Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2001(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0146/2018

Ingediende teksten :

A8-0146/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 19/04/2018 - 10.9

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0182

Aangenomen teksten
PDF 209kWORD 64k
Donderdag 19 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Raming van de ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2019 - Afdeling I - Europees Parlement
P8_TA(2018)0182A8-0146/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 19 april 2018 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2019 (2018/2001(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1), en met name artikel 36,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie(4),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2017 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2018(5),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018(6),

–  gezien zijn resolutie van 30 november 2017 over het gemeenschappelijk ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018, goedgekeurd door het bemiddelingscomité in het kader van de begrotingsprocedure(7),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal aan het Bureau met het oog op de opstelling van het voorontwerp van raming van het Parlement voor het begrotingsjaar 2019,

–  gezien het voorontwerp van raming, opgesteld door het Bureau op 16 april 2018 overeenkomstig artikel 25, lid 7, en artikel 96, lid 1, van het Reglement van het Parlement,

–  gezien de ontwerpraming, opgesteld door de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 96, lid 2, van het Reglement van het Parlement,

–  gezien artikel 96 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8-0146/2018),

A.  overwegende dat deze procedure de vierde volledige begrotingsprocedure is tijdens de nieuwe zittingsperiode en de zesde gedurende de looptijd van het meerjarig financieel kader 2014-2020;

B.  overwegende dat de begroting 2019, zoals voorgesteld in het verslag van de secretaris-generaal, wordt voorbereid tegen de achtergrond van een jaarlijkse stijging - zowel wegens de inflatie als reëel - van het plafond voor rubriek V, zodat er meer ruimte komt voor groei en investeringen alsook voor verdere beleidsmaatregelen gericht op bezuinigingen, meer efficiëntie en een oriëntatie op een prestatiegerichte begroting;

C.  overwegende dat de secretaris-generaal voor de begroting 2019 o.a. de volgende prioritaire doelstellingen heeft voorgesteld: de campagne voor de verkiezingen van het Europees Parlement in 2019, beveiligingsprojecten, meerjarige bouwprojecten, IT-ontwikkeling, verbetering van de dienstverlening aan de leden en bevordering van een groene aanpak op vervoersgebied;

D.  overwegende dat de secretaris-generaal voor het voorontwerp van raming van het Parlement voor 2019 een begroting van 2 016 644 000 EUR heeft voorgesteld, wat een stijging van 3,38 % betekent ten opzichte van de begroting voor 2018 (inclusief 37,3 miljoen EUR voor de overgang naar een nieuwe zittingsperiode en 34,3 miljoen EUR voor andere buitengewone uitgaven), en een aandeel van 18,79 % van rubriek 5 van het MFK 2014-2020;

E.  overwegende dat bijna twee derde van de begroting bestaat uit aan de index gekoppelde uitgaven die voornamelijk betrekking hebben op de bezoldiging, pensioenen, medische kosten en vergoedingen voor huidige en voormalige leden (23 %) en personeel (34 %), alsmede op gebouwen (13 %), en die worden aangepast overeenkomstig het ambtenaren- en ledenstatuut, sectorspecifieke indexeringen of het inflatiepercentage;

F.  overwegende dat het Parlement al in zijn resolutie van 29 april 2015 over de raming van de ontvangsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2016(8) heeft beklemtoond dat de begroting 2016 op een realistische leest geschoeid moest worden en in overeenstemming met de beginselen van begrotingsdiscipline en goed financieel beheer moest zijn;

G.  overwegende dat de geloofwaardigheid van het Parlement als tak van de begrotingsautoriteit afhangt van zijn vermogen om de eigen uitgaven te beheren en de democratie op Unieniveau te ontwikkelen;

H.  overwegende dat het vrijwillig pensioenfonds in 1990 is opgezet op basis van de regeling van het Bureau inzake het (vrijwillig) aanvullend pensioenstelsel(9);

Algemeen kader

1.  benadrukt dat de begroting van het Parlement voor 2019 gehandhaafd moet blijven op minder dan 20 % van rubriek 5; wijst erop dat de raming voor 2019 neerkomt op 18,53 %, wat lager is dan het in 2018 verwezenlijkte percentage (18,85 %) en het geringste aandeel van rubriek 5 vormt in meer dan vijftien jaar;

2.  benadrukt dat het grootste deel van de begroting van het Parlement vastligt op grond van wettelijke of contractuele verplichtingen en onderworpen is aan een jaarlijkse indexering;

3.  merkt op dat er wegens de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2019 aanzienlijk meer uitgaven zullen zijn op bepaalde gebieden, vooral met betrekking tot leden die niet opnieuw verkozen worden en hun medewerkers, terwijl er op andere punten besparingen gegenereerd worden, zij het op kleinere schaal, als gevolg van het verminderde volume aan parlementaire werkzaamheden in een verkiezingsjaar;

4.  steunt de overeenstemming die in het overleg tussen het Bureau en de Begrotingscommissie van 26 maart 2018 en 10 april 2018 is bereikt om de verhoging van de begroting vast te stellen op 2,48 %, overeenkomend met het totaalbedrag van zijn ramingen voor 2019 van 1 999 144 000 EUR, om het uitgavenniveau van het voorontwerp van raming als goedgekeurd door het Bureau op 12 maart 2018 te verlagen met 17,5 miljoen EUR en om in verband daarmee de kredieten voor de volgende begrotingsonderdelen te verlagen: 1004 – normale reiskosten; 105 – taal- en computercursussen voor de leden; 1404 – stages, subsidies en uitwisseling van ambtenaren; 1612 – aanvullende opleiding; 1631 – mobiliteit; 2000 – huur; 2007 – oprichting en inrichting van gebouwen; 2022 – onderhoud en schoonmaak van en toezicht op de gebouwen; 2024 – energieverbruik; 2100 – informatica en telecommunicatie; 2101 – informatica en telecommunicatie — terugkerende operationele activiteiten in verband met de infrastructuur; 2105 – informatica en telecommunicatie — projectinvesteringen; 212 – meubilair; 214 – technisch materieel en technische installaties; 230 – papier, kantoorbenodigdheden en diverse producten; 238 – overige huishoudelijke uitgaven; 300 – dienstreizen van het personeel en reizen tussen de drie vergaderplaatsen; 302 – onthaal- en representatie; 3040 – interne vergaderingen; 3042 – vergaderingen, congressen, conferenties en delegaties; 3049 – werkingskosten van het reisbureau; 3243 – bezoekerscentra van het Europees Parlement; 3248 – audiovisuele voorlichting; 325 – voorlichtingsbureaus; 101 – reserve voor onvoorziene uitgaven; voorziet post 1400 – andere personeelsleden – secretariaat-generaal en fracties van kredieten ter hoogte van 50 000 EUR, artikel 320 – verwerving van expertise van 50 000 EUR en post 3211 – Europees wetenschaps- en mediaknooppunt van 800 000 EUR; is ingenomen met het feit dat die wijzigingen door het Bureau op 16 april 2018 zijn goedgekeurd;

5.  benadrukt dat de kerntaken van het Parlement zijn: het samen met de Raad vaststellen van wetgeving en het al dan niet goedkeuren van de begroting, het vertegenwoordigen van de burgers en het uitoefenen van toezicht op de werkzaamheden van andere instellingen;

6.  beklemtoont de rol van het Parlement bij het bevorderen van het Europees politiek bewustzijn en de waarden van de Unie;

7.  wijst erop dat het voorontwerp van raming en de bijbehorende documenten pas op een laat tijdstip, na de goedkeuring ervan door het Bureau op 12 maart 2018, zijn ontvangen; verzoekt om in de komende jaren het verslag van de secretaris-generaal aan het Bureau over het voorontwerp van raming, met bijlagen, op tijd toegestuurd te krijgen;

Transparantie en toegankelijkheid

8.  is ingenomen met de reactie op het verzoek dat de Begrotingscommissie in diverse begrotingsresoluties heeft gedaan om aanvullende informatie over de planning voor de middellange en lange termijn, investeringen, wettelijke verplichtingen, beleidsuitgaven en een methodologie die berust op de huidige behoefte en niet op coëfficiënten; merkt op dat forfaitaire bedragen een nuttig en erkend instrument zijn voor meer flexibiliteit en transparantie;

9.  merkt op dat, net als voor de begroting in voorgaande jaren, wordt voorgesteld om een bedrag uit te trekken voor "buitengewone" investeringen en uitgaven, d.w.z. investeringen en uitgaven die voor het Parlement ongebruikelijk of atypisch zijn en niet vaak worden gedaan; merkt op dat deze investeringen en uitgaven in 2019 71,6 miljoen EUR belopen, bestaande uit 37,3 miljoen EUR voor de overgang naar een nieuwe zittingsperiode en 34,3 miljoen EUR voor andere buitengewone uitgaven; herinnert eraan dat het in de begroting van 2016 aangebrachte en in de volgende begrotingen gehandhaafde onderscheid tussen gewone en buitengewone uitgaven uitsluitend bedoeld was met het oog op het nemen van urgente maatregelen in verband met de beveiliging van gebouwen en cyberveiligheid na de terroristische aanslagen; is van oordeel dat overmatig gebruik van dat onderscheid, namelijk het opnemen van andere uitgaven in de buitengewone uitgaven, een verkeerd beeld geeft van de ontwikkeling van de begrotingsmarge en derhalve in tegenspraak is met het transparantiebeginsel met betrekking tot de uitgaven van het Parlement;

10.  verwacht dat de begroting van het Parlement voor 2019 realistisch en accuraat zal zijn wat betreft het vinden van een goed evenwicht tussen behoeften en kosten, teneinde overbudgettering zo veel mogelijk te vermijden;

Brexit

11.  stelt vast dat de onderhandelaars van de Unie en het VK op 8 december 2017 een beginselakkoord hebben bereikt over de financiële afwikkeling van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, met daarin een bepaling dat het VK aan de begrotingen van de Unie voor 2019 en 2020 zal deelnemen alsof het nog lid van de Unie was, en zijn aandeel zal bijdragen ter financiering van de verplichtingen die de Unie voor 31 december 2020 is aangegaan; merkt op dat de vrijwillige pensioenregeling voor de leden als passief op de EU-balans is opgenomen en dat ook onderhandeld zal moeten worden over een bijdrage aan de uitstaande verplichtingen die nodig zijn ter dekking van de eerder aangegane en zich tot na 2020 uitstrekkende pensioenverplichtingen;

12.  merkt op dat met de plenaire stemming in februari 2018 een initiatiefverslag van de Commissie constitutionele zaken over de samenstelling van het Parlement is bevestigd, en met name de verlaging van het aantal leden tot 705 na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie; merkt op dat president Tusk, na de informele bijeenkomst van de 27 staatshoofden en regeringsleiders op 23 februari 2018, heeft aangegeven dat er veel steun is voor zijn voorstel; merkt op dat, ingeval het Verenigd Koninkrijk aan het begin van de zittingsperiode 2019-2024 nog lid van de EU is, het aantal leden is bepaald op 751, totdat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie rechtsgeldig wordt; wijst er evenwel op dat de Europese Raad, na de goedkeuring van het Parlement te hebben verkregen, een besluit met eenparigheid van stemmen over de procedure moet nemen; onderstreept dat in de raming van het Parlement vooralsnog is uitgegaan van een status quo met een Parlement dat tussen 30 maart 2019 en het eind van de achtste zittingsperiode is samengesteld uit 678 leden uit 27 lidstaten, en een Parlement dat van het begin van de negende zittingsperiode tot het eind van het begrotingsjaar 2019 is samengesteld uit 705 leden uit 27 lidstaten; neemt tevreden kennis van de aanpassingen zoals voorgesteld door de secretaris-generaal aan de leden van het Bureau op 12 maart 2018;

Europese verkiezingen 2019

13.  verwelkomt de voorlichtingscampagne en beschouwt deze als een goede mogelijkheid om de burgers uit te leggen wat het doel van de Unie en het Parlement is; benadrukt dat deze campagne o.a. dient te zijn gericht op het uitleggen van de rol van de Unie, de bevoegdheden van het Parlement, zijn taken, zoals de verkiezing van de voorzitter van de Commissie, en zijn invloed op het leven van de burgers;

14.  herinnert eraan dat, zoals goedgekeurd in de begrotingsprocedure voor 2018, de totale begroting voor de campagne 33,3 miljoen EUR voor beide jaren bedraagt, waarvan 25 miljoen EUR voor 2018 (wegens de tijd die nodig is voor aanbestedingsprocedures en voor het sluiten van contracten) en 8,33 miljoen EUR in 2019; merkt op dat de campagnestrategie, uitgaande van een analyse van de ervaringen uit de laatste verkiezingen, in november 2017 door het Bureau is goedgekeurd;

15.  onderstreept dat de communicatieprocessen voor de Europese verkiezingen drieledig zijn: de meest zichtbare pijler wordt gevormd door de nationale en Europese politieke partijen en hun kandidaten, de tweede pijler is het lijsttrekkersproces ("Spitzenkandidaten") en de derde pijler is de institutionele campagne, waarin duidelijk wordt gemaakt wat het Parlement is en wat het doet, welke invloed het heeft op het leven van burgers en waarom meedoen aan de verkiezingen belangrijk is;

16.  wijst erop dat het Parlement alleen niet de nodige middelen heeft om de 400 miljoen stemgerechtigden te bereiken, en dat het daartoe dus optimaal gebruik moet maken van zijn netwerk van multiplicatoren; is van oordeel dat communicatie via sociale media ook een belangrijke rol dient toe te komen; wijst erop dat er in 2018 op Europees niveau een reeks bijeenkomsten met burgers en belanghebbenden zal worden georganiseerd en dat op nationaal vlak de liaisonbureaus een cruciale rol spelen; handhaaft het Europees Comité van de Regio's en zijn plaatselijke en regionale vertegenwoordigers in de netwerkbenadering; is van mening dat de Europese politieke partijen en de nationale partijen in de aanloop naar de verkiezingen tezamen een cruciale rol zullen spelen, vooral in het kader van de "Spitzenkandidaten"-procedure; stelt daarom voor om hen in staat te stellen deze taak uit te voeren met financiering die speciaal voor 2019 wordt verhoogd;

Veiligheid en cyberveiligheid

17.  merkt op dat in de begroting 2019 verdere termijnen zullen worden opgenomen van de substantiële investeringen waarmee in 2016 een begin is gemaakt om de veiligheid in het Parlement aanzienlijk te verhogen; wijst erop dat die projecten verscheidene gebieden bestrijken, waarbij het voornamelijk om gebouwen gaat, te weten de modernisering van de beveiliging van de ingang, apparatuur en personeel, zoals het iPACS-project, maar ook om verbeteringen op het gebied van de cyberveiligheid en de beveiliging van communicatie;

18.  is ingenomen met het in 2017 van kracht geworden memorandum van overeenstemming tussen de Belgische overheid en het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en andere in Brussel gevestigde instellingen over het controleren van de veiligheidsmachtiging van alle medewerkers van externe contractanten die toegang wensen tot de instellingen van de Unie; verzoekt de secretaris-generaal nogmaals, net als in de raming van inkomsten en uitgaven van het Parlement voor 2018, te onderzoeken of het misschien verstandig is zijn Memorandum of Understanding uit te breiden tot ambtenaren, parlementaire medewerkers en stagiairs, teneinde ze voorafgaand aan hun aanwerving aan een veiligheidsonderzoek te kunnen onderwerpen; verzoekt de secretaris-generaal dan ook de Begrotingscommissie op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in dit dossier;

19.  is van mening dat IT-tools voor de leden en het personeel belangrijke instrumenten zijn bij het verrichten van hun werkzaamheden, maar toch ook kwetsbaar zijn voor cyberaanvallen; juicht het daarom toe dat er een lichte stijging is van de middelen die worden uitgetrokken, zodat de instelling beter in staat zal zijn zichzelf en haar informatie te beschermen middels voortzetting van het actieplan cyberveiligheid;

Onroerendgoedbeleid

20.  herhaalt zijn verzoek om op het gebied van het gebouwenbeleid de besluitvorming transparant en op basis van vroegtijdige informatie te laten verlopen, met inachtneming van artikel 203 van het Financieel Reglement;

21.  neemt nota van de verbetering van de werkomgeving voor leden en personeel, waartoe het Bureau in december 2017 besloten heeft en die in 2019 zal worden voortgezet teneinde de leden te voorzien van flexibele werkplekken die voldoen aan de behoeften die voortvloeien uit de veranderende werkpatronen, zodat zij na de verkiezingen in 2019 kunnen beschikken over drie kantoren in Brussel en twee in Straatsburg; beklemtoont desalniettemin dat het wat Straatsburg betreft nuttiger zou zijn flexibele vergaderruimten te creëren; neemt nota van de onderhoudskosten voor de gebouwen van het Parlement in 2019, inclusief voor de naleving van veiligheids- en milieueisen; plaatst vraagtekens bij de zeer hoge kosten van enkele van de voorgestelde projecten, in het bijzonder: de verplaatsing van de bibliotheek en bijbehorende kantoren, de renovatie van het ledenrestaurant (ASP-gebouw) en de renovatie van het restaurant in het Churchill-gebouw; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie volledig te informeren over deze besluiten vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2018; overwegende dat sommige projecten zullen worden uitgesteld;

22.  plaatst vraagtekens bij de 1,58 miljoen EUR die gepland is voor de renovatie van het Spaak-gebouw, in de wetenschap dat hiervoor reeds 14 miljoen EUR was gereserveerd op de begroting 2018; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie volledig te informeren over dit besluit vóór de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2018;

23.  vraagt om gedetailleerdere informatie over de toestand van de meubels in het ASP-gebouw in Brussel die de vervanging daarvan rechtvaardigt, alsook over de procedure die gebruikt is voor het kiezen van de nieuwe meubels, in het bijzonder over de verhouding tussen de prijs en de noodzaak van vervanging;

24.  neemt kennis van de bijgewerkte taakomschrijving voor de voorlichtingsbureaus, die voortaan liaisonbureaus worden genoemd, zoals vastgesteld in een besluit van het Bureau van november 2017; merkt op dat de belangrijkste taak van de liaisonbureaus er een is van op een politiek neutrale wijze lokaal informeren en communiceren namens het Parlement, teneinde informatie te verstrekken over de Unie en haar beleid door middel van de activiteiten van externe belanghebbenden op lokaal, regionaal en nationaal niveau, met inbegrip van de leden van het Europees Comité van de Regio's;

25.  stelt vast dat de eerste delen van de oostvleugel van het nieuwe KAD-gebouw eind 2018 zullen worden opgeleverd en betrokken, terwijl de resterende kantoren in de oostvleugel en de vergaderzalen geleidelijk in 2019 in gebruik zullen worden genomen; merkt op dat onmiddellijk daarna de werkzaamheden aan de westvleugel zullen beginnen;

26.  herinnert aan de analyse die de Europese Rekenkamer in 2014 heeft verricht, waarin de kosten van de geografische spreiding van het Parlement worden geraamd op 114 miljoen EUR per jaar; wijst tevens op de bevinding in zijn resolutie van 20 november 2013 over de plaats van de zetels van de instellingen van de Europese Unie(10) dat 78% van alle dienstreizen van statutair personeel van het Parlement een direct gevolg zijn van de geografische spreiding van de instelling in kwestie; beklemtoont verder dat de milieugevolgen van de geografische spreiding in het verslag worden geraamd op tussen de 11 000 en 19 000 ton aan CO2-emissies; beklemtoont de potentiële bezuinigingen voor de begroting van het Parlement van één zetel, en dringt derhalve aan op een routekaart voor één zetel;

27.  herinnert aan zijn toezegging in het kader van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie(11), waarin wordt bepaald dat het, onverminderd de voorschriften betreffende de begroting en de overheidsopdrachten, op de gebouwen waarvan het eigenaar en gebruiker is de voorschriften zal toepassen die, krachtens de artikelen 5 en 6 van die richtlijn, ook gelden voor de gebouwen van de centrale overheid van de lidstaten, vanwege de grote zichtbaarheid van de gebouwen en de leidende rol die het Parlement dient te vervullen ten aanzien van de energie-efficiëntie van de gebouwen; onderstreept dat het dringend nodig is om de daad bij het woord te voegen, vooral in het licht van de geloofwaardigheid van het Parlement bij de huidige herzieningen van de energieprestaties van gebouwen en de richtlijnen inzake energie-efficiëntie;

Aan de leden en geaccrediteerde parlementaire medewerkers gerelateerde kwesties

28.  is ingenomen met de inspanningen van het secretariaat-generaal van het Parlement, de secretariaten van de fracties en de kantoren van de leden om de leden beter te dienen bij de uitoefening van hun mandaat; moedigt de verdere ontwikkeling van deze diensten aan, waardoor de leden beter toezicht kunnen uitoefenen op de werkzaamheden van de Commissie en de Raad en de burgers beter kunnen vertegenwoordigen;

29.  is met name ingenomen met de steeds betere kwaliteit van het onderzoek en de adviezen die ten behoeve van de leden en de commissies worden verzorgd door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) en de beleidsondersteunende afdelingen; neemt kennis van de tussentijdse evaluatie van de samenwerking tussen deze twee door de secretaris-generaal in oktober 2017 ingestelde diensten; verzoekt de secretaris-generaal meer informatie te verstrekken over de wijze waarop de twee diensten hun werkzaamheden coördineren om dubbel werk te voorkomen en te voldoen aan de behoeften van de klant; is verheugd over de nieuwe en lopende specifieke IT-projecten, die in 2019 volledig of gedeeltelijk zullen worden uitgevoerd: het e-Parlement-project, het ERMS-project (beheer van elektronische bestanden), het Programma voor een open digitale bibliotheek, het nieuwe onderzoeks- en ontwikkelingsproject voor lerende technologieën op het gebied van vertaalgeheugens en het instrument voor de registratie van deelnemers aan conferenties en evenementen;

30.  herinnert aan bovengenoemde resoluties van 5 april 2017 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2018 en van 25 oktober 2017 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2018; herhaalt het verzoek om transparantie rond de algemene kostenvergoeding van de leden; verzoekt het Bureau van het Parlement betere richtsnoeren op te stellen inzake de verantwoording van de uitgaven die met deze vergoeding kunnen worden gedaan, zonder dat hierdoor voor de administratie van het Parlement extra kosten of administratieve lasten ontstaan; wijst erop dat voor een alomvattend systeem voor controle van de vergoeding voor het parlementaire mandaat van de leden 40 à 75 nieuwe administratieve posten(12) nodig zouden zijn , hetgeen ingaat tegen de regeling tot verlaging van het aantal personeelsleden;

31.  herinnert aan het beginsel van onafhankelijkheid van het mandaat; onderstreept dat het de verantwoordelijkheid van gekozen leden is de vergoeding voor parlementaire werkzaamheden te gebruiken en dat de leden desgewenst op hun persoonlijke webpagina een overzicht van hun uitgaven uit de algemene kostenvergoeding kunnen publiceren; benadrukt dat forfaitaire bedragen op grote schaal worden gebruikt en in de lidstaten als nuttig instrument worden beschouwd; benadrukt dat het huidige gebruik van vaste bedragen geen extra personeel of administratieve kosten voor het Europees Parlement met zich meebrengt en geen verplichte extra kosten en administratieve lasten voor de leden en hun kantoren met zich meebrengt; herhaalt dat een verbetering van de efficiëntie en de transparantie van de algemene kostenvergoeding niet bedoeld is om de persoonlijke levenssfeer aan te tasten;

32.  verzoekt de werkgroep van het Bureau van het Parlement inzake de algemene kostenvergoeding haar werkzaamheden af te ronden en vóór de verkiezingen voor de negende zittingsperiode aanbevelingen te formuleren op basis van het standpunt van het Parlement van oktober 2017;

33.  verzoekt het Bureau nogmaals erop toe te zien dat de sociale en pensioenrechten van de leden en de geaccrediteerde parlementaire medewerkers (GPM's) worden geëerbiedigd en dat daarvoor voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld; herhaalt in dit verband zijn verzoek om een voorstel te presenteren voor een werkbare oplossing voor die GPM's die, hoewel ze aan het eind van de huidige zittingsperiode ononderbroken gedurende twee zittingsperiode gewerkt zullen hebben, wanneer ze de pensioengerechtigde leeftijd bereiken geen recht hebben op een pensioen van het Europees pensioenstelsel omdat ze als gevolg van de vervroegde verkiezingen in 2014 en de vertragingen bij de validering van de arbeidsovereenkomsten van de nieuwe GPM's, die toe te schrijven waren aan de enorme werkdruk in de perioden na de verkiezingen van 2009 en 2014, de in het personeelsstatuut vastgelegde tien daarvoor benodigde jaren niet helemaal volgemaakt zullen hebben; herinnert eraan dat in artikel 27, lid 2, van het statuut van de leden van het Europees Parlement wordt bepaald dat "verworven rechten en aanspraken [...] in volle omvang [blijven] bestaan"; wijst echter op de aanhoudende problemen met het vrijwillig pensioenfonds en vraagt het Bureau en de secretaris-generaal alle mogelijkheden te onderzoeken om de last voor de begroting van het Parlement zoveel mogelijk te verlichten;

34.  acht het bedrag op artikel 422 "Assistentie aan de leden" passend;

35.  neemt kennis van de herziening van de bedragen van de vergoedingen voor GPM's voor de reizen die zij maken tussen de drie werklocaties van het Parlement; herinnert aan zijn verzoek aan het Bureau om maatregelen te nemen om de bedragen voor ambtenaren, overige personeelsleden en GPM's vanaf de volgende zittingsperiode volledig gelijk te trekken;

36.  verzoekt de Conferentie van Voorzitters, met het oog op de volgende zittingsperiode, opnieuw om herziening van de uitvoeringsbepalingen betreffende het werk van delegaties en missies buiten de Europese Unie; onderstreept dat bij een dergelijke herziening de mogelijkheid moet worden overwogen GPM's, onder bepaalde voorwaarden, toe te staan leden tijdens officiële delegaties en missies van het Parlement te begeleiden;

37.  verzoekt het Bureau om wijziging van het besluit van het Bureau van 19 april 2010 houdende regels betreffende stagiairs van leden, teneinde voor hen een fatsoenlijke vergoeding te kunnen vaststellen; beklemtoont dat de vergoeding die aan stagiairs van leden of fracties wordt betaald hen ten minste in staat moet stellen in Brussel, of in enige andere stad waar zij stage lopen, in hun levensonderhoud te voorzien;

38.  is van oordeel dat passende financiële middelen ter beschikking moeten worden gesteld voor de tenuitvoerlegging van de routekaart voor de aanpassing van preventieve maatregelen en maatregelen voor vroegtijdige waarschuwing in verband met conflicten en intimidatie tussen leden en GPM's of andere personeelsleden;

Aan het personeel gerelateerde kwesties

39.  vermindert de personeelsformatie van zijn secretariaat-generaal voor 2019 met 59 posten (doelstelling tot vermindering met 1 %), overeenkomstig het akkoord van 14 november 2015 met de Raad over de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, waarin staat dat het Parlement de jaarlijkse personeelsvermindering tot 2019 voortzet;

40.  is van mening dat het, in een periode waarin de financiële en personele middelen die de instellingen van de Unie ter beschikking staan naar verwachting steeds beperkter worden, van belang is dat de instellingen zelf de meest bekwame werknemers kunnen werven en behouden om op een manier die consistent is met de beginselen van een op prestaties gebaseerde budgettering te kunnen reageren op de complexe toekomstige uitdagingen;

41.  is van oordeel dat het Parlement tot aan het reces in verband met de verkiezingen in een unieke positie zal zitten als gevolg van het samenvallen van de gebruikelijke drukte aan het einde van een zittingsperiode enerzijds en het ingewikkelde pakket wetgevingsvoorstellen in verband met het MFK, de brexit en het oplopende aantal trialogen anderzijds; is van oordeel dat het Parlement en zijn commissies, om hun kerntaken te kunnen uitvoeren, onverminderd over een passend niveau van logistieke en menselijke hulpbronnen moeten beschikken;

42.  geeft de secretaris-generaal de opdracht om voort te bouwen op de bestaande samenwerkingsovereenkomsten tussen het Parlement, het Europees Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité; waarvan de EPRS een zeer positief voorbeeld is; wenst dat wordt nagegaan op welke andere gebieden, waaronder maar niet uitsluitend IT-diensten of veiligheid, backoffice-taken kunnen worden gedeeld om meer synergie-effecten te bereiken, gebruikmakend van de ervaring van het Parlement en de andere twee organen en ten volle rekening houdend met de problemen op governancegebied en met de schaalverschillen, voor het tot stand brengen van billijke samenwerkingsovereenkomsten; verzoekt de secretaris-generaal bovendien te onderzoeken of ook synergie-effecten - bij backoffice-functies en -diensten - kunnen worden gerealiseerd met andere instellingen;

43.  vraagt om een beoordeling van de besparingen en voordelen voor elke partij dankzij de overeenkomst inzake interinstitutionele administratieve samenwerking tussen het Europees Parlement, het Europees Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité op zowel de gebieden waar diensten worden gedeeld, als op gebieden waar wordt samengewerkt, alsmede van de mogelijke besparingen en voordelen van eventuele toekomstige overeenkomsten met andere instellingen en agentschappen;

44.  verwelkomt de resolutie van het Parlement over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU(13); is van oordeel dat de resolutie een belangrijke stap is in de richting van een doeltreffender bestrijding van seksuele intimidatie en iedere vorm van ongepast gedrag in de Unie en haar instellingen, met inbegrip van het Parlement; verlangt dat voldoende middelen worden vrijgemaakt voor de implementatie van de resolutie;

Overige kwesties

45.  wijst op de nog steeds gangbare praktijk van een collectieve overschrijving aan het eind van het jaar ("ramassage") om bij te dragen aan de lopende bouwprojecten; beklemtoont dat, te oordelen naar de cijfers voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017, deze collectieve overschrijving aan het eind van het jaar stelselmatig plaatsvindt en voor dezelfde hoofdstukken en titels en, enkele uitzonderingen daargelaten, voor precies dezelfde onderdelen; vraagt zich derhalve af of deze hoofdstukken en onderdelen wellicht planmatig worden overgewaardeerd om middelen te genereren ter financiering van het begrotingsbeleid;

46.  vraagt zich af of het werkelijk nodig is headsets en webcams te installeren in de kantoren in Straatsburg en Brussel van alle parlementaire medewerkers hoewel de meesten van hen daar zelfs niet om hebben gevraagd; zou derhalve graag vernemen wat de kosten hiervan zijn en waarom dit besluit genomen is; verzoekt de secretaris-generaal de Begrotingscommissie volledig te informeren over dit besluit;

47.  merkt op dat de beperkingen betreffende de toegang tot de cateringruimten van het Parlement op 1 januari 2017 werden opgeheven; accepteert de praktijk dat iedereen die in de gebouwen van het Parlement werkt, of met het oog op een interinstitutionele bijeenkomst toegang tot die gebouwen heeft, in de kantines en restaurants van het Parlement kan lunchen; merkt evenwel op dat de toegang tot het zelfbedieningsrestaurant in het ASP-gebouw in Brussel en tot het zelfbedieningsrestaurant in het LOW-gebouw in Straatsburg erg ingewikkeld is geworden als gevolg van de dagelijkse aanwezigheid van bezoekersgroepen; dringt er derhalve op aan bij de ingang van deze twee zelfbedieningsrestaurants opnieuw controles in te voeren, niet voor leden en personeel van de andere instellingen, maar om bezoekersgroepen stelselmatig naar de voor hen bedoelde restaurants te dirigeren;

48.  wijst op de permanente dialoog tussen het Parlement en de nationale parlementen; beklemtoont dat meer moet worden gedaan dan momenteel het geval is in het kader van de Europese Parlementaire Week, teneinde tot permanente synergie-effecten te komen in de betrekkingen tussen het Parlement en de nationale parlementen; dringt erop aan deze dialoog te versterken zodat in de lidstaten een beter beeld ontstaat van de bijdrage van het Parlement en de Unie;

49.  verzoekt om versterking van het Europees wetenschaps- en mediaknooppunt, dat in de begroting 2018 is opgenomen en op samenwerking met televisieomroepen, sociale media en andere partners om aankomende journalisten opleidingsmogelijkheden te bieden, met name met betrekking tot nieuwe wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen en nieuwsberichten die op feiten berusten en door collega's zijn getoetst;

50.  juicht de inspanningen van het Parlement toe om duurzame mobiliteit te stimuleren;

51.  verzoekt het Parlement milieuvriendelijkheid hoog in het vaandel te dragen en ervoor te zorgen dat de meeste activiteiten op milieuvriendelijke wijze worden geïmplementeerd;

52.  neemt nota van de oprichting van een werkgroep Mobiliteit die op inclusieve wijze dient te werken en een duidelijk mandaat dient te krijgen; onderstreept dat het Parlement zich moet houden aan alle wetten die in de regio's van de plaatsen van werkzaamheid van toepassing zijn, ook op het gebied van mobiliteit; pleit voor het bevorderen van het gebruik van de bestaande rechtstreekse treinverbinding tussen de locatie van het Parlement in Brussel en de luchthaven; verzoekt de verantwoordelijke diensten de samenstelling en de omvang van zijn eigen wagenpark tegen deze achtergrond opnieuw te evalueren; verzoekt het Bureau onverwijld met een regeling te komen om het gebruik van fietsen voor het woon-werkverkeer te bevorderen; stelt vast dat een dergelijke regeling al bestaat bij andere instellingen, met name bij het Europees Economisch en Sociaal Comité;

53.  verzoekt de secretaris-generaal en het Bureau voor een cultuur van prestatiegericht begroten te zorgen in de hele administratie van het Parlement, alsook voor een benadering te kiezen die berust op "lean management" om de efficiëntie te vergroten en de bureaucratische rompslomp in het interne werk van de instelling terug te dringen; beklemtoont dat de ervaring van "lean management" neerkomt op de permanente verbetering van de werkprocedure dankzij de vereenvoudiging en de ervaring van het administratief personeel;

o
o   o

54.  stelt de raming voor het begrotingsjaar 2019 vast;

55.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en de raming te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 15.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0114.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0408.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0458.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172.
(9) Door het Bureau goedgekeurde teksten, PE 113.116/BUR./rev. XXVI/01-04-2009.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0498.
(11) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0150.
(13) Aangenomen teksten: P8_TA(2017)0417

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling