commissie deze risico's heeft geïdentificeerd en dat zij geprobeerd heeft ze te beperken; herinnert de Commissie er evenwel nogmaals aan dat begrotingssteun geen blanco cheque is en dat toezeggingen van de regering dat hervormingen zullen worden uitgevoerd, niet noodzakelijk voldoende garantie bieden; verzoekt de Commissie met dit in het achterhoofd om ter vermindering van het risico alles in het werk te blijven stellen om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren inzake begrotingssteun in alle fasen van de procedure worden toegepast en nageleefd; verzoekt de Commissie voorts begrotingssteun te vermijden in sectoren waar geen geloofwaardige en relevante respons van de regering kan worden gegarandeerd;

58.  is het met de Commissie eens dat het, anders dan de Rekenkamer stelt, geen tegenstrijdige boodschap hoeft te zijn die schadelijk kan zijn voor de effectiviteit van de steun om diverse betalingen voor begrotingssteun gedurende een bepaalde periode op te schorten – zoals het geval was in 2012 als gevolg van de algemene macro-economische situatie en het feit dat geen overeenkomst was bereikt tussen Honduras en het IMF– maar dat dit integendeel een manier kan zijn om volstrekt duidelijk te maken dat de regering de vastgestelde problemen snel en doeltreffend moet oplossen;

59.  neemt met veel belangstelling kennis van het feit dat Honduras het eerste land is waar resultaatgerichte begrotingssteun wordt toegepast; spreekt evenwel zijn bezorgdheid uit over het feit dat de Rekenkamer concludeert dat gebreken van de controle-instrumenten de evaluatie van de behaalde resultaten hebben bemoeilijkt, dat de monitoring van deze resultaten vele tekortkomingen vertoonde en dat de gedane aanbevelingen niet systematisch zijn gevolgd; verzoekt de Commissie een gedetailleerd verslag op te stellen met de doelstellingen, de gebruikte indicatoren en referentiepunten, de reken- en verificatiemethoden enz. en de doeltreffendheid en impact hiervan te evalueren met betrekking tot het meten van de behaalde resultaten en tegelijkertijd het verbeteren van de communicatie, de zichtbaarheid en de effecten van het optreden van de Unie; verzoekt de Commissie eveneens meer nadruk te leggen op de resultaten, in het licht van de doelstellingen die zijn geformuleerd in haar strategieën inzake politieke dialoog met de Hondurese regering en in het kader van een dialoog met het maatschappelijk middenveld en andere donoren;

60.  aangezien het goede beheer van publieke middelen een fundamentele voorwaarde is voor de verstrekking van begrotingssteun en dit een van de grootste tekortkomingen is in Honduras, ondanks de opeenvolgende plannen van de regering en de steun van de Commissie, is van mening dat de Commissie bijzondere nadruk moet leggen op een continue verbetering op dit gebied; met dit in het achterhoofd en rekening houdend met de rol die de Hondurese Rekenkamer moet spelen met betrekking tot het beheer van de publieke middelen, verzoekt de Commissie specifieke programma's te ontwikkelen voor samenwerking met de Rekenkamer, om technische bijstand en opleiding op dit gebied te verstrekken;

61.  verzoekt de Hondurese regering alle nodige middelen en financiering te verstrekken om ervoor te zorgen dat de Hondurese Rekenkamer haar taak kan uitvoeren op onafhankelijke en doeltreffende wijze en in overeenstemming met de internationale normen op het gebied van audit, transparantie en verantwoording;

62.  neemt met bezorgdheid kennis van de vaststelling van de Rekenkamer dat er bij de Delegatie van de Unie in Honduras onvoldoende personeel heeft dat gespecialiseerd is in het beheer van overheidsfinanciën en macro-economische kwesties in verband met transacties op het gebied van begrotingssteun, en wijst erop dat dit bijzonder risicovol is gezien de chronische economische instabiliteit van een land dat, ondanks deze ernstige situatie, nog steeds begrotingssteun krijgt; verzoekt de Commissie, gezien de risico's waarop de Rekenkamer wijst, dringende actie te ondernemen om het personeelsbestand bij het Uniebureau in Honduras uit te breiden;

63.  merkt op dat in het kader van de samenwerking van de Unie in Honduras steun wordt verleend aan maatschappelijke organisaties voor het bevorderen van voedselzekerheid, mensenrechten en gendergelijkheid en dat zo'n 35 thematische projecten lopen, waar een bedrag mee gemoeid is van meer dan 9 miljoen EUR; neemt er eveneens kennis van dat de delegatie van de Unie, wat betrokkenheid bij de activiteiten van het maatschappelijk middenveld in Honduras betreft, een routekaart heeft opgesteld die in 2014 werd goedgekeurd en die een politieke dialoog en steunmaatregelen omvat die speciaal zijn ontworpen voor Honduras; acht het van essentieel belang dat maatschappelijke organisaties niet alleen worden betrokken bij het overlegproces dat leidt tot de opstelling van de routekaarten, maar ook bij de tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie hiervan;

64.  maakt zich ernstig zorgen door het feit dat er in ontwikkelingslanden steeds minder ruimte is voor het maatschappelijk middenveld; constateert met grote bezorgdheid dat in de eerste drie maanden van 2014 alleen, het departement dat bevoegd is voor de registratie en monitoring van maatschappelijke organisaties de licentie heeft ingetrokken van 10 000 ngo's omdat zij geen verslagen bij de overheid hadden ingediend over hun financiën en programma's en dat ondanks een aantal positieve veranderingen in de afgelopen jaren, een aantal wetten en administratieve maatregelen die onlangs in Honduras zijn aangenomen, de activiteiten van deze organisaties bemoeilijken en de ruimte beperken waarin zijn kunnen opereren, waardoor vele gedwongen worden om te sluiten;

65.  is tevreden met de steun en inzet die de Unie al geruime tijd voor het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden over heeft; is van mening dat de Commissie in het kader van de beleidsdialoog en de ontwikkeling van samenwerkingsprogramma's moet focussen op de ontwikkeling van strategieën om het juridische, administratieve en politieke klimaat te creëren dat vereist is om maatschappelijke organisaties in staat te stellen hun taken uit te voeren en doeltreffend te opereren, advies te verlenen aan de verenigingen, deze regelmatig informatie te verstrekken over middelen en financieringsmogelijkheden en ze aan te moedigen om zich aan te sluiten bij internationale middenveldorganisaties en -netwerken;

66.  is van mening dat de Rekenkamer een hoofdstuk van zijn verslag had moeten wijden aan de samenwerking van de Unie met de middenveldorganisaties in Honduras, gezien de fundamentele rol die deze organisaties spelen in de maatschappij in het algemeen en lokale ontwikkeling in het bijzonder, en al helemaal aangezien de Unie de belangrijkste donor van deze organisaties in de ontwikkelingslanden is en het voortouw heeft genomen met betrekking tot de bescherming van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers door middel van het gebruik en de tenuitvoerlegging van een hele reeks instrumenten en beleidsmaatregelen; hoopt dat de Rekenkamer hiermee in haar toekomstige verslagen rekening zal houden;

Deel V – Speciaal verslag nr. 31/2016 van de Rekenkamer met als titel "Minimaal elke vijfde euro uit de EU-begroting aan klimaatactie besteden: er wordt ambitieus aan gewerkt, maar het risico dat het doel niet wordt gehaald, blijft groot"

67.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

68.  is ingenomen met de ambitieuze toezeggingen van de Unie om zijn uitstoot te verminderen met ten minste 20 % ten opzichte van het niveau van 1990 tegen 2020 en met 40 % tegen 2030, en om ten minste 20 % van haar begroting voor de begrotingsperiode 2014-2020 aan klimaatgerelateerde acties te besteden; is ingenomen met het feit dat in het algemeen vooruitgang is geboekt, maar betreurt dat er volgens de Rekenkamer een ernstig risico bestaat dat de begrotingsdoelstelling van 20 % niet wordt gehaald;

69.  acht het van groot belang dat de Commissie voortdurend blijk geeft van voldoende leiderschap en inzet voor klimaatbescherming via een doeltreffende uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, alsook voor de consolidering van haar internationale geloofwaardigheid en van instrumenten voor de totstandbrenging van de vereiste voorwaarden voor het klimaatbeleid en de groene diplomatie van de Unie in de toekomst;

70.  is ingenomen met de tenuitvoerlegging van de belofte in het kader van reeds bestaande beleidsmaatregelen in plaats van het vaststellen van nieuwe financiële instrumenten; is van mening dat dit moet bijdragen tot een grotere samenhang tussen de verschillende beleidsgebieden van de Unie; verzoekt de Commissie en de lidstaten een gecoördineerd plan op te stellen voor een maximale samenhang en continuïteit van de diverse programma's;

71.  verzoekt de Commissie een concrete algemene strategie te ontwikkelen om de vooropgestelde doelstellingen te halen, die onder meer het volgende omvat: gebiedsgerichte actieplannen, gedetailleerde maatregelen en instrumenten, de metings- en verslagleggingsmethode, en prestatie-indicatoren voor de klimaatgerelateerde acties van specifieke beleidsterreinen; verzoekt de Commissie en de lidstaten verder gemeenschappelijke gelijkwaardige normen te ontwikkelen voor de toepassing van adequate toezichts-, evaluatie- en controlesystemen, met name met betrekking tot de toepassing van de Rio-indicatoren en de verslaglegging over de besteding van klimaatgerelateerde uitgaven;

72.  betreurt dat de Rekenkamer tekortkomingen in het traceringssysteem van de Unie heeft geconstateerd, wat in aanzienlijke mate het risico verhoogt dat de ramingen voor klimaatgerelateerde uitgaven te hoog zijn; verzoekt de Commissie stelselmatig het conservativiteitsbeginsel te eerbiedigen om te hoge ramingen te voorkomen; verzoekt de Commissie de ramingen te herzien en de klimaatcoëfficiënten te corrigeren wanneer er een risico van te hoge raming bestaat;

73.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten prioriteit te verlenen aan de ontwikkeling van een actieplan op bepaalde gebieden met een enorm potentieel, zoals het programma Horizon 2020, landbouw en visserij; verzoekt de Commissie tevens de activiteiten op het gebied van de ontwikkeling van nieuwe technologieën en innovatie op het gebied van milieubescherming intensief te coördineren met het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT);

74.  benadrukt dat de Commissie zich met name moet inzetten voor klimaatgerelateerde benchmarks, via mainstreaming van haar diverse programmeringsinstrumenten ter bevordering van een grote samenhang en eventueel nauwere coördinatie tussen de lidstaten om de algemene doelstelling te halen om ten minste 20 % van de begroting van de Unie te besteden aan een koolstofarme en klimaatbestendige samenleving;

75.  betreurt het ontbreken van concrete doelstellingen in grote delen van de begroting van de Unie; verzoekt de Commissie een algemeen plan op te stellen waarin wordt uiteengezet welke financieringsinstrumenten kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de begrotingsdoelstelling van 20 % en in welke mate; stelt met bezorgdheid vast dat het ontbreken van zo'n plan een teken is van het feit dat de verschillende begrotingsterreinen niet erg met elkaar verenigbaar zijn;

76.  stelt met bezorgdheid vast dat er weinig informatie bestaat over hoeveel geld wordt besteed aan de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering en over de mate waarin de klimaatgerelateerde maatregelen van de Unie zullen bijdragen tot de vermindering van de CO2-uitstoot, en dat de beschikbare gegevens van de lidstaten wellicht niet met elkaar kunnen worden vergeleken; verzoekt de Commissie verder te werken aan een verslag over de mate waarin de doelstelling om 20 % van de begroting van de Unie in de periode 2014-2020 te besteden aan klimaatgerelateerde maatregelen in alle beleidsmaatregelen wordt toegepast, en daarbij aan te geven hoeveel is vastgelegd en betaald, wat betrekking heeft op beperking en wat op aanpassing, en op welke gebieden de klimaatprestaties moeten worden verbeterd;

77.  is van mening dat de mainstreaming van de financieringsprogramma's verder moet worden verfijnd door heldere aanpassings- of beperkingsstrategieën en daaraan gekoppelde actieplannen vast te stellen, met inbegrip van adequate instrumenten voor de kwantificering van de vereiste investeringen en klimaatstimuli, en betere traceringsmethoden voor de ramingen om juiste prognoses te krijgen van de geboekte vooruitgang in alle acties van de Unie en de lidstaten;

78.  verzoekt de Commissie dringend een gunstig klimaat voor de overgang naar een koolstofarme economie te ontwikkelen, door haar investeringsvoorwaarden, bestedingskaders en innovatie- en moderniseringsinstrumenten in alle belangrijke betrokken sectoren aan te passen;

79.  betreurt dat er geen instrument beschikbaar is om een meerjarige geconsolideerde laatste stand van zaken met betrekking tot de hele begroting van de Unie te verstrekken; is van mening dat er behoefte is aan een evaluatie achteraf en een herberekening van de geraamde bijdragen voor de klimaatverandering;

80.  betreurt dat de Commissie geen specifiek kader heeft voor verslaglegging over het opsporen en meten van de negatieve gevolgen van beleid van de Unie dat de klimaatverandering in de hand werkt en over het meten van welk aandeel van de begroting van de Unie in de omgekeerde richting wordt besteed; is bezorgd dat de Commissie zonder deze gegevens geen volledig beeld geeft van de mate waarin de Unie bijdraagt aan het beperken van de klimaatverandering; verzoekt de Commissie stelselmatig mogelijke contraproductieve maatregelen op te sporen en op te nemen in de definitieve berekeningen betreffende de beperking van de klimaatverandering.

Deel VI – Speciaal verslag nr. 32/2016 van de Rekenkamer met als titel "EU-bijstand aan Oekraïne"

81.  wijst erop dat financiële bijstand van de Unie aan het hervormen van Oekraïne en deskundige assistentie van de Unie hierbij nodig waren; benadrukt echter dat de tenuitvoerlegging van de hervormingen ver achterblijven bij de verwachte resultaten;

82.  betreurt het dat er nog steeds oude structuren zijn die wars zijn van hervormingen, modernisering en democratisering en dat krachten die wel willen hervormen veel moeite hebben om zich te doen gelden;

83.  is ingenomen met de EU-bijstand aan Oekraïne; is echter van oordeel dat aan die steun de voorwaarde moet worden verbonden dat de Oekraïense regering zich merkbaar inzet om de situatie in haar land te verbeteren, en met name het stelsel van eigen middelen te verbeteren door middel van een doeltreffend en transparant belastingstelsel, dat niet alleen rekening houdt met de inkomens van de burgers maar ook met de bezittingen van de oligarchen;

84.  dringt aan op een doeltreffende bestrijding van de nog steeds welig tierende corruptie en op effectieve ondersteuning van organisaties die zich daarvoor inzetten;

85.  dringt aan op een versterking van de rechterlijke macht in het land, als onafhankelijk instrument in dienst van de rechtsstaat;

86.  verzoekt om striktere controle op het bankwezen, ter voorkoming van kapitaalvlucht naar derde landen, die leidt tot insolventie van bankinstellingen; wijst er in verband hiermee op dat alleen begrotingssteun mag worden verleend op voorwaarde dat de financiële bijstand wordt verstrekt op transparante wijze en zonder onderscheid;

87.  is van mening dat de verlening van financiële bijstand in het algemeen moet worden voorafgegaan door een beoordeling van de slagingskansen;

88.  is ervan overtuigd dat meer aandacht moet worden besteed aan de oprichting en opleiding van bekwame, gedecentraliseerde administratieve structuren;

Deel VII – Speciaal verslag nr. 33/2016 van de Rekenkamer met als titel "Uniemechanisme voor civiele bescherming: de coördinatie van de respons op rampen buiten de EU is in het algemeen doeltreffend geweest"

89.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer; steunt de aanbevelingen erin en waardeert de bereidheid van de Commissie om hier rekening mee te houden;

90.  benadrukt het feit dat een snelle en coherente reactie op door de natuur en door de mens veroorzaakte rampen uiterst belangrijk is om de menselijke, milieu- en economische impact ervan tot een minimum te beperken;

91.  neemt kennis van de algemene tevredenheid van de Rekenkamer met de manier waarop de Commissie het proces van respons op rampen afhandelt;

92.  moedigt de Commissie ertoe aan voort te bouwen op haar procedures voor middelen, inclusief begrotingsmiddelen, het inzetten hiervan en de selectie van deskundigen, zodat de getroffen landen onmiddellijke, op de behoeften gebaseerde hulp van Unie wordt verstrekt; benadrukt het feit dat het belangrijk is "steunpunten voor civiele bescherming" aan te wijzen binnen de nationale en regionale kantoren van het ECHO-netwerk en onder het personeel in de delegaties van de Unie in risicolanden;

93.  is tevreden met de start van het Europees medisch korps in februari 2016, dat de vrijwillige pool van het EU-mechanisme voor civiele bescherming aanzienlijk heeft uitgebreid met een reserve van medische en volksgezondheidsteams die ter beschikking staan en kunnen worden ingezet op basis van de lessen die zijn getrokken uit de ebolacrisis; is van mening dat deze aanpak, waarbij er een reserve is van medische teams en andere gespecialiseerde evaluatie- en ondersteuningsteams, moet worden voortgezet en verder moet worden verbeterd;

94.  suggereert alle onnodige administratieve belemmeringen te verwijderen, die zowel de deelnemende staten als het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) beletten sneller te reageren, met name bij het begin van de crisis;

95.  verzoekt de deelnemende staten meer activa te registreren in de vrijwillige pool, om de paraatheid om op rampen te reageren te verbeteren;

96.  wijst erop dat informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de Commissie, andere organen van de Unie en de Verenigde Naties belangrijk is om in geval van nood een gestructureerde respons te faciliteren; is tevreden met de samenwerkingsakkoorden die zijn ondertekend met het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) en het Wereldvoedselprogramma (WFP) en dringt er bij de Commissie op aan bijkomende samenwerkingsakkoorden te ondertekenen met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en andere betrokken spelers;

97.  herinnert eraan dat kwaliteits- en interoperabiliteitsvereisten worden gedefinieerd en uitgebreid overeenkomstig de nieuwe WHO-normen voor medische modules en ook andere strategische partners en hun kadervoorwaarden om snel optreden te garanderen in combinatie met een grondigere coördinatie bij internationale missies; is van mening dat, om de onmiddellijke beschikbaarheid of inzet te garanderen van capaciteiten zodra een noodsituatie ontstaat en om financieringsfouten te voorkomen, de verstrekkingsprocessen moeten worden geoptimaliseerd en verregaand gesubsidieerd;

98.  dringt erop aan potentiële synergieën met de andere betrokken spelers en instrumenten, met name humanitaire hulp en ontwikkelingshulp, te blijven benutten en duplicatie van reeds ondernomen acties te voorkomen;

99.  verzoekt de Commissie de functionaliteit van het communicatieplatform van het ERCC, Cecis, te verbeteren, zodat de informatie gemakkelijker door de belanghebbenden kan worden teruggevonden, inclusief mobiele toegang voor de EUCP-teams die worden ingezet op het terrein;

100.  is van mening dat humanitaire hulp en civiele bescherming moeten worden gevolgd door andere activiteiten, die erop gericht zijn een cultuur van preventie te bevorderen, alsmede de capaciteit en de veerkracht van kwetsbare of door rampen getroffen gemeenschappen op te bouwen;

Deel VIII – Speciaal verslag nr. 34/2016 van de Rekenkamer met als titel "De bestrijding van voedselverspilling: een kans voor de EU om de hulpbronnenefficiëntie van de voedselvoorzieningsketen te verbeteren"

101.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer waarin de doeltreffendheid van de Unie wordt onderzocht met betrekking tot de bestrijding van voedselverspilling; onderschrijft de aanbevelingen van de Rekenkamer en verzoekt de Commissie met deze aanbevelingen rekening te houden;

102.  neemt met ernstige bezorgdheid kennis van het feit dat wereldwijd naar schatting ongeveer een derde van het voor menselijke consumptie geproduceerde voedsel verspild wordt of verloren gaat; betreurt het feit dat de Unie voedselverspilling niet op doeltreffende wijze bestrijdt en dat zij tot nu toe slechts onsamenhangende en gefragmenteerde actie heeft ondernomen;

103.  benadrukt dat de Unie een groot potentieel heeft om het probleem van voedselverspilling aan te pakken door het bestaande beleid zonder extra kosten aan te passen, en daar ook naar moet streven; betreurt echter te moeten vaststellen dat ondanks de optimistische verklaringen de politieke wil heeft ontbroken om de voornemens om te zetten in beleidsmaatregelen;

104.  betreurt ten zeerste dat de ambities van de Commissie met betrekking tot de bestrijding van voedselverspilling mettertijd aantoonbaar zijn gekrompen; betreurt het gebrek aan een gerichte beleidsactie op het gebied van voedselverspilling en het feit dat de positieve gevolgen op bepaalde beleidsterreinen veeleer toevallig zijn; kijkt ernaar uit een beoordeling uit te voeren van de resultaten van het pakket circulaire economie op het gebied van de bestrijding van voedselverspilling;

105.  beschouwt het als een teken van de onsamenhangende benadering van de Commissie, ten eerste dat de Unie wordt gezien als voorloper bij het bestrijden van de klimaatverandering, maar zich onvoldoende inzet voor het bestrijden van voedselverspilling, die rechtstreeks tot negatieve klimaateffecten bijdraagt, en ten tweede dat de Unie jaarlijks honderden miljoenen euro investeert in ontwikkelingshulp, bestrijding van honger en naleving van de regels inzake eerlijke handel, maar onvoldoende de kwestie aanpakt van de bestrijding van voedselverspilling, een van de belangrijkste oorzaken van deze problemen;

106.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om onmiddellijk actie te ondernemen tegen voedselverspilling; verzoekt de Commissie haar beloften met betrekking tot pertinente beleidsdocumenten op het gebied van de bestrijding van voedselverspilling na te komen;

107.  roept de Commissie op te zorgen voor intensieve coördinatie op het niveau van de Unie en de lidstaten om de verschillende benaderingen van diverse lidstaten met betrekking tot het voorkomen van voedselverspilling, voedseldonatie, voedselveiligheid en goede hygiënepraktijken te harmoniseren; roept de Commissie op een platform op te zetten voor het delen van goede praktijken op het gebied van de bestrijding van voedselverspilling, teneinde haar werkzaamheden beter af te stemmen op de activiteiten van de lidstaten;

108.  betreurt dat de acties van de Commissie op technisch niveau beperkt zijn gebleven tot het oprichten van werk- en deskundigengroepen, die echter nog geen bruikbare bijdrage hebben geleverd; roept de Commissie op haar acties op technisch niveau te verbeteren en te zorgen voor concrete resultaten; verzoekt de Commissie om nauwer samen te werken met het Europees Milieuagentschap en het EIT, die hoogwaardige deskundige en technische ondersteuning kunnen leveren;

109.  betreurt dat de Commissie het niet nodig acht om een gemeenschappelijke definitie van voedselverspilling op te stellen en het evenmin nodig acht om een specifieke hiërarchie voor voedselafval te definiëren; roept de Commissie op om een gemeenschappelijke definitie van voedselverspilling op te stellen, alsmede een gemeenschappelijke methode om voedselverspilling te meten en te volgen en richtsnoeren voor een afvalhiërarchie in het geval van voedselverspilling, in samenwerking met de lidstaten;

110.  verzoekt de Commissie een actieplan te ontwerpen om beleidsterreinen te identificeren waar bestrijding van voedselverspilling mogelijk is, met nadruk op preventie en voedseldonatie, en om aan te geven welke mogelijkheden in het kader van deze beleidsmaatregelen kunnen worden benut; verzoekt de Commissie actieplannen op te stellen met meetbare streefdoelen en prestatie-indicatoren, en effectbeoordelingen op te stellen voor specifieke beleidsterreinen;

111.  betreurt het feit dat voedseldonatie wel de op één na beste manier is om voedselverspilling te voorkomen, maar dat op diverse niveaus allerlei belemmeringen bestaan waardoor deze methode onvoldoende wordt gebruikt; vestigt de aandacht op de moeilijkheden waarmee de autoriteiten van de lidstaten te maken krijgen, met name wanneer het erom gaat voedseldonatie in te passen in het bestaande wettelijke kader; roept de Commissie op een specifiek platform voor de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten op te richten om voedseldonatie te bevorderen; verzoekt de Commissie bij de herziening van de desbetreffende wettelijke bepalingen rekening te houden met de bijdragen van de lokale en regionale autoriteiten;

112.  verzoekt de Commissie richtsnoeren over herdistributie en donatie van voedsel af te ronden en te publiceren, inclusief belastingregelingen voor donoren, op basis van beste praktijken die worden gedeeld tussen de lidstaten die momenteel actief stappen ondernemen om voedselverspilling tegen te gaan; dringt er bij de Commissie op aan richtsnoeren op te stellen met betrekking tot het verwijderen van belemmeringen op het gebied van voedseldonatie en belastingvoordelen voor ketens en ondernemingen die voedsel doneren;

113.  betreurt dat de concepten "ten minste houdbaar tot" en "te gebruiken tot" over het algemeen onduidelijk zijn voor gebruikers in alle stadia van de voedselvoorzieningsketen; verzoekt de Commissie deze concepten te verduidelijken en de richtsnoeren over het toepassen ervan bindend te maken, om misverstanden te voorkomen;

114.  moedigt de lidstaten aan de bevolking voor te lichten op het gebied van voedselbeheer en voedselverspilling;

115.  betreurt dat, ondanks individuele en beperkte initiatieven binnen enkele instellingen van de Unie, de Europese organen niet beschikken over een wettelijk kader, noch over gemeenschappelijke richtsnoeren voor de verwerking van niet-geconsumeerd voedsel dat afkomstig is van de cateringdiensten van de instellingen; verzoekt de Commissie gemeenschappelijk regels op te stellen met betrekking tot voedselverspilling binnen de Europese instellingen, inclusief richtsnoeren om voedselverspilling te voorkomen en regels voor voedseldonatie, om de voedselverspilling die wordt veroorzaakt door de Europese instellingen, tot een minimum te beperken;

Deel IX – Speciaal verslag nr. 35/2016 van de Rekenkamer met als titel "Gebruikmaking van begrotingssteun ter verbetering van de mobilisering van binnenlandse inkomsten in Afrika ten zuiden van de Sahara"

116.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer; sluit zich aan bij de aanbevelingen erin; verheugt zich over de bereidheid van de Commissie om deze aanbevelingen in praktijk te brengen; betreurt de eerder vage en weinig ambitieuze antwoorden van de Commissie;

117.  benadrukt het belang van de mobilisering van binnenlandse inkomsten (DRM - Domestic Resource Mobilisation) in landen met een lager ontwikkelingsniveau aangezien DRM de afhankelijkheid van ontwikkelingssteun doet afnemen, tot een beter openbaar bestuur leidt en van essentieel belang is voor de staatsopbouw;

118.  benadrukt dat de Commissie er volgens de Rekenkamer nog niet in geslaagd is contracten voor begrotingssteun doeltreffend te gebruiken ter ondersteuning van DRM in landen met lage en lagermiddeninkomens in Afrika ten zuiden van de Sahara; stelt evenwel vast dat de nieuwe aanpak van de Commissie het potentieel van deze vorm van hulpverlening voor de ondersteuning van DRM effectief heeft vergroot;

119.  wijst erop dat sterkere belastingstelsels niet alleen bijdragen tot meer voorspelbare inkomsten maar ook tot meer verantwoordelijkheid vanwege regeringen doordat er een rechtstreekse band ontstaat tussen de belastingbetalers en hun regering; steunt de uitdrukkelijke vermelding van de verbetering van DRM op de lijst van de Commissie met de belangrijkste uitdagingen op het gebied van ontwikkeling via begrotingssteun;

120.  betreurt dat de Commissie DRM onvoldoende in aanmerking heeft genomen bij de uitwerking van haar begrotingssteunmaatregelen; beklemtoont dat belangrijke risico's in verband met belastingvrijstellingen en met de inning en overdracht van belastingen en van niet-belastinginkomsten uit natuurlijke hulpbronnen niet geëvalueerd werden;

121.  benadrukt het feit dat inkomstenmobilisering in ontwikkelingslanden belangrijk is en wijst tegelijk op uitdagingen in verband met belastingontwijking, belastingontduiking en illegale financiële stromen; pleit voor het versterken van de financiële en technische bijstand aan ontwikkelingslanden en van regionale kaders voor belastingdiensten, en voor de vaststelling van beginselen voor onderhandelingen over belastingverdragen;

122.  wijst erop dat bij de controle een tekort is gebleken aan passende monitoringinstrumenten om te beoordelen in welke mate de begrotingssteun heeft bijgedragen tot algehele verbeteringen in DRM;

123.  is van mening dat het van essentieel belang is op het gebied van belastingbeleid eerlijke en transparante binnenlandse belastingstelsels te blijven bevorderen, op het gebied van natuurlijke hulpbronnen de steun op te voeren voor toezichtprocessen en -organen en bestuurshervormingen ter bevordering van duurzame exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en transparantie te blijven ondersteunen; benadrukt dat vrijhandelsovereenkomsten de belastinginkomsten voor landen met lage en lagermiddeninkomens verlagen en voor deze landen contraproductief kunnen zijn; eist dat de Commissie garandeert dat in haar risicobeoordelingen in het kader van onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van vrijhandelsovereenkomsten met landen met lage en lagermiddeninkomens;

124.  vraagt de Commissie zich aan haar richtsnoeren te houden bij de uitvoering van macro-economische beoordelingen en beoordelingen van het beheer van de overheidsfinanciën in het kader van DRM, om een beter overzicht te krijgen van de meest problematische kwesties, bijvoorbeeld de omvang van fiscale stimuleringsmaatregelen, interne verrekenprijzen en belastingontduiking;

125.  benadrukt dat, om de opstelling van begrotingssteunmaatregelen te verbeteren, de procedure voor het identificeren van risico's voor de verwezenlijking van de gestelde doelen omvattender moet zijn en indien mogelijk gebruikmaking moet omvatten van het diagnostisch beoordelingsinstrument voor belastingadministratie;

126.  onderstreept dat DRM-specifieke voorwaarden vaker moeten worden toegepast, aangezien deze de uitkering van begrotingssteunbetalingen duidelijk koppelen aan de vorderingen van het partnerland op het gebied van DRM-hervormingen; vraagt de Commissie de voorwaarden te selecteren die relevant zijn en de grootste impact zullen hebben op DRM;

127.  erkent dat de Commissie moet optreden in een ingewikkelde politieke en institutionele context; wijst nogmaals op het belang van een gestructureerde beleidsdialoog met vertegenwoordigers van de nationale regering en andere donors om cruciale aandachtsgebieden te identificeren en een hulpstrategie op maat uit te werken;

128.  spoort de Commissie ertoe aan het onderdeel capaciteitsopbouw van de begrotingssteun uit te breiden, aangezien deze component stevige grondslagen legt voor een economische en sociale transformatie op lange termijn en een aantal belangrijke belemmeringen voor de efficiënte inning van overheidsinkomsten uit de weg ruimt;

129.  wijst erop dat het bevestigen van een rechtstreekse impact van begrotingssteuninspanningen op de mobilisering van binnenlandse inkomsten een gedetailleerdere beoordeling vereist van specifieke onderdelen van een belastingstelsel, waarmee gemaakte vorderingen kunnen worden gelinkt aan afzonderlijke delen van de verleende steun;

Deel X – Speciaal verslag nr. 36/2016 van de Rekenkamer met als titel "Een beoordeling van de regelingen voor de afsluiting van de programma's 2007-2013 voor cohesie en plattelandsontwikkeling"

130.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

131.  merkt tevreden op dat de Commissie de lidstaten passende en tijdige ondersteuning heeft geboden bij hun voorbereiding op de afsluiting van de programma’s van de periode 2007-2013;

132.  is ingenomen met de bereidheid van de Commissie om verdere harmonisatie na te streven van de regelgeving van de fondsen, onder meer met betrekking tot de terminologie en zekerheids- en afsluitingsprocessen, wanneer daarmee het beheer van EU-fondsen wordt verbeterd en bijgedragen wordt aan een eenvoudigere en effectievere tenuitvoerlegging in de lidstaten en regio's;

133.  merkt op dat zes belangrijke projectbesluiten voor de periode 2007-2013 nog steeds niet zijn genomen;

134.  merkt met verbazing op dat de Commissie weigert om specifieke toezeggingen te doen ten aanzien van wetgevingsvoorstellen voor de periode na 2020, gelet op het feit dat zij reeds kan bouwen op de ervaring van twee volledige financiële perioden (2000-2006 en 2007-2013); is echter gerustgesteld door het feit dat deze weigering vooral was ingegeven door zorgen van de Commissie over haar wettelijke prerogatieven en niet door onenigheid over de inhoud;

135.  steunt het verzoek van de Rekenkamer om verdere afstemming van de wettelijke bepalingen inzake afsluiting tussen cohesie en de investeringsgerelateerde maatregelen in het kader van plattelandsontwikkeling;

136.  is van mening dat gecalculeerde restrisicopercentages een onzekere factor blijven op basis van ervaring en ten hoogste kunnen worden gezien als richtpunten;

137.  constateert dat de Rekenkamer verlangt dat er geen overlapping meer is tussen de subsidiabiliteitsperiode en de volgende programmaperiode en bezorgd is dat verlengde subsidiabiliteitsperioden (n+2, n+3) een van de redenen zijn voor financiële achterstanden en de late start van de volgende programmaperiode, tezamen met vertraging bij de afronding van de herziene wetgeving betreffende programmering en financiering en daarmee verband houdende uitvoeringsregels, met name in 2014-2015; benadrukt in verband hiermee dat het belangrijk is te zorgen voor maximale absorptie en het vlotte verloop van meerjarige projecten;

138.  merkt op dat de definitieve afsluiting van de financiële periode slechts plaatsvindt om de zeven jaar; is het bijgevolg eens met de Rekenkamer dat de Commissie de begrotingsautoriteit en de Begrotingscommissie van het Parlement moet informeren over de definitieve uitkomst van de afsluitingsprocedure in een afzonderlijk document; is van mening dat dit in document niet alleen de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven moet worden bevestigd, maar ook het resultaat en de impact van de programma's moeten worden gemeten (prestatiegerichte aanpak);

Deel XI – Speciaal verslag nr. 1/2017 van de Rekenkamer met als titel "Meer inspanningen nodig om het Natura 2000-netwerk zo te ontwikkelen dat het volledige potentieel ervan wordt gerealiseerd"

139.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

140.  benadrukt het feit dat biodiversiteit belangrijk is voor de mensheid; wijst erop dat het Natura 2000-netwerk, dat is opgericht in het kader van de vogelrichtlijn(13) en de habitatrichtlijn(14), de hoeksteen vormt van de strategie van de Unie inzake biodiversiteit; stelt evenwel met bezorgdheid vast dat het potentieel ervan nog niet ten volle is benut;

141.  merkt op dat de algemene rol van de Commissie erin bestaat advies te verlenen aan de lidstaten; betreurt het feit dat de lidstaten onvoldoende met het advies van de Commissie rekening hebben gehouden;

142.  betreurt dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat de lidstaten Natura 2000 niet naar behoren hebben beheerd en dat de coördinatie tussen de nationale instanties en de belanghebbenden in de lidstaten ontoereikend was;

143.  herinnert eraan dat de tenuitvoerlegging van Natura 2000 door het grensoverschrijdende karakter ervan een goede coördinatie vereist tussen de lidstaten; verzoekt de lidstaten een solide structuur op te zetten op nationaal niveau om grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen; verzoekt de Commissie de lidstaten betere begeleiding te bieden om een samenwerkingsplatform op te zetten;

144.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de instandhoudingsdoelstellingen vaak niet specifiek genoeg en niet gekwantificeerd waren, terwijl de beheersplannen niet nauwkeurig gedefinieerd waren en geen mijlpalen bevatten voor de voltooiing ervan; herhaalt dat de meerwaarde van Natura 2000 kan belemmeren; verzoekt de Commissie de regels inzake een effectieve aanpak voor het opstellen van instandhoudingsdoelstellingen en beheersplannen in de volgende programmeringsperiode te harmoniseren; verzoekt de Commissie tevens na te gaan of de lidstaten het advies volgen en hun indien nodig bijkomende adviserende ondersteuning te verlenen;

145.  verzoekt de lidstaten de nodige instandhoudingsmaatregelen tijdig uit te voeren om de meerwaarde ervan te waarborgen en de beheersplannen dienovereenkomstig te actualiseren; verzoekt de Commissie een grondige controle te verrichten naar mogelijks uitgestelde instandhoudingsprojecten;

146.  wijst erop dat, om het Natura 2000-netwerk doeltreffend te maken, de betrokkenheid van belangrijke stakeholders zoals grondeigenaren en -gebruikers van essentieel belang is; betreurt dat er in de meeste lidstaten geen effectieve communicatiekanalen bestaan; verzoekt de lidstaten te zorgen voor een betere coördinatie tussen de nationale instanties en de diverse belanghebbenden;

147.  is bezorgd over het feit dat de lidstaten projecten die negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden niet op passende wijze hebben beoordeeld, dat de compenserende maatregelen onvoldoende zijn benut en dat de aanpak tussen de lidstaten sterk varieert; verzoekt de Commissie de lidstaten gestructureerder te adviseren over hoe en wanneer compenserende maatregelen in de praktijk moeten worden toegepast en toe te zien op het gebruik ervan;

148.  betreurt dat de programmeringsdocumenten voor de periode 2014-2020 de financieringsbehoeften niet volledig weergaven en dat de Commissie de tekortkomingen niet op gestructureerde wijze heeft aangepakt; verzoekt de Commissie de volgende programmeringsperiode grondiger voor te bereiden;

149.  betreurt dat de monitoring- en rapportagesystemen voor Natura 2000 niet geschikt waren om uitgebreide informatie te verschaffen over de doeltreffendheid van het netwerk; is bezorgd over het feit dat er geen specifiek prestatie-indicatorsysteem voor het gebruik van middelen van de Unie is ontwikkeld om de prestaties van het Natura 2000-netwerk weer te geven; is van mening dat dit de efficiëntie van het Natura 2000-netwerk belemmert; is ingenomen met het feit dat de Commissie een reeks verplichte alomvattende indicatoren heeft geïntroduceerd voor alle projecten in het kader van het LIFE-programma voor de programmeringsperiode 2014-2020; verzoekt de Commissie dezelfde aanpak toe te passen voor andere programma's in de volgende programmeringsperiode;

150.  stelt met bezorgdheid vast dat de monitoringplannen op gebiedsniveau vaak niet waren opgenomen in de beheersdocumenten van het gebied, en dat zij niet gedetailleerd waren of beperkt waren in de tijd; is verder bezorgd over het feit dat de standaard gegevensformulieren niet geactualiseerd waren en dat de door de lidstaten verstrekte gegevens voor het verslag over de stand van de natuur onvolledig en onnauwkeurig waren en niet met elkaar konden worden vergeleken; verzoekt de lidstaten en de Commissie deze kwestie in het beoogde actieplan op te lossen;

151.  is ingenomen met het feit dat de Commissie een centraal register heeft ontwikkeld voor de registratie van klachten en onderzoeken in verband met Natura 2000; merkt op dat een meerderheid van de zaken werd afgesloten zonder verdere procedurele stappen; verzoekt de Commissie om een strikte follow-up van alle klachten en onderzoeken;

152.  is ingenomen met de invoering van het biogeografische proces dat voorziet in samenwerking tussen belanghebbenden inzake het beheer van Natura 2000 en een bijbehorend netwerkingmechanisme; verzoekt de Commissie evenwel een taalbarrièreprobleem op te lossen dat de werking ervan belemmert;

153.  betreurt ten zeerste dat het prioritaire actiekader (Prioritised Action Framework - PAF) een onbetrouwbaar beeld van de kosten van het Natura 2000-netwerk schetste en dat de door de lidstaten vermelde gegevens onjuist en beperkt waren; stelt met bezorgdheid vast dat de ramingen van de financiering onbetrouwbaar waren en niet met elkaar konden worden vergeleken, waardoor het moeilijk was een nauwkeurig beeld te krijgen van het bedrag aan middelen van de Unie dat voor Natura 2000 is uitgetrokken; betreurt dat dit tot gevolg had dat de prioritaire actiekaders slechts een beperkt nut hadden om de coherentie van de EU-financiering ter bescherming van de biodiversiteit in het kader van Natura 2000 te waarborgen; moedigt de Commissie aan de lidstaten meer gestructureerde richtsnoeren te verstrekken voor rapportage over, toezicht op en voltooiing van de prioritaire actiekaders; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de verstrekte gegevens nauwkeurig zijn;

154.  is van mening dat de financiële middelen voor Natura 2000 identificeerbaar moeten zijn en het gebruik ervan traceerbaar, omdat het effect van de investeringen anders niet kan worden gemeten; voor zover Natura 2000 wordt medegefinancierd door het EFRO/CF en het Elfpo, verzoekt de betrokken directoraten-generaal van de Commissie een specifiek hoofdstuk over Natura 2000 op te nemen in hun jaarlijkse activiteitenverslagen;

155.  is ingenomen met de oprichting van de deskundigengroep en de ad-hocwerkgroepen inzake harmonisering van de praktijken en verzoekt de Commissie in de volgende programmeringsperiode gebruik te maken van de resultaten van hun werkzaamheden;

156.  verzoekt de Commissie de bevoegde commissies van het Parlement in te lichten over het actieplan voor een betere uitvoering van de natuurrichtlijnen(15);

Deel XII – Speciaal verslag nr. 2/2017 van de Rekenkamer met als titel "De onderhandelingen van de Commissie over de partnerschapsovereenkomsten en programma's op cohesiegebied voor de periode 2014-2020: doelgerichtere uitgaven voor prioriteiten van Europa 2020, maar steeds complexere regelingen voor prestatiemeting"

157.  is ingenomen met de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer in zijn speciaal verslag; acht de analyse van de Rekenkamer van de programmeringsfase 2014-2020 van de ESIF-tenuitvoerlegging nuttig en is van mening dat deze gelegen komt om de wetgevers en de Commissie geschikte conclusies te helpen trekken voor de periode na 2020;

158.  neemt kennis van de antwoorden van de Commissie en van het feit dat de Commissie vijf aanbevelingen van de Rekenkamer volledig aanvaardt en twee gedeeltelijk; is ingenomen met de bereidheid van de Commissie om de aanbevelingen uit te voeren en roept de Commissie en de lidstaten op ze volledig en tijdig uit te voeren;

159.  is het niet eens met de mening van de Rekenkamer en de Commissie dat de uitgebreide bevoegdheden van het Parlement op zich tot onnodige vertraging hebben geleid voor het aannemen van de betreffende regelgeving voor de periode 2014-2020;

160.  betreurt dat de vertraging bij de indiening door de Commissie van haar voorstel voor het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode na 2020, die kan leiden tot ernstige vertraging bij de onderhandelingen over en de vaststelling van de overeenkomstige wetgeving inzake het MFK en de financiële programma's en instrumenten, op die manier de tijdige uitvoering daarvan in de periode na 2020 in gevaar brengt;

161.  benadrukt dat het voorstel voor nieuwe regelgeving voor het cohesiebeleid voor de periode na 2020, in de vorm van één pakket regels of een andere vorm, in de praktijk moet zorgen voor vereenvoudiging, gemakkelijkere toegang tot fondsen en succesvolle uitvoering van de doelstellingen van dit beleid;

162.  benadrukt dat een herhaling moet worden voorkomen van de vertraging bij het aannemen van de operationele programma's, alsmede een herhaling van de door de Rekenkamer vastgestelde problemen, zoals meer complexe, veeleisende en langdurige onderhandelingen over de ESIF-regelgeving voor de periode 2014-2020, laattijdige aanneming van secundaire wetgeving en richtlijnen en de noodzaak van diverse ronden voor de goedkeuring van de operationele programma's door de Commissie; betreurt dat deze tekortkomingen ingaan tegen de doelstelling van vereenvoudiging van het beheersysteem van het cohesiebeleid;

163.  merkt op dat de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 2/2017 tot de conclusie komt dat partnerschapsovereenkomsten een doeltreffend instrument zijn gebleken voor het afschermen van ESI-middelen voor thematische doelstellingen en investeringsprioriteiten en voor het ondersteunen van de focus op de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor groei en werkgelegenheid; benadrukt echter dat de succesvolle tenuitvoerlegging van de doelstellingen een toereikende begroting vereist voor het cohesiebeleid in de periode na -2020;

164.  merkt op dat, in tegenstelling tot vorige perioden, de opmerkingen van de Commissie over de ontwerpen van operationele programma's moeten worden goedgekeurd door het college van commissarissen, terwijl in de vorige programmeringsperiode enkel de definitieve operationele programma's door het college moesten worden goedgekeurd; verzoekt de Commissie de toegevoegde waarde van deze procedure opnieuw te bekijken bij het opstellen van haar voorstel voor de programmeringsperiode na 2020;

165.  verzoekt de Commissie bovengenoemde problemen zorgvuldig te analyseren en maatregelen te nemen om ze in de periode na 2020 te voorkomen, alle nodige verbeteringen op te nemen en een snelle en kwalitatief hoogstaande programmering mogelijk te maken;

166.  roept de lidstaten en de Commissie op om bij het opstellen van de operationele programma's intensiever te overleggen, zodat zij snel kunnen worden goedgekeurd;

167.  benadrukt het feit dat het belangrijk is precieze en geharmoniseerde terminologie te gebruiken, om ervoor te zorgen dat de verwezenlijkingen van het cohesiebeleid behoorlijk kunnen worden gemeten; betreurt dat de Commissie geen gemeenschappelijke definities heeft voorgesteld voor "resultaten" en "output" in haar voorstel voor het nieuwe financieel reglement; roept de Commissie op zo vlug mogelijk, en in ieder geval ruim voor de start van de periode na 2020, heldere gemeenschappelijke definities op te stellen voor begrippen als "opbrengst”, "resultaten" en "impact";

168.  herinnert eraan dat voldoende administratieve capaciteit, vooral op nationaal en regionaal niveau, essentieel is voor een vlot beheer en een vlotte uitvoering van de operationele programma's, inclusief monitoring en verslaglegging met betrekking tot de gerealiseerde doelstellingen en de behaalde resultaten via de desbetreffende indicatoren; dringt er in verband hiermee op aan dat de Commissie en de lidstaten gebruik maken van de beschikbare technische bijstand voor het verbeteren van de administratieve capaciteit op verschillende niveaus;

169.  roept de Commissie op het delen van goede praktijken op alle niveaus te versterken en te vergemakkelijken;

170.  is bezorgd over het feit dat de lidstaten een veelheid aan bijkomende opbrengst- en resultaatindicatoren toepassen naast de indicatoren waarin is voorzien in de basiswetgeving; vreest voor een "gold plating"-effect, dat het gebruik van de structuurfondsen omslachtiger en minder effectief kan maken; roept de Commissie op de lidstaten te ontmoedigen voor deze aanpak te kiezen;

171.  benadrukt het feit dat meting van de effecten van programma's op middellange en lange termijn ertoe doet, aangezien beleidsmakers enkel wanneer de effecten zijn gemeten, kunnen vaststellen of de politieke doelstellingen zijn behaald; roept de Commissie op tijdens de programmeringsperiode na 2020 de effecten expliciet te meten;

Deel XIII – Speciaal verslag nr. 3/2017 van de Rekenkamer met als titel "EU-Bijstand aan Tunesië"

172.  is ingenomen met het speciaal verslag waarin de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de bijstand van de Unie aan Tunesië worden beoordeeld; onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

173.  stelt vast dat de middelen van de Unie over het algemeen goed werden besteed aangezien daarmee een aanzienlijke bijdrage is geleverd aan de democratische overgang en de economische stabiliteit van Tunesië na de revolutie;

174.  stelt vast dat de acties van de Unie goed werden gecoördineerd met de voornaamste donoren en binnen de Europese instellingen en diensten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat er een gezamenlijke programmering met de lidstaten tot stand komt met het oog op een betere focus en coördinatie van de steun;

175.  erkent dat de Commissie en de EDEO in een onstabiele politieke, sociale en veiligheidscontext moesten werken, wat een grote uitdaging vormde om omvattende steun te verlenen;

176.  verzoekt de Commissie de aanpak voor sectorale begrotingssteun nog fijner af te stemmen door de prioriteiten van het land te schetsen en voorwaarden te bepalen, en zo een meer gestructureerde en gerichte aanpak van de Unie te faciliteren en de algemene geloofwaardigheid van de Tunesische nationale strategie te vergroten;

177.  merkt op dat de financiering van de Unie een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd tot de democratische overgang en de economische stabiliteit in Tunesië; verzoekt de Commissie en de EDEO evenwel het toepassingsgebied van hun acties te beperken tot een kleiner aantal welomschreven gebieden om een optimaal effect van de bijstand van de Unie te bereiken;

178.  verzoekt de Commissie de beste praktijken met betrekking tot de programma's voor begrotingssteun te volgen en de bestedingsvoorwaarden daarvan toe te passen om de Tunesische autoriteiten ertoe aan te zetten noodzakelijke hervormingen door te voeren; spreekt zijn bezorgdheid uit over een soepele toewijzing van "meer voor meer"-middelen, die doorgaans niet gekoppeld was aan de nakoming van aanvullende voorwaarden en niet werd voorafgegaan door een gedegen meting van de geboekte vooruitgang;

179.  benadrukt het belang van een uitgebreide beoordeling van het beheer van de overheidsfinanciën, bij voorkeur met gebruikmaking van PEFA(16), teneinde mogelijke gebreken in steunverlening van de Unie te identificeren en aan te pakken;

180.  verzoekt de Commissie de opzet van de programma's en projecten te verbeteren door een reeks specifieke ijkpunten en indicatoren vast te stellen waarmee naar behoren kan worden beoordeeld in hoeverre de doelstellingen zijn behaald;

181.  benadrukt dat de klemtoon moet liggen op duurzame economische ontwikkeling op de lange termijn, en niet op maatregelen die slechts een tijdelijk herstel van de arbeidsmarkt met zich meebrengen;

Deel XIV – Speciaal verslag nr. 4/2017 van de Rekenkamer met als titel "Het beschermen van de EU-begroting tegen onregelmatige uitgaven: in de periode 2007-2013 maakte de Commissie op cohesiegebied in toenemende mate gebruik van preventieve maatregelen en financiële correcties"

182.  is ingenomen met de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer in zijn speciaal verslag;

183.  onderkent dat het belangrijk is de doelstellingen van het cohesiebeleid te verwezenlijken, te weten de terugdringing van het verschil in ontwikkelingsniveau tussen regio's, de herstructurering van industriegebieden met afnemende economische activiteit en de bevordering van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking, om zo bij te dragen aan de verwezenlijking van de strategische doelstellingen van de Unie; is van mening dat dit belangrijke karakter het aanzienlijke aandeel van het cohesiebeleid in de begroting van de Unie rechtvaardigt; benadrukt dat goed financieel beheer ervan en preventie en afschrikking van onregelmatigheden, alsmede financiële correcties belangrijk zijn;

184.  neemt er kennis van dat de Commissie alle aanbevelingen van de Rekenkamer heeft aanvaard en verzoekt de Commissie de aanbevelingen volledig en tijdig ten uitvoer te leggen;

185.  merkt op dat de Commissie in het algemeen doeltreffend gebruik heeft gemaakt van de tot haar beschikking staande maatregelen gedurende de programmeringsperiode 2007-2013 om de begroting van de Unie tegen onregelmatige uitgaven te beschermen;

186.  is verheugd dat de Commissie in de programmeringsperiode 2007-2013 veel eerder is begonnen met het toepassen van corrigerende maatregelen en financiële correcties dan in de periode 2000-2006, en met een grotere impact; benadrukt echter dat deze corrigerende maatregelen de bescherming van de financiële belangen van de Unie moeten waarborgen, maar dat hierbij tegelijk moet worden erkend dat het belangrijk is de getroffen operationele programma's tijdig en op effectieve wijze ten uitvoer te leggen;

187.  verzoekt de Commissie waakzaam te blijven bij haar onderzoek van de door de lidstaten ingediende afsluitingsverklaringen voor de programmeringsperiode 2007-2013, alsmede in de toekomst;

188.  verzoekt de Commissie een analytisch en geconsolideerd verslag uit te brengen over alle preventieve maatregelen en financiële correcties die gedurende de programmeringsperiode 2007-2013 zijn opgelegd, voortbouwend op het verslag over de voorgaande periode;

189.  onderstreept dat onderbrekingen en opschortingen van betalingen een aanzienlijk financieel risico vormen voor de lidstaten en kunnen leiden tot problemen voor de Commissie bij haar begrotingsbeheer; verzoekt de Commissie te zorgen voor evenwichtige inspanningen om de begroting te beschermen en de doelstellingen van het cohesiebeleid te realiseren;

190.  onderstreept dat, als de lidstaten zelf onregelmatigheden opsporen en preventieve maatregelen nemen, dit ervoor zal zorgen dat minder tijd wordt besteed aan het vaststellen van de problemen en dat meer tijd beschikbaar is voor het oplossen ervan; merkt op dat dit ook zal betekenen dat de beheers- en controlesystemen in de lidstaten doeltreffend werken, zodat het niveau van de onregelmatigheden lager kan liggen dan de materialiteitsdrempel; verzoekt de lidstaten daarom proactiever en verantwoordelijker te zijn en onregelmatigheden op te sporen en te corrigeren op basis van hun eigen controles en audits, en de beheers- en controlesystemen op nationaal niveau te verbeteren, om verdere financiële nettocorrecties en een verlies van financiering te voorkomen;

191.  verzoekt de lidstaten de Commissie in kwantitatief en kwalitatief opzicht toereikende informatie te verstrekken, in het geval van financiële correcties naar aanleiding van een door de Commissie uitgevoerde controle, voor het garanderen van vlotte procedures;

192.  benadrukt in verband hiermee dat rechtszekerheid, behoorlijke richtsnoeren en technische bijstand van de Commissie voor de autoriteiten van de lidstaten, inclusief een voldoende specifieke formulering van haar vereisten, belangrijk zijn; verzoekt de Commissie ook nauw samen te werken met de autoriteiten van de lidstaten om de doelmatigheid van de controles op het eerste en tweede niveau te verbeteren;

193.  verzoekt de Commissie de lidstaten richtsnoeren te verstrekken inzake geharmoniseerde verslaglegging over de toepassing van financiële correcties, om de monitoring en evaluatie van de impact van door de lidstaten uitgevoerde financiële correcties te vergemakkelijken;

194.  is het eens met de conclusie van de Rekenkamer dat het wettelijk kader inzake financiële correcties voor de programmeringsperiode na 2020 moet worden versterkt, maar dat de primaire focus moet blijven liggen op de preventie van onregelmatigheden en fraude;

195.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een geïntegreerd monitoringsysteem op te zetten om de informatie in de databanken te kunnen gebruiken voor een vergelijkende analyse, zowel wat de preventieve maatregelen als wat de financiële correcties in de periode 2014-2020 betreft, en verzoekt haar het Parlement, de Raad en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten tijdig toegang tot de informatie te verlenen;

196.  verzoekt de Rekenkamer bij haar toekomstige auditactiviteit meer te focussen op systematische tekortkomingen en aanbevelingen te doen zowel aan de Commissie als aan de lidstaten om de werking van het algemene systeem voor financieel beheer en controle te verbeteren;

Deel XV – Speciaal verslag nr. 5/2017 van de Rekenkamer met als titel "Jeugdwerkloosheid – heeft het EU-beleid een verschil gemaakt? Een evaluatie van de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief"

197.  is tevreden met het speciaal verslag van de Rekenkamer en is verheugd dat de Commissie een aantal van de aanbevelingen van de Rekenkamer aanvaardt en in overweging zal nemen;

198.  wijst erop dat de jeugdwerkloosheid in de Unie de afgelopen paar jaar is gedaald; betreurt echter dat jeugdwerkloosheid medio 2016 nog altijd 18,8 % van de jongeren trof; dringt er bij de lidstaten van de Unie met klem op aan om de beschikbare steun van de Unie te gebruiken om deze reeds lang bestaande situatie aan te pakken;

199.  maakt zich grote zorgen om het feit dat jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen (not in employment, education or training, NEET), het contact met het onderwijs en de arbeidsmarkt verloren zijn; beseft dat deze groep het moeilijkst te bereiken is door middel van de bestaande operationele programma's waarmee de financiële regelingen voor jeugdwerkloosheid worden uitgevoerd; is van mening dat voor de periode 2017-2020 moet worden gefocust op deze groep, om te waarborgen dat de belangrijkste doelstellingen van de jongerengarantie worden verwezenlijkt;

200.  benadrukt dat er voor integratie van de NEET aanzienlijk meer EU-middelen nodig zijn en dat de lidstaten tevens bijkomende middelen beschikbaar moeten stellen uit hun nationale begrotingen;

201.  benadrukt dat de jongerengarantie sinds 2012 een positieve bijdrage levert aan het aanpakken van de jeugdwerkloosheid, maar dat het niveau van de jongerenwerkloosheid onaanvaardbaar hoog blijft, en roept er daarom toe op het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te verlengen tot 2020;

202.  betreurt dat geen van de bezochte lidstaten alle NEET's de mogelijkheid kon bieden binnen vier maanden na opname in het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een aanbod aan te nemen;

203.  verwelkomt in het bijzonder de aanbeveling van de Rekenkamer dat meer aandacht moet worden besteed aan het verbeteren van de kwaliteit van de aanbiedingen;

204.  wijst erop dat de Commissie in haar mededeling van oktober 2016(17) vaststelt dat de doeltreffendheid ervan moet worden verbeterd;

205.  wijst op de aanhoudende uitdaging van discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden voor het voldoen aan de vraag op de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie in het kader van het Werkgelegenheidscomité van de Raad (EMCO) de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten te bevorderen, om deze kwestie op de werkgelegenheidsagenda te plaatsen;

206.  verwelkomt de samenwerking van de Commissie met de lidstaten voor het vaststellen en verspreiden van goede praktijken op het gebied van monitoring en verslaglegging op basis van de bestaande systemen in de lidstaten; herinnert de Commissie eraan dat de vergelijkbaarheid van gegevens hiervoor van wezenlijk belang blijft;

207.  wijst erop dat voor het realiseren van de doelstelling van een hoogwaardig, continu arbeidsaanbod voor alle jongeren onder 24 jaar in bepaalde regio's, aanzienlijk meer middelen nodig zijn;

Deel XVI – Speciaal verslag nr. 6/2017 van de Rekenkamer met als titel "De EU-reactie op de vluchtelingencrisis: de 'hotspotbenadering'"

208.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer; onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

209.  neemt kennis van het antwoord van de Commissie en van haar toezegging de Italiaanse en Griekse autoriteiten te ondersteunen; is verheugd over het feit dat de Commissie alle aanbevelingen van de Rekenkamer heeft aanvaard teneinde specifieke aspecten van de hotspotbenadering verder te ontwikkelen;

210.  betreurt het feit dat de Rekenkamer in haar speciaal verslag het bredere perspectief, inclusief de herplaatsing van asielzoekers naar andere lidstaten, niet kon behandelen; benadrukt dat de knelpunten in de vervolgprocedures een continue uitdaging vormden voor de goede werking van de hotspots;

211.  erkent dat het belangrijk is de Europese migratieagenda uit te voeren; benadrukt dat de kortetermijnmaatregelen voort moeten worden blijven ontwikkeld, alsmede de langetermijnmaatregelen, om de grenzen beter te beheren en de diepere oorzaken van illegale migratie aan te pakken;

212.  verzoekt de Commissie, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), Europol, Frontex (in het licht van zijn nieuwe mandaat als Europese grens- en kustwacht), de nationale autoriteiten en andere internationale organisaties hun steun aan de hotspots voor te zetten en op te voeren; wijst erop dat alleen een intensievere samenwerking tussen de Commissie, de agentschappen en de lidstaten op lange termijn kan zorgen voor een meer succesvolle ontwikkeling van het concept van hotspots;

213.  benadrukt in verband hiermee dat met name in Italië de niet-aflatende toestroom van migranten voor enorme uitdagingen blijft zorgen en dat steun van de Unie en haar lidstaten hiervoor van cruciaal belang is;

214.  benadrukt het feit dat het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF) belangrijk zijn; dringt aan op de mogelijkheid de financiële regels voor noodhulp toe te passen op het AMIF en het ISF; benadrukt dat de enige manier om ervoor te zorgen dat de hotspots de lidstaten in de frontlinie efficiënter ondersteunen, de toewijzing is van meer financiële middelen voor de creatie en verbetering van infrastructuur voor opvang en huisvesting, die essentieel is, wanneer enorme aantallen migranten aankomen;

215.  is tevreden met de resultaten van de audit van de Rekenkamer over de situatie van migrerende minderjarigen in de hotspots en benadrukt dat het belangrijk is een geïntegreerde aanpak te ontwikkelen voor hun opvang, waarbij altijd rekening moet worden gehouden met hun belangen; roept op tot een beter gebruik van de financiële middelen voor de opvang van minderjarigen en vraagt opleiding voor het personeel dat nauw met de meest kwetsbare personen zal samenwerken; herinnert eraan dat de Commissie na de publicatie van dit speciaal verslag een mededeling heeft gepubliceerd waarin volledig werd gefocust op migrerende minderjarigen(18); onderstreept dat deze mededeling belangrijk is en verzoekt de lidstaten volledige uitvoering te geven aan de in het document opgenomen aanbevelingen;

216.  verzoekt de Commissie en de Raad daarom om een intensivering van hun inspanningen ter ondersteuning van de hotspots, door middel van effectievere herplaatsings- en, als niet is voldaan aan de toelatingscriteria, terugkeerprocedures;

217.  maakt zich ernstig zorgen over de aanhoudende meldingen van kinderhandel; dringt aan op aanvullende maatregelen om kinderen te beschermen, met name niet-begeleide minderjarigen, vanaf het moment van hun aankomst; acht het onaanvaardbaar dat mensenhandelaars een rechtstreekse bedreiging voor kinderen blijven vormen;

218.  roept Europol op zich te blijven inspannen voor de bestrijding van illegale migratie, mensenhandel en de daarbij betrokken criminele organisaties, en de nationale autoriteiten te ondersteunen bij het uitvoeren van eventuele strafrechtelijke onderzoeken inzake het beheer van de hotspots;

219.  is verheugd over de inspanningen van de Italiaanse en Griekse nationale autoriteiten om zoveel mogelijk migranten te registreren die in hun land aankomen, met in Griekenland een registratiepercentage van 78 % in 2016 tegenover 8 % in 2015, en in Italië gemiddeld 97 % in 2016 tegenover 60 % in 2015; onderstreept dat er alleen een efficiënt opvangsysteem kan zijn, als er een duidelijk beeld is van de situatie op het terrein;

220.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat het onderzoek van de asielaanvragen in de hotspots van goede kwaliteit is; erkent de moeilijke omstandigheden waaronder de aanvragen moeten worden verwerkt, maar benadrukt dat versnelde procedures moeten worden vermeden, omdat die leiden tot fouten; benadrukt voorts dat de lidstaten in de frontlinie uitsluitend verantwoordelijk mogen zijn voor de registratie en het afnemen van vingerafdrukken van alle migranten, maar dat de follow-upprocedures een gezamenlijke verantwoordelijkheid moeten zijn van alle lidstaten, in een geest van solidariteit; dringt erop aan dat de asielzoekers op adequate wijze worden geïnformeerd over de herplaatsingsprocedure op zich, over hun rechten en over mogelijke landen van bestemming;

221.  roept de Raad op ervoor te zorgen dat het aanhoudende gebrek aan deskundigen onverwijld wordt geremedieerd door ondersteuning van het EASO alsmede van de lidstaten; is ervan overtuigd dat, vooral wat Italië betreft, aanvullende steun ook in de toekomst nodig zal blijken; verzoekt de Commissie en de Raad overeenstemming te bereiken over een plan om ervoor te zorgen dat Italië en Griekenland op verzoek over deze aanvullende capaciteit kunnen beschikken;

222.  onderstreept het feit dat de hotspots plaatsen zijn voor de registratie van binnenkomende migranten en daarom niet overbevolkt mogen raken en evenmin detentiecentra mogen worden; roept de lidstaten op zich te blijven inspannen voor de uitvoering van alle nodige maatregelen om volledig in overeenstemming te zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

223.  maakt zich zorgen over het grote aantal verschillende belanghebbenden dat momenteel bij de oprichting en werking van de hotspots betrokken is en verzoekt de Commissie en de lidstaten voorstellen in te dienen om de structuur transparanter te maken en ervoor te zorgen dat er beter verantwoording voor wordt afgelegd;

224.  beveelt de Rekenkamer aan de snelle opstelling van een follow-upverslag over de werking van de hotspots te overwegen, met een bredere benadering waarbij ook de asiel-, hervestigings- en terugkeerprocedures worden geanalyseerd;

Deel XVII – Speciaal verslag nr. 7/2017 van de Rekenkamer met als titel: "De nieuwe rol van de certificerende instanties bij GLB-uitgaven: een goede stap naar een single audit-model maar nog aanzienlijke tekortkomingen op te lossen"

225.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen; stelt met tevredenheid vast dat de Commissie de meeste aanbevelingen aanvaardt en de tenuitvoerlegging ervan overweegt of daar reeds mee gestart is;

226.  erkent de positieve vooruitgang met betrekking tot het auditmodel voor GLB-uitgaven; betreurt evenwel dat het single audit-model nog niet ten volle wordt benut;

227.  herinnert de Commissie eraan dat zij de eindverantwoordelijkheid draagt voor een efficiënte benutting van de GLB-uitgaven; moedigt de Commissie ook aan om ervoor te zorgen dat controlemethodes in de hele Unie op een voldoende uniforme wijze worden toegepast, en dat alle certificerende instanties dezelfde criteria hanteren bij de uitoefening van hun taken;

228.  merkt op dat de certificerende instanties de audits van de betaalorganen in hun respectieve landen sinds 1996 onafhankelijk hebben uitgevoerd; verneemt in dit verband met instemming dat de certificerende instanties in 2015 voor de eerste keer verplicht werden de wettigheid en regelmatigheid van de betreffende uitgaven na te gaan; vindt dit een zeer goede ontwikkeling aangezien het de lidstaten mogelijk kan helpen om hun controlesystemen te versterken en de auditkosten te verminderen, en de Commissie in staat kan stellen om onafhankelijke aanvullende zekerheid te verkrijgen over de wettigheid en regelmatigheid van de GLB-uitgaven;

229.  betreurt echter dat de Commissie het werk van de certificerende instanties maar in beperkte mate kan gebruiken, aangezien er volgens het verslag van de Rekenkamer grote tekortkomingen zijn in het ontwerp van het huidige kader, waardoor de adviezen van de certificerende instanties op een aantal belangrijke gebieden niet volledig in overeenstemming zijn met de auditnormen en -voorschriften;

230.  merkt in het verslag van de Rekenkamer met bezorgdheid op dat zowel de methodologie als de tenuitvoerlegging tekortkomingen vertonen: zo zijn de auditstrategieën ontoereikend, de steekproeven niet representatief, en hebben de auditors van de certificerende instanties niet de nodige vaardigheden en juridische deskundigheid; erkent evenwel dat 2015 voor de lidstaten een veeleisend jaar geweest kan zijn, aangezien de relevante regels en richtsnoeren van de Unie zich nog in een beginfase bevonden, en de certificerende instanties misschien nog niet genoeg informatie of opleidingen over de praktische tenuitvoerlegging daarvan of onvoldoende sturing over het vereiste aantal steekproeven hadden gekregen;

231.  roept de Commissie op tot verdere inspanningen ter remediëring van de tekortkomingen die uit het verslag van de Rekenkamer bleken, en tot de invoering van een daadwerkelijk en doeltreffend single auditmodel voor GLB-uitgaven; moedigt de Commissie aan om de certificerende instanties te monitoren en actief te ondersteunen bij de verbetering van hun werkzaamheden en methodologie met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van uitgaven;

232.  wijst in het bijzonder op de behoefte aan de ontwikkeling van meer betrouwbare werkmethoden in de richtsnoeren met betrekking tot het risico op inflatie van de betrouwbaarheid die voortvloeit uit interne controle, en onderschrijft de opmerkingen van de Rekenkamer betreffende de onvoldoende representatieve steekproeven en de soorten testen die worden toegelaten, de onnodige berekening van twee verschillende foutenpercentages en de manier waarop de percentages worden gebruikt, en de onbetrouwbare adviezen op basis van een onderschatting;

233.  stelt in het verslag van de Rekenkamer ook vast dat de Commissie ondanks de vaak onbetrouwbare aard van de controlestatistieken van de lidstaten haar betrouwbaarheidsmodel toch op deze gegevens blijft baseren, en dat het advies van de certificerende instanties in 2015 slechts een van de factoren was waarmee rekening werd gehouden;

234.  betreurt dat deze onbetrouwbaarheid duidelijke gevolgen heeft; wijst er bijvoorbeeld op dat DG AGRI in rechtstreekse betalingen een aanvulling heeft verstrekt voor 12 van de 69 betaalorganisaties, die een foutenpercentage van meer dan 2 % hadden, terwijl slechts één betalingsorganisatie oorspronkelijk een voorbehoud had gemaakt bij zijn verklaring, en dat DG AGRI in 2015 daarnaast voor 10 betaalorganisaties een voorbehoud heeft gemaakt; stelt eveneens vast dat DG AGRI in plattelandsgebieden aanvullingen heeft verstrekt voor 36 van de 72 betaalorganisaties, waarbij het aangepaste foutenpercentage in 14 gevallen meer dan 5 % bedroeg, en dat DG AGRI in 2015 voorbehoud heeft gemaakt voor 24 betalingsorganisaties uit 18 lidstaten;

235.  vraagt de Commissie te focussen op deze onbetrouwbaarheid en om maatregelen te ontwikkelen met het oog op een betrouwbare basis voor het betrouwbaarheidsmodel; is van oordeel dat de Commissie de certificerende instanties in dit verband actief moet ondersteunen zodat er behoorlijke adviezen verstrekt worden, en dat zij dan de informatie en gegevens die daaruit voortvloeien moet benutten;

236.  dringt er bij de Commissie op aan dat zij de certificerende instanties ertoe verplicht toereikende waarborgen in te voeren zodat de steekproeven representatief zijn, dat zij de certificerende instanties toestaat voldoende controles ter plaatse uit te voeren, dat zij hen slechts één foutenpercentage voor wettigheid en regelmatigheid laat berekenen, en dat zij ervoor zorgt dat het foutenpercentage dat door de betalingsorganisaties in hun controlestatistieken wordt gemeld, goed wordt opgenomen in het foutenpercentage van de certificerende instanties;

237.  raadt de Commissie met name aan om in adviezen de nadruk te leggen op de wettigheid en regelmatigheid van GLB-uitgaven, en hierbij een kwaliteit en omvang te verzekeren waardoor de Commissie de betrouwbaarheid van de controlegegevens van de betaalorganisaties kan nagaan, en, waar passend, op basis van de adviezen van de certificerende instanties kan berekenen of aanpassingen aan de foutenpercentages van de betaalorganisaties nodig zijn;

238.  merkt op dat de Commissie met betrekking tot aanbeveling nr. 7 van de Rekenkamer moet verzekeren dat de foutenpercentages van betalingsorganisaties niet verkeerdelijk bij elkaar opgeteld worden in het algemene foutenpercentage van certificerende instanties; is van oordeel dat de richtsnoeren hierover zo duidelijk mogelijk moeten zijn om misverstanden in financiële correcties te vermijden;

239.  stelt ook vast in het verslag van de Rekenkamer dat de voorzorgsmaatregel dat de betalingsorganisaties niet vooraf weten welke transacties opnieuw gecontroleerd zullen worden, in het geval van Italië niet in acht werd genomen, omdat de certificerende instantie de betalingsorganisatie op voorhand had meegedeeld welke begunstigden controle zouden krijgen, nog voordat de betalingsorganisatie de meeste initiële controles ter plaatse had uitgevoerd; benadrukt met klem dat een juiste toepassing van de op aanvragen gebaseerde selectiemethode in alle gevallen verzekerd moet zijn, en dat verwittigingen op voorhand niet zonder gevolgen kunnen blijven;

240.  wijst erop dat er voor niet-GBCS-verrichtingen (in het kader van het ELGF en het Elfpo) een groot verschil is tussen de rapporteringsperiode voor de controles ter plaatse (per kalenderjaar) en de periode waarvoor de steun wordt toegekend (van 16 oktober 2014 tot 15 oktober 2015 voor het begrotingsjaar 2015); stelt vast dat daardoor een aantal begunstigden die aan een controle ter plaatse onderworpen werden tijdens het kalenderjaar 2014, niet vergoed werden in het begrotingsjaar 2015, en dat de certificerende instanties de resultaten van deze transacties niet in hun berekening van het foutenpercentage van het betreffende begrotingsjaar kunnen opnemen; vraagt de Commissie om een toereikende oplossing om deze kalenders te synchroniseren;

241.  wijst erop dat de tijdschema's voor de controles voor de betalingsorganisaties zeer nipt kunnen zijn, vooral in de lidstaten met een kort groeiseizoen, en dat het verstrekken van de relevante informatie aan de certificerende instanties, op een doeltreffende en tijdige manier, vaak erg moeilijk is; stelt vast dat dit kan leiden tot het gebruik van verschillende controlemethodes en dubbele foutenpercentages, aangezien de certificerende instantie de controleprocedure van de betalingsorganisatie niet volledig kan volgen; is van oordeel dat dit probleem verholpen kan worden door middel van bijvoorbeeld satellietmonitoring;

242.  is van oordeel dat over het algemeen meer gebruik kan worden gemaakt van nieuwe technologieën bij de controle van GLB-uitgaven: waar voldoende betrouwbaarheid mogelijk is, bijvoorbeeld door satellietcontrole, moeten de begunstigden en de auditors niet belast worden met te veel audits ter plaatse; benadrukt dat het single audit-stelstel niet alleen de financiële belangen van de financiering van de Unie in het kader van GLB-uitgaven moet beschermen, maar uiteindelijk ook efficiënte controles, goed werkende administratieve systemen en een beperking van de bureaucratische lasten tot doel moet hebben;

243.  benadrukt daarnaast dat het single audit-model moet zorgen voor minder lagen in het controlesysteem en minder uitgaven voor de Unie, de lidstaten en de begunstigden, is van mening dat meer aandacht besteed moet worden aan de betrouwbaarheid van het algemene controlesysteem van de lidstaten, in plaats van louter belang te hechten aan de aanvullende controles voor de begunstigden; is van oordeel dat het controlesysteem nog te belastend is voor de begunstigden, dat in de lidstaten waar onregelmatigheden en fraude minder voorkomen, blijkt dat het algemene auditsysteem volstaat, en dat de betrouwbaarheid verzekerd kan worden door andere methoden dan een overdreven aantal controles ter plaatse;

244.  roept de Commissie op om het verslag van de Rekenkamer en de aanbevelingen van het Parlement grondig te bestuderen, en het controlesysteem voor GLB-uitgaven verder uit te bouwen tot een echt single audit-model;

245.   benadrukt dat de Commissie vele van de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen aan de orde heeft gesteld en behandeld in haar richtsnoeren van 2018; is verheugd over de gestage vooruitgang die door de certificerende instanties wordt geboekt;

Deel XVIII – Speciaal verslag nr. 8/2017 van de Rekenkamer met als titel "EU-visserijcontroles: meer inspanningen nodigmeer inspanningen nodig"

246.  verzoekt de lidstaten, teneinde de informatie over de vangstcapaciteit nauwkeuriger te maken, om tegen 2018 procedures in te stellen voor het verifiëren van de nauwkeurigheid van de informatie in hun nationale vlootregisters;

247.  verzoekt de Commissie, in de context van elke toekomstige wijziging van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(19) ("de controleverordening") en teneinde de informatie over de vangstcapaciteit nauwkeuriger te maken, om in haar wetgevingsvoorstel gedetailleerde regels op te nemen voor de reguliere documentencontroles en controles ter plaatse van de indicatoren zowel van de brutotonnage (GT) als van het motorvermogen (kW) die worden gebruikt voor de berekening van de vangstcapaciteit;

248.  verzoekt de Commissie, in het kader van een toekomstige wijziging van de controleverordening en teneinde de activiteiten van kleine vissersvaartuigen beter te monitoren, om in haar wetgevingsvoorstel:

   a) VMS(20)uitzonderingen voor vaartuigen tussen 12 en 15 meter te schrappen;
   b) de installatie van kleinere en goedkopere plaatsbepalingssystemen voor vaartuigen van minder dan 12 meter lang voor te schrijven;

249.  verzoekt de lidstaten, teneinde de transparantie met betrekking tot de verdeling van de visquota te waarborgen, uiterlijk in 2019 overeenkomstig artikel 16 van de GVB-verordening(21) de Commissie te informeren over hun systemen voor quotatoewijzingen, met inbegrip van de wijze waarop de verdeling van de visquota onder belanghebbenden berust op transparante en objectieve criteria;

250.  verzoekt de lidstaten, teneinde de volledigheid en betrouwbaarheid van de visserijgegevens te verbeteren, om uiterlijk in 2019:

   a) het proces voor de invoering en verificatie van gegevens op papier over visserijactiviteiten te evalueren en te verbeteren; geleidelijk processen in te voeren voor het registreren en verifiëren van de elektronische gegevens over visserijactiviteiten die door vaartuigen van minder dan tien meter lang worden doorgestuurd; te waarborgen dat deze systemen verenigbaar zijn en gegevensuitwisseling tussen de lidstaten, de Commissie en het Europees Bureau voor visserijcontrole mogelijk maken;
   b) te waarborgen dat zij over betrouwbare gegevens beschikken over de activiteiten van vaartuigen van minder dan tien meter lang door de geleidelijke invoering van passende, goedkopere en gebruiksvriendelijkere voorschriften inzake registratie en rapportering, en te zorgen voor de toepassing van de regels als vastgesteld in de controleverordening om deze gegevens te verzamelen;
   c) de validatie en kruiscontroles van gegevens over visserijactiviteiten af te ronden;

251.  verzoekt de Commissie uiterlijk in 2020:

   a) een platform voor de uitwisseling van informatie op te zetten dat door de lidstaten moet worden gebruikt om gevalideerde gegevens in gestandaardiseerde formaten en met een gestandaardiseerde inhoud te versturen, zodat de informatie die ter beschikking staat van de verschillende diensten van de Commissie, overeenkomt met de gegevens van de lidstaten;
   b) de ontwikkeling van een goedkoper, eenvoudiger en gebruiksvriendelijker systeem te bevorderen om de elektronische communicatie van visserijactiviteiten voor vaartuigen van minder dan 12 meter lang te vergemakkelijken; voor vaartuigen van tien tot twaalf meter lang de verplichting in te voeren gebruik te maken van elektronische registratie- en rapporteringssystemen (e-logboeken) in plaats van systemen op papier; voor vaartuigen van minder dan tien meter lang geleidelijk de verplichting in te voeren om hun vangsten te registreren en te rapporteren door middel van een goedkoper, eenvoudiger en gebruiksvriendelijker elektronisch systeem;
   c) de overige problemen met de volledigheid en betrouwbaarheid van gegevens op lidstaatniveau te analyseren en waar nodig met de lidstaten passende acties overeen te komen;

252.  verzoekt de Commissie, in het kader van een toekomstige wijziging van de controleverordening en teneinde de volledigheid en betrouwbaarheid van visserijgegevens te verbeteren, om in haar wetgevingsvoorstel:

   a) de vrijstelling van aangiften via het elektronisch meldsysteem en elektronische aangiften voor vaartuigen tussen 12 en 15 meter lang te schrappen;
   b) de rapportageverplichtingen voor vangstgegevens van de lidstaten in het kader van de controleverordening te herzien en er gedetailleerdere informatie over visgebied, omvang van de vaartuigen en vistuig in op te nemen;

253.  verzoekt de lidstaten, teneinde de inspecties te verbeteren, gestandaardiseerde inspectieprotocollen en -verslagen te ontwikkelen en te gebruiken die beter afgestemd zijn op de specifieke regionale en technische voorwaarden van de visserijtakken dan die welke worden vermeld in bijlage XXVII van Verordening (EU) nr. 404/2011(22); verzoekt de lidstaten dit te doen in overleg met het het Europees Bureau voor visserijcontrole en uiterlijk in 2019, wanneer de nieuwe verordening inzake technische maatregelen(23) naar verwachting in werking treedt;

254.  verzoekt de Commissie, in het kader van een toekomstige wijziging van de controleverordening, om in haar wetgevingsvoorstel het verplichte gebruik van het systeem voor elektronische inspectierapportage door de lidstaten op te nemen om ervoor te zorgen dat hun nationale inspectieresultaten volledig zijn en regelmatig worden bijgewerkt; verzoekt de Commissie in het voorstel eveneens een verplichting op te nemen voor de lidstaten om de resultaten van inspecties met de andere betrokken lidstaten te delen;

255.  verzoekt de lidstaten, teneinde ervoor te zorgen dat het sanctiesysteem doeltreffend is, om uiterlijk in 2019:

   a) bij de vaststelling van sancties naar behoren rekening te houden met herhaaldelijke inbreuken of hardnekkige overtreders;
   b) de puntensystemen volledig in te voeren en ervoor te zorgen dat deze consequent worden toegepast op hun grondgebied om een gelijk speelveld voor exploitanten te garanderen;

256.  verzoekt de Commissie, in het kader van een toekomstige wijziging van de controleverordening, om in haar wetgevingsvoorstel een bepaling op te nemen die voorziet in een systeem om gegevens over inbreuken en sancties uit te wisselen in samenwerking met het Europees Bureau voor visserijcontrole en de lidstaten;

Deel XIX – Speciaal verslag nr. 9/2017 van de Rekenkamer met als titel "EU-steun voor de strijd tegen mensenhandel in Zuid- en Zuidoost-Azië"

257.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer; onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

258.  erkent dat de Unie, ondanks de moeilijke omstandigheden waarin moest worden gewerkt, een concrete bijdrage heeft geleverd aan de strijd tegen mensenhandel in Zuid- en Zuidoost-Azië;

259.  is ingenomen met de vooruitgang die in de strijd tegen mensenhandel is geboekt dankzij maatregelen als de aanstelling van Europese migratieverbindingsfunctionarissen in welbepaalde landen; dringt erop aan op de ingeslagen weg voort te gaan;

260.  moedigt de Unie aan nauwer samen te werken met de nationale en regionale overheden, alsook met andere organisaties in de regio (zoals de VN, ASEAN en op dit gebied actieve ngo's) en het maatschappelijk middenveld om een beter overzicht te krijgen van de resterende prioriteiten en zo een gerichter actieplan te kunnen opstellen;

261.  benadrukt dat het van cruciaal belang is extreme armoede en discriminatie van minderheden en op grond van geslacht in Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen uit te bannen, alsook hun democratische en mensenrechtenfundamenten met de steun van het EIDHR te consolideren;

262.  verzoekt de Commissie een omvattende, samenhangende en betrouwbare databank betreffende financiële steun ter bestrijding van mensenhandel te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de middelen eerlijker worden verdeeld en terechtkomen bij de ontvangers die deze echt het dringendst nodig hebben; is het met de Raad eens dat er een geactualiseerde lijst moet worden opgesteld van regio's en landen die door mensenhandel worden getroffen en dat deze lijst moet worden opgenomen in de databank;

263.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van december 2017 over de follow-up van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel en het vaststellen van verdere concrete maatregelen (COM(2017)0728); verzoekt de Commissie specifieke maatregelen voor te stellen die voor elke regio moeten worden ontwikkeld;

264.  is ingenomen met het feit dat mensenhandel een prioriteit blijft in de volgende EU-beleidscyclus voor georganiseerde en zware internationale criminaliteit 2018-2021;

265.  acht het van essentieel belang de rechtshandhavingsinstanties in Zuid- en Zuidoost-Aziatische landen te versterken zodat ze doeltreffender worden in de opsporing en ontmanteling van mensenhandelnetwerken; dringt erop aan dat criminelen die betrokken zijn bij mensenhandel zwaarder worden gestraft;

266.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de strijd tegen mensenhandel in de Unie via politieke en justitiële samenwerking voort te zetten om de maffia's ten val te brengen die de Unie gebruiken als eindbestemming voor de slachtoffers van mensenhandel, zoals opgemerkt in de mededeling van december 2017;

267.  is van mening dat er een betere koppeling moet zijn tussen het tijdstip van mitigerende maatregelen en de hiertoe bestemde middelen, evenals meer samenwerking tussen de EDEO, de Commissie, de ASEAN en de Verenigde Naties om mensenhandel doeltreffender te kunnen bestrijden;

268.  verzoekt de EDEO en de Commissie het probleem van de mensenhandel ook aan te pakken door andere kanalen voor hun optreden, zoals bilaterale en multilaterale overeenkomsten, te verkennen;

Deel XX – Speciaal verslag nr. 10/2017 van de Rekenkamer met als titel "EU-steun voor jonge landbouwers moet doelgerichter worden toegewezen om doeltreffende generatievernieuwing te bevorderen"

269.  is met betrekking tot de bestaande GLB-beleidsmaatregelen van mening:

   a) dat een uitgebreide evaluatie nodig is van alle instrumenten en maatregelen die gecombineerd kunnen worden om jonge landbouwers te ondersteunen en aandacht te besteden aan vergelijkbaarheid in de hele Unie, aan de vraag of resultaatindicatoren al dan niet consistent zijn, en aan factoren die de intrede op de markt van jonge landbouwers belemmeren en bij de komende herziening van het GLB kunnen worden aangepakt;
   b) de doelstellingen beter moeten worden gedefinieerd waar het gaat om generatievernieuwing, zo mogelijk met streefcijfers, en informatie moet worden verzameld over de mate van succes bij generatievernieuwing en de factoren die hieraan bijdragen of deze tegenhouden;

270.  is van mening dat de wetgeving voor het GLB na 2020 er zo moet uitzien dat de Commissie een duidelijke interventielogica aangeeft voor de beleidsinstrumenten waarmee generatievernieuwing in de landbouw wordt aangepakt (of dat de lidstaten verplicht zijn die logica aan te geven, in overeenstemming met de bepalingen inzake gedeeld beheer); is van mening dat de interventielogica het volgende moet omvatten:

   a) een deugdelijke beoordeling van de behoeften van jonge landbouwers waarin de onderliggende oorzaken worden onderzocht van de belemmeringen waarmee jonge mensen die landbouwer willen worden, in het vestigingsproces te maken krijgen, evenals de mate van verspreiding van dergelijke belemmeringen over geografische gebieden, landbouwsectoren of andere specifieke kenmerken van landbouwbedrijven;
   b) een beoordeling van de behoeften waarin beleidsinstrumenten van de Unie kunnen voorzien en de behoeften waarin het beleid van de lidstaten beter tegemoet kan komen, alsmede een analyse van de vormen van steun (bijv. rechtstreekse betalingen, forfaitair bedrag, financiële instrumenten) die het meest geschikt zijn om te voorzien in de vastgestelde behoeften;
   c) bewustmakingsmaatregelen met betrekking tot mogelijke soorten steun voor eerdere overdracht van landbouwbedrijven aan een opvolger, met begeleidende adviesdiensten of -maatregelen zoals een bevredigende pensioenregeling die gebaseerd is op nationale of regionale inkomens of inkomsten in de landbouw-, voedingsmiddelen- en bosbouwsector;
   d) ongeacht de lange termijn voor de planning van de overdracht van landbouwbedrijven, een definitie van SMART-doelstellingen, waarin de verwachte resultaten van beleidsinstrumenten wat betreft het verwachte generatievernieuwingspercentage en de bijdrage tot de levensvatbaarheid van de ondersteunde landbouwbedrijven expliciet en kwantificeerbaar worden gemaakt; is met name van mening dat duidelijk moet zijn of de beleidsinstrumenten gericht zijn op het ondersteunen van zoveel mogelijk landbouwers of op bepaalde soorten jonge landbouwers (bijvoorbeeld de hoogst opgeleide, degene die zich vestigen in probleemgebieden, degene die energie- of waterbesparingstechnologieën in hun bedrijf invoeren, degene die de winstgevendheid of productiviteit van het landbouwbedrijf vergroten, degene die meer mensen in dienst nemen);

271.  verzoekt de lidstaten bij het uitvoeren van de maatregelen in het kader van het GLB na 2020 de doelgerichtheid van de maatregelen te verbeteren door:

   a) criteria toe te passen om te waarborgen dat de meest kosteneffectieve projecten worden geselecteerd, zoals projecten die leiden tot de hoogste stijging van de duurzame productiviteit of levensvatbaarheid van de ondersteunde landbouwbedrijven, of tot de hoogste stijging van de werkgelegenheid in de gebieden met de hoogste werkloosheid of in probleemgebieden met de laagste generatievernieuwing;
   b) duidelijke criteria toe te passen voor de beoordeling van de vraag hoe jonge landbouwers kunnen worden ondersteund in het geval van gezamenlijke zeggenschap over landbouwbedrijven met de status van rechtspersoon (bijv. door vast te leggen welk percentage stemrechten of aandelen de begunstigde moet hebben of in welke periode de verschuiving van aandelen plaatsvindt, welk minimumpercentage van zijn/haar inkomsten afkomstig moet zijn van de werkzaamheden in het ondersteunde landbouwbedrijf) teneinde de steun te richten op jonge landbouwers die landbouw in het ondersteunde landbouwbedrijf tot hun belangrijkste activiteit hebben gemaakt;
   c) voldoende hoge minimumaantallen punten vast te leggen die projecten moeten halen en de begroting van de maatregelen adequaat te splitsen zodat gedurende de volledige programmeringsperiode een gelijke hoeveelheid financiering beschikbaar is voor jonge landbouwers;
   d) het gebruik van ondernemingsplannen te verbeteren als instrument om de behoefte aan overheidsfinanciering te beoordelen door zowel in de aanvraagfase de waarschijnlijke levensvatbaarheid van de landbouwbedrijven zonder steun te evalueren, als aan het eind van de projecten de impact van de steun op de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf of op andere duidelijk gespecificeerde doelstellingen (bijv. werkgelegenheid, invoering van energie- of waterbesparingstechnologieën) te beoordelen;

272.  is van mening dat wetgeving met betrekking tot maatregelen in het kader van het GLB na 2020 ervoor moet zorgen dat de Commissie en de lidstaten (overeenkomstig de bepalingen inzake gedeeld beheer) het toezicht- en evaluatiesysteem verbeteren; is met name van mening dat:

   a) de Commissie de output-, resultaat- en impactindicatoren moet vaststellen waarmee de vooruitgang, doeltreffendheid en doelmatigheid van de beleidsinstrumenten in het licht van de doelstellingen kunnen worden beoordeeld aan de hand van beste praktijken, zoals nuttige indicatoren die door de lidstaten zijn ontwikkeld in hun monitoringsystemen;
   b) de lidstaten regelmatig feitelijke gegevens moeten verzamelen over de structurele en financiële kenmerken van de ondersteunde landbouwbedrijven (bijv. inkomsten, inkomen, aantal werknemers, ingevoerde innovaties, opleidingsniveau van de landbouwers) zodat de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de maatregelen in het verwezenlijken van de gewenste beleidsdoelstellingen kunnen worden beoordeeld;
   c) de Commissie en de lidstaten moeten vereisen dat de evaluaties nuttige informatie bevatten over de resultaten van de projecten en maatregelen op basis van feitelijke gegevens over de ontwikkeling van de structurele en financiële kenmerken van de ondersteunde landbouwbedrijven, aan de hand van beste praktijken (bijv. benchmarking, contrafeitelijke analyses, enquêtes) zoals vastgesteld in deze controle (zie tekstvak 5 van het speciaal verslag van de Rekenkamer, de situatie in Emilia Romagna, paragraaf 75);
   d) ervoor moet worden gezorgd dat jonge landbouwers gemakkelijk toegang hebben tot advies en instrumenten die hen helpen doelmatig en doeltreffend te reageren op dreigende marktverstoringen of marktverzadiging en prijsvolatiliteit; is van mening dat zo het concurrentievermogen en de marktoriëntatie kunnen worden verbeterd en crisisgerelateerde schommelingen in het producenteninkomen kunnen worden getemperd;

Deel XXI – Speciaal verslag nr. 11/2017 van de Rekenkamer met als titel "Het EU-Trustfonds Bêkou voor de Centraal-Afrikaanse Republiek: ondanks enkele tekortkomingen een hoopvolle start"

273.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

274.  is ingenomen met de instelling van het EU-trustfonds Bêkou en de bijdrage daarvan aan de internationale reactie op de crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek; erkent dat dit eerste trustfonds in tal van opzichten als een belangrijk proefproject kan worden beschouwd en dat het nodig is nauwkeurigere richtsnoeren te ontwikkelen voor de fundamentele kwestie van donorcoördinatie, toezicht en evaluatie aan de hand van een systematischere benadering om garanties te verkrijgen;

275.  wijst erop dat trustfondsen een onderdeel waren van een ad-hocbenadering in de context van een gebrek aan middelen en de nood aan flexibiliteit om snel en op substantiële wijze te kunnen inspelen op grote crises; is van mening dat er meer tijd nodig is om de doeltreffendheid ervan aan te tonen en om lessen te trekken uit de operationele tenuitvoerlegging;

276.  is verder van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de doeltreffendheid en de politieke governance van trustfondsen en aan het gebrek aan garanties en toezicht op het uiteindelijke gebruik van de toegewezen middelen;

277.  is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de opmerkingen van de Rekenkamer betreffende de beperkte invloed van het fonds op de coördinatie tussen de belanghebbenden en dat de Commissie alles in het werk moet stellen om gebruik te maken van reeds opgedane ervaringen bij de activiteiten van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) op gebieden zoals uitvoering en coördinatie van het beheer van investeringen door meerdere partijen en eigendom van de resultaten;

278.  benadrukt dat eventuele nieuwe financiële instrumenten en gecombineerde financiële instrumenten in overeenstemming moeten blijven met de overkoepelende doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie en gericht moeten zijn op gebieden waar de meerwaarde en de strategische impact het grootst zijn;

279.  merkt op dat de bijdragen van de lidstaten aan het trustfonds tot op heden relatief gering zijn; dringt aan op een grotere betrokkenheid van de lidstaten om ervoor te zorgen dat dit fonds de verwachte beleidsdoelstellingen verwezenlijkt;

280.  is van mening dat de nodige aandacht moet worden besteed aan het controleren van de beheers- en administratieve kosten in verhouding tot de totale bijdragen; is er voorstander van dat deze nieuwe ontwikkelingsinstrumenten aansluiten bij en een aanvulling vormen op de strategische en beleidsdoelstellingen van het EOF;

281.  verzoekt de Commissie om uitgebreide controlemechanismen ten uitvoer te leggen om te zorgen voor politiek toezicht van het Parlement op het bestuur, het beheer en de tenuitvoerlegging van deze nieuwe instrumenten in het kader van de kwijtingsprocedure; acht het belangrijk om specifieke toezichtsstrategieën voor deze instrumenten te ontwikkelen, met specifieke doelstellingen, streefdoelen en evaluaties;

Deel XXII – Speciaal verslag nr. 12/2017 van de Rekenkamer met als titel "Uitvoering van de drinkwaterrichtlijn: betere kwaliteit van en toegang tot water in Bulgarije, Hongarije en Roemenië, maar nog steeds aanzienlijke investeringen nodig"

282.  aangezien toegang tot drinkwater van goede kwaliteit een van de meest fundamentele behoeften van burgers is, benadrukt het feit dat de Commissie alles in het werk moet stellen om beter toezicht te houden op de situatie, in het bijzonder met betrekking tot kleine watervoorzieningsgebieden, die zich het dichtst bij de eindgebruikers bevinden; herinnert eraan dat drinkwater van slechte kwaliteit kan leiden tot gezondheidsrisico's voor de Europese burgers;

283.  dringt er bij de lidstaten op aan meer voorlichting te geven aan de burgers over de aan hen geleverde kwaliteit van het drinkwater, aangezien in een aantal lidstaten de burgers niet beseffen dat het kraanwater drinkbaar is;

284.  betreurt het dat de lidstaten niet verplicht zijn om verslag uit te brengen over de waterkwaliteit van kleine watervoorzieningsgebieden; hoopt dat de herziene drinkwaterrichtlijn(24) deze situatie recht trekt;

285.  wijst erop dat het belangrijk is dat de waterinfrastructuur duurzaam is en benadrukt dat de burger bij het onderhoud van de waterinfrastructuur moet worden blijven betrokken;

286.  benadrukt het cruciale feit dat het prijsstellingsbeleid voor water de efficiëntie moet bevorderen en de kosten van het watergebruik moet dekken; wijst erop dat het de verantwoordelijkheid van de lidstaten is om te zorgen voor betaalbaar drinkwater van hoge kwaliteit voor al hun burgers, aangezien water een collectief goed en mensenrecht is;

287.  herinnert de Commissie eraan dat burgers in toenemende mate bezorgd zijn over de lopende besprekingen over en groeiende trends in de richting van liberalisering en privatisering van waterdiensten in diverse lidstaten;

Deel XXIII – Speciaal verslag nr. 13/2017 van de Rekenkamer met als titel "Eén Europees beheersysteem voor het spoorverkeer: zal de politieke keuze ooit werkelijkheid worden?"

288.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

289.  merkt op dat de Commissie geen degelijke beoordeling heeft verricht van de impact van de wetgevingspakketten die zij sinds 2000 in de spoorwegsector heeft ingevoerd; betreurt het dat de middelen van de Unie die in de verschillende projecten zijn geïnvesteerd niet als kostenefficiënt kunnen worden bestempeld;

290.  merkt op dat de spoorwegsector in het algemeen zeer corporatief is, waardoor de liberalisering van de markt eerder als een bedreiging dan als een voordeel wordt ervaren;

291.  merkt op dat de interesse van de lidstaten om de interoperabiliteit te verbeteren moet worden onderbouwd door een raming van de kosten en de benodigde financiering; spoort de lidstaten aan zich realistische doelen te stellen bij de toewijzing van financiële steun van de Unie aan het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS), en adviseert de Commissie haalbare termijnen voor de tenuitvoerlegging te stellen;

292.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om samen met de lidstaten een tijdschema voor de afschaffing van tarieven met wettelijk bindende doelstellingen vast te stellen; is voorts ingenomen met het feit dat de Commissie heeft besloten samen te werken met de industrie om het gebruik van een gemeenschappelijk inschrijvingsmodel, opgesteld door de Gemeenschap van Europese Spoorwegen (CER), te vergemakkelijken;

293.  is van mening dat de kostbare investeringen die vereist zijn voor dit systeem in combinatie met de niet-onmiddellijke voordelen voor degenen die de kosten dragen, een strategische beoordeling van nieuwe prioriteiten vergen binnen de Raad en de lidstaten; verwelkomt het Europese implementatieplan voor het ERTMS en het bijbehorende actieplan, die erop gericht zijn te zorgen voor een constante hulpstroom; spoort de lidstaten aan zich te richten op een betere coördinatie van het Europese implementatieplan en erop toe te zien dat er binnen hun nationale prioriteiten rekening wordt gehouden met de toezeggingen van de Unie; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om tussentijdse doelstellingen vast te leggen in de nationale implementatieplannen ter verbetering van het toezicht op individuele trajecten;

294.  is verontrust over het hoge percentage vrijmakingen in verband met TEN-T-financiering voor ERTMS-projecten, dat hoofdzakelijk wordt ingegeven door het feit dat de financiële bepalingen van de Unie niet zijn afgestemd op de nationale uitvoeringsstrategieën; juicht het toe dat de Commissie de GSK-financieringsprocedures zoveel mogelijk aanpast; verzoekt de Commissie de situatie te bestuderen en te analyseren en de noodzakelijke maatregelen te nemen om deze tekortkomingen te verhelpen;

295.  betreurt het dat de financiering van de Unie voor boordapparatuur veelal wordt aangewend voor binnenlands verkeer en dat vrachtvervoer niet kan worden ondersteund door het Cohesiefonds; herinnert eraan dat het vrachtvervoer per spoor een van de belangrijkste aspecten van de interne markt is;

296.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat tekortkomingen in verband met de strijdigheden van het systeem in de volgende programmeringsperiode doeltreffend worden weggewerkt;

297.  is van mening dat voor een operationele interne spoorwegmarkt volledige betrokkenheid van de marktdeelnemers in kwestie nodig is vóór de toewijzing van financiering van de Unie; is van mening dat het beleid van de Unie voor de spoorwegsector een realistische verandering van strategie vergt, met een raming van kosten en baten, en de ontwikkeling van een economisch model in de lidstaten waar dit nog niet bestaat, zodat er voldoende financiering beschikbaar komt en bronnen op doeltreffende wijze in kaart kunnen worden gebracht;

Deel XXIV – Speciaal verslag nr. 14/2017 van de Rekenkamer met als titel "Doelmatigheidsonderzoek van het beheer van rechtszaken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie"

298.  is ingenomen met het speciale verslag van de Rekenkamer; staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

299.  betreurt het feit dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de Rekenkamer de toegang heeft geweigerd tot sommige voor de prestatiebeoordeling van het HvJ-EU aangevraagde documenten; herinnert het Hof van Justitie eraan dat zowel de leden als de controleurs van de Rekenkamer bij de uitoefening van hun taken tot geheimhouding verplicht zijn en aan hun beroepsgeheim gebonden zijn(25); betreurt het feit dat referendarissen niet konden worden gehoord, ondanks hun cruciale rol in de werkzaamheden van het Hof van Justitie;

300.  stelt met spijt vast dat het Gerecht sinds 2016 herhaaldelijk de redelijke termijn heeft overschreden waarbinnen een justitiabele gerechtigd is te verwachten dat uitspraak zal worden gedaan; verzoekt het Gerecht om verslag uit te brengen aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement om de situatie te verduidelijken;

301.  merkt op dat na hervorming van de gerechtelijke structuur van het HvJ-EU de toewijzing van rechters aan de kamers geschiedt overeenkomstig de werklast op de verschillende gebieden; wil graag weten hoe deze toewijzing tot stand komt en of er gespecialiseerde kamers voor bepaalde gebieden zijn ingesteld; verlangt statistische gegevens over de voortgang van de dossiers in het kader van de nieuwe regeling;

302.  betreurt het dat de Rekenkamer zaken van de steekproef heeft uitgesloten die meer dan twee keer de gemiddelde tijdsduur in beslag namen; is van mening dat niet alleen typische gevallen van belang zijn voor de beoordeling van de prestaties;

303.  stelt voor dat de werktalen van het Hof van Justitie, met name voor de beraadslagingen, worden uitgebreid naar Engels, Frans en Duits, die de werktalen zijn van de Europese instellingen; spoort het Hof van Justitie aan te zoeken naar goede praktijken bij de Europese instellingen voor de uitvoering van deze hervorming van zijn taalpraktijken;

304.  merkt op dat de referendarissen een grote invloed hebben in het besluitvormingsproces van het Hof van Justitie, maar dat hun rol en hun gedragsregels voor de buitenwereld onbekend blijven;

305.  is bezorgd over het feit dat volgens het overzicht van de meest voorkomende factoren die van invloed zijn op de duur van de schriftelijke procedure bij het Gerecht, de ontvangst en verwerking van processtukken door de griffie 85 % van de tijd in beslag nemen; wil graag weten of het register over voldoende middelen beschikt;

306.  is bezorgd over de looptijd van de zaken bij het Gerecht waarin vertrouwelijkheidskwesties een rol spelen;

307.  neemt nota van het proces voor de toewijzing van zaken die aan de rechtsprekende instanties zijn voorgelegd; verzoekt het Hof van Justitie de regels betreffende de toewijzingsprocedure voor beide rechtsprekende instanties te verstrekken;

308.  merkt op dat in 2014 en 2015 ongeveer 40 % van de zaken bij het Gerecht buiten het toerbeurtsysteem werd toegewezen, hetgeen vragen doet rijzen over het systeem op zich; plaatst tegelijkertijd vraagtekens bij de discretionaire toewijzing van dossiers binnen het Gerecht; betreurt het gebrek aan transparantie van de procedure;

309.  is bezorgd over het feit dat gerechtelijke vakanties een van de meest voorkomende factoren zijn die van invloed is op de tijdsduur van de behandeling van zaken binnen het Hof van Justitie; stelt voor dat zittingen en beraadslagingen van een bredere waaier aan zaken, naast zaken met specifieke omstandigheden, in die periode worden toegestaan;

310.  merkt op dat ziekte-, moederschaps- of ouderschapsverlof of vertrek van de referendarissen ook gevolgen hebben voor de tijdsduur van de zaken; verzoekt het Hof van Justitie mogelijke alternatieve methoden ter overbrugging van tijdelijke afwezigheid te overwegen en te zorgen voor het goede verloop van de werkzaamheden;

311.  is van mening dat de middelen niet evenredig over de rechtsprekende instanties worden verdeeld, rekening houdend met de respectieve werklast ervan; stelt voor dat de "cellule des lecteurs d’arrêts" in het Gerecht in een latere fase van de zaak wordt ingeschakeld;

312.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat benoemingsbesluiten van nieuwe rechters ruime tijd worden genomen vóór de vertrekdatum van hun voorgangers, om een soepele overdracht van de werklast te waarborgen;

313.  is bezorgd over de uniforme aanpak van het Hof van Justitie voor het toepassen van de verschillende procedurestappen; adviseert het Hof van Justitie de uiterste termijnen die het vaststelt, aan te passen om rekening te houden met de aard en de complexiteit van de zaken;

314.  merkt op dat kwesties in verband met intellectuele-eigendomsrechten aan bod komen in een aanzienlijk aantal zaken in beide instanties; spoort het Hof van Justitie aan na te denken over manieren om de procedures voor deze zaken te vereenvoudigen en een vooronderzoek te overwegen door de diensten voor onderzoek en documentatie van het Hof;

Deel XXV – Speciaal verslag nr. 16/2017 van de Rekenkamer met als titel "Programmering van plattelandsontwikkeling: minder complexiteit nodig en meer aandacht voor resultaten"

315.  bij de voorbereiding van de programmeringsperiode na 2020, om meer de nadruk te leggen op prestaties en resultaten, de integratie tussen programma's voor plattelandsontwikkeling (POP) en andere programma's te versterken en de beoordelingen van de bijdragen van de POP's tot het realiseren van de strategische doelstellingen te verbeteren, verzoekt:

   a) de Commissie erop toe te zien dat in haar beleidsvoorstellen wordt aangegeven hoe de samenhang tussen de afzonderlijke programma's zal worden vergroot door een verdere ontwikkeling van de vereisten;
   b) de lidstaten uiterlijk in 2022 te specificeren hoe de coördinatie-, complementariteits- en synergiemechanismen ten uitvoer zullen worden gelegd, hoe ze zullen worden opgevolgd en hoe erover zal worden gerapporteerd in het kader van de overkoepelende doelstellingen en regels van de Unie;

316.  verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2020 het ontwerp van de programmeringsdocumenten te herzien, om de inhoud ervan te vereenvoudigen en het aantal vereisten voor de programmeringsperiode na 2020 te verminderen; is met name van mening dat zij de structuur van de programmeringsdocumenten moet beperken tot de elementen en opties die essentieel zijn voor een correcte planning, uitvoering en monitoring van de uitgaven voor plattelandsontwikkeling;

317.  verzoekt de Commissie samen met de lidstaten uiterlijk eind 2018 maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de verbeterde jaarlijkse verslaglegging over de uitvoering voor 2019 duidelijke en uitvoerige informatie omvat over de programmaresultaten en dat de vereiste antwoorden op de gemeenschappelijke evaluatievragen een stevigere basis bieden voor de volgende programmeringsperiode;

318.  verzoekt de Commissie bij de voorbereiding van de programmeringsperiode na 2020 een nauwkeuriger formulering te verstrekken, in het kader van de overkoepelende doelstellingen van de Unie voor landbouw en plattelandsontwikkeling, van de verschillende soorten indicatoren die moeten worden vastgesteld om de resultaten en het effect van de steunmaatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling te beoordelen; is van mening dat de Commissie in dit proces baat kan hebben bij de ervaringen en eerder uitgewerkte oplossingen van andere internationale organisaties (zoals de WHO, de Wereldbank en de OESO), waar de nadruk ligt op prestaties en resultaten;

319.  is van mening dat de Commissie moet zorgen voor de continuïteit van het type investeringen dat momenteel wordt gedaan in het kader van de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, aangezien dit een essentieel financieringsinstrument is om de economische groei te stimuleren door het concurrentievermogen, de innovatie en de werkgelegenheid in de plattelands- en berggebieden van kansarmere regio's te bevorderen en duurzame plattelandsontwikkeling te waarborgen;

320.  verzoekt de Commissie om nationale samenwerking en netwerken te bevorderen en te vergemakkelijken om voor het einde van 2020 op nationaal niveau ontwikkelde goede werkmethoden op het gebied van prestatiemeting te verspreiden;

321.  verzoekt de Commissie met betrekking tot de programmeringsperiode na 2020 om voor het einde van 2020 een evaluatie te maken en de balans op te maken van de ervaring met de uitvoering van het huidige systeem, met inbegrip van:

   a) de gevolgen van de prestatiereserve en de alternatieve mechanismen die de prestaties kunnen verbeteren;
   b) de geschiktheid en meetbaarheid van de resultaatindicatoren die worden gebruikt voor de toegang tot de prestatiereserve; en
   c) het gebruik dat wordt gemaakt van financiële sancties om ondermaatse prestaties aan te pakken;

322.  verzoekt de Raad en de Commissie te overwegen, alvorens medio 2018 bijkomende wetgevingsvoorstellen goed te keuren, om haar langetermijnstrategie en beleidsvorming aan te passen aan de begrotingscyclus en een alomvattende uitgaventoetsing uit te voeren voor een nieuwe meerjarenbegroting wordt vastgesteld;

323.  is van mening dat de Commissie, om ervoor te zorgen dat de POP's aan het begin van de volgende programmeringsperiode worden goedgekeurd, in haar wetgevingsvoorstellen moet aangeven welke veranderingen in de planning van het beleidsontwerp, de programmering en de uitvoering zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat de POP's aan het begin van de volgende programmeringsperiode kunnen worden goedgekeurd, met het oog op een tijdige uitvoering vanaf 2020;

324.  is van mening dat het besluit over de duur van het MFK het juiste evenwicht moet houden tussen twee schijnbaar tegenstrijdige vereisten: enerzijds de vereiste dat verscheidene beleidsgebieden van de Unie – in het bijzonder degene die vallen onder gedeeld beheer, zoals landbouw en cohesie – functioneren op basis van de stabiliteit en voorspelbaarheid van een engagement voor ten minste zeven jaar, en anderzijds de vereiste van democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht die voortvloeit uit de synchronisatie van elk financieel kader met de politieke cyclus van vijf jaar van het Parlement en de Commissie;

Deel XXVI – Speciaal verslag nr. 17/2017 van de Rekenkamer met als titel "Het optreden van de Commissie in de financiële crisis in Griekenland"

325.  dankt de Rekenkamer voor haar alomvattende verslag over dit uitermate belangrijke onderwerp, dat nauw verband houdt met de activiteiten van de Commissie begrotingscontrole; betreurt dat de opstelling van het controleverslag drie jaar heeft geduurd; onderstreept dat het belangrijk is dat de verslagen worden opgesteld volgens een goede timing, aangezien dit het werk van de Commissie en het Parlement aanzienlijk vergemakkelijkt;

326.  vindt het jammer dat de Rekenkamer slechts over een beperkt mandaat beschikte voor het controleren van de financiële bijstand van de Unie aan Griekenland, die werd beheerd door de trojka bestaande uit de Commissie, de Europese Centrale Bank (ECB) en het IMF, en dat zij door de ECB niet goed werd geïnformeerd; verzoekt de ECB om in een geest van wederzijdse samenwerking informatie te verstrekken die de Rekenkamer in staat stelt zich een vollediger beeld te vormen van het gebruik van de middelen van de Unie;

327.  erkent de ingewikkelde economische situatie in heel Europa en met name de veranderlijke politieke omstandigheden in Griekenland tijdens de uitvoering van de financiële bijstand van de Unie, die rechtstreekse gevolgen had voor de efficiëntie van de uitvoering van de bijstand;

328.  onderstreept het feit dat transparantie bij het gebruik van de middelen van de Unie in het kader van de verschillende instrumenten voor financiële bijstand die in Griekeland zijn uitgevoerd, van cruciaal belang is;

329.  vraagt de Commissie de algemene procedures voor het ontwerpen van steunprogramma's te verbeteren, met name door het toepassingsgebied te omschrijven van de analytische werkzaamheden die nodig zijn om de inhoud van de voorwaarden te verantwoorden, en door, waar mogelijk, aan te geven welke instrumenten in bepaalde situaties kunnen worden ontworpen;

330.  onderstreept dat de Commissie haar regelingen voor het monitoren van de uitvoering en de toepassing van hervormingen moet verbeteren om administratieve of andere belemmeringen voor de doeltreffende uitvoering van de hervormingen beter te identificeren; is bovendien van oordeel dat de Commissie ervoor moet zorgen over de nodige middelen te beschikken om deze beoordelingen uit te voeren;

Deel XXVII – Speciaal verslag nr. 18/2017 van de Rekenkamer met als titel "Single European Sky: een andere cultuur, maar geen gemeenschappelijk luchtruim"

331.  wijst op het gebrek aan volledige uitvoering van het gemeenschappelijk Europees luchtruim als gevolg van de weerstand van bepaalde beroepsgroepen uit de luchtvaartsector die hun eigen prerogatieven verdedigen, en door het ontbreken van een krachtige politieke wil van de lidstaten om te voldoen aan de eisen om dit initiatief uit te voeren;

332.  betreurt het feit dat, hoewel de Unie erin geslaagd is de landgrenzen tussen de Schengenlidstaten af te schaffen, zij tot op heden de luchtgrenzen tussen diezelfde lidstaten niet heeft kunnen afschaffen, met als gevolg gemeenschappelijke verliezen voor een bedrag van 5 miljard EUR per jaar;

333.  wijst erop dat er behoefte is aan een herziening en bijwerking van de indicatoren om de prestatieregeling voor luchtverkeer te stroomlijnen; is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft verklaard dat zij momenteel worden herzien; benadrukt dat voor een doeltreffende herziening van de indicatoren nauwkeurige en adequate gegevens noodzakelijk zijn;

334.  wijst erop dat de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees luchtruim de CO2-uitstoot van de luchtvaartsector tot 10 % zou verminderen, wat aanzienlijk zou bijdragen tot de verwezenlijking van de Klimaatovereenkomst van Parijs;

335.  verzoekt de Commissie de producten van de Gemeenschappelijke Onderneming SESAR nader in detail te onderzoeken, omdat zij mogelijk niet kunnen worden toegepast in de huidige situatie waar het gemeenschappelijk Europees luchtruim niet is uitgevoerd en dreigen te worden toegepast in luchtvaartsystemen die niet met elkaar compatibel zijn;

336.  verzoekt de Commissie nadere details te verstrekken over haar contract met Eurocontrol teneinde toe te zien op de besteding van het geld van de Europese belastingbetaler;

337.  wijst erop dat de nationale controleorganen onafhankelijk moeten zijn en moeten beschikken over voldoende financiële en operationele middelen;

338.  verzoekt de Commissie de bevoegde commissie van het Parlement mee te delen waarom zij geen inbreukprocedures heeft ingeleid wegens de niet-uitvoering van de functionele luchtruimblokken, die in 2012 operationeel hadden moeten zijn, maar nog steeds niet functioneren;

Deel XXVIII – Speciaal verslag nr. 21/2017 van de Rekenkamer met als titel "Vergroening: een complexere inkomenssteunregeling, die vanuit milieuoogpunt nog niet doeltreffend is"

339.  is ingenomen met de door de Rekenkamer voorgestelde aanbevelingen en verzoekt de Commissie de aanbevelingen en de opmerkingen in het speciaal verslag ter harte te nemen;

340.  wijst op de bijzonder hoge uitgaven voor de nieuwe vergroeningsbetaling, die 30 % vormen van alle rechtstreekse betalingen uit hoofde van het GLB en bijna 8 % van de hele EU-begroting; constateert met bezorgdheid dat dit bedrag niet overeenkomt met het ambitieniveau van de vergroeningsbetaling; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden bij de voorbereiding van een hervorming van het GLB;

341.  betreurt dat het onduidelijk blijft hoe vergroening moet bijdragen aan het realiseren van de ruimere doelstellingen van de Unie met betrekking tot de klimaatverandering; verzoekt de Commissie een specifiek actieplan voor vergroening op te stellen als onderdeel van een nieuwe GLB-hervorming, met daarin een duidelijke uiteenzetting van de interventielogica, alsmede een reeks specifieke, meetbare doelstellingen;

342.  vindt het zorgelijk dat het vergroeningsinstrument een inkomenssteunmaatregel blijft waarmee boeren hun inkomen met tot 1 % kunnen opkrikken, terwijl in veel gevallen niet noodzakelijk aan de tenuitvoerlegging gekoppelde verplichtingen of kosten worden opgelegd, waardoor het hele bestaansrecht van de financiering op de tocht komt te staan; verzoekt de Commissie striktere regels op te stellen voor boeren en tegelijkertijd het overmatige gebruik van vrijstellingen te vermijden;

343.  maakt zich zorgen over de mate van complexiteit en transparantie van vergroening en van het GLB zelf; verzoekt de Commissie het vergroeningsprogramma en het hele GLB te stroomlijnen om de transparantie te vergroten en het hoge risico op misbruik en dubbele financiering te voorkomen;

344.  vindt vooral de conclusie van de Rekenkamer zorgwekkend dat vergroening waarschijnlijk geen beduidende voordelen zal opleveren voor het milieu en het klimaat, en verzoekt de Commissie het bestaan van het instrument te heroverwegen evenals de mogelijkheid om de aanzienlijke vergroeningsfondsen te herinvesteren in bestaande, elkaar vaak overlappende programma's die doeltreffender en meer gerechtvaardigd zijn gebleken;

o
o   o

345.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

(1) PB L 48 van 24.2.2016.
(2) PB C 323 van 28.9.2017, blz. 1.
(3) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 1.
(4) PB C 322 van 28.9.2017, blz. 10.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0121.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(8)1.2.3.4.5.6.7.8.9.10.11.12.13. Deze aanbevelingen luiden als volgt:De ECB dient haar besluitvormingsproces verder te stroomlijnen en moet bepaalde besluiten delegeren aan lagere niveaus om de raad van toezicht de gelegenheid te geven, zich te concentreren op zwaarwegender vraagstukken.Om bezorgdheid over het gebruik van gedeelde diensten weg te nemen, moet de ECB de daaruit voortvloeiende risico's beoordelen en de nodige waarborgen inbouwen, onder meer het beheer van mogelijke tegenstrijdige verzoeken en specifieke nalevingscontrole.De ECB moet zorgen voor voldoende vaardigheden en middelen op het gebied van interne controle om te waarborgen dat gebieden met een hoog en gemiddeld risico worden bestreken, voor zover van toepassing.De ECB dient volledig samen te werken met de Rekenkamer teneinde deze in staat te stellen haar mandaat uit te oefenen en op die manier de verantwoording te verbeteren.Om de externe verantwoording te verbeteren, dient de ECB haar huidige regelingen voor het meten en openbaar maken van informatie over prestaties op het gebied van toezicht te formaliseren.De ECB dient de GTM-kaderverordening te wijzigen om de toezeggingen van deelnemende NBA's te formaliseren en te garanderen dat zij alle volledig en evenredig deelnemen aan de werkzaamheden van de JST's.De ECB moet in samenwerking met de NBA's functie-/teamprofielen en methoden ontwikkelen om zowel de geschiktheid van het personeel dat de NBA's aan de JST's willen toewijzen als de daaropvolgende prestaties ervan te beoordelen.De ECB dient een gecentraliseerde, gestandaardiseerde en alomvattende databank met de vaardigheden, ervaring en kwalificaties van JST-medewerkers, zowel ECB- als NBA-personeel, aan te leggen en bij te houden.De ECB dient een formeel opleidingsprogramma in te voeren voor zowel nieuw als reeds aanwezig toezichthoudend personeel in JST's.De ECB dient een risicogebaseerde methodologie te ontwikkelen en toe te passen om het nagestreefde personeelsaantal en de samenstelling van vaardigheden voor JST's vast te stellen.De ECB dient het clustermodel in dit belangrijke toezichtsplanningsproces regelmatig door te lichten en zo nodig te actualiseren.De ECB dient haar personeel aan te vullen of te herschikken opdat het veel sterker aanwezig zou kunnen zijn bij inspecties ter plaatse van belangrijke banken op basis van een duidelijke risicoprioritering.De ECB moet de zwakke punten in het IT-systeem voor inspecties ter plaatse nauwlettender volgen en haar inspanningen voortzetten om de kwalificaties en vaardigheden van inspecteurs ter plaatse uit NBA's te verbeteren.
(9) Verklaring van het Contactcomité van de voorzitters van de hoge controle-instanties van de Europese Unie en de Europese Rekenkamer met als titel "De waarborging van volledig controleerbare, verantwoordingsgerichte en doeltreffende regelingen voor bankentoezicht na de invoering van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme".
(10) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 80.
(11) Zie bijlage II bij het speciaal verslag voor nadere informatie over de beperkingen op de toegang tot informatie.
(12) Zie bijlage IX bij het speciaal verslag voor nadere informatie over de bestaande verslagleggingsafspraken tussen de ECB en het Europees Parlement.
(13) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(14) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(15) Een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie (COM(2017)0198).
(16) Public Expenditure and Financial Accountability assessment (Beoordeling van verantwoordingsplicht inzake overheidsuitgaven en financiën).
(17) Drie jaar jongerengarantie en jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (COM(2016)0646).
(18) Bescherming van migrerende kinderen (COM(2017)0211).
(19) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(20) Satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen.
(21) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(22) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).
(23) Zie het voorstel van de Commissie voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1098/2007 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1343/2011 en (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (COM(2016)0134).
(24) Zie het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (COM(2017)0753).
(25) Zie de gedragscode van toepassing op de leden van de Rekenkamer, met name artikel 6, en de ethische richtsnoeren voor de Europese Rekenkamer die van toepassing zijn op het personeel, in het bijzonder sectie 4 betreffende het beroepsgeheim.

Laatst bijgewerkt op: 1 juli 2019Juridische mededeling