Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/2149(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0127/2018

Ingediende teksten :

A8-0127/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 23
CRE 18/04/2018 - 23

Stemmingen :

PV 19/04/2018 - 10.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0186

Aangenomen teksten
PDF 198kWORD 58k
Donderdag 19 april 2018 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen
P8_TA(2018)0186A8-0127/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 19 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen (2016/2149(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name artikel 5 over bevoegdheidstoedeling en subsidiariteit, artikel 10, lid 1, over representatieve democratie, artikel 10, lid 2, over de vertegenwoordiging van de Europese burgers, artikel 10, lid 3, over het recht van de EU-burger om aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen, artikel 11 over participatiedemocratie, artikel 12 over de rol van de nationale parlementen, artikel 48, lid 3, over de gewone herzieningsprocedure en artikel 48, lid 7 (overbruggingsclausule),

–  gezien Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unied en Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien artikel 15 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 41 en 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien zijn resoluties van 12 juni 1997 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen(1), van 7 februari 2002 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van de opbouw van Europa(2), van 7 mei 2009 over de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in het kader van het Verdrag van Lissabon(3) en van 16 april 2014 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen(4),

–  gezien zijn resoluties van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(5), over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(6) en over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(7),

–  gezien de jaarverslagen van de Commissie over de betrekkingen tussen de Europese Commissie en de nationale parlementen, met name het verslag over 2014 van 2 juli 2015 (COM(2015)0316) en het verslag over 2015 van 15 juli 2016 (COM(2016)0471), en de jaarverslagen van de Commissie over subsidiariteit en evenredigheid, met name het verslag over 2015 van 15 juli 2016 (COM(2016)0469) en het verslag over 2016 van 30 juni 2017 (COM(2017)0600),

–  gezien de jaarverslagen van het directoraat Betrekkingen met de nationale parlementen van het Europees Parlement, met name het tussentijdse verslag van 2016 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen,

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2017 over de controle op de toepassing van het EU‑-recht 2015(8),

–  gezien het witboek van de Commissie over de toekomst van Europa van 1 maart 2017 en de toespraak van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, van 13 september 2017 over de Staat van de Unie, waarin een routekaart werd gepresenteerd,

–  gezien de verklaring getiteld "Greater European Integration: The Way Forward" van de voorzitters van de Italiaanse Camera dei Deputati, de Franse Assemblée nationale, de Duitse Bundestag en de Luxemburgse Chambre des Députés, ondertekend op 14 september 2015 en momenteel gesteund door 15 nationale parlementaire kamers in de EU,

–  gezien de conclusies van de conferenties van de voorzitters van de parlementen van de Europese Unie die zijn gehouden sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, met name die van Luxemburg in 2016 en Bratislava in 2017,

–  gezien de bijdragen en conclusies van de vergaderingen van de Conferentie van in communautaire aangelegenheden gespecialiseerde organen (COSAC) die zijn opgesteld sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, met name van de vergaderingen in Valletta en Tallinn in 2017, en de halfjaarverslagen van de COSAC,

–  gezien artikel 13 van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie (VSCB), waarin de organisatie van interparlementaire conferenties voor het bespreken van het begrotingsbeleid en andere onder dit Verdrag vallende kwesties is verankerd,

–  gezien de resolutie van de Tsjechische Sénat van 30 november 2016 (26e resolutie van de 11e zittingsperiode), de resolutie van de Italiaanse Senato della Reppublica van 19 oktober 2016 (doc. XVIII nr. 164), de bijdragen van zijn commissie voor EU‑beleid van 2 mei 2017 (prot. 573), en de bijdragen van de commissie voor EU‑aangelegenheden van de Franse Assemblée nationale van 31 mei 2017 (referentie 2017/058) en van de vaste commissie voor Europese Zaken van de Nederlandse Tweede Kamer der Staten-Generaal van 22 december 2017 (letter A(2018)1067),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A8‑0127/2018),

A.  overwegende dat de nationale parlementen actief bijdragen tot een goede constitutionele werking van de Europese Unie (artikel 12 VEU), en zo een belangrijke rol spelen met betrekking tot haar democratische legitimiteit en de optimale verwezenlijking daarvan;

B.  overwegende dat de parlementaire verantwoordingsplicht van de nationale regeringen in het kader van Europese aangelegenheden, dat afhankelijk is van verschillende nationale werkwijzen, de hoeksteen is van de rol van de nationale parlementen in het huidige Europese Verdrag;

C.  overwegende dat de nationale parlementen met het oog op een grotere eigen inbreng de nationale regeringen moeten controleren, net zoals het Europees Parlement de Europese uitvoerende macht controleert; overwegende echter dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan wat betreft het niveau van invloed van nationale parlementen op nationale regeringen;

D.  overwegende dat de nationale parlementen hun beperkte betrokkenheid bij EU‑aangelegenheden vaak betreuren en meer bij de ontwikkeling van het Europese integratieproces willen worden betrokken;

E.  overwegende dat een gebrek aan transparantie in de wetgevings- en besluitvormingsprocessen van de EU de prerogatieven van de nationale parlementen uit hoofde van de Verdragen en de desbetreffende protocollen, en met name hun rol als waakhond van de regeringen, dreigt te ondermijnen;

F.  overwegende dat het pluralisme van de nationale parlementen de Unie bijzonder ten goede komt, aangezien de afstemming van de verschillende politieke standpunten in de lidstaten de transversale debatten op Europees niveau kan versterken en verbreden;

G.  overwegende dat de ondervertegenwoordiging van parlementaire minderheden in Europese aangelegenheden moet worden gecompenseerd, met volledige inachtneming van de meerderheden in elk nationaal parlement en in overeenstemming met het beginsel van evenredige vertegenwoordiging;

H.  overwegende dat de nationale parlementen een rol spelen bij iedere herziening van de EU‑Verdragen en onlangs zijn gevraagd deel te nemen aan een reeks democratische EU‑fora;

I.  overwegende dat een Europese publieke ruimte kan worden gestimuleerd door een reeks fora over de toekomst van Europa, die georganiseerd zouden moeten worden door de nationale parlementen en het Europees Parlement, als natuurlijke vertegenwoordigers van het Europese volk; overwegende dat dergelijke fora zouden kunnen uitmonden in een Europese week, gedurende welke de nationale parlementaire kamers tegelijkertijd over Europese aangelegenheden zouden discussiëren met commissarissen en leden van het Europees Parlement;

J.  overwegende dat uit recente verkiezingstendensen blijkt dat de economische, financiële en sociale crises het wantrouwen en de teleurstelling van de EU-burger ten aanzien van het huidige democratische vertegenwoordigingsmodel, zowel op Europees als op nationaal niveau, hebben vergroot;

K.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van het recht van de nationale parlementen om de naleving van het subsidiariteitsbeginsel te controleren aan de hand van het zogenoemde systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) de betrekkingen tussen de EU‑instellingen en de nationale parlementen gedeeltelijk heeft verbeterd;

L.  overwegende dat de nationale parlementen soms kritiek uiten ten aanzien van het EWS, waarbij ze aanvoeren dat de bepalingen niet gemakkelijk in praktijk te brengen zijn en geen breed toepassingsgebied hebben;

M.  overwegende dat vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het EWS, zoals blijkt uit de laatste cijfers in verband met het totale aantal adviezen dat in het kader van de politieke dialoog is geformuleerd door de nationale parlementen; overwegende dat uit het beperkte gebruik van de gelekaartprocedure en de ondoeltreffendheid van de oranjekaartprocedure blijkt dat er nog ruimte voor verbetering is en dat in dit verband betere coördinatie tussen de nationale parlementen mogelijk is;

N.  overwegende dat de in artikel 4 van Protocol nr. 1 vastgelegde termijn van acht weken ontoereikend is gebleken voor een tijdige controle van de naleving van het subsidiariteitsbeginsel;

O.  overwegende dat het EWS kan worden aangevuld door het systeem dat nationale parlementen momenteel in staat stelt constructieve voorstellen ter overweging bij de Commissie in te dienen, met inachtneming van het initiatiefrecht van de Commissie;

P.  overwegende dat verscheidene nationale parlementen belangstelling hebben getoond voor een instrument ter verbetering van de politieke dialoog, waarmee zij de mogelijkheid zouden krijgen om de Commissie constructieve voorstellen ter behandeling te geven, met inachtneming van het initiatiefrecht van de Commissie;

Q.  overwegende dat de nationale parlementen te allen tijde advies kunnen uitbrengen in het kader van de politieke dialoog, hun regeringen kunnen opdragen de opstelling van wetgevingsvoorstellen via de Raad te eisen of, in overeenstemming met artikel 225 VWEU, eenvoudigweg het Parlement kunnen verzoeken om voorstellen in te dienen bij de Commissie;

R.  overwegende dat de invoering van een rodekaartprocedure in dit stadium van het Europese integratieproces niet denkbaar is;

S.  overwegende dat het brede scala aan informatierechten waarin het Verdrag van Lissabon voorziet, kan worden uitgebreid door de nationale parlementen meer tijd en middelen te geven om de documenten die hun door de Europese instellingen worden toegezonden te verwerken;

T.  overwegende dat IPEX, een platform voor voortdurende informatie-uitwisseling tussen de nationale parlementen onderling en tussen de nationale parlementen en de Europese instellingen, verder moet worden uitgewerkt in overeenstemming met zijn digitale strategie, waarin het Europees Parlement een belangrijke ondersteunende rol vervult;

U.  overwegende dat de interinstitutionele samenwerking is verbeterd na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en het zogeheten Barroso-initiatief – de politieke dialoog die de Commissie in september 2006 heeft opgestart en die de nationale parlementen de mogelijkheid biedt opmerkingen, positieve feedback of kritiek te geven over voorstellen van de Commissie;

V.  overwegende dat de nationale parlementen zich soms beklagen over hun betrekkingen met de Europese Unie, waarbij ze aanvoeren dat die te complex zijn;

W.  overwegende dat de nationale parlementen over relevante bevoegdheden beschikken op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht overeenkomstig de artikelen 70, 85 en 88 VWEU en daarom een belangrijke rol moeten krijgen in de toekomst van het veiligheids- en defensiebeleid van de Unie;

X.  overwegende dat er meer nationale en Europese parlementaire controle moet komen op het beleid inzake begroting en economie, genomen besluiten en governance op EU‑niveau;

Y.  overwegende dat de manier waarop de nationale parlementen in de toekomst zullen worden betrokken bij handelsovereenkomsten is veranderd door de uitspraak van het Hof van Justitie van 16 mei 2017 over de gemengde aard van de handelsovereenkomst tussen de EU en Singapore;

Z.  overwegende dat betere interactie en informatie-uitwisseling tussen EP-leden en nationale parlementsleden en ook tussen ambtenaren van nationale parlementen zouden kunnen bijdragen tot een beter toezicht op het Europees debat op nationaal niveau, en zo een daadwerkelijk Europese parlementaire en politieke cultuur zouden bevorderen;

Controle van overheidsactiviteiten in Europese aangelegenheden

1.  is van mening dat de tenuitvoerlegging van de rechten en plichten van de nationale parlementen die voortvloeien uit het Verdrag van Lissabon hun rol binnen het Europese constitutionele kader heeft uitgebreid en zodoende heeft gezorgd voor meer pluralisme, democratische legitimiteit en een betere werking van de Unie;

2.  erkent dat de nationale regeringen democratische verantwoording verschuldigd zijn aan de nationale parlementen, zoals vastgelegd in artikel 10, lid 2, VEU, in overeenstemming met hun nationale constitutionele bestel; is van mening dat deze verantwoordingsplicht de hoeksteen is van de rol van de nationale parlementaire kamers in de Europese Unie; spoort de nationale parlementen aan ten volle gebruik te maken van hun Europese functie om rechtstreeks invloed en controle uit te oefenen op de inhoud van het Europees beleid, met name via toezicht op de nationale regeringen in hun hoedanigheid van leden van de Europese Raad en de Raad;

3.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de nationale parlementen voldoende tijd, capaciteit en de nodige toegang tot informatie krijgen om hun grondwettelijke rol te vervullen en de activiteiten van de nationale regeringen te controleren en dus te legitimeren wanneer deze regeringen op Europees niveau handelen, in de Raad dan wel in de Europese Raad; erkent dat deze Europese rol moet worden uitgevoerd in volledige overeenstemming met de respectieve grondwettelijke tradities van de lidstaten; is van oordeel dat de huidige uitwisseling van optimale werkwijzen en interactie tussen nationale parlementen moet worden versterkt en bevorderd om deze rol te behouden en te consolideren;

4.  is van mening dat transparantie wat betreft de werkmethoden en de besluitvormingsprocedures van de EU-instellingen een randvoorwaarde vormt om de nationale parlementen in staat te stellen hun institutionele rol die voortvloeit uit de Verdragen op doeltreffende wijze te vervullen; verzoekt de nationale parlementen voorts ten volle gebruik te maken van hun respectieve bevoegdheden om het optreden van regeringen op EU-niveau te controleren, onder meer door hun interne organisatie, tijdschema's en reglementen op dit gebied aan te passen; pleit voorts voor een uitwisseling van optimale werkwijzen tussen nationale parlementen, regelmatige debatten tussen de respectieve ministers en gespecialiseerde commissies in de nationale parlementen voor en na de vergaderingen van de Raad en de Europese Raad, en regelmatige vergaderingen tussen nationale parlementsleden, leden van de Commissie en Europees Parlement‑leden;

5.  is van mening dat moet worden vermeden dat de lidstaten te ver gaan bij de omzetting van Europese wetgeving, en dat de nationale parlementen hierbij een cruciale rol te vervullen hebben; wijst er tegelijkertijd op dat dit het recht van de lidstaten op de toepassing van non-regressieclausules onverlet laat, alsook het recht om op nationaal niveau bijvoorbeeld strengere sociale en milieunormen vast te stellen;

6.  toont zich weliswaar voorstander van een versterkte en politieke dialoog met de nationale parlementen en is zich bewust van de noodzaak om de parlementaire participatie te vergroten, maar wijst erop dat besluiten moeten worden genomen op het niveau van de constitutionele bevoegdheden, waarbij de duidelijke afbakening van de respectieve besluitvormingsbevoegdheden van de nationale en Europese organen in acht wordt genomen;

7.  merkt op dat het Europees Parlement en de nationale parlementen nauwer betrokken moeten worden bij het Europees Semester, en beveelt aan om de begrotingskalenders op nationaal en Europees niveau tijdens het gehele proces beter te coördineren om een doeltreffender gebruik van dit instrument te bevorderen; brengt voorts in herinnering dat het afstemmen van het Europees semester op de agenda's van de nationale parlementen verder zou kunnen bijdragen tot de coördinatie van het economisch beleid, maar benadrukt hierbij dat dit afstemmen moet gebeuren zonder de bevoegdheden voor zelfbestuur en het specifieke reglement van orde van elke parlementaire kamer uit het oog te verliezen;

8.  stelt voor om op nationaal niveau een periode van budgettaire dialoog in te stellen, gedurende welke de nationale parlementen het Europees semester kunnen bespreken en eraan kunnen bijdragen door hun eigen regeringen een mandaat te geven in hun betrekkingen met de Commissie en de Raad;

9.  onderstreept dat op de laatste plenaire vergadering van de Conferentie van parlementaire commissies voor Unieaangelegenheden (COSAC) in Tallinn is erkend dat de meeste nationale parlementen plenaire vergaderingen actief bijwonen om EU‑aangelegenheden te bespreken, hetzij met regelmatige tussenpozen, hetzij op ad‑hocbasis, en dat een groter aantal plenaire debatten over EU-aangelegenheden de Unie een grotere zichtbaarheid geeft en de burgers de kans geeft meer te weten te komen over de agenda van de EU en de standpunten van politieke partijen over deze kwesties;

Totstandbrenging van een Europese publieke ruimte

10.  merkt op dat de afstemming van verschillende politieke standpunten in de lidstaten de transversale debatten op Europees niveau kan versterken en verbreden; beveelt daarom aan dat de nationale parlementaire delegaties die optreden voor de Europese instellingen een afspiegeling vormen van de politieke diversiteit; benadrukt in dit verband het belang van het beginsel van evenredige vertegenwoordiging van leden van verschillende politieke partijen;

11.  merkt op dat de bindende wil van de parlementaire meerderheden tot uiting zou kunnen worden gebracht in de adviezen die de nationale parlementen binnen of buiten het kader van het EWS indienen; is evenwel voorstander van het idee om nationale parlementaire politieke minderheden de kans te geven afwijkende standpunten te uiten, die vervolgens opgenomen zouden kunnen worden in de bijlagen bij deze adviezen; meent dat deze adviezen moeten worden ingediend met volledige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en in overeenstemming met het reglement van orde van elke nationale parlementaire kamer;

12.  neemt nota van de recente oproep tot een reeks democratische conventies in heel Europa; gelooft in dit opzicht dat de instelling van een jaarlijkse Europese week leden van het Europees Parlement en commissarissen, met name vicevoorzitters die bevoegd zijn voor clusters, in staat zou stellen de Europese agenda ten overstaan van alle nationale parlementen te bespreken en toe te lichten, samen met parlementsleden en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; stelt voor zijn eigen reglement van orde te herzien om het initiatief te kunnen steunen, en moedigt de nationale parlementen aan hetzelfde te doen; is voorts van mening dat vergaderingen tussen nationale en Europese fracties in het kader van interparlementaire samenwerking in de EU toegevoegde waarde zouden kunnen opleveren in de vorm van een echt Europees politiek debat;

Ondersteuning van een hervorming van het EWS

13.  benadrukt het feit dat er zelden gebruik is gemaakt van het EWS sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, en is van mening dat het binnen het huidige constitutionele kader kan worden herzien;

14.  merkt op dat voorbeelden als de inwerkingstelling in 2016 van de gelekaartprocedure in verband met het Commissievoorstel voor de herziening van de richtlijn betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers aantonen dat het EWS werkt; onderstreept dat het beperkte gebruik van de gelekaartprocedure zou kunnen betekenen dat het subsidiariteitsbeginsel over het algemeen wordt geëerbiedigd binnen de EU; is daarom van mening dat procedurele tekortkomingen in het EWS niet beschouwd moeten worden als sluitend bewijs dat het beginsel van subsidiariteit niet wordt nageleefd; brengt voorts in herinnering dat nationale parlementen tussenbeide mogen komen en kunnen nagaan of het subsidiariteitsbeginsel wordt nageleefd voordat de Commissie een wetgevingsvoorstel indient in de vorm van groenboeken en witboeken, of voordat zij de jaarlijkse presentatie van haar werkprogramma houdt;

15.  herinnert eraan dat de Commissie bij elk nieuw wetgevingsinitiatief verplicht is na te gaan of de EU het recht heeft maatregelen te nemen en of deze maatregelen wel gerechtvaardigd zijn; benadrukt voorts dat eerdere ervaringen hebben laten zien dat het trekken van een lijn tussen de politieke dimensie van het subsidiariteitsbeginsel en de juridische dimensie van het evenredigheidsbeginsel soms lastig en problematisch is; verzoekt de Commissie dan ook om in haar antwoorden op gemotiveerde adviezen die binnen of buiten het kader van het EWS worden ingediend niet alleen aandacht te besteden aan haar uitlegging van het subsidiariteitsbeginsel, maar ook in te gaan op de evenredigheid en, in voorkomend geval, op eventuele bezorgdheid over voorgestelde beleidskeuzen;

16.  erkent het verzoek van de nationale parlementen om verlenging van de termijn van acht weken waarbinnen zij een gemotiveerd advies kunnen indienen overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 1; onderstreept echter dat het huidige Verdragskader niet in een dergelijke verlenging voorziet; is daarom van mening dat de Commissie in het kader van het EWS een technische kennisgevingstermijn moet vaststellen, om zo te voorzien in extra tijd tussen de datum waarop de nationale parlementaire kamers een ontwerp van wetgevingshandeling technisch gezien ontvangen en de datum waarop de periode van acht weken begint; herinnert er in dit verband aan dat de Commissie in 2009 andere praktische regelingen heeft ingevoerd voor de toepassing van het subsidiariteitscontrolemechanisme;

17.  neemt kennis van het verzoek van bepaalde nationale parlementen om verlenging van de termijn van acht weken waarbinnen zij een gemotiveerd advies kunnen indienen overeenkomstig artikel 6 van Protocol nr. 2;

18.  pleit, in overeenstemming met de politieke dialoog die in 2016 door de Commissie is opgestart, voor het volledig gebruik van het systeem waarbij de nationale parlementen constructieve voorstellen kunnen indienen bij de Commissie met als doel het Europees debat en de initiatiefbevoegdheid van de Commissie positief te beïnvloeden; stelt in dit verband voor dat de Commissie over de beoordelingsvrijheid beschikt om ofwel deze voorstellen mee te nemen, ofwel een formeel antwoord uit te spreken waarbij zij de redenen uiteenzet om de voorstellen niet op te volgen; wijst erop dat een dergelijke procedure niet kan bestaan uit een recht om initiatieven in te dienen of een recht om wetgeving in te trekken of te wijzigen, aangezien dit de Uniemethode en de verdeling van de bevoegdheden tussen het nationale en het Europese niveau zou ondergraven en derhalve in strijd zou zijn met de Verdragen; pleit er tegelijkertijd voor om er in het geval van een toekomstige herziening van de Verdragen voor te zorgen dat het recht van wetgevend initiatief het Europees Parlement toekomt, als rechtstreekse vertegenwoordiger van de EU-burger;

Uitoefening van het recht op informatie

19.  herhaalt dat artikel 12 VEU en Protocol nr. 1 de nationale parlementen het recht geven om rechtstreeks informatie te ontvangen van de Europese instellingen;

20.  benadrukt dat de nationale parlementen de op grond van het EWS of hun recht op informatie aan hen toegezonden informatie beter zouden kunnen verwerken indien het IPEX-platform de betekenis zou krijgen van een agora of forum voor een informele permanente dialoog tussen de nationale parlementen onderling en tussen de nationale parlementen en de Europese instellingen; besluit daarom het gebruik van het platform te bevorderen om de politieke dialoog te intensiveren; beveelt aan dat nationale parlementen tijdig gebruikmaken van het IPEX-platform om het nationale controlemechanisme in een vroeg stadium te kunnen opstarten; beveelt aan IPEX te gebruiken als een kanaal om systematisch informatie uit te wisselen en bezwaren op het vlak van subsidiariteit in een vroeg stadium op te sporen; ziet mogelijkheden om IPEX om te vormen tot het belangrijkste kanaal voor de wederzijdse communicatie en uitwisseling van relevante documenten tussen de EU-instellingen en de nationale parlementen, en verbindt zich er in dit verband toe ondersteuning te bieden aan de administratieve diensten van de nationale parlementaire kamers om ze te leren werken met het platform; pleit daarom voor meer uitwisselingen tussen de ambtenaren van instellingen en van fracties binnen de administratieve diensten van het Europees Parlement en de nationale parlementen;

Streven naar betere interinstitutionele samenwerking

21.  neemt kennis van de bestaande samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in de COSAC, in de Interparlementaire Conferentie over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB-IPC) en in het kader van artikel 13 VSCB; benadrukt dat deze samenwerking moet worden uitgewerkt op basis van de beginselen van consensus, informatie-uitwisseling en overleg, zodat de nationale parlementen controle kunnen uitoefenen op de respectieve regeringen en overheden;

22.  wijst er echter nogmaals op dat het huidige kader voor de betrekkingen tussen de Unie en de nationale parlementen zou kunnen worden vereenvoudigd en geharmoniseerd om het efficiënter en doeltreffender te maken; dringt in dit verband aan op een evaluatie van de samenwerking tussen de Unie en haar nationale parlementen in alle bestaande platforms en fora, met als doel om deze betrekkingen te versterken en aan te passen aan de huidige behoeften; dringt evenwel aan op een duidelijke afbakening van de besluitvormingsbevoegdheden tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement, waarbij de nationale parlementen hun Europese taak moeten uitoefenen op basis van hun nationale grondwetten, in het bijzonder door controle uit te oefenen op leden van hun nationale overheden als leden van de Europese Raad en de Raad, hetgeen het niveau is waarop zij het best geplaatst zijn om toezicht te houden op het Europese wetgevingsproces; kant zich daarom tegen het creëren van gezamenlijke parlementaire besluitvormingsorganen uit overwegingen van transparantie, verantwoording en slagkracht;

23.  wijst erop dat de versterking van de politieke en technische dialoog tussen de parlementaire commissies op zowel nationaal als Europees niveau een zeer productieve stap in de richting van volledige interparlementaire samenwerking zou zijn; overweegt de mogelijkheid om bijkomende middelen toe te wijzen om dit doel te verwezenlijken en waar mogelijk gebruik te maken van videoconferentie;

24.  erkent het belang van de interparlementaire commissievergaderingen zoals vastgelegd in de artikelen 9 en 10 van Protocol nr. 1; is van oordeel dat de interinstitutionele samenwerking kan worden verbeterd als de leden van het Europees Parlement en de nationale parlementen meer belang zouden hechten aan de interparlementaire commissievergaderingen, en deze in nauwere samenwerking zouden worden voorbereid;

25.  raadt aan de nationale parlementen volledig te betrekken bij de voortdurende ontwikkeling van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; is van mening dat deze betrokkenheid in nauwe samenwerking met het Europees Parlement en met volledige eerbiediging van de bepalingen betreffende veiligheids- en defensiebeleid in de nationale grondwetten moet worden bevorderd, onder meer via gezamenlijke interparlementaire vergaderingen tussen vertegenwoordigers van de nationale parlementen en leden van het Europees Parlement en aan de hand van een politieke dialoog tussen een volledig ontwikkelde Commissie veiligheid en defensie in het Europees Parlement en de overeenstemmende parlementaire commissies op nationaal niveau; wijst op de mogelijkheden die dit biedt voor neutrale EU‑lidstaten om constructieve controle te kunnen uitoefenen op dit vlak;

26.  is van oordeel dat een versterking van de politieke en wetgevingsdialoog tussen en met de nationale parlementen de verwezenlijking van de in het interinstitutionele akkoord "Beter wetgeven" uiteengezette doelstellingen ten goede zou komen;

o
o   o

27.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 200 van 30.6.1997, blz. 153.
(2) PB C 284 E van 21.11.2002, blz. 322.
(3) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 94.
(4) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 40.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0049.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0050.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0048.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0421.

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2018Juridische mededeling