Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2164(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0108/2018

Ingediende teksten :

A8-0108/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.59

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0164

Aangenomen teksten
PDF 206kWORD 59k
Woensdag 18 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kwijting 2016: Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex)
P8_TA(2018)0164A8-0108/2018
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2164(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees grens- en kustwachtagentschap (hierna "het Agentschap") voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees grens- en kustwachtagentschap betreffende het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(1),

–  gezien de verklaring(2) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05941/2018 – C8-0074/2018),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie(4), en met name artikel 30,

–  gezien Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad(5), en met name artikel 76,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0108/2018),

1.  verleent de uitvoerend directeur van het Europees Grens- en kustwachtagentschap kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees grens- en kustwachtagentschap, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 233.
(2) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 233.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1.
(5) PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


2. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees grens- en kustwachtagentschap (Frontex) voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2164(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees grens- en kustwachtagentschap (hierna "het Agentschap") voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees grens- en kustwachtagentschap betreffende het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(1),

–  gezien de verklaring(2) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 betreffende de aan het Agentschap te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05941/2018 – C8-0074/2018),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie(4), en met name artikel 30,

–  gezien Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad(5), en met name artikel 76,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0108/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2016;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees grens- en kustwachtagentschap, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 233.
(2) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 233.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1.
(5) PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


3. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees grens- en kustwachtagentschap (Frontex) voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2164(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8‑0108/2018),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk wil leggen op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

B.  overwegende dat de definitieve begroting van het Europees grens- en kustwachtagentschap (hierna "het Agentschap") voor het begrotingsjaar 2016 volgens de staat van ontvangsten en uitgaven(1) 232 757 000 EUR bedroeg, een toename van 62,43 % ten opzichte van 2015; overwegende dat het mandaat van het Agentschap in antwoord op de migratiecrisis waaraan de EU het hoofd moest bieden, in 2016 aanzienlijk werd uitgebreid;

C.  overwegende dat volgens de financiële staten in 2016 de totale bijdrage van de EU aan de begroting van het Agentschap 218 686 000 EUR bedroeg, een toename van 63,78 % ten opzichte van 2015;

D.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Europees grens- en kustwachtagentschap voor het begrotingsjaar 2016 (hierna "het verslag van de Rekenkamer") heeft verklaard redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de onderliggende verrichtingen bij de jaarrekening van het Agentschap voor het begrotingsjaar 2016 wettig en regelmatig zijn; overwegende dat de opmerkingen van de Rekenkamer moeten worden gelezen in het licht van de problemen waarmee het Agentschap in 2016 werd geconfronteerd;

Follow-up van de kwijting van 2013, 2014 en 2015

1.  neemt met bezorgdheid kennis van het aantal niet-afgehandelde kwesties en lopende corrigerende maatregelen in reactie op de opmerkingen die de Rekenkamer over 2013, 2014 en 2015 maakte met betrekking tot leveranciersverklaringen aan het einde van het jaar, de zetelovereenkomst, verificaties vooraf en achteraf van door de samenwerkende landen in het kader van subsidieovereenkomsten gedeclareerde uitgaven, het stijgende aantal subsidieovereenkomsten, de behoefte om de berekening van de bijdragen van met de Schengenruimte geassocieerde landen te verfijnen, de invordering van onregelmatige betalingen van de IJslandse kustwacht en het risico op dubbele financiering door het Fonds voor interne veiligheid; vraagt het Agentschap om de corrigerende maatregelen in 2018 zo spoedig mogelijk af te ronden en aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging daarvan;

Opmerkingen over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen

2.  stelt vast dat in het verslag van de Rekenkamer wordt verklaard dat in de vorige oprichtingsverordening van het Agentschap, die tot 5 oktober 2016 van toepassing was, werd voorzien in de financiering van gezamenlijke terugkeeroperaties die met deelnemende landen werden uitgevoerd; merkt op dat nationale terugkeeroperaties pas krachtens de nieuwe oprichtingsverordening voor financiering in aanmerking kwamen; merkt echter op dat het Agentschap in de periode van januari tot oktober 2016 nationale terugkeeroperaties voor een bedrag van 3 600 000 EUR financierde; merkt op dat deze betalingen onregelmatig zijn;

3.  stelt vast dat het Agentschap in zijn antwoord verklaart dat de uitvoerend directeur van het Agentschap in 2016, gegeven de onevenredige migratiedruk op lidstaten en volgend op het EU-actieplan inzake terugkeer van oktober 2015, en de conclusies van de Europese Raad van 25/26 juni 2015 en 16/17 maart 2016, goedkeuring gaf aan Besluit 2016/36, dat voorzag in een ruimere interpretatie van modaliteiten voor het (mede)financieren van een gezamenlijke terugkeeroperatie in die zin dat ook een nationale terugkeeroperatie die werd uitgevoerd door slechts één lidstaat die te maken had met onevenredige migratiedruk uit de begroting van het Agentschap kon worden (mede)gefinancierd; erkent verder dat de begrotingsautoriteit de begroting voor 2016 met name had gewijzigd met het oog op de uitvoering van het actieplan inzake deze terugkeeroperaties;

Financieel en begrotingsbeheer

4.  stelt met tevredenheid vast dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2016 hebben geleid tot een uitvoeringspercentage van de begroting van 97,90 %; merkt op dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 66,07 % bedroeg, een afname van 3,40 % ten opzichte van 2015;

5.  stelt vast dat uit het verslag van de Rekenkamer blijkt dat in het kader van het verruimde mandaat van het Agentschap groot belang aan terugkeeroperaties wordt gehecht en dat daarvoor in de begroting van 2016 een bedrag van 63 000 000 EUR was gereserveerd; merkt echter op dat een bedrag van 23 000 000 EUR, d.w.z. 37,5 %, in de EU-begroting is teruggestort omdat er minder terugkeeroperaties werden uitgevoerd dan waren voorzien; stelt vast dat de aanzienlijke vertraging van een aanbestedingsprocedure voor een raamovereenkomst van 50 000 000 EUR om ten behoeve van terugkeeroperaties van het Agentschap vliegtuigen en aanverwante diensten te charteren aan deze situatie bijdroeg en nog steeds van invloed is op het aantal door het Agentschap geregelde terugkeeroperaties; betreurt het dat hoewel deze aanbestedingsprocedure volgens planning in maart 2016 van start had moeten gaan, dit aan het eind van het jaar nog steeds niet was gebeurd; stelt vast dat uit het antwoord van het Agentschap blijkt dat het het aantal gezamenlijke terugkeeroperaties drastisch heeft verhoogd (232 in 2016 vergeleken met 66 in 2015); merkt echter op dat de belangrijkste reden dat de 23 000 000 EUR niet kon worden gebruikt het feit was dat de raamovereenkomst voor het ten behoeve van terugkeeroperaties charteren van vliegtuigen en aanverwante diensten vertragingen ondervond doordat de prioriteit van dit project naar de inspanningen verschoof die werden gedaan om de logistieke ondersteuning (veerboten en bussen) van de tenuitvoerlegging van de Verklaring EU‑Turkije te waarborgen; merkt op dat er inmiddels een aanbestedingsprocedure is gepubliceerd voor een raamovereenkomst van vier jaar, maar met een lager verwacht begrotingsbedrag (20 000 000 EUR);

6.  stelt vast dat uit het verslag van de Rekenkamer blijkt dat de Commissie en het Agentschap, medebegunstigde en coördinator van drie andere medebegunstigden (het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR)), op 22 december 2015 een subsidieovereenkomst sloten ten bedrage van 5 500 000 EUR inzake regionale ondersteuning van beschermingsgevoelig migratiebeheer in de Westelijke Balkan en Turkije die inging op 1 januari 2016 en een looptijd heeft van drie jaar; merkt echter op dat samenwerkingsovereenkomsten met deze drie partners, die een totale waarde hadden van 3 400 000 EUR, pas tussen augustus en november 2016 werden gesloten; merkt op dat voor twee van deze overeenkomsten de vastleggingen in de begroting, waardoor de reservering van de middelen vóór het aangaan van de juridische verbintenissen zou hebben plaatsgevonden, pas in oktober en december 2016 werden ondertekend; merkt ook op dat de begrotingskredieten 1 200 000 EUR bedroegen, waarmee slechts de voorfinanciering werd gedekt; benadrukt dat een dergelijke procedure in strijd is met de regels van het Financieel Reglement inzake begrotingsbeheer en dat de late ondertekening van de overeenkomsten tot onzekerheid leidde bij de operationele samenwerking tussen de partners; merkt op dat uit het antwoord van het Agentschap blijkt dat het, om te documenteren dat de juridische verbintenis voor alle drie de projectpartners voorafgaand aan de vastlegging in de begroting was aangegaan, dit terecht als een uitzondering heeft aangemerkt;

7.  erkent dat het Agentschap in 2017 zijn gehele financiële structuur heeft herzien met het doel die te vereenvoudigen, en hierbij is overgestapt van subsidies naar opdrachten voor diensten en met forfaits is gaan werken; vraagt het Agentschap om aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de nieuwe structuur en de bereikte resultaten;

Vastleggingen en overdrachten

8.  merkt op dat het niveau van de overgedragen vastgelegde kredieten voor titel II (administratieve uitgaven) 6 400 000 EUR (43 % van de vastgelegde kredieten) bedroeg, vergeleken met 3 200 000 EUR (38 %) in 2015, en bijgevolg hoog was; merkt voorts op dat ook de overdrachten voor titel III (operationele uitgaven) met 67 300 000 EUR (37 %) hoog waren, vergeleken met 40 200 000 EUR (35 %) in 2015; merkt op dat de belangrijkste reden hiervoor is dat sommige contracten en activiteiten na het einde van het jaar doorlopen; verzoekt het Agentschap te overwegen om met gesplitste begrotingskredieten te gaan werken om het onvermijdelijke tijdsverloop tussen juridische verbintenissen, de uitvoering van overeenkomsten en activiteiten en de ermee verband houdende betalingen beter weer te geven;

9.  merkt op dat uit het verslag van de Rekenkamer blijkt dat het niveau van de geannuleerde overdrachten uit 2015 met een bedrag van 6 400 000 EUR (d.w.z. 16 %) hoog was voor titel III (operationele uitgaven), als gevolg van een overschatting van de kosten in 2015 die in 2016 nog steeds aan deelnemende landen vergoed moesten worden; is van oordeel dat nauwkeuriger kostenramingen moeten worden verkregen en dat samenwerkende landen hun kosten tijdiger moeten melden;

10.  wijst erop dat overdrachten vaak gedeeltelijk of geheel gerechtvaardigd kunnen zijn als gevolg van het meerjarige karakter van de operationele programma's van de agentschappen, en dat zij niet noodzakelijkerwijs op zwakke punten wijzen in de begrotingsplanning en ‑tenuitvoerlegging en niet altijd haaks staan op het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit, met name wanneer ze vooraf worden gepland en aan de Rekenkamer worden meegedeeld;

Personeelsbeleid

11.  stelt vast dat uit de personeelsformatie blijkt dat op 31 december 2016 197 tijdelijke posten bezet waren (van de 275 in de begroting van de Unie toegestane posten), ten opzichte van 149 in 2015; merkt aanvullend op dat bij het Agentschap, uitgedrukt in fte's, 77 gedetacheerde nationale deskundigen, 83 arbeidscontractanten en 15 tijdelijke medewerkers in dienst waren;

12.  stelt met waardering vast dat in termen van bezette posten beide geslachten een aandeel van 50 % hebben en dus sprake is van genderevenwicht; betreurt daarentegen dat bij de hogere rangen het aandeel van vrouwen 15 % is en dat van mannen 85 %; verzoekt het Agentschap om in samenwerking met de lidstaten het genderevenwicht in de raad van bestuur en bij de leidinggevenden te verbeteren;

13.  stelt vast dat het Agentschap verklaart dat om met de tenuitvoerlegging van het nieuwe en versterkte mandaat te beginnen reeds gedurende het laatste kwartaal van 2016 extra personeel geworven diende te worden; merkt op dat men bij een inventarisatie van de behoeften uitkwam op 50 posten, maar dat niet alle wervingsprocedures voor het einde van het jaar konden worden afgerond; merkt op dat aan het einde van 2016 het Agentschap een totaal van 365 personeelsleden had bereikt;

14.  merkt op dat uit het verslag van de Rekenkamer blijkt dat na de uitbreiding van het mandaat van het Agentschap het personeelsbestand met een toename van 365 in 2016 tot 1 000 in 2020 meer dan dubbel zo groot zal worden; merkt ook op dat voor de voorgenomen personeelsuitbreiding extra kantoorruimte nodig zal zijn; stelt vast dat het Agentschap in zijn antwoord verklaart dat het zich aan het begin van 2017 tot de begrotingsautoriteit heeft gewend en groen licht heeft gekregen voor uitbreiding van het huidige onderkomen om de extra medewerkers te huisvesten; merkt op dat de overeenkomst over de zetel van het Agentschap op 1 november 2017 van kracht is geworden;

15.  stelt vast dat uit het verslag van de Rekenkamer blijkt dat het voor het Agentschap altijd moeilijk is om personeel te vinden dat aan het gewenste profiel voldoet, deels vanwege de salariscorrectiecoëfficiënt (66,7 %); verzoekt het Agentschap na te denken over mogelijke verzachtende maatregelen en daarover verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit;

16.  stelt vast dat uit het verslag van de Rekenkamer blijkt dat in het personeelsreglement is bepaald dat in het geval van een externe selectieprocedure tijdelijk personeel alleen kan worden geworven in de rangen SC 1 en SC 2, AST 1 tot AST 4 en AD 5 tot AD 8; merkt op dat het Agentschap in 2016 14 medewerkers in hogere AST-rangen heeft geworven; benadrukt dat de aanwervingen in deze rangen onregelmatig zijn; stelt vast dat het Agentschap in zijn antwoord verklaart dat de reden om vijf AST 4-functieplaatsen op te waarderen naar vijf AST 5-functieplaatsen een bedrijfsmatige was, namelijk de behoefte aan een permanent beschikbare duty officers-dienst; erkent dat het Agentschap, gezien het niveau van verantwoordelijkheden in het licht van de migratiestromen en de veiligheidsproblemen aan de buitengrenzen van de EU, gekwalificeerde en ervaren kandidaten moest aantrekken die over eerder opgedane relevante werkervaring beschikken;

17.  neemt kennis van het feit dat de grondrechtenfunctionaris sinds 2016 vijf nieuwe posten toegewezen heeft gekregen, waarvan drie vacant zijn; betreurt het evenwel ten zeerste dat, ondanks herhaalde verzoeken van het Parlement en een aanzienlijke verruiming van het totale personeelsbestand van het agentschap, de grondrechtenfunctionaris nog steeds niet over voldoende personeel beschikt en daardoor duidelijk moeite heeft om de taken die haar krachtens de Verordening (EU) 2016/1624(2) zijn toebedeeld, naar behoren uit te voeren; dringt er bij het Agentschap daarom op aan zijn grondrechtenfunctionaris voldoende middelen en personeel ter beschikking te stellen, met name voor het opzetten van een klachtenmechanisme en de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de strategie voor toezicht op en het waarborgen van de bescherming van de grondrechten;

18.  merkt op dat zich bij het Agentschap in 2016 geen enkele klacht, gerechtelijke procedure of anderszins gemeld geval van niet‑transparante werving of ontslag van medewerkers heeft voorgedaan;

19.  merkt op dat het gemiddelde ziekteverlof van de medewerkers van het Agentschap in 2016 11,4 dagen bedroeg, waarbij echter moet worden opgemerkt dat het Agentschap het personeel dat geen enkel ziekteverlof opnam buiten de berekening heeft gehouden; verzoekt het Agentschap met de medische dienst te beraadslagen over hoe het arbeidsverzuim als gevolg van ziekte kan worden verminderd;

20.  stelt vast dat uit de antwoorden van het Agentschap blijkt dat medewerkers in 2016 één dag hebben besteed aan welzijnsactiviteiten; merkt op dat het Agentschap een intern beleid voor gezondheid en veiligheid op het werk heeft en op drie manieren bijdraagt aan het welzijn van de medewerkers:

   a) de huur van sportvelden voor teamsporten en een zekere mate van ondersteuning van medewerkers die deelnemen aan sporttoernooien tussen agentschappen;
   b) in het kader van preventieve maatregelen op het gebied van gezondheid en veiligheid vergoedt het Agentschap een deel van de kosten die medewerkers maken voor sportieve activiteiten (tot maximaal 45 EUR per maand per medewerker);
   c) het Agentschap biedt de medewerkers elk jaar voor het griepseizoen op vrijwillige basis vaccinatie aan;

21.  stelt vast dat het Agentschap gebruik heeft gemaakt van de artikelen 12 en 12a van het personeelsreglement en van de specifieke bepalingen van de "gedragscode voor alle personen die deelnemen aan Frontexactiviteiten" en van de "gedragscode voor Frontexmedewerkers"; stelt vast dat in 2016 geen gevallen van pesterij zijn gemeld of tot een gerechtelijke procedure hebben geleid;

22.  merkt op dat het kantoor van het Agentschap over twee officiële voertuigen beschikt die alleen voor officiële doeleinden mogen worden gebruikt en dat deze niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt;

Preventie van en omgang met belangenconflicten, transparantie en democratie

23.  stelt vast dat het Agentschap op 17 december 2015 een strategie en actieplan tegen fraude heeft goedgekeurd, waarin vier strategische doeleinden worden onderscheiden en 22 maatregelen worden opgesomd die gedurende de periode 2015-2018 ten uitvoer moeten worden gelegd; merkt met instemming op dat meer dan 50 % van de genoemde maatregelen in 2016 ten uitvoer zijn gelegd;

24.  merkt op dat het Agentschap aan een concept heeft gewerkt voor interne regels voor klokkenluiden en deze in maart 2017 aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming heeft doen toekomen; merkt op dat de vraag is of de interne regels ten uitvoer moeten worden gelegd of dat een beslissing moet worden genomen om de modelregels van de Commissie ten uitvoer te leggen als die aan de agentschappen zijn meegedeeld; vraagt het Agentschap om aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de genomen beslissing;

25.  stelt vast dat het Agentschap heeft geantwoord dat zij de goedgekeurde notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur niet voor het publiek beschikbaar maakt en dat deze notulen zelfs drie maanden na de dag waarop de vergadering plaatsvond niet beschikbaar zijn; vraagt het Agentschap om aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de redenen voor een dergelijke beslissing, gezien het EU-beleid om activiteiten van de EU transparanter te maken;

26.  stelt vast dat het Agentschap niet heeft geantwoord of hun ontmoetingen met lobbyisten (d.w.z. personen die de belanghebbenden bij het Agentschap niet officieel vertegenwoordigen maar wel enig geldelijk of economisch belang hebben bij de operationele bevoegdheden van het Agentschap), in het geval dat zulke ontmoetingen hebben plaatsgevonden, zijn geregistreerd en bekend zijn gemaakt; vraagt het Agentschap om de kwijtingsautoriteit hierover in te lichten;

27.  merkt op dat het Agentschap in 2016 67 verzoeken om toegang tot documenten ontving, dat het voor 15 verzoeken volledige toegang gaf, terwijl 38 verzoeken slechts gedeeltelijk werden gehonoreerd en nog eens 10 verzoeken werden geweigerd, voornamelijk op grond van "bescherming van de openbare veiligheid" en "bescherming van individuele privacy en integriteit";

28.  merkt op dat op vier weigeringen een confirmatief verzoek volgde, waarna in twee gevallen de eerdere weigering tot toegang werd bevestigd, één verzoek tot toegang gedeeltelijk werd ingewilligd en één verzoek tot volledige toegang tot documenten leidde; merkt op dat een van de weigeringen werd doorgegeven aan de Europese Ombudsman; verzoekt het Agentschap om de kwijtingsautoriteit in te lichten over de beslissing van de Ombudsman en de daaropvolgende procedure;

Belangrijkste resultaten

29.  spreekt zijn voldoening uit over de door het Agentschap genoemde drie belangrijkste resultaten van 2016, namelijk:

   de goedkeuring van Verordening (EU) 2016/1624 betreffende de Europese grens- en kustwacht, waarmee het verruimde mandaat wordt geregeld;
   de ondersteuning van 232 terugkeeroperaties (een stijging van 251 % ten opzichte van de in 2015 ondersteunde operaties), waarbij in totaal 10 698 mensen werden teruggezonden;
   de invoering van de eerste stap van de gemeenschappelijke kwetsbaarheidsbeoordelingsmethodologie in januari 2017;

30.  erkent dat de verordening over het Europees grens- en kustwachtagentschap nieuwe mogelijkheden heeft geopend voor samenwerking met andere agentschappen voor wat betreft het bewaken van kusten, wat heeft geleid tot een trilateraal werkverband tussen Frontex, het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA); merkt verder op dat de nauwe samenwerking met de negen agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (JBZ) werd voortgezet, dat de samenwerking met het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (eu‑LISA) werd versterkt, dat de regelmatige uitwisseling met het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) werd gefaciliteerd en dat er gedurende heel 2016 een samenwerkingsovereenkomst met Europol werd getest;

31.  merkt op dat het Agentschap in het kader van de regionale taskforce van de Europese Unie in Italië en Griekenland kantoorruimte deelt met Europol en het EASO;

Interne controle

32.  merkt op dat de jaarlijkse beoordeling van het interne controlesysteem voor het jaar 2016 de leiding van het Agentschap redelijke zekerheid gaf over het niveau waarop aan alle interne controles werd voldaan; erkent dat de leiding bij acht normen voor interne controle (ICS) ruimte zag voor verbetering en een strategie ontwikkelde om de zwakke punten aan te pakken; merkt op dat zij de doeltreffendheid van het interne controlesysteem eind 2015 heeft geëvalueerd; merkt ook op dat uit deze evaluatie bleek dat de ICS'en werden toegepast en dat deze functioneerden; merkt echter op dat wegens de aanzienlijke toename van de middelen op de begroting van het Agentschap (financiële en personele middelen) en de uitbreiding van de aan het Agentschap toegekende taken en verantwoordelijkheden het interne controlesysteem in 2017 verder verbeterd moet worden; vraagt het Agentschap om aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de maatregelen voor verbetering van het interne controlesysteem;

Interne audit

33.  merkt op dat de dienst Interne Audit (DIA) in 2016 een controle getiteld "Data Validation and Quality Assurance for the Risk Analysis" uitvoerde, waaruit vier aanbevelingen voortvloeiden die als "belangrijk" zijn aangemerkt; verneemt van het Agentschap dat het een actieplan heeft opgesteld om met deze aanbevelingen aan het werk te gaan; vraagt het Agentschap om aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van dat actieplan;

34.  neemt er nota van dat de DIA in 2016 geen aanbevelingen deed die als "kritiek" werden aangemerkt;

35.  stelt met tevredenheid vast dat het Agentschap ten behoeve van een kosteneffectieve en milieuvriendelijke werkomgeving en verdere vermindering of compensatie van de uitstoot van CO2 een nieuw beleid ten aanzien van printers en het maken van afdrukken heeft dat het gebruik van papier heeft verminderd; is eveneens verheugd dat het Agentschap videoconferenties organiseert en streeft naar een efficiënter gebruik van water en energie en een toename van recycling, dat de kantine biologisch afbreekbare reinigings- en desinfecteermiddelen gebruikt en zorgt voor milieuvriendelijke afhaalverpakkingen en recyclebare kopjes, borden en bestek, en dat de maaltijden die de kantine serveert worden bereid met plaatselijk geproduceerde seizoensproducten en ingrediënten die worden aangekocht bij ecologische boeren;

36.  stelt met tevredenheid vast dat het Agentschap het gebruik van openbaar en milieuvriendelijk vervoer actief bevordert met zijn bijdrage aan de kosten van het openbaar vervoer voor zijn medewerkers;

37.  merkt voorts op dat het ontwerp en de bouw van het kantoor van het Agentschap voldoen aan de milieu-eisen van het BREEAM-certificaat (Building Research Establishment Environmental Assessment Method) en dat het kantoor nu te boek staat als een van de duurzaamste gebouwen in Polen;

38.  merkt op dat de brexit volgens het Agentschap geen financiële risico's voor de activiteiten van het Agentschap met zich meebrengt;

39.  wijst erop dat het Agentschap in 2015 meer dan 250 000 mensen op zee heeft helpen redden; is verheugd over de toename van de zoek- en reddingscapaciteit van het Agentschap; merkt echter op dat er nog aanzienlijke inspanningen in die richting moeten worden verricht;

40.  merkt op dat sprake is van concrete doelstellingen en prestatie-indicatoren voor intern gebruik voor gezamenlijke operaties; betreurt het dat deze niet openbaar zijn en dat daarom bij de meeste operationele programma's van Frontex sprake is van een gebrek aan kwantitatieve doelstellingen en specifieke streefwaarden voor de gezamenlijke operaties; stelt bezorgd vast dat dit, samen met de ontoereikende informatie van samenwerkende landen, de evaluaties achteraf van de doeltreffendheid van de gezamenlijke operaties op de lange termijn kan bemoeilijken; betreurt het dat de daadwerkelijke impact van gezamenlijke operaties daarom moeilijker kan worden beoordeeld; verzoekt het Agentschap om verder relevante strategische doelstellingen te bepalen voor zijn activiteiten en een doeltreffend (resultaatgericht) toezicht- en rapportagesysteem vast te stellen met relevante en meetbare kernprestatie-indicatoren;

o
o   o

41.  verwijst voor andere opmerkingen van horizontale aard bij het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 18 april 2018(3) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) PB C 12 van 13.1.2017, blz. 27.
(2) PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0133.

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling