Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2183(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0071/2018

Ingediende teksten :

A8-0071/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.61

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0166

Aangenomen teksten
PDF 178kWORD 53k
Woensdag 18 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kwijting 2016: Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (BBI)
P8_TA(2018)0166A8-0071/2018
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2183(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van de Gemeenschappelijke Onderneming(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 betreffende de aan de gemeenschappelijke onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05943/2018 – C8-0092/2018),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 209,

–  gezien Verordening (EU) nr. 560/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën(4), en met name artikel 12,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 van de Commissie van 30 september 2013 tot vaststelling van de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0071/2018),

1.  verleent de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 426 van 12.12.2017, blz. 8.
(2) PB C 426 van 12.12.2017, blz. 10.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 130.
(5) PB L 38 van 7.2.2014, blz. 2.


2. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de afsluiting van de rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2183(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van de Gemeenschappelijke Onderneming(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 betreffende de aan de Gemeenschappelijke Onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05943/2018 – C8-0092/2018),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 209,

–  gezien Verordening (EU) nr. 560/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën(4), en met name artikel 12,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 van de Commissie van 30 september 2013 tot vaststelling van de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0071/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 426 van 12.12.2017, blz. 8.
(2) PB C 426 van 12.12.2017, blz. 10.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 130.
(5) PB L 38 van 7.2.2014, blz. 2.


3. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2183(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0071/2018),

A.  overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (de "gemeenschappelijke onderneming") bij Verordening (EU) nr. 560/2014(1) werd opgericht als publiek-privaat partnerschap voor een periode van 10 jaar met als doel alle belanghebbenden bijeen te brengen en bij te dragen tot het op de kaart zetten van de Unie als cruciale speler in onderzoek, demonstratie en markttoepassing met betrekking tot geavanceerde biogebaseerde producten en biobrandstoffen;

B.  overwegende dat de gemeenschappelijke onderneming overeenkomstig de artikelen 38 en 43 van haar financiële regeling, vastgesteld bij het besluit van haar raad van bestuur van 14 oktober 2014, haar eigen jaarrekening moet voorbereiden en goedkeuren die wordt opgesteld door haar door de raad van bestuur benoemde rekenplichtige;

C.  overwegende dat de oprichtende leden van de gemeenschappelijke onderneming zijn de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, en de industriële partners die worden vertegenwoordigd door het Bio-based Industries Consortium (het "BIC");

Algemeen

1.  merkt op dat de bijdrage van de Unie aan de werkzaamheden van de gemeenschappelijke onderneming maximaal 975 000 000 EUR bedraagt, die via Horizon 2020 moet worden betaald; merkt op dat de leden afkomstig uit de industrie van de gemeenschappelijke onderneming gedurende haar looptijd ten minste 2 730 000 000 EUR aan middelen moeten bijdragen, waarvan ten minste 975 000 000 EUR aan bijdragen in natura en in contanten voor operationele activiteiten van de gemeenschappelijke onderneming en ten minste 1 755 000 000 EUR aan bijdragen in natura voor de aanvullende activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming;

2.  merkt op dat 29 van de 65 in aanmerking genomen voorstellen na de oproep tot het indienen van voorstellen in 2016 zich eind 2016 in het voorbereidingsstadium van een subsidieovereenkomst bevonden; merkt bovendien op dat het programma van de gemeenschappelijke onderneming begin 2017 een portfolio zal hebben van 65 lopende projecten met in totaal 729 deelnemers uit 30 landen met een totaal subsidiebedrag van 414 000 000 EUR;

Financieel en begrotingsbeheer

3.  merkt op dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2016 (het "verslag van de Rekenkamer") heeft verklaard dat de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming op alle materiële punten een getrouw beeld geeft van haar financiële situatie per 31 december 2016 en van de resultaten van haar verrichtingen en kasstromen voor het op die datum afgesloten jaar, overeenkomstig de bepalingen van haar financiële regeling en de door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels;

4.  merkt op dat in de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming wordt bepaald dat de definitieve begroting 2016 beschikbaar moet zijn voor tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten ter hoogte van 194 295 870 EUR en betalingskredieten ter hoogte van 67 196 187 EUR, en dat het benuttingspercentage voor de vastleggingskredieten en betalingskredieten respectievelijk 97,1 % en 95,8 % bedroeg;

5.  merkt op dat de betalingskredieten voornamelijk werden gebruikt voor de voorfinanciering van subsidieovereenkomsten die voortkwamen uit de oproepen tot het indienen van voorstellen in 2014 en 2015;

6.  merkt op dat er 10 subsidieovereenkomsten werden gesloten voor een totale waarde van 49 653 711 EUR en dat er in december 2015 drie voorstellen voor financiering in aanmerking werden genomen voor een totale waarde van 73 741 237 EUR;

7.  merkt op dat er op 31 december 2016 geen bijdragen in natura aan de gemeenschappelijke onderneming van andere leden dan de Unie werden gemeld; merkt op dat de gemeenschappelijke onderneming de geschatte bijdragen in natura ter hoogte van 7 833 127 EUR heeft opgenomen in haar jaarrekening, op basis van de schatting op 31 januari 2017;

8.  uit enige bezorgdheid over het feit dat verscheidene leden afkomstig uit de industrie die deelnemen aan de gemeenschappelijke onderneming hun bijdragen in natura niet konden opgeven voor de gestelde uiterste termijn, hetzij omdat hun eigen jaarrekening nog niet was afgesloten, hetzij omdat de projecten vlak voor het eind van 2016 waren begonnen; erkent dat de rapportagetermijn van 31 januari moet worden herzien in geval van toekomstige wetgevingsvoorstellen tot wijziging van Verordening (EU) nr. 560/2014; erkent dat de gemeenschappelijke onderneming zich in dergelijke gevallen houdt aan de richtsnoeren van de Commissie voor boekhoudregels en een pro-rata schatting maakt op basis van de projectkosten; verzoekt de leden afkomstig uit de industrie echter een manier te vinden om hun bijdragen in natura aan te geven om ervoor te zorgen dat dit probleem zich niet herhaalt;

9.  merkt op dat de gemeenschappelijke onderneming van de 975 000 000 EUR aan Horizon 2020-middelen die aan de gemeenschappelijke onderneming waren toegewezen, tegen eind 2016 voor 414 300 000 EUR (42,5 %) aan vastleggingen en voor 79 500 000 EUR aan betalingen had gedaan (8 % van de toegewezen middelen) voor de uitvoering van de eerste reeks projecten;

10.  uit ernstige bezorgdheid over het feit dat de leden afkomstig uit de industrie van de 975 000 000 EUR die zij moesten bijdragen aan de operationele activiteiten en de administratieve kosten van de gemeenschappelijke onderneming, slechts bijdragen in natura ter hoogte van 15 400 000 EUR voor operationele activiteiten hadden gerapporteerd, en dat de raad van bestuur bijdragen in contanten van de leden aan de administratieve kosten van de gemeenschappelijke onderneming ter hoogte van 3 000 000 EUR had gevalideerd; betreurt het lage niveau van de bijdragen in natura wat samenhangt met het feit dat de meeste projecten van de gemeenschappelijke onderneming zich in 2016 nog in de voorbereidende fase bevonden; wijst er in dit verband op dat Verordening (EU) nr. 560/2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën eerder dit jaar is gewijzigd bij Verordening (EU) 2018/121(2) van 23 januari 2018 teneinde de financiële bijdragen van de private sector te vergroten; dringt er bij de gemeenschappelijke onderneming op aan de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de bijdragen in natura en de betalingen die zijn gedaan;

11.  betreurt dat de totale bijdrage van de leden afkomstig uit de industrie eind 2016 313 200 000 EUR bedroeg, ten opzichte van de bijdrage in contanten van 65 000 000 EUR van de Unie, wat samenhangt met het feit dat de leden afkomstig van de industrie al een aanzienlijk bedrag aan bijdragen in natura hadden opgegeven voor aanvullende activiteiten ten opzichte van de bijdrage van de Unie; hoopt dat de situatie in de komende jaren weer in evenwicht zal raken;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

12.  merkt op dat de personeelsbezetting van de gemeenschappelijke onderneming eind 2016 bijna volledig was, met 20 bezette posten op een totaal van 22 posten die in het organigram waren toegewezen aan de gemeenschappelijke onderneming; is verheugd dat de doelstelling die in 2016 in het jaarlijks werkprogramma was vastgesteld volledig is gehaald, met de aanwerving van 13 tijdelijke functionarissen en 8 arbeidscontractanten uit 10 lidstaten;

Interne audit

13.  merkt op dat de raad van bestuur op 11 april 2016 de taakomschrijving van de interne auditdienst heeft geratificeerd, en dat de interneauditdienst in juli en augustus 2016 een risicobeoordeling heeft verricht met betrekking tot de belangrijkste processen, zowel operationele als administratieve, van het programmabureau;

Interne controle

14.  geeft uiting aan haar tevredenheid over het feit dat het programmabureau alle prioritaire doelstellingen die in het jaarlijks werkprogramma voor 2016 waren opgenomen voor internecontrolesystemen heeft gehaald;

Rechtskader

15.  merkt met waardering op dat de personeelsadministratie het rechtskader in 2016 bleef versterken en bijzondere aandacht besteedde aan de toepassing van de uitvoeringsbepalingen van de Commissie met betrekking tot de gemeenschappelijke onderneming; is in dit verband verheugd over het feit dat in 2016 negen nieuwe uitvoeringsbepalingen zijn goedgekeurd door de raad van bestuur;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

16.  merkt op dat, nadat de Commissie in juni 2011 een fraudebestrijdingsstrategie had vastgesteld, de eerste gemeenschappelijke strategie voor fraudebestrijding bij onderzoek werd vastgesteld in juli 2012 en dat deze in maart 2015 werd geactualiseerd om rekening te houden met de veranderingen die met Horizon 2020 waren ingevoerd; is verheugd over het feit dat de strategie voor fraudebestrijding bij onderzoek een actieplan omvat dat moet worden uitgevoerd door alle leden van de onderzoeksfamilie;

Communicatie

17.  erkent dat de gemeenschappelijke onderneming moet communiceren met de burgers van de Unie, via de instellingen van de Unie, over het belangrijke onderzoek dat zij doet en de samenwerkingsverbanden die zij aangaat; benadrukt dat het van belang is om te wijzen op de werkelijke vooruitgang die er dankzij haar werk geboekt is en die een belangrijk deel uitmaakt van haar mandaat, alsmede op het feit dat zij samenwerkt met andere gemeenschappelijke ondernemingen om het publiek bewuster te maken van de voordelen van hun werk;

o
o   o

18.  verzoekt de Commissie te zorgen voor de rechtstreekse betrokkenheid van de gemeenschappelijke onderneming bij de tussentijdse evaluatie van Horizon 2020 met het oog op verdere vereenvoudiging en harmonisatie van gemeenschappelijke ondernemingen.

(1) Verordening (EU) nr. 560/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (PB L 169 van 7.6.2014, blz. 130).
(2) Verordening (EU) 2018/121 van de Raad van 23 januari 2018 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 560/2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming biogebaseerde industrieën (PB L 22 van 26.1.2018, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling