Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2187(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0072/2018

Ingediende teksten :

A8-0072/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 10
CRE 18/04/2018 - 10

Stemmingen :

PV 18/04/2018 - 12.63

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0168

Aangenomen teksten
PDF 180kWORD 52k
Woensdag 18 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Kwijting 2016: Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel
P8_TA(2018)0168A8-0072/2018
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2187(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van de Gemeenschappelijke Onderneming(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 betreffende de de aan de gemeenschappelijke onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05943/2018 – C8-0096/2018),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 209,

–  gezien Verordening (EU) nr. 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel(4), en met name artikel 12,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 van de Commissie van 30 september 2013 tot vaststelling van de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0072/2018),

1.  verleent de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel kwijting voor de uitvoering van de begroting de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2016;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 426 van 12.12.2017, blz. 23.
(2) PB C 426 van 12.12.2017, blz. 23.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 152.
(5) PB L 38 van 7.2.2014, blz. 2.


2. Besluit van het Europees Parlement van 18 april 2018 over de afsluiting van de rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2187(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van de Gemeenschappelijke Onderneming(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 betreffende de de aan de gemeenschappelijke onderneming te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05943/2018 – C8-0096/2018),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 209,

–  gezien Verordening (EU) nr. 561/2014 van de Raad van 6 mei 2014 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel(4), en met name artikel 12,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 110/2014 van de Commissie van 30 september 2013 tot vaststelling van de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen bedoeld in artikel 209 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(5),

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0072/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel voor het begrotingsjaar 2016;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 426 van 12.12.2017, blz. 23.
(2) PB C 426 van 12.12.2017, blz. 23.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 152.
(5) PB L 38 van 7.2.2014, blz. 2.


3. Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming Ecsel voor het begrotingsjaar 2016 (2017/2187(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming elektronische componenten en systemen voor Europees leiderschap (Ecsel) voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0072/2018),

A.  overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming elektronische componenten en systemen voor Europees leiderschap Ecsel (de "Gemeenschappelijke Onderneming") is opgericht op 7 juni 2014, op basis van artikel 187 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met het oog op de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk technologie-initiatief inzake Ecsel, met looptijd tot 31 december 2024;

B.  overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming in juni 2014 bij Verordening (EU) nr. 561/2014(1) van de Raad werd opgericht 2014 als vervanger en opvolger van de Gemeenschappelijke Ondernemingen Artemis en Eniac;

C.  overwegende dat de leden van de Gemeenschappelijke Onderneming bestaan uit de Unie, de lidstaten, en, op vrijwillige basis, de aan Horizon 2020 deelnemende landen ("deelnemende staten") en verenigingen van particuliere ondernemingen ("particuliere leden") en andere organisaties die in de Unie actief zijn op het gebied van elektronische componenten en systemen; overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming toegankelijk moet zijn voor nieuwe leden;

D.  overwegende dat de geplande bijdragen aan de Gemeenschappelijke Onderneming over de totale looptijd van Horizon 2020 respectievelijk 1 184 874 000 EUR van de Unie, 1 170 000 000 EUR van de deelnemende staten, en 1 657 500 000 EUR van de particuliere leden bedragen;

Follow-up van de kwijting voor 2015

1.  juicht het feit toe dat de Gemeenschappelijke Onderneming stappen heeft ondernomen om de uitvoering te beoordelen van door de nationale financieringsinstanties (NFI's) uitgevoerde controles achteraf, en de schriftelijke verklaringen van de NFI's heeft ontvangen waarin zij verklaren dat de uitvoering van hun nationale procedures redelijke zekerheid verschaffen over de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen;

2.  stelt met tevredenheid vast dat de kwestie met betrekking tot de variatie in de door de NFI's gebruikte methodologieën en procedures niet meer van belang is voor de uitvoering van Horizon 2020-projecten, aangezien de controles achteraf worden uitgevoerd door ofwel de Gemeenschappelijke Onderneming, ofwel de Commissie; stelt vast dat er, overeenkomstig het bepaalde in het gemeenschappelijk plan voor controles achteraf voor Horizon 2020, nu reeds 17 controles achteraf lopen van transacties in verband met de activiteiten van de Gemeenschappelijke Onderneming;

Begrotings- en financieel beheer

3.  stelt vast dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2016 (het "verslag van de Rekenkamer") heeft verklaard dat de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming op alle materiële punten een getrouw beeld geeft van haar financiële situatie per zaterdag 31 december 2016 en van de resultaten van haar verrichtingen en kasstromen voor het op die datum afgesloten jaar, overeenkomstig de bepalingen van haar financiële regeling en de door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels;

4.  constateert dat in de definitieve begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2016 vastleggingskredieten ter hoogte van 169 300 000 EUR en betalingskredieten ter hoogte van 245 000 000 EUR waren opgenomen; stelt vast dat de benuttingspercentages voor de vastleggings- en betalingskredieten respectievelijk 99 % en 91 % bedroegen;

5.  merkt op dat de bijdrage van de Unie aan de werkzaamheden van de Gemeenschappelijke Onderneming maximaal 1 185 000 000 EUR bedraagt, die via Horizon 2020 moet worden betaald; stelt met enige bezorgdheid vast dat in ieder geval een vergelijkbaar bedrag door de deelnemende staten moet worden bijgedragen;

6.  stelt vast dat de Rekenkamer in haar verslag verklaart dat de onderliggende verrichtingen bij de jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het begrotingsjaar 2016 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

7.  vindt het bijzonder zorgwekkend dat de Rekenkamer een oordeel met beperking heeft afgegeven over de betalingen die de Gemeenschappelijke Onderneming heeft verricht in verband met projecten die zij van haar rechtsvoorgangers, de Gemeenschappelijke Ondernemingen Artemis en Eniac heeft overgenomen en verzoekt de Rekenkamer de methodologie te heroverwegen die in herhaalde oordelen met beperking geresulteerd heeft met betrekking tot deze terugkerende kwestie die niet kan worden opgelost totdat de projecten van het zevende kaderprogramma zijn beëindigd; stelt vast dat de in 2016 door de Gemeenschappelijke Onderneming voor deze projecten verrichte betalingen tegen de door de NFI's van de deelnemende staten afgegeven kostenacceptatiecertificaten 118 000 000 EUR bedroegen, oftewel 54 % van de totale operationele betalingen door de Gemeenschappelijke Onderneming in 2016. stelt vast dat de NFI's betrouwbaarheidsverklaringen hebben opgesteld met betrekking tot de uitgaven van 2016 zoals op 22 januari 2018 ontvangen van de Gemeenschappelijke Onderneming; stelt vast dat deze betrekking hebben op 98 % van de bijdragen van de deelnemende staten voor wat betreft de uitgaven van het zevende kaderprogramma in 2016;

8.  neemt er kennis van dat de Gemeenschappelijke Ondernemingen Artemis en Eniac bij hun opheffing in juni 2014 vastleggingen gedaan hadden ten belope van 623 000 000 EUR (Artemis 181 000 000 EUR en Eniac 442 000 000 EUR) voor met middelen van het zevende kaderprogramma te financieren operationele activiteiten; stelt daarnaast vast dat de daarmee verband houdende betalingen op de rekeningen van de Gemeenschappelijke Onderneming eind 2016 411 000 000 EUR bedroegen (Artemis 132 000 000 EUR en Eniac 279 000 000 EUR); spreekt de hoop uit dat de desbetreffende betalingen, tegen uitstaande verplichtingen, onverminderd door de Gemeenschappelijke Ondernemingen Artemis en Eniac zullen worden gedaan;

9.  merkt op dat de Gemeenschappelijke Onderneming van de 185 000 000 EUR aan Horizon 2020-middelen die aan de Gemeenschappelijke Onderneming waren toegewezen, tegen eind 2016 voor 415 000 000 EUR aan vastleggingen en voor 156 000 000 EUR aan betalingen (13 % van de toegewezen middelen) had gedaan voor de uitvoering van de eerste reeks projecten;

10.  stelt vast dat de 28 deelnemende staten verplicht zijn een financiële bijdrage van ten minste 1 170 000 000 EUR te leveren aan de operationele kosten van de Gemeenschappelijke Onderneming; stelt vast dat de staten die in 2014, 2015 en 2016 aan de oproepen tot het indienen van voorstellen deelnamen (respectievelijk 19, 21 en 24 staten) eind 2016 voor 371 000 000 EUR aan vastleggingen en voor 56 000 000 EUR aan betalingen (4,9 % van het totaal aan vereiste bijdragen) gedaan hadden; concludeert dat, ondanks het vroege stadium waarin de uitvoering van de Horizon 2020-projecten zich bevindt, de kennelijk lage bijdragen van de deelnemende staten verband houden met het feit dat sommige van deze staten pas aan het einde van de door hen gesteunde projecten kosten toerekenen en rapporteren, en onderkent dat dit een probleem voor de Gemeenschappelijke Onderneming is; verzoekt de deelnemende staten de steun voor projecten eerder in de financieringscyclus in te plannen;

11.  stelt vast dat de Gemeenschappelijke Onderneming eind 2016 raamde dat haar leden van de 1 657 000 EUR die de deelnemers uit de industrie aan haar activiteiten moesten bijdragen 202 000 000 EUR aan bijdragen in natura hadden geleverd, terwijl de EU een contante bijdrage van 264 000 000 EUR euro had betaald;

Interne controles

12.  spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat de Gemeenschappelijke Onderneming in 2012 met betrekking tot twee begunstigden in kennis werd gesteld van insolventieprocedures, maar niet heeft geprobeerd om de voorschotten terug te vorderen die in de periode tot 2016 - een tijdspanne van vier jaar - aan die begunstigden waren betaald; stelt vast dat de procedures tegen die tijd afgesloten waren en de uitstaande voorfinanciering van 230 000 EUR moest worden afgeschreven; is zich ervan bewust dat het faillissement van beide begunstigden zich nog onder de Gemeenschappelijke Onderneming Eniac heeft voorgedaan, voordat deze opging in de Gemeenschappelijke Onderneming; stelt evenwel vast dat de financiële middelen verloren zijn gegaan en dat deze fout in het kader van de inachtneming van goede boekhoudkundige praktijken niet onder het tafelkleed mag worden geveegd;

13.  stelt vast dat de Gemeenschappelijke Onderneming regels voor de preventie en het beheer van belangenconflicten heeft vastgesteld om de risico's in verband met haar bestuursstructuur te beperken; stelt overigens vast dat de Gemeenschappelijke Onderneming deze regels in 2016 niet op consistente wijze heeft toegepast; merkt op dat het beheer van het interne register van verklaringen omtrent belangenconflicten niet in overeenstemming was met de interne richtsnoeren en dat het register niet regelmatig werd bijgewerkt; neemt er kennis van dat in de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur alle door afgevaardigden opgegeven belangenconflicten vermeld worden: het gaat om baselinedocumenten die worden gebruikt om het register in te vullen;

Interne audit

14.  stelt vast dat de dienst Interne Audit het proces voor de toekenning van Horizon 2020-subsidies door de Gemeenschappelijke Onderneming in 2016 aan een grondige risicobeoordeling heeft onderworpen en naar aanleiding daarvan vijf aanbevelingen heeft geformuleerd;

Personeelsdiensten

15.  stelt vast dat de Gemeenschappelijke Onderneming op 31 december 2016 29 mensen in dienst had; stelt vast dat de Gemeenschappelijke Onderneming in 2016 twee posten heeft bezet, op het gebied van interne controlecapaciteit en externe communicatie, en één post, op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, heeft geadverteerd;

16.  verwelkomt het dat de Gemeenschappelijke Onderneming haar organigram op 4 januari 2016 heeft gewijzigd, teneinde de structuur van de organisatie beter te laten aansluiten op de prioriteiten en de behoefte aan expertise;

Communicatie

17.  erkent de noodzaak dat de Gemeenschappelijke Onderneming via de instellingen van de Unie de burgers van de Unie op de hoogte stelt van het belang van het onderzoek en de samenwerking die binnen haar kader plaatsvinden, en benadrukt dat het belangrijk is om de aandacht te vestigen op de echte verbeteringen als gevolg van haar werkzaamheden, die een belangrijk onderdeel van haar mandaat vormen, alsook op het feit dat zij samenwerkt met andere gemeenschappelijke ondernemingen bij de bevordering van de bewustwording bij de burgers van de voordelen die hun werkzaamheden opleveren;

o
o   o

18.  verzoekt de Commissie te zorgen voor de rechtstreekse betrokkenheid van de gemeenschappelijke onderneming bij de tussentijdse evaluatie van Horizon 2020 met het oog op verdere vereenvoudigingen en harmonisatie van gemeenschappelijke ondernemingen.

(1) PB L 169 van 7.6.2014, blz. 152.

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling